III.IN HET TERPENLAND.

[Inhoud]IN HET TERPENLAND.III.IN HET TERPENLAND.Luilak 1915 in den namiddag trapten we met ons beidjes, alweer tegen den wind, uit Leeuwarden den Stienser straatweg op met Ferwerd (53) tot doel, of liever de buurten Hooge Beintum (51,52) en Oosterbeintum, want ik wou daar zien, hoe het eigenlijk gesteld is met het binnenste van een terp. Ge weet wel, dat de lui in de kleistreken van Friesland en Groningen zoowat duizend jaar lang op dergelijke vluchtheuvels hebben gewoond, eer ze talrijk en krachtig genoeg waren, om, min of meer eendrachtig samenwerkend, het land door dijken te beschermen tegen wat wij zoo graag noemen het woeden der baren. In het geheel zijn er daar in het Noorden wel meer dan vijfhonderd van die terpen of wierden geweest, vele zóó groot, dat er mettertijd steden en dorpen op gebouwd konden worden, denk maar aan Leeuwarden en Bolsward en we zullen er zoo nog wel een stuk of twintig ontmoeten. Ze bestaan uit klei en uit allen mogelijken afval van het menschelijk bedrijf van lang vervlogen eeuwen, zoodat die terpaarde buitengewoon vruchtbaar is en zelfs bij wijze van mest vergraven en vervoerd wordt, om elders schrale gronden te verbeteren. Dat gebeurt in den laatsten tijd zeer druk en zooveel is die terpaarde waard, dat men met de afgraverij nog voordeel heeft, wanneer huizen, zelfs halve of heele dorpen, die op de terp staan, moeten worden afgebroken. Dan vindt je later een nieuw huis of een nieuw dorp op den beganen grond. Soms blijft alleen de kerk over met het kerkhof, een andermaal alleen de toren, zooals we in ons vorig hoofdstuk zagen in Oosterwierum. Het spreekt van zelf, dat bij het afgraven allerlei oude rommel, zelfs kostbaarheden te voorschijn komen. Die gaan soms verloren of raken verstrooid, maar duizenden zijn er oordeelkundig ingezameld en worden nu bewaard in het Friesch museum[36]te Leeuwarden. Voor we onzen tocht begonnen, hadden wij ze daar bekeken en daardoor was ik niet weinig belust geraakt, om op mijn eigen houtje daar in het hooge Noorden ook de schatgraverij te gaan beoefenen.Vooruit dus langs den straatweg onder de mooie hooge iepen. Die houden echter na een Kilometer of vier plotseling op. We zijn daar aan de grens van hetstadsgebiedvan Leeuwarden en betreden nu de gemeente Leeuwarderadeel. Juist bij de grens ligt de uitspanning de Bonte Koe, dat is voor Leeuwarden zoowat net wat de Platvoet is voor Deventer. Nu hebben we weer rechts het oude land vol dorpen en boomen, links de effen grasvlakte van de voormalige Middelzee. De polders heeten de Nieuwe landen, al zijn ze ook zeshonderd jaar oud. Het stuk van Leeuwarden, dat Nieuwstad heet, is ook op dergelijk Nieuwland gebouwd en ontleent daaraan zijn naam. De dorpjes rechts, het drietal Jelsum (49), Cornjum en Britsum, zijn ook wel een bezoek waard. Hun terpen zijn voor het grootste deel afgegraven. In Jelsum vinden we een behalve een aardig kerkje (117) mooie oude stins, Dekema state (105) en de Jelsummers beweren, dat dat nu het echte huis is geweest van de echte Roos vanDekama. ’t Is natuurlijk erg pleizierig, om te meenen, dat dat mooie meisje werkelijk heeft bestaan en dan wil je ook weten, waar ze geleefd heeft. Nu krioelt Friesland echter van Dekemastate’s en evenals zeven Grieksche steden elkander de eer betwisten van Homerus’ geboorteplaats geweest te zijn, zoo redekavelde men in Friesland over de plek waar onze Roos haar wieg eens stond. Als dat nu dieDekemastatein Jelsum is geweest, dan had ze meteen gezellige buren gehad, want een kwartiertje verder, in Cornjum stond de beroemde Martena-State en de Martena’s moeten aardige lui geweest zijn. Hun huis is echter verdwenen, maar tuin en park bestaan nog en onder hoede der kerk zijn ze geworden tot een aangename openbare wandelplaats. De Friezen zijn van oudsher echte liefhebbers van boomen en bloemen geweest, zeker wel omdat er van nature zoo weinig in hun land groeiden en zoo komt het, dat men tegenwoordig op die oude wandelingen nog altijd allerlei mooie plantjes vindt: winteraconiet, helmbloempje, vooral de zeldzame holle helmbloem, aronskelken, Haarlem’s klokkenspel en allerhande moois. Dat bosch van Martena is ook nog merkwaardig, doordat er reigers nestelen, eertijds in zóó groot aantal, dat het wandelen er minder aangenaam werd door al het vuil en de stank, die aan zoo’n nestplaats eigen zijn. Thans is dat weer wat beperkt. Britsum ligt wat verderaf, het heeft een mooi antiek kerkje en ligt ook aardig in het hout; wij laten het rechts liggen en naderen nu langs den kalen, maar toch lang niet vervelenden weg het aanzienlijke Stiens (50), dat ook al op een terp ligt, de groote kerk met zijn forschen toren op het hoogste punt. Wij zijn er gauw door heen, en nu volgen, ik had haast geschreven in snelle volgorde, maar de tegenwind was heusch te bar, nog allemaal van die terpdorpen: Hyum, Hallum (72) en Marrum, het laatste al zeer duidelijk. En overal in het rond ontdekken we nog van die platte heuveltjes, sommige met een huis erop, andere zonder. Tusschen twee van die terpen door bereiken we eindelijk het aanzienlijkste terpdorp in deze streek: Ferwerd (53), de hoofdplaats van Ferwerderadeel, want bij het bruggetje over de Hyumertrekvaart zijn we weer in een nieuwe gemeente gekomen.[37]49 JELSUM49 JELSUM50 STIENS—DE HAVEN50 STIENS—DE HAVEN51 HOOGE BEINTUM VAN DE WESTZIJDE51 HOOGE BEINTUM VAN DE WESTZIJDE52 HOOGE BEINTUM VAN DE OOSTZIJDE52 HOOGE BEINTUM VAN DE OOSTZIJDE53 FERWERD53 FERWERD54 MARIËNGAARDE BIJ HALLUM54 MARIËNGAARDE BIJ HALLUMEDZARD KONING[38]55 HALLUMERHOEK—OOSTZIJDE55 HALLUMERHOEK—OOSTZIJDE56 HALLUMERHOEK—WESTZIJDE56 HALLUMERHOEK—WESTZIJDE57 OUDE BILDTZIJL—HAVENTJE57 OUDEBILDTZIJL—HAVENTJE58 HET BILDT—WEIDE EN ZAADVELDEN58 HET BILDT—WEIDE EN ZAADVELDEN59 ZOMERAVOND IN DE NOORDERKEEGEN59 ZOMERAVOND IN DE NOORDERKEEGEN60 ST. ANNA PAROCHIE60 ST. ANNA PAROCHIEEDZARD KONING[39]Dit Ferwerd is een zeer indrukwekkend terpdorp. Op de hoogste plaats bevindt zich het kerkhof, door een laag muurtje omgeven, en de geweldige kerk met zijn trotschen toren, grijs van tint en begroeid met korstmossen en muurvarens. Als de huizen rondom het uitzicht niet belemmerden, zou men van het kerkhof al wel over den zeedijk heen de grijze Wadden kunnen aanschouwen, want men staat hier hooger dan de dijk en ’t is dus wel te begrijpen, dat in vroeger eeuwen bij stormvloeden menschen en vee hier een toevlucht konden vinden.De oude Plinius, die het van tijdgenooten weten kon, schrijft dan ook: „Een uitgestrekte streek wordt daar bij tusschenpoozen tweemaal, des daags en des nachts, door den Oceaan overstroomd, zoodat men bij dezen eeuwigen strijd in den gang der natuur er aan twijfelt, of de bodem tot de aarde dan wel tot de zee behoort. Daarop wonen armzalige menschen, die hooge aardhoopen bezitten of verhevenheden, met handen gemaakt, tot op de uit ervaring bekende hoogte van den hoogsten vloed, en daarop hun hutten plaatsen. Zij gelijken op zeevarenden, als water de omgeving bedekt, op schipbreukelingen, als de wateren teruggeweken zijn; zij maken dan ook jacht om hun hutten op de visschen, die met de ebbe weer weggevoerd worden. Zij hebben geen vee en geen melk, zooals hun naburen. Zij kunnen zelfs geen strijd voeren met de wilde dieren, want alle struikgewas is ver weg. Zij vlechten van zeewier en waterbiezen touwwerk tot netten ter vischvangst. Het slijk, dat zij met de handen grijpen, drogen zij meer in den wind dan in de zon. Met deze aarde verwarmen zij hun spijzen en hun door den noordenwind verstijfde ingewanden. Hun eenige drank is regenwater bewaard in putten bij den ingang van hun huis.” Geen vroolijk tafereel, zooals ge ziet, al heeft Plinius ter wille van de schilderachtigheid van het geval misschien een beetje overdreven. Ook weten wij, door wat er alzoo in de terpen is gevonden, dat hun bewoners welvaart en zelfs weelde hebben genoten.Den volgenden morgen gingen wij in ’t zonnetje (trots Plinius) langs een alleraardigst binnenpad van Ferwerd naar Hooge Beintum (51,52), dat zich als een prachtige boomgroep hoog in de lucht verhief. Wij hadden wel tien meter steil te klimmen eer wij het overschot van het dorp hadden bereikt met het zeer oude kerkje en dicht begroeid kerkhof, beschaduwd door zware iepen. Allerlei vogels zongen vroolijk en de vlugge huiszwaluwtjes vlogen af en aan. Die hadden hun nesten gebouwd onder de daklijst en in de spitsbogen van de hooge kerkramen. Die kerk heeft daar al langer dan achthonderd jaar gestaan zij is hoofdzakelijk gebouwd van tufsteen, aangevoerd uit verre landen, want eerst in de dertiende eeuw zijn de Friezen zelf hun baksteenen gaan fabriceeren, waar ze thans heel veel aan doen.Wij liepen om de kerk heen en ook achterom de huisjes (101) van het dorp, waar men een prachtig uitzicht heeft over de kleistreek, den zeedijk, de schorren en de Waddenzee met in de verte de witte duinen van Ameland. Langs de oostzijde ging het pad weer steil omlaag en daar konden we ook den recht afgegraven kant zien; tien meter hoog, duidelijk bestaande uit drie lagen: de bovenste gele terpaarde, de middelste zwarte en de laagste de blauwe terpengrond. Verder wandelend kwamen we aan een oude state, Harsta-state[40](68), omgeven door een vierkante gracht, hooge boomen, aan den ingang een mooie oude lindelaan met op den grond veel boschbloemen, o.a. het Haarlems klokkenspel, dat je ook in den Haarlemmerhout vindt. Het was een echt woudplekje. Nu ging het verder op Oosterbeintum aan en daar hebben we in den versch afgegraven kant een poosje zitten krabbelen. Ons bleek daar, dat die oude luidjes van tweeduizend jaar geleden, behalve van visch ook nog smulden van de lagere dieren der zee, met name van kokkels, waarvan we heele opeenhoopingen van schelpen vonden midden in den ouden mest. Dan vond ik nog stukken plank en balkjes, afkomstig van de regenputten, waar Plinius het over heeft en ook velerlei potscherven, maar ongelukkig niet een versierde. Daar had zeker een bijzonder armoedig gezin gehuisd. Intusschen hadden ze wel een kat, tenminste ik vond er een onderkaak, heel mooi en gaaf, maar prachtig blauw. Ik heb dat ding meegenomen als het onderkaakje van een tijdgenoot van Keizer Karels hond. Trouwens ik vond er ook honde- en schapebeenderen. Intusschen hebben andere, knappere zoekers nog heel wat meer gevonden: beenderen van den oeros, en van herten, reeën, vossen, waaruit de gevolgtrekking te maken is, dat de oude terpbewoners wel op jacht gingen op de hoogere gronden in de bosschen van Murmurwoude of Veenwouden of nog hoogerop. Ook gouden sieraden en beenen of gebakken kralen zijn er gevonden en in de terp van Hooge Beintum een geraamte in een uitgeholden boomstam, dat is de oudste vorm van doodkist. Dit kunt ge allemaal in het Friesch museum gaan bekijken, maar verzuim dan toch vooral niet, om ook eens een terp te bezoeken, waar men juist aan het afgraven is. Wij hebben die paar dagen daar in Ferwerd buitengewoon genoten.Ook hoorden wij daar vertellen, dat er tegenwoordig op de groene kwelders buitendijks ook nu nog wel terpen worden gebouwd, niet zoozeer als vluchtheuvels voor het vee, want dat kan zich op den dijk wel redden, als ter bescherming van de drinkdobben, waarin het water anders bij vloed verzouten zou. Om dat te bekijken, maakten wij nog eens een apart ritje, weer uit Leeuwarden over Stiens (50), maar dan meer naar links over Finkum en Hallumerhoek (55) op de Friesche Wadden aan. Dat is ook een mooie tocht geworden, we noemen het den tocht der verdwenen kloosters. Even voorbij Finkum toch ligt rechts van den weg ietwat in de hoogte een groote mooie boerderij, die heet KloosterMariëngaarde(54). Van een klooster is daar echter niets te zien, dat is in het begin van den tachtigjarigen oorlog vernield. De terp waar het op stond, is grootendeels afgegraven (het kanaaltje is er nog) en de afgravers hebben grooten tegenspoed gehad met al de oude steenen en fondamenten, die ze daar te verwerken kregen inplaats van terpaarde. Het klooster is in 1163 gesticht door den toenmaligen pastoor van Hallum, die als eerste abt Frederik het al dadelijk tot grooten bloei bracht. Ongeveer om dien tijd was ook de zeedijk gelegd en de monniken vanMariëngaardehebben al dadelijk zich er mee bezig gehouden, om stukken van de Middelzee in te polderen, die heeten nu nog de Oud- en Nieuw-munnikbiltpolders. Naderhand zijn die inpolderingen voortgezet en daar is men nu nog altijd mee bezig, zooals wij zien zouden.