IV.DE OOSTHOEK.

[Inhoud]DE OOSTHOEK.IV.DE OOSTHOEK.Den volgenden dag was het alweer zonnig en warm en we wilden naar Dokkum (77,78), om te onderzoeken of daar werkelijk alle mannen een witte haarlok en alle vrouwen een kaal plekje op het hoofd hebben, als herinnering aan den snooden moord, door hun voorvaderen op Bonifacius gepleegd. Dat hadden we zoo in onze jeugd geleerd; je leert veel, als je jong bent. En ’t is voor de Dokkumers wel onpleizierig, dat wie zijn heele Vaderlandsche geschiedenis vergeet, toch nog altijd dien ongelukkigen moord blijft onthouden. Dokkum mag echter wel om een paar anderen dingen in onze herinnering blijven.Nu, wij volgden een eindje den Groninger straatweg, om weldra rechtsaf het open kronkelwegje te nemen naar Lekkum en Miedum en daarbij hadden we naar links het uitzicht op het bedrijvige deel van Leeuwarden dat zich langs de Dokkumer trekvaart heeft uitgebreid. Langs den weg was alles weiland en Miedum vooral zag er heel aardig uit; maar het was er kaal en schaduwloos en als een veilige haven zagen we eindelijk recht voor ons uit de hooge brug over de Murk (73), overwuifd door zware bladermassa’s van hooge laanboomen. Al houden wij ook nog zooveel van licht en zonneschijn, we waren blij, weer boomen langs den weg te hebben: eerst gewone iepen, toen esschen en daarna eiken, waardoor we tot het besef kwamen, dat we voor een poosje de klei hadden verlaten en terecht waren gekomen op het zandruggetje van de Trijnwouden, de aardige dorpjes Giekerk, Oenkerk en Oudkerk, die met elkander één geheel vormen. Een alleraardigste weg, niet breed, maar mooi beplant, alle huizen omgeven door bonte bloementuintjes en waar je er tusschen door keek, zag je akkers met rogge, aardappelen of boekweit. Van afstand tot[50]afstand kwamen ook deftige huizen voor den dag: Heemstra-state, het nog aanzienlijker Stania-state (74) met prachtig park en hoog geboomte en eindelijk in de bocht naar Oudkerk toe Sminia-state en de Klinse (75), waar de hooge eiken en de lekkere, zachte, echt bemoste boschgrond ons uitnoodigden tot een half uurtje rust. Als je zoo een poosje rustig blijft zitten aan een woudzoom komt er altijd wel een aardig tooneeltje uit het natuurleven te zien. Ditmaal was het een vlaamsche gaai, die achtervolgd werd door twee wielewalen en als je die vogels kent, kunt ge begrijpen hoe onderhoudend het was, al dat wit en bruin en blauw en zwart en heldergeel in de zon te zien blinken. Toen de vervolging was afgeloopen ging de gaai krijschen en de wielewaal fluiten en van het rumoer gingen ook nog een massa andere vogels zingen, die zich anders op warme Augustusdagen stil houden.In Oudkerk waren ze bezig het oude kerkje met een dikke gele verflaag te bedekken en aan de Murk vonden wij een aardig havenbuurtje. Toen de brug (76) over en weer in den zonneschijn noordoostwaarts tusschen de venige hooilanden door, de slootkanten bont van hooge bloemen van bereklauw en engelwortel, wederik, kattestaart, moerasspiraea, allemaal kruiden van den vollen zomer. Zoo bereikten we het aloude Rinsumageest (22), waar de grond weer zandig wordt. Hier in de buurt lag vroeger het derde der beroemde kloosters van Noord-Friesland: de abdij van Claerkamp, wat een aardige naam. Een meertje even buiten het dorp heet nog het Claerkamper meer. De monniken van Claerkamp gingen in het grijs gekleed, vandaar dat het Wadden-eiland, dat tot 1580 toe tot het klooster behoorde, thans nog Schiermonnikoog heet. Schier beteekent namelijk „grijs”, een Fries noemt een grijze kraai ook altijd nog „schiere kraai”.Er isvan Claerkampin Rinsumageest echter niets meer te zien, maar de dorpskerk zelf mag wel even bekeken worden, die is heel oud en verheugt zich in het bezit van een verborgen benedenverdieping, een crypt, waarin wij onder vriendelijke leiding van denkoster afdaaldenen ’t was wel de moeite waard, de kleurige zuiltjes te zien, die daar het ronde gewelf schraagden.Toen ging het op Dokkum aan over Akkerwoude en Murmurwoude, die met Rinsumageest en Dantumawoude samen ook weer bekend zijn onder den naam van de Dantuwouden. De koster had ons al gezegd: „Het zal in de zon moeten gebeuren,” en dat kwam ook volmaakt uit. Akkerwoude ligt zeer verspreid, de weg is breed en ’t is er alles bouwland. Vooral wordt hier cichorei geteeld, een grof gewas, zoo iets als bieten, maar valer van kleur, dat om zijn wortels wordt gekweekt. Die worden gebrand en het bruine poeder dient dan om koffie te vervangen en doet dat zeer slecht, hetgeen we in Friesland nog al eens moesten ervaren. Maar waar de planten waren doorgeschoten of een jaar over hadden gestaan, daar bloeiden ze prachtig met helderblauwe bloemen, net zooals we ze in ’t vorig jaar in het wild aan de IJseldijken hadden gevonden. Eindelijk bereikten we Murmurwoude. Die naam wordt wel eens beschouwd als een verbastering van Moordenaarswoude en hier zouden dan de lui gehuisd hebben, die Bonifacius hebben doodgeslagen. We zagen geen een Murmurwoudenaar, aan wien we konden vragen, of dat waar was. Ze hadden zich allemaal verscholen voor de middaghitte.[51]73 MURKBRUG BIJ GIEKERK73 MURKBRUG BIJ GIEKERK74 STANIA-STATE TE OENKERK74 STANIA-STATE TE OENKERK75 DE KLINSE BIJ OUDKERK75 DE KLINSE BIJ OUDKERK76 MURKBRUG BIJ OUDKERK76 MURKBRUG BIJ OUDKERK77 DOKKUM77 DOKKUM78 DOKKUM78 DOKKUMJAN VOERMAN Jr.[52]79 KANAAL VAN DOKKUM NAAR STROOBOS79 KANAAL VAN DOKKUM NAAR STROOBOS80 FOGELSANGH-STATE80 FOGELSANGH-STATE81 DRACHTEN81 DRACHTEN82 HUIZE OLTERTERP82 HUIZE OLTERTERP83 DE POOSTERBRUG83 DE POOSTERBRUG84 WIJNJETERP—HEI EN BOSCH84 WIJNJETERP—HEI EN BOSCHJAN VOERMAN Jr.[53]Vanuit Murmurwoude geniet men een onbelemmerd uitzicht op Dokkum, want er staat zoowat geen enkele boom en de stad zelf verrijst als een eiland uit de vlakke velden. In een half uurtje hadden we het oude Dockinga bereikt en we reden er maar dadelijk dwars doorheen, berg op berg af, want het ligt op een paar bijzonder steile terpen. Met sneeuwval en ijzel zal ongetwijfeld menig Dokkumer ten val komen. Die terpen zijn zeer oud; Dokkum (77,78) is na Stavoren de oudste stad van Friesland en moet al in de derde eeuw na Chr. bestaan hebben. De Lauwerzee was toen veel grooter dan thans, de Dokkumer Ee had een wijden mond, zoodat onze stad eigenlijk een zeestad is geweest, nog wel tot in de achttiende eeuw toe. Het groote stadhuis en verschillende oude koopmanshuizen en pakhuizen herinneren nog aan het druk verkeer. Van die witte haarlokken of kale plekken kregen we niets te zien.Nu had ik nog wel graag doorgefietst naar de Lauwerzee, maar daarvoor was eigenlijk toch de zon te heet en de dag te kort, daarom gingen we langs den beroemden Bonifaciusput maar langs het kanaal (79) naar Stroobos, om over Veenwouden weer Leeuwarden op te zoeken. De put is ontstaan door den hoefslag van het paard van een der soldaten van koning Pepijn’s tuchtigings-expeditie, en het water heette wonderdoende eigenschappen te bezitten. Vroeger was de put open, maar omdat hij heel goed drinkwater levert, heeft men hem overdekt en een hek erom gezet, zoodat men er geen voeten meer in kan wasschen, wat sommige lui wel deden vanwege de wonderdadigheid.Langs het kanaal hadden we alweer geen last van de schaduw, maar we verveelden ons niet. Rechts hadden we voortdurend het uitzicht op de bosschen van Dantumawoude en Driesum, links lag het eindelooze kleiland. Daarna kruisten we een belangrijke dwarsvaart, de Potsloot, die verderop Zwemme heet en zagen nu rechts een uitgebreid laagveenland met een groote plas er midden in, eigenlijk een laatste deel van de Friesche meren, die in een breede strook dwars door de provincie heen liggen van Stavoren naar de Lauwerzee. Een eindje verder verlieten we onze vaart, om langs de Triemen naar Veenklooster te rijden, waar we een uurtje rust hielden op de beroemde Fogelsangh-state (80), de noordelijkste plaats in Friesland, waar de nachtegaal nog zingt. De naam der state doelt daar echter niet op: haar stichter heette Dr. Theodorus van Fogelsangh, die kocht in 1639 de voormalige kloostergronden, waarnaar het gehuchtje nog altijd Veenklooster heet. De plaats is prachtig met mooi beukenbosch, uitgestrekte vijvers, rijken plantengroei en dichte vogelbevolking en we mogen onzen vriend Theodorus wel dankbaar zijn, dat hij zoo’n mooi buiten heeft aangelegd. Wie doet ’t hem na?Nu hadden we nog een mooi ritje naar huis langs Kollumerzwaag en Zwaagwesteinde naar Veenwouden, maar toen we bij de beroemde Schierstins kwamen, een oude dépendance van het Claerkampster klooster, zou men ons zelf voor schiere monniken hebben kunnen houden, zoo dik zaten we onder het grijze stof. Het was dan ook eindelijk een groot genoegen, om uit te blazen in den schaduwrijken tuin van Quatre-Bras aan den Groninger straatweg, temeer omdat we daar de jeugd en schoonheid van de Trijnwouden[54]vereenigd vonden aan een spannenden tenniswedstrijd. Toen ging het over Hardegarijp en Toutenberg weer op Leeuwarden aan; onderweg hielden we ons nog even op bij de Groote Wielen, waar de Leeuwardenaren in drommen komen zwemmen, roeien, zeilen en visschen. Wat ze gelijk hebben!Den volgenden dag slopen we smadelijk met den trein naar Buitenpost, maar daar beklommen we weer onze karretjes om zuidwaarts te tijgen. Buitenpost is een mooi, ruim dorp, goed in de boomen, maar verderop wordt het wat kaler. Bij Blauwverlaat kruisten we het welbekende Kolonelsdiep of Caspar de Roblesvaart en daarna, voorbij Sint Augustinusga, begon het er weer een beetje apart uit te zien. Tot Drachten toe kregen we nu telkens stukjes weg, langer of korter, die aan weerszijden dicht beplant waren met elzen, zóó dicht, dat ze als een muur den weg omzoomden en een bijzonder goede beschutting gaven tegen den nog al fellen wind, die zich op de open stukken danig liet gevoelen. ’t Allereerst bereikten we het oude dorpje Surhuizum (23) met een zeer vreemdsoortigen, stokouden kerktoren, die een slanke spits heeft, geheel uit baksteenen opgemetseld. We gingen nu de veenstreek naderen en bereikten dan ook spoedig het groote en ruime dorp Surhuisterveen (24), dat zich kilometers ver uitstrekt langs den breeden weg en waar een groote zuivelfabriek in volle actie den omtrek vervulde met zijn geplas en gerammel. Dan weer einden weg tusschen de geurige elzen en voor Rottevalle sloegen we linksaf, om door de ontgonnen veenstreek van de Drachtster Compagnie, die een aardige afwisseling te zien geeft van bosch en hei en akkers en weiden te belanden op de mooie maar lange Folgerenlaan, die ons naar Drachten (81) bracht, na Heerenveen de belangrijkste veenkolonie van Friesland. Evenals alle veenkolonies is het dorp lang en smal, van Noordeind tot Zuideind wel een uur gaans. Het belangrijkste punt is waar de weg de Drachtstercompagnonsvaart kruist, de hoofdbrug. Het ziet er allemaal nieuw en druk en welvarend uit en vervelend is het er ook niet, want je bent naar alle kanten nog al gauw in zeer mooie streken: naar het Oosten de Hooge brug, Ureterp en Siegerswoude, naar het Zuiden het beroemde land van Olterterp (82) en Beetsterzwaag.Wij kregen daar een mooi staaltje van te zien, toen we even voor de kerk van Olterterp rechtsaf een lange laan insloegen. ’t Is daar verboden te fietsen, we liepen er dus met het karretje aan de hand. Bij nader onderzoek vond ik, dat wij ook dat niet hadden mogen doen, maar dat men om te wandelen in de bosschen van Olterterp (21) en Beetsterzwaag bepaalde vergunningen moet aanvragen. De eigenaars hebben zich tot dien maatregel genoodzaakt gezien, doordat het vrij toegelaten publiek de bosschen en wandelingen vernielde. In dit opzicht heeft ons volkje een kwaden tijd doorgemaakt; gelukkig, dat het zich in den laatsten tijd wat schijnt te beteren en een andermans eigendom en vooral de mooie natuur gaat leeren ontzien.Wel, we liepen daar door een laan, die precies een