NICOLAAS PIETERSZ. TULP.

NICOLAAS PIETERSZ. TULP.Vrij verward en onzeker was, in den aanvang der zeventiende eeuw, niet slechts hier te lande, maar door Europa in ’t algemeen, de toestand der Geneeskunde. Een aanzienlijk deel der artsen, afgeschrikt door de dwaasheden welke Paracelsus had verkondigd, sloot de oogen ook voor het goede, in zijn leer vervat, en voor het gewicht der ontdekkingen, door hem gedaan. De zoodanigen, van alle nieuwigheden afkeerig, weken geen hair breed af van de voorschriften van Galenus. Anderen, met de orde der Rozekruisers verbonden, overdreven nog, onder geleide van Thurneysen, de buitensporigheden der Paracelsische sekte: de verstandigsten, of althands de voorzichtigsten, kozen de party der oudeeclectici, namen het goede uit beide leerwijzen, pasten dit op hun tijdperk toe, en poogden de scheikunde, gelijk zy door Erastus en Liravius gezuiverd was, het gebied der geneeskunde binnen te leiden. Van Helmont, hoezeer meer beschaafd dan Paracelsus, volgde hem na in zijn pogingen om de geneeskunde aan de scheikunde ondergeschikt te maken, en in het aanprijzen van sterke en samengestelde panaceën, welke laatste eerlang door zijn talrijke aanhangers en navolgers werden in gebruik gesteld. De man nu, die, toegerust met kennis, volharding en moed, in de dagen van Frederik Hendrik als geneesheer optrad, en zich krachtdadig en met goeden uitslag tegen dat gebruik of liever tegen dat misbruik van wondermiddelen verzette, en aan zijn leerlingen een redelijker, wetenschappelijker weg aanwees om tot de kennis der geneeskunst te geraken, en zich daardoor een eereplaats onder de groote vernuften van zijn tijdvak verwierf, was Nicolaas Tulp.Nicolaas Pietersz. Tulp.Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Nicolaas Pietersz. Tulp.Op den 11 October 1593 te Amsterdam geboren, uit Pieter Dirkszoon, een vermogend koopman, en Geertruida Dirksdochter, had de jeugdigeNicolaas, die reeds vroeg een grootere neiging voor de beoefening der wetenschap dan voor het bedrijf zijns vaders aan den dag legde, te Leyden onder Vorstius en Heurnius de gronden der geneeskunde geleerd en zich eerlang te Amsterdam als arts gevestigd. Hoe zijn bekwaamheid in meer dan een opzicht door zijn medeburgers op prijs gesteld werd bleek onder anderen daaruit, dat hy, reeds in 1622, tot Schepen en Raad werd benoemd. Weldra maakte hy den naam van Tulp, dien hy, ter onderscheiding van zoo vele andere Claes Pieterszoons als toen bestonden, had aangenomen, beroemd door de nieuwe leerwijze, welke hy in zijn praktijk zoowel als in zijn geschriften toonde voor te staan. Hoezeer niet in allen deele de Paracelsische leer verwerpende, streefde hy vooral naar het opsporen der waarheid langs den weg van een yverig en gewetensvol onderzoek der natuur. Dat onderzoek stelde hem in staat, talrijke dwaalbegrippen, hoe ook ingeworteld, te keer te gaan. Zoo b. v. toonde hy aan, hoe de zoogenoemde ivoren horens, die in de kabinetten der vorsten en natuurvorschers bewaard werden, en aan welke een geheime geneeskracht werd toegeschreven, niet van den eenhoorn, dat wonderdier der oude waereld, herkomstig waren, maar eenvoudig slagtanden waren des Narvals: zoo, hoe de Satyrs der fabelkunde zich oplosten in boschmenschen of orang-outangs. Vooral was het de ontleedkunde, welke hy dienstbaar maakte aan de geneeskunde, en aan geen onzer lezers zal het vermoedelijk onbekend zijn, hoe hy, als leeraar in die wetenschap wordt voorgesteld op de beroemde schildery, door Rembrandt in 1632 vervaardigd.Groot was het nut, hetwelk Tulp zijnen medeburgers bewees door die anatomische lessen, welke hy bleef geven tot in 1654: in welk jaar hy geroepen werd om, als Burgemeester, andere en wederom hoogst gewichtige diensten te bewijzen. Zijn waarnemingen als ontleedkundige zullen steeds blijven behooren tot grondzuilen, waarop men met gerustheid kan voortbouwen, en die, op de natuur zelve steunende, alleen met deze te niet kunnen gaan. Even getrouw volgde hy deze geleidster op het nog duistere pad der heelkunde: overtuigd van den schakel tusschen de verschillende takken en van het onafscheidbare verband tusschen genees- en heelkunde, begreep hy, dat eerst dan het ideaal der kunst zoû te bereiken zijn, wanneer beiden hand aan hand het steile pad der ondervinding betraden.De betrekking als Schepen, welke hy ook na 1622 herhaaldelijkbekleedde, stelde hem in de gelegenheid, de schuilhoeken van het menschelijk hart te bespieden, en lessen en wenken te vergaderen, dienstbaar zoo voor de gerechtelijke als voor de zielsgeneeskunde. Hoe gelukkig hy deze laatste beöefende, bewees hy door de genezing, welke twee waanzinnigen, waarvan de een zich verbeeldde aan blindheid, de ander aan beenverzwakking te lijden, aan zijn scherpzinnigheid en geduld te danken hadden. Ook de kruidkunde was het voorwerp zijner studiën: getrouw aan zijn stelling, dat overal de natuur voor den mensch waakt, stelde hy vast, dat geen land zoo stiefmoederlijk is bedeeld, of het levert inlandsche geneeskruiden voor inheemsche ziekten, en wy moeten het bejammeren, dat hy het werk, waarin hy deze stelling uiteenzette, voor zijn dood heeft verbrand.Maar ook de grondigste theoretische kennis is op zich zelve niet voldoende om den Arts het vertrouwen zijner medeburgers te verwerven. Aan hem, gelijk aan den Veldheer of aan den Staatsman, mogen de snelle en wisse blik, die het gevaar doorschouwt, en de tegenwoordigheid van geest, die het afwendt, niet ontbreken. Dat Tulp een en ander in een zeldzame mate bezat, dat getuigden zijn tijdgenooten: dat getuigen zijn geschriften, die de slotsom zijner waarnemingen behelzen.