WITTE CORNELISZOON DE WITH.In het jaar 1599 werd, in diezelfde stad den Briel, waar Marten Harpertsz. Tromp een paar jaren te voren het licht had gezien, Witte Corneliszoon de With geboren. Reeds vroeg ging hy, op het voorbeeld van zoo velen zijner speelmakkers, die als hy uit onbemiddelde ouders geboren waren, zijn fortuin op zee beproeven. Die fortuin—gelijk het oude Latijnsche spreekwoord luidt—begunstigt den stoutmoedige: en in stoutmoedigheid werd De With door niemand overtroffen: geen wonder dus, dat hy zich van den laagsten sport op den krijgsladder eerlang naar boven werkte en, nog geen dertig jaren oud, reeds als Kapitein het bevel voerde over een oorlogschip. Geene onder de toen bekende zeeën of hy voerde er krijg: en zelden anders dan met voorspoedigen uitslag. De verovering der Zilvervloot in 1628 was men voornamelijk aan hem verschuldigd. Hy toch was het, die, op het amiraalschip als Kapitein varende, den Amiraal Piet Hein opmerkzaam maakte op een bark, die zich van verre in zee vertoonde: hy, die, verlof verzocht en verkregen hebbende, om zich van die bark meester te maken, met de boot op het welgewapend vyandelijk vaartuig afvoer, de ongelijkheid der kans niet tellende, het aanklampte, overmande en alzoo, daar juist de bark was afgezonden om de Zilvervloot te waarschuwen voor het gevaar dat haar dreigde, de genomen voorzorg verydelde en den weg baande tot de verovering der schatten uit Peru. Zijn daad bleef onbeloond: althands by de W. Indische maatschappy; maar de Staten erkenden die eerlang: en De With, tot Vice-Amiraal bevorderd, kwam zelfs in 1637 in aanmerking voor het Luitenant-Amiraalschap, ’t welk aan Tromp werd gegeven, en te recht. Tromp was meer by uitnemendheid de man om te besturen, de With om te handelen. Weldra bleekdit, op den gedenkwaardigen dag van 16 September 1639, toen de Spaansche Armada onder d’Oquendo by Bevezier kwam opzetten, en Tromp krijgsraad liet beleggen om te beslissen, wat onder zoo hachlijke omstandigheden te doen. De bedachtzame Vlootvoogd, niet meer dan zeventien schepen onder zich hebbende, en wetende, wat verantwoordelijkheid op hem rustte, spoorde tot voorzichtigheid aan en wilde langzaam terug trekken; dewijl het toch een onuitvoerlijk ja onverschoonbaar waagstuk scheen, met zoo gering een macht, iets uit te richten tegen denmetalen berg, gelijk hy de Spaansche vloot noemde, wier schepen de zijne niet alleen vier malen in getalsterkte, maar ook in alle andere opzichten, door grootte, geschut en bemanning, overtroffen. De With echter verklaarde zich tegen elke handeling, die schroom aan den dag zoû leggen: hy voor zich wilde de plaats waar zy zich bevonden niet zonder strijd verlaten: men moest, zeide hy, te dezer gelegenheid toonen, trouwe dienaars van het Vaderland te zijn, bereid met elkander te leven en te sterven. Gewis had Tromp een raad verwacht, die zoo wel met zijn heimelijken wensch strookte: en hy ontveinsde zijn welbehagen daarin niet langer, toen al de overige scheepsbevelhebbers hun stem gaven aan den kloeken voorslag van De With. Zoo werkte ten dezen het verschil in karakter tusschen de beide helden heilzaam voor het Vaderland: de groote omzichtigheid van Tromp werd aangevuurd door den teugelloozen moed van de With, en de niets ontziende roekeloosheid van dezen gewijzigd door het kalme beleid van Tromp. De strijd ving aan: en wanneer men den uitslag nagaat, hoe zeven-en-zestig galjoenen en groote schepen voor zeventien kleinere terug weken, dan is het noodeloos te vermelden, dat wonderen van dapperheid van de zijde der Nederlanders werden verricht. Maar niet een onder hen, die zich in dien slag meer glorie verwierf dan De With. Van alle zijde door zware galjoenen omringd, had hy zijn zeilen zien in flarden vliegen, zijn schip van kogels doorboord, zijn achtersteven in brand geschoten; maar niets was in staat geweest, hem af te schrikken: rustig was hy kogels met kogels en vernieling met vernieling blijven beantwoorden en, na den strijd, „besmeerd en begruisd; hinkende en ontoonbaar,” by Tromp aan boord gekeerd, met de spottende vraag, „of hy nu wel getoond had, dien metalen berg te vreezen?”Witte, Cornelisz. de Witte.Herman ten Kate, FtSteendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Witte, Cornelisz. de Witte.Grootscher lof dan zelfs voor den moed, in dat gevecht betoond, komt aan De With toe voor zijn zelfsverloochening by gelegenheid vanden zeeslag by Duins. Gewis had hy niets liever verlangd, dan, nevens Tromp en Evertsen, de Spanjaarts te bestrijden: en toch, hy, de man, wien ’t zeevolk den naam van „Vechtgraag” gegeven had, hy bood edelmoedig aan, met Banckert op de Engelsche vloot te passen en haar, indien zy, als men vreesde, geneigdheid toonde aan de Spaansche hulp te bieden, zulks met kracht te beletten. De Britten hielden zich onzijdig en De With bleef dus werkeloos aanschouwer van den strijd; maar