ZINGENDE SOLDATEN.

[Inhoud]ZINGENDE SOLDATEN.Een oom van mij, die zich reeds op zijn twintigste levensjaar in zulk een lichaamsomvang verheugde, dat ’s konings rok hem te klein was, verklaarde mij dikwerf hoofdschuddende: „Ik begrijp niet, hoe het mogelijk is, dat soldaten met den ransel op den rug, het geweer op den nek en een massa patronen voor den buik, bij een hitte van tachtig graden op den stoffigen straatweg zingen kunnen.” Deze zienswijze was den goeden man niet kwalijk te nemen. Het ging hem juist als vele Hollandsche staatsburgers, die nog nooit het schoone lied hebben medegezongen: „O, welk een lust soldaat te zijn!” maar zich voor een paar honderd gulden iemand koopen, die voor hen dezen lust botviert. Hij weet niet, dat het een zeer slecht[126]teeken is, als een kolonne stil haars weegs gaat; als de manschappen met slependen tred en hangende hoofden achter elkander aanstrompelen. Dan duurt het niet lang meer, of de een na den ander zakt aan den kant van den weg ineen, bleek als een doode, bezwijkende van vermoeienis. Welk een verschil tusschen zulk een troep en één uit welks rijen, van de eerste sectie tot de laatste, de melodieën van bekende marschliederen weerklinken. Als op de parade, zoo gelijk gaan de beenen op en neder; het is of de geheele kolonne marcheert als één man, en trotsch schrijdt zij voorwaarts. Geleden zijn honger en dorst, verdwenen is alle vermoeidheid. De officieren weten dat wel. Zij wekken hun manschappen tot zingen op en stoppen ook de ooren niet dicht, als er zoo nu en dan een lied onder doorloopt, waarvan het refrein een keukenprinses misschien zou doen blozen. Het kan zelfs voorkomen, dat de gestrenge heer kapitein in eigen persoon aan den koorzang deelneemt en enkele klanken uit zijn keel laat opwellen, die van de gebruikelijke commando’s ten eenenmale afwijken. Deze eer viel der eerste compagnie van het1edepot-bataljon in Meester-Cornelis herhaaldelijk te beurt, want haar kapitein was een zeer muzikaal man, van wien zelfs het gerucht liep, dat hij in zijn ledige uren viool speelde. Was het bataljon uitgerukt tot het maken eener militaire wandeling en weergalmde zoo om[127]en bij de „Berenlaan” het commando: „uit den pas”, dan kon men onzen kapitein ook weldra hooren roepen: „Komaan, jongens, doet nu eens flink den mond open,” en daarop hief de geheele „eerste” het bekendePiet Heinaan, dat het een lust was om te hooren. Was hetPiet-Hein-lied uitgezongen, dan volgdeDie Wacht am Rheinen daarna deMarseillaiseof eerst deMarseillaiseen danDie Wacht am Rhein, al naarmate het grootste gedeelte met de eene of andere hymne instemde. Bij dergelijke gelegenheden verbaasde ik mij steeds over het gebrek aan Hollandsche soldatenliederen in het Indische leger.Piet Heinwas vrij wel het eenige lied, op welks kranige, rythmische melodie men goed kon marcheeren. De overige liederen waren grootendeels van draaiorgels afgeluisterd en van alles behalve geestige teksten voorzien, als: „Ik zal het zeggen aan je moeder,” of „Hou jij van soep met balletjes?” enz. Waarschijnlijk ook lachte daarom de kapitein zoo welwillend, toen ik hem, bij gelegenheid van het compagniesrapport, om de vergunning verzocht, een zangvereeniging te mogen oprichten. Toevallig was mij een Duitsch liederenboek voor vierstemmigen mannenzang in handen gekomen en daarop had ik mijn plan gebouwd. De kapitein gaf zijn toestemming. Hij scheen het niet meer dan natuurlijk te vinden, dat een sergeant, die dagelijks vijf[128]uur geëxerceerd, twee uur theoretisch onderwijs gegeven en nog weder vijf uur als „sergeant van de week” in de kazerne rondgegaloppeerd heeft, behoefte had aan eenige uitspanning.Intusschen was deze uitspanning wel van ietwat twijfelachtig gehalte, want het kwam er hier op aan bij een hitte van 70° negen Duitschers en drie Hollanders in de geheimen der edele toonkunst in te wijden. Als kunsttempel fungeerde de eetzaal der onderofficieren. Dat was een groot euvel, want de etenslucht, die was blijven hangen, bewerkte steeds, dat de zangers binnen