WILLEM EN JOAN BLAEU.Het zijn niet alleen de namen van doorluchtige krijgshoofden en staatslieden, van verheven dichters en kunstenaars, of van voortreffelijke geleerden, die by de nakomelingschap in aandenken bewaard blijven: nevens deze schrijft zy ook in den tempel der onsterfelijkheid de namen op der zoodanigen, die naar geen andere glorie streven dan aan ’t algemeen van nut te zijn, en daaronder schenkt zy een eereplaats aan hen, die zich er op toeleggen, hun werkplaatsen te doen strekken om hetgeen de wetenschap gevonden en op ’t papier gesteld heeft, aan de waereld te doen kennen, en, op die wijze, kennis, verlichting en beschaving te verspreiden. De aanspraken op onze dankbare hulde, langs dien weg door de Aldussen en Stefanussen, de Plantijnen en Moretussen verkregen, mogen minder schitterend wezen, zy zijn even gegrond als die van de schrijvers, wier werken zy ons in staat hebben gesteld, tot veredeling van onzen geest, tot vermeerdering van onze kennis, tot liefelijke ontspanning van ons brein, of tot verbetering van ons hart, te raadplegen.Willem Blaeu.Herman ten Kate, delSteendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Willem Blaeu.Maar zoo vaak wy ons Boekdrukkers voor den geest stellen gelijk zy het waren, die wy zoo even noemden, denken wy daarby ook aan mannen, die meer deden dan een werktuiglijk beroep drijven en een fabriek besturen. Neen, even als ontelbare anderen, die boeken drukken of uitventen, zouden ook zy voorlang zijn vergeten, indien zy er niet hunne eer in gesteld hadden, niets onder hunne pers te ontfangen, dan hetgeen verdienstelijk of althands belangrijk was, niets daaruit te voorschijn te brengen dan wat zich door voortreffelijkheid in de uitvoering onderscheidde. En zoo wel de eene als de andere voorwaarde konniet verkregen worden, zoo niet hy, die aan ’t hoofd der inrichting stond, aan yver en goeden smaak ook geest des onderscheids en grondige kennis paarde, maar boven al doordrongen was van de hooge verantwoordelijkheid, die op hem rustte. Immers, zoo de weldaden niet te noemen zijn, door de verspreiding van hetgeen goed, schoon, nuttig en geestverheffend is, te weeg gebracht, evenmin kan men de rampen tellen, veroorzaakt door het verderfelijk gif, dat, door middel der drukpers aan de waereld is en nog dagelijks wordt toegediend, en indien zy, die zich met het eerste bezig houden, te recht den naam verdienen te dragen van priesters der verlichting, voor hen, die zich aan ’t laatste schuldig maken en onheilig vuur op het outer brengen, zoû de straf niet te licht schijnen, die Aarons zonen eens voor een dergelijk misdrijf trof.Zijn handel en nyverheid de grondzuilen, waar een Staat op rust, welke schooner nyverheid kan er bestaan, dan het belichamen der gedachte? Welke schooner handel, dan het wijd en zijd verspreiden van de vruchten des geestes? En toch! maar al te wel is de stortvloed van onkundigen, die zich met een en ander bezig houden, er in geslaagd, beroepen, die uit hun aart den rang boven elk ander beroep moesten nemen, al lager en lager in de algemeene schatting te doen zinken: en is, naarmate het getal der ongeroepenen steeg, dat der Aldussen en Plantijnen van dag tot dag geringer geworden.Nog echter mag het Nederland van onze dagen zich op loffelijke uitzonderingen beroepen: nog telt het mannen, die zich het gewicht, ja de heiligheid hunner taak bewust zijn en haar niet dan met een vol besef hunner verplichtingen aanvaard hebben en volbrengen, mannen, die het voetspoor betreden van hunne groote voorgangers, en daaronder dat van de onsterfelijke Boekdrukkers en Boekhandelaren uit het door ons gevierde tijdvak, Willem en Joan Blaeu.Ook Willem Blaeu was een dergenen, die zich door langdurige en ernstige studiën tot zijn beroep hadden voorbereid. In 1591 te Alkmaar geboren, had hy zich zoo binnen als buiten ’s lands in al de vakken, welke hem dienstig konden zijn, bekwaam gemaakt. Hierby was echter de wiskunde het vak, voor ’t welk hy een byzondere voorliefde koesterde, waarin hy, o. a. ook onder de leiding van den beroemden Tycho-Brahe, een aanmerkelijke hoogte bereikte, en ’t welk de hoofdrichting bepaalde, door hem aan zijn drukkery gegeven. Immers, ofschoonook talrijke werken van smaak, en menige dichtvrucht—als b. v. Vondels „Verovering van Grol,” diens „Begroetenis van Frederik Hendrik,” „Geboorte-klock van Willem van Nassou,” „Zege-zangh op den Bosch” en „Gysbreght van Aemstel”—op zijne persen zijn gedrukt, toch duidde de zonnewijzer, met de zinspreukindefessus agendo, die boven het huis