JOOST VAN DEN VONDEL.Het is onder alle omstandigheden een moeilijke taak, de aanspraken, welke zich groote mannen op de dankbaarheid of den lof der nakomelingschap hebben verworven, op zoodanige wijze te schetsen, dat zich in onze schets beknoptheid aan volledigheid pare, en tevens een afschrikwekkende dorheid worde vermeden. Maar byna onmogelijk wordt de vervulling van die taak, waar het een man geldt, die, en door de verhevenheid van zijn genie, en door het belangwekkende zijner persoonlijkheid, en door het talrijke zijner voortbrengselen, en door den invloed, welken hy uitoefende, een geheel afzonderlijk, een buiten en boven zijn tijdgenooten uitschitterend standpunt innam, waar het een man geldt als Vondel. Hier wordt zoo wel beknoptheid aan de eene als volledigheid aan de andere zijde onbereikbaar. Zoo min als men in weinige woorden een behoorlijk begrip kan geven van de rol, door een Plato, een Cezar, een Luther, een Napoleon, vervuld, zoo min kan men in enkele regels den dichter schilderen, die, op eenmaal en op ’t onverwachtst als met adelaarswieken zich boven den dampkring verheffende, waarin zich zijn tijdgenooten bewogen, zich gedurende meer dan zeventig achtereenvolgende jaren bleef handhaven in de hooge sfeer, welke hy had ingenomen, den man, aan wiens geest elk bykomend jaar, in stede van verzwakking of verflaauwing, nieuwe veerkracht, kostbaarder rijkdom, hooger veredeling scheen toe te brengen: die, geen stof onverhandeld, geen maat ongebruikt latende, zich ten allen tijde beheerscher toonde van stof en maat, zich beurtlings kenmerkte als stout en verheven lof- en lier- en treurspeldichter, alszwierig en bevallig feest- en bruiloftzanger, als gemoedelijk, belezen en innemend leer- en zededichter, als scherp en puntig hekeldichter, als kernachtig en naauwkeurig byschriftschrijver, als liefelijk en geestig minnezanger: die zich op ieder veld even vrij, even gemakkelijk, met even veel bevalligheid en geluk, wist te bewegen, en die, zelfs al waren zijn tallooze dichtvruchten door een balsturig noodlot ons onthouden geworden, nog om zijn prozastijl als de schepper van een rein, helder, verstaanbaar en welklinkend Nederduitsch, als het voorwerp van aller bewondering, als de gids en vraagbaak aller schrijvers, in onze taal zoû geroemd mogen worden: hem eindelijk, die ook als mensch achting verdient niet alleen, maar zelfs onze beschouwing overwaardig is.Joost van den Vondel.W. P. Hoevenaar, delSteend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Joost van den Vondel.Doch zoo aan den eenen kant een vluchtig vermelden van al de tytels, krachtens welke zich Vondel een onsterfelijken naam verwierf, alleen zoû neêrkomen op een onnoodig herhalen van wat honderd malen gezegd is, een herhalen, dat niemand zoû kunnen bevredigen, even min zoû, aan den anderen kant, de steller dezer regelen kans zien, te dezer gelegenheid en plaatse in zijn voorstelling een volledigheid te brengen, welke hy zelfs wanhoopt, elders, in een duizendmaal uitvoeriger werk, te bereiken.Liever alzoo dan hier roekeloos een poging te wagen tot het geven van een overzicht, ’t zij van Vondels leven, ’t zij van ’s mans werken—een poging, die uit den aart der zake falen moet—ons vergenoegd met die beschouwingswijze, welke ons van zelve binnen den kring bepaalt, dien wy om onze tafereelen hebben heengetrokken, en in breede trekken aangewezen, welken invloed het tijdperk van Frederik Hendriks bestuur op Vondels aanleg en loopbaan als dichter uitoefende:—om daarna, met even vluchtigen blik, den invloed te beschouwen, welken hy zelf als schrijver wederkeerig uitoefende op zijn landgenooten.Een der meest sprekende, zich gedurende geheel zijn levensloop bestendig openbarendekaraktertrekkenvan Vondel was een ingeschapen afkeerigheid van alle vervolging, zoo wegens politieke als wegens godsdienstige begrippen en gevoelens. Die haat tegen geloofsdwang, licht te verklaren by den zoon van ouderen die, om ’t geloof vervolgd, als bannelingen hadden rondgezworven, was niet weinig versterkt geworden door de gestrenge handelwijze, welke de heerschende party in 1619 zich—zoo op ’t gebied van den Staat als op dat der Kerk—veroorloofd had jegens mannen, voor wie hy met achting en eerbied vervuld was niet alleen, maar wier gevoelens voor een groot deel met de zijne zoo geheelschenen overeen te stemmen. Immers als voorstander van den vrede, wat Vondel reeds als jongeling was, toen hy nog de gevoelens der uit hun aart vredelievende Doopsgezinden aankleefde, en tot aan zijn laatste levensdagen bleef, moest hy zich wel ingenomen toonen met de party, die ’t sluiten van het Twaalfjarig Bestand had doorgedreven: en evenmin kon hy, als Lidmaat eener afgezonderde Gemeente, anders dan met afkeuring getuige zijn van de aanmatigingen der heerschende Kerk.—En, mochten al zijn toenmalige geloofsgenooten, als ware „Stillen in den Lande”, zich er by bepalen met over hetgeen gebeurde te treuren in de eenzame afzondering hunner binnenkamers, voor den levendigen, ja licht opbruischenden geest van den nu even dertigjarigen dichter moest het een behoefte zijn, zich, óf in roerende klachten over het ongelijk, zijnen vrienden aangedaan, en over het lijden, dat zy ondergaan moesten, óf in heftige uitvallen tegen hun vervolgers en onderdrukkers, lucht te geven.—Doch, het was niet zoo lang „Gommers recht” door de „stalen kling” van „mijn Heer den Prins getroost” werd, dat dergelijke uitingen van smart of van verontwaardiging zich in ’t openbaar zouden hebben kunnen wagen: ja reeds stak er gevaar in, ze binnen vertrouwelijke kringen aan beproefde vrienden te doen hooren.—Maar Maurits trad van het tooneel der waereld af: een milder staatkunde scheen het nieuwe Bestuur te zullen kenschetsen, en nu van allen schroom verlost, of liever, alle gevolgen tartende, trad Vondel met zijn klaag- en straf- en hekeldichten manmoedig te voorschijn. De lang onderdrukte gemoedsopwellingen hadden zich lucht gegeven, en, was het in ’t openbaar verschijnen van werken als „het Stockske van Oldenbarnevelt”, de „Geusen Vesper”, de„Weeghschael van Hollant”, en de „Palamedes” aan te merken als een gebeurtenis van hooge politieke beteekenis, het bracht te gelijker tijd het verbaasde Nederland tot de ontdekking, dat het in Vondel een dichter te begroeten had, even groot in elk der zoo uiteenloopende vakken, welke hy had aangegrepen, en wiens gelijke het tot dien tijd niet had bezeten.En niet enkel zy, die met ’s mans begrippen instemden, moesten tot die overtuiging geraken: ook de tegenparty besefte het: zy voelde zich tot in haar binnenste gekwetst, en, ziedende van wraak, nam zy dat middel te baat, ’t welk immer een tegenovergestelde werking heeft dan er mede beoogd wordt: zy deed den schrijver de eer aan, hem te vervolgen. Een korte wijl hing onzen dichter het gevaar boven ’t hoofd,dat zijn vrijmoedig geschrijf hem den hals zoû kosten;—maar toen de geheele zaak op een onbeduidende boete uitliep, toen gevoelde hy, de kousewinkelier uit de Warmoesstraat, dat hy voortaan een macht was tegen over de Synodale party, en, fierder en krachtiger en bijtender dan ooit ging hy voort, haar met het zwaar geschut van zijn dichtelijken geest en met de puntige pylen van zijn satyriek en schalksch vernuft te bestooken.Vondel had in het optreden van Frederik Hendrik den dageraad van een nieuw en gezegend tijdperk begroet. Hy zag in hem den man, die binnen ’t Land verdraagzaamheid zoû doen heerschen, en, door zijn krijgsbeleid, aan den vyand daar buiten den zoo gewenschten vrede af zoû dwingen. Het was dan ook geen vleiery, toen hy, in zijn „Princeliet”, in zijn „Oranje Mayliet”, hem met zijn hooge eerambten geluk wenschte en begroette, toen hy, kort daarna, by gelegenheid dat ’s Prinsen huwlijkskoets met een zoon gezegend werd, aan het vorstlijk echtpaar zijn heerlijken Geboortezang toezong: het was even min vleizucht, die hem achtereenvolgends zijn schoone, in toon en maat zoo geheel verscheiden Zegezangen ingaf op de verovering van Grol, van ’s Hertogenbosch en van Maastricht:—immers nooit was van den Prins een enkel gunstbewijs, een enkele gift, een enkel woord van dank of goedkeuring tot hem gekomen:—en, wat meer zegt en het sprekendst bewijs levert, hoezeer Vondels poëzy de uitstorting was van innig gevoel en oprechte overtuiging, zoodra hy begon te bespeuren, dat die vrede, naar welke hy zoo verlangd uitzag, voortaan meer door Spanje dan door den Stadhouder gewenscht werd, klonk de loftrompet voor dezen laatste niet langer, en strekte die uitsluitend tot viering en verheffing dier Amsterdamsche Regenten, wier wenschen en richting met de zijne overeenstemden. In 1837, gelijk later in 1831, was de juichtoon over behaalde lauweren algemeen door alle Vaderlanders aangeheven; doch zoo wel toen als later, waren eindelijk ook degene, die ’t zij Frederik Hendrik, ’t zij Koning Willem den Eerste ’t luidst geprezen en aangemoedigd hadden, het stelsel van volharding moede geworden, ja begonnen het aan te merken als doodelijk voor ’s Lands belangen. Van daar dan ook, dat, noch in den „Getemden Mars”, noch in de „Leeuwendalers”, noch in eenig ander dichtstuk, door Vondel ter viering van den vrede van 1648 vervaardigd, een enkele toon meer voorkomt ter eere van onze helden, of ter waardeering van den roem, in tachtig jaren strijds door hen verworven:—neen, enkel dank- en jubeltoonen over het ophoudenvan den krijg, over de zegeningen, van den vrede te verwachten.Het is die grondtoon „Vrede! Vrede!” in al de gedichten van Vondel herklinkende, waaruit zich alleen het feit verklaren laat, dat hy, en toen en tot aan