JAN EVERTSEN.Was er immer een geslacht, dat zich op zee beroemd maakte en den dank van ’t Vaderland verdiende, het is dat der Evertsens. De man, wiens naam aan het hoofd van deze schets gelezen wordt, was niet de eerste noch zou de laatste uit dat geslacht zijn, die zich door luisterrijke daden, als scheeps- of zeevoogd onderscheidde; doch zoo hy by voorkeur in deze galery een plaats heeft bekomen, ’t is niet alleen omdat de meesten zijner naamgenooten tot een vroeger of tot een later tijdvak behooren dan het door ons behandelde, maar ook omdat hy door tal van heldenfeiten boven allen uitmunt. Zijn vader, als hy genoemd, was den dood voor ’t Vaderland gestorven: hy zelf, in 1600 geboren, en reeds vroeg in zeedienst getreden, gebood in 1636 als Kommandeur een viertal oorlogsvaartuigen, die in last hadden, de koopvaardyvloot naar Frankrijk te geleiden. Eenige koopvaarders, wellicht belust, om, door vroeger dan de overigen ter bestemmingsplaatse te zijn, hun lading met meer voordeel te slijten, waren zonder konvooi vooruitgezeild. Dit was den Duinkerkers ter oore gekomen, en de wakkere Amiraal Jacques Collaert, mede tot een geslacht behoorende, welks leden zich op zee beroemd hadden gemaakt, was met drie welbemande schepen afgezonden om den onbeveiligden buit prijs te maken. Op den 10enFebruary klampte hy de koopvaarders aan boord, en zoû die met zich gevoerd hebben, toen Evertsen, die, van de begane onvoorzichtigheid onderricht, onmiddelijk was afgezeild om er de gevolgen van te voorkomen, de bedreigde vaartuigen te hulp kwam. Joost van der Trappen, gezegd Banckert—van welken naam er op dat tijdstip vier in dienst van den Staat waren—en nog twee andere Kapiteins vergezelden hem. Na een hevig gevecht van vijf uren, op de hoogte van Dieppe geleverd, werd een derDuinkerkers in den grond geboord, en het derde, waarop zich Collaert met zijn Vice-Amiraal Matthijs Rombouts bevond, zoo heftig door de beide Zeeuwsche Bevelhebbers beschoten, dat Collaert reeds op het punt was, zich in de lucht te laten springen; maar zijn schip was vast geraakt, had reeds water in en ging met twee honderd man te gronde. Honderd vijftig anderen werden met de beide Bevelhebbers gevankelijk te Vlissingen opgebracht.Jan Evertsen.Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Jan Evertsen.In het volgende jaar tot Vice-Amiraal van Zeeland benoemd, deelde Evertsen op den 21stenOctober 1639 in de glorie, by Duins behaald. Aan hem was de eervolle taak opgedragen, den kamp te wagen met het reusachtige monsterschip van den Amiraal van Portugal, de Mater Teresa. Zoo stevig gebouwd was dit zeegevaarte, en zoo dik van bekleeding, dat de kogels, daarop afgezonden, even weinig uitwerking deden als de ganzenhagel hebben zoû op den huid van een olifant,—en evenmin bestond er mogelijkheid, een schip te enteren, dat zich zoo hoog verhief boven de overige vaartuigen en door een bemanning van twaalfhonderd kloeke zeelieden verdedigd werd. En toch wist Evertsen zijn vervaarlijken tegenstander zoo lang bezig te houden, tot dat hy hulp bekwam van Van Galen en daarna van Musch, aan wiens branders het gelukte, het zeekasteel te vernielen. Maar niet voldaan met een roem, welken hy met anderen gedeeld had, vervolgde en achterhaalde Evertsen de nu uit Duins gejaagde Spanjaarts: en het mocht hem gelukken, niet minder dan negen hunner schepen, waaronder zes Galjoenen, te bemachtigen en in Zeeland binnen te brengen.Drie jaren later, in 1642, onderscheidde hy zich op nieuw, door een drietal Hollandsche koopvaarders aan de Duinkerkers, die ze buit gemaakt hadden, weder te ontnemen, en, zoo de kaperyen op de Vlaamsche kusten gedurende de laatste jaren van Frederik Hendriks bestuur minder talrijk waren dan voorheen, het was grootendeels aan de waakzaamheid van Jan Evertsen en aan den schrik, welken hy inboezemde, dat men zulks te danken had.In 1652—om van tochten en oorlogsfeiten van mindere beteekenis niet te gewagen—was Evertsen tegenwoordig by den scheepstrijd, tusschen Tromp en Blake by Doever geleverd, en op den 10denDecember van dat zelfde jaar, was het in een tweeden slag tusschen die zelfde beide zeehelden, dat, vooral ten gevolge van zijn mannelijk gedrag, de overwinning zich voor de onzen verklaarde.Geen minderen roem verwierf