HUIG DE GROOT.

HUIG DE GROOT.Hebben de overige groote mannen, wier namen in deze galery zijn opgenomen, hun roem verworven door hetgeen zy of binnen of ten behoeve van den Staat der Vereenigde Gewesten verrichteden, De Groot is in die ry de eenige, die geheel buiten beide kategoriën geplaatst is.Immers, hy moge zich al, gedurende het bewind van Frederik Hendrik, een paar reizen in Holland vertoond hebben, het is niet geweest dan zeer kort, en als in ’t voorbygaan; terwijl de werken, welke hy in dat tijdvak geschreven, of de bedieningen, welke hy vervuld heeft, tot bevordering gestrekt hebben, gene van de wetenschap in ’t algemeen, deze van andere dan Nederlandsche belangen. Maar dit belet niet, dat van den lichtkrans, die om zijn hoofd schittert, stralen afschitteren op zijn Vaderland, en dat zich dit ook thans nog verheffen mag, den uitgebannen zoon te hebben voortgebracht, dien het by zijn leven niet in genade had willen aannemen. Immers niet alleen door zijn geboorte, door opvoeding en opleiding, door de betrekking, welke hy als jongeling en man vervuld had, was De Groot een Hollander, ook in zijn ballingschap was hy Hollander in ’t hart gebleven, al bezigde hy in zijn geschriften by voorkeur de algemeene taal der geleerden, en al was hy ook, aan Frankrijks Hof, de Gezant eener vreemde Mogendheid: ja hy kon aangemerkt worden als de man, die by den buitenlander wel niet de byzondere politiek zijner Natie, maar haar wetenschaplijk leven, haar aanspraken op beschaving, op kennis, op verlichting, vertegenwoordigde. Wanneer men nagaat, in welke achting De Groot door geheel Europa gehouden werd, dan zoû men byna zich tot de gedachte laten geleiden, dat de Regenten van dien tijd daarom alleen zijn vestiging hier te lande bleven tegenhouden, op dat de vreemdeling, vernemende, hoe zoo voortreflijkeen man in zijn Vaderland gemist kon worden, nòg grooter gedachten mocht opvatten van hen, die er achter bleven.—’t Ware met dat al een gevaarlijk beginsel geweest, en, liever dan het na te volgen, zouden de Regeeringen, omgekeerd, wijs handelen, wanneer zy het overschrijden der grenzen verboden aan zoodanige landgenooten, als door hun gedragingen in den vreemde niet alleen zich zelve bespotlijk maken, maar ook, waar zy zich vertoonen, een slechten dunk doen opvatten van het land, dat zulke mislukte kinderen voortbrengt.Huig de Groot.W. P. Hoevenaar, delSteend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Huig de Groot.Over de verdiensten te willen uitweiden van een man als De Groot, of daarvan slechts een klein denkbeeld te willen geven, ware even belachlijk als onnoodig: zijn werken zijn de waereld door bekend en gewaardeerd: en zijnnaam alleenzegt reeds genoeg. Liever daarom hier een nederiger taak aanvaard dan het schrijven eener lofrede: liever dan hoogdravende woordenpraal, een vluchtige beschouwing van zijn leven en karakter gegeven. By het vele bekende zal dan wellicht het een en ander kunnen worden te pas gebracht, dat niet zoo algemeen geweten wordt, of wel, dat by hen, die ’t wisten, uit het geheugen is geraakt.Op den 10denApril, 1583, te Delft geboren, was de kleine Huig wat men gewoon is een wonderkind te noemen, en maakte hy zich reeds vroeg, uit verscheidene oorzaken, beroemd. Zoo b. v. vervaardigde hy, op zijn negende jaar reeds, vaerzen, die geprezen werden—iets, dat tegenwoordig met de meeste kinderen het geval is; doch toen nog ongemeen schijnt geweest te zijn. Wat als een vrij sterker bewijs zijner vroegtijdige ontwikkeling mag gelden, is, dat hy reeds vóór zijn twaalfde jaar de Hooge School te Leyden bezocht, waar hy zich zoo vlijtig oefende in theologie, filozofie en rechten, dat hy in staat was, op zijn vijftiende, in ’t openbaar eenige stellingen te verdedigen. Niet vreemd is ’t, dat Oldenbarneveldt, als Gezant naar Frankrijk zullende trekken, en aan de Franschen een gunstig denkbeeld willende geven, zoo van den toestand, waarin zich ’t hooger onderwijs in Holland bevond, als van de bekwaamheid der leerlingen, op de gedachten kwam, den vluggen knaap met zich te nemen en aan Hendrik IV. voor te stellen. De genomen proef voldeed uitnemend aan de verwachting: De Groot bracht het bedoelde effekt te weeg, bekwam een geschenk van den Koning en, van de Akademie, het diploma van Doctor in de Rechten. Van de alzoo verkregen bevoegdheid maakte hy by zijn terugkomst gebruik: en, wat nog nimmer gezien was, hy pleitte op zijn zeventiende jaar, terwijl hyop denzelfden ouderdom zijn eerste werk in ’t licht deed verschijnen.—Maar niet alleen by ’s Lands Advokaat, ook by Prins Maurits stond de jongeling in gunst: hy was een der weinigen, die—altijd in datzelfde jaar 1600—de hooge eer genoten, den tocht over het zeestrand mede te maken met den zeilwagen van Stevijn, die in twee uren van Scheveningen naar Petten reed: hy, de eenige ambtelooze burger onder acht-en-twintig doorluchtige tochtgenooten: en nog bestaat het gedicht, waarin hy dien tocht beschreef.Verwierf hy zich een naam aan de balie, niet minder deed hy zulks door zijn Historie der Nederlandsche Oorlogen en door zijn werk over de vrije zee, op hoog bevel in ’t licht gegeven. Op zijn vier-en-twintigste jaar alreeds tot Advokaat-Generaal benoemd, zag hy zich in 1613 aangezocht door de Regeering van Rotterdam, het ambt van Pensionaris dier stad te aanvaarden, ’t welk hy deed, onder voorwaarde, dat men hem nimmer zoû mogen afzetten.—Hy kon zich toen nog niet voorstellen, dat ooit een macht in den Staat zich krachtiger zoû kunnen doen gelden dan die van een Stadsregeering.—In ditzelfde jaar naar Engeland gezonden, om de geschillen wegens den handel op Indiën te helpen beslissen, zag hy zich aldaar een nieuwe gelegenheid verschaft, om zijn roem zoo wel als zijn kennis uit te breiden.—Tot nu toe had de fortuin zijn loopbaan bestraald, ja, hem ruimschoots met alles bedeeld, wat een mensch verlangen kan: geleerdheid, kunde, vermaardheid, eerambten, een vrij ruim vermogen, en, om dat alles te bekroonen, een door en door bekwame en wakkere vrouw. Geen vijf jaren echter waren verloopen, of de staat van zaken was op eenmaal veranderd. Het beding, dat De Groot—misschien wel op aandrang zijner echtgenoote—had aangegaan, kon hem wel waarborgen tegen elk opkomend geschil met de Rotterdamsche Vroedschap, maar niet tegen het ongenoegen van den Prins. Hoe hy in 1618, in den val van Oldenbarneveldt medegesleept, tot eeuwigdurende gevangenis veroordeeld, te Loevestein opgesloten en door de kloekheid van zijn vrouw verlost werd—is te overbekend, om hier zelfs eenige herinnering te behoeven. Naar Frankrijk geweken, werd hy met onderscheiding door Lodewijk XIII. ontfangen en met een jaargeld begiftigd. Had De Groot in zijn kerker tal van boeken geschreven, te Parijs had hy even zeer de volle gelegenheid en tijdruimte over, om zich aan letterarbeid te wijden: en zoo voltooide hy aldaar zijn verdediging van de waarheid van den Kristelijken Godsdienst, zijn waereldberoemd werk over het Recht van Vrede en Oorlog, zijn Jaarboeken en een tal van andere werken.Met dit al ware zijn leven in de plaats zijner ballingschap vrij treurig, ja, hem ondragelijk geweest, had hem de trouwe Maria van Reigersberg niet ter zijde gestaan, zy, hem niet enkel als gade, maar ook als huishoudster onontbeerlijk. Immers, het was met De Groot gesteld als met meer mannen van de wetenschap. Zijn geest, bestendig rondzwervende in een meer verheven luchtkring, kon niet afdalen tot het gewone en alledaagsche. De man, die voor de balie of in het studeervertrek elke geldquestie zoû ontward en helder uiteengezet hebben, kende de betreklijke waarde niet der geldstukken, welke hy in zijn buidel droeg,—wat byna tot zijn ontdekking geleid had, toen hy, na zijn ontkomen uit Loevestein, van Gorcum naar Antwerpen reizende, voor een pint bier, onder weg gebruikt, de tiendubbele waarde woû betalen. Gelukkig was Maria even praktisch en by de zaak als haar man het weinig was, zoo dat dan ook voortdurend het bestuur over de huishouding, ja, ook over de geldmiddelen en belangen van haar echtgenoot by haar berustte. Niet alleen had dit plaats zoo lang zy zich te Parijs bevond; maar daartoe was ook menige reis naar Holland noodig, waar De Groot geen veiliger noch waakzamer zaakwaarnemer dan haar had kunnen vinden. En al blijkt het nu uit de brieven, die zy aan De Groot schreef, hoe zy elk voorstel, dat zy deed, elke schikking, die zy trof, bescheidelijk aan zijn oordeel onderwierp, toch blijkt het tevens, hoe de wakkere huisvrouw wel by haar zelve de bewustheid koesterde, dat haar betuiging van onderwerping aan beter oordeel niet hooger kon worden opgenomen dan als een uitdrukking, door de betamelijkheid voorgeschreven en omtrent gelijk staande met die, waarby aan ’t slot van een brief iemand zich verklaart, eens anders gehoorzame dienaar te zijn;—hoezeer de schrijver ’t alles behalve heusch zoû opnemen, indien zijn woorden naar de letter werden opgevat.