van Willem Blaeu prijkte, dat het voornamelijk werken waren, de wiskunde—inzonderheid de zeevaart-, aardrijks- en sterrekunde betreffende, die by hem het licht zagen. Vele daarvan waren door den geleerden drukker zelven geschreven, en daaronder genoten het „Graedt Boeck” en het „Licht der Zeevaert” de eer, door Hooft en Vondel te worden bezongen. Hoe Blaeu als wiskundige vermaard was, blijkt o. a. daaruit, dat hem in 1637 met Reael en anderen door de Staten werd opgedragen, een uitvinding van Galilei, om de lengte op zee te vinden, te onderzoeken. Vondel verhief ’s mans roem als zoodanig op de navolgende wijze:Men soeck volkomen breyn vergeefs en vindt er geen:En selden een vernuft alleen bequaem tot een:Noch seldener een man bequaem geacht tot velen:Het schijnt Natuur heeft lust haer gaven te verdeelen,Maer trof in Blaeu een stof, tot veelerley bequaem.Soo draeght de Wiskonst moed op sijnen grooten naem.Maar zoû de roem, dien WillemBlaeuzich verworven had, hem overleven, evenzeer overleefde hem de inrichting, waar hy het aanzijn aan gegeven had. Hy liet, toen hy in 1638 overleed, twee wakkere zonen na, die, geplaatst aan ’t hoofd der vermaardste drukkery hunner eeuw, die vermaardheid al luider en luider door Europa deden klinken. Joan en Kornelis Blaeu bleven het voetspoor van hun vader volgen: Kornelis, van wien o. a. Hooft in een zijner Brieven de loffelijkste getuigenis geeft, overleefde zijn vader niet lang, zoo dat het geheele gewicht der zaak op de schouders van zijn oudsten broeder kwam. Hoe deze in zijn studiën dezelfde richting volgde als zijn vader, leeren wy onder anderen kennen uit het allerliefste vaersjen, ter gelegenheid van zijn huwlijk met Geertruid Vermeul uit Gouda, door Vondel vervaardigd:De wackre Blaeu sloegh ’s avonds spaeHet gulden heyr des hemels gaeEn monsterde alle stralen,Die vast staen, of verschralen;Als Venus, dochter van Jupijn,Hem in een ongemaeckten schijnVerscheen; en quam voor oogen,Daer hy stond opgetogen.Sy sprack: mijn allerwaerdste soon,Die lust hebt in der Goden troonEn ’t eeuwighdurend levenMet uwen geest te sweven;Al langh genoegh met ongemackGedragen ’t aerdsch en hemelsch pack,En Herkles nagetredenEn Atlas wijde schreden.Al lang genoegh tot ’s vaders troost,Sijn swacken ouderdom verpoost:’t Is tijt om eens te hoorenNae ’t geen u is beschoren.Ick wijs u nae de goude stad,Daer is voor u een eedle schat,Een schoone Maeghd ten beste,Treck heen nae dese veste.Ghy sult er vinden aen de GouDe lieve lang beloofde trou,En u in hare kaeckenEn heusch onthael vermaecken.Of deystse met bevreesden gangIck salse met een minneprangBedwingen tot mijn wettenEn ’t harde hart versetten.Soo sprack de moeder van de min,En liet hem met verbaesden sin,(Terwijle sy ging strijcken)Verbaest ten hemel kijcken.Sijn boesem brande stracx van hoop,Die hem den lust van starrenloopEn ’t schrander hemelmetenBenam en deed vergeten.Ghy handelt passer, boogh noch kaartO Blaeu, wat of u wedervaert?Noch Tychoos wijze boecken:Ghy gaet uw weêrga soecken;En Venus voortgang maeckt het spoor,En wijst u met haer starre voor,En opent Geertruys armen,Genegen tot ontfarmen.Geluck, ô blijde Bruydegom!In Hymens vrolijck heyligdom.Uw Bruyd heeft u genesen.Laet sy uw spieghel wesen.Nu staroogh op geen ander lichtAls dat er straelt uyt haer gesicht.Nu staroogh op haer oogen,Die alle dingh vermogen.Nu druck, in ’t kussen even kloeck,Met mond op mond een minneboeck,Nu druck met inckt van weeldenEen huys vol minnebeelden.Als een bewijs der achting waarin Joan Blaeu by zijn medeburgers stond, bewijst zijn benoeming in 1651 tot Schepen en Raad. Zijn drukkery, die vroeger op de Bloemgracht by de derde Dwarsstraat stond, verplaatste hy in 1666 naar het gebouw der toenmalige Latijnsche school ten noorden van de Nieuwe Kerk, waar nog ’t Blaauw-straatjen zijn naam van draagt. De werkplaats bevatte niet minder dan negen persen, naar de negen Zanggodinnen geheeten. Geheel Europa deelde zes jaren later in den ramp die hem trof, toen op den 22stenFebruary 1672 dat treflijke gebouw door den brand in asch gelegd werd, waarby de letters en platen der vermaarde Atlas- en Stedeboeken vernield werden, en by de vier tonnen gouds verloren gingen. Hy stierf den 28stenDecember van ’t volgende jaar. De toen zes-en-tachtigjarige Vondel, die van kindsbeen af, de huisvriend der Blaeuwen geweest was, wijdde hem dit grafschrift:Hier sluimert Blaeu, gedrukt van dezen kleinen steen,Al ’t aertrijk door bekent,Hoe quam hy aan zijn endt?De gansche weerelt viel dien grooten man te kleen.
