KONSTANTIJN HUYGENS.Het was omstreeks 1622, dat, in het blijde en geestvolle gezelschap, ’t welk gewoon was, zich op ’t Muiderslot te vereenigen, een zes-en-twintigjarige jongeling werd binnengeleid, die, als bewoner der Hofstad, waar hy zich in de hoogste kringen bewoog, een voorwerp van belangstelling voor de Amsterdamsche Juffers, van nijd voor de Amsterdamsche pronkertjens, van nieuwsgierigheid voor allen wezen moest, en die zoowel den nijd als de belangstelling deed toenemen, toen hy zich aldra onderscheidde, niet alleen door heusche en innemende vormen, vrolijk vernuft, vlugheid en zwier in dans en andere lichaamsoefeningen en een meer dan gewoon muzykaal talent, maar ook door de scherpzinnigheid en het helder oordeel, waarmede hy zijn denkbeelden wist te ontwikkelen over onderwerpen van staatkunde, wijsbegeerte, letteren en poëzy. Die jongeling was Konstantijn Huygens, op den 4. September, 1596, te ’s Gravenhage geboren, en tweede zoon van Christiaan Huygens, die Geheimschrijver van Prins Willem I, later van de Staten was geweest. Een verschil van vijftien jaren, dat tusschen hem en zijn gastheer bestond, belette niet, dat deze, ingenomen met de kennis en den geest, die de jongeling aan den dag legde, en niet minder met het aangename van zijn omgang, hem al spoedig op den meest vertrouwelijken voet behandelde, zoo dat wederkeerig Huygens, gestreeld door de onderscheiding, welke een man als Hooft hem betoonde, en zich met hem volkomen op zijn gemak gevoelende, dat vertrouwen van zijne zijde beantwoordde. En zoo ontstond er tusschen hen beiden een vriendschap, hoedanige anders alleen tusschen speel- en schoolmakkers, althands tusschen lieden van gelijken leeftijd, gesloten wordt. Huygens raadpleegde Hooft over zijn minnaryen zoowel als over zijn gedichten, Hooft hem wederkeerig over politieke zoowel alsover taalkundige twistvragen; en hy wist, dat hy in beide gevallen by den rechten man kwam. Immers, was Huygens, waar het de letterkunde betrof, een fijn en kundig opmerker, hy was dit niet minder in zaken van Staatkunde. Zijn bekendheid van der jeugd af met al de genen, die deel hadden aan ’t Staatsbestuur, en met de Gezanten van buitenlandsche Mogendheden, stelde hem in de gelegenheid veel te weten, dat aan den Drossaart niet of niet naauwkeurig ter oore kwam: en weldra was hy nog beter in staat, dezen omtrent de gewichtigste zaken tot vraagbaak te strekken, toen Frederik Hendrik, by zijn komst aan ’t bewind, hem by zich nam in dezelfde betrekking, welke zijn Vader by ’s Prinsen Vader had vervuld. Mocht ook het huwelijk, ’t welk Huygens in 1626 aanging met Suzanna van Baerle, een verre nicht van den beroemden hoogleeraar, ten gevolge hebben, dat hy de dagen, welke hy niet by den Prins in ’t leger doorbracht, by voorkeur t’huis by vrouw en kinderen sleet, het bracht geen verkoeling te weeg in de genegenheid, welke hy voor Hooft had opgevat: en, zagen zy elkander niet zoo dikwijls meer, wy danken aan die vermindering van wederzijdsche bezoeken een tal van onschatbare brieven, hoogst belangrijk van inhoud, en die ’t bewijs met zich brengen van onverstoorde hoogschatting en vertrouwelijkheid. Doch ook al degenen, die in de byzondere intimiteit van Hooft deelden, bleven by voortduring bewijzen ontfangen, dat Huygens voor hen gelijke gevoelens als de Drossaart koesterde. Vooral was Tesselschade, mede sedert hun eerste kennismaking gehuwd, het voorwerp zijner aanhoudende belangstelling. Beiden, Huygens en Tesselschade, verloren hun echtgenooten; en, ware het verschil van godsdienst geen beletsel geweest, voor elk hunner onoverkomelijk, misschien hadden zy elkander, door een nieuwe verbintenis, pogen te troosten. Nu bleven beiden ongehuwd, doch even hartelijk jegens elkander gezind, elkander tevens hoogachtende en kwellende, goeden raad wisselende en stekelige puntdichten.Constantijn Huygens.Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Constantijn Huygens.Wy noemden het woord „puntdichten”: en, zoo aan Huygens in honderd andere opzichten een plaats zoû toekomen onder de verdienstelijke mannen van zijn tijd, het is vooral zijn eigenaardigheid als epigrammatist, die hem van de overigen onderscheidt. Als Staatsman volbracht hy een schoone en eervolle twee-en-zestigjarige loopbaan; doch de aart zelf dier betrekking was oorzaak, dat hy maar zelden in de gelegenheid was, het Vaderland te dienen op zoodanige wijze als buiten af bekend wordt. Alsgeleerde was hy bestemd, anderen voor te lichten en daardoor merkbaren invloed uit te oefenen op de beschaving zijner tijdgenooten, meer dan om zelf te schitteren: als musikus was hy een bloot dilettant: in zijn vaerzen zocht hy de hooge vlucht, welke Vondel bereikte, niet na te streven; doch als Nederduitsch epigrammatist staat Huygens op een hoogte, door niemand hier te lande bereikt. En wanneer wy hem dien tytel toekennen, dan hebben