GERARDUS JOHANNES VOSSIUS.

GERARDUS JOHANNES VOSSIUS.Had de zestiende Eeuw de wedergeboorte der letteren aanschouwd, in de zeventiende mocht het nieuw ontgonnen veld geheel in staat geächt worden, de noeste vlijt der arbeiders met rijken overvloed van voedzame vruchten te loonen. Maar toch lag er nog hier en ginds een akker onbebouwd, nog was op menige plaats onkruid onder de tarwe gebleven, en, hetgeen de voorgangers verricht hadden, toonde gedurig meer en meer aan, hoeveel er nog voor hen, die later kwamen, te verrichten overbleef.Gerardus Johannes Vossius.W. P. Hoevenaar, delSteendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Gerardus Johannes Vossius.De verkregen uitkomsten, naarmate zy heerlijker waren, wekten te meer het verlangen op naar nieuwere en nog betere, en met onafgebroken yver werd de taak der Erasmussen, der Scaligers, der Casaubonussen, voortgezet. Vond de klassieke oudheid overal in Europa tolken en vereerders, Nederland inzonderheid was de plaats, waar zy beoefend werd en van waar het licht uitging, dat, aan haar fakkel ontstoken, zijn stralen over Europa verspreidde: en onder hen, die in Nederland gedurende het tijdvak van Frederik Hendrik hun leven aan de bevordering der echte wetenschap toewijdden, was er niet een, wiens verdiensten meer algemeen erkend en gewaardeerd werden, wiens invloed op de studie der Grieksche en Latijnsche talen en al wat daarmede in verband staat, gewichtiger en duurzamer was, dan Gerardus Johannes Vossius.In 1577, te Heidelberg, doch uit ouders van Geldersche afkomst, geboren, en reeds in zijn eerste levensjaar met hen in Holland gekomen, had hy beiden als kind verloren, en was door de zorg van trouwe verwanten verpleegd. Aan de Latijnsche schole te Dordrecht opgekweekt, had hy zich spoedig met de eigenschappen en den zwier der oude talengemeenzaam gemaakt, en dien smaak voor welsprekendheid en dichtkunst aan den dag gelegd, die door oefening gezuiverd, maar niet verkregen wordt. Later te Leyden het meesterschap in de vrije kunsten en in de wijsbegeerte verworven hebbende, gaf hy, op naauwlijks een-en-twintig-jaren ouderdom, aldaar, zoo in ’t openbaar als in ’t byzonder, lessen over de werken van Aristoteles, toen hy naar de Schole, die hy te Dordrecht verlaten had, werd teruggeroepen, maar thands om er het opengevallen Rektoraat te aanvaarden, welke betrekking hy vijftien jaar bekleedde. Niet minder steeg zijn roem, na dat hy, in 1606, zes boeken over de Redekunst had uitgegeven, een werk, waarvan Casaubonus en Scaliger getuigden, dat zelfs de ouden niets keurigers geschreven hadden.Werd Vossius als Rhetor, niet minder werd hy als Godgeleerde geroemd, en hem in 1615 een leerstoel als zoodanig te Steinfurt opgedragen. Wellicht had hy aan die roepstem gehoor gegeven; maar De Groot wenschte hem aan het hoofd van het Theologisch kollegie te Leyden, en Vossius begaf zich in die hoedanigheid derwaarts, hierin meer der aansporing van anderen gehoor gevende dan zijner eigen begeerte. Vier moeilijke jaren bracht hy in zijn nieuwe betrekking door, en moest in die dagen van Staats- en Kerkelijke twisten, het gevaar ondervinden, dat er in gelegen was, de hartelijke vriend van De Groot te zijn. De geschiedenis der Pelagianen, op raad van dezen geschreven, verwierf hem, ja, toejuiching van de eene, maar haat en vervolging van de andere, nu bovendrijvende, zijde, en de omstandigheden noopten hem, in 1619, zijn bediening neder te leggen en gedurende twee jaren een ambteloos leven te leiden. Een man van zijne begaafdheden kon echter moeilijk ontbeerd worden, en nu, onder de bestaande omstandigheden, de baan der godgeleerdheid voor hem gesloten scheen, werd hem het Hoogleeraarsambt in de welsprekendheid door de verzorgers der Leydsche Hooge Schole opgedragen. Hoe hoog inmiddels zijn roem ook buiten ’s Lands gestegen was, bleek daaruit, dat, in 1626, van de zijde der Engelschen alle pogingen in ’t werk gesteld werden, om hem aan de Hooge-school van Kantelberg te verbinden. Maar ook de schoonste aanbiedingen konden hem niet bewegen, zijn Vaderland te verlaten. In weêrwil hy aldus de hem gedane voorstellen afsloeg, was de achting, welke men hem in Engeland toedroeg, zoo algemeen, dat, toen hy in 1629 dat Rijk bezocht, koning Karel I. hem het Kanonikaat by de Kantelbergsche abdyliet opdragen en daarby het zeldzame voorrecht, om de inkomsten, daaraan verbonden, te genieten, zonder dat hy er Holland voor behoefde te verlaten.Het was gedurende zijn verblijf te Leyden, dat Vossius zijn Kort Begrip der Rhetorica en zijn Latijnsche en Grieksche Spraakkunst uitgaf, werken, aan wier herziening en verbetering hy tot aan zijn dood arbeidde, en waaruit, gedurende meer dan twee eeuwen, de jeugd, zoo hier als elders, haar eerste kennis dier vakken heeft opgedaan. Nog gedurende hetzelfde tijdvak zond hy zeven boeken over de Grieksche en Latijnsche Historieschrijvers in het licht en Rhetorische Kommentariën, die hy opdroeg aan de Staten van Holland.Eerlang, en wel in 1632, werd hy tot een nieuwen werkkring geroepen, en wel om het Professoraat in de geschiedenis te bekleeden aan het onlangs opgerichte Atheneum, te Amsterdam. Hy begaf zich derwaarts, en niet minder schitterend dan te voren was ook hier de roem, die van hem uitging, en die nog grootere uitbreiding ontfing, toen eerlang zijn kinderen dien achtereenvolgens met hem deelden, ja sommigen daarvan hem dreigden naar de kroon te steken. Zeldzamer en tevens schooner verschijnsel kon er wel niet worden ontmoet, dan zich voordeed in de woning van Vossius, waar de vader des huisgezins als een licht van Europa werd beschouwd, en er onder acht kinderen niet een was, die niet door ongewone gaven des geestes uitblonk, terwijl velen reeds als wonderen van hun tijd werden aangemerkt. Men oordeele.Johannes, de oudste, in 1605 geboren, behoorde tot die vernuften, die zich door veelzijdigheid onderscheiden, en wat zy by de hand nemen met snelheid meester worden. In wis-, kruid- en ontleedkunde bedreven, had hy die studiën laten varen, om zich op de godgeleerdheid toe te leggen; doch zich vervolgens tot de rechten gewend hebbende was hy in 1634 als Advokaat Fiskaal naar de Indiën vertrokken.De tweede zoon, Franciskus, drie jaren later, en, gelijk de volgenden, uit een andere moeder geboren, had te ’s Gravenhage met ongewonen lof het beroep van pleitbezorger uitgeoefend, doch daarom de letteren niet verwaarloosd, zoo als uit de Latijnsche gedichten, die hy naliet, blijkt.Op hen volgde Mattheus, in 1610 geboren. Na schitterende studiën te Leyden volbracht te hebben, was zijn smaak inzonderheid gevallen op de beoefening der geschiedenis. In 1635 gaf hy het Eerste Deel uit der Jaarboeken van Holland en Zeeland, geschreven in LiviaanschLatijn. Hoogen lof droeg deze arbeid weg by de Staten der beide Gewesten, die hem met een rijk geschenk beloonden, en hem, toen het Tweede Deel, mede, als het vorige, uit vijf boeken bestaande, zes jaren later uitkwam, tot hun historieschrijver benoemden.Met schitterenden glans blonk boven zijn oudere broeders de vierde, Dionys, die in 1612 geboren was. Reeds als kind in ’t Latijn en Grieksch bedreven, had hy op zijn veertiende jaar de Hebreeuwsche, Kaldeeuwsche, Arameesche en Arabische talen geleerd, op zijn zestiende het Lexicon van Rafelengius vermeerderd, vervolgens zich op ’t Armenisch en Ethiopisch toegelegd, en de Talmudische en Rabbijnsche schriften doorwroet; terwijl hy eerlang, onder andere werken, een Latijnsche vertaling uitgaf van Maimonides. De Regeering van Amsterdam had hem, die bovendien in byna geen nieuwe taal onkundig was, aan ’t hoofd der stads-boekery gesteld, en heel Europa weêrklonk van zijn roem.Niet minder belezen, niet minder werkzaam, waren Izaak en Gerard, gene in 1618, deze in 1619 geboren, en terwijl de eerstgenoemde zich reeds vroeg als vlijtig navorscher van handschriften onderscheidde, leverde Gerard nog vóór zijn twintigste jaar een keurige uitgave van Vellejus Paterculus envervaardigdeaanteekeningen op Valerius Flakkus en Censorinus. Hoe anderen, hoe b. v. Vondel, over Izaak dachten, zullen wy straks vermelden; van Gerard getuigde de dichter:Verstant, in honighraat gedoopt,Geleertheid, daar al ’t huis op hoopt,HadtGeeraert, die zoo vroeghZijn broeders overwoeghEn dreighde alreê des Vaders faemEn vlught te volgen, als zijn naem.Niet minder dan de zonen, onderscheidden zich de dochteren. Zoo wel Kornelia, die in 1613, als Johanna, die in 1622 geboren was, blonken uit door bevallige schoonheid, vroomheid van inborst, reinheid van zeden en innemend vernuft. Wisten beiden met pen en borduurnaald op kunstige wijze om te gaan, meer dan gewoonlijk was Kornelia in de muzijk, Johanna in de schilderkunst bedreven. Met gemak en bevalligheid spraken zy de Fransche, Italiaansche en Spaansche talen, en waren met de Latijnsche gemeenzaam; terwijl nog bovendien de oudste der meisjens met ongemeene wakkerheid het huisbestier bleef voeren.Kan er schooner, kan er gelukkiger toestand worden uitgedacht, dan waarin Vossius en zijn huisvrouw, de dochter der Juniussen, zich bevonden?