WILLEM EN JOAN BLAEU.Het zijn niet alleen de namen van doorluchtige krijgshoofden en staatslieden, van verheven dichters en kunstenaars, of van voortreffelijke geleerden, die by de nakomelingschap in aandenken bewaard blijven: nevens deze schrijft zy ook in den tempel der onsterfelijkheid de namen op der zoodanigen, die naar geen andere glorie streven dan aan ’t algemeen van nut te zijn, en daaronder schenkt zy een eereplaats aan hen, die zich er op toeleggen, hun werkplaatsen te doen strekken om hetgeen de wetenschap gevonden en op ’t papier gesteld heeft, aan de waereld te doen kennen, en, op die wijze, kennis, verlichting en beschaving te verspreiden. De aanspraken op onze dankbare hulde, langs dien weg door de Aldussen en Stefanussen, de Plantijnen en Moretussen verkregen, mogen minder schitterend wezen, zy zijn even gegrond als die van de schrijvers, wier werken zy ons in staat hebben gesteld, tot veredeling van onzen geest, tot vermeerdering van onze kennis, tot liefelijke ontspanning van ons brein, of tot verbetering van ons hart, te raadplegen.Willem Blaeu.Herman ten Kate, delSteendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Willem Blaeu.Maar zoo vaak wy ons Boekdrukkers voor den geest stellen gelijk zy het waren, die wy zoo even noemden, denken wy daarby ook aan mannen, die meer deden dan een werktuiglijk beroep drijven en een fabriek besturen. Neen, even als ontelbare anderen, die boeken drukken of uitventen, zouden ook zy voorlang zijn vergeten, indien zy er niet hunne eer in gesteld hadden, niets onder hunne pers te ontfangen, dan hetgeen verdienstelijk of althands belangrijk was, niets daaruit te voorschijn te brengen dan wat zich door voortreffelijkheid in de uitvoering onderscheidde. En zoo wel de eene als de andere voorwaarde konniet verkregen worden, zoo niet hy, die aan ’t hoofd der inrichting stond, aan yver en goeden smaak ook geest des onderscheids en grondige kennis paarde, maar boven al doordrongen was van de hooge verantwoordelijkheid, die op hem rustte. Immers, zoo de weldaden niet te noemen zijn, door de verspreiding van hetgeen goed, schoon, nuttig en geestverheffend is, te weeg gebracht, evenmin kan men de rampen tellen, veroorzaakt door het verderfelijk gif, dat, door middel der drukpers aan de waereld is en nog dagelijks wordt toegediend, en indien zy, die zich met het eerste bezig houden, te recht den naam verdienen te dragen van priesters der verlichting, voor hen, die zich aan ’t laatste schuldig maken en onheilig vuur op het outer brengen, zoû de straf niet te licht schijnen, die Aarons zonen eens voor een dergelijk misdrijf trof.Zijn handel en nyverheid de grondzuilen, waar een Staat op rust, welke schooner nyverheid kan er bestaan, dan het belichamen der gedachte? Welke schooner handel, dan het wijd en zijd verspreiden van de vruchten des geestes? En toch! maar al te wel is de stortvloed van onkundigen, die zich met een en ander bezig houden, er in geslaagd, beroepen, die uit hun aart den rang boven elk ander beroep moesten nemen, al lager en lager in de algemeene schatting te doen zinken: en is, naarmate het getal der ongeroepenen steeg, dat der Aldussen en Plantijnen van dag tot dag geringer geworden.Nog echter mag het Nederland van onze dagen zich op loffelijke uitzonderingen beroepen: nog telt het mannen, die zich het gewicht, ja de heiligheid hunner taak bewust zijn en haar niet dan met een vol besef hunner verplichtingen aanvaard hebben en volbrengen, mannen, die het voetspoor betreden van hunne groote voorgangers, en daaronder dat van de onsterfelijke Boekdrukkers en Boekhandelaren uit het door ons gevierde tijdvak, Willem en Joan Blaeu.Ook Willem Blaeu was een dergenen, die zich door langdurige en ernstige studiën tot zijn beroep hadden voorbereid. In 1591 te Alkmaar geboren, had hy zich zoo binnen als buiten ’s lands in al de vakken, welke hem dienstig konden zijn, bekwaam gemaakt. Hierby was echter de wiskunde het vak, voor ’t welk hy een byzondere voorliefde koesterde, waarin hy, o. a. ook onder de leiding van den beroemden Tycho-Brahe, een aanmerkelijke hoogte bereikte, en ’t welk de hoofdrichting bepaalde, door hem aan zijn drukkery gegeven. Immers, ofschoonook talrijke werken van smaak, en menige dichtvrucht—als b. v. Vondels „Verovering van Grol,” diens „Begroetenis van Frederik Hendrik,” „Geboorte-klock van Willem van Nassou,” „Zege-zangh op den Bosch” en „Gysbreght van Aemstel”—op zijne persen zijn gedrukt, toch duidde de zonnewijzer, met de zinspreukindefessus agendo, die boven het huis van Willem Blaeu prijkte, dat het voornamelijk werken waren, de wiskunde—inzonderheid de zeevaart-, aardrijks- en sterrekunde betreffende, die by hem het licht zagen. Vele daarvan waren door den geleerden drukker zelven geschreven, en daaronder genoten het „Graedt Boeck” en het „Licht der Zeevaert” de eer, door Hooft en Vondel te worden bezongen. Hoe Blaeu als wiskundige vermaard was, blijkt o. a. daaruit, dat hem in 1637 met Reael en anderen door de Staten werd opgedragen, een uitvinding van Galilei, om de lengte op zee te vinden, te onderzoeken. Vondel verhief ’s mans roem als zoodanig op de navolgende wijze:Men soeck volkomen breyn vergeefs en vindt er geen:En selden een vernuft alleen bequaem tot een:Noch seldener een man bequaem geacht tot velen:Het schijnt Natuur heeft lust haer gaven te verdeelen,Maer trof in Blaeu een stof, tot veelerley bequaem.Soo draeght de Wiskonst moed op sijnen grooten naem.Maar zoû de