JOHAN PIETERSZOON EN DIEDERIK SWELINCK.

JOHAN PIETERSZOON EN DIEDERIK SWELINCK.Is in andere landen de nagedachtenis van beroemde kunstenaren vaak vereeuwigd door standbeelden, te hunner eere opgericht, dan moet het verwondering baren, dat er geen van metaal of steen oprijst ter eere van een kunstheld als Joan Pietersz. Swelinck, (musicus et organista toto orbe celeberrimus, gelijk onder zijn door Muller in staal gegraveerd portret te lezen staat), noch in zijn geboorteplaats Deventer (1540), noch te Amsterdam, waar hy leefde en werkte. Het kolossale beeld van Orlandus de Lassus prijkt wel binnen Bergen in Henegouwen, waar deze ’t eerste levenslicht aanschouwde, en een prachtige medalje werd te zijner vereeuwiging geslagen; maar aan het brengen eener hem waardige hulde aan onzen waereldberoemden Swelinck werd tot hiertoe niet gedacht. En toch, welk een groot en te recht hoog vermaard man was hy! Weten wy van zijn vroegste jeugd slechts dit, dat hy reeds toen een buitengewone vlugheid op klavier en orgel bezat en op die speeltuigen uitmuntte, zijn latere levensjaren getuigen van wat hy als kontrapuntist en organist verrichtte, en hoe hy om zijn voortreffelijke begaafdheden en leerwijze alom geächt en geroemd werd. Vermoedelijk had hy het eerste onderwijs in de gronden der muzyk genoten by zijn vader, mede, als wy straks zullen zien, organist te Amsterdam. In de kennis der kompozitie zich verder wenschende bekwaam te maken, reisde hy in den jare 1557 naar Italiën, waar hy zich, te Venetiën, onder Josef Zerlino, leerling van den Nederlander Willaert, zoo zeer in de kunst volmaakte, dat hy, by zijn terugkomst in zijn vaderland, zich reeds den naam had verworven een der treffelijkste organisten te zijn, en, by het openvallen van de betrekking als zoodanig in de Oude Kerk te Amsterdam door den dood zijns vaders, tot diens opvolger werdaangesteld. Den roemvollen naam, die van hem was uitgegaan, mogen wy dan ook als een gewichtige oorzaak beschouwen, waarom vooral Duitschers, die tot kundige organisten wenschten te worden opgeleid, zich naar Amsterdam begaven, om van onzen Swelinck lessen in het orgelspel en kontrapunt te ontfangen, en zich naar zijn voorbeeld te vormen. In Hamburg werd hy niet anders dan deorganistmakergenoemd, en werkelijk riep hy een orgelschool in ’t leven, waaruit de kundigste mannen van dien tijd te voorschijn kwamen, als de beroemde Melchior Schildt van Hanover, Paul Seiffert van Dantzig, Samuel Scheidt van Halle, Jacob Schultz of Praetorius en Heinrich Scheidemann, beiden van Hamburg, welke stichters werden van de zoo beroemde Noord-Duitsche orgelschool.Dirk Swelinck.Herman ten Kate, delSteendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.DirkSwelinck.Zijn leerlingen achtten hem niet alleen hoog als kunstenaar, maar vereerden hem ook als een vader, inzonderheid Schultz en Scheidemann, die ’s mans beeltenis uit Holland met zich voerden, welke tot het einde huns levens hunne kamer moest vercieren, opdat zy den zoo beminden meester steeds voor oogen zouden hebben: voorwaar een bewijs, dat Swelinck niet alleen als voortreffelijk kunstenaar schitterde, maar ook als mensch door een beminnelijk karakter en voorbeeldige zielshoedanigheden uitmuntte, waarin wy bevestigd worden, wanneer wy mede onder zyn reeds genoemde afbeelding lezen:Vir singulari modestia ac pietate, cum in vita tum in morte omnibus suspiciendus. En hoe men dien Nederlandschen kunstenaar hier beminde, getuigt de edele handelwijze van eenige muzykliefhebbers, handelaren te Amsterdam, die, zijn tijdelijke omstandigheden wenschende te verbeteren, hem voorstelden, hun een som van 200 guldens af te staan, waarmede zy tot zijn voordeel zouden werken, en wel zoo, dat zy daarvan alleen het verlies zouden dragen, en hy de winst. En met welke uitkomsten werd ditcontractus leoninusvan een gands ongewonen aart bekroond? Na verloop van eenige jaren deed men rekening en verantwoording, en werd meester Jan Pietersz. in het bezit gesteld van de (voor dien tijd vooral) aanzienlijke som van ƒ 40,000, waardoor hem, tot aan zijn dood, een onbezorgd leven ten deel viel.Hoe rijk en onuitputtelijk zijn fantazy was, hoe weinig hy, in een vriendenkring voor het klavier gezeten, en daaraan heerlijke toonen ontlokkende, zich om tijd of uur bekommerde, vinden wy by Baudartius opgeteekend: „Deze Apollo,” zegt hy, „heeft gehat ten deele vanmeest alle musicanten, daarvan een Latijnsche poët aldus spreekt:Omnibushoc vitium est cantoribus inter amicos,Ut numquam inducant animum cantare rogati,Jnjussi numquam desinant,„dat is te zeggen: dat men de liefelyke musiciens niet lichtelyck aen het singen of spelen en kan brenghen, maer als men se daeran gebracht heeft, so kunnen sy qualyck ophouden. My gedenckt dat ik eens met eenige goede vrienden by meyster Jan Peter Swelinck, mynen goeden vriend, gegaen zynde, met noch andere goede vrienden, in de maend Mey, ende hy aen het spelen op zyn clave-cymbel gecomen zynde, hetzelfde continueerde tot omtrent middernacht, spelende onder anderen het liedeken: „Den lustelicken Mey is nu in zynen tydt,” dewelcke hy, sal ick goede memorie daervan hebbe, wel op vyf ende twintigerley weysen speelde, dan sus, dan soo. Als wy opstonden, ende ons afscheyt wilden nemen, so badt hy ons wy souden toch dit stuck noch hooren, dan dat stuck niet kunnende ophouden, also hy in een zeer soet humeur was, vermaeckende ons, syne vrienden, vermaeckende ook hemselven.”Omtrent den juisten tijd van ’s mans dood zijn de opgaven eenigzins uiteenloopend, minder betreffende het jaar en de maand, dan wel den dag zijns overlijdens. Die alle hier aan te voeren achten wy overtollig, maar de opgave onder Swelincks beeltenis, door Muller gegraveerd: „obiit MDCXXI. XVI Octobris Aet. LX.” zeer aannemelijk.Moge er op dit punt onder zijn tijdgenooten verschil van meening zijn ontstaan, omtrent Swelincks grootheid als kunstenaar, organist en komponist, stemmen allen overeen. Hooren wy, in de eerste plaats, wat Hooft en Vondel van hem getuigen. De eerste schreef op hem het navolgende grafschrift:Hier leit, die stelde wyz’ den koninklyken woorde,En Sion galmen deed, dat men ’t in Holland hoorde.Vondel vervaardigde op zijn beeltenis het navolgende byschrift:Op meester Johan Pieterszoon ZwelingFenix der Muzycke en Orgelist van Amsterdam.Dit ’s Zwelings sterflyk deel, ten troost ons nagebleven.’t Onsterflyk hout de maet by