—Zelfs uit Holland bleef Maria al wat de huiselijke zaken te Parijs betrof, ja de opvoeding harer kinderen, met overleg en wijsheid gadeslaan. Niets ontgaat haar aandacht: noch het schoolgaan en de oefeningen harer kinderen, noch de nieuwe hoed, dien zy oordeelt, dat haar man noodig zal hebben, terwijl zy tevens meent, dat de oude wel voor haar zoon Cornelis kan pas gemaakt worden: noch het aan te koopen paard, ’t welk volgends haar bestel eencolleen geenblesseop ’t voorhoofd hebben moet: over alles oppert zy bedenking en schaft zy raad, en echt karakteristiek is de wijze, waarop zy zich nu en dan beklaagt, datDe Groot een zorg en een moeite op haar laat aankomen, waarvan zy gewis zeer ongaarne zoû zijn ontslagen geweest.Reeds dadelijk na zijn komst aan ’t bestuur, had Frederik Hendrik aan De Groot zijn gunst aangeboden en daarby het uitzicht geöpend op terugkeer in zijn Vaderland. Waarschijnlijk wist de schrandere Vorst zeer wel, dat dit uitzicht niet zoo gemaklijk, zoo immer, zoû kunnen worden verwezenlijkt; maar in elk geval moest de gedane stap hem in de oogen der Staatsgezinden aangenaam maken, en miste dan ook te dien opzichte zijn uitwerking niet. Het duurde echter tot in October 1631, eer De Groot, wiens pensioen in Frankrijk Richelieu had doorgeschrapt, het wagen dorst, zich weêr in Holland te vertoonen. Men had hem gevleid, dat hy een aanstelling zoû bekomen by de Doorluchtige Schole, tot wier oprichting de Vroedschap van Amsterdam twee jaren vroeger besloten had: doch die stichting zelve, in groote mate strekkende, om de Remonstrants-gezinden te believen, had reeds opspraak en tegenstand genoeg verwekt, en, altijd behoedzaam, oordeelde de Amsterdamsche Regeering die niet te moeten vermeerderen door het beroepen van den man, die, hoezeer meer dan elk ander voor de taak berekend, als de leider der Remonstrantsche partij beschouwd kon worden, en boven wiens hoofd nog het vonnis zweefde eener eeuwigdurende gevangenschap. Dit belette echter niet, dat De Groot de plechtigheid van de inwijding der gezegde Schole kwam bywonen, en daartoe op den negenden December naar Amsterdam kwam, waar Vondel, die steeds briefwisling met hem gehouden had, hem, met dit lied verwelkomde:Wat saelge wint is ’t, die van lelistrant,Den stroom op, in ’t ondanckbre VaderlantHervoert het Delftsche wet-orakel, datGekoffert, als een kostelijcke schat,Weleer de bange Maes afdrijven quam,Tot dat de Sein het in haer armen nam,En sette dat geberghde Godts-kleenootMet blijschap op den Koningklyken schootDes Aller-Christelijcksten LuydewijcxDie ’t herberg schonck, tot glori sijnes Rijcx,Op dat het, na ’t verstuyven van die wolckDes drucx verscheen, tot heyl van ’t vrije volck,En ’t misverstandt, aensiende ’s helts gedult,Hem weder eerde en riep: het is mijn schult.De Vader der welsprekendheyt herblonckSoo weer te Rome, als d’ ordenloosheid stonckVan Klodius, die schadelijcke pest,Voor ’t lichaam van het algemeene best.Het treurigh aensien van den Staet dat lacht,De swacke wetten voelen nieuwe kracht.Self d’ ontucht werdt beschaamt van ’t eerlijck licht.Rechtvaerdigheit houdt vree door evenwight.De Rede stemt niets troebel, maer gesont.Soo vele ste’en besluyten uyt een mont.Men tast niet meer in blinde duysternis.Der burgren oirbaer ’t eenigh doelwit is;En rept er ergens een van dwinglandy.Daer ooght men op als hiel hy Spanjes sij’.O groote siel, o son van myn gesangk,Die weer verrijst, na uwen onderganck,En ons verheught met desen gouden dagh,Dien Hollant wel met eere vieren magh,Wat woorden sal de dankbare gemeentBest vlyen, als de goutsmit dier gesteent,Om u t’ onthalen op den hooghsten trap,Van ’s kerckers ramp na suure ballinghschap?O stalen hart al gloeyend hard gesmeet!O Groothart, met wat hemelschen magneetBestreeck Stantvastigheit uw vast gemoet,Dat het soo heet van liefde ’t onswaert woet,En wraeckt de weelde van een aerts-palleysEn kust het lant sijn strenge stiefmoer peys.De Drossaart Hooft, niet minder dan Vondel de terugkomst des doorluchtigen ballings begeerende deed met het volgende gedicht nog eene poging, om Amsterdam te bewegen tot het beroepen van De Groot:Sint uw geluk zijn opgang nam;O hooghgereezen Amsterdam,En trof uw eerzucht noit het wit,Daar nu haar heerepyl in zit;Naardien gy u gingt stellen ’t schrap,Tot winst van waarde wetenschap,En t’ uwer onderrechting rieptTwee helden1, die der dingen dieptEn steilte afpeilen op een prik,Van ’s hemels kruin in ’t hart van ’t slik.Noch mangelde aan uw grootheidt wat,Tot dat het Delphisch puik in stadtQuam storten uit den boezem Goodts.Hier mede zijt ghy buiten schootsVan ’t alverblindend onverstandtEn midden in de zon geplantDer gloory en voorzienigheit.Kent dan uw’ kans, eer dat ze dreidtEen aardekloot verciert en druktHet spansel uwer kroone. RuktDie blaauwe parel van haar’ top,En zet’ er ’t oogh der wijsheit op,Den overgrooten Huigh de Groot,Apollos dierbaarste kleinoodt,’t Welk glat doorkeek, wat Griek, Latijn,Egyptenaar bekent moght zijn:Gezuivert boven dien is meêEn afgespoeld, in all’ de zeeVan ’t hof der Frankisch’ heerschappy,Daar eeuwigh gaat soo heet een tyVan wereldwissels eb en vloedt,Dat het een dwaas kan maecken vroedt,En sneedigh slypen door ’t verzoek,Veel beter dan ’t geleerdste boek.O blaakende vernuft, soo puurAls ’t rookelooze starrevuur,Wanneer hem wolk noch schaduw let?Ghy stelt aan krijgh en vreê de wet;’t Wargaaren van ’t gerecht ghy schift;Verlicht de duisternis der schrift;De naamen die uw lof verbreidtVergoodt ghy met onsterflijkheidt,Oft eeuwelijk onsaaligh maaktDe geene die uw oordeel wraakt;Baardt wonderwerk by wonderdaadt;En altijds even zwanger gaat,Maar alle wondren streeft verby,O Lief der deughde, dat, daar ghyDie groote wonderen bedrijft,Soo kleen noch by u zelven blijft.Dan mits dat ghy u dus verneêrt,Houdt zich der Eng’len schaar vereert,Met zich te draagen onderdaanAan u, en staâghs ten dienst te staan.Intusschen, geen voorspraak mocht baten. Haarlem, Leiden en andere steden hadden weten te bewerken, dat er een aanschrijving aan de Schouten en Baljuwen geschiedde, om De Groot in verzekerde bewaring te nemen, en, al wat de Regeering van Amsterdam kon doen, was, zijn verblijf aldaar oogluikend te gedoogen, of liever, te ignoreeren. De Groot hield zich dan ook stil te huis, waar hem zijn vrienden kwamenbezoeken, en zelfs liep het tot in Maart 1632, eer hy zich op straat dorst vertoonen. Dan nu brachten het zijn vyanden zoo ver, dat door de Staten van Holland een premie op zijn lijf gezet en wie hem huisvestte met boete bedreigd werd. Zich nu langer, zelfs te Amsterdam, niet meer veilig achtende, vertrok De Groot den 17 April te scheep naar Hamburg, waar hy een geruimen tijd vertoefde. Hier werden hem aanbiedingen gedaan, om in dienst der kroon van Zweden te treden: hy nam die aan en ging in 1634 derwaarts, toen de Koningin Kristina hem tot haren Raad benoemde en, als afgezant, naar Frankrijk zond. Elf jaar bekleedde hy die betrekking, en keerde toen naar Zweden terug, om verslag van zijn verrichtingen te doen. Toch bekroop hem wederom de lust, zijn geboortegrond terug te zien, en hy nam zijn weg over Holland. Thands niet meer de uitgebannen zwerver, maar de onschendbare Gezant eener vreemde Mogendheid, kon hy zich te Amsterdam met een vrij en open gelaat vertoonen, en behoefde niemand langs omwegen en in ’t donker uit te gaan, om hem zijn hulde te brengen; gelijk hy deze keer dan ook ontfangen werd met de eerbewijzingen, welke men aan zijn rang, en met de achting, welke men aan zijn persoon verschuldigd was. Zijn verblijf kon echter uit den aard der zake niet dan kort zijn: gelukkig voor zijn vrienden, werd het verlengd door een aanhoudenden noordewind: die het schip, waarmede hy vertrekken zoude, een geruimen tijd tegenhield: wat aan Vondel aanleiding verschafte, een zijner liefste vaersjens, een dankdicht aan dien Wind, te schrijven.Noorden wint, die langs ons stroomenKnaeght den bloesem op de boomen,D’opgeloke bloemen schent;Wiltzangh steurt, en lieve Lent,En den May, die met zijn zonnenQuam aenminnigh aengeronnen:Wintervogel guur en schrael,Steur den zoeten nachtegael;Schen de bloemen in de hoven,Met een lucht van geur bestoven;Knaegh en eet vry ongetoomtZoo veel bloesems op ’t geboomt,Dat vast jammert om genade:’t Is geen noot; want al die schadeMoet nu uit voor d’ overbaet,Die de wijze MagistraetRekent by uw schorre buïen,Die den adem van het zuienEn den blaesbalgh van het westSluiten, keeren al hun best.Zonder dat, gewis wy zoudenGrooten Huigen hier niet houden,Noch feesteeren in ons stadt,Nu verrijckt door zulck een schat,Dien de verresienste HeerenEn gekroonden recht waardeeren.Och! hy had zijn reis gerecktDerwaert hem zijn Noortstar treckt,Vrou Kristine, wiens betrouwenUitziet, om dit licht t’ aanschouwen,Dat, al zestigh jaer geleên,’t Hart van Hollant recht bescheen,En nu hijght om winter klippenTe bestralen met zijn lippen,Met zijn oogen, met zijn’ mont,Die de ruwe tygers wont,Woeste bosschen leert bedarenEn betoomt de blinde baren,Dat de zee heur aert vergeet.Zweden, ooreloghs-magneet,Die, te bloedigh in het wrocken,Zoo veel yzers hebt getrockenIn uw boezem, gunt dat wyZommige uren aen het YOns verquicken met de gavenVan den Helt, die aan uw stavenHangt verbonden, hoogh en dier:Laet dien trousten BatavierHier zijn ongemack verzoeten,Eer hy neêrvall’ voor de voetenVan de trots gekroonde Min,Uw gehelmde Koningin,Die, geluckt mijn wensch en bede,Ons den lang gewenschten VredeVoort zal brengen uit haer schoot.Op dien zegen mach de GrootHaer bejegenen, en vinden.Hemel, span gewenschte windenVoor zijn jaght, en vlugge kiel,Als de stadt die groote ziel,Met Gustavus lievereienZiet van Aemstels oever scheien,En te water ondergaenOm in ’t Noorden op te staen.Vondel deed zijn vriend nog uitgeleide by zijn vertrek naar boord. Hun afscheid was het laatste, dat zy van elkander namen, en nimmerzoû De Groot zijn vaderland terug zien. Te Stokholm zijn taak volbracht hebbende, verzocht en bekwam hy van Kristina ontslag uit haar dienst: waarna hy weder scheep ging, met het oogmerk, om zich naar Munster te begeven. Men weet, dat aldaar reeds in ’t begin van 1646 de Gevolmachtigden ter vredehandeling verschenen, en ’t is niet onwaarschijnlijk, dat het voornemen van De Groot in verband stond met die gewichtige samenkomst: wat daarvan echter zy, de uitkomst beäntwoordde niet aan zijn verwachtingen. Door storm beloopen, moest hy op de Pommersche kust aan wal gaan en zijn reis te land, in ziekte en ongemak, vervolgen. Zijn ongesteldheid verergerde, en hy zag zich gedwongen, te Rostok stil te blijven, alwaar hy, na eenige dagen bedlegerig te zijn geweest, op den 28stenAugustus overleed. Vandaar werd zijn lijk naar Delft gevoerd en in zijn familiegraf bygezet. Zoo mocht De Groot, na zijn sterven, toch in zijn vaderland die rust vinden, welke men er hem by zijn leven geweigerd had.Maar zoo hy de grootste helft van het tijdvak, dat er verliep sedert zijn vroegste jongelingschap tot aan zijn dood, buiten Nederland had doorgebracht, toch was zijn invloed op de vorming zijner landgenooten, op de ontwikkeling der wetenschap aldaar, duurzaam en van kracht geweest. Hy was en bleef de vraagbaak, tot wien Hooft zich wendde, waar ’t de geschiedenis of de regelen der taal, Vondel, waar ’t poëzy, Vossius of Barleus waar ’t de klassieke letterkunde, zoo vele anderen, waar ’t de rechts- of godgeleerdheid of eenige andere wetenschap gold: ja men zoû gerustelijk durven beweeren, dat, gedurende het geheele tijdvak van Frederik Hendriks bestuur, geen werk van eenig belang, in welk vak ook, is uitgekomen, waarover men De Groot niet geraadpleegd heeft. Ook daarom, behalve om de straks genoemde reden, is zijn naam van dat tijdvak onafscheidelijk, en wijzen wy hem hier, naast zoovelen zijner vrienden, de plaats aan, die hem by zijn leven zoo onbarmhartig is ontzegd.1Vossius en Van Baerle.