het eerste halfuur het water in den mond kregen en dat kon men den menschen niet kwalijk nemen; immers zij hadden honger. Bij het eerste bataljon is namelijk de etenstijd zoo vastgesteld, dat het laatste maal des middags omstreeks half vier verstrekt wordt. Na dien tijd krijgen de manschappen niets meer voor des anderen daags 5 uur in den morgen, wanneer zich de jeukende maag aan koffie met brood mag te goed doen. In dien tusschentijd moet er echter nog twee uren dapper geëxerceerd worden. De honger is dus volkomen gerechtvaardigd. Ik kon den menschen evenwel niets anders aanbieden dan de noten bij het lied van Abt:Die Abendglocken klingen. Ze slikten die dan ook met het grootste genoegen, doch werden er niet dik van. Bij het instudeeren bediende ik mij van een guitaar, die onder de tropische[129]hitte reeds danig had geleden. De gelijmde klankbodem was losgegaan en had met de spijkertjes van een sigarenkistje weer bevestigd moeten worden, door welke bewerking de toon van het instrument nu juist niet aan welluidendheid had gewonnen. Ook waren twee snaren onder den tand des tijds bezweken en moest ik met de grootste behendigheid op de bassnaar manoeuvreeren, om daaraan de vereischte melodie te ontlokken. Deze klonk dan ook zeer erbarmelijk en herinnerde in niets aan de bekende „Abendglocken”.Niettemin scheen zij een bijzonderen indruk te maken op de toeluisterende Javaantjes. Waar sinds de eerste repetities een stuk of wat van die kereltjes bijeenstonden of -zaten, daar hoorde men hen neuriën: „Abenlokkenlingen, Abenlokkenlingen.” In de slaapzaal, bij het baden, zelfs in de keuken bromde de Javaansche koelie: „Abenlokkenlingen.” Wat hielp het, of ik den kerels al toebulderde: „Houdt den mond!” Geheel in gedachten neurieden zij een minuut later weder „Abenlokkenlingen.”Maar dit concert zou ten slotte nog zijn te verdragen geweest, echter niet dat mijner scholieren, die in den eersten tijd de vastgewortelde overtuiging niet prijs wilden geven, dat het lied unisono gezongen moest worden. Mocht het al zijn, dat[130]ik de tweede tenoren of bassen zoo ver had gekregen, dat zij, ieder afzonderlijk, hun melodie vlekkeloos konden voordragen, nauwelijks zongen zij te zamen, of het tonengebouw lag weder in puin. Zegepralend schetterde dan de geheele schaar eenstemmig: „Die Abendglocken klingen.” Toen ik na wekenlangen strijd toch eindelijk in het slechte gehoor mijner leerlingen bres had geschoten en mijn begrip van vierstemmig gezang tot hen was doorgedrongen, overkwam mij het ongeluk, dat een mijner eerste tenoren ziek werd en in het hospitaal moest worden opgenomen. Wilde ik de schitterende uitkomst mijner volharding nu niet weer verloren zien gaan, dan moest ik onvoorwaardelijk zelf inspringen, want er viel niet aan te denken, de opengevallen plaats door een ander te doen innemen. Nu zal mij ieder maar eenigszins muzikaal ontwikkeld mensch toegeven, dat het iemand, die zoo half en half reeds als bas in de wereld is gekomen, wiens stem in den loop der jaren zich voortdurend meer in de laagte heeft uitgezet en die ten gevolge van zijn functie als sergeant zedelijk verplicht is zijn keel, bij het omscheppen van gewone stervelingen in soldaten, dagelijks buitengemeen in te spannen,—dat het zoo iemand, zeg ik, uiterst zwaar moet vallen zijn stem eenige octaven hooger te schroeven. Doch is een Indischsergeantniet tot alles in staat, als[131]hij door ’t noodlot gesard wordt? Spoedig tot een besluit gekomen, sloot ik mij in mijn kamer op en traineerde mijn stem in de hoogste falset. Kon ik het helpen, dat de schoonste tonen altijd oversloegen en af en toe een geluid werd voortgebracht, dat precies op dat van een hond geleek, dien men op den staart trapt? Mijn Javaantjes waren aanvankelijk geheel in de war over mijn gewaagde strottenhoofdexercitiën en meer dan eens hoorde ik hen achter mijn rug mompelen: „Kassian! sergeant pandjang sakit proet.” (De lange sergeant heeft buikpijn). Ik vervolgde onversaagd mijn glibberige loopbaan als tenor en bereikte eindelijk het