[Inhoud]PARADE.„Oranje boven! De koningin is bevallen van een prins!”Onder luid hoera van „de Eerste” had Jan Kloet, de grappenmaker der compagnie, deze gewichtige woorden in de wachtkamer der manschappen geslingerd, waar de verschillende korporaalsafdeelingen onder toezicht harer sectie-commandanten ernstig bezig waren met wapens en uniformen in gereedheid te brengen voor de parade op den dag van morgen, ’s Konings verjaardag.„Hoort maar, ze schieten op de reede”, riep Jan opgewonden. Het werd doodstil in het vertrek. Allen spitsten de ooren. Werkelijk: boem-boem-boem! dreunde het dof van de kust herwaarts.„Waarachtig, het is een prins!” klonk het jubelend van alle kanten. Slechts één was er, die een bedrukt gezicht zette. Dat was de dikke, eeuwig hongerige Kees Kool. „Hoe jammer!” zuchttehij,„hoe jammer!”[138]„Wat is jammer?” vroeg hem een Oranjeman met dreigend gebaar.„Dat het niet een paar dagen vroeger of later gebeurd is. Je zult het zien, de Oomes in Batavia laten de verjaardagen van den koning en den kroonprins niet op twee achtereenvolgende dagen vieren, ze maken er één dag van.„Waar blijft dan onze dubbele menage? waar onze halve flesch wijn, de oorlam en het kwartje, dat we op ’s konings verjaardag krijgen?”„Bliksems, Kees heeft gelijk,” mompelden er een paar met lange gezichten.„Ja, ja,” ging hij intusschen voort „als de buikjes een armen soldaat wat kunnen aftroggelen, dan doen ze dat met het grootste plezier. De koning betaalt natuurlijk voor den kroonprins uit zijn eigen zak toch onze dubbele menage, den wijn, den oorlam en het kwartje en dat verdeelen de buikjes onder elkaar. Maar laten ze oppassen, dat onze leger-commandant het niet merkt! Dat is een haan, die er van kraaien zou. Ik heb een beetje verstand van politiek, want mijn neef, die ze verleden jaar in Atjeh zijn linkervlerk hebben stukgeschoten, is schrijver op de „weeskamer.” En als de schrijvers bij elkaar komen,jongens, jongens, dan hoor-je mooie geschiedenissen.„Mond houden!” riep nu de sectie-commandant: „Zie liever, dat je de soepvlekken uit je uniform[139]krijgt en hier—ratsch! vloog er een knoop van de kapotjas—naai je knoopen steviger vast, waarachter je dien dikken buik moet wegbergen. Als je morgenvroeg niet netjes op ’t appèl komt, ben je zoo „zuur als azijn.””Diepe stilte heerschte er na het scherpe sermoen.Weer ging de deur open. De korporaal „van de week” verscheen. Hij trad op de groep onderofficieren toe, die levendig gesticuleerend zich in allerlei gissingen omtrent ’s prinsen bestaan verdiepten en zeide op gedempten toon, maar nogtans luid genoeg om verstaan te worden door de ademloos toeluisterende manschappen: „Ik kom van het staf-bureau. De staf-fourier heeft een telegram van zijn collega in Batavia ontvangen: er is geen quaestie van een kroonprins! Een paar vreemde oorlogsschepen zijn gelijktijdig op de reede aangekomen en hebben zoo hard gebombardeerd.” „O.… o.o.o.o.o.o.. hoe jammer!” klonk het in het rond. Adjuus, dubbele menage, oorlam, wijn, kwartje twee dagen achtereen.Nog uren later werd er over den weggebleven kroonprins gemopperd en Jan Kloet, de vader van het gerucht, kreeg mildelijk ribbestooten voor de vervroegde geboorte-aankondiging.Inmiddels werd gepoetst, dat de zweetdroppels van de voorhoofden rolden, want morgen zouden ontelbare oogen er op uit zijn, mat-blinkende knoopen[140]aan de uniform en roestvlekken aan het geweer te ontdekken. Eerst zou de korporaal, dan de sergeant, daarna de luitenant, vervolgens de kapitein, ten slotte de majoor alles bekijken, en wie weet? misschien zou ook de „toewan besaar” te Buitenzorg zijn militaire been voorzetten en eveneens komen inspecteeren.Voor het garnizoen van Meester Cornelis, dat eerst een kleine wandeling van anderhalf uur moest maken, om het parade-veld op het Waterlooplein te Batavia te bereiken, was het uitzicht op een parade volstrekt niet aanlokkelijk, doch—zooals gezegd—de hoop op al de heerlijkheden, die keuken en kelder (!) op dezen dag zouden bieden, voorts het bewustzijn, dat duizenden kritische mannelijke en vrouwelijke blikken op hen rusten zouden en dan de liefde voor den ouden koning, die onze Indische generaals Verspijck en Van der Heyden zoo hoog in eere hield, oefende op ieder afzonderlijk een bezielenden invloed uit.Het donderend: „Er uit! Onder de wol uit!” der korporaals was ditmaal dan ook overtollig. Nauwelijks waren de laatste klanken der reveille weggestorven, of daar vlogen reeds dozijnen witte gestalten in het schemerlicht der petroleum-lampen door de slaapzaal. Alles stormde naar de kali, die weldra op een met zeepschuim gekroonde waschtobbe geleek, waaruit proestende hoofden te[141]voorschijn staken. Daarop ging het naar de keuken, waar de koelie de koffie uit den pruttelenden ketel schepte en de sergeant onder een hoeraatje de op koningsverjaardag’s met ham belegde broodjes verdeelde.Vijf minuten tijd, om de traktatie naar binnen te werken. Daarna werden weder de knoopvorken gezwaaid, de lemmetten der kapmessen blonken in de lucht, geweerkolven dreunden op den vloer.Als weer vijf minuten verloopen waren, weerklonk het langgerekte commando:„Aantreden!” en stommelend ging het de trap af. Zien kon men niet veel—het was pikdonker—maar hooren kon men iederen sectie-commandant.„Eerste sectie hier aantreden!” bulderde een zware stem.„Kerel, steek me je bajonet niet door het lijf!” dreunde de bas van den sergeant aan den linkervleugel.Nog een poos lang duurde het rumoer; eindelijk riep een heldere stem: „Geeft acht!” terstond gevolgd door een doodelijke stilte, die slechts verbroken werd door het geluid van eenige zware voetstappen en het kletteren van een sabel. De kapitein naderde en ontving het rapport uit de handen van den oudsten luitenant. Daarop trok hij de sabel, enkele commando’s weerklonken en met zwaar-dreunenden stap marcheerde „de Eerste” de poort door aan het hoofd van het bataljon.