half uur lang is en aan weerskanten toegang geeft tot allerlei soort van bosch; hooge, eeuwenoude dennen met reusachtige schubbige stammen, donker beukenwoud, vroolijke eikjes en prachtig parklandschap van[55]hooge hei in vollen bloei, afgewisseld met kleine groepjes grove dennen, die daar verstrooid zijn opgeslagen. Hier en daar waren aardige waterpartijtjes en alles was er stil en grootsch en ruim. Geen wonder, dat deze streken als de schoonste van Friesland bekend zijn en dat ieder wel eens gehoord heeft van de groote buitens, die het in stand blijven van deze bosschen mogelijk maken: Lijndenstein, Lanswold, Boelens en hoe ze meer heeten. In vroeger jaren hadden we daar ook wel rondgedwaald, maar thans wilden we verder naar het onbekende Oosten. Onze laan kwam dan ook op zijn tijd weer uit op een openbaren weg en weldra kwamen we nu aan een eenvoudige klapbrug, de Poostertille (83), waar we even afstapten, om eerbied te bewijzen aan Frieslands belangrijkste rivier, de aloude Boorne of het Koningsdiep. Deze rivier ontspringt achter Bakkeveen, waar Friesland, Groningen en Drente aan elkander grenzen en stroomt dan dwars door het land langs Oldeboorn en Akkrum en heeft daar vroeger ergens in de Middelzee uitgemond. Er zijn er wel, die het Bornrif tusschen Terschelling en Ameland in verband met dit water brengen en de Middelzee beschouwen als niet anders dan den wijden Boornmond. Dit alles overdachten we, terwijl we over de leuning aan de Poostertille naar de vischjes stonden te kijken. Over de Tille klom de weg en we waren nu op den heide- en veenrug, die de scheiding vormt tusschen het gebied van de Boorne en van onzen ouden vriend de Tjonger. Het landschap herinnerde hier ook al heel sterk aan het Tjongerland, na de hei gepasseerd te zijn kwamen we in Wijnjeterp (84) en dat lag al net zoo verspreid als Oudehorne en Nijehorne. Nu ging het zuidwaarts en bij den Wittebult bereikten we de Opsterlandsche Compagnonsvaart, schrikbeeld uit onze kinderjaren, toen we met al die compagnons geen raad wisten. Die vaart bleek nu een heel gewoon kanaal te zijn, met nog al hooge oevers en vol echt bruin veenwater. Het leukste was nog wel, dat hij nu eigenlijk niet eens meer Opsterlandsch was, want bij den Wittebult begint de gemeente Ooststellingwerf. Thans kregen we onze eerste stortbui, die we juist bijtijds konden ontwijken door in Donkerbroek een kopje thee te drinken. Meteen konden we daar de klok zien luiden, er was een mooi klokhuis met drie klokken. Verder ging het weer langs den boschrijken weg en met een gevoel van groote tevredenheid zagen we weldra weer een flinke donkergroen geschilderde klapbrug, de Tjonger brug, want hier snijden de oude Tjonger en de nieuwe Compagnonsvaart elkander. Veel tijd om van deze waterstaatkundige bijzonderheid te genieten werd ons niet gegund, want er kwam weer een zware bui opzetten, die ten gevolge had, dat een kwartiertje later twee meer dan gewoon doornatte fietsers een onderkomen kwamen zoeken in de Gouden Klok te Oosterwolde. Daar bleven we dien nacht.Oosterwolde (85) is de hoofdplaats van de gemeente Ooststellingwerf en een geschikt uitgangspunt voor aangename uitstapjes. Evenals Oldeberkoop verheugt het zich in de aanwezigheid van reusachtige lindeboomen (85), waaronder kerk en klokhuis geheel verscholen gaan. Ons eerste doel was Appelscha, dat we bereikten na een kort ritje langs nieuwe klinkerwegen door een afwisselend landschap van boerderijtjes met akkers en weiden endennenbosch. Dat dennenbosch (91) neemt bezuiden Oud-Appelscha aanzienlijke afmetingen aan[56]en daar vinden we dan ook het hoogste punt van Friesland, den Boschberg, die nog een meter of tien hooger is dan de terp van Hooge Beintum. Maar het is een natuurlijke hoogte. In overoude tijden reeds heeft de wind het zand van de heidevelden in dezen hoek van Drente en Friesland te pakken genomen en opgewaaid tot golvende duinen (92), waarvan sommige door den plantengroei zijn vastgelegd. Met den Boschberg is dat zeker al lang geleden gebeurd, want hij is nu begroeid met tamelijk zware dennen en op den grond vinden we niet alleen dicht mos, maar ook blauwe boschbessen en roode boschbessen, lelietjes van dalen, dalkruid en al de planten, die in een echt oud bosch tehuis behooren. Wij klauterden met groot genoegen tegen de steile hellingen op en vonden heel bovenaan nog een houten gevaarte, dat dienst doet als Belvedère, maar dat was nu gesloten, wat jammer genoeg was, want het is altijd nuttig en aangenaam om uit een hooggelegen punt een landstreek te overzien. Nu konden wij altijd nog tusschen de stammen door een kijkje krijgen over bosch en hei, akkers en venen, maar ’t had mooier kunnen zijn.We daalden weer af en wandelden verder. Deze Appelscha’sche duinen zijn staatsdomein, dus ons aller eigendom en het staatsboschbeheer is er mee bezig, om ervan te maken wat maar mogelijk is. Er zijn op uitgebreide schaal beplantingen aangelegd, die zeer goed gedijen en daartusschen vinden we nog de oorspronkelijke hei begroeid met reusachtige en zeer grillig gevormde jeneverbesstruiken, sommige slank omhoog rijzend als cypressen of populieren, andere breed uitgegroeid in allerlei gedaanten. Zoo’n jeneverbesheide ziet er altijd zeer onderhoudend uit, al vinden sommige menschen haar naar en eenzaam. Tusschen heel oude dennen door zagen we een lichte plek en toen we daarop los stevenden, hadden we opeens de echte zandstuiving voor ons: spierwit zand in heuveltjes opgewaaid, andere heuvels, op hun top nog met hei begroeid, maar waarvan de kanten loodrecht door den wind waren afgeschuurd, daarnaast weer groote onbegroeide vlakken met uitgewaaide geulen, waarin het regenwater van gisteren zich had verzameld. Sommige der witte heuvels waren al door de boscharbeiders onder handen genomen en beplant met het helmgras onzer duinen. Groot is deze zandverstuiving niet en er wordt ook wel voor gezorgd, dat zij niet grooter wordt, maar zij is buitengewoon interessant en we zouden wel willen, dat zij altijd bleef zooals nu. Verder naar het zuiden begon de bruine hei weer, een groote vlakte, en een paar helkleurige vlekjes, die we erin zagen, bleken bijenkorven te zijn. Bij nader onderzoek vonden we nog meer bijenstallen. Er wordt hier veel aan bijenteelt gedaan. Naar het zuiden was een groene streep, daar ontspringt het Vleddersche diep en aardig zou het geweest zijn er eens een paar natte voeten aan te wagen, om daar te zoeken naar mooie bloemen van de natte hei en van de natte moerassen. Wij stelden ons tevreden met een paar zeer mooie blauwe klokjesgentianen met wat cipelgras en koersten ten zeerste tevreden weer naar Oosterwolde terug.[57]85 OOSTERWOLDE—DE GROOTE LINDEN85 OOSTERWOLDE—DE GROOTE LINDEN86 DE KUINDER BIJ HAULERTILLE86 DE KUINDER BIJ HAULERTILLE87 DE HAULERWIJK87 DE HAULERWIJK88 HEIHUTJE BIJ BAKKEVEEN88 HEIHUTJE BIJ BAKKEVEEN89 HET STUIFZAND BIJ BAKKEVEEN89 HET STUIFZAND BIJ BAKKEVEEN90 DE SCHEID90 DE SCHEIDJAN VOERMAN Jr.[58]91 APPELSCHA—DENNENBOSCH91 APPELSCHA—DENNENBOSCH92 APPELSCHA—IN DE DUINEN92 APPELSCHA—IN DE DUINEN93 VEENPLAS BIJ OOSTERWOLDE93 VEENPLAS BIJ OOSTERWOLDE94 MEEUWTJE IN DE VEENPUTTEN BIJ PEPERGA94 MEEUWTJE IN DE VEENPUTTEN BIJ PEPERGA95 KATLIJK—KERK EN KLOKHUIS95 KATLIJK—KERK EN KLOKHUIS96 TJONGERBRUG BIJ OLDEBERKOOP96 TJONGERBRUG BIJ OLDEBERKOOPJAN VOERMAN Jr.[56]’s Middags gingen we noordwaarts, altijd weer door woud en beemd en kwamen alweer gauw bij een brug of tille, ditmaal de Haulertille (86) over de Kuinder of Tjonger, waarvan we tot ons genoegen hier het stuk bovenloop te zien kregen, dat niet is gekanaliseerd. Een[59]kilometer of vier hoogerop ontspringt hij uit de hooge venen, hier stroomde hij door de wei en langs de dichte hagen. Pijlkruid en zwanebloemen bloeiden langs zijn oevers en in het water wiegelden lange slierten van egelskop en fonteinkruid. Over de tille heen bereikten we het dorpje Haule. Hier zijn we in de hooge venen, die we vooral naar rechts te zien kregen, rood bebloemd met struikhei en dophei en in de verte blonk in een groenen krans van biezen en rietgras een vrij groot meertje (93). Hoogerop kwamen we in oud bosch en toen weer in een streek, waar de turf pas was afgegraven en weggevoerd langs kanaaltjes die in verbinding staan met de kolonievaart van Veenhuizen.Het zal niet zoo heel lang meer duren, of ook dat mooie meertje en het heidelandschap zullen aan de beurt komen en dan verandert opeens het heele landschap tot onherkenbaar wordens toe. In de laatste vijfentwintig jaar is er dank zij de nieuwe machinerieën al veel meer turf afgegraven als in de heele eeuw, die voorafging en keer op keer, als ik in de veenstreken eens een mooi of merkwaardig plekje op nieuw wil bezoeken, waar ik vroeger merkwaardige planten of dieren vond, ontmoet ik in plaats van een bloemrijk meertje of een schilderachtig kreupelbosch een spiksplinternieuw boerderijtje met akkers en weiden. Dat is allemaal heel goed en prettig voor de welvaart, maar we moeten toch zien, dat we op de groote massa een paar van die mooie veenplekjes behouden. Dit Haulerwijker meertje zou daarvoor zeer geschikt zijn.Het was hier, dat we een merkwaardige tegenstelling te zien kregen. Rechts van den weg werd juist een groote boerenplaats aangelegd. Het huis stond er al, mooi groot in den Groninger stijl en er rondom werden nu park en tuin aangelegd met lanen en perken, dat het een lust was. Rondom wijd en zijd was de grond bewerkt en gereed om in volgende jaren ruime oogsten voort te brengen. Een eindje verder, links van den weg lag nog een stukje onontgonnen terrein en daarop een arbeiderswoninkje, met plaggen bedekt en half in den grond verborgen, een armelijk hutje (88), zoo een, waar we dertig jaar geleden van lazen in de couranten, wanneer er gesproken werd over „arm Friesland”. Gelukkig behoort dat tegenwoordig vrij wel tot het verleden, zoodat we gerust de schilderachtigheid van dit ééne gevalletje konden bewonderen. Nu belandden we aan een kanaal, alweer de Drachtster Compagnonsvaart en hooge zware eiken aan de overzijde vertelden ons, dat de ontginningen hier al van ouden datum zijn, maar toen we een zijpad insloegen in oostelijke richting bereikten we toch een wildernis, weer een zandverstuiving zooals in Appelscha. Deze Bakkeveensche duinen (89) zijn echter wat tammer, nog al begroeid met dun schapengras en laag eiken kreupelhout en verderop gaan ze over in heide met plasjes, waar we ook wel graag hadden rondgezien. Trouwens onze indruk van Friesland is in hoofdzaak, dat we overal nog wel eens weer willen komen, om de zaak nog eens degelijker te bezien. Ook de bosschen in de richting van Siegerswoude zagen er buitengewoon aantrekkelijk uit; het beste is maar, dat ik eens een week in de zomervacantie in Beetsterzwaag ga wonen. Nu moesten we weer terug naar Oosterwolde en namen in plaats van heel Haulerwijk (87) om te rijden een fietspad, dat bij Beneden Haulerwijk zuidwaarts gaat, zeer mooi midden door de hoogvenige bosschen.[60]Den volgenden dag kwam er een eind aan mijn vacantie en reden we Friesland uit over Nieuw Appelscha naar Drente toe. De sluis op de grensscheiding „de Scheid” (90) keken we met veel bewondering en eerbied aan, want het heeft zoo wat een kwart-eeuw geharrewar gekost, eer hier een scheepvaartverbinding tot stand is gekomen tusschen de Friesche en Drentsche wateren. In onze jeugd, dat herinner ik mij nog heel goed, leerden we op de aardrijkskunde-les spreken van den „veelbesproken dam van Appelscha”. Thans is het verschil tusschen beide provincies hier nog duidelijk te zien, want in Friesland heb je langs het kanaal een mooien, effen, harden macadamweg, in Drente een ruig, hobbelig klinkerweggetje, maar het diende zijn doel, want het bracht ons naar het mooie beschaduwde Smilde en zoo verder naar den sneltrein in Assen.[62]Kerk en toren van Hindeloopen.[63]