toch zoû niemand hem het verwijt kunnen hebben toevoegen, dat hy het gevaar niet had gezocht; want, hadden zich de Engelsche schepen in het gevecht gemengd, De With zoû, in hen, tegenstanders hebben gevonden, meer te duchten dan de Spanjaarts, en zijn taak, hoe gemakkelijk zy nu afliep, ware hachelijker en zwaarder geweest dan die van Tromp. Wie zegt ons, of niet deze bedenking, en de hoop, dat het tot een treffen met de Engelschen komen zoû, invloed had gehad op zijn keuze?Niet minder onderscheidde zich later onze held, toen hy, in 1645, een vloot naar de Oostzee geleidde en de schrik zijns naams genoegzaam was om een oorlog tusschen Denemarken en Zweden te voorkomen: niet minder by de zeeslagen, in 1652 en 1653 met de Engelschen geleverd, en vooral in dien van ter Heide, toen het behoud der vloot, door ’t sneuvelen van Tromp in verwarring gebracht, aan zijn kloekheid te danken was. Werd de hooge rang van Luitenant-Amiraal, waarop hy—zoo bewezen diensten hier voornamelijk hadden moeten gelden—gewis meer dan iemand aanspraak had, hem niet toegekend, dit belette hem niet, tot aan het einde zijner dagen, zijn vaderland met dezelfde gehechtheid, wakkerheid en trouw te dienen. Dit bleek in den zeeslag, op den 8 November 1658, in de Zond, door de onzen onder Wassenaer tegen de Zweden gestreden. De With, die de voorhoede gebood, met zijn gewone kloekheid op den vyand ingezeild, loopt diens voorhoede voorby zonder haar schieten te beäntwoorden, geeft den Zweedschen Amiraal de volle laag, en noodzaakt hem onder Kronenburg te loopen: waarna hy, zijn weg vervolgende, den Zweedschen Vice-Amiraal Bielkenstjern aanvalt en met hem en nog twee andere vaartuigen aan den slag raakt. Het eene Zweedsche schip springt in de lucht, het andere wordt door het geschut van De With verjaagd. Bielkenstjern alleen strijdt nog; doch reeds begint zijn vuur te verflaauwen: wanneer de felle stroom beide schepen doet wegdrijven en aan den grond geraken. In dezen onbewegelijken toestand wordt De With door eennieuw vyandelijk schip aangetast, dat hem, zonder dat hy ’t verhinderen kan, eerst in den boeg en daarna in den spiegel beschiet. Twee volle uren verdedigt zich de held, zonder hoop op ontzet. Twee kogels treffen hem; doch, hoezeer den dood voelende naderen, even onverschrokken blijft hy zijn medestrijders tot een mannelijke verdediging aanmoedigen. Eindelijk dringt de vyand aan boord van zijn schip: het was de Brederode, dat Amiraalschip, waarop Tromp zoo vaak als overwinnaar had gestreden. Schrikkelijk is voor De With het denkbeeld, dat vaartuig in ’s vyands handen te zien vallen: schoon onmachtig langer te staan, schoon op de knieën nedergezonken, nog zwaait hy den degen, zoo lang met eer voor ’t Vaderland gevoerd, weigert dien over te geven, en verdedigt zich, tot zijn krachten zijn uitgeput en hy van zijn bodem wordt afgesleurd. Maar stervende ziet hy voor ’t minst éénen wensch voldaan: het water dringt in het verlaten vaartuig door: het zinkt: de bede van den held is vervuld: de Brederode is geen vyand in handen gevallen.Grooter bewijs van den eerbied, welken De With ook by den vyand opgewekt had, kon niet gegeven worden, dan door de wijze waarop de Koning van Zweden handelde met zijn lijk. Met wit satijn omkleed en in een kist gelegd, welke de wapens des overledenen vercierde, werd het aan Wassenaer toegezonden in een galjoot, geheel zwart geverwd en met rouwwindsels behangen.Te Rotterdam werd op ’s Lands kosten aan De With een praalgraf opgericht. Zijn grafschrift, de korte schets van zijn roemruchtigen levensloop, luidt als volgt:Meritis et aeternitatiWITTENII CORNELII DE WIT.Qui magnitudinem suam eidem elemento debuit,cui praecipuam hactenus Hollandia debet:totum terrarum ambitum circumnavigavitUtramque Indiam, Nauta, Miles,Praefectusque Nautarum ac Militumvidit; expugnato speculatorionavigio, cum viribus ipsi multuminferior, animo maior esset, argentiferaeClassi Americanaecapiundae viam patefecit.Innumeras variarum gentium navesCepit, incendit, submersit.Per omnes gradus militiae navalis eluctatusPropraetor PatriaeClasses et expeditiones maritimasAnnis XX rexit.Decies quinque Classibus collatis cum hosteconflixit,Raro aequata clade; plerumque Victor acTriumphator praeliis rediit.Restabat magnus tot belli facinoribusImponendus dies VIII Nov.A. CIↃ IↃ CLVIII.In recto Maris Baltici supremum Virtutisopus edidit.Ibi primum in praelium ruens,Praetoriam Suecorum invasit, afflixit,Dein propraetorianac praegrandes alias,Eorundem aliquot,Armis, viris, animisInstructissimas, sola propraetoria sua, rejecit,afflixit, submersit;Donec a sociis undique desertus, ab hostibusundique circumfusus, discerpto globiscorpore, Bellatricem animam coeloreddidit.CorpusIpse Rex hostisgenerosa fortitudinis hostilis admiratione,splendide compositum in patriam remisit.Vixit LIX annos.Sic redeunt quos honor ac virtus remittunt.
