[Inhoud]ONDER INLANDSCHE RECRUTEN.Een korporaal der „zandhazen” in Holland zou zeker een zeer verbaasd gezicht zetten, als hem bij bataljons-order werd aangezegd, dat hij zich den volgenden morgen naar een garnizoen te begeven had, verwijderd van het zijne op een afstand als van Amsterdam naar New-York of nog verder. Zijn Indische kameraad zou een dergelijk bevel met de grootste onverschilligheid aanhooren, misschien vragen: waar ligt die negorij? vervolgens zijn ransel pakken en dan het oude garnizoensstof van zijne pantoffels schudden.Ook ik deed eveneens, toen mij de sergeant-majoor mijne overplaatsing naar de inlandsche compagnie mededeelde. Wel is waar was er in dit geval slechts sprake van een afstand van eenige[41]honderden meters, welken ik van de steenen- naar de bamboe-kazerne had af te leggen; doch de voorbereidende maatregelen bleven volkomen dezelfde als voor eene wekenlange zeereis. Uniformstukken, kousen, hemden en andere onmisbare toiletartikelen werden in de gapende kalfshuid neergelaten en mijn geheele meubilair, bestaande uit een spiegel, laarzenknecht, met nog andere voorwerpen van weelde, in de modelkist gesloten. Daarna aanvaardde ik den korten marsch, waarvan het einddoel het bureau van den „dubbele”1der derde compagnie was.Bescheiden, gelijk het een korporaal betaamt, klopte ik aan. Maar ik moest lang wachten voor de „Sesam” zich opende, want het ging daarbinnen niet malsch toe. Daar regende het uitbranders, scheldwoorden en andere liefelijkheden. Nog eenmaal waagde ik eene poging, om toegang te verkrijgen en thans werd ik verhoord. „Binnen!” klonk het met donderende stem door de deurreet, en gevolg gevende aan deze vriendelijke uitnoodiging, trad ik binnen.In de schemering, welke in het vertrek heerschte, bemerkte ik de forsche gestalten van eenige Europeesche onderofficieren, die op de rij af door den[42]„dubbele” niet zoozeer toegesproken als wel toegedonderd werden. De „moeder der compagnie” was zeker met den „vader”—aan gewone stervelingen beter bekend onder den titel: kapitein—aan het kijven geweest, of beter gezegd de „vader” met de „moeder”, want in de militaire wereld is het de vader, die „de broek aan” heeft.Het spreekt vanzelf dat er nu een bliksemafleider noodig was, om de spanning te ontladen.Wie kon daar beter toe dienen dan een korporaal, het laagste punt der militaire superioriteit, die het wolkje op het voorhoofd van den bataljonscommandant in den vorm van een donker onweder te aanschouwen krijgt, nadat het zich aan den horizon van den kapitein, den luitenant, den sergeant-majoor en de sergeanten tot eene steeds dreigender massa heeft saamgepakt. Mijne komst maakte het spel compleet.„Luiwammes, kun-je nog langer op je laten wachten?” aldus verwelkomde mij Zijnedelgestrenge. „Je dacht misschien dat je met een rijtuig gehaald zoudt worden!”„Neem me niet kwalijk, majoor …!”„Houd je mond, voor den donder, of ik …!”De overige woorden slikte hij in, want een spiksplinternieuwe luitenant verscheen op het tooneel. Als er nu nog gedonderd moest worden, dan verviel de bevoegdheid daartoe van rechtswege aan[43]den in rang hooger geplaatste; maar deze onthield zich er van, omdat hij daarvoor nog te korten tijd in Indië was.Het onweder trok dus af, en slechts af en toe schoot nog een bliksemstraal uit het aangezicht des „dubbelen,” dat zich tot een bitterzoet glimlachje geplooid had in de richting, waar ik stond.„Is de korporaal reeds ingedeeld?” vroeg de binnentredende.„Jawel, luitenant, bij uw peloton in de tweede sectie,” antwoordde de „moeder” op den onderdanigsten toon.„Goed, laat hem dan heengaan, want de recruten kunnen ieder oogenblik van Batavia aankomen.”Met de meest militaire stijfheid maakte ik rechtsomkeert en haastte mij weg te komen uit de schotlinie van den „dubbele” waar ik mij niet weder onder waagde voor zijn gevoelsbarometer op zonneschijn stond, hetgeen, tusschen haakjes, slechts uiterst zelden gebeurde.In het „kampement” der derde compagnie, in welker centrum de sergeant-majoor resideerde, ging het intusschen toe als in een bijenkorf. Hier gebood de rechterhand van den „dubbele” de fourier, de „meid-alleen,” wien het lichamelijk welzijn der compagnie toevertrouwd is, de beheerscher der vertrekken voor de provisie en de kleeding bestemd. Hij zat juist een aantal Europeesche en inlandsche[44]korporaals achter de vodden, die heilwenschen (?) tusschen de tanden mompelend, mij voorbijvlogen. Nauwelijks kreeg hij mij in ’t oog, of ik werd er ook bijgelapt.„Hier, jij nieuweling, wees zoo goed en neem de matten voor je kerels in ontvangst! Als de drommel je ransel af!” bulderde hij me toe. Ter opheldering moet ik hier bijvoegen, dat den inlandschen soldaten slechts matten van biezen worden verstrekt, en geen stroozakken, zooals aan hunne Europeesche krijgsmakkers. Bovendien krijgen ze een met stroo gevuld hoofdkussen en een katoenen deken, „sprei” genaamd: een eenvoudig en zeer practisch leger.Na weinige oogenblikken was ik reeds druk werkzaam en sorteerde al de heerlijkheden, waarvoor elken recruut bijzondere zorg wordt aanbevolen. Midden onder den arbeid werd ik door hoornsignalen opgeschrikt, die steeds nader en nader klonken. Commando’s werden hoorbaar, ten slotte eindigend in een langgerekt „halt!” Toen werd het stil, en men hoorde slechts de barsche stem van den sergeant-majoor, die de recruten bij hunnen naam riep; terloops aangemerkt: eene ondankbare, tijdroovende bezigheid, daar de meeste dezer natuurkinderen òf te verlegen zijn, om hunnen mond open te doen, als hun naam wordt afgeroepen, òf wel vergeten zijn, hoe zij heeten. Ik verkneuterde er mij[45]in, den „dubbele” zoo rood als een kalkoenschen haan voor het front op en neer te zien stappen, terwijl hij in machtelooze woede de arme drommels geheel van hun stuk bracht met hun de namen in de ooren te brullen en daarop slechts zulke onvolledige antwoorden kreeg, dat de „rommel” niet „kloppen” wilde.Het was een gezicht om zich den buik vast te houden van het lachen: al deze kleine, bruine barrevoeters, die tegen elkander stonden aangedrongen als eene kudde schapen. Ieder oogenblik verwachtte ik dat zij op de voorpooten—pardon! handen—vallen zouden en tegen de klapperboomen opklauteren. Daarmede hadden zij ons werkelijk een grooten dienst bewezen, want het moest een heidensch werk zijn, eerst menschen en daarna soldaten uit hen te maken. Deze gedachte baarde mij geen geringe zorg, want ik verstond absoluut geen woord Maleisch, buiten de hoofdwoorden:makan: eten;minoem: drinken, enpisang-goreng:2smeerproppen of gebakken pisangs. Maar daarmee kon ik toch geen recruten afexerceeren.„Heilige Florian, ontsteek mijn geest!” bad ik in stilte, toen ik op mijn sergeant toetrad, die met een arme-zondaarsgezicht, evenals ik, tegen een deurpost geleund stond en in diepe verslagenheid den bruinen menschenvloed gadesloeg, die onafgebroken[46]zijne sectie binnenstroomde. Hoeveel dagen kamerarrest en politiekamer stroomden daar wel mede binnen? Dat kon alleen de goede God weten en de kapitein, de onze-lieve-Heer der compagnie.Tot deze slotsom scheen ook de sergeant gekomen te zijn, want hij wendde zich met een zucht af. Eerst toen hij mij bemerkte, herkreeg hij zijn geestelijk evenwicht.„De kerels moeten eerst behoorlijk worden afgeschrobd”—d.w.z.zich baden—„voor ik mij met hen afgeef”, zeide hij en wierp van terzijde een blik op de recruten, die als eene bende apen dicht op elkaar zaten neergehurkt. „Daar de vrouwen den weg niet weten, kunnen zij zich bij den troep aansluiten,” liet hij er nog op volgen.Het was zoo, er zaten ook nog vrouwen tusschen die knapen in. Zoo ongeveer het derde deel hadden hunne huishoudsters meegebracht. Bijeen geleken zij een grooten vuilnishoop, want zij hadden eene langdurige scheepsreis achter den rug en hadden al dien tijd bijna geen waschwater bekomen—voor Javanen, die over het algemeen zeer op reinheid gesteld zijn, eene ware kwelling.„Neem me niet kwalijk, sergeant, maar ik spreek geen Maleisch. Ik weet niet hoe ik de menschen in het water en er dan weer uit krijgen moet,” veroorloofde ik mij in het midden te brengen.„Mooi zoo! dat wordt eene vroolijke geschiedenis,”[47]riep de sergeant wrevelig. „Ik ben eerst sedert vier weken bij de apen-compagnie, de luitenant is kersversch uit Europa aangekomen, en jij kunt ook al niet anders dan menage lepelen—laat dan de duivel zien, dat hij de kerels afexerceert! Maak maar dat je wegkomt. Hoe je ’t met de bende klaar speelt, is me glad onverschillig!”Dat ziet er lief uit, dacht ik. Maar de nood maakt vindingrijk. Ik zocht den grootsten uit den troep, wenkte de anderen en marcheerde de deur uit. Als eene kudde schapen achter den hamel trappelden de overigen, en ook de vrouwen, hunnen voorman achterop. Voor de deur maakten wij nog eerst halt. Ik sorteerde het gezelschap naar de lengte en geraakte daarbij zoo in vuur, dat ik na gedanen arbeid het commando: „Met verdubbelde rotten!” weerklinken liet. Ik weet niet wie er op dat oogenblik wanhopiger uitzag: de Javaantjes of hun korporaal. Onwillekeurig bedacht ik dat zoo een Javaansche recruut toch stellig nog minder militair begrip heeft, dan een afgeëxerceerde Amsterdamsche schutter; ik herriep derhalve het commando, plaatste de luidjes in rijen van vier achter elkander, hief mijn linkerbeen zoo hoog op, dat het boven de hoofden der recruten uitstak en kommandeerde: „Marsch!” Ik had net zoo goed „Hu!” kunnen kommandeeren; misschien hadden zij dat nog eer verstaan. Nu, de hoofdzaak was: zij zetten zich in[48]beweging. Maar wat mij niet mocht gelukken, niettegenstaande de waanzinnigste pogingen, het was om de vier voorsten tot een zelfde marschtempo te bewegen. De kolonne vertoonde groote gelijkenis met een kruipenden duizendpoot. Ten slotte gaf ik het op en liet hen loopen zooals zij wilden. Ik dankte mijnen Schepper, toen wij eindelijk de steenen kazerne aan de rivier bereikt hadden. Nu plaatste ik mij voor den troep, strekte den arm uit als een houten wegwijzer en schreeuwde uit al de kracht mijner longen „Halt!” Wel kregen de eerste paar rijen nog een geweldigen schok, daar de achter hen aankomenden met hangende hoofden tegen hunne voorgangers aanstietten; maar eindelijk stond de geheele troep. Door naar het water te wijzen en het maken van krachtige zwembewegingen, trachtte ik mijne bedoeling voor de menschen duidelijk te maken. Dit gelukte boven alle verwachting. Onder luid gejuich vloog de bende naar den oever, de vrouwen evenzeer.„He! dat gaat niet,” riep ik haar toe, „jelui moet naar den anderen kant!” Maar ik had met engelentong kunnen spreken, zij zouden mij toch niet verstaan hebben. Gelukkig kwam mij een oude fuselier te hulp, die de vrouwen begrijpen deed, datbains mixtesin Indische kazernes niet thuis behooren, maar dat het eene deel der militaire badkuip voor de mannen, het andere deel[49]voor de vrouwen bestemd was. De vrouwen gehoorzaamden, en nu ontwikkelde zich een paradijs-achtig stilleven, waarin dozijnen Adam’s en Eva’s de stoffeering vormden. „Mama Gouvernement,” die anders in elk opzicht goed voor hare kinderen zorgt, heeft er namelijk in het geheel niet aan gedacht hen van zwembroeken te voorzien. De Tjilewong is daarom ook zoo vriendelijk, hare gele wateren als een sluier uit te breiden over alles, wat de mensch liefst voor zijnen evenmensch verborgen houdt. Een kwartiertje lang liet ik de luidjes in het water spartelen en bracht toen longen en armen weder in beweging, ten einde mijne kudde weer om mij heen te verzamelen. Dat duurde tamelijk lang, want de eene natuurknaap had zijn broek achterste voren toegeknoopt, weer een ander wilde zich niet met zijne jas verzoenen, daar die hem te warm was, enz. Ten slotte evenwel kreeg ik hen weer in rij en gelid en overtuigde mij dat er niet één ontbrak.Voltallig leverde ik hen weer af aan mijn sergeant.Weinige minuten later kwam de fourier al weder aangaloppeeren, die ons in den looppas naar het magazijn bracht. Daar werden al de fraaiïgheden, die ik kort te voren gesorteerd had, verdeeld en in de eerste plaats de menageketels naar de keuken geëxpedieerd. Was het verstand of instinct, dat[50]het volkje in vroolijke groepen naar de keuken dreef, toen het signaal voor het eten geblazen werd? Zij hadden het toch nog nooit gehoord. De korporaals hadden heel wat moeite, om de hongerige bruintjes in toom te houden. Messen en vorken zijn hun maar ongemakkelijk; de vijf vingers verrichten denzelfden dienst. Luid gesmak verkondigde weldra de tevredenheid van het gezelschap, waarbij zich nu ook de vrouwen gevoegd hadden, die tijdens den dienst hare tenten in den „warong” hadden opgeslagen. In het voorbijgaan was door mij opgemerkt, met welke nuttige bezigheid zij zich na het bad onledig hielden. In een kring gezeten, zoodat geen van het clubje te kort kwam, woelden zij in elkander’s haren om en bewezen elkaar wederzijds de kleine diensten, welke onze voorouders, volgens Darwin’s theorie, huns gelijken zoo gaarne betoonen. ’s Lands wijs ’s lands eer!Zij die zich in het bezit van bijzonder ontwikkelde reukzenuwen verheugen en op een fatsoenlijk gedrag aan tafel gesteld zijn, zullen wel doen met eene dineerende compagnie inlanders te mijden. De sterk riekende vruchten, welke zij voor dessert gebruiken, als „doerian’s, zuurzakken”, enz., verpesten den omtrek in die mate, dat het bijna niet is uit te houden. Buitendien huldigen die natuurkinderen de onbehaaglijke gewoonte om, zoodra zij zich aangenaam verzadigd gevoelen, een vocaal[51]concert te beginnen, dat meer uit de maag dan uit de borst wordt gezongen en allesbehalve welluidend klinkt.Deze ondervinding moest ik opdoen, toen ik mij naast onzen inlandschen sergeant had neergezet. Hij was een merkwaardig heer. Zijn kameraad had mij naar hem verwezen, omdat hij wat Hollandsch sprak, en dus in staat was mij in de geheimenissen der Maleische taal in te wijden. Ik had omtrent zijnen persoon de volgende inlichtingen ontvangen: „de sergeant is ijdel; hij draagt laarzen onder voorgeven dat hij gevoelige voeten heeft, in werkelijkheid echter omdat hij den half-Europeaan zou kunnen uithangen, wat hij niet is.” Dit alles had ik mij in het oor geknoopt, en ik nam mij voor op zijne ijdelheid te werken. Ik wachtte behoorlijk tot mijn meerdere in rang zijnen maaltijd beëindigd had en zette hem toen het doel mijner komst uiteen. Ik verklaarde hem, dat mij zijne gelijkenis met een Indo-Europeaan, dien ik eens ontmoet had, sterk had getroffen en vroeg hem of hij niet een broeder in Holland had. Hij schudde weemoedig het hoofd, trok aan de vier of vijf knevelharen, die hij tegen de gewoonte zijner landslieden liet staan en sprak fluisterend: „Ik helaas niet Hollander, maar”—voegde hij er op geheimzinnigen toon aan toe—„grootmoeder van mij was baboe (kindermeisje) bij „toewan” kolonel.”