zijn einde toe, by voortduring de dichterlijke tolk bleef der gevoelens van de Amsterdamsche Regering:—en zulks in weêrwil van de menigvuldige oorzaken, die schijnbaar tot geheel andere gevolgen hadden moeten leiden. Immers sedert 1640 had Vondel uit overtuiging de leer der Roomsgezinden omhelsd, en met den yver eens jeugdigen bekeerlings, maar tevens met de geleerdheid van een belezen theoloog, de beginselen dier leer verdedigd in uitgebreide dichtwerken, even zeer uitmuntende door poëetischen gloed en schildering, als door scherpzinnige dialektiek:—immers was, van dat tijdstip af, in Vondel de Zuidnederlander meer dan vroeger ontwaakt, de Zuidnederlander, met zijn Katholyke strekkingen en verzuchtingen, met zijn artistiek gevoel, zijn gehechtheid aan legenden, aan overleveringen, aan kerkplechtigheden en ceremoniën:—immers was hy met hart en ziel een voorstander en verdediger geworden van het Goddelijk recht der vorsten en had hy de afzwering van Filips als een misdaad leeren veroordeelen en als een misslag betreuren:—immers was er tusschen hem, den nu verarmden en nederigen burgerman, die noch tot de heerschende Kerk behoorde, noch zelfs het poortrecht in de stad zijner inwoning bezat, en het nakroost zijner voormalige medebroeders in de Rederijkkamers—dat nakroost, ’t welk thands, oppermachtigGezeten op het schild met kruyssen overladen,aan Koningen de wet voorschreef—een maatschappelijke verwijdering, een kloof ontstaan, van hoedanig eene latere eeuwen geen voorbeeld kunnen aanwijzen.—En toch in weêrwil van dat alles bleef de Paus- en Konings- en Spaansgezinde artistieke burgerman tot aan zijn dood de getrouwe bondgenoot en medestrijder van de gereformeerde, aristokratische, materiëele Amsterdamsche Regering, met wier staatkunde, met wier belangen, met wier denkwijze, met wier lief en leed hy zich als vereenzelvigde, ja zoo zelfs, dat hy er op ’t laatst zijn zoo innige, door zoo veel gloeiende gedichten bewezen liefde voor ’t Huis der Stuarden aan ten offer bracht:—Maar die Regenten waren tegen de vermeerdering van ’t krijgsvolk, als hy: tegen de aanwassende macht des Stadhouders, als hy: tegen al wat het oorlogvoeren bevorderen kon, als hy:en van den anderen kant stonden zy die verdraagzaamheid voor, welke hy steeds gepredikt had voor anderen, en nu ook voor zich en zijn geloofsgenooten behoefde:—en hierin zoeke men de oplossing van een raadsel, dat anders onverklaarbaar schijnen zoû.Misschien was er nog een andere reden, die Vondel aan de Amsterdamsche Regenten deed hechten, namelijk zijn gehechtheid aan Amsterdam. Vondel was, wy herhalen het, meer Zuidnederlander dan Hollander: hy gevoelde zich t’huis te Antwerpen, te Brugge, te Brussel, plaatsen, meer dan eens door hem bezocht, beter dan te Rotterdam, te Delft of te ’s Gravenhage, in welke steden het nog de vraag is of hy wel ooit een voet gezet heeft. Maar Vondel was en bleef Amsterdammer. In Amsterdam had hy van jongs af gewoond: hy had er geld verdiend en verloren: hy had er lief en leed gekend, er dierbare panden in de wieg gezien en ten grave gebracht: hy had er glorie en miskenning ondervonden: en by dat alles hy had de stad zien worden wat zy was, de groote en machtige, die, gelijk hy ’t uitdrukte,Als Keyzerin de kroon droegh van Europe.Al die wonderen, die met en uit het tijdvak dat wy beschrijven binnen haar muren waren gerezen, die heerlijke driedubbele gordel van prachtige kaaien, dat Stadhuis, als een achtste waereldwonder gevierd, dat Zeemagazijn met zijn trotsche werven, die ter weêrszijde uitgestrekte armen, door de Bikkers en Reaelen-eilanden aan de eene en Katten- met Wittenburg aan de andere zijde gevormd, die het Y omhelsden, die talrijke godshuizen, die Beurzen en marktplaatsen, dat alles had Vondel zien ontstaan en in schitterende vaerzen bezongen: het had stof aan zijn lier en zijn lier had er wederkeerig vermaardheid aan geschonken: kon het anders, of hy moest liefde gevoelen voor die waereldstad, zoo rijk, zoo welvarend, zoo prachtig, zoo schoon als er toen geene bestond, en zoo als wy haar thands ons, zonder zijn beschrijvingen, naauwlijks meer zouden kunnen voorstellen?Intusschen, juist aan dat eigenaardig karakter van Katholyk, Zuid-Nederlander en Amsterdammer tevens, waardoor Vondel zich onderscheidde, is het waarschijnlijk toe te schrijven, dat zijn invloed op onze taal en letterkunde niet zoo algemeen en bestendig was als men dien zoû hebben moeten verwachten. Wel moest die zuivere frischheid van taal, die ronding en losheid van altijd goed samengeschakelde, altijd geleidelijk afloopende perioden, die gelukkige keus van beelden enuitdrukkingen, die naauwkeurigheid in ’t vermijden van bastertwoorden, welke wy by hem, niet als by Hooft of de Groot door een vernuftige, doch vaak gezochte en gekunstelde overzetting, maar door een inheemsch woord van gelijke gehalte, vervangen zien, die Nederduitsche stijl in een woord, waardoor hy niet enkel zijn voorgangers en tijdgenooten, maar al wie na hem gekomen is, te boven streeft—wel moest, zeggen wy, dat alles in wie met fijn gevoel en kieschen smaak bedeeld was en er zijn werk van maakte ze te bestudeeren, hooge bewondering opwekken, en daarby ook zucht om zoo schitterend een voorbeeld na te volgen—en dit was dan ook met mannen als de Huydecopers en Bilderdijken het geval;—maar de groote hoop bleef met de schatten, in Vondels gedichten verzameld, onbekend. De meerderheid onder hen, die in de voormalige Republiek de letterkunde beoefenden of werken van smaak lazen, behoorde tot de Onroomschen: zy gevoelde zich afgeschrikt door de tytels zelve van sommige van Vondels werken en door de Katholyke kleur der meesten, en nam ze daarom zelden ter hand:—en, wat erger was, reeds in de laatste jaren van Vondels leven was de Fransche letterkunde, zoo als die door Rotrou en Corneille, en nu ook eerlang door Racine en Boileau was hervormd, in Holland bekend geraakt: de gegeven voorbeelden en voorschriften hadden vertalers, bewonderaars, navolgers, gevonden: al spoedig hadden alle oogen zich van hier by voorkeur naar Frankrijk leeren wenden, om aldaar uitsluitend lessen van smaak en beschaving te zoeken. En zoo gebeurde het, dat Vondel, door velen alleen op goed geloof nog geprezen, door anderen uit onkunde of vooroordeel miskend, door maar zeer enkelen naar waarde geschat, in geen opzicht waarlijk populair werd en naauwlijks anders meer dan als de auteur van „Gysbreght van Aemstel” bekend bleef.Die dagen van blinde vooringenomenheid met een enkele Letterkunde zijn gelukkig voorby. Hoe oprecht wy ook nu nog de verdiensten huldigen van de groote geniën uit de eeuw van Lodewijk XIV, wy sluiten niet langer de oogen voor den glans, die ons ook van elders tegenstroomt. Wy beschouwen niet langer, gelijk men hier ten lande in ’t begin dezer eeuw nog deed, Shakspere en Schiller als barbaren, wier onklassische kunstgewrochten, even als die van den ouden Ennius, niet dan enkele paljetten vertoonen, die ons uit een vuilen mesthoop tegenflikkeren. Maar wanneer wy, en te recht, de zoo lang miskende Barden vanGroot Brittanje en Duitschland in den rang en de eer, die hun toekomt, herstellen, dan voegt het ons Nederlanders, ook de schatten niet ongeächt en ongebruikt te laten liggen, die wy op eigen bodem bezitten. Daarom ook te dezen opzichte elk nog bestaand vooroordeel afgeschud, en—het kan niet genoeg worden toegeroepen aan al wie zijn taal en stijl verlangt te vormen of te beschaven—Vondel gelezen en herlezen. Ik roep het u toe, jongeling! die u tot dichten voelt opgewekt, doch de geheimenissen van maat en rijm nog niet genoeg hebt leeren doorgronden: laat Vondel daarin uw onderwijzer zijn: geen beter gids enleidsmankunt gy vinden.—Niet, dat ik de verdiensten van Bilderdijk verkleinen of dezen beneden Vondel stellen zoû; maar hoe verbasend groot als dichter en taalbeheerscher Bilderdijk ook zijn moge, juist zijn onnavolgbaarheid maakt het gevaarlijk, met hem aan te vangen. Wie onbedacht en nog niet genoeg met den aart en de eigenschappen onzer taal bekend, zich, als hy, durft wagen aan dat samenkoppelen en smeden van woorden, ’t welk hy zoo meesterlijk verstond, loopt al ras gevaar, onverstaanbaar, zoo niet belachlijk, te worden, en het zoû ons, ter staving van dit beweeren, geenszins aan voorbeelden ontbreken. Neen, tot de studie, ja (voegen wy er met warmte by) tot de aanhoudende studie van Bilderdijk begeve zich de toekomstige dichter niet vroeger, dan wanneer hy door de studie van Vondel gevormd is. Niet anders zal hy, die de Latijnsche muze wil leeren beoefenen of slechts waardeeren, met Nazo en Tibullus beginnen, eer hy zich tot het lezen van Maro of Flakkus begeeft.Maar ook gy, die zonder u in de hooge sfeeren der poëzy te willen wagen, er prijs op stelt, een zuiver, klaar, gekuischt en logisch Nêerduitsch te schrijven, bevrijd van die spraakwendingen, welke ook de beste hedendaagsche schrijvers, ten gevolge hunner gewoonte om Engelsch, Fransch of Hoogduitsch te lezen, maar al te dikwerf en doorgaands onwillekeurig van elders overnemen, leert van Vondel uw moedertaal gebruiken: van hem den rijkdom kennen, dien zy aanbiedt, van hem, nooit verlegen te zijn met de keus der uitdrukkingen die gy behoeft, met de schikking van woorden en volzinnen, met de vormen van betoog en perioden. Of gy dan immer cierlijk zult leeren schrijven, dat zal alleen afhangen van de meerdere of mindere mate van vernuft, waarmede gy bedeeld zijt; maar gy zult althands de hoofdeigenschap machtig worden, die een schrijver behoort te kenmerken: die namelijk, van u, in uw moedertaal, verstaanbaar uit te drukken.