[142]Daar stonden reeds de élèves der militaire school in het gelid, die hun geleerde gezichten naar een venster gekeerd hielden, waaraan bij het licht van kaarsen het frissche kopje van onze mooie „majoorsche” zichtbaar was.In de verte weerklonken tromgeroffel en hoorngetoet. Het kwam nader en nader. Een donkere massa golfde bijna onhoorbaar naderbij. Het was de derde compagnie, louter Javanen, wier supérieuren juist bij een parade het gemis van schoenen bij hun ondergeschikten smartelijk gevoelen. Het oor wil zich toch ook verkwikken aan den zwaren paradestap, zooals het oog aan de zuiver rechte lijn der gestrekte voeten.Nu kwam de muziek.Ternauwernoodwas zij opgesteld, of de bataljons-commandant kwam zijn woning uit. Commando’s weerklonken en vereenigden zich met het gekletter der wapenen; de muziek speelde den parademarsch en onder die tonen reed de majoor langs het front. Maar zelden kreeg men den kleinen, dikken heer te aanschouwen; doch als hij verscheen en zijn oog over de colonnes liet gaan, dan schenen de lange rijen in breedte en hoogte te groeien. Met verdubbelde rotten ging het nu den grooten postweg naar Batavia op, waar tusschen het geboomte de woningen der officieren vriendelijk uitkeken en vrouwtjelief den kranigen echtgenoot kushandjes tot afscheid toewierp.[143]De natuur ontwaakte. In de twijgen der bosschages werd het levendig. De vogels piepten en krijschten. De wind ruischte zachtkens door de bladeren en schudde millioenen dauwdruppels naar omlaag. Daar brak de zon door, die roodgloeiend achter de woudreuzen was opgegaan en met haar stralen alles overstroomde. De punten der bajonetten schitterden alsof zij in purper waren gedoopt; zij wedijverden in vroolijken glans met de opgewekte gezichten der dragers. Een overvol gemoed gaf zich lucht in het heerlijke lied: „Wilhelmus van Nassouwen” en, kon men er ook zoo goed niet op marcheeren—het gezang plantte zich van compagnie tot compagnie voort—echt en goed gemeend was het toch.Bij het binnen-marcheeren van Kramat kon men bemerken, dat er iets „aan de hand” was; alle huizen waren gesloten en slechts enkeledos à dossnelden zoo vlug als de wind in één en dezelfde richting. Een eindweegs verder stiet men op groepen feestelijk uitgedoste Javanen en Chineezen; ook eenige „klipsteenen”, die zich de weelde van een „kar” niet konden veroorloven, bevonden zich onder hen.Van de „haute volée” was nog niets te bemerken. In sierlijken galop kwam nu een adjudant ons bataljon te gemoet; waarschijnlijk bracht hij beschikkingen, omtrent onze opstelling over, want[144]hij wees naar het Waterlooplein, welks boomreeksen ons, het welkom toewenkten. Onder de vroolijke tonen van den Lindenau-marsch zwenkten wij de allee in en marcheerden met krachtigen pas, langs het garnizoen van Weltevreden, naar onze stelling.Van daar uit hadden wij een prachtig gezicht over het geheele terrein. Tegenover ons stond de „Schutterij”, goed in rijen geschaarde in het wit gekleede „buikjes”, die, in zwarte sabelkoppels gesnoerd, op fraaie, vlekkelooze winkelprentjes geleken. Rechts reden ons de elegante equipages der suiker-baronnen en koffie-graven voorbij, waaruit vrouwenoogen fonkelende blikken wierpen, die in schittering wedijverden met de talrijke briljanten der eigenaressen. De afwisselende tooneelen deden hitte en dorst vergeten.Eensklaps rekten zich alle hoofden naar ééne richting; er liep iets als een huivering door de lange, blinkende rijen. In fieren galop kwam een ruiter over het groote plein aangesneld.Donderende commando’s ontwelden aan zijn mond en de bataljons stonden, of zij uit erts waren gehouwen.Omgeven door een schitterenden stoet officieren naderde nu een vergulde heer, die lang niet onverschillig was onder de wilde sprongen van zijn door de drukte schichtig geworden schimmel. Waarschijnlijk om niet Moeder Aarde te moeten[145]kussen, beval hij een knecht het dier vast te houden en verdeelde nu zijn aandacht tusschen het paard en de voor hem ’t geweer presenteerende troepen. Misschien dacht onder dezen menigeen: „Nu, die ziet er ook niet naar uit, of hij ’t onderscheid kan zien tusschen een knoop, die vastgenaaid en één die met een lucifer bevestigd is.”De gouverneur-generaal—want dat was de heer op den schimmel—was zeker blij dat hij weer rustig kon stilzitten en ons laten voorbijmarcheeren. Vol waardigheid zag hij op de colonnes der compagnie neer en glimlachte goedkeurend, zoo dikwijls de beenen der manschappen als uit een kanon geschoten zijn schimmel op eenigen afstand langs den neus vlogen.Een heerlijke aanblik was het, toen artillerie encavalerieop hun kleine, flinke paarden als een wervelwind over het paradeveld stoven. De schimmel had gaarne, zonder verlof van zijn heer, meegerend, maar een adjudant naast het dier liet het niet toe.Men moet eerlijk erkennen; een parade, die niet door een militair wordt geïnspecteerd, mist haar doel. Officieren en soldaten verlangen waardeering der afgelegde proeven. En zoo hun die ook in ruime mate wordt geschonken, zij verschaft hun niet de gewenschte voldoening, want zij is niet die van een deskundige; ze blijft een nietszeggend compliment.[146]De soldaat is er toch steeds op uit, om van elke situatie de belachelijke zijde op te merken en als dit ten koste van den hoogstgeplaatsten persoon des lands geschiedt, dan lijdt diens prestige daardoor.Er werden dan ook veel „moppen getapt”, toen na afloop der parade het bataljon zich door het stof, dat een voet hoog den weg bedekte, weder naar het garnizoen van Meester Cornelis voortbewoog. Verzengend schoten thans de zonnestralen op de witgepoederde soldaten neer, die elkander de beloofde heerlijkheden uit den kelder (?) voorspiegelden, om zoodoende den dorst nog te vergrooten.„Nog maar een halfuurtje stevig doormarcheeren en dan zijn we er”, hoorde men allerwege.Het zou niet eens zoo lang duren. Met de snelheid van den wind trokken achter ons dichte wolkenmassa’s op. Het opgejaagde stof herschiep ons in wandelende molenaars, die door onheilspellend rollende donderslagen letterlijk tot den looppas werden aangezet. Het mocht niet baten; met een onweer in Indië kan men niet om het hardst loopen. Binnen weinige minuten stroomde ons het water uit de schoenkappen.Voor de eerste sectie had het onweer ten minste nog een nuttige zijde. De bombardonist die voor haar uit marcheerde, hield namelijk de windpijp[147]van zijn instrument uitdagend ten hemel en verzamelde het stroomende nat. De een na den ander mocht dan aan het mondstuk van den bombardon zuigen en zijn dorst lesschen. Het was wel niet smakelijk, want de man pruimde, maar het deed toch goed.Twee uur later zat de geheele compagnie bij de dubbele menage en de halve flesch wijn en Kees Kool hield een redevoeringwaarin hij het Oranjehuis elk jaar een mannelijken telg toewenschte. „Maar niet op denzelfden dag, want de oomes in Batavia … we weten er alles van.”[148]