—Voegt men hierby, dat hy, door zijn onbaatzuchtige menschlievendheid, zoo wel de troost der zieken was als de toevlucht der armen, dan zal men, naar wy vertrouwen, kunnen geloof hechten aan zijn verklaring, dat het getal der door hem geredden en geheelden ontelbaar was. Byna onbegrijpelijk is het, hoe, by een zoo gestadig en yverig waarnemen der praktijk en een voortdurend geven van onderricht, hy den tijd nog kan gevonden hebben, op zoo veelzijdige wijze aan zijn vaderstad ten dienste te staan. En toch, de ambten, door hem bekleed reeds voor zijn dertigste jaar, als Lid van den Raad, later als weesmeester, Kommissaris van de Bank van Leening en van Huwlijks zaken, als voorzittend Schepen, en eindelijk als Burgemeester, zijn benoeming tot Afgevaardigde—in 1650 aan Prins Willem II, in 1653 naar ’s Gravenhage om over den vrede met Engeland te handelen—zijn betrekking als Curator van het Atheneum en als Voorzitter der kommissie van Geneeskundig Toevoorzicht, zijn gedrag vooral in 1672, toen hy, de tachtigjarige grijzaart, met jongelingsvuur en mannemoed in de Statenvergadering van Holland den lafhartigen wederstond, die ons land aan den Franschen geweldenaar zouden hebben overgeleverd, dat alles geeft hem aansprakengenoeg op den eerbied van tijdgenoot en nakomelingschap: en, zonder grootspraak, zonder eigenwaan, kon hy, die, met opoffering van eigen tijd, geld, voordeel en krachten, zoo veel voor zijn medeburgers deed, tot zinnebeeld een brandende kaars voeren, met dit onderschrift:aliis inserviendo consumor, d. i. „door anderen ten dienste te staan, word ik zelf verteerd.”Talrijk waren de maatregelen, die, ter bevordering van de gezondheid der ingezetenen, op aanraden en door den invloed van Tulp, vooral onder zijn bestuur, werden genomen. Om die te leeren kennen heeft men slechts de Keurboeken van Amsterdam na te slaan, en in ’t byzonder dat van 1655, toen een wreede pestziekte de stad dreigde te ontvolken. Het was op aandrijven van Tulp dat het venten van oude kleêren en vodden anders dan op een bolwerk buiten de poort, het inbrengen en verkoopen van pruimen, krieken en komkommers, het nering doen of slachten van vee binnen zekeren tijd in huizen, waar iemand aan de pest gestorven was, het opschikken der lijken, het medegaan op de kerkhoven van andere personen dan de dragers, het behangen der sterfhuizen met wollen rouwstoffen, enz., gestreng verboden werd: dat vaste genees- en heelmeesters en apothekers werden aangesteld om de kranken van behoorlijke hulpmiddelen te voorzien, dat het verbranden van het stroo of beddegoed der gestorvenen, het reinigen der straatgoten, het dichtpekken der doodkisten, het zuiveren der lucht door ’t branden van pektonnen, het verruimen en vermeerderen der kerkhoven, en het tijdig begraven, werd voorgeschreven. Van dien zelfden tijd is ook een befaamde keur op de maaltijden, die zich begonnen te kenmerken door kwistigen overdaad. Het getal der gerechten en schotels werd beperkt en onder anderen verboden op het nagerecht suikergebak of zoogenaamdegentillessesop te dragen. Intusschen had deze laatste keur het lot van enkele anderen, als o. a. van die tegen het begraven by avond met fakkellicht: zy scheen namelijk alleen uitgevaardigd om overtreden te worden. Immers het feestmaal, dat reeds in datzelfde jaar 1655, ter gelegenheid der bruiloft van Jan de Witt met Wendela Bickersdochter te Amsterdam aan het huis der Bruid gegeven werd, verschilde, wat pracht, overvloed en keur van uitgezochte spijzen betreft, in geen opzicht van die, tegen welke men het noodig geächt had een keur uit te vaardigen, en, mocht Tulp andere verordeningen, door hem tot heil zijner medeburgers ingesteld, getrouw zien nakomen, met opzicht totdie omtrent de gastmalen moest hy ondervinden, dat de mode en de zucht tot schitteren sterker zijn dan alle wettelijke bepalingen die de Overheid kan maken. Hy gaf ’t dan ook op, en toen hy op den 28 Januarij 1672, in den tuin achter zijn woning op de Keizersgracht tusschen de Westermarkt en Reestraat, in een opgeslagen loods, die met blaauwe stof behangen was, het vijftigste verjaarfeest vierde van zijn aanstelling tot Raad, en de gasten, voor dat men opdischte al heimelijk vreesden, of wellicht de Burgemeester, door trouwe inachtneming zijner keur, hun toonen zoû, hoe Amsterdam door eenvoud en zuinigheid was groot geworden, werden zy aangenaam verrast, toen zy ontdekten dat de maaltijd niet anders noch minder was, dan men by dergelijke gelegenheden gewoon was. De les van Cats werd echter daarby in acht genomen, waar hy zegt:Terwijl de maeltyt duurt, zoo laat gedichten lesenOf iet, dat aengenaem aen vrient en gast kan wesen:Het is van outs geseght: het is de beste feest,Die wel doet aen het lijf, maer beeter aan den geest.Immers, by elk gerecht werd een Latijnsch gedicht voorgelezen en omgedeeld: het eerste, vervaardigd door Schepen Joan Six, des Burgemeesters schoonzoon: het tweede, door den beroemden Hoogleeraar Francius: het derde, door Dr.Françoisde Vicq.By het tweede gedicht werd aan ieder der gasten een zilveren gedenkpenning vereerd: en—wel een bewijs dat de keur niet meer gold—ieder mocht een zwaren schotel met suikergebak en konfituren naar huis dragen.