[41]Wij hadden ons voorgenomen, om de drinkdobben te gaan bekijken in de Noorderleegster Buitenkoggen, zooals op de kaart dat buitenland heette. Even voorbij het schilderachtige Hallumerhoek (56) boog de weg westwaarts om, die ons er brengen zou en dat ging allemaal puikbest. De weg eindigde, zooals dat ook op de kaart stond aangegeven, en wij stapten af om den hoogen zeedijk op te klimmen. Toen we bovenop waren aangekomen, zagen wij echter dat ons buitenland geen buitenland meer was, een kwartiergaans verder noordwaarts verhief zich een nieuwe zeedijk. We gingen lekkertjes boven op den dijk in het gras liggen om uit te kijken.Terwijl ik daar zoo mijn aanteekeningen lig te maken, komt langs den dijk een man aanstappen met zoo vasten tred, dat ik dadelijk argwaan krijg en bedenk hoe ik verleden jaar eens moeite heb gehad om den Groninger zeedijk te betreden vanwege den oorlogstoestand. Zou ’t hier weer zoo zijn? We verzekeren elkaar eerst, dat het mooi weer is en dan begin ik maar ’t eerst te vragen, hoe lang deze polder al bedijkt is en hoe hij heet, en wie het heeft gedaan. Nog niet zoo heel lang geleden, is het antwoord en door een waterschap, het waterschap der Noorderkeegster buitenpollen (59). En daar (hij wijst een huis aan) ligt het polderhuis van de Noorderkeegster buitenpollen en hier—en meteen haalt hij een penning uit zijn boezem—is de politie van de Noorderkeegster buitenpollen. Daar heb je ’t, dacht ik en merk op, dat hij het hier in die kwaliteit zeker nogal rustig heeft. O neen, er komt hier wel verdacht volk (met een blik op mijn aanteekenboekje) en ook de jongens uit Leeuwarden, die als ze gezwommen hebben in zee zich wel eens willen vermaken met paardje rijden op de koeien, om weer warm te worden. En wat komt mijnheer hier doen? Ik verzeker hem, dat ik die koeien met rust zal laten en vertel hem meteen maar mijn heele historie, want ik begrijp het al, deze dijken worden door militairen en politie ook om strijd verdedigd tegen alles wat verdacht is. Nu is alles in orde en hij vertelt me van die drinkdobben, dat men die bij de inpoldering heeft laten bestaan, zelfs uitgebreid. De grootste is nu een reservoir met een molen er op en vandaar wordt het zoete water geleid naar de kleinere drinkplaatsen rondom. Als we echt buitenland willen zien, moeten we nog een half uurtje verder. We rijden nu over de grazige kruin van den ouden zeedijk, hoog boven het land, bereiken de volgende kwelder en loopen die nu af tot aan de zee. Deze kwelder wordt door de ondernemende Friezen echter ook al omkaaid en gegreppeld en de drinkdobben er in zijn ook al geen ouderwetsche terpjes meer, maar cylinders van beton, kunstig afgedekt, zoodat de koeien er wel uit kunnen drinken maar er niet in kunnen baden, zooals zij in de oude dobben wel deden. Wij dringen door tot vlak aan ’t slik, waar de zeekraal groeit en de zulte en kijken daar een kwartiertje naar de duizenden en duizenden trekvogels, die in den nazomer hun aftocht naar het zuiden volvoeren langs onze slijkerige Wadden.Dan weer op de fiets, want het middaguur nadert. Vlug rollen we eerst naar Nieuwe Bildtzijl en dan naar Oude Bildtzijl (57), waar we even pleisteren. Vlak aan den dijk staat een kerkje met een splinternieuw torentje en daar is een klein verhaal aan vast. Het blijkt, dat de Oude-Bildt-zijlenaren bij de geboorte van Prinses Juliana ontstoken waren in groote[42]geestdrift. Deze stugge Friezen hebben toen zoo hard hun klokken geluid, dat het torentje er onder bezweken is. ’t Kan wezen, dat ze me voor den gek gehouden hebben, maar ’t is me voor waar verteld en ik wil het ook graag gelooven, dat onze Koningin ervan heeft gehoord en toen flink geholpen heeft, om het torentje te herstellen. Als ik er wat te zeggen had, zou ik op dat torentje in een bescheiden hoekje laten schilderen: „Vernieuwd na 30 April 1909.”Het landschap wordt nu geheel anders dan in de terpenstreek. Nu geen kronkelende wegen meer met aardige hellingen en huisjes, knus dicht opeen geschaard rondom hun grijze kerkje op de hoogte. Neen, we hebben hier lange, rechte dijken met nog langere en rechtere dwarswegen en daarlangs liggen van afstand tot afstand de groote boerderijen, meestal ook nog met haar langen kant langs den weg heen, om alles nog langer te maken. We zijn hier nu in Het Bildt (58), het laatste stuk Middelzee, dat drooggelegd is: het Oude Bildt omstreeks 1500, het Nieuwe Bildt een eeuw later. Dat gebeurde hoofdzakelijk onder Hollandschen invloed en daardoor verschilt deze jongste der Friesche gemeenten in vele opzichten van de twee en veertig andere. Toch genoten wij ons ritje wel, vooral den hoofdweg door het Oude Bildt, dien wij bij den Prulhoek bereikten. We reden toen door de lange, haast aaneengelegen dorpen Sint Anna Parochie (60) en Sint Jacobi Parochie, terwijl we het derde van de Parochiedorpen, Lieve Vrouwe Parochie, achter ons lieten liggen.Het is hier alles landbouw (58) en we keken met kennersblik naar de tarwe, de haver en de gerst, het fijne kanariezaad en de mooie lichtblauwe bloeiende maankop. Het vlas was al voor een groot deel getrokken en men was ook bezig koolzaad te dorschen. Dat zag er allerprettigst uit. Om te beginnen stond er een heel hooge staak midden in het veld en in zijn top wapperde vroolijk onze mooie Nederlandsche vlag. Daaromheen was het een en al bedrijvigheid. Het koolzaad moet goed rijp zijn, anders deugt het niet. Maar nu behoort die plant tot de familie der kruisbloemen en die hebben voor het meerendeel de gewoonte, dat haar rijpe vruchten, ge weet wel, de hauwen, heel spoedig openspringen en dan haar zaden in het rond strooien en dan blijft er niets anders over dan het vliezige tusschenschot, zooals ge dat kent van de Judaspenningen. Er komen dus veel handigheid en overleg bij te pas, om de kostbare ronde koolzaadkorreltjes te pakken te krijgen.We zagen dan ook, hoe de koolzaadplanten op de groote zeilen bij elkaar gesleept werden en om dan de hauwen te laten openspringen werden er vier paardjes door den koolzaad-hoop heen gereden, gemend door een jongen, die bovenop het voorste blinkende paard zat. Die vlugge paarden en de vlag, de arbeiders en arbeidsters met hun blanke zeilen, het druk gedoe van karren vormden onder den blauwen zomerhemel een prachtig schouwspel, dat nog omlijst werd door een kleurigen, mild dragenden boomgaard links, en rechts een molentje in het groen. We bleven daar een minuut of tien kijken en reden toen opgewekt verder door den langen dorpsweg langs menig aanzienlijk huis en aardig groepje van arbeiderswoningen. De kerkgebouwen en torens inHetBildt hebben niet veel te beduiden, maar die van Sint Anna Parochie moeten we toch eens even aankijken, want daar is onze Rembrandt[45]getrouwd. In het kerkeboek kunt ge de aanteekening vinden: „Anno 1634, den 22 Junii, sijn in ’t houwelyck bevestiget Rembrant Hermens van Rhyn tot Amsterdam woonende, ende Saskia van Ulenborgh, nu tot Franeker woonachtich.”[43]61 FRANEKER—STADHUIS61 FRANEKER—STADHUIS62 FRANEKER—HERV. KERK EN WEESHUIS62 FRANEKER—HERV. KERK EN WEESHUIS63 FRANEKER—KORENDRAGERSHUISJE63 FRANEKER—KORENDRAGERSHUISJE64 TJUMMARUM—KERK64 TJUMMARUM—KERK65 FRANEKER—VOORSTRAAT MET MARTENAHUIS65 FRANEKER—VOORSTRAAT MET MARTENAHUIS66 FIRDGUM—TOREN66 FIRDGUM—TORENEDZARD KONING[44]67 MINNERTSGA—HAVEN EN KERK67 MINNERTSGA—HAVEN EN KERK68 HARSTA-STATE68 HARSTA-STATE69 OOSTERBIERUM69 OOSTERBIERUM70 MARSUM—HERINGA-STATE70 MARSUM—HERINGA-STATE71 DRONRIJP—TOREN71 DRONRIJP—TOREN72 HALLUM—HAVENTJE72 HALLUM—HAVENTJEEDZARD KONING[45]Van Sint Jacobi Parochie naar den Mooien Paal is maar een klein eindje en dan zijn we weer in het oude land, in Westergo, gemeente Barradeel. Warempeltjes zien we den weg weer een beetje stijgen en voor ons ligt op zijn terp het mooie dorp Minnertsga (67), alweer met een hoogen, zeer ouden zadeldaktoren, opgebouwd uit reuzenmoppen. Alleen de top is vernieuwd in 1818 en men heeft toen zeker van de gelegenheid gebruik gemaakt om een omloop aan te brengen, wat men aan dat soort van torens anders zelden aantreft. Ook het dorp is voor een groot deel vernieuwd, allemaal nieuwe huisjes en er worden er nog steeds bijgebouwd. Trouwens, dat is haast door heel Friesland zoo, en al dat bouwen en vernieuwen geeft een prettigen indruk van welvaart en bedrijvigheid.Er is in Minnertsga een aardig haventje, waar nu een aantal tjalken druk bezig waren om aardappelen te laden, die een hoofdproduct zijn van deze streek. Even buiten het dorp krijgen we weer afzonderlijke kleine terpen te zien, maar vele zijn hier ook al weggegraven. Ook van de stinsen die hier vroeger stonden, is niets meer over. Vroeger hebben hier in de buurt de Adeelen’s gehuisd; ge herinnert u Seerp van Adeelen wel uit „de Roos van Dekama”. Ik vrees, dat onze goede Jacob van Lennep met de figuur van dezen Seerp veel schuld heeft aan de glad verkeerde voorstellingen van Friesche stugheid en stijfhoofdigheid, die vele Hollanders er nog op na houden. Als je daar eens lang en scherp over gaat nadenken dan kom je tot de gevolgtrekking, dat de Hollanders er lang zoo goed niet afkomen, als de Friezen. Maar eigenlijk zijn alle vergelijkingen uit den booze.Langs een volmaakt schaduwloozen weg, wat op dezen heeten Augustusmiddag duidelijk voelbaar is, bereiken we nu het mooiste van alle terpdorpen, dat is Tjummarum (133,140). Firdgum met zijn hoogen, alleenstaanden toren (66) hebben we rechts laten liggen. De kerk van Tjummarum (64) ligt op den top van de terp en daar draait de hoofdstraat (112) in een cirkelboog mooi omheen. We waren hier weer op kerkelijk gebied, het buurtje even door Tjummarum heet de Pastoorspijp en de dwarsweg, dien we vóór Oosterbierum (69) wilden inslaan, heet de Monnikenweg. Deze monniken zijn die van het klooster Lidlum, dat nog beroemder is geweest dan dat vanMariëngaarde, maar waarvan ook alleen maar de naam is overgebleven.Nu verder door Dongjum naar het aloude Franeker (63) langs een effen grindweg, met hooge wuivende wilgen omzoomd. De trots van Franeker is de breede Voorstraat met de Breede Plaats, inderdaad met de beide kerken (62) tot achtergrond een zeer mooi stadsgezicht. Je pikt er allerlei aardige geveltjes uit in het bijzonder de beide rijk versierde Proffenhuizen en het groote oude Martenahuis (65). De eerste herinneren aan den tijd, dat Franeker een nog al beroemde Hoogeschool bezat, maar daar is nu een krankzinnigengesticht van gemaakt. Het Martenahuis is nog van vóór 1500, behalve de stoep die tweehonderd jaar jonger is. Ook het vroolijke, rijk versierde stadhuis (61) heeft een nieuwe stoep. De toren herinnert aan[46]dien van Bolsward en trouwens ook aan de Amsterdamsche torens en het gebouw zelf maakt een heel bijzonderen indruk, vooral wel doordat het een hoekhuis is. Wij misten den tijd, om de verzamelingen te bekijken, die in dit stadhuis zijn tentoongesteld. Maar wel namen wij het er van, om het Planetarium van Eyse Eysinga te gaan zien in een achterkamer van een klein eenvoudig huisje dicht bij het stadhuis. Onder ons gezegd hadden wij, onder invloed van al de nieuwe geleerdheid, niet veel verwachting van al dat ouderwetsch geknutsel. Maar we kwamen wel degelijk onder den indruk, misschien ook wel doordat de dame, die met ijzeren vastberadenheid in vele talen het geval uitlegt, ons niet losliet, voordat we alle bijzonderheden onder het oog hadden gehad. Bovendien kochten we de zeer goed gedrukte toelichting en nu weten we er alles van. Met een paar gewichten, een slinger en vier kamraderen is Eyse Eysenga, die van beroep wolkammer was, maar een groote liefde had voor wis- en sterrenkunde, er in geslaagd, om je op ieder oogenblik op de minuut af een vrij juist beeld te geven van den stand der hemellichamen, die gewoonlijk met het bloote oog te zien zijn. Eyse Eysinga is met dat werk begonnen naar aanleiding van de verslagenheid onder de bijgeloovige luidjes, doordat op 8 Mei 1774 vier planeten op een klusje bij elkaar kwamen te staan; een ongewoon feit, dat, naar hun meening, allerlei ellende met zich zou sleepen. Door middel van het Planetarium kon hij laten zien, dat die ongewone gebeurtenis heel gewoon was en telkens na eenige eeuwen moet terugkeeren, zooals wij een poosje geleden ook konden zien. Het Planetarium loopt nu gelijk met zon en maan en sterren, maar Eyse had er indertijd een kruk aan, waardoor hij de draaierij van eeuwen in een paar minuten kon laten zien, maar daar sleet het toestel te veel van. Ik kan er hier nu niet meer van vertellen, maar wel iedereen gaarne aanraden, om dat Planetarium te gaan zien. Ik wou, dat we zooiets in Amsterdam hadden.Nu frisch op weg naar Leeuwarden langs een mooien straatweg met goed fietspad. De bouwlanden maken hier plaats voor weiden. Ver naar rechts zien we den hoogen toren van Tzum, op een na de hoogste van Friesland. Dan naderen we het groote Dronrijp (71) met zijn witten toren in drie verdiepingen, zijn groote boerderijen en zijn vele fabrieken. Bovendien de geboorteplaats van Eyse Eysenga en van Alma Tadema. Naar links gaat het er boschachtig uitzien, daar liggen Menaldum en verderop de tuinen en boomgaarden van Berlikum en Beetgum, die we ongaarne onbezocht laten. Rechts zien we over de weiden Deinum, met zijn uientoren (31) en dan gaat de weg stijgen tegen de terp van Marssum op, het laatste dorp vóór Leeuwarden, waar we een half uurtje besteden om het aloudeHeringastate(70) te zien met de beroemde Poptastichting.Vandaar naar Leeuwarden is het weer een zeer aangenaam ritje, maar ik ben heusch bang, dat wij voor Leeuwarden langzamerhand een al te groote vooringenomenheid zijn gaan koesteren. Doch toen we dit jaar er weer een paar dagen moesten overblijven, was het er al weer nog prettiger en mooier dan wij verwacht hadden. Hoe komt dat toch?[48]Workum.[49]