wy niet zoo zeer het oog op den bundel van geestige punt- en sneldichten, door hem vervaardigd; maar op den puntigen stijl, die ieder zijner talrijke dichtvruchten, ernstige zoowel als boertige, overal kenmerkt: op dat gelukkig aanwenden van verrassende, snedige, puntige, pittige, treffende, doch juist gekozene woorden en uitdrukkingen, welke Huygens, altijd meester over de taal, met zoo veel gemak uit den schat, die hem ter dienste stond, wist te putten, en met zoo veel oordeel wist te pas te brengen. Doch, zoo hy door het kernachtige en beknopte, dat den stijl van Huygens onderscheidt, Spieghel evenaart, en niet zelden daardoor stroef is als deze, bezitten zijn gedichten echter niet zelden een bevallige zoetvloeiendheid en een zwier, die Spieghel t’eenemale mist. By hem is niet alleen de inhoud degelijk, maar ook de vorm doorgaands keurig, behagelijk, en, naar gelang van ’t onderwerp, frisch en krachtig, of liefelijk en welluidend. Nog altijd, in spijt van menig verouderde of min gewone woordvorming, vinden wy in zijn gedichten wat Vondel er in vond, en beter karakterizeerde, dan door ons zoû kunnen gedaan worden:Eenen bloemhof, milt van geur,Rijck door zijn verscheidenhedenVan gedaente en levend kleur:Een banket voor keurige oogen,Een muzykfeest voor ’t gehoor,Als de ziel, omhoog getogenNaer de wolcken vaert door ’t oor.. . . . . . gulde spreucken,Aerdige spitsvondigheên,Lessen van geen eeuw te kreucken,Redevormers van ’t gemeen,Gestoffeerde galeryen,Vol van kunst en wetenschap,Tafereelen waert te vryen,Honighkorven zoet van sap.Al de Dichters in één Dichter,Keur van stof en keur van maet,Kort of langer, zwaer of lichterEn gepast op yders Staet.Nog een andere lof, die, al komt hy den burger, niet den dichter toe, mag Huygens niet onthouden worden. Weinige plekken in ons vaderland zijn zoo bekend, zoo algemeen door landgenoot en vreemdeling bezocht, als Schevelingen. Maar is er naauwlijks een enkele onder de duizenden, die, ’t zij in prachtige rijtuigen, op mollige kussens gezeten of in hossende snorwagens samengepakt, ’t zij te voet, langs de bekoorlijke dreef of onder ’t dichte lommer der schilderachtige, eeuwenheugende eiken zich uit ’s Gravenhage derwaarts begeven, en er, deels alleen een verfrisschende koelte, deels het herstel hunner gezondheid, in ’t krachthernieuwende zeebad gaan zoeken, of wel eenvoudig, uitgelokt door ’t liefelijk saizoen, de benaauwende hitte der stad tegen een weldadige zeelucht, de krassende geluiden, die van markten en pleinen rijzen, tegen de liefelijke toonen van vink en nachtegaal gaan verwisselen, de beslommeringen van het Staatsbestuur gaan vergeten in de vrije en bekoorlijke natuur—is er, vragen wy, wel een enkele, die er aan denkt, dat, zoo hy langs een zoo fraaien, zoo gemakkelijken, zoo geriefelijken weg den afstand aflegt, die de Hofplaats van hare Zeevoorstad scheidt, hy zulks in de voornaamste plaats te danken heeft aan Konstantijn Huygens, die ’t eerst het denkbeeld opperde om den gullen zandweg, die het dorp aan de stad verbond, door een weg van klinkerts te doen vervangen, en, jaren lang, met onvermoeiden yver, op de aanneming bleef aandringen van het uitgewerkte plan, door hem te dien einde by de Regeering van ’s Gravenhage ingediend. Bezwaren van allerlei aart, even talrijk als die wy in onze dagen tegen elke nieuwe onderneming, tegen de Spoorwegen, tegen de Amsterdamsche Duin-Waterleiding, tegen de doorgraving van Holland op zijn Smalst, hebben zien aanvoeren, werden ook door de Hagenaars van dien tijd, even zwaartillend als onze hedendaagsche landgenooten, te berde gebracht, en het was niet dan na schier ongelooflijke moeite en een hardnekkigen, in poëzy en proza gevoerden, strijd, dat Huygens, eindelijk, zijn wensch bekroond en de Zeestraat begonnen en voltooid zag. En wel werd en wordt al meer en meer de overtuiging bevestigd, door hem in de toelichting van zijn ontwerp zoo krachtig uitgedrukt in deze woorden: „De gedurigheit dezer wandelinge houde ick soo seker, dat ick geloove den Steen-Wegh dagelicks sonder ophouden voll gegaens ende gerijds, ende van verre als een Begraeffenisse aan te sien soude wesen.”Men gevoelt, dat zoo Huygens hier ’t woord „Begrafenis” noemt, hy’t oog niet heeft op het sombere en plechtige, dat er mede gepaard gaat maar alleen op den talrijken sleep, die de begrafenissen in zijn tijd placht te vergezellen, en op den luister, die er mede gepaard ging.Was de invloed van Hooft op de letterkundige vorming van Huygens niet zonder gewicht, vooral was die ook merkbaar op de gedragslijn, welke de laatste in ’t politieke hield. Van 1625 tot aan 1687 een gewichtig ambt hebbende, beleefde hy tijden van twist en verdeeldheid; en toch wist hy, tot aan het einde toe, zich buiten alle partyschappen te houden en zich de achting te verwerven van allen, die beurtelings deel namen aan ’t bewind van den Staat.