stadium, dat ik het wagen kon mij te laten hooren. Voorzichtigheidshalve stemde ik evenwel bij voorbaat mijn guitaar nog drie tonen lager. Dit verschil scheen zelfs mijn tweede-bassen—terloops gezegd de domsten mijner leerlingen—op te vallen, want één hunner veroorloofde zich de opmerking, dat de „Abendglocken” veel lager gestemd waren dan vroeger. Maar daar diende ik hem op! „Weet je iets van de harmonieleer en het contrapunt af?” vroeg ik hem. En toen hij daarop „neen” antwoordde, snauwde ik hem toe: „Houd dan je mond!”Nu wist ik wel is waar zelf niets van de geheimenissen dezer zuilen der toonkunst en had een sterk vermoeden, dat ook de „Abendglocken”[132]er geheel vreemd aan waren, doch men mag, om der wille van de discipline, bij een soldaat nooit het denkbeeld doen opkomen, dat er iets ter wereld bestaat of bestaan kan, waarvan de sergeant—en vooral de Indische sergeant—geen kennis draagt. Maar helaas, ik kon er mijn bassen niet toe krijgen, drie tonen lager te zingen. Zij vertrokken den mond wel op alle mogelijke manieren en zetten daarbij de jammerlijkste gezichten, doch de tonen, die zij zoodoende voortbrachten, waren werkelijk onbruikbaar. Ten slotte maakten zij strike, dat wil zeggen, zij hielden den mond. Daarin had zelfs de strengste kapitein geen grond kunnen vinden om de kerels in „Zijner Majesteits snuifdoos” te stoppen; zij konden toch even zoo min lager komen, als het mij mogelijk was om hooger toon te bereiken. Wij luidden derhalve een tijd lang de „Abendglocken” niet meer, tot groot leedwezen mijner Javaantjes, maar legden ons op marschliederen toe, totdat mijn tenor behoorlijk rijp zou zijn. De kapitein keek zielsvergenoegd, toen wij ons bij den eerstvolgenden „militairen marsch” aan het hoofd der compagnie stelden en het eene lied na het andere aanhieven, met welks slotrefrein dan steeds de geheele compagnie instemde.Het best beviel hem de marsch:[133]„Wenn die Soldaten durch die Stadt marschiren,Oeffnen die Mädchen Fenster und Thüren,Nur weg’n dem Bum Vallera, Bum Vallera, Bum Vallera,Nur weg’n dem Bum Vallera, Bum Vallera, Bum!”Dat „Bum Vallera” heeft mij menige sigaar van hem opgebracht en zeker ook mij menigen dag kamerarrest genadiglijk bespaard. Na eenige weken was het met mijn tenor eindelijk in orde.Het was hoog tijd, want St. Nicolaas stond voor de deur en wij hadden van den kapitein de opdracht gekregen, in de officieren-sociëteit, ter gelegenheid van het kinderfeest, eenige passende liederen te zingen. Als eerste nummer op het programma prijkte hetWien Neerlandsch bloed. Later werd beweerd: men had van den tekst geen woord verstaan, wij hadden even zoo goed „Sauerkraut mit Leberwurst” kunnen zingen; doch dat zal wel vuige laster geweest zijn. Het tweede lied heette:O du fröhliche Weihnachtszeit, en het slot vormdenDie Abendglocken.Ik beefde aan handen en knieën, toen ik met mijn schaar het podium betrad en een heimelijken blik op het publiek wierp. Daar, geheel vooraan, in de eerste rij, zat de bataljonscommandant, wiens gestreng voorkomen scheen uit te drukken: „Kerel, voor elke noot, die je valsch laat zingen, krijg je een dag kamerarrest.” Daar achter, naast een pilaar, stond mijn kapitein met dreigend opgeheven[134]vinger, schijnbaar om mij moed (?) in te spreken, en naast mij in de coulisse verscheen mijn peletonscommandant, die mij toefluisterde: „Sergeant, je hebt immers geen dirigeerstok.” Gerechte hemel, daar had ik in ’t geheel niet aan gedacht! Gewoonlijk had ik daarvoor mijn wijsvinger gebruikt en, wanneer ik wat in vuur kwam, mijn guitaar. „Luitenant, zou u zoo goed willen zijn, mij uw potlood te leenen?” smeekte ik, en hij was zoo menschlievend, mijn verzoek in te willigen. Nu kon het beginnen. Ik draaide mij met knikkende knieën naar het publiek. Daarbij gevoelde ik mij zoo ellendig, dat ik onder het maken van mijn buiging bijna van het podium naar beneden in den schoot van mevrouw de majoorsche zou gevallen zijn; maar, God zij dank, brachten mij de glimlachende damesgezichten weder in evenwicht. Nu