[Inhoud]IN HET TERPENLAND.III.IN HET TERPENLAND.Luilak 1915 in den namiddag trapten we met ons beidjes, alweer tegen den wind, uit Leeuwarden den Stienser straatweg op met Ferwerd (53) tot doel, of liever de buurten Hooge Beintum (51,52) en Oosterbeintum, want ik wou daar zien, hoe het eigenlijk gesteld is met het binnenste van een terp. Ge weet wel, dat de lui in de kleistreken van Friesland en Groningen zoowat duizend jaar lang op dergelijke vluchtheuvels hebben gewoond, eer ze talrijk en krachtig genoeg waren, om, min of meer eendrachtig samenwerkend, het land door dijken te beschermen tegen wat wij zoo graag noemen het woeden der baren. In het geheel zijn er daar in het Noorden wel meer dan vijfhonderd van die terpen of wierden geweest, vele zóó groot, dat er mettertijd steden en dorpen op gebouwd konden worden, denk maar aan Leeuwarden en Bolsward en we zullen er zoo nog wel een stuk of twintig ontmoeten. Ze bestaan uit klei en uit allen mogelijken afval van het menschelijk bedrijf van lang vervlogen eeuwen, zoodat die terpaarde buitengewoon vruchtbaar is en zelfs bij wijze van mest vergraven en vervoerd wordt, om elders schrale gronden te verbeteren. Dat gebeurt in den laatsten tijd zeer druk en zooveel is die terpaarde waard, dat men met de afgraverij nog voordeel heeft, wanneer huizen, zelfs halve of heele dorpen, die op de terp staan, moeten worden afgebroken. Dan vindt je later een nieuw huis of een nieuw dorp op den beganen grond. Soms blijft alleen de kerk over met het kerkhof, een andermaal alleen de toren, zooals we in ons vorig hoofdstuk zagen in Oosterwierum. Het spreekt van zelf, dat bij het afgraven allerlei oude rommel, zelfs kostbaarheden te voorschijn komen. Die gaan soms verloren of raken verstrooid, maar duizenden zijn er oordeelkundig ingezameld en worden nu bewaard in het Friesch museum[36]te Leeuwarden. Voor we onzen tocht begonnen, hadden wij ze daar bekeken en daardoor was ik niet weinig belust geraakt, om op mijn eigen houtje daar in het hooge Noorden ook de schatgraverij te gaan beoefenen.Vooruit dus langs den straatweg onder de mooie hooge iepen. Die houden echter na een Kilometer of vier plotseling op. We zijn daar aan de grens van hetstadsgebiedvan Leeuwarden en betreden nu de gemeente Leeuwarderadeel. Juist bij de grens ligt de uitspanning de Bonte Koe, dat is voor Leeuwarden zoowat net wat de Platvoet is voor Deventer. Nu hebben we weer rechts het oude land vol dorpen en boomen, links de effen grasvlakte van de voormalige Middelzee. De polders heeten de Nieuwe landen, al zijn ze ook zeshonderd jaar oud. Het stuk van Leeuwarden, dat Nieuwstad heet, is ook op dergelijk Nieuwland gebouwd en ontleent daaraan zijn naam. De dorpjes rechts, het drietal Jelsum (49), Cornjum en Britsum, zijn ook wel een bezoek waard. Hun terpen zijn voor het grootste deel afgegraven. In Jelsum vinden we een behalve een aardig kerkje (117) mooie oude stins, Dekema state (105) en de Jelsummers beweren, dat dat nu het echte huis is geweest van de echte Roos vanDekama. ’t Is natuurlijk erg pleizierig, om te meenen, dat dat mooie meisje werkelijk heeft bestaan en dan wil je ook weten, waar ze geleefd heeft. Nu krioelt Friesland echter van Dekemastate’s en evenals zeven Grieksche steden elkander de eer betwisten van Homerus’ geboorteplaats geweest te zijn, zoo redekavelde men in Friesland over de plek waar onze Roos haar wieg eens stond. Als dat nu dieDekemastatein Jelsum is geweest, dan had ze meteen gezellige buren gehad, want een kwartiertje verder, in Cornjum stond de beroemde Martena-State en de Martena’s moeten aardige lui geweest zijn. Hun huis is echter verdwenen, maar tuin en park bestaan nog en onder hoede der kerk zijn ze geworden tot een aangename openbare wandelplaats. De Friezen zijn van oudsher echte liefhebbers van boomen en bloemen geweest, zeker wel omdat er van nature zoo weinig in hun land groeiden en zoo komt het, dat men tegenwoordig op die oude wandelingen nog altijd allerlei mooie plantjes vindt: winteraconiet, helmbloempje, vooral de zeldzame holle helmbloem, aronskelken, Haarlem’s klokkenspel en allerhande moois. Dat bosch van Martena is ook nog merkwaardig, doordat er reigers nestelen, eertijds in zóó groot aantal, dat het wandelen er minder aangenaam werd door al het vuil en de stank, die aan zoo’n nestplaats eigen zijn. Thans is dat weer wat beperkt. Britsum ligt wat verderaf, het heeft een mooi antiek kerkje en ligt ook aardig in het hout; wij laten het rechts liggen en naderen nu langs den kalen, maar toch lang niet vervelenden weg het aanzienlijke Stiens (50), dat ook al op een terp ligt, de groote kerk met zijn forschen toren op het hoogste punt. Wij zijn er gauw door heen, en nu volgen, ik had haast geschreven in snelle volgorde, maar de tegenwind was heusch te bar, nog allemaal van die terpdorpen: Hyum, Hallum (72) en Marrum, het laatste al zeer duidelijk. En overal in het rond ontdekken we nog van die platte heuveltjes, sommige met een huis erop, andere zonder. Tusschen twee van die terpen door bereiken we eindelijk het aanzienlijkste terpdorp in deze streek: Ferwerd (53), de hoofdplaats van Ferwerderadeel, want bij het bruggetje over de Hyumertrekvaart zijn we weer in een nieuwe gemeente gekomen.[37]49 JELSUM49 JELSUM50 STIENS—DE HAVEN50 STIENS—DE HAVEN51 HOOGE BEINTUM VAN DE WESTZIJDE51 HOOGE BEINTUM VAN DE WESTZIJDE52 HOOGE BEINTUM VAN DE OOSTZIJDE52 HOOGE BEINTUM VAN DE OOSTZIJDE53 FERWERD53 FERWERD54 MARIËNGAARDE BIJ HALLUM54 MARIËNGAARDE BIJ HALLUMEDZARD KONING[38]55 HALLUMERHOEK—OOSTZIJDE55 HALLUMERHOEK—OOSTZIJDE56 HALLUMERHOEK—WESTZIJDE56 HALLUMERHOEK—WESTZIJDE57 OUDE BILDTZIJL—HAVENTJE57 OUDEBILDTZIJL—HAVENTJE58 HET BILDT—WEIDE EN ZAADVELDEN58 HET BILDT—WEIDE EN ZAADVELDEN59 ZOMERAVOND IN DE NOORDERKEEGEN59 ZOMERAVOND IN DE NOORDERKEEGEN60 ST. ANNA PAROCHIE60 ST. ANNA PAROCHIEEDZARD KONING[39]Dit Ferwerd is een zeer indrukwekkend terpdorp. Op de hoogste plaats bevindt zich het kerkhof, door een laag muurtje omgeven, en de geweldige kerk met zijn trotschen toren, grijs van tint en begroeid met korstmossen en muurvarens. Als de huizen rondom het uitzicht niet belemmerden, zou men van het kerkhof al wel over den zeedijk heen de grijze Wadden kunnen aanschouwen, want men staat hier hooger dan de dijk en ’t is dus wel te begrijpen, dat in vroeger eeuwen bij stormvloeden menschen en vee hier een toevlucht konden vinden.De oude Plinius, die het van tijdgenooten weten kon, schrijft dan ook: „Een uitgestrekte streek wordt daar bij tusschenpoozen tweemaal, des daags en des nachts, door den Oceaan overstroomd, zoodat men bij dezen eeuwigen strijd in den gang der natuur er aan twijfelt, of de bodem tot de aarde dan wel tot de zee behoort. Daarop wonen armzalige menschen, die hooge aardhoopen bezitten of verhevenheden, met handen gemaakt, tot op de uit ervaring bekende hoogte van den hoogsten vloed, en daarop hun hutten plaatsen. Zij gelijken op zeevarenden, als water de omgeving bedekt, op schipbreukelingen, als de wateren teruggeweken zijn; zij maken dan ook jacht om hun hutten op de visschen, die met de ebbe weer weggevoerd worden. Zij hebben geen vee en geen melk, zooals hun naburen. Zij kunnen zelfs geen strijd voeren met de wilde dieren, want alle struikgewas is ver weg. Zij vlechten van zeewier en waterbiezen touwwerk tot netten ter vischvangst. Het slijk, dat zij met de handen grijpen, drogen zij meer in den wind dan in de zon. Met deze aarde verwarmen zij hun spijzen en hun door den noordenwind verstijfde ingewanden. Hun eenige drank is regenwater bewaard in putten bij den ingang van hun huis.” Geen vroolijk tafereel, zooals ge ziet, al heeft Plinius ter wille van de schilderachtigheid van het geval misschien een beetje overdreven. Ook weten wij, door wat er alzoo in de terpen is gevonden, dat hun bewoners welvaart en zelfs weelde hebben genoten.Den volgenden morgen gingen wij in ’t zonnetje (trots Plinius) langs een alleraardigst binnenpad van Ferwerd naar Hooge Beintum (51,52), dat zich als een prachtige boomgroep hoog in de lucht verhief. Wij hadden wel tien meter steil te klimmen eer wij het overschot van het dorp hadden bereikt met het zeer oude kerkje en dicht begroeid kerkhof, beschaduwd door zware iepen. Allerlei vogels zongen vroolijk en de vlugge huiszwaluwtjes vlogen af en aan. Die hadden hun nesten gebouwd onder de daklijst en in de spitsbogen van de hooge kerkramen. Die kerk heeft daar al langer dan achthonderd jaar gestaan zij is hoofdzakelijk gebouwd van tufsteen, aangevoerd uit verre landen, want eerst in de dertiende eeuw zijn de Friezen zelf hun baksteenen gaan fabriceeren, waar ze thans heel veel aan doen.Wij liepen om de kerk heen en ook achterom de huisjes (101) van het dorp, waar men een prachtig uitzicht heeft over de kleistreek, den zeedijk, de schorren en de Waddenzee met in de verte de witte duinen van Ameland. Langs de oostzijde ging het pad weer steil omlaag en daar konden we ook den recht afgegraven kant zien; tien meter hoog, duidelijk bestaande uit drie lagen: de bovenste gele terpaarde, de middelste zwarte en de laagste de blauwe terpengrond. Verder wandelend kwamen we aan een oude state, Harsta-state[40](68), omgeven door een vierkante gracht, hooge boomen, aan den ingang een mooie oude lindelaan met op den grond veel boschbloemen, o.a. het Haarlems klokkenspel, dat je ook in den Haarlemmerhout vindt. Het was een echt woudplekje. Nu ging het verder op Oosterbeintum aan en daar hebben we in den versch afgegraven kant een poosje zitten krabbelen. Ons bleek daar, dat die oude luidjes van tweeduizend jaar geleden, behalve van visch ook nog smulden van de lagere dieren der zee, met name van kokkels, waarvan we heele opeenhoopingen van schelpen vonden midden in den ouden mest. Dan vond ik nog stukken plank en balkjes, afkomstig van de regenputten, waar Plinius het over heeft en ook velerlei potscherven, maar ongelukkig niet een versierde. Daar had zeker een bijzonder armoedig gezin gehuisd. Intusschen hadden ze wel een kat, tenminste ik vond er een onderkaak, heel mooi en gaaf, maar prachtig blauw. Ik heb dat ding meegenomen als het onderkaakje van een tijdgenoot van Keizer Karels hond. Trouwens ik vond er ook honde- en schapebeenderen. Intusschen hebben andere, knappere zoekers nog heel wat meer gevonden: beenderen van den oeros, en van herten, reeën, vossen, waaruit de gevolgtrekking te maken is, dat de oude terpbewoners wel op jacht gingen op de hoogere gronden in de bosschen van Murmurwoude of Veenwouden of nog hoogerop. Ook gouden sieraden en beenen of gebakken kralen zijn er gevonden en in de terp van Hooge Beintum een geraamte in een uitgeholden boomstam, dat is de oudste vorm van doodkist. Dit kunt ge allemaal in het Friesch museum gaan bekijken, maar verzuim dan toch vooral niet, om ook eens een terp te bezoeken, waar men juist aan het afgraven is. Wij hebben die paar dagen daar in Ferwerd buitengewoon genoten.Ook hoorden wij daar vertellen, dat er tegenwoordig op de groene kwelders buitendijks ook nu nog wel terpen worden gebouwd, niet zoozeer als vluchtheuvels voor het vee, want dat kan zich op den dijk wel redden, als ter bescherming van de drinkdobben, waarin het water anders bij vloed verzouten zou. Om dat te bekijken, maakten wij nog eens een apart ritje, weer uit Leeuwarden over Stiens (50), maar dan meer naar links over Finkum en Hallumerhoek (55) op de Friesche Wadden aan. Dat is ook een mooie tocht geworden, we noemen het den tocht der verdwenen kloosters. Even voorbij Finkum toch ligt rechts van den weg ietwat in de hoogte een groote mooie boerderij, die heet KloosterMariëngaarde(54). Van een klooster is daar echter niets te zien, dat is in het begin van den tachtigjarigen oorlog vernield. De terp waar het op stond, is grootendeels afgegraven (het kanaaltje is er nog) en de afgravers hebben grooten tegenspoed gehad met al de oude steenen en fondamenten, die ze daar te verwerken kregen inplaats van terpaarde. Het klooster is in 1163 gesticht door den toenmaligen pastoor van Hallum, die als eerste abt Frederik het al dadelijk tot grooten bloei bracht. Ongeveer om dien tijd was ook de zeedijk gelegd en de monniken vanMariëngaardehebben al dadelijk zich er mee bezig gehouden, om stukken van de Middelzee in te polderen, die heeten nu nog de Oud- en Nieuw-munnikbiltpolders. Naderhand zijn die inpolderingen voortgezet en daar is men nu nog altijd mee bezig, zooals wij zien zouden.[41]Wij hadden ons voorgenomen, om de drinkdobben te gaan bekijken in de Noorderleegster Buitenkoggen, zooals op de kaart dat buitenland heette. Even voorbij het schilderachtige Hallumerhoek (56) boog de weg westwaarts om, die ons er brengen zou en dat ging allemaal puikbest. De weg eindigde, zooals dat ook op de kaart stond aangegeven, en wij stapten af om den hoogen zeedijk op te klimmen. Toen we bovenop waren aangekomen, zagen wij echter dat ons buitenland geen buitenland meer was, een kwartiergaans verder noordwaarts verhief zich een nieuwe zeedijk. We gingen lekkertjes boven op den dijk in het gras liggen om uit te kijken.Terwijl ik daar zoo mijn aanteekeningen lig te maken, komt langs den dijk een man aanstappen met zoo vasten tred, dat ik dadelijk argwaan krijg en bedenk hoe ik verleden jaar eens moeite heb gehad om den Groninger zeedijk te betreden vanwege den oorlogstoestand. Zou ’t hier weer zoo zijn? We verzekeren elkaar eerst, dat het mooi weer is en dan begin ik maar ’t eerst te vragen, hoe lang deze polder al bedijkt is en hoe hij heet, en wie het heeft gedaan. Nog niet zoo heel lang geleden, is het antwoord en door een waterschap, het waterschap der Noorderkeegster buitenpollen (59). En daar (hij wijst een huis aan) ligt het polderhuis van de Noorderkeegster buitenpollen en hier—en meteen haalt hij een penning uit zijn boezem—is de politie van de Noorderkeegster buitenpollen. Daar heb je ’t, dacht ik en merk op, dat hij het hier in die kwaliteit zeker nogal rustig heeft. O neen, er komt hier wel verdacht volk (met een blik op mijn aanteekenboekje) en ook de jongens uit Leeuwarden, die als ze gezwommen hebben in zee zich wel eens willen vermaken met paardje rijden op de koeien, om weer warm te worden. En wat komt mijnheer hier doen? Ik verzeker hem, dat ik die koeien met rust zal laten en vertel hem meteen maar mijn heele historie, want ik begrijp het al, deze dijken worden door militairen en politie ook om strijd verdedigd tegen alles wat verdacht is. Nu is alles in orde en hij vertelt me van die drinkdobben, dat men die bij de inpoldering heeft laten bestaan, zelfs uitgebreid. De grootste is nu een reservoir met een molen er op en vandaar wordt het zoete water geleid naar de kleinere drinkplaatsen rondom. Als we echt buitenland willen zien, moeten we nog een half uurtje verder. We rijden nu over de grazige kruin van den ouden zeedijk, hoog boven het land, bereiken de volgende kwelder en loopen die nu af tot aan de zee. Deze kwelder wordt door de ondernemende Friezen echter ook al omkaaid en gegreppeld en de drinkdobben er in zijn ook al geen ouderwetsche terpjes meer, maar cylinders van beton, kunstig afgedekt, zoodat de koeien er wel uit kunnen drinken maar er niet in kunnen baden, zooals zij in de oude dobben wel deden. Wij dringen door tot vlak aan ’t slik, waar de zeekraal groeit en de zulte en kijken daar een kwartiertje naar de duizenden en duizenden trekvogels, die in den nazomer hun aftocht naar het zuiden volvoeren langs onze slijkerige Wadden.Dan weer op de fiets, want het middaguur nadert. Vlug rollen we eerst naar Nieuwe Bildtzijl en dan naar Oude Bildtzijl (57), waar we even pleisteren. Vlak aan den dijk staat een kerkje met een splinternieuw torentje en daar is een klein verhaal aan vast. Het blijkt, dat de Oude-Bildt-zijlenaren bij de geboorte van Prinses Juliana ontstoken waren in groote[42]geestdrift. Deze stugge Friezen hebben toen zoo hard hun klokken geluid, dat het torentje er onder bezweken is. ’t Kan wezen, dat ze me voor den gek gehouden hebben, maar ’t is me voor waar verteld en ik wil het ook graag gelooven, dat onze Koningin ervan heeft gehoord en toen flink geholpen heeft, om het torentje te herstellen. Als ik er wat te zeggen had, zou ik op dat torentje in een bescheiden hoekje laten schilderen: „Vernieuwd na 30 April 1909.”Het landschap wordt nu geheel anders dan in de terpenstreek. Nu geen kronkelende wegen meer met aardige hellingen en huisjes, knus dicht opeen geschaard rondom hun grijze kerkje op de hoogte. Neen, we hebben hier lange, rechte dijken met nog langere en rechtere dwarswegen en daarlangs liggen van afstand tot afstand de groote boerderijen, meestal ook nog met haar langen kant langs den weg heen, om alles nog langer te maken. We zijn hier nu in Het Bildt (58), het laatste stuk Middelzee, dat drooggelegd is: het Oude Bildt omstreeks 1500, het Nieuwe Bildt een eeuw later. Dat gebeurde hoofdzakelijk onder Hollandschen invloed en daardoor verschilt deze jongste der Friesche gemeenten in vele opzichten van de twee en veertig andere. Toch genoten wij ons ritje wel, vooral den hoofdweg door het Oude Bildt, dien wij bij den Prulhoek bereikten. We reden toen door de lange, haast aaneengelegen dorpen Sint Anna Parochie (60) en Sint Jacobi Parochie, terwijl we het derde van de Parochiedorpen, Lieve Vrouwe Parochie, achter ons lieten liggen.Het is hier alles landbouw (58) en we keken met kennersblik naar de tarwe, de haver en de gerst, het fijne kanariezaad en de mooie lichtblauwe bloeiende maankop. Het vlas was al voor een groot deel getrokken en men was ook bezig koolzaad te dorschen. Dat zag er allerprettigst uit. Om te beginnen stond er een heel hooge staak midden in het veld en in zijn top wapperde vroolijk onze mooie Nederlandsche vlag. Daaromheen was het een en al bedrijvigheid. Het koolzaad moet goed rijp zijn, anders deugt het niet. Maar nu behoort die plant tot de familie der kruisbloemen en die hebben voor het meerendeel de gewoonte, dat haar rijpe vruchten, ge weet wel, de hauwen, heel spoedig openspringen en dan haar zaden in het rond strooien en dan blijft er niets anders over dan het vliezige tusschenschot, zooals ge dat kent van de Judaspenningen. Er komen dus veel handigheid en overleg bij te pas, om de kostbare ronde koolzaadkorreltjes te pakken te krijgen.We zagen dan ook, hoe de koolzaadplanten op de groote zeilen bij elkaar gesleept werden en om dan de hauwen te laten openspringen werden er vier paardjes door den koolzaad-hoop heen gereden, gemend door een jongen, die bovenop het voorste blinkende paard zat. Die vlugge paarden en de vlag, de arbeiders en arbeidsters met hun blanke zeilen, het druk gedoe van karren vormden onder den blauwen zomerhemel een prachtig schouwspel, dat nog omlijst werd door een kleurigen, mild dragenden boomgaard links, en rechts een molentje in het groen. We bleven daar een minuut of tien kijken en reden toen opgewekt verder door den langen dorpsweg langs menig aanzienlijk huis en aardig groepje van arbeiderswoningen. De kerkgebouwen en torens inHetBildt hebben niet veel te beduiden, maar die van Sint Anna Parochie moeten we toch eens even aankijken, want daar is onze Rembrandt[45]getrouwd. In het kerkeboek kunt ge de aanteekening vinden: „Anno 1634, den 22 Junii, sijn in ’t houwelyck bevestiget Rembrant Hermens van Rhyn tot Amsterdam woonende, ende Saskia van Ulenborgh, nu tot Franeker woonachtich.”[43]61 FRANEKER—STADHUIS61 FRANEKER—STADHUIS62 FRANEKER—HERV. KERK EN WEESHUIS62 FRANEKER—HERV. KERK EN WEESHUIS63 FRANEKER—KORENDRAGERSHUISJE63 FRANEKER—KORENDRAGERSHUISJE64 TJUMMARUM—KERK64 TJUMMARUM—KERK65 FRANEKER—VOORSTRAAT MET MARTENAHUIS65 FRANEKER—VOORSTRAAT MET MARTENAHUIS66 FIRDGUM—TOREN66 FIRDGUM—TORENEDZARD KONING[44]67 MINNERTSGA—HAVEN EN KERK67 MINNERTSGA—HAVEN EN KERK68 HARSTA-STATE68 HARSTA-STATE69 OOSTERBIERUM69 OOSTERBIERUM70 MARSUM—HERINGA-STATE70 MARSUM—HERINGA-STATE71 DRONRIJP—TOREN71 DRONRIJP—TOREN72 HALLUM—HAVENTJE72 HALLUM—HAVENTJEEDZARD KONING[45]Van Sint Jacobi Parochie naar den Mooien Paal is maar een klein eindje en dan zijn we weer in het oude land, in Westergo, gemeente Barradeel. Warempeltjes zien we den weg weer een beetje stijgen en voor ons ligt op zijn terp het mooie dorp Minnertsga (67), alweer met een hoogen, zeer ouden zadeldaktoren, opgebouwd uit reuzenmoppen. Alleen de top is vernieuwd in 1818 en men heeft toen zeker van de gelegenheid gebruik gemaakt om een omloop aan te brengen, wat men aan dat soort van torens anders zelden aantreft. Ook het dorp is voor een groot deel vernieuwd, allemaal nieuwe huisjes en er worden er nog steeds bijgebouwd. Trouwens, dat is haast door heel Friesland zoo, en al dat bouwen en vernieuwen geeft een prettigen indruk van welvaart en bedrijvigheid.Er is in Minnertsga een aardig haventje, waar nu een aantal tjalken druk bezig waren om aardappelen te laden, die een hoofdproduct zijn van deze streek. Even buiten het dorp krijgen we weer afzonderlijke kleine terpen te zien, maar vele zijn hier ook al weggegraven. Ook van de stinsen die hier vroeger stonden, is niets meer over. Vroeger hebben hier in de buurt de Adeelen’s gehuisd; ge herinnert u Seerp van Adeelen wel uit „de Roos van Dekama”. Ik vrees, dat onze goede Jacob van Lennep met de figuur van dezen Seerp veel schuld heeft aan de glad verkeerde voorstellingen van Friesche stugheid en stijfhoofdigheid, die vele Hollanders er nog op na houden. Als je daar eens lang en scherp over gaat nadenken dan kom je tot de gevolgtrekking, dat de Hollanders er lang zoo goed niet afkomen, als de Friezen. Maar eigenlijk zijn alle vergelijkingen uit den booze.Langs een volmaakt schaduwloozen weg, wat op dezen heeten Augustusmiddag duidelijk voelbaar is, bereiken we nu het mooiste van alle terpdorpen, dat is Tjummarum (133,140). Firdgum met zijn hoogen, alleenstaanden toren (66) hebben we rechts laten liggen. De kerk van Tjummarum (64) ligt op den top van de terp en daar draait de hoofdstraat (112) in een cirkelboog mooi omheen. We waren hier weer op kerkelijk gebied, het buurtje even door Tjummarum heet de Pastoorspijp en de dwarsweg, dien we vóór Oosterbierum (69) wilden inslaan, heet de Monnikenweg. Deze monniken zijn die van het klooster Lidlum, dat nog beroemder is geweest dan dat vanMariëngaarde, maar waarvan ook alleen maar de naam is overgebleven.Nu verder door Dongjum naar het aloude Franeker (63) langs een effen grindweg, met hooge wuivende wilgen omzoomd. De trots van Franeker is de breede Voorstraat met de Breede Plaats, inderdaad met de beide kerken (62) tot achtergrond een zeer mooi stadsgezicht. Je pikt er allerlei aardige geveltjes uit in het bijzonder de beide rijk versierde Proffenhuizen en het groote oude Martenahuis (65). De eerste herinneren aan den tijd, dat Franeker een nog al beroemde Hoogeschool bezat, maar daar is nu een krankzinnigengesticht van gemaakt. Het Martenahuis is nog van vóór 1500, behalve de stoep die tweehonderd jaar jonger is. Ook het vroolijke, rijk versierde stadhuis (61) heeft een nieuwe stoep. De toren herinnert aan[46]dien van Bolsward en trouwens ook aan de Amsterdamsche torens en het gebouw zelf maakt een heel bijzonderen indruk, vooral wel doordat het een hoekhuis is. Wij misten den tijd, om de verzamelingen te bekijken, die in dit stadhuis zijn tentoongesteld. Maar wel namen wij het er van, om het Planetarium van Eyse Eysinga te gaan zien in een achterkamer van een klein eenvoudig huisje dicht bij het stadhuis. Onder ons gezegd hadden wij, onder invloed van al de nieuwe geleerdheid, niet veel verwachting van al dat ouderwetsch geknutsel. Maar we kwamen wel degelijk onder den indruk, misschien ook wel doordat de dame, die met ijzeren vastberadenheid in vele talen het geval uitlegt, ons niet losliet, voordat we alle bijzonderheden onder het oog hadden gehad. Bovendien kochten we de zeer goed gedrukte toelichting en nu weten we er alles van. Met een paar gewichten, een slinger en vier kamraderen is Eyse Eysenga, die van beroep wolkammer was, maar een groote liefde had voor wis- en sterrenkunde, er in geslaagd, om je op ieder oogenblik op de minuut af een vrij juist beeld te geven van den stand der hemellichamen, die gewoonlijk met het bloote oog te zien zijn. Eyse Eysinga is met dat werk begonnen naar aanleiding van de verslagenheid onder de bijgeloovige luidjes, doordat op 8 Mei 1774 vier planeten op een klusje bij elkaar kwamen te staan; een ongewoon feit, dat, naar hun meening, allerlei ellende met zich zou sleepen. Door middel van het Planetarium kon hij laten zien, dat die ongewone gebeurtenis heel gewoon was en telkens na eenige eeuwen moet terugkeeren, zooals wij een poosje geleden ook konden zien. Het Planetarium loopt nu gelijk met zon en maan en sterren, maar Eyse had er indertijd een kruk aan, waardoor hij de draaierij van eeuwen in een paar minuten kon laten zien, maar daar sleet het toestel te veel van. Ik kan er hier nu niet meer van vertellen, maar wel iedereen gaarne aanraden, om dat Planetarium te gaan zien. Ik wou, dat we zooiets in Amsterdam hadden.Nu frisch op weg naar Leeuwarden langs een mooien straatweg met goed fietspad. De bouwlanden maken hier plaats voor weiden. Ver naar rechts zien we den hoogen toren van Tzum, op een na de hoogste van Friesland. Dan naderen we het groote Dronrijp (71) met zijn witten toren in drie verdiepingen, zijn groote boerderijen en zijn vele fabrieken. Bovendien de geboorteplaats van Eyse Eysenga en van Alma Tadema. Naar links gaat het er boschachtig uitzien, daar liggen Menaldum en verderop de tuinen en boomgaarden van Berlikum en Beetgum, die we ongaarne onbezocht laten. Rechts zien we over de weiden Deinum, met zijn uientoren (31) en dan gaat de weg stijgen tegen de terp van Marssum op, het laatste dorp vóór Leeuwarden, waar we een half uurtje besteden om het aloudeHeringastate(70) te zien met de beroemde Poptastichting.Vandaar naar Leeuwarden is het weer een zeer aangenaam ritje, maar ik ben heusch bang, dat wij voor Leeuwarden langzamerhand een al te groote vooringenomenheid zijn gaan koesteren. Doch toen we dit jaar er weer een paar dagen moesten overblijven, was het er al weer nog prettiger en mooier dan wij verwacht hadden. Hoe komt dat toch?[48]Workum.[49]