[Inhoud]DE OOSTHOEK.IV.DE OOSTHOEK.Den volgenden dag was het alweer zonnig en warm en we wilden naar Dokkum (77,78), om te onderzoeken of daar werkelijk alle mannen een witte haarlok en alle vrouwen een kaal plekje op het hoofd hebben, als herinnering aan den snooden moord, door hun voorvaderen op Bonifacius gepleegd. Dat hadden we zoo in onze jeugd geleerd; je leert veel, als je jong bent. En ’t is voor de Dokkumers wel onpleizierig, dat wie zijn heele Vaderlandsche geschiedenis vergeet, toch nog altijd dien ongelukkigen moord blijft onthouden. Dokkum mag echter wel om een paar anderen dingen in onze herinnering blijven.Nu, wij volgden een eindje den Groninger straatweg, om weldra rechtsaf het open kronkelwegje te nemen naar Lekkum en Miedum en daarbij hadden we naar links het uitzicht op het bedrijvige deel van Leeuwarden dat zich langs de Dokkumer trekvaart heeft uitgebreid. Langs den weg was alles weiland en Miedum vooral zag er heel aardig uit; maar het was er kaal en schaduwloos en als een veilige haven zagen we eindelijk recht voor ons uit de hooge brug over de Murk (73), overwuifd door zware bladermassa’s van hooge laanboomen. Al houden wij ook nog zooveel van licht en zonneschijn, we waren blij, weer boomen langs den weg te hebben: eerst gewone iepen, toen esschen en daarna eiken, waardoor we tot het besef kwamen, dat we voor een poosje de klei hadden verlaten en terecht waren gekomen op het zandruggetje van de Trijnwouden, de aardige dorpjes Giekerk, Oenkerk en Oudkerk, die met elkander één geheel vormen. Een alleraardigste weg, niet breed, maar mooi beplant, alle huizen omgeven door bonte bloementuintjes en waar je er tusschen door keek, zag je akkers met rogge, aardappelen of boekweit. Van afstand tot[50]afstand kwamen ook deftige huizen voor den dag: Heemstra-state, het nog aanzienlijker Stania-state (74) met prachtig park en hoog geboomte en eindelijk in de bocht naar Oudkerk toe Sminia-state en de Klinse (75), waar de hooge eiken en de lekkere, zachte, echt bemoste boschgrond ons uitnoodigden tot een half uurtje rust. Als je zoo een poosje rustig blijft zitten aan een woudzoom komt er altijd wel een aardig tooneeltje uit het natuurleven te zien. Ditmaal was het een vlaamsche gaai, die achtervolgd werd door twee wielewalen en als je die vogels kent, kunt ge begrijpen hoe onderhoudend het was, al dat wit en bruin en blauw en zwart en heldergeel in de zon te zien blinken. Toen de vervolging was afgeloopen ging de gaai krijschen en de wielewaal fluiten en van het rumoer gingen ook nog een massa andere vogels zingen, die zich anders op warme Augustusdagen stil houden.In Oudkerk waren ze bezig het oude kerkje met een dikke gele verflaag te bedekken en aan de Murk vonden wij een aardig havenbuurtje. Toen de brug (76) over en weer in den zonneschijn noordoostwaarts tusschen de venige hooilanden door, de slootkanten bont van hooge bloemen van bereklauw en engelwortel, wederik, kattestaart, moerasspiraea, allemaal kruiden van den vollen zomer. Zoo bereikten we het aloude Rinsumageest (22), waar de grond weer zandig wordt. Hier in de buurt lag vroeger het derde der beroemde kloosters van Noord-Friesland: de abdij van Claerkamp, wat een aardige naam. Een meertje even buiten het dorp heet nog het Claerkamper meer. De monniken van Claerkamp gingen in het grijs gekleed, vandaar dat het Wadden-eiland, dat tot 1580 toe tot het klooster behoorde, thans nog Schiermonnikoog heet. Schier beteekent namelijk „grijs”, een Fries noemt een grijze kraai ook altijd nog „schiere kraai”.Er isvan Claerkampin Rinsumageest echter niets meer te zien, maar de dorpskerk zelf mag wel even bekeken worden, die is heel oud en verheugt zich in het bezit van een verborgen benedenverdieping, een crypt, waarin wij onder vriendelijke leiding van denkoster afdaaldenen ’t was wel de moeite waard, de kleurige zuiltjes te zien, die daar het ronde gewelf schraagden.Toen ging het op Dokkum aan over Akkerwoude en Murmurwoude, die met Rinsumageest en Dantumawoude samen ook weer bekend zijn onder den naam van de Dantuwouden. De koster had ons al gezegd: „Het zal in de zon moeten gebeuren,” en dat kwam ook volmaakt uit. Akkerwoude ligt zeer verspreid, de weg is breed en ’t is er alles bouwland. Vooral wordt hier cichorei geteeld, een grof gewas, zoo iets als bieten, maar valer van kleur, dat om zijn wortels wordt gekweekt. Die worden gebrand en het bruine poeder dient dan om koffie te vervangen en doet dat zeer slecht, hetgeen we in Friesland nog al eens moesten ervaren. Maar waar de planten waren doorgeschoten of een jaar over hadden gestaan, daar bloeiden ze prachtig met helderblauwe bloemen, net zooals we ze in ’t vorig jaar in het wild aan de IJseldijken hadden gevonden. Eindelijk bereikten we Murmurwoude. Die naam wordt wel eens beschouwd als een verbastering van Moordenaarswoude en hier zouden dan de lui gehuisd hebben, die Bonifacius hebben doodgeslagen. We zagen geen een Murmurwoudenaar, aan wien we konden vragen, of dat waar was. Ze hadden zich allemaal verscholen voor de middaghitte.[51]73 MURKBRUG BIJ GIEKERK73 MURKBRUG BIJ GIEKERK74 STANIA-STATE TE OENKERK74 STANIA-STATE TE OENKERK75 DE KLINSE BIJ OUDKERK75 DE KLINSE BIJ OUDKERK76 MURKBRUG BIJ OUDKERK76 MURKBRUG BIJ OUDKERK77 DOKKUM77 DOKKUM78 DOKKUM78 DOKKUMJAN VOERMAN Jr.[52]79 KANAAL VAN DOKKUM NAAR STROOBOS79 KANAAL VAN DOKKUM NAAR STROOBOS80 FOGELSANGH-STATE80 FOGELSANGH-STATE81 DRACHTEN81 DRACHTEN82 HUIZE OLTERTERP82 HUIZE OLTERTERP83 DE POOSTERBRUG83 DE POOSTERBRUG84 WIJNJETERP—HEI EN BOSCH84 WIJNJETERP—HEI EN BOSCHJAN VOERMAN Jr.[53]Vanuit Murmurwoude geniet men een onbelemmerd uitzicht op Dokkum, want er staat zoowat geen enkele boom en de stad zelf verrijst als een eiland uit de vlakke velden. In een half uurtje hadden we het oude Dockinga bereikt en we reden er maar dadelijk dwars doorheen, berg op berg af, want het ligt op een paar bijzonder steile terpen. Met sneeuwval en ijzel zal ongetwijfeld menig Dokkumer ten val komen. Die terpen zijn zeer oud; Dokkum (77,78) is na Stavoren de oudste stad van Friesland en moet al in de derde eeuw na Chr. bestaan hebben. De Lauwerzee was toen veel grooter dan thans, de Dokkumer Ee had een wijden mond, zoodat onze stad eigenlijk een zeestad is geweest, nog wel tot in de achttiende eeuw toe. Het groote stadhuis en verschillende oude koopmanshuizen en pakhuizen herinneren nog aan het druk verkeer. Van die witte haarlokken of kale plekken kregen we niets te zien.Nu had ik nog wel graag doorgefietst naar de Lauwerzee, maar daarvoor was eigenlijk toch de zon te heet en de dag te kort, daarom gingen we langs den beroemden Bonifaciusput maar langs het kanaal (79) naar Stroobos, om over Veenwouden weer Leeuwarden op te zoeken. De put is ontstaan door den hoefslag van het paard van een der soldaten van koning Pepijn’s tuchtigings-expeditie, en het water heette wonderdoende eigenschappen te bezitten. Vroeger was de put open, maar omdat hij heel goed drinkwater levert, heeft men hem overdekt en een hek erom gezet, zoodat men er geen voeten meer in kan wasschen, wat sommige lui wel deden vanwege de wonderdadigheid.Langs het kanaal hadden we alweer geen last van de schaduw, maar we verveelden ons niet. Rechts hadden we voortdurend het uitzicht op de bosschen van Dantumawoude en Driesum, links lag het eindelooze kleiland. Daarna kruisten we een belangrijke dwarsvaart, de Potsloot, die verderop Zwemme heet en zagen nu rechts een uitgebreid laagveenland met een groote plas er midden in, eigenlijk een laatste deel van de Friesche meren, die in een breede strook dwars door de provincie heen liggen van Stavoren naar de Lauwerzee. Een eindje verder verlieten we onze vaart, om langs de Triemen naar Veenklooster te rijden, waar we een uurtje rust hielden op de beroemde Fogelsangh-state (80), de noordelijkste plaats in Friesland, waar de nachtegaal nog zingt. De naam der state doelt daar echter niet op: haar stichter heette Dr. Theodorus van Fogelsangh, die kocht in 1639 de voormalige kloostergronden, waarnaar het gehuchtje nog altijd Veenklooster heet. De plaats is prachtig met mooi beukenbosch, uitgestrekte vijvers, rijken plantengroei en dichte vogelbevolking en we mogen onzen vriend Theodorus wel dankbaar zijn, dat hij zoo’n mooi buiten heeft aangelegd. Wie doet ’t hem na?Nu hadden we nog een mooi ritje naar huis langs Kollumerzwaag en Zwaagwesteinde naar Veenwouden, maar toen we bij de beroemde Schierstins kwamen, een oude dépendance van het Claerkampster klooster, zou men ons zelf voor schiere monniken hebben kunnen houden, zoo dik zaten we onder het grijze stof. Het was dan ook eindelijk een groot genoegen, om uit te blazen in den schaduwrijken tuin van Quatre-Bras aan den Groninger straatweg, temeer omdat we daar de jeugd en schoonheid van de Trijnwouden[54]vereenigd vonden aan een spannenden tenniswedstrijd. Toen ging het over Hardegarijp en Toutenberg weer op Leeuwarden aan; onderweg hielden we ons nog even op bij de Groote Wielen, waar de Leeuwardenaren in drommen komen zwemmen, roeien, zeilen en visschen. Wat ze gelijk hebben!Den volgenden dag slopen we smadelijk met den trein naar Buitenpost, maar daar beklommen we weer onze karretjes om zuidwaarts te tijgen. Buitenpost is een mooi, ruim dorp, goed in de boomen, maar verderop wordt het wat kaler. Bij Blauwverlaat kruisten we het welbekende Kolonelsdiep of Caspar de Roblesvaart en daarna, voorbij Sint Augustinusga, begon het er weer een beetje apart uit te zien. Tot Drachten toe kregen we nu telkens stukjes weg, langer of korter, die aan weerszijden dicht beplant waren met elzen, zóó dicht, dat ze als een muur den weg omzoomden en een bijzonder goede beschutting gaven tegen den nog al fellen wind, die zich op de open stukken danig liet gevoelen. ’t Allereerst bereikten we het oude dorpje Surhuizum (23) met een zeer vreemdsoortigen, stokouden kerktoren, die een slanke spits heeft, geheel uit baksteenen opgemetseld. We gingen nu de veenstreek naderen en bereikten dan ook spoedig het groote en ruime dorp Surhuisterveen (24), dat zich kilometers ver uitstrekt langs den breeden weg en waar een groote zuivelfabriek in volle actie den omtrek vervulde met zijn geplas en gerammel. Dan weer einden weg tusschen de geurige elzen en voor Rottevalle sloegen we linksaf, om door de ontgonnen veenstreek van de Drachtster Compagnie, die een aardige afwisseling te zien geeft van bosch en hei en akkers en weiden te belanden op de mooie maar lange Folgerenlaan, die ons naar Drachten (81) bracht, na Heerenveen de belangrijkste veenkolonie van Friesland. Evenals alle veenkolonies is het dorp lang en smal, van Noordeind tot Zuideind wel een uur gaans. Het belangrijkste punt is waar de weg de Drachtstercompagnonsvaart kruist, de hoofdbrug. Het ziet er allemaal nieuw en druk en welvarend uit en vervelend is het er ook niet, want je bent naar alle kanten nog al gauw in zeer mooie streken: naar het Oosten de Hooge brug, Ureterp en Siegerswoude, naar het Zuiden het beroemde land van Olterterp (82) en Beetsterzwaag.Wij kregen daar een mooi staaltje van te zien, toen we even voor de kerk van Olterterp rechtsaf een lange laan insloegen. ’t Is daar verboden te fietsen, we liepen er dus met het karretje aan de hand. Bij nader onderzoek vond ik, dat wij ook dat niet hadden mogen doen, maar dat men om te wandelen in de bosschen van Olterterp (21) en Beetsterzwaag bepaalde vergunningen moet aanvragen. De eigenaars hebben zich tot dien maatregel genoodzaakt gezien, doordat het vrij toegelaten publiek de bosschen en wandelingen vernielde. In dit opzicht heeft ons volkje een kwaden tijd doorgemaakt; gelukkig, dat het zich in den laatsten tijd wat schijnt te beteren en een andermans eigendom en vooral de mooie natuur gaat leeren ontzien.Wel, we liepen daar door een laan, die precies een half uur lang is en aan weerskanten toegang geeft tot allerlei soort van bosch; hooge, eeuwenoude dennen met reusachtige schubbige stammen, donker beukenwoud, vroolijke eikjes en prachtig parklandschap van[55]hooge hei in vollen bloei, afgewisseld met kleine groepjes grove dennen, die daar verstrooid zijn opgeslagen. Hier en daar waren aardige waterpartijtjes en alles was er stil en grootsch en ruim. Geen wonder, dat deze streken als de schoonste van Friesland bekend zijn en dat ieder wel eens gehoord heeft van de groote buitens, die het in stand blijven van deze bosschen mogelijk maken: Lijndenstein, Lanswold, Boelens en hoe ze meer heeten. In vroeger jaren hadden we daar ook wel rondgedwaald, maar thans wilden we verder naar het onbekende Oosten. Onze laan kwam dan ook op zijn tijd weer uit op een openbaren weg en weldra kwamen we nu aan een eenvoudige klapbrug, de Poostertille (83), waar we even afstapten, om eerbied te bewijzen aan Frieslands belangrijkste rivier, de aloude Boorne of het Koningsdiep. Deze rivier ontspringt achter Bakkeveen, waar Friesland, Groningen en Drente aan elkander grenzen en stroomt dan dwars door het land langs Oldeboorn en Akkrum en heeft daar vroeger ergens in de Middelzee uitgemond. Er zijn er wel, die het Bornrif tusschen Terschelling en Ameland in verband met dit water brengen en de Middelzee beschouwen als niet anders dan den wijden Boornmond. Dit alles overdachten we, terwijl we over de leuning aan de Poostertille naar de vischjes stonden te kijken. Over de Tille klom de weg en we waren nu op den heide- en veenrug, die de scheiding vormt tusschen het gebied van de Boorne en van onzen ouden vriend de Tjonger. Het landschap herinnerde hier ook al heel sterk aan het Tjongerland, na de hei gepasseerd te zijn kwamen we in Wijnjeterp (84) en dat lag al net zoo verspreid als Oudehorne en Nijehorne. Nu ging het zuidwaarts en bij den Wittebult bereikten we de Opsterlandsche Compagnonsvaart, schrikbeeld uit onze kinderjaren, toen we met al die compagnons geen raad wisten. Die vaart bleek nu een heel gewoon kanaal te zijn, met nog al hooge oevers en vol echt bruin veenwater. Het leukste was nog wel, dat hij nu eigenlijk niet eens meer Opsterlandsch was, want bij den Wittebult begint de gemeente Ooststellingwerf. Thans kregen we onze eerste stortbui, die we juist bijtijds konden ontwijken door in Donkerbroek een kopje thee te drinken. Meteen konden we daar de klok zien luiden, er was een mooi klokhuis met drie klokken. Verder ging het weer langs den boschrijken weg en met een gevoel van groote tevredenheid zagen we weldra weer een flinke donkergroen geschilderde klapbrug, de Tjonger brug, want hier snijden de oude Tjonger en de nieuwe Compagnonsvaart elkander. Veel tijd om van deze waterstaatkundige bijzonderheid te genieten werd ons niet gegund, want er kwam weer een zware bui opzetten, die ten gevolge had, dat een kwartiertje later twee meer dan gewoon doornatte fietsers een onderkomen kwamen zoeken in de Gouden Klok te Oosterwolde. Daar bleven we dien nacht.Oosterwolde (85) is de hoofdplaats van de gemeente Ooststellingwerf en een geschikt uitgangspunt voor aangename uitstapjes. Evenals Oldeberkoop verheugt het zich in de aanwezigheid van reusachtige lindeboomen (85), waaronder kerk en klokhuis geheel verscholen gaan. Ons eerste doel was Appelscha, dat we bereikten na een kort ritje langs nieuwe klinkerwegen door een afwisselend landschap van boerderijtjes met akkers en weiden endennenbosch. Dat dennenbosch (91) neemt bezuiden Oud-Appelscha aanzienlijke afmetingen aan[56]en daar vinden we dan ook het hoogste punt van Friesland, den Boschberg, die nog een meter of tien hooger is dan de terp van Hooge Beintum. Maar het is een natuurlijke hoogte. In overoude tijden reeds heeft de wind het zand van de heidevelden in dezen hoek van Drente en Friesland te pakken genomen en opgewaaid tot golvende duinen (92), waarvan sommige door den plantengroei zijn vastgelegd. Met den Boschberg is dat zeker al lang geleden gebeurd, want hij is nu begroeid met tamelijk zware dennen en op den grond vinden we niet alleen dicht mos, maar ook blauwe boschbessen en roode boschbessen, lelietjes van dalen, dalkruid en al de planten, die in een echt oud bosch tehuis behooren. Wij klauterden met groot genoegen tegen de steile hellingen op en vonden heel bovenaan nog een houten gevaarte, dat dienst doet als Belvedère, maar dat was nu gesloten, wat jammer genoeg was, want het is altijd nuttig en aangenaam om uit een hooggelegen punt een landstreek te overzien. Nu konden wij altijd nog tusschen de stammen door een kijkje krijgen over bosch en hei, akkers en venen, maar ’t had mooier kunnen zijn.We daalden weer af en wandelden verder. Deze Appelscha’sche duinen zijn staatsdomein, dus ons aller eigendom en het staatsboschbeheer is er mee bezig, om ervan te maken wat maar mogelijk is. Er zijn op uitgebreide schaal beplantingen aangelegd, die zeer goed gedijen en daartusschen vinden we nog de oorspronkelijke hei begroeid met reusachtige en zeer grillig gevormde jeneverbesstruiken, sommige slank omhoog rijzend als cypressen of populieren, andere breed uitgegroeid in allerlei gedaanten. Zoo’n jeneverbesheide ziet er altijd zeer onderhoudend uit, al vinden sommige menschen haar naar en eenzaam. Tusschen heel oude dennen door zagen we een lichte plek en toen we daarop los stevenden, hadden we opeens de echte zandstuiving voor ons: spierwit zand in heuveltjes opgewaaid, andere heuvels, op hun top nog met hei begroeid, maar waarvan de kanten loodrecht door den wind waren afgeschuurd, daarnaast weer groote onbegroeide vlakken met uitgewaaide geulen, waarin het regenwater van gisteren zich had verzameld. Sommige der witte heuvels waren al door de boscharbeiders onder handen genomen en beplant met het helmgras onzer duinen. Groot is deze zandverstuiving niet en er wordt ook wel voor gezorgd, dat zij niet grooter wordt, maar zij is buitengewoon interessant en we zouden wel willen, dat zij altijd bleef zooals nu. Verder naar het zuiden begon de bruine hei weer, een groote vlakte, en een paar helkleurige vlekjes, die we erin zagen, bleken bijenkorven te zijn. Bij nader onderzoek vonden we nog meer bijenstallen. Er wordt hier veel aan bijenteelt gedaan. Naar het zuiden was een groene streep, daar ontspringt het Vleddersche diep en aardig zou het geweest zijn er eens een paar natte voeten aan te wagen, om daar te zoeken naar mooie bloemen van de natte hei en van de natte moerassen. Wij stelden ons tevreden met een paar zeer mooie blauwe klokjesgentianen met wat cipelgras en koersten ten zeerste tevreden weer naar Oosterwolde terug.[57]85 OOSTERWOLDE—DE GROOTE LINDEN85 OOSTERWOLDE—DE GROOTE LINDEN86 DE KUINDER BIJ HAULERTILLE86 DE KUINDER BIJ HAULERTILLE87 DE HAULERWIJK87 DE HAULERWIJK88 HEIHUTJE BIJ BAKKEVEEN88 HEIHUTJE BIJ BAKKEVEEN89 HET STUIFZAND BIJ BAKKEVEEN89 HET STUIFZAND BIJ BAKKEVEEN90 DE SCHEID90 DE SCHEIDJAN VOERMAN Jr.[58]91 APPELSCHA—DENNENBOSCH91 APPELSCHA—DENNENBOSCH92 APPELSCHA—IN DE DUINEN92 APPELSCHA—IN DE DUINEN93 VEENPLAS BIJ OOSTERWOLDE93 VEENPLAS BIJ OOSTERWOLDE94 MEEUWTJE IN DE VEENPUTTEN BIJ PEPERGA94 MEEUWTJE IN DE VEENPUTTEN BIJ PEPERGA95 KATLIJK—KERK EN KLOKHUIS95 KATLIJK—KERK EN KLOKHUIS96 TJONGERBRUG BIJ OLDEBERKOOP96 TJONGERBRUG BIJ OLDEBERKOOPJAN VOERMAN Jr.[56]’s Middags gingen we noordwaarts, altijd weer door woud en beemd en kwamen alweer gauw bij een brug of tille, ditmaal de Haulertille (86) over de Kuinder of Tjonger, waarvan we tot ons genoegen hier het stuk bovenloop te zien kregen, dat niet is gekanaliseerd. Een[59]kilometer of vier hoogerop ontspringt hij uit de hooge venen, hier stroomde hij door de wei en langs de dichte hagen. Pijlkruid en zwanebloemen bloeiden langs zijn oevers en in het water wiegelden lange slierten van egelskop en fonteinkruid. Over de tille heen bereikten we het dorpje Haule. Hier zijn we in de hooge venen, die we vooral naar rechts te zien kregen, rood bebloemd met struikhei en dophei en in de verte blonk in een groenen krans van biezen en rietgras een vrij groot meertje (93). Hoogerop kwamen we in oud bosch en toen weer in een streek, waar de turf pas was afgegraven en weggevoerd langs kanaaltjes die in verbinding staan met de kolonievaart van Veenhuizen.Het zal niet zoo heel lang meer duren, of ook dat mooie meertje en het heidelandschap zullen aan de beurt komen en dan verandert opeens het heele landschap tot onherkenbaar wordens toe. In de laatste vijfentwintig jaar is er dank zij de nieuwe machinerieën al veel meer turf afgegraven als in de heele eeuw, die voorafging en keer op keer, als ik in de veenstreken eens een mooi of merkwaardig plekje op nieuw wil bezoeken, waar ik vroeger merkwaardige planten of dieren vond, ontmoet ik in plaats van een bloemrijk meertje of een schilderachtig kreupelbosch een spiksplinternieuw boerderijtje met akkers en weiden. Dat is allemaal heel goed en prettig voor de welvaart, maar we moeten toch zien, dat we op de groote massa een paar van die mooie veenplekjes behouden. Dit Haulerwijker meertje zou daarvoor zeer geschikt zijn.Het was hier, dat we een merkwaardige tegenstelling te zien kregen. Rechts van den weg werd juist een groote boerenplaats aangelegd. Het huis stond er al, mooi groot in den Groninger stijl en er rondom werden nu park en tuin aangelegd met lanen en perken, dat het een lust was. Rondom wijd en zijd was de grond bewerkt en gereed om in volgende jaren ruime oogsten voort te brengen. Een eindje verder, links van den weg lag nog een stukje onontgonnen terrein en daarop een arbeiderswoninkje, met plaggen bedekt en half in den grond verborgen, een armelijk hutje (88), zoo een, waar we dertig jaar geleden van lazen in de couranten, wanneer er gesproken werd over „arm Friesland”. Gelukkig behoort dat tegenwoordig vrij wel tot het verleden, zoodat we gerust de schilderachtigheid van dit ééne gevalletje konden bewonderen. Nu belandden we aan een kanaal, alweer de Drachtster Compagnonsvaart en hooge zware eiken aan de overzijde vertelden ons, dat de ontginningen hier al van ouden datum zijn, maar toen we een zijpad insloegen in oostelijke richting bereikten we toch een wildernis, weer een zandverstuiving zooals in Appelscha. Deze Bakkeveensche duinen (89) zijn echter wat tammer, nog al begroeid met dun schapengras en laag eiken kreupelhout en verderop gaan ze over in heide met plasjes, waar we ook wel graag hadden rondgezien. Trouwens onze indruk van Friesland is in hoofdzaak, dat we overal nog wel eens weer willen komen, om de zaak nog eens degelijker te bezien. Ook de bosschen in de richting van Siegerswoude zagen er buitengewoon aantrekkelijk uit; het beste is maar, dat ik eens een week in de zomervacantie in Beetsterzwaag ga wonen. Nu moesten we weer terug naar Oosterwolde en namen in plaats van heel Haulerwijk (87) om te rijden een fietspad, dat bij Beneden Haulerwijk zuidwaarts gaat, zeer mooi midden door de hoogvenige bosschen.[60]Den volgenden dag kwam er een eind aan mijn vacantie en reden we Friesland uit over Nieuw Appelscha naar Drente toe. De sluis op de grensscheiding „de Scheid” (90) keken we met veel bewondering en eerbied aan, want het heeft zoo wat een kwart-eeuw geharrewar gekost, eer hier een scheepvaartverbinding tot stand is gekomen tusschen de Friesche en Drentsche wateren. In onze jeugd, dat herinner ik mij nog heel goed, leerden we op de aardrijkskunde-les spreken van den „veelbesproken dam van Appelscha”. Thans is het verschil tusschen beide provincies hier nog duidelijk te zien, want in Friesland heb je langs het kanaal een mooien, effen, harden macadamweg, in Drente een ruig, hobbelig klinkerweggetje, maar het diende zijn doel, want het bracht ons naar het mooie beschaduwde Smilde en zoo verder naar den sneltrein in Assen.[62]Kerk en toren van Hindeloopen.[63]