[Inhoud]PARADE.„Oranje boven! De koningin is bevallen van een prins!”Onder luid hoera van „de Eerste” had Jan Kloet, de grappenmaker der compagnie, deze gewichtige woorden in de wachtkamer der manschappen geslingerd, waar de verschillende korporaalsafdeelingen onder toezicht harer sectie-commandanten ernstig bezig waren met wapens en uniformen in gereedheid te brengen voor de parade op den dag van morgen, ’s Konings verjaardag.„Hoort maar, ze schieten op de reede”, riep Jan opgewonden. Het werd doodstil in het vertrek. Allen spitsten de ooren. Werkelijk: boem-boem-boem! dreunde het dof van de kust herwaarts.„Waarachtig, het is een prins!” klonk het jubelend van alle kanten. Slechts één was er, die een bedrukt gezicht zette. Dat was de dikke, eeuwig hongerige Kees Kool. „Hoe jammer!” zuchttehij,„hoe jammer!”[138]„Wat is jammer?” vroeg hem een Oranjeman met dreigend gebaar.„Dat het niet een paar dagen vroeger of later gebeurd is. Je zult het zien, de Oomes in Batavia laten de verjaardagen van den koning en den kroonprins niet op twee achtereenvolgende dagen vieren, ze maken er één dag van.„Waar blijft dan onze dubbele menage? waar onze halve flesch wijn, de oorlam en het kwartje, dat we op ’s konings verjaardag krijgen?”„Bliksems, Kees heeft gelijk,” mompelden er een paar met lange gezichten.„Ja, ja,” ging hij intusschen voort „als de buikjes een armen soldaat wat kunnen aftroggelen, dan doen ze dat met het grootste plezier. De koning betaalt natuurlijk voor den kroonprins uit zijn eigen zak toch onze dubbele menage, den wijn, den oorlam en het kwartje en dat verdeelen de buikjes onder elkaar. Maar laten ze oppassen, dat onze leger-commandant het niet merkt! Dat is een haan, die er van kraaien zou. Ik heb een beetje verstand van politiek, want mijn neef, die ze verleden jaar in Atjeh zijn linkervlerk hebben stukgeschoten, is schrijver op de „weeskamer.” En als de schrijvers bij elkaar komen,jongens, jongens, dan hoor-je mooie geschiedenissen.„Mond houden!” riep nu de sectie-commandant: „Zie liever, dat je de soepvlekken uit je uniform[139]krijgt en hier—ratsch! vloog er een knoop van de kapotjas—naai je knoopen steviger vast, waarachter je dien dikken buik moet wegbergen. Als je morgenvroeg niet netjes op ’t appèl komt, ben je zoo „zuur als azijn.””Diepe stilte heerschte er na het scherpe sermoen.Weer ging de deur open. De korporaal „van de week” verscheen. Hij trad op de groep onderofficieren toe, die levendig gesticuleerend zich in allerlei gissingen omtrent ’s prinsen bestaan verdiepten en zeide op gedempten toon, maar nogtans luid genoeg om verstaan te worden door de ademloos toeluisterende manschappen: „Ik kom van het staf-bureau. De staf-fourier heeft een telegram van zijn collega in Batavia ontvangen: er is geen quaestie van een kroonprins! Een paar vreemde oorlogsschepen zijn gelijktijdig op de reede aangekomen en hebben zoo hard gebombardeerd.” „O.… o.o.o.o.o.o.. hoe jammer!” klonk het in het rond. Adjuus, dubbele menage, oorlam, wijn, kwartje twee dagen achtereen.Nog uren later werd er over den weggebleven kroonprins gemopperd en Jan Kloet, de vader van het gerucht, kreeg mildelijk ribbestooten voor de vervroegde geboorte-aankondiging.Inmiddels werd gepoetst, dat de zweetdroppels van de voorhoofden rolden, want morgen zouden ontelbare oogen er op uit zijn, mat-blinkende knoopen[140]aan de uniform en roestvlekken aan het geweer te ontdekken. Eerst zou de korporaal, dan de sergeant, daarna de luitenant, vervolgens de kapitein, ten slotte de majoor alles bekijken, en wie weet? misschien zou ook de „toewan besaar” te Buitenzorg zijn militaire been voorzetten en eveneens komen inspecteeren.Voor het garnizoen van Meester Cornelis, dat eerst een kleine wandeling van anderhalf uur moest maken, om het parade-veld op het Waterlooplein te Batavia te bereiken, was het uitzicht op een parade volstrekt niet aanlokkelijk, doch—zooals gezegd—de hoop op al de heerlijkheden, die keuken en kelder (!) op dezen dag zouden bieden, voorts het bewustzijn, dat duizenden kritische mannelijke en vrouwelijke blikken op hen rusten zouden en dan de liefde voor den ouden koning, die onze Indische generaals Verspijck en Van der Heyden zoo hoog in eere hield, oefende op ieder afzonderlijk een bezielenden invloed uit.Het donderend: „Er uit! Onder de wol uit!” der korporaals was ditmaal dan ook overtollig. Nauwelijks waren de laatste klanken der reveille weggestorven, of daar vlogen reeds dozijnen witte gestalten in het schemerlicht der petroleum-lampen door de slaapzaal. Alles stormde naar de kali, die weldra op een met zeepschuim gekroonde waschtobbe geleek, waaruit proestende hoofden te[141]voorschijn staken. Daarop ging het naar de keuken, waar de koelie de koffie uit den pruttelenden ketel schepte en de sergeant onder een hoeraatje de op koningsverjaardag’s met ham belegde broodjes verdeelde.Vijf minuten tijd, om de traktatie naar binnen te werken. Daarna werden weder de knoopvorken gezwaaid, de lemmetten der kapmessen blonken in de lucht, geweerkolven dreunden op den vloer.Als weer vijf minuten verloopen waren, weerklonk het langgerekte commando:„Aantreden!” en stommelend ging het de trap af. Zien kon men niet veel—het was pikdonker—maar hooren kon men iederen sectie-commandant.„Eerste sectie hier aantreden!” bulderde een zware stem.„Kerel, steek me je bajonet niet door het lijf!” dreunde de bas van den sergeant aan den linkervleugel.Nog een poos lang duurde het rumoer; eindelijk riep een heldere stem: „Geeft acht!” terstond gevolgd door een doodelijke stilte, die slechts verbroken werd door het geluid van eenige zware voetstappen en het kletteren van een sabel. De kapitein naderde en ontving het rapport uit de handen van den oudsten luitenant. Daarop trok hij de sabel, enkele commando’s weerklonken en met zwaar-dreunenden stap marcheerde „de Eerste” de poort door aan het hoofd van het bataljon.