PIETER CORNELISZOON HOOFT.

PIETER CORNELISZOON HOOFT.De Nederduitsche taal, jeugdig, frisch, krachtig en bevallig, zoo lang Holland nog zijn eigen Gravenhuis bezat, was, ten gevolge der heerschappy, aldaar, byna drie eeuwen lang, door vier uitheemsche vorstengeslachten gevoerd, in een diep en treurig verval geraakt. Zoo zy nog leefde, ’t was in de oude spreekwoorden en refereinen en in den mond des volks; maar als schrijftaal was zy sedert lang vervangen door een barbaarsch mengelmoes, waarin Hoogduitsche kanselarystijl en Fransche bastertwoorden—om van de Latijnsche niet te spreken—elkander verdrongen: een eigenlijk gezegde letterkunde bestond niet meer, en zelfs zy, die, toen de uitvinding der drukkunst en de studie der klassieke Oudheid het morgenrood eener nieuwe beschaving over Europa deden opgaan, hier te lande de eerste pogingen in ’t werk stelden, om haar te doen herleven, de Rederijkers, waren nog machteloos iets anders voort te brengen dan verveelende moralizatiën, in ellendige kreupelvaerzen en nog ellendiger taal vervat. ’t Is waar, mannen als Marnix, Coornhert, Spieghel, Roemer Visscher, hadden de hand aan de ploeg geslagen, en, met de herboren vrijheid poogden zy ook hun taal op vaste grondslagen te vestigen; doch het was niet, zoo lang de worstelstrijd tegen de dwingelandy op Hollands bodem gevoerd werd, dat een zoodanige poging, die boven alles een rustigen staat van zaken vereischte, met den noodigen klem kon worden doorgezet. Dan er was een betere tijd, een tijd van welvaart en binnenlandsche rust voor Holland aangebroken, en tevens de gelegenheid om den begonnen arbeid met wakkere volharding voort te zetten. Het was de Amsterdamsche Kamer „In Liefde Bloeyende”—tot wierledenniet alleen de twee laatstgenoemde geleerden behoorden, maar ook al wie in Amsterdam zich door wetenschappelijken aanleg onderscheidde—diede taak aanvaardde, om, als zy ’t uitdrukte, „de Hollandsche taal van uitheemsch schuim te zuiveren, en de noodigste konsten in zuiver Dietsch te leeren.” Maar geene omwenteling—’t zij dan in Kerk, in Staat of in Taal—werd immer volbracht door mannen van bedaagden leeftijd en grijze ervaring. Spieghel en al die als hy mannen van overgang waren, konden slechts theoriën stellen, naar welke de letterkunde zich te richten had; zy waren niet in staat, die in praktijk te doen brengen: die taak was voor jeugdiger krachten bewaard. Zy hadden uit de opgedolven stoffen een onbezield lichaam samengesteld; maar er moest een Prometheus komen, die aan dat lichaam het leven gaf: die Prometheus was Pieter Corneliszoon Hooft.Pieter Corneliszoon Hooft.Herman ten Kate, FtSteend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Pieter Corneliszoon Hooft.Geboren in datzelfde jaar 1581, waarin ons Vaderland, door de afzweering van Filips, als zelfstandige Mogendheid optrad, zoon van dien Cornelis Pieterszoon, die als de grondlegger, althands als de vertegenwoordiger kon worden aangemerkt van dat aristokratisch beginsel, ’t welk hier gedurende twee eeuwen schier uitsluitend heeft geheerscht, van tijdelijke middelen wel voorzien, vlug van bevatting, werkzaam, schrander en vernuftig, onberispelijk van zeden en aangenaam van omgang, en, by dat alles, zich van zijn tijdgenooten onderscheidende door het schuwen van elke uitsluitende richting in Kerk of Staat, scheen Hooft door stelling en karakter aangewezen als de man, die de letterkunde van den nieuwen Staat hervormen kon. De party, die thands regeerde, en die alzoo bestemd was in alles, ook in wat smaak en beschaving betrof, den toon te geven, moest geneigd zijn, zich te regelen naar het voorbeeld van iemand, die aan haar verwant en vermaagschapt was: de andersdenkenden vonden geen aanleiding, zich te verzetten tegen den schrijver, wiens byzondere denk- of handelwijze aan niemand aanstoot gaf. Wy willen echter den invloed, dien Hooft zich op de letterkundigen van zijn tijd wist te verwerven, niet uitsluitend op rekening der aangeduide omstandigheden schuiven. Gewis zouden deze weinig gebaat hebben, indien hy niet een gelukkigen aanleg bezeten had, dien hy gelegenheid vond te ontwikkelen, eerst te Leyden, door het onderwijs van beroemde geleerden en den omgang met ontluikende vernuften—waaronder het genoeg is, De Groot te noemen—en later op een buitenlandsche reize van drie jaren, waarvan hy er twee in Italiën doorbracht. Hier was het, dat hy, door het bestudeeren der klassieke Oudheid op haar eigen bodem, doch vooral ook door zich gemeenzaam te maken met de voortbrengselender Italiaansche letterkunde—toen de eerste in Europa—hier was het, zeggen wy, dat hy zijn geest en smaak verfijnde, en leerde inzien, hoe er, ter hervorming van den Nederduitschen stijl, betere voorbeelden te kiezen waren dan de werken ook der bekwaamste Rederijkers. De Granida, zeker onder de tooneelwerken van Hooft niet het minst verdienstelijke, was geheel op Italiaansche leest geschoeid, doch leverde tevens een bewijs, hoe de liefelijke vormen en de welluidendheid der Italiaansche poëzy in ’t Hollandsch op de gelukkigste wijze konden worden nagevolgd. Op zijn acht-en-twintigste jaar reeds zag hy zich geroepen tot de hooge betrekking van Drost van Muiden, Baljuw van Gooiland enz.—een betrekking, hem des te welkomer dan eenige regeeringspost in de stad zijner geboorte, om dat zy hem onafhankelijk maakte van de woelingen der partyen. Hy zag zich voortaan in staat, zijn tijd te verdeelen tusschen de plichten van zijn ambt en de beoefening der letteren. Het slot te Muiden, waar hy in 1609 zijn intrek nam en reeds in ’t volgende jaar de bekoorlijke Kristina van Erp als Drostin binnenleidde, werd van dat tijdstip af, door het gul en gastvrij onthaal, dat men er genoot en door den kring van rijke vernuften, die er byeenkwamen, meer beroemd dan het te voren, zelfs door de belegeringen die het had uitgestaan of door den kerker van Graaf Floris, was geweest. De eerste werken, die hier uit zijn pen vloeiden, waren meest tooneelstukken, die, hoe hemelhoog ook geprezen door ’s mans tijdgenooten, hem nimmer dien eersten rang als schrijver verzekerd hadden, die hem uit anderen hoofde geworden moest. Alleen zijn Warenar, die geestige navolging der Aulularia, is een meesterstuk, dat nog heden ten dage kan worden aangeprezen als een voorbeeld, hoe men, by het overbrengen van een blij- of kluchtspel uit een vreemde taal in de onze, te werk moet gaan, en met behoud vanintrigue, karakters en toestanden, niet alleen de uitheemsche namen, maar ook de uitheemsche zeden, gewoonten, vormen, gezegden en geestigheden met Hollandsche kan verwisselen. Onze hedendaagsche vertalers mogen al aan hun Fransche, Engelsche of Hoogduitsche personaadjen namen geven, die Hollandsch klinken, in hetgeen die personaadjen doen en zeggen, zullen wy zelden of ooit iets nationaals herkennen. Warenar daar-en-tegen en al die hem omringen, zijn geen Romeinen, maar Amsterdammers, en hun taal, uitdrukkingen, zeden, manieren, alles in een woord, is, onder de handen van den vernuftigen en opmerkenden navolger, van elke Latijnsche kleur ontdaan om de inheemsche, de lokale, tot in de kleinste byzonderheden over te nemen.Het was eerst in 1626, dus reeds opvijf-en-veertigjarigenleeftijd, dat Hooft een prozawerk van eenigen omvang in ’t licht gaf, te weten zijn Henrik de Groote. Het was dan ook geen vrucht van enkele ledige oogenblikken, maar van een achtjarige gezette studie, en het getuigde niet alleen van des schrijvers meesterschap over de taal, maar ook van de nasporingen, door hem in ’t werk gesteld. Wekte aldus de vorm elks bewondering wegens het bondige, krachtige en cierlijke van een stijl, waarvan men nimmer hier te lande de wedergade had aangetroffen, de inhoud werd niet minder geprezen. De Groot, toen te Parijs als balling levende, getuigde, dat Hooft in kennis van de Fransche zaken voor geen Franschman behoefde te wijken, en dertien jaar later