HUIG DE GROOT.Hebben de overige groote mannen, wier namen in deze galery zijn opgenomen, hun roem verworven door hetgeen zy of binnen of ten behoeve van den Staat der Vereenigde Gewesten verrichteden, De Groot is in die ry de eenige, die geheel buiten beide kategoriën geplaatst is.Immers, hy moge zich al, gedurende het bewind van Frederik Hendrik, een paar reizen in Holland vertoond hebben, het is niet geweest dan zeer kort, en als in ’t voorbygaan; terwijl de werken, welke hy in dat tijdvak geschreven, of de bedieningen, welke hy vervuld heeft, tot bevordering gestrekt hebben, gene van de wetenschap in ’t algemeen, deze van andere dan Nederlandsche belangen. Maar dit belet niet, dat van den lichtkrans, die om zijn hoofd schittert, stralen afschitteren op zijn Vaderland, en dat zich dit ook thans nog verheffen mag, den uitgebannen zoon te hebben voortgebracht, dien het by zijn leven niet in genade had willen aannemen. Immers niet alleen door zijn geboorte, door opvoeding en opleiding, door de betrekking, welke hy als jongeling en man vervuld had, was De Groot een Hollander, ook in zijn ballingschap was hy Hollander in ’t hart gebleven, al bezigde hy in zijn geschriften by voorkeur de algemeene taal der geleerden, en al was hy ook, aan Frankrijks Hof, de Gezant eener vreemde Mogendheid: ja hy kon aangemerkt worden als de man, die by den buitenlander wel niet de byzondere politiek zijner Natie, maar haar wetenschaplijk leven, haar aanspraken op beschaving, op kennis, op verlichting, vertegenwoordigde. Wanneer men nagaat, in welke achting De Groot door geheel Europa gehouden werd, dan zoû men byna zich tot de gedachte laten geleiden, dat de Regenten van dien tijd daarom alleen zijn vestiging hier te lande bleven tegenhouden, op dat de vreemdeling, vernemende, hoe zoo voortreflijkeen man in zijn Vaderland gemist kon worden, nòg grooter gedachten mocht opvatten van hen, die er achter bleven.—’t Ware met dat al een gevaarlijk beginsel geweest, en, liever dan het na te volgen, zouden de Regeeringen, omgekeerd, wijs handelen, wanneer zy het overschrijden der grenzen verboden aan zoodanige landgenooten, als door hun gedragingen in den vreemde niet alleen zich zelve bespotlijk maken, maar ook, waar zy zich vertoonen, een slechten dunk doen opvatten van het land, dat zulke mislukte kinderen voortbrengt.Huig de Groot.W. P. Hoevenaar, delSteend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Huig de Groot.Over de verdiensten te willen uitweiden van een man als De Groot, of daarvan slechts een klein denkbeeld te willen geven, ware even belachlijk als onnoodig: zijn werken zijn de waereld door bekend en gewaardeerd: en zijnnaam alleenzegt reeds genoeg. Liever daarom hier een nederiger taak aanvaard dan het schrijven eener lofrede: liever dan hoogdravende woordenpraal, een vluchtige beschouwing van zijn leven en karakter gegeven. By het vele bekende zal dan wellicht het een en ander kunnen worden te pas gebracht, dat niet zoo algemeen geweten wordt, of wel, dat by hen, die ’t wisten, uit het geheugen is geraakt.Op den 10denApril, 1583, te Delft geboren, was de kleine Huig wat men gewoon is een wonderkind te noemen, en maakte hy zich reeds vroeg, uit verscheidene oorzaken, beroemd. Zoo b. v. vervaardigde hy, op zijn negende jaar reeds, vaerzen, die geprezen werden—iets, dat tegenwoordig met de meeste kinderen het geval is; doch toen nog ongemeen schijnt geweest te zijn. Wat als een vrij sterker bewijs zijner vroegtijdige ontwikkeling mag gelden, is, dat hy reeds vóór zijn twaalfde jaar de Hooge School te Leyden bezocht, waar hy zich zoo vlijtig oefende in theologie, filozofie en rechten, dat hy in staat was, op zijn vijftiende, in ’t openbaar eenige stellingen te verdedigen. Niet vreemd is ’t, dat Oldenbarneveldt, als Gezant naar Frankrijk zullende trekken, en aan de Franschen een gunstig denkbeeld willende geven, zoo van den toestand, waarin zich ’t hooger onderwijs in Holland bevond, als van de bekwaamheid der leerlingen, op de gedachten kwam, den vluggen knaap met zich te nemen en aan Hendrik IV. voor te stellen. De genomen proef voldeed uitnemend aan de verwachting: De Groot bracht het bedoelde effekt te weeg, bekwam een geschenk van den Koning en, van de Akademie, het diploma van Doctor in de Rechten. Van de alzoo verkregen bevoegdheid maakte hy by zijn terugkomst gebruik: en, wat nog nimmer gezien was, hy pleitte op zijn zeventiende jaar, terwijl hyop denzelfden ouderdom zijn eerste werk in ’t licht deed verschijnen.—Maar niet alleen by ’s Lands Advokaat, ook by Prins Maurits stond de jongeling in gunst: hy was een der weinigen, die—altijd in datzelfde jaar 1600—de hooge eer genoten, den tocht over het zeestrand mede te maken met den zeilwagen van Stevijn, die in twee uren van Scheveningen naar Petten reed: hy, de eenige ambtelooze burger onder acht-en-twintig doorluchtige tochtgenooten: en nog bestaat het gedicht, waarin hy dien tocht beschreef.Verwierf hy zich een naam aan de balie, niet minder deed hy zulks door zijn Historie der Nederlandsche Oorlogen en door zijn werk over de vrije zee, op hoog bevel in ’t licht gegeven. Op zijn vier-en-twintigste jaar alreeds tot Advokaat-Generaal benoemd, zag hy zich in 1613 aangezocht door de Regeering van Rotterdam, het ambt van Pensionaris dier stad te aanvaarden, ’t welk hy deed, onder voorwaarde, dat men hem nimmer zoû mogen afzetten.—Hy kon zich toen nog niet voorstellen, dat ooit een macht in den Staat zich krachtiger zoû kunnen doen gelden dan die van een Stadsregeering.—In ditzelfde jaar naar Engeland gezonden, om de geschillen wegens den handel op Indiën te helpen beslissen, zag hy zich aldaar een nieuwe gelegenheid verschaft, om zijn roem zoo wel als zijn kennis uit te breiden.—Tot nu toe had de fortuin zijn loopbaan bestraald, ja, hem ruimschoots met alles bedeeld, wat een mensch verlangen kan: geleerdheid, kunde, vermaardheid, eerambten, een vrij ruim vermogen, en, om dat alles te bekroonen, een door en door bekwame en wakkere vrouw. Geen vijf jaren echter waren verloopen, of de staat van zaken was op eenmaal veranderd. Het beding, dat De Groot—misschien wel op aandrang zijner echtgenoote—had aangegaan, kon hem wel waarborgen tegen elk opkomend geschil met de Rotterdamsche Vroedschap, maar niet tegen het ongenoegen van den Prins. Hoe hy in 1618, in den val van Oldenbarneveldt medegesleept, tot eeuwigdurende gevangenis veroordeeld, te Loevestein opgesloten en door de kloekheid van zijn vrouw verlost werd—is te overbekend, om hier zelfs eenige herinnering te behoeven. Naar Frankrijk geweken, werd hy met onderscheiding door Lodewijk XIII. ontfangen en met een jaargeld begiftigd. Had De Groot in zijn kerker tal van boeken geschreven, te Parijs had hy even zeer de volle gelegenheid en tijdruimte over, om zich aan letterarbeid te wijden: en zoo voltooide hy aldaar zijn verdediging van de waarheid van den Kristelijken Godsdienst, zijn waereldberoemd werk over het Recht van Vrede en Oorlog, zijn Jaarboeken en een tal van andere werken.Met dit al ware zijn leven in de plaats zijner ballingschap vrij treurig, ja, hem ondragelijk geweest, had hem de trouwe Maria van Reigersberg niet ter zijde gestaan, zy, hem niet enkel als gade, maar ook als huishoudster onontbeerlijk. Immers, het was met De Groot gesteld als met meer mannen van de wetenschap. Zijn geest, bestendig rondzwervende in een meer verheven luchtkring, kon niet afdalen tot het gewone en alledaagsche. De man, die voor de balie of in het studeervertrek elke geldquestie zoû ontward en helder uiteengezet hebben, kende de betreklijke waarde niet der geldstukken, welke hy in zijn buidel droeg,—wat byna tot zijn ontdekking geleid had, toen hy, na zijn ontkomen uit Loevestein, van Gorcum naar Antwerpen reizende, voor een pint bier, onder weg gebruikt, de tiendubbele waarde woû betalen. Gelukkig was Maria even praktisch en by de zaak als haar man het weinig was, zoo dat dan ook voortdurend het bestuur over de huishouding, ja, ook over de geldmiddelen en belangen van haar echtgenoot by haar berustte. Niet alleen had dit plaats zoo lang zy zich te Parijs bevond; maar daartoe was ook menige reis naar Holland noodig, waar De Groot geen veiliger noch waakzamer zaakwaarnemer dan haar had kunnen vinden. En al blijkt het nu uit de brieven, die zy aan De Groot schreef, hoe zy elk voorstel, dat zy deed, elke schikking, die zy trof, bescheidelijk aan zijn oordeel onderwierp, toch blijkt het tevens, hoe de wakkere huisvrouw wel by haar zelve de bewustheid koesterde, dat haar betuiging van onderwerping aan beter oordeel niet hooger kon worden opgenomen dan als een uitdrukking, door de betamelijkheid voorgeschreven en omtrent gelijk staande met die, waarby aan ’t slot van een brief iemand zich verklaart, eens anders gehoorzame dienaar te zijn;—hoezeer de schrijver ’t alles behalve heusch zoû opnemen, indien zijn woorden naar de letter werden opgevat.—Zelfs uit Holland bleef Maria al wat de huiselijke zaken te Parijs betrof, ja de opvoeding harer kinderen, met overleg en wijsheid gadeslaan. Niets ontgaat haar aandacht: noch het schoolgaan en de oefeningen harer kinderen, noch de nieuwe hoed, dien zy oordeelt, dat haar man noodig zal hebben, terwijl zy tevens meent, dat de oude wel voor haar zoon Cornelis kan pas gemaakt worden: noch het aan te koopen paard, ’t welk volgends haar bestel eencolleen geenblesseop ’t voorhoofd hebben moet: over alles oppert zy bedenking en schaft zy raad, en echt karakteristiek is de wijze, waarop zy zich nu en dan beklaagt, datDe Groot een zorg en een moeite op haar laat aankomen, waarvan zy gewis zeer ongaarne zoû zijn ontslagen geweest.Reeds dadelijk na zijn komst aan ’t bestuur, had Frederik Hendrik aan De Groot zijn gunst aangeboden en daarby het uitzicht geöpend op terugkeer in zijn Vaderland. Waarschijnlijk wist de schrandere Vorst zeer wel, dat dit uitzicht niet zoo gemaklijk, zoo immer, zoû kunnen worden verwezenlijkt; maar in elk geval moest de gedane stap hem in de oogen der Staatsgezinden aangenaam maken, en miste dan ook te dien opzichte zijn uitwerking niet. Het duurde echter tot in October 1631, eer De Groot, wiens pensioen in Frankrijk Richelieu had doorgeschrapt, het wagen dorst, zich weêr in Holland te vertoonen. Men had hem gevleid, dat hy een aanstelling zoû bekomen by de Doorluchtige Schole, tot wier oprichting de Vroedschap van Amsterdam twee jaren vroeger besloten had: doch die stichting zelve, in groote mate strekkende, om de Remonstrants-gezinden te believen, had reeds opspraak en tegenstand genoeg verwekt, en, altijd behoedzaam, oordeelde de Amsterdamsche Regeering die niet te moeten vermeerderen door het beroepen van den man, die, hoezeer meer dan elk ander voor de taak berekend, als de leider der Remonstrantsche partij beschouwd kon worden, en boven wiens hoofd nog het vonnis zweefde eener eeuwigdurende gevangenschap. Dit belette echter niet, dat De Groot de plechtigheid van de inwijding der gezegde Schole kwam bywonen, en daartoe op den negenden December naar Amsterdam kwam, waar Vondel, die steeds briefwisling met hem gehouden had, hem, met dit lied verwelkomde:Wat saelge wint is ’t, die van lelistrant,Den stroom op, in ’t ondanckbre VaderlantHervoert het Delftsche wet-orakel, datGekoffert, als een kostelijcke schat,Weleer de bange Maes afdrijven quam,Tot dat de Sein het in haer armen nam,En sette dat geberghde Godts-kleenootMet blijschap op den Koningklyken schootDes Aller-Christelijcksten LuydewijcxDie ’t herberg schonck, tot glori sijnes Rijcx,Op dat het, na ’t verstuyven van die wolckDes drucx verscheen, tot heyl van ’t vrije volck,En ’t misverstandt, aensiende ’s helts gedult,Hem weder eerde en riep: het is mijn schult.De Vader der welsprekendheyt herblonckSoo weer te Rome, als d’ ordenloosheid stonckVan Klodius, die schadelijcke pest,Voor ’t lichaam van het algemeene best.Het treurigh aensien van den Staet dat lacht,De swacke wetten voelen nieuwe kracht.Self d’ ontucht werdt beschaamt van ’t eerlijck licht.Rechtvaerdigheit houdt vree door evenwight.De Rede stemt niets troebel, maer gesont.Soo vele ste’en besluyten uyt een mont.Men tast niet meer in blinde duysternis.Der burgren oirbaer ’t eenigh doelwit is;En rept er ergens een van dwinglandy.Daer ooght men op als hiel hy Spanjes sij’.O groote siel, o son van myn gesangk,Die weer verrijst, na uwen onderganck,En ons verheught met desen gouden dagh,Dien Hollant wel met eere vieren magh,Wat woorden sal de dankbare gemeentBest vlyen, als de goutsmit dier gesteent,Om u t’ onthalen op den hooghsten trap,Van ’s kerckers ramp na suure ballinghschap?O stalen hart al gloeyend hard gesmeet!O Groothart, met wat hemelschen magneetBestreeck Stantvastigheit uw vast gemoet,Dat het soo heet van liefde ’t onswaert woet,En wraeckt de weelde van een aerts-palleysEn kust het lant sijn strenge stiefmoer peys.De Drossaart Hooft, niet minder dan Vondel de terugkomst des doorluchtigen ballings begeerende deed met het volgende gedicht nog eene poging, om Amsterdam te bewegen tot het beroepen van De Groot:Sint uw geluk zijn opgang nam;O hooghgereezen Amsterdam,En trof uw eerzucht noit het wit,Daar nu haar heerepyl in zit;Naardien gy u gingt stellen ’t schrap,Tot winst van waarde wetenschap,En t’ uwer onderrechting rieptTwee helden1, die der dingen dieptEn steilte afpeilen op een prik,Van ’s hemels kruin in ’t hart van ’t slik.Noch mangelde aan uw grootheidt wat,Tot dat het Delphisch puik in stadtQuam storten uit den boezem Goodts.Hier mede zijt ghy buiten schootsVan ’t alverblindend onverstandtEn midden in de zon geplantDer gloory en voorzienigheit.Kent dan uw’ kans, eer dat ze dreidtEen aardekloot verciert en druktHet spansel uwer kroone. RuktDie blaauwe parel van haar’ top,En zet’ er ’t oogh der wijsheit op,Den overgrooten Huigh de Groot,Apollos dierbaarste kleinoodt,’t Welk glat doorkeek, wat Griek, Latijn,Egyptenaar bekent moght zijn:Gezuivert boven dien is meêEn afgespoeld, in all’ de zeeVan ’t hof der Frankisch’ heerschappy,Daar eeuwigh gaat soo heet een tyVan wereldwissels eb en vloedt,Dat het een dwaas kan maecken vroedt,En sneedigh slypen door ’t verzoek,Veel beter dan ’t geleerdste boek.O blaakende vernuft, soo puurAls ’t rookelooze starrevuur,Wanneer hem wolk noch schaduw let?Ghy stelt aan krijgh en vreê de wet;’t Wargaaren van ’t gerecht ghy schift;Verlicht de duisternis der schrift;De naamen die uw lof verbreidtVergoodt ghy met onsterflijkheidt,Oft eeuwelijk onsaaligh maaktDe geene die uw oordeel wraakt;Baardt wonderwerk by wonderdaadt;En altijds even zwanger gaat,Maar alle wondren streeft verby,O Lief der deughde, dat, daar ghyDie groote wonderen bedrijft,Soo kleen noch by u zelven blijft.Dan mits dat ghy u dus verneêrt,Houdt zich der Eng’len schaar vereert,Met zich te draagen onderdaanAan u, en staâghs ten dienst te staan.Intusschen, geen voorspraak mocht baten. Haarlem, Leiden en andere steden hadden weten te bewerken, dat er een aanschrijving aan de Schouten en Baljuwen geschiedde, om De Groot in verzekerde bewaring te nemen, en, al wat de Regeering van Amsterdam kon doen, was, zijn verblijf aldaar oogluikend te gedoogen, of liever, te ignoreeren. De Groot hield zich dan ook stil te huis, waar hem zijn vrienden kwamenbezoeken, en zelfs liep het tot in Maart 1632, eer hy zich op straat dorst vertoonen. Dan nu brachten het zijn vyanden zoo ver, dat door de Staten van Holland een premie op zijn lijf gezet en wie hem huisvestte met boete bedreigd werd. Zich nu langer, zelfs te Amsterdam, niet meer veilig achtende, vertrok De Groot den 17 April te scheep naar Hamburg, waar hy een geruimen tijd vertoefde. Hier werden hem aanbiedingen gedaan, om in dienst der kroon van Zweden te treden: hy nam die aan en ging in 1634 derwaarts, toen de Koningin Kristina hem tot haren Raad benoemde en, als afgezant, naar Frankrijk zond. Elf jaar bekleedde hy die betrekking, en keerde toen naar Zweden terug, om verslag van zijn verrichtingen te doen. Toch bekroop hem wederom de lust, zijn geboortegrond terug te zien, en hy nam zijn weg over Holland. Thands niet meer de uitgebannen zwerver, maar de onschendbare Gezant eener vreemde Mogendheid, kon hy zich te Amsterdam met een vrij en open gelaat vertoonen, en behoefde niemand langs omwegen en in ’t donker uit te gaan, om hem zijn hulde te brengen; gelijk hy deze keer dan ook ontfangen werd met de eerbewijzingen, welke men aan zijn rang, en met de achting, welke men aan zijn persoon verschuldigd was. Zijn verblijf kon echter uit den aard der zake niet dan kort zijn: gelukkig voor zijn vrienden, werd het verlengd door een aanhoudenden noordewind: die het schip, waarmede hy vertrekken zoude, een geruimen tijd tegenhield: wat aan Vondel aanleiding verschafte, een zijner liefste vaersjens, een dankdicht aan dien Wind, te schrijven.Noorden wint, die langs ons stroomenKnaeght den bloesem op de boomen,D’opgeloke bloemen schent;Wiltzangh steurt, en lieve Lent,En den May, die met zijn zonnenQuam aenminnigh aengeronnen:Wintervogel guur en schrael,Steur den zoeten nachtegael;Schen de bloemen in de hoven,Met een lucht van geur bestoven;Knaegh en eet vry ongetoomtZoo veel bloesems op ’t geboomt,Dat vast jammert om genade:’t Is geen noot; want al die schadeMoet nu uit voor d’ overbaet,Die de wijze MagistraetRekent by uw schorre buïen,Die den adem van het zuienEn den blaesbalgh van het westSluiten, keeren al hun best.Zonder dat, gewis wy zoudenGrooten Huigen hier niet houden,Noch feesteeren in ons stadt,Nu verrijckt door zulck een schat,Dien de verresienste HeerenEn gekroonden recht waardeeren.Och! hy had zijn reis gerecktDerwaert hem zijn Noortstar treckt,Vrou Kristine, wiens betrouwenUitziet, om dit licht t’ aanschouwen,Dat, al zestigh jaer geleên,’t Hart van Hollant recht bescheen,En nu hijght om winter klippenTe bestralen met zijn lippen,Met zijn oogen, met zijn’ mont,Die de ruwe tygers wont,Woeste bosschen leert bedarenEn betoomt de blinde baren,Dat de zee heur aert vergeet.Zweden, ooreloghs-magneet,Die, te bloedigh in het wrocken,Zoo veel yzers hebt getrockenIn uw boezem, gunt dat wyZommige uren aen het YOns verquicken met de gavenVan den Helt, die aan uw stavenHangt verbonden, hoogh en dier:Laet dien trousten BatavierHier zijn ongemack verzoeten,Eer hy neêrvall’ voor de voetenVan de trots gekroonde Min,Uw gehelmde Koningin,Die, geluckt mijn wensch en bede,Ons den lang gewenschten VredeVoort zal brengen uit haer schoot.Op dien zegen mach de GrootHaer bejegenen, en vinden.Hemel, span gewenschte windenVoor zijn jaght, en vlugge kiel,Als de stadt die groote ziel,Met Gustavus lievereienZiet van Aemstels oever scheien,En te water ondergaenOm in ’t Noorden op te staen.Vondel deed zijn vriend nog uitgeleide by zijn vertrek naar boord. Hun afscheid was het laatste, dat zy van elkander namen, en nimmerzoû De Groot zijn vaderland terug zien. Te Stokholm zijn taak volbracht hebbende, verzocht en bekwam hy van Kristina ontslag uit haar dienst: waarna hy weder scheep ging, met het oogmerk, om zich naar Munster te begeven. Men weet, dat aldaar reeds in ’t begin van 1646 de Gevolmachtigden ter vredehandeling verschenen, en ’t is niet onwaarschijnlijk, dat het voornemen van De Groot in verband stond met die gewichtige samenkomst: wat daarvan echter zy, de uitkomst beäntwoordde niet aan zijn verwachtingen. Door storm beloopen, moest hy op de Pommersche kust aan wal gaan en zijn reis te land, in ziekte en ongemak, vervolgen. Zijn ongesteldheid verergerde, en hy zag zich gedwongen, te Rostok stil te blijven, alwaar hy, na eenige dagen bedlegerig te zijn geweest, op den 28stenAugustus overleed. Vandaar werd zijn lijk naar Delft gevoerd en in zijn familiegraf bygezet. Zoo mocht De Groot, na zijn sterven, toch in zijn vaderland die rust vinden, welke men er hem by zijn leven geweigerd had.Maar zoo hy de grootste helft van het tijdvak, dat er verliep sedert zijn vroegste jongelingschap tot aan zijn dood, buiten Nederland had doorgebracht, toch was zijn invloed op de vorming zijner landgenooten, op de ontwikkeling der wetenschap aldaar, duurzaam en van kracht geweest. Hy was en bleef de vraagbaak, tot wien Hooft zich wendde, waar ’t de geschiedenis of de regelen der taal, Vondel, waar ’t poëzy, Vossius of Barleus waar ’t de klassieke letterkunde, zoo vele anderen, waar ’t de rechts- of godgeleerdheid of eenige andere wetenschap gold: ja men zoû gerustelijk durven beweeren, dat, gedurende het geheele tijdvak van Frederik Hendriks bestuur, geen werk van eenig belang, in welk vak ook, is uitgekomen, waarover men De Groot niet geraadpleegd heeft. Ook daarom, behalve om de straks genoemde reden, is zijn naam van dat tijdvak onafscheidelijk, en wijzen wy hem hier, naast zoovelen zijner vrienden, de plaats aan, die hem by zijn leven zoo onbarmhartig is ontzegd.1Vossius en Van Baerle.