verhief ik het potlood, telde een, twee, drie, en zette mijn tenor in beweging. HetWien Neerlandsch bloedliep uitstekend van stapel, ofschoon niet zonder dat „von der Stirne heiss” mij „der Schweiss” droop. Luide toejuichingen waren het loon voor den moeitevollen arbeid. Alleen de bataljonsadjudant moest weer eens een aanmerking maken. „Je moet bij het dirigeeren den arm meer zwaaien, niet zoo gebogen staan en het hoofd niet zoo voorover laten hangen,” zeide hij. De goede man begreep blijkbaar niet, welk een[135]reuzenarbeid op mijn schouders drukte. Een tenorpartij zingen, voor twaalf man angst uitstaan en daarbij nog de maat aangeven, dat scheen hem zeker maar een kleinigheid. Ik zou er ook nog den arm bij moeten zwaaien! Om dat alles te doen en bovendien het hoofd omhoog en de schouders naar achter te houden, zou men de legercommandant in hoogst eigen persoon moeten wezen. Dien kan niemand het lastig maken, als zijn stem overslaat, doch een sergeant kan men het wel doen. Natuurlijk hoedde ik er mij voor, den adjudant mijn gedachten bloot te leggen, maar beloofde beterschap. De beide andere nummers werden eveneens schitterend uitgevoerd; vooral de „Abendglocken”, waarbij mijn tenor in smeltende klanken over de golvende tonenzee heenzeilde, oogstte daverenden bijval. Zelfs de dikke bataljonscommandant—van wiens muzikaliteit men verhaalde dat hij alleen met militaire signalen ophad en van deze het meest met het signaal voor het middageten: „Ketels in de keuken! Kamerwacht geef acht!”—zelfs hij knikte goedkeurend! De beste waardeering voor hetgeen ik gepresteerd had, vond ik evenwel in mijn kamer, werwaarts ik eenigen tijd later terugkeerde, en wel in den vorm van een flesch rooden wijn en een kistje sigaren. Ik vermoedde, dat deze goede gaven van den kapitein afkomstig waren. Intusschen brak ik mij het hoofd daar niet[136]lang mee, maar ledigde de flesch tot op den bodem. Daarop kroop ik onder de wol. Mijn Javaantjes zongen mij een slaaplied. Het luidde: „Abenlokkenlingen”.[137]

[Inhoud]ZINGENDE SOLDATEN.Een oom van mij, die zich reeds op zijn twintigste levensjaar in zulk een lichaamsomvang verheugde, dat ’s konings rok hem te klein was, verklaarde mij dikwerf hoofdschuddende: „Ik begrijp niet, hoe het mogelijk is, dat soldaten met den ransel op den rug, het geweer op den nek en een massa patronen voor den buik, bij een hitte van tachtig graden op den stoffigen straatweg zingen kunnen.” Deze zienswijze was den goeden man niet kwalijk te nemen. Het ging hem juist als vele Hollandsche staatsburgers, die nog nooit het schoone lied hebben medegezongen: „O, welk een lust soldaat te zijn!” maar zich voor een paar honderd gulden iemand koopen, die voor hen dezen lust botviert. Hij weet niet, dat het een zeer slecht[126]teeken is, als een kolonne stil haars weegs gaat; als de manschappen met slependen tred en hangende hoofden achter elkander aanstrompelen. Dan duurt het niet lang meer, of de een na den ander zakt aan den kant van den weg ineen, bleek als een doode, bezwijkende van vermoeienis. Welk een verschil tusschen zulk een troep en één uit welks rijen, van de eerste sectie tot de laatste, de melodieën van bekende marschliederen weerklinken. Als op de parade, zoo gelijk gaan de beenen op en neder; het is of de geheele kolonne marcheert als één man, en trotsch schrijdt zij voorwaarts. Geleden zijn honger en dorst, verdwenen is alle vermoeidheid. De officieren weten dat wel. Zij wekken hun manschappen tot zingen op en stoppen ook de ooren niet dicht, als er zoo nu en dan een lied onder doorloopt, waarvan het refrein een keukenprinses misschien zou doen blozen. Het kan zelfs voorkomen, dat de gestrenge heer kapitein in eigen persoon aan den koorzang deelneemt en enkele klanken uit zijn keel laat opwellen, die van de gebruikelijke commando’s ten eenenmale afwijken. Deze eer viel der eerste compagnie van het1edepot-bataljon in Meester-Cornelis herhaaldelijk te beurt, want haar kapitein was een zeer muzikaal man, van wien zelfs het gerucht liep, dat hij in