JOOST VAN DEN VONDEL.Het is onder alle omstandigheden een moeilijke taak, de aanspraken, welke zich groote mannen op de dankbaarheid of den lof der nakomelingschap hebben verworven, op zoodanige wijze te schetsen, dat zich in onze schets beknoptheid aan volledigheid pare, en tevens een afschrikwekkende dorheid worde vermeden. Maar byna onmogelijk wordt de vervulling van die taak, waar het een man geldt, die, en door de verhevenheid van zijn genie, en door het belangwekkende zijner persoonlijkheid, en door het talrijke zijner voortbrengselen, en door den invloed, welken hy uitoefende, een geheel afzonderlijk, een buiten en boven zijn tijdgenooten uitschitterend standpunt innam, waar het een man geldt als Vondel. Hier wordt zoo wel beknoptheid aan de eene als volledigheid aan de andere zijde onbereikbaar. Zoo min als men in weinige woorden een behoorlijk begrip kan geven van de rol, door een Plato, een Cezar, een Luther, een Napoleon, vervuld, zoo min kan men in enkele regels den dichter schilderen, die, op eenmaal en op ’t onverwachtst als met adelaarswieken zich boven den dampkring verheffende, waarin zich zijn tijdgenooten bewogen, zich gedurende meer dan zeventig achtereenvolgende jaren bleef handhaven in de hooge sfeer, welke hy had ingenomen, den man, aan wiens geest elk bykomend jaar, in stede van verzwakking of verflaauwing, nieuwe veerkracht, kostbaarder rijkdom, hooger veredeling scheen toe te brengen: die, geen stof onverhandeld, geen maat ongebruikt latende, zich ten allen tijde beheerscher toonde van stof en maat, zich beurtlings kenmerkte als stout en verheven lof- en lier- en treurspeldichter, alszwierig en bevallig feest- en bruiloftzanger, als gemoedelijk, belezen en innemend leer- en zededichter, als scherp en puntig hekeldichter, als kernachtig en naauwkeurig byschriftschrijver, als liefelijk en geestig minnezanger: die zich op ieder veld even vrij, even gemakkelijk, met even veel bevalligheid en geluk, wist te bewegen, en die, zelfs al waren zijn tallooze dichtvruchten door een balsturig noodlot ons onthouden geworden, nog om zijn prozastijl als de schepper van een rein, helder, verstaanbaar en welklinkend Nederduitsch, als het voorwerp van aller bewondering, als de gids en vraagbaak aller schrijvers, in onze taal zoû geroemd mogen worden: hem eindelijk, die ook als mensch achting verdient niet alleen, maar zelfs onze beschouwing overwaardig is.Joost van den Vondel.W. P. Hoevenaar, delSteend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Joost van den Vondel.Doch zoo aan den eenen kant een vluchtig vermelden van al de tytels, krachtens welke zich Vondel een onsterfelijken naam verwierf, alleen zoû neêrkomen op een onnoodig herhalen van wat honderd malen gezegd is, een herhalen, dat niemand zoû kunnen bevredigen, even min zoû, aan den anderen kant, de steller dezer regelen kans zien, te dezer gelegenheid en plaatse in zijn voorstelling een volledigheid te brengen, welke hy zelfs wanhoopt, elders, in een duizendmaal uitvoeriger werk, te bereiken.Liever alzoo dan hier roekeloos een poging te wagen tot het geven van een overzicht, ’t zij van Vondels leven, ’t zij van ’s mans werken—een poging, die uit den aart der zake falen moet—ons vergenoegd met die beschouwingswijze, welke ons van zelve binnen den kring bepaalt, dien wy om onze tafereelen hebben heengetrokken, en in breede trekken aangewezen, welken invloed het tijdperk van Frederik Hendriks bestuur op Vondels aanleg en loopbaan als dichter uitoefende:—om daarna, met even vluchtigen blik, den invloed te beschouwen, welken hy zelf als schrijver wederkeerig uitoefende op zijn landgenooten.Een der meest sprekende, zich gedurende geheel zijn levensloop bestendig openbarendekaraktertrekkenvan Vondel was een ingeschapen afkeerigheid van alle vervolging, zoo wegens politieke als wegens godsdienstige begrippen en gevoelens. Die haat tegen geloofsdwang, licht te verklaren by den zoon van ouderen die, om ’t geloof vervolgd, als bannelingen hadden rondgezworven, was niet weinig versterkt geworden door de gestrenge handelwijze, welke de heerschende party in 1619 zich—zoo op ’t gebied van den Staat als op dat der Kerk—veroorloofd had jegens mannen, voor wie hy met achting en eerbied vervuld was niet alleen, maar wier gevoelens voor een groot deel met de zijne zoo geheelschenen overeen te stemmen. Immers als voorstander van den vrede, wat Vondel reeds als jongeling was, toen hy nog de gevoelens der uit hun aart vredelievende Doopsgezinden aankleefde, en tot aan zijn laatste levensdagen bleef, moest hy zich wel ingenomen toonen met de party, die ’t sluiten van het Twaalfjarig Bestand had doorgedreven: en evenmin kon hy, als Lidmaat eener afgezonderde Gemeente, anders dan met afkeuring getuige zijn van de aanmatigingen der heerschende Kerk.—En, mochten al zijn toenmalige geloofsgenooten, als ware „Stillen in den Lande”, zich er by bepalen met over hetgeen gebeurde te treuren in de eenzame afzondering hunner binnenkamers, voor den levendigen, ja licht opbruischenden geest van den nu even dertigjarigen dichter moest het een behoefte zijn, zich, óf in roerende klachten over het ongelijk, zijnen vrienden aangedaan, en over het lijden, dat zy ondergaan moesten, óf in heftige uitvallen tegen hun vervolgers en onderdrukkers, lucht te geven.—Doch, het was niet zoo lang „Gommers recht” door de „stalen kling” van „mijn Heer den Prins getroost” werd, dat dergelijke uitingen van smart of van verontwaardiging zich in ’t openbaar zouden hebben kunnen wagen: ja reeds stak er gevaar in, ze binnen vertrouwelijke kringen aan beproefde vrienden te doen hooren.—Maar Maurits trad van het tooneel der waereld af: een milder staatkunde scheen het nieuwe Bestuur te zullen kenschetsen, en nu van allen schroom verlost, of liever, alle gevolgen tartende, trad Vondel met zijn klaag- en straf- en hekeldichten manmoedig te voorschijn. De lang onderdrukte gemoedsopwellingen hadden zich lucht gegeven, en, was het in ’t openbaar verschijnen van werken als „het Stockske van Oldenbarnevelt”, de „Geusen Vesper”, de„Weeghschael van Hollant”, en de „Palamedes” aan te merken als een gebeurtenis van hooge politieke beteekenis, het bracht te gelijker tijd het verbaasde Nederland tot de ontdekking, dat het in Vondel een dichter te begroeten had, even groot in elk der zoo uiteenloopende vakken, welke hy had aangegrepen, en wiens gelijke het tot dien tijd niet had bezeten.En niet enkel zy, die met ’s mans begrippen instemden, moesten tot die overtuiging geraken: ook de tegenparty besefte het: zy voelde zich tot in haar binnenste gekwetst, en, ziedende van wraak, nam zy dat middel te baat, ’t welk immer een tegenovergestelde werking heeft dan er mede beoogd wordt: zy deed den schrijver de eer aan, hem te vervolgen. Een korte wijl hing onzen dichter het gevaar boven ’t hoofd,dat zijn vrijmoedig geschrijf hem den hals zoû kosten;—maar toen de geheele zaak op een onbeduidende boete uitliep, toen gevoelde hy, de kousewinkelier uit de Warmoesstraat, dat hy voortaan een macht was tegen over de Synodale party, en, fierder en krachtiger en bijtender dan ooit ging hy voort, haar met het zwaar geschut van zijn dichtelijken geest en met de puntige pylen van zijn satyriek en schalksch vernuft te bestooken.Vondel had in het optreden van Frederik Hendrik den dageraad van een nieuw en gezegend tijdperk begroet. Hy zag in hem den man, die binnen ’t Land verdraagzaamheid zoû doen heerschen, en, door zijn krijgsbeleid, aan den vyand daar buiten den zoo gewenschten vrede af zoû dwingen. Het was dan ook geen vleiery, toen hy, in zijn „Princeliet”, in zijn „Oranje Mayliet”, hem met zijn hooge eerambten geluk wenschte en begroette, toen hy, kort daarna, by gelegenheid dat ’s Prinsen huwlijkskoets met een zoon gezegend werd, aan het vorstlijk echtpaar zijn heerlijken Geboortezang toezong: het was even min vleizucht, die hem achtereenvolgends zijn schoone, in toon en maat zoo geheel verscheiden Zegezangen ingaf op de verovering van Grol, van ’s Hertogenbosch en van Maastricht:—immers nooit was van den Prins een enkel gunstbewijs, een enkele gift, een enkel woord van dank of goedkeuring tot hem gekomen:—en, wat meer zegt en het sprekendst bewijs levert, hoezeer Vondels poëzy de uitstorting was van innig gevoel en oprechte overtuiging, zoodra hy begon te bespeuren, dat die vrede, naar welke hy zoo verlangd uitzag, voortaan meer door Spanje dan door den Stadhouder gewenscht werd, klonk de loftrompet voor dezen laatste niet langer, en strekte die uitsluitend tot viering en verheffing dier Amsterdamsche Regenten, wier wenschen en richting met de zijne overeenstemden. In 1837, gelijk later in 1831, was de juichtoon over behaalde lauweren algemeen door alle Vaderlanders aangeheven; doch zoo wel toen als later, waren eindelijk ook degene, die ’t zij Frederik Hendrik, ’t zij Koning Willem den Eerste ’t luidst geprezen en aangemoedigd hadden, het stelsel van volharding moede geworden, ja begonnen het aan te merken als doodelijk voor ’s Lands belangen. Van daar dan ook, dat, noch in den „Getemden Mars”, noch in de „Leeuwendalers”, noch in eenig ander dichtstuk, door Vondel ter viering van den vrede van 1648 vervaardigd, een enkele toon meer voorkomt ter eere van onze helden, of ter waardeering van den roem, in tachtig jaren strijds door hen verworven:—neen, enkel dank- en jubeltoonen over het ophoudenvan den krijg, over de zegeningen, van den vrede te verwachten.Het is die grondtoon „Vrede! Vrede!” in al de gedichten van Vondel herklinkende, waaruit zich alleen het feit verklaren laat, dat hy, en toen en tot aan zijn einde