roem, dien WillemBlaeuzich verworven had, hem overleven, evenzeer overleefde hem de inrichting, waar hy het aanzijn aan gegeven had. Hy liet, toen hy in 1638 overleed, twee wakkere zonen na, die, geplaatst aan ’t hoofd der vermaardste drukkery hunner eeuw, die vermaardheid al luider en luider door Europa deden klinken. Joan en Kornelis Blaeu bleven het voetspoor van hun vader volgen: Kornelis, van wien o. a. Hooft in een zijner Brieven de loffelijkste getuigenis geeft, overleefde zijn vader niet lang, zoo dat het geheele gewicht der zaak op de schouders van zijn oudsten broeder kwam. Hoe deze in zijn studiën dezelfde richting volgde als zijn vader, leeren wy onder anderen kennen uit het allerliefste vaersjen, ter gelegenheid van zijn huwlijk met Geertruid Vermeul uit Gouda, door Vondel vervaardigd:De wackre Blaeu sloegh ’s avonds spaeHet gulden heyr des hemels gaeEn monsterde alle stralen,Die vast staen, of verschralen;Als Venus, dochter van Jupijn,Hem in een ongemaeckten schijnVerscheen; en quam voor oogen,Daer hy stond opgetogen.Sy sprack: mijn allerwaerdste soon,Die lust hebt in der Goden troonEn ’t eeuwighdurend levenMet uwen geest te sweven;Al langh genoegh met ongemackGedragen ’t aerdsch en hemelsch pack,En Herkles nagetredenEn Atlas wijde schreden.Al lang genoegh tot ’s vaders troost,Sijn swacken ouderdom verpoost:’t Is tijt om eens te hoorenNae ’t geen u is beschoren.Ick wijs u nae de goude stad,Daer is voor u een eedle schat,Een schoone Maeghd ten beste,Treck heen nae dese veste.Ghy sult er vinden aen de GouDe lieve lang beloofde trou,En u in hare kaeckenEn heusch onthael vermaecken.Of deystse met bevreesden gangIck salse met een minneprangBedwingen tot mijn wettenEn ’t harde hart versetten.Soo sprack de moeder van de min,En liet hem met verbaesden sin,(Terwijle sy ging strijcken)Verbaest ten hemel kijcken.Sijn boesem brande stracx van hoop,Die hem den lust van starrenloopEn ’t schrander hemelmetenBenam en deed vergeten.Ghy handelt passer, boogh noch kaartO Blaeu, wat of u wedervaert?Noch Tychoos wijze boecken:Ghy gaet uw weêrga soecken;En Venus voortgang maeckt het spoor,En wijst u met haer starre voor,En opent Geertruys armen,Genegen tot ontfarmen.Geluck, ô blijde Bruydegom!In Hymens vrolijck heyligdom.Uw Bruyd heeft u genesen.Laet sy uw spieghel wesen.Nu staroogh op geen ander lichtAls dat er straelt uyt haer gesicht.Nu staroogh op haer oogen,Die alle dingh vermogen.Nu druck, in ’t kussen even kloeck,Met mond op mond een minneboeck,Nu druck met inckt van weeldenEen huys vol minnebeelden.Als een bewijs der achting waarin Joan Blaeu by zijn medeburgers stond, bewijst zijn benoeming in 1651 tot Schepen en Raad. Zijn drukkery, die vroeger op de Bloemgracht by de derde Dwarsstraat stond, verplaatste hy in 1666 naar het gebouw der toenmalige Latijnsche school ten noorden van de Nieuwe Kerk, waar nog ’t Blaauw-straatjen zijn naam van draagt. De werkplaats bevatte niet minder dan negen persen, naar de negen Zanggodinnen geheeten. Geheel Europa deelde zes jaren later in den ramp die hem trof, toen op den 22stenFebruary 1672 dat treflijke gebouw door den brand in asch gelegd werd, waarby de letters en platen der vermaarde Atlas- en Stedeboeken vernield werden, en by de vier tonnen gouds verloren gingen. Hy stierf den 28stenDecember van ’t volgende jaar. De toen zes-en-tachtigjarige Vondel, die van kindsbeen af, de huisvriend der Blaeuwen geweest was, wijdde hem dit grafschrift:Hier sluimert Blaeu, gedrukt van dezen kleinen steen,Al ’t aertrijk door bekent,Hoe quam hy aan zijn endt?De gansche weerelt viel dien grooten man te kleen.
WILLEM EN JOAN BLAEU.
Het zijn niet alleen de namen van doorluchtige krijgshoofden en staatslieden, van verheven dichters en kunstenaars, of van voortreffelijke geleerden, die by de nakomelingschap in aandenken bewaard blijven: nevens deze schrijft zy ook in den tempel der onsterfelijkheid de namen op der zoodanigen, die naar geen andere glorie streven dan aan ’t algemeen van nut te zijn, en daaronder schenkt zy een eereplaats aan hen, die zich er op toeleggen, hun werkplaatsen te doen strekken om hetgeen de wetenschap gevonden en op ’t papier gesteld heeft, aan de waereld te doen kennen, en, op die wijze, kennis, verlichting en beschaving te verspreiden. De aanspraken op onze dankbare hulde, langs dien weg door de Aldussen en Stefanussen, de Plantijnen en Moretussen verkregen, mogen minder schitterend wezen, zy zijn even gegrond als die van de schrijvers, wier werken zy ons in staat hebben gesteld, tot veredeling van onzen geest, tot vermeerdering van onze kennis, tot liefelijke ontspanning van ons brein, of tot verbetering van ons hart, te raadplegen.Willem Blaeu.Herman ten Kate, delSteendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Willem Blaeu.Maar zoo vaak wy ons Boekdrukkers voor den geest stellen gelijk zy het waren, die wy zoo even noemden, denken wy daarby ook aan mannen, die meer deden dan een werktuiglijk beroep drijven en een fabriek besturen. Neen, even als ontelbare anderen, die boeken drukken of uitventen, zouden ook zy voorlang zijn vergeten, indien zy er niet hunne eer in gesteld hadden, niets onder hunne pers te ontfangen, dan hetgeen verdienstelijk of althands belangrijk was, niets daaruit te voorschijn te brengen dan wat zich door voortreffelijkheid in de uitvoering onderscheidde. En zoo wel de eene als de andere voorwaarde konniet verkregen worden, zoo niet hy, die aan ’t hoofd der inrichting stond, aan yver