Godt in eeuwig leven.Daar streckt hy, meer dan hier kan vatten ons gehoor,Een goddelycke galm in aller Englen oor.Hooren wy nu Baudartius: „Mr. Joan Peters Swelinck, seer constich en vermaert organist, ja beroemd voor den allercloeksten en constichsten organist deser eeuw. Welcken lof de constrycke Organist ende Musicien Pedro Philippi, Organist binnen Brussel, en alle andere hem geern gheven, hem eerende als eenen Phoebus ofte Apollo. De treffelijcke musyckstucken welke hy aen den dach gegeven heeft, zoo als die in de Gereformeerde kerken gesongen worden, gheven getuychenissen van den musikalen geest, daermede hy is begaeft gheweest, ghelyck oock doen alle andere Musyckstucken by hem gecomponeert en aen den dach gegeven.”Nog meer bepaald zijn de narichten, ons door Sweertius over ’s mans arbeid gegeven, en welke wy, uit het latijn vertaald, hier laten volgen, „Joan Pietersz. Swelinck, een Nederlander, met my zeer bevriend, was het wonder der toonkunstenaars en organisten. Verwonderlijk was te Amsterdam de dagelijksche toeloop om hem het orgel te hooren bespelen. Niemand, die er geen roem in stelde, den man gekend, gezien en gehoord te hebben. Hy schreef drie-, vijf-, zes- en achtstemmige muzyk van gewijde en waereldsche zangen en voor al de Psalmen Davids.”Ook Wassenaer spreekt in zijn historisch verhaal van „den wijdberoemden organist Jan Pieterszoon Swelingh, die door syn uitnemende konsten voor een Prince der Musiciens mach geacht werden, ghelyck aan de wercken blyckt, die by syn leven zyn uitghegaen, en die nog niet uitghegaen zyn. Hy was een uytghenomen konstenaer in ’t orghelspelen, so dat men syns ghelyck niet veel en vondt, waerdoor hy van de liefhebbers der Musycke, maer bysonders van syne medeborgers in groote waerden ghehouden wiert.”Hoe zijn werken gezocht waren, kan men opmaken uit de spoedige verschijning van een tweeden druk, vooral uit de voorrede van zyn beroemde Psalmen, (livre des Pseaumes de David, nouvellement mis en musique, a 4, 5, 6, 7, 8 parties) waarin hem de hoogste lof toegezwaaid en hy nu eens „l’ Amphion divin et doux sonnant Harpeur,” dan „l’unique Phoenix de nostre Pays” genoemd wordt, terwijl in hetzelfde werk (Livre troisième) het volgende klinkdicht op Swelincks muzyk der psalmen Davids gedrukt staat.„Tout ravi hors de moy, ars d’une douce flamme,Espris d’un sainct amour par ces divins accords,Se rallumer je sens au millieu de mon asmeUn Esprit tout nouveau, qui desdaigne ce corps.Esprit, tu est bien prompt: et cependant se pasmeLe corps, que tu devois mouvoir par tes ressorts.Ne suyvant, ce dit-il, celuy que je reclame,Je ne suis plus vivant, ains au nombre des morts.Swelinck, en mariant les sons avec les sens,Fait si bien, que le corps, par sadouceharmonie,Suit et vit en suyvant l’esprit tout en un temps,Dont David par ses mots tenant l’ame ravie,Et puis Swelinck tirant le corps par ses accents,A l’esprit et au corps ravis rendent la vie.”Het is hier de plaats niet, al zijn werken op te sommen, veel min hun waarde aan de kritiek tetoetsen. Wy meenen genoeg te hebben aangevoerd, waaruit des grooten Swelincks hooge verdiensten als organist en komponist kunnen blijken.En nu zijn zoon, Diederik Swelinck? Over hem bewaren de buitenlandsche schrijvers het stilzwijgen: vermoedelijk omdat, al was hy als kunstenaar in zijn eigen vaderland vermaard, zijn naam, by gemis van gedrukte muzykale compositiën van zijne hand, niet tot in den vreemde, althands niet tot by den nazaat aldaar is doorgedrongen. Doch moge hy al minder beroemd zijn geweest als komponist, niet minder dan het spel zijns vaders werd het zijne op prijs gesteld. Hy was gewoon, na het eindigen van den avondgodsdienst in de Oude Kerk, waar hy zijn vader in die betrekking was opgevolgd, zijn stadgenooten op een heerlijk orgelmuzyk te vergasten, wanneer gewoonlijk stoelen en banken met een overgroote menigte luisterende en verrukte toehoorders waren opgevuld. Zijn beeltenis door Jan Lievensz., welke het ons niet gelukt is onder de oogen te krijgen, werd door Vondel met dit byschrift vereerd, waaruit wy althands de byzonderheid leeren, dat de post van organist der meergenoemde kerk gedurende een eeuw in het geslacht van Swelinck erfelijk was gebleven.„Aldus heeft Livius ons Zweling afgebeeldt,Maar niet zyn’ fenixgalm, uit ’s Vaders asch geteelt.De Neef, de Grootvaêr, en de Fenix Vader zongenEen eeuw den Aemstel toe met hemelsche orgeltongen.Zoo Thebe door een lier tot zulck een’ wasdom quam;Wat zou men dichten van het orgel t’ Amsterdam?Daar David en Orlande om stryt zich laten hooren,Als Didryck zielen vangt, en ophangt by heur ooren.”Hoe hoog de Drossaart ’s mans kunsttalent waardeerde, kan blijken, uit een brief van hem, waarin hy, aan Van Baerle zijn gevoelen mededeelendeaangaande de vermakelijkheden, waarop men Maria de Medicis, gedurende haar verblijf te Amsterdam, in 1638, onthalen zoû, zijn meening uit, dat „eene der onthaalingen, die meest by haar zoude geacht worden, een treflijke muzijk zoude zijn”, waaromtrent, zoo als Hooft verder schreef, het verkieslijk ware „te volgen den raadt van den Orgelist meester Dirk Sweeling, wiens gelyk ik meene dat zy nooit gehoort heeft.”Dirk Swelinck overleed in 1652, en rust in een en hetzelfde graf met zijn vader en zijn grootvader, gelijk wy leeren uit het grafschrift, dat Vondel op hem dichtte:Gy Zanggodinnen, valt aen ’t schreien,Aen ’t jammeren met heele reien;De zoon van Orfeus is verscheien.Nu zwijght de galm der orgeltongen,Die door de pijpen quam gedrongen,Daar hemelsche Engelen op zongen.Hoe kout en kil zijn deze handen,Daer Jesses snaer mêe komt te stranden,Met zijn Marenssen, en Orlanden.Hoe juichte ’t hart van oude en jongen,Wanneer zijn vingers ongedwongen,Op noten en op steeken sprongen!Men kon, door Kerckgewelf en Kooren,Den Vader in den Zoone hooren,Nu zal een zerck die stemme smooren.Gestoelten noch gepropte banckenNiet langer Zwelings kunst bedanckenVoor zijn verquickende avontklancken.Gy die mijn ziel hebt opgehevenUit dit moerasch in ’t eeuwigh leven,Wat zweep heeft u naer ’t graf gedreven ?Ten minste kus, o koor der Zingeren!Met uwen mont dit ijs der vingeren,Daar ieders ooren op verslingeren.Ten minste draegh hem, naer zijn waerdeDie zijn vermaeck voor niemant spaerde,Noch met dit grafgeschrift ter aerde:„Hier rusten Grootvaer, Zoon en VaderZy volgen Davids harp te gader,Een eeuw van voore, om hoogh noch nader.”