WITTE CORNELISZOON DE WITH.In het jaar 1599 werd, in diezelfde stad den Briel, waar Marten Harpertsz. Tromp een paar jaren te voren het licht had gezien, Witte Corneliszoon de With geboren. Reeds vroeg ging hy, op het voorbeeld van zoo velen zijner speelmakkers, die als hy uit onbemiddelde ouders geboren waren, zijn fortuin op zee beproeven. Die fortuin—gelijk het oude Latijnsche spreekwoord luidt—begunstigt den stoutmoedige: en in stoutmoedigheid werd De With door niemand overtroffen: geen wonder dus, dat hy zich van den laagsten sport op den krijgsladder eerlang naar boven werkte en, nog geen dertig jaren oud, reeds als Kapitein het bevel voerde over een oorlogschip. Geene onder de toen bekende zeeën of hy voerde er krijg: en zelden anders dan met voorspoedigen uitslag. De verovering der Zilvervloot in 1628 was men voornamelijk aan hem verschuldigd. Hy toch was het, die, op het amiraalschip als Kapitein varende, den Amiraal Piet Hein opmerkzaam maakte op een bark, die zich van verre in zee vertoonde: hy, die, verlof verzocht en verkregen hebbende, om zich van die bark meester te maken, met de boot op het welgewapend vyandelijk vaartuig afvoer, de ongelijkheid der kans niet tellende, het aanklampte, overmande en alzoo, daar juist de bark was afgezonden om de Zilvervloot te waarschuwen voor het gevaar dat haar dreigde, de genomen voorzorg verydelde en den weg baande tot de verovering der schatten uit Peru. Zijn daad bleef onbeloond: althands by de W. Indische maatschappy; maar de Staten erkenden die eerlang: en De With, tot Vice-Amiraal bevorderd, kwam zelfs in 1637 in aanmerking voor het Luitenant-Amiraalschap, ’t welk aan Tromp werd gegeven, en te recht. Tromp was meer by uitnemendheid de man om te besturen, de With om te handelen. Weldra bleekdit, op den gedenkwaardigen dag van 16 September 1639, toen de Spaansche Armada onder d’Oquendo by Bevezier kwam opzetten, en Tromp krijgsraad liet beleggen om te beslissen, wat onder zoo hachlijke omstandigheden te doen. De bedachtzame Vlootvoogd, niet meer dan zeventien schepen onder zich hebbende, en wetende, wat verantwoordelijkheid op hem rustte, spoorde tot voorzichtigheid aan en wilde langzaam terug trekken; dewijl het toch een onuitvoerlijk ja onverschoonbaar waagstuk scheen, met zoo gering een macht, iets uit te richten tegen denmetalen berg, gelijk hy de Spaansche vloot noemde, wier schepen de zijne niet alleen vier malen in getalsterkte, maar ook in alle andere opzichten, door grootte, geschut en bemanning, overtroffen. De With echter verklaarde zich tegen elke handeling, die schroom aan den dag zoû leggen: hy voor zich wilde de plaats waar zy zich bevonden niet zonder strijd verlaten: men moest, zeide hy, te dezer gelegenheid toonen, trouwe dienaars van het Vaderland te zijn, bereid met elkander te leven en te sterven. Gewis had Tromp een raad verwacht, die zoo wel met zijn heimelijken wensch strookte: en hy ontveinsde zijn welbehagen daarin niet langer, toen al de overige scheepsbevelhebbers hun stem gaven aan den kloeken voorslag van De With. Zoo werkte ten dezen het verschil in karakter tusschen de beide helden heilzaam voor het Vaderland: de groote omzichtigheid van Tromp werd aangevuurd door den teugelloozen moed van de With, en de niets ontziende roekeloosheid van dezen gewijzigd door het kalme beleid van Tromp. De strijd ving aan: en wanneer men den uitslag nagaat, hoe zeven-en-zestig galjoenen en groote schepen voor zeventien kleinere terug weken, dan is het noodeloos te vermelden, dat wonderen van dapperheid van de zijde der Nederlanders werden verricht. Maar niet een onder hen, die zich in dien slag meer glorie verwierf dan De With. Van alle zijde door zware galjoenen omringd, had hy zijn zeilen zien in flarden vliegen, zijn schip van kogels doorboord, zijn achtersteven in brand geschoten; maar niets was in staat geweest, hem af te schrikken: rustig was hy kogels met kogels en vernieling met vernieling blijven beantwoorden en, na den strijd, „besmeerd en begruisd; hinkende en ontoonbaar,” by Tromp aan boord gekeerd, met de spottende vraag, „of hy nu wel getoond had, dien metalen berg te vreezen?”Witte, Cornelisz. de Witte.Herman ten Kate, FtSteendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Witte, Cornelisz. de Witte.Grootscher lof dan zelfs voor den moed, in dat gevecht betoond, komt aan De With toe voor zijn zelfsverloochening by gelegenheid vanden zeeslag by Duins. Gewis had hy niets liever verlangd, dan, nevens Tromp en Evertsen, de Spanjaarts te bestrijden: en toch, hy, de man, wien ’t zeevolk den naam van „Vechtgraag” gegeven had, hy bood edelmoedig aan, met Banckert op de Engelsche vloot te passen en haar, indien zy, als men vreesde, geneigdheid toonde aan de Spaansche hulp te bieden, zulks met kracht te beletten. De Britten hielden zich onzijdig en De With bleef dus werkeloos aanschouwer van den strijd; maar toch zoû