toe, by voortduring de dichterlijke tolk bleef der gevoelens van de Amsterdamsche Regering:—en zulks in weêrwil van de menigvuldige oorzaken, die schijnbaar tot geheel andere gevolgen hadden moeten leiden. Immers sedert 1640 had Vondel uit overtuiging de leer der Roomsgezinden omhelsd, en met den yver eens jeugdigen bekeerlings, maar tevens met de geleerdheid van een belezen theoloog, de beginselen dier leer verdedigd in uitgebreide dichtwerken, even zeer uitmuntende door poëetischen gloed en schildering, als door scherpzinnige dialektiek:—immers was, van dat tijdstip af, in Vondel de Zuidnederlander meer dan vroeger ontwaakt, de Zuidnederlander, met zijn Katholyke strekkingen en verzuchtingen, met zijn artistiek gevoel, zijn gehechtheid aan legenden, aan overleveringen, aan kerkplechtigheden en ceremoniën:—immers was hy met hart en ziel een voorstander en verdediger geworden van het Goddelijk recht der vorsten en had hy de afzwering van Filips als een misdaad leeren veroordeelen en als een misslag betreuren:—immers was er tusschen hem, den nu verarmden en nederigen burgerman, die noch tot de heerschende Kerk behoorde, noch zelfs het poortrecht in de stad zijner inwoning bezat, en het nakroost zijner voormalige medebroeders in de Rederijkkamers—dat nakroost, ’t welk thands, oppermachtigGezeten op het schild met kruyssen overladen,aan Koningen de wet voorschreef—een maatschappelijke verwijdering, een kloof ontstaan, van hoedanig eene latere eeuwen geen voorbeeld kunnen aanwijzen.—En toch in weêrwil van dat alles bleef de Paus- en Konings- en Spaansgezinde artistieke burgerman tot aan zijn dood de getrouwe bondgenoot en medestrijder van de gereformeerde, aristokratische, materiëele Amsterdamsche Regering, met wier staatkunde, met wier belangen, met wier denkwijze, met wier lief en leed hy zich als vereenzelvigde, ja zoo zelfs, dat hy er op ’t laatst zijn zoo innige, door zoo veel gloeiende gedichten bewezen liefde voor ’t Huis der Stuarden aan ten offer bracht:—Maar die Regenten waren tegen de vermeerdering van ’t krijgsvolk, als hy: tegen de aanwassende macht des Stadhouders, als hy: tegen al wat het oorlogvoeren bevorderen kon, als hy:en van den anderen kant stonden zy die verdraagzaamheid voor, welke hy steeds gepredikt had voor anderen, en nu ook voor zich en zijn geloofsgenooten behoefde:—en hierin zoeke men de oplossing van een raadsel, dat anders onverklaarbaar schijnen zoû.Misschien was er nog een andere reden, die Vondel aan de Amsterdamsche Regenten deed hechten, namelijk zijn gehechtheid aan Amsterdam. Vondel was, wy herhalen het, meer Zuidnederlander dan Hollander: hy gevoelde zich t’huis te Antwerpen, te Brugge, te Brussel, plaatsen, meer dan eens door hem bezocht, beter dan te Rotterdam, te Delft of te ’s Gravenhage, in welke steden het nog de vraag is of hy wel ooit een voet gezet heeft. Maar Vondel was en bleef Amsterdammer. In Amsterdam had hy van jongs af gewoond: hy had er geld verdiend en verloren: hy had er lief en leed gekend, er dierbare panden in de wieg gezien en ten grave gebracht: hy had er glorie en miskenning ondervonden: en by dat alles hy had de stad zien worden wat zy was, de groote en machtige, die, gelijk hy ’t uitdrukte,Als Keyzerin de kroon droegh van Europe.Al die wonderen, die met en uit het tijdvak dat wy beschrijven binnen haar muren waren gerezen, die heerlijke driedubbele gordel van prachtige kaaien, dat Stadhuis, als een achtste waereldwonder gevierd, dat Zeemagazijn met zijn trotsche werven, die ter weêrszijde uitgestrekte armen, door de Bikkers en Reaelen-eilanden aan de eene en Katten- met Wittenburg aan de andere zijde gevormd, die het Y omhelsden, die talrijke godshuizen, die Beurzen en marktplaatsen, dat alles had Vondel zien ontstaan en in schitterende vaerzen bezongen: het had stof aan zijn lier en zijn lier had er wederkeerig vermaardheid aan geschonken: kon het anders, of hy moest liefde gevoelen voor die waereldstad, zoo rijk, zoo welvarend, zoo prachtig, zoo schoon als er toen geene bestond, en zoo als wy haar thands ons, zonder zijn beschrijvingen, naauwlijks meer zouden kunnen voorstellen?Intusschen, juist aan dat eigenaardig karakter van Katholyk, Zuid-Nederlander en Amsterdammer tevens, waardoor Vondel zich onderscheidde, is het waarschijnlijk toe te schrijven, dat zijn invloed op onze taal en letterkunde niet zoo algemeen en bestendig was als men dien zoû hebben moeten verwachten. Wel moest die zuivere frischheid van taal, die ronding en losheid van altijd goed samengeschakelde, altijd geleidelijk afloopende perioden, die gelukkige keus van beelden enuitdrukkingen, die naauwkeurigheid in ’t vermijden van bastertwoorden, welke wy by hem, niet als by Hooft of de Groot door een vernuftige, doch vaak gezochte en gekunstelde overzetting, maar door een inheemsch woord van gelijke gehalte, vervangen zien, die Nederduitsche stijl in een woord, waardoor hy niet enkel zijn voorgangers en tijdgenooten, maar al wie na hem gekomen is, te boven streeft—wel moest, zeggen wy, dat alles in wie met fijn gevoel en kieschen smaak bedeeld was en er zijn werk van maakte ze te bestudeeren, hooge bewondering opwekken, en daarby ook zucht om zoo schitterend een voorbeeld na te volgen—en dit was dan ook met mannen als de Huydecopers en Bilderdijken het geval;—maar de groote hoop bleef met de schatten, in Vondels gedichten verzameld, onbekend. De meerderheid onder hen, die in de voormalige Republiek de letterkunde beoefenden of werken van smaak lazen, behoorde tot de Onroomschen: zy gevoelde zich afgeschrikt door de tytels zelve van sommige van Vondels werken en door de Katholyke kleur der meesten, en nam ze daarom zelden ter hand:—en, wat erger was, reeds in de laatste jaren van Vondels leven was de Fransche letterkunde, zoo als die door Rotrou en Corneille, en nu ook eerlang door Racine en Boileau was hervormd, in Holland bekend geraakt: de gegeven voorbeelden en voorschriften hadden vertalers, bewonderaars, navolgers, gevonden: al spoedig hadden alle oogen zich van hier by voorkeur naar Frankrijk leeren wenden, om aldaar uitsluitend lessen van smaak en beschaving te zoeken. En zoo gebeurde het, dat Vondel, door velen alleen op goed geloof nog geprezen, door anderen uit onkunde of vooroordeel miskend, door maar zeer enkelen naar waarde geschat, in geen opzicht waarlijk populair werd en naauwlijks anders meer dan als de auteur van „Gysbreght van Aemstel” bekend bleef.Die dagen van blinde vooringenomenheid met een enkele Letterkunde zijn gelukkig voorby. Hoe oprecht wy ook nu nog de verdiensten huldigen van de groote geniën uit de eeuw van Lodewijk XIV, wy sluiten niet langer de oogen voor den glans, die ons ook van elders tegenstroomt. Wy beschouwen niet langer, gelijk men hier ten lande in ’t begin dezer eeuw nog deed, Shakspere en Schiller als barbaren, wier onklassische kunstgewrochten, even als die van den ouden Ennius, niet dan enkele paljetten vertoonen, die ons uit een vuilen mesthoop tegenflikkeren. Maar wanneer wy, en te recht, de zoo lang miskende Barden vanGroot Brittanje en Duitschland in den rang en de eer, die hun toekomt, herstellen, dan voegt het ons Nederlanders, ook de schatten niet ongeächt en ongebruikt te laten liggen, die wy op eigen bodem bezitten. Daarom ook te dezen opzichte elk nog bestaand vooroordeel afgeschud, en—het kan niet genoeg worden toegeroepen aan al wie zijn taal en stijl verlangt te vormen of te beschaven—Vondel gelezen en herlezen. Ik roep het u toe, jongeling! die u tot dichten voelt opgewekt, doch de geheimenissen van maat en rijm nog niet genoeg hebt leeren doorgronden: laat Vondel daarin uw onderwijzer zijn: geen beter gids enleidsmankunt gy vinden.—Niet, dat ik de verdiensten van Bilderdijk verkleinen of dezen beneden Vondel stellen zoû; maar hoe verbasend groot als dichter en taalbeheerscher Bilderdijk ook zijn moge, juist zijn onnavolgbaarheid maakt het gevaarlijk, met hem aan te vangen. Wie onbedacht en nog niet genoeg met den aart en de eigenschappen onzer taal bekend, zich, als hy, durft wagen aan dat samenkoppelen en smeden van woorden, ’t welk hy zoo meesterlijk verstond, loopt al ras gevaar, onverstaanbaar, zoo niet belachlijk, te worden, en het zoû ons, ter staving van dit beweeren, geenszins aan voorbeelden ontbreken. Neen, tot de studie, ja (voegen wy er met warmte by) tot de aanhoudende studie van Bilderdijk begeve zich de toekomstige dichter niet vroeger, dan wanneer hy door de studie van Vondel gevormd is. Niet anders zal hy, die de Latijnsche muze wil leeren beoefenen of slechts waardeeren, met Nazo en Tibullus beginnen, eer hy zich tot het lezen van Maro of Flakkus begeeft.Maar ook gy, die zonder u in de hooge sfeeren der poëzy te willen wagen, er prijs op stelt, een zuiver, klaar, gekuischt en logisch Nêerduitsch te schrijven, bevrijd van die spraakwendingen, welke ook de beste hedendaagsche schrijvers, ten gevolge hunner gewoonte om Engelsch, Fransch of Hoogduitsch te lezen, maar al te dikwerf en doorgaands onwillekeurig van elders overnemen, leert van Vondel uw moedertaal gebruiken: van hem den rijkdom kennen, dien zy aanbiedt, van hem, nooit verlegen te zijn met de keus der uitdrukkingen die gy behoeft, met de schikking van woorden en volzinnen, met de vormen van betoog en perioden. Of gy dan immer cierlijk zult leeren schrijven, dat zal alleen afhangen van de meerdere of mindere mate van vernuft, waarmede gy bedeeld zijt; maar gy zult althands de hoofdeigenschap machtig worden, die een schrijver behoort te kenmerken: die namelijk, van u, in uw moedertaal, verstaanbaar uit te drukken.
JOOST VAN DEN VONDEL.