[52]„Oei.…!” ontsnapte mij onwillekeurig. Zoo’n opsnijder! Waarom niet in eens baboe bij den legercommandant? „Jammer,” zeide ik en reikte hem de hand. Wat jammer was, wist ik eigenlijk zelf niet; hij denkelijk ook niet; maar desniettemin schudden wij elkander vriendschappelijk de hand. Nu kwam ik met mijn verzoek voor den dag: of hij wel zoo goed zou willen zijn, mij wat Maleisch te leeren? Hij knikte genadig en zeide:Kossokbeteekent: poetsen.„Prachtig!” riep ik met onwillekeurige geestdrift uit. Met dit enkele woord kon ik de geheele week volstaan, want „poetsen” is het militaire Alpha en Omega. Het zonlicht, het maanlicht en het licht der walmende petroleumlamp zien den Indischen soldaat aan het poetsen en ondanks alle inspanning wordt hij nog dikwerf ter zake van onvoldoend poetsen: „heruntergeputzt,” zooals de Duitschers zeggen. Nog drie woorden:mari sini(kom hier) enlakas(snel)—want onder militairen moet alles snel gaan—leerde ik en verwijderde mij toen onder duizend dankbetuigingen aan den sergeant, wiens wederhelft reeds geruimen tijd op de gelegenheid gewacht had, om den nakomeling der „baboe” van den „toewan”-kolonel te „pidjetten.”3[53]Niet lang duurde het meer of de eerste dag was ten einde. In de lange gangen van het „kampement” flikkerden de lampen en wierpen haar schijnsel op verschillende groepen soldaten, die, blijde de drukkende uniform te mogen afleggen, in primitief negligé samenhokten. Boven hunne hoofden zweefde een afschuwelijk riekende wolk, van den rook der „strootjes”4afkomstig en aan hunne voeten stonden uit sigarenkistjes geïmproviseerde spuwbakken gereed, om het roode sap der sirihpruim op te vangen. Anderen hadden zich in hun boudoir teruggetrokken, en rustten op hunne schatten uit. De gehuwde Javaansche soldaten namelijk, die allen zonder uitzondering—ook de ongehuwden—zeer veel schaamtegevoel bezitten, toonen in vele gevallen eene kieschheid, die den Europeanen vreemd is. Door katoenen gordijnen aan de brits te bevestigen, scheppen zij zich een gezellig hoekje, waar zij hunne rijkdommen, enkele kapok-kussens, somtijds zelfs een matras, verbergen. Daar trekken zij zich na de vermoeienissen des daags terug en slapen gerust, niettegenstaande het krachtige gesnork der slapers, die hunne matjes op de brits boven hun hoofd hebben opgeslagen.Ook ik volgde dit voorbeeld en ging op éen oor liggen, hoewel het nog lang geen „taptoe” was. Zacht drong in mijn vertrek een eentonig door den[54]neus klinkend gezang door, dat door handgeklap begeleid werd. Waarschijnlijk waren het herinneringen aan hun tehuis, die de bruine schepsels in hunne liederen bezongen. Ja, ook deze natuurkinderen lijden aan heimwee; zij zijn niet de gevoellooze wezens, waarvoor zoo velen hen houden, zij gevoelen dikwerf veel dieper dan de Europeaan, die zich naar den geest hun meerdere acht. Het slaperige gezang bracht mij in eenen toestand tusschen waken en droomen. Het was mij, alsof ook mij uit het lieve, verre vaderland bekende geluiden toeklonken. Onzichtbare handen droegen mij derwaarts over. Ik zat in den kring van oude bekenden, vroolijke drinkliederen weergalmden en de schuimende bierkruik ging lustig rond, toen … een zacht gegons aan mijn oor, een doordringende pijnlijke steek in de wang—weg waren vaderland, weg de vrienden, weg het heerlijke bier. Wat mij stoorde, was de prik van een muskieten-angel. De steek is nog zoo erg niet, maar de lange tijd, die er verloopt tusschen het aanvliegen en het steken, kan een mensch radeloos maken. De vermoeide hand slaat vergeefs in het rond. Gewoonlijk steekt u het bloedgierige gespuis juist op eene plaats, waar ge het niet verwacht. Alleen een „klamboe”5kan hier helpen, en die had ik mij, ondanks alle zuinigheid, nog niet kunnen verschaffen. Doch de[55]goede Morpheus had medelijden. Hij liet zijn droomensluier op mij nederzinken, en slechts als een verwijderde echo drong de klagende toon van het taptoesignaal tot mijn verflauwend bewustzijn door. Ongestoord zwelgden de muskieten—de kazernevloo is in Indië, Goddank! onbekend—mijn bloed.Als den volgenden morgen een oningewijde het „kampement” betreden had, zou hij zich zeker in eene kleermakerswerkplaats met een schildersatelier verbonden, verplaatst hebben gemeend.Al de superieuren, met uitzondering van den „vader” en de „moeder,” waren bezig hunne beschermelingen een menschelijk aanzien te geven. Met de pantalons had men gemakkelijk werk, niet echter met de jassen. Den eenen borst was de snit te ruim, den anderen de kraag te nauw; den derden hing iedere jas als een meelzak over den rug. Het was om er wanhopig van te worden. Daarbij kwam nog de booze luim van den fourier, die telkens woedend werd als hij een nieuw kleedingstuk uit zijn net geordenden voorraad moest afstaan, en de vinnige aanmerkingen van den luitenant, wien alles veel te langzaam ging. Doch dat had zich alleen de sergeant aan te trekken, want mij was de gewichtige taak opgedragen, alle uniformstukken van „boezeroen” tot „kapotjas,” met roodgeverfde stamboeknummers te voorzien.[56]Een geluk was het dat er geen kousen en schoenen te nummeren waren—de inlandsche troepen marcheeren barrevoets—dan had het werk zeker nog langer dan een dag geduurd, ofschoon het vlot van stapel liep.Voortdurend liet ik mijn Maleischen taalschat schitteren, door het geroep van:„Mari sini lakas!” zoodat zelfs de luitenant opmerkzaam werd en mij vroeg: „Spreekt ge Maleisch?” Met de grootste koelbloedigheid, antwoordde ik: „Zoo tamelijk, luitenant!” Dat zou voor mij noodlottig worden, want onmiddellijk liet de luitenant er op volgen: „Dan kun je later je manschappen eenig onderricht geven in het militair saluut en dergelijke zaken meer!” Daar had ik mij aardig ingewerkt. Het was mijn verdiende loon. Ik had mij zelf eene oorveeg kunnen geven over mijne domheid. Het was nu te laat om haar te herstellen, en er bleef mij niets anders over dan bij den nakomeling der „baboe” van den kolonel te biecht te gaan, die mij uit de moeielijkheid hielp door later zelf het verlangde onderwijs te geven en mij aan den fourier, met wien hij op geen goeden voet stond, ter assistentie overleverde.Toen de uitmonstering der Javaantjes afgeloopen was, begon het poetsen, want de kapitein zou den volgenden dag eene inspectie komen houden. Dit woord „inspectie” is een der geduchtste termen[57]uit de militaire grammatica. Het bezorgt iedereen de nachtmerrie, van den luitenant tot den soldaat. In het burgerlijke leven is het ongeveer te vergelijken met een schoonmaak van het geheele huis, als men voorname gasten wacht. Nu stelle zich eens eene huisvrouw voor, dat zij uitsluitend „schoonmaaksters” in dienst heeft, die niet weten hoe zij een bezem moeten hanteeren en niets dan Fransch kunnen spreken, terwijl zij, als huisvrouw, alleen Hollandsch verstaat. Zij kan zich dan een zwak begrip vormen van eenen namiddag bij eene Javaansche recruten-compagnie, vóór den ochtend eener kapiteins-inspectie.Men hoorde niets anders roepen dan:Kossok! Lakas, Lakas, Lakas!…Ja, als het met bevelen alleen te doen was! De kerels wisten immers niet eens, hoe zij met de knoopenschaar moesten omgaan, en dat het heft van het kapmes blinken moest als zilver, scheen hun onverklaarbaar. Bij eene Europeesche compagnie kan men bij dergelijke gelegenheden zijnen toorn tenminste nog door eenige kazernevloeken lucht geven, doch dat valt bij eene inlandsche compagnie uiterst moeilijk, vooral als men de taal niet kent. Ofschoon ik een bijzonder grooten domoor den eenenorang oetanna den ander naar het hoofd wierp, gaf hij geen blijk het zich ook maar eenigszins aan te trekken; de kerel verstond niet eens[58]zijne eigen taal. Er bleef niets anders over dan zelf de hand aan het werk te slaan, uit den treure knoopen te poetsen, stukken van uniformen te zoomen, te vouwen en netjes op de „planken” te schikken. Dit duurde tot laat in den nacht. Nog in den droom hoorde ik mijnen collega met schorre stem roepen:kossok lakas!kapiteindatang6.De gevreesde dag brak aan. Te gelijk met den haan van den kompagnies-kok kraaide ook de sergeant-majoor, en diens stem werkte electriseerend. In minder dan geen tijd was ieder op zijnen post. Nogmaals de knoopenscharen te voorschijn gehaald. Thans ging het poetsen veel beter. De kereltjes waren leerzaam. Tallooze bezems deden dichte wolken stof opdwarrelen, welke weder door zachte stofdoeken onbarmhartig werden weggenomen. De „kamerwacht”, een oude fuselier, liep met een angstig gezicht ieder stroohalmpje na, dat de wind door de lange gangen joeg. De „moeder” liep voor hem uit en voelde in alle hoeken en gaatjes, om zich te vergewissen dat er geen stofje meer te vinden was. Zij scheen tevreden. Minder vergenoegd waren de arme sergeanten en korporaals. Daar had een hunner een recruut onder handen, wiens kraag steeds weder tegen den langen hals opschoof; ginds wendde een korporaal vergeefsche pogingen aan om een[59]klein ventje de muts recht op het hoofd te zetten; de schedel was zoo gebouwd, dat het hoofddeksel telkens weer in den nek gleed. Ik was haast van schrik flauw gevallen, toen ik ontdekte dat de een of andere ellendeling één mijner manschappen twee knoopen van de uniform had afgesneden; waarschijnlijk om ze aan zijne eigen kapotjas te zetten. Snel moest in het onheil voorzien worden, want de luitenant was reeds in aantocht, en een luitenant kan onder zekere omstandigheden al even onuitstaanbaar wezen als een kapitein.Eindelijk was alles tot de groote ontvangst gereed. In lange rijen stonden de recruten vóór hunne slaaptafels en wachtten op de dingen, die komen zouden. Een gewoon sterveling heeft niet het minste begrip van het gewicht van een kapitein. Menige pennelikker, met een jaarlijksch salaris van 600 gulden en eene geborgde jas aan het lijf, gelooft zich ver verheven boven den „vergulden bedelaar,” zooals neuswijze heertjes zich gelieven uit te drukken; zij behoefden slechts ééne inspectie bij te wonen om van hunnen waan genezen te worden. Er is een reusachtig onderscheid tusschen den kapitein in dienst en in de samenleving. Wie hem zoo ziet zitten aan het venster van een der groote café’s in de Kalverstraat, terwijl hij met een tevreden glimlach naar de menschenmassa kijkt en met een stil genoegen zijn bittertje slurpt,[60]zou licht op de gedachte kunnen komen: „dat is een man om omver te loopen!” Jawel, goeden morgen! Men moet hem in zijn element zien en dan in de eerste plaats bij eene inspectie: dan is hij Jupiter gelijk. Dan brult zijn mond als de donder, en zijne oogen schieten bliksemstralen; waar die inslaan, ligt de getroffene van 8 tot 14 dagen krom. Zoo zijn zij allen, en zoo was ook onze kapitein, wiens komst wij in duizend vreezen te gemoet zagen.Eindelijk klonk het bevel: „Geeft acht!” De luitenants zetten eene hooge borst, snelden naar den ingang, en wij stonden als stokken aan den grond genageld. Langzaam naderde het onweder. Onheilspellend fonkelde de portefeuille van den sergeant-majoor, die het gevreesde potlood, als eene lans tegen het front van den troep gericht, droeg. De inspectie begon. Onze sectie was aan de beurt, en de sergeant volgde met een gezicht, dat wel wat bleek zag. Het scheen of hem het stereotype: „Sergeant-majoor, schrijf op: zoo en zooveel dagen arrest!” reeds in de ooren klonk. Ieder oogenblik verwachte ik een: „Hum, hum!” van den kapitein; onder broeders beteekende dat eenige dagen kamerarrest. Zeide hij echter: „Smeerpoes!” dan kwam men er niet zonder „politiekamer” af. Daarin deelen dan in den regel de berispte, de korporaal en de sergeant broederlijk. Boven[61]verwachting liep het prachtig voor ons af. Het onweder trok voorbij, zonder in te slaan. De kapitein was dien dag niet alleen God, hij was ook mensch, en zag dat het mogelijke gedaan was. Toen hij zelfs ten slotte zeide: „Goed!” hadden wij hem van blijdschap wel om den hals willen vliegen, als dit niet in strijd geweest ware met alle begrippen van subordinatie.Na afloop der inspectie was het uitbetaling van traktement, en toen ik mijne 90 cents voor de drie dagen in handen hield, dacht ik bij mij zelven: „Mama Gouvernement is toch eene brave ziel; zij beloont steeds naar verdienste.” Daarop vergunde ik mij de weelde van vijf kop koffie en een dozijn „smeerproppen,” en hiermede waren de eerste drie dagen ten einde.[62]1Bijnaam voor sergeant-majoor, wegens de dubbele gouden chevrons, die zijne uniform versieren.↑2Gebakken pisang.↑3Masseeren.↑4Stroosigaren.↑5Muskieten-gordijn.↑6Komt.↑