hy zich in ’t volgende jaar, toen in de Hoofden, drie dagen lang—van 28 February tot 2 Maart—nogmaals tusschen de genoemde Zeevoogden slag geleverd werd; en glansrijk werd het gedrag, door hem te dier gelegenheid gehouden, zoo door Hun Hoog Mogenden, als door de Staten van Holland erkend. Nog in datzelfde jaar gaf hy herhaalde bewijzen zijner dapperheid, op den 12denJuny, in den zeeslag voor Nieuwpoort, daags daarna in dien voor Duinkerken, als ook by Katwijk en ter Heide: in welken laatsten strijd Tromp sneuvelde, en het schip, waarop Evertsen zich bevond, zoo reddeloos geschoten werd, dat hy genoodzaakt was, zich naar de Maas te laten sleepen.Het was alleen de omstandigheid, dat hy een Zeeuw was niet alleen, maar ook tot de Amiraliteit van Zeeland behoorde, dat onzen held de miskenning te beurt viel, welke hem trof, toen het opperbevel, waarop, na het overlijden van Tromp, niemand betere en meer gegronde aanspraken had kunnen maken dan hy, hem niet gegund werd. ’t Is waar, hy zag zich geen zijner krijgsmakkers voorgetrokken; want de nieuwe Luitenant-Amiraal, de Heer van Wassenaer, had nimmer ter zee gediend; maar de zonderlinge politiek, toen door het Staatsbestuur gevoerd, waardoor mannen, die hun leven aan boord en in ’t heetst der zeegevaren hadden doorgebracht, voortaan moesten gehoorzamen aan iemand, die, hoe bekwaam en moedig ook, toch niet de minste ondervinding bezat, was niet geschikt om een gunstigen indruk by de oude strijdgenooten van Piet Hein en Tromp te maken: en de uitkomst leerde dan ook, dat hun ergernis niet onbillijk, en hun bezorgdheid voor ’s Lands eer niet zonder grond was.Eenige vergoeding voor de ontfangen te-leur-stelling mocht Evertsen ondervinden, doordien hy in 1664—ware het dan ook spade—werd aangesteld tot Luitenant-Amiraal van Zeeland. En toch, het scheen, of die vergoeding alleen moest strekken om hem nog dieper kwellingen aan te doen. Immers, in ’t volgende jaar, onder Wassenaer, dien beroemden slag gestreden hebbende, waarby deze door zijn eigen kruit in de lucht sprong en, ten gevolge van den verkeerden geest die by de vloot heerschte, onze zeemacht de meest volkomen neêrlaag leed, welke zy immer ondervond, werd hy, de grijze krijgsheld, die een der weinigen was geweest onder hen, die de eer der vlag gehandhaafd hadden, by zijn terugkomst, door ’t gepeupel in den Briel gescholden, van flaauwhartigheidbeticht, aangerand, in ’t water gesmeten. Nog in tijds werd hy gered; maar geen wonder was het, dat hy, na dat zelfs een nadrukkelijk schrijven der Staten van Zeeland aan de Staten-Generaal niet de uitwerking gehad had, dat hem behoorlijke voldoening voor ’t gegeven onrecht werd gegeven, zich voor een tijd lang, zelfs met goedvinden der Staten van zijn Gewest, aan den dienst onttrok. Zijn jongere broeder, de niet minder dappere Cornelis Evertsen, werd in zijne plaats tot Luitenant-Amiraal benoemd, doch sneuvelde reeds in ’t volgende jaar 1666. Toen bood Jan Evertsen nogmaals aan ’t Vaderland zijn diensten aan, er den wensch byvoegende, dat hy, even als zijn vader, als een zijner zonen, als vier zijner broederen, ten nutte van ’t Gemeenebest, op het bed van eer mocht sterven. Dit aanbod was des te edelmoediger, om dat Evertsen vooraf wist, dat hy nu zoû komen te staan onder ’t bevel van een Vlootvoogd, die, jonger officier dan hy, te voren een rang beneden den zijnen had bekleed, die mede een Zeeuw was, hoezeer dan onder de Amiraliteit van Amsterdam staande. ’t Is waar, die Vlootvoogd was Michiel Adriaensz. de Ruyter, en zelfs een Evertsen achtte het geen vernedering, diens bevelen te volgen. ’t Was echter in hooger raad beschikt, dat de tocht, welken onze held nu volbrengen ging, zijn laatste wezen zoû. In den noodlottigen zeeslag van 4 Augustus 1666 werd hem reeds by het eerste treffen het been door een kogel weggenomen, ten gevolge waarvan hy kort daarop overleed. By besluit der Staten van Zeeland van 19 Augustus werd hy plechtstatig ter aarde besteld en op het praalgraf in de Sint Pieters Kerk te Middelburg, dat zijn overschot en dat van zijn broeder Cornelis besluit, hun beider afbeelding in marmer uitgehouwen. Voorts werd ’s Vaders nagedachtenis in den zoon vereerd, en deze, onder buitengewoon gunstige voorwaarden, tot Vice-Amiraal bevorderd.