niemand hem het verwijt kunnen hebben toevoegen, dat hy het gevaar niet had gezocht; want, hadden zich de Engelsche schepen in het gevecht gemengd, De With zoû, in hen, tegenstanders hebben gevonden, meer te duchten dan de Spanjaarts, en zijn taak, hoe gemakkelijk zy nu afliep, ware hachelijker en zwaarder geweest dan die van Tromp. Wie zegt ons, of niet deze bedenking, en de hoop, dat het tot een treffen met de Engelschen komen zoû, invloed had gehad op zijn keuze?Niet minder onderscheidde zich later onze held, toen hy, in 1645, een vloot naar de Oostzee geleidde en de schrik zijns naams genoegzaam was om een oorlog tusschen Denemarken en Zweden te voorkomen: niet minder by de zeeslagen, in 1652 en 1653 met de Engelschen geleverd, en vooral in dien van ter Heide, toen het behoud der vloot, door ’t sneuvelen van Tromp in verwarring gebracht, aan zijn kloekheid te danken was. Werd de hooge rang van Luitenant-Amiraal, waarop hy—zoo bewezen diensten hier voornamelijk hadden moeten gelden—gewis meer dan iemand aanspraak had, hem niet toegekend, dit belette hem niet, tot aan het einde zijner dagen, zijn vaderland met dezelfde gehechtheid, wakkerheid en trouw te dienen. Dit bleek in den zeeslag, op den 8 November 1658, in de Zond, door de onzen onder Wassenaer tegen de Zweden gestreden. De With, die de voorhoede gebood, met zijn gewone kloekheid op den vyand ingezeild, loopt diens voorhoede voorby zonder haar schieten te beäntwoorden, geeft den Zweedschen Amiraal de volle laag, en noodzaakt hem onder Kronenburg te loopen: waarna hy, zijn weg vervolgende, den Zweedschen Vice-Amiraal Bielkenstjern aanvalt en met hem en nog twee andere vaartuigen aan den slag raakt. Het eene Zweedsche schip springt in de lucht, het andere wordt door het geschut van De With verjaagd. Bielkenstjern alleen strijdt nog; doch reeds begint zijn vuur te verflaauwen: wanneer de felle stroom beide schepen doet wegdrijven en aan den grond geraken. In dezen onbewegelijken toestand wordt De With door eennieuw vyandelijk schip aangetast, dat hem, zonder dat hy ’t verhinderen kan, eerst in den boeg en daarna in den spiegel beschiet. Twee volle uren verdedigt zich de held, zonder hoop op ontzet. Twee kogels treffen hem; doch, hoezeer den dood voelende naderen, even onverschrokken blijft hy zijn medestrijders tot een mannelijke verdediging aanmoedigen. Eindelijk dringt de vyand aan boord van zijn schip: het was de Brederode, dat Amiraalschip, waarop Tromp zoo vaak als overwinnaar had gestreden. Schrikkelijk is voor De With het denkbeeld, dat vaartuig in ’s vyands handen te zien vallen: schoon onmachtig langer te staan, schoon op de knieën nedergezonken, nog zwaait hy den degen, zoo lang met eer voor ’t Vaderland gevoerd, weigert dien over te geven, en verdedigt zich, tot zijn krachten zijn uitgeput en hy van zijn bodem wordt afgesleurd. Maar stervende ziet hy voor ’t minst éénen wensch voldaan: het water dringt in het verlaten vaartuig door: het zinkt: de bede van den held is vervuld: de Brederode is geen vyand in handen gevallen.Grooter bewijs van den eerbied, welken De With ook by den vyand opgewekt had, kon niet gegeven worden, dan door de wijze waarop de Koning van Zweden handelde met zijn lijk. Met wit satijn omkleed en in een kist gelegd, welke de wapens des overledenen vercierde, werd het aan Wassenaer toegezonden in een galjoot, geheel zwart geverwd en met rouwwindsels behangen.Te Rotterdam werd op ’s Lands kosten aan De With een praalgraf opgericht. Zijn grafschrift, de korte schets van zijn roemruchtigen levensloop, luidt als volgt:Meritis et aeternitatiWITTENII CORNELII DE WIT.Qui magnitudinem suam eidem elemento debuit,cui praecipuam hactenus Hollandia debet:totum terrarum ambitum circumnavigavitUtramque Indiam, Nauta, Miles,Praefectusque Nautarum ac Militumvidit; expugnato speculatorionavigio, cum viribus ipsi multuminferior, animo maior esset, argentiferaeClassi Americanaecapiundae viam patefecit.Innumeras variarum gentium navesCepit, incendit, submersit.Per omnes gradus militiae navalis eluctatusPropraetor PatriaeClasses et expeditiones maritimasAnnis XX rexit.Decies quinque Classibus collatis cum hosteconflixit,Raro aequata clade; plerumque Victor acTriumphator praeliis rediit.Restabat magnus tot belli facinoribusImponendus dies VIII Nov.A. CIↃ IↃ CLVIII.In recto Maris Baltici supremum Virtutisopus edidit.Ibi primum in praelium ruens,Praetoriam Suecorum invasit, afflixit,Dein propraetorianac praegrandes alias,Eorundem aliquot,Armis, viris, animisInstructissimas, sola propraetoria sua, rejecit,afflixit, submersit;Donec a sociis undique desertus, ab hostibusundique circumfusus, discerpto globiscorpore, Bellatricem animam coeloreddidit.CorpusIpse Rex hostisgenerosa fortitudinis hostilis admiratione,splendide compositum in patriam remisit.Vixit LIX annos.Sic redeunt quos honor ac virtus remittunt.
WITTE CORNELISZOON DE WITH.