[Inhoud]ONDER INLANDSCHE RECRUTEN.Een korporaal der „zandhazen” in Holland zou zeker een zeer verbaasd gezicht zetten, als hem bij bataljons-order werd aangezegd, dat hij zich den volgenden morgen naar een garnizoen te begeven had, verwijderd van het zijne op een afstand als van Amsterdam naar New-York of nog verder. Zijn Indische kameraad zou een dergelijk bevel met de grootste onverschilligheid aanhooren, misschien vragen: waar ligt die negorij? vervolgens zijn ransel pakken en dan het oude garnizoensstof van zijne pantoffels schudden.Ook ik deed eveneens, toen mij de sergeant-majoor mijne overplaatsing naar de inlandsche compagnie mededeelde. Wel is waar was er in dit geval slechts sprake van een afstand van eenige[41]honderden meters, welken ik van de steenen- naar de bamboe-kazerne had af te leggen; doch de voorbereidende maatregelen bleven volkomen dezelfde als voor eene wekenlange zeereis. Uniformstukken, kousen, hemden en andere onmisbare toiletartikelen werden in de gapende kalfshuid neergelaten en mijn geheele meubilair, bestaande uit een spiegel, laarzenknecht, met nog andere voorwerpen van weelde, in de modelkist gesloten. Daarna aanvaardde ik den korten marsch, waarvan het einddoel het bureau van den „dubbele”1der derde compagnie was.Bescheiden, gelijk het een korporaal betaamt, klopte ik aan. Maar ik moest lang wachten voor de „Sesam” zich opende, want het ging daarbinnen niet malsch toe. Daar regende het uitbranders, scheldwoorden en andere liefelijkheden. Nog eenmaal waagde ik eene poging, om toegang te verkrijgen en thans werd ik verhoord. „Binnen!” klonk het met donderende stem door de deurreet, en gevolg gevende aan deze vriendelijke uitnoodiging, trad ik binnen.In de schemering, welke in het vertrek heerschte, bemerkte ik de forsche gestalten van eenige Europeesche onderofficieren, die op de rij af door den[42]„dubbele” niet zoozeer toegesproken als wel toegedonderd werden. De „moeder der compagnie” was zeker met den „vader”—aan gewone stervelingen beter bekend onder den titel: kapitein—aan het kijven geweest, of beter gezegd de „vader” met de „moeder”, want in de militaire wereld is het de vader, die „de broek aan” heeft.Het spreekt vanzelf dat er nu een bliksemafleider noodig was, om de spanning te ontladen.Wie kon daar beter toe dienen dan een korporaal, het laagste punt der militaire superioriteit, die het wolkje op het voorhoofd van den bataljonscommandant in den vorm van een donker onweder te aanschouwen krijgt, nadat het zich aan den horizon van den kapitein, den luitenant, den sergeant-majoor en de sergeanten tot eene steeds dreigender massa heeft saamgepakt. Mijne komst maakte het spel compleet.„Luiwammes, kun-je nog langer op je laten wachten?” aldus verwelkomde mij Zijnedelgestrenge. „Je dacht misschien dat je met een rijtuig gehaald zoudt worden!”„Neem me niet kwalijk, majoor …!”„Houd je mond, voor den donder, of ik …!”De overige woorden slikte hij in, want een spiksplinternieuwe luitenant verscheen op het tooneel. Als er nu nog gedonderd moest worden, dan verviel de bevoegdheid daartoe van rechtswege aan[43]den in rang hooger geplaatste; maar deze onthield zich er van, omdat hij daarvoor nog te korten tijd in Indië was.Het onweder trok dus af, en slechts af en toe schoot nog een bliksemstraal uit het aangezicht des „dubbelen,” dat zich tot een bitterzoet glimlachje geplooid had in de richting, waar ik stond.„Is de korporaal reeds ingedeeld?” vroeg de binnentredende.„Jawel, luitenant, bij uw peloton in de tweede sectie,” antwoordde de „moeder” op den onderdanigsten toon.„Goed, laat hem dan heengaan, want de recruten kunnen ieder oogenblik van Batavia aankomen.”Met de meest militaire stijfheid maakte ik rechtsomkeert en haastte mij weg te komen uit de schotlinie van den „dubbele” waar ik mij niet weder onder waagde voor zijn gevoelsbarometer op zonneschijn stond, hetgeen, tusschen haakjes, slechts uiterst zelden gebeurde.In het „kampement” der derde compagnie, in welker centrum de sergeant-majoor resideerde, ging het intusschen toe als in een bijenkorf. Hier gebood de rechterhand van den „dubbele” de fourier, de „meid-alleen,” wien het lichamelijk welzijn der compagnie toevertrouwd is, de beheerscher der vertrekken voor de provisie en de kleeding bestemd. Hij zat juist een aantal Europeesche en inlandsche[44]korporaals achter de vodden, die heilwenschen (?) tusschen de tanden mompelend, mij voorbijvlogen. Nauwelijks kreeg hij mij in ’t oog, of ik werd er ook bijgelapt.„Hier, jij nieuweling, wees zoo goed en neem de matten voor je kerels in ontvangst! Als de drommel je ransel af!” bulderde hij me toe. Ter opheldering moet ik hier bijvoegen, dat den inlandschen soldaten slechts matten van biezen worden verstrekt, en geen stroozakken, zooals aan hunne Europeesche krijgsmakkers. Bovendien krijgen ze een met stroo gevuld hoofdkussen en een katoenen deken, „sprei” genaamd: een eenvoudig en zeer practisch leger.Na weinige oogenblikken was ik reeds druk werkzaam en sorteerde al de heerlijkheden, waarvoor elken recruut bijzondere zorg wordt aanbevolen. Midden onder den arbeid werd ik door hoornsignalen opgeschrikt, die steeds nader en nader klonken. Commando’s werden hoorbaar, ten slotte eindigend in een langgerekt „halt!” Toen werd het stil, en men hoorde slechts de barsche stem van den sergeant-majoor, die de recruten bij hunnen naam riep; terloops aangemerkt: eene ondankbare, tijdroovende bezigheid, daar de meeste dezer natuurkinderen òf te verlegen zijn, om hunnen mond open te doen, als hun naam wordt afgeroepen, òf wel vergeten zijn, hoe zij heeten. Ik verkneuterde er mij[45]in, den „dubbele” zoo rood als een kalkoenschen haan voor het front op en neer te zien stappen, terwijl hij in machtelooze woede de arme drommels geheel van hun stuk bracht met hun de namen in de ooren te brullen en daarop slechts zulke onvolledige antwoorden kreeg, dat de „rommel” niet „kloppen” wilde.Het was een gezicht om zich den buik vast te houden van het lachen: al deze kleine, bruine barrevoeters, die tegen elkander stonden aangedrongen als eene kudde schapen. Ieder oogenblik verwachtte ik dat zij op de voorpooten—pardon! handen—vallen zouden en tegen de klapperboomen opklauteren. Daarmede hadden zij ons werkelijk een grooten dienst bewezen, want het moest een heidensch werk zijn, eerst menschen en daarna soldaten uit hen te maken. Deze gedachte baarde mij geen geringe zorg, want ik verstond absoluut geen woord Maleisch, buiten de hoofdwoorden:makan: eten;minoem: drinken, enpisang-goreng:2smeerproppen of gebakken pisangs. Maar daarmee kon ik toch geen recruten afexerceeren.„Heilige Florian, ontsteek mijn geest!” bad ik in stilte, toen ik op mijn sergeant toetrad, die met een arme-zondaarsgezicht, evenals ik, tegen een deurpost geleund stond en in diepe verslagenheid den bruinen menschenvloed gadesloeg, die onafgebroken[46]zijne sectie binnenstroomde. Hoeveel dagen kamerarrest en politiekamer stroomden daar wel mede binnen? Dat kon alleen de goede God weten en de kapitein, de onze-lieve-Heer der compagnie.Tot deze slotsom scheen ook de sergeant gekomen te zijn, want hij wendde zich met een zucht af. Eerst toen hij mij bemerkte, herkreeg hij zijn geestelijk evenwicht.„De kerels moeten eerst behoorlijk worden afgeschrobd”—d.w.z.zich baden—„voor ik mij met hen afgeef”, zeide hij en wierp van terzijde een blik op de recruten, die als eene bende apen dicht op elkaar zaten neergehurkt. „Daar de vrouwen den weg niet weten, kunnen zij zich bij den troep aansluiten,” liet hij er nog op volgen.Het was zoo, er zaten ook nog vrouwen tusschen die knapen in. Zoo ongeveer het derde deel hadden hunne huishoudsters meegebracht. Bijeen geleken zij een grooten vuilnishoop, want zij hadden eene langdurige scheepsreis achter den rug en hadden al dien tijd bijna geen waschwater bekomen—voor Javanen, die over het algemeen zeer op reinheid gesteld zijn, eene ware kwelling.„Neem me niet kwalijk, sergeant, maar ik spreek geen Maleisch. Ik weet niet hoe ik de menschen in het water en er dan weer uit krijgen moet,” veroorloofde ik mij in het midden te brengen.„Mooi zoo! dat wordt eene vroolijke geschiedenis,”[47]riep de sergeant wrevelig. „Ik ben eerst sedert vier weken bij de apen-compagnie, de luitenant is kersversch uit Europa aangekomen, en jij kunt ook al niet anders dan menage lepelen—laat dan de duivel zien, dat hij de kerels afexerceert! Maak maar dat je wegkomt. Hoe je ’t met de bende klaar speelt, is me glad onverschillig!”Dat ziet er lief uit, dacht ik. Maar de nood maakt vindingrijk. Ik zocht den grootsten uit den troep, wenkte de anderen en marcheerde de deur uit. Als eene kudde schapen achter den hamel trappelden de overigen, en ook de vrouwen, hunnen voorman achterop. Voor de deur maakten wij nog eerst halt. Ik sorteerde het gezelschap naar de lengte en geraakte daarbij zoo in vuur, dat ik na gedanen arbeid het commando: „Met verdubbelde rotten!” weerklinken liet. Ik weet niet wie er op dat oogenblik wanhopiger uitzag: de Javaantjes of hun korporaal. Onwillekeurig bedacht ik dat zoo een Javaansche recruut toch stellig nog minder militair begrip heeft, dan een afgeëxerceerde Amsterdamsche schutter; ik herriep derhalve het commando, plaatste de luidjes in rijen van vier achter elkander, hief mijn linkerbeen zoo hoog op, dat het boven de hoofden der recruten uitstak en kommandeerde: „Marsch!” Ik had net zoo goed „Hu!” kunnen kommandeeren; misschien hadden zij dat nog eer verstaan. Nu, de hoofdzaak was: zij zetten zich in[48]beweging. Maar wat mij niet mocht gelukken, niettegenstaande de waanzinnigste pogingen, het was om de vier voorsten tot een zelfde marschtempo te bewegen. De kolonne vertoonde groote gelijkenis met een kruipenden duizendpoot. Ten slotte gaf ik het op en liet hen loopen zooals zij wilden. Ik dankte mijnen Schepper, toen wij eindelijk de steenen kazerne aan de rivier bereikt hadden. Nu plaatste ik mij voor den troep, strekte den arm uit als een houten wegwijzer en schreeuwde uit al de kracht mijner longen „Halt!” Wel kregen de eerste paar rijen nog een geweldigen schok, daar de achter hen aankomenden met hangende hoofden tegen hunne voorgangers aanstietten; maar eindelijk stond de geheele troep. Door naar het water te wijzen en het maken van krachtige zwembewegingen, trachtte ik mijne bedoeling voor de menschen duidelijk te maken. Dit gelukte boven alle verwachting. Onder luid gejuich vloog de bende naar den oever, de vrouwen evenzeer.„He! dat gaat niet,” riep ik haar toe, „jelui moet naar den anderen kant!” Maar ik had met engelentong kunnen spreken, zij zouden mij toch niet verstaan hebben. Gelukkig kwam mij een oude fuselier te hulp, die de vrouwen begrijpen deed, datbains mixtesin Indische kazernes niet thuis behooren, maar dat het eene deel der militaire badkuip voor de mannen, het andere deel[49]voor de vrouwen bestemd was. De vrouwen gehoorzaamden, en nu ontwikkelde zich een paradijs-achtig stilleven, waarin dozijnen Adam’s en Eva’s de stoffeering vormden. „Mama Gouvernement,” die anders in elk opzicht goed voor hare kinderen zorgt, heeft er namelijk in het geheel niet aan gedacht hen van zwembroeken te voorzien. De Tjilewong is daarom ook zoo vriendelijk, hare gele wateren als een sluier uit te breiden over alles, wat de mensch liefst voor zijnen evenmensch verborgen houdt. Een kwartiertje lang liet ik de luidjes in het water spartelen en bracht toen longen en armen weder in beweging, ten einde mijne kudde weer om mij heen te verzamelen. Dat duurde tamelijk lang, want de eene natuurknaap had zijn broek achterste voren toegeknoopt, weer een ander wilde zich niet met zijne jas verzoenen, daar die hem te warm was, enz. Ten slotte evenwel kreeg ik hen weer in rij en gelid en overtuigde mij dat er niet één ontbrak.Voltallig leverde ik hen weer af aan mijn sergeant.Weinige minuten later kwam de fourier al weder aangaloppeeren, die ons in den looppas naar het magazijn bracht. Daar werden al de fraaiïgheden, die ik kort te voren gesorteerd had, verdeeld en in de eerste plaats de menageketels naar de keuken geëxpedieerd. Was het verstand of instinct, dat[50]het volkje in vroolijke groepen naar de keuken dreef, toen het signaal voor het eten geblazen werd? Zij hadden het toch nog nooit gehoord. De korporaals hadden heel wat moeite, om de hongerige bruintjes in toom te houden. Messen en vorken zijn hun maar ongemakkelijk; de vijf vingers verrichten denzelfden dienst. Luid gesmak verkondigde weldra de tevredenheid van het gezelschap, waarbij zich nu ook de vrouwen gevoegd hadden, die tijdens den dienst hare tenten in den „warong” hadden opgeslagen. In het voorbijgaan was door mij opgemerkt, met welke nuttige bezigheid zij zich na het bad onledig hielden. In een kring gezeten, zoodat geen van het clubje te kort kwam, woelden zij in elkander’s haren om en bewezen elkaar wederzijds de kleine diensten, welke onze voorouders, volgens Darwin’s theorie, huns gelijken zoo gaarne betoonen. ’s Lands wijs ’s lands eer!Zij die zich in het bezit van bijzonder ontwikkelde reukzenuwen verheugen en op een fatsoenlijk gedrag aan tafel gesteld zijn, zullen wel doen met eene dineerende compagnie inlanders te mijden. De sterk riekende vruchten, welke zij voor dessert gebruiken, als „doerian’s, zuurzakken”, enz., verpesten den omtrek in die mate, dat het bijna niet is uit te houden. Buitendien huldigen die natuurkinderen de onbehaaglijke gewoonte om, zoodra zij zich aangenaam verzadigd gevoelen, een vocaal[51]concert te beginnen, dat meer uit de maag dan uit de borst wordt gezongen en allesbehalve welluidend klinkt.Deze ondervinding moest ik opdoen, toen ik mij naast onzen inlandschen sergeant had neergezet. Hij was een merkwaardig heer. Zijn kameraad had mij naar hem verwezen, omdat hij wat Hollandsch sprak, en dus in staat was mij in de geheimenissen der Maleische taal in te wijden. Ik had omtrent zijnen persoon de volgende inlichtingen ontvangen: „de sergeant is ijdel; hij draagt laarzen onder voorgeven dat hij gevoelige voeten heeft, in werkelijkheid echter omdat hij den half-Europeaan zou kunnen uithangen, wat hij niet is.” Dit alles had ik mij in het oor geknoopt, en ik nam mij voor op zijne ijdelheid te werken. Ik wachtte behoorlijk tot mijn meerdere in rang zijnen maaltijd beëindigd had en zette hem toen het doel mijner komst uiteen. Ik verklaarde hem, dat mij zijne gelijkenis met een Indo-Europeaan, dien ik eens ontmoet had, sterk had getroffen en vroeg hem of hij niet een broeder in Holland had. Hij schudde weemoedig het hoofd, trok aan de vier of vijf knevelharen, die hij tegen de gewoonte zijner landslieden liet staan en sprak fluisterend: „Ik helaas niet Hollander, maar”—voegde hij er op geheimzinnigen toon aan toe—„grootmoeder van mij was baboe (kindermeisje) bij „toewan” kolonel.”