—Voorspoed, gezondheid, roem, huislijk heil, glansrijke uitzichten in de toekomst, niets ontbrak hun: maar—onbestendigheid der aardsche dingen!—hoe weinige jaren verliepen er, en niets dan puinhoopen waren er gebleven van het gebouw, dat zoo duurzaam gegrondvest scheen.De eerste slag was niet de minst treffende. Dionys, wiens naam zoo vroeg reeds geheel Europa doorklonken had, die door den vermaarden Poolschen reiziger Kristoffel Slupeski was uitgenoodigd geworden, hem als tolk op een reis naar Konstantinopel en Klein-Aziën te vergezellen—een aanbod ’twelk alleen om den te jeugdigen leeftijd des jongelings niet was aangenomen—die vervolgens, zoo naar Engeland als naar Zweden als hoogleeraar, en, toen hy hier geen gehoor aan gaf, als geschiedschrijver van Gustaaf Adolf naar ’t Noorden geroepen was, werd, toen hy op het punt stond, deze laatste betrekking te gaan vervullen, op een-en-twintigjarigen leeftijd door de kinderziekte aangetast, die hem den 25 November 1633 van deze aarde rukte.—Men weet, in hoe aandoenlijk schoone vaerzen Vondel den wreeden slag bezong, die Vossius trof. „Wat,” schreef hy aan Van Baerle,Wat gaat het sterflot over,Dat het de beste loverVan Febus lauwer schent!Of trof hem ’t heiloos weder,Omdat de Zweedsche vederZijn hant was toebetrouwt,Die, zwanger van history,Gustaefs verdiende gloryBeschrijven woû met gout?Of kon de nijd niet lijenDat hem de Teems quam vrijen,Of dat hy docht te treênIn onze Fredrix laerzenMet zoete vredevaerzenAls in triomf voorheen?enz.En wie kent de heerlijke koepletten niet, die hy den troostloozen vader ter vertroosting toezond:Wat treurt ge, hooghgeleerde VosEn fronst het voorhooft van verdriet?Beny uw zoon den hemel niet,De hemel trekt: ay, laet hem los.Ay, staeck dees ydle tranen wat,En offer, welgetroost en bly,Den allerbesten vader vryHet puick van uwen aertschen schat.Men klaeght, indien de kiele strant,Maer niet, wanneer ze, rijck gelaen,Uit den verbolgen OceaenIn een behoude haven lant.Men klaeght, wanneer de balssem stortOm ’t spillen van den dieren reuck,Maar niet, zoo ’t glas bekomt een breuckAls ’t edel nat geborgen wort.enz.Naauwlijks was wel niet de wonde des harten geheeld, maar toch de uiterlijke rouw over ’s jongelings dood voorby, toen een treurmaar het ouderhart op nieuw deed bloeden. Johannes, voor wien zich op Java de glansrijkste uitzichten openden, was, in 1635, een jaar na zijn komst aldaar, bezweken.Mocht het gemis van den afwezige minder gevoeld worden, te treffender zoû alras het verlies zijn van haar, die de vreugd, de lust, de ziel was van geheel het huisgezin. Op den 28 January 1638, waren de beide dochters van Vossius, met haar broeder Mattheus, haar oom Junius, een zoon van den Poolschen gezant en diens leermeester, naar Leyden gereden. By ’t overtrekken van het bevroren Leydsche meer, dat sterk genoeg was om de zwaarste wagens te dragen, geraakte hun voertuig, door de onvoorzichtigheid van den voerman, van de baan op een min veilige plek, en zakte door het ijs: allen kwamen er met den schrik af; alleen Kornelia werd niet dan levenloos uit het kille water opgehaald.„Een oogenblik,” zong Vondel haar, in een droeve weeklacht toe,Een oogenblick heeft zoo veel gaven,Gedaelt van ’t hemelsch paradijs,Op u verslingert, in het ijsEn sneeuw, op ’t onverzienst begraven:Een waterslang verbeet die bloemVan onze jeught, der maegden roem.Nu zwijgen al uw schelle snaren,d’Yvoire fluit, de zoete keel,Daer ’s vryers goddelijkste deel,De ziele om hoogh op plagh te varen,Toen zy ten ooren uitgelockt,Gy haer tot in den hemel trockt.Uw onvolwrochte beelden treurenEn roepen al: ick sterf, ick sterf!Papier, panneel verschiet zijn verf,Men ziet geen leven in de kleurenVan uw tapijten, met de naeltEn zijde naer de kunst gemaelt.Nuzult gegeest noch wijsheit zoeckenIn ’t Neêrduitsch, Fransch of in Toskaensch,Noch u vermaeken in het SpaenschEn lezen ’t keurighst uit de boecken;Of ’t antwoort geven op ’t LatijnIn Duitsch als u gevraeght zal zijn.enz.Maar nog was met deze offers, aan het ouderhart ontscheurd, de onverbidlijke dood niet te vrede. Twee jaren waren wederom verloopen, toen de pest in ’t huis van Vossius kwam woeden, en, weinige dagen achter elkander, Johanna en Gerard ten grave sleepte.Franciskus had der praktijk vaarwel gezegd, en te Amsterdam in het thands byna ontvolkte ouderlijke huis zijn oude plaats weder ingenomen. Hy scheen er enkel gekomen, om den rouw nog te vermeerderen. Door een kwijnende ziekte aangetast, bezweek hy in December 1645.Drie maanden later werd Mattheus, die nu het Derde Deel zijner Jaarboeken uitgegeven, en het Vierde omtrent voltooid had, door een plotslinge ongesteldheid overvallen, en op 22 Maart aan de zijnen ontrukt. Van de acht kinderen, waar Vossius op boogde, was er, toen hy in 1649 uit de waereld scheidde, slechts één meer in leven: en die eene, Izaak, kon niet aan zijns vaders sterfbed staan, om hem de oogen te sluiten. Rusteloos en zwerfziek van aart, had hy overal in ’t beschaafd Europa de voornaamste boekeryen bezocht, om merkwaardige handschriften op te sporen en onderling of met de uitgaven te vergelijken. In 1645 in ’t vaderland teruggekeerd, om Mattheus als stadsbibliothecaris en geschiedschrijver der Staten op te volgen, had hy zich in 1648 naar Zweden begeven, waar koningin Kristina hem ontbood. „O Izak!” riep, na zijns vaders dood, hem Vondel toe,O Izak! eenigh pantVan Vossius, gy die zoo verreOm ’t licht der koninklijke sterreVerliet uw vaderlant;Verlaet om ons de kroon van Zweden!Gy kunt uws vaders stoel herkleden,Zijn doorgeleert gebouwVan schriften voort in top voltreckenEn moeders hart ten balsem streckenDie anders smilt van rouw.Izaak voldeed aan die uitnoodiging niet: hy toog naar Engeland, waar hy zijn verdere dagen sleet. Maar al was het aan hem-alleen onder de kinderen van Vossius beschoren, tot in hoog gevorderden leeftijd, door tal van schriften, van den omvang zijner kennis te doen blijken, de glans blijft daarom onverminderd, die in het tijdvak, dat wy voorstellen, het huis van Vossius omstraalde, en schaars zullen de jaarboeken der waereld een tweede voorbeeld geven van een gezin, waarvan de leden in zulk een aantal en zoo treflijk uitblonken op het veld der wetenschap. Stierven de meesten jong, niet een daalde onberoemd ten grave, en, wanneer wy nagaan, hoeveel zy ongetwijfeld aan het voorbeeld en de opleiding van hun vader te danken hadden gehad, dan mogen wy daar eenigzins uit opmaken, hoe voortreflijk in ’t algemeen het onderwijs van Vossius en hoe weldadig zijn invloed op zijn talrijke leerlingen geweest moet zijn, ja, op de geheele wetenschaplijke ontwikkeling in Frederik Hendriks eeuw.Wy besluiten met de bekende, doch altijd even lezenswaardige regels, welke Vondel schreef onder het afbeeldsel zijns grijzen vriends, vervaardigd door Sandrart:Laat sestigh winters vry dat Vossenhooft besneeuwen;Noch grijzer is het brein dan ’t grijze hair op ’t hooft:Dat brein draeght heugenis van meer dan vijftigh eeuwenEn al heur wetenschap, in boeken afgeslooft.Sandrart, beschans hem niet met boeken, en met blaeren;Al wat in boeken steekt, is in dat hooft gevaeren.