In het jaar 1599 werd, in diezelfde stad den Briel, waar Marten Harpertsz. Tromp een paar jaren te voren het licht had gezien, Witte Corneliszoon de With geboren. Reeds vroeg ging hy, op het voorbeeld van zoo velen zijner speelmakkers, die als hy uit onbemiddelde ouders geboren waren, zijn fortuin op zee beproeven. Die fortuin—gelijk het oude Latijnsche spreekwoord luidt—begunstigt den stoutmoedige: en in stoutmoedigheid werd De With door niemand overtroffen: geen wonder dus, dat hy zich van den laagsten sport op den krijgsladder eerlang naar boven werkte en, nog geen dertig jaren oud, reeds als Kapitein het bevel voerde over een oorlogschip. Geene onder de toen bekende zeeën of hy voerde er krijg: en zelden anders dan met voorspoedigen uitslag. De verovering der Zilvervloot in 1628 was men voornamelijk aan hem verschuldigd. Hy toch was het, die, op het amiraalschip als Kapitein varende, den Amiraal Piet Hein opmerkzaam maakte op een bark, die zich van verre in zee vertoonde: hy, die, verlof verzocht en verkregen hebbende, om zich van die bark meester te maken, met de boot op het welgewapend vyandelijk vaartuig afvoer, de ongelijkheid der kans niet tellende, het aanklampte, overmande en alzoo, daar juist de bark was afgezonden om de Zilvervloot te waarschuwen voor het gevaar dat haar dreigde, de genomen voorzorg verydelde en den weg baande tot de verovering der schatten uit Peru. Zijn daad bleef onbeloond: althands by de W. Indische maatschappy; maar de Staten erkenden die eerlang: en De With, tot Vice-Amiraal bevorderd, kwam zelfs in 1637 in aanmerking voor het Luitenant-Amiraalschap, ’t welk aan Tromp werd gegeven, en te recht. Tromp was meer by uitnemendheid de man om te besturen, de With om te handelen. Weldra bleekdit, op den gedenkwaardigen dag van 16 September 1639, toen de Spaansche Armada onder d’Oquendo by Bevezier kwam opzetten, en Tromp krijgsraad liet beleggen om te beslissen, wat onder zoo hachlijke omstandigheden te doen. De bedachtzame Vlootvoogd, niet meer dan zeventien schepen onder zich hebbende, en wetende, wat verantwoordelijkheid op hem rustte, spoorde tot voorzichtigheid aan en wilde langzaam terug trekken; dewijl het toch een onuitvoerlijk ja onverschoonbaar waagstuk scheen, met zoo gering een macht, iets uit te richten tegen denmetalen berg, gelijk hy de Spaansche vloot noemde, wier schepen de zijne niet alleen vier malen in getalsterkte, maar ook in alle andere opzichten, door grootte, geschut en bemanning, overtroffen. De With echter verklaarde zich tegen elke handeling, die schroom aan den dag zoû leggen: hy voor zich wilde de plaats waar zy zich bevonden niet zonder strijd verlaten: men moest, zeide hy, te dezer gelegenheid toonen, trouwe dienaars van het Vaderland te zijn, bereid met elkander te leven en te sterven. Gewis had Tromp een raad verwacht, die zoo wel met zijn heimelijken wensch strookte: en hy ontveinsde zijn welbehagen daarin niet langer, toen al de overige scheepsbevelhebbers hun stem gaven aan den kloeken voorslag van De With. Zoo werkte ten dezen het verschil in karakter tusschen de beide helden heilzaam voor het Vaderland: de groote omzichtigheid van Tromp werd aangevuurd door den teugelloozen moed van de With, en de niets ontziende roekeloosheid van dezen gewijzigd door het kalme beleid van Tromp. De strijd ving aan: en wanneer men den uitslag nagaat, hoe zeven-en-zestig galjoenen en groote schepen voor zeventien kleinere terug weken, dan is het noodeloos te vermelden, dat wonderen van dapperheid van de zijde der Nederlanders werden verricht. Maar niet een onder hen, die zich in dien slag meer glorie verwierf dan De With. Van alle zijde door zware galjoenen omringd, had hy zijn zeilen zien in flarden vliegen, zijn schip van kogels doorboord, zijn achtersteven in brand geschoten; maar niets was in staat geweest, hem af te schrikken: rustig was hy kogels met kogels en vernieling met vernieling blijven beantwoorden en, na den strijd, „besmeerd en begruisd; hinkende en ontoonbaar,” by Tromp aan boord gekeerd, met de spottende vraag, „of hy nu wel getoond had, dien metalen berg te vreezen?”Witte, Cornelisz. de Witte.Herman ten Kate, FtSteendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Witte, Cornelisz. de Witte.Grootscher lof dan zelfs voor den moed, in dat gevecht betoond, komt aan De With toe voor zijn zelfsverloochening by gelegenheid vanden zeeslag by Duins. Gewis had hy niets liever verlangd, dan, nevens Tromp en Evertsen, de Spanjaarts te bestrijden: en toch, hy, de man, wien ’t zeevolk den naam van „Vechtgraag” gegeven had, hy bood edelmoedig aan, met Banckert op de Engelsche vloot te passen en haar, indien zy, als men vreesde, geneigdheid toonde aan de Spaansche hulp te bieden, zulks met kracht te beletten. De Britten hielden zich onzijdig en De With bleef dus werkeloos aanschouwer van den strijd; maar toch zoû niemand hem het verwijt kunnen hebben toevoegen, dat hy het gevaar niet had gezocht; want, hadden zich de Engelsche schepen in het gevecht gemengd, De With zoû, in hen, tegenstanders hebben gevonden, meer te duchten dan de Spanjaarts, en zijn taak, hoe gemakkelijk zy nu afliep, ware hachelijker en zwaarder geweest dan die van Tromp. Wie zegt ons, of niet deze bedenking, en de hoop, dat het tot een treffen met de Engelschen komen zoû, invloed had gehad op zijn keuze?Niet minder onderscheidde zich later onze held, toen hy, in 1645, een vloot naar de Oostzee geleidde en de schrik zijns naams genoegzaam was om een oorlog tusschen Denemarken en Zweden te voorkomen: niet minder by de zeeslagen, in 1652 en 1653 met de Engelschen geleverd, en vooral in dien van ter Heide, toen het behoud der vloot, door ’t sneuvelen van Tromp in verwarring gebracht, aan zijn kloekheid te danken was. Werd de hooge rang van Luitenant-Amiraal, waarop hy—zoo bewezen diensten hier voornamelijk hadden moeten gelden—gewis meer dan iemand aanspraak had, hem niet