en goeden smaak ook geest des onderscheids en grondige kennis paarde, maar boven al doordrongen was van de hooge verantwoordelijkheid, die op hem rustte. Immers, zoo de weldaden niet te noemen zijn, door de verspreiding van hetgeen goed, schoon, nuttig en geestverheffend is, te weeg gebracht, evenmin kan men de rampen tellen, veroorzaakt door het verderfelijk gif, dat, door middel der drukpers aan de waereld is en nog dagelijks wordt toegediend, en indien zy, die zich met het eerste bezig houden, te recht den naam verdienen te dragen van priesters der verlichting, voor hen, die zich aan ’t laatste schuldig maken en onheilig vuur op het outer brengen, zoû de straf niet te licht schijnen, die Aarons zonen eens voor een dergelijk misdrijf trof.Zijn handel en nyverheid de grondzuilen, waar een Staat op rust, welke schooner nyverheid kan er bestaan, dan het belichamen der gedachte? Welke schooner handel, dan het wijd en zijd verspreiden van de vruchten des geestes? En toch! maar al te wel is de stortvloed van onkundigen, die zich met een en ander bezig houden, er in geslaagd, beroepen, die uit hun aart den rang boven elk ander beroep moesten nemen, al lager en lager in de algemeene schatting te doen zinken: en is, naarmate het getal der ongeroepenen steeg, dat der Aldussen en Plantijnen van dag tot dag geringer geworden.Nog echter mag het Nederland van onze dagen zich op loffelijke uitzonderingen beroepen: nog telt het mannen, die zich het gewicht, ja de heiligheid hunner taak bewust zijn en haar niet dan met een vol besef hunner verplichtingen aanvaard hebben en volbrengen, mannen, die het voetspoor betreden van hunne groote voorgangers, en daaronder dat van de onsterfelijke Boekdrukkers en Boekhandelaren uit het door ons gevierde tijdvak, Willem en Joan Blaeu.Ook Willem Blaeu was een dergenen, die zich door langdurige en ernstige studiën tot zijn beroep hadden voorbereid. In 1591 te Alkmaar geboren, had hy zich zoo binnen als buiten ’s lands in al de vakken, welke hem dienstig konden zijn, bekwaam gemaakt. Hierby was echter de wiskunde het vak, voor ’t welk hy een byzondere voorliefde koesterde, waarin hy, o. a. ook onder de leiding van den beroemden Tycho-Brahe, een aanmerkelijke hoogte bereikte, en ’t welk de hoofdrichting bepaalde, door hem aan zijn drukkery gegeven. Immers, ofschoonook talrijke werken van smaak, en menige dichtvrucht—als b. v. Vondels „Verovering van Grol,” diens „Begroetenis van Frederik Hendrik,” „Geboorte-klock van Willem van Nassou,” „Zege-zangh op den Bosch” en „Gysbreght van Aemstel”—op zijne persen zijn gedrukt, toch duidde de zonnewijzer, met de zinspreukindefessus agendo, die boven het huis van Willem Blaeu prijkte, dat het voornamelijk werken waren, de wiskunde—inzonderheid de zeevaart-, aardrijks- en sterrekunde betreffende, die by hem het licht zagen. Vele daarvan waren door den geleerden drukker zelven geschreven, en daaronder genoten het „Graedt Boeck” en het „Licht der Zeevaert” de eer, door Hooft en Vondel te worden bezongen. Hoe Blaeu als wiskundige vermaard was, blijkt o. a. daaruit, dat hem in 1637 met Reael en anderen door de Staten werd opgedragen, een uitvinding van Galilei, om de lengte op zee te vinden, te onderzoeken. Vondel verhief ’s mans roem als zoodanig op de navolgende wijze:Men soeck volkomen breyn vergeefs en vindt er geen:En selden een vernuft alleen bequaem tot een:Noch seldener een man bequaem geacht tot velen:Het schijnt Natuur heeft lust haer gaven te verdeelen,Maer trof in Blaeu een stof, tot veelerley bequaem.Soo draeght de Wiskonst moed op sijnen grooten naem.Maar zoû de roem, dien WillemBlaeuzich verworven had, hem overleven, evenzeer overleefde hem de inrichting, waar hy het aanzijn aan gegeven had. Hy liet, toen hy in 1638 overleed, twee wakkere zonen na, die, geplaatst aan ’t hoofd der vermaardste drukkery hunner eeuw, die vermaardheid al luider en luider door Europa deden klinken. Joan en Kornelis Blaeu bleven het voetspoor van hun vader volgen: Kornelis, van wien o. a. Hooft in een zijner Brieven de loffelijkste getuigenis geeft, overleefde zijn vader niet lang, zoo dat het geheele gewicht der zaak op de schouders van zijn oudsten broeder kwam. Hoe deze in zijn studiën dezelfde richting volgde als zijn vader, leeren wy onder anderen kennen uit het allerliefste vaersjen, ter gelegenheid van zijn huwlijk met Geertruid Vermeul uit Gouda, door Vondel vervaardigd:De wackre Blaeu sloegh ’s avonds spaeHet gulden heyr des hemels gaeEn monsterde alle stralen,Die vast staen, of verschralen;Als Venus, dochter van Jupijn,Hem in een ongemaeckten schijnVerscheen; en quam voor oogen,Daer hy stond opgetogen.Sy sprack: mijn allerwaerdste soon,Die lust hebt in der Goden troonEn ’t eeuwighdurend levenMet uwen geest te sweven;Al langh genoegh met ongemackGedragen ’t aerdsch en hemelsch pack,En Herkles nagetredenEn Atlas wijde schreden.Al lang genoegh tot ’s vaders troost,Sijn swacken ouderdom verpoost:’t Is tijt om eens te hoorenNae ’t geen u is beschoren.Ick wijs u nae de goude stad,Daer is voor u een eedle schat,Een schoone Maeghd ten beste,Treck heen nae dese veste.Ghy sult er vinden aen de GouDe lieve lang beloofde trou,En u in hare kaeckenEn heusch onthael vermaecken.Of deystse met bevreesden gangIck salse met een minneprangBedwingen tot mijn wettenEn ’t harde hart versetten.Soo sprack de moeder van de min,En liet hem met verbaesden sin,(Terwijle sy ging strijcken)Verbaest ten hemel kijcken.Sijn boesem brande