zijn ledige uren viool speelde. Was het bataljon uitgerukt tot het maken eener militaire wandeling en weergalmde zoo om[127]en bij de „Berenlaan” het commando: „uit den pas”, dan kon men onzen kapitein ook weldra hooren roepen: „Komaan, jongens, doet nu eens flink den mond open,” en daarop hief de geheele „eerste” het bekendePiet Heinaan, dat het een lust was om te hooren. Was hetPiet-Hein-lied uitgezongen, dan volgdeDie Wacht am Rheinen daarna deMarseillaiseof eerst deMarseillaiseen danDie Wacht am Rhein, al naarmate het grootste gedeelte met de eene of andere hymne instemde. Bij dergelijke gelegenheden verbaasde ik mij steeds over het gebrek aan Hollandsche soldatenliederen in het Indische leger.Piet Heinwas vrij wel het eenige lied, op welks kranige, rythmische melodie men goed kon marcheeren. De overige liederen waren grootendeels van draaiorgels afgeluisterd en van alles behalve geestige teksten voorzien, als: „Ik zal het zeggen aan je moeder,” of „Hou jij van soep met balletjes?” enz. Waarschijnlijk ook lachte daarom de kapitein zoo welwillend, toen ik hem, bij gelegenheid van het compagniesrapport, om de vergunning verzocht, een zangvereeniging te mogen oprichten. Toevallig was mij een Duitsch liederenboek voor vierstemmigen mannenzang in handen gekomen en daarop had ik mijn plan gebouwd. De kapitein gaf zijn toestemming. Hij scheen het niet meer dan natuurlijk te vinden, dat een sergeant, die dagelijks vijf[128]uur geëxerceerd, twee uur theoretisch onderwijs gegeven en nog weder vijf uur als „sergeant van de week” in de kazerne rondgegaloppeerd heeft, behoefte had aan eenige uitspanning.Intusschen was deze uitspanning wel van ietwat twijfelachtig gehalte, want het kwam er hier op aan bij een hitte van 70° negen Duitschers en drie Hollanders in de geheimen der edele toonkunst in te wijden. Als kunsttempel fungeerde de eetzaal der onderofficieren. Dat was een groot euvel, want de etenslucht, die was blijven hangen, bewerkte steeds, dat de zangers binnen het eerste halfuur het water in den mond kregen en dat kon men den menschen niet kwalijk nemen; immers zij hadden honger. Bij het eerste bataljon is namelijk de etenstijd zoo vastgesteld, dat het laatste maal des middags omstreeks half vier verstrekt wordt. Na dien tijd krijgen de manschappen niets meer voor des anderen daags 5 uur in den morgen, wanneer zich de jeukende maag aan koffie met brood mag te goed doen. In dien tusschentijd moet er echter nog twee uren dapper geëxerceerd worden. De honger is dus volkomen gerechtvaardigd. Ik kon den menschen evenwel niets anders aanbieden dan de noten bij het lied van Abt:Die Abendglocken klingen. Ze slikten die dan ook met het grootste genoegen, doch werden er niet dik van. Bij het instudeeren bediende ik mij van een guitaar, die onder de tropische[129]hitte reeds danig had geleden. De gelijmde klankbodem was losgegaan en had met de spijkertjes van een sigarenkistje weer bevestigd moeten worden, door welke bewerking de toon van het instrument nu juist niet aan welluidendheid had gewonnen. Ook waren twee snaren onder den tand des tijds bezweken en moest ik met de grootste behendigheid op de bassnaar manoeuvreeren, om daaraan de vereischte melodie te ontlokken. Deze klonk dan ook zeer erbarmelijk en herinnerde in niets aan de bekende „Abendglocken”.Niettemin scheen zij een bijzonderen indruk te maken op de toeluisterende Javaantjes. Waar sinds de eerste repetities een stuk of wat van die kereltjes bijeenstonden of -zaten, daar hoorde men hen neuriën: „Abenlokkenlingen, Abenlokkenlingen.” In de slaapzaal, bij het baden, zelfs in de keuken bromde de Javaansche koelie: „Abenlokkenlingen.” Wat hielp het, of ik den kerels al toebulderde: „Houdt den mond!” Geheel in gedachten neurieden zij een minuut later weder „Abenlokkenlingen.”Maar dit concert zou ten slotte nog zijn te verdragen geweest, echter niet dat mijner scholieren, die in den eersten tijd de vastgewortelde overtuiging niet prijs wilden geven, dat het lied unisono gezongen moest worden. Mocht het al