JAN EVERTSEN.Was er immer een geslacht, dat zich op zee beroemd maakte en den dank van ’t Vaderland verdiende, het is dat der Evertsens. De man, wiens naam aan het hoofd van deze schets gelezen wordt, was niet de eerste noch zou de laatste uit dat geslacht zijn, die zich door luisterrijke daden, als scheeps- of zeevoogd onderscheidde; doch zoo hy by voorkeur in deze galery een plaats heeft bekomen, ’t is niet alleen omdat de meesten zijner naamgenooten tot een vroeger of tot een later tijdvak behooren dan het door ons behandelde, maar ook omdat hy door tal van heldenfeiten boven allen uitmunt. Zijn vader, als hy genoemd, was den dood voor ’t Vaderland gestorven: hy zelf, in 1600 geboren, en reeds vroeg in zeedienst getreden, gebood in 1636 als Kommandeur een viertal oorlogsvaartuigen, die in last hadden, de koopvaardyvloot naar Frankrijk te geleiden. Eenige koopvaarders, wellicht belust, om, door vroeger dan de overigen ter bestemmingsplaatse te zijn, hun lading met meer voordeel te slijten, waren zonder konvooi vooruitgezeild. Dit was den Duinkerkers ter oore gekomen, en de wakkere Amiraal Jacques Collaert, mede tot een geslacht behoorende, welks leden zich op zee beroemd hadden gemaakt, was met drie welbemande schepen afgezonden om den onbeveiligden buit prijs te maken. Op den 10enFebruary klampte hy de koopvaarders aan boord, en zoû die met zich gevoerd hebben, toen Evertsen, die, van de begane onvoorzichtigheid onderricht, onmiddelijk was afgezeild om er de gevolgen van te voorkomen, de bedreigde vaartuigen te hulp kwam. Joost van der Trappen, gezegd Banckert—van welken naam er op dat tijdstip vier in dienst van den Staat waren—en nog twee andere Kapiteins vergezelden hem. Na een hevig gevecht van vijf uren, op de hoogte van Dieppe geleverd, werd een derDuinkerkers in den grond geboord, en het derde, waarop zich Collaert met zijn Vice-Amiraal Matthijs Rombouts bevond, zoo heftig door de beide Zeeuwsche Bevelhebbers beschoten, dat Collaert reeds op het punt was, zich in de lucht te laten springen; maar zijn schip was vast geraakt, had reeds water in en ging met twee honderd man te gronde. Honderd vijftig anderen werden met de beide Bevelhebbers gevankelijk te Vlissingen opgebracht.Jan Evertsen.Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Jan Evertsen.In het volgende jaar tot Vice-Amiraal van Zeeland benoemd, deelde Evertsen op den 21stenOctober 1639 in de glorie, by Duins behaald. Aan hem was de eervolle taak opgedragen, den kamp te wagen met het reusachtige monsterschip van den Amiraal van Portugal, de Mater Teresa. Zoo stevig gebouwd was dit zeegevaarte, en zoo dik van bekleeding, dat de kogels, daarop afgezonden, even weinig uitwerking deden als de ganzenhagel hebben zoû op den huid van een olifant,—en evenmin bestond er mogelijkheid, een schip te enteren, dat zich zoo hoog verhief boven de overige vaartuigen en door een bemanning van twaalfhonderd kloeke zeelieden verdedigd werd. En toch wist Evertsen zijn vervaarlijken tegenstander zoo lang bezig te houden, tot dat hy hulp bekwam van Van Galen en daarna van Musch, aan wiens branders het gelukte, het zeekasteel te vernielen. Maar niet voldaan met een roem, welken hy met anderen gedeeld had, vervolgde en achterhaalde Evertsen de nu uit Duins gejaagde Spanjaarts: en het mocht hem gelukken, niet minder dan negen hunner schepen, waaronder zes Galjoenen, te bemachtigen en in Zeeland binnen te brengen.Drie jaren later, in 1642, onderscheidde hy zich op nieuw, door een drietal Hollandsche koopvaarders aan de Duinkerkers, die ze buit gemaakt hadden, weder te ontnemen, en, zoo de kaperyen op de Vlaamsche kusten gedurende de laatste jaren van Frederik Hendriks bestuur minder talrijk waren dan voorheen, het was grootendeels aan de waakzaamheid van Jan Evertsen en aan den schrik, welken hy inboezemde, dat men zulks te danken had.In 1652—om van tochten en oorlogsfeiten van mindere beteekenis niet te gewagen—was Evertsen tegenwoordig by den scheepstrijd, tusschen Tromp en Blake by Doever geleverd, en op den 10denDecember van dat zelfde jaar, was het in een tweeden slag tusschen die zelfde beide zeehelden, dat, vooral ten gevolge van zijn mannelijk gedrag, de overwinning zich voor de onzen verklaarde.Geen minderen roem verwierf