HUIG DE GROOT.

Hebben de overige groote mannen, wier namen in deze galery zijn opgenomen, hun roem verworven door hetgeen zy of binnen of ten behoeve van den Staat der Vereenigde Gewesten verrichteden, De Groot is in die ry de eenige, die geheel buiten beide kategoriën geplaatst is.Immers, hy moge zich al, gedurende het bewind van Frederik Hendrik, een paar reizen in Holland vertoond hebben, het is niet geweest dan zeer kort, en als in ’t voorbygaan; terwijl de werken, welke hy in dat tijdvak geschreven, of de bedieningen, welke hy vervuld heeft, tot bevordering gestrekt hebben, gene van de wetenschap in ’t algemeen, deze van andere dan Nederlandsche belangen. Maar dit belet niet, dat van den lichtkrans, die om zijn hoofd schittert, stralen afschitteren op zijn Vaderland, en dat zich dit ook thans nog verheffen mag, den uitgebannen zoon te hebben voortgebracht, dien het by zijn leven niet in genade had willen aannemen. Immers niet alleen door zijn geboorte, door opvoeding en opleiding, door de betrekking, welke hy als jongeling en man vervuld had, was De Groot een Hollander, ook in zijn ballingschap was hy Hollander in ’t hart gebleven, al bezigde hy in zijn geschriften by voorkeur de algemeene taal der geleerden, en al was hy ook, aan Frankrijks Hof, de Gezant eener vreemde Mogendheid: ja hy kon aangemerkt worden als de man, die by den buitenlander wel niet de byzondere politiek zijner Natie, maar haar wetenschaplijk leven, haar aanspraken op beschaving, op kennis, op verlichting, vertegenwoordigde. Wanneer men nagaat, in welke achting De Groot door geheel Europa gehouden werd, dan zoû men byna zich tot de gedachte laten geleiden, dat de Regenten van dien tijd daarom alleen zijn vestiging hier te lande bleven tegenhouden, op dat de vreemdeling, vernemende, hoe zoo voortreflijkeen man in zijn Vaderland gemist kon worden, nòg grooter gedachten mocht opvatten van hen, die er achter bleven.—’t Ware met dat al een gevaarlijk beginsel geweest, en, liever dan het na te volgen, zouden de Regeeringen, omgekeerd, wijs handelen, wanneer zy het overschrijden der grenzen verboden aan zoodanige landgenooten, als door hun gedragingen in den vreemde niet alleen zich zelve bespotlijk maken, maar ook, waar zy zich vertoonen, een slechten dunk doen opvatten van het land, dat zulke mislukte kinderen voortbrengt.Huig de Groot.W. P. Hoevenaar, delSteend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Huig de Groot.Over de verdiensten te willen uitweiden van een man als De Groot, of daarvan slechts een klein denkbeeld te willen geven, ware even belachlijk als onnoodig: zijn werken zijn de waereld door bekend en gewaardeerd: en zijnnaam alleenzegt reeds genoeg. Liever daarom hier een nederiger taak aanvaard dan het schrijven eener lofrede: liever dan hoogdravende woordenpraal, een vluchtige beschouwing van zijn leven en karakter gegeven. By het vele bekende zal dan wellicht het een en ander kunnen worden te pas gebracht, dat niet zoo algemeen geweten wordt, of wel, dat by hen, die ’t wisten, uit het geheugen is geraakt.Op den 10denApril, 1583, te Delft geboren, was de kleine Huig wat men gewoon is een wonderkind te noemen, en maakte hy zich reeds vroeg, uit verscheidene oorzaken, beroemd. Zoo b. v. vervaardigde hy, op zijn negende jaar reeds, vaerzen, die geprezen werden—iets, dat tegenwoordig met de meeste kinderen het geval is; doch toen nog ongemeen schijnt geweest te zijn. Wat als een vrij sterker bewijs zijner vroegtijdige ontwikkeling mag gelden, is, dat hy reeds vóór zijn twaalfde jaar de Hooge School te Leyden bezocht, waar hy zich zoo vlijtig oefende in theologie, filozofie en rechten, dat hy in staat was, op zijn vijftiende, in ’t openbaar eenige stellingen te verdedigen. Niet vreemd is ’t, dat Oldenbarneveldt, als Gezant naar Frankrijk zullende trekken, en aan de Franschen een gunstig denkbeeld willende geven, zoo van den toestand, waarin zich ’t hooger onderwijs in Holland bevond, als van de bekwaamheid der leerlingen, op de gedachten kwam, den vluggen knaap met zich te nemen en aan Hendrik IV. voor te stellen. De genomen proef voldeed uitnemend aan de verwachting: De Groot bracht het bedoelde effekt te weeg, bekwam een geschenk van den Koning en, van de Akademie, het diploma van Doctor in de Rechten. Van de alzoo verkregen bevoegdheid maakte hy by zijn terugkomst gebruik: en, wat nog nimmer gezien was, hy pleitte op zijn zeventiende jaar, terwijl hyop denzelfden ouderdom zijn eerste werk in ’t licht deed verschijnen.—Maar niet alleen by ’s Lands Advokaat, ook by Prins Maurits stond de jongeling in gunst: hy was een der weinigen, die—altijd in datzelfde jaar 1600—de hooge eer genoten, den tocht over het zeestrand mede te maken met den zeilwagen van Stevijn, die in twee uren van Scheveningen naar Petten reed: hy, de eenige ambtelooze burger onder acht-en-twintig doorluchtige tochtgenooten: en nog bestaat het gedicht, waarin hy dien tocht beschreef.Verwierf hy zich een naam aan de balie, niet minder deed hy zulks door zijn Historie der Nederlandsche Oorlogen en door zijn werk over de vrije zee, op hoog bevel in ’t licht gegeven. Op zijn vier-en-twintigste jaar alreeds tot Advokaat-Generaal benoemd, zag hy zich in 1613 aangezocht door de Regeering van Rotterdam, het ambt van Pensionaris dier stad te aanvaarden, ’t welk hy deed, onder voorwaarde, dat men hem nimmer zoû mogen afzetten.—Hy kon zich toen nog niet voorstellen, dat ooit een macht in den Staat zich krachtiger zoû kunnen doen gelden dan die van een Stadsregeering.—In ditzelfde jaar naar Engeland gezonden, om de geschillen wegens den handel op Indiën te helpen beslissen, zag hy zich aldaar een nieuwe gelegenheid verschaft, om zijn roem zoo wel als zijn kennis uit te breiden.—Tot nu toe had de fortuin zijn loopbaan bestraald, ja, hem ruimschoots met alles bedeeld, wat een mensch verlangen kan: geleerdheid, kunde, vermaardheid, eerambten, een vrij ruim vermogen, en, om dat alles te bekroonen, een door en door bekwame en wakkere vrouw. Geen vijf jaren echter waren verloopen, of de staat van zaken was op eenmaal veranderd. Het beding, dat De Groot—misschien wel op aandrang zijner echtgenoote—had aangegaan, kon hem wel waarborgen tegen elk opkomend geschil met de Rotterdamsche Vroedschap, maar niet tegen het ongenoegen van den Prins. Hoe hy in 1618, in den val van Oldenbarneveldt medegesleept, tot eeuwigdurende gevangenis veroordeeld, te Loevestein opgesloten en door de kloekheid van zijn vrouw verlost werd—is te overbekend, om hier zelfs eenige herinnering te behoeven. Naar Frankrijk geweken, werd hy met onderscheiding door Lodewijk XIII. ontfangen en met een jaargeld begiftigd. Had De Groot in zijn kerker tal van boeken geschreven, te Parijs had hy even zeer de volle gelegenheid en tijdruimte over, om zich aan letterarbeid te wijden: en zoo voltooide hy aldaar zijn verdediging van de waarheid van den Kristelijken Godsdienst, zijn waereldberoemd werk over het Recht van Vrede en Oorlog, zijn Jaarboeken en een tal van andere werken.Met dit al ware zijn leven in de plaats zijner ballingschap vrij treurig, ja, hem ondragelijk geweest, had hem de trouwe Maria van Reigersberg niet ter zijde gestaan, zy, hem niet enkel als gade, maar ook als huishoudster onontbeerlijk. Immers, het was met De Groot gesteld als met meer mannen van de wetenschap. Zijn geest, bestendig rondzwervende in een meer verheven luchtkring, kon niet afdalen tot het gewone en alledaagsche. De man, die voor de balie of in het studeervertrek elke geldquestie zoû ontward en helder uiteengezet hebben, kende de betreklijke waarde niet der geldstukken, welke hy in zijn buidel droeg,—wat byna tot zijn ontdekking geleid had, toen hy, na zijn ontkomen uit Loevestein, van Gorcum naar Antwerpen reizende, voor een pint bier, onder weg gebruikt, de tiendubbele waarde woû betalen. Gelukkig was Maria even praktisch en by de zaak als haar man het weinig was, zoo dat dan ook voortdurend het bestuur over de huishouding, ja, ook over de geldmiddelen en belangen van haar echtgenoot by haar berustte. Niet alleen had dit plaats zoo lang zy zich te Parijs bevond; maar daartoe was ook menige reis naar Holland noodig, waar De Groot geen veiliger noch waakzamer zaakwaarnemer dan haar had kunnen vinden. En al blijkt het nu uit de brieven, die zy aan De Groot schreef, hoe zy elk voorstel, dat zy deed, elke schikking, die zy trof, bescheidelijk aan zijn oordeel onderwierp, toch blijkt het tevens, hoe de wakkere huisvrouw wel by haar zelve de bewustheid koesterde, dat haar betuiging van onderwerping aan beter oordeel niet hooger kon worden opgenomen dan als een uitdrukking, door de betamelijkheid voorgeschreven en omtrent gelijk staande met die, waarby aan ’t slot van een brief iemand zich verklaart, eens anders gehoorzame dienaar te zijn;—hoezeer de schrijver ’t alles behalve heusch zoû opnemen, indien zijn woorden naar de letter werden opgevat.—Zelfs uit Holland bleef Maria al wat de huiselijke zaken te Parijs betrof, ja de opvoeding harer kinderen, met overleg en wijsheid gadeslaan. Niets ontgaat haar aandacht: noch het schoolgaan en de oefeningen harer kinderen, noch de nieuwe hoed, dien zy oordeelt, dat haar man noodig zal hebben, terwijl zy tevens meent, dat de oude wel voor haar zoon Cornelis kan pas gemaakt worden: noch het aan te koopen paard, ’t welk volgends haar bestel eencolleen geenblesseop ’t voorhoofd hebben moet: over alles oppert zy bedenking en schaft zy raad, en echt karakteristiek is de wijze, waarop zy zich nu en dan beklaagt, datDe Groot een zorg en een moeite op haar laat aankomen, waarvan zy gewis zeer ongaarne zoû zijn ontslagen geweest.Reeds dadelijk na zijn komst aan ’t bestuur, had Frederik Hendrik aan De Groot zijn gunst aangeboden en daarby het uitzicht geöpend op terugkeer in zijn Vaderland. Waarschijnlijk wist de schrandere Vorst zeer wel, dat dit uitzicht niet zoo gemaklijk, zoo immer, zoû kunnen worden verwezenlijkt; maar in elk geval moest de gedane stap hem in de oogen der Staatsgezinden aangenaam maken, en miste dan ook te dien opzichte zijn uitwerking niet. Het duurde echter tot in October 1631, eer De Groot, wiens pensioen in Frankrijk Richelieu had doorgeschrapt, het wagen dorst, zich weêr in Holland te vertoonen. Men had hem gevleid, dat hy een aanstelling zoû bekomen by de Doorluchtige Schole, tot wier oprichting de Vroedschap van Amsterdam twee jaren vroeger besloten had: doch die stichting zelve, in groote mate strekkende, om de Remonstrants-gezinden te believen, had reeds opspraak en tegenstand genoeg verwekt, en, altijd behoedzaam, oordeelde de Amsterdamsche Regeering die niet te moeten vermeerderen door het beroepen van den man, die, hoezeer meer dan elk ander voor de taak berekend, als de leider der Remonstrantsche partij beschouwd kon worden, en boven wiens hoofd nog het vonnis zweefde eener eeuwigdurende gevangenschap. Dit belette echter niet, dat De Groot de plechtigheid van de inwijding der gezegde Schole kwam bywonen, en daartoe op den negenden December naar Amsterdam kwam, waar Vondel, die steeds briefwisling met hem gehouden had, hem, met dit lied verwelkomde:Wat saelge wint is ’t, die van lelistrant,Den stroom op, in ’t ondanckbre VaderlantHervoert het Delftsche wet-orakel, datGekoffert, als een kostelijcke schat,Weleer de bange Maes afdrijven quam,Tot dat de Sein het in haer armen nam,En sette dat geberghde Godts-kleenootMet blijschap op den Koningklyken schootDes Aller-Christelijcksten LuydewijcxDie ’t herberg schonck, tot glori sijnes Rijcx,Op dat het, na ’t verstuyven van die wolckDes drucx verscheen, tot heyl van ’t vrije volck,En ’t misverstandt, aensiende ’s helts gedult,Hem weder eerde en riep: het is mijn schult.De Vader der welsprekendheyt herblonckSoo weer te Rome, als d’ ordenloosheid stonckVan Klodius, die schadelijcke pest,Voor ’t lichaam van het algemeene best.Het treurigh aensien van den Staet dat lacht,De swacke wetten voelen nieuwe kracht.Self d’ ontucht werdt beschaamt van ’t eerlijck licht.Rechtvaerdigheit houdt vree door evenwight.De Rede stemt niets troebel, maer gesont.Soo vele ste’en besluyten uyt een mont.Men tast niet meer in blinde duysternis.Der burgren oirbaer ’t eenigh doelwit is;En rept er ergens een van dwinglandy.Daer ooght men op als hiel hy Spanjes sij’.O groote siel, o son van myn gesangk,Die weer verrijst, na uwen onderganck,En ons verheught met desen gouden dagh,Dien Hollant wel met eere vieren magh,Wat woorden sal de dankbare gemeentBest vlyen, als de goutsmit dier gesteent,Om u t’ onthalen op den hooghsten trap,Van ’s kerckers ramp na suure ballinghschap?O stalen hart al gloeyend hard gesmeet!O Groothart, met wat hemelschen magneetBestreeck Stantvastigheit uw vast gemoet,Dat het soo heet van liefde ’t onswaert woet,En wraeckt de weelde van een aerts-palleysEn kust het lant sijn strenge stiefmoer peys.De Drossaart Hooft, niet minder dan Vondel de terugkomst des doorluchtigen ballings begeerende deed met het volgende gedicht nog eene poging, om Amsterdam te bewegen tot het beroepen van De Groot:Sint uw geluk zijn opgang nam;O hooghgereezen Amsterdam,En trof uw eerzucht noit het wit,Daar nu haar heerepyl in zit;Naardien gy u gingt stellen ’t schrap,Tot winst van waarde wetenschap,En t’ uwer onderrechting rieptTwee helden1, die der dingen dieptEn steilte afpeilen op een prik,Van ’s hemels kruin in ’t hart van ’t slik.Noch mangelde aan uw grootheidt wat,Tot dat het Delphisch puik in stadtQuam storten uit den boezem Goodts.Hier mede zijt ghy buiten schootsVan ’t alverblindend onverstandtEn midden in de zon geplantDer gloory en voorzienigheit.Kent dan uw’ kans, eer dat ze dreidtEen aardekloot verciert en druktHet spansel uwer kroone. RuktDie blaauwe parel van haar’ top,En zet’ er ’t oogh der wijsheit op,Den overgrooten Huigh de Groot,Apollos dierbaarste kleinoodt,’t Welk glat doorkeek, wat Griek, Latijn,Egyptenaar bekent moght zijn:Gezuivert boven dien is meêEn afgespoeld, in all’ de zeeVan ’t hof der Frankisch’ heerschappy,Daar eeuwigh gaat soo heet een tyVan wereldwissels eb en vloedt,Dat het een dwaas kan maecken vroedt,En sneedigh slypen door ’t verzoek,Veel beter dan ’t geleerdste boek.O blaakende vernuft, soo puurAls ’t rookelooze starrevuur,Wanneer hem wolk noch schaduw let?Ghy stelt aan krijgh en vreê de wet;’t Wargaaren van ’t gerecht ghy schift;Verlicht de duisternis der schrift;De naamen die uw lof verbreidtVergoodt ghy met onsterflijkheidt,Oft eeuwelijk onsaaligh maaktDe geene die uw oordeel wraakt;Baardt wonderwerk by wonderdaadt;En altijds even zwanger gaat,Maar alle wondren streeft verby,O Lief der deughde, dat, daar ghyDie groote wonderen bedrijft,Soo kleen noch by u zelven blijft.Dan mits dat ghy u dus verneêrt,Houdt zich der Eng’len schaar vereert,Met zich te draagen onderdaanAan u, en staâghs ten dienst te staan.Intusschen, geen voorspraak mocht baten. Haarlem, Leiden en andere steden hadden weten te bewerken, dat er een aanschrijving aan de Schouten en Baljuwen geschiedde, om De Groot in verzekerde bewaring te nemen, en, al wat de Regeering van Amsterdam kon doen, was, zijn verblijf aldaar oogluikend te gedoogen, of liever, te ignoreeren. De Groot hield zich dan ook stil te huis, waar hem zijn vrienden kwamenbezoeken, en zelfs liep het tot in Maart 1632, eer hy zich op straat dorst vertoonen. Dan nu brachten het zijn vyanden zoo ver, dat door de Staten van Holland een premie op zijn lijf gezet en wie hem huisvestte met boete bedreigd werd. Zich nu langer, zelfs te Amsterdam, niet meer veilig achtende, vertrok De Groot den 17 April te scheep naar Hamburg, waar hy een geruimen tijd vertoefde. Hier werden hem aanbiedingen gedaan, om in dienst der kroon van Zweden te treden: hy nam die aan en ging in 1634 derwaarts, toen de Koningin Kristina hem tot haren Raad benoemde en, als afgezant, naar Frankrijk zond. Elf jaar bekleedde hy die betrekking, en keerde toen naar Zweden terug, om verslag van zijn verrichtingen te doen. Toch bekroop hem wederom de lust, zijn geboortegrond terug te zien, en hy nam zijn weg over Holland. Thands niet meer de uitgebannen zwerver, maar de onschendbare Gezant eener vreemde Mogendheid, kon hy zich te Amsterdam met een vrij en open gelaat vertoonen, en behoefde niemand langs omwegen en in ’t donker uit te gaan, om hem zijn hulde te brengen; gelijk hy deze keer dan ook ontfangen werd met de eerbewijzingen, welke men aan zijn rang, en met de achting, welke men aan zijn persoon verschuldigd was. Zijn verblijf kon echter uit den aard der zake niet dan kort zijn: gelukkig voor zijn vrienden, werd het verlengd door een aanhoudenden noordewind: die het schip, waarmede hy vertrekken zoude, een geruimen tijd tegenhield: wat aan Vondel aanleiding verschafte, een zijner liefste vaersjens, een dankdicht aan dien Wind, te schrijven.Noorden wint, die langs ons stroomenKnaeght den bloesem op de boomen,D’opgeloke bloemen schent;Wiltzangh steurt, en lieve Lent,En den May, die met zijn zonnenQuam aenminnigh aengeronnen:Wintervogel guur en schrael,Steur den zoeten nachtegael;Schen de bloemen in de hoven,Met een lucht van geur bestoven;Knaegh en eet vry ongetoomtZoo veel bloesems op ’t geboomt,Dat vast jammert om genade:’t Is geen noot; want al die schadeMoet nu uit voor d’ overbaet,Die de wijze MagistraetRekent by uw schorre buïen,Die den adem van het zuienEn den blaesbalgh van het westSluiten, keeren al hun best.Zonder dat, gewis wy zoudenGrooten Huigen hier niet houden,Noch feesteeren in ons stadt,Nu verrijckt door zulck een schat,Dien de verresienste HeerenEn gekroonden recht waardeeren.Och! hy had zijn reis gerecktDerwaert hem zijn Noortstar treckt,Vrou Kristine, wiens betrouwenUitziet, om dit licht t’ aanschouwen,Dat, al zestigh jaer geleên,’t Hart van Hollant recht bescheen,En nu hijght om winter klippenTe bestralen met zijn lippen,Met zijn oogen, met zijn’ mont,Die de ruwe tygers wont,Woeste bosschen leert bedarenEn betoomt de blinde baren,Dat de zee heur aert vergeet.Zweden, ooreloghs-magneet,Die, te bloedigh in het wrocken,Zoo veel yzers hebt getrockenIn uw boezem, gunt dat wyZommige uren aen het YOns verquicken met de gavenVan den Helt, die aan uw stavenHangt verbonden, hoogh en dier:Laet dien trousten BatavierHier zijn ongemack verzoeten,Eer hy neêrvall’ voor de voetenVan de trots gekroonde Min,Uw gehelmde Koningin,Die, geluckt mijn wensch en bede,Ons den lang gewenschten VredeVoort zal brengen uit haer schoot.Op dien zegen mach de GrootHaer bejegenen, en vinden.Hemel, span gewenschte windenVoor zijn jaght, en vlugge kiel,Als de stadt die groote ziel,Met Gustavus lievereienZiet van Aemstels oever scheien,En te water ondergaenOm in ’t Noorden op te staen.Vondel deed zijn vriend nog uitgeleide by zijn vertrek naar boord. Hun afscheid was het laatste, dat zy van elkander namen, en nimmerzoû De Groot zijn vaderland terug zien. Te Stokholm zijn taak volbracht hebbende, verzocht en bekwam hy van Kristina ontslag uit haar dienst: waarna hy weder scheep ging, met het oogmerk, om zich naar Munster te begeven. Men weet, dat aldaar reeds in ’t begin van 1646 de Gevolmachtigden ter vredehandeling verschenen, en ’t is niet onwaarschijnlijk, dat het voornemen van De Groot in verband stond met die gewichtige samenkomst: wat daarvan echter zy, de uitkomst beäntwoordde niet aan zijn verwachtingen. Door storm beloopen, moest hy op de Pommersche kust aan wal gaan en zijn reis te land, in ziekte en ongemak, vervolgen. Zijn ongesteldheid verergerde, en hy zag zich gedwongen, te Rostok stil te blijven, alwaar hy, na eenige dagen bedlegerig te zijn geweest, op den 28stenAugustus overleed. Vandaar werd zijn lijk naar Delft gevoerd en in zijn familiegraf bygezet. Zoo mocht De Groot, na zijn sterven, toch in zijn vaderland die rust vinden, welke men er hem by zijn leven geweigerd had.Maar zoo hy de grootste helft van het tijdvak, dat er verliep sedert zijn vroegste jongelingschap tot aan zijn dood, buiten Nederland had doorgebracht, toch was zijn invloed op de vorming zijner landgenooten, op de ontwikkeling der wetenschap aldaar, duurzaam en van kracht geweest. Hy was en bleef de vraagbaak, tot wien Hooft zich wendde, waar ’t de geschiedenis of de regelen der taal, Vondel, waar ’t poëzy, Vossius of Barleus waar ’t de klassieke letterkunde, zoo vele anderen, waar ’t de rechts- of godgeleerdheid of eenige andere wetenschap gold: ja men zoû gerustelijk durven beweeren, dat, gedurende het geheele tijdvak van Frederik Hendriks bestuur, geen werk van eenig belang, in welk vak ook, is uitgekomen, waarover men De Groot niet geraadpleegd heeft. Ook daarom, behalve om de straks genoemde reden, is zijn naam van dat tijdvak onafscheidelijk, en wijzen wy hem hier, naast zoovelen zijner vrienden, de plaats aan, die hem by zijn leven zoo onbarmhartig is ontzegd.