erkende Koning Lodewijk XIII de treflijke wijze waarop het leven van zijn vader door Hooft was beschreven, door hem de ridderorde van Sint Michiel benevens brieven van adeldom toe te zenden.De lof, aan Hooft toegekend, mocht hem een vertroosting strekken in zijn druk over de vele en zware verliezen, welke hy geleden had. Vader, gade, kinderen, ook zelfs een aanzienlijk deel van zijn vermogen, waren hemachtereenvolgendsontvallen: en het Huis te Muiden, na gedurende een reeks van jaren een verblijf van vrolijkheid en huislijk genoegen te zijn geweest, was een wijk en verblijf geworden van somberheid en rouw. Die treurige staat van zaken moest veranderd worden: Hooft had te wel de genoegens van het gezellige leven leeren op prijs stellen, om die niet terug te wenschen, en hy herwon die, toen hy, op den 30stenOctober 1627, een tweeden echt had aangegaan met Helionora Hellemans, weduwe van Jan Baptista Bartelost. Van nu af tot aan des Drossaarts dood was het Muiderslot weder het middelpunt, waar zich de schranderste vernuften, die Holland, neen, die de zeven Vereenigde Gewesten opleverden, zoo gaarne vereenigden. Daar kwam Vondel zijn Konstantijn, De Huybert zijn Psalm-berijming en Van Baerle zijn Latijnsche gedichten lezen; daar de wakkere Huygens zich van de staatsaangelegenheden verpozen, Reael de vruchten zijner veelsoortige ondervinding mededeelen, de Baecken, de Wickeforts, Staeckman, Graswinkel, van den Honert en zoo vele anderen de schatten hunner rijke kennis uitstorten: daar klonken de liefelijke stemmen van Tesselschade Roemer Visschers en Franciska Duarte, vergezelschapt door het klavecimbelspel van Diederick Swelingh of Joan Albert Ban.Maar Hooft, hoe ook gesteld op zoet gezelschap, had geen gezelschapnoodig om verveeling te ontvlieden: en wellicht was hy nog het best te vrede, wanneer hy, in het zomerhuisjen in zijn tuin, doorgaans zijn „torentjen” genoemd, tusschen zijn boeken en papieren was gezeten. Dit althands getuigde Vondel, toen hy hem schreef:Somtijts kiest ge ’t zeskant huiskeVoor uw afgescheiden kluiske,En zijt in deze eenzaamheênNimmer min dan dus alleen.In dit huiske wert geboren(’t Was zoo van uw lot beschooren)’s Grooten Henrix groote Faam,En de grootheid van zijn naamQuam uit deze kleinheit rennen,Vlugh geworden door uw pennen,Allesins waar ’t Duitsche volckIs bekent door tael of tolck.Het goed onthaal, te beurt gevallen aan het werk hier, door Vondel geprezen, had Hooft aangemoedigd, een dergelijken arbeid, maar van vrij wat uitgebreider omvang, te aanvaarden. In 1628 leide hy de hand aan zijn Nederlandsche Historiën, waar hy negentien jaren lang, tot aan zijn sterfdag toe, met onafgebroken vlijt aan voortwerkte. ’t Is onuitspreeklijk, met wat moeite en inspanning, met hoe veel lezens van gedrukte en ongedrukte boeken en bescheiden, met wat naarstig onderzoek en navorschen, met wat overleg en beraad, dat groote werk werd samengesteld, ontworpen, op papier gebracht, beschaafd en gepolijst. Hy diende zich daarby niet alleen van een aantal schrijvers, die in onderscheiden talen over de Nederlandsche beroerten hadden gehandeld; maar hy deed ook zijn voordeel met den raad en de voorlichting, die hem verschaft kon worden door mannen, in zaken van staat en oorlog ervaren. Zoo was Jacob Wijts, de Algemeene Wachtmeester van ’t Leger der Staten, zijn gids en raadsman in alles wat het krijgswezen betrof: zoo waren ’t Huygens, van den Honert, Schotte, Staeckman, Wickefort, waar ’t Staatsaangelegenheden gold. Niet voor het jaar 1642 zag het eerste gedeelte van ’t werk het licht, terwijl de schrijverinmiddelsnog, tot verpozing en stijloefening, een vertaling van Tacitus en een beschrijving der Rampzaligheden van den Huize Medicis had bewerkt.Waren de Nederlandsche Historiën met ongeduld verbeid, met ongemeene graagte en belangstelling werden zy ontfangen en met uitbundige toejuiching vereerd. ’t Is waar, het kostte aan sommigen in den aanvangmoeite, zich aan de kernachtige beknoptheid van den stijl, aan de vaak ongewone woordschikking, te wennen; doch had men eenmaal, door een aandachtig lezen en vergelijken, zich met zijn schrijftrant gemeenzaam gemaakt, dan vergoedde een schier onvermengd genot de moeite van het lezen. Wat ons thands het meest hindert in den stijl van Hooft, te weten de Latijnsche spraakwendingen, werd hem niet ten kwade geduid door de letterkundigen van zijn dagen, over ’t geheel meer gewoon Latijn dan Neêrduitsch te lezen: en evenmin konden zy er zich aan ergeren, dat hy, op ’t spoor van Livius, en van Tacitus vooral, op welken laatsten hy zich gevormd had, aan zijn personaadjen meermalen cierlijke redevoeringen in den mond leide, die nimmer werkelijk gehouden waren, doch die tot ontwikkeling hunner karakters of meeningen moesten dienen. De geschiedenis, zoo als Hooft die gaf, was geen dorre kronijk, maar een gedramatizeerde epos, die voortdurend tot de verbeelding zoowel als tot het verstand bleef spreken, en waar de poëzy zich huwde aan naauwgezetheid in ’t voorstellen der feiten. Het verhaal van den moord te Naarden, van de belegeringen, door Haarlem en Leyden uitgestaan, van den overtocht der Spanjaarts naar Duiveland en Schouwen, van de Spaansche furie te Antwerpen en van de ontploffing van Gianibellies brandschepen, zijn meesterstukken van schilderachtige beschrijving, waarby alles leeft en tot de verbeelding spreekt, en ook de kleinste byzonderheid, met getrouwheid aangebracht, en in een gelukkig licht gesteld, het hare bybrengt om het geheel af te ronden of te kleuren. Geen wonder dan ook, dat Frederik Hendrik de opdracht van dit werk vorstelijk beloonde, en dat de geleerdste en aanzienlijkste mannen in den lande onuitputtelijk waren in den lof, dien zy er aan schonken. Maar wat meer nog hem streelen moest, als zijnde een getuigenis, herkomstig van die zijde, van welke men die ’t minst verwachten moest, was het verzoek, hem door Broeder Gabriël, een Kapucijn uit Leuven, gedaan, om niet te verflaauwen, maar standvastig voort te varen met den aangevangen arbeid, onder byvoeging, dat noch hy, noch de beroemde Puteanus te Leuven, immer een boek gelezen hadden, in onze taal geschreven, dat hun zoo wel geviel.Ongelukkig werd het aan Hooft niet gegeven, zijn Historiën verder te bewerken dan tot aan het Bestuur van Leycester. Hy zelf had het voorgevoel hiervan uitgedrukt in de volgende letteren, onder dagteekening van 12 Maart 1647 geschreven aan den reeds genoemden Kapucijnen bewaard in die keurige verzameling van zoo vele honderde Brieven, die niet tot de minste zijner aanspraken op onsterfelijke vermaardheid behooren: „.... ik hoop binnen korte jaaren noch tien boeken uit te geeven, die bequaamelijkt by de voorige twintig zullen kunnen gevoegt worden: zijnde mijn zorg, dat my niet gelukken zal het werk wijder te brengen, by mangel van gezondtheit oft leeven. Want d’eene wordt dikwijls bestreeden, en ’t anderfluisterstmy, die staa om op den zestienden deezer maandt in mijn zeven-en-zestigste jaar te treeden, in ’t oor:Tempus abire mihi.”Twee dagen later stierf Frederik Hendrik, en Hooft, naar den Haag gereisd, om ’s Vorsten lijkstaatsie by te wonen, werd aldaar door een zware koorts aangetast, waaraan hy den 21stenMei deszelfden jaars overleed. Algemeen was de rouw over zijn afsterven, en openbaar werd zijn lof herdacht in een lijkrede, door Geeraart Brandt opgesteld en door Adam Karelszoon van Zjermesz, een uitstekend tooneelspeler van die dagen, op den Amsterdamschen Schouwburg uitgesproken. Korter en kernachtiger schetste hem Vondel, in de regels onder zijn afbeelding door Sandrart geplaatst.Het brein, gespitst op ’t roer der Staten te regeeren,En ’s weerelts Oceaan met kloeckheit te braveeren,Den geest, die Tacitus en d’oudste dichters tart,Besloot natuur in Hooft, herboren uit Sandrart,Die hooft- en halscieraet des Ridders heeft vergeeten:De Duitsche lauwerkroon, en Fransche koningsketen.