DE OOSTHOEK.IV.DE OOSTHOEK.

DE OOSTHOEK.

Den volgenden dag was het alweer zonnig en warm en we wilden naar Dokkum (77,78), om te onderzoeken of daar werkelijk alle mannen een witte haarlok en alle vrouwen een kaal plekje op het hoofd hebben, als herinnering aan den snooden moord, door hun voorvaderen op Bonifacius gepleegd. Dat hadden we zoo in onze jeugd geleerd; je leert veel, als je jong bent. En ’t is voor de Dokkumers wel onpleizierig, dat wie zijn heele Vaderlandsche geschiedenis vergeet, toch nog altijd dien ongelukkigen moord blijft onthouden. Dokkum mag echter wel om een paar anderen dingen in onze herinnering blijven.Nu, wij volgden een eindje den Groninger straatweg, om weldra rechtsaf het open kronkelwegje te nemen naar Lekkum en Miedum en daarbij hadden we naar links het uitzicht op het bedrijvige deel van Leeuwarden dat zich langs de Dokkumer trekvaart heeft uitgebreid. Langs den weg was alles weiland en Miedum vooral zag er heel aardig uit; maar het was er kaal en schaduwloos en als een veilige haven zagen we eindelijk recht voor ons uit de hooge brug over de Murk (73), overwuifd door zware bladermassa’s van hooge laanboomen. Al houden wij ook nog zooveel van licht en zonneschijn, we waren blij, weer boomen langs den weg te hebben: eerst gewone iepen, toen esschen en daarna eiken, waardoor we tot het besef kwamen, dat we voor een poosje de klei hadden verlaten en terecht waren gekomen op het zandruggetje van de Trijnwouden, de aardige dorpjes Giekerk, Oenkerk en Oudkerk, die met elkander één geheel vormen. Een alleraardigste weg, niet breed, maar mooi beplant, alle huizen omgeven door bonte bloementuintjes en waar je er tusschen door keek, zag je akkers met rogge, aardappelen of boekweit. Van afstand tot[50]afstand kwamen ook deftige huizen voor den dag: Heemstra-state, het nog aanzienlijker Stania-state (74) met prachtig park en hoog geboomte en eindelijk in de bocht naar Oudkerk toe Sminia-state en de Klinse (75), waar de hooge eiken en de lekkere, zachte, echt bemoste boschgrond ons uitnoodigden tot een half uurtje rust. Als je zoo een poosje rustig blijft zitten aan een woudzoom komt er altijd wel een aardig tooneeltje uit het natuurleven te zien. Ditmaal was het een vlaamsche gaai, die achtervolgd werd door twee wielewalen en als je die vogels kent, kunt ge begrijpen hoe onderhoudend het was, al dat wit en bruin en blauw en zwart en heldergeel in de zon te zien blinken. Toen de vervolging was afgeloopen ging de gaai krijschen en de wielewaal fluiten en van het rumoer gingen ook nog een massa andere vogels zingen, die zich anders op warme Augustusdagen stil houden.In Oudkerk waren ze bezig het oude kerkje met een dikke gele verflaag te bedekken en aan de Murk vonden wij een aardig havenbuurtje. Toen de brug (76) over en weer in den zonneschijn noordoostwaarts tusschen de venige hooilanden door, de slootkanten bont van hooge bloemen van bereklauw en engelwortel, wederik, kattestaart, moerasspiraea, allemaal kruiden van den vollen zomer. Zoo bereikten we het aloude Rinsumageest (22), waar de grond weer zandig wordt. Hier in de buurt lag vroeger het derde der beroemde kloosters van Noord-Friesland: de abdij van Claerkamp, wat een aardige naam. Een meertje even buiten het dorp heet nog het Claerkamper meer. De monniken van Claerkamp gingen in het grijs gekleed, vandaar dat het Wadden-eiland, dat tot 1580 toe tot het klooster behoorde, thans nog Schiermonnikoog heet. Schier beteekent namelijk „grijs”, een Fries noemt een grijze kraai ook altijd nog „schiere kraai”.Er isvan Claerkampin Rinsumageest echter niets meer te zien, maar de dorpskerk zelf mag wel even bekeken worden, die is heel oud en verheugt zich in het bezit van een verborgen benedenverdieping, een crypt, waarin wij onder vriendelijke leiding van denkoster afdaaldenen ’t was wel de moeite waard, de kleurige zuiltjes te zien, die daar het ronde gewelf schraagden.Toen ging het op Dokkum aan over Akkerwoude en Murmurwoude, die met Rinsumageest en Dantumawoude samen ook weer bekend zijn onder den naam van de Dantuwouden. De koster had ons al gezegd: „Het zal in de zon moeten gebeuren,” en dat kwam ook volmaakt uit. Akkerwoude ligt zeer verspreid, de weg is breed en ’t is er alles bouwland. Vooral wordt hier cichorei geteeld, een grof gewas, zoo iets als bieten, maar valer van kleur, dat om zijn wortels wordt gekweekt. Die worden gebrand en het bruine poeder dient dan om koffie te vervangen en doet dat zeer slecht, hetgeen we in Friesland nog al eens moesten ervaren. Maar waar de planten waren doorgeschoten of een jaar over hadden gestaan, daar bloeiden ze prachtig met helderblauwe bloemen, net zooals we ze in ’t vorig jaar in het wild aan de IJseldijken hadden gevonden. Eindelijk bereikten we Murmurwoude. Die naam wordt wel eens beschouwd als een verbastering van Moordenaarswoude en hier zouden dan de lui gehuisd hebben, die Bonifacius hebben doodgeslagen. We zagen geen een Murmurwoudenaar, aan wien we konden vragen, of dat waar was. Ze hadden zich allemaal verscholen voor de middaghitte.[51]73 MURKBRUG BIJ GIEKERK73 MURKBRUG BIJ GIEKERK74 STANIA-STATE TE OENKERK74 STANIA-STATE TE OENKERK75 DE KLINSE BIJ OUDKERK75 DE KLINSE BIJ OUDKERK76 MURKBRUG BIJ OUDKERK76 MURKBRUG BIJ OUDKERK77 DOKKUM77 DOKKUM78 DOKKUM78 DOKKUMJAN VOERMAN Jr.[52]79 KANAAL VAN DOKKUM NAAR STROOBOS79 KANAAL VAN DOKKUM NAAR STROOBOS80 FOGELSANGH-STATE80 FOGELSANGH-STATE81 DRACHTEN81 DRACHTEN82 HUIZE OLTERTERP82 HUIZE OLTERTERP83 DE POOSTERBRUG83 DE POOSTERBRUG84 WIJNJETERP—HEI EN BOSCH84 WIJNJETERP—HEI EN BOSCHJAN VOERMAN Jr.[53]Vanuit Murmurwoude geniet men een onbelemmerd uitzicht op Dokkum, want er staat zoowat geen enkele boom en de stad zelf verrijst als een eiland uit de vlakke velden. In een half uurtje hadden we het oude Dockinga bereikt en we reden er maar dadelijk dwars doorheen, berg op berg af, want het ligt op een paar bijzonder steile terpen. Met sneeuwval en ijzel zal ongetwijfeld menig Dokkumer ten val komen. Die terpen zijn zeer oud; Dokkum (77,78) is na Stavoren de oudste stad van Friesland en moet al in de derde eeuw na Chr. bestaan hebben. De Lauwerzee was toen veel grooter dan thans, de Dokkumer Ee had een wijden mond, zoodat onze stad eigenlijk een zeestad is geweest, nog wel tot in de achttiende eeuw toe. Het groote stadhuis en verschillende oude koopmanshuizen en pakhuizen herinneren nog aan het druk verkeer. Van die witte haarlokken of kale plekken kregen we niets te zien.Nu had ik nog wel graag doorgefietst naar de Lauwerzee, maar daarvoor was eigenlijk toch de zon te heet en de dag te kort, daarom gingen we langs den beroemden Bonifaciusput maar langs het kanaal (79) naar Stroobos, om over Veenwouden weer Leeuwarden op te zoeken. De put is ontstaan door den hoefslag van het paard van een der soldaten van koning Pepijn’s tuchtigings-expeditie, en het water heette wonderdoende eigenschappen te bezitten. Vroeger was de put open, maar omdat hij heel goed drinkwater levert, heeft men hem overdekt en een hek erom gezet, zoodat men er geen voeten meer in kan wasschen, wat sommige lui wel deden vanwege de wonderdadigheid.Langs het kanaal hadden we alweer geen last van de schaduw, maar we verveelden ons niet. Rechts hadden we voortdurend het uitzicht op de bosschen van Dantumawoude en Driesum, links lag het eindelooze kleiland. Daarna kruisten we een belangrijke dwarsvaart, de Potsloot, die verderop Zwemme heet en zagen nu rechts een uitgebreid laagveenland met een groote plas er midden in, eigenlijk een laatste deel van de Friesche meren, die in een breede strook dwars door de provincie heen liggen van Stavoren naar de Lauwerzee. Een eindje verder verlieten we onze vaart, om langs de Triemen naar Veenklooster te rijden, waar we een uurtje rust hielden op de beroemde Fogelsangh-state (80), de noordelijkste plaats in Friesland, waar de nachtegaal nog zingt. De naam der state doelt daar echter niet op: haar stichter heette Dr. Theodorus van Fogelsangh, die kocht in 1639 de voormalige kloostergronden, waarnaar het gehuchtje nog altijd Veenklooster heet. De plaats is prachtig met mooi beukenbosch, uitgestrekte vijvers, rijken plantengroei en dichte vogelbevolking en we mogen onzen vriend Theodorus wel dankbaar zijn, dat hij zoo’n mooi buiten heeft aangelegd. Wie doet ’t hem na?Nu hadden we nog een mooi ritje naar huis langs Kollumerzwaag en Zwaagwesteinde naar Veenwouden, maar toen we bij de beroemde Schierstins kwamen, een oude dépendance van het Claerkampster klooster, zou men ons zelf voor schiere monniken hebben kunnen houden, zoo dik zaten we onder het grijze stof. Het was dan ook eindelijk een groot genoegen, om uit te blazen in den schaduwrijken tuin van Quatre-Bras aan den Groninger straatweg, temeer omdat we daar de jeugd en schoonheid van de Trijnwouden[54]vereenigd vonden aan een spannenden tenniswedstrijd. Toen ging het over Hardegarijp en Toutenberg weer op Leeuwarden aan; onderweg hielden we ons nog even op bij de Groote Wielen, waar de Leeuwardenaren in drommen komen zwemmen, roeien, zeilen en visschen. Wat ze gelijk hebben!Den volgenden dag slopen we smadelijk met den trein naar Buitenpost, maar daar beklommen we weer onze karretjes om zuidwaarts te tijgen. Buitenpost is een mooi, ruim dorp, goed in de boomen, maar verderop wordt het wat kaler. Bij Blauwverlaat kruisten we het welbekende Kolonelsdiep of Caspar de Roblesvaart en daarna, voorbij Sint Augustinusga, begon het er weer een beetje apart uit te zien. Tot Drachten toe kregen we nu telkens stukjes weg, langer of korter, die aan weerszijden dicht beplant waren met elzen, zóó dicht, dat ze als een muur den weg omzoomden en een bijzonder goede beschutting gaven tegen den nog al fellen wind, die zich op de open stukken danig liet gevoelen. ’t Allereerst bereikten we het oude dorpje Surhuizum (23) met een zeer vreemdsoortigen, stokouden kerktoren, die een slanke spits heeft, geheel uit baksteenen opgemetseld. We gingen nu de veenstreek naderen en bereikten dan ook spoedig het groote en ruime dorp Surhuisterveen (24), dat zich kilometers ver uitstrekt langs den breeden weg en waar een groote zuivelfabriek in volle actie den omtrek vervulde met zijn geplas en gerammel. Dan weer einden weg tusschen de geurige elzen en voor Rottevalle sloegen we linksaf, om door de ontgonnen veenstreek van de Drachtster Compagnie, die een aardige afwisseling te zien geeft van bosch en hei en akkers en weiden te belanden op de mooie maar lange Folgerenlaan, die ons naar Drachten (81) bracht, na Heerenveen de belangrijkste veenkolonie van Friesland. Evenals alle veenkolonies is het dorp lang en smal, van Noordeind tot Zuideind wel een uur gaans. Het belangrijkste punt is waar de weg de Drachtstercompagnonsvaart kruist, de hoofdbrug. Het ziet er allemaal nieuw en druk en welvarend uit en vervelend is het er ook niet, want je bent naar alle kanten nog al gauw in zeer mooie streken: naar het Oosten de Hooge brug, Ureterp en Siegerswoude, naar het Zuiden het beroemde land van Olterterp (82) en Beetsterzwaag.Wij kregen daar een mooi staaltje van te zien, toen we even voor de kerk van Olterterp rechtsaf een lange laan insloegen. ’t Is daar verboden te fietsen, we liepen er dus met het karretje aan de hand. Bij nader onderzoek vond ik, dat wij ook dat niet hadden mogen doen, maar dat men om te wandelen in de bosschen van Olterterp (21) en Beetsterzwaag bepaalde vergunningen moet aanvragen. De eigenaars hebben zich tot dien maatregel genoodzaakt gezien, doordat het vrij toegelaten publiek de bosschen en wandelingen vernielde. In dit opzicht heeft ons volkje een kwaden tijd doorgemaakt; gelukkig, dat het zich in den laatsten tijd wat schijnt te beteren en een andermans eigendom en vooral de mooie natuur gaat leeren ontzien.Wel, we liepen daar door een laan, die precies een half