Hebben de overige groote mannen, wier namen in deze galery zijn opgenomen, hun roem verworven door hetgeen zy of binnen of ten behoeve van den Staat der Vereenigde Gewesten verrichteden, De Groot is in die ry de eenige, die geheel buiten beide kategoriën geplaatst is.Immers, hy moge zich al, gedurende het bewind van Frederik Hendrik, een paar reizen in Holland vertoond hebben, het is niet geweest dan zeer kort, en als in ’t voorbygaan; terwijl de werken, welke hy in dat tijdvak geschreven, of de bedieningen, welke hy vervuld heeft, tot bevordering gestrekt hebben, gene van de wetenschap in ’t algemeen, deze van andere dan Nederlandsche belangen. Maar dit belet niet, dat van den lichtkrans, die om zijn hoofd schittert, stralen afschitteren op zijn Vaderland, en dat zich dit ook thans nog verheffen mag, den uitgebannen zoon te hebben voortgebracht, dien het by zijn leven niet in genade had willen aannemen. Immers niet alleen door zijn geboorte, door opvoeding en opleiding, door de betrekking, welke hy als jongeling en man vervuld had, was De Groot een Hollander, ook in zijn ballingschap was hy Hollander in ’t hart gebleven, al bezigde hy in zijn geschriften by voorkeur de algemeene taal der geleerden, en al was hy ook, aan Frankrijks Hof, de Gezant eener vreemde Mogendheid: ja hy kon aangemerkt worden als de man, die by den buitenlander wel niet de byzondere politiek zijner Natie, maar haar wetenschaplijk leven, haar aanspraken op beschaving, op kennis, op verlichting, vertegenwoordigde. Wanneer men nagaat, in welke achting De Groot door geheel Europa gehouden werd, dan zoû men byna zich tot de gedachte laten geleiden, dat de Regenten van dien tijd daarom alleen zijn vestiging hier te lande bleven tegenhouden, op dat de vreemdeling, vernemende, hoe zoo voortreflijkeen man in zijn Vaderland gemist kon worden, nòg grooter gedachten mocht opvatten van hen, die er achter bleven.—’t Ware met dat al een gevaarlijk beginsel geweest, en, liever dan het na te volgen, zouden de Regeeringen, omgekeerd, wijs handelen, wanneer zy het overschrijden der grenzen verboden aan zoodanige landgenooten, als door hun gedragingen in den vreemde niet alleen zich zelve bespotlijk maken, maar ook, waar zy zich vertoonen, een slechten dunk doen opvatten van het land, dat zulke mislukte kinderen voortbrengt.