zijn, dat[130]ik de tweede tenoren of bassen zoo ver had gekregen, dat zij, ieder afzonderlijk, hun melodie vlekkeloos konden voordragen, nauwelijks zongen zij te zamen, of het tonengebouw lag weder in puin. Zegepralend schetterde dan de geheele schaar eenstemmig: „Die Abendglocken klingen.” Toen ik na wekenlangen strijd toch eindelijk in het slechte gehoor mijner leerlingen bres had geschoten en mijn begrip van vierstemmig gezang tot hen was doorgedrongen, overkwam mij het ongeluk, dat een mijner eerste tenoren ziek werd en in het hospitaal moest worden opgenomen. Wilde ik de schitterende uitkomst mijner volharding nu niet weer verloren zien gaan, dan moest ik onvoorwaardelijk zelf inspringen, want er viel niet aan te denken, de opengevallen plaats door een ander te doen innemen. Nu zal mij ieder maar eenigszins muzikaal ontwikkeld mensch toegeven, dat het iemand, die zoo half en half reeds als bas in de wereld is gekomen, wiens stem in den loop der jaren zich voortdurend meer in de laagte heeft uitgezet en die ten gevolge van zijn functie als sergeant zedelijk verplicht is zijn keel, bij het omscheppen van gewone stervelingen in soldaten, dagelijks buitengemeen in te spannen,—dat het zoo iemand, zeg ik, uiterst zwaar moet vallen zijn stem eenige octaven hooger te schroeven. Doch is een Indischsergeantniet tot alles in staat, als[131]hij door ’t noodlot gesard wordt? Spoedig tot een besluit gekomen, sloot ik mij in mijn kamer op en traineerde mijn stem in de hoogste falset. Kon ik het helpen, dat de schoonste tonen altijd oversloegen en af en toe een geluid werd voortgebracht, dat precies op dat van een hond geleek, dien men op den staart trapt? Mijn Javaantjes waren aanvankelijk geheel in de war over mijn gewaagde strottenhoofdexercitiën en meer dan eens hoorde ik hen achter mijn rug mompelen: „Kassian! sergeant pandjang sakit proet.” (De lange sergeant heeft buikpijn). Ik vervolgde onversaagd mijn glibberige loopbaan als tenor en bereikte eindelijk het stadium, dat ik het wagen kon mij te laten hooren. Voorzichtigheidshalve stemde ik evenwel bij voorbaat mijn guitaar nog drie tonen lager. Dit verschil scheen zelfs mijn tweede-bassen—terloops gezegd de domsten mijner leerlingen—op te vallen, want één hunner veroorloofde zich de opmerking, dat de „Abendglocken” veel lager gestemd waren dan vroeger. Maar daar diende ik hem op! „Weet je iets van de harmonieleer en het contrapunt af?” vroeg ik hem. En toen hij daarop „neen” antwoordde, snauwde ik hem toe: „Houd dan je mond!”Nu wist ik wel is waar zelf niets van de geheimenissen dezer zuilen der toonkunst en had een sterk vermoeden, dat ook de „Abendglocken”[132]er geheel vreemd aan waren, doch men mag, om der wille van de discipline, bij een soldaat nooit het denkbeeld doen opkomen, dat er iets ter wereld bestaat of bestaan kan, waarvan de sergeant—en vooral de Indische sergeant—geen kennis draagt. Maar helaas, ik kon er mijn bassen niet toe krijgen, drie tonen lager te zingen. Zij vertrokken den mond wel op alle mogelijke manieren en zetten daarbij de jammerlijkste gezichten, doch de tonen, die zij zoodoende voortbrachten, waren werkelijk onbruikbaar. Ten slotte maakten zij strike, dat wil zeggen, zij hielden den mond. Daarin had zelfs de strengste kapitein geen grond kunnen vinden om de kerels in „Zijner Majesteits snuifdoos” te stoppen; zij konden toch even zoo min lager komen, als het mij mogelijk was om hooger toon te bereiken. Wij luidden derhalve een tijd lang de „Abendglocken” niet meer, tot groot leedwezen mijner Javaantjes, maar legden ons op marschliederen toe, totdat mijn tenor behoorlijk rijp zou zijn. De kapitein keek zielsvergenoegd, toen wij ons bij den eerstvolgenden „militairen marsch” aan het hoofd der compagnie stelden en het eene lied na het andere aanhieven, met welks slotrefrein dan steeds de geheele compagnie instemde.Het best beviel hem de marsch:[133]„Wenn die Soldaten durch die Stadt marschiren,Oeffnen die Mädchen Fenster und Thüren,Nur weg’n dem Bum Vallera, Bum Vallera, Bum