hy zich in ’t volgende jaar, toen in de Hoofden, drie dagen lang—van 28 February tot 2 Maart—nogmaals tusschen de genoemde Zeevoogden slag geleverd werd; en glansrijk werd het gedrag, door hem te dier gelegenheid gehouden, zoo door Hun Hoog Mogenden, als door de Staten van Holland erkend. Nog in datzelfde jaar gaf hy herhaalde bewijzen zijner dapperheid, op den 12denJuny, in den zeeslag voor Nieuwpoort, daags daarna in dien voor Duinkerken, als ook by Katwijk en ter Heide: in welken laatsten strijd Tromp sneuvelde, en het schip, waarop Evertsen zich bevond, zoo reddeloos geschoten werd, dat hy genoodzaakt was, zich naar de Maas te laten sleepen.Het was alleen de omstandigheid, dat hy een Zeeuw was niet alleen, maar ook tot de Amiraliteit van Zeeland behoorde, dat onzen held de miskenning te beurt viel, welke hem trof, toen het opperbevel, waarop, na het overlijden van Tromp, niemand betere en meer gegronde aanspraken had kunnen maken dan hy, hem niet gegund werd. ’t Is waar, hy zag zich geen zijner krijgsmakkers voorgetrokken; want de nieuwe Luitenant-Amiraal, de Heer van Wassenaer, had nimmer ter zee gediend; maar de zonderlinge politiek, toen door het Staatsbestuur gevoerd, waardoor mannen, die hun leven aan boord en in ’t heetst der zeegevaren hadden doorgebracht, voortaan moesten gehoorzamen aan iemand, die, hoe bekwaam en moedig ook, toch niet de minste ondervinding bezat, was niet geschikt om een gunstigen indruk by de oude strijdgenooten van Piet Hein en Tromp te maken: en de uitkomst leerde dan ook, dat hun ergernis niet onbillijk, en hun bezorgdheid voor ’s Lands eer niet zonder grond was.Eenige vergoeding voor de ontfangen te-leur-stelling mocht Evertsen ondervinden, doordien hy in 1664—ware het dan ook spade—werd aangesteld tot Luitenant-Amiraal van Zeeland. En toch, het scheen, of die vergoeding alleen moest strekken om hem nog dieper kwellingen aan te doen. Immers, in ’t volgende jaar, onder Wassenaer, dien beroemden slag gestreden hebbende, waarby deze door zijn eigen kruit in de lucht sprong en, ten gevolge van den verkeerden geest die by de vloot heerschte, onze zeemacht de meest volkomen neêrlaag leed, welke zy immer ondervond, werd hy, de grijze krijgsheld, die een der weinigen was geweest onder hen, die de eer der vlag gehandhaafd hadden, by zijn terugkomst, door ’t gepeupel in den Briel gescholden, van flaauwhartigheidbeticht, aangerand, in ’t water gesmeten. Nog in tijds werd hy gered; maar geen wonder was het, dat hy, na dat zelfs een nadrukkelijk schrijven der Staten van Zeeland aan de Staten-Generaal niet de uitwerking gehad had, dat hem behoorlijke voldoening voor ’t gegeven onrecht werd gegeven, zich voor een tijd lang, zelfs met goedvinden der Staten van zijn Gewest, aan den dienst onttrok. Zijn jongere broeder, de niet minder dappere Cornelis Evertsen, werd in zijne plaats tot Luitenant-Amiraal benoemd, doch sneuvelde reeds in ’t volgende jaar 1666. Toen bood Jan Evertsen nogmaals aan ’t Vaderland zijn diensten aan, er den wensch byvoegende, dat hy, even als zijn vader, als een zijner zonen, als vier zijner broederen, ten nutte van ’t Gemeenebest, op het bed van eer mocht sterven. Dit aanbod was des te edelmoediger, om dat Evertsen vooraf wist, dat hy nu zoû komen te staan onder ’t bevel van een Vlootvoogd, die, jonger officier dan hy, te voren een rang beneden den zijnen had bekleed, die mede een Zeeuw was, hoezeer dan onder de Amiraliteit van Amsterdam staande. ’t Is waar, die Vlootvoogd was Michiel Adriaensz. de Ruyter, en zelfs een Evertsen achtte het geen vernedering, diens bevelen te volgen. ’t Was echter in hooger raad beschikt, dat de tocht, welken onze held nu volbrengen ging, zijn laatste wezen zoû. In den noodlottigen zeeslag van 4 Augustus 1666 werd hem reeds by het eerste treffen het been door een kogel weggenomen, ten gevolge waarvan hy kort daarop overleed. By besluit der Staten van Zeeland van 19 Augustus werd hy plechtstatig ter aarde besteld en op het praalgraf in de Sint Pieters Kerk te Middelburg, dat zijn overschot en dat van zijn broeder Cornelis besluit, hun beider afbeelding in marmer uitgehouwen. Voorts werd ’s Vaders nagedachtenis in den zoon vereerd, en deze, onder buitengewoon gunstige voorwaarden, tot Vice-Amiraal bevorderd.
