[Inhoud]LANGS DE WADDENZEE.V.LANGS DE WADDENZEE.We kwamen terug van Terschelling en zaten bovenop het hooge dek van „de Kraus” een beetje te mopperen over de slechte aansluiting te Leeuwarden. Toen vroeg de hofmeester ons, waarom we het niet eens een keertje met „de Heemstra” zouden probeeren. Wij wisten niet, wat dat voor een ding was, maar dat bleek nu een stoomboot te zijn, die geregeld heen en weer vaart tusschen Amsterdam en Harlingen en onderweg alleen Enkhuizen aandoet. Het is meteen zoowat de goedkoopste reisgelegenheid in de heele wereld, lijn 3 in Amsterdam is nog duur, daarmee vergeleken. Je komt voor een enkelen gulden eerste klas heelemaal van Harlingen naar Amsterdam, de tweede klas krijgt misschien nog geld toe, daar ben ik echter niet zeker van. In elk geval kunnen we deze „Heemstra” recommandeeren aan alle platzakke Amsterdamsche jongelui, die eens een aangename en nog al langdurige zeereis willen maken en als je de fiets meeneemt, kun je tusschen twee booten nog een heel stuk van Friesland zien.Wij besloten tenminste vol geestdrift den raad van onzen wakkeren hofmeester te volgen en zagen het naderend Harlingen alweer met heel andere oogen aan. Het ligt zoo aardig aan den dijk met zijn hooge huizen en stevige torens en met zijn vreemdsoortigen vuurtoren, die er nog vreemder uitziet, doordat ze hem overdwars in breede banen roodbruin en wit geschilderd hebben. Zoo zie je hem beter overdag. We waren er echter nog lang niet, want onze boot naderde pas het begin van den strekdam, die het vaarwater van de Pollen moet verbeteren. De bedoeling was, geloof ik, dat de stroom langs de noordzijde van den dam een diepe vaargeul zou uitscheuren en dat heeft hij ook wel gedaan, maar langs de zuidzijde is nog een diepere geul gekomen en daar vaart de boot nu meestal. Alleen als het sterk[64]uit het zuiden waait en er water genoeg is, neemt hij de noordzijde terwille van de passagiers, die gauw last hebben van zeeziekte. Een bijzonder nuttige dam dus. Hij is gebouwd van bazalt met dekstukken van leisteen en er staan van afstand tot afstand hooge baken op, die zijn ligging aangeven bij hoog water, want dan staat hij heelemaal onder. De steenen zijn begroeid met wier en met mosselen, ze zien er zwart van en daarom komen vogels van allerlei soort, maar vooral scholeksters en meeuwen, daar hun mosselenmaaltijden houden. Op de toppen der baken zitten meestal zwarte aalscholvers in prachtige houdingen en hun lange nekken en groote, aan den top gekromde bekken, maken een zoo goed figuur, dat men denken zou, te doen te hebben met opzettelijk gebeeldhouwde versieringen. Maar als de boot naderbij komt, dan zie je den aalscholver er af wippen, voortvliegen en met groote juistheid neerstrijken op zijn confrater, die de volgende baak bewoont en zich nu ijlings uit de voeten maakt. ’t Is buitengewoon amusant om te zien, hoe die vogels daar een soort van omgekeerd wip van ’t stoeltje spelen. Ook vermaken we ons met de meeuwen, die de mosselen eten, mantelmeeuwen en zilvermeeuwen van verschillenden leeftijd, ’t is een heel werk om de éénjarigen, tweejarigen, driejarigen en vierjarigen te onderscheiden en hoogerop gaat het heelemaal niet.Eindelijk draaien we de haven van Harlingen (109) binnen, nu in den oorlogstijd een groote leege watervlakte, omgeven door uitgestrekte, blauwzwarte bazaltglooiingen. We hopen hier weldra weer de groote booten te zien liggen, die hout brengen uit het Noorden of wol en katoen uit Engeland of die van hier vertrekken beladen met de productie van de nijverheid van Twente of van den landbouw en veeteelt van ons dierbaar Friesland.Nu gauw naar de „Heemstra”, die we vinden in de Noorderhaven, een vlug schroefbootje, dat er uitziet, alsof het voor geen kleintje vervaard is. ’t Is er niet zoo weelderig als op de „Kraus”, maar er is een ruime kajuit beneden en bovenop vindt je genoeg banken en klapstoeltjes. We zochten een goed plaatsje op en nu begon de reis langs de westkust van Friesland, die we bijzonder genoten. Ik kan niet zeggen, dat het mooi weer was, het woei hard uit het zuidwesten en af en toe kwam er een flinke regenvlaag. Het troebele zeetje bruiste en klotste en toonde een onafzienbaar veld van witte koppen, waar het stoombootje stoer doorheen stampte. Aan bakboord strekte zich in het halflicht de lange Friesche dijk uit, waar hier en daar een dak overheen keek of een paar molenwieken of een grooter gedoe van dorp of stad. Als het zonnetje had geschenen, dan was het kleuriger geweest, maar ook nu hadden we nog pleizier genoeg er van, om de steden en dorpen te herkennen, eerst het nog al aanzienlijke Zurig en een halfuurtje later Makkum (103), dat van uit zee gezien zich lijkt te verschuilen achter een paar reusachtige molens. Hier koersten we wat verder uit de kust, om de ondiepten van de Makkumer waard te ontwijken en we konden tot mijn spijt geen zicht krijgen op Piaam, dat mij om vele redenen dierbaar is. De zee was hier zeer levendig. Daar lagen een paar kleine stoombootjes te bonken en te rammelen met rare uitwassen op zij en toen we dichter bij kwamen, bleken het schelpenzuigers te zijn, die hier op de manier van baggermolens de schelpbanken van de Waddenzee bewerken. Vroeger[67]gebeurde dat schelpenvisschen uit de hand in kleine zeilscheepjes en dan zag je soms in deze wateren en ook onderweg bij Vlieland en Texel heele vloten van die kleine baggermannetjes aan ’t werk. Behalve onze schelpzuigers ontmoetten we nog tal van tjalken, houten en ijzeren, van allerlei fatsoen en meestal mooi opgeschilderd. Ze maakten van den gunstigen harden wind een zoo goed mogelijk gebruik met volle zeilen, het grootzeil over het eene boord en de fok breed uitgestoken over het andere, op zijn oud-visschermans, zooals de burgemeester van Griend ons dat pas geleerd had. Het was een heerlijk zeegezicht.[65]97 HINDELOOPEN97 HINDELOOPEN98 HINDELOOPEN—BOERDERIJ98 HINDELOOPEN—BOERDERIJ99 FABRIEKSMOLENS BIJ MAKKUM99 FABRIEKSMOLENS BIJ MAKKUM100 FRIESCHE BOERDERIJ BIJ STAVOREN100 FRIESCHE BOERDERIJ BIJ STAVOREN101 BIJ HOOGE BEINTUM101 BIJ HOOGE BEINTUM102 MAKKUM—POTTENBAKKERSHUIZEN102 MAKKUM—POTTENBAKKERSHUIZENL. W. R. WENCKEBACH[66]103 MAKKUM103 MAKKUM104 HINDELOOPEN—DE HAVEN104 HINDELOOPEN—DE HAVEN105 JELSUM—DEKEMA-STATE105 JELSUM—DEKEMA-STATE106 PARREGA106 PARREGA107 HINDELOOPEN—GEVELSTEEN107 HINDELOOPEN—GEVELSTEEN108 MAKKUM—KALKOVENS108 MAKKUM—KALKOVENSL. W. R. WENCKEBACH[67]En nu doemde Hindeloopen (97) voor ons oog op, dat een ligging heeft, herinnerend aan die van de aloude Friesche koningsstad aan den tegenovergestelden oever, het eerwaardig Medemblik. Als wij de oude overleveringen willen gelooven, dan weten wij dat er in vroeger tijd, toen de Zuiderzee nog niet bestond, een druk verkeer was tusschen deze twee steden en dat de Friesche koningen te Hindeloopen hun jachtslot hadden en hier in de streek jacht kwamen maken op de herten en hinden, die toen hier geloopen hebben. Onmogelijk is dat volstrekt niet, denk er maar aan dat Gaasterland niet ver van Hindeloopen ligt. Het aardige stadje op de alleruiterste punt van zijn schiereiland en de hooge sierlijke toren bleven lang in zicht, zelfs nog toen we van onze boot al regelrecht rechtuit konden kijken in de haven van Stavoren, waarvan de ingang zoowat pal west loopt. Dat zag er weer heel anders uit dan wanneer je met de veerboot van Enkhuizen binnenkomt, want die houdt zeer lang een zuiver noordelijken koers. Achter Stavoren zagen we de hoogten en bosschen van Gaasterland en nu hadden we ook spoedig Drechterland en Medemblik voor den boeg. Intusschen werd de zee al woeliger en woeliger, de regen gutste bij stroomen neer, uit de kajuit beneden klonk gerucht van zeezieke passagiers en daarom zijn we toen maar in Enkhuizen uitgestapt. Intusschen waren wij den hofmeester van de „Kraus” hartelijk dankbaar, dat hij ons geholpen had aan deze buitengewoon aardige gelegenheid, om vlug een goed overzicht te krijgen van Frieslands westkust.Wanneer we nu het land zelve willen zien en de stedekens en dorpen zelve betreden, dan kunnen we dat per fiets weer zeer gemakkelijk doen bij gelegenheid van een reis naar Terschelling. Misschien vraagt ge, wat ik daar altijd op Terschelling uitvoer, nu, daar vertel ik later misschien nog wel eens van. Maar als je nu gaat met de eerste postboot naar Stavoren, dan kun je, fietsende langs de kust naar Harlingen, daar nog gemakkelijk op tijd de „Kraus” bereiken. Zelfs vinden we nog wel gelegenheid om een omwegje te maken door de gemeente Hemelumer-Oldephaert en Noordwolde. Dat Noordwolde heeft niets te maken met het dorp in Weststellingwerf, waar ze die mooie stoelen vlechten.Welnu, we verlaten Stavoren weer door dat hek, dat ge u nog wel herinnert uit het Zuiderzee-album en trappen vlug naar het groene Roode klif en daar vinden we een zandwegje, dat ons vlug brengt in het buurtje Scharl, dat ook al genoemd wordt in de „Roos van Dekama”. Nu zien wij in al zijn lengte Warns dwars voor ons liggen met Noorderburen en Zuiderburen, een alleraardigst lang dorp op het meest vooruitgeschoven zandricheltje van Gaasterland, eigenlijk de ruggesteun van Stavoren. Wij komen er langs den[68]eenigen weg, die hier bestaat, maar die toch Verkeerde weg heet. Dit is nog niet het eigenlijke Gaasterland. Ook zien we hier weinig bosch, maar de bloemen in de tuintjes, de boomen in de plantsoenen, het bouwland langs den weg, vertellen ons duidelijk, dat we hier niet meer zijn op de klei of in het veen, maar op den lichten, lossen, drogen zandgrond. Door ’t dorp heen daalt de weg en daar komen weer weilanden, maar na een poosje gaat het pad weer omhoog, er komen weer akkertjes, zelfs een enkel boschje en heel schilderachtig zien we nu het kleine dorpje Hemelum tegen de hoogte liggen. We gaan al hooger, niet zoo heel erg hoog hoor, maar we komen toch in een buurt die Hemelumerhoog heet en onderweg moeten we even afstappen en rondkijken, want we staan hier werkelijk op een der mooiste punten van ons vaderland, tenminste als de zon en de wolken een handje helpen. Achter ons hebben we de welbekende hoogten en bosschen van Rijs en Kippenburg, voor ons in de laagte zien we het eerste der Friesche meren, dat meteen een der merkwaardigste is: de Morra (123). Over de Morra heen ontwaren we warempeltjes alweer heuvelen, (’t is merkwaardig hoe heuvelrijk dat Friesland is) dat is de heuvelrij van Koudum en daarachter de torens van Workum en Hindeloopen. Misschien ligt Hindeloopen ook nog wel op een verscholen heuveltje, anders was het al lang weggespoeld, want het wordt aan drie kanten door de zee bestookt. Dat men die zee nog lang niet vertrouwt, mag blijken uit de omstandigheid, dat men van den heuvel van Hemelum naar den heuvel van Koudum een dijk heeft gelegd dien men verder heeft doorgetrokken naar Hindeloopen en als er nu ergens tusschen Hindeloopen en Stavoren of tusschen Stavoren en Mirns een doorbraak komt, dan moet deze dijk de rest van Friesland tegen overstrooming beveiligen. Omdat hij nu voorloopig niets te doen heeft, noemt men hem Slaperdijk. Wij willen hem volgen; de rijweg leidt er achter langs. Natuurlijk gaat het nu weer door de weiden en heel lage ook. Haast gelijk er mee zien we rechts het water blinken van het groote Fluessenmeer. Al heel spoedig komen we nu aan een van de merkwaardigste punten van de heele Friesche waterwereld: de Galamadammen (124). Ik ben in mijn jonge jaren opgegroeid in Limburg en Brabant en heb daar altijd van „Madam” hooren spreken en dat mag wel de oorzaak er van geweest zijn, dat ik, toen ik voor ’t eerst van dit Friesch geval hoorde, niet recht besefte, wat men met die gala-madammen wel bedoelde. Eerst later, toen ik ook van het beroemde geslacht der Galama’s hoorde, begreep ik dat we hier met dammen te doen hadden en eigenlijk is het een groote sluis in dien Slaperdijk, waardoor de schepen uit de Morra geschut kunnen worden in de Fluessen. Daar gaan heel wat scheepjes door deze sluis, gemiddeld een stuk of vijftien per dag. Hier staat ook een