[142]Daar stonden reeds de élèves der militaire school in het gelid, die hun geleerde gezichten naar een venster gekeerd hielden, waaraan bij het licht van kaarsen het frissche kopje van onze mooie „majoorsche” zichtbaar was.In de verte weerklonken tromgeroffel en hoorngetoet. Het kwam nader en nader. Een donkere massa golfde bijna onhoorbaar naderbij. Het was de derde compagnie, louter Javanen, wier supérieuren juist bij een parade het gemis van schoenen bij hun ondergeschikten smartelijk gevoelen. Het oor wil zich toch ook verkwikken aan den zwaren paradestap, zooals het oog aan de zuiver rechte lijn der gestrekte voeten.Nu kwam de muziek.Ternauwernoodwas zij opgesteld, of de bataljons-commandant kwam zijn woning uit. Commando’s weerklonken en vereenigden zich met het gekletter der wapenen; de muziek speelde den parademarsch en onder die tonen reed de majoor langs het front. Maar zelden kreeg men den kleinen, dikken heer te aanschouwen; doch als hij verscheen en zijn oog over de colonnes liet gaan, dan schenen de lange rijen in breedte en hoogte te groeien. Met verdubbelde rotten ging het nu den grooten postweg naar Batavia op, waar tusschen het geboomte de woningen der officieren vriendelijk uitkeken en vrouwtjelief den kranigen echtgenoot kushandjes tot afscheid toewierp.[143]De natuur ontwaakte. In de twijgen der bosschages werd het levendig. De vogels piepten en krijschten. De wind ruischte zachtkens door de bladeren en schudde millioenen dauwdruppels naar omlaag. Daar brak de zon door, die roodgloeiend achter de woudreuzen was opgegaan en met haar stralen alles overstroomde. De punten der bajonetten schitterden alsof zij in purper waren gedoopt; zij wedijverden in vroolijken glans met de opgewekte gezichten der dragers. Een overvol gemoed gaf zich lucht in het heerlijke lied: „Wilhelmus van Nassouwen” en, kon men er ook zoo goed niet op marcheeren—het gezang plantte zich van compagnie tot compagnie voort—echt en goed gemeend was het toch.Bij het binnen-marcheeren van Kramat kon men bemerken, dat er iets „aan de hand” was; alle huizen waren gesloten en slechts enkeledos à dossnelden zoo vlug als de wind in één en dezelfde richting. Een eindweegs verder stiet men op groepen feestelijk uitgedoste Javanen en Chineezen; ook eenige „klipsteenen”, die zich de weelde van een „kar” niet konden veroorloven, bevonden zich onder hen.Van de „haute volée” was nog niets te bemerken. In sierlijken galop kwam nu een adjudant ons bataljon te gemoet; waarschijnlijk bracht hij beschikkingen, omtrent onze opstelling over, want[144]hij wees naar het Waterlooplein, welks boomreeksen ons, het welkom toewenkten. Onder de vroolijke tonen van den Lindenau-marsch zwenkten wij de allee in en marcheerden met krachtigen pas, langs het garnizoen van Weltevreden, naar onze stelling.Van daar uit hadden wij een prachtig gezicht over het geheele terrein. Tegenover ons stond de „Schutterij”, goed in rijen geschaarde in het wit gekleede „buikjes”, die, in zwarte sabelkoppels gesnoerd, op fraaie, vlekkelooze winkelprentjes geleken. Rechts reden ons de elegante equipages der suiker-baronnen en koffie-graven voorbij, waaruit vrouwenoogen fonkelende blikken wierpen, die in schittering wedijverden met de talrijke briljanten der eigenaressen. De afwisselende tooneelen deden hitte en dorst vergeten.Eensklaps rekten zich alle hoofden naar ééne richting; er liep iets als een huivering door de lange, blinkende rijen. In fieren galop kwam een ruiter over het groote plein aangesneld.Donderende commando’s ontwelden aan zijn mond en de bataljons stonden, of zij uit erts waren gehouwen.Omgeven door een schitterenden stoet officieren naderde nu een vergulde heer, die lang niet onverschillig was onder de wilde sprongen van zijn door de drukte schichtig geworden schimmel. Waarschijnlijk om niet Moeder Aarde te moeten[145]kussen, beval hij een knecht het dier vast te houden en verdeelde nu zijn aandacht tusschen het paard en de voor hem ’t geweer presenteerende troepen. Misschien dacht onder dezen menigeen: „Nu, die ziet er ook niet naar uit, of hij ’t onderscheid kan zien tusschen een knoop, die vastgenaaid en één die met een lucifer bevestigd is.”De gouverneur-generaal—want dat was de heer op den schimmel—was zeker blij dat hij weer rustig kon stilzitten en ons laten voorbijmarcheeren. Vol waardigheid zag hij op de colonnes der compagnie neer en glimlachte goedkeurend, zoo dikwijls de beenen der manschappen als uit een kanon geschoten zijn schimmel op eenigen afstand langs den neus vlogen.Een heerlijke aanblik was het, toen artillerie encavalerieop hun kleine, flinke paarden als een wervelwind over het paradeveld stoven. De schimmel had gaarne, zonder verlof van zijn heer, meegerend, maar een adjudant naast het dier liet het niet toe.Men moet eerlijk erkennen; een parade, die niet door een militair wordt geïnspecteerd, mist haar doel. Officieren en soldaten verlangen waardeering der afgelegde proeven. En zoo hun die ook in ruime mate wordt geschonken, zij verschaft hun niet de gewenschte voldoening, want zij is niet die van een deskundige; ze blijft een nietszeggend compliment.[146]De soldaat is er toch steeds op uit, om van elke situatie de belachelijke zijde op te merken en als dit ten koste van den hoogstgeplaatsten persoon des lands geschiedt, dan lijdt diens prestige daardoor.Er werden dan ook veel „moppen getapt”, toen na afloop der parade het bataljon zich door het stof, dat een voet hoog den weg bedekte, weder naar het garnizoen van Meester Cornelis voortbewoog. Verzengend schoten thans de zonnestralen op de witgepoederde soldaten neer, die elkander de beloofde heerlijkheden uit den kelder (?) voorspiegelden, om zoodoende den dorst nog te vergrooten.„Nog maar een halfuurtje stevig doormarcheeren en dan zijn we er”, hoorde men allerwege.Het zou niet eens zoo lang duren. Met de snelheid van den wind trokken achter ons dichte wolkenmassa’s op. Het opgejaagde stof herschiep ons in wandelende molenaars, die door onheilspellend rollende donderslagen letterlijk tot den looppas werden aangezet. Het mocht niet baten; met een onweer in Indië kan men niet om het hardst loopen. Binnen weinige minuten stroomde ons het water uit de schoenkappen.Voor de eerste sectie had het onweer ten minste nog een nuttige zijde. De bombardonist die voor haar uit marcheerde, hield namelijk de windpijp[147]van zijn instrument uitdagend ten hemel en verzamelde het stroomende nat. De een na den ander mocht dan aan het mondstuk van den bombardon zuigen en zijn dorst lesschen. Het was wel niet smakelijk, want de man pruimde, maar het deed toch goed.Twee uur later zat de geheele compagnie bij de dubbele menage en de halve flesch wijn en Kees Kool hield een redevoeringwaarin hij het Oranjehuis elk jaar een mannelijken telg toewenschte. „Maar niet op denzelfden dag, want de oomes in Batavia … we weten er alles van.”[148]
PARADE.