[52]„Oei.…!” ontsnapte mij onwillekeurig. Zoo’n opsnijder! Waarom niet in eens baboe bij den legercommandant? „Jammer,” zeide ik en reikte hem de hand. Wat jammer was, wist ik eigenlijk zelf niet; hij denkelijk ook niet; maar desniettemin schudden wij elkander vriendschappelijk de hand. Nu kwam ik met mijn verzoek voor den dag: of hij wel zoo goed zou willen zijn, mij wat Maleisch te leeren? Hij knikte genadig en zeide:Kossokbeteekent: poetsen.„Prachtig!” riep ik met onwillekeurige geestdrift uit. Met dit enkele woord kon ik de geheele week volstaan, want „poetsen” is het militaire Alpha en Omega. Het zonlicht, het maanlicht en het licht der walmende petroleumlamp zien den Indischen soldaat aan het poetsen en ondanks alle inspanning wordt hij nog dikwerf ter zake van onvoldoend poetsen: „heruntergeputzt,” zooals de Duitschers zeggen. Nog drie woorden:mari sini(kom hier) enlakas(snel)—want onder militairen moet alles snel gaan—leerde ik en verwijderde mij toen onder duizend dankbetuigingen aan den sergeant, wiens wederhelft reeds geruimen tijd op de gelegenheid gewacht had, om den nakomeling der „baboe” van den „toewan”-kolonel te „pidjetten.”3[53]Niet lang duurde het meer of de eerste dag was ten einde. In de lange gangen van het „kampement” flikkerden de lampen en wierpen haar schijnsel op verschillende groepen soldaten, die, blijde de drukkende uniform te mogen afleggen, in primitief negligé samenhokten. Boven hunne hoofden zweefde een afschuwelijk riekende wolk, van den rook der „strootjes”4afkomstig en aan hunne voeten stonden uit sigarenkistjes geïmproviseerde spuwbakken gereed, om het roode sap der sirihpruim op te vangen. Anderen hadden zich in hun boudoir teruggetrokken, en rustten op hunne schatten uit. De gehuwde Javaansche soldaten namelijk, die allen zonder uitzondering—ook de ongehuwden—zeer veel schaamtegevoel bezitten, toonen in vele gevallen eene kieschheid, die den Europeanen vreemd is. Door katoenen gordijnen aan de brits te bevestigen, scheppen zij zich een gezellig hoekje, waar zij hunne rijkdommen, enkele kapok-kussens, somtijds zelfs een matras, verbergen. Daar trekken zij zich na de vermoeienissen des daags terug en slapen gerust, niettegenstaande het krachtige gesnork der slapers, die hunne matjes op de brits boven hun hoofd hebben opgeslagen.Ook ik volgde dit voorbeeld en ging op éen oor liggen, hoewel het nog lang geen „taptoe” was. Zacht drong in mijn vertrek een eentonig door den[54]neus klinkend gezang door, dat door handgeklap begeleid werd. Waarschijnlijk waren het herinneringen aan hun tehuis, die de bruine schepsels in hunne liederen bezongen. Ja, ook deze natuurkinderen lijden aan heimwee; zij zijn niet de gevoellooze wezens, waarvoor zoo velen hen houden, zij gevoelen dikwerf veel dieper dan de Europeaan, die zich naar den geest hun meerdere acht. Het slaperige gezang bracht mij in eenen toestand tusschen waken en droomen. Het was mij, alsof ook mij uit het lieve, verre vaderland bekende geluiden toeklonken. Onzichtbare handen droegen mij derwaarts over. Ik zat in den kring van oude bekenden, vroolijke drinkliederen weergalmden en de schuimende bierkruik ging lustig rond, toen … een zacht gegons aan mijn oor, een doordringende pijnlijke steek in de wang—weg waren vaderland, weg de vrienden, weg het heerlijke bier. Wat mij stoorde, was de prik van een muskieten-angel. De steek is nog zoo erg niet, maar de lange tijd, die er verloopt tusschen het aanvliegen en het steken, kan een mensch radeloos maken. De vermoeide hand slaat vergeefs in het rond. Gewoonlijk steekt u het bloedgierige gespuis juist op eene plaats, waar ge het niet verwacht. Alleen een „klamboe”5kan hier helpen, en die had ik mij, ondanks alle zuinigheid, nog niet kunnen verschaffen. Doch de[55]goede Morpheus had medelijden. Hij liet zijn droomensluier op mij nederzinken, en slechts als een verwijderde echo drong de klagende toon van het taptoesignaal tot mijn verflauwend bewustzijn door. Ongestoord zwelgden de muskieten—de kazernevloo is in Indië, Goddank! onbekend—mijn bloed.Als den volgenden morgen een oningewijde het „kampement” betreden had, zou hij zich zeker in eene kleermakerswerkplaats met een schildersatelier verbonden, verplaatst hebben gemeend.Al de superieuren, met uitzondering van den „vader” en de „moeder,” waren bezig hunne beschermelingen een menschelijk aanzien te geven. Met de pantalons had men gemakkelijk werk, niet echter met de jassen. Den eenen borst was de snit te ruim, den anderen de kraag te nauw; den derden hing iedere jas als een meelzak over den rug. Het was om er wanhopig van te worden. Daarbij kwam nog de booze luim van den fourier, die telkens woedend werd als hij een nieuw kleedingstuk uit zijn net geordenden voorraad moest afstaan, en de vinnige aanmerkingen van den luitenant, wien alles veel te langzaam ging. Doch dat had zich alleen de sergeant aan te trekken, want mij was de gewichtige taak opgedragen, alle uniformstukken van „boezeroen” tot „kapotjas,” met roodgeverfde stamboeknummers te voorzien.[56]Een geluk was het dat er geen kousen en schoenen te nummeren waren—de inlandsche troepen marcheeren barrevoets—dan had het werk zeker nog langer dan een dag geduurd, ofschoon het vlot van stapel liep.Voortdurend liet ik mijn Maleischen taalschat schitteren, door het geroep van:„Mari sini lakas!” zoodat zelfs de luitenant opmerkzaam werd en mij vroeg: „Spreekt ge Maleisch?” Met de grootste koelbloedigheid, antwoordde ik: „Zoo tamelijk, luitenant!” Dat zou voor mij noodlottig worden, want onmiddellijk liet de luitenant er op volgen: „Dan kun je later je manschappen eenig onderricht geven in het militair saluut en dergelijke zaken meer!” Daar had ik mij aardig ingewerkt. Het was mijn verdiende loon. Ik had mij zelf eene oorveeg kunnen geven over mijne domheid. Het was nu te laat om haar te herstellen, en er bleef mij niets anders over dan bij den nakomeling der „baboe” van den kolonel te biecht te gaan, die mij uit de moeielijkheid hielp door later zelf het verlangde onderwijs te geven en mij aan den fourier, met wien hij op geen goeden voet stond, ter assistentie overleverde.Toen de uitmonstering der Javaantjes afgeloopen was, begon het poetsen, want de kapitein zou den volgenden dag eene inspectie komen houden. Dit woord „inspectie” is een der geduchtste termen[57]uit de militaire grammatica. Het bezorgt iedereen de nachtmerrie, van den luitenant tot den soldaat. In het burgerlijke leven is het ongeveer te vergelijken met een schoonmaak van het geheele huis, als men voorname gasten wacht. Nu stelle zich eens eene huisvrouw voor, dat zij uitsluitend „schoonmaaksters” in dienst heeft, die niet weten hoe zij een bezem moeten hanteeren en niets dan Fransch kunnen spreken, terwijl zij, als huisvrouw, alleen Hollandsch verstaat. Zij kan zich dan een zwak begrip vormen van eenen namiddag bij eene Javaansche recruten-compagnie, vóór den ochtend eener kapiteins-inspectie.Men hoorde niets anders roepen dan:Kossok! Lakas, Lakas, Lakas!…Ja, als het met bevelen alleen te doen was! De kerels wisten immers niet eens, hoe zij met de knoopenschaar moesten omgaan, en dat het heft van het kapmes blinken moest als zilver, scheen hun onverklaarbaar. Bij eene Europeesche compagnie kan men bij dergelijke gelegenheden zijnen toorn tenminste nog door eenige kazernevloeken lucht geven, doch dat valt bij eene inlandsche compagnie uiterst moeilijk, vooral als men de taal niet kent. Ofschoon ik een bijzonder grooten domoor den eenenorang oetanna den ander naar het hoofd wierp, gaf hij geen blijk het zich ook maar eenigszins aan te trekken; de kerel verstond niet eens[58]zijne eigen taal. Er bleef niets anders over dan zelf de hand aan het werk te slaan, uit den treure knoopen te poetsen, stukken van uniformen te zoomen, te vouwen en netjes op de „planken” te schikken. Dit duurde tot laat in den nacht. Nog in den droom hoorde ik mijnen collega met schorre stem roepen:kossok lakas!kapiteindatang6.De gevreesde dag brak aan. Te gelijk met den haan van den kompagnies-kok kraaide ook de sergeant-majoor, en diens stem werkte electriseerend. In minder dan geen tijd was ieder op zijnen post. Nogmaals de knoopenscharen te voorschijn gehaald. Thans ging het poetsen veel beter. De kereltjes waren leerzaam. Tallooze bezems deden dichte wolken stof opdwarrelen, welke weder door zachte stofdoeken onbarmhartig werden weggenomen. De „kamerwacht”, een oude fuselier, liep met een angstig gezicht ieder stroohalmpje na, dat de wind door de lange gangen joeg. De „moeder” liep voor hem uit en voelde in alle hoeken en gaatjes, om zich te vergewissen dat er geen stofje meer te vinden was. Zij scheen tevreden. Minder vergenoegd waren de arme sergeanten en korporaals. Daar had een hunner een recruut onder handen, wiens kraag steeds weder tegen den langen hals opschoof; ginds wendde een korporaal vergeefsche pogingen aan om een[59]klein ventje de muts recht op het hoofd te zetten; de schedel was zoo gebouwd, dat het hoofddeksel telkens weer in den nek gleed. Ik was haast van schrik flauw gevallen, toen ik ontdekte dat de een of andere ellendeling één mijner manschappen twee knoopen van de uniform had afgesneden; waarschijnlijk om ze aan zijne eigen kapotjas te zetten. Snel moest in het onheil voorzien worden, want de luitenant was reeds in aantocht, en een luitenant kan onder zekere omstandigheden al even onuitstaanbaar wezen als een kapitein.Eindelijk was alles tot de groote ontvangst gereed. In lange rijen stonden de recruten vóór hunne slaaptafels en wachtten op de dingen, die komen zouden. Een gewoon sterveling heeft niet het minste begrip van het gewicht van een kapitein. Menige pennelikker, met een jaarlijksch salaris van 600 gulden en eene geborgde jas aan het lijf, gelooft zich ver verheven boven den „vergulden bedelaar,” zooals neuswijze heertjes zich gelieven uit te drukken; zij behoefden slechts ééne inspectie bij te wonen om van hunnen waan genezen te worden. Er is een reusachtig onderscheid tusschen den kapitein in dienst en in de samenleving. Wie hem zoo ziet zitten aan het venster van een der groote café’s in de Kalverstraat, terwijl hij met een tevreden glimlach naar de menschenmassa kijkt en met een stil genoegen zijn bittertje slurpt,[60]zou licht op de gedachte kunnen komen: „dat is een man om omver te loopen!” Jawel, goeden morgen! Men moet hem in zijn element zien en dan in de eerste plaats bij eene inspectie: dan is hij Jupiter gelijk. Dan brult zijn mond als de donder, en zijne oogen schieten bliksemstralen; waar die inslaan, ligt de getroffene van 8 tot 14 dagen krom. Zoo zijn zij allen, en zoo was ook onze kapitein, wiens komst wij in duizend vreezen te gemoet zagen.Eindelijk klonk het bevel: „Geeft acht!” De luitenants zetten eene hooge borst, snelden naar den ingang, en wij stonden als stokken aan den grond genageld. Langzaam naderde het onweder. Onheilspellend fonkelde de portefeuille van den sergeant-majoor, die het gevreesde potlood, als eene lans tegen het front van den troep gericht, droeg. De inspectie begon. Onze sectie was aan de beurt, en de sergeant volgde met een gezicht, dat wel wat bleek zag. Het scheen of hem het stereotype: „Sergeant-majoor, schrijf op: zoo en zooveel dagen arrest!” reeds in de ooren klonk. Ieder oogenblik verwachte ik een: „Hum, hum!” van den kapitein; onder broeders beteekende dat eenige dagen kamerarrest. Zeide hij echter: „Smeerpoes!” dan kwam men er niet zonder „politiekamer” af. Daarin deelen dan in den regel de berispte, de korporaal en de sergeant broederlijk. Boven[61]verwachting liep het prachtig voor ons af. Het onweder trok voorbij, zonder in te slaan. De kapitein was dien dag niet alleen God, hij was ook mensch, en zag dat het mogelijke gedaan was. Toen hij zelfs ten slotte zeide: „Goed!” hadden wij hem van blijdschap wel om den hals willen vliegen, als dit niet in strijd geweest ware met alle begrippen van subordinatie.Na afloop der inspectie was het uitbetaling van traktement, en toen ik mijne 90 cents voor de drie dagen in handen hield, dacht ik bij mij zelven: „Mama Gouvernement is toch eene brave ziel; zij beloont steeds naar verdienste.” Daarop vergunde ik mij de weelde van vijf kop koffie en een dozijn „smeerproppen,” en hiermede waren de eerste drie dagen ten einde.[62]1Bijnaam voor sergeant-majoor, wegens de dubbele gouden chevrons, die zijne uniform versieren.↑2Gebakken pisang.↑3Masseeren.↑4Stroosigaren.↑5Muskieten-gordijn.↑6Komt.↑
ONDER INLANDSCHE RECRUTEN.