JOHAN PIETERSZOON EN DIEDERIK SWELINCK.Is in andere landen de nagedachtenis van beroemde kunstenaren vaak vereeuwigd door standbeelden, te hunner eere opgericht, dan moet het verwondering baren, dat er geen van metaal of steen oprijst ter eere van een kunstheld als Joan Pietersz. Swelinck, (musicus et organista toto orbe celeberrimus, gelijk onder zijn door Muller in staal gegraveerd portret te lezen staat), noch in zijn geboorteplaats Deventer (1540), noch te Amsterdam, waar hy leefde en werkte. Het kolossale beeld van Orlandus de Lassus prijkt wel binnen Bergen in Henegouwen, waar deze ’t eerste levenslicht aanschouwde, en een prachtige medalje werd te zijner vereeuwiging geslagen; maar aan het brengen eener hem waardige hulde aan onzen waereldberoemden Swelinck werd tot hiertoe niet gedacht. En toch, welk een groot en te recht hoog vermaard man was hy! Weten wy van zijn vroegste jeugd slechts dit, dat hy reeds toen een buitengewone vlugheid op klavier en orgel bezat en op die speeltuigen uitmuntte, zijn latere levensjaren getuigen van wat hy als kontrapuntist en organist verrichtte, en hoe hy om zijn voortreffelijke begaafdheden en leerwijze alom geächt en geroemd werd. Vermoedelijk had hy het eerste onderwijs in de gronden der muzyk genoten by zijn vader, mede, als wy straks zullen zien, organist te Amsterdam. In de kennis der kompozitie zich verder wenschende bekwaam te maken, reisde hy in den jare 1557 naar Italiën, waar hy zich, te Venetiën, onder Josef Zerlino, leerling van den Nederlander Willaert, zoo zeer in de kunst volmaakte, dat hy, by zijn terugkomst in zijn vaderland, zich reeds den naam had verworven een der treffelijkste organisten te zijn, en, by het openvallen van de betrekking als zoodanig in de Oude Kerk te Amsterdam door den dood zijns vaders, tot diens opvolger werdaangesteld. Den roemvollen naam, die van hem was uitgegaan, mogen wy dan ook als een gewichtige oorzaak beschouwen, waarom vooral Duitschers, die tot kundige organisten wenschten te worden opgeleid, zich naar Amsterdam begaven, om van onzen Swelinck lessen in het orgelspel en kontrapunt te ontfangen, en zich naar zijn voorbeeld te vormen. In Hamburg werd hy niet anders dan deorganistmakergenoemd, en werkelijk riep hy een orgelschool in ’t leven, waaruit de kundigste mannen van dien tijd te voorschijn kwamen, als de beroemde Melchior Schildt van Hanover, Paul Seiffert van Dantzig, Samuel Scheidt van Halle, Jacob Schultz of Praetorius en Heinrich Scheidemann, beiden van Hamburg, welke stichters werden van de zoo beroemde Noord-Duitsche orgelschool.Dirk Swelinck.Herman ten Kate, delSteendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.DirkSwelinck.Zijn leerlingen achtten hem niet alleen hoog als kunstenaar, maar vereerden hem ook als een vader, inzonderheid Schultz en Scheidemann, die ’s mans beeltenis uit Holland met zich voerden, welke tot het einde huns levens hunne kamer moest vercieren, opdat zy den zoo beminden meester steeds voor oogen zouden hebben: voorwaar een bewijs, dat Swelinck niet alleen als voortreffelijk kunstenaar schitterde, maar ook als mensch door een beminnelijk karakter en voorbeeldige zielshoedanigheden uitmuntte, waarin wy bevestigd worden, wanneer wy mede onder zyn reeds genoemde afbeelding lezen:Vir singulari modestia ac pietate, cum in vita tum in morte omnibus suspiciendus. En hoe men dien Nederlandschen kunstenaar hier beminde, getuigt de edele handelwijze van eenige muzykliefhebbers, handelaren te Amsterdam, die, zijn tijdelijke omstandigheden wenschende te verbeteren, hem voorstelden, hun een som van 200 guldens af te staan, waarmede zy tot zijn voordeel zouden werken, en wel zoo, dat zy daarvan alleen het verlies zouden dragen, en hy de winst. En met welke uitkomsten werd ditcontractus leoninusvan een gands ongewonen aart bekroond? Na verloop van eenige jaren deed men rekening en verantwoording, en werd meester Jan Pietersz. in het bezit gesteld van de (voor dien tijd vooral) aanzienlijke som van ƒ 40,000, waardoor hem, tot aan zijn dood, een onbezorgd leven ten deel viel.Hoe rijk en onuitputtelijk zijn fantazy was, hoe weinig hy, in een vriendenkring voor het klavier gezeten, en daaraan heerlijke toonen ontlokkende, zich om tijd of uur bekommerde, vinden wy by Baudartius opgeteekend: „Deze Apollo,” zegt hy, „heeft gehat ten deele vanmeest alle musicanten, daarvan een Latijnsche poët aldus spreekt:Omnibushoc vitium est cantoribus inter amicos,Ut numquam inducant animum cantare rogati,Jnjussi numquam desinant,„dat is te zeggen: dat men de liefelyke musiciens niet lichtelyck aen het singen of spelen en kan brenghen, maer als men se daeran gebracht heeft, so kunnen sy qualyck ophouden. My gedenckt dat ik eens met eenige goede vrienden by meyster Jan Peter Swelinck, mynen goeden vriend, gegaen zynde, met noch andere goede vrienden, in de maend Mey, ende hy aen het spelen op zyn clave-cymbel gecomen zynde, hetzelfde continueerde tot omtrent middernacht, spelende onder anderen het liedeken: „Den lustelicken Mey is nu in zynen tydt,” dewelcke hy, sal ick goede memorie daervan hebbe, wel op vyf ende twintigerley weysen speelde, dan sus, dan soo. Als wy opstonden, ende ons afscheyt wilden nemen, so badt hy ons wy souden toch dit stuck noch hooren, dan dat stuck niet kunnende ophouden, also hy in een zeer soet humeur was, vermaeckende ons, syne vrienden, vermaeckende ook hemselven.”Omtrent den juisten tijd van ’s mans dood zijn de opgaven eenigzins uiteenloopend, minder betreffende het jaar en de maand, dan wel den dag zijns overlijdens. Die alle hier aan te voeren achten wy overtollig, maar de opgave onder Swelincks beeltenis, door Muller gegraveerd: „obiit MDCXXI. XVI Octobris Aet. LX.” zeer aannemelijk.Moge er op dit punt onder zijn tijdgenooten verschil van meening zijn ontstaan, omtrent Swelincks grootheid als kunstenaar, organist en komponist, stemmen allen overeen. Hooren wy, in de eerste plaats, wat Hooft en Vondel van hem getuigen. De eerste schreef op hem het navolgende grafschrift:Hier leit, die stelde wyz’ den koninklyken woorde,En Sion galmen deed, dat men ’t in Holland hoorde.Vondel vervaardigde op zijn beeltenis het navolgende byschrift:Op meester Johan Pieterszoon ZwelingFenix der Muzycke en Orgelist van Amsterdam.Dit ’s Zwelings sterflyk deel, ten troost ons nagebleven.’t Onsterflyk hout de maet by Godt in eeuwig leven.Daar streckt hy, meer dan hier kan vatten ons gehoor,Een goddelycke galm in aller Englen oor.Hooren wy nu Baudartius: „Mr. Joan Peters Swelinck, seer constich en vermaert organist, ja beroemd voor den allercloeksten en constichsten organist deser eeuw. Welcken lof de constrycke Organist ende Musicien Pedro Philippi, Organist binnen Brussel, en alle andere hem geern gheven, hem eerende als eenen Phoebus ofte Apollo. De treffelijcke musyckstucken welke hy aen den dach gegeven heeft, zoo als die in de Gereformeerde kerken gesongen worden, gheven getuychenissen van den musikalen geest, daermede hy is begaeft gheweest, ghelyck oock doen alle andere Musyckstucken by hem gecomponeert en aen den dach gegeven.”Nog meer bepaald zijn de narichten, ons door Sweertius over ’s mans arbeid gegeven, en welke wy, uit het latijn vertaald, hier laten volgen, „Joan Pietersz. Swelinck, een Nederlander, met my zeer bevriend, was het wonder der toonkunstenaars en organisten. Verwonderlijk was te Amsterdam de dagelijksche toeloop om hem het orgel te hooren bespelen. Niemand, die er geen roem in stelde, den man gekend, gezien en gehoord te hebben. Hy schreef drie-, vijf-, zes- en achtstemmige muzyk van gewijde en waereldsche zangen en voor al de Psalmen Davids.”Ook Wassenaer spreekt in zijn historisch verhaal van „den wijdberoemden organist Jan Pieterszoon Swelingh, die door syn uitnemende konsten voor een Prince der Musiciens mach geacht werden, ghelyck aan de wercken blyckt, die by syn leven zyn uitghegaen, en die nog niet uitghegaen zyn. Hy was een uytghenomen konstenaer in ’t orghelspelen, so dat men syns ghelyck niet veel en vondt, waerdoor hy van de liefhebbers der Musycke, maer bysonders van syne medeborgers in groote waerden ghehouden wiert.”Hoe zijn werken gezocht waren, kan men opmaken uit de spoedige verschijning van een tweeden druk, vooral uit de voorrede van zyn beroemde Psalmen, (livre des Pseaumes de David, nouvellement mis en musique, a 4, 5, 6, 7, 8 parties) waarin hem de hoogste lof toegezwaaid en hy nu eens „l’ Amphion divin et doux sonnant Harpeur,” dan „l’unique Phoenix de nostre Pays” genoemd wordt, terwijl in hetzelfde werk (Livre troisième) het volgende klinkdicht op Swelincks muzyk der psalmen Davids gedrukt staat.„Tout ravi hors de moy, ars d’une douce flamme,Espris d’un sainct amour par ces divins accords,Se rallumer je sens au millieu de mon asmeUn Esprit tout nouveau, qui desdaigne ce corps.Esprit, tu est bien prompt: et cependant se pasmeLe corps, que tu devois mouvoir par tes ressorts.Ne suyvant, ce dit-il, celuy que je reclame,Je ne suis plus vivant, ains au nombre des morts.Swelinck, en mariant les sons avec les sens,Fait si bien, que le corps, par sadouceharmonie,Suit et vit en suyvant l’esprit tout en un temps,Dont David par ses mots tenant l’ame ravie,Et puis Swelinck tirant le corps par ses accents,A l’esprit et au corps ravis rendent la vie.”Het is hier de plaats niet, al zijn werken op te sommen, veel min hun waarde aan de kritiek tetoetsen. Wy meenen genoeg te hebben aangevoerd, waaruit des grooten Swelincks hooge verdiensten als organist en komponist kunnen blijken.En nu zijn zoon, Diederik Swelinck? Over hem bewaren de buitenlandsche schrijvers het stilzwijgen: vermoedelijk omdat, al was hy als kunstenaar in zijn eigen vaderland vermaard, zijn naam, by gemis van gedrukte muzykale compositiën van zijne hand, niet tot in den vreemde, althands niet tot by den nazaat aldaar is doorgedrongen. Doch moge hy al minder beroemd zijn geweest als komponist, niet minder dan het spel zijns vaders werd het zijne op prijs gesteld. Hy was gewoon, na het eindigen van den avondgodsdienst in de Oude Kerk, waar hy zijn vader in die betrekking was opgevolgd, zijn stadgenooten op een heerlijk orgelmuzyk te vergasten, wanneer gewoonlijk stoelen en banken met een overgroote menigte luisterende en verrukte toehoorders waren opgevuld. Zijn beeltenis door Jan Lievensz., welke het ons niet gelukt is onder de oogen te krijgen, werd door Vondel met dit byschrift vereerd, waaruit wy althands de byzonderheid leeren, dat de post van organist der meergenoemde kerk gedurende een eeuw in het geslacht van Swelinck erfelijk was gebleven.„Aldus heeft Livius ons Zweling afgebeeldt,Maar niet zyn’ fenixgalm, uit ’s Vaders asch geteelt.De Neef, de Grootvaêr, en de Fenix Vader zongenEen eeuw den Aemstel toe met hemelsche orgeltongen.Zoo Thebe door een lier tot zulck een’ wasdom quam;Wat zou men dichten van het orgel t’ Amsterdam?Daar David en Orlande om stryt zich laten hooren,Als Didryck zielen vangt, en ophangt by heur ooren.”Hoe hoog de Drossaart ’s mans kunsttalent waardeerde, kan blijken, uit een brief van hem, waarin hy, aan Van Baerle zijn gevoelen mededeelendeaangaande de vermakelijkheden, waarop men Maria de Medicis, gedurende haar verblijf te Amsterdam, in 1638, onthalen zoû, zijn meening uit, dat „eene der onthaalingen, die meest by haar zoude geacht worden, een treflijke muzijk zoude zijn”, waaromtrent, zoo als Hooft verder schreef, het verkieslijk ware „te volgen den raadt van den Orgelist meester Dirk Sweeling, wiens gelyk ik meene dat zy nooit gehoort heeft.”Dirk Swelinck overleed in 1652, en rust in een en hetzelfde graf met zijn vader en zijn grootvader, gelijk wy leeren uit het grafschrift, dat Vondel op hem dichtte:Gy Zanggodinnen, valt aen ’t schreien,Aen ’t jammeren met heele reien;De zoon van Orfeus is verscheien.Nu zwijght de galm der orgeltongen,Die door de pijpen quam gedrongen,Daar hemelsche Engelen op zongen.Hoe kout en kil zijn deze handen,Daer Jesses snaer mêe komt te stranden,Met zijn Marenssen, en Orlanden.Hoe juichte ’t hart van oude en jongen,Wanneer zijn vingers ongedwongen,Op noten en op steeken sprongen!Men kon, door Kerckgewelf en Kooren,Den Vader in den Zoone hooren,Nu zal een zerck die stemme smooren.Gestoelten noch gepropte banckenNiet langer Zwelings kunst bedanckenVoor zijn verquickende avontklancken.Gy die mijn ziel hebt opgehevenUit dit moerasch in ’t eeuwigh leven,Wat zweep heeft u naer ’t graf gedreven ?Ten minste kus, o koor der Zingeren!Met uwen mont dit ijs der vingeren,Daar ieders ooren op verslingeren.Ten minste draegh hem, naer zijn waerdeDie zijn vermaeck voor niemant spaerde,Noch met dit grafgeschrift ter aerde:„Hier rusten Grootvaer, Zoon en VaderZy volgen Davids harp te gader,Een eeuw van voore, om hoogh noch nader.”