JAN EVERTSEN.
Was er immer een geslacht, dat zich op zee beroemd maakte en den dank van ’t Vaderland verdiende, het is dat der Evertsens. De man, wiens naam aan het hoofd van deze schets gelezen wordt, was niet de eerste noch zou de laatste uit dat geslacht zijn, die zich door luisterrijke daden, als scheeps- of zeevoogd onderscheidde; doch zoo hy by voorkeur in deze galery een plaats heeft bekomen, ’t is niet alleen omdat de meesten zijner naamgenooten tot een vroeger of tot een later tijdvak behooren dan het door ons behandelde, maar ook omdat hy door tal van heldenfeiten boven allen uitmunt. Zijn vader, als hy genoemd, was den dood voor ’t Vaderland gestorven: hy zelf, in 1600 geboren, en reeds vroeg in zeedienst getreden, gebood in 1636 als Kommandeur een viertal oorlogsvaartuigen, die in last hadden, de koopvaardyvloot naar Frankrijk te geleiden. Eenige koopvaarders, wellicht belust, om, door vroeger dan de overigen ter bestemmingsplaatse te zijn, hun lading met meer voordeel te slijten, waren zonder konvooi vooruitgezeild. Dit was den Duinkerkers ter oore gekomen, en de wakkere Amiraal Jacques Collaert, mede tot een geslacht behoorende, welks leden zich op zee beroemd hadden gemaakt, was met drie welbemande schepen afgezonden om den onbeveiligden buit prijs te maken. Op den 10enFebruary klampte hy de koopvaarders aan boord, en zoû die met zich gevoerd hebben, toen Evertsen, die, van de begane onvoorzichtigheid onderricht, onmiddelijk was afgezeild om er de gevolgen van te voorkomen, de bedreigde vaartuigen te hulp kwam. Joost van der Trappen, gezegd Banckert—van welken naam er op dat tijdstip vier in dienst van den Staat waren—en nog twee andere Kapiteins vergezelden hem. Na een hevig gevecht van vijf uren, op de hoogte van Dieppe geleverd, werd een derDuinkerkers in den grond geboord, en het derde, waarop zich Collaert met zijn Vice-Amiraal Matthijs Rombouts bevond, zoo heftig door de beide Zeeuwsche Bevelhebbers beschoten, dat Collaert reeds op het punt was, zich in de lucht te laten springen; maar zijn schip was vast geraakt, had reeds water in en ging met twee honderd man te gronde. Honderd vijftig anderen werden met de beide Bevelhebbers gevankelijk te Vlissingen opgebracht.Jan Evertsen.Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Jan Evertsen.In het volgende jaar tot Vice-Amiraal van Zeeland benoemd, deelde Evertsen op den 21stenOctober 1639 in de glorie, by Duins behaald. Aan hem was de eervolle taak opgedragen, den kamp te wagen met het reusachtige monsterschip van den Amiraal van Portugal, de Mater Teresa. Zoo stevig gebouwd was dit zeegevaarte, en zoo dik van bekleeding, dat de kogels, daarop afgezonden, even weinig uitwerking deden als de ganzenhagel hebben zoû op den huid van een olifant,—en evenmin bestond er mogelijkheid, een schip te enteren, dat zich zoo hoog verhief boven de overige vaartuigen en door een bemanning van twaalfhonderd kloeke zeelieden verdedigd werd. En toch wist Evertsen zijn vervaarlijken tegenstander zoo lang bezig te houden, tot dat hy hulp bekwam van Van Galen en daarna van Musch, aan wiens branders het gelukte, het zeekasteel te vernielen. Maar niet voldaan met een roem, welken hy met anderen gedeeld had, vervolgde en achterhaalde Evertsen de nu uit Duins gejaagde Spanjaarts: en het mocht hem gelukken, niet minder dan negen hunner schepen, waaronder zes Galjoenen, te bemachtigen en in Zeeland binnen te brengen.Drie jaren later, in 1642, onderscheidde hy zich op nieuw, door een drietal Hollandsche koopvaarders aan de Duinkerkers, die ze buit gemaakt hadden, weder te ontnemen, en, zoo de kaperyen op de Vlaamsche kusten gedurende de laatste jaren van Frederik Hendriks bestuur minder talrijk waren dan voorheen, het was grootendeels aan de waakzaamheid van Jan Evertsen en aan den schrik, welken hy inboezemde, dat men zulks te danken had.In 1652—om van tochten en oorlogsfeiten van mindere beteekenis niet te gewagen—was Evertsen tegenwoordig by den scheepstrijd, tusschen Tromp en Blake by Doever geleverd, en op den 10denDecember van dat zelfde jaar, was het in een tweeden slag tusschen die zelfde beide zeehelden, dat, vooral ten gevolge van zijn mannelijk gedrag, de overwinning zich voor de onzen verklaarde.Geen minderen roem verwierf