Een korporaal der „zandhazen” in Holland zou zeker een zeer verbaasd gezicht zetten, als hem bij bataljons-order werd aangezegd, dat hij zich den volgenden morgen naar een garnizoen te begeven had, verwijderd van het zijne op een afstand als van Amsterdam naar New-York of nog verder. Zijn Indische kameraad zou een dergelijk bevel met de grootste onverschilligheid aanhooren, misschien vragen: waar ligt die negorij? vervolgens zijn ransel pakken en dan het oude garnizoensstof van zijne pantoffels schudden.Ook ik deed eveneens, toen mij de sergeant-majoor mijne overplaatsing naar de inlandsche compagnie mededeelde. Wel is waar was er in dit geval slechts sprake van een afstand van eenige[41]honderden meters, welken ik van de steenen- naar de bamboe-kazerne had af te leggen; doch de voorbereidende maatregelen bleven volkomen dezelfde als voor eene wekenlange zeereis. Uniformstukken, kousen, hemden en andere onmisbare toiletartikelen werden in de gapende kalfshuid neergelaten en mijn geheele meubilair, bestaande uit een spiegel, laarzenknecht, met nog andere voorwerpen van weelde, in de modelkist gesloten. Daarna aanvaardde ik den korten marsch, waarvan het einddoel het bureau van den „dubbele”1der derde compagnie was.Bescheiden, gelijk het een korporaal betaamt, klopte ik aan. Maar ik moest lang wachten voor de „Sesam” zich opende, want het ging daarbinnen niet malsch toe. Daar regende het uitbranders, scheldwoorden en andere liefelijkheden. Nog eenmaal waagde ik eene poging, om toegang te verkrijgen en thans werd ik verhoord. „Binnen!” klonk het met donderende stem door de deurreet, en gevolg gevende aan deze vriendelijke uitnoodiging, trad ik binnen.In de schemering, welke in het vertrek heerschte, bemerkte ik de forsche gestalten van eenige Europeesche onderofficieren, die op de rij af door den[42]„dubbele” niet zoozeer toegesproken als wel toegedonderd werden. De „moeder der compagnie” was zeker met den „vader”—aan gewone stervelingen beter bekend onder den titel: kapitein—aan het kijven geweest, of beter gezegd de „vader” met de „moeder”, want in de militaire wereld is het de vader, die „de broek aan” heeft.Het spreekt vanzelf dat er nu een bliksemafleider noodig was, om de spanning te ontladen.Wie kon daar beter toe dienen dan een korporaal, het laagste punt der militaire superioriteit, die het wolkje op het voorhoofd van den bataljonscommandant in den vorm van een donker onweder te aanschouwen krijgt, nadat het zich aan den horizon van den kapitein, den luitenant, den sergeant-majoor en de sergeanten tot eene steeds dreigender massa heeft saamgepakt. Mijne komst maakte het spel compleet.„Luiwammes, kun-je nog langer op je laten wachten?” aldus verwelkomde mij Zijnedelgestrenge. „Je dacht misschien dat je met een rijtuig gehaald zoudt worden!”„Neem me niet kwalijk, majoor …!”„Houd je mond, voor den donder, of ik …!”De overige woorden slikte hij in, want een spiksplinternieuwe luitenant verscheen op het tooneel. Als er nu nog gedonderd moest worden, dan verviel de bevoegdheid daartoe van rechtswege aan[43]den in rang hooger geplaatste; maar deze onthield zich er van, omdat hij daarvoor nog te korten tijd in Indië was.Het onweder trok dus af, en slechts af en toe schoot nog een bliksemstraal uit het aangezicht des „dubbelen,” dat zich tot een bitterzoet glimlachje geplooid had in de richting, waar ik stond.„Is de korporaal reeds ingedeeld?” vroeg de binnentredende.„Jawel, luitenant, bij uw peloton in de tweede sectie,” antwoordde de „moeder” op den onderdanigsten toon.„Goed, laat hem dan heengaan, want de recruten kunnen ieder oogenblik van Batavia aankomen.”Met de meest militaire stijfheid maakte ik rechtsomkeert en haastte mij weg te komen uit de schotlinie van den „dubbele” waar ik mij niet weder onder waagde voor zijn gevoelsbarometer op zonneschijn stond, hetgeen, tusschen haakjes, slechts uiterst zelden gebeurde.In het „kampement” der derde compagnie, in welker centrum de sergeant-majoor resideerde, ging het intusschen toe als in een bijenkorf. Hier gebood de rechterhand van den „dubbele” de fourier, de „meid-alleen,” wien het lichamelijk welzijn der compagnie toevertrouwd is, de beheerscher der vertrekken voor de provisie en de kleeding bestemd. Hij zat juist een aantal Europeesche en inlandsche[44]korporaals achter de vodden, die heilwenschen (?) tusschen de tanden mompelend, mij voorbijvlogen. Nauwelijks kreeg hij mij in ’t oog, of ik werd er ook bijgelapt.„Hier, jij nieuweling, wees zoo goed en neem de matten voor je kerels in ontvangst! Als de drommel je ransel af!” bulderde hij me toe. Ter opheldering moet ik hier bijvoegen, dat den inlandschen soldaten slechts matten van biezen worden verstrekt, en geen stroozakken, zooals aan hunne Europeesche krijgsmakkers. Bovendien krijgen ze een met stroo gevuld hoofdkussen en een katoenen deken, „sprei” genaamd: een eenvoudig en zeer practisch leger.Na weinige oogenblikken was ik reeds druk werkzaam en sorteerde al de heerlijkheden, waarvoor elken recruut bijzondere zorg wordt aanbevolen. Midden onder den arbeid werd ik door hoornsignalen opgeschrikt, die steeds nader en nader klonken. Commando’s werden hoorbaar, ten slotte eindigend in een langgerekt „halt!” Toen werd het stil, en men hoorde slechts de barsche stem van den sergeant-majoor, die de recruten bij hunnen naam riep; terloops aangemerkt: eene ondankbare, tijdroovende bezigheid, daar de meeste dezer natuurkinderen òf te verlegen zijn, om hunnen mond open te doen, als hun naam wordt afgeroepen, òf wel vergeten zijn, hoe zij heeten. Ik verkneuterde er mij[45]in, den „dubbele” zoo rood als een kalkoenschen haan voor het front op en neer te zien stappen, terwijl hij in machtelooze woede de arme drommels geheel van hun stuk bracht met hun de namen in de ooren te brullen en daarop slechts zulke onvolledige antwoorden kreeg, dat de „rommel” niet „kloppen” wilde.Het was een gezicht om zich den buik vast te houden van het lachen: al deze kleine, bruine barrevoeters, die tegen elkander stonden aangedrongen als eene kudde schapen. Ieder oogenblik verwachtte ik dat zij op de voorpooten—pardon! handen—vallen zouden en tegen de klapperboomen opklauteren. Daarmede hadden zij ons werkelijk een grooten dienst bewezen, want het moest een heidensch werk zijn, eerst menschen en daarna soldaten uit hen te maken. Deze gedachte baarde mij geen geringe zorg, want ik verstond absoluut geen woord Maleisch, buiten de hoofdwoorden:makan: eten;minoem: drinken, enpisang-goreng:2smeerproppen of gebakken pisangs. Maar daarmee kon ik toch geen recruten afexerceeren.„Heilige Florian, ontsteek mijn geest!” bad ik in stilte, toen ik op mijn sergeant toetrad, die met een arme-zondaarsgezicht, evenals ik, tegen een deurpost geleund stond en in diepe verslagenheid den bruinen menschenvloed gadesloeg, die onafgebroken[46]zijne sectie binnenstroomde. Hoeveel dagen kamerarrest en politiekamer stroomden daar wel mede binnen? Dat kon alleen de goede God weten en de kapitein, de onze-lieve-Heer der compagnie.Tot deze slotsom scheen ook de sergeant gekomen te zijn, want hij wendde zich met een zucht af. Eerst toen hij mij bemerkte, herkreeg hij zijn geestelijk evenwicht.„De kerels moeten eerst behoorlijk worden afgeschrobd”—d.w.z.zich baden—„voor ik mij met hen afgeef”, zeide hij en wierp van terzijde een blik op de recruten, die als eene bende apen dicht op elkaar zaten neergehurkt. „Daar de vrouwen den weg niet weten, kunnen zij zich bij den troep aansluiten,” liet hij er nog op volgen.Het was zoo, er zaten ook nog vrouwen tusschen die knapen in. Zoo ongeveer het derde deel hadden hunne huishoudsters meegebracht. Bijeen geleken zij een grooten vuilnishoop, want zij hadden eene langdurige scheepsreis achter den rug en hadden al dien tijd bijna geen waschwater bekomen—voor Javanen, die over het algemeen zeer op reinheid gesteld zijn, eene ware kwelling.„Neem me niet kwalijk, sergeant, maar ik spreek geen Maleisch. Ik weet niet hoe ik de menschen in het water en er dan weer uit krijgen moet,” veroorloofde ik mij in het midden te brengen.„Mooi zoo! dat wordt eene vroolijke geschiedenis,”[47]riep de sergeant wrevelig. „Ik ben eerst sedert vier weken bij de apen-compagnie, de luitenant is kersversch uit Europa aangekomen, en jij kunt ook al niet anders dan menage lepelen—laat dan de duivel zien, dat hij de kerels afexerceert! Maak maar dat je wegkomt. Hoe je ’t met de bende klaar speelt, is me glad onverschillig!”Dat ziet er lief uit, dacht ik. Maar de nood maakt vindingrijk. Ik zocht den grootsten uit den troep, wenkte de anderen en marcheerde de deur uit. Als eene kudde schapen achter den hamel trappelden de overigen, en ook de vrouwen, hunnen voorman achterop. Voor de deur maakten wij nog eerst halt. Ik sorteerde het gezelschap naar de lengte en geraakte daarbij zoo in vuur, dat ik na gedanen arbeid het commando: „Met verdubbelde rotten!” weerklinken liet. Ik weet niet wie er op dat oogenblik wanhopiger uitzag: de Javaantjes of hun korporaal. Onwillekeurig bedacht ik dat zoo een Javaansche recruut toch stellig nog minder militair begrip heeft, dan een afgeëxerceerde Amsterdamsche schutter; ik herriep derhalve het commando, plaatste de luidjes in rijen van vier achter elkander, hief mijn linkerbeen zoo hoog op, dat het boven de hoofden der recruten uitstak en kommandeerde: „Marsch!” Ik had net zoo goed „Hu!” kunnen kommandeeren; misschien hadden zij dat nog eer verstaan. Nu, de hoofdzaak was: zij zetten zich in[48]beweging. Maar wat mij niet mocht gelukken, niettegenstaande de waanzinnigste pogingen, het was om de vier voorsten tot een zelfde marschtempo te bewegen. De kolonne vertoonde groote gelijkenis met een kruipenden duizendpoot. Ten slotte gaf ik het op en liet hen loopen zooals zij wilden. Ik dankte mijnen Schepper, toen wij eindelijk de steenen kazerne aan de rivier bereikt hadden. Nu plaatste ik mij voor den troep, strekte den arm uit als een houten wegwijzer en schreeuwde uit al de kracht mijner longen „Halt!” Wel kregen de eerste paar rijen nog een geweldigen schok, daar de achter hen aankomenden met hangende hoofden tegen hunne voorgangers aanstietten; maar eindelijk stond de geheele troep. Door naar het water te wijzen en het maken van krachtige zwembewegingen, trachtte ik mijne bedoeling voor de menschen duidelijk te maken. Dit gelukte boven alle verwachting. Onder luid gejuich vloog de bende naar den oever, de vrouwen evenzeer.„He! dat gaat niet,” riep ik haar toe, „jelui moet naar den anderen kant!” Maar ik had met engelentong kunnen spreken, zij zouden mij toch niet verstaan hebben. Gelukkig kwam mij een oude fuselier te hulp, die de vrouwen begrijpen deed, datbains mixtesin Indische kazernes niet thuis behooren, maar dat het eene deel der militaire badkuip voor de mannen, het andere deel[49]voor de vrouwen bestemd was. De vrouwen gehoorzaamden, en nu ontwikkelde zich een paradijs-achtig stilleven, waarin dozijnen Adam’s en Eva’s de stoffeering vormden. „Mama Gouvernement,” die anders in elk opzicht goed voor hare kinderen zorgt, heeft er namelijk in het geheel niet aan gedacht hen van zwembroeken te voorzien. De Tjilewong is daarom ook zoo vriendelijk, hare gele wateren als een sluier uit te breiden over alles, wat de mensch liefst voor zijnen evenmensch verborgen houdt. Een kwartiertje lang liet ik de luidjes in het water spartelen en bracht toen longen en armen weder in beweging, ten einde mijne kudde weer om mij heen te verzamelen. Dat duurde tamelijk lang, want de eene natuurknaap had zijn broek achterste voren toegeknoopt, weer een ander wilde zich niet met zijne jas verzoenen, daar die hem te warm was, enz. Ten slotte evenwel kreeg ik hen weer in rij en gelid en overtuigde mij dat er niet één ontbrak.Voltallig leverde ik hen weer af aan mijn sergeant.Weinige minuten later kwam de fourier al weder aangaloppeeren, die ons in den looppas naar het magazijn bracht. Daar werden al de fraaiïgheden, die ik kort te voren gesorteerd had, verdeeld en in de eerste plaats de menageketels naar de keuken geëxpedieerd. Was het verstand of instinct, dat[50]het volkje in vroolijke groepen naar de keuken dreef, toen het signaal voor het eten geblazen werd? Zij hadden het toch nog nooit gehoord. De korporaals hadden heel wat moeite, om de hongerige bruintjes in toom te houden. Messen en vorken zijn hun maar ongemakkelijk; de vijf vingers verrichten denzelfden dienst. Luid gesmak verkondigde weldra de tevredenheid van het gezelschap, waarbij zich nu ook de vrouwen gevoegd hadden, die tijdens den dienst hare tenten in den „warong” hadden opgeslagen. In het voorbijgaan was door mij opgemerkt, met welke nuttige bezigheid zij zich na het bad onledig hielden. In een kring gezeten, zoodat geen van het clubje te kort kwam, woelden zij in elkander’s haren om en bewezen elkaar wederzijds de kleine diensten, welke onze voorouders, volgens Darwin’s theorie, huns gelijken zoo gaarne betoonen. ’s Lands wijs ’s lands eer!Zij die zich in het bezit van bijzonder ontwikkelde reukzenuwen verheugen en op een fatsoenlijk gedrag aan tafel gesteld zijn, zullen wel doen met eene dineerende compagnie inlanders te mijden. De sterk riekende vruchten, welke zij voor dessert gebruiken, als „doerian’s, zuurzakken”, enz., verpesten den omtrek in die mate, dat het bijna niet is uit te houden. Buitendien huldigen die natuurkinderen de onbehaaglijke gewoonte om, zoodra zij zich aangenaam verzadigd gevoelen, een vocaal[51]concert te beginnen, dat meer uit de maag dan uit de borst wordt gezongen en allesbehalve welluidend klinkt.Deze ondervinding moest ik opdoen, toen ik mij naast onzen inlandschen sergeant had neergezet. Hij was een merkwaardig heer. Zijn kameraad had mij naar hem verwezen, omdat hij wat Hollandsch sprak, en dus in staat was mij in de geheimenissen der Maleische taal in te wijden. Ik had omtrent zijnen persoon de volgende inlichtingen ontvangen: „de sergeant is ijdel; hij draagt laarzen onder voorgeven dat hij gevoelige voeten heeft, in werkelijkheid echter omdat hij den half-Europeaan zou kunnen uithangen, wat hij niet is.” Dit alles had ik mij in het oor geknoopt, en ik nam mij voor op zijne ijdelheid te werken. Ik wachtte behoorlijk tot mijn meerdere in rang zijnen maaltijd beëindigd had en zette hem toen het doel mijner komst uiteen. Ik verklaarde hem, dat mij zijne gelijkenis met een Indo-Europeaan, dien ik eens ontmoet had, sterk had getroffen en vroeg hem of hij niet een broeder in Holland had. Hij schudde weemoedig het hoofd, trok aan de vier of vijf knevelharen, die hij tegen de gewoonte zijner landslieden liet staan en sprak fluisterend: „Ik helaas niet Hollander, maar”—voegde hij er op geheimzinnigen toon aan toe—„grootmoeder van mij was baboe (kindermeisje) bij „toewan” kolonel.”