beroemde waterherberg al even bekend als de Oude Schouw of de Froskepolle, die we in een volgend hoofdstuk zullen ontdekken, ’t Is hier een heel merkwaardig buurtje: de sluizen, de dijk, de baken langs het meer, de watermolentjes en boerderijen (100) in de weiden en de hooggelegen dorpjes rechts en links. Over de dammen buigt de weg van den Slaperdijk af, hij gaat dan Dammeweg heeten.Zoo komen wij in Koudum, dat door ik weet niet wie, het mooiste dorp van Friesland genoemd is en de man mag wel gelijk hebben. Nu bestaat er altijd alle mogelijke kans, dat[69]een dorp gebouwd op een lange breede zandhoogte midden in de weiden wel mooi moet worden, vooral wanneer er een groot meer in het verschiet ligt. Op een paar plekken is het zand steil afgegraven en daar hebben de oeverzwaluwen hun nest gebouwd. Trouwens in de tuinen van het eigenlijke dorp zingen allerlei vogels, want het is daar net een stukje bosch en dat mogen we nu wel eens goed aankijken, want de volgende uren zullen ons niet veel lommer verschaffen. Het zal weer in de zon moeten gebeuren, zooals de koster van Rinsumageest zei.We slaan nu weer de richting in naar Stavoren en rijden langs de Koudumervaart naar het kleine dorpje Molkwerum, dat vroeger een groote vermaardheid genoot als het Friesche Doolhof. Wij hebben oprecht geprobeerd, om er te verdwalen, maar het is ons niet mogen gelukken. Wel kregen we zoodoende aardige huisjes en stilleventjes te zien, maar als het noodig geweest was, hadden we elk oogenblik binnen drie minuten het dorp kunnen verlaten in drie richtingen naar keuze. Wij kozen de richting naar de zee en stonden weldra op den dijk naar Harlingen, die hier, evenals de zuiderdijk, niet alleen met steenglooiing maar ook met paalwerk is versterkt. Er werd juist aan gewerkt om een der paalhoofden te versterken en wij kregen hier een goeden indruk ervan, hoeveel geld en moeite het kost om Friesland tegen de zee te beveiligen. Alleen in Zeeland is de zaak nog moeilijker en kostbaarder en de Friezen hebben dan ook alle reden om te spreken van de gouden hoep, wanneer ze het over hun dijken hebben. In vroeger tijd speelde het paalwerk bij den aanleg van dijken een nog veel grooter rol dan thans en toen hoorde je dan ook meer dan nu klachten over het kleine schelpdiertje, dat het houtwerk vernielt door er gaten in te boren: de paalworm. Misschien was dat paalhoofd wel vernield door dien kleinen mijnendelver.Hindeloopen lag voor ons en daarheen richtten we nu het stuur. Deze rit heeft al weer het kleine bezwaar, dat op grooter en kleiner afstanden de weg is afgezet met hekken, doordat de dijk beweid wordt. Daar heb ik vroeger al eens van verteld, dus we kunnen die zaak met stilzwijgen voorbijgaan. De weg leidt onder den dijk langs, maar van tijd tot tijd klommen wij er boven op, om het uitzicht te genieten over de zee en de kust en over het mooie landschap, dat we zooeven hadden doorkruist en waarvan we de bijzonderheden nu nog eens in hun geheel konden overzien. Zoo kom je er vanzelf toe, om van een streek te gaan houden.Hindeloopen (104) zag er veel gewoner uit dan wij gedacht hadden. Je leest daar zooveel van en ziet er zooveel van op schilderijen en in musea, dat je half verwacht hier al net zoo’n poppekast te zien te krijgen als op Marken. Dat viel nu geweldig mee. Boven het kerkportaal (138) vonden we volmaakt in orde het beroemde vers: „Des Heeren woord—Met Aandacht hoort—Komt dus bij hoopen—Als hinden loopen.” Overigens vonden we er aardige, oude deftige huizen, Waag en Stadhuis (118), een enkel mooi gevelsteentje (107), overblijfselen uit de zeventiende eeuw, toen Hindeloopen een rijke koopstad was, evenals Hoorn en Enkhuizen. Maar bij de sluisbuurt stond ook al een boerderij (98), want ’t is met deze stad al evenzoo gegaan als met die aan de andere zijde van de Zuiderzee. Van[70]de weelde van vroeger is hier in de stad zelf nog wel het een en ander te zien, maar misschien toch niet meer dan in het Friesch Museum te Leeuwarden, waar we de beide Hindelooperkamers met veel belangstelling hadden bekeken, zoowel die uit de zeventiende eeuw met het mooie snijwerk, als die uit de achttiende, waar het snijwerk door beschildering vervangen was. De hooge bedsteden met haar trapjes, de wieg met haar onderstel, herinneren er aan hoe af en toe de zee nog over de dijken heen de huizen binnendrong. Op de „Kraak”, de kroonlijst boven de bedsteden, hadden we het kraakporselein bewonderd, ook den haard met zijn treeft, de handige klaptafel en de rijk, maar dikwijls smakeloos versierde kisten en koffers. Wel aardig toch, dat het zin hebben in sierlijkheid een trek van heel het Friesche volk is geworden en hier in de rijke koopmansstad zich het sterkst heeft geuit. Thans is Hindeloopen een badplaats met een goed zandig strand en badgasten zooals je ze overal ziet.Nu moesten we onze zee verlaten, want hier is een nieuw land ingepolderd en dat heeft geen weg langs den zeedijk. We gaan dus langs den ouden dijk binnenwaarts en dan dwars door den polder op Workum (113) aan, welks stadsgebied onmiddellijk aan dat van Hindeloopen grenst. We komen nu weer op den ouden dijk en rijden over de Schutsluis regelrecht Workum (119,120) binnen in de prachtige breede hoofdstraat, die men in zoo’n oud stadje niet zou verwachten. Vroeger heeft het er ook anders uit gezien, toen was deze straat een smalle gracht, die men wijselijk gedempt heeft. Wij rijden naar den dikken toren, die wel wat heeft van een afstammeling van den Oldenhove, maar er is een behoorlijker bovenbouw op aangebracht. Nu herinneren we ons, dat we in onze Leeuwarder winkels Workumsch aardewerk uitgestald hebben gezien, dat versierd was min of meer op de manier van houtsnijwerk, nog al vreemd. We zouden de fabriek hier kunnen vinden evenals de onvermijdelijke steenbakkerij en de kalkovens, die langs deze heele westkust welig gloeien. Nu moeten we weer naar de Schutsluis terug. Hier schutten ook in gunstiger tijden de beroemde Heeger palingschepen als ze naar Engeland varen. Het zijn niet groote, maar zeer sterk gebouwde botters; ik heb ze dikwijls het zeegat uit zien varen, toen ik nog op Texel woonde. Deze visschers van Heeg (125,126) hebben het bijzondere voorrecht, dat ze op de Theems bij de London-bridge aan de kade mogen liggen. Maar dat voorrecht verliezen ze zoodra het plaatsje vrij komt. Ge begrijpt dat de Heegenaren dus meer dan één schuit laten varen en dat die uit Londen pas vertrekt, als de andere al gereed ligt, om in zijn plaats te schuiven.Nu weer verder den dijk langs. Het landschap gaat veranderen, geen Fluessen of Gaasterland meer, maar uitgestrekt groenland, nog al leeg. Dat komt ook wel, doordat we hier de droogmakingen hebben liggen van de Workumer- en Parregaastermeren (106). Links vooruit in de verte zien we onzen ouden vriend, den Martinitoren van Bolsward. Onderhand tellen we de buurtjes die we passeeren: Scharneburen, Doniaburen, Gaast, Koorhuizen en vinden zoo ons Piaam, dat misschien eenmaal een belangrijk punt zal worden als de Zuiderzee wordt drooggemaakt. Hier zal de groote afsluitdijk de Friesche kust bereiken. De plaats lijkt goed gekozen, want de zee is hier ondiep en bij laag water valt de Makkumerwaard[73]over een groote uitgestrektheid droog. Deze toestand maakt het ritje van Workum naar Makkum voor een vogelliefhebber nog al onderhoudend, vooral in April en September, want dan wemelt het hier van duizenden en duizenden strandvogels die op den trek zijn. Dan kunt ge hier evengoed als elders heele wolken van strandloopertjes zien opvliegen. Ook rennen de strandpleviertjes of Dûkelmantsjes langs het zand aan den dijkvoet of ziet ge de komiek deftige scholeksters met hooge schouders stil staan langs de plassen. Dan weer vliegen klagend de goudplevieren om u heen of ziet ge in de verte, langs den rand van de plaat, groote zilvermeeuwen en mantelmeeuwen en aalscholvers, onze vrienden van den Harlinger strekdam. Dat zal een verandering worden, als hier in Piaam nu die dijk komt, dan komt de Makkumer waard voor een deel in ’t zoete water te liggen, met een vrij vasten waterstand en voor een ander deel blijft hij deel uitmaken van de zee. Ik hoop dat ik nog eens zien mag, hoe dan het leven der dieren aan deze kust gaat veranderen.[71]109 HARLINGEN—AAN DE HAVEN109 HARLINGEN—AAN DE HAVEN110 MAKKUM—WAAG110 MAKKUM—WAAG111 HARLINGEN—VOORSTRAAT111 HARLINGEN—VOORSTRAAT112 TJUMMARUM—KERKSTRAATJE112 TJUMMARUM—KERKSTRAATJE113 WORKUM—STADHUIS113 WORKUM—STADHUIS114 SNEEK—KERK EN KLOKKENTOREN114 SNEEK—KERK EN KLOKKENTORENL. W. R. WENCKEBACH[72]115 GROUW—STRAATJE115 GROUW—STRAATJE116 LEEUWARDEN—OOSTERKADE116 LEEUWARDEN—OOSTERKADE117 JELSUM—KERK117 JELSUM—KERK118 HINDELOOPEN—WAAG EN STADHUIS118 HINDELOOPEN—WAAG EN STADHUIS119 WORKUM—INGANG KERK119 WORKUM—INGANG KERK120 WORKUM—WAAG120 WORKUM—WAAGL. W. R. WENCKEBACH[73]Het kleine, stille gehuchtje krijgt dan ook heel andere dingen te zien. Er zullen wel groote keeten komen voor de polderjongens, stapelplaatsen voor allerlei materiaal, dat aan den dijk verwerkt moet worden: bergen van rijshout voor de zinkstukken, stapels bazaltkeien of zand en grind om daar beton van te maken. Schepen en sleepbootjes koersen op zee, om die zinkstukken te vervoeren naar de plaats, waar ze den grondslag van den dijk zullen vormen. Dan rijst de dijk al hooger en hooger en na jaren van arbeid komt eindelijk langs dubbel of vierdubbel spoor de eerste trein uit Holland aan, want nu komt hier in dien vergeten uithoek de voornaamste toegangspoort naar Friesland en als ’t een beetje wil ontstaat hier nog een belangrijk verzamelpunt voor spoorwegen. Het is voorloopig moeilijk te voorspellen, wat er gebeuren zal aan den buitenkant van den dijk, wellicht vormt er zich een mooi breed strand en dan kunnen de badkoetsjes van Hindeloopen hier heen verhuizen, tenzij men ze daar wil houden voor zoetwaterbaden in het IJselmeer. Ik heb er pleizier in, dat we dit allemaal nu binnen een jaar of tien kunnen beleven.Nu voort naar Makkum, dat we geen stad mogen noemen, maar het lijkt er toch nog al aardig op. Intusschen is het nog niet eens de hoofdplaats van de gemeente Wonseradeel, want dat is het dorp Witmarsum, bekend uit de geschiedenis van Menno Simons. Hier in Makkum (103,110) zienweer onze kalkovens (108) en molens (99) en op den dijk een klein huisje of loodsje, dat „de leugenaar” genoemd wordt. Hier staan vaak schipperlui en zoo met elkaar te keuvelen en daar mag dan die naam vandaan komen. Ook zoeken we de „Pottenbakkershuizen” (102) op. Vooruit nu maar langs het kleiland. In een halfuurtje halen we Zurig en dan over Dijksterburen bereiken we Harlingen. Het eerste wat we daarvan te zien krijgen is de meer beroemde dan mooie Steenen Man, het gedenkteeken opgericht ter eere van Caspar de Robles.Dit is misschien wel het eenige gedenkteeken in ons land ter eere van wakkere Spanjaarden, die gearbeid hebben voor het welzijn van de Lage Landen aan de Zee. Deze Caspar wist van zeer nabij, hoe gevaarlijk het met Friesland stond, want in 1570 had de Allerheiligenvloed bijna heel het land der vrije Friezen onder water gezet. Hij heeft toen met „ijzeren hand”[74]gewerkt om de toestanden te verbeteren, d.w.z. als de polderbestuurders niet precies en vlug deden wat noodig was, dan werden ze aan den lijve gestraft. Zoo speelde hij het klaar en daarvoor kreeg hij nu dit gedenkteeken. Harlingen zelf heeft wel aardige hoekjes vooral bij de haven (109) en ook nog zeer deftige zeventiende-eeuwsche huizen in de Voorstraat (111) en elders. Het verschilt op zeer eigenaardige wijze van Dokkum. Dokkum is zijn loopbaan begonnen als zeestad en is landstadje geworden. Harlingen is gedurende de eerste eeuwen van zijn bestaan een landstadje geweest, maar de zee heeft het opgezocht en zoo werd het een havenplaats. Een belangrijk jaartal uit de geschiedenis der beide steden is 1644, toen de zetel der admiraliteit van Friesland verplaatst werd van Dokkum naar Harlingen.[76]Kerk te Grouw aan het water.[77]