uur lang is en aan weerskanten toegang geeft tot allerlei soort van bosch; hooge, eeuwenoude dennen met reusachtige schubbige stammen, donker beukenwoud, vroolijke eikjes en prachtig parklandschap van[55]hooge hei in vollen bloei, afgewisseld met kleine groepjes grove dennen, die daar verstrooid zijn opgeslagen. Hier en daar waren aardige waterpartijtjes en alles was er stil en grootsch en ruim. Geen wonder, dat deze streken als de schoonste van Friesland bekend zijn en dat ieder wel eens gehoord heeft van de groote buitens, die het in stand blijven van deze bosschen mogelijk maken: Lijndenstein, Lanswold, Boelens en hoe ze meer heeten. In vroeger jaren hadden we daar ook wel rondgedwaald, maar thans wilden we verder naar het onbekende Oosten. Onze laan kwam dan ook op zijn tijd weer uit op een openbaren weg en weldra kwamen we nu aan een eenvoudige klapbrug, de Poostertille (83), waar we even afstapten, om eerbied te bewijzen aan Frieslands belangrijkste rivier, de aloude Boorne of het Koningsdiep. Deze rivier ontspringt achter Bakkeveen, waar Friesland, Groningen en Drente aan elkander grenzen en stroomt dan dwars door het land langs Oldeboorn en Akkrum en heeft daar vroeger ergens in de Middelzee uitgemond. Er zijn er wel, die het Bornrif tusschen Terschelling en Ameland in verband met dit water brengen en de Middelzee beschouwen als niet anders dan den wijden Boornmond. Dit alles overdachten we, terwijl we over de leuning aan de Poostertille naar de vischjes stonden te kijken. Over de Tille klom de weg en we waren nu op den heide- en veenrug, die de scheiding vormt tusschen het gebied van de Boorne en van onzen ouden vriend de Tjonger. Het landschap herinnerde hier ook al heel sterk aan het Tjongerland, na de hei gepasseerd te zijn kwamen we in Wijnjeterp (84) en dat lag al net zoo verspreid als Oudehorne en Nijehorne. Nu ging het zuidwaarts en bij den Wittebult bereikten we de Opsterlandsche Compagnonsvaart, schrikbeeld uit onze kinderjaren, toen we met al die compagnons geen raad wisten. Die vaart bleek nu een heel gewoon kanaal te zijn, met nog al hooge oevers en vol echt bruin veenwater. Het leukste was nog wel, dat hij nu eigenlijk niet eens meer Opsterlandsch was, want bij den Wittebult begint de gemeente Ooststellingwerf. Thans kregen we onze eerste stortbui, die we juist bijtijds konden ontwijken door in Donkerbroek een kopje thee te drinken. Meteen konden we daar de klok zien luiden, er was een mooi klokhuis met drie klokken. Verder ging het weer langs den boschrijken weg en met een gevoel van groote tevredenheid zagen we weldra weer een flinke donkergroen geschilderde klapbrug, de Tjonger brug, want hier snijden de oude Tjonger en de nieuwe Compagnonsvaart elkander. Veel tijd om van deze waterstaatkundige bijzonderheid te genieten werd ons niet gegund, want er kwam weer een zware bui opzetten, die ten gevolge had, dat een kwartiertje later twee meer dan gewoon doornatte fietsers een onderkomen kwamen zoeken in de Gouden Klok te Oosterwolde. Daar bleven we dien nacht.Oosterwolde (85) is de hoofdplaats van de gemeente Ooststellingwerf en een geschikt uitgangspunt voor aangename uitstapjes. Evenals Oldeberkoop verheugt het zich in de aanwezigheid van reusachtige lindeboomen (85), waaronder kerk en klokhuis geheel verscholen gaan. Ons eerste doel was Appelscha, dat we bereikten na een kort ritje langs nieuwe klinkerwegen door een afwisselend landschap van boerderijtjes met akkers en weiden endennenbosch. Dat dennenbosch (91) neemt bezuiden Oud-Appelscha aanzienlijke afmetingen aan[56]en daar vinden we dan ook het hoogste punt van Friesland, den Boschberg, die nog een meter of tien hooger is dan de terp van Hooge Beintum. Maar het is een natuurlijke hoogte. In overoude tijden reeds heeft de wind het zand van de heidevelden in dezen hoek van Drente en Friesland te pakken genomen en opgewaaid tot golvende duinen (92), waarvan sommige door den plantengroei zijn vastgelegd. Met den Boschberg is dat zeker al lang geleden gebeurd, want hij is nu begroeid met tamelijk zware dennen en op den grond vinden we niet alleen dicht mos, maar ook blauwe boschbessen en roode boschbessen, lelietjes van dalen, dalkruid en al de planten, die in een echt oud bosch tehuis behooren. Wij klauterden met groot genoegen tegen de steile hellingen op en vonden heel bovenaan nog een houten gevaarte, dat dienst doet als Belvedère, maar dat was nu gesloten, wat jammer genoeg was, want het is altijd nuttig en aangenaam om uit een hooggelegen punt een landstreek te overzien. Nu konden wij altijd nog tusschen de stammen door een kijkje krijgen over bosch en hei, akkers en venen, maar ’t had mooier kunnen zijn.We daalden weer af en wandelden verder. Deze Appelscha’sche duinen zijn staatsdomein, dus ons aller eigendom en het staatsboschbeheer is er mee bezig, om ervan te maken wat maar mogelijk is. Er zijn op uitgebreide schaal beplantingen aangelegd, die zeer goed gedijen en daartusschen vinden we nog de oorspronkelijke hei begroeid met reusachtige en zeer grillig gevormde jeneverbesstruiken, sommige slank omhoog rijzend als cypressen of populieren, andere breed uitgegroeid in allerlei gedaanten. Zoo’n jeneverbesheide ziet er altijd zeer onderhoudend uit, al vinden sommige menschen haar naar en eenzaam. Tusschen heel oude dennen door zagen we een lichte plek en toen we daarop los stevenden, hadden we opeens de echte zandstuiving voor ons: spierwit zand in heuveltjes opgewaaid, andere heuvels, op hun top nog met hei begroeid, maar waarvan de kanten loodrecht door den wind waren afgeschuurd, daarnaast weer groote onbegroeide vlakken met uitgewaaide geulen, waarin het regenwater van gisteren zich had verzameld. Sommige der witte heuvels waren al door de boscharbeiders onder handen genomen en beplant met het helmgras onzer duinen. Groot is deze zandverstuiving niet en er wordt ook wel voor gezorgd, dat zij niet grooter wordt, maar zij is buitengewoon interessant en we zouden wel willen, dat zij altijd bleef zooals nu. Verder naar het zuiden begon de bruine hei weer, een groote vlakte, en een paar helkleurige vlekjes, die we erin zagen, bleken bijenkorven te zijn. Bij nader onderzoek vonden we nog meer bijenstallen. Er wordt hier veel aan bijenteelt gedaan. Naar het zuiden was een groene streep, daar ontspringt het Vleddersche diep en aardig zou het geweest zijn er eens een paar natte voeten aan te wagen, om daar te zoeken naar mooie bloemen van de natte hei en van de natte moerassen. Wij stelden ons tevreden met een paar zeer mooie blauwe klokjesgentianen met wat cipelgras en koersten ten zeerste tevreden weer naar Oosterwolde terug.[57]85 OOSTERWOLDE—DE GROOTE LINDEN85 OOSTERWOLDE—DE GROOTE LINDEN86 DE KUINDER BIJ HAULERTILLE86 DE KUINDER BIJ HAULERTILLE87 DE HAULERWIJK87 DE HAULERWIJK88 HEIHUTJE BIJ BAKKEVEEN88 HEIHUTJE BIJ BAKKEVEEN89 HET STUIFZAND BIJ BAKKEVEEN89 HET STUIFZAND BIJ BAKKEVEEN90 DE SCHEID90 DE SCHEIDJAN VOERMAN Jr.[58]91 APPELSCHA—DENNENBOSCH91 APPELSCHA—DENNENBOSCH92 APPELSCHA—IN DE DUINEN92 APPELSCHA—IN DE DUINEN93 VEENPLAS BIJ OOSTERWOLDE93 VEENPLAS BIJ OOSTERWOLDE94 MEEUWTJE IN DE VEENPUTTEN BIJ PEPERGA94 MEEUWTJE IN DE VEENPUTTEN BIJ PEPERGA95 KATLIJK—KERK EN KLOKHUIS95 KATLIJK—KERK EN KLOKHUIS96 TJONGERBRUG BIJ OLDEBERKOOP96 TJONGERBRUG BIJ OLDEBERKOOPJAN VOERMAN Jr.[56]’s Middags gingen we noordwaarts, altijd weer door woud en beemd en kwamen alweer gauw bij een brug of tille, ditmaal de Haulertille (86) over de Kuinder of Tjonger, waarvan we tot ons genoegen hier het stuk bovenloop te zien kregen, dat niet is gekanaliseerd. Een[59]kilometer of vier hoogerop ontspringt hij uit de hooge venen, hier stroomde hij door de wei en langs de dichte hagen. Pijlkruid en zwanebloemen bloeiden langs zijn oevers en in het water wiegelden lange slierten van egelskop en fonteinkruid. Over de tille heen bereikten we het dorpje Haule. Hier zijn we in de hooge venen, die we vooral naar rechts te zien kregen, rood bebloemd met struikhei en dophei en in de verte blonk in een groenen krans van biezen en rietgras een vrij groot meertje (93). Hoogerop kwamen we in oud bosch en toen weer in een streek, waar de turf pas was afgegraven en weggevoerd langs kanaaltjes die in verbinding staan met de kolonievaart van Veenhuizen.Het zal niet zoo heel lang meer duren, of ook dat mooie meertje en het heidelandschap zullen aan de beurt komen en dan verandert opeens het heele landschap tot onherkenbaar wordens toe. In de laatste vijfentwintig jaar is er dank zij de nieuwe machinerieën al veel meer turf afgegraven als in de heele eeuw, die voorafging en keer op keer, als ik in de veenstreken eens een mooi of merkwaardig plekje op nieuw wil bezoeken, waar ik vroeger merkwaardige planten of dieren vond, ontmoet ik in plaats van een bloemrijk meertje of een schilderachtig kreupelbosch een spiksplinternieuw boerderijtje met akkers en weiden. Dat is allemaal heel goed en prettig voor de welvaart, maar we moeten toch zien, dat we op de groote massa een paar van die mooie veenplekjes behouden. Dit Haulerwijker meertje zou daarvoor zeer geschikt zijn.Het was hier, dat we een merkwaardige tegenstelling te zien kregen. Rechts van den weg werd juist een groote boerenplaats aangelegd. Het huis stond er al, mooi groot in den Groninger stijl en er rondom werden nu park en tuin aangelegd met lanen en perken, dat het een lust was. Rondom wijd en zijd was de grond bewerkt en gereed om in volgende jaren ruime oogsten voort te brengen. Een eindje verder, links van den weg lag nog een stukje onontgonnen terrein en daarop een arbeiderswoninkje, met plaggen bedekt en half in den grond verborgen, een armelijk hutje (88), zoo een, waar we dertig jaar geleden van lazen in de couranten, wanneer er gesproken werd over „arm Friesland”. Gelukkig behoort dat tegenwoordig vrij wel tot het verleden, zoodat we gerust de schilderachtigheid van dit ééne gevalletje konden bewonderen. Nu belandden we aan een kanaal, alweer de Drachtster Compagnonsvaart en hooge zware eiken aan de overzijde vertelden ons, dat de ontginningen hier al van ouden datum zijn, maar toen we een zijpad insloegen in oostelijke richting bereikten we toch een wildernis, weer een zandverstuiving zooals in Appelscha. Deze Bakkeveensche duinen (89) zijn echter wat tammer, nog al begroeid met dun schapengras en laag eiken kreupelhout en verderop gaan ze over in heide met plasjes, waar we ook wel graag hadden rondgezien. Trouwens onze indruk van Friesland is in hoofdzaak, dat we overal nog wel eens weer willen komen, om de zaak nog eens degelijker te bezien. Ook de bosschen in de richting van Siegerswoude zagen er buitengewoon aantrekkelijk uit; het beste is maar, dat ik eens een week in de zomervacantie in Beetsterzwaag ga wonen. Nu moesten we weer terug naar Oosterwolde en namen in plaats van heel Haulerwijk (87) om te rijden een fietspad, dat bij Beneden Haulerwijk zuidwaarts gaat, zeer mooi midden door de hoogvenige bosschen.[60]Den volgenden dag kwam er een eind aan mijn vacantie en reden we Friesland uit over Nieuw Appelscha naar Drente toe. De sluis op de grensscheiding „de Scheid” (90) keken we met veel bewondering en eerbied aan, want het heeft zoo wat een kwart-eeuw geharrewar gekost, eer hier een scheepvaartverbinding tot stand is gekomen tusschen de Friesche en Drentsche wateren. In onze jeugd, dat herinner ik mij nog heel goed, leerden we op de aardrijkskunde-les spreken van den „veelbesproken dam van Appelscha”. Thans is het verschil tusschen beide provincies hier nog duidelijk te zien, want in Friesland heb je langs het kanaal een mooien, effen, harden macadamweg, in Drente een ruig, hobbelig klinkerweggetje, maar het diende zijn doel, want het bracht ons naar het mooie beschaduwde Smilde en zoo verder naar den sneltrein in Assen.[62]Kerk en toren van Hindeloopen.[63]