Het is onder alle omstandigheden een moeilijke taak, de aanspraken, welke zich groote mannen op de dankbaarheid of den lof der nakomelingschap hebben verworven, op zoodanige wijze te schetsen, dat zich in onze schets beknoptheid aan volledigheid pare, en tevens een afschrikwekkende dorheid worde vermeden. Maar byna onmogelijk wordt de vervulling van die taak, waar het een man geldt, die, en door de verhevenheid van zijn genie, en door het belangwekkende zijner persoonlijkheid, en door het talrijke zijner voortbrengselen, en door den invloed, welken hy uitoefende, een geheel afzonderlijk, een buiten en boven zijn tijdgenooten uitschitterend standpunt innam, waar het een man geldt als Vondel. Hier wordt zoo wel beknoptheid aan de eene als volledigheid aan de andere zijde onbereikbaar. Zoo min als men in weinige woorden een behoorlijk begrip kan geven van de rol, door een Plato, een Cezar, een Luther, een Napoleon, vervuld, zoo min kan men in enkele regels den dichter schilderen, die, op eenmaal en op ’t onverwachtst als met adelaarswieken zich boven den dampkring verheffende, waarin zich zijn tijdgenooten bewogen, zich gedurende meer dan zeventig achtereenvolgende jaren bleef handhaven in de hooge sfeer, welke hy had ingenomen, den man, aan wiens geest elk bykomend jaar, in stede van verzwakking of verflaauwing, nieuwe veerkracht, kostbaarder rijkdom, hooger veredeling scheen toe te brengen: die, geen stof onverhandeld, geen maat ongebruikt latende, zich ten allen tijde beheerscher toonde van stof en maat, zich beurtlings kenmerkte als stout en verheven lof- en lier- en treurspeldichter, alszwierig en bevallig feest- en bruiloftzanger, als gemoedelijk, belezen en innemend leer- en zededichter, als scherp en puntig hekeldichter, als kernachtig en naauwkeurig byschriftschrijver, als liefelijk en geestig minnezanger: die zich op ieder veld even vrij, even gemakkelijk, met even veel bevalligheid en geluk, wist te bewegen, en die, zelfs al waren zijn tallooze dichtvruchten door een balsturig noodlot ons onthouden geworden, nog om zijn prozastijl als de schepper van een rein, helder, verstaanbaar en welklinkend Nederduitsch, als het voorwerp van aller bewondering, als de gids en vraagbaak aller schrijvers, in onze taal zoû geroemd mogen worden: hem eindelijk, die ook als mensch achting verdient niet alleen, maar zelfs onze beschouwing overwaardig is.Joost van den Vondel.W. P. Hoevenaar, delSteend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Joost van den Vondel.Doch zoo aan den eenen kant een vluchtig vermelden van al de tytels, krachtens welke zich Vondel een onsterfelijken naam verwierf, alleen zoû neêrkomen op een onnoodig herhalen van wat honderd malen gezegd is, een herhalen, dat niemand zoû kunnen bevredigen, even min zoû, aan den anderen kant, de steller dezer regelen kans zien, te dezer gelegenheid en plaatse in zijn voorstelling een volledigheid te brengen, welke hy zelfs wanhoopt, elders, in een duizendmaal uitvoeriger werk, te bereiken.Liever alzoo dan hier roekeloos een poging te wagen tot het geven van een overzicht, ’t zij van Vondels leven, ’t zij van ’s mans werken—een poging, die uit den aart der zake falen moet—ons vergenoegd met die beschouwingswijze, welke ons van zelve binnen den kring bepaalt, dien wy om onze tafereelen hebben heengetrokken, en in breede trekken aangewezen, welken invloed het tijdperk van Frederik Hendriks bestuur op Vondels aanleg en loopbaan als dichter uitoefende:—om daarna, met even vluchtigen blik, den invloed te beschouwen, welken hy zelf als schrijver wederkeerig uitoefende op zijn landgenooten.Een der meest sprekende, zich gedurende geheel zijn levensloop bestendig openbarendekaraktertrekkenvan Vondel was een ingeschapen afkeerigheid van alle vervolging, zoo wegens politieke als wegens godsdienstige begrippen en gevoelens. Die haat tegen geloofsdwang, licht te verklaren by den zoon van ouderen die, om ’t geloof vervolgd, als bannelingen hadden rondgezworven, was niet weinig versterkt geworden door de gestrenge handelwijze, welke de heerschende party in 1619 zich—zoo op ’t gebied van den Staat als op dat der Kerk—veroorloofd had jegens mannen, voor wie hy met achting en eerbied vervuld was niet alleen, maar wier gevoelens voor een groot deel met de zijne zoo geheelschenen overeen te stemmen. Immers als voorstander van den vrede, wat Vondel reeds als jongeling was, toen hy nog de gevoelens der uit hun aart vredelievende Doopsgezinden aankleefde, en tot aan zijn laatste levensdagen bleef, moest hy zich wel ingenomen toonen met de party, die ’t sluiten van het Twaalfjarig Bestand had doorgedreven: en evenmin kon hy, als Lidmaat eener afgezonderde Gemeente, anders dan met afkeuring getuige zijn van de aanmatigingen der heerschende Kerk.—En, mochten al zijn toenmalige geloofsgenooten, als ware „Stillen in den Lande”, zich er by bepalen met over hetgeen gebeurde te treuren in de eenzame afzondering hunner binnenkamers, voor den levendigen, ja licht opbruischenden geest van den nu even dertigjarigen dichter moest het een behoefte zijn, zich, óf in roerende klachten over het ongelijk, zijnen vrienden aangedaan, en over het lijden, dat zy ondergaan moesten, óf in heftige uitvallen tegen hun vervolgers en onderdrukkers, lucht te geven.—Doch, het was niet zoo lang „Gommers recht” door de „stalen kling” van „mijn Heer den Prins getroost” werd, dat dergelijke uitingen van smart of van verontwaardiging zich in ’t openbaar zouden hebben kunnen wagen: ja reeds stak er gevaar in, ze binnen vertrouwelijke kringen aan beproefde vrienden te doen hooren.—Maar Maurits trad van het tooneel der waereld af: een milder staatkunde scheen het nieuwe Bestuur te zullen kenschetsen, en nu van allen schroom verlost, of liever, alle gevolgen tartende, trad Vondel met zijn klaag- en straf- en hekeldichten manmoedig te voorschijn. De lang onderdrukte gemoedsopwellingen hadden zich lucht gegeven, en, was het in ’t openbaar verschijnen van werken als „het Stockske van Oldenbarnevelt”, de „Geusen Vesper”, de„Weeghschael van Hollant”, en de „Palamedes” aan te merken als een gebeurtenis van hooge politieke beteekenis, het bracht te gelijker tijd het verbaasde Nederland tot de ontdekking, dat het in Vondel een dichter te begroeten had, even groot in elk der zoo uiteenloopende vakken, welke hy had aangegrepen, en wiens gelijke het tot dien tijd niet had bezeten.En niet enkel zy, die met ’s mans begrippen instemden, moesten tot die overtuiging geraken: ook de tegenparty besefte het: zy voelde zich tot in haar binnenste gekwetst, en, ziedende van wraak, nam zy dat middel te baat, ’t welk immer een tegenovergestelde werking heeft dan er mede beoogd wordt: zy deed den schrijver de eer aan, hem te vervolgen. Een korte wijl hing onzen dichter het gevaar boven ’t hoofd,dat zijn vrijmoedig geschrijf hem den hals zoû kosten;—maar toen de geheele zaak op een onbeduidende boete uitliep, toen gevoelde hy, de kousewinkelier uit de Warmoesstraat, dat hy voortaan een macht was tegen over de Synodale party, en, fierder en krachtiger en bijtender dan ooit ging hy voort, haar met het zwaar geschut van zijn dichtelijken geest en met de puntige pylen van zijn satyriek en schalksch vernuft te bestooken.Vondel had in het optreden van Frederik Hendrik den dageraad van een nieuw en gezegend tijdperk begroet. Hy zag in hem den man, die binnen ’t Land verdraagzaamheid zoû doen heerschen, en, door zijn krijgsbeleid, aan den vyand daar buiten den zoo gewenschten vrede af zoû dwingen. Het was dan ook geen vleiery, toen hy, in zijn „Princeliet”, in zijn „Oranje Mayliet”, hem met zijn hooge eerambten geluk wenschte en begroette, toen hy, kort daarna, by gelegenheid dat ’s Prinsen huwlijkskoets met een zoon gezegend werd, aan het vorstlijk echtpaar zijn heerlijken Geboortezang toezong: het was even min vleizucht, die hem achtereenvolgends zijn schoone, in toon en maat zoo geheel verscheiden Zegezangen ingaf op de verovering van Grol, van ’s Hertogenbosch en van Maastricht:—immers nooit was van den Prins een enkel gunstbewijs, een enkele gift, een enkel woord van dank of goedkeuring tot hem gekomen:—en, wat meer zegt en het sprekendst bewijs levert, hoezeer Vondels poëzy de uitstorting was van innig gevoel en oprechte overtuiging, zoodra hy begon te bespeuren, dat die vrede, naar welke hy zoo verlangd uitzag, voortaan meer door Spanje dan door den Stadhouder gewenscht werd, klonk de loftrompet voor dezen laatste niet langer, en strekte die uitsluitend tot viering en verheffing dier Amsterdamsche Regenten, wier wenschen en richting met de zijne overeenstemden. In 1837, gelijk later in 1831, was de juichtoon over behaalde lauweren algemeen door alle Vaderlanders aangeheven; doch zoo wel toen als later, waren eindelijk ook degene, die ’t zij Frederik Hendrik, ’t zij Koning Willem den Eerste ’t luidst geprezen en aangemoedigd hadden, het stelsel van volharding moede geworden, ja begonnen het aan te merken als doodelijk voor ’s Lands belangen. Van daar dan ook, dat, noch in den „Getemden Mars”, noch in de „Leeuwendalers”, noch in eenig ander dichtstuk, door Vondel ter viering van den vrede van 1648 vervaardigd, een enkele toon meer voorkomt ter eere van onze helden, of ter waardeering van den roem, in tachtig jaren strijds door hen verworven:—neen, enkel dank- en jubeltoonen over het ophoudenvan den krijg, over de zegeningen, van den vrede te verwachten.Het is die grondtoon „Vrede! Vrede!” in al de gedichten van Vondel herklinkende, waaruit zich alleen het feit verklaren laat, dat hy, en toen en tot aan zijn einde