PIETER CORNELISZOON HOOFT.De Nederduitsche taal, jeugdig, frisch, krachtig en bevallig, zoo lang Holland nog zijn eigen Gravenhuis bezat, was, ten gevolge der heerschappy, aldaar, byna drie eeuwen lang, door vier uitheemsche vorstengeslachten gevoerd, in een diep en treurig verval geraakt. Zoo zy nog leefde, ’t was in de oude spreekwoorden en refereinen en in den mond des volks; maar als schrijftaal was zy sedert lang vervangen door een barbaarsch mengelmoes, waarin Hoogduitsche kanselarystijl en Fransche bastertwoorden—om van de Latijnsche niet te spreken—elkander verdrongen: een eigenlijk gezegde letterkunde bestond niet meer, en zelfs zy, die, toen de uitvinding der drukkunst en de studie der klassieke Oudheid het morgenrood eener nieuwe beschaving over Europa deden opgaan, hier te lande de eerste pogingen in ’t werk stelden, om haar te doen herleven, de Rederijkers, waren nog machteloos iets anders voort te brengen dan verveelende moralizatiën, in ellendige kreupelvaerzen en nog ellendiger taal vervat. ’t Is waar, mannen als Marnix, Coornhert, Spieghel, Roemer Visscher, hadden de hand aan de ploeg geslagen, en, met de herboren vrijheid poogden zy ook hun taal op vaste grondslagen te vestigen; doch het was niet, zoo lang de worstelstrijd tegen de dwingelandy op Hollands bodem gevoerd werd, dat een zoodanige poging, die boven alles een rustigen staat van zaken vereischte, met den noodigen klem kon worden doorgezet. Dan er was een betere tijd, een tijd van welvaart en binnenlandsche rust voor Holland aangebroken, en tevens de gelegenheid om den begonnen arbeid met wakkere volharding voort te zetten. Het was de Amsterdamsche Kamer „In Liefde Bloeyende”—tot wierledenniet alleen de twee laatstgenoemde geleerden behoorden, maar ook al wie in Amsterdam zich door wetenschappelijken aanleg onderscheidde—diede taak aanvaardde, om, als zy ’t uitdrukte, „de Hollandsche taal van uitheemsch schuim te zuiveren, en de noodigste konsten in zuiver Dietsch te leeren.” Maar geene omwenteling—’t zij dan in Kerk, in Staat of in Taal—werd immer volbracht door mannen van bedaagden leeftijd en grijze ervaring. Spieghel en al die als hy mannen van overgang waren, konden slechts theoriën stellen, naar welke de letterkunde zich te richten had; zy waren niet in staat, die in praktijk te doen brengen: die taak was voor jeugdiger krachten bewaard. Zy hadden uit de opgedolven stoffen een onbezield lichaam samengesteld; maar er moest een Prometheus komen, die aan dat lichaam het leven gaf: die Prometheus was Pieter Corneliszoon Hooft.Pieter Corneliszoon Hooft.Herman ten Kate, FtSteend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Pieter Corneliszoon Hooft.Geboren in datzelfde jaar 1581, waarin ons Vaderland, door de afzweering van Filips, als zelfstandige Mogendheid optrad, zoon van dien Cornelis Pieterszoon, die als de grondlegger, althands als de vertegenwoordiger kon worden aangemerkt van dat aristokratisch beginsel, ’t welk hier gedurende twee eeuwen schier uitsluitend heeft geheerscht, van tijdelijke middelen wel voorzien, vlug van bevatting, werkzaam, schrander en vernuftig, onberispelijk van zeden en aangenaam van omgang, en, by dat alles, zich van zijn tijdgenooten onderscheidende door het schuwen van elke uitsluitende richting in Kerk of Staat, scheen Hooft door stelling en karakter aangewezen als de man, die de letterkunde van den nieuwen Staat hervormen kon. De party, die thands regeerde, en die alzoo bestemd was in alles, ook in wat smaak en beschaving betrof, den toon te geven, moest geneigd zijn, zich te regelen naar het voorbeeld van iemand, die aan haar verwant en vermaagschapt was: de andersdenkenden vonden geen aanleiding, zich te verzetten tegen den schrijver, wiens byzondere denk- of handelwijze aan niemand aanstoot gaf. Wy willen echter den invloed, dien Hooft zich op de letterkundigen van zijn tijd wist te verwerven, niet uitsluitend op rekening der aangeduide omstandigheden schuiven. Gewis zouden deze weinig gebaat hebben, indien hy niet een gelukkigen aanleg bezeten had, dien hy gelegenheid vond te ontwikkelen, eerst te Leyden, door het onderwijs van beroemde geleerden en den omgang met ontluikende vernuften—waaronder het genoeg is, De Groot te noemen—en later op een buitenlandsche reize van drie jaren, waarvan hy er twee in Italiën doorbracht. Hier was het, dat hy, door het bestudeeren der klassieke Oudheid op haar eigen bodem, doch vooral ook door zich gemeenzaam te maken met de voortbrengselender Italiaansche letterkunde—toen de eerste in Europa—hier was het, zeggen wy, dat hy zijn geest en smaak verfijnde, en leerde inzien, hoe er, ter hervorming van den Nederduitschen stijl, betere voorbeelden te kiezen waren dan de werken ook der bekwaamste Rederijkers. De Granida, zeker onder de tooneelwerken van Hooft niet het minst verdienstelijke, was geheel op Italiaansche leest geschoeid, doch leverde tevens een bewijs, hoe de liefelijke vormen en de welluidendheid der Italiaansche poëzy in ’t Hollandsch op de gelukkigste wijze konden worden nagevolgd. Op zijn acht-en-twintigste jaar reeds zag hy zich geroepen tot de hooge betrekking van Drost van Muiden, Baljuw van Gooiland enz.—een betrekking, hem des te welkomer dan eenige regeeringspost in de stad zijner geboorte, om dat zy hem onafhankelijk maakte van de woelingen der partyen. Hy zag zich voortaan in staat, zijn tijd te verdeelen tusschen de plichten van zijn ambt en de beoefening der letteren. Het slot te Muiden, waar hy in 1609 zijn intrek nam en reeds in ’t volgende jaar de bekoorlijke Kristina van Erp als Drostin binnenleidde, werd van dat tijdstip af, door het gul en gastvrij onthaal, dat men er genoot en door den kring van rijke vernuften, die er byeenkwamen, meer beroemd dan het te voren, zelfs door de belegeringen die het had uitgestaan of door den kerker van Graaf Floris, was geweest. De eerste werken, die hier uit zijn pen vloeiden, waren meest tooneelstukken, die, hoe hemelhoog ook geprezen door ’s mans tijdgenooten, hem nimmer dien eersten rang als schrijver verzekerd hadden, die hem uit anderen hoofde geworden moest. Alleen zijn Warenar, die geestige navolging der Aulularia, is een meesterstuk, dat nog heden ten dage kan worden aangeprezen als een voorbeeld, hoe men, by het overbrengen van een blij- of kluchtspel uit een vreemde taal in de onze, te werk moet gaan, en met behoud vanintrigue, karakters en toestanden, niet alleen de uitheemsche namen, maar ook de uitheemsche zeden, gewoonten, vormen, gezegden en geestigheden met Hollandsche kan verwisselen. Onze hedendaagsche vertalers mogen al aan hun Fransche, Engelsche of Hoogduitsche personaadjen namen geven, die Hollandsch klinken, in hetgeen die personaadjen doen en zeggen, zullen wy zelden of ooit iets nationaals herkennen. Warenar daar-en-tegen en al die hem omringen, zijn geen Romeinen, maar Amsterdammers, en hun taal, uitdrukkingen, zeden, manieren, alles in een woord, is, onder de handen van den vernuftigen en opmerkenden navolger, van elke Latijnsche kleur ontdaan om de inheemsche, de lokale, tot in de kleinste byzonderheden over te nemen.Het was eerst in 1626, dus reeds opvijf-en-veertigjarigenleeftijd, dat Hooft een prozawerk van eenigen omvang in ’t licht gaf, te weten zijn Henrik de Groote. Het was dan ook geen vrucht van enkele ledige oogenblikken, maar van een achtjarige gezette studie, en het getuigde niet alleen van des schrijvers meesterschap over de taal, maar ook van de nasporingen, door hem in ’t werk gesteld. Wekte aldus de vorm elks bewondering wegens het bondige, krachtige en cierlijke van een stijl, waarvan men nimmer hier te lande de wedergade had aangetroffen, de inhoud werd niet minder geprezen. De Groot, toen te Parijs als balling levende, getuigde, dat Hooft in kennis van de Fransche zaken voor geen Franschman behoefde te wijken, en dertien jaar later erkende Koning Lodewijk XIII de treflijke wijze waarop het leven van zijn vader door Hooft was beschreven, door hem de ridderorde van Sint Michiel benevens brieven van adeldom toe te zenden.De lof, aan Hooft toegekend, mocht hem een vertroosting strekken in zijn druk over de vele en zware verliezen, welke hy geleden had. Vader, gade, kinderen, ook zelfs een aanzienlijk deel van zijn vermogen, waren hemachtereenvolgendsontvallen: en het Huis te Muiden, na gedurende een reeks van jaren een verblijf van vrolijkheid en huislijk genoegen te zijn geweest, was een wijk en verblijf geworden van somberheid en rouw. Die treurige staat van zaken moest veranderd worden: Hooft had te wel de genoegens van het gezellige leven leeren op prijs stellen, om die niet terug te wenschen, en hy herwon die, toen hy, op den 30stenOctober 1627, een tweeden echt had aangegaan met Helionora Hellemans, weduwe van Jan Baptista Bartelost. Van nu af tot aan des Drossaarts dood was het Muiderslot weder het middelpunt, waar zich de schranderste vernuften, die Holland, neen, die de zeven Vereenigde Gewesten opleverden, zoo gaarne vereenigden. Daar kwam Vondel zijn Konstantijn, De Huybert zijn Psalm-berijming en Van Baerle zijn Latijnsche gedichten lezen; daar de wakkere Huygens zich van de staatsaangelegenheden verpozen, Reael de vruchten zijner veelsoortige ondervinding mededeelen, de Baecken, de Wickeforts, Staeckman, Graswinkel, van den Honert en zoo vele anderen de schatten hunner rijke kennis uitstorten: daar klonken de liefelijke stemmen van Tesselschade Roemer Visschers en Franciska Duarte, vergezelschapt door het klavecimbelspel van Diederick Swelingh of Joan Albert Ban.Maar Hooft, hoe ook gesteld op zoet gezelschap, had geen gezelschapnoodig om verveeling te ontvlieden: en wellicht was hy nog het best te vrede, wanneer hy, in het zomerhuisjen in zijn tuin, doorgaans zijn „torentjen” genoemd, tusschen zijn boeken en papieren was gezeten. Dit althands getuigde Vondel, toen hy hem schreef:Somtijts kiest ge ’t zeskant huiskeVoor uw afgescheiden kluiske,En zijt in deze eenzaamheênNimmer min dan dus alleen.In dit huiske wert geboren(’t Was zoo van uw lot beschooren)’s Grooten Henrix groote Faam,En de grootheid van zijn naamQuam uit deze kleinheit rennen,Vlugh geworden door uw pennen,Allesins waar ’t Duitsche volckIs bekent door tael of tolck.Het goed onthaal, te beurt gevallen aan het werk hier, door Vondel geprezen, had Hooft aangemoedigd, een dergelijken arbeid, maar van vrij wat uitgebreider omvang, te aanvaarden. In 1628 leide hy de hand aan zijn Nederlandsche Historiën, waar hy negentien jaren lang, tot aan zijn sterfdag toe, met onafgebroken vlijt aan voortwerkte. ’t Is onuitspreeklijk, met wat moeite en inspanning, met hoe veel lezens van gedrukte en ongedrukte boeken en bescheiden, met wat naarstig onderzoek en navorschen, met wat overleg en beraad, dat groote werk werd samengesteld, ontworpen, op papier gebracht, beschaafd en gepolijst. Hy diende zich daarby niet alleen van een aantal schrijvers, die in onderscheiden talen over de Nederlandsche beroerten hadden gehandeld; maar hy deed ook zijn voordeel met den raad en de voorlichting, die hem verschaft kon worden door mannen, in zaken van staat en oorlog ervaren. Zoo was Jacob Wijts, de Algemeene Wachtmeester van ’t Leger der Staten, zijn gids en raadsman in alles wat het krijgswezen betrof: zoo waren ’t Huygens, van den Honert, Schotte, Staeckman, Wickefort, waar ’t Staatsaangelegenheden gold. Niet voor het jaar 1642 zag het eerste gedeelte van ’t werk het licht, terwijl de schrijverinmiddelsnog, tot verpozing en stijloefening, een vertaling van Tacitus en een beschrijving der Rampzaligheden van den Huize Medicis had bewerkt.Waren de Nederlandsche Historiën met ongeduld verbeid, met ongemeene graagte en belangstelling werden zy ontfangen en met uitbundige toejuiching vereerd. ’t Is waar, het kostte aan sommigen in den aanvangmoeite, zich aan de kernachtige beknoptheid van den stijl, aan de vaak ongewone woordschikking, te wennen; doch had men eenmaal, door een aandachtig lezen en vergelijken, zich met zijn schrijftrant gemeenzaam gemaakt, dan vergoedde een schier onvermengd genot de moeite van het lezen. Wat ons thands het meest hindert in den stijl van Hooft, te weten de Latijnsche spraakwendingen, werd hem niet ten kwade geduid door de letterkundigen van zijn dagen, over ’t geheel meer gewoon Latijn dan Neêrduitsch te lezen: en evenmin konden zy er zich aan ergeren, dat hy, op ’t spoor van Livius, en van Tacitus vooral, op welken laatsten hy zich gevormd had, aan zijn personaadjen meermalen cierlijke redevoeringen in den mond leide, die nimmer werkelijk gehouden waren, doch die tot ontwikkeling hunner karakters of meeningen moesten dienen. De geschiedenis, zoo als Hooft die gaf, was geen dorre kronijk, maar een gedramatizeerde epos, die voortdurend tot de verbeelding zoowel als tot het verstand bleef spreken, en waar de poëzy zich huwde aan naauwgezetheid in ’t voorstellen der feiten. Het verhaal van den moord te Naarden, van de belegeringen, door Haarlem en Leyden uitgestaan, van den overtocht der Spanjaarts naar Duiveland en Schouwen, van de Spaansche furie te Antwerpen en van de ontploffing van Gianibellies brandschepen, zijn meesterstukken van schilderachtige beschrijving, waarby alles leeft en tot de verbeelding spreekt, en ook de kleinste byzonderheid, met getrouwheid aangebracht, en in een gelukkig licht gesteld, het hare bybrengt om het geheel af te ronden of te kleuren. Geen wonder dan ook, dat Frederik Hendrik de opdracht van dit werk vorstelijk beloonde, en dat de geleerdste en aanzienlijkste mannen in den lande onuitputtelijk waren in den lof, dien zy er aan schonken. Maar wat meer nog hem streelen moest, als zijnde een getuigenis, herkomstig van die zijde, van welke men die ’t minst verwachten moest, was het verzoek, hem door Broeder Gabriël, een Kapucijn uit Leuven, gedaan, om niet te verflaauwen, maar standvastig voort te varen met den aangevangen arbeid, onder byvoeging, dat noch hy, noch de beroemde Puteanus te Leuven, immer een boek gelezen hadden, in onze taal geschreven, dat hun zoo wel geviel.Ongelukkig werd het aan Hooft niet gegeven, zijn Historiën verder te bewerken dan tot aan het Bestuur van Leycester. Hy zelf had het voorgevoel hiervan uitgedrukt in de volgende letteren, onder dagteekening van 12 Maart 1647 geschreven aan den reeds genoemden Kapucijnen bewaard in die keurige verzameling van zoo vele honderde Brieven, die niet tot de minste zijner aanspraken op onsterfelijke vermaardheid behooren: „.... ik hoop binnen korte jaaren noch tien boeken uit te geeven, die bequaamelijkt by de voorige twintig zullen kunnen gevoegt worden: zijnde mijn zorg, dat my niet gelukken zal het werk wijder te brengen, by mangel van gezondtheit oft leeven. Want d’eene wordt dikwijls bestreeden, en ’t anderfluisterstmy, die staa om op den zestienden deezer maandt in mijn zeven-en-zestigste jaar te treeden, in ’t oor:Tempus abire mihi.”Twee dagen later stierf Frederik Hendrik, en Hooft, naar den Haag gereisd, om ’s Vorsten lijkstaatsie by te wonen, werd aldaar door een zware koorts aangetast, waaraan hy den 21stenMei deszelfden jaars overleed. Algemeen was de rouw over zijn afsterven, en openbaar werd zijn lof herdacht in een lijkrede, door Geeraart Brandt opgesteld en door Adam Karelszoon van Zjermesz, een uitstekend tooneelspeler van die dagen, op den Amsterdamschen Schouwburg uitgesproken. Korter en kernachtiger schetste hem Vondel, in de regels onder zijn afbeelding door Sandrart geplaatst.Het brein, gespitst op ’t roer der Staten te regeeren,En ’s weerelts Oceaan met kloeckheit te braveeren,Den geest, die Tacitus en d’oudste dichters tart,Besloot natuur in Hooft, herboren uit Sandrart,Die hooft- en halscieraet des Ridders heeft vergeeten:De Duitsche lauwerkroon, en Fransche koningsketen.