[Inhoud]LANGS DE WADDENZEE.V.LANGS DE WADDENZEE.We kwamen terug van Terschelling en zaten bovenop het hooge dek van „de Kraus” een beetje te mopperen over de slechte aansluiting te Leeuwarden. Toen vroeg de hofmeester ons, waarom we het niet eens een keertje met „de Heemstra” zouden probeeren. Wij wisten niet, wat dat voor een ding was, maar dat bleek nu een stoomboot te zijn, die geregeld heen en weer vaart tusschen Amsterdam en Harlingen en onderweg alleen Enkhuizen aandoet. Het is meteen zoowat de goedkoopste reisgelegenheid in de heele wereld, lijn 3 in Amsterdam is nog duur, daarmee vergeleken. Je komt voor een enkelen gulden eerste klas heelemaal van Harlingen naar Amsterdam, de tweede klas krijgt misschien nog geld toe, daar ben ik echter niet zeker van. In elk geval kunnen we deze „Heemstra” recommandeeren aan alle platzakke Amsterdamsche jongelui, die eens een aangename en nog al langdurige zeereis willen maken en als je de fiets meeneemt, kun je tusschen twee booten nog een heel stuk van Friesland zien.Wij besloten tenminste vol geestdrift den raad van onzen wakkeren hofmeester te volgen en zagen het naderend Harlingen alweer met heel andere oogen aan. Het ligt zoo aardig aan den dijk met zijn hooge huizen en stevige torens en met zijn vreemdsoortigen vuurtoren, die er nog vreemder uitziet, doordat ze hem overdwars in breede banen roodbruin en wit geschilderd hebben. Zoo zie je hem beter overdag. We waren er echter nog lang niet, want onze boot naderde pas het begin van den strekdam, die het vaarwater van de Pollen moet verbeteren. De bedoeling was, geloof ik, dat de stroom langs de noordzijde van den dam een diepe vaargeul zou uitscheuren en dat heeft hij ook wel gedaan, maar langs de zuidzijde is nog een diepere geul gekomen en daar vaart de boot nu meestal. Alleen als het sterk[64]uit het zuiden waait en er water genoeg is, neemt hij de noordzijde terwille van de passagiers, die gauw last hebben van zeeziekte. Een bijzonder nuttige dam dus. Hij is gebouwd van bazalt met dekstukken van leisteen en er staan van afstand tot afstand hooge baken op, die zijn ligging aangeven bij hoog water, want dan staat hij heelemaal onder. De steenen zijn begroeid met wier en met mosselen, ze zien er zwart van en daarom komen vogels van allerlei soort, maar vooral scholeksters en meeuwen, daar hun mosselenmaaltijden houden. Op de toppen der baken zitten meestal zwarte aalscholvers in prachtige houdingen en hun lange nekken en groote, aan den top gekromde bekken, maken een zoo goed figuur, dat men denken zou, te doen te hebben met opzettelijk gebeeldhouwde versieringen. Maar als de boot naderbij komt, dan zie je den aalscholver er af wippen, voortvliegen en met groote juistheid neerstrijken op zijn confrater, die de volgende baak bewoont en zich nu ijlings uit de voeten maakt. ’t Is buitengewoon amusant om te zien, hoe die vogels daar een soort van omgekeerd wip van ’t stoeltje spelen. Ook vermaken we ons met de meeuwen, die de mosselen eten, mantelmeeuwen en zilvermeeuwen van verschillenden leeftijd, ’t is een heel werk om de éénjarigen, tweejarigen, driejarigen en vierjarigen te onderscheiden en hoogerop gaat het heelemaal niet.Eindelijk draaien we de haven van Harlingen (109) binnen, nu in den oorlogstijd een groote leege watervlakte, omgeven door uitgestrekte, blauwzwarte bazaltglooiingen. We hopen hier weldra weer de groote booten te zien liggen, die hout brengen uit het Noorden of wol en katoen uit Engeland of die van hier vertrekken beladen met de productie van de nijverheid van Twente of van den landbouw en veeteelt van ons dierbaar Friesland.Nu gauw naar de „Heemstra”, die we vinden in de Noorderhaven, een vlug schroefbootje, dat er uitziet, alsof het voor geen kleintje vervaard is. ’t Is er niet zoo weelderig als op de „Kraus”, maar er is een ruime kajuit beneden en bovenop vindt je genoeg banken en klapstoeltjes. We zochten een goed plaatsje op en nu begon de reis langs de westkust van Friesland, die we bijzonder genoten. Ik kan niet zeggen, dat het mooi weer was, het woei hard uit het zuidwesten en af en toe kwam er een flinke regenvlaag. Het troebele zeetje bruiste en klotste en toonde een onafzienbaar veld van witte koppen, waar het stoombootje stoer doorheen stampte. Aan bakboord strekte zich in het halflicht de lange Friesche dijk uit, waar hier en daar een dak overheen keek of een paar molenwieken of een grooter gedoe van dorp of stad. Als het zonnetje had geschenen, dan was het kleuriger geweest, maar ook nu hadden we nog pleizier genoeg er van, om de steden en dorpen te herkennen, eerst het nog al aanzienlijke Zurig en een halfuurtje later Makkum (103), dat van uit zee gezien zich lijkt te verschuilen achter een paar reusachtige molens. Hier koersten we wat verder uit de kust, om de ondiepten van de Makkumer waard te ontwijken en we konden tot mijn spijt geen zicht krijgen op Piaam, dat mij om vele redenen dierbaar is. De zee was hier zeer levendig. Daar lagen een paar kleine stoombootjes te bonken en te rammelen met rare uitwassen op zij en toen we dichter bij kwamen, bleken het schelpenzuigers te zijn, die hier op de manier van baggermolens de schelpbanken van de Waddenzee bewerken. Vroeger[67]gebeurde dat schelpenvisschen uit de hand in kleine zeilscheepjes en dan zag je soms in deze wateren en ook onderweg bij Vlieland en Texel heele vloten van die kleine baggermannetjes aan ’t werk. Behalve onze schelpzuigers ontmoetten we nog tal van tjalken, houten en ijzeren, van allerlei fatsoen en meestal mooi opgeschilderd. Ze maakten van den gunstigen harden wind een zoo goed mogelijk gebruik met volle zeilen, het grootzeil over het eene boord en de fok breed uitgestoken over het andere, op zijn oud-visschermans, zooals de burgemeester van Griend ons dat pas geleerd had. Het was een heerlijk zeegezicht.[65]97 HINDELOOPEN97 HINDELOOPEN98 HINDELOOPEN—BOERDERIJ98 HINDELOOPEN—BOERDERIJ99 FABRIEKSMOLENS BIJ MAKKUM99 FABRIEKSMOLENS BIJ MAKKUM100 FRIESCHE BOERDERIJ BIJ STAVOREN100 FRIESCHE BOERDERIJ BIJ STAVOREN101 BIJ HOOGE BEINTUM101 BIJ HOOGE BEINTUM102 MAKKUM—POTTENBAKKERSHUIZEN102 MAKKUM—POTTENBAKKERSHUIZENL. W. R. WENCKEBACH[66]103 MAKKUM103 MAKKUM104 HINDELOOPEN—DE HAVEN104 HINDELOOPEN—DE HAVEN105 JELSUM—DEKEMA-STATE105 JELSUM—DEKEMA-STATE106 PARREGA106 PARREGA107 HINDELOOPEN—GEVELSTEEN107 HINDELOOPEN—GEVELSTEEN108 MAKKUM—KALKOVENS108 MAKKUM—KALKOVENSL. W. R. WENCKEBACH[67]En nu doemde Hindeloopen (97) voor ons oog op, dat een ligging heeft, herinnerend aan die van de aloude Friesche koningsstad aan den tegenovergestelden oever, het eerwaardig Medemblik. Als wij de oude overleveringen willen gelooven, dan weten wij dat er in vroeger tijd, toen de Zuiderzee nog niet bestond, een druk verkeer was tusschen deze twee steden en dat de Friesche koningen te Hindeloopen hun jachtslot hadden en hier in de streek jacht kwamen maken op de herten en hinden, die toen hier geloopen hebben. Onmogelijk is dat volstrekt niet, denk er maar aan dat Gaasterland niet ver van Hindeloopen ligt. Het aardige stadje op de alleruiterste punt van zijn schiereiland en de hooge sierlijke toren bleven lang in zicht, zelfs nog toen we van onze boot al regelrecht rechtuit konden kijken in de haven van Stavoren, waarvan de ingang zoowat pal west loopt. Dat zag er weer heel anders uit dan wanneer je met de veerboot van Enkhuizen binnenkomt, want die houdt zeer lang een zuiver noordelijken koers. Achter Stavoren zagen we de hoogten en bosschen van Gaasterland en nu hadden we ook spoedig Drechterland en Medemblik voor den boeg. Intusschen werd de zee al woeliger en woeliger, de regen gutste bij stroomen neer, uit de kajuit beneden klonk gerucht van zeezieke passagiers en daarom zijn we toen maar in Enkhuizen uitgestapt. Intusschen waren wij den hofmeester van de „Kraus” hartelijk dankbaar, dat hij ons geholpen had aan deze buitengewoon aardige gelegenheid, om vlug een goed overzicht te krijgen van Frieslands westkust.Wanneer we nu het land zelve willen zien en de stedekens en dorpen zelve betreden, dan kunnen we dat per fiets weer zeer gemakkelijk doen bij gelegenheid van een reis naar Terschelling. Misschien vraagt ge, wat ik daar altijd op Terschelling uitvoer, nu, daar vertel ik later misschien nog wel eens van. Maar als je nu gaat met de eerste postboot naar Stavoren, dan kun je, fietsende langs de kust naar Harlingen, daar nog gemakkelijk op tijd de „Kraus” bereiken. Zelfs vinden we nog wel gelegenheid om een omwegje te maken door de gemeente Hemelumer-Oldephaert en Noordwolde. Dat Noordwolde heeft niets te maken met het dorp in Weststellingwerf, waar ze die mooie stoelen vlechten.Welnu, we verlaten Stavoren weer door dat hek, dat ge u nog wel herinnert uit het Zuiderzee-album en trappen vlug naar het groene Roode klif en daar vinden we een zandwegje, dat ons vlug brengt in het buurtje Scharl, dat ook al genoemd wordt in de „Roos van Dekama”. Nu zien wij in al zijn lengte Warns dwars voor ons liggen met Noorderburen en Zuiderburen, een alleraardigst lang dorp op het meest vooruitgeschoven zandricheltje van Gaasterland, eigenlijk de ruggesteun van Stavoren. Wij komen er langs den[68]eenigen weg, die hier bestaat, maar die toch Verkeerde weg heet. Dit is nog niet het eigenlijke Gaasterland. Ook zien we hier weinig bosch, maar de bloemen in de tuintjes, de boomen in de plantsoenen, het bouwland langs den weg, vertellen ons duidelijk, dat we hier niet meer zijn op de klei of in het veen, maar op den lichten, lossen, drogen zandgrond. Door ’t dorp heen daalt de weg en daar komen weer weilanden, maar na een poosje gaat het pad weer omhoog, er komen weer akkertjes, zelfs een enkel boschje en heel schilderachtig zien we nu het kleine dorpje Hemelum tegen de hoogte liggen. We gaan al hooger, niet zoo heel erg hoog hoor, maar we komen toch in een buurt die Hemelumerhoog heet en onderweg moeten we even afstappen en rondkijken, want we staan hier werkelijk op een der mooiste punten van ons vaderland, tenminste als de zon en de wolken een handje helpen. Achter ons hebben we de welbekende hoogten en bosschen van Rijs en Kippenburg, voor ons in de laagte zien we het eerste der Friesche meren, dat meteen een der merkwaardigste is: de Morra (123). Over de Morra heen ontwaren we warempeltjes alweer heuvelen, (’t is merkwaardig hoe heuvelrijk dat Friesland is) dat is de heuvelrij van Koudum en daarachter de torens van Workum en Hindeloopen. Misschien ligt Hindeloopen ook nog wel op een verscholen heuveltje, anders was het al lang weggespoeld, want het wordt aan drie kanten door de zee bestookt. Dat men die zee nog lang niet vertrouwt, mag blijken uit de omstandigheid, dat men van den heuvel van Hemelum naar den heuvel van Koudum een dijk heeft gelegd dien men verder heeft doorgetrokken naar Hindeloopen en als er nu ergens tusschen Hindeloopen en Stavoren of tusschen Stavoren en Mirns een doorbraak komt, dan moet deze dijk de rest van Friesland tegen overstrooming beveiligen. Omdat hij nu voorloopig niets te doen heeft, noemt men hem Slaperdijk. Wij willen hem volgen; de rijweg leidt er achter langs. Natuurlijk gaat het nu weer door de weiden en heel lage ook. Haast gelijk er mee zien we rechts het water blinken van het groote Fluessenmeer. Al heel spoedig komen we nu aan een van de merkwaardigste punten van de heele Friesche waterwereld: de Galamadammen (124). Ik ben in mijn jonge jaren opgegroeid in Limburg en Brabant en heb daar altijd van „Madam” hooren spreken en dat mag wel de oorzaak er van geweest zijn, dat ik, toen ik voor ’t eerst van dit Friesch geval hoorde, niet recht besefte, wat men met die gala-madammen wel bedoelde. Eerst later, toen ik ook van het beroemde geslacht der Galama’s hoorde, begreep ik dat we hier met dammen te doen hadden en eigenlijk is het een groote sluis in dien Slaperdijk, waardoor de schepen uit de Morra geschut kunnen worden in de Fluessen. Daar gaan heel wat scheepjes door deze sluis, gemiddeld een stuk of vijftien per dag. Hier staat ook een beroemde waterherberg al even