Vallera,Nur weg’n dem Bum Vallera, Bum Vallera, Bum!”Dat „Bum Vallera” heeft mij menige sigaar van hem opgebracht en zeker ook mij menigen dag kamerarrest genadiglijk bespaard. Na eenige weken was het met mijn tenor eindelijk in orde.Het was hoog tijd, want St. Nicolaas stond voor de deur en wij hadden van den kapitein de opdracht gekregen, in de officieren-sociëteit, ter gelegenheid van het kinderfeest, eenige passende liederen te zingen. Als eerste nummer op het programma prijkte hetWien Neerlandsch bloed. Later werd beweerd: men had van den tekst geen woord verstaan, wij hadden even zoo goed „Sauerkraut mit Leberwurst” kunnen zingen; doch dat zal wel vuige laster geweest zijn. Het tweede lied heette:O du fröhliche Weihnachtszeit, en het slot vormdenDie Abendglocken.Ik beefde aan handen en knieën, toen ik met mijn schaar het podium betrad en een heimelijken blik op het publiek wierp. Daar, geheel vooraan, in de eerste rij, zat de bataljonscommandant, wiens gestreng voorkomen scheen uit te drukken: „Kerel, voor elke noot, die je valsch laat zingen, krijg je een dag kamerarrest.” Daar achter, naast een pilaar, stond mijn kapitein met dreigend opgeheven[134]vinger, schijnbaar om mij moed (?) in te spreken, en naast mij in de coulisse verscheen mijn peletonscommandant, die mij toefluisterde: „Sergeant, je hebt immers geen dirigeerstok.” Gerechte hemel, daar had ik in ’t geheel niet aan gedacht! Gewoonlijk had ik daarvoor mijn wijsvinger gebruikt en, wanneer ik wat in vuur kwam, mijn guitaar. „Luitenant, zou u zoo goed willen zijn, mij uw potlood te leenen?” smeekte ik, en hij was zoo menschlievend, mijn verzoek in te willigen. Nu kon het beginnen. Ik draaide mij met knikkende knieën naar het publiek. Daarbij gevoelde ik mij zoo ellendig, dat ik onder het maken van mijn buiging bijna van het podium naar beneden in den schoot van mevrouw de majoorsche zou gevallen zijn; maar, God zij dank, brachten mij de glimlachende damesgezichten weder in evenwicht. Nu verhief ik het potlood, telde een, twee, drie, en zette mijn tenor in beweging. HetWien Neerlandsch bloedliep uitstekend van stapel, ofschoon niet zonder dat „von der Stirne heiss” mij „der Schweiss” droop. Luide toejuichingen waren het loon voor den moeitevollen arbeid. Alleen de bataljonsadjudant moest weer eens een aanmerking maken. „Je moet bij het dirigeeren den arm meer zwaaien, niet zoo gebogen staan en het hoofd niet zoo voorover laten hangen,” zeide hij. De goede man begreep blijkbaar niet, welk een[135]reuzenarbeid op mijn schouders drukte. Een tenorpartij zingen, voor twaalf man angst uitstaan en daarbij nog de maat aangeven, dat scheen hem zeker maar een kleinigheid. Ik zou er ook nog den arm bij moeten zwaaien! Om dat alles te doen en bovendien het hoofd omhoog en de schouders naar achter te houden, zou men de legercommandant in hoogst eigen persoon moeten wezen. Dien kan niemand het lastig maken, als zijn stem overslaat, doch een sergeant kan men het wel doen. Natuurlijk hoedde ik er mij voor, den adjudant mijn gedachten bloot te leggen, maar beloofde beterschap. De beide andere nummers werden eveneens schitterend uitgevoerd; vooral de „Abendglocken”, waarbij mijn tenor in smeltende klanken over de golvende tonenzee heenzeilde, oogstte daverenden bijval. Zelfs de dikke bataljonscommandant—van wiens muzikaliteit men verhaalde dat hij alleen met militaire signalen ophad en van deze het meest met het signaal voor het middageten: „Ketels in de keuken! Kamerwacht geef acht!”—zelfs hij knikte goedkeurend! De beste waardeering voor hetgeen ik gepresteerd had, vond ik evenwel in mijn kamer, werwaarts ik eenigen tijd later terugkeerde, en wel in den vorm van een flesch rooden wijn en een kistje sigaren. Ik vermoedde, dat deze goede gaven van den kapitein afkomstig waren. Intusschen brak ik mij het hoofd daar niet[136]lang mee, maar ledigde de flesch tot op den bodem. Daarop kroop ik onder de wol. Mijn Javaantjes zongen mij een slaaplied. Het luidde: „Abenlokkenlingen”.[137]

ZINGENDE SOLDATEN.