stracx van hoop,Die hem den lust van starrenloopEn ’t schrander hemelmetenBenam en deed vergeten.Ghy handelt passer, boogh noch kaartO Blaeu, wat of u wedervaert?Noch Tychoos wijze boecken:Ghy gaet uw weêrga soecken;En Venus voortgang maeckt het spoor,En wijst u met haer starre voor,En opent Geertruys armen,Genegen tot ontfarmen.Geluck, ô blijde Bruydegom!In Hymens vrolijck heyligdom.Uw Bruyd heeft u genesen.Laet sy uw spieghel wesen.Nu staroogh op geen ander lichtAls dat er straelt uyt haer gesicht.Nu staroogh op haer oogen,Die alle dingh vermogen.Nu druck, in ’t kussen even kloeck,Met mond op mond een minneboeck,Nu druck met inckt van weeldenEen huys vol minnebeelden.Als een bewijs der achting waarin Joan Blaeu by zijn medeburgers stond, bewijst zijn benoeming in 1651 tot Schepen en Raad. Zijn drukkery, die vroeger op de Bloemgracht by de derde Dwarsstraat stond, verplaatste hy in 1666 naar het gebouw der toenmalige Latijnsche school ten noorden van de Nieuwe Kerk, waar nog ’t Blaauw-straatjen zijn naam van draagt. De werkplaats bevatte niet minder dan negen persen, naar de negen Zanggodinnen geheeten. Geheel Europa deelde zes jaren later in den ramp die hem trof, toen op den 22stenFebruary 1672 dat treflijke gebouw door den brand in asch gelegd werd, waarby de letters en platen der vermaarde Atlas- en Stedeboeken vernield werden, en by de vier tonnen gouds verloren gingen. Hy stierf den 28stenDecember van ’t volgende jaar. De toen zes-en-tachtigjarige Vondel, die van kindsbeen af, de huisvriend der Blaeuwen geweest was, wijdde hem dit grafschrift:Hier sluimert Blaeu, gedrukt van dezen kleinen steen,Al ’t aertrijk door bekent,Hoe quam hy aan zijn endt?De gansche weerelt viel dien grooten man te kleen.
Het zijn niet alleen de namen van doorluchtige krijgshoofden en staatslieden, van verheven dichters en kunstenaars, of van voortreffelijke geleerden, die by de nakomelingschap in aandenken bewaard blijven: nevens deze schrijft zy ook in den tempel der onsterfelijkheid de namen op der zoodanigen, die naar geen andere glorie streven dan aan ’t algemeen van nut te zijn, en daaronder schenkt zy een eereplaats aan hen, die zich er op toeleggen, hun werkplaatsen te doen strekken om hetgeen de wetenschap gevonden en op ’t papier gesteld heeft, aan de waereld te doen kennen, en, op die wijze, kennis, verlichting en beschaving te verspreiden. De aanspraken op onze dankbare hulde, langs dien weg door de Aldussen en Stefanussen, de Plantijnen en Moretussen verkregen, mogen minder schitterend wezen, zy zijn even gegrond als die van de schrijvers, wier werken zy ons in staat hebben gesteld, tot veredeling van onzen geest, tot vermeerdering van onze kennis, tot liefelijke ontspanning van ons brein, of tot verbetering van ons hart, te raadplegen.
Willem Blaeu.Herman ten Kate, delSteendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Willem Blaeu.
Herman ten Kate, delSteendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.
Willem Blaeu.
Maar zoo vaak wy ons Boekdrukkers voor den geest stellen gelijk zy het waren, die wy zoo even noemden, denken wy daarby ook aan mannen, die meer deden dan een werktuiglijk beroep drijven en een fabriek besturen. Neen, even als ontelbare anderen, die boeken drukken of uitventen, zouden ook zy voorlang zijn vergeten, indien zy er niet hunne eer in gesteld hadden, niets onder hunne pers te ontfangen, dan hetgeen verdienstelijk of althands belangrijk was, niets daaruit te voorschijn te brengen dan wat zich door voortreffelijkheid in de uitvoering onderscheidde. En zoo wel de eene als de andere voorwaarde konniet verkregen worden, zoo niet hy, die aan ’t hoofd der inrichting stond, aan yver en goeden smaak ook geest des onderscheids en grondige kennis paarde, maar boven al doordrongen was van de hooge verantwoordelijkheid, die op hem rustte. Immers, zoo de weldaden niet te noemen zijn, door de verspreiding van hetgeen goed, schoon, nuttig en geestverheffend is, te weeg gebracht, evenmin kan men de rampen tellen, veroorzaakt door het verderfelijk gif, dat, door middel der drukpers aan de waereld is en nog dagelijks wordt toegediend, en indien zy, die zich met het eerste bezig houden, te recht den naam verdienen te dragen van priesters der verlichting, voor hen, die zich aan ’t laatste schuldig maken en onheilig vuur op het outer brengen, zoû de straf niet te licht schijnen, die Aarons zonen eens voor een dergelijk misdrijf trof.
Zijn handel en nyverheid de grondzuilen, waar een Staat op rust, welke schooner nyverheid kan er bestaan, dan het belichamen der gedachte? Welke schooner handel, dan het wijd en zijd verspreiden van de vruchten des geestes? En toch! maar al te wel is de stortvloed van onkundigen, die zich met een en ander bezig houden, er in geslaagd, beroepen, die uit hun aart den rang boven elk ander beroep moesten nemen, al lager en lager in de algemeene schatting te doen zinken: en is, naarmate het getal der ongeroepenen steeg, dat der Aldussen en Plantijnen van dag tot dag geringer geworden.
Nog echter mag het Nederland van onze dagen zich op loffelijke uitzonderingen beroepen: nog telt het mannen, die zich het gewicht, ja de heiligheid hunner taak bewust zijn en haar niet dan met een vol besef hunner verplichtingen aanvaard hebben en volbrengen, mannen, die het voetspoor betreden van hunne groote voorgangers, en daaronder dat van de onsterfelijke Boekdrukkers en Boekhandelaren uit het door ons gevierde tijdvak, Willem en Joan Blaeu.