GERARDUS JOHANNES VOSSIUS.Had de zestiende Eeuw de wedergeboorte der letteren aanschouwd, in de zeventiende mocht het nieuw ontgonnen veld geheel in staat geächt worden, de noeste vlijt der arbeiders met rijken overvloed van voedzame vruchten te loonen. Maar toch lag er nog hier en ginds een akker onbebouwd, nog was op menige plaats onkruid onder de tarwe gebleven, en, hetgeen de voorgangers verricht hadden, toonde gedurig meer en meer aan, hoeveel er nog voor hen, die later kwamen, te verrichten overbleef.Gerardus Johannes Vossius.W. P. Hoevenaar, delSteendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Gerardus Johannes Vossius.De verkregen uitkomsten, naarmate zy heerlijker waren, wekten te meer het verlangen op naar nieuwere en nog betere, en met onafgebroken yver werd de taak der Erasmussen, der Scaligers, der Casaubonussen, voortgezet. Vond de klassieke oudheid overal in Europa tolken en vereerders, Nederland inzonderheid was de plaats, waar zy beoefend werd en van waar het licht uitging, dat, aan haar fakkel ontstoken, zijn stralen over Europa verspreidde: en onder hen, die in Nederland gedurende het tijdvak van Frederik Hendrik hun leven aan de bevordering der echte wetenschap toewijdden, was er niet een, wiens verdiensten meer algemeen erkend en gewaardeerd werden, wiens invloed op de studie der Grieksche en Latijnsche talen en al wat daarmede in verband staat, gewichtiger en duurzamer was, dan Gerardus Johannes Vossius.In 1577, te Heidelberg, doch uit ouders van Geldersche afkomst, geboren, en reeds in zijn eerste levensjaar met hen in Holland gekomen, had hy beiden als kind verloren, en was door de zorg van trouwe verwanten verpleegd. Aan de Latijnsche schole te Dordrecht opgekweekt, had hy zich spoedig met de eigenschappen en den zwier der oude talengemeenzaam gemaakt, en dien smaak voor welsprekendheid en dichtkunst aan den dag gelegd, die door oefening gezuiverd, maar niet verkregen wordt. Later te Leyden het meesterschap in de vrije kunsten en in de wijsbegeerte verworven hebbende, gaf hy, op naauwlijks een-en-twintig-jaren ouderdom, aldaar, zoo in ’t openbaar als in ’t byzonder, lessen over de werken van Aristoteles, toen hy naar de Schole, die hy te Dordrecht verlaten had, werd teruggeroepen, maar thands om er het opengevallen Rektoraat te aanvaarden, welke betrekking hy vijftien jaar bekleedde. Niet minder steeg zijn roem, na dat hy, in 1606, zes boeken over de Redekunst had uitgegeven, een werk, waarvan Casaubonus en Scaliger getuigden, dat zelfs de ouden niets keurigers geschreven hadden.Werd Vossius als Rhetor, niet minder werd hy als Godgeleerde geroemd, en hem in 1615 een leerstoel als zoodanig te Steinfurt opgedragen. Wellicht had hy aan die roepstem gehoor gegeven; maar De Groot wenschte hem aan het hoofd van het Theologisch kollegie te Leyden, en Vossius begaf zich in die hoedanigheid derwaarts, hierin meer der aansporing van anderen gehoor gevende dan zijner eigen begeerte. Vier moeilijke jaren bracht hy in zijn nieuwe betrekking door, en moest in die dagen van Staats- en Kerkelijke twisten, het gevaar ondervinden, dat er in gelegen was, de hartelijke vriend van De Groot te zijn. De geschiedenis der Pelagianen, op raad van dezen geschreven, verwierf hem, ja, toejuiching van de eene, maar haat en vervolging van de andere, nu bovendrijvende, zijde, en de omstandigheden noopten hem, in 1619, zijn bediening neder te leggen en gedurende twee jaren een ambteloos leven te leiden. Een man van zijne begaafdheden kon echter moeilijk ontbeerd worden, en nu, onder de bestaande omstandigheden, de baan der godgeleerdheid voor hem gesloten scheen, werd hem het Hoogleeraarsambt in de welsprekendheid door de verzorgers der Leydsche Hooge Schole opgedragen. Hoe hoog inmiddels zijn roem ook buiten ’s Lands gestegen was, bleek daaruit, dat, in 1626, van de zijde der Engelschen alle pogingen in ’t werk gesteld werden, om hem aan de Hooge-school van Kantelberg te verbinden. Maar ook de schoonste aanbiedingen konden hem niet bewegen, zijn Vaderland te verlaten. In weêrwil hy aldus de hem gedane voorstellen afsloeg, was de achting, welke men hem in Engeland toedroeg, zoo algemeen, dat, toen hy in 1629 dat Rijk bezocht, koning Karel I. hem het Kanonikaat by de Kantelbergsche abdyliet opdragen en daarby het zeldzame voorrecht, om de inkomsten, daaraan verbonden, te genieten, zonder dat hy er Holland voor behoefde te verlaten.Het was gedurende zijn verblijf te Leyden, dat Vossius zijn Kort Begrip der Rhetorica en zijn Latijnsche en Grieksche Spraakkunst uitgaf, werken, aan wier herziening en verbetering hy tot aan zijn dood arbeidde, en waaruit, gedurende meer dan twee eeuwen, de jeugd, zoo hier als elders, haar eerste kennis dier vakken heeft opgedaan. Nog gedurende hetzelfde tijdvak zond hy zeven boeken over de Grieksche en Latijnsche Historieschrijvers in het licht en Rhetorische Kommentariën, die hy opdroeg aan de Staten van Holland.Eerlang, en wel in 1632, werd hy tot een nieuwen werkkring geroepen, en wel om het Professoraat in de geschiedenis te bekleeden aan het onlangs opgerichte Atheneum, te Amsterdam. Hy begaf zich derwaarts, en niet minder schitterend dan te voren was ook hier de roem, die van hem uitging, en die nog grootere uitbreiding ontfing, toen eerlang zijn kinderen dien achtereenvolgens met hem deelden, ja sommigen daarvan hem dreigden naar de kroon te steken. Zeldzamer en tevens schooner verschijnsel kon er wel niet worden ontmoet, dan zich voordeed in de woning van Vossius, waar de vader des huisgezins als een licht van Europa werd beschouwd, en er onder acht kinderen niet een was, die niet door ongewone gaven des geestes uitblonk, terwijl velen reeds als wonderen van hun tijd werden aangemerkt. Men oordeele.Johannes, de oudste, in 1605 geboren, behoorde tot die vernuften, die zich door veelzijdigheid onderscheiden, en wat zy by de hand nemen met snelheid meester worden. In wis-, kruid- en ontleedkunde bedreven, had hy die studiën laten varen, om zich op de godgeleerdheid toe te leggen; doch zich vervolgens tot de rechten gewend hebbende was hy in 1634 als Advokaat Fiskaal naar de Indiën vertrokken.De tweede zoon, Franciskus, drie jaren later, en, gelijk de volgenden, uit een andere moeder geboren, had te ’s Gravenhage met ongewonen lof het beroep van pleitbezorger uitgeoefend, doch daarom de letteren niet verwaarloosd, zoo als uit de Latijnsche gedichten, die hy naliet, blijkt.Op hen volgde Mattheus, in 1610 geboren. Na schitterende studiën te Leyden volbracht te hebben, was zijn smaak inzonderheid gevallen op de beoefening der geschiedenis. In 1635 gaf hy het Eerste Deel uit der Jaarboeken van Holland en Zeeland, geschreven in LiviaanschLatijn. Hoogen lof droeg deze arbeid weg by de Staten der beide Gewesten, die hem met een rijk geschenk beloonden, en hem, toen het Tweede Deel, mede, als het vorige, uit vijf boeken bestaande, zes jaren later uitkwam, tot hun historieschrijver benoemden.Met schitterenden glans blonk boven zijn oudere broeders de vierde, Dionys, die in 1612 geboren was. Reeds als kind in ’t Latijn en Grieksch bedreven, had hy op zijn veertiende jaar de Hebreeuwsche, Kaldeeuwsche, Arameesche en Arabische talen geleerd, op zijn zestiende het Lexicon van Rafelengius vermeerderd, vervolgens zich op ’t Armenisch en Ethiopisch toegelegd, en de Talmudische en Rabbijnsche schriften doorwroet; terwijl hy eerlang, onder andere werken, een Latijnsche vertaling uitgaf van Maimonides. De Regeering van Amsterdam had hem, die bovendien in byna geen nieuwe taal onkundig was, aan ’t hoofd der stads-boekery gesteld, en heel Europa weêrklonk van zijn roem.Niet minder belezen, niet minder werkzaam, waren Izaak en Gerard, gene in 1618, deze in 1619 geboren, en terwijl de eerstgenoemde zich reeds vroeg als vlijtig navorscher van handschriften onderscheidde, leverde Gerard nog vóór zijn twintigste jaar een keurige uitgave van Vellejus Paterculus envervaardigdeaanteekeningen op Valerius Flakkus en Censorinus. Hoe anderen, hoe b. v. Vondel, over Izaak dachten, zullen wy straks vermelden; van Gerard getuigde de dichter:Verstant, in honighraat gedoopt,Geleertheid, daar al ’t huis op hoopt,HadtGeeraert, die zoo vroeghZijn broeders overwoeghEn dreighde alreê des Vaders faemEn vlught te volgen, als zijn naem.Niet minder dan de zonen, onderscheidden zich de dochteren. Zoo wel Kornelia, die in 1613, als Johanna, die in 1622 geboren was, blonken uit door bevallige schoonheid, vroomheid van inborst, reinheid van zeden en innemend vernuft. Wisten beiden met pen en borduurnaald op kunstige wijze om te gaan, meer dan gewoonlijk was Kornelia in de muzijk, Johanna in de schilderkunst bedreven. Met gemak en bevalligheid spraken zy de Fransche, Italiaansche en Spaansche talen, en waren met de Latijnsche gemeenzaam; terwijl nog bovendien de oudste der meisjens met ongemeene wakkerheid het huisbestier bleef voeren.Kan er schooner, kan er gelukkiger toestand worden uitgedacht, dan waarin Vossius en zijn huisvrouw, de dochter der Juniussen, zich bevonden?—Voorspoed, gezondheid, roem, huislijk heil, glansrijke uitzichten in de toekomst, niets ontbrak hun: maar—onbestendigheid der aardsche dingen!—hoe weinige jaren verliepen er, en niets dan puinhoopen waren er gebleven van het gebouw, dat zoo duurzaam gegrondvest scheen.De eerste slag was niet de minst treffende. Dionys, wiens naam zoo vroeg reeds geheel Europa doorklonken had, die door den vermaarden Poolschen reiziger Kristoffel Slupeski was uitgenoodigd geworden, hem als tolk op een reis naar Konstantinopel en Klein-Aziën te vergezellen—een aanbod ’twelk alleen om den te jeugdigen leeftijd des jongelings niet was aangenomen—die vervolgens, zoo naar Engeland als naar Zweden als hoogleeraar, en, toen hy hier geen gehoor aan gaf, als geschiedschrijver van Gustaaf Adolf naar ’t Noorden geroepen was, werd, toen hy op het punt stond, deze laatste betrekking te gaan vervullen, op een-en-twintigjarigen leeftijd door de kinderziekte aangetast, die hem den 25 November 1633 van deze aarde rukte.—Men weet, in hoe aandoenlijk schoone vaerzen Vondel den wreeden slag bezong, die Vossius trof. „Wat,” schreef hy aan Van Baerle,Wat gaat het sterflot over,Dat het de beste loverVan Febus lauwer schent!Of trof hem ’t heiloos weder,Omdat de Zweedsche vederZijn hant was toebetrouwt,Die, zwanger van history,Gustaefs verdiende gloryBeschrijven woû met gout?Of kon de nijd niet lijenDat hem de Teems quam vrijen,Of dat hy docht te treênIn onze Fredrix laerzenMet zoete vredevaerzenAls in triomf voorheen?enz.En wie kent de heerlijke koepletten niet, die hy den troostloozen vader ter vertroosting toezond:Wat treurt ge, hooghgeleerde VosEn fronst het voorhooft van verdriet?Beny uw zoon den hemel niet,De hemel trekt: ay, laet hem los.Ay, staeck dees ydle tranen wat,En offer, welgetroost en bly,Den allerbesten vader vryHet puick van uwen aertschen schat.Men klaeght, indien de kiele strant,Maer niet, wanneer ze, rijck gelaen,Uit den verbolgen OceaenIn een behoude haven lant.Men klaeght, wanneer de balssem stortOm ’t spillen van den dieren reuck,Maar niet, zoo ’t glas bekomt een breuckAls ’t edel nat geborgen wort.enz.Naauwlijks was wel niet de wonde des harten geheeld, maar toch de uiterlijke rouw over ’s jongelings dood voorby, toen een treurmaar het ouderhart op nieuw deed bloeden. Johannes, voor wien zich op Java de glansrijkste uitzichten openden, was, in 1635, een jaar na zijn komst aldaar, bezweken.Mocht het gemis van den afwezige minder gevoeld worden, te treffender zoû alras het verlies zijn van haar, die de vreugd, de lust, de ziel was van geheel het huisgezin. Op den 28 January 1638, waren de beide dochters van Vossius, met haar broeder Mattheus, haar oom Junius, een zoon van den Poolschen gezant en diens leermeester, naar Leyden gereden. By ’t overtrekken van het bevroren Leydsche meer, dat sterk genoeg was om de zwaarste wagens te dragen, geraakte hun voertuig, door de onvoorzichtigheid van den voerman, van de baan op een min veilige plek, en zakte door het ijs: allen kwamen er met den schrik af; alleen Kornelia werd niet dan levenloos uit het kille water opgehaald.„Een oogenblik,” zong Vondel haar, in een droeve weeklacht toe,Een oogenblick heeft zoo veel gaven,Gedaelt van ’t hemelsch paradijs,Op u verslingert, in het ijsEn sneeuw, op ’t onverzienst begraven:Een waterslang verbeet die bloemVan onze jeught, der maegden roem.Nu zwijgen al uw schelle snaren,d’Yvoire fluit, de zoete keel,Daer ’s vryers goddelijkste deel,De ziele om hoogh op plagh te varen,Toen zy ten ooren uitgelockt,Gy haer tot in den hemel trockt.Uw onvolwrochte beelden treurenEn roepen al: ick sterf, ick sterf!Papier, panneel verschiet zijn verf,Men ziet geen leven in de kleurenVan uw tapijten, met de naeltEn zijde naer de kunst gemaelt.Nuzult gegeest noch wijsheit zoeckenIn ’t Neêrduitsch, Fransch of in Toskaensch,Noch u vermaeken in het SpaenschEn lezen ’t keurighst uit de boecken;Of ’t antwoort geven op ’t LatijnIn Duitsch als u gevraeght zal zijn.enz.Maar nog was met deze offers, aan het ouderhart ontscheurd, de onverbidlijke dood niet te vrede. Twee jaren waren wederom verloopen, toen de pest in ’t huis van Vossius kwam woeden, en, weinige dagen achter elkander, Johanna en Gerard ten grave sleepte.Franciskus had der praktijk vaarwel gezegd, en te Amsterdam in het thands byna ontvolkte ouderlijke huis zijn oude plaats weder ingenomen. Hy scheen er enkel gekomen, om den rouw nog te vermeerderen. Door een kwijnende ziekte aangetast, bezweek hy in December 1645.Drie maanden later werd Mattheus, die nu het Derde Deel zijner Jaarboeken uitgegeven, en het Vierde omtrent voltooid had, door een plotslinge ongesteldheid overvallen, en op 22 Maart aan de zijnen ontrukt. Van de acht kinderen, waar Vossius op boogde, was er, toen hy in 1649 uit de waereld scheidde, slechts één meer in leven: en die eene, Izaak, kon niet aan zijns vaders sterfbed staan, om hem de oogen te sluiten. Rusteloos en zwerfziek van aart, had hy overal in ’t beschaafd Europa de voornaamste boekeryen bezocht, om merkwaardige handschriften op te sporen en onderling of met de uitgaven te vergelijken. In 1645 in ’t vaderland teruggekeerd, om Mattheus als stadsbibliothecaris en geschiedschrijver der Staten op te volgen, had hy zich in 1648 naar Zweden begeven, waar koningin Kristina hem ontbood. „O Izak!” riep, na zijns vaders dood, hem Vondel toe,O Izak! eenigh pantVan Vossius, gy die zoo verreOm ’t licht der koninklijke sterreVerliet uw vaderlant;Verlaet om ons de kroon van Zweden!Gy kunt uws vaders stoel herkleden,Zijn doorgeleert gebouwVan schriften voort in top voltreckenEn moeders hart ten balsem streckenDie anders smilt van rouw.Izaak voldeed aan die uitnoodiging niet: hy toog naar Engeland, waar hy zijn verdere dagen sleet. Maar al was het aan hem-alleen onder de kinderen van Vossius beschoren, tot in hoog gevorderden leeftijd, door tal van schriften, van den omvang zijner kennis te doen blijken, de glans blijft daarom onverminderd, die in het tijdvak, dat wy voorstellen, het huis van Vossius omstraalde, en schaars zullen de jaarboeken der waereld een tweede voorbeeld geven van een gezin, waarvan de leden in zulk een aantal en zoo treflijk uitblonken op het veld der wetenschap. Stierven de meesten jong, niet een daalde onberoemd ten grave, en, wanneer wy nagaan, hoeveel zy ongetwijfeld aan het voorbeeld en de opleiding van hun vader te danken hadden gehad, dan mogen wy daar eenigzins uit opmaken, hoe voortreflijk in ’t algemeen het onderwijs van Vossius en hoe weldadig zijn invloed op zijn talrijke leerlingen geweest moet zijn, ja, op de geheele wetenschaplijke ontwikkeling in Frederik Hendriks eeuw.Wy besluiten met de bekende, doch altijd even lezenswaardige regels, welke Vondel schreef onder het afbeeldsel zijns grijzen vriends, vervaardigd door Sandrart:Laat sestigh winters vry dat Vossenhooft besneeuwen;Noch grijzer is het brein dan ’t grijze hair op ’t hooft:Dat brein draeght heugenis van meer dan vijftigh eeuwenEn al heur wetenschap, in boeken afgeslooft.Sandrart, beschans hem niet met boeken, en met blaeren;Al wat in boeken steekt, is in dat hooft gevaeren.