bekend als de Oude Schouw of de Froskepolle, die we in een volgend hoofdstuk zullen ontdekken, ’t Is hier een heel merkwaardig buurtje: de sluizen, de dijk, de baken langs het meer, de watermolentjes en boerderijen (100) in de weiden en de hooggelegen dorpjes rechts en links. Over de dammen buigt de weg van den Slaperdijk af, hij gaat dan Dammeweg heeten.Zoo komen wij in Koudum, dat door ik weet niet wie, het mooiste dorp van Friesland genoemd is en de man mag wel gelijk hebben. Nu bestaat er altijd alle mogelijke kans, dat[69]een dorp gebouwd op een lange breede zandhoogte midden in de weiden wel mooi moet worden, vooral wanneer er een groot meer in het verschiet ligt. Op een paar plekken is het zand steil afgegraven en daar hebben de oeverzwaluwen hun nest gebouwd. Trouwens in de tuinen van het eigenlijke dorp zingen allerlei vogels, want het is daar net een stukje bosch en dat mogen we nu wel eens goed aankijken, want de volgende uren zullen ons niet veel lommer verschaffen. Het zal weer in de zon moeten gebeuren, zooals de koster van Rinsumageest zei.We slaan nu weer de richting in naar Stavoren en rijden langs de Koudumervaart naar het kleine dorpje Molkwerum, dat vroeger een groote vermaardheid genoot als het Friesche Doolhof. Wij hebben oprecht geprobeerd, om er te verdwalen, maar het is ons niet mogen gelukken. Wel kregen we zoodoende aardige huisjes en stilleventjes te zien, maar als het noodig geweest was, hadden we elk oogenblik binnen drie minuten het dorp kunnen verlaten in drie richtingen naar keuze. Wij kozen de richting naar de zee en stonden weldra op den dijk naar Harlingen, die hier, evenals de zuiderdijk, niet alleen met steenglooiing maar ook met paalwerk is versterkt. Er werd juist aan gewerkt om een der paalhoofden te versterken en wij kregen hier een goeden indruk ervan, hoeveel geld en moeite het kost om Friesland tegen de zee te beveiligen. Alleen in Zeeland is de zaak nog moeilijker en kostbaarder en de Friezen hebben dan ook alle reden om te spreken van de gouden hoep, wanneer ze het over hun dijken hebben. In vroeger tijd speelde het paalwerk bij den aanleg van dijken een nog veel grooter rol dan thans en toen hoorde je dan ook meer dan nu klachten over het kleine schelpdiertje, dat het houtwerk vernielt door er gaten in te boren: de paalworm. Misschien was dat paalhoofd wel vernield door dien kleinen mijnendelver.Hindeloopen lag voor ons en daarheen richtten we nu het stuur. Deze rit heeft al weer het kleine bezwaar, dat op grooter en kleiner afstanden de weg is afgezet met hekken, doordat de dijk beweid wordt. Daar heb ik vroeger al eens van verteld, dus we kunnen die zaak met stilzwijgen voorbijgaan. De weg leidt onder den dijk langs, maar van tijd tot tijd klommen wij er boven op, om het uitzicht te genieten over de zee en de kust en over het mooie landschap, dat we zooeven hadden doorkruist en waarvan we de bijzonderheden nu nog eens in hun geheel konden overzien. Zoo kom je er vanzelf toe, om van een streek te gaan houden.Hindeloopen (104) zag er veel gewoner uit dan wij gedacht hadden. Je leest daar zooveel van en ziet er zooveel van op schilderijen en in musea, dat je half verwacht hier al net zoo’n poppekast te zien te krijgen als op Marken. Dat viel nu geweldig mee. Boven het kerkportaal (138) vonden we volmaakt in orde het beroemde vers: „Des Heeren woord—Met Aandacht hoort—Komt dus bij hoopen—Als hinden loopen.” Overigens vonden we er aardige, oude deftige huizen, Waag en Stadhuis (118), een enkel mooi gevelsteentje (107), overblijfselen uit de zeventiende eeuw, toen Hindeloopen een rijke koopstad was, evenals Hoorn en Enkhuizen. Maar bij de sluisbuurt stond ook al een boerderij (98), want ’t is met deze stad al evenzoo gegaan als met die aan de andere zijde van de Zuiderzee. Van[70]de weelde van vroeger is hier in de stad zelf nog wel het een en ander te zien, maar misschien toch niet meer dan in het Friesch Museum te Leeuwarden, waar we de beide Hindelooperkamers met veel belangstelling hadden bekeken, zoowel die uit de zeventiende eeuw met het mooie snijwerk, als die uit de achttiende, waar het snijwerk door beschildering vervangen was. De hooge bedsteden met haar trapjes, de wieg met haar onderstel, herinneren er aan hoe af en toe de zee nog over de dijken heen de huizen binnendrong. Op de „Kraak”, de kroonlijst boven de bedsteden, hadden we het kraakporselein bewonderd, ook den haard met zijn treeft, de handige klaptafel en de rijk, maar dikwijls smakeloos versierde kisten en koffers. Wel aardig toch, dat het zin hebben in sierlijkheid een trek van heel het Friesche volk is geworden en hier in de rijke koopmansstad zich het sterkst heeft geuit. Thans is Hindeloopen een badplaats met een goed zandig strand en badgasten zooals je ze overal ziet.Nu moesten we onze zee verlaten, want hier is een nieuw land ingepolderd en dat heeft geen weg langs den zeedijk. We gaan dus langs den ouden dijk binnenwaarts en dan dwars door den polder op Workum (113) aan, welks stadsgebied onmiddellijk aan dat van Hindeloopen grenst. We komen nu weer op den ouden dijk en rijden over de Schutsluis regelrecht Workum (119,120) binnen in de prachtige breede hoofdstraat, die men in zoo’n oud stadje niet zou verwachten. Vroeger heeft het er ook anders uit gezien, toen was deze straat een smalle gracht, die men wijselijk gedempt heeft. Wij rijden naar den dikken toren, die wel wat heeft van een afstammeling van den Oldenhove, maar er is een behoorlijker bovenbouw op aangebracht. Nu herinneren we ons, dat we in onze Leeuwarder winkels Workumsch aardewerk uitgestald hebben gezien, dat versierd was min of meer op de manier van houtsnijwerk, nog al vreemd. We zouden de fabriek hier kunnen vinden evenals de onvermijdelijke steenbakkerij en de kalkovens, die langs deze heele westkust welig gloeien. Nu moeten we weer naar de Schutsluis terug. Hier schutten ook in gunstiger tijden de beroemde Heeger palingschepen als ze naar Engeland varen. Het zijn niet groote, maar zeer sterk gebouwde botters; ik heb ze dikwijls het zeegat uit zien varen, toen ik nog op Texel woonde. Deze visschers van Heeg (125,126) hebben het bijzondere voorrecht, dat ze op de Theems bij de London-bridge aan de kade mogen liggen. Maar dat voorrecht verliezen ze zoodra het plaatsje vrij komt. Ge begrijpt dat de Heegenaren dus meer dan één schuit laten varen en dat die uit Londen pas vertrekt, als de andere al gereed ligt, om in zijn plaats te schuiven.Nu weer verder den dijk langs. Het landschap gaat veranderen, geen Fluessen of Gaasterland meer, maar uitgestrekt groenland, nog al leeg. Dat komt ook wel, doordat we hier de droogmakingen hebben liggen van de Workumer- en Parregaastermeren (106). Links vooruit in de verte zien we onzen ouden vriend, den Martinitoren van Bolsward. Onderhand tellen we de buurtjes die we passeeren: Scharneburen, Doniaburen, Gaast, Koorhuizen en vinden zoo ons Piaam, dat misschien eenmaal een belangrijk punt zal worden als de Zuiderzee wordt drooggemaakt. Hier zal de groote afsluitdijk de Friesche kust bereiken. De plaats lijkt goed gekozen, want de zee is hier ondiep en bij laag water valt de Makkumerwaard[73]over een groote uitgestrektheid droog. Deze toestand maakt het ritje van Workum naar Makkum voor een vogelliefhebber nog al onderhoudend, vooral in April en September, want dan wemelt het hier van duizenden en duizenden strandvogels die op den trek zijn. Dan kunt ge hier evengoed als elders heele wolken van strandloopertjes zien opvliegen. Ook rennen de strandpleviertjes of Dûkelmantsjes langs het zand aan den dijkvoet of ziet ge de komiek deftige scholeksters met hooge schouders stil staan langs de plassen. Dan weer vliegen klagend de goudplevieren om u heen of ziet ge in de verte, langs den rand van de plaat, groote zilvermeeuwen en mantelmeeuwen en aalscholvers, onze vrienden van den Harlinger strekdam. Dat zal een verandering worden, als hier in Piaam nu die dijk komt, dan komt de Makkumer waard voor een deel in ’t zoete water te liggen, met een vrij vasten waterstand en voor een ander deel blijft hij deel uitmaken van de zee. Ik hoop dat ik nog eens zien mag, hoe dan het leven der dieren aan deze kust gaat veranderen.[71]109 HARLINGEN—AAN DE HAVEN109 HARLINGEN—AAN DE HAVEN110 MAKKUM—WAAG110 MAKKUM—WAAG111 HARLINGEN—VOORSTRAAT111 HARLINGEN—VOORSTRAAT112 TJUMMARUM—KERKSTRAATJE112 TJUMMARUM—KERKSTRAATJE113 WORKUM—STADHUIS113 WORKUM—STADHUIS114 SNEEK—KERK EN KLOKKENTOREN114 SNEEK—KERK EN KLOKKENTORENL. W. R. WENCKEBACH[72]115 GROUW—STRAATJE115 GROUW—STRAATJE116 LEEUWARDEN—OOSTERKADE116 LEEUWARDEN—OOSTERKADE117 JELSUM—KERK117 JELSUM—KERK118 HINDELOOPEN—WAAG EN STADHUIS118 HINDELOOPEN—WAAG EN STADHUIS119 WORKUM—INGANG KERK119 WORKUM—INGANG KERK120 WORKUM—WAAG120 WORKUM—WAAGL. W. R. WENCKEBACH[73]Het kleine, stille gehuchtje krijgt dan ook heel andere dingen te zien. Er zullen wel groote keeten komen voor de polderjongens, stapelplaatsen voor allerlei materiaal, dat aan den dijk verwerkt moet worden: bergen van rijshout voor de zinkstukken, stapels bazaltkeien of zand en grind om daar beton van te maken. Schepen en sleepbootjes koersen op zee, om die zinkstukken te vervoeren naar de plaats, waar ze den grondslag van den dijk zullen vormen. Dan rijst de dijk al hooger en hooger en na jaren van arbeid komt eindelijk langs dubbel of vierdubbel spoor de eerste trein uit Holland aan, want nu komt hier in dien vergeten uithoek de voornaamste toegangspoort naar Friesland en als ’t een beetje wil ontstaat hier nog een belangrijk verzamelpunt voor spoorwegen. Het is voorloopig moeilijk te voorspellen, wat er gebeuren zal aan den buitenkant van den dijk, wellicht vormt er zich een mooi breed strand en dan kunnen de badkoetsjes van Hindeloopen hier heen verhuizen, tenzij men ze daar wil houden voor zoetwaterbaden in het IJselmeer. Ik heb er pleizier in, dat we dit allemaal nu binnen een jaar of tien kunnen beleven.Nu voort naar Makkum, dat we geen stad mogen noemen, maar het lijkt er toch nog al aardig op. Intusschen is het nog niet eens de hoofdplaats van de gemeente Wonseradeel, want dat is het dorp Witmarsum, bekend uit de geschiedenis van Menno Simons. Hier in Makkum (103,110) zienweer onze kalkovens (108) en molens (99) en op den dijk een klein huisje of loodsje, dat „de leugenaar” genoemd wordt. Hier staan vaak schipperlui en zoo met elkaar te keuvelen en daar mag dan die naam vandaan komen. Ook zoeken we de „Pottenbakkershuizen” (102) op. Vooruit nu maar langs het kleiland. In een halfuurtje halen we Zurig en dan over Dijksterburen bereiken we Harlingen. Het eerste wat we daarvan te zien krijgen is de meer beroemde dan mooie Steenen Man, het gedenkteeken opgericht ter eere van Caspar de Robles.Dit is misschien wel het eenige gedenkteeken in ons land ter eere van wakkere Spanjaarden, die gearbeid hebben voor het welzijn van de Lage Landen aan de Zee. Deze Caspar wist van zeer nabij, hoe gevaarlijk het met Friesland stond, want in 1570 had de Allerheiligenvloed bijna heel het land der vrije Friezen onder water gezet. Hij heeft toen met „ijzeren hand”[74]gewerkt om de toestanden te verbeteren, d.w.z. als de polderbestuurders niet precies en vlug deden wat noodig was, dan werden ze aan den lijve gestraft. Zoo speelde hij het klaar en daarvoor kreeg hij nu dit gedenkteeken. Harlingen zelf heeft wel aardige hoekjes vooral bij de haven (109) en ook nog zeer deftige zeventiende-eeuwsche huizen in de Voorstraat (111) en elders. Het verschilt op zeer eigenaardige wijze van Dokkum. Dokkum is zijn loopbaan begonnen als zeestad en is landstadje geworden. Harlingen is gedurende de eerste eeuwen van zijn bestaan een landstadje geweest, maar de zee heeft het opgezocht en zoo werd het een havenplaats. Een belangrijk jaartal uit de geschiedenis der beide steden is 1644, toen de zetel der admiraliteit van Friesland verplaatst werd van Dokkum naar Harlingen.[76]Kerk te Grouw aan het water.[77]
LANGS DE WADDENZEE.V.LANGS DE WADDENZEE.
LANGS DE WADDENZEE.