PIETER CORNELISZOON HOOFT.

De Nederduitsche taal, jeugdig, frisch, krachtig en bevallig, zoo lang Holland nog zijn eigen Gravenhuis bezat, was, ten gevolge der heerschappy, aldaar, byna drie eeuwen lang, door vier uitheemsche vorstengeslachten gevoerd, in een diep en treurig verval geraakt. Zoo zy nog leefde, ’t was in de oude spreekwoorden en refereinen en in den mond des volks; maar als schrijftaal was zy sedert lang vervangen door een barbaarsch mengelmoes, waarin Hoogduitsche kanselarystijl en Fransche bastertwoorden—om van de Latijnsche niet te spreken—elkander verdrongen: een eigenlijk gezegde letterkunde bestond niet meer, en zelfs zy, die, toen de uitvinding der drukkunst en de studie der klassieke Oudheid het morgenrood eener nieuwe beschaving over Europa deden opgaan, hier te lande de eerste pogingen in ’t werk stelden, om haar te doen herleven, de Rederijkers, waren nog machteloos iets anders voort te brengen dan verveelende moralizatiën, in ellendige kreupelvaerzen en nog ellendiger taal vervat. ’t Is waar, mannen als Marnix, Coornhert, Spieghel, Roemer Visscher, hadden de hand aan de ploeg geslagen, en, met de herboren vrijheid poogden zy ook hun taal op vaste grondslagen te vestigen; doch het was niet, zoo lang de worstelstrijd tegen de dwingelandy op Hollands bodem gevoerd werd, dat een zoodanige poging, die boven alles een rustigen staat van zaken vereischte, met den noodigen klem kon worden doorgezet. Dan er was een betere tijd, een tijd van welvaart en binnenlandsche rust voor Holland aangebroken, en tevens de gelegenheid om den begonnen arbeid met wakkere volharding voort te zetten. Het was de Amsterdamsche Kamer „In Liefde Bloeyende”—tot wierledenniet alleen de twee laatstgenoemde geleerden behoorden, maar ook al wie in Amsterdam zich door wetenschappelijken aanleg onderscheidde—diede taak aanvaardde, om, als zy ’t uitdrukte, „de Hollandsche taal van uitheemsch schuim te zuiveren, en de noodigste konsten in zuiver Dietsch te leeren.” Maar geene omwenteling—’t zij dan in Kerk, in Staat of in Taal—werd immer volbracht door mannen van bedaagden leeftijd en grijze ervaring. Spieghel en al die als hy mannen van overgang waren, konden slechts theoriën stellen, naar welke de letterkunde zich te richten had; zy waren niet in staat, die in praktijk te doen brengen: die taak was voor jeugdiger krachten bewaard. Zy hadden uit de opgedolven stoffen een onbezield lichaam samengesteld; maar er moest een Prometheus komen, die aan dat lichaam het leven gaf: die Prometheus was Pieter Corneliszoon Hooft.Pieter Corneliszoon Hooft.Herman ten Kate, FtSteend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Pieter Corneliszoon Hooft.Geboren in datzelfde jaar 1581, waarin ons Vaderland, door de afzweering van Filips, als zelfstandige Mogendheid optrad, zoon van dien Cornelis Pieterszoon, die als de grondlegger, althands als de vertegenwoordiger kon worden aangemerkt van dat aristokratisch beginsel, ’t welk hier gedurende twee eeuwen schier uitsluitend heeft geheerscht, van tijdelijke middelen wel voorzien, vlug van bevatting, werkzaam, schrander en vernuftig, onberispelijk van zeden en aangenaam van omgang, en, by dat alles, zich van zijn tijdgenooten onderscheidende door het schuwen van elke uitsluitende richting in Kerk of Staat, scheen Hooft door stelling en karakter aangewezen als de man, die de letterkunde van den nieuwen Staat hervormen kon. De party, die thands regeerde, en die alzoo bestemd was in alles, ook in wat smaak en beschaving betrof, den toon te geven, moest geneigd zijn, zich te regelen naar het voorbeeld van iemand, die aan haar verwant en vermaagschapt was: de andersdenkenden vonden geen aanleiding, zich te verzetten tegen den schrijver, wiens byzondere denk- of handelwijze aan niemand aanstoot gaf. Wy willen echter den invloed, dien Hooft zich op de letterkundigen van zijn tijd wist te verwerven, niet uitsluitend op rekening der aangeduide omstandigheden schuiven. Gewis zouden deze weinig gebaat hebben, indien hy niet een gelukkigen aanleg bezeten had, dien hy gelegenheid vond te ontwikkelen, eerst te Leyden, door het onderwijs van beroemde geleerden en den omgang met ontluikende vernuften—waaronder het genoeg is, De Groot te noemen—en later op een buitenlandsche reize van drie jaren, waarvan hy er twee in Italiën doorbracht. Hier was het, dat hy, door het bestudeeren der klassieke Oudheid op haar eigen bodem, doch vooral ook door zich gemeenzaam te maken met de voortbrengselender Italiaansche letterkunde—toen de eerste in Europa—hier was het, zeggen wy, dat hy zijn geest en smaak verfijnde, en leerde inzien, hoe er, ter hervorming van den Nederduitschen stijl, betere voorbeelden te kiezen waren dan de werken ook der bekwaamste Rederijkers. De Granida, zeker onder de tooneelwerken van Hooft niet het minst verdienstelijke, was geheel op Italiaansche leest geschoeid, doch leverde tevens een bewijs, hoe de liefelijke vormen en de welluidendheid der Italiaansche poëzy in ’t Hollandsch op de gelukkigste wijze konden worden nagevolgd. Op zijn acht-en-twintigste jaar reeds zag hy zich geroepen tot de hooge betrekking van Drost van Muiden, Baljuw van Gooiland enz.—een betrekking, hem des te welkomer dan eenige regeeringspost in de stad zijner geboorte, om dat zy hem onafhankelijk maakte van de woelingen der partyen. Hy zag zich voortaan in staat, zijn tijd te verdeelen tusschen de plichten van zijn ambt en de beoefening der letteren. Het slot te Muiden, waar hy in 1609 zijn intrek nam en reeds in ’t volgende jaar de bekoorlijke Kristina van Erp als Drostin binnenleidde, werd van dat tijdstip af, door het gul en gastvrij onthaal, dat men er genoot en door den kring van rijke vernuften, die er byeenkwamen, meer beroemd dan het te voren, zelfs door de belegeringen die het had uitgestaan of door den kerker van Graaf Floris, was geweest. De eerste werken, die hier uit zijn pen vloeiden, waren meest tooneelstukken, die, hoe hemelhoog ook geprezen door ’s mans tijdgenooten, hem nimmer dien eersten rang als schrijver verzekerd hadden, die hem uit anderen hoofde geworden moest. Alleen zijn Warenar, die geestige navolging der Aulularia, is een meesterstuk, dat nog heden ten dage kan worden aangeprezen als een voorbeeld, hoe men, by het overbrengen van een blij- of kluchtspel uit een vreemde taal in de onze, te werk moet gaan, en met behoud vanintrigue, karakters en toestanden, niet alleen de uitheemsche namen, maar ook de uitheemsche zeden, gewoonten, vormen, gezegden en geestigheden met Hollandsche kan verwisselen. Onze hedendaagsche vertalers mogen al aan hun Fransche, Engelsche of Hoogduitsche personaadjen namen geven, die Hollandsch klinken, in hetgeen die personaadjen doen en zeggen, zullen wy zelden of ooit iets nationaals herkennen. Warenar daar-en-tegen en al die hem omringen, zijn geen Romeinen, maar Amsterdammers, en hun taal, uitdrukkingen, zeden, manieren, alles in een woord, is, onder de handen van den vernuftigen en opmerkenden navolger, van elke Latijnsche kleur ontdaan om de inheemsche, de lokale, tot in de kleinste byzonderheden over te nemen.Het was eerst in 1626, dus reeds opvijf-en-veertigjarigenleeftijd, dat Hooft een prozawerk van eenigen omvang in ’t licht gaf, te weten zijn Henrik de Groote. Het was dan ook geen vrucht van enkele ledige oogenblikken, maar van een achtjarige gezette studie, en het getuigde niet alleen van des schrijvers meesterschap over de taal, maar ook van de nasporingen, door hem in ’t werk gesteld. Wekte aldus de vorm elks bewondering wegens het bondige, krachtige en cierlijke van een stijl, waarvan men nimmer hier te lande de wedergade had aangetroffen, de inhoud werd niet minder geprezen. De Groot, toen te Parijs als balling levende, getuigde, dat Hooft in kennis van de Fransche zaken voor geen Franschman behoefde te wijken, en dertien jaar later erkende Koning