KONSTANTIJN HUYGENS.Het was omstreeks 1622, dat, in het blijde en geestvolle gezelschap, ’t welk gewoon was, zich op ’t Muiderslot te vereenigen, een zes-en-twintigjarige jongeling werd binnengeleid, die, als bewoner der Hofstad, waar hy zich in de hoogste kringen bewoog, een voorwerp van belangstelling voor de Amsterdamsche Juffers, van nijd voor de Amsterdamsche pronkertjens, van nieuwsgierigheid voor allen wezen moest, en die zoowel den nijd als de belangstelling deed toenemen, toen hy zich aldra onderscheidde, niet alleen door heusche en innemende vormen, vrolijk vernuft, vlugheid en zwier in dans en andere lichaamsoefeningen en een meer dan gewoon muzykaal talent, maar ook door de scherpzinnigheid en het helder oordeel, waarmede hy zijn denkbeelden wist te ontwikkelen over onderwerpen van staatkunde, wijsbegeerte, letteren en poëzy. Die jongeling was Konstantijn Huygens, op den 4. September, 1596, te ’s Gravenhage geboren, en tweede zoon van Christiaan Huygens, die Geheimschrijver van Prins Willem I, later van de Staten was geweest. Een verschil van vijftien jaren, dat tusschen hem en zijn gastheer bestond, belette niet, dat deze, ingenomen met de kennis en den geest, die de jongeling aan den dag legde, en niet minder met het aangename van zijn omgang, hem al spoedig op den meest vertrouwelijken voet behandelde, zoo dat wederkeerig Huygens, gestreeld door de onderscheiding, welke een man als Hooft hem betoonde, en zich met hem volkomen op zijn gemak gevoelende, dat vertrouwen van zijne zijde beantwoordde. En zoo ontstond er tusschen hen beiden een vriendschap, hoedanige anders alleen tusschen speel- en schoolmakkers, althands tusschen lieden van gelijken leeftijd, gesloten wordt. Huygens raadpleegde Hooft over zijn minnaryen zoowel als over zijn gedichten, Hooft hem wederkeerig over politieke zoowel alsover taalkundige twistvragen; en hy wist, dat hy in beide gevallen by den rechten man kwam. Immers, was Huygens, waar het de letterkunde betrof, een fijn en kundig opmerker, hy was dit niet minder in zaken van Staatkunde. Zijn bekendheid van der jeugd af met al de genen, die deel hadden aan ’t Staatsbestuur, en met de Gezanten van buitenlandsche Mogendheden, stelde hem in de gelegenheid veel te weten, dat aan den Drossaart niet of niet naauwkeurig ter oore kwam: en weldra was hy nog beter in staat, dezen omtrent de gewichtigste zaken tot vraagbaak te strekken, toen Frederik Hendrik, by zijn komst aan ’t bewind, hem by zich nam in dezelfde betrekking, welke zijn Vader by ’s Prinsen Vader had vervuld. Mocht ook het huwelijk, ’t welk Huygens in 1626 aanging met Suzanna van Baerle, een verre nicht van den beroemden hoogleeraar, ten gevolge hebben, dat hy de dagen, welke hy niet by den Prins in ’t leger doorbracht, by voorkeur t’huis by vrouw en kinderen sleet, het bracht geen verkoeling te weeg in de genegenheid, welke hy voor Hooft had opgevat: en, zagen zy elkander niet zoo dikwijls meer, wy danken aan die vermindering van wederzijdsche bezoeken een tal van onschatbare brieven, hoogst belangrijk van inhoud, en die ’t bewijs met zich brengen van onverstoorde hoogschatting en vertrouwelijkheid. Doch ook al degenen, die in de byzondere intimiteit van Hooft deelden, bleven by voortduring bewijzen ontfangen, dat Huygens voor hen gelijke gevoelens als de Drossaart koesterde. Vooral was Tesselschade, mede sedert hun eerste kennismaking gehuwd, het voorwerp zijner aanhoudende belangstelling. Beiden, Huygens en Tesselschade, verloren hun echtgenooten; en, ware het verschil van godsdienst geen beletsel geweest, voor elk hunner onoverkomelijk, misschien hadden zy elkander, door een nieuwe verbintenis, pogen te troosten. Nu bleven beiden ongehuwd, doch even hartelijk jegens elkander gezind, elkander tevens hoogachtende en kwellende, goeden raad wisselende en stekelige puntdichten.Constantijn Huygens.Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Constantijn Huygens.Wy noemden het woord „puntdichten”: en, zoo aan Huygens in honderd andere opzichten een plaats zoû toekomen onder de verdienstelijke mannen van zijn tijd, het is vooral zijn eigenaardigheid als epigrammatist, die hem van de overigen onderscheidt. Als Staatsman volbracht hy een schoone en eervolle twee-en-zestigjarige loopbaan; doch de aart zelf dier betrekking was oorzaak, dat hy maar zelden in de gelegenheid was, het Vaderland te dienen op zoodanige wijze als buiten af bekend wordt. Alsgeleerde was hy bestemd, anderen voor te lichten en daardoor merkbaren invloed uit te oefenen op de beschaving zijner tijdgenooten, meer dan om zelf te schitteren: als musikus was hy een bloot dilettant: in zijn vaerzen zocht hy de hooge vlucht, welke Vondel bereikte, niet na te streven; doch als Nederduitsch epigrammatist staat Huygens op een hoogte, door niemand hier te lande bereikt. En wanneer wy hem dien tytel toekennen, dan hebben wy niet