We kwamen terug van Terschelling en zaten bovenop het hooge dek van „de Kraus” een beetje te mopperen over de slechte aansluiting te Leeuwarden. Toen vroeg de hofmeester ons, waarom we het niet eens een keertje met „de Heemstra” zouden probeeren. Wij wisten niet, wat dat voor een ding was, maar dat bleek nu een stoomboot te zijn, die geregeld heen en weer vaart tusschen Amsterdam en Harlingen en onderweg alleen Enkhuizen aandoet. Het is meteen zoowat de goedkoopste reisgelegenheid in de heele wereld, lijn 3 in Amsterdam is nog duur, daarmee vergeleken. Je komt voor een enkelen gulden eerste klas heelemaal van Harlingen naar Amsterdam, de tweede klas krijgt misschien nog geld toe, daar ben ik echter niet zeker van. In elk geval kunnen we deze „Heemstra” recommandeeren aan alle platzakke Amsterdamsche jongelui, die eens een aangename en nog al langdurige zeereis willen maken en als je de fiets meeneemt, kun je tusschen twee booten nog een heel stuk van Friesland zien.Wij besloten tenminste vol geestdrift den raad van onzen wakkeren hofmeester te volgen en zagen het naderend Harlingen alweer met heel andere oogen aan. Het ligt zoo aardig aan den dijk met zijn hooge huizen en stevige torens en met zijn vreemdsoortigen vuurtoren, die er nog vreemder uitziet, doordat ze hem overdwars in breede banen roodbruin en wit geschilderd hebben. Zoo zie je hem beter overdag. We waren er echter nog lang niet, want onze boot naderde pas het begin van den strekdam, die het vaarwater van de Pollen moet verbeteren. De bedoeling was, geloof ik, dat de stroom langs de noordzijde van den dam een diepe vaargeul zou uitscheuren en dat heeft hij ook wel gedaan, maar langs de zuidzijde is nog een diepere geul gekomen en daar vaart de boot nu meestal. Alleen als het sterk[64]uit het zuiden waait en er water genoeg is, neemt hij de noordzijde terwille van de passagiers, die gauw last hebben van zeeziekte. Een bijzonder nuttige dam dus. Hij is gebouwd van bazalt met dekstukken van leisteen en er staan van afstand tot afstand hooge baken op, die zijn ligging aangeven bij hoog water, want dan staat hij heelemaal onder. De steenen zijn begroeid met wier en met mosselen, ze zien er zwart van en daarom komen vogels van allerlei soort, maar vooral scholeksters en meeuwen, daar hun mosselenmaaltijden houden. Op de toppen der baken zitten meestal zwarte aalscholvers in prachtige houdingen en hun lange nekken en groote, aan den top gekromde bekken, maken een zoo goed figuur, dat men denken zou, te doen te hebben met opzettelijk gebeeldhouwde versieringen. Maar als de boot naderbij komt, dan zie je den aalscholver er af wippen, voortvliegen en met groote juistheid neerstrijken op zijn confrater, die de volgende baak bewoont en zich nu ijlings uit de voeten maakt. ’t Is buitengewoon amusant om te zien, hoe die vogels daar een soort van omgekeerd wip van ’t stoeltje spelen. Ook vermaken we ons met de meeuwen, die de mosselen eten, mantelmeeuwen en zilvermeeuwen van verschillenden leeftijd, ’t is een heel werk om de éénjarigen, tweejarigen, driejarigen en vierjarigen te onderscheiden en hoogerop gaat het heelemaal niet.Eindelijk draaien we de haven van Harlingen (109) binnen, nu in den oorlogstijd een groote leege watervlakte, omgeven door uitgestrekte, blauwzwarte bazaltglooiingen. We hopen hier weldra weer de groote booten te zien liggen, die hout brengen uit het Noorden of wol en katoen uit Engeland of die van hier vertrekken beladen met de productie van de nijverheid van Twente of van den landbouw en veeteelt van ons dierbaar Friesland.Nu gauw naar de „Heemstra”, die we vinden in de Noorderhaven, een vlug schroefbootje, dat er uitziet, alsof het voor geen kleintje vervaard is. ’t Is er niet zoo weelderig als op de „Kraus”, maar er is een ruime kajuit beneden en bovenop vindt je genoeg banken en klapstoeltjes. We zochten een goed plaatsje op en nu begon de reis langs de westkust van Friesland, die we bijzonder genoten. Ik kan niet zeggen, dat het mooi weer was, het woei hard uit het zuidwesten en af en toe kwam er een flinke regenvlaag. Het troebele zeetje bruiste en klotste en toonde een onafzienbaar veld van witte koppen, waar het stoombootje stoer doorheen stampte. Aan bakboord strekte zich in het halflicht de lange Friesche dijk uit, waar hier en daar een dak overheen keek of een paar molenwieken of een grooter gedoe van dorp of stad. Als het zonnetje had geschenen, dan was het kleuriger geweest, maar ook nu hadden we nog pleizier genoeg er van, om de steden en dorpen te herkennen, eerst het nog al aanzienlijke Zurig en een halfuurtje later Makkum (103), dat van uit zee gezien zich lijkt te verschuilen achter een paar reusachtige molens. Hier koersten we wat verder uit de kust, om de ondiepten van de Makkumer waard te ontwijken en we konden tot mijn spijt geen zicht krijgen op Piaam, dat mij om vele redenen dierbaar is. De zee was hier zeer levendig. Daar lagen een paar kleine stoombootjes te bonken en te rammelen met rare uitwassen op zij en toen we dichter bij kwamen, bleken het schelpenzuigers te zijn, die hier op de manier van baggermolens de schelpbanken van de Waddenzee bewerken. Vroeger[67]gebeurde dat schelpenvisschen uit de hand in kleine zeilscheepjes en dan zag je soms in deze wateren en ook onderweg bij Vlieland en Texel heele vloten van die kleine baggermannetjes aan ’t werk. Behalve onze schelpzuigers ontmoetten we nog tal van tjalken, houten en ijzeren, van allerlei fatsoen en meestal mooi opgeschilderd. Ze maakten van den gunstigen harden wind een zoo goed mogelijk gebruik met volle zeilen, het grootzeil over het eene boord en de fok breed uitgestoken over het andere, op zijn oud-visschermans, zooals de burgemeester van Griend ons dat pas geleerd had. Het was een heerlijk zeegezicht.[65]97 HINDELOOPEN97 HINDELOOPEN98 HINDELOOPEN—BOERDERIJ98 HINDELOOPEN—BOERDERIJ99 FABRIEKSMOLENS BIJ MAKKUM99 FABRIEKSMOLENS BIJ MAKKUM100 FRIESCHE BOERDERIJ BIJ STAVOREN100 FRIESCHE BOERDERIJ BIJ STAVOREN101 BIJ HOOGE BEINTUM101 BIJ HOOGE BEINTUM102 MAKKUM—POTTENBAKKERSHUIZEN102 MAKKUM—POTTENBAKKERSHUIZENL. W. R. WENCKEBACH[66]103 MAKKUM103 MAKKUM104 HINDELOOPEN—DE HAVEN104 HINDELOOPEN—DE HAVEN105 JELSUM—DEKEMA-STATE105 JELSUM—DEKEMA-STATE106 PARREGA106 PARREGA107 HINDELOOPEN—GEVELSTEEN107 HINDELOOPEN—GEVELSTEEN108 MAKKUM—KALKOVENS108 MAKKUM—KALKOVENSL. W. R. WENCKEBACH[67]En nu doemde Hindeloopen (97) voor ons oog op, dat een ligging heeft, herinnerend aan die van de aloude Friesche koningsstad aan den tegenovergestelden oever, het eerwaardig Medemblik. Als wij de oude overleveringen willen gelooven, dan weten wij dat er in vroeger tijd, toen de Zuiderzee nog niet bestond, een druk verkeer was tusschen deze twee steden en dat de Friesche koningen te Hindeloopen hun jachtslot hadden en hier in de streek jacht kwamen maken op de herten en hinden, die toen hier geloopen hebben. Onmogelijk is dat volstrekt niet, denk er maar aan dat Gaasterland niet ver van Hindeloopen ligt. Het aardige stadje op de alleruiterste punt van zijn schiereiland en de hooge sierlijke toren bleven lang in zicht, zelfs nog toen we van onze boot al regelrecht rechtuit konden kijken in de haven van Stavoren, waarvan de ingang zoowat pal west loopt. Dat zag er weer heel anders uit dan wanneer je met de veerboot van Enkhuizen binnenkomt, want die houdt zeer lang een zuiver noordelijken koers. Achter Stavoren zagen we de hoogten en bosschen van Gaasterland en nu hadden we ook spoedig Drechterland en Medemblik voor den boeg. Intusschen werd de zee al woeliger en woeliger, de regen gutste bij stroomen neer, uit de kajuit beneden klonk gerucht van zeezieke passagiers en daarom zijn we toen maar in Enkhuizen uitgestapt. Intusschen waren wij den hofmeester van de „Kraus” hartelijk dankbaar, dat hij ons geholpen had aan deze buitengewoon aardige gelegenheid, om vlug een goed overzicht te krijgen van Frieslands westkust.Wanneer we nu het land zelve willen zien en de stedekens en dorpen zelve betreden, dan kunnen we dat per fiets weer zeer gemakkelijk doen bij gelegenheid van een reis naar Terschelling. Misschien vraagt ge, wat ik daar altijd op Terschelling uitvoer, nu, daar vertel ik later misschien nog wel eens van. Maar als je nu gaat met de eerste postboot naar Stavoren, dan kun je, fietsende langs de kust naar Harlingen, daar nog gemakkelijk op tijd de „Kraus” bereiken. Zelfs vinden we nog wel gelegenheid om een omwegje te maken door de gemeente Hemelumer-Oldephaert en Noordwolde. Dat Noordwolde heeft niets te maken met het dorp in Weststellingwerf, waar ze die mooie stoelen vlechten.Welnu, we verlaten Stavoren weer door dat hek, dat ge u nog wel herinnert uit het Zuiderzee-album en trappen vlug naar het groene Roode klif en daar vinden we een zandwegje, dat ons vlug brengt in het buurtje Scharl, dat ook al genoemd wordt in de „Roos van Dekama”. Nu zien wij in al zijn lengte Warns dwars voor ons liggen met Noorderburen en Zuiderburen, een alleraardigst lang dorp op het meest vooruitgeschoven zandricheltje van Gaasterland, eigenlijk de ruggesteun van Stavoren. Wij komen er langs den[68]eenigen weg, die hier bestaat, maar die toch Verkeerde weg heet. Dit is nog niet het eigenlijke Gaasterland. Ook zien we hier weinig bosch, maar de bloemen in de tuintjes, de boomen in de plantsoenen, het bouwland langs den weg, vertellen ons duidelijk, dat we hier niet meer zijn op de klei of in het veen, maar op den lichten, lossen, drogen zandgrond. Door ’t dorp heen daalt de weg en daar komen weer weilanden, maar na een poosje gaat het pad weer omhoog, er komen weer akkertjes, zelfs een enkel boschje en heel schilderachtig zien we nu het kleine dorpje Hemelum tegen de hoogte liggen. We gaan al hooger, niet zoo heel erg hoog hoor, maar we komen toch in een buurt die Hemelumerhoog heet en onderweg moeten we even afstappen en rondkijken, want we staan hier werkelijk op een der mooiste punten van ons vaderland, tenminste als de zon en de wolken een handje helpen. Achter ons hebben we de welbekende hoogten en bosschen van Rijs en Kippenburg, voor ons in de laagte zien we het eerste der Friesche meren, dat meteen een der merkwaardigste is: de Morra (123). Over de Morra heen ontwaren we warempeltjes alweer heuvelen, (’t is merkwaardig hoe heuvelrijk dat Friesland is) dat is de heuvelrij van Koudum en daarachter de torens van Workum en Hindeloopen. Misschien ligt Hindeloopen ook nog wel op een verscholen heuveltje, anders was het al lang weggespoeld, want het wordt aan drie kanten door de zee bestookt. Dat men die zee nog lang niet vertrouwt, mag blijken uit de omstandigheid, dat men van den heuvel van Hemelum naar den heuvel van Koudum een dijk heeft gelegd dien men verder heeft doorgetrokken naar Hindeloopen en als er nu ergens tusschen Hindeloopen en Stavoren of tusschen Stavoren en Mirns een doorbraak komt, dan moet deze dijk de rest van Friesland tegen overstrooming beveiligen. Omdat hij nu voorloopig niets te doen heeft, noemt men hem Slaperdijk. Wij willen hem volgen; de rijweg leidt er achter langs. Natuurlijk gaat het nu weer door de weiden en heel lage ook. Haast gelijk er mee zien we rechts het water blinken van het groote Fluessenmeer. Al heel spoedig komen we nu aan een van de merkwaardigste punten van de heele Friesche waterwereld: de Galamadammen (124). Ik ben in mijn jonge jaren opgegroeid in Limburg en Brabant en heb daar altijd van „Madam” hooren spreken en dat mag wel de oorzaak er van geweest zijn, dat ik, toen ik voor ’t eerst van dit Friesch geval hoorde, niet recht besefte, wat men met die gala-madammen wel bedoelde. Eerst later, toen ik ook van het beroemde geslacht der Galama’s hoorde, begreep ik dat we hier met dammen te doen hadden en eigenlijk is het een groote sluis in dien Slaperdijk, waardoor de schepen uit de Morra geschut kunnen worden in de Fluessen. Daar gaan heel wat scheepjes door deze sluis, gemiddeld een stuk of vijftien per dag. Hier staat ook een beroemde waterherberg al even bekend als de Oude Schouw of de Froskepolle, die we in een volgend hoofdstuk zullen ontdekken, ’t Is hier een heel merkwaardig buurtje: de sluizen, de dijk, de baken langs het meer, de watermolentjes en boerderijen (100) in de weiden en de hooggelegen dorpjes rechts en links. Over de dammen buigt de weg van den Slaperdijk af, hij gaat dan Dammeweg heeten.Zoo komen wij in Koudum, dat door ik weet niet wie, het mooiste dorp van Friesland genoemd is en de man mag wel gelijk hebben. Nu bestaat er altijd alle mogelijke kans, dat[69]een dorp gebouwd op een lange breede zandhoogte midden in de weiden wel mooi moet worden, vooral wanneer er een groot meer in het verschiet ligt. Op een paar plekken is het zand steil afgegraven en daar hebben de oeverzwaluwen hun nest gebouwd. Trouwens in de tuinen van het eigenlijke dorp zingen allerlei vogels, want het is daar net een stukje bosch en dat mogen we nu wel eens goed aankijken, want de volgende uren zullen ons niet veel lommer verschaffen. Het zal weer in de zon moeten gebeuren, zooals de koster van Rinsumageest zei.We slaan nu weer de richting in naar Stavoren en rijden langs de Koudumervaart naar het kleine dorpje Molkwerum, dat vroeger een groote vermaardheid genoot als het Friesche Doolhof. Wij hebben oprecht geprobeerd, om er te verdwalen, maar het is ons niet mogen gelukken. Wel kregen we zoodoende aardige huisjes en stilleventjes te zien, maar als het noodig geweest was, hadden we elk oogenblik binnen drie minuten het dorp kunnen verlaten in drie richtingen naar keuze. Wij