toegekend, dit belette hem niet, tot aan het einde zijner dagen, zijn vaderland met dezelfde gehechtheid, wakkerheid en trouw te dienen. Dit bleek in den zeeslag, op den 8 November 1658, in de Zond, door de onzen onder Wassenaer tegen de Zweden gestreden. De With, die de voorhoede gebood, met zijn gewone kloekheid op den vyand ingezeild, loopt diens voorhoede voorby zonder haar schieten te beäntwoorden, geeft den Zweedschen Amiraal de volle laag, en noodzaakt hem onder Kronenburg te loopen: waarna hy, zijn weg vervolgende, den Zweedschen Vice-Amiraal Bielkenstjern aanvalt en met hem en nog twee andere vaartuigen aan den slag raakt. Het eene Zweedsche schip springt in de lucht, het andere wordt door het geschut van De With verjaagd. Bielkenstjern alleen strijdt nog; doch reeds begint zijn vuur te verflaauwen: wanneer de felle stroom beide schepen doet wegdrijven en aan den grond geraken. In dezen onbewegelijken toestand wordt De With door eennieuw vyandelijk schip aangetast, dat hem, zonder dat hy ’t verhinderen kan, eerst in den boeg en daarna in den spiegel beschiet. Twee volle uren verdedigt zich de held, zonder hoop op ontzet. Twee kogels treffen hem; doch, hoezeer den dood voelende naderen, even onverschrokken blijft hy zijn medestrijders tot een mannelijke verdediging aanmoedigen. Eindelijk dringt de vyand aan boord van zijn schip: het was de Brederode, dat Amiraalschip, waarop Tromp zoo vaak als overwinnaar had gestreden. Schrikkelijk is voor De With het denkbeeld, dat vaartuig in ’s vyands handen te zien vallen: schoon onmachtig langer te staan, schoon op de knieën nedergezonken, nog zwaait hy den degen, zoo lang met eer voor ’t Vaderland gevoerd, weigert dien over te geven, en verdedigt zich, tot zijn krachten zijn uitgeput en hy van zijn bodem wordt afgesleurd. Maar stervende ziet hy voor ’t minst éénen wensch voldaan: het water dringt in het verlaten vaartuig door: het zinkt: de bede van den held is vervuld: de Brederode is geen vyand in handen gevallen.Grooter bewijs van den eerbied, welken De With ook by den vyand opgewekt had, kon niet gegeven worden, dan door de wijze waarop de Koning van Zweden handelde met zijn lijk. Met wit satijn omkleed en in een kist gelegd, welke de wapens des overledenen vercierde, werd het aan Wassenaer toegezonden in een galjoot, geheel zwart geverwd en met rouwwindsels behangen.Te Rotterdam werd op ’s Lands kosten aan De With een praalgraf opgericht. Zijn grafschrift, de korte schets van zijn roemruchtigen levensloop, luidt als volgt:Meritis et aeternitatiWITTENII CORNELII DE WIT.Qui magnitudinem suam eidem elemento debuit,cui praecipuam hactenus Hollandia debet:totum terrarum ambitum circumnavigavitUtramque Indiam, Nauta, Miles,Praefectusque Nautarum ac Militumvidit; expugnato speculatorionavigio, cum viribus ipsi multuminferior, animo maior esset, argentiferaeClassi Americanaecapiundae viam patefecit.Innumeras variarum gentium navesCepit, incendit, submersit.Per omnes gradus militiae navalis eluctatusPropraetor PatriaeClasses et expeditiones maritimasAnnis XX rexit.Decies quinque Classibus collatis cum hosteconflixit,Raro aequata clade; plerumque Victor acTriumphator praeliis rediit.Restabat magnus tot belli facinoribusImponendus dies VIII Nov.A. CIↃ IↃ CLVIII.In recto Maris Baltici supremum Virtutisopus edidit.Ibi primum in praelium ruens,Praetoriam Suecorum invasit, afflixit,Dein propraetorianac praegrandes alias,Eorundem aliquot,Armis, viris, animisInstructissimas, sola propraetoria sua, rejecit,afflixit, submersit;Donec a sociis undique desertus, ab hostibusundique circumfusus, discerpto globiscorpore, Bellatricem animam coeloreddidit.CorpusIpse Rex hostisgenerosa fortitudinis hostilis admiratione,splendide compositum in patriam remisit.Vixit LIX annos.Sic redeunt quos honor ac virtus remittunt.
In het jaar 1599 werd, in diezelfde stad den Briel, waar Marten Harpertsz. Tromp een paar jaren te voren het licht had gezien, Witte Corneliszoon de With geboren. Reeds vroeg ging hy, op het voorbeeld van zoo velen zijner speelmakkers, die als hy uit onbemiddelde ouders geboren waren, zijn fortuin op zee beproeven. Die fortuin—gelijk het oude Latijnsche spreekwoord luidt—begunstigt den stoutmoedige: en in stoutmoedigheid werd De With door niemand overtroffen: geen wonder dus, dat hy zich van den laagsten sport op den krijgsladder eerlang naar boven werkte en, nog geen dertig jaren oud, reeds als Kapitein het bevel voerde over een oorlogschip. Geene onder de toen bekende zeeën of hy voerde er krijg: en zelden anders dan met voorspoedigen uitslag. De verovering der Zilvervloot in 1628 was men voornamelijk aan hem verschuldigd. Hy toch was het, die, op het amiraalschip als Kapitein varende, den Amiraal Piet Hein opmerkzaam maakte op een bark, die zich van verre in zee vertoonde: hy, die, verlof verzocht en verkregen hebbende, om zich van die bark meester te maken, met de boot op het welgewapend vyandelijk vaartuig afvoer, de ongelijkheid der kans niet tellende, het aanklampte, overmande en alzoo, daar juist de bark was afgezonden om de Zilvervloot te waarschuwen voor het gevaar dat haar dreigde, de genomen voorzorg verydelde en den weg baande tot de verovering der schatten uit Peru. Zijn daad bleef onbeloond: althands by de W. Indische maatschappy; maar de Staten erkenden die eerlang: en De With, tot Vice-Amiraal bevorderd, kwam zelfs in 1637 in aanmerking voor het Luitenant-Amiraalschap, ’t welk aan Tromp werd gegeven, en te recht. Tromp was meer by uitnemendheid de man om te besturen, de With om te handelen. Weldra bleekdit, op den gedenkwaardigen dag van 16 September 1639, toen de Spaansche Armada onder d’Oquendo by Bevezier kwam opzetten, en Tromp krijgsraad liet beleggen om te beslissen, wat onder zoo hachlijke omstandigheden te doen. De bedachtzame Vlootvoogd, niet meer dan zeventien schepen onder zich hebbende, en wetende, wat verantwoordelijkheid op hem rustte, spoorde