GERARDUS JOHANNES VOSSIUS.

Had de zestiende Eeuw de wedergeboorte der letteren aanschouwd, in de zeventiende mocht het nieuw ontgonnen veld geheel in staat geächt worden, de noeste vlijt der arbeiders met rijken overvloed van voedzame vruchten te loonen. Maar toch lag er nog hier en ginds een akker onbebouwd, nog was op menige plaats onkruid onder de tarwe gebleven, en, hetgeen de voorgangers verricht hadden, toonde gedurig meer en meer aan, hoeveel er nog voor hen, die later kwamen, te verrichten overbleef.Gerardus Johannes Vossius.W. P. Hoevenaar, delSteendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Gerardus Johannes Vossius.De verkregen uitkomsten, naarmate zy heerlijker waren, wekten te meer het verlangen op naar nieuwere en nog betere, en met onafgebroken yver werd de taak der Erasmussen, der Scaligers, der Casaubonussen, voortgezet. Vond de klassieke oudheid overal in Europa tolken en vereerders, Nederland inzonderheid was de plaats, waar zy beoefend werd en van waar het licht uitging, dat, aan haar fakkel ontstoken, zijn stralen over Europa verspreidde: en onder hen, die in Nederland gedurende het tijdvak van Frederik Hendrik hun leven aan de bevordering der echte wetenschap toewijdden, was er niet een, wiens verdiensten meer algemeen erkend en gewaardeerd werden, wiens invloed op de studie der Grieksche en Latijnsche talen en al wat daarmede in verband staat, gewichtiger en duurzamer was, dan Gerardus Johannes Vossius.In 1577, te Heidelberg, doch uit ouders van Geldersche afkomst, geboren, en reeds in zijn eerste levensjaar met hen in Holland gekomen, had hy beiden als kind verloren, en was door de zorg van trouwe verwanten verpleegd. Aan de Latijnsche schole te Dordrecht opgekweekt, had hy zich spoedig met de eigenschappen en den zwier der oude talengemeenzaam gemaakt, en dien smaak voor welsprekendheid en dichtkunst aan den dag gelegd, die door oefening gezuiverd, maar niet verkregen wordt. Later te Leyden het meesterschap in de vrije kunsten en in de wijsbegeerte verworven hebbende, gaf hy, op naauwlijks een-en-twintig-jaren ouderdom, aldaar, zoo in ’t openbaar als in ’t byzonder, lessen over de werken van Aristoteles, toen hy naar de Schole, die hy te Dordrecht verlaten had, werd teruggeroepen, maar thands om er het opengevallen Rektoraat te aanvaarden, welke betrekking hy vijftien jaar bekleedde. Niet minder steeg zijn roem, na dat hy, in 1606, zes boeken over de Redekunst had uitgegeven, een werk, waarvan Casaubonus en Scaliger getuigden, dat zelfs de ouden niets keurigers geschreven hadden.Werd Vossius als Rhetor, niet minder werd hy als Godgeleerde geroemd, en hem in 1615 een leerstoel als zoodanig te Steinfurt opgedragen. Wellicht had hy aan die roepstem gehoor gegeven; maar De Groot wenschte hem aan het hoofd van het Theologisch kollegie te Leyden, en Vossius begaf zich in die hoedanigheid derwaarts, hierin meer der aansporing van anderen gehoor gevende dan zijner eigen begeerte. Vier moeilijke jaren bracht hy in zijn nieuwe betrekking door, en moest in die dagen van Staats- en Kerkelijke twisten, het gevaar ondervinden, dat er in gelegen was, de hartelijke vriend van De Groot te zijn. De geschiedenis der Pelagianen, op raad van dezen geschreven, verwierf hem, ja, toejuiching van de eene, maar haat en vervolging van de andere, nu bovendrijvende, zijde, en de omstandigheden noopten hem, in 1619, zijn bediening neder te leggen en gedurende twee jaren een ambteloos leven te leiden. Een man van zijne begaafdheden kon echter moeilijk ontbeerd worden, en nu, onder de bestaande omstandigheden, de baan der godgeleerdheid voor hem gesloten scheen, werd hem het Hoogleeraarsambt in de welsprekendheid door de verzorgers der Leydsche Hooge Schole opgedragen. Hoe hoog inmiddels zijn roem ook buiten ’s Lands gestegen was, bleek daaruit, dat, in 1626, van de zijde der Engelschen alle pogingen in ’t werk gesteld werden, om hem aan de Hooge-school van Kantelberg te verbinden. Maar ook de schoonste aanbiedingen konden hem niet bewegen, zijn Vaderland te verlaten. In weêrwil hy aldus de hem gedane voorstellen afsloeg, was de achting, welke men hem in Engeland toedroeg, zoo algemeen, dat, toen hy in 1629 dat Rijk bezocht, koning Karel I. hem het Kanonikaat by de Kantelbergsche abdyliet opdragen en daarby het zeldzame voorrecht, om de inkomsten, daaraan verbonden, te genieten, zonder dat hy er Holland voor behoefde te verlaten.Het was gedurende zijn verblijf te Leyden, dat Vossius zijn Kort Begrip der Rhetorica en zijn Latijnsche en Grieksche Spraakkunst uitgaf, werken, aan wier herziening en verbetering hy tot aan zijn dood arbeidde, en waaruit, gedurende meer dan twee eeuwen, de jeugd, zoo hier als elders, haar eerste kennis dier vakken heeft opgedaan. Nog gedurende hetzelfde tijdvak zond hy zeven boeken over de Grieksche en Latijnsche Historieschrijvers in het licht en Rhetorische Kommentariën, die hy opdroeg aan de Staten van Holland.Eerlang, en wel in 1632, werd hy tot een nieuwen werkkring geroepen, en wel om het Professoraat in de geschiedenis te bekleeden aan het onlangs opgerichte Atheneum, te Amsterdam. Hy begaf zich derwaarts, en niet minder schitterend dan te voren was ook hier de roem, die van hem uitging, en die nog grootere uitbreiding ontfing, toen eerlang zijn kinderen dien achtereenvolgens met hem deelden, ja sommigen daarvan hem dreigden naar de kroon te steken. Zeldzamer en tevens schooner verschijnsel kon er wel niet worden ontmoet, dan zich voordeed in de woning van Vossius, waar de vader des huisgezins als een licht van Europa werd beschouwd, en er onder acht kinderen niet een was, die niet door ongewone gaven des geestes uitblonk, terwijl velen reeds als wonderen van hun tijd werden aangemerkt. Men oordeele.Johannes, de oudste, in 1605 geboren, behoorde tot die vernuften, die zich door veelzijdigheid onderscheiden, en wat zy by de hand nemen met snelheid meester worden. In wis-, kruid- en ontleedkunde bedreven, had hy die studiën laten varen, om zich op de godgeleerdheid toe te leggen; doch zich vervolgens tot de rechten gewend hebbende was hy in 1634 als Advokaat Fiskaal naar de Indiën vertrokken.De tweede zoon, Franciskus, drie jaren later, en, gelijk de volgenden, uit een andere moeder geboren, had te ’s Gravenhage met ongewonen lof het beroep van pleitbezorger uitgeoefend, doch daarom de letteren niet verwaarloosd, zoo als uit de Latijnsche gedichten, die hy naliet, blijkt.Op hen volgde Mattheus, in 1610 geboren. Na schitterende studiën te Leyden volbracht te hebben, was zijn smaak inzonderheid gevallen op de beoefening der geschiedenis. In 1635 gaf hy het Eerste Deel uit der Jaarboeken van Holland en Zeeland, geschreven in LiviaanschLatijn. Hoogen lof droeg deze arbeid weg by de Staten der beide Gewesten, die hem met een rijk geschenk beloonden, en hem, toen het Tweede Deel, mede, als het vorige, uit vijf boeken bestaande, zes jaren later uitkwam, tot hun historieschrijver benoemden.Met schitterenden glans blonk boven zijn oudere broeders de vierde, Dionys, die in 1612 geboren was. Reeds als kind in ’t Latijn en Grieksch bedreven, had hy op zijn veertiende jaar de Hebreeuwsche, Kaldeeuwsche, Arameesche en Arabische talen geleerd, op zijn zestiende het Lexicon van Rafelengius vermeerderd, vervolgens zich op ’t Armenisch en Ethiopisch toegelegd, en de Talmudische en Rabbijnsche schriften doorwroet; terwijl hy eerlang, onder andere werken, een Latijnsche vertaling uitgaf van Maimonides. De Regeering van Amsterdam had hem, die bovendien in byna geen nieuwe taal onkundig was, aan ’t hoofd der stads-boekery gesteld, en heel Europa weêrklonk van zijn roem.Niet minder belezen, niet minder werkzaam, waren Izaak en Gerard, gene in 1618, deze in 1619 geboren, en terwijl de eerstgenoemde zich reeds vroeg als vlijtig navorscher van handschriften onderscheidde, leverde Gerard nog vóór zijn twintigste jaar een keurige uitgave van Vellejus Paterculus envervaardigdeaanteekeningen op Valerius Flakkus en Censorinus. Hoe anderen, hoe b. v. Vondel, over Izaak dachten, zullen wy straks vermelden; van Gerard getuigde de dichter:Verstant, in honighraat gedoopt,Geleertheid, daar al ’t huis op hoopt,HadtGeeraert, die zoo vroeghZijn broeders overwoeghEn dreighde alreê des Vaders faemEn vlught te volgen, als zijn naem.Niet minder dan de zonen, onderscheidden zich de dochteren. Zoo wel Kornelia, die in 1613, als Johanna, die in 1622 geboren was, blonken uit door bevallige schoonheid, vroomheid van inborst, reinheid van zeden en innemend vernuft. Wisten beiden met pen en borduurnaald op kunstige wijze om te gaan, meer dan gewoonlijk was Kornelia in de muzijk, Johanna in de schilderkunst bedreven. Met gemak en bevalligheid spraken zy de Fransche, Italiaansche en Spaansche talen, en waren met de Latijnsche gemeenzaam; terwijl nog bovendien de oudste der meisjens met ongemeene wakkerheid het huisbestier bleef voeren.Kan er schooner, kan er gelukkiger toestand worden uitgedacht, dan waarin Vossius en zijn huisvrouw, de dochter der Juniussen, zich bevonden?