toe, by voortduring de dichterlijke tolk bleef der gevoelens van de Amsterdamsche Regering:—en zulks in weêrwil van de menigvuldige oorzaken, die schijnbaar tot geheel andere gevolgen hadden moeten leiden. Immers sedert 1640 had Vondel uit overtuiging de leer der Roomsgezinden omhelsd, en met den yver eens jeugdigen bekeerlings, maar tevens met de geleerdheid van een belezen theoloog, de beginselen dier leer verdedigd in uitgebreide dichtwerken, even zeer uitmuntende door poëetischen gloed en schildering, als door scherpzinnige dialektiek:—immers was, van dat tijdstip af, in Vondel de Zuidnederlander meer dan vroeger ontwaakt, de Zuidnederlander, met zijn Katholyke strekkingen en verzuchtingen, met zijn artistiek gevoel, zijn gehechtheid aan legenden, aan overleveringen, aan kerkplechtigheden en ceremoniën:—immers was hy met hart en ziel een voorstander en verdediger geworden van het Goddelijk recht der vorsten en had hy de afzwering van Filips als een misdaad leeren veroordeelen en als een misslag betreuren:—immers was er tusschen hem, den nu verarmden en nederigen burgerman, die noch tot de heerschende Kerk behoorde, noch zelfs het poortrecht in de stad zijner inwoning bezat, en het nakroost zijner voormalige medebroeders in de Rederijkkamers—dat nakroost, ’t welk thands, oppermachtigGezeten op het schild met kruyssen overladen,aan Koningen de wet voorschreef—een maatschappelijke verwijdering, een kloof ontstaan, van hoedanig eene latere eeuwen geen voorbeeld kunnen aanwijzen.—En toch in weêrwil van dat alles bleef de Paus- en Konings- en Spaansgezinde artistieke burgerman tot aan zijn dood de getrouwe bondgenoot en medestrijder van de gereformeerde, aristokratische, materiëele Amsterdamsche Regering, met wier staatkunde, met wier belangen, met wier denkwijze, met wier lief en leed hy zich als vereenzelvigde, ja zoo zelfs, dat hy er op ’t laatst zijn zoo innige, door zoo veel gloeiende gedichten bewezen liefde voor ’t Huis der Stuarden aan ten offer bracht:—Maar die Regenten waren tegen de vermeerdering van ’t krijgsvolk, als hy: tegen de aanwassende macht des Stadhouders, als hy: tegen al wat het oorlogvoeren bevorderen kon, als hy:en van den anderen kant stonden zy die verdraagzaamheid voor, welke hy steeds gepredikt had voor anderen, en nu ook voor zich en zijn geloofsgenooten behoefde:—en hierin zoeke men de oplossing van een raadsel, dat anders onverklaarbaar schijnen zoû.Misschien was er nog een andere reden, die Vondel aan de Amsterdamsche Regenten deed hechten, namelijk zijn gehechtheid aan Amsterdam. Vondel was, wy herhalen het, meer Zuidnederlander dan Hollander: hy gevoelde zich t’huis te Antwerpen, te Brugge, te Brussel, plaatsen, meer dan eens door hem bezocht, beter dan te Rotterdam, te Delft of te ’s Gravenhage, in welke steden het nog de vraag is of hy wel ooit een voet gezet heeft. Maar Vondel was en bleef Amsterdammer. In Amsterdam had hy van jongs af gewoond: hy had er geld verdiend en verloren: hy had er lief en leed gekend, er dierbare panden in de wieg gezien en ten grave gebracht: hy had er glorie en miskenning ondervonden: en by dat alles hy had de stad zien worden wat zy was, de groote en machtige, die, gelijk hy ’t uitdrukte,Als Keyzerin de kroon droegh van Europe.Al die wonderen, die met en uit het tijdvak dat wy beschrijven binnen haar muren waren gerezen, die heerlijke driedubbele gordel van prachtige kaaien, dat Stadhuis, als een achtste waereldwonder gevierd, dat Zeemagazijn met zijn trotsche werven, die ter weêrszijde uitgestrekte armen, door de Bikkers en Reaelen-eilanden aan de eene en Katten- met Wittenburg aan de andere zijde gevormd, die het Y omhelsden, die talrijke godshuizen, die Beurzen en marktplaatsen, dat alles had Vondel zien ontstaan en in schitterende vaerzen bezongen: het had stof aan zijn lier en zijn lier had er wederkeerig vermaardheid aan geschonken: kon het anders, of hy moest liefde gevoelen voor die waereldstad, zoo rijk, zoo welvarend, zoo prachtig, zoo schoon als er toen geene bestond, en zoo als wy haar thands ons, zonder zijn beschrijvingen, naauwlijks meer zouden kunnen voorstellen?Intusschen, juist aan dat eigenaardig karakter van Katholyk, Zuid-Nederlander en Amsterdammer tevens, waardoor Vondel zich onderscheidde, is het waarschijnlijk toe te schrijven, dat zijn invloed op onze taal en letterkunde niet zoo algemeen en bestendig was als men dien zoû hebben moeten verwachten. Wel moest die zuivere frischheid van taal, die ronding en losheid van altijd goed samengeschakelde, altijd geleidelijk afloopende perioden, die gelukkige keus van beelden enuitdrukkingen, die naauwkeurigheid in ’t vermijden van bastertwoorden, welke wy by hem, niet als by Hooft of de Groot door een vernuftige, doch vaak gezochte en gekunstelde overzetting, maar door een inheemsch woord van gelijke gehalte, vervangen zien, die Nederduitsche stijl in een woord, waardoor hy niet enkel zijn voorgangers en tijdgenooten, maar al wie na hem gekomen is, te boven streeft—wel moest, zeggen wy, dat alles in wie met fijn gevoel en kieschen smaak bedeeld was en er zijn werk van maakte ze te bestudeeren, hooge bewondering opwekken, en daarby ook zucht om zoo schitterend een voorbeeld na te volgen—en dit was dan ook met mannen als de Huydecopers en Bilderdijken het geval;—maar de groote hoop bleef met de schatten, in Vondels gedichten verzameld, onbekend. De meerderheid onder hen, die in de voormalige Republiek de letterkunde beoefenden of werken van smaak lazen, behoorde tot de Onroomschen: zy gevoelde zich afgeschrikt door de tytels zelve van sommige van Vondels werken en door de Katholyke kleur der meesten, en nam ze daarom zelden ter hand:—en, wat erger was, reeds in de laatste jaren van Vondels leven was de Fransche letterkunde, zoo als die door Rotrou en Corneille, en nu ook eerlang door Racine en Boileau was hervormd, in Holland bekend geraakt: de gegeven voorbeelden en voorschriften hadden vertalers, bewonderaars, navolgers, gevonden: al spoedig hadden alle oogen zich van hier by voorkeur naar Frankrijk leeren wenden, om aldaar uitsluitend lessen van smaak en beschaving te zoeken. En zoo gebeurde het, dat Vondel, door velen alleen op goed geloof nog geprezen, door anderen uit onkunde of vooroordeel miskend, door maar zeer enkelen naar waarde geschat, in geen opzicht waarlijk populair werd en naauwlijks anders meer dan als de auteur van „Gysbreght van Aemstel” bekend bleef.Die dagen van blinde vooringenomenheid met een enkele Letterkunde zijn gelukkig voorby. Hoe oprecht wy ook nu nog de verdiensten huldigen van de groote geniën uit de eeuw van Lodewijk XIV, wy sluiten niet langer de oogen voor den glans, die ons ook van elders tegenstroomt. Wy beschouwen niet langer, gelijk men hier ten lande in ’t begin dezer eeuw nog deed, Shakspere en Schiller als barbaren, wier onklassische kunstgewrochten, even als die van den ouden Ennius, niet dan enkele paljetten vertoonen, die ons uit een vuilen mesthoop tegenflikkeren. Maar wanneer wy, en te recht, de zoo lang miskende Barden vanGroot Brittanje en Duitschland in den rang en de eer, die hun toekomt, herstellen, dan voegt het ons Nederlanders, ook de schatten niet ongeächt en ongebruikt te laten liggen, die wy op eigen bodem bezitten. Daarom ook te dezen opzichte elk nog bestaand vooroordeel afgeschud, en—het kan niet genoeg worden toegeroepen aan al wie zijn taal en stijl verlangt te vormen of te beschaven—Vondel gelezen en herlezen. Ik roep het u toe, jongeling! die u tot dichten voelt opgewekt, doch de geheimenissen van maat en rijm nog niet genoeg hebt leeren doorgronden: laat Vondel daarin uw onderwijzer zijn: geen beter gids enleidsmankunt gy vinden.—Niet, dat ik de verdiensten van Bilderdijk verkleinen of dezen beneden Vondel stellen zoû; maar hoe verbasend groot als dichter en taalbeheerscher Bilderdijk ook zijn moge, juist zijn onnavolgbaarheid maakt het gevaarlijk, met hem aan te vangen. Wie onbedacht en nog niet genoeg met den aart en de eigenschappen onzer taal bekend, zich, als hy, durft wagen aan dat samenkoppelen en smeden van woorden, ’t welk hy zoo meesterlijk verstond, loopt al ras gevaar, onverstaanbaar, zoo niet belachlijk, te worden, en het zoû ons, ter staving van dit beweeren, geenszins aan voorbeelden ontbreken. Neen, tot de studie, ja (voegen wy er met warmte by) tot de aanhoudende studie van Bilderdijk begeve zich de toekomstige dichter niet vroeger, dan wanneer hy door de studie van Vondel gevormd is. Niet anders zal hy, die de Latijnsche muze wil leeren beoefenen of slechts waardeeren, met Nazo en Tibullus beginnen, eer hy zich tot het lezen van Maro of Flakkus begeeft.Maar ook gy, die zonder u in de hooge sfeeren der poëzy te willen wagen, er prijs op stelt, een zuiver, klaar, gekuischt en logisch Nêerduitsch te schrijven, bevrijd van die spraakwendingen, welke ook de beste hedendaagsche schrijvers, ten gevolge hunner gewoonte om Engelsch, Fransch of Hoogduitsch te lezen, maar al te dikwerf en doorgaands onwillekeurig van elders overnemen, leert van Vondel uw moedertaal gebruiken: van hem den rijkdom kennen, dien zy aanbiedt, van hem, nooit verlegen te zijn met de keus der uitdrukkingen die gy behoeft, met de schikking van woorden en volzinnen, met de vormen van betoog en perioden. Of gy dan immer cierlijk zult leeren schrijven, dat zal alleen afhangen van de meerdere of mindere mate van vernuft, waarmede gy bedeeld zijt; maar gy zult althands de hoofdeigenschap machtig worden, die een schrijver behoort te kenmerken: die namelijk, van u, in uw moedertaal, verstaanbaar uit te drukken.