tot voorzichtigheid aan en wilde langzaam terug trekken; dewijl het toch een onuitvoerlijk ja onverschoonbaar waagstuk scheen, met zoo gering een macht, iets uit te richten tegen denmetalen berg, gelijk hy de Spaansche vloot noemde, wier schepen de zijne niet alleen vier malen in getalsterkte, maar ook in alle andere opzichten, door grootte, geschut en bemanning, overtroffen. De With echter verklaarde zich tegen elke handeling, die schroom aan den dag zoû leggen: hy voor zich wilde de plaats waar zy zich bevonden niet zonder strijd verlaten: men moest, zeide hy, te dezer gelegenheid toonen, trouwe dienaars van het Vaderland te zijn, bereid met elkander te leven en te sterven. Gewis had Tromp een raad verwacht, die zoo wel met zijn heimelijken wensch strookte: en hy ontveinsde zijn welbehagen daarin niet langer, toen al de overige scheepsbevelhebbers hun stem gaven aan den kloeken voorslag van De With. Zoo werkte ten dezen het verschil in karakter tusschen de beide helden heilzaam voor het Vaderland: de groote omzichtigheid van Tromp werd aangevuurd door den teugelloozen moed van de With, en de niets ontziende roekeloosheid van dezen gewijzigd door het kalme beleid van Tromp. De strijd ving aan: en wanneer men den uitslag nagaat, hoe zeven-en-zestig galjoenen en groote schepen voor zeventien kleinere terug weken, dan is het noodeloos te vermelden, dat wonderen van dapperheid van de zijde der Nederlanders werden verricht. Maar niet een onder hen, die zich in dien slag meer glorie verwierf dan De With. Van alle zijde door zware galjoenen omringd, had hy zijn zeilen zien in flarden vliegen, zijn schip van kogels doorboord, zijn achtersteven in brand geschoten; maar niets was in staat geweest, hem af te schrikken: rustig was hy kogels met kogels en vernieling met vernieling blijven beantwoorden en, na den strijd, „besmeerd en begruisd; hinkende en ontoonbaar,” by Tromp aan boord gekeerd, met de spottende vraag, „of hy nu wel getoond had, dien metalen berg te vreezen?”
Witte, Cornelisz. de Witte.Herman ten Kate, FtSteendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Witte, Cornelisz. de Witte.
Herman ten Kate, FtSteendr. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.
Witte, Cornelisz. de Witte.
Grootscher lof dan zelfs voor den moed, in dat gevecht betoond, komt aan De With toe voor zijn zelfsverloochening by gelegenheid vanden zeeslag by Duins. Gewis had hy niets liever verlangd, dan, nevens Tromp en Evertsen, de Spanjaarts te bestrijden: en toch, hy, de man, wien ’t zeevolk den naam van „Vechtgraag” gegeven had, hy bood edelmoedig aan, met Banckert op de Engelsche vloot te passen en haar, indien zy, als men vreesde, geneigdheid toonde aan de Spaansche hulp te bieden, zulks met kracht te beletten. De Britten hielden zich onzijdig en De With bleef dus werkeloos aanschouwer van den strijd; maar toch zoû niemand hem het verwijt kunnen hebben toevoegen, dat hy het gevaar niet had gezocht; want, hadden zich de Engelsche schepen in het gevecht gemengd, De With zoû, in hen, tegenstanders hebben gevonden, meer te duchten dan de Spanjaarts, en zijn taak, hoe gemakkelijk zy nu afliep, ware hachelijker en zwaarder geweest dan die van Tromp. Wie zegt ons, of niet deze bedenking, en de hoop, dat het tot een treffen met de Engelschen komen zoû, invloed had gehad op zijn keuze?
Niet minder onderscheidde zich later onze held, toen hy, in 1645, een vloot naar de Oostzee geleidde en de schrik zijns naams genoegzaam was om een oorlog tusschen Denemarken en Zweden te voorkomen: niet minder by de zeeslagen, in 1652 en 1653 met de Engelschen geleverd, en vooral in dien van ter Heide, toen het behoud der vloot, door ’t sneuvelen van Tromp in verwarring gebracht, aan zijn kloekheid te danken was. Werd de hooge rang van Luitenant-Amiraal, waarop hy—zoo bewezen diensten hier voornamelijk hadden moeten gelden—gewis meer dan iemand aanspraak had, hem niet toegekend, dit belette hem niet, tot aan het einde zijner dagen, zijn vaderland met dezelfde gehechtheid, wakkerheid en trouw te dienen. Dit bleek in den zeeslag, op den 8 November 1658, in de Zond, door de onzen onder Wassenaer tegen de Zweden gestreden. De With, die de voorhoede gebood, met zijn gewone kloekheid op den vyand ingezeild, loopt diens voorhoede voorby zonder haar schieten te beäntwoorden, geeft den Zweedschen Amiraal de volle laag, en noodzaakt hem onder Kronenburg te loopen: waarna hy, zijn weg vervolgende, den Zweedschen Vice-Amiraal Bielkenstjern aanvalt en met hem en nog twee andere vaartuigen aan den slag raakt. Het eene Zweedsche schip springt in de lucht, het andere wordt door het geschut van De With verjaagd. Bielkenstjern alleen strijdt nog; doch reeds begint zijn vuur te verflaauwen: wanneer de felle stroom beide schepen doet wegdrijven en aan den grond geraken. In dezen onbewegelijken toestand wordt De With door eennieuw vyandelijk schip aangetast, dat hem, zonder dat hy ’t verhinderen kan, eerst in den boeg en daarna in den spiegel beschiet. Twee volle uren verdedigt zich de held, zonder hoop op ontzet. Twee kogels treffen hem; doch, hoezeer den dood voelende naderen, even onverschrokken blijft hy zijn medestrijders tot een mannelijke verdediging aanmoedigen. Eindelijk dringt de vyand aan boord van zijn schip: het was de Brederode, dat Amiraalschip, waarop Tromp zoo vaak als overwinnaar had gestreden. Schrikkelijk is voor De With het denkbeeld, dat vaartuig in ’s vyands handen te zien vallen: schoon onmachtig langer te staan, schoon op de knieën nedergezonken, nog zwaait hy den degen, zoo lang met eer voor ’t Vaderland gevoerd, weigert dien over te geven, en verdedigt zich, tot zijn krachten zijn uitgeput en hy van zijn bodem wordt afgesleurd. Maar stervende ziet hy voor ’t minst éénen wensch voldaan: het water dringt in het verlaten vaartuig door: het zinkt: de bede van den held is vervuld: de Brederode is geen vyand in handen gevallen.