IN HET TERPENLAND.III.IN HET TERPENLAND.

IN HET TERPENLAND.

Luilak 1915 in den namiddag trapten we met ons beidjes, alweer tegen den wind, uit Leeuwarden den Stienser straatweg op met Ferwerd (53) tot doel, of liever de buurten Hooge Beintum (51,52) en Oosterbeintum, want ik wou daar zien, hoe het eigenlijk gesteld is met het binnenste van een terp. Ge weet wel, dat de lui in de kleistreken van Friesland en Groningen zoowat duizend jaar lang op dergelijke vluchtheuvels hebben gewoond, eer ze talrijk en krachtig genoeg waren, om, min of meer eendrachtig samenwerkend, het land door dijken te beschermen tegen wat wij zoo graag noemen het woeden der baren. In het geheel zijn er daar in het Noorden wel meer dan vijfhonderd van die terpen of wierden geweest, vele zóó groot, dat er mettertijd steden en dorpen op gebouwd konden worden, denk maar aan Leeuwarden en Bolsward en we zullen er zoo nog wel een stuk of twintig ontmoeten. Ze bestaan uit klei en uit allen mogelijken afval van het menschelijk bedrijf van lang vervlogen eeuwen, zoodat die terpaarde buitengewoon vruchtbaar is en zelfs bij wijze van mest vergraven en vervoerd wordt, om elders schrale gronden te verbeteren. Dat gebeurt in den laatsten tijd zeer druk en zooveel is die terpaarde waard, dat men met de afgraverij nog voordeel heeft, wanneer huizen, zelfs halve of heele dorpen, die op de terp staan, moeten worden afgebroken. Dan vindt je later een nieuw huis of een nieuw dorp op den beganen grond. Soms blijft alleen de kerk over met het kerkhof, een andermaal alleen de toren, zooals we in ons vorig hoofdstuk zagen in Oosterwierum. Het spreekt van zelf, dat bij het afgraven allerlei oude rommel, zelfs kostbaarheden te voorschijn komen. Die gaan soms verloren of raken verstrooid, maar duizenden zijn er oordeelkundig ingezameld en worden nu bewaard in het Friesch museum[36]te Leeuwarden. Voor we onzen tocht begonnen, hadden wij ze daar bekeken en daardoor was ik niet weinig belust geraakt, om op mijn eigen houtje daar in het hooge Noorden ook de schatgraverij te gaan beoefenen.Vooruit dus langs den straatweg onder de mooie hooge iepen. Die houden echter na een Kilometer of vier plotseling op. We zijn daar aan de grens van hetstadsgebiedvan Leeuwarden en betreden nu de gemeente Leeuwarderadeel. Juist bij de grens ligt de uitspanning de Bonte Koe, dat is voor Leeuwarden zoowat net wat de Platvoet is voor Deventer. Nu hebben we weer rechts het oude land vol dorpen en boomen, links de effen grasvlakte van de voormalige Middelzee. De polders heeten de Nieuwe landen, al zijn ze ook zeshonderd jaar oud. Het stuk van Leeuwarden, dat Nieuwstad heet, is ook op dergelijk Nieuwland gebouwd en ontleent daaraan zijn naam. De dorpjes rechts, het drietal Jelsum (49), Cornjum en Britsum, zijn ook wel een bezoek waard. Hun terpen zijn voor het grootste deel afgegraven. In Jelsum vinden we een behalve een aardig kerkje (117) mooie oude stins, Dekema state (105) en de Jelsummers beweren, dat dat nu het echte huis is geweest van de echte Roos vanDekama. ’t Is natuurlijk erg pleizierig, om te meenen, dat dat mooie meisje werkelijk heeft bestaan en dan wil je ook weten, waar ze geleefd heeft. Nu krioelt Friesland echter van Dekemastate’s en evenals zeven Grieksche steden elkander de eer betwisten van Homerus’ geboorteplaats geweest te zijn, zoo redekavelde men in Friesland over de plek waar onze Roos haar wieg eens stond. Als dat nu dieDekemastatein Jelsum is geweest, dan had ze meteen gezellige buren gehad, want een kwartiertje verder, in Cornjum stond de beroemde Martena-State en de Martena’s moeten aardige lui geweest zijn. Hun huis is echter verdwenen, maar tuin en park bestaan nog en onder hoede der kerk zijn ze geworden tot een aangename openbare wandelplaats. De Friezen zijn van oudsher echte liefhebbers van boomen en bloemen geweest, zeker wel omdat er van nature zoo weinig in hun land groeiden en zoo komt het, dat men tegenwoordig op die oude wandelingen nog altijd allerlei mooie plantjes vindt: winteraconiet, helmbloempje, vooral de zeldzame holle helmbloem, aronskelken, Haarlem’s klokkenspel en allerhande moois. Dat bosch van Martena is ook nog merkwaardig, doordat er reigers nestelen, eertijds in zóó groot aantal, dat het wandelen er minder aangenaam werd door al het vuil en de stank, die aan zoo’n nestplaats eigen zijn. Thans is dat weer wat beperkt. Britsum ligt wat verderaf, het heeft een mooi antiek kerkje en ligt ook aardig in het hout; wij laten het rechts liggen en naderen nu langs den kalen, maar toch lang niet vervelenden weg het aanzienlijke Stiens (50), dat ook al op een terp ligt, de groote kerk met zijn forschen toren op het hoogste punt. Wij zijn er gauw door heen, en nu volgen, ik had haast geschreven in snelle volgorde, maar de tegenwind was heusch te bar, nog allemaal van die terpdorpen: Hyum, Hallum (72) en Marrum, het laatste al zeer duidelijk. En overal in het rond ontdekken we nog van die platte heuveltjes, sommige met een huis erop, andere zonder. Tusschen twee van die terpen door bereiken we eindelijk het aanzienlijkste terpdorp in deze streek: Ferwerd (53), de hoofdplaats van Ferwerderadeel, want bij het bruggetje over de Hyumertrekvaart zijn we weer in een nieuwe gemeente gekomen.[37]49 JELSUM49 JELSUM50 STIENS—DE HAVEN50 STIENS—DE HAVEN51 HOOGE BEINTUM VAN DE WESTZIJDE51 HOOGE BEINTUM VAN DE WESTZIJDE52 HOOGE BEINTUM VAN DE OOSTZIJDE52 HOOGE BEINTUM VAN DE OOSTZIJDE53 FERWERD53 FERWERD54 MARIËNGAARDE BIJ HALLUM54 MARIËNGAARDE BIJ HALLUMEDZARD KONING[38]55 HALLUMERHOEK—OOSTZIJDE55 HALLUMERHOEK—OOSTZIJDE56 HALLUMERHOEK—WESTZIJDE56 HALLUMERHOEK—WESTZIJDE57 OUDE BILDTZIJL—HAVENTJE57 OUDEBILDTZIJL—HAVENTJE58 HET BILDT—WEIDE EN ZAADVELDEN58 HET BILDT—WEIDE EN ZAADVELDEN59 ZOMERAVOND IN DE NOORDERKEEGEN59 ZOMERAVOND IN DE NOORDERKEEGEN60 ST. ANNA PAROCHIE60 ST. ANNA PAROCHIEEDZARD KONING[39]Dit Ferwerd is een zeer indrukwekkend terpdorp. Op de hoogste plaats bevindt zich het kerkhof, door een laag muurtje omgeven, en de geweldige kerk met zijn trotschen toren, grijs van tint en begroeid met korstmossen en muurvarens. Als de huizen rondom het uitzicht niet belemmerden, zou men van het kerkhof al wel over den zeedijk heen de grijze Wadden kunnen aanschouwen, want men staat hier hooger dan de dijk en ’t is dus wel te begrijpen, dat in vroeger eeuwen bij stormvloeden menschen en vee hier een toevlucht konden vinden.De oude Plinius, die het van tijdgenooten weten kon, schrijft dan ook: „Een uitgestrekte streek wordt daar bij tusschenpoozen tweemaal, des daags en des nachts, door den Oceaan overstroomd, zoodat men bij dezen eeuwigen strijd in den gang der natuur er aan twijfelt, of de bodem tot de aarde dan wel tot de zee behoort. Daarop wonen armzalige menschen, die hooge aardhoopen bezitten of verhevenheden, met handen gemaakt, tot op de uit ervaring bekende hoogte van den hoogsten vloed, en daarop hun hutten plaatsen. Zij gelijken op zeevarenden, als water de omgeving bedekt, op schipbreukelingen, als de wateren teruggeweken zijn; zij maken dan ook jacht om hun hutten op de visschen, die met de ebbe weer weggevoerd worden. Zij hebben geen vee en geen melk, zooals hun naburen. Zij kunnen zelfs geen strijd voeren met de wilde dieren, want alle struikgewas is ver weg. Zij vlechten van zeewier en waterbiezen touwwerk tot netten ter vischvangst. Het slijk, dat zij met de handen grijpen, drogen zij meer in den wind dan in de zon. Met deze aarde verwarmen zij hun spijzen en hun door den noordenwind verstijfde ingewanden. Hun eenige drank is regenwater bewaard in putten bij den ingang van hun huis.” Geen vroolijk tafereel, zooals ge ziet, al heeft Plinius ter wille van de schilderachtigheid van het geval misschien een beetje overdreven. Ook weten wij, door wat er alzoo in de terpen is gevonden, dat hun bewoners welvaart en zelfs weelde hebben genoten.Den volgenden morgen gingen wij in ’t zonnetje (trots Plinius) langs een alleraardigst binnenpad van Ferwerd naar Hooge Beintum (51,52), dat zich als een prachtige boomgroep hoog in de lucht verhief. Wij hadden wel tien meter steil te klimmen eer wij het overschot van het dorp hadden bereikt met het zeer oude kerkje en dicht begroeid kerkhof, beschaduwd door zware iepen. Allerlei vogels zongen vroolijk en de vlugge huiszwaluwtjes vlogen af en aan. Die hadden hun nesten gebouwd onder de daklijst en in de spitsbogen van de hooge kerkramen. Die kerk heeft daar al langer dan achthonderd jaar gestaan zij is hoofdzakelijk gebouwd van tufsteen, aangevoerd uit verre landen, want eerst in de dertiende eeuw zijn de Friezen zelf hun baksteenen gaan fabriceeren, waar ze thans heel veel aan doen.Wij liepen om de kerk heen en ook achterom de huisjes (101) van het dorp, waar men een prachtig uitzicht heeft over de kleistreek, den zeedijk, de schorren en de Waddenzee met in de verte de witte duinen van Ameland. Langs de oostzijde ging het pad weer steil omlaag en daar konden we ook den recht afgegraven kant zien; tien meter hoog, duidelijk bestaande uit drie lagen: de bovenste gele terpaarde, de middelste zwarte en de laagste de blauwe terpengrond. Verder wandelend kwamen we aan een oude state, Harsta-state[40](68), omgeven door een vierkante gracht, hooge boomen, aan den ingang een mooie oude lindelaan met op den grond veel boschbloemen, o.a. het Haarlems klokkenspel, dat je ook in den Haarlemmerhout vindt. Het was een echt woudplekje. Nu ging het verder op Oosterbeintum aan en daar hebben we in den versch afgegraven kant een poosje zitten krabbelen. Ons bleek daar, dat die oude luidjes van tweeduizend jaar geleden, behalve van visch ook nog smulden van de lagere dieren der zee, met name van kokkels, waarvan we heele opeenhoopingen van schelpen vonden midden in den ouden mest. Dan vond ik nog stukken plank en balkjes, afkomstig van de regenputten, waar Plinius het over heeft en ook velerlei potscherven, maar ongelukkig niet een versierde. Daar had zeker een bijzonder armoedig gezin gehuisd. Intusschen hadden ze wel een kat, tenminste ik vond er een onderkaak, heel mooi en gaaf, maar prachtig blauw. Ik heb dat ding meegenomen als het onderkaakje van een tijdgenoot van Keizer Karels hond. Trouwens ik vond er ook honde- en schapebeenderen. Intusschen hebben andere, knappere zoekers nog heel wat meer gevonden: beenderen van den oeros, en van herten, reeën, vossen, waaruit de gevolgtrekking te maken is, dat de oude terpbewoners wel op jacht gingen op de hoogere gronden in de bosschen van Murmurwoude of Veenwouden of nog hoogerop. Ook gouden sieraden en beenen of gebakken kralen zijn er gevonden en in de terp van Hooge Beintum een geraamte in een uitgeholden boomstam, dat is de oudste vorm van doodkist. Dit kunt ge allemaal in het Friesch museum gaan bekijken, maar verzuim dan toch vooral niet, om ook eens een terp te bezoeken, waar men juist aan het afgraven is. Wij hebben die paar dagen daar in Ferwerd buitengewoon genoten.Ook hoorden wij daar vertellen, dat er tegenwoordig op de groene kwelders buitendijks ook nu nog wel terpen worden gebouwd, niet zoozeer als vluchtheuvels voor het vee, want dat kan zich op den dijk wel redden, als ter bescherming van de drinkdobben, waarin het water anders bij vloed verzouten zou. Om dat te bekijken, maakten wij nog eens een apart ritje, weer uit Leeuwarden over Stiens (50), maar dan meer naar links over Finkum en Hallumerhoek (55) op de Friesche Wadden aan. Dat is ook een mooie tocht geworden, we noemen het den tocht der verdwenen kloosters. Even voorbij Finkum toch ligt rechts van den weg ietwat in de hoogte een groote mooie boerderij, die heet KloosterMariëngaarde(54). Van een klooster is daar echter niets te zien, dat is in het begin van den tachtigjarigen oorlog vernield. De terp waar het op stond, is grootendeels afgegraven (het kanaaltje is er nog) en de afgravers hebben grooten tegenspoed gehad met al de oude steenen en fondamenten, die ze daar te verwerken kregen inplaats van terpaarde. Het klooster is in 1163 gesticht door den toenmaligen pastoor van Hallum, die als eerste abt Frederik het al dadelijk tot grooten bloei bracht. Ongeveer om dien tijd was ook de zeedijk gelegd en de monniken vanMariëngaardehebben al dadelijk zich er mee bezig gehouden, om stukken van de Middelzee in te polderen, die heeten nu nog de Oud- en Nieuw-munnikbiltpolders. Naderhand zijn die inpolderingen voortgezet en daar is men nu nog altijd mee bezig, zooals wij zien zouden.