—Voorspoed, gezondheid, roem, huislijk heil, glansrijke uitzichten in de toekomst, niets ontbrak hun: maar—onbestendigheid der aardsche dingen!—hoe weinige jaren verliepen er, en niets dan puinhoopen waren er gebleven van het gebouw, dat zoo duurzaam gegrondvest scheen.De eerste slag was niet de minst treffende. Dionys, wiens naam zoo vroeg reeds geheel Europa doorklonken had, die door den vermaarden Poolschen reiziger Kristoffel Slupeski was uitgenoodigd geworden, hem als tolk op een reis naar Konstantinopel en Klein-Aziën te vergezellen—een aanbod ’twelk alleen om den te jeugdigen leeftijd des jongelings niet was aangenomen—die vervolgens, zoo naar Engeland als naar Zweden als hoogleeraar, en, toen hy hier geen gehoor aan gaf, als geschiedschrijver van Gustaaf Adolf naar ’t Noorden geroepen was, werd, toen hy op het punt stond, deze laatste betrekking te gaan vervullen, op een-en-twintigjarigen leeftijd door de kinderziekte aangetast, die hem den 25 November 1633 van deze aarde rukte.—Men weet, in hoe aandoenlijk schoone vaerzen Vondel den wreeden slag bezong, die Vossius trof. „Wat,” schreef hy aan Van Baerle,Wat gaat het sterflot over,Dat het de beste loverVan Febus lauwer schent!Of trof hem ’t heiloos weder,Omdat de Zweedsche vederZijn hant was toebetrouwt,Die, zwanger van history,Gustaefs verdiende gloryBeschrijven woû met gout?Of kon de nijd niet lijenDat hem de Teems quam vrijen,Of dat hy docht te treênIn onze Fredrix laerzenMet zoete vredevaerzenAls in triomf voorheen?enz.En wie kent de heerlijke koepletten niet, die hy den troostloozen vader ter vertroosting toezond:Wat treurt ge, hooghgeleerde VosEn fronst het voorhooft van verdriet?Beny uw zoon den hemel niet,De hemel trekt: ay, laet hem los.Ay, staeck dees ydle tranen wat,En offer, welgetroost en bly,Den allerbesten vader vryHet puick van uwen aertschen schat.Men klaeght, indien de kiele strant,Maer niet, wanneer ze, rijck gelaen,Uit den verbolgen OceaenIn een behoude haven lant.Men klaeght, wanneer de balssem stortOm ’t spillen van den dieren reuck,Maar niet, zoo ’t glas bekomt een breuckAls ’t edel nat geborgen wort.enz.Naauwlijks was wel niet de wonde des harten geheeld, maar toch de uiterlijke rouw over ’s jongelings dood voorby, toen een treurmaar het ouderhart op nieuw deed bloeden. Johannes, voor wien zich op Java de glansrijkste uitzichten openden, was, in 1635, een jaar na zijn komst aldaar, bezweken.Mocht het gemis van den afwezige minder gevoeld worden, te treffender zoû alras het verlies zijn van haar, die de vreugd, de lust, de ziel was van geheel het huisgezin. Op den 28 January 1638, waren de beide dochters van Vossius, met haar broeder Mattheus, haar oom Junius, een zoon van den Poolschen gezant en diens leermeester, naar Leyden gereden. By ’t overtrekken van het bevroren Leydsche meer, dat sterk genoeg was om de zwaarste wagens te dragen, geraakte hun voertuig, door de onvoorzichtigheid van den voerman, van de baan op een min veilige plek, en zakte door het ijs: allen kwamen er met den schrik af; alleen Kornelia werd niet dan levenloos uit het kille water opgehaald.„Een oogenblik,” zong Vondel haar, in een droeve weeklacht toe,Een oogenblick heeft zoo veel gaven,Gedaelt van ’t hemelsch paradijs,Op u verslingert, in het ijsEn sneeuw, op ’t onverzienst begraven:Een waterslang verbeet die bloemVan onze jeught, der maegden roem.Nu zwijgen al uw schelle snaren,d’Yvoire fluit, de zoete keel,Daer ’s vryers goddelijkste deel,De ziele om hoogh op plagh te varen,Toen zy ten ooren uitgelockt,Gy haer tot in den hemel trockt.Uw onvolwrochte beelden treurenEn roepen al: ick sterf, ick sterf!Papier, panneel verschiet zijn verf,Men ziet geen leven in de kleurenVan uw tapijten, met de naeltEn zijde naer de kunst gemaelt.Nuzult gegeest noch wijsheit zoeckenIn ’t Neêrduitsch, Fransch of in Toskaensch,Noch u vermaeken in het SpaenschEn lezen ’t keurighst uit de boecken;Of ’t antwoort geven op ’t LatijnIn Duitsch als u gevraeght zal zijn.enz.Maar nog was met deze offers, aan het ouderhart ontscheurd, de onverbidlijke dood niet te vrede. Twee jaren waren wederom verloopen, toen de pest in ’t huis van Vossius kwam woeden, en, weinige dagen achter elkander, Johanna en Gerard ten grave sleepte.Franciskus had der praktijk vaarwel gezegd, en te Amsterdam in het thands byna ontvolkte ouderlijke huis zijn oude plaats weder ingenomen. Hy scheen er enkel gekomen, om den rouw nog te vermeerderen. Door een kwijnende ziekte aangetast, bezweek hy in December 1645.Drie maanden later werd Mattheus, die nu het Derde Deel zijner Jaarboeken uitgegeven, en het Vierde omtrent voltooid had, door een plotslinge ongesteldheid overvallen, en op 22 Maart aan de zijnen ontrukt. Van de acht kinderen, waar Vossius op boogde, was er, toen hy in 1649 uit de waereld scheidde, slechts één meer in leven: en die eene, Izaak, kon niet aan zijns vaders sterfbed staan, om hem de oogen te sluiten. Rusteloos en zwerfziek van aart, had hy overal in ’t beschaafd Europa de voornaamste boekeryen bezocht, om merkwaardige handschriften op te sporen en onderling of met de uitgaven te vergelijken. In 1645 in ’t vaderland teruggekeerd, om Mattheus als stadsbibliothecaris en geschiedschrijver der Staten op te volgen, had hy zich in 1648 naar Zweden begeven, waar koningin Kristina hem ontbood. „O Izak!” riep, na zijns vaders dood, hem Vondel toe,O Izak! eenigh pantVan Vossius, gy die zoo verreOm ’t licht der koninklijke sterreVerliet uw vaderlant;Verlaet om ons de kroon van Zweden!Gy kunt uws vaders stoel herkleden,Zijn doorgeleert gebouwVan schriften voort in top voltreckenEn moeders hart ten balsem streckenDie anders smilt van rouw.Izaak voldeed aan die uitnoodiging niet: hy toog naar Engeland, waar hy zijn verdere dagen sleet. Maar al was het aan hem-alleen onder de kinderen van Vossius beschoren, tot in hoog gevorderden leeftijd, door tal van schriften, van den omvang zijner kennis te doen blijken, de glans blijft daarom onverminderd, die in het tijdvak, dat wy voorstellen, het huis van Vossius omstraalde, en schaars zullen de jaarboeken der waereld een tweede voorbeeld geven van een gezin, waarvan de leden in zulk een aantal en zoo treflijk uitblonken op het veld der wetenschap. Stierven de meesten jong, niet een daalde onberoemd ten grave, en, wanneer wy nagaan, hoeveel zy ongetwijfeld aan het voorbeeld en de opleiding van hun vader te danken hadden gehad, dan mogen wy daar eenigzins uit opmaken, hoe voortreflijk in ’t algemeen het onderwijs van Vossius en hoe weldadig zijn invloed op zijn talrijke leerlingen geweest moet zijn, ja, op de geheele wetenschaplijke ontwikkeling in Frederik Hendriks eeuw.Wy besluiten met de bekende, doch altijd even lezenswaardige regels, welke Vondel schreef onder het afbeeldsel zijns grijzen vriends, vervaardigd door Sandrart:Laat sestigh winters vry dat Vossenhooft besneeuwen;Noch grijzer is het brein dan ’t grijze hair op ’t hooft:Dat brein draeght heugenis van meer dan vijftigh eeuwenEn al heur wetenschap, in boeken afgeslooft.Sandrart, beschans hem niet met boeken, en met blaeren;Al wat in boeken steekt, is in dat hooft gevaeren.