JOHAN PIETERSZOON EN DIEDERIK SWELINCK.

Is in andere landen de nagedachtenis van beroemde kunstenaren vaak vereeuwigd door standbeelden, te hunner eere opgericht, dan moet het verwondering baren, dat er geen van metaal of steen oprijst ter eere van een kunstheld als Joan Pietersz. Swelinck, (musicus et organista toto orbe celeberrimus, gelijk onder zijn door Muller in staal gegraveerd portret te lezen staat), noch in zijn geboorteplaats Deventer (1540), noch te Amsterdam, waar hy leefde en werkte. Het kolossale beeld van Orlandus de Lassus prijkt wel binnen Bergen in Henegouwen, waar deze ’t eerste levenslicht aanschouwde, en een prachtige medalje werd te zijner vereeuwiging geslagen; maar aan het brengen eener hem waardige hulde aan onzen waereldberoemden Swelinck werd tot hiertoe niet gedacht. En toch, welk een groot en te recht hoog vermaard man was hy! Weten wy van zijn vroegste jeugd slechts dit, dat hy reeds toen een buitengewone vlugheid op klavier en orgel bezat en op die speeltuigen uitmuntte, zijn latere levensjaren getuigen van wat hy als kontrapuntist en organist verrichtte, en hoe hy om zijn voortreffelijke begaafdheden en leerwijze alom geächt en geroemd werd. Vermoedelijk had hy het eerste onderwijs in de gronden der muzyk genoten by zijn vader, mede, als wy straks zullen zien, organist te Amsterdam. In de kennis der kompozitie zich verder wenschende bekwaam te maken, reisde hy in den jare 1557 naar Italiën, waar hy zich, te Venetiën, onder Josef Zerlino, leerling van den Nederlander Willaert, zoo zeer in de kunst volmaakte, dat hy, by zijn terugkomst in zijn vaderland, zich reeds den naam had verworven een der treffelijkste organisten te zijn, en, by het openvallen van de betrekking als zoodanig in de Oude Kerk te Amsterdam door den dood zijns vaders, tot diens opvolger werdaangesteld. Den roemvollen naam, die van hem was uitgegaan, mogen wy dan ook als een gewichtige oorzaak beschouwen, waarom vooral Duitschers, die tot kundige organisten wenschten te worden opgeleid, zich naar Amsterdam begaven, om van onzen Swelinck lessen in het orgelspel en kontrapunt te ontfangen, en zich naar zijn voorbeeld te vormen. In Hamburg werd hy niet anders dan deorganistmakergenoemd, en werkelijk riep hy een orgelschool in ’t leven, waaruit de kundigste mannen van dien tijd te voorschijn kwamen, als de beroemde Melchior Schildt van Hanover, Paul Seiffert van Dantzig, Samuel Scheidt van Halle, Jacob Schultz of Praetorius en Heinrich Scheidemann, beiden van Hamburg, welke stichters werden van de zoo beroemde Noord-Duitsche orgelschool.Dirk Swelinck.Herman ten Kate, delSteendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.DirkSwelinck.Zijn leerlingen achtten hem niet alleen hoog als kunstenaar, maar vereerden hem ook als een vader, inzonderheid Schultz en Scheidemann, die ’s mans beeltenis uit Holland met zich voerden, welke tot het einde huns levens hunne kamer moest vercieren, opdat zy den zoo beminden meester steeds voor oogen zouden hebben: voorwaar een bewijs, dat Swelinck niet alleen als voortreffelijk kunstenaar schitterde, maar ook als mensch door een beminnelijk karakter en voorbeeldige zielshoedanigheden uitmuntte, waarin wy bevestigd worden, wanneer wy mede onder zyn reeds genoemde afbeelding lezen:Vir singulari modestia ac pietate, cum in vita tum in morte omnibus suspiciendus. En hoe men dien Nederlandschen kunstenaar hier beminde, getuigt de edele handelwijze van eenige muzykliefhebbers, handelaren te Amsterdam, die, zijn tijdelijke omstandigheden wenschende te verbeteren, hem voorstelden, hun een som van 200 guldens af te staan, waarmede zy tot zijn voordeel zouden werken, en wel zoo, dat zy daarvan alleen het verlies zouden dragen, en hy de winst. En met welke uitkomsten werd ditcontractus leoninusvan een gands ongewonen aart bekroond? Na verloop van eenige jaren deed men rekening en verantwoording, en werd meester Jan Pietersz. in het bezit gesteld van de (voor dien tijd vooral) aanzienlijke som van ƒ 40,000, waardoor hem, tot aan zijn dood, een onbezorgd leven ten deel viel.Hoe rijk en onuitputtelijk zijn fantazy was, hoe weinig hy, in een vriendenkring voor het klavier gezeten, en daaraan heerlijke toonen ontlokkende, zich om tijd of uur bekommerde, vinden wy by Baudartius opgeteekend: „Deze Apollo,” zegt hy, „heeft gehat ten deele vanmeest alle musicanten, daarvan een Latijnsche poët aldus spreekt:Omnibushoc vitium est cantoribus inter amicos,Ut numquam inducant animum cantare rogati,Jnjussi numquam desinant,„dat is te zeggen: dat men de liefelyke musiciens niet lichtelyck aen het singen of spelen en kan brenghen, maer als men se daeran gebracht heeft, so kunnen sy qualyck ophouden. My gedenckt dat ik eens met eenige goede vrienden by meyster Jan Peter Swelinck, mynen goeden vriend, gegaen zynde, met noch andere goede vrienden, in de maend Mey, ende hy aen het spelen op zyn clave-cymbel gecomen zynde, hetzelfde continueerde tot omtrent middernacht, spelende onder anderen het liedeken: „Den lustelicken Mey is nu in zynen tydt,” dewelcke hy, sal ick goede memorie daervan hebbe, wel op vyf ende twintigerley weysen speelde, dan sus, dan soo. Als wy opstonden, ende ons afscheyt wilden nemen, so badt hy ons wy souden toch dit stuck noch hooren, dan dat stuck niet kunnende ophouden, also hy in een zeer soet humeur was, vermaeckende ons, syne vrienden, vermaeckende ook hemselven.”Omtrent den juisten tijd van ’s mans dood zijn de opgaven eenigzins uiteenloopend, minder betreffende het jaar en de maand, dan wel den dag zijns overlijdens. Die alle hier aan te voeren achten wy overtollig, maar de opgave onder Swelincks beeltenis, door Muller gegraveerd: „obiit MDCXXI. XVI Octobris Aet. LX.” zeer aannemelijk.Moge er op dit punt onder zijn tijdgenooten verschil van meening zijn ontstaan, omtrent Swelincks grootheid als kunstenaar, organist en komponist, stemmen allen overeen. Hooren wy, in de eerste plaats, wat Hooft en Vondel van hem getuigen. De eerste schreef op hem het navolgende grafschrift:Hier leit, die stelde wyz’ den koninklyken woorde,En Sion galmen deed, dat men ’t in Holland hoorde.Vondel vervaardigde op zijn beeltenis het navolgende byschrift:Op meester Johan Pieterszoon ZwelingFenix der Muzycke en Orgelist van Amsterdam.Dit ’s Zwelings sterflyk deel, ten troost ons nagebleven.’t Onsterflyk hout de maet by Godt in eeuwig leven.Daar streckt hy, meer dan hier kan vatten ons gehoor,Een goddelycke galm in aller Englen oor.Hooren wy nu Baudartius: „Mr. Joan Peters Swelinck, seer constich en vermaert organist, ja beroemd voor den allercloeksten en constichsten organist deser eeuw. Welcken lof de constrycke Organist ende Musicien Pedro Philippi, Organist binnen Brussel, en alle andere hem geern gheven, hem eerende als eenen Phoebus ofte Apollo. De treffelijcke musyckstucken welke hy aen den dach gegeven heeft, zoo als die in de Gereformeerde kerken gesongen worden, gheven getuychenissen van den musikalen geest, daermede hy is begaeft gheweest, ghelyck oock doen alle andere Musyckstucken by hem gecomponeert en aen den dach gegeven.”Nog meer bepaald zijn de narichten, ons door Sweertius over ’s mans arbeid gegeven, en welke wy, uit het latijn vertaald, hier laten volgen, „Joan Pietersz. Swelinck, een Nederlander, met my zeer bevriend, was het wonder der toonkunstenaars en organisten. Verwonderlijk was te Amsterdam de dagelijksche toeloop om hem het orgel te hooren bespelen. Niemand, die er geen roem in stelde, den man gekend, gezien en gehoord te hebben. Hy schreef drie-, vijf-, zes- en achtstemmige muzyk van gewijde en waereldsche zangen en voor al de Psalmen Davids.”Ook Wassenaer spreekt in zijn historisch verhaal van „den wijdberoemden organist Jan Pieterszoon Swelingh, die door syn uitnemende konsten voor een Prince der Musiciens mach geacht werden, ghelyck aan de wercken blyckt, die by syn leven zyn uitghegaen, en die nog niet uitghegaen zyn. Hy was een uytghenomen konstenaer in ’t orghelspelen, so dat men syns ghelyck niet veel en vondt, waerdoor hy van de liefhebbers der Musycke, maer bysonders van syne medeborgers in groote waerden ghehouden wiert.”Hoe zijn werken gezocht waren, kan men opmaken uit de spoedige verschijning van een tweeden druk, vooral uit de voorrede van zyn beroemde Psalmen, (livre des Pseaumes de David, nouvellement mis en musique, a 4, 5, 6, 7, 8 parties) waarin hem de hoogste lof toegezwaaid en hy nu eens „l’ Amphion divin et doux sonnant Harpeur,” dan „l’unique Phoenix de nostre Pays” genoemd wordt, terwijl in hetzelfde werk (Livre troisième) het volgende klinkdicht op Swelincks muzyk der psalmen Davids gedrukt staat.„Tout ravi hors de moy, ars d’une douce flamme,Espris d’un sainct amour par ces divins accords,Se rallumer je sens au millieu de mon asmeUn Esprit tout nouveau, qui desdaigne ce corps.Esprit, tu est bien prompt: et cependant se pasmeLe corps, que tu devois mouvoir par tes ressorts.Ne suyvant, ce dit-il, celuy que je reclame,Je ne suis plus vivant, ains au nombre des morts.Swelinck, en mariant les sons avec les sens,Fait si bien, que le corps, par sadouceharmonie,Suit et vit en suyvant l’esprit tout en un temps,Dont David par ses mots tenant l’ame ravie,Et puis Swelinck tirant le corps par ses accents,A l’esprit et au corps ravis rendent la vie.”Het is hier de plaats niet, al zijn werken op te sommen, veel min hun waarde aan de kritiek tetoetsen. Wy meenen genoeg te hebben aangevoerd, waaruit des grooten Swelincks hooge verdiensten als organist en komponist kunnen blijken.En nu zijn zoon, Diederik Swelinck? Over hem bewaren de buitenlandsche schrijvers het stilzwijgen: vermoedelijk omdat, al was hy als kunstenaar in zijn eigen vaderland vermaard, zijn naam, by gemis van gedrukte muzykale compositiën van zijne hand, niet tot in den vreemde, althands niet tot by den nazaat aldaar is doorgedrongen. Doch moge hy al minder beroemd zijn geweest als komponist, niet minder dan het spel zijns vaders werd het zijne op prijs gesteld. Hy was gewoon, na het eindigen van den avondgodsdienst in de Oude Kerk, waar hy zijn vader in die betrekking was opgevolgd, zijn stadgenooten op een heerlijk orgelmuzyk te vergasten, wanneer gewoonlijk stoelen en banken met een overgroote menigte luisterende en verrukte toehoorders waren opgevuld. Zijn beeltenis door Jan Lievensz., welke het ons niet gelukt is onder de oogen te krijgen, werd door Vondel met dit byschrift vereerd, waaruit wy althands de byzonderheid leeren, dat de post van organist der meergenoemde kerk gedurende een eeuw in het geslacht van Swelinck erfelijk was gebleven.„Aldus heeft Livius ons Zweling afgebeeldt,Maar niet zyn’ fenixgalm, uit ’s Vaders asch geteelt.De Neef, de Grootvaêr, en de Fenix Vader zongenEen eeuw den Aemstel toe met hemelsche orgeltongen.Zoo Thebe door een lier tot zulck een’ wasdom quam;Wat zou men dichten van het orgel t’ Amsterdam?Daar David en Orlande om stryt zich laten hooren,Als Didryck zielen vangt, en ophangt by heur ooren.”Hoe hoog de Drossaart ’s mans kunsttalent waardeerde, kan blijken, uit een brief van hem, waarin hy, aan Van Baerle zijn gevoelen mededeelendeaangaande de vermakelijkheden, waarop men Maria de Medicis, gedurende haar verblijf te Amsterdam, in 1638, onthalen zoû, zijn meening uit, dat „eene der onthaalingen, die meest by haar zoude geacht worden, een treflijke muzijk zoude zijn”, waaromtrent, zoo als Hooft verder schreef, het verkieslijk ware „te volgen den raadt van den Orgelist meester Dirk Sweeling, wiens gelyk ik meene dat zy nooit gehoort heeft.”Dirk Swelinck overleed in 1652, en rust in een en hetzelfde graf met zijn vader en zijn grootvader, gelijk wy leeren uit het grafschrift, dat Vondel op hem dichtte:Gy Zanggodinnen, valt aen ’t schreien,Aen ’t jammeren met heele reien;De zoon van Orfeus is verscheien.Nu zwijght de galm der orgeltongen,Die door de pijpen quam gedrongen,Daar hemelsche Engelen op zongen.Hoe kout en kil zijn deze handen,Daer Jesses snaer mêe komt te stranden,Met zijn Marenssen, en Orlanden.Hoe juichte ’t hart van oude en jongen,Wanneer zijn vingers ongedwongen,Op noten en op steeken sprongen!Men kon, door Kerckgewelf en Kooren,Den Vader in den Zoone hooren,Nu zal een zerck die stemme smooren.Gestoelten noch gepropte banckenNiet langer Zwelings kunst bedanckenVoor zijn verquickende avontklancken.Gy die mijn ziel hebt opgehevenUit dit moerasch in ’t eeuwigh leven,Wat zweep heeft u naer ’t graf gedreven ?Ten minste kus, o koor der Zingeren!Met uwen mont dit ijs der vingeren,Daar ieders ooren op verslingeren.Ten minste draegh hem, naer zijn waerdeDie zijn vermaeck voor niemant spaerde,Noch met dit grafgeschrift ter aerde:„Hier rusten Grootvaer, Zoon en VaderZy volgen Davids harp te gader,Een eeuw van voore, om hoogh noch nader.”