Huig de Groot.W. P. Hoevenaar, delSteend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Huig de Groot.

W. P. Hoevenaar, delSteend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Huig de Groot.

Over de verdiensten te willen uitweiden van een man als De Groot, of daarvan slechts een klein denkbeeld te willen geven, ware even belachlijk als onnoodig: zijn werken zijn de waereld door bekend en gewaardeerd: en zijnnaam alleenzegt reeds genoeg. Liever daarom hier een nederiger taak aanvaard dan het schrijven eener lofrede: liever dan hoogdravende woordenpraal, een vluchtige beschouwing van zijn leven en karakter gegeven. By het vele bekende zal dan wellicht het een en ander kunnen worden te pas gebracht, dat niet zoo algemeen geweten wordt, of wel, dat by hen, die ’t wisten, uit het geheugen is geraakt.

Op den 10denApril, 1583, te Delft geboren, was de kleine Huig wat men gewoon is een wonderkind te noemen, en maakte hy zich reeds vroeg, uit verscheidene oorzaken, beroemd. Zoo b. v. vervaardigde hy, op zijn negende jaar reeds, vaerzen, die geprezen werden—iets, dat tegenwoordig met de meeste kinderen het geval is; doch toen nog ongemeen schijnt geweest te zijn. Wat als een vrij sterker bewijs zijner vroegtijdige ontwikkeling mag gelden, is, dat hy reeds vóór zijn twaalfde jaar de Hooge School te Leyden bezocht, waar hy zich zoo vlijtig oefende in theologie, filozofie en rechten, dat hy in staat was, op zijn vijftiende, in ’t openbaar eenige stellingen te verdedigen. Niet vreemd is ’t, dat Oldenbarneveldt, als Gezant naar Frankrijk zullende trekken, en aan de Franschen een gunstig denkbeeld willende geven, zoo van den toestand, waarin zich ’t hooger onderwijs in Holland bevond, als van de bekwaamheid der leerlingen, op de gedachten kwam, den vluggen knaap met zich te nemen en aan Hendrik IV. voor te stellen. De genomen proef voldeed uitnemend aan de verwachting: De Groot bracht het bedoelde effekt te weeg, bekwam een geschenk van den Koning en, van de Akademie, het diploma van Doctor in de Rechten. Van de alzoo verkregen bevoegdheid maakte hy by zijn terugkomst gebruik: en, wat nog nimmer gezien was, hy pleitte op zijn zeventiende jaar, terwijl hyop denzelfden ouderdom zijn eerste werk in ’t licht deed verschijnen.—Maar niet alleen by ’s Lands Advokaat, ook by Prins Maurits stond de jongeling in gunst: hy was een der weinigen, die—altijd in datzelfde jaar 1600—de hooge eer genoten, den tocht over het zeestrand mede te maken met den zeilwagen van Stevijn, die in twee uren van Scheveningen naar Petten reed: hy, de eenige ambtelooze burger onder acht-en-twintig doorluchtige tochtgenooten: en nog bestaat het gedicht, waarin hy dien tocht beschreef.

Verwierf hy zich een naam aan de balie, niet minder deed hy zulks door zijn Historie der Nederlandsche Oorlogen en door zijn werk over de vrije zee, op hoog bevel in ’t licht gegeven. Op zijn vier-en-twintigste jaar alreeds tot Advokaat-Generaal benoemd, zag hy zich in 1613 aangezocht door de Regeering van Rotterdam, het ambt van Pensionaris dier stad te aanvaarden, ’t welk hy deed, onder voorwaarde, dat men hem nimmer zoû mogen afzetten.—Hy kon zich toen nog niet voorstellen, dat ooit een macht in den Staat zich krachtiger zoû kunnen doen gelden dan die van een Stadsregeering.—In ditzelfde jaar naar Engeland gezonden, om de geschillen wegens den handel op Indiën te helpen beslissen, zag hy zich aldaar een nieuwe gelegenheid verschaft, om zijn roem zoo wel als zijn kennis uit te breiden.—Tot nu toe had de fortuin zijn loopbaan bestraald, ja, hem ruimschoots met alles bedeeld, wat een mensch verlangen kan: geleerdheid, kunde, vermaardheid, eerambten, een vrij ruim vermogen, en, om dat alles te bekroonen, een door en door bekwame en wakkere vrouw. Geen vijf jaren echter waren verloopen, of de staat van zaken was op eenmaal veranderd. Het beding, dat De Groot—misschien wel op aandrang zijner echtgenoote—had aangegaan, kon hem wel waarborgen tegen elk opkomend geschil met de Rotterdamsche Vroedschap, maar niet tegen het ongenoegen van den Prins. Hoe hy in 1618, in den val van Oldenbarneveldt medegesleept, tot eeuwigdurende gevangenis veroordeeld, te Loevestein opgesloten en door de kloekheid van zijn vrouw verlost werd—is te overbekend, om hier zelfs eenige herinnering te behoeven. Naar Frankrijk geweken, werd hy met onderscheiding door Lodewijk XIII. ontfangen en met een jaargeld begiftigd. Had De Groot in zijn kerker tal van boeken geschreven, te Parijs had hy even zeer de volle gelegenheid en tijdruimte over, om zich aan letterarbeid te wijden: en zoo voltooide hy aldaar zijn verdediging van de waarheid van den Kristelijken Godsdienst, zijn waereldberoemd werk over het Recht van Vrede en Oorlog, zijn Jaarboeken en een tal van andere werken.