Had de zestiende Eeuw de wedergeboorte der letteren aanschouwd, in de zeventiende mocht het nieuw ontgonnen veld geheel in staat geächt worden, de noeste vlijt der arbeiders met rijken overvloed van voedzame vruchten te loonen. Maar toch lag er nog hier en ginds een akker onbebouwd, nog was op menige plaats onkruid onder de tarwe gebleven, en, hetgeen de voorgangers verricht hadden, toonde gedurig meer en meer aan, hoeveel er nog voor hen, die later kwamen, te verrichten overbleef.

Gerardus Johannes Vossius.W. P. Hoevenaar, delSteendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Gerardus Johannes Vossius.

W. P. Hoevenaar, delSteendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Gerardus Johannes Vossius.

De verkregen uitkomsten, naarmate zy heerlijker waren, wekten te meer het verlangen op naar nieuwere en nog betere, en met onafgebroken yver werd de taak der Erasmussen, der Scaligers, der Casaubonussen, voortgezet. Vond de klassieke oudheid overal in Europa tolken en vereerders, Nederland inzonderheid was de plaats, waar zy beoefend werd en van waar het licht uitging, dat, aan haar fakkel ontstoken, zijn stralen over Europa verspreidde: en onder hen, die in Nederland gedurende het tijdvak van Frederik Hendrik hun leven aan de bevordering der echte wetenschap toewijdden, was er niet een, wiens verdiensten meer algemeen erkend en gewaardeerd werden, wiens invloed op de studie der Grieksche en Latijnsche talen en al wat daarmede in verband staat, gewichtiger en duurzamer was, dan Gerardus Johannes Vossius.

In 1577, te Heidelberg, doch uit ouders van Geldersche afkomst, geboren, en reeds in zijn eerste levensjaar met hen in Holland gekomen, had hy beiden als kind verloren, en was door de zorg van trouwe verwanten verpleegd. Aan de Latijnsche schole te Dordrecht opgekweekt, had hy zich spoedig met de eigenschappen en den zwier der oude talengemeenzaam gemaakt, en dien smaak voor welsprekendheid en dichtkunst aan den dag gelegd, die door oefening gezuiverd, maar niet verkregen wordt. Later te Leyden het meesterschap in de vrije kunsten en in de wijsbegeerte verworven hebbende, gaf hy, op naauwlijks een-en-twintig-jaren ouderdom, aldaar, zoo in ’t openbaar als in ’t byzonder, lessen over de werken van Aristoteles, toen hy naar de Schole, die hy te Dordrecht verlaten had, werd teruggeroepen, maar thands om er het opengevallen Rektoraat te aanvaarden, welke betrekking hy vijftien jaar bekleedde. Niet minder steeg zijn roem, na dat hy, in 1606, zes boeken over de Redekunst had uitgegeven, een werk, waarvan Casaubonus en Scaliger getuigden, dat zelfs de ouden niets keurigers geschreven hadden.

Werd Vossius als Rhetor, niet minder werd hy als Godgeleerde geroemd, en hem in 1615 een leerstoel als zoodanig te Steinfurt opgedragen. Wellicht had hy aan die roepstem gehoor gegeven; maar De Groot wenschte hem aan het hoofd van het Theologisch kollegie te Leyden, en Vossius begaf zich in die hoedanigheid derwaarts, hierin meer der aansporing van anderen gehoor gevende dan zijner eigen begeerte. Vier moeilijke jaren bracht hy in zijn nieuwe betrekking door, en moest in die dagen van Staats- en Kerkelijke twisten, het gevaar ondervinden, dat er in gelegen was, de hartelijke vriend van De Groot te zijn. De geschiedenis der Pelagianen, op raad van dezen geschreven, verwierf hem, ja, toejuiching van de eene, maar haat en vervolging van de andere, nu bovendrijvende, zijde, en de omstandigheden noopten hem, in 1619, zijn bediening neder te leggen en gedurende twee jaren een ambteloos leven te leiden. Een man van zijne begaafdheden kon echter moeilijk ontbeerd worden, en nu, onder de bestaande omstandigheden, de baan der godgeleerdheid voor hem gesloten scheen, werd hem het Hoogleeraarsambt in de welsprekendheid door de verzorgers der Leydsche Hooge Schole opgedragen. Hoe hoog inmiddels zijn roem ook buiten ’s Lands gestegen was, bleek daaruit, dat, in 1626, van de zijde der Engelschen alle pogingen in ’t werk gesteld werden, om hem aan de Hooge-school van Kantelberg te verbinden. Maar ook de schoonste aanbiedingen konden hem niet bewegen, zijn Vaderland te verlaten. In weêrwil hy aldus de hem gedane voorstellen afsloeg, was de achting, welke men hem in Engeland toedroeg, zoo algemeen, dat, toen hy in 1629 dat Rijk bezocht, koning Karel I. hem het Kanonikaat by de Kantelbergsche abdyliet opdragen en daarby het zeldzame voorrecht, om de inkomsten, daaraan verbonden, te genieten, zonder dat hy er Holland voor behoefde te verlaten.