NICOLAAS PIETERSZ. TULP.Vrij verward en onzeker was, in den aanvang der zeventiende eeuw, niet slechts hier te lande, maar door Europa in ’t algemeen, de toestand der Geneeskunde. Een aanzienlijk deel der artsen, afgeschrikt door de dwaasheden welke Paracelsus had verkondigd, sloot de oogen ook voor het goede, in zijn leer vervat, en voor het gewicht der ontdekkingen, door hem gedaan. De zoodanigen, van alle nieuwigheden afkeerig, weken geen hair breed af van de voorschriften van Galenus. Anderen, met de orde der Rozekruisers verbonden, overdreven nog, onder geleide van Thurneysen, de buitensporigheden der Paracelsische sekte: de verstandigsten, of althands de voorzichtigsten, kozen de party der oudeeclectici, namen het goede uit beide leerwijzen, pasten dit op hun tijdperk toe, en poogden de scheikunde, gelijk zy door Erastus en Liravius gezuiverd was, het gebied der geneeskunde binnen te leiden. Van Helmont, hoezeer meer beschaafd dan Paracelsus, volgde hem na in zijn pogingen om de geneeskunde aan de scheikunde ondergeschikt te maken, en in het aanprijzen van sterke en samengestelde panaceën, welke laatste eerlang door zijn talrijke aanhangers en navolgers werden in gebruik gesteld. De man nu, die, toegerust met kennis, volharding en moed, in de dagen van Frederik Hendrik als geneesheer optrad, en zich krachtdadig en met goeden uitslag tegen dat gebruik of liever tegen dat misbruik van wondermiddelen verzette, en aan zijn leerlingen een redelijker, wetenschappelijker weg aanwees om tot de kennis der geneeskunst te geraken, en zich daardoor een eereplaats onder de groote vernuften van zijn tijdvak verwierf, was Nicolaas Tulp.Nicolaas Pietersz. Tulp.Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Nicolaas Pietersz. Tulp.Op den 11 October 1593 te Amsterdam geboren, uit Pieter Dirkszoon, een vermogend koopman, en Geertruida Dirksdochter, had de jeugdigeNicolaas, die reeds vroeg een grootere neiging voor de beoefening der wetenschap dan voor het bedrijf zijns vaders aan den dag legde, te Leyden onder Vorstius en Heurnius de gronden der geneeskunde geleerd en zich eerlang te Amsterdam als arts gevestigd. Hoe zijn bekwaamheid in meer dan een opzicht door zijn medeburgers op prijs gesteld werd bleek onder anderen daaruit, dat hy, reeds in 1622, tot Schepen en Raad werd benoemd. Weldra maakte hy den naam van Tulp, dien hy, ter onderscheiding van zoo vele andere Claes Pieterszoons als toen bestonden, had aangenomen, beroemd door de nieuwe leerwijze, welke hy in zijn praktijk zoowel als in zijn geschriften toonde voor te staan. Hoezeer niet in allen deele de Paracelsische leer verwerpende, streefde hy vooral naar het opsporen der waarheid langs den weg van een yverig en gewetensvol onderzoek der natuur. Dat onderzoek stelde hem in staat, talrijke dwaalbegrippen, hoe ook ingeworteld, te keer te gaan. Zoo b. v. toonde hy aan, hoe de zoogenoemde ivoren horens, die in de kabinetten der vorsten en natuurvorschers bewaard werden, en aan welke een geheime geneeskracht werd toegeschreven, niet van den eenhoorn, dat wonderdier der oude waereld, herkomstig waren, maar eenvoudig slagtanden waren des Narvals: zoo, hoe de Satyrs der fabelkunde zich oplosten in boschmenschen of orang-outangs. Vooral was het de ontleedkunde, welke hy dienstbaar maakte aan de geneeskunde, en aan geen onzer lezers zal het vermoedelijk onbekend zijn, hoe hy, als leeraar in die wetenschap wordt voorgesteld op de beroemde schildery, door Rembrandt in 1632 vervaardigd.Groot was het nut, hetwelk Tulp zijnen medeburgers bewees door die anatomische lessen, welke hy bleef geven tot in 1654: in welk jaar hy geroepen werd om, als Burgemeester, andere en wederom hoogst gewichtige diensten te bewijzen. Zijn waarnemingen als ontleedkundige zullen steeds blijven behooren tot grondzuilen, waarop men met gerustheid kan voortbouwen, en die, op de natuur zelve steunende, alleen met deze te niet kunnen gaan. Even getrouw volgde hy deze geleidster op het nog duistere pad der heelkunde: overtuigd van den schakel tusschen de verschillende takken en van het onafscheidbare verband tusschen genees- en heelkunde, begreep hy, dat eerst dan het ideaal der kunst zoû te bereiken zijn, wanneer beiden hand aan hand het steile pad der ondervinding betraden.De betrekking als Schepen, welke hy ook na 1622 herhaaldelijkbekleedde, stelde hem in de gelegenheid, de schuilhoeken van het menschelijk hart te bespieden, en lessen en wenken te vergaderen, dienstbaar zoo voor de gerechtelijke als voor de zielsgeneeskunde. Hoe gelukkig hy deze laatste beöefende, bewees hy door de genezing, welke twee waanzinnigen, waarvan de een zich verbeeldde aan blindheid, de ander aan beenverzwakking te lijden, aan zijn scherpzinnigheid en geduld te danken hadden. Ook de kruidkunde was het voorwerp zijner studiën: getrouw aan zijn stelling, dat overal de natuur voor den mensch waakt, stelde hy vast, dat geen land zoo stiefmoederlijk is bedeeld, of het levert inlandsche geneeskruiden voor inheemsche ziekten, en wy moeten het bejammeren, dat hy het werk, waarin hy deze stelling uiteenzette, voor zijn dood heeft verbrand.Maar ook de grondigste theoretische kennis is op zich zelve niet voldoende om den Arts het vertrouwen zijner medeburgers te verwerven. Aan hem, gelijk aan den Veldheer of aan den Staatsman, mogen de snelle en wisse blik, die het gevaar doorschouwt, en de tegenwoordigheid van geest, die het afwendt, niet ontbreken. Dat Tulp een en ander in een zeldzame mate bezat, dat getuigden zijn tijdgenooten: dat getuigen zijn geschriften, die de slotsom zijner waarnemingen behelzen.—Voegt men hierby, dat hy, door zijn onbaatzuchtige menschlievendheid, zoo wel de troost der zieken was als de toevlucht der armen, dan zal men, naar wy vertrouwen, kunnen geloof hechten aan zijn verklaring, dat het getal der door hem geredden en geheelden ontelbaar was. Byna onbegrijpelijk is het, hoe, by een zoo gestadig en yverig waarnemen der praktijk en een voortdurend geven van onderricht, hy den tijd nog kan gevonden hebben, op zoo veelzijdige wijze aan zijn vaderstad ten dienste te staan. En toch, de ambten, door hem bekleed reeds voor zijn dertigste jaar, als Lid van den Raad, later als weesmeester, Kommissaris van de Bank van Leening en van Huwlijks zaken, als voorzittend Schepen, en eindelijk als Burgemeester, zijn benoeming tot Afgevaardigde—in 1650 aan Prins Willem II, in 1653 naar ’s Gravenhage om over den vrede met Engeland te handelen—zijn betrekking als Curator van het Atheneum en als Voorzitter der kommissie van Geneeskundig Toevoorzicht, zijn gedrag vooral in 1672, toen hy, de tachtigjarige grijzaart, met jongelingsvuur en mannemoed in de Statenvergadering van Holland den lafhartigen wederstond, die ons land aan den Franschen geweldenaar zouden hebben overgeleverd, dat alles geeft hem aansprakengenoeg op den eerbied van tijdgenoot en nakomelingschap: en, zonder grootspraak, zonder eigenwaan, kon hy, die, met opoffering van eigen tijd, geld, voordeel en krachten, zoo veel voor zijn medeburgers deed, tot zinnebeeld een brandende kaars voeren, met dit onderschrift:aliis inserviendo consumor, d. i. „door anderen ten dienste te staan, word ik zelf verteerd.”Talrijk waren de maatregelen, die, ter bevordering van de gezondheid der ingezetenen, op aanraden en door den invloed van Tulp, vooral onder zijn bestuur, werden genomen. Om die te leeren kennen heeft men slechts de Keurboeken van Amsterdam na te slaan, en in ’t byzonder dat van 1655, toen een wreede pestziekte de stad dreigde te ontvolken. Het was op aandrijven van Tulp dat het venten van oude kleêren en vodden anders dan op een bolwerk buiten de poort, het inbrengen en verkoopen van pruimen, krieken en komkommers, het nering doen of slachten van vee binnen zekeren tijd in huizen, waar iemand aan de pest gestorven was, het opschikken der lijken, het medegaan op de kerkhoven van andere personen dan de dragers, het behangen der sterfhuizen met wollen rouwstoffen, enz., gestreng verboden werd: dat vaste genees- en heelmeesters en apothekers werden aangesteld om de kranken van behoorlijke hulpmiddelen te voorzien, dat het verbranden van het stroo of beddegoed der gestorvenen, het reinigen der straatgoten, het dichtpekken der doodkisten, het zuiveren der lucht door ’t branden van pektonnen, het verruimen en vermeerderen der kerkhoven, en het tijdig begraven, werd voorgeschreven. Van dien zelfden tijd is ook een befaamde keur op de maaltijden, die zich begonnen te kenmerken door kwistigen overdaad. Het getal der gerechten en schotels werd beperkt en onder anderen verboden op het nagerecht suikergebak of zoogenaamdegentillessesop te dragen. Intusschen had deze laatste keur het lot van enkele anderen, als o. a. van die tegen het begraven by avond met fakkellicht: zy scheen namelijk alleen uitgevaardigd om overtreden te worden. Immers het feestmaal, dat reeds in datzelfde jaar 1655, ter gelegenheid der bruiloft van Jan de Witt met Wendela Bickersdochter te Amsterdam aan het huis der Bruid gegeven werd, verschilde, wat pracht, overvloed en keur van uitgezochte spijzen betreft, in geen opzicht van die, tegen welke men het noodig geächt had een keur uit te vaardigen, en, mocht Tulp andere verordeningen, door hem tot heil zijner medeburgers ingesteld, getrouw zien nakomen, met opzicht totdie omtrent de gastmalen moest hy ondervinden, dat de mode en de zucht tot schitteren sterker zijn dan alle wettelijke bepalingen die de Overheid kan maken. Hy gaf ’t dan ook op, en toen hy op den 28 Januarij 1672, in den tuin achter zijn woning op de Keizersgracht tusschen de Westermarkt en Reestraat, in een opgeslagen loods, die met blaauwe stof behangen was, het vijftigste verjaarfeest vierde van zijn aanstelling tot Raad, en de gasten, voor dat men opdischte al heimelijk vreesden, of wellicht de Burgemeester, door trouwe inachtneming zijner keur, hun toonen zoû, hoe Amsterdam door eenvoud en zuinigheid was groot geworden, werden zy aangenaam verrast, toen zy ontdekten dat de maaltijd niet anders noch minder was, dan men by dergelijke gelegenheden gewoon was. De les van Cats werd echter daarby in acht genomen, waar hy zegt:Terwijl de maeltyt duurt, zoo laat gedichten lesenOf iet, dat aengenaem aen vrient en gast kan wesen:Het is van outs geseght: het is de beste feest,Die wel doet aen het lijf, maer beeter aan den geest.Immers, by elk gerecht werd een Latijnsch gedicht voorgelezen en omgedeeld: het eerste, vervaardigd door Schepen Joan Six, des Burgemeesters schoonzoon: het tweede, door den beroemden Hoogleeraar Francius: het derde, door Dr.Françoisde Vicq.By het tweede gedicht werd aan ieder der gasten een zilveren gedenkpenning vereerd: en—wel een bewijs dat de keur niet meer gold—ieder mocht een zwaren schotel met suikergebak en konfituren naar huis dragen.