kozen de richting naar de zee en stonden weldra op den dijk naar Harlingen, die hier, evenals de zuiderdijk, niet alleen met steenglooiing maar ook met paalwerk is versterkt. Er werd juist aan gewerkt om een der paalhoofden te versterken en wij kregen hier een goeden indruk ervan, hoeveel geld en moeite het kost om Friesland tegen de zee te beveiligen. Alleen in Zeeland is de zaak nog moeilijker en kostbaarder en de Friezen hebben dan ook alle reden om te spreken van de gouden hoep, wanneer ze het over hun dijken hebben. In vroeger tijd speelde het paalwerk bij den aanleg van dijken een nog veel grooter rol dan thans en toen hoorde je dan ook meer dan nu klachten over het kleine schelpdiertje, dat het houtwerk vernielt door er gaten in te boren: de paalworm. Misschien was dat paalhoofd wel vernield door dien kleinen mijnendelver.Hindeloopen lag voor ons en daarheen richtten we nu het stuur. Deze rit heeft al weer het kleine bezwaar, dat op grooter en kleiner afstanden de weg is afgezet met hekken, doordat de dijk beweid wordt. Daar heb ik vroeger al eens van verteld, dus we kunnen die zaak met stilzwijgen voorbijgaan. De weg leidt onder den dijk langs, maar van tijd tot tijd klommen wij er boven op, om het uitzicht te genieten over de zee en de kust en over het mooie landschap, dat we zooeven hadden doorkruist en waarvan we de bijzonderheden nu nog eens in hun geheel konden overzien. Zoo kom je er vanzelf toe, om van een streek te gaan houden.Hindeloopen (104) zag er veel gewoner uit dan wij gedacht hadden. Je leest daar zooveel van en ziet er zooveel van op schilderijen en in musea, dat je half verwacht hier al net zoo’n poppekast te zien te krijgen als op Marken. Dat viel nu geweldig mee. Boven het kerkportaal (138) vonden we volmaakt in orde het beroemde vers: „Des Heeren woord—Met Aandacht hoort—Komt dus bij hoopen—Als hinden loopen.” Overigens vonden we er aardige, oude deftige huizen, Waag en Stadhuis (118), een enkel mooi gevelsteentje (107), overblijfselen uit de zeventiende eeuw, toen Hindeloopen een rijke koopstad was, evenals Hoorn en Enkhuizen. Maar bij de sluisbuurt stond ook al een boerderij (98), want ’t is met deze stad al evenzoo gegaan als met die aan de andere zijde van de Zuiderzee. Van[70]de weelde van vroeger is hier in de stad zelf nog wel het een en ander te zien, maar misschien toch niet meer dan in het Friesch Museum te Leeuwarden, waar we de beide Hindelooperkamers met veel belangstelling hadden bekeken, zoowel die uit de zeventiende eeuw met het mooie snijwerk, als die uit de achttiende, waar het snijwerk door beschildering vervangen was. De hooge bedsteden met haar trapjes, de wieg met haar onderstel, herinneren er aan hoe af en toe de zee nog over de dijken heen de huizen binnendrong. Op de „Kraak”, de kroonlijst boven de bedsteden, hadden we het kraakporselein bewonderd, ook den haard met zijn treeft, de handige klaptafel en de rijk, maar dikwijls smakeloos versierde kisten en koffers. Wel aardig toch, dat het zin hebben in sierlijkheid een trek van heel het Friesche volk is geworden en hier in de rijke koopmansstad zich het sterkst heeft geuit. Thans is Hindeloopen een badplaats met een goed zandig strand en badgasten zooals je ze overal ziet.Nu moesten we onze zee verlaten, want hier is een nieuw land ingepolderd en dat heeft geen weg langs den zeedijk. We gaan dus langs den ouden dijk binnenwaarts en dan dwars door den polder op Workum (113) aan, welks stadsgebied onmiddellijk aan dat van Hindeloopen grenst. We komen nu weer op den ouden dijk en rijden over de Schutsluis regelrecht Workum (119,120) binnen in de prachtige breede hoofdstraat, die men in zoo’n oud stadje niet zou verwachten. Vroeger heeft het er ook anders uit gezien, toen was deze straat een smalle gracht, die men wijselijk gedempt heeft. Wij rijden naar den dikken toren, die wel wat heeft van een afstammeling van den Oldenhove, maar er is een behoorlijker bovenbouw op aangebracht. Nu herinneren we ons, dat we in onze Leeuwarder winkels Workumsch aardewerk uitgestald hebben gezien, dat versierd was min of meer op de manier van houtsnijwerk, nog al vreemd. We zouden de fabriek hier kunnen vinden evenals de onvermijdelijke steenbakkerij en de kalkovens, die langs deze heele westkust welig gloeien. Nu moeten we weer naar de Schutsluis terug. Hier schutten ook in gunstiger tijden de beroemde Heeger palingschepen als ze naar Engeland varen. Het zijn niet groote, maar zeer sterk gebouwde botters; ik heb ze dikwijls het zeegat uit zien varen, toen ik nog op Texel woonde. Deze visschers van Heeg (125,126) hebben het bijzondere voorrecht, dat ze op de Theems bij de London-bridge aan de kade mogen liggen. Maar dat voorrecht verliezen ze zoodra het plaatsje vrij komt. Ge begrijpt dat de Heegenaren dus meer dan één schuit laten varen en dat die uit Londen pas vertrekt, als de andere al gereed ligt, om in zijn plaats te schuiven.Nu weer verder den dijk langs. Het landschap gaat veranderen, geen Fluessen of Gaasterland meer, maar uitgestrekt groenland, nog al leeg. Dat komt ook wel, doordat we hier de droogmakingen hebben liggen van de Workumer- en Parregaastermeren (106). Links vooruit in de verte zien we onzen ouden vriend, den Martinitoren van Bolsward. Onderhand tellen we de buurtjes die we passeeren: Scharneburen, Doniaburen, Gaast, Koorhuizen en vinden zoo ons Piaam, dat misschien eenmaal een belangrijk punt zal worden als de Zuiderzee wordt drooggemaakt. Hier zal de groote afsluitdijk de Friesche kust bereiken. De plaats lijkt goed gekozen, want de zee is hier ondiep en bij laag water valt de Makkumerwaard[73]over een groote uitgestrektheid droog. Deze toestand maakt het ritje van Workum naar Makkum voor een vogelliefhebber nog al onderhoudend, vooral in April en September, want dan wemelt het hier van duizenden en duizenden strandvogels die op den trek zijn. Dan kunt ge hier evengoed als elders heele wolken van strandloopertjes zien opvliegen. Ook rennen de strandpleviertjes of Dûkelmantsjes langs het zand aan den dijkvoet of ziet ge de komiek deftige scholeksters met hooge schouders stil staan langs de plassen. Dan weer vliegen klagend de goudplevieren om u heen of ziet ge in de verte, langs den rand van de plaat, groote zilvermeeuwen en mantelmeeuwen en aalscholvers, onze vrienden van den Harlinger strekdam. Dat zal een verandering worden, als hier in Piaam nu die dijk komt, dan komt de Makkumer waard voor een deel in ’t zoete water te liggen, met een vrij vasten waterstand en voor een ander deel blijft hij deel uitmaken van de zee. Ik hoop dat ik nog eens zien mag, hoe dan het leven der dieren aan deze kust gaat veranderen.[71]109 HARLINGEN—AAN DE HAVEN109 HARLINGEN—AAN DE HAVEN110 MAKKUM—WAAG110 MAKKUM—WAAG111 HARLINGEN—VOORSTRAAT111 HARLINGEN—VOORSTRAAT112 TJUMMARUM—KERKSTRAATJE112 TJUMMARUM—KERKSTRAATJE113 WORKUM—STADHUIS113 WORKUM—STADHUIS114 SNEEK—KERK EN KLOKKENTOREN114 SNEEK—KERK EN KLOKKENTORENL. W. R. WENCKEBACH[72]115 GROUW—STRAATJE115 GROUW—STRAATJE116 LEEUWARDEN—OOSTERKADE116 LEEUWARDEN—OOSTERKADE117 JELSUM—KERK117 JELSUM—KERK118 HINDELOOPEN—WAAG EN STADHUIS118 HINDELOOPEN—WAAG EN STADHUIS119 WORKUM—INGANG KERK119 WORKUM—INGANG KERK120 WORKUM—WAAG120 WORKUM—WAAGL. W. R. WENCKEBACH[73]Het kleine, stille gehuchtje krijgt dan ook heel andere dingen te zien. Er zullen wel groote keeten komen voor de polderjongens, stapelplaatsen voor allerlei materiaal, dat aan den dijk verwerkt moet worden: bergen van rijshout voor de zinkstukken, stapels bazaltkeien of zand en grind om daar beton van te maken. Schepen en sleepbootjes koersen op zee, om die zinkstukken te vervoeren naar de plaats, waar ze den grondslag van den dijk zullen vormen. Dan rijst de dijk al hooger en hooger en na jaren van arbeid komt eindelijk langs dubbel of vierdubbel spoor de eerste trein uit Holland aan, want nu komt hier in dien vergeten uithoek de voornaamste toegangspoort naar Friesland en als ’t een beetje wil ontstaat hier nog een belangrijk verzamelpunt voor spoorwegen. Het is voorloopig moeilijk te voorspellen, wat er gebeuren zal aan den buitenkant van den dijk, wellicht vormt er zich een mooi breed strand en dan kunnen de badkoetsjes van Hindeloopen hier heen verhuizen, tenzij men ze daar wil houden voor zoetwaterbaden in het IJselmeer. Ik heb er pleizier in, dat we dit allemaal nu binnen een jaar of tien kunnen beleven.Nu voort naar Makkum, dat we geen stad mogen noemen, maar het lijkt er toch nog al aardig op. Intusschen is het nog niet eens de hoofdplaats van de gemeente Wonseradeel, want dat is het dorp Witmarsum, bekend uit de geschiedenis van Menno Simons. Hier in Makkum (103,110) zienweer onze kalkovens (108) en molens (99) en op den dijk een klein huisje of loodsje, dat „de leugenaar” genoemd wordt. Hier staan vaak schipperlui en zoo met elkaar te keuvelen en daar mag dan die naam vandaan komen. Ook zoeken we de „Pottenbakkershuizen” (102) op. Vooruit nu maar langs het kleiland. In een halfuurtje halen we Zurig en dan over Dijksterburen bereiken we Harlingen. Het eerste wat we daarvan te zien krijgen is de meer beroemde dan mooie Steenen Man, het gedenkteeken opgericht ter eere van Caspar de Robles.Dit is misschien wel het eenige gedenkteeken in ons land ter eere van wakkere Spanjaarden, die gearbeid hebben voor het welzijn van de Lage Landen aan de Zee. Deze Caspar wist van zeer nabij, hoe gevaarlijk het met Friesland stond, want in 1570 had de Allerheiligenvloed bijna heel het land der vrije Friezen onder water gezet. Hij heeft toen met „ijzeren hand”[74]gewerkt om de toestanden te verbeteren, d.w.z. als de polderbestuurders niet precies en vlug deden wat noodig was, dan werden ze aan den lijve gestraft. Zoo speelde hij het klaar en daarvoor kreeg hij nu dit gedenkteeken. Harlingen zelf heeft wel aardige hoekjes vooral bij de haven (109) en ook nog zeer deftige zeventiende-eeuwsche huizen in de Voorstraat (111) en elders. Het verschilt op zeer eigenaardige wijze van Dokkum. Dokkum is zijn loopbaan begonnen als zeestad en is landstadje geworden. Harlingen is gedurende de eerste eeuwen van zijn bestaan een landstadje geweest, maar de zee heeft het opgezocht en zoo werd het een havenplaats. Een belangrijk jaartal uit de geschiedenis der beide steden is 1644, toen de zetel der admiraliteit van Friesland verplaatst werd van Dokkum naar Harlingen.[76]Kerk te Grouw aan het water.[77]
We kwamen terug van Terschelling en zaten bovenop het hooge dek van „de Kraus” een beetje te mopperen over de slechte aansluiting te Leeuwarden. Toen vroeg de hofmeester ons, waarom we het niet eens een keertje met „de Heemstra” zouden probeeren. Wij wisten niet, wat dat voor een ding was, maar dat bleek nu een stoomboot te zijn, die geregeld heen en weer vaart tusschen Amsterdam en Harlingen en onderweg alleen Enkhuizen aandoet. Het is meteen zoowat de goedkoopste reisgelegenheid in de heele wereld, lijn 3 in Amsterdam is nog duur, daarmee vergeleken. Je komt voor een enkelen gulden eerste klas heelemaal van Harlingen naar Amsterdam, de tweede klas krijgt misschien nog geld toe, daar ben ik echter niet zeker van. In elk geval kunnen we deze „Heemstra” recommandeeren aan alle platzakke Amsterdamsche jongelui, die eens een aangename en nog al langdurige zeereis willen maken en als je de fiets meeneemt, kun je tusschen twee booten nog een heel stuk van Friesland zien.
Wij besloten tenminste vol geestdrift den raad van onzen wakkeren hofmeester te volgen en zagen het naderend Harlingen alweer met heel andere oogen aan. Het ligt zoo aardig aan den dijk met zijn hooge huizen en stevige torens en met zijn vreemdsoortigen vuurtoren, die er nog vreemder uitziet, doordat ze hem overdwars in breede banen roodbruin en wit geschilderd hebben. Zoo zie je hem beter overdag. We waren er echter nog lang niet, want onze boot naderde pas het begin van den strekdam, die het vaarwater van de Pollen moet verbeteren. De bedoeling was, geloof ik, dat de stroom langs de noordzijde van den dam een diepe vaargeul zou uitscheuren en dat heeft hij ook wel gedaan, maar langs de zuidzijde is nog een diepere geul gekomen en daar vaart de boot nu meestal. Alleen als het sterk[64]uit het zuiden waait en er water genoeg is, neemt hij de noordzijde terwille van de passagiers, die gauw last hebben van zeeziekte. Een bijzonder nuttige dam dus. Hij is gebouwd van bazalt met dekstukken van leisteen en er staan van afstand tot afstand hooge baken op, die zijn ligging aangeven bij hoog water, want dan staat hij heelemaal onder. De steenen zijn begroeid met wier en met mosselen, ze zien er zwart van en daarom komen vogels van allerlei soort, maar vooral scholeksters en meeuwen, daar hun mosselenmaaltijden houden. Op de toppen der baken zitten meestal zwarte aalscholvers in prachtige houdingen en hun lange nekken en groote, aan den top gekromde bekken, maken een zoo goed figuur, dat men denken zou, te doen te hebben met opzettelijk gebeeldhouwde versieringen. Maar als de boot naderbij komt, dan zie je den aalscholver er af wippen, voortvliegen en met groote juistheid neerstrijken op zijn confrater, die de volgende baak bewoont en zich nu ijlings uit de voeten maakt. ’t Is buitengewoon amusant om te zien, hoe die vogels daar een soort van omgekeerd wip van ’t stoeltje spelen. Ook vermaken we ons met de meeuwen, die de mosselen eten, mantelmeeuwen en zilvermeeuwen van verschillenden leeftijd, ’t is een heel werk om de éénjarigen, tweejarigen, driejarigen en vierjarigen te onderscheiden en hoogerop gaat het heelemaal niet.