Grooter bewijs van den eerbied, welken De With ook by den vyand opgewekt had, kon niet gegeven worden, dan door de wijze waarop de Koning van Zweden handelde met zijn lijk. Met wit satijn omkleed en in een kist gelegd, welke de wapens des overledenen vercierde, werd het aan Wassenaer toegezonden in een galjoot, geheel zwart geverwd en met rouwwindsels behangen.
Te Rotterdam werd op ’s Lands kosten aan De With een praalgraf opgericht. Zijn grafschrift, de korte schets van zijn roemruchtigen levensloop, luidt als volgt:
Meritis et aeternitatiWITTENII CORNELII DE WIT.Qui magnitudinem suam eidem elemento debuit,cui praecipuam hactenus Hollandia debet:totum terrarum ambitum circumnavigavitUtramque Indiam, Nauta, Miles,Praefectusque Nautarum ac Militumvidit; expugnato speculatorionavigio, cum viribus ipsi multuminferior, animo maior esset, argentiferaeClassi Americanaecapiundae viam patefecit.Innumeras variarum gentium navesCepit, incendit, submersit.Per omnes gradus militiae navalis eluctatusPropraetor PatriaeClasses et expeditiones maritimasAnnis XX rexit.Decies quinque Classibus collatis cum hosteconflixit,Raro aequata clade; plerumque Victor acTriumphator praeliis rediit.Restabat magnus tot belli facinoribusImponendus dies VIII Nov.A. CIↃ IↃ CLVIII.In recto Maris Baltici supremum Virtutisopus edidit.Ibi primum in praelium ruens,Praetoriam Suecorum invasit, afflixit,Dein propraetorianac praegrandes alias,Eorundem aliquot,Armis, viris, animisInstructissimas, sola propraetoria sua, rejecit,afflixit, submersit;Donec a sociis undique desertus, ab hostibusundique circumfusus, discerpto globiscorpore, Bellatricem animam coeloreddidit.CorpusIpse Rex hostisgenerosa fortitudinis hostilis admiratione,splendide compositum in patriam remisit.Vixit LIX annos.Sic redeunt quos honor ac virtus remittunt.
Meritis et aeternitati
Meritis et aeternitati
WITTENII CORNELII DE WIT.
WITTENII CORNELII DE WIT.
Qui magnitudinem suam eidem elemento debuit,cui praecipuam hactenus Hollandia debet:totum terrarum ambitum circumnavigavitUtramque Indiam, Nauta, Miles,Praefectusque Nautarum ac Militumvidit; expugnato speculatorionavigio, cum viribus ipsi multuminferior, animo maior esset, argentiferaeClassi Americanaecapiundae viam patefecit.
Qui magnitudinem suam eidem elemento debuit,
cui praecipuam hactenus Hollandia debet:
totum terrarum ambitum circumnavigavit
Utramque Indiam, Nauta, Miles,
Praefectusque Nautarum ac Militum
vidit; expugnato speculatorio
navigio, cum viribus ipsi multum
inferior, animo maior esset, argentiferae
Classi Americanae
capiundae viam patefecit.
Innumeras variarum gentium navesCepit, incendit, submersit.Per omnes gradus militiae navalis eluctatusPropraetor PatriaeClasses et expeditiones maritimasAnnis XX rexit.Decies quinque Classibus collatis cum hosteconflixit,Raro aequata clade; plerumque Victor acTriumphator praeliis rediit.Restabat magnus tot belli facinoribusImponendus dies VIII Nov.A. CIↃ IↃ CLVIII.In recto Maris Baltici supremum Virtutisopus edidit.Ibi primum in praelium ruens,Praetoriam Suecorum invasit, afflixit,Dein propraetorianac praegrandes alias,Eorundem aliquot,Armis, viris, animisInstructissimas, sola propraetoria sua, rejecit,afflixit, submersit;Donec a sociis undique desertus, ab hostibusundique circumfusus, discerpto globiscorpore, Bellatricem animam coeloreddidit.
Innumeras variarum gentium naves
Cepit, incendit, submersit.
Per omnes gradus militiae navalis eluctatus
Propraetor Patriae
Classes et expeditiones maritimas
Annis XX rexit.
Decies quinque Classibus collatis cum hoste
conflixit,
Raro aequata clade; plerumque Victor ac
Triumphator praeliis rediit.
Restabat magnus tot belli facinoribus
Imponendus dies VIII Nov.
A. CIↃ IↃ CLVIII.
In recto Maris Baltici supremum Virtutis
opus edidit.
Ibi primum in praelium ruens,
Praetoriam Suecorum invasit, afflixit,
Dein propraetorianac praegrandes alias,
Eorundem aliquot,
Armis, viris, animis
Instructissimas, sola propraetoria sua, rejecit,
afflixit, submersit;
Donec a sociis undique desertus, ab hostibus
undique circumfusus, discerpto globis
corpore, Bellatricem animam coelo
reddidit.
CorpusIpse Rex hostisgenerosa fortitudinis hostilis admiratione,splendide compositum in patriam remisit.Vixit LIX annos.Sic redeunt quos honor ac virtus remittunt.
Corpus
Ipse Rex hostis
generosa fortitudinis hostilis admiratione,
splendide compositum in patriam remisit.
Vixit LIX annos.
Sic redeunt quos honor ac virtus remittunt.