Het was gedurende zijn verblijf te Leyden, dat Vossius zijn Kort Begrip der Rhetorica en zijn Latijnsche en Grieksche Spraakkunst uitgaf, werken, aan wier herziening en verbetering hy tot aan zijn dood arbeidde, en waaruit, gedurende meer dan twee eeuwen, de jeugd, zoo hier als elders, haar eerste kennis dier vakken heeft opgedaan. Nog gedurende hetzelfde tijdvak zond hy zeven boeken over de Grieksche en Latijnsche Historieschrijvers in het licht en Rhetorische Kommentariën, die hy opdroeg aan de Staten van Holland.

Eerlang, en wel in 1632, werd hy tot een nieuwen werkkring geroepen, en wel om het Professoraat in de geschiedenis te bekleeden aan het onlangs opgerichte Atheneum, te Amsterdam. Hy begaf zich derwaarts, en niet minder schitterend dan te voren was ook hier de roem, die van hem uitging, en die nog grootere uitbreiding ontfing, toen eerlang zijn kinderen dien achtereenvolgens met hem deelden, ja sommigen daarvan hem dreigden naar de kroon te steken. Zeldzamer en tevens schooner verschijnsel kon er wel niet worden ontmoet, dan zich voordeed in de woning van Vossius, waar de vader des huisgezins als een licht van Europa werd beschouwd, en er onder acht kinderen niet een was, die niet door ongewone gaven des geestes uitblonk, terwijl velen reeds als wonderen van hun tijd werden aangemerkt. Men oordeele.

Johannes, de oudste, in 1605 geboren, behoorde tot die vernuften, die zich door veelzijdigheid onderscheiden, en wat zy by de hand nemen met snelheid meester worden. In wis-, kruid- en ontleedkunde bedreven, had hy die studiën laten varen, om zich op de godgeleerdheid toe te leggen; doch zich vervolgens tot de rechten gewend hebbende was hy in 1634 als Advokaat Fiskaal naar de Indiën vertrokken.

De tweede zoon, Franciskus, drie jaren later, en, gelijk de volgenden, uit een andere moeder geboren, had te ’s Gravenhage met ongewonen lof het beroep van pleitbezorger uitgeoefend, doch daarom de letteren niet verwaarloosd, zoo als uit de Latijnsche gedichten, die hy naliet, blijkt.

Op hen volgde Mattheus, in 1610 geboren. Na schitterende studiën te Leyden volbracht te hebben, was zijn smaak inzonderheid gevallen op de beoefening der geschiedenis. In 1635 gaf hy het Eerste Deel uit der Jaarboeken van Holland en Zeeland, geschreven in LiviaanschLatijn. Hoogen lof droeg deze arbeid weg by de Staten der beide Gewesten, die hem met een rijk geschenk beloonden, en hem, toen het Tweede Deel, mede, als het vorige, uit vijf boeken bestaande, zes jaren later uitkwam, tot hun historieschrijver benoemden.

Met schitterenden glans blonk boven zijn oudere broeders de vierde, Dionys, die in 1612 geboren was. Reeds als kind in ’t Latijn en Grieksch bedreven, had hy op zijn veertiende jaar de Hebreeuwsche, Kaldeeuwsche, Arameesche en Arabische talen geleerd, op zijn zestiende het Lexicon van Rafelengius vermeerderd, vervolgens zich op ’t Armenisch en Ethiopisch toegelegd, en de Talmudische en Rabbijnsche schriften doorwroet; terwijl hy eerlang, onder andere werken, een Latijnsche vertaling uitgaf van Maimonides. De Regeering van Amsterdam had hem, die bovendien in byna geen nieuwe taal onkundig was, aan ’t hoofd der stads-boekery gesteld, en heel Europa weêrklonk van zijn roem.

Niet minder belezen, niet minder werkzaam, waren Izaak en Gerard, gene in 1618, deze in 1619 geboren, en terwijl de eerstgenoemde zich reeds vroeg als vlijtig navorscher van handschriften onderscheidde, leverde Gerard nog vóór zijn twintigste jaar een keurige uitgave van Vellejus Paterculus envervaardigdeaanteekeningen op Valerius Flakkus en Censorinus. Hoe anderen, hoe b. v. Vondel, over Izaak dachten, zullen wy straks vermelden; van Gerard getuigde de dichter:

Verstant, in honighraat gedoopt,Geleertheid, daar al ’t huis op hoopt,HadtGeeraert, die zoo vroeghZijn broeders overwoeghEn dreighde alreê des Vaders faemEn vlught te volgen, als zijn naem.

Verstant, in honighraat gedoopt,

Geleertheid, daar al ’t huis op hoopt,

HadtGeeraert, die zoo vroegh

Zijn broeders overwoegh

En dreighde alreê des Vaders faem

En vlught te volgen, als zijn naem.

Niet minder dan de zonen, onderscheidden zich de dochteren. Zoo wel Kornelia, die in 1613, als Johanna, die in 1622 geboren was, blonken uit door bevallige schoonheid, vroomheid van inborst, reinheid van zeden en innemend vernuft. Wisten beiden met pen en borduurnaald op kunstige wijze om te gaan, meer dan gewoonlijk was Kornelia in de muzijk, Johanna in de schilderkunst bedreven. Met gemak en bevalligheid spraken zy de Fransche, Italiaansche en Spaansche talen, en waren met de Latijnsche gemeenzaam; terwijl nog bovendien de oudste der meisjens met ongemeene wakkerheid het huisbestier bleef voeren.

Kan er schooner, kan er gelukkiger toestand worden uitgedacht, dan waarin Vossius en zijn huisvrouw, de dochter der Juniussen, zich bevonden?—Voorspoed, gezondheid, roem, huislijk heil, glansrijke uitzichten in de toekomst, niets ontbrak hun: maar—onbestendigheid der aardsche dingen!—hoe weinige jaren verliepen er, en niets dan puinhoopen waren er gebleven van het gebouw, dat zoo duurzaam gegrondvest scheen.

De eerste slag was niet de minst treffende. Dionys, wiens naam zoo vroeg reeds geheel Europa doorklonken had, die door den vermaarden Poolschen reiziger Kristoffel Slupeski was uitgenoodigd geworden, hem als tolk op een reis naar Konstantinopel en Klein-Aziën te vergezellen—een aanbod ’twelk alleen om den te jeugdigen leeftijd des jongelings niet was aangenomen—die vervolgens, zoo naar Engeland als naar Zweden als hoogleeraar, en, toen hy hier geen gehoor aan gaf, als geschiedschrijver van Gustaaf Adolf naar ’t Noorden geroepen was, werd, toen hy op het punt stond, deze laatste betrekking te gaan vervullen, op een-en-twintigjarigen leeftijd door de kinderziekte aangetast, die hem den 25 November 1633 van deze aarde rukte.—Men weet, in hoe aandoenlijk schoone vaerzen Vondel den wreeden slag bezong, die Vossius trof. „Wat,” schreef hy aan Van Baerle,

Wat gaat het sterflot over,Dat het de beste loverVan Febus lauwer schent!Of trof hem ’t heiloos weder,Omdat de Zweedsche vederZijn hant was toebetrouwt,Die, zwanger van history,Gustaefs verdiende gloryBeschrijven woû met gout?Of kon de nijd niet lijenDat hem de Teems quam vrijen,Of dat hy docht te treênIn onze Fredrix laerzenMet zoete vredevaerzenAls in triomf voorheen?

Wat gaat het sterflot over,Dat het de beste loverVan Febus lauwer schent!

Wat gaat het sterflot over,

Dat het de beste lover

Van Febus lauwer schent!

Of trof hem ’t heiloos weder,Omdat de Zweedsche vederZijn hant was toebetrouwt,Die, zwanger van history,Gustaefs verdiende gloryBeschrijven woû met gout?

Of trof hem ’t heiloos weder,

Omdat de Zweedsche veder

Zijn hant was toebetrouwt,

Die, zwanger van history,

Gustaefs verdiende glory

Beschrijven woû met gout?

Of kon de nijd niet lijenDat hem de Teems quam vrijen,Of dat hy docht te treênIn onze Fredrix laerzenMet zoete vredevaerzenAls in triomf voorheen?

Of kon de nijd niet lijen

Dat hem de Teems quam vrijen,

Of dat hy docht te treên

In onze Fredrix laerzen

Met zoete vredevaerzen

Als in triomf voorheen?

enz.

En wie kent de heerlijke koepletten niet, die hy den troostloozen vader ter vertroosting toezond:

Wat treurt ge, hooghgeleerde VosEn fronst het voorhooft van verdriet?Beny uw zoon den hemel niet,De hemel trekt: ay, laet hem los.Ay, staeck dees ydle tranen wat,En offer, welgetroost en bly,Den allerbesten vader vryHet puick van uwen aertschen schat.Men klaeght, indien de kiele strant,Maer niet, wanneer ze, rijck gelaen,Uit den verbolgen OceaenIn een behoude haven lant.Men klaeght, wanneer de balssem stortOm ’t spillen van den dieren reuck,Maar niet, zoo ’t glas bekomt een breuckAls ’t edel nat geborgen wort.

Wat treurt ge, hooghgeleerde VosEn fronst het voorhooft van verdriet?Beny uw zoon den hemel niet,De hemel trekt: ay, laet hem los.