Den volgenden dag was het alweer zonnig en warm en we wilden naar Dokkum (77,78), om te onderzoeken of daar werkelijk alle mannen een witte haarlok en alle vrouwen een kaal plekje op het hoofd hebben, als herinnering aan den snooden moord, door hun voorvaderen op Bonifacius gepleegd. Dat hadden we zoo in onze jeugd geleerd; je leert veel, als je jong bent. En ’t is voor de Dokkumers wel onpleizierig, dat wie zijn heele Vaderlandsche geschiedenis vergeet, toch nog altijd dien ongelukkigen moord blijft onthouden. Dokkum mag echter wel om een paar anderen dingen in onze herinnering blijven.

Nu, wij volgden een eindje den Groninger straatweg, om weldra rechtsaf het open kronkelwegje te nemen naar Lekkum en Miedum en daarbij hadden we naar links het uitzicht op het bedrijvige deel van Leeuwarden dat zich langs de Dokkumer trekvaart heeft uitgebreid. Langs den weg was alles weiland en Miedum vooral zag er heel aardig uit; maar het was er kaal en schaduwloos en als een veilige haven zagen we eindelijk recht voor ons uit de hooge brug over de Murk (73), overwuifd door zware bladermassa’s van hooge laanboomen. Al houden wij ook nog zooveel van licht en zonneschijn, we waren blij, weer boomen langs den weg te hebben: eerst gewone iepen, toen esschen en daarna eiken, waardoor we tot het besef kwamen, dat we voor een poosje de klei hadden verlaten en terecht waren gekomen op het zandruggetje van de Trijnwouden, de aardige dorpjes Giekerk, Oenkerk en Oudkerk, die met elkander één geheel vormen. Een alleraardigste weg, niet breed, maar mooi beplant, alle huizen omgeven door bonte bloementuintjes en waar je er tusschen door keek, zag je akkers met rogge, aardappelen of boekweit. Van afstand tot[50]afstand kwamen ook deftige huizen voor den dag: Heemstra-state, het nog aanzienlijker Stania-state (74) met prachtig park en hoog geboomte en eindelijk in de bocht naar Oudkerk toe Sminia-state en de Klinse (75), waar de hooge eiken en de lekkere, zachte, echt bemoste boschgrond ons uitnoodigden tot een half uurtje rust. Als je zoo een poosje rustig blijft zitten aan een woudzoom komt er altijd wel een aardig tooneeltje uit het natuurleven te zien. Ditmaal was het een vlaamsche gaai, die achtervolgd werd door twee wielewalen en als je die vogels kent, kunt ge begrijpen hoe onderhoudend het was, al dat wit en bruin en blauw en zwart en heldergeel in de zon te zien blinken. Toen de vervolging was afgeloopen ging de gaai krijschen en de wielewaal fluiten en van het rumoer gingen ook nog een massa andere vogels zingen, die zich anders op warme Augustusdagen stil houden.