Is in andere landen de nagedachtenis van beroemde kunstenaren vaak vereeuwigd door standbeelden, te hunner eere opgericht, dan moet het verwondering baren, dat er geen van metaal of steen oprijst ter eere van een kunstheld als Joan Pietersz. Swelinck, (musicus et organista toto orbe celeberrimus, gelijk onder zijn door Muller in staal gegraveerd portret te lezen staat), noch in zijn geboorteplaats Deventer (1540), noch te Amsterdam, waar hy leefde en werkte. Het kolossale beeld van Orlandus de Lassus prijkt wel binnen Bergen in Henegouwen, waar deze ’t eerste levenslicht aanschouwde, en een prachtige medalje werd te zijner vereeuwiging geslagen; maar aan het brengen eener hem waardige hulde aan onzen waereldberoemden Swelinck werd tot hiertoe niet gedacht. En toch, welk een groot en te recht hoog vermaard man was hy! Weten wy van zijn vroegste jeugd slechts dit, dat hy reeds toen een buitengewone vlugheid op klavier en orgel bezat en op die speeltuigen uitmuntte, zijn latere levensjaren getuigen van wat hy als kontrapuntist en organist verrichtte, en hoe hy om zijn voortreffelijke begaafdheden en leerwijze alom geächt en geroemd werd. Vermoedelijk had hy het eerste onderwijs in de gronden der muzyk genoten by zijn vader, mede, als wy straks zullen zien, organist te Amsterdam. In de kennis der kompozitie zich verder wenschende bekwaam te maken, reisde hy in den jare 1557 naar Italiën, waar hy zich, te Venetiën, onder Josef Zerlino, leerling van den Nederlander Willaert, zoo zeer in de kunst volmaakte, dat hy, by zijn terugkomst in zijn vaderland, zich reeds den naam had verworven een der treffelijkste organisten te zijn, en, by het openvallen van de betrekking als zoodanig in de Oude Kerk te Amsterdam door den dood zijns vaders, tot diens opvolger werdaangesteld. Den roemvollen naam, die van hem was uitgegaan, mogen wy dan ook als een gewichtige oorzaak beschouwen, waarom vooral Duitschers, die tot kundige organisten wenschten te worden opgeleid, zich naar Amsterdam begaven, om van onzen Swelinck lessen in het orgelspel en kontrapunt te ontfangen, en zich naar zijn voorbeeld te vormen. In Hamburg werd hy niet anders dan deorganistmakergenoemd, en werkelijk riep hy een orgelschool in ’t leven, waaruit de kundigste mannen van dien tijd te voorschijn kwamen, als de beroemde Melchior Schildt van Hanover, Paul Seiffert van Dantzig, Samuel Scheidt van Halle, Jacob Schultz of Praetorius en Heinrich Scheidemann, beiden van Hamburg, welke stichters werden van de zoo beroemde Noord-Duitsche orgelschool.