Wat treurt ge, hooghgeleerde Vos

En fronst het voorhooft van verdriet?

Beny uw zoon den hemel niet,

De hemel trekt: ay, laet hem los.

Ay, staeck dees ydle tranen wat,En offer, welgetroost en bly,Den allerbesten vader vryHet puick van uwen aertschen schat.

Ay, staeck dees ydle tranen wat,

En offer, welgetroost en bly,

Den allerbesten vader vry

Het puick van uwen aertschen schat.

Men klaeght, indien de kiele strant,Maer niet, wanneer ze, rijck gelaen,Uit den verbolgen OceaenIn een behoude haven lant.

Men klaeght, indien de kiele strant,

Maer niet, wanneer ze, rijck gelaen,

Uit den verbolgen Oceaen

In een behoude haven lant.

Men klaeght, wanneer de balssem stortOm ’t spillen van den dieren reuck,Maar niet, zoo ’t glas bekomt een breuckAls ’t edel nat geborgen wort.

Men klaeght, wanneer de balssem stort

Om ’t spillen van den dieren reuck,

Maar niet, zoo ’t glas bekomt een breuck

Als ’t edel nat geborgen wort.

enz.

Naauwlijks was wel niet de wonde des harten geheeld, maar toch de uiterlijke rouw over ’s jongelings dood voorby, toen een treurmaar het ouderhart op nieuw deed bloeden. Johannes, voor wien zich op Java de glansrijkste uitzichten openden, was, in 1635, een jaar na zijn komst aldaar, bezweken.

Mocht het gemis van den afwezige minder gevoeld worden, te treffender zoû alras het verlies zijn van haar, die de vreugd, de lust, de ziel was van geheel het huisgezin. Op den 28 January 1638, waren de beide dochters van Vossius, met haar broeder Mattheus, haar oom Junius, een zoon van den Poolschen gezant en diens leermeester, naar Leyden gereden. By ’t overtrekken van het bevroren Leydsche meer, dat sterk genoeg was om de zwaarste wagens te dragen, geraakte hun voertuig, door de onvoorzichtigheid van den voerman, van de baan op een min veilige plek, en zakte door het ijs: allen kwamen er met den schrik af; alleen Kornelia werd niet dan levenloos uit het kille water opgehaald.

„Een oogenblik,” zong Vondel haar, in een droeve weeklacht toe,

Een oogenblick heeft zoo veel gaven,Gedaelt van ’t hemelsch paradijs,Op u verslingert, in het ijsEn sneeuw, op ’t onverzienst begraven:Een waterslang verbeet die bloemVan onze jeught, der maegden roem.Nu zwijgen al uw schelle snaren,d’Yvoire fluit, de zoete keel,Daer ’s vryers goddelijkste deel,De ziele om hoogh op plagh te varen,Toen zy ten ooren uitgelockt,Gy haer tot in den hemel trockt.Uw onvolwrochte beelden treurenEn roepen al: ick sterf, ick sterf!Papier, panneel verschiet zijn verf,Men ziet geen leven in de kleurenVan uw tapijten, met de naeltEn zijde naer de kunst gemaelt.Nuzult gegeest noch wijsheit zoeckenIn ’t Neêrduitsch, Fransch of in Toskaensch,Noch u vermaeken in het SpaenschEn lezen ’t keurighst uit de boecken;Of ’t antwoort geven op ’t LatijnIn Duitsch als u gevraeght zal zijn.

Een oogenblick heeft zoo veel gaven,Gedaelt van ’t hemelsch paradijs,Op u verslingert, in het ijsEn sneeuw, op ’t onverzienst begraven:Een waterslang verbeet die bloemVan onze jeught, der maegden roem.

Een oogenblick heeft zoo veel gaven,

Gedaelt van ’t hemelsch paradijs,

Op u verslingert, in het ijs

En sneeuw, op ’t onverzienst begraven:

Een waterslang verbeet die bloem

Van onze jeught, der maegden roem.

Nu zwijgen al uw schelle snaren,d’Yvoire fluit, de zoete keel,Daer ’s vryers goddelijkste deel,De ziele om hoogh op plagh te varen,Toen zy ten ooren uitgelockt,Gy haer tot in den hemel trockt.

Nu zwijgen al uw schelle snaren,

d’Yvoire fluit, de zoete keel,

Daer ’s vryers goddelijkste deel,

De ziele om hoogh op plagh te varen,

Toen zy ten ooren uitgelockt,

Gy haer tot in den hemel trockt.

Uw onvolwrochte beelden treurenEn roepen al: ick sterf, ick sterf!Papier, panneel verschiet zijn verf,Men ziet geen leven in de kleurenVan uw tapijten, met de naeltEn zijde naer de kunst gemaelt.

Uw onvolwrochte beelden treuren

En roepen al: ick sterf, ick sterf!

Papier, panneel verschiet zijn verf,

Men ziet geen leven in de kleuren

Van uw tapijten, met de naelt

En zijde naer de kunst gemaelt.

Nuzult gegeest noch wijsheit zoeckenIn ’t Neêrduitsch, Fransch of in Toskaensch,Noch u vermaeken in het SpaenschEn lezen ’t keurighst uit de boecken;Of ’t antwoort geven op ’t LatijnIn Duitsch als u gevraeght zal zijn.

Nuzult gegeest noch wijsheit zoecken

In ’t Neêrduitsch, Fransch of in Toskaensch,

Noch u vermaeken in het Spaensch

En lezen ’t keurighst uit de boecken;

Of ’t antwoort geven op ’t Latijn

In Duitsch als u gevraeght zal zijn.

enz.

Maar nog was met deze offers, aan het ouderhart ontscheurd, de onverbidlijke dood niet te vrede. Twee jaren waren wederom verloopen, toen de pest in ’t huis van Vossius kwam woeden, en, weinige dagen achter elkander, Johanna en Gerard ten grave sleepte.

Franciskus had der praktijk vaarwel gezegd, en te Amsterdam in het thands byna ontvolkte ouderlijke huis zijn oude plaats weder ingenomen. Hy scheen er enkel gekomen, om den rouw nog te vermeerderen. Door een kwijnende ziekte aangetast, bezweek hy in December 1645.

Drie maanden later werd Mattheus, die nu het Derde Deel zijner Jaarboeken uitgegeven, en het Vierde omtrent voltooid had, door een plotslinge ongesteldheid overvallen, en op 22 Maart aan de zijnen ontrukt. Van de acht kinderen, waar Vossius op boogde, was er, toen hy in 1649 uit de waereld scheidde, slechts één meer in leven: en die eene, Izaak, kon niet aan zijns vaders sterfbed staan, om hem de oogen te sluiten. Rusteloos en zwerfziek van aart, had hy overal in ’t beschaafd Europa de voornaamste boekeryen bezocht, om merkwaardige handschriften op te sporen en onderling of met de uitgaven te vergelijken. In 1645 in ’t vaderland teruggekeerd, om Mattheus als stadsbibliothecaris en geschiedschrijver der Staten op te volgen, had hy zich in 1648 naar Zweden begeven, waar koningin Kristina hem ontbood. „O Izak!” riep, na zijns vaders dood, hem Vondel toe,

O Izak! eenigh pantVan Vossius, gy die zoo verreOm ’t licht der koninklijke sterreVerliet uw vaderlant;Verlaet om ons de kroon van Zweden!Gy kunt uws vaders stoel herkleden,Zijn doorgeleert gebouwVan schriften voort in top voltreckenEn moeders hart ten balsem streckenDie anders smilt van rouw.

O Izak! eenigh pant

Van Vossius, gy die zoo verre

Om ’t licht der koninklijke sterre

Verliet uw vaderlant;

Verlaet om ons de kroon van Zweden!

Gy kunt uws vaders stoel herkleden,

Zijn doorgeleert gebouw

Van schriften voort in top voltrecken

En moeders hart ten balsem strecken

Die anders smilt van rouw.

Izaak voldeed aan die uitnoodiging niet: hy toog naar Engeland, waar hy zijn verdere dagen sleet. Maar al was het aan hem-alleen onder de kinderen van Vossius beschoren, tot in hoog gevorderden leeftijd, door tal van schriften, van den omvang zijner kennis te doen blijken, de glans blijft daarom onverminderd, die in het tijdvak, dat wy voorstellen, het huis van Vossius omstraalde, en schaars zullen de jaarboeken der waereld een tweede voorbeeld geven van een gezin, waarvan de leden in zulk een aantal en zoo treflijk uitblonken op het veld der wetenschap. Stierven de meesten jong, niet een daalde onberoemd ten grave, en, wanneer wy nagaan, hoeveel zy ongetwijfeld aan het voorbeeld en de opleiding van hun vader te danken hadden gehad, dan mogen wy daar eenigzins uit opmaken, hoe voortreflijk in ’t algemeen het onderwijs van Vossius en hoe weldadig zijn invloed op zijn talrijke leerlingen geweest moet zijn, ja, op de geheele wetenschaplijke ontwikkeling in Frederik Hendriks eeuw.

Wy besluiten met de bekende, doch altijd even lezenswaardige regels, welke Vondel schreef onder het afbeeldsel zijns grijzen vriends, vervaardigd door Sandrart:

Laat sestigh winters vry dat Vossenhooft besneeuwen;Noch grijzer is het brein dan ’t grijze hair op ’t hooft:Dat brein draeght heugenis van meer dan vijftigh eeuwenEn al heur wetenschap, in boeken afgeslooft.Sandrart, beschans hem niet met boeken, en met blaeren;Al wat in boeken steekt, is in dat hooft gevaeren.

Laat sestigh winters vry dat Vossenhooft besneeuwen;

Noch grijzer is het brein dan ’t grijze hair op ’t hooft:

Dat brein draeght heugenis van meer dan vijftigh eeuwen

En al heur wetenschap, in boeken afgeslooft.

Sandrart, beschans hem niet met boeken, en met blaeren;

Al wat in boeken steekt, is in dat hooft gevaeren.


Back to IndexNext