In Oudkerk waren ze bezig het oude kerkje met een dikke gele verflaag te bedekken en aan de Murk vonden wij een aardig havenbuurtje. Toen de brug (76) over en weer in den zonneschijn noordoostwaarts tusschen de venige hooilanden door, de slootkanten bont van hooge bloemen van bereklauw en engelwortel, wederik, kattestaart, moerasspiraea, allemaal kruiden van den vollen zomer. Zoo bereikten we het aloude Rinsumageest (22), waar de grond weer zandig wordt. Hier in de buurt lag vroeger het derde der beroemde kloosters van Noord-Friesland: de abdij van Claerkamp, wat een aardige naam. Een meertje even buiten het dorp heet nog het Claerkamper meer. De monniken van Claerkamp gingen in het grijs gekleed, vandaar dat het Wadden-eiland, dat tot 1580 toe tot het klooster behoorde, thans nog Schiermonnikoog heet. Schier beteekent namelijk „grijs”, een Fries noemt een grijze kraai ook altijd nog „schiere kraai”.

Er isvan Claerkampin Rinsumageest echter niets meer te zien, maar de dorpskerk zelf mag wel even bekeken worden, die is heel oud en verheugt zich in het bezit van een verborgen benedenverdieping, een crypt, waarin wij onder vriendelijke leiding van denkoster afdaaldenen ’t was wel de moeite waard, de kleurige zuiltjes te zien, die daar het ronde gewelf schraagden.

Toen ging het op Dokkum aan over Akkerwoude en Murmurwoude, die met Rinsumageest en Dantumawoude samen ook weer bekend zijn onder den naam van de Dantuwouden. De koster had ons al gezegd: „Het zal in de zon moeten gebeuren,” en dat kwam ook volmaakt uit. Akkerwoude ligt zeer verspreid, de weg is breed en ’t is er alles bouwland. Vooral wordt hier cichorei geteeld, een grof gewas, zoo iets als bieten, maar valer van kleur, dat om zijn wortels wordt gekweekt. Die worden gebrand en het bruine poeder dient dan om koffie te vervangen en doet dat zeer slecht, hetgeen we in Friesland nog al eens moesten ervaren. Maar waar de planten waren doorgeschoten of een jaar over hadden gestaan, daar bloeiden ze prachtig met helderblauwe bloemen, net zooals we ze in ’t vorig jaar in het wild aan de IJseldijken hadden gevonden. Eindelijk bereikten we Murmurwoude. Die naam wordt wel eens beschouwd als een verbastering van Moordenaarswoude en hier zouden dan de lui gehuisd hebben, die Bonifacius hebben doodgeslagen. We zagen geen een Murmurwoudenaar, aan wien we konden vragen, of dat waar was. Ze hadden zich allemaal verscholen voor de middaghitte.[51]

73 MURKBRUG BIJ GIEKERK73 MURKBRUG BIJ GIEKERK74 STANIA-STATE TE OENKERK74 STANIA-STATE TE OENKERK75 DE KLINSE BIJ OUDKERK75 DE KLINSE BIJ OUDKERK76 MURKBRUG BIJ OUDKERK76 MURKBRUG BIJ OUDKERK77 DOKKUM77 DOKKUM78 DOKKUM78 DOKKUMJAN VOERMAN Jr.

73 MURKBRUG BIJ GIEKERK73 MURKBRUG BIJ GIEKERK

73 MURKBRUG BIJ GIEKERK

74 STANIA-STATE TE OENKERK74 STANIA-STATE TE OENKERK

74 STANIA-STATE TE OENKERK

75 DE KLINSE BIJ OUDKERK75 DE KLINSE BIJ OUDKERK

75 DE KLINSE BIJ OUDKERK

76 MURKBRUG BIJ OUDKERK76 MURKBRUG BIJ OUDKERK

76 MURKBRUG BIJ OUDKERK

77 DOKKUM77 DOKKUM

77 DOKKUM

78 DOKKUM78 DOKKUM

78 DOKKUM

[52]

79 KANAAL VAN DOKKUM NAAR STROOBOS79 KANAAL VAN DOKKUM NAAR STROOBOS80 FOGELSANGH-STATE80 FOGELSANGH-STATE81 DRACHTEN81 DRACHTEN82 HUIZE OLTERTERP82 HUIZE OLTERTERP83 DE POOSTERBRUG83 DE POOSTERBRUG84 WIJNJETERP—HEI EN BOSCH84 WIJNJETERP—HEI EN BOSCHJAN VOERMAN Jr.

79 KANAAL VAN DOKKUM NAAR STROOBOS79 KANAAL VAN DOKKUM NAAR STROOBOS

79 KANAAL VAN DOKKUM NAAR STROOBOS

80 FOGELSANGH-STATE80 FOGELSANGH-STATE

80 FOGELSANGH-STATE

81 DRACHTEN81 DRACHTEN

81 DRACHTEN

82 HUIZE OLTERTERP82 HUIZE OLTERTERP

82 HUIZE OLTERTERP

83 DE POOSTERBRUG83 DE POOSTERBRUG

83 DE POOSTERBRUG

84 WIJNJETERP—HEI EN BOSCH84 WIJNJETERP—HEI EN BOSCH

84 WIJNJETERP—HEI EN BOSCH

[53]

Vanuit Murmurwoude geniet men een onbelemmerd uitzicht op Dokkum, want er staat zoowat geen enkele boom en de stad zelf verrijst als een eiland uit de vlakke velden. In een half uurtje hadden we het oude Dockinga bereikt en we reden er maar dadelijk dwars doorheen, berg op berg af, want het ligt op een paar bijzonder steile terpen. Met sneeuwval en ijzel zal ongetwijfeld menig Dokkumer ten val komen. Die terpen zijn zeer oud; Dokkum (77,78) is na Stavoren de oudste stad van Friesland en moet al in de derde eeuw na Chr. bestaan hebben. De Lauwerzee was toen veel grooter dan thans, de Dokkumer Ee had een wijden mond, zoodat onze stad eigenlijk een zeestad is geweest, nog wel tot in de achttiende eeuw toe. Het groote stadhuis en verschillende oude koopmanshuizen en pakhuizen herinneren nog aan het druk verkeer. Van die witte haarlokken of kale plekken kregen we niets te zien.

Nu had ik nog wel graag doorgefietst naar de Lauwerzee, maar daarvoor was eigenlijk toch de zon te heet en de dag te kort, daarom gingen we langs den beroemden Bonifaciusput maar langs het kanaal (79) naar Stroobos, om over Veenwouden weer Leeuwarden op te zoeken. De put is ontstaan door den hoefslag van het paard van een der soldaten van koning Pepijn’s tuchtigings-expeditie, en het water heette wonderdoende eigenschappen te bezitten. Vroeger was de put open, maar omdat hij heel goed drinkwater levert, heeft men hem overdekt en een hek erom gezet, zoodat men er geen voeten meer in kan wasschen, wat sommige lui wel deden vanwege de wonderdadigheid.

Langs het kanaal hadden we alweer geen last van de schaduw, maar we verveelden ons niet. Rechts hadden we voortdurend het uitzicht op de bosschen van Dantumawoude en Driesum, links lag het eindelooze kleiland. Daarna kruisten we een belangrijke dwarsvaart, de Potsloot, die verderop Zwemme heet en zagen nu rechts een uitgebreid laagveenland met een groote plas er midden in, eigenlijk een laatste deel van de Friesche meren, die in een breede strook dwars door de provincie heen liggen van Stavoren naar de Lauwerzee. Een eindje verder verlieten we onze vaart, om langs de Triemen naar Veenklooster te rijden, waar we een uurtje rust hielden op de beroemde Fogelsangh-state (80), de noordelijkste plaats in Friesland, waar de nachtegaal nog zingt. De naam der state doelt daar echter niet op: haar stichter heette Dr. Theodorus van Fogelsangh, die kocht in 1639 de voormalige kloostergronden, waarnaar het gehuchtje nog altijd Veenklooster heet. De plaats is prachtig met mooi beukenbosch, uitgestrekte vijvers, rijken plantengroei en dichte vogelbevolking en we mogen onzen vriend Theodorus wel dankbaar zijn, dat hij zoo’n mooi buiten heeft aangelegd. Wie doet ’t hem na?

Nu hadden we nog een mooi ritje naar huis langs Kollumerzwaag en Zwaagwesteinde naar Veenwouden, maar toen we bij de beroemde Schierstins kwamen, een oude dépendance van het Claerkampster klooster, zou men ons zelf voor schiere monniken hebben kunnen houden, zoo dik zaten we onder het grijze stof. Het was dan ook eindelijk een groot genoegen, om uit te blazen in den schaduwrijken tuin van Quatre-Bras aan den Groninger straatweg, temeer omdat we daar de jeugd en schoonheid van de Trijnwouden[54]vereenigd vonden aan een spannenden tenniswedstrijd. Toen ging het over Hardegarijp en Toutenberg weer op Leeuwarden aan; onderweg hielden we ons nog even op bij de Groote Wielen, waar de Leeuwardenaren in drommen komen zwemmen, roeien, zeilen en visschen. Wat ze gelijk hebben!

Den volgenden dag slopen we smadelijk met den trein naar Buitenpost, maar daar beklommen we weer onze karretjes om zuidwaarts te tijgen. Buitenpost is een mooi, ruim dorp, goed in de boomen, maar verderop wordt het wat kaler. Bij Blauwverlaat kruisten we het welbekende Kolonelsdiep of Caspar de Roblesvaart en daarna, voorbij Sint Augustinusga, begon het er weer een beetje apart uit te zien. Tot Drachten toe kregen we nu telkens stukjes weg, langer of korter, die aan weerszijden dicht beplant waren met elzen, zóó dicht, dat ze als een muur den weg omzoomden en een bijzonder goede beschutting gaven tegen den nog al fellen wind, die zich op de open stukken danig liet gevoelen. ’t Allereerst bereikten we het oude dorpje Surhuizum (23) met een zeer vreemdsoortigen, stokouden kerktoren, die een slanke spits heeft, geheel uit baksteenen opgemetseld. We gingen nu de veenstreek naderen en bereikten dan ook spoedig het groote en ruime dorp Surhuisterveen (24), dat zich kilometers ver uitstrekt langs den breeden weg en waar een groote zuivelfabriek in volle actie den omtrek vervulde met zijn geplas en gerammel. Dan weer einden weg tusschen de geurige elzen en voor Rottevalle sloegen we linksaf, om door de ontgonnen veenstreek van de Drachtster Compagnie, die een aardige afwisseling te zien geeft van bosch en hei en akkers en weiden te belanden op de mooie maar lange Folgerenlaan, die ons naar Drachten (81) bracht, na Heerenveen de belangrijkste veenkolonie van Friesland. Evenals alle veenkolonies is het dorp lang en smal, van Noordeind tot Zuideind wel een uur gaans. Het belangrijkste punt is waar de weg de Drachtstercompagnonsvaart kruist, de hoofdbrug. Het ziet er allemaal nieuw en druk en welvarend uit en vervelend is het er ook niet, want je bent naar alle kanten nog al gauw in zeer mooie streken: naar het Oosten de Hooge brug, Ureterp en Siegerswoude, naar het Zuiden het beroemde land van Olterterp (82) en Beetsterzwaag.

Wij kregen daar een mooi staaltje van te zien, toen we even voor de kerk van Olterterp rechtsaf een lange laan insloegen. ’t Is daar verboden te fietsen, we liepen er dus met het karretje aan de hand. Bij nader onderzoek vond ik, dat wij ook dat niet hadden mogen doen, maar dat men om te wandelen in de bosschen van Olterterp (21) en Beetsterzwaag bepaalde vergunningen moet aanvragen. De eigenaars hebben zich tot dien maatregel genoodzaakt gezien, doordat het vrij toegelaten publiek de bosschen en wandelingen vernielde. In dit opzicht heeft ons volkje een kwaden tijd doorgemaakt; gelukkig, dat het zich in den laatsten tijd wat schijnt te beteren en een andermans eigendom en vooral de mooie natuur gaat leeren ontzien.