Het is onder alle omstandigheden een moeilijke taak, de aanspraken, welke zich groote mannen op de dankbaarheid of den lof der nakomelingschap hebben verworven, op zoodanige wijze te schetsen, dat zich in onze schets beknoptheid aan volledigheid pare, en tevens een afschrikwekkende dorheid worde vermeden. Maar byna onmogelijk wordt de vervulling van die taak, waar het een man geldt, die, en door de verhevenheid van zijn genie, en door het belangwekkende zijner persoonlijkheid, en door het talrijke zijner voortbrengselen, en door den invloed, welken hy uitoefende, een geheel afzonderlijk, een buiten en boven zijn tijdgenooten uitschitterend standpunt innam, waar het een man geldt als Vondel. Hier wordt zoo wel beknoptheid aan de eene als volledigheid aan de andere zijde onbereikbaar. Zoo min als men in weinige woorden een behoorlijk begrip kan geven van de rol, door een Plato, een Cezar, een Luther, een Napoleon, vervuld, zoo min kan men in enkele regels den dichter schilderen, die, op eenmaal en op ’t onverwachtst als met adelaarswieken zich boven den dampkring verheffende, waarin zich zijn tijdgenooten bewogen, zich gedurende meer dan zeventig achtereenvolgende jaren bleef handhaven in de hooge sfeer, welke hy had ingenomen, den man, aan wiens geest elk bykomend jaar, in stede van verzwakking of verflaauwing, nieuwe veerkracht, kostbaarder rijkdom, hooger veredeling scheen toe te brengen: die, geen stof onverhandeld, geen maat ongebruikt latende, zich ten allen tijde beheerscher toonde van stof en maat, zich beurtlings kenmerkte als stout en verheven lof- en lier- en treurspeldichter, alszwierig en bevallig feest- en bruiloftzanger, als gemoedelijk, belezen en innemend leer- en zededichter, als scherp en puntig hekeldichter, als kernachtig en naauwkeurig byschriftschrijver, als liefelijk en geestig minnezanger: die zich op ieder veld even vrij, even gemakkelijk, met even veel bevalligheid en geluk, wist te bewegen, en die, zelfs al waren zijn tallooze dichtvruchten door een balsturig noodlot ons onthouden geworden, nog om zijn prozastijl als de schepper van een rein, helder, verstaanbaar en welklinkend Nederduitsch, als het voorwerp van aller bewondering, als de gids en vraagbaak aller schrijvers, in onze taal zoû geroemd mogen worden: hem eindelijk, die ook als mensch achting verdient niet alleen, maar zelfs onze beschouwing overwaardig is.
Joost van den Vondel.W. P. Hoevenaar, delSteend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Joost van den Vondel.
W. P. Hoevenaar, delSteend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.
Joost van den Vondel.
Doch zoo aan den eenen kant een vluchtig vermelden van al de tytels, krachtens welke zich Vondel een onsterfelijken naam verwierf, alleen zoû neêrkomen op een onnoodig herhalen van wat honderd malen gezegd is, een herhalen, dat niemand zoû kunnen bevredigen, even min zoû, aan den anderen kant, de steller dezer regelen kans zien, te dezer gelegenheid en plaatse in zijn voorstelling een volledigheid te brengen, welke hy zelfs wanhoopt, elders, in een duizendmaal uitvoeriger werk, te bereiken.
Liever alzoo dan hier roekeloos een poging te wagen tot het geven van een overzicht, ’t zij van Vondels leven, ’t zij van ’s mans werken—een poging, die uit den aart der zake falen moet—ons vergenoegd met die beschouwingswijze, welke ons van zelve binnen den kring bepaalt, dien wy om onze tafereelen hebben heengetrokken, en in breede trekken aangewezen, welken invloed het tijdperk van Frederik Hendriks bestuur op Vondels aanleg en loopbaan als dichter uitoefende:—om daarna, met even vluchtigen blik, den invloed te beschouwen, welken hy zelf als schrijver wederkeerig uitoefende op zijn landgenooten.
Een der meest sprekende, zich gedurende geheel zijn levensloop bestendig openbarendekaraktertrekkenvan Vondel was een ingeschapen afkeerigheid van alle vervolging, zoo wegens politieke als wegens godsdienstige begrippen en gevoelens. Die haat tegen geloofsdwang, licht te verklaren by den zoon van ouderen die, om ’t geloof vervolgd, als bannelingen hadden rondgezworven, was niet weinig versterkt geworden door de gestrenge handelwijze, welke de heerschende party in 1619 zich—zoo op ’t gebied van den Staat als op dat der Kerk—veroorloofd had jegens mannen, voor wie hy met achting en eerbied vervuld was niet alleen, maar wier gevoelens voor een groot deel met de zijne zoo geheelschenen overeen te stemmen. Immers als voorstander van den vrede, wat Vondel reeds als jongeling was, toen hy nog de gevoelens der uit hun aart vredelievende Doopsgezinden aankleefde, en tot aan zijn laatste levensdagen bleef, moest hy zich wel ingenomen toonen met de party, die ’t sluiten van het Twaalfjarig Bestand had doorgedreven: en evenmin kon hy, als Lidmaat eener afgezonderde Gemeente, anders dan met afkeuring getuige zijn van de aanmatigingen der heerschende Kerk.—En, mochten al zijn toenmalige geloofsgenooten, als ware „Stillen in den Lande”, zich er by bepalen met over hetgeen gebeurde te treuren in de eenzame afzondering hunner binnenkamers, voor den levendigen, ja licht opbruischenden geest van den nu even dertigjarigen dichter moest het een behoefte zijn, zich, óf in roerende klachten over het ongelijk, zijnen vrienden aangedaan, en over het lijden, dat zy ondergaan moesten, óf in heftige uitvallen tegen hun vervolgers en onderdrukkers, lucht te geven.—Doch, het was niet zoo lang „Gommers recht” door de „stalen kling” van „mijn Heer den Prins getroost” werd, dat dergelijke uitingen van smart of van verontwaardiging zich in ’t openbaar zouden hebben kunnen wagen: ja reeds stak er gevaar in, ze binnen vertrouwelijke kringen aan beproefde vrienden te doen hooren.—Maar Maurits trad van het tooneel der waereld af: een milder staatkunde scheen het nieuwe Bestuur te zullen kenschetsen, en nu van allen schroom verlost, of liever, alle gevolgen tartende, trad Vondel met zijn klaag- en straf- en hekeldichten manmoedig te voorschijn. De lang onderdrukte gemoedsopwellingen hadden zich lucht gegeven, en, was het in ’t openbaar verschijnen van werken als „het Stockske van Oldenbarnevelt”, de „Geusen Vesper”, de„Weeghschael van Hollant”, en de „Palamedes” aan te merken als een gebeurtenis van hooge politieke beteekenis, het bracht te gelijker tijd het verbaasde Nederland tot de ontdekking, dat het in Vondel een dichter te begroeten had, even groot in elk der zoo uiteenloopende vakken, welke hy had aangegrepen, en wiens gelijke het tot dien tijd niet had bezeten.
En niet enkel zy, die met ’s mans begrippen instemden, moesten tot die overtuiging geraken: ook de tegenparty besefte het: zy voelde zich tot in haar binnenste gekwetst, en, ziedende van wraak, nam zy dat middel te baat, ’t welk immer een tegenovergestelde werking heeft dan er mede beoogd wordt: zy deed den schrijver de eer aan, hem te vervolgen. Een korte wijl hing onzen dichter het gevaar boven ’t hoofd,dat zijn vrijmoedig geschrijf hem den hals zoû kosten;—maar toen de geheele zaak op een onbeduidende boete uitliep, toen gevoelde hy, de kousewinkelier uit de Warmoesstraat, dat hy voortaan een macht was tegen over de Synodale party, en, fierder en krachtiger en bijtender dan ooit ging hy voort, haar met het zwaar geschut van zijn dichtelijken geest en met de puntige pylen van zijn satyriek en schalksch vernuft te bestooken.
Vondel had in het optreden van Frederik Hendrik den dageraad van een nieuw en gezegend tijdperk begroet. Hy zag in hem den man, die binnen ’t Land verdraagzaamheid zoû doen heerschen, en, door zijn krijgsbeleid, aan den vyand daar buiten den zoo gewenschten vrede af zoû dwingen. Het was dan ook geen vleiery, toen hy, in zijn „Princeliet”, in zijn „Oranje Mayliet”, hem met zijn hooge eerambten geluk wenschte en begroette, toen hy, kort daarna, by gelegenheid dat ’s Prinsen huwlijkskoets met een zoon gezegend werd, aan het vorstlijk echtpaar zijn heerlijken Geboortezang toezong: het was even min vleizucht, die hem achtereenvolgends zijn schoone, in toon en maat zoo geheel verscheiden Zegezangen ingaf op de verovering van Grol, van ’s Hertogenbosch en van Maastricht:—immers nooit was van den Prins een enkel gunstbewijs, een enkele gift, een enkel woord van dank of goedkeuring tot hem gekomen:—en, wat meer zegt en het sprekendst bewijs levert, hoezeer Vondels poëzy de uitstorting was van innig gevoel en oprechte overtuiging, zoodra hy begon te bespeuren, dat die vrede, naar welke hy zoo verlangd uitzag, voortaan meer door Spanje dan door den Stadhouder gewenscht werd, klonk de loftrompet voor dezen laatste niet langer, en strekte die uitsluitend tot viering en verheffing dier Amsterdamsche Regenten, wier wenschen en richting met de zijne overeenstemden. In 1837, gelijk later in 1831, was de juichtoon over behaalde lauweren algemeen door alle Vaderlanders aangeheven; doch zoo wel toen als later, waren eindelijk ook degene, die ’t zij Frederik Hendrik, ’t zij Koning Willem den Eerste ’t luidst geprezen en aangemoedigd hadden, het stelsel van volharding moede geworden, ja begonnen het aan te merken als doodelijk voor ’s Lands belangen. Van daar dan ook, dat, noch in den „Getemden Mars”, noch in de „Leeuwendalers”, noch in eenig ander dichtstuk, door Vondel ter viering van den vrede van 1648 vervaardigd, een enkele toon meer voorkomt ter eere van onze helden, of ter waardeering van den roem, in tachtig jaren strijds door hen verworven:—neen, enkel dank- en jubeltoonen over het ophoudenvan den krijg, over de zegeningen, van den vrede te verwachten.