[41]Wij hadden ons voorgenomen, om de drinkdobben te gaan bekijken in de Noorderleegster Buitenkoggen, zooals op de kaart dat buitenland heette. Even voorbij het schilderachtige Hallumerhoek (56) boog de weg westwaarts om, die ons er brengen zou en dat ging allemaal puikbest. De weg eindigde, zooals dat ook op de kaart stond aangegeven, en wij stapten af om den hoogen zeedijk op te klimmen. Toen we bovenop waren aangekomen, zagen wij echter dat ons buitenland geen buitenland meer was, een kwartiergaans verder noordwaarts verhief zich een nieuwe zeedijk. We gingen lekkertjes boven op den dijk in het gras liggen om uit te kijken.Terwijl ik daar zoo mijn aanteekeningen lig te maken, komt langs den dijk een man aanstappen met zoo vasten tred, dat ik dadelijk argwaan krijg en bedenk hoe ik verleden jaar eens moeite heb gehad om den Groninger zeedijk te betreden vanwege den oorlogstoestand. Zou ’t hier weer zoo zijn? We verzekeren elkaar eerst, dat het mooi weer is en dan begin ik maar ’t eerst te vragen, hoe lang deze polder al bedijkt is en hoe hij heet, en wie het heeft gedaan. Nog niet zoo heel lang geleden, is het antwoord en door een waterschap, het waterschap der Noorderkeegster buitenpollen (59). En daar (hij wijst een huis aan) ligt het polderhuis van de Noorderkeegster buitenpollen en hier—en meteen haalt hij een penning uit zijn boezem—is de politie van de Noorderkeegster buitenpollen. Daar heb je ’t, dacht ik en merk op, dat hij het hier in die kwaliteit zeker nogal rustig heeft. O neen, er komt hier wel verdacht volk (met een blik op mijn aanteekenboekje) en ook de jongens uit Leeuwarden, die als ze gezwommen hebben in zee zich wel eens willen vermaken met paardje rijden op de koeien, om weer warm te worden. En wat komt mijnheer hier doen? Ik verzeker hem, dat ik die koeien met rust zal laten en vertel hem meteen maar mijn heele historie, want ik begrijp het al, deze dijken worden door militairen en politie ook om strijd verdedigd tegen alles wat verdacht is. Nu is alles in orde en hij vertelt me van die drinkdobben, dat men die bij de inpoldering heeft laten bestaan, zelfs uitgebreid. De grootste is nu een reservoir met een molen er op en vandaar wordt het zoete water geleid naar de kleinere drinkplaatsen rondom. Als we echt buitenland willen zien, moeten we nog een half uurtje verder. We rijden nu over de grazige kruin van den ouden zeedijk, hoog boven het land, bereiken de volgende kwelder en loopen die nu af tot aan de zee. Deze kwelder wordt door de ondernemende Friezen echter ook al omkaaid en gegreppeld en de drinkdobben er in zijn ook al geen ouderwetsche terpjes meer, maar cylinders van beton, kunstig afgedekt, zoodat de koeien er wel uit kunnen drinken maar er niet in kunnen baden, zooals zij in de oude dobben wel deden. Wij dringen door tot vlak aan ’t slik, waar de zeekraal groeit en de zulte en kijken daar een kwartiertje naar de duizenden en duizenden trekvogels, die in den nazomer hun aftocht naar het zuiden volvoeren langs onze slijkerige Wadden.Dan weer op de fiets, want het middaguur nadert. Vlug rollen we eerst naar Nieuwe Bildtzijl en dan naar Oude Bildtzijl (57), waar we even pleisteren. Vlak aan den dijk staat een kerkje met een splinternieuw torentje en daar is een klein verhaal aan vast. Het blijkt, dat de Oude-Bildt-zijlenaren bij de geboorte van Prinses Juliana ontstoken waren in groote[42]geestdrift. Deze stugge Friezen hebben toen zoo hard hun klokken geluid, dat het torentje er onder bezweken is. ’t Kan wezen, dat ze me voor den gek gehouden hebben, maar ’t is me voor waar verteld en ik wil het ook graag gelooven, dat onze Koningin ervan heeft gehoord en toen flink geholpen heeft, om het torentje te herstellen. Als ik er wat te zeggen had, zou ik op dat torentje in een bescheiden hoekje laten schilderen: „Vernieuwd na 30 April 1909.”Het landschap wordt nu geheel anders dan in de terpenstreek. Nu geen kronkelende wegen meer met aardige hellingen en huisjes, knus dicht opeen geschaard rondom hun grijze kerkje op de hoogte. Neen, we hebben hier lange, rechte dijken met nog langere en rechtere dwarswegen en daarlangs liggen van afstand tot afstand de groote boerderijen, meestal ook nog met haar langen kant langs den weg heen, om alles nog langer te maken. We zijn hier nu in Het Bildt (58), het laatste stuk Middelzee, dat drooggelegd is: het Oude Bildt omstreeks 1500, het Nieuwe Bildt een eeuw later. Dat gebeurde hoofdzakelijk onder Hollandschen invloed en daardoor verschilt deze jongste der Friesche gemeenten in vele opzichten van de twee en veertig andere. Toch genoten wij ons ritje wel, vooral den hoofdweg door het Oude Bildt, dien wij bij den Prulhoek bereikten. We reden toen door de lange, haast aaneengelegen dorpen Sint Anna Parochie (60) en Sint Jacobi Parochie, terwijl we het derde van de Parochiedorpen, Lieve Vrouwe Parochie, achter ons lieten liggen.Het is hier alles landbouw (58) en we keken met kennersblik naar de tarwe, de haver en de gerst, het fijne kanariezaad en de mooie lichtblauwe bloeiende maankop. Het vlas was al voor een groot deel getrokken en men was ook bezig koolzaad te dorschen. Dat zag er allerprettigst uit. Om te beginnen stond er een heel hooge staak midden in het veld en in zijn top wapperde vroolijk onze mooie Nederlandsche vlag. Daaromheen was het een en al bedrijvigheid. Het koolzaad moet goed rijp zijn, anders deugt het niet. Maar nu behoort die plant tot de familie der kruisbloemen en die hebben voor het meerendeel de gewoonte, dat haar rijpe vruchten, ge weet wel, de hauwen, heel spoedig openspringen en dan haar zaden in het rond strooien en dan blijft er niets anders over dan het vliezige tusschenschot, zooals ge dat kent van de Judaspenningen. Er komen dus veel handigheid en overleg bij te pas, om de kostbare ronde koolzaadkorreltjes te pakken te krijgen.We zagen dan ook, hoe de koolzaadplanten op de groote zeilen bij elkaar gesleept werden en om dan de hauwen te laten openspringen werden er vier paardjes door den koolzaad-hoop heen gereden, gemend door een jongen, die bovenop het voorste blinkende paard zat. Die vlugge paarden en de vlag, de arbeiders en arbeidsters met hun blanke zeilen, het druk gedoe van karren vormden onder den blauwen zomerhemel een prachtig schouwspel, dat nog omlijst werd door een kleurigen, mild dragenden boomgaard links, en rechts een molentje in het groen. We bleven daar een minuut of tien kijken en reden toen opgewekt verder door den langen dorpsweg langs menig aanzienlijk huis en aardig groepje van arbeiderswoningen. De kerkgebouwen en torens inHetBildt hebben niet veel te beduiden, maar die van Sint Anna Parochie moeten we toch eens even aankijken, want daar is onze Rembrandt[45]getrouwd. In het kerkeboek kunt ge de aanteekening vinden: „Anno 1634, den 22 Junii, sijn in ’t houwelyck bevestiget Rembrant Hermens van Rhyn tot Amsterdam woonende, ende Saskia van Ulenborgh, nu tot Franeker woonachtich.”[43]61 FRANEKER—STADHUIS61 FRANEKER—STADHUIS62 FRANEKER—HERV. KERK EN WEESHUIS62 FRANEKER—HERV. KERK EN WEESHUIS63 FRANEKER—KORENDRAGERSHUISJE63 FRANEKER—KORENDRAGERSHUISJE64 TJUMMARUM—KERK64 TJUMMARUM—KERK65 FRANEKER—VOORSTRAAT MET MARTENAHUIS65 FRANEKER—VOORSTRAAT MET MARTENAHUIS66 FIRDGUM—TOREN66 FIRDGUM—TORENEDZARD KONING[44]67 MINNERTSGA—HAVEN EN KERK67 MINNERTSGA—HAVEN EN KERK68 HARSTA-STATE68 HARSTA-STATE69 OOSTERBIERUM69 OOSTERBIERUM70 MARSUM—HERINGA-STATE70 MARSUM—HERINGA-STATE71 DRONRIJP—TOREN71 DRONRIJP—TOREN72 HALLUM—HAVENTJE72 HALLUM—HAVENTJEEDZARD KONING[45]Van Sint Jacobi Parochie naar den Mooien Paal is maar een klein eindje en dan zijn we weer in het oude land, in Westergo, gemeente Barradeel. Warempeltjes zien we den weg weer een beetje stijgen en voor ons ligt op zijn terp het mooie dorp Minnertsga (67), alweer met een hoogen, zeer ouden zadeldaktoren, opgebouwd uit reuzenmoppen. Alleen de top is vernieuwd in 1818 en men heeft toen zeker van de gelegenheid gebruik gemaakt om een omloop aan te brengen, wat men aan dat soort van torens anders zelden aantreft. Ook het dorp is voor een groot deel vernieuwd, allemaal nieuwe huisjes en er worden er nog steeds bijgebouwd. Trouwens, dat is haast door heel Friesland zoo, en al dat bouwen en vernieuwen geeft een prettigen indruk van welvaart en bedrijvigheid.Er is in Minnertsga een aardig haventje, waar nu een aantal tjalken druk bezig waren om aardappelen te laden, die een hoofdproduct zijn van deze streek. Even buiten het dorp krijgen we weer afzonderlijke kleine terpen te zien, maar vele zijn hier ook al weggegraven. Ook van de stinsen die hier vroeger stonden, is niets meer over. Vroeger hebben hier in de buurt de Adeelen’s gehuisd; ge herinnert u Seerp van Adeelen wel uit „de Roos van Dekama”. Ik vrees, dat onze goede Jacob van Lennep met de figuur van dezen Seerp veel schuld heeft aan de glad verkeerde voorstellingen van Friesche stugheid en stijfhoofdigheid, die vele Hollanders er nog op na houden. Als je daar eens lang en scherp over gaat nadenken dan kom je tot de gevolgtrekking, dat de Hollanders er lang zoo goed niet afkomen, als de Friezen. Maar eigenlijk zijn alle vergelijkingen uit den booze.Langs een volmaakt schaduwloozen weg, wat op dezen heeten Augustusmiddag duidelijk voelbaar is, bereiken we nu het mooiste van alle terpdorpen, dat is Tjummarum (133,140). Firdgum met zijn hoogen, alleenstaanden toren (66) hebben we rechts laten liggen. De kerk van Tjummarum (64) ligt op den top van de terp en daar draait de hoofdstraat (112) in een cirkelboog mooi omheen. We waren hier weer op kerkelijk gebied, het buurtje even door Tjummarum heet de Pastoorspijp en de dwarsweg, dien we vóór Oosterbierum (69) wilden inslaan, heet de Monnikenweg. Deze monniken zijn die van het klooster Lidlum, dat nog beroemder is geweest dan dat vanMariëngaarde, maar waarvan ook alleen maar de naam is overgebleven.Nu verder door Dongjum naar het aloude Franeker (63) langs een effen grindweg, met hooge wuivende wilgen omzoomd. De trots van Franeker is de breede Voorstraat met de Breede Plaats, inderdaad met de beide kerken (62) tot achtergrond een zeer mooi stadsgezicht. Je pikt er allerlei aardige geveltjes uit in het bijzonder de beide rijk versierde Proffenhuizen en het groote oude Martenahuis (65). De eerste herinneren aan den tijd, dat Franeker een nog al beroemde Hoogeschool bezat, maar daar is nu een krankzinnigengesticht van gemaakt. Het Martenahuis is nog van vóór 1500, behalve de stoep die tweehonderd jaar jonger is. Ook het vroolijke, rijk versierde stadhuis (61) heeft een nieuwe stoep. De toren herinnert aan[46]dien van Bolsward en trouwens ook aan de Amsterdamsche torens en het gebouw zelf maakt een heel bijzonderen indruk, vooral wel doordat het een hoekhuis is. Wij misten den tijd, om de verzamelingen te bekijken, die in dit stadhuis zijn tentoongesteld. Maar wel namen wij het er van, om het Planetarium van Eyse Eysinga te gaan zien in een achterkamer van een klein eenvoudig huisje dicht bij het stadhuis. Onder ons gezegd hadden wij, onder invloed van al de nieuwe geleerdheid, niet veel verwachting van al dat ouderwetsch geknutsel. Maar we kwamen wel degelijk onder den indruk, misschien ook wel doordat de dame, die met ijzeren vastberadenheid in vele talen het geval uitlegt, ons niet losliet, voordat we alle bijzonderheden onder het oog hadden gehad. Bovendien kochten we de zeer goed gedrukte toelichting en nu weten we er alles van. Met een paar gewichten, een slinger en vier kamraderen is Eyse Eysenga, die van beroep wolkammer was, maar een groote liefde had voor wis- en sterrenkunde, er in geslaagd, om je op ieder oogenblik op de minuut af een vrij juist beeld te geven van den stand der hemellichamen, die gewoonlijk met het bloote oog te zien zijn. Eyse Eysinga is met dat werk begonnen naar aanleiding van de verslagenheid onder de bijgeloovige luidjes, doordat op 8 Mei 1774 vier planeten op een klusje bij elkaar kwamen te staan; een ongewoon feit, dat, naar hun meening, allerlei ellende met zich zou sleepen. Door middel van het Planetarium kon hij laten zien, dat die ongewone gebeurtenis heel gewoon was en telkens na eenige eeuwen moet terugkeeren, zooals wij een poosje geleden ook konden zien. Het Planetarium loopt nu gelijk met zon en maan en sterren, maar Eyse had er indertijd een kruk aan, waardoor hij de draaierij van eeuwen in een paar minuten kon laten zien, maar daar sleet het toestel te veel van. Ik kan er hier nu niet meer van vertellen, maar wel iedereen gaarne aanraden, om dat Planetarium te gaan zien. Ik wou, dat we zooiets in Amsterdam hadden.Nu frisch op weg naar Leeuwarden langs een mooien straatweg met goed fietspad. De bouwlanden maken hier plaats voor weiden. Ver naar rechts zien we den hoogen toren van Tzum, op een na de hoogste van Friesland. Dan naderen we het groote Dronrijp (71) met zijn witten toren in drie verdiepingen, zijn groote boerderijen en zijn vele fabrieken. Bovendien de geboorteplaats van Eyse Eysenga en van Alma Tadema. Naar links gaat het er boschachtig uitzien, daar liggen Menaldum en verderop de tuinen en boomgaarden van Berlikum en Beetgum, die we ongaarne onbezocht laten. Rechts zien we over de weiden Deinum, met zijn uientoren (31) en dan gaat de weg stijgen tegen de terp van Marssum op, het laatste dorp vóór Leeuwarden, waar we een half uurtje besteden om het aloudeHeringastate(70) te zien met de beroemde Poptastichting.Vandaar naar Leeuwarden is het weer een zeer aangenaam ritje, maar ik ben heusch bang, dat wij voor Leeuwarden langzamerhand een al te groote vooringenomenheid zijn gaan koesteren. Doch toen we dit jaar er weer een paar dagen moesten overblijven, was het er al weer nog prettiger en mooier dan wij verwacht hadden. Hoe komt dat toch?[48]Workum.[49]