hy zich in ’t volgende jaar, toen in de Hoofden, drie dagen lang—van 28 February tot 2 Maart—nogmaals tusschen de genoemde Zeevoogden slag geleverd werd; en glansrijk werd het gedrag, door hem te dier gelegenheid gehouden, zoo door Hun Hoog Mogenden, als door de Staten van Holland erkend. Nog in datzelfde jaar gaf hy herhaalde bewijzen zijner dapperheid, op den 12denJuny, in den zeeslag voor Nieuwpoort, daags daarna in dien voor Duinkerken, als ook by Katwijk en ter Heide: in welken laatsten strijd Tromp sneuvelde, en het schip, waarop Evertsen zich bevond, zoo reddeloos geschoten werd, dat hy genoodzaakt was, zich naar de Maas te laten sleepen.Het was alleen de omstandigheid, dat hy een Zeeuw was niet alleen, maar ook tot de Amiraliteit van Zeeland behoorde, dat onzen held de miskenning te beurt viel, welke hem trof, toen het opperbevel, waarop, na het overlijden van Tromp, niemand betere en meer gegronde aanspraken had kunnen maken dan hy, hem niet gegund werd. ’t Is waar, hy zag zich geen zijner krijgsmakkers voorgetrokken; want de nieuwe Luitenant-Amiraal, de Heer van Wassenaer, had nimmer ter zee gediend; maar de zonderlinge politiek, toen door het Staatsbestuur gevoerd, waardoor mannen, die hun leven aan boord en in ’t heetst der zeegevaren hadden doorgebracht, voortaan moesten gehoorzamen aan iemand, die, hoe bekwaam en moedig ook, toch niet de minste ondervinding bezat, was niet geschikt om een gunstigen indruk by de oude strijdgenooten van Piet Hein en Tromp te maken: en de uitkomst leerde dan ook, dat hun ergernis niet onbillijk, en hun bezorgdheid voor ’s Lands eer niet zonder grond was.Eenige vergoeding voor de ontfangen te-leur-stelling mocht Evertsen ondervinden, doordien hy in 1664—ware het dan ook spade—werd aangesteld tot Luitenant-Amiraal van Zeeland. En toch, het scheen, of die vergoeding alleen moest strekken om hem nog dieper kwellingen aan te doen. Immers, in ’t volgende jaar, onder Wassenaer, dien beroemden slag gestreden hebbende, waarby deze door zijn eigen kruit in de lucht sprong en, ten gevolge van den verkeerden geest die by de vloot heerschte, onze zeemacht de meest volkomen neêrlaag leed, welke zy immer ondervond, werd hy, de grijze krijgsheld, die een der weinigen was geweest onder hen, die de eer der vlag gehandhaafd hadden, by zijn terugkomst, door ’t gepeupel in den Briel gescholden, van flaauwhartigheidbeticht, aangerand, in ’t water gesmeten. Nog in tijds werd hy gered; maar geen wonder was het, dat hy, na dat zelfs een nadrukkelijk schrijven der Staten van Zeeland aan de Staten-Generaal niet de uitwerking gehad had, dat hem behoorlijke voldoening voor ’t gegeven onrecht werd gegeven, zich voor een tijd lang, zelfs met goedvinden der Staten van zijn Gewest, aan den dienst onttrok. Zijn jongere broeder, de niet minder dappere Cornelis Evertsen, werd in zijne plaats tot Luitenant-Amiraal benoemd, doch sneuvelde reeds in ’t volgende jaar 1666. Toen bood Jan Evertsen nogmaals aan ’t Vaderland zijn diensten aan, er den wensch byvoegende, dat hy, even als zijn vader, als een zijner zonen, als vier zijner broederen, ten nutte van ’t Gemeenebest, op het bed van eer mocht sterven. Dit aanbod was des te edelmoediger, om dat Evertsen vooraf wist, dat hy nu zoû komen te staan onder ’t bevel van een Vlootvoogd, die, jonger officier dan hy, te voren een rang beneden den zijnen had bekleed, die mede een Zeeuw was, hoezeer dan onder de Amiraliteit van Amsterdam staande. ’t Is waar, die Vlootvoogd was Michiel Adriaensz. de Ruyter, en zelfs een Evertsen achtte het geen vernedering, diens bevelen te volgen. ’t Was echter in hooger raad beschikt, dat de tocht, welken onze held nu volbrengen ging, zijn laatste wezen zoû. In den noodlottigen zeeslag van 4 Augustus 1666 werd hem reeds by het eerste treffen het been door een kogel weggenomen, ten gevolge waarvan hy kort daarop overleed. By besluit der Staten van Zeeland van 19 Augustus werd hy plechtstatig ter aarde besteld en op het praalgraf in de Sint Pieters Kerk te Middelburg, dat zijn overschot en dat van zijn broeder Cornelis besluit, hun beider afbeelding in marmer uitgehouwen. Voorts werd ’s Vaders nagedachtenis in den zoon vereerd, en deze, onder buitengewoon gunstige voorwaarden, tot Vice-Amiraal bevorderd.