Ook Willem Blaeu was een dergenen, die zich door langdurige en ernstige studiën tot zijn beroep hadden voorbereid. In 1591 te Alkmaar geboren, had hy zich zoo binnen als buiten ’s lands in al de vakken, welke hem dienstig konden zijn, bekwaam gemaakt. Hierby was echter de wiskunde het vak, voor ’t welk hy een byzondere voorliefde koesterde, waarin hy, o. a. ook onder de leiding van den beroemden Tycho-Brahe, een aanmerkelijke hoogte bereikte, en ’t welk de hoofdrichting bepaalde, door hem aan zijn drukkery gegeven. Immers, ofschoonook talrijke werken van smaak, en menige dichtvrucht—als b. v. Vondels „Verovering van Grol,” diens „Begroetenis van Frederik Hendrik,” „Geboorte-klock van Willem van Nassou,” „Zege-zangh op den Bosch” en „Gysbreght van Aemstel”—op zijne persen zijn gedrukt, toch duidde de zonnewijzer, met de zinspreukindefessus agendo, die boven het huis van Willem Blaeu prijkte, dat het voornamelijk werken waren, de wiskunde—inzonderheid de zeevaart-, aardrijks- en sterrekunde betreffende, die by hem het licht zagen. Vele daarvan waren door den geleerden drukker zelven geschreven, en daaronder genoten het „Graedt Boeck” en het „Licht der Zeevaert” de eer, door Hooft en Vondel te worden bezongen. Hoe Blaeu als wiskundige vermaard was, blijkt o. a. daaruit, dat hem in 1637 met Reael en anderen door de Staten werd opgedragen, een uitvinding van Galilei, om de lengte op zee te vinden, te onderzoeken. Vondel verhief ’s mans roem als zoodanig op de navolgende wijze:
Men soeck volkomen breyn vergeefs en vindt er geen:En selden een vernuft alleen bequaem tot een:Noch seldener een man bequaem geacht tot velen:Het schijnt Natuur heeft lust haer gaven te verdeelen,Maer trof in Blaeu een stof, tot veelerley bequaem.Soo draeght de Wiskonst moed op sijnen grooten naem.
Men soeck volkomen breyn vergeefs en vindt er geen:
En selden een vernuft alleen bequaem tot een:
Noch seldener een man bequaem geacht tot velen:
Het schijnt Natuur heeft lust haer gaven te verdeelen,
Maer trof in Blaeu een stof, tot veelerley bequaem.
Soo draeght de Wiskonst moed op sijnen grooten naem.
Maar zoû de roem, dien WillemBlaeuzich verworven had, hem overleven, evenzeer overleefde hem de inrichting, waar hy het aanzijn aan gegeven had. Hy liet, toen hy in 1638 overleed, twee wakkere zonen na, die, geplaatst aan ’t hoofd der vermaardste drukkery hunner eeuw, die vermaardheid al luider en luider door Europa deden klinken. Joan en Kornelis Blaeu bleven het voetspoor van hun vader volgen: Kornelis, van wien o. a. Hooft in een zijner Brieven de loffelijkste getuigenis geeft, overleefde zijn vader niet lang, zoo dat het geheele gewicht der zaak op de schouders van zijn oudsten broeder kwam. Hoe deze in zijn studiën dezelfde richting volgde als zijn vader, leeren wy onder anderen kennen uit het allerliefste vaersjen, ter gelegenheid van zijn huwlijk met Geertruid Vermeul uit Gouda, door Vondel vervaardigd:
De wackre Blaeu sloegh ’s avonds spaeHet gulden heyr des hemels gaeEn monsterde alle stralen,Die vast staen, of verschralen;Als Venus, dochter van Jupijn,Hem in een ongemaeckten schijnVerscheen; en quam voor oogen,Daer hy stond opgetogen.Sy sprack: mijn allerwaerdste soon,Die lust hebt in der Goden troonEn ’t eeuwighdurend levenMet uwen geest te sweven;Al langh genoegh met ongemackGedragen ’t aerdsch en hemelsch pack,En Herkles nagetredenEn Atlas wijde schreden.Al lang genoegh tot ’s vaders troost,Sijn swacken ouderdom verpoost:’t Is tijt om eens te hoorenNae ’t geen u is beschoren.Ick wijs u nae de goude stad,Daer is voor u een eedle schat,Een schoone Maeghd ten beste,Treck heen nae dese veste.Ghy sult er vinden aen de GouDe lieve lang beloofde trou,En u in hare kaeckenEn heusch onthael vermaecken.Of deystse met bevreesden gangIck salse met een minneprangBedwingen tot mijn wettenEn ’t harde hart versetten.Soo sprack de moeder van de min,En liet hem met verbaesden sin,(Terwijle sy ging strijcken)Verbaest ten hemel kijcken.Sijn boesem brande stracx van hoop,Die hem den lust van starrenloopEn ’t schrander hemelmetenBenam en deed vergeten.Ghy handelt passer, boogh noch kaartO Blaeu, wat of u wedervaert?Noch Tychoos wijze boecken:Ghy gaet uw weêrga soecken;En Venus voortgang maeckt het spoor,En wijst u met haer starre voor,En opent Geertruys armen,Genegen tot ontfarmen.Geluck, ô blijde Bruydegom!In Hymens vrolijck heyligdom.Uw Bruyd heeft u genesen.Laet sy uw spieghel wesen.Nu staroogh op geen ander lichtAls dat er straelt uyt haer gesicht.Nu staroogh op haer oogen,Die alle dingh vermogen.Nu druck, in ’t kussen even kloeck,Met mond op mond een minneboeck,Nu druck met inckt van weeldenEen huys vol minnebeelden.