Wel, we liepen daar door een laan, die precies een half uur lang is en aan weerskanten toegang geeft tot allerlei soort van bosch; hooge, eeuwenoude dennen met reusachtige schubbige stammen, donker beukenwoud, vroolijke eikjes en prachtig parklandschap van[55]hooge hei in vollen bloei, afgewisseld met kleine groepjes grove dennen, die daar verstrooid zijn opgeslagen. Hier en daar waren aardige waterpartijtjes en alles was er stil en grootsch en ruim. Geen wonder, dat deze streken als de schoonste van Friesland bekend zijn en dat ieder wel eens gehoord heeft van de groote buitens, die het in stand blijven van deze bosschen mogelijk maken: Lijndenstein, Lanswold, Boelens en hoe ze meer heeten. In vroeger jaren hadden we daar ook wel rondgedwaald, maar thans wilden we verder naar het onbekende Oosten. Onze laan kwam dan ook op zijn tijd weer uit op een openbaren weg en weldra kwamen we nu aan een eenvoudige klapbrug, de Poostertille (83), waar we even afstapten, om eerbied te bewijzen aan Frieslands belangrijkste rivier, de aloude Boorne of het Koningsdiep. Deze rivier ontspringt achter Bakkeveen, waar Friesland, Groningen en Drente aan elkander grenzen en stroomt dan dwars door het land langs Oldeboorn en Akkrum en heeft daar vroeger ergens in de Middelzee uitgemond. Er zijn er wel, die het Bornrif tusschen Terschelling en Ameland in verband met dit water brengen en de Middelzee beschouwen als niet anders dan den wijden Boornmond. Dit alles overdachten we, terwijl we over de leuning aan de Poostertille naar de vischjes stonden te kijken. Over de Tille klom de weg en we waren nu op den heide- en veenrug, die de scheiding vormt tusschen het gebied van de Boorne en van onzen ouden vriend de Tjonger. Het landschap herinnerde hier ook al heel sterk aan het Tjongerland, na de hei gepasseerd te zijn kwamen we in Wijnjeterp (84) en dat lag al net zoo verspreid als Oudehorne en Nijehorne. Nu ging het zuidwaarts en bij den Wittebult bereikten we de Opsterlandsche Compagnonsvaart, schrikbeeld uit onze kinderjaren, toen we met al die compagnons geen raad wisten. Die vaart bleek nu een heel gewoon kanaal te zijn, met nog al hooge oevers en vol echt bruin veenwater. Het leukste was nog wel, dat hij nu eigenlijk niet eens meer Opsterlandsch was, want bij den Wittebult begint de gemeente Ooststellingwerf. Thans kregen we onze eerste stortbui, die we juist bijtijds konden ontwijken door in Donkerbroek een kopje thee te drinken. Meteen konden we daar de klok zien luiden, er was een mooi klokhuis met drie klokken. Verder ging het weer langs den boschrijken weg en met een gevoel van groote tevredenheid zagen we weldra weer een flinke donkergroen geschilderde klapbrug, de Tjonger brug, want hier snijden de oude Tjonger en de nieuwe Compagnonsvaart elkander. Veel tijd om van deze waterstaatkundige bijzonderheid te genieten werd ons niet gegund, want er kwam weer een zware bui opzetten, die ten gevolge had, dat een kwartiertje later twee meer dan gewoon doornatte fietsers een onderkomen kwamen zoeken in de Gouden Klok te Oosterwolde. Daar bleven we dien nacht.

Oosterwolde (85) is de hoofdplaats van de gemeente Ooststellingwerf en een geschikt uitgangspunt voor aangename uitstapjes. Evenals Oldeberkoop verheugt het zich in de aanwezigheid van reusachtige lindeboomen (85), waaronder kerk en klokhuis geheel verscholen gaan. Ons eerste doel was Appelscha, dat we bereikten na een kort ritje langs nieuwe klinkerwegen door een afwisselend landschap van boerderijtjes met akkers en weiden endennenbosch. Dat dennenbosch (91) neemt bezuiden Oud-Appelscha aanzienlijke afmetingen aan[56]en daar vinden we dan ook het hoogste punt van Friesland, den Boschberg, die nog een meter of tien hooger is dan de terp van Hooge Beintum. Maar het is een natuurlijke hoogte. In overoude tijden reeds heeft de wind het zand van de heidevelden in dezen hoek van Drente en Friesland te pakken genomen en opgewaaid tot golvende duinen (92), waarvan sommige door den plantengroei zijn vastgelegd. Met den Boschberg is dat zeker al lang geleden gebeurd, want hij is nu begroeid met tamelijk zware dennen en op den grond vinden we niet alleen dicht mos, maar ook blauwe boschbessen en roode boschbessen, lelietjes van dalen, dalkruid en al de planten, die in een echt oud bosch tehuis behooren. Wij klauterden met groot genoegen tegen de steile hellingen op en vonden heel bovenaan nog een houten gevaarte, dat dienst doet als Belvedère, maar dat was nu gesloten, wat jammer genoeg was, want het is altijd nuttig en aangenaam om uit een hooggelegen punt een landstreek te overzien. Nu konden wij altijd nog tusschen de stammen door een kijkje krijgen over bosch en hei, akkers en venen, maar ’t had mooier kunnen zijn.

We daalden weer af en wandelden verder. Deze Appelscha’sche duinen zijn staatsdomein, dus ons aller eigendom en het staatsboschbeheer is er mee bezig, om ervan te maken wat maar mogelijk is. Er zijn op uitgebreide schaal beplantingen aangelegd, die zeer goed gedijen en daartusschen vinden we nog de oorspronkelijke hei begroeid met reusachtige en zeer grillig gevormde jeneverbesstruiken, sommige slank omhoog rijzend als cypressen of populieren, andere breed uitgegroeid in allerlei gedaanten. Zoo’n jeneverbesheide ziet er altijd zeer onderhoudend uit, al vinden sommige menschen haar naar en eenzaam. Tusschen heel oude dennen door zagen we een lichte plek en toen we daarop los stevenden, hadden we opeens de echte zandstuiving voor ons: spierwit zand in heuveltjes opgewaaid, andere heuvels, op hun top nog met hei begroeid, maar waarvan de kanten loodrecht door den wind waren afgeschuurd, daarnaast weer groote onbegroeide vlakken met uitgewaaide geulen, waarin het regenwater van gisteren zich had verzameld. Sommige der witte heuvels waren al door de boscharbeiders onder handen genomen en beplant met het helmgras onzer duinen. Groot is deze zandverstuiving niet en er wordt ook wel voor gezorgd, dat zij niet grooter wordt, maar zij is buitengewoon interessant en we zouden wel willen, dat zij altijd bleef zooals nu. Verder naar het zuiden begon de bruine hei weer, een groote vlakte, en een paar helkleurige vlekjes, die we erin zagen, bleken bijenkorven te zijn. Bij nader onderzoek vonden we nog meer bijenstallen. Er wordt hier veel aan bijenteelt gedaan. Naar het zuiden was een groene streep, daar ontspringt het Vleddersche diep en aardig zou het geweest zijn er eens een paar natte voeten aan te wagen, om daar te zoeken naar mooie bloemen van de natte hei en van de natte moerassen. Wij stelden ons tevreden met een paar zeer mooie blauwe klokjesgentianen met wat cipelgras en koersten ten zeerste tevreden weer naar Oosterwolde terug.[57]

85 OOSTERWOLDE—DE GROOTE LINDEN85 OOSTERWOLDE—DE GROOTE LINDEN86 DE KUINDER BIJ HAULERTILLE86 DE KUINDER BIJ HAULERTILLE87 DE HAULERWIJK87 DE HAULERWIJK88 HEIHUTJE BIJ BAKKEVEEN88 HEIHUTJE BIJ BAKKEVEEN89 HET STUIFZAND BIJ BAKKEVEEN89 HET STUIFZAND BIJ BAKKEVEEN90 DE SCHEID90 DE SCHEIDJAN VOERMAN Jr.

85 OOSTERWOLDE—DE GROOTE LINDEN85 OOSTERWOLDE—DE GROOTE LINDEN

85 OOSTERWOLDE—DE GROOTE LINDEN

86 DE KUINDER BIJ HAULERTILLE86 DE KUINDER BIJ HAULERTILLE

86 DE KUINDER BIJ HAULERTILLE

87 DE HAULERWIJK87 DE HAULERWIJK

87 DE HAULERWIJK

88 HEIHUTJE BIJ BAKKEVEEN88 HEIHUTJE BIJ BAKKEVEEN

88 HEIHUTJE BIJ BAKKEVEEN

89 HET STUIFZAND BIJ BAKKEVEEN89 HET STUIFZAND BIJ BAKKEVEEN

89 HET STUIFZAND BIJ BAKKEVEEN

90 DE SCHEID90 DE SCHEID

90 DE SCHEID

[58]

91 APPELSCHA—DENNENBOSCH91 APPELSCHA—DENNENBOSCH92 APPELSCHA—IN DE DUINEN92 APPELSCHA—IN DE DUINEN93 VEENPLAS BIJ OOSTERWOLDE93 VEENPLAS BIJ OOSTERWOLDE94 MEEUWTJE IN DE VEENPUTTEN BIJ PEPERGA94 MEEUWTJE IN DE VEENPUTTEN BIJ PEPERGA95 KATLIJK—KERK EN KLOKHUIS95 KATLIJK—KERK EN KLOKHUIS96 TJONGERBRUG BIJ OLDEBERKOOP96 TJONGERBRUG BIJ OLDEBERKOOPJAN VOERMAN Jr.

91 APPELSCHA—DENNENBOSCH91 APPELSCHA—DENNENBOSCH

91 APPELSCHA—DENNENBOSCH

92 APPELSCHA—IN DE DUINEN92 APPELSCHA—IN DE DUINEN

92 APPELSCHA—IN DE DUINEN

93 VEENPLAS BIJ OOSTERWOLDE93 VEENPLAS BIJ OOSTERWOLDE

93 VEENPLAS BIJ OOSTERWOLDE

94 MEEUWTJE IN DE VEENPUTTEN BIJ PEPERGA94 MEEUWTJE IN DE VEENPUTTEN BIJ PEPERGA

94 MEEUWTJE IN DE VEENPUTTEN BIJ PEPERGA

95 KATLIJK—KERK EN KLOKHUIS95 KATLIJK—KERK EN KLOKHUIS

95 KATLIJK—KERK EN KLOKHUIS

96 TJONGERBRUG BIJ OLDEBERKOOP96 TJONGERBRUG BIJ OLDEBERKOOP

96 TJONGERBRUG BIJ OLDEBERKOOP

[56]

’s Middags gingen we noordwaarts, altijd weer door woud en beemd en kwamen alweer gauw bij een brug of tille, ditmaal de Haulertille (86) over de Kuinder of Tjonger, waarvan we tot ons genoegen hier het stuk bovenloop te zien kregen, dat niet is gekanaliseerd. Een[59]kilometer of vier hoogerop ontspringt hij uit de hooge venen, hier stroomde hij door de wei en langs de dichte hagen. Pijlkruid en zwanebloemen bloeiden langs zijn oevers en in het water wiegelden lange slierten van egelskop en fonteinkruid. Over de tille heen bereikten we het dorpje Haule. Hier zijn we in de hooge venen, die we vooral naar rechts te zien kregen, rood bebloemd met struikhei en dophei en in de verte blonk in een groenen krans van biezen en rietgras een vrij groot meertje (93). Hoogerop kwamen we in oud bosch en toen weer in een streek, waar de turf pas was afgegraven en weggevoerd langs kanaaltjes die in verbinding staan met de kolonievaart van Veenhuizen.

Het zal niet zoo heel lang meer duren, of ook dat mooie meertje en het heidelandschap zullen aan de beurt komen en dan verandert opeens het heele landschap tot onherkenbaar wordens toe. In de laatste vijfentwintig jaar is er dank zij de nieuwe machinerieën al veel meer turf afgegraven als in de heele eeuw, die voorafging en keer op keer, als ik in de veenstreken eens een mooi of merkwaardig plekje op nieuw wil bezoeken, waar ik vroeger merkwaardige planten of dieren vond, ontmoet ik in plaats van een bloemrijk meertje of een schilderachtig kreupelbosch een spiksplinternieuw boerderijtje met akkers en weiden. Dat is allemaal heel goed en prettig voor de welvaart, maar we moeten toch zien, dat we op de groote massa een paar van die mooie veenplekjes behouden. Dit Haulerwijker meertje zou daarvoor zeer geschikt zijn.

Het was hier, dat we een merkwaardige tegenstelling te zien kregen. Rechts van den weg werd juist een groote boerenplaats aangelegd. Het huis stond er al, mooi groot in den Groninger stijl en er rondom werden nu park en tuin aangelegd met lanen en perken, dat het een lust was. Rondom wijd en zijd was de grond bewerkt en gereed om in volgende jaren ruime oogsten voort te brengen. Een eindje verder, links van den weg lag nog een stukje onontgonnen terrein en daarop een arbeiderswoninkje, met plaggen bedekt en half in den grond verborgen, een armelijk hutje (88), zoo een, waar we dertig jaar geleden van lazen in de couranten, wanneer er gesproken werd over „arm Friesland”. Gelukkig behoort dat tegenwoordig vrij wel tot het verleden, zoodat we gerust de schilderachtigheid van dit ééne gevalletje konden bewonderen. Nu belandden we aan een kanaal, alweer de Drachtster Compagnonsvaart en hooge zware eiken aan de overzijde vertelden ons, dat de ontginningen hier al van ouden datum zijn, maar toen we een zijpad insloegen in oostelijke richting bereikten we toch een wildernis, weer een zandverstuiving zooals in Appelscha. Deze Bakkeveensche duinen (89) zijn echter wat tammer, nog al begroeid met dun schapengras en laag eiken kreupelhout en verderop gaan ze over in heide met plasjes, waar we ook wel graag hadden rondgezien. Trouwens onze indruk van Friesland is in hoofdzaak, dat we overal nog wel eens weer willen komen, om de zaak nog eens degelijker te bezien. Ook de bosschen in de richting van Siegerswoude zagen er buitengewoon aantrekkelijk uit; het beste is maar, dat ik eens een week in de zomervacantie in Beetsterzwaag ga wonen. Nu moesten we weer terug naar Oosterwolde en namen in plaats van heel Haulerwijk (87) om te rijden een fietspad, dat bij Beneden Haulerwijk zuidwaarts gaat, zeer mooi midden door de hoogvenige bosschen.[60]

Den volgenden dag kwam er een eind aan mijn vacantie en reden we Friesland uit over Nieuw Appelscha naar Drente toe. De sluis op de grensscheiding „de Scheid” (90) keken we met veel bewondering en eerbied aan, want het heeft zoo wat een kwart-eeuw geharrewar gekost, eer hier een scheepvaartverbinding tot stand is gekomen tusschen de Friesche en Drentsche wateren. In onze jeugd, dat herinner ik mij nog heel goed, leerden we op de aardrijkskunde-les spreken van den „veelbesproken dam van Appelscha”. Thans is het verschil tusschen beide provincies hier nog duidelijk te zien, want in Friesland heb je langs het kanaal een mooien, effen, harden macadamweg, in Drente een ruig, hobbelig klinkerweggetje, maar het diende zijn doel, want het bracht ons naar het mooie beschaduwde Smilde en zoo verder naar den sneltrein in Assen.

[62]

Kerk en toren van Hindeloopen.

[63]


Back to IndexNext