NICOLAAS PIETERSZ. TULP.

Vrij verward en onzeker was, in den aanvang der zeventiende eeuw, niet slechts hier te lande, maar door Europa in ’t algemeen, de toestand der Geneeskunde. Een aanzienlijk deel der artsen, afgeschrikt door de dwaasheden welke Paracelsus had verkondigd, sloot de oogen ook voor het goede, in zijn leer vervat, en voor het gewicht der ontdekkingen, door hem gedaan. De zoodanigen, van alle nieuwigheden afkeerig, weken geen hair breed af van de voorschriften van Galenus. Anderen, met de orde der Rozekruisers verbonden, overdreven nog, onder geleide van Thurneysen, de buitensporigheden der Paracelsische sekte: de verstandigsten, of althands de voorzichtigsten, kozen de party der oudeeclectici, namen het goede uit beide leerwijzen, pasten dit op hun tijdperk toe, en poogden de scheikunde, gelijk zy door Erastus en Liravius gezuiverd was, het gebied der geneeskunde binnen te leiden. Van Helmont, hoezeer meer beschaafd dan Paracelsus, volgde hem na in zijn pogingen om de geneeskunde aan de scheikunde ondergeschikt te maken, en in het aanprijzen van sterke en samengestelde panaceën, welke laatste eerlang door zijn talrijke aanhangers en navolgers werden in gebruik gesteld. De man nu, die, toegerust met kennis, volharding en moed, in de dagen van Frederik Hendrik als geneesheer optrad, en zich krachtdadig en met goeden uitslag tegen dat gebruik of liever tegen dat misbruik van wondermiddelen verzette, en aan zijn leerlingen een redelijker, wetenschappelijker weg aanwees om tot de kennis der geneeskunst te geraken, en zich daardoor een eereplaats onder de groote vernuften van zijn tijdvak verwierf, was Nicolaas Tulp.Nicolaas Pietersz. Tulp.Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Nicolaas Pietersz. Tulp.Op den 11 October 1593 te Amsterdam geboren, uit Pieter Dirkszoon, een vermogend koopman, en Geertruida Dirksdochter, had de jeugdigeNicolaas, die reeds vroeg een grootere neiging voor de beoefening der wetenschap dan voor het bedrijf zijns vaders aan den dag legde, te Leyden onder Vorstius en Heurnius de gronden der geneeskunde geleerd en zich eerlang te Amsterdam als arts gevestigd. Hoe zijn bekwaamheid in meer dan een opzicht door zijn medeburgers op prijs gesteld werd bleek onder anderen daaruit, dat hy, reeds in 1622, tot Schepen en Raad werd benoemd. Weldra maakte hy den naam van Tulp, dien hy, ter onderscheiding van zoo vele andere Claes Pieterszoons als toen bestonden, had aangenomen, beroemd door de nieuwe leerwijze, welke hy in zijn praktijk zoowel als in zijn geschriften toonde voor te staan. Hoezeer niet in allen deele de Paracelsische leer verwerpende, streefde hy vooral naar het opsporen der waarheid langs den weg van een yverig en gewetensvol onderzoek der natuur. Dat onderzoek stelde hem in staat, talrijke dwaalbegrippen, hoe ook ingeworteld, te keer te gaan. Zoo b. v. toonde hy aan, hoe de zoogenoemde ivoren horens, die in de kabinetten der vorsten en natuurvorschers bewaard werden, en aan welke een geheime geneeskracht werd toegeschreven, niet van den eenhoorn, dat wonderdier der oude waereld, herkomstig waren, maar eenvoudig slagtanden waren des Narvals: zoo, hoe de Satyrs der fabelkunde zich oplosten in boschmenschen of orang-outangs. Vooral was het de ontleedkunde, welke hy dienstbaar maakte aan de geneeskunde, en aan geen onzer lezers zal het vermoedelijk onbekend zijn, hoe hy, als leeraar in die wetenschap wordt voorgesteld op de beroemde schildery, door Rembrandt in 1632 vervaardigd.Groot was het nut, hetwelk Tulp zijnen medeburgers bewees door die anatomische lessen, welke hy bleef geven tot in 1654: in welk jaar hy geroepen werd om, als Burgemeester, andere en wederom hoogst gewichtige diensten te bewijzen. Zijn waarnemingen als ontleedkundige zullen steeds blijven behooren tot grondzuilen, waarop men met gerustheid kan voortbouwen, en die, op de natuur zelve steunende, alleen met deze te niet kunnen gaan. Even getrouw volgde hy deze geleidster op het nog duistere pad der heelkunde: overtuigd van den schakel tusschen de verschillende takken en van het onafscheidbare verband tusschen genees- en heelkunde, begreep hy, dat eerst dan het ideaal der kunst zoû te bereiken zijn, wanneer beiden hand aan hand het steile pad der ondervinding betraden.De betrekking als Schepen, welke hy ook na 1622 herhaaldelijkbekleedde, stelde hem in de gelegenheid, de schuilhoeken van het menschelijk hart te bespieden, en lessen en wenken te vergaderen, dienstbaar zoo voor de gerechtelijke als voor de zielsgeneeskunde. Hoe gelukkig hy deze laatste beöefende, bewees hy door de genezing, welke twee waanzinnigen, waarvan de een zich verbeeldde aan blindheid, de ander aan beenverzwakking te lijden, aan zijn scherpzinnigheid en geduld te danken hadden. Ook de kruidkunde was het voorwerp zijner studiën: getrouw aan zijn stelling, dat overal de natuur voor den mensch waakt, stelde hy vast, dat geen land zoo stiefmoederlijk is bedeeld, of het levert inlandsche geneeskruiden voor inheemsche ziekten, en wy moeten het bejammeren, dat hy het werk, waarin hy deze stelling uiteenzette, voor zijn dood heeft verbrand.Maar ook de grondigste theoretische kennis is op zich zelve niet voldoende om den Arts het vertrouwen zijner medeburgers te verwerven. Aan hem, gelijk aan den Veldheer of aan den Staatsman, mogen de snelle en wisse blik, die het gevaar doorschouwt, en de tegenwoordigheid van geest, die het afwendt, niet ontbreken. Dat Tulp een en ander in een zeldzame mate bezat, dat getuigden zijn tijdgenooten: dat getuigen zijn geschriften, die de slotsom zijner waarnemingen behelzen.