Lodewijk XIII de treflijke wijze waarop het leven van zijn vader door Hooft was beschreven, door hem de ridderorde van Sint Michiel benevens brieven van adeldom toe te zenden.De lof, aan Hooft toegekend, mocht hem een vertroosting strekken in zijn druk over de vele en zware verliezen, welke hy geleden had. Vader, gade, kinderen, ook zelfs een aanzienlijk deel van zijn vermogen, waren hemachtereenvolgendsontvallen: en het Huis te Muiden, na gedurende een reeks van jaren een verblijf van vrolijkheid en huislijk genoegen te zijn geweest, was een wijk en verblijf geworden van somberheid en rouw. Die treurige staat van zaken moest veranderd worden: Hooft had te wel de genoegens van het gezellige leven leeren op prijs stellen, om die niet terug te wenschen, en hy herwon die, toen hy, op den 30stenOctober 1627, een tweeden echt had aangegaan met Helionora Hellemans, weduwe van Jan Baptista Bartelost. Van nu af tot aan des Drossaarts dood was het Muiderslot weder het middelpunt, waar zich de schranderste vernuften, die Holland, neen, die de zeven Vereenigde Gewesten opleverden, zoo gaarne vereenigden. Daar kwam Vondel zijn Konstantijn, De Huybert zijn Psalm-berijming en Van Baerle zijn Latijnsche gedichten lezen; daar de wakkere Huygens zich van de staatsaangelegenheden verpozen, Reael de vruchten zijner veelsoortige ondervinding mededeelen, de Baecken, de Wickeforts, Staeckman, Graswinkel, van den Honert en zoo vele anderen de schatten hunner rijke kennis uitstorten: daar klonken de liefelijke stemmen van Tesselschade Roemer Visschers en Franciska Duarte, vergezelschapt door het klavecimbelspel van Diederick Swelingh of Joan Albert Ban.Maar Hooft, hoe ook gesteld op zoet gezelschap, had geen gezelschapnoodig om verveeling te ontvlieden: en wellicht was hy nog het best te vrede, wanneer hy, in het zomerhuisjen in zijn tuin, doorgaans zijn „torentjen” genoemd, tusschen zijn boeken en papieren was gezeten. Dit althands getuigde Vondel, toen hy hem schreef:Somtijts kiest ge ’t zeskant huiskeVoor uw afgescheiden kluiske,En zijt in deze eenzaamheênNimmer min dan dus alleen.In dit huiske wert geboren(’t Was zoo van uw lot beschooren)’s Grooten Henrix groote Faam,En de grootheid van zijn naamQuam uit deze kleinheit rennen,Vlugh geworden door uw pennen,Allesins waar ’t Duitsche volckIs bekent door tael of tolck.Het goed onthaal, te beurt gevallen aan het werk hier, door Vondel geprezen, had Hooft aangemoedigd, een dergelijken arbeid, maar van vrij wat uitgebreider omvang, te aanvaarden. In 1628 leide hy de hand aan zijn Nederlandsche Historiën, waar hy negentien jaren lang, tot aan zijn sterfdag toe, met onafgebroken vlijt aan voortwerkte. ’t Is onuitspreeklijk, met wat moeite en inspanning, met hoe veel lezens van gedrukte en ongedrukte boeken en bescheiden, met wat naarstig onderzoek en navorschen, met wat overleg en beraad, dat groote werk werd samengesteld, ontworpen, op papier gebracht, beschaafd en gepolijst. Hy diende zich daarby niet alleen van een aantal schrijvers, die in onderscheiden talen over de Nederlandsche beroerten hadden gehandeld; maar hy deed ook zijn voordeel met den raad en de voorlichting, die hem verschaft kon worden door mannen, in zaken van staat en oorlog ervaren. Zoo was Jacob Wijts, de Algemeene Wachtmeester van ’t Leger der Staten, zijn gids en raadsman in alles wat het krijgswezen betrof: zoo waren ’t Huygens, van den Honert, Schotte, Staeckman, Wickefort, waar ’t Staatsaangelegenheden gold. Niet voor het jaar 1642 zag het eerste gedeelte van ’t werk het licht, terwijl de schrijverinmiddelsnog, tot verpozing en stijloefening, een vertaling van Tacitus en een beschrijving der Rampzaligheden van den Huize Medicis had bewerkt.Waren de Nederlandsche Historiën met ongeduld verbeid, met ongemeene graagte en belangstelling werden zy ontfangen en met uitbundige toejuiching vereerd. ’t Is waar, het kostte aan sommigen in den aanvangmoeite, zich aan de kernachtige beknoptheid van den stijl, aan de vaak ongewone woordschikking, te wennen; doch had men eenmaal, door een aandachtig lezen en vergelijken, zich met zijn schrijftrant gemeenzaam gemaakt, dan vergoedde een schier onvermengd genot de moeite van het lezen. Wat ons thands het meest hindert in den stijl van Hooft, te weten de Latijnsche spraakwendingen, werd hem niet ten kwade geduid door de letterkundigen van zijn dagen, over ’t geheel meer gewoon Latijn dan Neêrduitsch te lezen: en evenmin konden zy er zich aan ergeren, dat hy, op ’t spoor van Livius, en van Tacitus vooral, op welken laatsten hy zich gevormd had, aan zijn personaadjen meermalen cierlijke redevoeringen in den mond leide, die nimmer werkelijk gehouden waren, doch die tot ontwikkeling hunner karakters of meeningen moesten dienen. De geschiedenis, zoo als Hooft die gaf, was geen dorre kronijk, maar een gedramatizeerde epos, die voortdurend tot de verbeelding zoowel als tot het verstand bleef spreken, en waar de poëzy zich huwde aan naauwgezetheid in ’t voorstellen der feiten. Het verhaal van den moord te Naarden, van de belegeringen, door Haarlem en Leyden uitgestaan, van den overtocht der Spanjaarts naar Duiveland en Schouwen, van de Spaansche furie te Antwerpen en van de ontploffing van Gianibellies brandschepen, zijn meesterstukken van schilderachtige beschrijving, waarby alles leeft en tot de verbeelding spreekt, en ook de kleinste byzonderheid, met getrouwheid aangebracht, en in een gelukkig licht gesteld, het hare bybrengt om het geheel af te ronden of te kleuren. Geen wonder dan ook, dat Frederik Hendrik de opdracht van dit werk vorstelijk beloonde, en dat de geleerdste en aanzienlijkste mannen in den lande onuitputtelijk waren in den lof, dien zy er aan schonken. Maar wat meer nog hem streelen moest, als zijnde een getuigenis, herkomstig van die zijde, van welke men die ’t minst verwachten moest, was het verzoek, hem door Broeder Gabriël, een Kapucijn uit Leuven, gedaan, om niet te verflaauwen, maar standvastig voort te varen met den aangevangen arbeid, onder byvoeging, dat noch hy, noch de beroemde Puteanus te Leuven, immer een boek gelezen hadden, in onze taal geschreven, dat hun zoo wel geviel.Ongelukkig werd het aan Hooft niet gegeven, zijn Historiën verder te bewerken dan tot aan het Bestuur van Leycester. Hy zelf had het voorgevoel hiervan uitgedrukt in de volgende letteren, onder dagteekening van 12 Maart 1647 geschreven aan den reeds genoemden Kapucijnen bewaard in die keurige verzameling van zoo vele honderde Brieven, die niet tot de minste zijner aanspraken op onsterfelijke vermaardheid behooren: „.... ik hoop binnen korte jaaren noch tien boeken uit te geeven, die bequaamelijkt by de voorige twintig zullen kunnen gevoegt worden: zijnde mijn zorg, dat my niet gelukken zal het werk wijder te brengen, by mangel van gezondtheit oft leeven. Want d’eene wordt dikwijls bestreeden, en ’t anderfluisterstmy, die staa om op den zestienden deezer maandt in mijn zeven-en-zestigste jaar te treeden, in ’t oor:Tempus abire mihi.”Twee dagen later stierf Frederik Hendrik, en Hooft, naar den Haag gereisd, om ’s Vorsten lijkstaatsie by te wonen, werd aldaar door een zware koorts aangetast, waaraan hy den 21stenMei deszelfden jaars overleed. Algemeen was de rouw over zijn afsterven, en openbaar werd zijn lof herdacht in een lijkrede, door Geeraart Brandt opgesteld en door Adam Karelszoon van Zjermesz, een uitstekend tooneelspeler van die dagen, op den Amsterdamschen Schouwburg uitgesproken. Korter en kernachtiger schetste hem Vondel, in de regels onder zijn afbeelding door Sandrart geplaatst.Het brein, gespitst op ’t roer der Staten te regeeren,En ’s weerelts Oceaan met kloeckheit te braveeren,Den geest, die Tacitus en d’oudste dichters tart,Besloot natuur in Hooft, herboren uit Sandrart,Die hooft- en halscieraet des Ridders heeft vergeeten:De Duitsche lauwerkroon, en Fransche koningsketen.