Luilak 1915 in den namiddag trapten we met ons beidjes, alweer tegen den wind, uit Leeuwarden den Stienser straatweg op met Ferwerd (53) tot doel, of liever de buurten Hooge Beintum (51,52) en Oosterbeintum, want ik wou daar zien, hoe het eigenlijk gesteld is met het binnenste van een terp. Ge weet wel, dat de lui in de kleistreken van Friesland en Groningen zoowat duizend jaar lang op dergelijke vluchtheuvels hebben gewoond, eer ze talrijk en krachtig genoeg waren, om, min of meer eendrachtig samenwerkend, het land door dijken te beschermen tegen wat wij zoo graag noemen het woeden der baren. In het geheel zijn er daar in het Noorden wel meer dan vijfhonderd van die terpen of wierden geweest, vele zóó groot, dat er mettertijd steden en dorpen op gebouwd konden worden, denk maar aan Leeuwarden en Bolsward en we zullen er zoo nog wel een stuk of twintig ontmoeten. Ze bestaan uit klei en uit allen mogelijken afval van het menschelijk bedrijf van lang vervlogen eeuwen, zoodat die terpaarde buitengewoon vruchtbaar is en zelfs bij wijze van mest vergraven en vervoerd wordt, om elders schrale gronden te verbeteren. Dat gebeurt in den laatsten tijd zeer druk en zooveel is die terpaarde waard, dat men met de afgraverij nog voordeel heeft, wanneer huizen, zelfs halve of heele dorpen, die op de terp staan, moeten worden afgebroken. Dan vindt je later een nieuw huis of een nieuw dorp op den beganen grond. Soms blijft alleen de kerk over met het kerkhof, een andermaal alleen de toren, zooals we in ons vorig hoofdstuk zagen in Oosterwierum. Het spreekt van zelf, dat bij het afgraven allerlei oude rommel, zelfs kostbaarheden te voorschijn komen. Die gaan soms verloren of raken verstrooid, maar duizenden zijn er oordeelkundig ingezameld en worden nu bewaard in het Friesch museum[36]te Leeuwarden. Voor we onzen tocht begonnen, hadden wij ze daar bekeken en daardoor was ik niet weinig belust geraakt, om op mijn eigen houtje daar in het hooge Noorden ook de schatgraverij te gaan beoefenen.