—Voegt men hierby, dat hy, door zijn onbaatzuchtige menschlievendheid, zoo wel de troost der zieken was als de toevlucht der armen, dan zal men, naar wy vertrouwen, kunnen geloof hechten aan zijn verklaring, dat het getal der door hem geredden en geheelden ontelbaar was. Byna onbegrijpelijk is het, hoe, by een zoo gestadig en yverig waarnemen der praktijk en een voortdurend geven van onderricht, hy den tijd nog kan gevonden hebben, op zoo veelzijdige wijze aan zijn vaderstad ten dienste te staan. En toch, de ambten, door hem bekleed reeds voor zijn dertigste jaar, als Lid van den Raad, later als weesmeester, Kommissaris van de Bank van Leening en van Huwlijks zaken, als voorzittend Schepen, en eindelijk als Burgemeester, zijn benoeming tot Afgevaardigde—in 1650 aan Prins Willem II, in 1653 naar ’s Gravenhage om over den vrede met Engeland te handelen—zijn betrekking als Curator van het Atheneum en als Voorzitter der kommissie van Geneeskundig Toevoorzicht, zijn gedrag vooral in 1672, toen hy, de tachtigjarige grijzaart, met jongelingsvuur en mannemoed in de Statenvergadering van Holland den lafhartigen wederstond, die ons land aan den Franschen geweldenaar zouden hebben overgeleverd, dat alles geeft hem aansprakengenoeg op den eerbied van tijdgenoot en nakomelingschap: en, zonder grootspraak, zonder eigenwaan, kon hy, die, met opoffering van eigen tijd, geld, voordeel en krachten, zoo veel voor zijn medeburgers deed, tot zinnebeeld een brandende kaars voeren, met dit onderschrift:aliis inserviendo consumor, d. i. „door anderen ten dienste te staan, word ik zelf verteerd.”Talrijk waren de maatregelen, die, ter bevordering van de gezondheid der ingezetenen, op aanraden en door den invloed van Tulp, vooral onder zijn bestuur, werden genomen. Om die te leeren kennen heeft men slechts de Keurboeken van Amsterdam na te slaan, en in ’t byzonder dat van 1655, toen een wreede pestziekte de stad dreigde te ontvolken. Het was op aandrijven van Tulp dat het venten van oude kleêren en vodden anders dan op een bolwerk buiten de poort, het inbrengen en verkoopen van pruimen, krieken en komkommers, het nering doen of slachten van vee binnen zekeren tijd in huizen, waar iemand aan de pest gestorven was, het opschikken der lijken, het medegaan op de kerkhoven van andere personen dan de dragers, het behangen der sterfhuizen met wollen rouwstoffen, enz., gestreng verboden werd: dat vaste genees- en heelmeesters en apothekers werden aangesteld om de kranken van behoorlijke hulpmiddelen te voorzien, dat het verbranden van het stroo of beddegoed der gestorvenen, het reinigen der straatgoten, het dichtpekken der doodkisten, het zuiveren der lucht door ’t branden van pektonnen, het verruimen en vermeerderen der kerkhoven, en het tijdig begraven, werd voorgeschreven. Van dien zelfden tijd is ook een befaamde keur op de maaltijden, die zich begonnen te kenmerken door kwistigen overdaad. Het getal der gerechten en schotels werd beperkt en onder anderen verboden op het nagerecht suikergebak of zoogenaamdegentillessesop te dragen. Intusschen had deze laatste keur het lot van enkele anderen, als o. a. van die tegen het begraven by avond met fakkellicht: zy scheen namelijk alleen uitgevaardigd om overtreden te worden. Immers het feestmaal, dat reeds in datzelfde jaar 1655, ter gelegenheid der bruiloft van Jan de Witt met Wendela Bickersdochter te Amsterdam aan het huis der Bruid gegeven werd, verschilde, wat pracht, overvloed en keur van uitgezochte spijzen betreft, in geen opzicht van die, tegen welke men het noodig geächt had een keur uit te vaardigen, en, mocht Tulp andere verordeningen, door hem tot heil zijner medeburgers ingesteld, getrouw zien nakomen, met opzicht totdie omtrent de gastmalen moest hy ondervinden, dat de mode en de zucht tot schitteren sterker zijn dan alle wettelijke bepalingen die de Overheid kan maken. Hy gaf ’t dan ook op, en toen hy op den 28 Januarij 1672, in den tuin achter zijn woning op de Keizersgracht tusschen de Westermarkt en Reestraat, in een opgeslagen loods, die met blaauwe stof behangen was, het vijftigste verjaarfeest vierde van zijn aanstelling tot Raad, en de gasten, voor dat men opdischte al heimelijk vreesden, of wellicht de Burgemeester, door trouwe inachtneming zijner keur, hun toonen zoû, hoe Amsterdam door eenvoud en zuinigheid was groot geworden, werden zy aangenaam verrast, toen zy ontdekten dat de maaltijd niet anders noch minder was, dan men by dergelijke gelegenheden gewoon was. De les van Cats werd echter daarby in acht genomen, waar hy zegt:Terwijl de maeltyt duurt, zoo laat gedichten lesenOf iet, dat aengenaem aen vrient en gast kan wesen:Het is van outs geseght: het is de beste feest,Die wel doet aen het lijf, maer beeter aan den geest.Immers, by elk gerecht werd een Latijnsch gedicht voorgelezen en omgedeeld: het eerste, vervaardigd door Schepen Joan Six, des Burgemeesters schoonzoon: het tweede, door den beroemden Hoogleeraar Francius: het derde, door Dr.Françoisde Vicq.By het tweede gedicht werd aan ieder der gasten een zilveren gedenkpenning vereerd: en—wel een bewijs dat de keur niet meer gold—ieder mocht een zwaren schotel met suikergebak en konfituren naar huis dragen.