zoo zeer het oog op den bundel van geestige punt- en sneldichten, door hem vervaardigd; maar op den puntigen stijl, die ieder zijner talrijke dichtvruchten, ernstige zoowel als boertige, overal kenmerkt: op dat gelukkig aanwenden van verrassende, snedige, puntige, pittige, treffende, doch juist gekozene woorden en uitdrukkingen, welke Huygens, altijd meester over de taal, met zoo veel gemak uit den schat, die hem ter dienste stond, wist te putten, en met zoo veel oordeel wist te pas te brengen. Doch, zoo hy door het kernachtige en beknopte, dat den stijl van Huygens onderscheidt, Spieghel evenaart, en niet zelden daardoor stroef is als deze, bezitten zijn gedichten echter niet zelden een bevallige zoetvloeiendheid en een zwier, die Spieghel t’eenemale mist. By hem is niet alleen de inhoud degelijk, maar ook de vorm doorgaands keurig, behagelijk, en, naar gelang van ’t onderwerp, frisch en krachtig, of liefelijk en welluidend. Nog altijd, in spijt van menig verouderde of min gewone woordvorming, vinden wy in zijn gedichten wat Vondel er in vond, en beter karakterizeerde, dan door ons zoû kunnen gedaan worden:Eenen bloemhof, milt van geur,Rijck door zijn verscheidenhedenVan gedaente en levend kleur:Een banket voor keurige oogen,Een muzykfeest voor ’t gehoor,Als de ziel, omhoog getogenNaer de wolcken vaert door ’t oor.. . . . . . gulde spreucken,Aerdige spitsvondigheên,Lessen van geen eeuw te kreucken,Redevormers van ’t gemeen,Gestoffeerde galeryen,Vol van kunst en wetenschap,Tafereelen waert te vryen,Honighkorven zoet van sap.Al de Dichters in één Dichter,Keur van stof en keur van maet,Kort of langer, zwaer of lichterEn gepast op yders Staet.Nog een andere lof, die, al komt hy den burger, niet den dichter toe, mag Huygens niet onthouden worden. Weinige plekken in ons vaderland zijn zoo bekend, zoo algemeen door landgenoot en vreemdeling bezocht, als Schevelingen. Maar is er naauwlijks een enkele onder de duizenden, die, ’t zij in prachtige rijtuigen, op mollige kussens gezeten of in hossende snorwagens samengepakt, ’t zij te voet, langs de bekoorlijke dreef of onder ’t dichte lommer der schilderachtige, eeuwenheugende eiken zich uit ’s Gravenhage derwaarts begeven, en er, deels alleen een verfrisschende koelte, deels het herstel hunner gezondheid, in ’t krachthernieuwende zeebad gaan zoeken, of wel eenvoudig, uitgelokt door ’t liefelijk saizoen, de benaauwende hitte der stad tegen een weldadige zeelucht, de krassende geluiden, die van markten en pleinen rijzen, tegen de liefelijke toonen van vink en nachtegaal gaan verwisselen, de beslommeringen van het Staatsbestuur gaan vergeten in de vrije en bekoorlijke natuur—is er, vragen wy, wel een enkele, die er aan denkt, dat, zoo hy langs een zoo fraaien, zoo gemakkelijken, zoo geriefelijken weg den afstand aflegt, die de Hofplaats van hare Zeevoorstad scheidt, hy zulks in de voornaamste plaats te danken heeft aan Konstantijn Huygens, die ’t eerst het denkbeeld opperde om den gullen zandweg, die het dorp aan de stad verbond, door een weg van klinkerts te doen vervangen, en, jaren lang, met onvermoeiden yver, op de aanneming bleef aandringen van het uitgewerkte plan, door hem te dien einde by de Regeering van ’s Gravenhage ingediend. Bezwaren van allerlei aart, even talrijk als die wy in onze dagen tegen elke nieuwe onderneming, tegen de Spoorwegen, tegen de Amsterdamsche Duin-Waterleiding, tegen de doorgraving van Holland op zijn Smalst, hebben zien aanvoeren, werden ook door de Hagenaars van dien tijd, even zwaartillend als onze hedendaagsche landgenooten, te berde gebracht, en het was niet dan na schier ongelooflijke moeite en een hardnekkigen, in poëzy en proza gevoerden, strijd, dat Huygens, eindelijk, zijn wensch bekroond en de Zeestraat begonnen en voltooid zag. En wel werd en wordt al meer en meer de overtuiging bevestigd, door hem in de toelichting van zijn ontwerp zoo krachtig uitgedrukt in deze woorden: „De gedurigheit dezer wandelinge houde ick soo seker, dat ick geloove den Steen-Wegh dagelicks sonder ophouden voll gegaens ende gerijds, ende van verre als een Begraeffenisse aan te sien soude wesen.”Men gevoelt, dat zoo Huygens hier ’t woord „Begrafenis” noemt, hy’t oog niet heeft op het sombere en plechtige, dat er mede gepaard gaat maar alleen op den talrijken sleep, die de begrafenissen in zijn tijd placht te vergezellen, en op den luister, die er mede gepaard ging.Was de invloed van Hooft op de letterkundige vorming van Huygens niet zonder gewicht, vooral was die ook merkbaar op de gedragslijn, welke de laatste in ’t politieke hield. Van 1625 tot aan 1687 een gewichtig ambt hebbende, beleefde hy tijden van twist en verdeeldheid; en toch wist hy, tot aan het einde toe, zich buiten alle partyschappen te houden en zich de achting te verwerven van allen, die beurtelings deel namen aan ’t bewind van den Staat.
KONSTANTIJN HUYGENS.