Met dit al ware zijn leven in de plaats zijner ballingschap vrij treurig, ja, hem ondragelijk geweest, had hem de trouwe Maria van Reigersberg niet ter zijde gestaan, zy, hem niet enkel als gade, maar ook als huishoudster onontbeerlijk. Immers, het was met De Groot gesteld als met meer mannen van de wetenschap. Zijn geest, bestendig rondzwervende in een meer verheven luchtkring, kon niet afdalen tot het gewone en alledaagsche. De man, die voor de balie of in het studeervertrek elke geldquestie zoû ontward en helder uiteengezet hebben, kende de betreklijke waarde niet der geldstukken, welke hy in zijn buidel droeg,—wat byna tot zijn ontdekking geleid had, toen hy, na zijn ontkomen uit Loevestein, van Gorcum naar Antwerpen reizende, voor een pint bier, onder weg gebruikt, de tiendubbele waarde woû betalen. Gelukkig was Maria even praktisch en by de zaak als haar man het weinig was, zoo dat dan ook voortdurend het bestuur over de huishouding, ja, ook over de geldmiddelen en belangen van haar echtgenoot by haar berustte. Niet alleen had dit plaats zoo lang zy zich te Parijs bevond; maar daartoe was ook menige reis naar Holland noodig, waar De Groot geen veiliger noch waakzamer zaakwaarnemer dan haar had kunnen vinden. En al blijkt het nu uit de brieven, die zy aan De Groot schreef, hoe zy elk voorstel, dat zy deed, elke schikking, die zy trof, bescheidelijk aan zijn oordeel onderwierp, toch blijkt het tevens, hoe de wakkere huisvrouw wel by haar zelve de bewustheid koesterde, dat haar betuiging van onderwerping aan beter oordeel niet hooger kon worden opgenomen dan als een uitdrukking, door de betamelijkheid voorgeschreven en omtrent gelijk staande met die, waarby aan ’t slot van een brief iemand zich verklaart, eens anders gehoorzame dienaar te zijn;—hoezeer de schrijver ’t alles behalve heusch zoû opnemen, indien zijn woorden naar de letter werden opgevat.—Zelfs uit Holland bleef Maria al wat de huiselijke zaken te Parijs betrof, ja de opvoeding harer kinderen, met overleg en wijsheid gadeslaan. Niets ontgaat haar aandacht: noch het schoolgaan en de oefeningen harer kinderen, noch de nieuwe hoed, dien zy oordeelt, dat haar man noodig zal hebben, terwijl zy tevens meent, dat de oude wel voor haar zoon Cornelis kan pas gemaakt worden: noch het aan te koopen paard, ’t welk volgends haar bestel eencolleen geenblesseop ’t voorhoofd hebben moet: over alles oppert zy bedenking en schaft zy raad, en echt karakteristiek is de wijze, waarop zy zich nu en dan beklaagt, datDe Groot een zorg en een moeite op haar laat aankomen, waarvan zy gewis zeer ongaarne zoû zijn ontslagen geweest.

Reeds dadelijk na zijn komst aan ’t bestuur, had Frederik Hendrik aan De Groot zijn gunst aangeboden en daarby het uitzicht geöpend op terugkeer in zijn Vaderland. Waarschijnlijk wist de schrandere Vorst zeer wel, dat dit uitzicht niet zoo gemaklijk, zoo immer, zoû kunnen worden verwezenlijkt; maar in elk geval moest de gedane stap hem in de oogen der Staatsgezinden aangenaam maken, en miste dan ook te dien opzichte zijn uitwerking niet. Het duurde echter tot in October 1631, eer De Groot, wiens pensioen in Frankrijk Richelieu had doorgeschrapt, het wagen dorst, zich weêr in Holland te vertoonen. Men had hem gevleid, dat hy een aanstelling zoû bekomen by de Doorluchtige Schole, tot wier oprichting de Vroedschap van Amsterdam twee jaren vroeger besloten had: doch die stichting zelve, in groote mate strekkende, om de Remonstrants-gezinden te believen, had reeds opspraak en tegenstand genoeg verwekt, en, altijd behoedzaam, oordeelde de Amsterdamsche Regeering die niet te moeten vermeerderen door het beroepen van den man, die, hoezeer meer dan elk ander voor de taak berekend, als de leider der Remonstrantsche partij beschouwd kon worden, en boven wiens hoofd nog het vonnis zweefde eener eeuwigdurende gevangenschap. Dit belette echter niet, dat De Groot de plechtigheid van de inwijding der gezegde Schole kwam bywonen, en daartoe op den negenden December naar Amsterdam kwam, waar Vondel, die steeds briefwisling met hem gehouden had, hem, met dit lied verwelkomde:

Wat saelge wint is ’t, die van lelistrant,Den stroom op, in ’t ondanckbre VaderlantHervoert het Delftsche wet-orakel, datGekoffert, als een kostelijcke schat,Weleer de bange Maes afdrijven quam,Tot dat de Sein het in haer armen nam,En sette dat geberghde Godts-kleenootMet blijschap op den Koningklyken schootDes Aller-Christelijcksten LuydewijcxDie ’t herberg schonck, tot glori sijnes Rijcx,Op dat het, na ’t verstuyven van die wolckDes drucx verscheen, tot heyl van ’t vrije volck,En ’t misverstandt, aensiende ’s helts gedult,Hem weder eerde en riep: het is mijn schult.De Vader der welsprekendheyt herblonckSoo weer te Rome, als d’ ordenloosheid stonckVan Klodius, die schadelijcke pest,Voor ’t lichaam van het algemeene best.Het treurigh aensien van den Staet dat lacht,De swacke wetten voelen nieuwe kracht.Self d’ ontucht werdt beschaamt van ’t eerlijck licht.Rechtvaerdigheit houdt vree door evenwight.De Rede stemt niets troebel, maer gesont.Soo vele ste’en besluyten uyt een mont.Men tast niet meer in blinde duysternis.Der burgren oirbaer ’t eenigh doelwit is;En rept er ergens een van dwinglandy.Daer ooght men op als hiel hy Spanjes sij’.O groote siel, o son van myn gesangk,Die weer verrijst, na uwen onderganck,En ons verheught met desen gouden dagh,Dien Hollant wel met eere vieren magh,Wat woorden sal de dankbare gemeentBest vlyen, als de goutsmit dier gesteent,Om u t’ onthalen op den hooghsten trap,Van ’s kerckers ramp na suure ballinghschap?O stalen hart al gloeyend hard gesmeet!O Groothart, met wat hemelschen magneetBestreeck Stantvastigheit uw vast gemoet,Dat het soo heet van liefde ’t onswaert woet,En wraeckt de weelde van een aerts-palleysEn kust het lant sijn strenge stiefmoer peys.

Wat saelge wint is ’t, die van lelistrant,Den stroom op, in ’t ondanckbre VaderlantHervoert het Delftsche wet-orakel, datGekoffert, als een kostelijcke schat,Weleer de bange Maes afdrijven quam,Tot dat de Sein het in haer armen nam,En sette dat geberghde Godts-kleenootMet blijschap op den Koningklyken schootDes Aller-Christelijcksten LuydewijcxDie ’t herberg schonck, tot glori sijnes Rijcx,Op dat het, na ’t verstuyven van die wolckDes drucx verscheen, tot heyl van ’t vrije volck,En ’t misverstandt, aensiende ’s helts gedult,Hem weder eerde en riep: het is mijn schult.

Wat saelge wint is ’t, die van lelistrant,

Den stroom op, in ’t ondanckbre Vaderlant

Hervoert het Delftsche wet-orakel, dat

Gekoffert, als een kostelijcke schat,

Weleer de bange Maes afdrijven quam,

Tot dat de Sein het in haer armen nam,

En sette dat geberghde Godts-kleenoot

Met blijschap op den Koningklyken schoot

Des Aller-Christelijcksten Luydewijcx

Die ’t herberg schonck, tot glori sijnes Rijcx,

Op dat het, na ’t verstuyven van die wolck

Des drucx verscheen, tot heyl van ’t vrije volck,

En ’t misverstandt, aensiende ’s helts gedult,

Hem weder eerde en riep: het is mijn schult.

De Vader der welsprekendheyt herblonckSoo weer te Rome, als d’ ordenloosheid stonckVan Klodius, die schadelijcke pest,Voor ’t lichaam van het algemeene best.Het treurigh aensien van den Staet dat lacht,De swacke wetten voelen nieuwe kracht.Self d’ ontucht werdt beschaamt van ’t eerlijck licht.Rechtvaerdigheit houdt vree door evenwight.De Rede stemt niets troebel, maer gesont.Soo vele ste’en besluyten uyt een mont.Men tast niet meer in blinde duysternis.Der burgren oirbaer ’t eenigh doelwit is;En rept er ergens een van dwinglandy.Daer ooght men op als hiel hy Spanjes sij’.

De Vader der welsprekendheyt herblonck

Soo weer te Rome, als d’ ordenloosheid stonck

Van Klodius, die schadelijcke pest,

Voor ’t lichaam van het algemeene best.

Het treurigh aensien van den Staet dat lacht,

De swacke wetten voelen nieuwe kracht.

Self d’ ontucht werdt beschaamt van ’t eerlijck licht.

Rechtvaerdigheit houdt vree door evenwight.

De Rede stemt niets troebel, maer gesont.

Soo vele ste’en besluyten uyt een mont.

Men tast niet meer in blinde duysternis.

Der burgren oirbaer ’t eenigh doelwit is;

En rept er ergens een van dwinglandy.

Daer ooght men op als hiel hy Spanjes sij’.

O groote siel, o son van myn gesangk,Die weer verrijst, na uwen onderganck,En ons verheught met desen gouden dagh,Dien Hollant wel met eere vieren magh,Wat woorden sal de dankbare gemeentBest vlyen, als de goutsmit dier gesteent,Om u t’ onthalen op den hooghsten trap,Van ’s kerckers ramp na suure ballinghschap?O stalen hart al gloeyend hard gesmeet!O Groothart, met wat hemelschen magneetBestreeck Stantvastigheit uw vast gemoet,Dat het soo heet van liefde ’t onswaert woet,En wraeckt de weelde van een aerts-palleysEn kust het lant sijn strenge stiefmoer peys.

O groote siel, o son van myn gesangk,

Die weer verrijst, na uwen onderganck,

En ons verheught met desen gouden dagh,

Dien Hollant wel met eere vieren magh,

Wat woorden sal de dankbare gemeent

Best vlyen, als de goutsmit dier gesteent,

Om u t’ onthalen op den hooghsten trap,

Van ’s kerckers ramp na suure ballinghschap?

O stalen hart al gloeyend hard gesmeet!

O Groothart, met wat hemelschen magneet

Bestreeck Stantvastigheit uw vast gemoet,

Dat het soo heet van liefde ’t onswaert woet,

En wraeckt de weelde van een aerts-palleys

En kust het lant sijn strenge stiefmoer peys.