„Oranje boven! De koningin is bevallen van een prins!”Onder luid hoera van „de Eerste” had Jan Kloet, de grappenmaker der compagnie, deze gewichtige woorden in de wachtkamer der manschappen geslingerd, waar de verschillende korporaalsafdeelingen onder toezicht harer sectie-commandanten ernstig bezig waren met wapens en uniformen in gereedheid te brengen voor de parade op den dag van morgen, ’s Konings verjaardag.„Hoort maar, ze schieten op de reede”, riep Jan opgewonden. Het werd doodstil in het vertrek. Allen spitsten de ooren. Werkelijk: boem-boem-boem! dreunde het dof van de kust herwaarts.„Waarachtig, het is een prins!” klonk het jubelend van alle kanten. Slechts één was er, die een bedrukt gezicht zette. Dat was de dikke, eeuwig hongerige Kees Kool. „Hoe jammer!” zuchttehij,„hoe jammer!”[138]„Wat is jammer?” vroeg hem een Oranjeman met dreigend gebaar.„Dat het niet een paar dagen vroeger of later gebeurd is. Je zult het zien, de Oomes in Batavia laten de verjaardagen van den koning en den kroonprins niet op twee achtereenvolgende dagen vieren, ze maken er één dag van.„Waar blijft dan onze dubbele menage? waar onze halve flesch wijn, de oorlam en het kwartje, dat we op ’s konings verjaardag krijgen?”„Bliksems, Kees heeft gelijk,” mompelden er een paar met lange gezichten.„Ja, ja,” ging hij intusschen voort „als de buikjes een armen soldaat wat kunnen aftroggelen, dan doen ze dat met het grootste plezier. De koning betaalt natuurlijk voor den kroonprins uit zijn eigen zak toch onze dubbele menage, den wijn, den oorlam en het kwartje en dat verdeelen de buikjes onder elkaar. Maar laten ze oppassen, dat onze leger-commandant het niet merkt! Dat is een haan, die er van kraaien zou. Ik heb een beetje verstand van politiek, want mijn neef, die ze verleden jaar in Atjeh zijn linkervlerk hebben stukgeschoten, is schrijver op de „weeskamer.” En als de schrijvers bij elkaar komen,jongens, jongens, dan hoor-je mooie geschiedenissen.„Mond houden!” riep nu de sectie-commandant: „Zie liever, dat je de soepvlekken uit je uniform[139]krijgt en hier—ratsch! vloog er een knoop van de kapotjas—naai je knoopen steviger vast, waarachter je dien dikken buik moet wegbergen. Als je morgenvroeg niet netjes op ’t appèl komt, ben je zoo „zuur als azijn.””Diepe stilte heerschte er na het scherpe sermoen.Weer ging de deur open. De korporaal „van de week” verscheen. Hij trad op de groep onderofficieren toe, die levendig gesticuleerend zich in allerlei gissingen omtrent ’s prinsen bestaan verdiepten en zeide op gedempten toon, maar nogtans luid genoeg om verstaan te worden door de ademloos toeluisterende manschappen: „Ik kom van het staf-bureau. De staf-fourier heeft een telegram van zijn collega in Batavia ontvangen: er is geen quaestie van een kroonprins! Een paar vreemde oorlogsschepen zijn gelijktijdig op de reede aangekomen en hebben zoo hard gebombardeerd.” „O.… o.o.o.o.o.o.. hoe jammer!” klonk het in het rond. Adjuus, dubbele menage, oorlam, wijn, kwartje twee dagen achtereen.Nog uren later werd er over den weggebleven kroonprins gemopperd en Jan Kloet, de vader van het gerucht, kreeg mildelijk ribbestooten voor de vervroegde geboorte-aankondiging.Inmiddels werd gepoetst, dat de zweetdroppels van de voorhoofden rolden, want morgen zouden ontelbare oogen er op uit zijn, mat-blinkende knoopen[140]aan de uniform en roestvlekken aan het geweer te ontdekken. Eerst zou de korporaal, dan de sergeant, daarna de luitenant, vervolgens de kapitein, ten slotte de majoor alles bekijken, en wie weet? misschien zou ook de „toewan besaar” te Buitenzorg zijn militaire been voorzetten en eveneens komen inspecteeren.Voor het garnizoen van Meester Cornelis, dat eerst een kleine wandeling van anderhalf uur moest maken, om het parade-veld op het Waterlooplein te Batavia te bereiken, was het uitzicht op een parade volstrekt niet aanlokkelijk, doch—zooals gezegd—de hoop op al de heerlijkheden, die keuken en kelder (!) op dezen dag zouden bieden, voorts het bewustzijn, dat duizenden kritische mannelijke en vrouwelijke blikken op hen rusten zouden en dan de liefde voor den ouden koning, die onze Indische generaals Verspijck en Van der Heyden zoo hoog in eere hield, oefende op ieder afzonderlijk een bezielenden invloed uit.Het donderend: „Er uit! Onder de wol uit!” der korporaals was ditmaal dan ook overtollig. Nauwelijks waren de laatste klanken der reveille weggestorven, of daar vlogen reeds dozijnen witte gestalten in het schemerlicht der petroleum-lampen door de slaapzaal. Alles stormde naar de kali, die weldra op een met zeepschuim gekroonde waschtobbe geleek, waaruit proestende hoofden te[141]voorschijn staken. Daarop ging het naar de keuken, waar de koelie de koffie uit den pruttelenden ketel schepte en de sergeant onder een hoeraatje de op koningsverjaardag’s met ham belegde broodjes verdeelde.Vijf minuten tijd, om de traktatie naar binnen te werken. Daarna werden weder de knoopvorken gezwaaid, de lemmetten der kapmessen blonken in de lucht, geweerkolven dreunden op den vloer.Als weer vijf minuten verloopen waren, weerklonk het langgerekte commando:„Aantreden!” en stommelend ging het de trap af. Zien kon men niet veel—het was pikdonker—maar hooren kon men iederen sectie-commandant.„Eerste sectie hier aantreden!” bulderde een zware stem.„Kerel, steek me je bajonet niet door het lijf!” dreunde de bas van den sergeant aan den linkervleugel.Nog een poos lang duurde het rumoer; eindelijk riep een heldere stem: „Geeft acht!” terstond gevolgd door een doodelijke stilte, die slechts verbroken werd door het geluid van eenige zware voetstappen en het kletteren van een sabel. De kapitein naderde en ontving het rapport uit de handen van den oudsten luitenant. Daarop trok hij de sabel, enkele commando’s weerklonken en met zwaar-dreunenden stap marcheerde „de Eerste” de poort door aan het hoofd van het bataljon.[142]Daar stonden reeds de élèves der militaire school in het gelid, die hun geleerde gezichten naar een venster gekeerd hielden, waaraan bij het licht van kaarsen het frissche kopje van onze mooie „majoorsche” zichtbaar was.In de verte weerklonken tromgeroffel en hoorngetoet. Het kwam nader en nader. Een donkere massa golfde bijna onhoorbaar naderbij. Het was de derde compagnie, louter Javanen, wier supérieuren juist bij een parade het gemis van schoenen bij hun ondergeschikten smartelijk gevoelen. Het oor wil zich toch ook verkwikken aan den zwaren paradestap, zooals het oog aan de zuiver rechte lijn der gestrekte voeten.Nu kwam de muziek.Ternauwernoodwas zij opgesteld, of de bataljons-commandant kwam zijn woning uit. Commando’s weerklonken en vereenigden zich met het gekletter der wapenen; de muziek speelde den parademarsch en onder die tonen reed de majoor langs het front. Maar zelden kreeg men den kleinen, dikken heer te aanschouwen; doch als hij verscheen en zijn oog over de colonnes liet gaan, dan schenen de lange rijen in breedte en hoogte te groeien. Met verdubbelde rotten ging het nu den grooten postweg naar Batavia op, waar tusschen het geboomte de woningen der officieren vriendelijk uitkeken en vrouwtjelief den kranigen echtgenoot kushandjes tot afscheid toewierp.