[52]„Oei.…!” ontsnapte mij onwillekeurig. Zoo’n opsnijder! Waarom niet in eens baboe bij den legercommandant? „Jammer,” zeide ik en reikte hem de hand. Wat jammer was, wist ik eigenlijk zelf niet; hij denkelijk ook niet; maar desniettemin schudden wij elkander vriendschappelijk de hand. Nu kwam ik met mijn verzoek voor den dag: of hij wel zoo goed zou willen zijn, mij wat Maleisch te leeren? Hij knikte genadig en zeide:Kossokbeteekent: poetsen.„Prachtig!” riep ik met onwillekeurige geestdrift uit. Met dit enkele woord kon ik de geheele week volstaan, want „poetsen” is het militaire Alpha en Omega. Het zonlicht, het maanlicht en het licht der walmende petroleumlamp zien den Indischen soldaat aan het poetsen en ondanks alle inspanning wordt hij nog dikwerf ter zake van onvoldoend poetsen: „heruntergeputzt,” zooals de Duitschers zeggen. Nog drie woorden:mari sini(kom hier) enlakas(snel)—want onder militairen moet alles snel gaan—leerde ik en verwijderde mij toen onder duizend dankbetuigingen aan den sergeant, wiens wederhelft reeds geruimen tijd op de gelegenheid gewacht had, om den nakomeling der „baboe” van den „toewan”-kolonel te „pidjetten.”3[53]Niet lang duurde het meer of de eerste dag was ten einde. In de lange gangen van het „kampement” flikkerden de lampen en wierpen haar schijnsel op verschillende groepen soldaten, die, blijde de drukkende uniform te mogen afleggen, in primitief negligé samenhokten. Boven hunne hoofden zweefde een afschuwelijk riekende wolk, van den rook der „strootjes”4afkomstig en aan hunne voeten stonden uit sigarenkistjes geïmproviseerde spuwbakken gereed, om het roode sap der sirihpruim op te vangen. Anderen hadden zich in hun boudoir teruggetrokken, en rustten op hunne schatten uit. De gehuwde Javaansche soldaten namelijk, die allen zonder uitzondering—ook de ongehuwden—zeer veel schaamtegevoel bezitten, toonen in vele gevallen eene kieschheid, die den Europeanen vreemd is. Door katoenen gordijnen aan de brits te bevestigen, scheppen zij zich een gezellig hoekje, waar zij hunne rijkdommen, enkele kapok-kussens, somtijds zelfs een matras, verbergen. Daar trekken zij zich na de vermoeienissen des daags terug en slapen gerust, niettegenstaande het krachtige gesnork der slapers, die hunne matjes op de brits boven hun hoofd hebben opgeslagen.Ook ik volgde dit voorbeeld en ging op éen oor liggen, hoewel het nog lang geen „taptoe” was. Zacht drong in mijn vertrek een eentonig door den[54]neus klinkend gezang door, dat door handgeklap begeleid werd. Waarschijnlijk waren het herinneringen aan hun tehuis, die de bruine schepsels in hunne liederen bezongen. Ja, ook deze natuurkinderen lijden aan heimwee; zij zijn niet de gevoellooze wezens, waarvoor zoo velen hen houden, zij gevoelen dikwerf veel dieper dan de Europeaan, die zich naar den geest hun meerdere acht. Het slaperige gezang bracht mij in eenen toestand tusschen waken en droomen. Het was mij, alsof ook mij uit het lieve, verre vaderland bekende geluiden toeklonken. Onzichtbare handen droegen mij derwaarts over. Ik zat in den kring van oude bekenden, vroolijke drinkliederen weergalmden en de schuimende bierkruik ging lustig rond, toen … een zacht gegons aan mijn oor, een doordringende pijnlijke steek in de wang—weg waren vaderland, weg de vrienden, weg het heerlijke bier. Wat mij stoorde, was de prik van een muskieten-angel. De steek is nog zoo erg niet, maar de lange tijd, die er verloopt tusschen het aanvliegen en het steken, kan een mensch radeloos maken. De vermoeide hand slaat vergeefs in het rond. Gewoonlijk steekt u het bloedgierige gespuis juist op eene plaats, waar ge het niet verwacht. Alleen een „klamboe”5kan hier helpen, en die had ik mij, ondanks alle zuinigheid, nog niet kunnen verschaffen. Doch de[55]goede Morpheus had medelijden. Hij liet zijn droomensluier op mij nederzinken, en slechts als een verwijderde echo drong de klagende toon van het taptoesignaal tot mijn verflauwend bewustzijn door. Ongestoord zwelgden de muskieten—de kazernevloo is in Indië, Goddank! onbekend—mijn bloed.Als den volgenden morgen een oningewijde het „kampement” betreden had, zou hij zich zeker in eene kleermakerswerkplaats met een schildersatelier verbonden, verplaatst hebben gemeend.Al de superieuren, met uitzondering van den „vader” en de „moeder,” waren bezig hunne beschermelingen een menschelijk aanzien te geven. Met de pantalons had men gemakkelijk werk, niet echter met de jassen. Den eenen borst was de snit te ruim, den anderen de kraag te nauw; den derden hing iedere jas als een meelzak over den rug. Het was om er wanhopig van te worden. Daarbij kwam nog de booze luim van den fourier, die telkens woedend werd als hij een nieuw kleedingstuk uit zijn net geordenden voorraad moest afstaan, en de vinnige aanmerkingen van den luitenant, wien alles veel te langzaam ging. Doch dat had zich alleen de sergeant aan te trekken, want mij was de gewichtige taak opgedragen, alle uniformstukken van „boezeroen” tot „kapotjas,” met roodgeverfde stamboeknummers te voorzien.[56]Een geluk was het dat er geen kousen en schoenen te nummeren waren—de inlandsche troepen marcheeren barrevoets—dan had het werk zeker nog langer dan een dag geduurd, ofschoon het vlot van stapel liep.Voortdurend liet ik mijn Maleischen taalschat schitteren, door het geroep van:„Mari sini lakas!” zoodat zelfs de luitenant opmerkzaam werd en mij vroeg: „Spreekt ge Maleisch?” Met de grootste koelbloedigheid, antwoordde ik: „Zoo tamelijk, luitenant!” Dat zou voor mij noodlottig worden, want onmiddellijk liet de luitenant er op volgen: „Dan kun je later je manschappen eenig onderricht geven in het militair saluut en dergelijke zaken meer!” Daar had ik mij aardig ingewerkt. Het was mijn verdiende loon. Ik had mij zelf eene oorveeg kunnen geven over mijne domheid. Het was nu te laat om haar te herstellen, en er bleef mij niets anders over dan bij den nakomeling der „baboe” van den kolonel te biecht te gaan, die mij uit de moeielijkheid hielp door later zelf het verlangde onderwijs te geven en mij aan den fourier, met wien hij op geen goeden voet stond, ter assistentie overleverde.Toen de uitmonstering der Javaantjes afgeloopen was, begon het poetsen, want de kapitein zou den volgenden dag eene inspectie komen houden. Dit woord „inspectie” is een der geduchtste termen[57]uit de militaire grammatica. Het bezorgt iedereen de nachtmerrie, van den luitenant tot den soldaat. In het burgerlijke leven is het ongeveer te vergelijken met een schoonmaak van het geheele huis, als men voorname gasten wacht. Nu stelle zich eens eene huisvrouw voor, dat zij uitsluitend „schoonmaaksters” in dienst heeft, die niet weten hoe zij een bezem moeten hanteeren en niets dan Fransch kunnen spreken, terwijl zij, als huisvrouw, alleen Hollandsch verstaat. Zij kan zich dan een zwak begrip vormen van eenen namiddag bij eene Javaansche recruten-compagnie, vóór den ochtend eener kapiteins-inspectie.Men hoorde niets anders roepen dan:Kossok! Lakas, Lakas, Lakas!…Ja, als het met bevelen alleen te doen was! De kerels wisten immers niet eens, hoe zij met de knoopenschaar moesten omgaan, en dat het heft van het kapmes blinken moest als zilver, scheen hun onverklaarbaar. Bij eene Europeesche compagnie kan men bij dergelijke gelegenheden zijnen toorn tenminste nog door eenige kazernevloeken lucht geven, doch dat valt bij eene inlandsche compagnie uiterst moeilijk, vooral als men de taal niet kent. Ofschoon ik een bijzonder grooten domoor den eenenorang oetanna den ander naar het hoofd wierp, gaf hij geen blijk het zich ook maar eenigszins aan te trekken; de kerel verstond niet eens[58]zijne eigen taal. Er bleef niets anders over dan zelf de hand aan het werk te slaan, uit den treure knoopen te poetsen, stukken van uniformen te zoomen, te vouwen en netjes op de „planken” te schikken. Dit duurde tot laat in den nacht. Nog in den droom hoorde ik mijnen collega met schorre stem roepen:kossok lakas!kapiteindatang6.De gevreesde dag brak aan. Te gelijk met den haan van den kompagnies-kok kraaide ook de sergeant-majoor, en diens stem werkte electriseerend. In minder dan geen tijd was ieder op zijnen post. Nogmaals de knoopenscharen te voorschijn gehaald. Thans ging het poetsen veel beter. De kereltjes waren leerzaam. Tallooze bezems deden dichte wolken stof opdwarrelen, welke weder door zachte stofdoeken onbarmhartig werden weggenomen. De „kamerwacht”, een oude fuselier, liep met een angstig gezicht ieder stroohalmpje na, dat de wind door de lange gangen joeg. De „moeder” liep voor hem uit en voelde in alle hoeken en gaatjes, om zich te vergewissen dat er geen stofje meer te vinden was. Zij scheen tevreden. Minder vergenoegd waren de arme sergeanten en korporaals. Daar had een hunner een recruut onder handen, wiens kraag steeds weder tegen den langen hals opschoof; ginds wendde een korporaal vergeefsche pogingen aan om een[59]klein ventje de muts recht op het hoofd te zetten; de schedel was zoo gebouwd, dat het hoofddeksel telkens weer in den nek gleed. Ik was haast van schrik flauw gevallen, toen ik ontdekte dat de een of andere ellendeling één mijner manschappen twee knoopen van de uniform had afgesneden; waarschijnlijk om ze aan zijne eigen kapotjas te zetten. Snel moest in het onheil voorzien worden, want de luitenant was reeds in aantocht, en een luitenant kan onder zekere omstandigheden al even onuitstaanbaar wezen als een kapitein.Eindelijk was alles tot de groote ontvangst gereed. In lange rijen stonden de recruten vóór hunne slaaptafels en wachtten op de dingen, die komen zouden. Een gewoon sterveling heeft niet het minste begrip van het gewicht van een kapitein. Menige pennelikker, met een jaarlijksch salaris van 600 gulden en eene geborgde jas aan het lijf, gelooft zich ver verheven boven den „vergulden bedelaar,” zooals neuswijze heertjes zich gelieven uit te drukken; zij behoefden slechts ééne inspectie bij te wonen om van hunnen waan genezen te worden. Er is een reusachtig onderscheid tusschen den kapitein in dienst en in de samenleving. Wie hem zoo ziet zitten aan het venster van een der groote café’s in de Kalverstraat, terwijl hij met een tevreden glimlach naar de menschenmassa kijkt en met een stil genoegen zijn bittertje slurpt,[60]zou licht op de gedachte kunnen komen: „dat is een man om omver te loopen!” Jawel, goeden morgen! Men moet hem in zijn element zien en dan in de eerste plaats bij eene inspectie: dan is hij Jupiter gelijk. Dan brult zijn mond als de donder, en zijne oogen schieten bliksemstralen; waar die inslaan, ligt de getroffene van 8 tot 14 dagen krom. Zoo zijn zij allen, en zoo was ook onze kapitein, wiens komst wij in duizend vreezen te gemoet zagen.Eindelijk klonk het bevel: „Geeft acht!” De luitenants zetten eene hooge borst, snelden naar den ingang, en wij stonden als stokken aan den grond genageld. Langzaam naderde het onweder. Onheilspellend fonkelde de portefeuille van den sergeant-majoor, die het gevreesde potlood, als eene lans tegen het front van den troep gericht, droeg. De inspectie begon. Onze sectie was aan de beurt, en de sergeant volgde met een gezicht, dat wel wat bleek zag. Het scheen of hem het stereotype: „Sergeant-majoor, schrijf op: zoo en zooveel dagen arrest!” reeds in de ooren klonk. Ieder oogenblik verwachte ik een: „Hum, hum!” van den kapitein; onder broeders beteekende dat eenige dagen kamerarrest. Zeide hij echter: „Smeerpoes!” dan kwam men er niet zonder „politiekamer” af. Daarin deelen dan in den regel de berispte, de korporaal en de sergeant broederlijk. Boven[61]verwachting liep het prachtig voor ons af. Het onweder trok voorbij, zonder in te slaan. De kapitein was dien dag niet alleen God, hij was ook mensch, en zag dat het mogelijke gedaan was. Toen hij zelfs ten slotte zeide: „Goed!” hadden wij hem van blijdschap wel om den hals willen vliegen, als dit niet in strijd geweest ware met alle begrippen van subordinatie.Na afloop der inspectie was het uitbetaling van traktement, en toen ik mijne 90 cents voor de drie dagen in handen hield, dacht ik bij mij zelven: „Mama Gouvernement is toch eene brave ziel; zij beloont steeds naar verdienste.” Daarop vergunde ik mij de weelde van vijf kop koffie en een dozijn „smeerproppen,” en hiermede waren de eerste drie dagen ten einde.[62]
Een korporaal der „zandhazen” in Holland zou zeker een zeer verbaasd gezicht zetten, als hem bij bataljons-order werd aangezegd, dat hij zich den volgenden morgen naar een garnizoen te begeven had, verwijderd van het zijne op een afstand als van Amsterdam naar New-York of nog verder. Zijn Indische kameraad zou een dergelijk bevel met de grootste onverschilligheid aanhooren, misschien vragen: waar ligt die negorij? vervolgens zijn ransel pakken en dan het oude garnizoensstof van zijne pantoffels schudden.