Het was omstreeks 1622, dat, in het blijde en geestvolle gezelschap, ’t welk gewoon was, zich op ’t Muiderslot te vereenigen, een zes-en-twintigjarige jongeling werd binnengeleid, die, als bewoner der Hofstad, waar hy zich in de hoogste kringen bewoog, een voorwerp van belangstelling voor de Amsterdamsche Juffers, van nijd voor de Amsterdamsche pronkertjens, van nieuwsgierigheid voor allen wezen moest, en die zoowel den nijd als de belangstelling deed toenemen, toen hy zich aldra onderscheidde, niet alleen door heusche en innemende vormen, vrolijk vernuft, vlugheid en zwier in dans en andere lichaamsoefeningen en een meer dan gewoon muzykaal talent, maar ook door de scherpzinnigheid en het helder oordeel, waarmede hy zijn denkbeelden wist te ontwikkelen over onderwerpen van staatkunde, wijsbegeerte, letteren en poëzy. Die jongeling was Konstantijn Huygens, op den 4. September, 1596, te ’s Gravenhage geboren, en tweede zoon van Christiaan Huygens, die Geheimschrijver van Prins Willem I, later van de Staten was geweest. Een verschil van vijftien jaren, dat tusschen hem en zijn gastheer bestond, belette niet, dat deze, ingenomen met de kennis en den geest, die de jongeling aan den dag legde, en niet minder met het aangename van zijn omgang, hem al spoedig op den meest vertrouwelijken voet behandelde, zoo dat wederkeerig Huygens, gestreeld door de onderscheiding, welke een man als Hooft hem betoonde, en zich met hem volkomen op zijn gemak gevoelende, dat vertrouwen van zijne zijde beantwoordde. En zoo ontstond er tusschen hen beiden een vriendschap, hoedanige anders alleen tusschen speel- en schoolmakkers, althands tusschen lieden van gelijken leeftijd, gesloten wordt. Huygens raadpleegde Hooft over zijn minnaryen zoowel als over zijn gedichten, Hooft hem wederkeerig over politieke zoowel alsover taalkundige twistvragen; en hy wist, dat hy in beide gevallen by den rechten man kwam. Immers, was Huygens, waar het de letterkunde betrof, een fijn en kundig opmerker, hy was dit niet minder in zaken van Staatkunde. Zijn bekendheid van der jeugd af met al de genen, die deel hadden aan ’t Staatsbestuur, en met de Gezanten van buitenlandsche Mogendheden, stelde hem in de gelegenheid veel te weten, dat aan den Drossaart niet of niet naauwkeurig ter oore kwam: en weldra was hy nog beter in staat, dezen omtrent de gewichtigste zaken tot vraagbaak te strekken, toen Frederik Hendrik, by zijn komst aan ’t bewind, hem by zich nam in dezelfde betrekking, welke zijn Vader by ’s Prinsen Vader had vervuld. Mocht ook het huwelijk, ’t welk Huygens in 1626 aanging met Suzanna van Baerle, een verre nicht van den beroemden hoogleeraar, ten gevolge hebben, dat hy de dagen, welke hy niet by den Prins in ’t leger doorbracht, by voorkeur t’huis by vrouw en kinderen sleet, het bracht geen verkoeling te weeg in de genegenheid, welke hy voor Hooft had opgevat: en, zagen zy elkander niet zoo dikwijls meer, wy danken aan die vermindering van wederzijdsche bezoeken een tal van onschatbare brieven, hoogst belangrijk van inhoud, en die ’t bewijs met zich brengen van onverstoorde hoogschatting en vertrouwelijkheid. Doch ook al degenen, die in de byzondere intimiteit van Hooft deelden, bleven by voortduring bewijzen ontfangen, dat Huygens voor hen gelijke gevoelens als de Drossaart koesterde. Vooral was Tesselschade, mede sedert hun eerste kennismaking gehuwd, het voorwerp zijner aanhoudende belangstelling. Beiden, Huygens en Tesselschade, verloren hun echtgenooten; en, ware het verschil van godsdienst geen beletsel geweest, voor elk hunner onoverkomelijk, misschien hadden zy elkander, door een nieuwe verbintenis, pogen te troosten. Nu bleven beiden ongehuwd, doch even hartelijk jegens elkander gezind, elkander tevens hoogachtende en kwellende, goeden raad wisselende en stekelige puntdichten.Constantijn Huygens.Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Constantijn Huygens.Wy noemden het woord „puntdichten”: en, zoo aan Huygens in honderd andere opzichten een plaats zoû toekomen onder de verdienstelijke mannen van zijn tijd, het is vooral zijn eigenaardigheid als epigrammatist, die hem van de overigen onderscheidt. Als Staatsman volbracht hy een schoone en eervolle twee-en-zestigjarige loopbaan; doch de aart zelf dier betrekking was oorzaak, dat hy maar zelden in de gelegenheid was, het Vaderland te dienen op zoodanige wijze als buiten af bekend wordt. Alsgeleerde was hy bestemd, anderen voor te lichten en daardoor merkbaren invloed uit te oefenen op de beschaving zijner tijdgenooten, meer dan om zelf te schitteren: als musikus was hy een bloot dilettant: in zijn vaerzen zocht hy de hooge vlucht, welke Vondel bereikte, niet na te streven; doch als Nederduitsch epigrammatist staat Huygens op een hoogte, door niemand hier te lande bereikt. En wanneer wy hem dien tytel toekennen, dan hebben wy niet