De Nederduitsche taal, jeugdig, frisch, krachtig en bevallig, zoo lang Holland nog zijn eigen Gravenhuis bezat, was, ten gevolge der heerschappy, aldaar, byna drie eeuwen lang, door vier uitheemsche vorstengeslachten gevoerd, in een diep en treurig verval geraakt. Zoo zy nog leefde, ’t was in de oude spreekwoorden en refereinen en in den mond des volks; maar als schrijftaal was zy sedert lang vervangen door een barbaarsch mengelmoes, waarin Hoogduitsche kanselarystijl en Fransche bastertwoorden—om van de Latijnsche niet te spreken—elkander verdrongen: een eigenlijk gezegde letterkunde bestond niet meer, en zelfs zy, die, toen de uitvinding der drukkunst en de studie der klassieke Oudheid het morgenrood eener nieuwe beschaving over Europa deden opgaan, hier te lande de eerste pogingen in ’t werk stelden, om haar te doen herleven, de Rederijkers, waren nog machteloos iets anders voort te brengen dan verveelende moralizatiën, in ellendige kreupelvaerzen en nog ellendiger taal vervat. ’t Is waar, mannen als Marnix, Coornhert, Spieghel, Roemer Visscher, hadden de hand aan de ploeg geslagen, en, met de herboren vrijheid poogden zy ook hun taal op vaste grondslagen te vestigen; doch het was niet, zoo lang de worstelstrijd tegen de dwingelandy op Hollands bodem gevoerd werd, dat een zoodanige poging, die boven alles een rustigen staat van zaken vereischte, met den noodigen klem kon worden doorgezet. Dan er was een betere tijd, een tijd van welvaart en binnenlandsche rust voor Holland aangebroken, en tevens de gelegenheid om den begonnen arbeid met wakkere volharding voort te zetten. Het was de Amsterdamsche Kamer „In Liefde Bloeyende”—tot wierledenniet alleen de twee laatstgenoemde geleerden behoorden, maar ook al wie in Amsterdam zich door wetenschappelijken aanleg onderscheidde—diede taak aanvaardde, om, als zy ’t uitdrukte, „de Hollandsche taal van uitheemsch schuim te zuiveren, en de noodigste konsten in zuiver Dietsch te leeren.” Maar geene omwenteling—’t zij dan in Kerk, in Staat of in Taal—werd immer volbracht door mannen van bedaagden leeftijd en grijze ervaring. Spieghel en al die als hy mannen van overgang waren, konden slechts theoriën stellen, naar welke de letterkunde zich te richten had; zy waren niet in staat, die in praktijk te doen brengen: die taak was voor jeugdiger krachten bewaard. Zy hadden uit de opgedolven stoffen een onbezield lichaam samengesteld; maar er moest een Prometheus komen, die aan dat lichaam het leven gaf: die Prometheus was Pieter Corneliszoon Hooft.