Vooruit dus langs den straatweg onder de mooie hooge iepen. Die houden echter na een Kilometer of vier plotseling op. We zijn daar aan de grens van hetstadsgebiedvan Leeuwarden en betreden nu de gemeente Leeuwarderadeel. Juist bij de grens ligt de uitspanning de Bonte Koe, dat is voor Leeuwarden zoowat net wat de Platvoet is voor Deventer. Nu hebben we weer rechts het oude land vol dorpen en boomen, links de effen grasvlakte van de voormalige Middelzee. De polders heeten de Nieuwe landen, al zijn ze ook zeshonderd jaar oud. Het stuk van Leeuwarden, dat Nieuwstad heet, is ook op dergelijk Nieuwland gebouwd en ontleent daaraan zijn naam. De dorpjes rechts, het drietal Jelsum (49), Cornjum en Britsum, zijn ook wel een bezoek waard. Hun terpen zijn voor het grootste deel afgegraven. In Jelsum vinden we een behalve een aardig kerkje (117) mooie oude stins, Dekema state (105) en de Jelsummers beweren, dat dat nu het echte huis is geweest van de echte Roos vanDekama. ’t Is natuurlijk erg pleizierig, om te meenen, dat dat mooie meisje werkelijk heeft bestaan en dan wil je ook weten, waar ze geleefd heeft. Nu krioelt Friesland echter van Dekemastate’s en evenals zeven Grieksche steden elkander de eer betwisten van Homerus’ geboorteplaats geweest te zijn, zoo redekavelde men in Friesland over de plek waar onze Roos haar wieg eens stond. Als dat nu dieDekemastatein Jelsum is geweest, dan had ze meteen gezellige buren gehad, want een kwartiertje verder, in Cornjum stond de beroemde Martena-State en de Martena’s moeten aardige lui geweest zijn. Hun huis is echter verdwenen, maar tuin en park bestaan nog en onder hoede der kerk zijn ze geworden tot een aangename openbare wandelplaats. De Friezen zijn van oudsher echte liefhebbers van boomen en bloemen geweest, zeker wel omdat er van nature zoo weinig in hun land groeiden en zoo komt het, dat men tegenwoordig op die oude wandelingen nog altijd allerlei mooie plantjes vindt: winteraconiet, helmbloempje, vooral de zeldzame holle helmbloem, aronskelken, Haarlem’s klokkenspel en allerhande moois. Dat bosch van Martena is ook nog merkwaardig, doordat er reigers nestelen, eertijds in zóó groot aantal, dat het wandelen er minder aangenaam werd door al het vuil en de stank, die aan zoo’n nestplaats eigen zijn. Thans is dat weer wat beperkt. Britsum ligt wat verderaf, het heeft een mooi antiek kerkje en ligt ook aardig in het hout; wij laten het rechts liggen en naderen nu langs den kalen, maar toch lang niet vervelenden weg het aanzienlijke Stiens (50), dat ook al op een terp ligt, de groote kerk met zijn forschen toren op het hoogste punt. Wij zijn er gauw door heen, en nu volgen, ik had haast geschreven in snelle volgorde, maar de tegenwind was heusch te bar, nog allemaal van die terpdorpen: Hyum, Hallum (72) en Marrum, het laatste al zeer duidelijk. En overal in het rond ontdekken we nog van die platte heuveltjes, sommige met een huis erop, andere zonder. Tusschen twee van die terpen door bereiken we eindelijk het aanzienlijkste terpdorp in deze streek: Ferwerd (53), de hoofdplaats van Ferwerderadeel, want bij het bruggetje over de Hyumertrekvaart zijn we weer in een nieuwe gemeente gekomen.[37]

49 JELSUM49 JELSUM50 STIENS—DE HAVEN50 STIENS—DE HAVEN51 HOOGE BEINTUM VAN DE WESTZIJDE51 HOOGE BEINTUM VAN DE WESTZIJDE52 HOOGE BEINTUM VAN DE OOSTZIJDE52 HOOGE BEINTUM VAN DE OOSTZIJDE53 FERWERD53 FERWERD54 MARIËNGAARDE BIJ HALLUM54 MARIËNGAARDE BIJ HALLUMEDZARD KONING

49 JELSUM49 JELSUM

49 JELSUM

50 STIENS—DE HAVEN50 STIENS—DE HAVEN

50 STIENS—DE HAVEN

51 HOOGE BEINTUM VAN DE WESTZIJDE51 HOOGE BEINTUM VAN DE WESTZIJDE

51 HOOGE BEINTUM VAN DE WESTZIJDE

52 HOOGE BEINTUM VAN DE OOSTZIJDE52 HOOGE BEINTUM VAN DE OOSTZIJDE

52 HOOGE BEINTUM VAN DE OOSTZIJDE

53 FERWERD53 FERWERD

53 FERWERD

54 MARIËNGAARDE BIJ HALLUM54 MARIËNGAARDE BIJ HALLUM

54 MARIËNGAARDE BIJ HALLUM

[38]

55 HALLUMERHOEK—OOSTZIJDE55 HALLUMERHOEK—OOSTZIJDE56 HALLUMERHOEK—WESTZIJDE56 HALLUMERHOEK—WESTZIJDE57 OUDE BILDTZIJL—HAVENTJE57 OUDEBILDTZIJL—HAVENTJE58 HET BILDT—WEIDE EN ZAADVELDEN58 HET BILDT—WEIDE EN ZAADVELDEN59 ZOMERAVOND IN DE NOORDERKEEGEN59 ZOMERAVOND IN DE NOORDERKEEGEN60 ST. ANNA PAROCHIE60 ST. ANNA PAROCHIEEDZARD KONING

55 HALLUMERHOEK—OOSTZIJDE55 HALLUMERHOEK—OOSTZIJDE

55 HALLUMERHOEK—OOSTZIJDE

56 HALLUMERHOEK—WESTZIJDE56 HALLUMERHOEK—WESTZIJDE

56 HALLUMERHOEK—WESTZIJDE

57 OUDE BILDTZIJL—HAVENTJE57 OUDEBILDTZIJL—HAVENTJE

57 OUDEBILDTZIJL—HAVENTJE

58 HET BILDT—WEIDE EN ZAADVELDEN58 HET BILDT—WEIDE EN ZAADVELDEN

58 HET BILDT—WEIDE EN ZAADVELDEN

59 ZOMERAVOND IN DE NOORDERKEEGEN59 ZOMERAVOND IN DE NOORDERKEEGEN

59 ZOMERAVOND IN DE NOORDERKEEGEN

60 ST. ANNA PAROCHIE60 ST. ANNA PAROCHIE

60 ST. ANNA PAROCHIE

[39]

Dit Ferwerd is een zeer indrukwekkend terpdorp. Op de hoogste plaats bevindt zich het kerkhof, door een laag muurtje omgeven, en de geweldige kerk met zijn trotschen toren, grijs van tint en begroeid met korstmossen en muurvarens. Als de huizen rondom het uitzicht niet belemmerden, zou men van het kerkhof al wel over den zeedijk heen de grijze Wadden kunnen aanschouwen, want men staat hier hooger dan de dijk en ’t is dus wel te begrijpen, dat in vroeger eeuwen bij stormvloeden menschen en vee hier een toevlucht konden vinden.

De oude Plinius, die het van tijdgenooten weten kon, schrijft dan ook: „Een uitgestrekte streek wordt daar bij tusschenpoozen tweemaal, des daags en des nachts, door den Oceaan overstroomd, zoodat men bij dezen eeuwigen strijd in den gang der natuur er aan twijfelt, of de bodem tot de aarde dan wel tot de zee behoort. Daarop wonen armzalige menschen, die hooge aardhoopen bezitten of verhevenheden, met handen gemaakt, tot op de uit ervaring bekende hoogte van den hoogsten vloed, en daarop hun hutten plaatsen. Zij gelijken op zeevarenden, als water de omgeving bedekt, op schipbreukelingen, als de wateren teruggeweken zijn; zij maken dan ook jacht om hun hutten op de visschen, die met de ebbe weer weggevoerd worden. Zij hebben geen vee en geen melk, zooals hun naburen. Zij kunnen zelfs geen strijd voeren met de wilde dieren, want alle struikgewas is ver weg. Zij vlechten van zeewier en waterbiezen touwwerk tot netten ter vischvangst. Het slijk, dat zij met de handen grijpen, drogen zij meer in den wind dan in de zon. Met deze aarde verwarmen zij hun spijzen en hun door den noordenwind verstijfde ingewanden. Hun eenige drank is regenwater bewaard in putten bij den ingang van hun huis.” Geen vroolijk tafereel, zooals ge ziet, al heeft Plinius ter wille van de schilderachtigheid van het geval misschien een beetje overdreven. Ook weten wij, door wat er alzoo in de terpen is gevonden, dat hun bewoners welvaart en zelfs weelde hebben genoten.

Den volgenden morgen gingen wij in ’t zonnetje (trots Plinius) langs een alleraardigst binnenpad van Ferwerd naar Hooge Beintum (51,52), dat zich als een prachtige boomgroep hoog in de lucht verhief. Wij hadden wel tien meter steil te klimmen eer wij het overschot van het dorp hadden bereikt met het zeer oude kerkje en dicht begroeid kerkhof, beschaduwd door zware iepen. Allerlei vogels zongen vroolijk en de vlugge huiszwaluwtjes vlogen af en aan. Die hadden hun nesten gebouwd onder de daklijst en in de spitsbogen van de hooge kerkramen. Die kerk heeft daar al langer dan achthonderd jaar gestaan zij is hoofdzakelijk gebouwd van tufsteen, aangevoerd uit verre landen, want eerst in de dertiende eeuw zijn de Friezen zelf hun baksteenen gaan fabriceeren, waar ze thans heel veel aan doen.

Wij liepen om de kerk heen en ook achterom de huisjes (101) van het dorp, waar men een prachtig uitzicht heeft over de kleistreek, den zeedijk, de schorren en de Waddenzee met in de verte de witte duinen van Ameland. Langs de oostzijde ging het pad weer steil omlaag en daar konden we ook den recht afgegraven kant zien; tien meter hoog, duidelijk bestaande uit drie lagen: de bovenste gele terpaarde, de middelste zwarte en de laagste de blauwe terpengrond. Verder wandelend kwamen we aan een oude state, Harsta-state[40](68), omgeven door een vierkante gracht, hooge boomen, aan den ingang een mooie oude lindelaan met op den grond veel boschbloemen, o.a. het Haarlems klokkenspel, dat je ook in den Haarlemmerhout vindt. Het was een echt woudplekje. Nu ging het verder op Oosterbeintum aan en daar hebben we in den versch afgegraven kant een poosje zitten krabbelen. Ons bleek daar, dat die oude luidjes van tweeduizend jaar geleden, behalve van visch ook nog smulden van de lagere dieren der zee, met name van kokkels, waarvan we heele opeenhoopingen van schelpen vonden midden in den ouden mest. Dan vond ik nog stukken plank en balkjes, afkomstig van de regenputten, waar Plinius het over heeft en ook velerlei potscherven, maar ongelukkig niet een versierde. Daar had zeker een bijzonder armoedig gezin gehuisd. Intusschen hadden ze wel een kat, tenminste ik vond er een onderkaak, heel mooi en gaaf, maar prachtig blauw. Ik heb dat ding meegenomen als het onderkaakje van een tijdgenoot van Keizer Karels hond. Trouwens ik vond er ook honde- en schapebeenderen. Intusschen hebben andere, knappere zoekers nog heel wat meer gevonden: beenderen van den oeros, en van herten, reeën, vossen, waaruit de gevolgtrekking te maken is, dat de oude terpbewoners wel op jacht gingen op de hoogere gronden in de bosschen van Murmurwoude of Veenwouden of nog hoogerop. Ook gouden sieraden en beenen of gebakken kralen zijn er gevonden en in de terp van Hooge Beintum een geraamte in een uitgeholden boomstam, dat is de oudste vorm van doodkist. Dit kunt ge allemaal in het Friesch museum gaan bekijken, maar verzuim dan toch vooral niet, om ook eens een terp te bezoeken, waar men juist aan het afgraven is. Wij hebben die paar dagen daar in Ferwerd buitengewoon genoten.

Ook hoorden wij daar vertellen, dat er tegenwoordig op de groene kwelders buitendijks ook nu nog wel terpen worden gebouwd, niet zoozeer als vluchtheuvels voor het vee, want dat kan zich op den dijk wel redden, als ter bescherming van de drinkdobben, waarin het water anders bij vloed verzouten zou. Om dat te bekijken, maakten wij nog eens een apart ritje, weer uit Leeuwarden over Stiens (50), maar dan meer naar links over Finkum en Hallumerhoek (55) op de Friesche Wadden aan. Dat is ook een mooie tocht geworden, we noemen het den tocht der verdwenen kloosters. Even voorbij Finkum toch ligt rechts van den weg ietwat in de hoogte een groote mooie boerderij, die heet KloosterMariëngaarde(54). Van een klooster is daar echter niets te zien, dat is in het begin van den tachtigjarigen oorlog vernield. De terp waar het op stond, is grootendeels afgegraven (het kanaaltje is er nog) en de afgravers hebben grooten tegenspoed gehad met al de oude steenen en fondamenten, die ze daar te verwerken kregen inplaats van terpaarde. Het klooster is in 1163 gesticht door den toenmaligen pastoor van Hallum, die als eerste abt Frederik het al dadelijk tot grooten bloei bracht. Ongeveer om dien tijd was ook de zeedijk gelegd en de monniken vanMariëngaardehebben al dadelijk zich er mee bezig gehouden, om stukken van de Middelzee in te polderen, die heeten nu nog de Oud- en Nieuw-munnikbiltpolders. Naderhand zijn die inpolderingen voortgezet en daar is men nu nog altijd mee bezig, zooals wij zien zouden.[41]

Wij hadden ons voorgenomen, om de drinkdobben te gaan bekijken in de Noorderleegster Buitenkoggen, zooals op de kaart dat buitenland heette. Even voorbij het schilderachtige Hallumerhoek (56) boog de weg westwaarts om, die ons er brengen zou en dat ging allemaal puikbest. De weg eindigde, zooals dat ook op de kaart stond aangegeven, en wij stapten af om den hoogen zeedijk op te klimmen. Toen we bovenop waren aangekomen, zagen wij echter dat ons buitenland geen buitenland meer was, een kwartiergaans verder noordwaarts verhief zich een nieuwe zeedijk. We gingen lekkertjes boven op den dijk in het gras liggen om uit te kijken.