zoo zeer het oog op den bundel van geestige punt- en sneldichten, door hem vervaardigd; maar op den puntigen stijl, die ieder zijner talrijke dichtvruchten, ernstige zoowel als boertige, overal kenmerkt: op dat gelukkig aanwenden van verrassende, snedige, puntige, pittige, treffende, doch juist gekozene woorden en uitdrukkingen, welke Huygens, altijd meester over de taal, met zoo veel gemak uit den schat, die hem ter dienste stond, wist te putten, en met zoo veel oordeel wist te pas te brengen. Doch, zoo hy door het kernachtige en beknopte, dat den stijl van Huygens onderscheidt, Spieghel evenaart, en niet zelden daardoor stroef is als deze, bezitten zijn gedichten echter niet zelden een bevallige zoetvloeiendheid en een zwier, die Spieghel t’eenemale mist. By hem is niet alleen de inhoud degelijk, maar ook de vorm doorgaands keurig, behagelijk, en, naar gelang van ’t onderwerp, frisch en krachtig, of liefelijk en welluidend. Nog altijd, in spijt van menig verouderde of min gewone woordvorming, vinden wy in zijn gedichten wat Vondel er in vond, en beter karakterizeerde, dan door ons zoû kunnen gedaan worden:Eenen bloemhof, milt van geur,Rijck door zijn verscheidenhedenVan gedaente en levend kleur:Een banket voor keurige oogen,Een muzykfeest voor ’t gehoor,Als de ziel, omhoog getogenNaer de wolcken vaert door ’t oor.. . . . . . gulde spreucken,Aerdige spitsvondigheên,Lessen van geen eeuw te kreucken,Redevormers van ’t gemeen,Gestoffeerde galeryen,Vol van kunst en wetenschap,Tafereelen waert te vryen,Honighkorven zoet van sap.Al de Dichters in één Dichter,Keur van stof en keur van maet,Kort of langer, zwaer of lichterEn gepast op yders Staet.Nog een andere lof, die, al komt hy den burger, niet den dichter toe, mag Huygens niet onthouden worden. Weinige plekken in ons vaderland zijn zoo bekend, zoo algemeen door landgenoot en vreemdeling bezocht, als Schevelingen. Maar is er naauwlijks een enkele onder de duizenden, die, ’t zij in prachtige rijtuigen, op mollige kussens gezeten of in hossende snorwagens samengepakt, ’t zij te voet, langs de bekoorlijke dreef of onder ’t dichte lommer der schilderachtige, eeuwenheugende eiken zich uit ’s Gravenhage derwaarts begeven, en er, deels alleen een verfrisschende koelte, deels het herstel hunner gezondheid, in ’t krachthernieuwende zeebad gaan zoeken, of wel eenvoudig, uitgelokt door ’t liefelijk saizoen, de benaauwende hitte der stad tegen een weldadige zeelucht, de krassende geluiden, die van markten en pleinen rijzen, tegen de liefelijke toonen van vink en nachtegaal gaan verwisselen, de beslommeringen van het Staatsbestuur gaan vergeten in de vrije en bekoorlijke natuur—is er, vragen wy, wel een enkele, die er aan denkt, dat, zoo hy langs een zoo fraaien, zoo gemakkelijken, zoo geriefelijken weg den afstand aflegt, die de Hofplaats van hare Zeevoorstad scheidt, hy zulks in de voornaamste plaats te danken heeft aan Konstantijn Huygens, die ’t eerst het denkbeeld opperde om den gullen zandweg, die het dorp aan de stad verbond, door een weg van klinkerts te doen vervangen, en, jaren lang, met onvermoeiden yver, op de aanneming bleef aandringen van het uitgewerkte plan, door hem te dien einde by de Regeering van ’s Gravenhage ingediend. Bezwaren van allerlei aart, even talrijk als die wy in onze dagen tegen elke nieuwe onderneming, tegen de Spoorwegen, tegen de Amsterdamsche Duin-Waterleiding, tegen de doorgraving van Holland op zijn Smalst, hebben zien aanvoeren, werden ook door de Hagenaars van dien tijd, even zwaartillend als onze hedendaagsche landgenooten, te berde gebracht, en het was niet dan na schier ongelooflijke moeite en een hardnekkigen, in poëzy en proza gevoerden, strijd, dat Huygens, eindelijk, zijn wensch bekroond en de Zeestraat begonnen en voltooid zag. En wel werd en wordt al meer en meer de overtuiging bevestigd, door hem in de toelichting van zijn ontwerp zoo krachtig uitgedrukt in deze woorden: „De gedurigheit dezer wandelinge houde ick soo seker, dat ick geloove den Steen-Wegh dagelicks sonder ophouden voll gegaens ende gerijds, ende van verre als een Begraeffenisse aan te sien soude wesen.”Men gevoelt, dat zoo Huygens hier ’t woord „Begrafenis” noemt, hy’t oog niet heeft op het sombere en plechtige, dat er mede gepaard gaat maar alleen op den talrijken sleep, die de begrafenissen in zijn tijd placht te vergezellen, en op den luister, die er mede gepaard ging.Was de invloed van Hooft op de letterkundige vorming van Huygens niet zonder gewicht, vooral was die ook merkbaar op de gedragslijn, welke de laatste in ’t politieke hield. Van 1625 tot aan 1687 een gewichtig ambt hebbende, beleefde hy tijden van twist en verdeeldheid; en toch wist hy, tot aan het einde toe, zich buiten alle partyschappen te houden en zich de achting te verwerven van allen, die beurtelings deel namen aan ’t bewind van den Staat.