[143]De natuur ontwaakte. In de twijgen der bosschages werd het levendig. De vogels piepten en krijschten. De wind ruischte zachtkens door de bladeren en schudde millioenen dauwdruppels naar omlaag. Daar brak de zon door, die roodgloeiend achter de woudreuzen was opgegaan en met haar stralen alles overstroomde. De punten der bajonetten schitterden alsof zij in purper waren gedoopt; zij wedijverden in vroolijken glans met de opgewekte gezichten der dragers. Een overvol gemoed gaf zich lucht in het heerlijke lied: „Wilhelmus van Nassouwen” en, kon men er ook zoo goed niet op marcheeren—het gezang plantte zich van compagnie tot compagnie voort—echt en goed gemeend was het toch.Bij het binnen-marcheeren van Kramat kon men bemerken, dat er iets „aan de hand” was; alle huizen waren gesloten en slechts enkeledos à dossnelden zoo vlug als de wind in één en dezelfde richting. Een eindweegs verder stiet men op groepen feestelijk uitgedoste Javanen en Chineezen; ook eenige „klipsteenen”, die zich de weelde van een „kar” niet konden veroorloven, bevonden zich onder hen.Van de „haute volée” was nog niets te bemerken. In sierlijken galop kwam nu een adjudant ons bataljon te gemoet; waarschijnlijk bracht hij beschikkingen, omtrent onze opstelling over, want[144]hij wees naar het Waterlooplein, welks boomreeksen ons, het welkom toewenkten. Onder de vroolijke tonen van den Lindenau-marsch zwenkten wij de allee in en marcheerden met krachtigen pas, langs het garnizoen van Weltevreden, naar onze stelling.Van daar uit hadden wij een prachtig gezicht over het geheele terrein. Tegenover ons stond de „Schutterij”, goed in rijen geschaarde in het wit gekleede „buikjes”, die, in zwarte sabelkoppels gesnoerd, op fraaie, vlekkelooze winkelprentjes geleken. Rechts reden ons de elegante equipages der suiker-baronnen en koffie-graven voorbij, waaruit vrouwenoogen fonkelende blikken wierpen, die in schittering wedijverden met de talrijke briljanten der eigenaressen. De afwisselende tooneelen deden hitte en dorst vergeten.Eensklaps rekten zich alle hoofden naar ééne richting; er liep iets als een huivering door de lange, blinkende rijen. In fieren galop kwam een ruiter over het groote plein aangesneld.Donderende commando’s ontwelden aan zijn mond en de bataljons stonden, of zij uit erts waren gehouwen.Omgeven door een schitterenden stoet officieren naderde nu een vergulde heer, die lang niet onverschillig was onder de wilde sprongen van zijn door de drukte schichtig geworden schimmel. Waarschijnlijk om niet Moeder Aarde te moeten[145]kussen, beval hij een knecht het dier vast te houden en verdeelde nu zijn aandacht tusschen het paard en de voor hem ’t geweer presenteerende troepen. Misschien dacht onder dezen menigeen: „Nu, die ziet er ook niet naar uit, of hij ’t onderscheid kan zien tusschen een knoop, die vastgenaaid en één die met een lucifer bevestigd is.”De gouverneur-generaal—want dat was de heer op den schimmel—was zeker blij dat hij weer rustig kon stilzitten en ons laten voorbijmarcheeren. Vol waardigheid zag hij op de colonnes der compagnie neer en glimlachte goedkeurend, zoo dikwijls de beenen der manschappen als uit een kanon geschoten zijn schimmel op eenigen afstand langs den neus vlogen.Een heerlijke aanblik was het, toen artillerie encavalerieop hun kleine, flinke paarden als een wervelwind over het paradeveld stoven. De schimmel had gaarne, zonder verlof van zijn heer, meegerend, maar een adjudant naast het dier liet het niet toe.Men moet eerlijk erkennen; een parade, die niet door een militair wordt geïnspecteerd, mist haar doel. Officieren en soldaten verlangen waardeering der afgelegde proeven. En zoo hun die ook in ruime mate wordt geschonken, zij verschaft hun niet de gewenschte voldoening, want zij is niet die van een deskundige; ze blijft een nietszeggend compliment.[146]De soldaat is er toch steeds op uit, om van elke situatie de belachelijke zijde op te merken en als dit ten koste van den hoogstgeplaatsten persoon des lands geschiedt, dan lijdt diens prestige daardoor.Er werden dan ook veel „moppen getapt”, toen na afloop der parade het bataljon zich door het stof, dat een voet hoog den weg bedekte, weder naar het garnizoen van Meester Cornelis voortbewoog. Verzengend schoten thans de zonnestralen op de witgepoederde soldaten neer, die elkander de beloofde heerlijkheden uit den kelder (?) voorspiegelden, om zoodoende den dorst nog te vergrooten.„Nog maar een halfuurtje stevig doormarcheeren en dan zijn we er”, hoorde men allerwege.Het zou niet eens zoo lang duren. Met de snelheid van den wind trokken achter ons dichte wolkenmassa’s op. Het opgejaagde stof herschiep ons in wandelende molenaars, die door onheilspellend rollende donderslagen letterlijk tot den looppas werden aangezet. Het mocht niet baten; met een onweer in Indië kan men niet om het hardst loopen. Binnen weinige minuten stroomde ons het water uit de schoenkappen.Voor de eerste sectie had het onweer ten minste nog een nuttige zijde. De bombardonist die voor haar uit marcheerde, hield namelijk de windpijp[147]van zijn instrument uitdagend ten hemel en verzamelde het stroomende nat. De een na den ander mocht dan aan het mondstuk van den bombardon zuigen en zijn dorst lesschen. Het was wel niet smakelijk, want de man pruimde, maar het deed toch goed.Twee uur later zat de geheele compagnie bij de dubbele menage en de halve flesch wijn en Kees Kool hield een redevoeringwaarin hij het Oranjehuis elk jaar een mannelijken telg toewenschte. „Maar niet op denzelfden dag, want de oomes in Batavia … we weten er alles van.”[148]
„Oranje boven! De koningin is bevallen van een prins!”Onder luid hoera van „de Eerste” had Jan Kloet, de grappenmaker der compagnie, deze gewichtige woorden in de wachtkamer der manschappen geslingerd, waar de verschillende korporaalsafdeelingen onder toezicht harer sectie-commandanten ernstig bezig waren met wapens en uniformen in gereedheid te brengen voor de parade op den dag van morgen, ’s Konings verjaardag.