De wackre Blaeu sloegh ’s avonds spaeHet gulden heyr des hemels gaeEn monsterde alle stralen,Die vast staen, of verschralen;
De wackre Blaeu sloegh ’s avonds spae
Het gulden heyr des hemels gae
En monsterde alle stralen,
Die vast staen, of verschralen;
Als Venus, dochter van Jupijn,Hem in een ongemaeckten schijnVerscheen; en quam voor oogen,Daer hy stond opgetogen.
Als Venus, dochter van Jupijn,
Hem in een ongemaeckten schijn
Verscheen; en quam voor oogen,
Daer hy stond opgetogen.
Sy sprack: mijn allerwaerdste soon,Die lust hebt in der Goden troonEn ’t eeuwighdurend levenMet uwen geest te sweven;
Sy sprack: mijn allerwaerdste soon,
Die lust hebt in der Goden troon
En ’t eeuwighdurend leven
Met uwen geest te sweven;
Al langh genoegh met ongemackGedragen ’t aerdsch en hemelsch pack,En Herkles nagetredenEn Atlas wijde schreden.
Al langh genoegh met ongemack
Gedragen ’t aerdsch en hemelsch pack,
En Herkles nagetreden
En Atlas wijde schreden.
Al lang genoegh tot ’s vaders troost,Sijn swacken ouderdom verpoost:’t Is tijt om eens te hoorenNae ’t geen u is beschoren.
Al lang genoegh tot ’s vaders troost,
Sijn swacken ouderdom verpoost:
’t Is tijt om eens te hooren
Nae ’t geen u is beschoren.
Ick wijs u nae de goude stad,Daer is voor u een eedle schat,Een schoone Maeghd ten beste,Treck heen nae dese veste.
Ick wijs u nae de goude stad,
Daer is voor u een eedle schat,
Een schoone Maeghd ten beste,
Treck heen nae dese veste.
Ghy sult er vinden aen de GouDe lieve lang beloofde trou,En u in hare kaeckenEn heusch onthael vermaecken.
Ghy sult er vinden aen de Gou
De lieve lang beloofde trou,
En u in hare kaecken
En heusch onthael vermaecken.
Of deystse met bevreesden gangIck salse met een minneprangBedwingen tot mijn wettenEn ’t harde hart versetten.
Of deystse met bevreesden gang
Ick salse met een minneprang
Bedwingen tot mijn wetten
En ’t harde hart versetten.
Soo sprack de moeder van de min,En liet hem met verbaesden sin,(Terwijle sy ging strijcken)Verbaest ten hemel kijcken.
Soo sprack de moeder van de min,
En liet hem met verbaesden sin,
(Terwijle sy ging strijcken)
Verbaest ten hemel kijcken.
Sijn boesem brande stracx van hoop,Die hem den lust van starrenloopEn ’t schrander hemelmetenBenam en deed vergeten.
Sijn boesem brande stracx van hoop,
Die hem den lust van starrenloop
En ’t schrander hemelmeten
Benam en deed vergeten.
Ghy handelt passer, boogh noch kaartO Blaeu, wat of u wedervaert?Noch Tychoos wijze boecken:Ghy gaet uw weêrga soecken;
Ghy handelt passer, boogh noch kaart
O Blaeu, wat of u wedervaert?
Noch Tychoos wijze boecken:
Ghy gaet uw weêrga soecken;
En Venus voortgang maeckt het spoor,En wijst u met haer starre voor,En opent Geertruys armen,Genegen tot ontfarmen.
En Venus voortgang maeckt het spoor,
En wijst u met haer starre voor,
En opent Geertruys armen,
Genegen tot ontfarmen.
Geluck, ô blijde Bruydegom!In Hymens vrolijck heyligdom.Uw Bruyd heeft u genesen.Laet sy uw spieghel wesen.
Geluck, ô blijde Bruydegom!
In Hymens vrolijck heyligdom.
Uw Bruyd heeft u genesen.
Laet sy uw spieghel wesen.
Nu staroogh op geen ander lichtAls dat er straelt uyt haer gesicht.Nu staroogh op haer oogen,Die alle dingh vermogen.
Nu staroogh op geen ander licht
Als dat er straelt uyt haer gesicht.
Nu staroogh op haer oogen,
Die alle dingh vermogen.
Nu druck, in ’t kussen even kloeck,Met mond op mond een minneboeck,Nu druck met inckt van weeldenEen huys vol minnebeelden.
Nu druck, in ’t kussen even kloeck,
Met mond op mond een minneboeck,
Nu druck met inckt van weelden
Een huys vol minnebeelden.
Als een bewijs der achting waarin Joan Blaeu by zijn medeburgers stond, bewijst zijn benoeming in 1651 tot Schepen en Raad. Zijn drukkery, die vroeger op de Bloemgracht by de derde Dwarsstraat stond, verplaatste hy in 1666 naar het gebouw der toenmalige Latijnsche school ten noorden van de Nieuwe Kerk, waar nog ’t Blaauw-straatjen zijn naam van draagt. De werkplaats bevatte niet minder dan negen persen, naar de negen Zanggodinnen geheeten. Geheel Europa deelde zes jaren later in den ramp die hem trof, toen op den 22stenFebruary 1672 dat treflijke gebouw door den brand in asch gelegd werd, waarby de letters en platen der vermaarde Atlas- en Stedeboeken vernield werden, en by de vier tonnen gouds verloren gingen. Hy stierf den 28stenDecember van ’t volgende jaar. De toen zes-en-tachtigjarige Vondel, die van kindsbeen af, de huisvriend der Blaeuwen geweest was, wijdde hem dit grafschrift:
Hier sluimert Blaeu, gedrukt van dezen kleinen steen,Al ’t aertrijk door bekent,Hoe quam hy aan zijn endt?De gansche weerelt viel dien grooten man te kleen.
Hier sluimert Blaeu, gedrukt van dezen kleinen steen,
Al ’t aertrijk door bekent,
Hoe quam hy aan zijn endt?
De gansche weerelt viel dien grooten man te kleen.