Het was omstreeks 1622, dat, in het blijde en geestvolle gezelschap, ’t welk gewoon was, zich op ’t Muiderslot te vereenigen, een zes-en-twintigjarige jongeling werd binnengeleid, die, als bewoner der Hofstad, waar hy zich in de hoogste kringen bewoog, een voorwerp van belangstelling voor de Amsterdamsche Juffers, van nijd voor de Amsterdamsche pronkertjens, van nieuwsgierigheid voor allen wezen moest, en die zoowel den nijd als de belangstelling deed toenemen, toen hy zich aldra onderscheidde, niet alleen door heusche en innemende vormen, vrolijk vernuft, vlugheid en zwier in dans en andere lichaamsoefeningen en een meer dan gewoon muzykaal talent, maar ook door de scherpzinnigheid en het helder oordeel, waarmede hy zijn denkbeelden wist te ontwikkelen over onderwerpen van staatkunde, wijsbegeerte, letteren en poëzy. Die jongeling was Konstantijn Huygens, op den 4. September, 1596, te ’s Gravenhage geboren, en tweede zoon van Christiaan Huygens, die Geheimschrijver van Prins Willem I, later van de Staten was geweest. Een verschil van vijftien jaren, dat tusschen hem en zijn gastheer bestond, belette niet, dat deze, ingenomen met de kennis en den geest, die de jongeling aan den dag legde, en niet minder met het aangename van zijn omgang, hem al spoedig op den meest vertrouwelijken voet behandelde, zoo dat wederkeerig Huygens, gestreeld door de onderscheiding, welke een man als Hooft hem betoonde, en zich met hem volkomen op zijn gemak gevoelende, dat vertrouwen van zijne zijde beantwoordde. En zoo ontstond er tusschen hen beiden een vriendschap, hoedanige anders alleen tusschen speel- en schoolmakkers, althands tusschen lieden van gelijken leeftijd, gesloten wordt. Huygens raadpleegde Hooft over zijn minnaryen zoowel als over zijn gedichten, Hooft hem wederkeerig over politieke zoowel alsover taalkundige twistvragen; en hy wist, dat hy in beide gevallen by den rechten man kwam. Immers, was Huygens, waar het de letterkunde betrof, een fijn en kundig opmerker, hy was dit niet minder in zaken van Staatkunde. Zijn bekendheid van der jeugd af met al de genen, die deel hadden aan ’t Staatsbestuur, en met de Gezanten van buitenlandsche Mogendheden, stelde hem in de gelegenheid veel te weten, dat aan den Drossaart niet of niet naauwkeurig ter oore kwam: en weldra was hy nog beter in staat, dezen omtrent de gewichtigste zaken tot vraagbaak te strekken, toen Frederik Hendrik, by zijn komst aan ’t bewind, hem by zich nam in dezelfde betrekking, welke zijn Vader by ’s Prinsen Vader had vervuld. Mocht ook het huwelijk, ’t welk Huygens in 1626 aanging met Suzanna van Baerle, een verre nicht van den beroemden hoogleeraar, ten gevolge hebben, dat hy de dagen, welke hy niet by den Prins in ’t leger doorbracht, by voorkeur t’huis by vrouw en kinderen sleet, het bracht geen verkoeling te weeg in de genegenheid, welke hy voor Hooft had opgevat: en, zagen zy elkander niet zoo dikwijls meer, wy danken aan die vermindering van wederzijdsche bezoeken een tal van onschatbare brieven, hoogst belangrijk van inhoud, en die ’t bewijs met zich brengen van onverstoorde hoogschatting en vertrouwelijkheid. Doch ook al degenen, die in de byzondere intimiteit van Hooft deelden, bleven by voortduring bewijzen ontfangen, dat Huygens voor hen gelijke gevoelens als de Drossaart koesterde. Vooral was Tesselschade, mede sedert hun eerste kennismaking gehuwd, het voorwerp zijner aanhoudende belangstelling. Beiden, Huygens en Tesselschade, verloren hun echtgenooten; en, ware het verschil van godsdienst geen beletsel geweest, voor elk hunner onoverkomelijk, misschien hadden zy elkander, door een nieuwe verbintenis, pogen te troosten. Nu bleven beiden ongehuwd, doch even hartelijk jegens elkander gezind, elkander tevens hoogachtende en kwellende, goeden raad wisselende en stekelige puntdichten.
Constantijn Huygens.Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Constantijn Huygens.
Herman ten Kate, del.Steendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.
Constantijn Huygens.
Wy noemden het woord „puntdichten”: en, zoo aan Huygens in honderd andere opzichten een plaats zoû toekomen onder de verdienstelijke mannen van zijn tijd, het is vooral zijn eigenaardigheid als epigrammatist, die hem van de overigen onderscheidt. Als Staatsman volbracht hy een schoone en eervolle twee-en-zestigjarige loopbaan; doch de aart zelf dier betrekking was oorzaak, dat hy maar zelden in de gelegenheid was, het Vaderland te dienen op zoodanige wijze als buiten af bekend wordt. Alsgeleerde was hy bestemd, anderen voor te lichten en daardoor merkbaren invloed uit te oefenen op de beschaving zijner tijdgenooten, meer dan om zelf te schitteren: als musikus was hy een bloot dilettant: in zijn vaerzen zocht hy de hooge vlucht, welke Vondel bereikte, niet na te streven; doch als Nederduitsch epigrammatist staat Huygens op een hoogte, door niemand hier te lande bereikt. En wanneer wy hem dien tytel toekennen, dan hebben wy niet zoo zeer het oog op den bundel van geestige punt- en sneldichten, door hem vervaardigd; maar op den puntigen stijl, die ieder zijner talrijke dichtvruchten, ernstige zoowel als boertige, overal kenmerkt: op dat gelukkig aanwenden van verrassende, snedige, puntige, pittige, treffende, doch juist gekozene woorden en uitdrukkingen, welke Huygens, altijd meester over de taal, met zoo veel gemak uit den schat, die hem ter dienste stond, wist te putten, en met zoo veel oordeel wist te pas te brengen. Doch, zoo hy door het kernachtige en beknopte, dat den stijl van Huygens onderscheidt, Spieghel evenaart, en niet zelden daardoor stroef is als deze, bezitten zijn gedichten echter niet zelden een bevallige zoetvloeiendheid en een zwier, die Spieghel t’eenemale mist. By hem is niet alleen de inhoud degelijk, maar ook de vorm doorgaands keurig, behagelijk, en, naar gelang van ’t onderwerp, frisch en krachtig, of liefelijk en welluidend. Nog altijd, in spijt van menig verouderde of min gewone woordvorming, vinden wy in zijn gedichten wat Vondel er in vond, en beter karakterizeerde, dan door ons zoû kunnen gedaan worden:
Eenen bloemhof, milt van geur,Rijck door zijn verscheidenhedenVan gedaente en levend kleur:Een banket voor keurige oogen,Een muzykfeest voor ’t gehoor,Als de ziel, omhoog getogenNaer de wolcken vaert door ’t oor.. . . . . . gulde spreucken,Aerdige spitsvondigheên,Lessen van geen eeuw te kreucken,Redevormers van ’t gemeen,Gestoffeerde galeryen,Vol van kunst en wetenschap,Tafereelen waert te vryen,Honighkorven zoet van sap.Al de Dichters in één Dichter,Keur van stof en keur van maet,Kort of langer, zwaer of lichterEn gepast op yders Staet.