Ook ik deed eveneens, toen mij de sergeant-majoor mijne overplaatsing naar de inlandsche compagnie mededeelde. Wel is waar was er in dit geval slechts sprake van een afstand van eenige[41]honderden meters, welken ik van de steenen- naar de bamboe-kazerne had af te leggen; doch de voorbereidende maatregelen bleven volkomen dezelfde als voor eene wekenlange zeereis. Uniformstukken, kousen, hemden en andere onmisbare toiletartikelen werden in de gapende kalfshuid neergelaten en mijn geheele meubilair, bestaande uit een spiegel, laarzenknecht, met nog andere voorwerpen van weelde, in de modelkist gesloten. Daarna aanvaardde ik den korten marsch, waarvan het einddoel het bureau van den „dubbele”1der derde compagnie was.
Bescheiden, gelijk het een korporaal betaamt, klopte ik aan. Maar ik moest lang wachten voor de „Sesam” zich opende, want het ging daarbinnen niet malsch toe. Daar regende het uitbranders, scheldwoorden en andere liefelijkheden. Nog eenmaal waagde ik eene poging, om toegang te verkrijgen en thans werd ik verhoord. „Binnen!” klonk het met donderende stem door de deurreet, en gevolg gevende aan deze vriendelijke uitnoodiging, trad ik binnen.
In de schemering, welke in het vertrek heerschte, bemerkte ik de forsche gestalten van eenige Europeesche onderofficieren, die op de rij af door den[42]„dubbele” niet zoozeer toegesproken als wel toegedonderd werden. De „moeder der compagnie” was zeker met den „vader”—aan gewone stervelingen beter bekend onder den titel: kapitein—aan het kijven geweest, of beter gezegd de „vader” met de „moeder”, want in de militaire wereld is het de vader, die „de broek aan” heeft.
Het spreekt vanzelf dat er nu een bliksemafleider noodig was, om de spanning te ontladen.
Wie kon daar beter toe dienen dan een korporaal, het laagste punt der militaire superioriteit, die het wolkje op het voorhoofd van den bataljonscommandant in den vorm van een donker onweder te aanschouwen krijgt, nadat het zich aan den horizon van den kapitein, den luitenant, den sergeant-majoor en de sergeanten tot eene steeds dreigender massa heeft saamgepakt. Mijne komst maakte het spel compleet.
„Luiwammes, kun-je nog langer op je laten wachten?” aldus verwelkomde mij Zijnedelgestrenge. „Je dacht misschien dat je met een rijtuig gehaald zoudt worden!”
„Neem me niet kwalijk, majoor …!”
„Houd je mond, voor den donder, of ik …!”
De overige woorden slikte hij in, want een spiksplinternieuwe luitenant verscheen op het tooneel. Als er nu nog gedonderd moest worden, dan verviel de bevoegdheid daartoe van rechtswege aan[43]den in rang hooger geplaatste; maar deze onthield zich er van, omdat hij daarvoor nog te korten tijd in Indië was.
Het onweder trok dus af, en slechts af en toe schoot nog een bliksemstraal uit het aangezicht des „dubbelen,” dat zich tot een bitterzoet glimlachje geplooid had in de richting, waar ik stond.
„Is de korporaal reeds ingedeeld?” vroeg de binnentredende.
„Jawel, luitenant, bij uw peloton in de tweede sectie,” antwoordde de „moeder” op den onderdanigsten toon.
„Goed, laat hem dan heengaan, want de recruten kunnen ieder oogenblik van Batavia aankomen.”
Met de meest militaire stijfheid maakte ik rechtsomkeert en haastte mij weg te komen uit de schotlinie van den „dubbele” waar ik mij niet weder onder waagde voor zijn gevoelsbarometer op zonneschijn stond, hetgeen, tusschen haakjes, slechts uiterst zelden gebeurde.
In het „kampement” der derde compagnie, in welker centrum de sergeant-majoor resideerde, ging het intusschen toe als in een bijenkorf. Hier gebood de rechterhand van den „dubbele” de fourier, de „meid-alleen,” wien het lichamelijk welzijn der compagnie toevertrouwd is, de beheerscher der vertrekken voor de provisie en de kleeding bestemd. Hij zat juist een aantal Europeesche en inlandsche[44]korporaals achter de vodden, die heilwenschen (?) tusschen de tanden mompelend, mij voorbijvlogen. Nauwelijks kreeg hij mij in ’t oog, of ik werd er ook bijgelapt.
„Hier, jij nieuweling, wees zoo goed en neem de matten voor je kerels in ontvangst! Als de drommel je ransel af!” bulderde hij me toe. Ter opheldering moet ik hier bijvoegen, dat den inlandschen soldaten slechts matten van biezen worden verstrekt, en geen stroozakken, zooals aan hunne Europeesche krijgsmakkers. Bovendien krijgen ze een met stroo gevuld hoofdkussen en een katoenen deken, „sprei” genaamd: een eenvoudig en zeer practisch leger.
Na weinige oogenblikken was ik reeds druk werkzaam en sorteerde al de heerlijkheden, waarvoor elken recruut bijzondere zorg wordt aanbevolen. Midden onder den arbeid werd ik door hoornsignalen opgeschrikt, die steeds nader en nader klonken. Commando’s werden hoorbaar, ten slotte eindigend in een langgerekt „halt!” Toen werd het stil, en men hoorde slechts de barsche stem van den sergeant-majoor, die de recruten bij hunnen naam riep; terloops aangemerkt: eene ondankbare, tijdroovende bezigheid, daar de meeste dezer natuurkinderen òf te verlegen zijn, om hunnen mond open te doen, als hun naam wordt afgeroepen, òf wel vergeten zijn, hoe zij heeten. Ik verkneuterde er mij[45]in, den „dubbele” zoo rood als een kalkoenschen haan voor het front op en neer te zien stappen, terwijl hij in machtelooze woede de arme drommels geheel van hun stuk bracht met hun de namen in de ooren te brullen en daarop slechts zulke onvolledige antwoorden kreeg, dat de „rommel” niet „kloppen” wilde.
Het was een gezicht om zich den buik vast te houden van het lachen: al deze kleine, bruine barrevoeters, die tegen elkander stonden aangedrongen als eene kudde schapen. Ieder oogenblik verwachtte ik dat zij op de voorpooten—pardon! handen—vallen zouden en tegen de klapperboomen opklauteren. Daarmede hadden zij ons werkelijk een grooten dienst bewezen, want het moest een heidensch werk zijn, eerst menschen en daarna soldaten uit hen te maken. Deze gedachte baarde mij geen geringe zorg, want ik verstond absoluut geen woord Maleisch, buiten de hoofdwoorden:makan: eten;minoem: drinken, enpisang-goreng:2smeerproppen of gebakken pisangs. Maar daarmee kon ik toch geen recruten afexerceeren.
„Heilige Florian, ontsteek mijn geest!” bad ik in stilte, toen ik op mijn sergeant toetrad, die met een arme-zondaarsgezicht, evenals ik, tegen een deurpost geleund stond en in diepe verslagenheid den bruinen menschenvloed gadesloeg, die onafgebroken[46]zijne sectie binnenstroomde. Hoeveel dagen kamerarrest en politiekamer stroomden daar wel mede binnen? Dat kon alleen de goede God weten en de kapitein, de onze-lieve-Heer der compagnie.
Tot deze slotsom scheen ook de sergeant gekomen te zijn, want hij wendde zich met een zucht af. Eerst toen hij mij bemerkte, herkreeg hij zijn geestelijk evenwicht.
„De kerels moeten eerst behoorlijk worden afgeschrobd”—d.w.z.zich baden—„voor ik mij met hen afgeef”, zeide hij en wierp van terzijde een blik op de recruten, die als eene bende apen dicht op elkaar zaten neergehurkt. „Daar de vrouwen den weg niet weten, kunnen zij zich bij den troep aansluiten,” liet hij er nog op volgen.
Het was zoo, er zaten ook nog vrouwen tusschen die knapen in. Zoo ongeveer het derde deel hadden hunne huishoudsters meegebracht. Bijeen geleken zij een grooten vuilnishoop, want zij hadden eene langdurige scheepsreis achter den rug en hadden al dien tijd bijna geen waschwater bekomen—voor Javanen, die over het algemeen zeer op reinheid gesteld zijn, eene ware kwelling.
„Neem me niet kwalijk, sergeant, maar ik spreek geen Maleisch. Ik weet niet hoe ik de menschen in het water en er dan weer uit krijgen moet,” veroorloofde ik mij in het midden te brengen.
„Mooi zoo! dat wordt eene vroolijke geschiedenis,”[47]riep de sergeant wrevelig. „Ik ben eerst sedert vier weken bij de apen-compagnie, de luitenant is kersversch uit Europa aangekomen, en jij kunt ook al niet anders dan menage lepelen—laat dan de duivel zien, dat hij de kerels afexerceert! Maak maar dat je wegkomt. Hoe je ’t met de bende klaar speelt, is me glad onverschillig!”
Dat ziet er lief uit, dacht ik. Maar de nood maakt vindingrijk. Ik zocht den grootsten uit den troep, wenkte de anderen en marcheerde de deur uit. Als eene kudde schapen achter den hamel trappelden de overigen, en ook de vrouwen, hunnen voorman achterop. Voor de deur maakten wij nog eerst halt. Ik sorteerde het gezelschap naar de lengte en geraakte daarbij zoo in vuur, dat ik na gedanen arbeid het commando: „Met verdubbelde rotten!” weerklinken liet. Ik weet niet wie er op dat oogenblik wanhopiger uitzag: de Javaantjes of hun korporaal. Onwillekeurig bedacht ik dat zoo een Javaansche recruut toch stellig nog minder militair begrip heeft, dan een afgeëxerceerde Amsterdamsche schutter; ik herriep derhalve het commando, plaatste de luidjes in rijen van vier achter elkander, hief mijn linkerbeen zoo hoog op, dat het boven de hoofden der recruten uitstak en kommandeerde: „Marsch!” Ik had net zoo goed „Hu!” kunnen kommandeeren; misschien hadden zij dat nog eer verstaan. Nu, de hoofdzaak was: zij zetten zich in[48]beweging. Maar wat mij niet mocht gelukken, niettegenstaande de waanzinnigste pogingen, het was om de vier voorsten tot een zelfde marschtempo te bewegen. De kolonne vertoonde groote gelijkenis met een kruipenden duizendpoot. Ten slotte gaf ik het op en liet hen loopen zooals zij wilden. Ik dankte mijnen Schepper, toen wij eindelijk de steenen kazerne aan de rivier bereikt hadden. Nu plaatste ik mij voor den troep, strekte den arm uit als een houten wegwijzer en schreeuwde uit al de kracht mijner longen „Halt!” Wel kregen de eerste paar rijen nog een geweldigen schok, daar de achter hen aankomenden met hangende hoofden tegen hunne voorgangers aanstietten; maar eindelijk stond de geheele troep. Door naar het water te wijzen en het maken van krachtige zwembewegingen, trachtte ik mijne bedoeling voor de menschen duidelijk te maken. Dit gelukte boven alle verwachting. Onder luid gejuich vloog de bende naar den oever, de vrouwen evenzeer.
„He! dat gaat niet,” riep ik haar toe, „jelui moet naar den anderen kant!” Maar ik had met engelentong kunnen spreken, zij zouden mij toch niet verstaan hebben. Gelukkig kwam mij een oude fuselier te hulp, die de vrouwen begrijpen deed, datbains mixtesin Indische kazernes niet thuis behooren, maar dat het eene deel der militaire badkuip voor de mannen, het andere deel[49]voor de vrouwen bestemd was. De vrouwen gehoorzaamden, en nu ontwikkelde zich een paradijs-achtig stilleven, waarin dozijnen Adam’s en Eva’s de stoffeering vormden. „Mama Gouvernement,” die anders in elk opzicht goed voor hare kinderen zorgt, heeft er namelijk in het geheel niet aan gedacht hen van zwembroeken te voorzien. De Tjilewong is daarom ook zoo vriendelijk, hare gele wateren als een sluier uit te breiden over alles, wat de mensch liefst voor zijnen evenmensch verborgen houdt. Een kwartiertje lang liet ik de luidjes in het water spartelen en bracht toen longen en armen weder in beweging, ten einde mijne kudde weer om mij heen te verzamelen. Dat duurde tamelijk lang, want de eene natuurknaap had zijn broek achterste voren toegeknoopt, weer een ander wilde zich niet met zijne jas verzoenen, daar die hem te warm was, enz. Ten slotte evenwel kreeg ik hen weer in rij en gelid en overtuigde mij dat er niet één ontbrak.
Voltallig leverde ik hen weer af aan mijn sergeant.
Weinige minuten later kwam de fourier al weder aangaloppeeren, die ons in den looppas naar het magazijn bracht. Daar werden al de fraaiïgheden, die ik kort te voren gesorteerd had, verdeeld en in de eerste plaats de menageketels naar de keuken geëxpedieerd. Was het verstand of instinct, dat[50]het volkje in vroolijke groepen naar de keuken dreef, toen het signaal voor het eten geblazen werd? Zij hadden het toch nog nooit gehoord. De korporaals hadden heel wat moeite, om de hongerige bruintjes in toom te houden. Messen en vorken zijn hun maar ongemakkelijk; de vijf vingers verrichten denzelfden dienst. Luid gesmak verkondigde weldra de tevredenheid van het gezelschap, waarbij zich nu ook de vrouwen gevoegd hadden, die tijdens den dienst hare tenten in den „warong” hadden opgeslagen. In het voorbijgaan was door mij opgemerkt, met welke nuttige bezigheid zij zich na het bad onledig hielden. In een kring gezeten, zoodat geen van het clubje te kort kwam, woelden zij in elkander’s haren om en bewezen elkaar wederzijds de kleine diensten, welke onze voorouders, volgens Darwin’s theorie, huns gelijken zoo gaarne betoonen. ’s Lands wijs ’s lands eer!
Zij die zich in het bezit van bijzonder ontwikkelde reukzenuwen verheugen en op een fatsoenlijk gedrag aan tafel gesteld zijn, zullen wel doen met eene dineerende compagnie inlanders te mijden. De sterk riekende vruchten, welke zij voor dessert gebruiken, als „doerian’s, zuurzakken”, enz., verpesten den omtrek in die mate, dat het bijna niet is uit te houden. Buitendien huldigen die natuurkinderen de onbehaaglijke gewoonte om, zoodra zij zich aangenaam verzadigd gevoelen, een vocaal[51]concert te beginnen, dat meer uit de maag dan uit de borst wordt gezongen en allesbehalve welluidend klinkt.