Dirk Swelinck.Herman ten Kate, delSteendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.DirkSwelinck.

Herman ten Kate, delSteendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

DirkSwelinck.

Zijn leerlingen achtten hem niet alleen hoog als kunstenaar, maar vereerden hem ook als een vader, inzonderheid Schultz en Scheidemann, die ’s mans beeltenis uit Holland met zich voerden, welke tot het einde huns levens hunne kamer moest vercieren, opdat zy den zoo beminden meester steeds voor oogen zouden hebben: voorwaar een bewijs, dat Swelinck niet alleen als voortreffelijk kunstenaar schitterde, maar ook als mensch door een beminnelijk karakter en voorbeeldige zielshoedanigheden uitmuntte, waarin wy bevestigd worden, wanneer wy mede onder zyn reeds genoemde afbeelding lezen:Vir singulari modestia ac pietate, cum in vita tum in morte omnibus suspiciendus. En hoe men dien Nederlandschen kunstenaar hier beminde, getuigt de edele handelwijze van eenige muzykliefhebbers, handelaren te Amsterdam, die, zijn tijdelijke omstandigheden wenschende te verbeteren, hem voorstelden, hun een som van 200 guldens af te staan, waarmede zy tot zijn voordeel zouden werken, en wel zoo, dat zy daarvan alleen het verlies zouden dragen, en hy de winst. En met welke uitkomsten werd ditcontractus leoninusvan een gands ongewonen aart bekroond? Na verloop van eenige jaren deed men rekening en verantwoording, en werd meester Jan Pietersz. in het bezit gesteld van de (voor dien tijd vooral) aanzienlijke som van ƒ 40,000, waardoor hem, tot aan zijn dood, een onbezorgd leven ten deel viel.