Eindelijk draaien we de haven van Harlingen (109) binnen, nu in den oorlogstijd een groote leege watervlakte, omgeven door uitgestrekte, blauwzwarte bazaltglooiingen. We hopen hier weldra weer de groote booten te zien liggen, die hout brengen uit het Noorden of wol en katoen uit Engeland of die van hier vertrekken beladen met de productie van de nijverheid van Twente of van den landbouw en veeteelt van ons dierbaar Friesland.
Nu gauw naar de „Heemstra”, die we vinden in de Noorderhaven, een vlug schroefbootje, dat er uitziet, alsof het voor geen kleintje vervaard is. ’t Is er niet zoo weelderig als op de „Kraus”, maar er is een ruime kajuit beneden en bovenop vindt je genoeg banken en klapstoeltjes. We zochten een goed plaatsje op en nu begon de reis langs de westkust van Friesland, die we bijzonder genoten. Ik kan niet zeggen, dat het mooi weer was, het woei hard uit het zuidwesten en af en toe kwam er een flinke regenvlaag. Het troebele zeetje bruiste en klotste en toonde een onafzienbaar veld van witte koppen, waar het stoombootje stoer doorheen stampte. Aan bakboord strekte zich in het halflicht de lange Friesche dijk uit, waar hier en daar een dak overheen keek of een paar molenwieken of een grooter gedoe van dorp of stad. Als het zonnetje had geschenen, dan was het kleuriger geweest, maar ook nu hadden we nog pleizier genoeg er van, om de steden en dorpen te herkennen, eerst het nog al aanzienlijke Zurig en een halfuurtje later Makkum (103), dat van uit zee gezien zich lijkt te verschuilen achter een paar reusachtige molens. Hier koersten we wat verder uit de kust, om de ondiepten van de Makkumer waard te ontwijken en we konden tot mijn spijt geen zicht krijgen op Piaam, dat mij om vele redenen dierbaar is. De zee was hier zeer levendig. Daar lagen een paar kleine stoombootjes te bonken en te rammelen met rare uitwassen op zij en toen we dichter bij kwamen, bleken het schelpenzuigers te zijn, die hier op de manier van baggermolens de schelpbanken van de Waddenzee bewerken. Vroeger[67]gebeurde dat schelpenvisschen uit de hand in kleine zeilscheepjes en dan zag je soms in deze wateren en ook onderweg bij Vlieland en Texel heele vloten van die kleine baggermannetjes aan ’t werk. Behalve onze schelpzuigers ontmoetten we nog tal van tjalken, houten en ijzeren, van allerlei fatsoen en meestal mooi opgeschilderd. Ze maakten van den gunstigen harden wind een zoo goed mogelijk gebruik met volle zeilen, het grootzeil over het eene boord en de fok breed uitgestoken over het andere, op zijn oud-visschermans, zooals de burgemeester van Griend ons dat pas geleerd had. Het was een heerlijk zeegezicht.[65]
97 HINDELOOPEN97 HINDELOOPEN98 HINDELOOPEN—BOERDERIJ98 HINDELOOPEN—BOERDERIJ99 FABRIEKSMOLENS BIJ MAKKUM99 FABRIEKSMOLENS BIJ MAKKUM100 FRIESCHE BOERDERIJ BIJ STAVOREN100 FRIESCHE BOERDERIJ BIJ STAVOREN101 BIJ HOOGE BEINTUM101 BIJ HOOGE BEINTUM102 MAKKUM—POTTENBAKKERSHUIZEN102 MAKKUM—POTTENBAKKERSHUIZENL. W. R. WENCKEBACH
97 HINDELOOPEN97 HINDELOOPEN
97 HINDELOOPEN
98 HINDELOOPEN—BOERDERIJ98 HINDELOOPEN—BOERDERIJ
98 HINDELOOPEN—BOERDERIJ
99 FABRIEKSMOLENS BIJ MAKKUM99 FABRIEKSMOLENS BIJ MAKKUM
99 FABRIEKSMOLENS BIJ MAKKUM
100 FRIESCHE BOERDERIJ BIJ STAVOREN100 FRIESCHE BOERDERIJ BIJ STAVOREN
100 FRIESCHE BOERDERIJ BIJ STAVOREN
101 BIJ HOOGE BEINTUM101 BIJ HOOGE BEINTUM
101 BIJ HOOGE BEINTUM
102 MAKKUM—POTTENBAKKERSHUIZEN102 MAKKUM—POTTENBAKKERSHUIZEN
102 MAKKUM—POTTENBAKKERSHUIZEN
[66]
103 MAKKUM103 MAKKUM104 HINDELOOPEN—DE HAVEN104 HINDELOOPEN—DE HAVEN105 JELSUM—DEKEMA-STATE105 JELSUM—DEKEMA-STATE106 PARREGA106 PARREGA107 HINDELOOPEN—GEVELSTEEN107 HINDELOOPEN—GEVELSTEEN108 MAKKUM—KALKOVENS108 MAKKUM—KALKOVENSL. W. R. WENCKEBACH
103 MAKKUM103 MAKKUM
103 MAKKUM
104 HINDELOOPEN—DE HAVEN104 HINDELOOPEN—DE HAVEN
104 HINDELOOPEN—DE HAVEN
105 JELSUM—DEKEMA-STATE105 JELSUM—DEKEMA-STATE
105 JELSUM—DEKEMA-STATE
106 PARREGA106 PARREGA
106 PARREGA
107 HINDELOOPEN—GEVELSTEEN107 HINDELOOPEN—GEVELSTEEN
107 HINDELOOPEN—GEVELSTEEN
108 MAKKUM—KALKOVENS108 MAKKUM—KALKOVENS
108 MAKKUM—KALKOVENS
[67]
En nu doemde Hindeloopen (97) voor ons oog op, dat een ligging heeft, herinnerend aan die van de aloude Friesche koningsstad aan den tegenovergestelden oever, het eerwaardig Medemblik. Als wij de oude overleveringen willen gelooven, dan weten wij dat er in vroeger tijd, toen de Zuiderzee nog niet bestond, een druk verkeer was tusschen deze twee steden en dat de Friesche koningen te Hindeloopen hun jachtslot hadden en hier in de streek jacht kwamen maken op de herten en hinden, die toen hier geloopen hebben. Onmogelijk is dat volstrekt niet, denk er maar aan dat Gaasterland niet ver van Hindeloopen ligt. Het aardige stadje op de alleruiterste punt van zijn schiereiland en de hooge sierlijke toren bleven lang in zicht, zelfs nog toen we van onze boot al regelrecht rechtuit konden kijken in de haven van Stavoren, waarvan de ingang zoowat pal west loopt. Dat zag er weer heel anders uit dan wanneer je met de veerboot van Enkhuizen binnenkomt, want die houdt zeer lang een zuiver noordelijken koers. Achter Stavoren zagen we de hoogten en bosschen van Gaasterland en nu hadden we ook spoedig Drechterland en Medemblik voor den boeg. Intusschen werd de zee al woeliger en woeliger, de regen gutste bij stroomen neer, uit de kajuit beneden klonk gerucht van zeezieke passagiers en daarom zijn we toen maar in Enkhuizen uitgestapt. Intusschen waren wij den hofmeester van de „Kraus” hartelijk dankbaar, dat hij ons geholpen had aan deze buitengewoon aardige gelegenheid, om vlug een goed overzicht te krijgen van Frieslands westkust.
Wanneer we nu het land zelve willen zien en de stedekens en dorpen zelve betreden, dan kunnen we dat per fiets weer zeer gemakkelijk doen bij gelegenheid van een reis naar Terschelling. Misschien vraagt ge, wat ik daar altijd op Terschelling uitvoer, nu, daar vertel ik later misschien nog wel eens van. Maar als je nu gaat met de eerste postboot naar Stavoren, dan kun je, fietsende langs de kust naar Harlingen, daar nog gemakkelijk op tijd de „Kraus” bereiken. Zelfs vinden we nog wel gelegenheid om een omwegje te maken door de gemeente Hemelumer-Oldephaert en Noordwolde. Dat Noordwolde heeft niets te maken met het dorp in Weststellingwerf, waar ze die mooie stoelen vlechten.
Welnu, we verlaten Stavoren weer door dat hek, dat ge u nog wel herinnert uit het Zuiderzee-album en trappen vlug naar het groene Roode klif en daar vinden we een zandwegje, dat ons vlug brengt in het buurtje Scharl, dat ook al genoemd wordt in de „Roos van Dekama”. Nu zien wij in al zijn lengte Warns dwars voor ons liggen met Noorderburen en Zuiderburen, een alleraardigst lang dorp op het meest vooruitgeschoven zandricheltje van Gaasterland, eigenlijk de ruggesteun van Stavoren. Wij komen er langs den[68]eenigen weg, die hier bestaat, maar die toch Verkeerde weg heet. Dit is nog niet het eigenlijke Gaasterland. Ook zien we hier weinig bosch, maar de bloemen in de tuintjes, de boomen in de plantsoenen, het bouwland langs den weg, vertellen ons duidelijk, dat we hier niet meer zijn op de klei of in het veen, maar op den lichten, lossen, drogen zandgrond. Door ’t dorp heen daalt de weg en daar komen weer weilanden, maar na een poosje gaat het pad weer omhoog, er komen weer akkertjes, zelfs een enkel boschje en heel schilderachtig zien we nu het kleine dorpje Hemelum tegen de hoogte liggen. We gaan al hooger, niet zoo heel erg hoog hoor, maar we komen toch in een buurt die Hemelumerhoog heet en onderweg moeten we even afstappen en rondkijken, want we staan hier werkelijk op een der mooiste punten van ons vaderland, tenminste als de zon en de wolken een handje helpen. Achter ons hebben we de welbekende hoogten en bosschen van Rijs en Kippenburg, voor ons in de laagte zien we het eerste der Friesche meren, dat meteen een der merkwaardigste is: de Morra (123). Over de Morra heen ontwaren we warempeltjes alweer heuvelen, (’t is merkwaardig hoe heuvelrijk dat Friesland is) dat is de heuvelrij van Koudum en daarachter de torens van Workum en Hindeloopen. Misschien ligt Hindeloopen ook nog wel op een verscholen heuveltje, anders was het al lang weggespoeld, want het wordt aan drie kanten door de zee bestookt. Dat men die zee nog lang niet vertrouwt, mag blijken uit de omstandigheid, dat men van den heuvel van Hemelum naar den heuvel van Koudum een dijk heeft gelegd dien men verder heeft doorgetrokken naar Hindeloopen en als er nu ergens tusschen Hindeloopen en Stavoren of tusschen Stavoren en Mirns een doorbraak komt, dan moet deze dijk de rest van Friesland tegen overstrooming beveiligen. Omdat hij nu voorloopig niets te doen heeft, noemt men hem Slaperdijk. Wij willen hem volgen; de rijweg leidt er achter langs. Natuurlijk gaat het nu weer door de weiden en heel lage ook. Haast gelijk er mee zien we rechts het water blinken van het groote Fluessenmeer. Al heel spoedig komen we nu aan een van de merkwaardigste punten van de heele Friesche waterwereld: de Galamadammen (124). Ik ben in mijn jonge jaren opgegroeid in Limburg en Brabant en heb daar altijd van „Madam” hooren spreken en dat mag wel de oorzaak er van geweest zijn, dat ik, toen ik voor ’t eerst van dit Friesch geval hoorde, niet recht besefte, wat men met die gala-madammen wel bedoelde. Eerst later, toen ik ook van het beroemde geslacht der Galama’s hoorde, begreep ik dat we hier met dammen te doen hadden en eigenlijk is het een groote sluis in dien Slaperdijk, waardoor de schepen uit de Morra geschut kunnen worden in de Fluessen. Daar gaan heel wat scheepjes door deze sluis, gemiddeld een stuk of vijftien per dag. Hier staat ook een beroemde waterherberg al even bekend als de Oude Schouw of de Froskepolle, die we in een volgend hoofdstuk zullen ontdekken, ’t Is hier een heel merkwaardig buurtje: de sluizen, de dijk, de baken langs het meer, de watermolentjes en boerderijen (100) in de weiden en de hooggelegen dorpjes rechts en links. Over de dammen buigt de weg van den Slaperdijk af, hij gaat dan Dammeweg heeten.
Zoo komen wij in Koudum, dat door ik weet niet wie, het mooiste dorp van Friesland genoemd is en de man mag wel gelijk hebben. Nu bestaat er altijd alle mogelijke kans, dat[69]een dorp gebouwd op een lange breede zandhoogte midden in de weiden wel mooi moet worden, vooral wanneer er een groot meer in het verschiet ligt. Op een paar plekken is het zand steil afgegraven en daar hebben de oeverzwaluwen hun nest gebouwd. Trouwens in de tuinen van het eigenlijke dorp zingen allerlei vogels, want het is daar net een stukje bosch en dat mogen we nu wel eens goed aankijken, want de volgende uren zullen ons niet veel lommer verschaffen. Het zal weer in de zon moeten gebeuren, zooals de koster van Rinsumageest zei.