Deze ondervinding moest ik opdoen, toen ik mij naast onzen inlandschen sergeant had neergezet. Hij was een merkwaardig heer. Zijn kameraad had mij naar hem verwezen, omdat hij wat Hollandsch sprak, en dus in staat was mij in de geheimenissen der Maleische taal in te wijden. Ik had omtrent zijnen persoon de volgende inlichtingen ontvangen: „de sergeant is ijdel; hij draagt laarzen onder voorgeven dat hij gevoelige voeten heeft, in werkelijkheid echter omdat hij den half-Europeaan zou kunnen uithangen, wat hij niet is.” Dit alles had ik mij in het oor geknoopt, en ik nam mij voor op zijne ijdelheid te werken. Ik wachtte behoorlijk tot mijn meerdere in rang zijnen maaltijd beëindigd had en zette hem toen het doel mijner komst uiteen. Ik verklaarde hem, dat mij zijne gelijkenis met een Indo-Europeaan, dien ik eens ontmoet had, sterk had getroffen en vroeg hem of hij niet een broeder in Holland had. Hij schudde weemoedig het hoofd, trok aan de vier of vijf knevelharen, die hij tegen de gewoonte zijner landslieden liet staan en sprak fluisterend: „Ik helaas niet Hollander, maar”—voegde hij er op geheimzinnigen toon aan toe—„grootmoeder van mij was baboe (kindermeisje) bij „toewan” kolonel.”[52]
„Oei.…!” ontsnapte mij onwillekeurig. Zoo’n opsnijder! Waarom niet in eens baboe bij den legercommandant? „Jammer,” zeide ik en reikte hem de hand. Wat jammer was, wist ik eigenlijk zelf niet; hij denkelijk ook niet; maar desniettemin schudden wij elkander vriendschappelijk de hand. Nu kwam ik met mijn verzoek voor den dag: of hij wel zoo goed zou willen zijn, mij wat Maleisch te leeren? Hij knikte genadig en zeide:
Kossokbeteekent: poetsen.
„Prachtig!” riep ik met onwillekeurige geestdrift uit. Met dit enkele woord kon ik de geheele week volstaan, want „poetsen” is het militaire Alpha en Omega. Het zonlicht, het maanlicht en het licht der walmende petroleumlamp zien den Indischen soldaat aan het poetsen en ondanks alle inspanning wordt hij nog dikwerf ter zake van onvoldoend poetsen: „heruntergeputzt,” zooals de Duitschers zeggen. Nog drie woorden:mari sini(kom hier) enlakas(snel)—want onder militairen moet alles snel gaan—leerde ik en verwijderde mij toen onder duizend dankbetuigingen aan den sergeant, wiens wederhelft reeds geruimen tijd op de gelegenheid gewacht had, om den nakomeling der „baboe” van den „toewan”-kolonel te „pidjetten.”3[53]
Niet lang duurde het meer of de eerste dag was ten einde. In de lange gangen van het „kampement” flikkerden de lampen en wierpen haar schijnsel op verschillende groepen soldaten, die, blijde de drukkende uniform te mogen afleggen, in primitief negligé samenhokten. Boven hunne hoofden zweefde een afschuwelijk riekende wolk, van den rook der „strootjes”4afkomstig en aan hunne voeten stonden uit sigarenkistjes geïmproviseerde spuwbakken gereed, om het roode sap der sirihpruim op te vangen. Anderen hadden zich in hun boudoir teruggetrokken, en rustten op hunne schatten uit. De gehuwde Javaansche soldaten namelijk, die allen zonder uitzondering—ook de ongehuwden—zeer veel schaamtegevoel bezitten, toonen in vele gevallen eene kieschheid, die den Europeanen vreemd is. Door katoenen gordijnen aan de brits te bevestigen, scheppen zij zich een gezellig hoekje, waar zij hunne rijkdommen, enkele kapok-kussens, somtijds zelfs een matras, verbergen. Daar trekken zij zich na de vermoeienissen des daags terug en slapen gerust, niettegenstaande het krachtige gesnork der slapers, die hunne matjes op de brits boven hun hoofd hebben opgeslagen.
Ook ik volgde dit voorbeeld en ging op éen oor liggen, hoewel het nog lang geen „taptoe” was. Zacht drong in mijn vertrek een eentonig door den[54]neus klinkend gezang door, dat door handgeklap begeleid werd. Waarschijnlijk waren het herinneringen aan hun tehuis, die de bruine schepsels in hunne liederen bezongen. Ja, ook deze natuurkinderen lijden aan heimwee; zij zijn niet de gevoellooze wezens, waarvoor zoo velen hen houden, zij gevoelen dikwerf veel dieper dan de Europeaan, die zich naar den geest hun meerdere acht. Het slaperige gezang bracht mij in eenen toestand tusschen waken en droomen. Het was mij, alsof ook mij uit het lieve, verre vaderland bekende geluiden toeklonken. Onzichtbare handen droegen mij derwaarts over. Ik zat in den kring van oude bekenden, vroolijke drinkliederen weergalmden en de schuimende bierkruik ging lustig rond, toen … een zacht gegons aan mijn oor, een doordringende pijnlijke steek in de wang—weg waren vaderland, weg de vrienden, weg het heerlijke bier. Wat mij stoorde, was de prik van een muskieten-angel. De steek is nog zoo erg niet, maar de lange tijd, die er verloopt tusschen het aanvliegen en het steken, kan een mensch radeloos maken. De vermoeide hand slaat vergeefs in het rond. Gewoonlijk steekt u het bloedgierige gespuis juist op eene plaats, waar ge het niet verwacht. Alleen een „klamboe”5kan hier helpen, en die had ik mij, ondanks alle zuinigheid, nog niet kunnen verschaffen. Doch de[55]goede Morpheus had medelijden. Hij liet zijn droomensluier op mij nederzinken, en slechts als een verwijderde echo drong de klagende toon van het taptoesignaal tot mijn verflauwend bewustzijn door. Ongestoord zwelgden de muskieten—de kazernevloo is in Indië, Goddank! onbekend—mijn bloed.
Als den volgenden morgen een oningewijde het „kampement” betreden had, zou hij zich zeker in eene kleermakerswerkplaats met een schildersatelier verbonden, verplaatst hebben gemeend.
Al de superieuren, met uitzondering van den „vader” en de „moeder,” waren bezig hunne beschermelingen een menschelijk aanzien te geven. Met de pantalons had men gemakkelijk werk, niet echter met de jassen. Den eenen borst was de snit te ruim, den anderen de kraag te nauw; den derden hing iedere jas als een meelzak over den rug. Het was om er wanhopig van te worden. Daarbij kwam nog de booze luim van den fourier, die telkens woedend werd als hij een nieuw kleedingstuk uit zijn net geordenden voorraad moest afstaan, en de vinnige aanmerkingen van den luitenant, wien alles veel te langzaam ging. Doch dat had zich alleen de sergeant aan te trekken, want mij was de gewichtige taak opgedragen, alle uniformstukken van „boezeroen” tot „kapotjas,” met roodgeverfde stamboeknummers te voorzien.[56]Een geluk was het dat er geen kousen en schoenen te nummeren waren—de inlandsche troepen marcheeren barrevoets—dan had het werk zeker nog langer dan een dag geduurd, ofschoon het vlot van stapel liep.
Voortdurend liet ik mijn Maleischen taalschat schitteren, door het geroep van:„Mari sini lakas!” zoodat zelfs de luitenant opmerkzaam werd en mij vroeg: „Spreekt ge Maleisch?” Met de grootste koelbloedigheid, antwoordde ik: „Zoo tamelijk, luitenant!” Dat zou voor mij noodlottig worden, want onmiddellijk liet de luitenant er op volgen: „Dan kun je later je manschappen eenig onderricht geven in het militair saluut en dergelijke zaken meer!” Daar had ik mij aardig ingewerkt. Het was mijn verdiende loon. Ik had mij zelf eene oorveeg kunnen geven over mijne domheid. Het was nu te laat om haar te herstellen, en er bleef mij niets anders over dan bij den nakomeling der „baboe” van den kolonel te biecht te gaan, die mij uit de moeielijkheid hielp door later zelf het verlangde onderwijs te geven en mij aan den fourier, met wien hij op geen goeden voet stond, ter assistentie overleverde.
Toen de uitmonstering der Javaantjes afgeloopen was, begon het poetsen, want de kapitein zou den volgenden dag eene inspectie komen houden. Dit woord „inspectie” is een der geduchtste termen[57]uit de militaire grammatica. Het bezorgt iedereen de nachtmerrie, van den luitenant tot den soldaat. In het burgerlijke leven is het ongeveer te vergelijken met een schoonmaak van het geheele huis, als men voorname gasten wacht. Nu stelle zich eens eene huisvrouw voor, dat zij uitsluitend „schoonmaaksters” in dienst heeft, die niet weten hoe zij een bezem moeten hanteeren en niets dan Fransch kunnen spreken, terwijl zij, als huisvrouw, alleen Hollandsch verstaat. Zij kan zich dan een zwak begrip vormen van eenen namiddag bij eene Javaansche recruten-compagnie, vóór den ochtend eener kapiteins-inspectie.
Men hoorde niets anders roepen dan:Kossok! Lakas, Lakas, Lakas!…
Ja, als het met bevelen alleen te doen was! De kerels wisten immers niet eens, hoe zij met de knoopenschaar moesten omgaan, en dat het heft van het kapmes blinken moest als zilver, scheen hun onverklaarbaar. Bij eene Europeesche compagnie kan men bij dergelijke gelegenheden zijnen toorn tenminste nog door eenige kazernevloeken lucht geven, doch dat valt bij eene inlandsche compagnie uiterst moeilijk, vooral als men de taal niet kent. Ofschoon ik een bijzonder grooten domoor den eenenorang oetanna den ander naar het hoofd wierp, gaf hij geen blijk het zich ook maar eenigszins aan te trekken; de kerel verstond niet eens[58]zijne eigen taal. Er bleef niets anders over dan zelf de hand aan het werk te slaan, uit den treure knoopen te poetsen, stukken van uniformen te zoomen, te vouwen en netjes op de „planken” te schikken. Dit duurde tot laat in den nacht. Nog in den droom hoorde ik mijnen collega met schorre stem roepen:kossok lakas!kapiteindatang6.
De gevreesde dag brak aan. Te gelijk met den haan van den kompagnies-kok kraaide ook de sergeant-majoor, en diens stem werkte electriseerend. In minder dan geen tijd was ieder op zijnen post. Nogmaals de knoopenscharen te voorschijn gehaald. Thans ging het poetsen veel beter. De kereltjes waren leerzaam. Tallooze bezems deden dichte wolken stof opdwarrelen, welke weder door zachte stofdoeken onbarmhartig werden weggenomen. De „kamerwacht”, een oude fuselier, liep met een angstig gezicht ieder stroohalmpje na, dat de wind door de lange gangen joeg. De „moeder” liep voor hem uit en voelde in alle hoeken en gaatjes, om zich te vergewissen dat er geen stofje meer te vinden was. Zij scheen tevreden. Minder vergenoegd waren de arme sergeanten en korporaals. Daar had een hunner een recruut onder handen, wiens kraag steeds weder tegen den langen hals opschoof; ginds wendde een korporaal vergeefsche pogingen aan om een[59]klein ventje de muts recht op het hoofd te zetten; de schedel was zoo gebouwd, dat het hoofddeksel telkens weer in den nek gleed. Ik was haast van schrik flauw gevallen, toen ik ontdekte dat de een of andere ellendeling één mijner manschappen twee knoopen van de uniform had afgesneden; waarschijnlijk om ze aan zijne eigen kapotjas te zetten. Snel moest in het onheil voorzien worden, want de luitenant was reeds in aantocht, en een luitenant kan onder zekere omstandigheden al even onuitstaanbaar wezen als een kapitein.
Eindelijk was alles tot de groote ontvangst gereed. In lange rijen stonden de recruten vóór hunne slaaptafels en wachtten op de dingen, die komen zouden. Een gewoon sterveling heeft niet het minste begrip van het gewicht van een kapitein. Menige pennelikker, met een jaarlijksch salaris van 600 gulden en eene geborgde jas aan het lijf, gelooft zich ver verheven boven den „vergulden bedelaar,” zooals neuswijze heertjes zich gelieven uit te drukken; zij behoefden slechts ééne inspectie bij te wonen om van hunnen waan genezen te worden. Er is een reusachtig onderscheid tusschen den kapitein in dienst en in de samenleving. Wie hem zoo ziet zitten aan het venster van een der groote café’s in de Kalverstraat, terwijl hij met een tevreden glimlach naar de menschenmassa kijkt en met een stil genoegen zijn bittertje slurpt,[60]zou licht op de gedachte kunnen komen: „dat is een man om omver te loopen!” Jawel, goeden morgen! Men moet hem in zijn element zien en dan in de eerste plaats bij eene inspectie: dan is hij Jupiter gelijk. Dan brult zijn mond als de donder, en zijne oogen schieten bliksemstralen; waar die inslaan, ligt de getroffene van 8 tot 14 dagen krom. Zoo zijn zij allen, en zoo was ook onze kapitein, wiens komst wij in duizend vreezen te gemoet zagen.
Eindelijk klonk het bevel: „Geeft acht!” De luitenants zetten eene hooge borst, snelden naar den ingang, en wij stonden als stokken aan den grond genageld. Langzaam naderde het onweder. Onheilspellend fonkelde de portefeuille van den sergeant-majoor, die het gevreesde potlood, als eene lans tegen het front van den troep gericht, droeg. De inspectie begon. Onze sectie was aan de beurt, en de sergeant volgde met een gezicht, dat wel wat bleek zag. Het scheen of hem het stereotype: „Sergeant-majoor, schrijf op: zoo en zooveel dagen arrest!” reeds in de ooren klonk. Ieder oogenblik verwachte ik een: „Hum, hum!” van den kapitein; onder broeders beteekende dat eenige dagen kamerarrest. Zeide hij echter: „Smeerpoes!” dan kwam men er niet zonder „politiekamer” af. Daarin deelen dan in den regel de berispte, de korporaal en de sergeant broederlijk. Boven[61]verwachting liep het prachtig voor ons af. Het onweder trok voorbij, zonder in te slaan. De kapitein was dien dag niet alleen God, hij was ook mensch, en zag dat het mogelijke gedaan was. Toen hij zelfs ten slotte zeide: „Goed!” hadden wij hem van blijdschap wel om den hals willen vliegen, als dit niet in strijd geweest ware met alle begrippen van subordinatie.
Na afloop der inspectie was het uitbetaling van traktement, en toen ik mijne 90 cents voor de drie dagen in handen hield, dacht ik bij mij zelven: „Mama Gouvernement is toch eene brave ziel; zij beloont steeds naar verdienste.” Daarop vergunde ik mij de weelde van vijf kop koffie en een dozijn „smeerproppen,” en hiermede waren de eerste drie dagen ten einde.[62]
1Bijnaam voor sergeant-majoor, wegens de dubbele gouden chevrons, die zijne uniform versieren.↑2Gebakken pisang.↑3Masseeren.↑4Stroosigaren.↑5Muskieten-gordijn.↑6Komt.↑
1Bijnaam voor sergeant-majoor, wegens de dubbele gouden chevrons, die zijne uniform versieren.↑2Gebakken pisang.↑3Masseeren.↑4Stroosigaren.↑5Muskieten-gordijn.↑6Komt.↑
1Bijnaam voor sergeant-majoor, wegens de dubbele gouden chevrons, die zijne uniform versieren.↑
1Bijnaam voor sergeant-majoor, wegens de dubbele gouden chevrons, die zijne uniform versieren.↑
2Gebakken pisang.↑
2Gebakken pisang.↑
3Masseeren.↑
3Masseeren.↑
4Stroosigaren.↑
4Stroosigaren.↑
5Muskieten-gordijn.↑
5Muskieten-gordijn.↑
6Komt.↑
6Komt.↑