„Hoort maar, ze schieten op de reede”, riep Jan opgewonden. Het werd doodstil in het vertrek. Allen spitsten de ooren. Werkelijk: boem-boem-boem! dreunde het dof van de kust herwaarts.
„Waarachtig, het is een prins!” klonk het jubelend van alle kanten. Slechts één was er, die een bedrukt gezicht zette. Dat was de dikke, eeuwig hongerige Kees Kool. „Hoe jammer!” zuchttehij,„hoe jammer!”[138]
„Wat is jammer?” vroeg hem een Oranjeman met dreigend gebaar.
„Dat het niet een paar dagen vroeger of later gebeurd is. Je zult het zien, de Oomes in Batavia laten de verjaardagen van den koning en den kroonprins niet op twee achtereenvolgende dagen vieren, ze maken er één dag van.
„Waar blijft dan onze dubbele menage? waar onze halve flesch wijn, de oorlam en het kwartje, dat we op ’s konings verjaardag krijgen?”
„Bliksems, Kees heeft gelijk,” mompelden er een paar met lange gezichten.
„Ja, ja,” ging hij intusschen voort „als de buikjes een armen soldaat wat kunnen aftroggelen, dan doen ze dat met het grootste plezier. De koning betaalt natuurlijk voor den kroonprins uit zijn eigen zak toch onze dubbele menage, den wijn, den oorlam en het kwartje en dat verdeelen de buikjes onder elkaar. Maar laten ze oppassen, dat onze leger-commandant het niet merkt! Dat is een haan, die er van kraaien zou. Ik heb een beetje verstand van politiek, want mijn neef, die ze verleden jaar in Atjeh zijn linkervlerk hebben stukgeschoten, is schrijver op de „weeskamer.” En als de schrijvers bij elkaar komen,jongens, jongens, dan hoor-je mooie geschiedenissen.
„Mond houden!” riep nu de sectie-commandant: „Zie liever, dat je de soepvlekken uit je uniform[139]krijgt en hier—ratsch! vloog er een knoop van de kapotjas—naai je knoopen steviger vast, waarachter je dien dikken buik moet wegbergen. Als je morgenvroeg niet netjes op ’t appèl komt, ben je zoo „zuur als azijn.””
Diepe stilte heerschte er na het scherpe sermoen.
Weer ging de deur open. De korporaal „van de week” verscheen. Hij trad op de groep onderofficieren toe, die levendig gesticuleerend zich in allerlei gissingen omtrent ’s prinsen bestaan verdiepten en zeide op gedempten toon, maar nogtans luid genoeg om verstaan te worden door de ademloos toeluisterende manschappen: „Ik kom van het staf-bureau. De staf-fourier heeft een telegram van zijn collega in Batavia ontvangen: er is geen quaestie van een kroonprins! Een paar vreemde oorlogsschepen zijn gelijktijdig op de reede aangekomen en hebben zoo hard gebombardeerd.” „O.… o.o.o.o.o.o.. hoe jammer!” klonk het in het rond. Adjuus, dubbele menage, oorlam, wijn, kwartje twee dagen achtereen.
Nog uren later werd er over den weggebleven kroonprins gemopperd en Jan Kloet, de vader van het gerucht, kreeg mildelijk ribbestooten voor de vervroegde geboorte-aankondiging.
Inmiddels werd gepoetst, dat de zweetdroppels van de voorhoofden rolden, want morgen zouden ontelbare oogen er op uit zijn, mat-blinkende knoopen[140]aan de uniform en roestvlekken aan het geweer te ontdekken. Eerst zou de korporaal, dan de sergeant, daarna de luitenant, vervolgens de kapitein, ten slotte de majoor alles bekijken, en wie weet? misschien zou ook de „toewan besaar” te Buitenzorg zijn militaire been voorzetten en eveneens komen inspecteeren.
Voor het garnizoen van Meester Cornelis, dat eerst een kleine wandeling van anderhalf uur moest maken, om het parade-veld op het Waterlooplein te Batavia te bereiken, was het uitzicht op een parade volstrekt niet aanlokkelijk, doch—zooals gezegd—de hoop op al de heerlijkheden, die keuken en kelder (!) op dezen dag zouden bieden, voorts het bewustzijn, dat duizenden kritische mannelijke en vrouwelijke blikken op hen rusten zouden en dan de liefde voor den ouden koning, die onze Indische generaals Verspijck en Van der Heyden zoo hoog in eere hield, oefende op ieder afzonderlijk een bezielenden invloed uit.
Het donderend: „Er uit! Onder de wol uit!” der korporaals was ditmaal dan ook overtollig. Nauwelijks waren de laatste klanken der reveille weggestorven, of daar vlogen reeds dozijnen witte gestalten in het schemerlicht der petroleum-lampen door de slaapzaal. Alles stormde naar de kali, die weldra op een met zeepschuim gekroonde waschtobbe geleek, waaruit proestende hoofden te[141]voorschijn staken. Daarop ging het naar de keuken, waar de koelie de koffie uit den pruttelenden ketel schepte en de sergeant onder een hoeraatje de op koningsverjaardag’s met ham belegde broodjes verdeelde.
Vijf minuten tijd, om de traktatie naar binnen te werken. Daarna werden weder de knoopvorken gezwaaid, de lemmetten der kapmessen blonken in de lucht, geweerkolven dreunden op den vloer.
Als weer vijf minuten verloopen waren, weerklonk het langgerekte commando:„Aantreden!” en stommelend ging het de trap af. Zien kon men niet veel—het was pikdonker—maar hooren kon men iederen sectie-commandant.
„Eerste sectie hier aantreden!” bulderde een zware stem.„Kerel, steek me je bajonet niet door het lijf!” dreunde de bas van den sergeant aan den linkervleugel.
Nog een poos lang duurde het rumoer; eindelijk riep een heldere stem: „Geeft acht!” terstond gevolgd door een doodelijke stilte, die slechts verbroken werd door het geluid van eenige zware voetstappen en het kletteren van een sabel. De kapitein naderde en ontving het rapport uit de handen van den oudsten luitenant. Daarop trok hij de sabel, enkele commando’s weerklonken en met zwaar-dreunenden stap marcheerde „de Eerste” de poort door aan het hoofd van het bataljon.[142]Daar stonden reeds de élèves der militaire school in het gelid, die hun geleerde gezichten naar een venster gekeerd hielden, waaraan bij het licht van kaarsen het frissche kopje van onze mooie „majoorsche” zichtbaar was.