Pieter Corneliszoon Hooft.Herman ten Kate, FtSteend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.Pieter Corneliszoon Hooft.

Herman ten Kate, FtSteend. P. W. v. d. Weijer, Utrecht.

Pieter Corneliszoon Hooft.

Geboren in datzelfde jaar 1581, waarin ons Vaderland, door de afzweering van Filips, als zelfstandige Mogendheid optrad, zoon van dien Cornelis Pieterszoon, die als de grondlegger, althands als de vertegenwoordiger kon worden aangemerkt van dat aristokratisch beginsel, ’t welk hier gedurende twee eeuwen schier uitsluitend heeft geheerscht, van tijdelijke middelen wel voorzien, vlug van bevatting, werkzaam, schrander en vernuftig, onberispelijk van zeden en aangenaam van omgang, en, by dat alles, zich van zijn tijdgenooten onderscheidende door het schuwen van elke uitsluitende richting in Kerk of Staat, scheen Hooft door stelling en karakter aangewezen als de man, die de letterkunde van den nieuwen Staat hervormen kon. De party, die thands regeerde, en die alzoo bestemd was in alles, ook in wat smaak en beschaving betrof, den toon te geven, moest geneigd zijn, zich te regelen naar het voorbeeld van iemand, die aan haar verwant en vermaagschapt was: de andersdenkenden vonden geen aanleiding, zich te verzetten tegen den schrijver, wiens byzondere denk- of handelwijze aan niemand aanstoot gaf. Wy willen echter den invloed, dien Hooft zich op de letterkundigen van zijn tijd wist te verwerven, niet uitsluitend op rekening der aangeduide omstandigheden schuiven. Gewis zouden deze weinig gebaat hebben, indien hy niet een gelukkigen aanleg bezeten had, dien hy gelegenheid vond te ontwikkelen, eerst te Leyden, door het onderwijs van beroemde geleerden en den omgang met ontluikende vernuften—waaronder het genoeg is, De Groot te noemen—en later op een buitenlandsche reize van drie jaren, waarvan hy er twee in Italiën doorbracht. Hier was het, dat hy, door het bestudeeren der klassieke Oudheid op haar eigen bodem, doch vooral ook door zich gemeenzaam te maken met de voortbrengselender Italiaansche letterkunde—toen de eerste in Europa—hier was het, zeggen wy, dat hy zijn geest en smaak verfijnde, en leerde inzien, hoe er, ter hervorming van den Nederduitschen stijl, betere voorbeelden te kiezen waren dan de werken ook der bekwaamste Rederijkers. De Granida, zeker onder de tooneelwerken van Hooft niet het minst verdienstelijke, was geheel op Italiaansche leest geschoeid, doch leverde tevens een bewijs, hoe de liefelijke vormen en de welluidendheid der Italiaansche poëzy in ’t Hollandsch op de gelukkigste wijze konden worden nagevolgd. Op zijn acht-en-twintigste jaar reeds zag hy zich geroepen tot de hooge betrekking van Drost van Muiden, Baljuw van Gooiland enz.—een betrekking, hem des te welkomer dan eenige regeeringspost in de stad zijner geboorte, om dat zy hem onafhankelijk maakte van de woelingen der partyen. Hy zag zich voortaan in staat, zijn tijd te verdeelen tusschen de plichten van zijn ambt en de beoefening der letteren. Het slot te Muiden, waar hy in 1609 zijn intrek nam en reeds in ’t volgende jaar de bekoorlijke Kristina van Erp als Drostin binnenleidde, werd van dat tijdstip af, door het gul en gastvrij onthaal, dat men er genoot en door den kring van rijke vernuften, die er byeenkwamen, meer beroemd dan het te voren, zelfs door de belegeringen die het had uitgestaan of door den kerker van Graaf Floris, was geweest. De eerste werken, die hier uit zijn pen vloeiden, waren meest tooneelstukken, die, hoe hemelhoog ook geprezen door ’s mans tijdgenooten, hem nimmer dien eersten rang als schrijver verzekerd hadden, die hem uit anderen hoofde geworden moest. Alleen zijn Warenar, die geestige navolging der Aulularia, is een meesterstuk, dat nog heden ten dage kan worden aangeprezen als een voorbeeld, hoe men, by het overbrengen van een blij- of kluchtspel uit een vreemde taal in de onze, te werk moet gaan, en met behoud vanintrigue, karakters en toestanden, niet alleen de uitheemsche namen, maar ook de uitheemsche zeden, gewoonten, vormen, gezegden en geestigheden met Hollandsche kan verwisselen. Onze hedendaagsche vertalers mogen al aan hun Fransche, Engelsche of Hoogduitsche personaadjen namen geven, die Hollandsch klinken, in hetgeen die personaadjen doen en zeggen, zullen wy zelden of ooit iets nationaals herkennen. Warenar daar-en-tegen en al die hem omringen, zijn geen Romeinen, maar Amsterdammers, en hun taal, uitdrukkingen, zeden, manieren, alles in een woord, is, onder de handen van den vernuftigen en opmerkenden navolger, van elke Latijnsche kleur ontdaan om de inheemsche, de lokale, tot in de kleinste byzonderheden over te nemen.

Het was eerst in 1626, dus reeds opvijf-en-veertigjarigenleeftijd, dat Hooft een prozawerk van eenigen omvang in ’t licht gaf, te weten zijn Henrik de Groote. Het was dan ook geen vrucht van enkele ledige oogenblikken, maar van een achtjarige gezette studie, en het getuigde niet alleen van des schrijvers meesterschap over de taal, maar ook van de nasporingen, door hem in ’t werk gesteld. Wekte aldus de vorm elks bewondering wegens het bondige, krachtige en cierlijke van een stijl, waarvan men nimmer hier te lande de wedergade had aangetroffen, de inhoud werd niet minder geprezen. De Groot, toen te Parijs als balling levende, getuigde, dat Hooft in kennis van de Fransche zaken voor geen Franschman behoefde te wijken, en dertien jaar later erkende Koning Lodewijk XIII de treflijke wijze waarop het leven van zijn vader door Hooft was beschreven, door hem de ridderorde van Sint Michiel benevens brieven van adeldom toe te zenden.