Was er immer een geslacht, dat zich op zee beroemd maakte en den dank van ’t Vaderland verdiende, het is dat der Evertsens. De man, wiens naam aan het hoofd van deze schets gelezen wordt, was niet de eerste noch zou de laatste uit dat geslacht zijn, die zich door luisterrijke daden, als scheeps- of zeevoogd onderscheidde; doch zoo hy by voorkeur in deze galery een plaats heeft bekomen, ’t is niet alleen omdat de meesten zijner naamgenooten tot een vroeger of tot een later tijdvak behooren dan het door ons behandelde, maar ook omdat hy door tal van heldenfeiten boven allen uitmunt. Zijn vader, als hy genoemd, was den dood voor ’t Vaderland gestorven: hy zelf, in 1600 geboren, en reeds vroeg in zeedienst getreden, gebood in 1636 als Kommandeur een viertal oorlogsvaartuigen, die in last hadden, de koopvaardyvloot naar Frankrijk te geleiden. Eenige koopvaarders, wellicht belust, om, door vroeger dan de overigen ter bestemmingsplaatse te zijn, hun lading met meer voordeel te slijten, waren zonder konvooi vooruitgezeild. Dit was den Duinkerkers ter oore gekomen, en de wakkere Amiraal Jacques Collaert, mede tot een geslacht behoorende, welks leden zich op zee beroemd hadden gemaakt, was met drie welbemande schepen afgezonden om den onbeveiligden buit prijs te maken. Op den 10enFebruary klampte hy de koopvaarders aan boord, en zoû die met zich gevoerd hebben, toen Evertsen, die, van de begane onvoorzichtigheid onderricht, onmiddelijk was afgezeild om er de gevolgen van te voorkomen, de bedreigde vaartuigen te hulp kwam. Joost van der Trappen, gezegd Banckert—van welken naam er op dat tijdstip vier in dienst van den Staat waren—en nog twee andere Kapiteins vergezelden hem. Na een hevig gevecht van vijf uren, op de hoogte van Dieppe geleverd, werd een derDuinkerkers in den grond geboord, en het derde, waarop zich Collaert met zijn Vice-Amiraal Matthijs Rombouts bevond, zoo heftig door de beide Zeeuwsche Bevelhebbers beschoten, dat Collaert reeds op het punt was, zich in de lucht te laten springen; maar zijn schip was vast geraakt, had reeds water in en ging met twee honderd man te gronde. Honderd vijftig anderen werden met de beide Bevelhebbers gevankelijk te Vlissingen opgebracht.
Jan Evertsen.Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Jan Evertsen.
Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.
Jan Evertsen.
In het volgende jaar tot Vice-Amiraal van Zeeland benoemd, deelde Evertsen op den 21stenOctober 1639 in de glorie, by Duins behaald. Aan hem was de eervolle taak opgedragen, den kamp te wagen met het reusachtige monsterschip van den Amiraal van Portugal, de Mater Teresa. Zoo stevig gebouwd was dit zeegevaarte, en zoo dik van bekleeding, dat de kogels, daarop afgezonden, even weinig uitwerking deden als de ganzenhagel hebben zoû op den huid van een olifant,—en evenmin bestond er mogelijkheid, een schip te enteren, dat zich zoo hoog verhief boven de overige vaartuigen en door een bemanning van twaalfhonderd kloeke zeelieden verdedigd werd. En toch wist Evertsen zijn vervaarlijken tegenstander zoo lang bezig te houden, tot dat hy hulp bekwam van Van Galen en daarna van Musch, aan wiens branders het gelukte, het zeekasteel te vernielen. Maar niet voldaan met een roem, welken hy met anderen gedeeld had, vervolgde en achterhaalde Evertsen de nu uit Duins gejaagde Spanjaarts: en het mocht hem gelukken, niet minder dan negen hunner schepen, waaronder zes Galjoenen, te bemachtigen en in Zeeland binnen te brengen.
Drie jaren later, in 1642, onderscheidde hy zich op nieuw, door een drietal Hollandsche koopvaarders aan de Duinkerkers, die ze buit gemaakt hadden, weder te ontnemen, en, zoo de kaperyen op de Vlaamsche kusten gedurende de laatste jaren van Frederik Hendriks bestuur minder talrijk waren dan voorheen, het was grootendeels aan de waakzaamheid van Jan Evertsen en aan den schrik, welken hy inboezemde, dat men zulks te danken had.
In 1652—om van tochten en oorlogsfeiten van mindere beteekenis niet te gewagen—was Evertsen tegenwoordig by den scheepstrijd, tusschen Tromp en Blake by Doever geleverd, en op den 10denDecember van dat zelfde jaar, was het in een tweeden slag tusschen die zelfde beide zeehelden, dat, vooral ten gevolge van zijn mannelijk gedrag, de overwinning zich voor de onzen verklaarde.