Het is die grondtoon „Vrede! Vrede!” in al de gedichten van Vondel herklinkende, waaruit zich alleen het feit verklaren laat, dat hy, en toen en tot aan zijn einde toe, by voortduring de dichterlijke tolk bleef der gevoelens van de Amsterdamsche Regering:—en zulks in weêrwil van de menigvuldige oorzaken, die schijnbaar tot geheel andere gevolgen hadden moeten leiden. Immers sedert 1640 had Vondel uit overtuiging de leer der Roomsgezinden omhelsd, en met den yver eens jeugdigen bekeerlings, maar tevens met de geleerdheid van een belezen theoloog, de beginselen dier leer verdedigd in uitgebreide dichtwerken, even zeer uitmuntende door poëetischen gloed en schildering, als door scherpzinnige dialektiek:—immers was, van dat tijdstip af, in Vondel de Zuidnederlander meer dan vroeger ontwaakt, de Zuidnederlander, met zijn Katholyke strekkingen en verzuchtingen, met zijn artistiek gevoel, zijn gehechtheid aan legenden, aan overleveringen, aan kerkplechtigheden en ceremoniën:—immers was hy met hart en ziel een voorstander en verdediger geworden van het Goddelijk recht der vorsten en had hy de afzwering van Filips als een misdaad leeren veroordeelen en als een misslag betreuren:—immers was er tusschen hem, den nu verarmden en nederigen burgerman, die noch tot de heerschende Kerk behoorde, noch zelfs het poortrecht in de stad zijner inwoning bezat, en het nakroost zijner voormalige medebroeders in de Rederijkkamers—dat nakroost, ’t welk thands, oppermachtig
Gezeten op het schild met kruyssen overladen,
Gezeten op het schild met kruyssen overladen,
aan Koningen de wet voorschreef—een maatschappelijke verwijdering, een kloof ontstaan, van hoedanig eene latere eeuwen geen voorbeeld kunnen aanwijzen.—En toch in weêrwil van dat alles bleef de Paus- en Konings- en Spaansgezinde artistieke burgerman tot aan zijn dood de getrouwe bondgenoot en medestrijder van de gereformeerde, aristokratische, materiëele Amsterdamsche Regering, met wier staatkunde, met wier belangen, met wier denkwijze, met wier lief en leed hy zich als vereenzelvigde, ja zoo zelfs, dat hy er op ’t laatst zijn zoo innige, door zoo veel gloeiende gedichten bewezen liefde voor ’t Huis der Stuarden aan ten offer bracht:—Maar die Regenten waren tegen de vermeerdering van ’t krijgsvolk, als hy: tegen de aanwassende macht des Stadhouders, als hy: tegen al wat het oorlogvoeren bevorderen kon, als hy:en van den anderen kant stonden zy die verdraagzaamheid voor, welke hy steeds gepredikt had voor anderen, en nu ook voor zich en zijn geloofsgenooten behoefde:—en hierin zoeke men de oplossing van een raadsel, dat anders onverklaarbaar schijnen zoû.
Misschien was er nog een andere reden, die Vondel aan de Amsterdamsche Regenten deed hechten, namelijk zijn gehechtheid aan Amsterdam. Vondel was, wy herhalen het, meer Zuidnederlander dan Hollander: hy gevoelde zich t’huis te Antwerpen, te Brugge, te Brussel, plaatsen, meer dan eens door hem bezocht, beter dan te Rotterdam, te Delft of te ’s Gravenhage, in welke steden het nog de vraag is of hy wel ooit een voet gezet heeft. Maar Vondel was en bleef Amsterdammer. In Amsterdam had hy van jongs af gewoond: hy had er geld verdiend en verloren: hy had er lief en leed gekend, er dierbare panden in de wieg gezien en ten grave gebracht: hy had er glorie en miskenning ondervonden: en by dat alles hy had de stad zien worden wat zy was, de groote en machtige, die, gelijk hy ’t uitdrukte,
Als Keyzerin de kroon droegh van Europe.
Als Keyzerin de kroon droegh van Europe.
Al die wonderen, die met en uit het tijdvak dat wy beschrijven binnen haar muren waren gerezen, die heerlijke driedubbele gordel van prachtige kaaien, dat Stadhuis, als een achtste waereldwonder gevierd, dat Zeemagazijn met zijn trotsche werven, die ter weêrszijde uitgestrekte armen, door de Bikkers en Reaelen-eilanden aan de eene en Katten- met Wittenburg aan de andere zijde gevormd, die het Y omhelsden, die talrijke godshuizen, die Beurzen en marktplaatsen, dat alles had Vondel zien ontstaan en in schitterende vaerzen bezongen: het had stof aan zijn lier en zijn lier had er wederkeerig vermaardheid aan geschonken: kon het anders, of hy moest liefde gevoelen voor die waereldstad, zoo rijk, zoo welvarend, zoo prachtig, zoo schoon als er toen geene bestond, en zoo als wy haar thands ons, zonder zijn beschrijvingen, naauwlijks meer zouden kunnen voorstellen?
Intusschen, juist aan dat eigenaardig karakter van Katholyk, Zuid-Nederlander en Amsterdammer tevens, waardoor Vondel zich onderscheidde, is het waarschijnlijk toe te schrijven, dat zijn invloed op onze taal en letterkunde niet zoo algemeen en bestendig was als men dien zoû hebben moeten verwachten. Wel moest die zuivere frischheid van taal, die ronding en losheid van altijd goed samengeschakelde, altijd geleidelijk afloopende perioden, die gelukkige keus van beelden enuitdrukkingen, die naauwkeurigheid in ’t vermijden van bastertwoorden, welke wy by hem, niet als by Hooft of de Groot door een vernuftige, doch vaak gezochte en gekunstelde overzetting, maar door een inheemsch woord van gelijke gehalte, vervangen zien, die Nederduitsche stijl in een woord, waardoor hy niet enkel zijn voorgangers en tijdgenooten, maar al wie na hem gekomen is, te boven streeft—wel moest, zeggen wy, dat alles in wie met fijn gevoel en kieschen smaak bedeeld was en er zijn werk van maakte ze te bestudeeren, hooge bewondering opwekken, en daarby ook zucht om zoo schitterend een voorbeeld na te volgen—en dit was dan ook met mannen als de Huydecopers en Bilderdijken het geval;—maar de groote hoop bleef met de schatten, in Vondels gedichten verzameld, onbekend. De meerderheid onder hen, die in de voormalige Republiek de letterkunde beoefenden of werken van smaak lazen, behoorde tot de Onroomschen: zy gevoelde zich afgeschrikt door de tytels zelve van sommige van Vondels werken en door de Katholyke kleur der meesten, en nam ze daarom zelden ter hand:—en, wat erger was, reeds in de laatste jaren van Vondels leven was de Fransche letterkunde, zoo als die door Rotrou en Corneille, en nu ook eerlang door Racine en Boileau was hervormd, in Holland bekend geraakt: de gegeven voorbeelden en voorschriften hadden vertalers, bewonderaars, navolgers, gevonden: al spoedig hadden alle oogen zich van hier by voorkeur naar Frankrijk leeren wenden, om aldaar uitsluitend lessen van smaak en beschaving te zoeken. En zoo gebeurde het, dat Vondel, door velen alleen op goed geloof nog geprezen, door anderen uit onkunde of vooroordeel miskend, door maar zeer enkelen naar waarde geschat, in geen opzicht waarlijk populair werd en naauwlijks anders meer dan als de auteur van „Gysbreght van Aemstel” bekend bleef.
Die dagen van blinde vooringenomenheid met een enkele Letterkunde zijn gelukkig voorby. Hoe oprecht wy ook nu nog de verdiensten huldigen van de groote geniën uit de eeuw van Lodewijk XIV, wy sluiten niet langer de oogen voor den glans, die ons ook van elders tegenstroomt. Wy beschouwen niet langer, gelijk men hier ten lande in ’t begin dezer eeuw nog deed, Shakspere en Schiller als barbaren, wier onklassische kunstgewrochten, even als die van den ouden Ennius, niet dan enkele paljetten vertoonen, die ons uit een vuilen mesthoop tegenflikkeren. Maar wanneer wy, en te recht, de zoo lang miskende Barden vanGroot Brittanje en Duitschland in den rang en de eer, die hun toekomt, herstellen, dan voegt het ons Nederlanders, ook de schatten niet ongeächt en ongebruikt te laten liggen, die wy op eigen bodem bezitten. Daarom ook te dezen opzichte elk nog bestaand vooroordeel afgeschud, en—het kan niet genoeg worden toegeroepen aan al wie zijn taal en stijl verlangt te vormen of te beschaven—Vondel gelezen en herlezen. Ik roep het u toe, jongeling! die u tot dichten voelt opgewekt, doch de geheimenissen van maat en rijm nog niet genoeg hebt leeren doorgronden: laat Vondel daarin uw onderwijzer zijn: geen beter gids enleidsmankunt gy vinden.—Niet, dat ik de verdiensten van Bilderdijk verkleinen of dezen beneden Vondel stellen zoû; maar hoe verbasend groot als dichter en taalbeheerscher Bilderdijk ook zijn moge, juist zijn onnavolgbaarheid maakt het gevaarlijk, met hem aan te vangen. Wie onbedacht en nog niet genoeg met den aart en de eigenschappen onzer taal bekend, zich, als hy, durft wagen aan dat samenkoppelen en smeden van woorden, ’t welk hy zoo meesterlijk verstond, loopt al ras gevaar, onverstaanbaar, zoo niet belachlijk, te worden, en het zoû ons, ter staving van dit beweeren, geenszins aan voorbeelden ontbreken. Neen, tot de studie, ja (voegen wy er met warmte by) tot de aanhoudende studie van Bilderdijk begeve zich de toekomstige dichter niet vroeger, dan wanneer hy door de studie van Vondel gevormd is. Niet anders zal hy, die de Latijnsche muze wil leeren beoefenen of slechts waardeeren, met Nazo en Tibullus beginnen, eer hy zich tot het lezen van Maro of Flakkus begeeft.
Maar ook gy, die zonder u in de hooge sfeeren der poëzy te willen wagen, er prijs op stelt, een zuiver, klaar, gekuischt en logisch Nêerduitsch te schrijven, bevrijd van die spraakwendingen, welke ook de beste hedendaagsche schrijvers, ten gevolge hunner gewoonte om Engelsch, Fransch of Hoogduitsch te lezen, maar al te dikwerf en doorgaands onwillekeurig van elders overnemen, leert van Vondel uw moedertaal gebruiken: van hem den rijkdom kennen, dien zy aanbiedt, van hem, nooit verlegen te zijn met de keus der uitdrukkingen die gy behoeft, met de schikking van woorden en volzinnen, met de vormen van betoog en perioden. Of gy dan immer cierlijk zult leeren schrijven, dat zal alleen afhangen van de meerdere of mindere mate van vernuft, waarmede gy bedeeld zijt; maar gy zult althands de hoofdeigenschap machtig worden, die een schrijver behoort te kenmerken: die namelijk, van u, in uw moedertaal, verstaanbaar uit te drukken.