Vrij verward en onzeker was, in den aanvang der zeventiende eeuw, niet slechts hier te lande, maar door Europa in ’t algemeen, de toestand der Geneeskunde. Een aanzienlijk deel der artsen, afgeschrikt door de dwaasheden welke Paracelsus had verkondigd, sloot de oogen ook voor het goede, in zijn leer vervat, en voor het gewicht der ontdekkingen, door hem gedaan. De zoodanigen, van alle nieuwigheden afkeerig, weken geen hair breed af van de voorschriften van Galenus. Anderen, met de orde der Rozekruisers verbonden, overdreven nog, onder geleide van Thurneysen, de buitensporigheden der Paracelsische sekte: de verstandigsten, of althands de voorzichtigsten, kozen de party der oudeeclectici, namen het goede uit beide leerwijzen, pasten dit op hun tijdperk toe, en poogden de scheikunde, gelijk zy door Erastus en Liravius gezuiverd was, het gebied der geneeskunde binnen te leiden. Van Helmont, hoezeer meer beschaafd dan Paracelsus, volgde hem na in zijn pogingen om de geneeskunde aan de scheikunde ondergeschikt te maken, en in het aanprijzen van sterke en samengestelde panaceën, welke laatste eerlang door zijn talrijke aanhangers en navolgers werden in gebruik gesteld. De man nu, die, toegerust met kennis, volharding en moed, in de dagen van Frederik Hendrik als geneesheer optrad, en zich krachtdadig en met goeden uitslag tegen dat gebruik of liever tegen dat misbruik van wondermiddelen verzette, en aan zijn leerlingen een redelijker, wetenschappelijker weg aanwees om tot de kennis der geneeskunst te geraken, en zich daardoor een eereplaats onder de groote vernuften van zijn tijdvak verwierf, was Nicolaas Tulp.