De lof, aan Hooft toegekend, mocht hem een vertroosting strekken in zijn druk over de vele en zware verliezen, welke hy geleden had. Vader, gade, kinderen, ook zelfs een aanzienlijk deel van zijn vermogen, waren hemachtereenvolgendsontvallen: en het Huis te Muiden, na gedurende een reeks van jaren een verblijf van vrolijkheid en huislijk genoegen te zijn geweest, was een wijk en verblijf geworden van somberheid en rouw. Die treurige staat van zaken moest veranderd worden: Hooft had te wel de genoegens van het gezellige leven leeren op prijs stellen, om die niet terug te wenschen, en hy herwon die, toen hy, op den 30stenOctober 1627, een tweeden echt had aangegaan met Helionora Hellemans, weduwe van Jan Baptista Bartelost. Van nu af tot aan des Drossaarts dood was het Muiderslot weder het middelpunt, waar zich de schranderste vernuften, die Holland, neen, die de zeven Vereenigde Gewesten opleverden, zoo gaarne vereenigden. Daar kwam Vondel zijn Konstantijn, De Huybert zijn Psalm-berijming en Van Baerle zijn Latijnsche gedichten lezen; daar de wakkere Huygens zich van de staatsaangelegenheden verpozen, Reael de vruchten zijner veelsoortige ondervinding mededeelen, de Baecken, de Wickeforts, Staeckman, Graswinkel, van den Honert en zoo vele anderen de schatten hunner rijke kennis uitstorten: daar klonken de liefelijke stemmen van Tesselschade Roemer Visschers en Franciska Duarte, vergezelschapt door het klavecimbelspel van Diederick Swelingh of Joan Albert Ban.

Maar Hooft, hoe ook gesteld op zoet gezelschap, had geen gezelschapnoodig om verveeling te ontvlieden: en wellicht was hy nog het best te vrede, wanneer hy, in het zomerhuisjen in zijn tuin, doorgaans zijn „torentjen” genoemd, tusschen zijn boeken en papieren was gezeten. Dit althands getuigde Vondel, toen hy hem schreef:

Somtijts kiest ge ’t zeskant huiskeVoor uw afgescheiden kluiske,En zijt in deze eenzaamheênNimmer min dan dus alleen.In dit huiske wert geboren(’t Was zoo van uw lot beschooren)’s Grooten Henrix groote Faam,En de grootheid van zijn naamQuam uit deze kleinheit rennen,Vlugh geworden door uw pennen,Allesins waar ’t Duitsche volckIs bekent door tael of tolck.

Somtijts kiest ge ’t zeskant huiske

Voor uw afgescheiden kluiske,

En zijt in deze eenzaamheên

Nimmer min dan dus alleen.

In dit huiske wert geboren

(’t Was zoo van uw lot beschooren)

’s Grooten Henrix groote Faam,

En de grootheid van zijn naam

Quam uit deze kleinheit rennen,

Vlugh geworden door uw pennen,

Allesins waar ’t Duitsche volck

Is bekent door tael of tolck.

Het goed onthaal, te beurt gevallen aan het werk hier, door Vondel geprezen, had Hooft aangemoedigd, een dergelijken arbeid, maar van vrij wat uitgebreider omvang, te aanvaarden. In 1628 leide hy de hand aan zijn Nederlandsche Historiën, waar hy negentien jaren lang, tot aan zijn sterfdag toe, met onafgebroken vlijt aan voortwerkte. ’t Is onuitspreeklijk, met wat moeite en inspanning, met hoe veel lezens van gedrukte en ongedrukte boeken en bescheiden, met wat naarstig onderzoek en navorschen, met wat overleg en beraad, dat groote werk werd samengesteld, ontworpen, op papier gebracht, beschaafd en gepolijst. Hy diende zich daarby niet alleen van een aantal schrijvers, die in onderscheiden talen over de Nederlandsche beroerten hadden gehandeld; maar hy deed ook zijn voordeel met den raad en de voorlichting, die hem verschaft kon worden door mannen, in zaken van staat en oorlog ervaren. Zoo was Jacob Wijts, de Algemeene Wachtmeester van ’t Leger der Staten, zijn gids en raadsman in alles wat het krijgswezen betrof: zoo waren ’t Huygens, van den Honert, Schotte, Staeckman, Wickefort, waar ’t Staatsaangelegenheden gold. Niet voor het jaar 1642 zag het eerste gedeelte van ’t werk het licht, terwijl de schrijverinmiddelsnog, tot verpozing en stijloefening, een vertaling van Tacitus en een beschrijving der Rampzaligheden van den Huize Medicis had bewerkt.

Waren de Nederlandsche Historiën met ongeduld verbeid, met ongemeene graagte en belangstelling werden zy ontfangen en met uitbundige toejuiching vereerd. ’t Is waar, het kostte aan sommigen in den aanvangmoeite, zich aan de kernachtige beknoptheid van den stijl, aan de vaak ongewone woordschikking, te wennen; doch had men eenmaal, door een aandachtig lezen en vergelijken, zich met zijn schrijftrant gemeenzaam gemaakt, dan vergoedde een schier onvermengd genot de moeite van het lezen. Wat ons thands het meest hindert in den stijl van Hooft, te weten de Latijnsche spraakwendingen, werd hem niet ten kwade geduid door de letterkundigen van zijn dagen, over ’t geheel meer gewoon Latijn dan Neêrduitsch te lezen: en evenmin konden zy er zich aan ergeren, dat hy, op ’t spoor van Livius, en van Tacitus vooral, op welken laatsten hy zich gevormd had, aan zijn personaadjen meermalen cierlijke redevoeringen in den mond leide, die nimmer werkelijk gehouden waren, doch die tot ontwikkeling hunner karakters of meeningen moesten dienen. De geschiedenis, zoo als Hooft die gaf, was geen dorre kronijk, maar een gedramatizeerde epos, die voortdurend tot de verbeelding zoowel als tot het verstand bleef spreken, en waar de poëzy zich huwde aan naauwgezetheid in ’t voorstellen der feiten. Het verhaal van den moord te Naarden, van de belegeringen, door Haarlem en Leyden uitgestaan, van den overtocht der Spanjaarts naar Duiveland en Schouwen, van de Spaansche furie te Antwerpen en van de ontploffing van Gianibellies brandschepen, zijn meesterstukken van schilderachtige beschrijving, waarby alles leeft en tot de verbeelding spreekt, en ook de kleinste byzonderheid, met getrouwheid aangebracht, en in een gelukkig licht gesteld, het hare bybrengt om het geheel af te ronden of te kleuren. Geen wonder dan ook, dat Frederik Hendrik de opdracht van dit werk vorstelijk beloonde, en dat de geleerdste en aanzienlijkste mannen in den lande onuitputtelijk waren in den lof, dien zy er aan schonken. Maar wat meer nog hem streelen moest, als zijnde een getuigenis, herkomstig van die zijde, van welke men die ’t minst verwachten moest, was het verzoek, hem door Broeder Gabriël, een Kapucijn uit Leuven, gedaan, om niet te verflaauwen, maar standvastig voort te varen met den aangevangen arbeid, onder byvoeging, dat noch hy, noch de beroemde Puteanus te Leuven, immer een boek gelezen hadden, in onze taal geschreven, dat hun zoo wel geviel.

Ongelukkig werd het aan Hooft niet gegeven, zijn Historiën verder te bewerken dan tot aan het Bestuur van Leycester. Hy zelf had het voorgevoel hiervan uitgedrukt in de volgende letteren, onder dagteekening van 12 Maart 1647 geschreven aan den reeds genoemden Kapucijnen bewaard in die keurige verzameling van zoo vele honderde Brieven, die niet tot de minste zijner aanspraken op onsterfelijke vermaardheid behooren: „.... ik hoop binnen korte jaaren noch tien boeken uit te geeven, die bequaamelijkt by de voorige twintig zullen kunnen gevoegt worden: zijnde mijn zorg, dat my niet gelukken zal het werk wijder te brengen, by mangel van gezondtheit oft leeven. Want d’eene wordt dikwijls bestreeden, en ’t anderfluisterstmy, die staa om op den zestienden deezer maandt in mijn zeven-en-zestigste jaar te treeden, in ’t oor:Tempus abire mihi.”

Twee dagen later stierf Frederik Hendrik, en Hooft, naar den Haag gereisd, om ’s Vorsten lijkstaatsie by te wonen, werd aldaar door een zware koorts aangetast, waaraan hy den 21stenMei deszelfden jaars overleed. Algemeen was de rouw over zijn afsterven, en openbaar werd zijn lof herdacht in een lijkrede, door Geeraart Brandt opgesteld en door Adam Karelszoon van Zjermesz, een uitstekend tooneelspeler van die dagen, op den Amsterdamschen Schouwburg uitgesproken. Korter en kernachtiger schetste hem Vondel, in de regels onder zijn afbeelding door Sandrart geplaatst.

Het brein, gespitst op ’t roer der Staten te regeeren,En ’s weerelts Oceaan met kloeckheit te braveeren,Den geest, die Tacitus en d’oudste dichters tart,Besloot natuur in Hooft, herboren uit Sandrart,Die hooft- en halscieraet des Ridders heeft vergeeten:De Duitsche lauwerkroon, en Fransche koningsketen.

Het brein, gespitst op ’t roer der Staten te regeeren,

En ’s weerelts Oceaan met kloeckheit te braveeren,

Den geest, die Tacitus en d’oudste dichters tart,

Besloot natuur in Hooft, herboren uit Sandrart,

Die hooft- en halscieraet des Ridders heeft vergeeten:

De Duitsche lauwerkroon, en Fransche koningsketen.


Back to IndexNext