Terwijl ik daar zoo mijn aanteekeningen lig te maken, komt langs den dijk een man aanstappen met zoo vasten tred, dat ik dadelijk argwaan krijg en bedenk hoe ik verleden jaar eens moeite heb gehad om den Groninger zeedijk te betreden vanwege den oorlogstoestand. Zou ’t hier weer zoo zijn? We verzekeren elkaar eerst, dat het mooi weer is en dan begin ik maar ’t eerst te vragen, hoe lang deze polder al bedijkt is en hoe hij heet, en wie het heeft gedaan. Nog niet zoo heel lang geleden, is het antwoord en door een waterschap, het waterschap der Noorderkeegster buitenpollen (59). En daar (hij wijst een huis aan) ligt het polderhuis van de Noorderkeegster buitenpollen en hier—en meteen haalt hij een penning uit zijn boezem—is de politie van de Noorderkeegster buitenpollen. Daar heb je ’t, dacht ik en merk op, dat hij het hier in die kwaliteit zeker nogal rustig heeft. O neen, er komt hier wel verdacht volk (met een blik op mijn aanteekenboekje) en ook de jongens uit Leeuwarden, die als ze gezwommen hebben in zee zich wel eens willen vermaken met paardje rijden op de koeien, om weer warm te worden. En wat komt mijnheer hier doen? Ik verzeker hem, dat ik die koeien met rust zal laten en vertel hem meteen maar mijn heele historie, want ik begrijp het al, deze dijken worden door militairen en politie ook om strijd verdedigd tegen alles wat verdacht is. Nu is alles in orde en hij vertelt me van die drinkdobben, dat men die bij de inpoldering heeft laten bestaan, zelfs uitgebreid. De grootste is nu een reservoir met een molen er op en vandaar wordt het zoete water geleid naar de kleinere drinkplaatsen rondom. Als we echt buitenland willen zien, moeten we nog een half uurtje verder. We rijden nu over de grazige kruin van den ouden zeedijk, hoog boven het land, bereiken de volgende kwelder en loopen die nu af tot aan de zee. Deze kwelder wordt door de ondernemende Friezen echter ook al omkaaid en gegreppeld en de drinkdobben er in zijn ook al geen ouderwetsche terpjes meer, maar cylinders van beton, kunstig afgedekt, zoodat de koeien er wel uit kunnen drinken maar er niet in kunnen baden, zooals zij in de oude dobben wel deden. Wij dringen door tot vlak aan ’t slik, waar de zeekraal groeit en de zulte en kijken daar een kwartiertje naar de duizenden en duizenden trekvogels, die in den nazomer hun aftocht naar het zuiden volvoeren langs onze slijkerige Wadden.

Dan weer op de fiets, want het middaguur nadert. Vlug rollen we eerst naar Nieuwe Bildtzijl en dan naar Oude Bildtzijl (57), waar we even pleisteren. Vlak aan den dijk staat een kerkje met een splinternieuw torentje en daar is een klein verhaal aan vast. Het blijkt, dat de Oude-Bildt-zijlenaren bij de geboorte van Prinses Juliana ontstoken waren in groote[42]geestdrift. Deze stugge Friezen hebben toen zoo hard hun klokken geluid, dat het torentje er onder bezweken is. ’t Kan wezen, dat ze me voor den gek gehouden hebben, maar ’t is me voor waar verteld en ik wil het ook graag gelooven, dat onze Koningin ervan heeft gehoord en toen flink geholpen heeft, om het torentje te herstellen. Als ik er wat te zeggen had, zou ik op dat torentje in een bescheiden hoekje laten schilderen: „Vernieuwd na 30 April 1909.”

Het landschap wordt nu geheel anders dan in de terpenstreek. Nu geen kronkelende wegen meer met aardige hellingen en huisjes, knus dicht opeen geschaard rondom hun grijze kerkje op de hoogte. Neen, we hebben hier lange, rechte dijken met nog langere en rechtere dwarswegen en daarlangs liggen van afstand tot afstand de groote boerderijen, meestal ook nog met haar langen kant langs den weg heen, om alles nog langer te maken. We zijn hier nu in Het Bildt (58), het laatste stuk Middelzee, dat drooggelegd is: het Oude Bildt omstreeks 1500, het Nieuwe Bildt een eeuw later. Dat gebeurde hoofdzakelijk onder Hollandschen invloed en daardoor verschilt deze jongste der Friesche gemeenten in vele opzichten van de twee en veertig andere. Toch genoten wij ons ritje wel, vooral den hoofdweg door het Oude Bildt, dien wij bij den Prulhoek bereikten. We reden toen door de lange, haast aaneengelegen dorpen Sint Anna Parochie (60) en Sint Jacobi Parochie, terwijl we het derde van de Parochiedorpen, Lieve Vrouwe Parochie, achter ons lieten liggen.

Het is hier alles landbouw (58) en we keken met kennersblik naar de tarwe, de haver en de gerst, het fijne kanariezaad en de mooie lichtblauwe bloeiende maankop. Het vlas was al voor een groot deel getrokken en men was ook bezig koolzaad te dorschen. Dat zag er allerprettigst uit. Om te beginnen stond er een heel hooge staak midden in het veld en in zijn top wapperde vroolijk onze mooie Nederlandsche vlag. Daaromheen was het een en al bedrijvigheid. Het koolzaad moet goed rijp zijn, anders deugt het niet. Maar nu behoort die plant tot de familie der kruisbloemen en die hebben voor het meerendeel de gewoonte, dat haar rijpe vruchten, ge weet wel, de hauwen, heel spoedig openspringen en dan haar zaden in het rond strooien en dan blijft er niets anders over dan het vliezige tusschenschot, zooals ge dat kent van de Judaspenningen. Er komen dus veel handigheid en overleg bij te pas, om de kostbare ronde koolzaadkorreltjes te pakken te krijgen.

We zagen dan ook, hoe de koolzaadplanten op de groote zeilen bij elkaar gesleept werden en om dan de hauwen te laten openspringen werden er vier paardjes door den koolzaad-hoop heen gereden, gemend door een jongen, die bovenop het voorste blinkende paard zat. Die vlugge paarden en de vlag, de arbeiders en arbeidsters met hun blanke zeilen, het druk gedoe van karren vormden onder den blauwen zomerhemel een prachtig schouwspel, dat nog omlijst werd door een kleurigen, mild dragenden boomgaard links, en rechts een molentje in het groen. We bleven daar een minuut of tien kijken en reden toen opgewekt verder door den langen dorpsweg langs menig aanzienlijk huis en aardig groepje van arbeiderswoningen. De kerkgebouwen en torens inHetBildt hebben niet veel te beduiden, maar die van Sint Anna Parochie moeten we toch eens even aankijken, want daar is onze Rembrandt[45]getrouwd. In het kerkeboek kunt ge de aanteekening vinden: „Anno 1634, den 22 Junii, sijn in ’t houwelyck bevestiget Rembrant Hermens van Rhyn tot Amsterdam woonende, ende Saskia van Ulenborgh, nu tot Franeker woonachtich.”[43]

61 FRANEKER—STADHUIS61 FRANEKER—STADHUIS62 FRANEKER—HERV. KERK EN WEESHUIS62 FRANEKER—HERV. KERK EN WEESHUIS63 FRANEKER—KORENDRAGERSHUISJE63 FRANEKER—KORENDRAGERSHUISJE64 TJUMMARUM—KERK64 TJUMMARUM—KERK65 FRANEKER—VOORSTRAAT MET MARTENAHUIS65 FRANEKER—VOORSTRAAT MET MARTENAHUIS66 FIRDGUM—TOREN66 FIRDGUM—TORENEDZARD KONING

61 FRANEKER—STADHUIS61 FRANEKER—STADHUIS

61 FRANEKER—STADHUIS

62 FRANEKER—HERV. KERK EN WEESHUIS62 FRANEKER—HERV. KERK EN WEESHUIS

62 FRANEKER—HERV. KERK EN WEESHUIS

63 FRANEKER—KORENDRAGERSHUISJE63 FRANEKER—KORENDRAGERSHUISJE

63 FRANEKER—KORENDRAGERSHUISJE

64 TJUMMARUM—KERK64 TJUMMARUM—KERK

64 TJUMMARUM—KERK

65 FRANEKER—VOORSTRAAT MET MARTENAHUIS65 FRANEKER—VOORSTRAAT MET MARTENAHUIS

65 FRANEKER—VOORSTRAAT MET MARTENAHUIS

66 FIRDGUM—TOREN66 FIRDGUM—TOREN

66 FIRDGUM—TOREN

[44]

67 MINNERTSGA—HAVEN EN KERK67 MINNERTSGA—HAVEN EN KERK68 HARSTA-STATE68 HARSTA-STATE69 OOSTERBIERUM69 OOSTERBIERUM70 MARSUM—HERINGA-STATE70 MARSUM—HERINGA-STATE71 DRONRIJP—TOREN71 DRONRIJP—TOREN72 HALLUM—HAVENTJE72 HALLUM—HAVENTJEEDZARD KONING

67 MINNERTSGA—HAVEN EN KERK67 MINNERTSGA—HAVEN EN KERK

67 MINNERTSGA—HAVEN EN KERK

68 HARSTA-STATE68 HARSTA-STATE

68 HARSTA-STATE

69 OOSTERBIERUM69 OOSTERBIERUM

69 OOSTERBIERUM

70 MARSUM—HERINGA-STATE70 MARSUM—HERINGA-STATE

70 MARSUM—HERINGA-STATE

71 DRONRIJP—TOREN71 DRONRIJP—TOREN

71 DRONRIJP—TOREN

72 HALLUM—HAVENTJE72 HALLUM—HAVENTJE

72 HALLUM—HAVENTJE

[45]

Van Sint Jacobi Parochie naar den Mooien Paal is maar een klein eindje en dan zijn we weer in het oude land, in Westergo, gemeente Barradeel. Warempeltjes zien we den weg weer een beetje stijgen en voor ons ligt op zijn terp het mooie dorp Minnertsga (67), alweer met een hoogen, zeer ouden zadeldaktoren, opgebouwd uit reuzenmoppen. Alleen de top is vernieuwd in 1818 en men heeft toen zeker van de gelegenheid gebruik gemaakt om een omloop aan te brengen, wat men aan dat soort van torens anders zelden aantreft. Ook het dorp is voor een groot deel vernieuwd, allemaal nieuwe huisjes en er worden er nog steeds bijgebouwd. Trouwens, dat is haast door heel Friesland zoo, en al dat bouwen en vernieuwen geeft een prettigen indruk van welvaart en bedrijvigheid.

Er is in Minnertsga een aardig haventje, waar nu een aantal tjalken druk bezig waren om aardappelen te laden, die een hoofdproduct zijn van deze streek. Even buiten het dorp krijgen we weer afzonderlijke kleine terpen te zien, maar vele zijn hier ook al weggegraven. Ook van de stinsen die hier vroeger stonden, is niets meer over. Vroeger hebben hier in de buurt de Adeelen’s gehuisd; ge herinnert u Seerp van Adeelen wel uit „de Roos van Dekama”. Ik vrees, dat onze goede Jacob van Lennep met de figuur van dezen Seerp veel schuld heeft aan de glad verkeerde voorstellingen van Friesche stugheid en stijfhoofdigheid, die vele Hollanders er nog op na houden. Als je daar eens lang en scherp over gaat nadenken dan kom je tot de gevolgtrekking, dat de Hollanders er lang zoo goed niet afkomen, als de Friezen. Maar eigenlijk zijn alle vergelijkingen uit den booze.

Langs een volmaakt schaduwloozen weg, wat op dezen heeten Augustusmiddag duidelijk voelbaar is, bereiken we nu het mooiste van alle terpdorpen, dat is Tjummarum (133,140). Firdgum met zijn hoogen, alleenstaanden toren (66) hebben we rechts laten liggen. De kerk van Tjummarum (64) ligt op den top van de terp en daar draait de hoofdstraat (112) in een cirkelboog mooi omheen. We waren hier weer op kerkelijk gebied, het buurtje even door Tjummarum heet de Pastoorspijp en de dwarsweg, dien we vóór Oosterbierum (69) wilden inslaan, heet de Monnikenweg. Deze monniken zijn die van het klooster Lidlum, dat nog beroemder is geweest dan dat vanMariëngaarde, maar waarvan ook alleen maar de naam is overgebleven.

Nu verder door Dongjum naar het aloude Franeker (63) langs een effen grindweg, met hooge wuivende wilgen omzoomd. De trots van Franeker is de breede Voorstraat met de Breede Plaats, inderdaad met de beide kerken (62) tot achtergrond een zeer mooi stadsgezicht. Je pikt er allerlei aardige geveltjes uit in het bijzonder de beide rijk versierde Proffenhuizen en het groote oude Martenahuis (65). De eerste herinneren aan den tijd, dat Franeker een nog al beroemde Hoogeschool bezat, maar daar is nu een krankzinnigengesticht van gemaakt. Het Martenahuis is nog van vóór 1500, behalve de stoep die tweehonderd jaar jonger is. Ook het vroolijke, rijk versierde stadhuis (61) heeft een nieuwe stoep. De toren herinnert aan[46]dien van Bolsward en trouwens ook aan de Amsterdamsche torens en het gebouw zelf maakt een heel bijzonderen indruk, vooral wel doordat het een hoekhuis is. Wij misten den tijd, om de verzamelingen te bekijken, die in dit stadhuis zijn tentoongesteld. Maar wel namen wij het er van, om het Planetarium van Eyse Eysinga te gaan zien in een achterkamer van een klein eenvoudig huisje dicht bij het stadhuis. Onder ons gezegd hadden wij, onder invloed van al de nieuwe geleerdheid, niet veel verwachting van al dat ouderwetsch geknutsel. Maar we kwamen wel degelijk onder den indruk, misschien ook wel doordat de dame, die met ijzeren vastberadenheid in vele talen het geval uitlegt, ons niet losliet, voordat we alle bijzonderheden onder het oog hadden gehad. Bovendien kochten we de zeer goed gedrukte toelichting en nu weten we er alles van. Met een paar gewichten, een slinger en vier kamraderen is Eyse Eysenga, die van beroep wolkammer was, maar een groote liefde had voor wis- en sterrenkunde, er in geslaagd, om je op ieder oogenblik op de minuut af een vrij juist beeld te geven van den stand der hemellichamen, die gewoonlijk met het bloote oog te zien zijn. Eyse Eysinga is met dat werk begonnen naar aanleiding van de verslagenheid onder de bijgeloovige luidjes, doordat op 8 Mei 1774 vier planeten op een klusje bij elkaar kwamen te staan; een ongewoon feit, dat, naar hun meening, allerlei ellende met zich zou sleepen. Door middel van het Planetarium kon hij laten zien, dat die ongewone gebeurtenis heel gewoon was en telkens na eenige eeuwen moet terugkeeren, zooals wij een poosje geleden ook konden zien. Het Planetarium loopt nu gelijk met zon en maan en sterren, maar Eyse had er indertijd een kruk aan, waardoor hij de draaierij van eeuwen in een paar minuten kon laten zien, maar daar sleet het toestel te veel van. Ik kan er hier nu niet meer van vertellen, maar wel iedereen gaarne aanraden, om dat Planetarium te gaan zien. Ik wou, dat we zooiets in Amsterdam hadden.

Nu frisch op weg naar Leeuwarden langs een mooien straatweg met goed fietspad. De bouwlanden maken hier plaats voor weiden. Ver naar rechts zien we den hoogen toren van Tzum, op een na de hoogste van Friesland. Dan naderen we het groote Dronrijp (71) met zijn witten toren in drie verdiepingen, zijn groote boerderijen en zijn vele fabrieken. Bovendien de geboorteplaats van Eyse Eysenga en van Alma Tadema. Naar links gaat het er boschachtig uitzien, daar liggen Menaldum en verderop de tuinen en boomgaarden van Berlikum en Beetgum, die we ongaarne onbezocht laten. Rechts zien we over de weiden Deinum, met zijn uientoren (31) en dan gaat de weg stijgen tegen de terp van Marssum op, het laatste dorp vóór Leeuwarden, waar we een half uurtje besteden om het aloudeHeringastate(70) te zien met de beroemde Poptastichting.

Vandaar naar Leeuwarden is het weer een zeer aangenaam ritje, maar ik ben heusch bang, dat wij voor Leeuwarden langzamerhand een al te groote vooringenomenheid zijn gaan koesteren. Doch toen we dit jaar er weer een paar dagen moesten overblijven, was het er al weer nog prettiger en mooier dan wij verwacht hadden. Hoe komt dat toch?[48]

Workum.

[49]


Back to IndexNext