Nicolaas Pietersz. Tulp.Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Nicolaas Pietersz. Tulp.

Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Nicolaas Pietersz. Tulp.

Op den 11 October 1593 te Amsterdam geboren, uit Pieter Dirkszoon, een vermogend koopman, en Geertruida Dirksdochter, had de jeugdigeNicolaas, die reeds vroeg een grootere neiging voor de beoefening der wetenschap dan voor het bedrijf zijns vaders aan den dag legde, te Leyden onder Vorstius en Heurnius de gronden der geneeskunde geleerd en zich eerlang te Amsterdam als arts gevestigd. Hoe zijn bekwaamheid in meer dan een opzicht door zijn medeburgers op prijs gesteld werd bleek onder anderen daaruit, dat hy, reeds in 1622, tot Schepen en Raad werd benoemd. Weldra maakte hy den naam van Tulp, dien hy, ter onderscheiding van zoo vele andere Claes Pieterszoons als toen bestonden, had aangenomen, beroemd door de nieuwe leerwijze, welke hy in zijn praktijk zoowel als in zijn geschriften toonde voor te staan. Hoezeer niet in allen deele de Paracelsische leer verwerpende, streefde hy vooral naar het opsporen der waarheid langs den weg van een yverig en gewetensvol onderzoek der natuur. Dat onderzoek stelde hem in staat, talrijke dwaalbegrippen, hoe ook ingeworteld, te keer te gaan. Zoo b. v. toonde hy aan, hoe de zoogenoemde ivoren horens, die in de kabinetten der vorsten en natuurvorschers bewaard werden, en aan welke een geheime geneeskracht werd toegeschreven, niet van den eenhoorn, dat wonderdier der oude waereld, herkomstig waren, maar eenvoudig slagtanden waren des Narvals: zoo, hoe de Satyrs der fabelkunde zich oplosten in boschmenschen of orang-outangs. Vooral was het de ontleedkunde, welke hy dienstbaar maakte aan de geneeskunde, en aan geen onzer lezers zal het vermoedelijk onbekend zijn, hoe hy, als leeraar in die wetenschap wordt voorgesteld op de beroemde schildery, door Rembrandt in 1632 vervaardigd.

Groot was het nut, hetwelk Tulp zijnen medeburgers bewees door die anatomische lessen, welke hy bleef geven tot in 1654: in welk jaar hy geroepen werd om, als Burgemeester, andere en wederom hoogst gewichtige diensten te bewijzen. Zijn waarnemingen als ontleedkundige zullen steeds blijven behooren tot grondzuilen, waarop men met gerustheid kan voortbouwen, en die, op de natuur zelve steunende, alleen met deze te niet kunnen gaan. Even getrouw volgde hy deze geleidster op het nog duistere pad der heelkunde: overtuigd van den schakel tusschen de verschillende takken en van het onafscheidbare verband tusschen genees- en heelkunde, begreep hy, dat eerst dan het ideaal der kunst zoû te bereiken zijn, wanneer beiden hand aan hand het steile pad der ondervinding betraden.

De betrekking als Schepen, welke hy ook na 1622 herhaaldelijkbekleedde, stelde hem in de gelegenheid, de schuilhoeken van het menschelijk hart te bespieden, en lessen en wenken te vergaderen, dienstbaar zoo voor de gerechtelijke als voor de zielsgeneeskunde. Hoe gelukkig hy deze laatste beöefende, bewees hy door de genezing, welke twee waanzinnigen, waarvan de een zich verbeeldde aan blindheid, de ander aan beenverzwakking te lijden, aan zijn scherpzinnigheid en geduld te danken hadden. Ook de kruidkunde was het voorwerp zijner studiën: getrouw aan zijn stelling, dat overal de natuur voor den mensch waakt, stelde hy vast, dat geen land zoo stiefmoederlijk is bedeeld, of het levert inlandsche geneeskruiden voor inheemsche ziekten, en wy moeten het bejammeren, dat hy het werk, waarin hy deze stelling uiteenzette, voor zijn dood heeft verbrand.