Hoe rijk en onuitputtelijk zijn fantazy was, hoe weinig hy, in een vriendenkring voor het klavier gezeten, en daaraan heerlijke toonen ontlokkende, zich om tijd of uur bekommerde, vinden wy by Baudartius opgeteekend: „Deze Apollo,” zegt hy, „heeft gehat ten deele vanmeest alle musicanten, daarvan een Latijnsche poët aldus spreekt:

Omnibushoc vitium est cantoribus inter amicos,Ut numquam inducant animum cantare rogati,Jnjussi numquam desinant,

Omnibushoc vitium est cantoribus inter amicos,

Ut numquam inducant animum cantare rogati,

Jnjussi numquam desinant,

„dat is te zeggen: dat men de liefelyke musiciens niet lichtelyck aen het singen of spelen en kan brenghen, maer als men se daeran gebracht heeft, so kunnen sy qualyck ophouden. My gedenckt dat ik eens met eenige goede vrienden by meyster Jan Peter Swelinck, mynen goeden vriend, gegaen zynde, met noch andere goede vrienden, in de maend Mey, ende hy aen het spelen op zyn clave-cymbel gecomen zynde, hetzelfde continueerde tot omtrent middernacht, spelende onder anderen het liedeken: „Den lustelicken Mey is nu in zynen tydt,” dewelcke hy, sal ick goede memorie daervan hebbe, wel op vyf ende twintigerley weysen speelde, dan sus, dan soo. Als wy opstonden, ende ons afscheyt wilden nemen, so badt hy ons wy souden toch dit stuck noch hooren, dan dat stuck niet kunnende ophouden, also hy in een zeer soet humeur was, vermaeckende ons, syne vrienden, vermaeckende ook hemselven.”

Omtrent den juisten tijd van ’s mans dood zijn de opgaven eenigzins uiteenloopend, minder betreffende het jaar en de maand, dan wel den dag zijns overlijdens. Die alle hier aan te voeren achten wy overtollig, maar de opgave onder Swelincks beeltenis, door Muller gegraveerd: „obiit MDCXXI. XVI Octobris Aet. LX.” zeer aannemelijk.

Moge er op dit punt onder zijn tijdgenooten verschil van meening zijn ontstaan, omtrent Swelincks grootheid als kunstenaar, organist en komponist, stemmen allen overeen. Hooren wy, in de eerste plaats, wat Hooft en Vondel van hem getuigen. De eerste schreef op hem het navolgende grafschrift:

Hier leit, die stelde wyz’ den koninklyken woorde,En Sion galmen deed, dat men ’t in Holland hoorde.

Hier leit, die stelde wyz’ den koninklyken woorde,

En Sion galmen deed, dat men ’t in Holland hoorde.

Vondel vervaardigde op zijn beeltenis het navolgende byschrift:

Op meester Johan Pieterszoon ZwelingFenix der Muzycke en Orgelist van Amsterdam.Dit ’s Zwelings sterflyk deel, ten troost ons nagebleven.’t Onsterflyk hout de maet by Godt in eeuwig leven.Daar streckt hy, meer dan hier kan vatten ons gehoor,Een goddelycke galm in aller Englen oor.

Dit ’s Zwelings sterflyk deel, ten troost ons nagebleven.

’t Onsterflyk hout de maet by Godt in eeuwig leven.

Daar streckt hy, meer dan hier kan vatten ons gehoor,

Een goddelycke galm in aller Englen oor.

Hooren wy nu Baudartius: „Mr. Joan Peters Swelinck, seer constich en vermaert organist, ja beroemd voor den allercloeksten en constichsten organist deser eeuw. Welcken lof de constrycke Organist ende Musicien Pedro Philippi, Organist binnen Brussel, en alle andere hem geern gheven, hem eerende als eenen Phoebus ofte Apollo. De treffelijcke musyckstucken welke hy aen den dach gegeven heeft, zoo als die in de Gereformeerde kerken gesongen worden, gheven getuychenissen van den musikalen geest, daermede hy is begaeft gheweest, ghelyck oock doen alle andere Musyckstucken by hem gecomponeert en aen den dach gegeven.”

Nog meer bepaald zijn de narichten, ons door Sweertius over ’s mans arbeid gegeven, en welke wy, uit het latijn vertaald, hier laten volgen, „Joan Pietersz. Swelinck, een Nederlander, met my zeer bevriend, was het wonder der toonkunstenaars en organisten. Verwonderlijk was te Amsterdam de dagelijksche toeloop om hem het orgel te hooren bespelen. Niemand, die er geen roem in stelde, den man gekend, gezien en gehoord te hebben. Hy schreef drie-, vijf-, zes- en achtstemmige muzyk van gewijde en waereldsche zangen en voor al de Psalmen Davids.”

Ook Wassenaer spreekt in zijn historisch verhaal van „den wijdberoemden organist Jan Pieterszoon Swelingh, die door syn uitnemende konsten voor een Prince der Musiciens mach geacht werden, ghelyck aan de wercken blyckt, die by syn leven zyn uitghegaen, en die nog niet uitghegaen zyn. Hy was een uytghenomen konstenaer in ’t orghelspelen, so dat men syns ghelyck niet veel en vondt, waerdoor hy van de liefhebbers der Musycke, maer bysonders van syne medeborgers in groote waerden ghehouden wiert.”

Hoe zijn werken gezocht waren, kan men opmaken uit de spoedige verschijning van een tweeden druk, vooral uit de voorrede van zyn beroemde Psalmen, (livre des Pseaumes de David, nouvellement mis en musique, a 4, 5, 6, 7, 8 parties) waarin hem de hoogste lof toegezwaaid en hy nu eens „l’ Amphion divin et doux sonnant Harpeur,” dan „l’unique Phoenix de nostre Pays” genoemd wordt, terwijl in hetzelfde werk (Livre troisième) het volgende klinkdicht op Swelincks muzyk der psalmen Davids gedrukt staat.

„Tout ravi hors de moy, ars d’une douce flamme,Espris d’un sainct amour par ces divins accords,Se rallumer je sens au millieu de mon asmeUn Esprit tout nouveau, qui desdaigne ce corps.Esprit, tu est bien prompt: et cependant se pasmeLe corps, que tu devois mouvoir par tes ressorts.Ne suyvant, ce dit-il, celuy que je reclame,Je ne suis plus vivant, ains au nombre des morts.Swelinck, en mariant les sons avec les sens,Fait si bien, que le corps, par sadouceharmonie,Suit et vit en suyvant l’esprit tout en un temps,Dont David par ses mots tenant l’ame ravie,Et puis Swelinck tirant le corps par ses accents,A l’esprit et au corps ravis rendent la vie.”

„Tout ravi hors de moy, ars d’une douce flamme,Espris d’un sainct amour par ces divins accords,Se rallumer je sens au millieu de mon asmeUn Esprit tout nouveau, qui desdaigne ce corps.

„Tout ravi hors de moy, ars d’une douce flamme,

Espris d’un sainct amour par ces divins accords,

Se rallumer je sens au millieu de mon asme

Un Esprit tout nouveau, qui desdaigne ce corps.

Esprit, tu est bien prompt: et cependant se pasmeLe corps, que tu devois mouvoir par tes ressorts.Ne suyvant, ce dit-il, celuy que je reclame,Je ne suis plus vivant, ains au nombre des morts.

Esprit, tu est bien prompt: et cependant se pasme

Le corps, que tu devois mouvoir par tes ressorts.

Ne suyvant, ce dit-il, celuy que je reclame,

Je ne suis plus vivant, ains au nombre des morts.