We slaan nu weer de richting in naar Stavoren en rijden langs de Koudumervaart naar het kleine dorpje Molkwerum, dat vroeger een groote vermaardheid genoot als het Friesche Doolhof. Wij hebben oprecht geprobeerd, om er te verdwalen, maar het is ons niet mogen gelukken. Wel kregen we zoodoende aardige huisjes en stilleventjes te zien, maar als het noodig geweest was, hadden we elk oogenblik binnen drie minuten het dorp kunnen verlaten in drie richtingen naar keuze. Wij kozen de richting naar de zee en stonden weldra op den dijk naar Harlingen, die hier, evenals de zuiderdijk, niet alleen met steenglooiing maar ook met paalwerk is versterkt. Er werd juist aan gewerkt om een der paalhoofden te versterken en wij kregen hier een goeden indruk ervan, hoeveel geld en moeite het kost om Friesland tegen de zee te beveiligen. Alleen in Zeeland is de zaak nog moeilijker en kostbaarder en de Friezen hebben dan ook alle reden om te spreken van de gouden hoep, wanneer ze het over hun dijken hebben. In vroeger tijd speelde het paalwerk bij den aanleg van dijken een nog veel grooter rol dan thans en toen hoorde je dan ook meer dan nu klachten over het kleine schelpdiertje, dat het houtwerk vernielt door er gaten in te boren: de paalworm. Misschien was dat paalhoofd wel vernield door dien kleinen mijnendelver.
Hindeloopen lag voor ons en daarheen richtten we nu het stuur. Deze rit heeft al weer het kleine bezwaar, dat op grooter en kleiner afstanden de weg is afgezet met hekken, doordat de dijk beweid wordt. Daar heb ik vroeger al eens van verteld, dus we kunnen die zaak met stilzwijgen voorbijgaan. De weg leidt onder den dijk langs, maar van tijd tot tijd klommen wij er boven op, om het uitzicht te genieten over de zee en de kust en over het mooie landschap, dat we zooeven hadden doorkruist en waarvan we de bijzonderheden nu nog eens in hun geheel konden overzien. Zoo kom je er vanzelf toe, om van een streek te gaan houden.
Hindeloopen (104) zag er veel gewoner uit dan wij gedacht hadden. Je leest daar zooveel van en ziet er zooveel van op schilderijen en in musea, dat je half verwacht hier al net zoo’n poppekast te zien te krijgen als op Marken. Dat viel nu geweldig mee. Boven het kerkportaal (138) vonden we volmaakt in orde het beroemde vers: „Des Heeren woord—Met Aandacht hoort—Komt dus bij hoopen—Als hinden loopen.” Overigens vonden we er aardige, oude deftige huizen, Waag en Stadhuis (118), een enkel mooi gevelsteentje (107), overblijfselen uit de zeventiende eeuw, toen Hindeloopen een rijke koopstad was, evenals Hoorn en Enkhuizen. Maar bij de sluisbuurt stond ook al een boerderij (98), want ’t is met deze stad al evenzoo gegaan als met die aan de andere zijde van de Zuiderzee. Van[70]de weelde van vroeger is hier in de stad zelf nog wel het een en ander te zien, maar misschien toch niet meer dan in het Friesch Museum te Leeuwarden, waar we de beide Hindelooperkamers met veel belangstelling hadden bekeken, zoowel die uit de zeventiende eeuw met het mooie snijwerk, als die uit de achttiende, waar het snijwerk door beschildering vervangen was. De hooge bedsteden met haar trapjes, de wieg met haar onderstel, herinneren er aan hoe af en toe de zee nog over de dijken heen de huizen binnendrong. Op de „Kraak”, de kroonlijst boven de bedsteden, hadden we het kraakporselein bewonderd, ook den haard met zijn treeft, de handige klaptafel en de rijk, maar dikwijls smakeloos versierde kisten en koffers. Wel aardig toch, dat het zin hebben in sierlijkheid een trek van heel het Friesche volk is geworden en hier in de rijke koopmansstad zich het sterkst heeft geuit. Thans is Hindeloopen een badplaats met een goed zandig strand en badgasten zooals je ze overal ziet.
Nu moesten we onze zee verlaten, want hier is een nieuw land ingepolderd en dat heeft geen weg langs den zeedijk. We gaan dus langs den ouden dijk binnenwaarts en dan dwars door den polder op Workum (113) aan, welks stadsgebied onmiddellijk aan dat van Hindeloopen grenst. We komen nu weer op den ouden dijk en rijden over de Schutsluis regelrecht Workum (119,120) binnen in de prachtige breede hoofdstraat, die men in zoo’n oud stadje niet zou verwachten. Vroeger heeft het er ook anders uit gezien, toen was deze straat een smalle gracht, die men wijselijk gedempt heeft. Wij rijden naar den dikken toren, die wel wat heeft van een afstammeling van den Oldenhove, maar er is een behoorlijker bovenbouw op aangebracht. Nu herinneren we ons, dat we in onze Leeuwarder winkels Workumsch aardewerk uitgestald hebben gezien, dat versierd was min of meer op de manier van houtsnijwerk, nog al vreemd. We zouden de fabriek hier kunnen vinden evenals de onvermijdelijke steenbakkerij en de kalkovens, die langs deze heele westkust welig gloeien. Nu moeten we weer naar de Schutsluis terug. Hier schutten ook in gunstiger tijden de beroemde Heeger palingschepen als ze naar Engeland varen. Het zijn niet groote, maar zeer sterk gebouwde botters; ik heb ze dikwijls het zeegat uit zien varen, toen ik nog op Texel woonde. Deze visschers van Heeg (125,126) hebben het bijzondere voorrecht, dat ze op de Theems bij de London-bridge aan de kade mogen liggen. Maar dat voorrecht verliezen ze zoodra het plaatsje vrij komt. Ge begrijpt dat de Heegenaren dus meer dan één schuit laten varen en dat die uit Londen pas vertrekt, als de andere al gereed ligt, om in zijn plaats te schuiven.
Nu weer verder den dijk langs. Het landschap gaat veranderen, geen Fluessen of Gaasterland meer, maar uitgestrekt groenland, nog al leeg. Dat komt ook wel, doordat we hier de droogmakingen hebben liggen van de Workumer- en Parregaastermeren (106). Links vooruit in de verte zien we onzen ouden vriend, den Martinitoren van Bolsward. Onderhand tellen we de buurtjes die we passeeren: Scharneburen, Doniaburen, Gaast, Koorhuizen en vinden zoo ons Piaam, dat misschien eenmaal een belangrijk punt zal worden als de Zuiderzee wordt drooggemaakt. Hier zal de groote afsluitdijk de Friesche kust bereiken. De plaats lijkt goed gekozen, want de zee is hier ondiep en bij laag water valt de Makkumerwaard[73]over een groote uitgestrektheid droog. Deze toestand maakt het ritje van Workum naar Makkum voor een vogelliefhebber nog al onderhoudend, vooral in April en September, want dan wemelt het hier van duizenden en duizenden strandvogels die op den trek zijn. Dan kunt ge hier evengoed als elders heele wolken van strandloopertjes zien opvliegen. Ook rennen de strandpleviertjes of Dûkelmantsjes langs het zand aan den dijkvoet of ziet ge de komiek deftige scholeksters met hooge schouders stil staan langs de plassen. Dan weer vliegen klagend de goudplevieren om u heen of ziet ge in de verte, langs den rand van de plaat, groote zilvermeeuwen en mantelmeeuwen en aalscholvers, onze vrienden van den Harlinger strekdam. Dat zal een verandering worden, als hier in Piaam nu die dijk komt, dan komt de Makkumer waard voor een deel in ’t zoete water te liggen, met een vrij vasten waterstand en voor een ander deel blijft hij deel uitmaken van de zee. Ik hoop dat ik nog eens zien mag, hoe dan het leven der dieren aan deze kust gaat veranderen.[71]
109 HARLINGEN—AAN DE HAVEN109 HARLINGEN—AAN DE HAVEN110 MAKKUM—WAAG110 MAKKUM—WAAG111 HARLINGEN—VOORSTRAAT111 HARLINGEN—VOORSTRAAT112 TJUMMARUM—KERKSTRAATJE112 TJUMMARUM—KERKSTRAATJE113 WORKUM—STADHUIS113 WORKUM—STADHUIS114 SNEEK—KERK EN KLOKKENTOREN114 SNEEK—KERK EN KLOKKENTORENL. W. R. WENCKEBACH
109 HARLINGEN—AAN DE HAVEN109 HARLINGEN—AAN DE HAVEN
109 HARLINGEN—AAN DE HAVEN
110 MAKKUM—WAAG110 MAKKUM—WAAG
110 MAKKUM—WAAG
111 HARLINGEN—VOORSTRAAT111 HARLINGEN—VOORSTRAAT
111 HARLINGEN—VOORSTRAAT
112 TJUMMARUM—KERKSTRAATJE112 TJUMMARUM—KERKSTRAATJE
112 TJUMMARUM—KERKSTRAATJE
113 WORKUM—STADHUIS113 WORKUM—STADHUIS
113 WORKUM—STADHUIS
114 SNEEK—KERK EN KLOKKENTOREN114 SNEEK—KERK EN KLOKKENTOREN
114 SNEEK—KERK EN KLOKKENTOREN
[72]
115 GROUW—STRAATJE115 GROUW—STRAATJE116 LEEUWARDEN—OOSTERKADE116 LEEUWARDEN—OOSTERKADE117 JELSUM—KERK117 JELSUM—KERK118 HINDELOOPEN—WAAG EN STADHUIS118 HINDELOOPEN—WAAG EN STADHUIS119 WORKUM—INGANG KERK119 WORKUM—INGANG KERK120 WORKUM—WAAG120 WORKUM—WAAGL. W. R. WENCKEBACH
115 GROUW—STRAATJE115 GROUW—STRAATJE
115 GROUW—STRAATJE
116 LEEUWARDEN—OOSTERKADE116 LEEUWARDEN—OOSTERKADE
116 LEEUWARDEN—OOSTERKADE
117 JELSUM—KERK117 JELSUM—KERK
117 JELSUM—KERK
118 HINDELOOPEN—WAAG EN STADHUIS118 HINDELOOPEN—WAAG EN STADHUIS
118 HINDELOOPEN—WAAG EN STADHUIS
119 WORKUM—INGANG KERK119 WORKUM—INGANG KERK
119 WORKUM—INGANG KERK
120 WORKUM—WAAG120 WORKUM—WAAG
120 WORKUM—WAAG
[73]
Het kleine, stille gehuchtje krijgt dan ook heel andere dingen te zien. Er zullen wel groote keeten komen voor de polderjongens, stapelplaatsen voor allerlei materiaal, dat aan den dijk verwerkt moet worden: bergen van rijshout voor de zinkstukken, stapels bazaltkeien of zand en grind om daar beton van te maken. Schepen en sleepbootjes koersen op zee, om die zinkstukken te vervoeren naar de plaats, waar ze den grondslag van den dijk zullen vormen. Dan rijst de dijk al hooger en hooger en na jaren van arbeid komt eindelijk langs dubbel of vierdubbel spoor de eerste trein uit Holland aan, want nu komt hier in dien vergeten uithoek de voornaamste toegangspoort naar Friesland en als ’t een beetje wil ontstaat hier nog een belangrijk verzamelpunt voor spoorwegen. Het is voorloopig moeilijk te voorspellen, wat er gebeuren zal aan den buitenkant van den dijk, wellicht vormt er zich een mooi breed strand en dan kunnen de badkoetsjes van Hindeloopen hier heen verhuizen, tenzij men ze daar wil houden voor zoetwaterbaden in het IJselmeer. Ik heb er pleizier in, dat we dit allemaal nu binnen een jaar of tien kunnen beleven.
Nu voort naar Makkum, dat we geen stad mogen noemen, maar het lijkt er toch nog al aardig op. Intusschen is het nog niet eens de hoofdplaats van de gemeente Wonseradeel, want dat is het dorp Witmarsum, bekend uit de geschiedenis van Menno Simons. Hier in Makkum (103,110) zienweer onze kalkovens (108) en molens (99) en op den dijk een klein huisje of loodsje, dat „de leugenaar” genoemd wordt. Hier staan vaak schipperlui en zoo met elkaar te keuvelen en daar mag dan die naam vandaan komen. Ook zoeken we de „Pottenbakkershuizen” (102) op. Vooruit nu maar langs het kleiland. In een halfuurtje halen we Zurig en dan over Dijksterburen bereiken we Harlingen. Het eerste wat we daarvan te zien krijgen is de meer beroemde dan mooie Steenen Man, het gedenkteeken opgericht ter eere van Caspar de Robles.
Dit is misschien wel het eenige gedenkteeken in ons land ter eere van wakkere Spanjaarden, die gearbeid hebben voor het welzijn van de Lage Landen aan de Zee. Deze Caspar wist van zeer nabij, hoe gevaarlijk het met Friesland stond, want in 1570 had de Allerheiligenvloed bijna heel het land der vrije Friezen onder water gezet. Hij heeft toen met „ijzeren hand”[74]gewerkt om de toestanden te verbeteren, d.w.z. als de polderbestuurders niet precies en vlug deden wat noodig was, dan werden ze aan den lijve gestraft. Zoo speelde hij het klaar en daarvoor kreeg hij nu dit gedenkteeken. Harlingen zelf heeft wel aardige hoekjes vooral bij de haven (109) en ook nog zeer deftige zeventiende-eeuwsche huizen in de Voorstraat (111) en elders. Het verschilt op zeer eigenaardige wijze van Dokkum. Dokkum is zijn loopbaan begonnen als zeestad en is landstadje geworden. Harlingen is gedurende de eerste eeuwen van zijn bestaan een landstadje geweest, maar de zee heeft het opgezocht en zoo werd het een havenplaats. Een belangrijk jaartal uit de geschiedenis der beide steden is 1644, toen de zetel der admiraliteit van Friesland verplaatst werd van Dokkum naar Harlingen.
[76]
Kerk te Grouw aan het water.
[77]