Maar ook de grondigste theoretische kennis is op zich zelve niet voldoende om den Arts het vertrouwen zijner medeburgers te verwerven. Aan hem, gelijk aan den Veldheer of aan den Staatsman, mogen de snelle en wisse blik, die het gevaar doorschouwt, en de tegenwoordigheid van geest, die het afwendt, niet ontbreken. Dat Tulp een en ander in een zeldzame mate bezat, dat getuigden zijn tijdgenooten: dat getuigen zijn geschriften, die de slotsom zijner waarnemingen behelzen.—Voegt men hierby, dat hy, door zijn onbaatzuchtige menschlievendheid, zoo wel de troost der zieken was als de toevlucht der armen, dan zal men, naar wy vertrouwen, kunnen geloof hechten aan zijn verklaring, dat het getal der door hem geredden en geheelden ontelbaar was. Byna onbegrijpelijk is het, hoe, by een zoo gestadig en yverig waarnemen der praktijk en een voortdurend geven van onderricht, hy den tijd nog kan gevonden hebben, op zoo veelzijdige wijze aan zijn vaderstad ten dienste te staan. En toch, de ambten, door hem bekleed reeds voor zijn dertigste jaar, als Lid van den Raad, later als weesmeester, Kommissaris van de Bank van Leening en van Huwlijks zaken, als voorzittend Schepen, en eindelijk als Burgemeester, zijn benoeming tot Afgevaardigde—in 1650 aan Prins Willem II, in 1653 naar ’s Gravenhage om over den vrede met Engeland te handelen—zijn betrekking als Curator van het Atheneum en als Voorzitter der kommissie van Geneeskundig Toevoorzicht, zijn gedrag vooral in 1672, toen hy, de tachtigjarige grijzaart, met jongelingsvuur en mannemoed in de Statenvergadering van Holland den lafhartigen wederstond, die ons land aan den Franschen geweldenaar zouden hebben overgeleverd, dat alles geeft hem aansprakengenoeg op den eerbied van tijdgenoot en nakomelingschap: en, zonder grootspraak, zonder eigenwaan, kon hy, die, met opoffering van eigen tijd, geld, voordeel en krachten, zoo veel voor zijn medeburgers deed, tot zinnebeeld een brandende kaars voeren, met dit onderschrift:aliis inserviendo consumor, d. i. „door anderen ten dienste te staan, word ik zelf verteerd.”

Talrijk waren de maatregelen, die, ter bevordering van de gezondheid der ingezetenen, op aanraden en door den invloed van Tulp, vooral onder zijn bestuur, werden genomen. Om die te leeren kennen heeft men slechts de Keurboeken van Amsterdam na te slaan, en in ’t byzonder dat van 1655, toen een wreede pestziekte de stad dreigde te ontvolken. Het was op aandrijven van Tulp dat het venten van oude kleêren en vodden anders dan op een bolwerk buiten de poort, het inbrengen en verkoopen van pruimen, krieken en komkommers, het nering doen of slachten van vee binnen zekeren tijd in huizen, waar iemand aan de pest gestorven was, het opschikken der lijken, het medegaan op de kerkhoven van andere personen dan de dragers, het behangen der sterfhuizen met wollen rouwstoffen, enz., gestreng verboden werd: dat vaste genees- en heelmeesters en apothekers werden aangesteld om de kranken van behoorlijke hulpmiddelen te voorzien, dat het verbranden van het stroo of beddegoed der gestorvenen, het reinigen der straatgoten, het dichtpekken der doodkisten, het zuiveren der lucht door ’t branden van pektonnen, het verruimen en vermeerderen der kerkhoven, en het tijdig begraven, werd voorgeschreven. Van dien zelfden tijd is ook een befaamde keur op de maaltijden, die zich begonnen te kenmerken door kwistigen overdaad. Het getal der gerechten en schotels werd beperkt en onder anderen verboden op het nagerecht suikergebak of zoogenaamdegentillessesop te dragen. Intusschen had deze laatste keur het lot van enkele anderen, als o. a. van die tegen het begraven by avond met fakkellicht: zy scheen namelijk alleen uitgevaardigd om overtreden te worden. Immers het feestmaal, dat reeds in datzelfde jaar 1655, ter gelegenheid der bruiloft van Jan de Witt met Wendela Bickersdochter te Amsterdam aan het huis der Bruid gegeven werd, verschilde, wat pracht, overvloed en keur van uitgezochte spijzen betreft, in geen opzicht van die, tegen welke men het noodig geächt had een keur uit te vaardigen, en, mocht Tulp andere verordeningen, door hem tot heil zijner medeburgers ingesteld, getrouw zien nakomen, met opzicht totdie omtrent de gastmalen moest hy ondervinden, dat de mode en de zucht tot schitteren sterker zijn dan alle wettelijke bepalingen die de Overheid kan maken. Hy gaf ’t dan ook op, en toen hy op den 28 Januarij 1672, in den tuin achter zijn woning op de Keizersgracht tusschen de Westermarkt en Reestraat, in een opgeslagen loods, die met blaauwe stof behangen was, het vijftigste verjaarfeest vierde van zijn aanstelling tot Raad, en de gasten, voor dat men opdischte al heimelijk vreesden, of wellicht de Burgemeester, door trouwe inachtneming zijner keur, hun toonen zoû, hoe Amsterdam door eenvoud en zuinigheid was groot geworden, werden zy aangenaam verrast, toen zy ontdekten dat de maaltijd niet anders noch minder was, dan men by dergelijke gelegenheden gewoon was. De les van Cats werd echter daarby in acht genomen, waar hy zegt:

Terwijl de maeltyt duurt, zoo laat gedichten lesenOf iet, dat aengenaem aen vrient en gast kan wesen:Het is van outs geseght: het is de beste feest,Die wel doet aen het lijf, maer beeter aan den geest.

Terwijl de maeltyt duurt, zoo laat gedichten lesen

Of iet, dat aengenaem aen vrient en gast kan wesen:

Het is van outs geseght: het is de beste feest,

Die wel doet aen het lijf, maer beeter aan den geest.

Immers, by elk gerecht werd een Latijnsch gedicht voorgelezen en omgedeeld: het eerste, vervaardigd door Schepen Joan Six, des Burgemeesters schoonzoon: het tweede, door den beroemden Hoogleeraar Francius: het derde, door Dr.Françoisde Vicq.By het tweede gedicht werd aan ieder der gasten een zilveren gedenkpenning vereerd: en—wel een bewijs dat de keur niet meer gold—ieder mocht een zwaren schotel met suikergebak en konfituren naar huis dragen.


Back to IndexNext