Swelinck, en mariant les sons avec les sens,Fait si bien, que le corps, par sadouceharmonie,Suit et vit en suyvant l’esprit tout en un temps,

Swelinck, en mariant les sons avec les sens,

Fait si bien, que le corps, par sadouceharmonie,

Suit et vit en suyvant l’esprit tout en un temps,

Dont David par ses mots tenant l’ame ravie,Et puis Swelinck tirant le corps par ses accents,A l’esprit et au corps ravis rendent la vie.”

Dont David par ses mots tenant l’ame ravie,

Et puis Swelinck tirant le corps par ses accents,

A l’esprit et au corps ravis rendent la vie.”

Het is hier de plaats niet, al zijn werken op te sommen, veel min hun waarde aan de kritiek tetoetsen. Wy meenen genoeg te hebben aangevoerd, waaruit des grooten Swelincks hooge verdiensten als organist en komponist kunnen blijken.

En nu zijn zoon, Diederik Swelinck? Over hem bewaren de buitenlandsche schrijvers het stilzwijgen: vermoedelijk omdat, al was hy als kunstenaar in zijn eigen vaderland vermaard, zijn naam, by gemis van gedrukte muzykale compositiën van zijne hand, niet tot in den vreemde, althands niet tot by den nazaat aldaar is doorgedrongen. Doch moge hy al minder beroemd zijn geweest als komponist, niet minder dan het spel zijns vaders werd het zijne op prijs gesteld. Hy was gewoon, na het eindigen van den avondgodsdienst in de Oude Kerk, waar hy zijn vader in die betrekking was opgevolgd, zijn stadgenooten op een heerlijk orgelmuzyk te vergasten, wanneer gewoonlijk stoelen en banken met een overgroote menigte luisterende en verrukte toehoorders waren opgevuld. Zijn beeltenis door Jan Lievensz., welke het ons niet gelukt is onder de oogen te krijgen, werd door Vondel met dit byschrift vereerd, waaruit wy althands de byzonderheid leeren, dat de post van organist der meergenoemde kerk gedurende een eeuw in het geslacht van Swelinck erfelijk was gebleven.

„Aldus heeft Livius ons Zweling afgebeeldt,Maar niet zyn’ fenixgalm, uit ’s Vaders asch geteelt.De Neef, de Grootvaêr, en de Fenix Vader zongenEen eeuw den Aemstel toe met hemelsche orgeltongen.Zoo Thebe door een lier tot zulck een’ wasdom quam;Wat zou men dichten van het orgel t’ Amsterdam?Daar David en Orlande om stryt zich laten hooren,Als Didryck zielen vangt, en ophangt by heur ooren.”

„Aldus heeft Livius ons Zweling afgebeeldt,

Maar niet zyn’ fenixgalm, uit ’s Vaders asch geteelt.

De Neef, de Grootvaêr, en de Fenix Vader zongen

Een eeuw den Aemstel toe met hemelsche orgeltongen.

Zoo Thebe door een lier tot zulck een’ wasdom quam;

Wat zou men dichten van het orgel t’ Amsterdam?

Daar David en Orlande om stryt zich laten hooren,

Als Didryck zielen vangt, en ophangt by heur ooren.”

Hoe hoog de Drossaart ’s mans kunsttalent waardeerde, kan blijken, uit een brief van hem, waarin hy, aan Van Baerle zijn gevoelen mededeelendeaangaande de vermakelijkheden, waarop men Maria de Medicis, gedurende haar verblijf te Amsterdam, in 1638, onthalen zoû, zijn meening uit, dat „eene der onthaalingen, die meest by haar zoude geacht worden, een treflijke muzijk zoude zijn”, waaromtrent, zoo als Hooft verder schreef, het verkieslijk ware „te volgen den raadt van den Orgelist meester Dirk Sweeling, wiens gelyk ik meene dat zy nooit gehoort heeft.”

Dirk Swelinck overleed in 1652, en rust in een en hetzelfde graf met zijn vader en zijn grootvader, gelijk wy leeren uit het grafschrift, dat Vondel op hem dichtte:

Gy Zanggodinnen, valt aen ’t schreien,Aen ’t jammeren met heele reien;De zoon van Orfeus is verscheien.Nu zwijght de galm der orgeltongen,Die door de pijpen quam gedrongen,Daar hemelsche Engelen op zongen.Hoe kout en kil zijn deze handen,Daer Jesses snaer mêe komt te stranden,Met zijn Marenssen, en Orlanden.Hoe juichte ’t hart van oude en jongen,Wanneer zijn vingers ongedwongen,Op noten en op steeken sprongen!Men kon, door Kerckgewelf en Kooren,Den Vader in den Zoone hooren,Nu zal een zerck die stemme smooren.Gestoelten noch gepropte banckenNiet langer Zwelings kunst bedanckenVoor zijn verquickende avontklancken.Gy die mijn ziel hebt opgehevenUit dit moerasch in ’t eeuwigh leven,Wat zweep heeft u naer ’t graf gedreven ?Ten minste kus, o koor der Zingeren!Met uwen mont dit ijs der vingeren,Daar ieders ooren op verslingeren.Ten minste draegh hem, naer zijn waerdeDie zijn vermaeck voor niemant spaerde,Noch met dit grafgeschrift ter aerde:„Hier rusten Grootvaer, Zoon en VaderZy volgen Davids harp te gader,Een eeuw van voore, om hoogh noch nader.”

Gy Zanggodinnen, valt aen ’t schreien,Aen ’t jammeren met heele reien;De zoon van Orfeus is verscheien.

Gy Zanggodinnen, valt aen ’t schreien,

Aen ’t jammeren met heele reien;

De zoon van Orfeus is verscheien.

Nu zwijght de galm der orgeltongen,Die door de pijpen quam gedrongen,Daar hemelsche Engelen op zongen.

Nu zwijght de galm der orgeltongen,

Die door de pijpen quam gedrongen,

Daar hemelsche Engelen op zongen.

Hoe kout en kil zijn deze handen,Daer Jesses snaer mêe komt te stranden,Met zijn Marenssen, en Orlanden.

Hoe kout en kil zijn deze handen,

Daer Jesses snaer mêe komt te stranden,

Met zijn Marenssen, en Orlanden.

Hoe juichte ’t hart van oude en jongen,Wanneer zijn vingers ongedwongen,Op noten en op steeken sprongen!

Hoe juichte ’t hart van oude en jongen,

Wanneer zijn vingers ongedwongen,

Op noten en op steeken sprongen!

Men kon, door Kerckgewelf en Kooren,Den Vader in den Zoone hooren,Nu zal een zerck die stemme smooren.

Men kon, door Kerckgewelf en Kooren,

Den Vader in den Zoone hooren,

Nu zal een zerck die stemme smooren.

Gestoelten noch gepropte banckenNiet langer Zwelings kunst bedanckenVoor zijn verquickende avontklancken.

Gestoelten noch gepropte bancken

Niet langer Zwelings kunst bedancken

Voor zijn verquickende avontklancken.

Gy die mijn ziel hebt opgehevenUit dit moerasch in ’t eeuwigh leven,Wat zweep heeft u naer ’t graf gedreven ?

Gy die mijn ziel hebt opgeheven

Uit dit moerasch in ’t eeuwigh leven,

Wat zweep heeft u naer ’t graf gedreven ?

Ten minste kus, o koor der Zingeren!Met uwen mont dit ijs der vingeren,Daar ieders ooren op verslingeren.

Ten minste kus, o koor der Zingeren!

Met uwen mont dit ijs der vingeren,

Daar ieders ooren op verslingeren.

Ten minste draegh hem, naer zijn waerdeDie zijn vermaeck voor niemant spaerde,Noch met dit grafgeschrift ter aerde:

Ten minste draegh hem, naer zijn waerde

Die zijn vermaeck voor niemant spaerde,

Noch met dit grafgeschrift ter aerde:

„Hier rusten Grootvaer, Zoon en VaderZy volgen Davids harp te gader,Een eeuw van voore, om hoogh noch nader.”

„Hier rusten Grootvaer, Zoon en Vader

Zy volgen Davids harp te gader,

Een eeuw van voore, om hoogh noch nader.”


Back to IndexNext