De Drossaart Hooft, niet minder dan Vondel de terugkomst des doorluchtigen ballings begeerende deed met het volgende gedicht nog eene poging, om Amsterdam te bewegen tot het beroepen van De Groot:

Sint uw geluk zijn opgang nam;O hooghgereezen Amsterdam,En trof uw eerzucht noit het wit,Daar nu haar heerepyl in zit;Naardien gy u gingt stellen ’t schrap,Tot winst van waarde wetenschap,En t’ uwer onderrechting rieptTwee helden1, die der dingen dieptEn steilte afpeilen op een prik,Van ’s hemels kruin in ’t hart van ’t slik.Noch mangelde aan uw grootheidt wat,Tot dat het Delphisch puik in stadtQuam storten uit den boezem Goodts.Hier mede zijt ghy buiten schootsVan ’t alverblindend onverstandtEn midden in de zon geplantDer gloory en voorzienigheit.Kent dan uw’ kans, eer dat ze dreidtEen aardekloot verciert en druktHet spansel uwer kroone. RuktDie blaauwe parel van haar’ top,En zet’ er ’t oogh der wijsheit op,Den overgrooten Huigh de Groot,Apollos dierbaarste kleinoodt,’t Welk glat doorkeek, wat Griek, Latijn,Egyptenaar bekent moght zijn:Gezuivert boven dien is meêEn afgespoeld, in all’ de zeeVan ’t hof der Frankisch’ heerschappy,Daar eeuwigh gaat soo heet een tyVan wereldwissels eb en vloedt,Dat het een dwaas kan maecken vroedt,En sneedigh slypen door ’t verzoek,Veel beter dan ’t geleerdste boek.O blaakende vernuft, soo puurAls ’t rookelooze starrevuur,Wanneer hem wolk noch schaduw let?Ghy stelt aan krijgh en vreê de wet;’t Wargaaren van ’t gerecht ghy schift;Verlicht de duisternis der schrift;De naamen die uw lof verbreidtVergoodt ghy met onsterflijkheidt,Oft eeuwelijk onsaaligh maaktDe geene die uw oordeel wraakt;Baardt wonderwerk by wonderdaadt;En altijds even zwanger gaat,Maar alle wondren streeft verby,O Lief der deughde, dat, daar ghyDie groote wonderen bedrijft,Soo kleen noch by u zelven blijft.Dan mits dat ghy u dus verneêrt,Houdt zich der Eng’len schaar vereert,Met zich te draagen onderdaanAan u, en staâghs ten dienst te staan.

Sint uw geluk zijn opgang nam;

O hooghgereezen Amsterdam,

En trof uw eerzucht noit het wit,

Daar nu haar heerepyl in zit;

Naardien gy u gingt stellen ’t schrap,

Tot winst van waarde wetenschap,

En t’ uwer onderrechting riept

Twee helden1, die der dingen diept

En steilte afpeilen op een prik,

Van ’s hemels kruin in ’t hart van ’t slik.

Noch mangelde aan uw grootheidt wat,

Tot dat het Delphisch puik in stadt

Quam storten uit den boezem Goodts.

Hier mede zijt ghy buiten schoots

Van ’t alverblindend onverstandt

En midden in de zon geplant

Der gloory en voorzienigheit.

Kent dan uw’ kans, eer dat ze dreidt

Een aardekloot verciert en drukt

Het spansel uwer kroone. Rukt

Die blaauwe parel van haar’ top,

En zet’ er ’t oogh der wijsheit op,

Den overgrooten Huigh de Groot,

Apollos dierbaarste kleinoodt,

’t Welk glat doorkeek, wat Griek, Latijn,

Egyptenaar bekent moght zijn:

Gezuivert boven dien is meê

En afgespoeld, in all’ de zee

Van ’t hof der Frankisch’ heerschappy,

Daar eeuwigh gaat soo heet een ty

Van wereldwissels eb en vloedt,

Dat het een dwaas kan maecken vroedt,

En sneedigh slypen door ’t verzoek,

Veel beter dan ’t geleerdste boek.

O blaakende vernuft, soo puur

Als ’t rookelooze starrevuur,

Wanneer hem wolk noch schaduw let?

Ghy stelt aan krijgh en vreê de wet;

’t Wargaaren van ’t gerecht ghy schift;

Verlicht de duisternis der schrift;

De naamen die uw lof verbreidt

Vergoodt ghy met onsterflijkheidt,

Oft eeuwelijk onsaaligh maakt

De geene die uw oordeel wraakt;

Baardt wonderwerk by wonderdaadt;

En altijds even zwanger gaat,

Maar alle wondren streeft verby,

O Lief der deughde, dat, daar ghy

Die groote wonderen bedrijft,

Soo kleen noch by u zelven blijft.

Dan mits dat ghy u dus verneêrt,

Houdt zich der Eng’len schaar vereert,

Met zich te draagen onderdaan

Aan u, en staâghs ten dienst te staan.

Intusschen, geen voorspraak mocht baten. Haarlem, Leiden en andere steden hadden weten te bewerken, dat er een aanschrijving aan de Schouten en Baljuwen geschiedde, om De Groot in verzekerde bewaring te nemen, en, al wat de Regeering van Amsterdam kon doen, was, zijn verblijf aldaar oogluikend te gedoogen, of liever, te ignoreeren. De Groot hield zich dan ook stil te huis, waar hem zijn vrienden kwamenbezoeken, en zelfs liep het tot in Maart 1632, eer hy zich op straat dorst vertoonen. Dan nu brachten het zijn vyanden zoo ver, dat door de Staten van Holland een premie op zijn lijf gezet en wie hem huisvestte met boete bedreigd werd. Zich nu langer, zelfs te Amsterdam, niet meer veilig achtende, vertrok De Groot den 17 April te scheep naar Hamburg, waar hy een geruimen tijd vertoefde. Hier werden hem aanbiedingen gedaan, om in dienst der kroon van Zweden te treden: hy nam die aan en ging in 1634 derwaarts, toen de Koningin Kristina hem tot haren Raad benoemde en, als afgezant, naar Frankrijk zond. Elf jaar bekleedde hy die betrekking, en keerde toen naar Zweden terug, om verslag van zijn verrichtingen te doen. Toch bekroop hem wederom de lust, zijn geboortegrond terug te zien, en hy nam zijn weg over Holland. Thands niet meer de uitgebannen zwerver, maar de onschendbare Gezant eener vreemde Mogendheid, kon hy zich te Amsterdam met een vrij en open gelaat vertoonen, en behoefde niemand langs omwegen en in ’t donker uit te gaan, om hem zijn hulde te brengen; gelijk hy deze keer dan ook ontfangen werd met de eerbewijzingen, welke men aan zijn rang, en met de achting, welke men aan zijn persoon verschuldigd was. Zijn verblijf kon echter uit den aard der zake niet dan kort zijn: gelukkig voor zijn vrienden, werd het verlengd door een aanhoudenden noordewind: die het schip, waarmede hy vertrekken zoude, een geruimen tijd tegenhield: wat aan Vondel aanleiding verschafte, een zijner liefste vaersjens, een dankdicht aan dien Wind, te schrijven.

Noorden wint, die langs ons stroomenKnaeght den bloesem op de boomen,D’opgeloke bloemen schent;Wiltzangh steurt, en lieve Lent,En den May, die met zijn zonnenQuam aenminnigh aengeronnen:Wintervogel guur en schrael,Steur den zoeten nachtegael;Schen de bloemen in de hoven,Met een lucht van geur bestoven;Knaegh en eet vry ongetoomtZoo veel bloesems op ’t geboomt,Dat vast jammert om genade:’t Is geen noot; want al die schadeMoet nu uit voor d’ overbaet,Die de wijze MagistraetRekent by uw schorre buïen,Die den adem van het zuienEn den blaesbalgh van het westSluiten, keeren al hun best.Zonder dat, gewis wy zoudenGrooten Huigen hier niet houden,Noch feesteeren in ons stadt,Nu verrijckt door zulck een schat,Dien de verresienste HeerenEn gekroonden recht waardeeren.Och! hy had zijn reis gerecktDerwaert hem zijn Noortstar treckt,Vrou Kristine, wiens betrouwenUitziet, om dit licht t’ aanschouwen,Dat, al zestigh jaer geleên,’t Hart van Hollant recht bescheen,En nu hijght om winter klippenTe bestralen met zijn lippen,Met zijn oogen, met zijn’ mont,Die de ruwe tygers wont,Woeste bosschen leert bedarenEn betoomt de blinde baren,Dat de zee heur aert vergeet.Zweden, ooreloghs-magneet,Die, te bloedigh in het wrocken,Zoo veel yzers hebt getrockenIn uw boezem, gunt dat wyZommige uren aen het YOns verquicken met de gavenVan den Helt, die aan uw stavenHangt verbonden, hoogh en dier:Laet dien trousten BatavierHier zijn ongemack verzoeten,Eer hy neêrvall’ voor de voetenVan de trots gekroonde Min,Uw gehelmde Koningin,Die, geluckt mijn wensch en bede,Ons den lang gewenschten VredeVoort zal brengen uit haer schoot.Op dien zegen mach de GrootHaer bejegenen, en vinden.Hemel, span gewenschte windenVoor zijn jaght, en vlugge kiel,Als de stadt die groote ziel,Met Gustavus lievereienZiet van Aemstels oever scheien,En te water ondergaenOm in ’t Noorden op te staen.

Noorden wint, die langs ons stroomen

Knaeght den bloesem op de boomen,

D’opgeloke bloemen schent;

Wiltzangh steurt, en lieve Lent,

En den May, die met zijn zonnen

Quam aenminnigh aengeronnen:

Wintervogel guur en schrael,

Steur den zoeten nachtegael;

Schen de bloemen in de hoven,

Met een lucht van geur bestoven;

Knaegh en eet vry ongetoomt

Zoo veel bloesems op ’t geboomt,

Dat vast jammert om genade:

’t Is geen noot; want al die schade

Moet nu uit voor d’ overbaet,

Die de wijze Magistraet

Rekent by uw schorre buïen,

Die den adem van het zuien

En den blaesbalgh van het west

Sluiten, keeren al hun best.

Zonder dat, gewis wy zouden

Grooten Huigen hier niet houden,

Noch feesteeren in ons stadt,

Nu verrijckt door zulck een schat,

Dien de verresienste Heeren

En gekroonden recht waardeeren.

Och! hy had zijn reis gereckt

Derwaert hem zijn Noortstar treckt,

Vrou Kristine, wiens betrouwen

Uitziet, om dit licht t’ aanschouwen,

Dat, al zestigh jaer geleên,

’t Hart van Hollant recht bescheen,

En nu hijght om winter klippen

Te bestralen met zijn lippen,

Met zijn oogen, met zijn’ mont,

Die de ruwe tygers wont,

Woeste bosschen leert bedaren

En betoomt de blinde baren,

Dat de zee heur aert vergeet.

Zweden, ooreloghs-magneet,

Die, te bloedigh in het wrocken,

Zoo veel yzers hebt getrocken

In uw boezem, gunt dat wy

Zommige uren aen het Y

Ons verquicken met de gaven

Van den Helt, die aan uw staven

Hangt verbonden, hoogh en dier:

Laet dien trousten Batavier

Hier zijn ongemack verzoeten,

Eer hy neêrvall’ voor de voeten

Van de trots gekroonde Min,

Uw gehelmde Koningin,

Die, geluckt mijn wensch en bede,

Ons den lang gewenschten Vrede

Voort zal brengen uit haer schoot.

Op dien zegen mach de Groot

Haer bejegenen, en vinden.

Hemel, span gewenschte winden

Voor zijn jaght, en vlugge kiel,

Als de stadt die groote ziel,

Met Gustavus lievereien

Ziet van Aemstels oever scheien,

En te water ondergaen

Om in ’t Noorden op te staen.

Vondel deed zijn vriend nog uitgeleide by zijn vertrek naar boord. Hun afscheid was het laatste, dat zy van elkander namen, en nimmerzoû De Groot zijn vaderland terug zien. Te Stokholm zijn taak volbracht hebbende, verzocht en bekwam hy van Kristina ontslag uit haar dienst: waarna hy weder scheep ging, met het oogmerk, om zich naar Munster te begeven. Men weet, dat aldaar reeds in ’t begin van 1646 de Gevolmachtigden ter vredehandeling verschenen, en ’t is niet onwaarschijnlijk, dat het voornemen van De Groot in verband stond met die gewichtige samenkomst: wat daarvan echter zy, de uitkomst beäntwoordde niet aan zijn verwachtingen. Door storm beloopen, moest hy op de Pommersche kust aan wal gaan en zijn reis te land, in ziekte en ongemak, vervolgen. Zijn ongesteldheid verergerde, en hy zag zich gedwongen, te Rostok stil te blijven, alwaar hy, na eenige dagen bedlegerig te zijn geweest, op den 28stenAugustus overleed. Vandaar werd zijn lijk naar Delft gevoerd en in zijn familiegraf bygezet. Zoo mocht De Groot, na zijn sterven, toch in zijn vaderland die rust vinden, welke men er hem by zijn leven geweigerd had.

Maar zoo hy de grootste helft van het tijdvak, dat er verliep sedert zijn vroegste jongelingschap tot aan zijn dood, buiten Nederland had doorgebracht, toch was zijn invloed op de vorming zijner landgenooten, op de ontwikkeling der wetenschap aldaar, duurzaam en van kracht geweest. Hy was en bleef de vraagbaak, tot wien Hooft zich wendde, waar ’t de geschiedenis of de regelen der taal, Vondel, waar ’t poëzy, Vossius of Barleus waar ’t de klassieke letterkunde, zoo vele anderen, waar ’t de rechts- of godgeleerdheid of eenige andere wetenschap gold: ja men zoû gerustelijk durven beweeren, dat, gedurende het geheele tijdvak van Frederik Hendriks bestuur, geen werk van eenig belang, in welk vak ook, is uitgekomen, waarover men De Groot niet geraadpleegd heeft. Ook daarom, behalve om de straks genoemde reden, is zijn naam van dat tijdvak onafscheidelijk, en wijzen wy hem hier, naast zoovelen zijner vrienden, de plaats aan, die hem by zijn leven zoo onbarmhartig is ontzegd.

1Vossius en Van Baerle.

1Vossius en Van Baerle.


Back to IndexNext