Geen minderen roem verwierf hy zich in ’t volgende jaar, toen in de Hoofden, drie dagen lang—van 28 February tot 2 Maart—nogmaals tusschen de genoemde Zeevoogden slag geleverd werd; en glansrijk werd het gedrag, door hem te dier gelegenheid gehouden, zoo door Hun Hoog Mogenden, als door de Staten van Holland erkend. Nog in datzelfde jaar gaf hy herhaalde bewijzen zijner dapperheid, op den 12denJuny, in den zeeslag voor Nieuwpoort, daags daarna in dien voor Duinkerken, als ook by Katwijk en ter Heide: in welken laatsten strijd Tromp sneuvelde, en het schip, waarop Evertsen zich bevond, zoo reddeloos geschoten werd, dat hy genoodzaakt was, zich naar de Maas te laten sleepen.
Het was alleen de omstandigheid, dat hy een Zeeuw was niet alleen, maar ook tot de Amiraliteit van Zeeland behoorde, dat onzen held de miskenning te beurt viel, welke hem trof, toen het opperbevel, waarop, na het overlijden van Tromp, niemand betere en meer gegronde aanspraken had kunnen maken dan hy, hem niet gegund werd. ’t Is waar, hy zag zich geen zijner krijgsmakkers voorgetrokken; want de nieuwe Luitenant-Amiraal, de Heer van Wassenaer, had nimmer ter zee gediend; maar de zonderlinge politiek, toen door het Staatsbestuur gevoerd, waardoor mannen, die hun leven aan boord en in ’t heetst der zeegevaren hadden doorgebracht, voortaan moesten gehoorzamen aan iemand, die, hoe bekwaam en moedig ook, toch niet de minste ondervinding bezat, was niet geschikt om een gunstigen indruk by de oude strijdgenooten van Piet Hein en Tromp te maken: en de uitkomst leerde dan ook, dat hun ergernis niet onbillijk, en hun bezorgdheid voor ’s Lands eer niet zonder grond was.
Eenige vergoeding voor de ontfangen te-leur-stelling mocht Evertsen ondervinden, doordien hy in 1664—ware het dan ook spade—werd aangesteld tot Luitenant-Amiraal van Zeeland. En toch, het scheen, of die vergoeding alleen moest strekken om hem nog dieper kwellingen aan te doen. Immers, in ’t volgende jaar, onder Wassenaer, dien beroemden slag gestreden hebbende, waarby deze door zijn eigen kruit in de lucht sprong en, ten gevolge van den verkeerden geest die by de vloot heerschte, onze zeemacht de meest volkomen neêrlaag leed, welke zy immer ondervond, werd hy, de grijze krijgsheld, die een der weinigen was geweest onder hen, die de eer der vlag gehandhaafd hadden, by zijn terugkomst, door ’t gepeupel in den Briel gescholden, van flaauwhartigheidbeticht, aangerand, in ’t water gesmeten. Nog in tijds werd hy gered; maar geen wonder was het, dat hy, na dat zelfs een nadrukkelijk schrijven der Staten van Zeeland aan de Staten-Generaal niet de uitwerking gehad had, dat hem behoorlijke voldoening voor ’t gegeven onrecht werd gegeven, zich voor een tijd lang, zelfs met goedvinden der Staten van zijn Gewest, aan den dienst onttrok. Zijn jongere broeder, de niet minder dappere Cornelis Evertsen, werd in zijne plaats tot Luitenant-Amiraal benoemd, doch sneuvelde reeds in ’t volgende jaar 1666. Toen bood Jan Evertsen nogmaals aan ’t Vaderland zijn diensten aan, er den wensch byvoegende, dat hy, even als zijn vader, als een zijner zonen, als vier zijner broederen, ten nutte van ’t Gemeenebest, op het bed van eer mocht sterven. Dit aanbod was des te edelmoediger, om dat Evertsen vooraf wist, dat hy nu zoû komen te staan onder ’t bevel van een Vlootvoogd, die, jonger officier dan hy, te voren een rang beneden den zijnen had bekleed, die mede een Zeeuw was, hoezeer dan onder de Amiraliteit van Amsterdam staande. ’t Is waar, die Vlootvoogd was Michiel Adriaensz. de Ruyter, en zelfs een Evertsen achtte het geen vernedering, diens bevelen te volgen. ’t Was echter in hooger raad beschikt, dat de tocht, welken onze held nu volbrengen ging, zijn laatste wezen zoû. In den noodlottigen zeeslag van 4 Augustus 1666 werd hem reeds by het eerste treffen het been door een kogel weggenomen, ten gevolge waarvan hy kort daarop overleed. By besluit der Staten van Zeeland van 19 Augustus werd hy plechtstatig ter aarde besteld en op het praalgraf in de Sint Pieters Kerk te Middelburg, dat zijn overschot en dat van zijn broeder Cornelis besluit, hun beider afbeelding in marmer uitgehouwen. Voorts werd ’s Vaders nagedachtenis in den zoon vereerd, en deze, onder buitengewoon gunstige voorwaarden, tot Vice-Amiraal bevorderd.