In de verte weerklonken tromgeroffel en hoorngetoet. Het kwam nader en nader. Een donkere massa golfde bijna onhoorbaar naderbij. Het was de derde compagnie, louter Javanen, wier supérieuren juist bij een parade het gemis van schoenen bij hun ondergeschikten smartelijk gevoelen. Het oor wil zich toch ook verkwikken aan den zwaren paradestap, zooals het oog aan de zuiver rechte lijn der gestrekte voeten.
Nu kwam de muziek.Ternauwernoodwas zij opgesteld, of de bataljons-commandant kwam zijn woning uit. Commando’s weerklonken en vereenigden zich met het gekletter der wapenen; de muziek speelde den parademarsch en onder die tonen reed de majoor langs het front. Maar zelden kreeg men den kleinen, dikken heer te aanschouwen; doch als hij verscheen en zijn oog over de colonnes liet gaan, dan schenen de lange rijen in breedte en hoogte te groeien. Met verdubbelde rotten ging het nu den grooten postweg naar Batavia op, waar tusschen het geboomte de woningen der officieren vriendelijk uitkeken en vrouwtjelief den kranigen echtgenoot kushandjes tot afscheid toewierp.[143]
De natuur ontwaakte. In de twijgen der bosschages werd het levendig. De vogels piepten en krijschten. De wind ruischte zachtkens door de bladeren en schudde millioenen dauwdruppels naar omlaag. Daar brak de zon door, die roodgloeiend achter de woudreuzen was opgegaan en met haar stralen alles overstroomde. De punten der bajonetten schitterden alsof zij in purper waren gedoopt; zij wedijverden in vroolijken glans met de opgewekte gezichten der dragers. Een overvol gemoed gaf zich lucht in het heerlijke lied: „Wilhelmus van Nassouwen” en, kon men er ook zoo goed niet op marcheeren—het gezang plantte zich van compagnie tot compagnie voort—echt en goed gemeend was het toch.
Bij het binnen-marcheeren van Kramat kon men bemerken, dat er iets „aan de hand” was; alle huizen waren gesloten en slechts enkeledos à dossnelden zoo vlug als de wind in één en dezelfde richting. Een eindweegs verder stiet men op groepen feestelijk uitgedoste Javanen en Chineezen; ook eenige „klipsteenen”, die zich de weelde van een „kar” niet konden veroorloven, bevonden zich onder hen.
Van de „haute volée” was nog niets te bemerken. In sierlijken galop kwam nu een adjudant ons bataljon te gemoet; waarschijnlijk bracht hij beschikkingen, omtrent onze opstelling over, want[144]hij wees naar het Waterlooplein, welks boomreeksen ons, het welkom toewenkten. Onder de vroolijke tonen van den Lindenau-marsch zwenkten wij de allee in en marcheerden met krachtigen pas, langs het garnizoen van Weltevreden, naar onze stelling.
Van daar uit hadden wij een prachtig gezicht over het geheele terrein. Tegenover ons stond de „Schutterij”, goed in rijen geschaarde in het wit gekleede „buikjes”, die, in zwarte sabelkoppels gesnoerd, op fraaie, vlekkelooze winkelprentjes geleken. Rechts reden ons de elegante equipages der suiker-baronnen en koffie-graven voorbij, waaruit vrouwenoogen fonkelende blikken wierpen, die in schittering wedijverden met de talrijke briljanten der eigenaressen. De afwisselende tooneelen deden hitte en dorst vergeten.
Eensklaps rekten zich alle hoofden naar ééne richting; er liep iets als een huivering door de lange, blinkende rijen. In fieren galop kwam een ruiter over het groote plein aangesneld.
Donderende commando’s ontwelden aan zijn mond en de bataljons stonden, of zij uit erts waren gehouwen.
Omgeven door een schitterenden stoet officieren naderde nu een vergulde heer, die lang niet onverschillig was onder de wilde sprongen van zijn door de drukte schichtig geworden schimmel. Waarschijnlijk om niet Moeder Aarde te moeten[145]kussen, beval hij een knecht het dier vast te houden en verdeelde nu zijn aandacht tusschen het paard en de voor hem ’t geweer presenteerende troepen. Misschien dacht onder dezen menigeen: „Nu, die ziet er ook niet naar uit, of hij ’t onderscheid kan zien tusschen een knoop, die vastgenaaid en één die met een lucifer bevestigd is.”
De gouverneur-generaal—want dat was de heer op den schimmel—was zeker blij dat hij weer rustig kon stilzitten en ons laten voorbijmarcheeren. Vol waardigheid zag hij op de colonnes der compagnie neer en glimlachte goedkeurend, zoo dikwijls de beenen der manschappen als uit een kanon geschoten zijn schimmel op eenigen afstand langs den neus vlogen.
Een heerlijke aanblik was het, toen artillerie encavalerieop hun kleine, flinke paarden als een wervelwind over het paradeveld stoven. De schimmel had gaarne, zonder verlof van zijn heer, meegerend, maar een adjudant naast het dier liet het niet toe.
Men moet eerlijk erkennen; een parade, die niet door een militair wordt geïnspecteerd, mist haar doel. Officieren en soldaten verlangen waardeering der afgelegde proeven. En zoo hun die ook in ruime mate wordt geschonken, zij verschaft hun niet de gewenschte voldoening, want zij is niet die van een deskundige; ze blijft een nietszeggend compliment.[146]De soldaat is er toch steeds op uit, om van elke situatie de belachelijke zijde op te merken en als dit ten koste van den hoogstgeplaatsten persoon des lands geschiedt, dan lijdt diens prestige daardoor.
Er werden dan ook veel „moppen getapt”, toen na afloop der parade het bataljon zich door het stof, dat een voet hoog den weg bedekte, weder naar het garnizoen van Meester Cornelis voortbewoog. Verzengend schoten thans de zonnestralen op de witgepoederde soldaten neer, die elkander de beloofde heerlijkheden uit den kelder (?) voorspiegelden, om zoodoende den dorst nog te vergrooten.
„Nog maar een halfuurtje stevig doormarcheeren en dan zijn we er”, hoorde men allerwege.
Het zou niet eens zoo lang duren. Met de snelheid van den wind trokken achter ons dichte wolkenmassa’s op. Het opgejaagde stof herschiep ons in wandelende molenaars, die door onheilspellend rollende donderslagen letterlijk tot den looppas werden aangezet. Het mocht niet baten; met een onweer in Indië kan men niet om het hardst loopen. Binnen weinige minuten stroomde ons het water uit de schoenkappen.
Voor de eerste sectie had het onweer ten minste nog een nuttige zijde. De bombardonist die voor haar uit marcheerde, hield namelijk de windpijp[147]van zijn instrument uitdagend ten hemel en verzamelde het stroomende nat. De een na den ander mocht dan aan het mondstuk van den bombardon zuigen en zijn dorst lesschen. Het was wel niet smakelijk, want de man pruimde, maar het deed toch goed.
Twee uur later zat de geheele compagnie bij de dubbele menage en de halve flesch wijn en Kees Kool hield een redevoeringwaarin hij het Oranjehuis elk jaar een mannelijken telg toewenschte. „Maar niet op denzelfden dag, want de oomes in Batavia … we weten er alles van.”[148]