Eenen bloemhof, milt van geur,
Rijck door zijn verscheidenheden
Van gedaente en levend kleur:
Een banket voor keurige oogen,
Een muzykfeest voor ’t gehoor,
Als de ziel, omhoog getogen
Naer de wolcken vaert door ’t oor.
. . . . . . gulde spreucken,
Aerdige spitsvondigheên,
Lessen van geen eeuw te kreucken,
Redevormers van ’t gemeen,
Gestoffeerde galeryen,
Vol van kunst en wetenschap,
Tafereelen waert te vryen,
Honighkorven zoet van sap.
Al de Dichters in één Dichter,
Keur van stof en keur van maet,
Kort of langer, zwaer of lichter
En gepast op yders Staet.
Nog een andere lof, die, al komt hy den burger, niet den dichter toe, mag Huygens niet onthouden worden. Weinige plekken in ons vaderland zijn zoo bekend, zoo algemeen door landgenoot en vreemdeling bezocht, als Schevelingen. Maar is er naauwlijks een enkele onder de duizenden, die, ’t zij in prachtige rijtuigen, op mollige kussens gezeten of in hossende snorwagens samengepakt, ’t zij te voet, langs de bekoorlijke dreef of onder ’t dichte lommer der schilderachtige, eeuwenheugende eiken zich uit ’s Gravenhage derwaarts begeven, en er, deels alleen een verfrisschende koelte, deels het herstel hunner gezondheid, in ’t krachthernieuwende zeebad gaan zoeken, of wel eenvoudig, uitgelokt door ’t liefelijk saizoen, de benaauwende hitte der stad tegen een weldadige zeelucht, de krassende geluiden, die van markten en pleinen rijzen, tegen de liefelijke toonen van vink en nachtegaal gaan verwisselen, de beslommeringen van het Staatsbestuur gaan vergeten in de vrije en bekoorlijke natuur—is er, vragen wy, wel een enkele, die er aan denkt, dat, zoo hy langs een zoo fraaien, zoo gemakkelijken, zoo geriefelijken weg den afstand aflegt, die de Hofplaats van hare Zeevoorstad scheidt, hy zulks in de voornaamste plaats te danken heeft aan Konstantijn Huygens, die ’t eerst het denkbeeld opperde om den gullen zandweg, die het dorp aan de stad verbond, door een weg van klinkerts te doen vervangen, en, jaren lang, met onvermoeiden yver, op de aanneming bleef aandringen van het uitgewerkte plan, door hem te dien einde by de Regeering van ’s Gravenhage ingediend. Bezwaren van allerlei aart, even talrijk als die wy in onze dagen tegen elke nieuwe onderneming, tegen de Spoorwegen, tegen de Amsterdamsche Duin-Waterleiding, tegen de doorgraving van Holland op zijn Smalst, hebben zien aanvoeren, werden ook door de Hagenaars van dien tijd, even zwaartillend als onze hedendaagsche landgenooten, te berde gebracht, en het was niet dan na schier ongelooflijke moeite en een hardnekkigen, in poëzy en proza gevoerden, strijd, dat Huygens, eindelijk, zijn wensch bekroond en de Zeestraat begonnen en voltooid zag. En wel werd en wordt al meer en meer de overtuiging bevestigd, door hem in de toelichting van zijn ontwerp zoo krachtig uitgedrukt in deze woorden: „De gedurigheit dezer wandelinge houde ick soo seker, dat ick geloove den Steen-Wegh dagelicks sonder ophouden voll gegaens ende gerijds, ende van verre als een Begraeffenisse aan te sien soude wesen.”
Men gevoelt, dat zoo Huygens hier ’t woord „Begrafenis” noemt, hy’t oog niet heeft op het sombere en plechtige, dat er mede gepaard gaat maar alleen op den talrijken sleep, die de begrafenissen in zijn tijd placht te vergezellen, en op den luister, die er mede gepaard ging.
Was de invloed van Hooft op de letterkundige vorming van Huygens niet zonder gewicht, vooral was die ook merkbaar op de gedragslijn, welke de laatste in ’t politieke hield. Van 1625 tot aan 1687 een gewichtig ambt hebbende, beleefde hy tijden van twist en verdeeldheid; en toch wist hy, tot aan het einde toe, zich buiten alle partyschappen te houden en zich de achting te verwerven van allen, die beurtelings deel namen aan ’t bewind van den Staat.