Een oom van mij, die zich reeds op zijn twintigste levensjaar in zulk een lichaamsomvang verheugde, dat ’s konings rok hem te klein was, verklaarde mij dikwerf hoofdschuddende: „Ik begrijp niet, hoe het mogelijk is, dat soldaten met den ransel op den rug, het geweer op den nek en een massa patronen voor den buik, bij een hitte van tachtig graden op den stoffigen straatweg zingen kunnen.” Deze zienswijze was den goeden man niet kwalijk te nemen. Het ging hem juist als vele Hollandsche staatsburgers, die nog nooit het schoone lied hebben medegezongen: „O, welk een lust soldaat te zijn!” maar zich voor een paar honderd gulden iemand koopen, die voor hen dezen lust botviert. Hij weet niet, dat het een zeer slecht[126]teeken is, als een kolonne stil haars weegs gaat; als de manschappen met slependen tred en hangende hoofden achter elkander aanstrompelen. Dan duurt het niet lang meer, of de een na den ander zakt aan den kant van den weg ineen, bleek als een doode, bezwijkende van vermoeienis. Welk een verschil tusschen zulk een troep en één uit welks rijen, van de eerste sectie tot de laatste, de melodieën van bekende marschliederen weerklinken. Als op de parade, zoo gelijk gaan de beenen op en neder; het is of de geheele kolonne marcheert als één man, en trotsch schrijdt zij voorwaarts. Geleden zijn honger en dorst, verdwenen is alle vermoeidheid. De officieren weten dat wel. Zij wekken hun manschappen tot zingen op en stoppen ook de ooren niet dicht, als er zoo nu en dan een lied onder doorloopt, waarvan het refrein een keukenprinses misschien zou doen blozen. Het kan zelfs voorkomen, dat de gestrenge heer kapitein in eigen persoon aan den koorzang deelneemt en enkele klanken uit zijn keel laat opwellen, die van de gebruikelijke commando’s ten eenenmale afwijken. Deze eer viel der eerste compagnie van het1edepot-bataljon in Meester-Cornelis herhaaldelijk te beurt, want haar kapitein was een zeer muzikaal man, van wien zelfs het gerucht liep, dat hij in zijn ledige uren viool speelde. Was het bataljon uitgerukt tot het maken eener militaire wandeling en weergalmde zoo om[127]en bij de „Berenlaan” het commando: „uit den pas”, dan kon men onzen kapitein ook weldra hooren roepen: „Komaan, jongens, doet nu eens flink den mond open,” en daarop hief de geheele „eerste” het bekendePiet Heinaan, dat het een lust was om te hooren. Was hetPiet-Hein-lied uitgezongen, dan volgdeDie Wacht am Rheinen daarna deMarseillaiseof eerst deMarseillaiseen danDie Wacht am Rhein, al naarmate het grootste gedeelte met de eene of andere hymne instemde. Bij dergelijke gelegenheden verbaasde ik mij steeds over het gebrek aan Hollandsche soldatenliederen in het Indische leger.Piet Heinwas vrij wel het eenige lied, op welks kranige, rythmische melodie men goed kon marcheeren. De overige liederen waren grootendeels van draaiorgels afgeluisterd en van alles behalve geestige teksten voorzien, als: „Ik zal het zeggen aan je moeder,” of „Hou jij van soep met balletjes?” enz. Waarschijnlijk ook lachte daarom de kapitein zoo welwillend, toen ik hem, bij gelegenheid van het compagniesrapport, om de vergunning verzocht, een zangvereeniging te mogen oprichten. Toevallig was mij een Duitsch liederenboek voor vierstemmigen mannenzang in handen gekomen en daarop had ik mijn plan gebouwd. De kapitein gaf zijn toestemming. Hij scheen het niet meer dan natuurlijk te vinden, dat een sergeant, die dagelijks vijf[128]uur geëxerceerd, twee uur theoretisch onderwijs gegeven en nog weder vijf uur als „sergeant van de week” in de kazerne rondgegaloppeerd heeft, behoefte had aan eenige uitspanning.Intusschen was deze uitspanning wel van ietwat twijfelachtig gehalte, want het kwam er hier op aan bij een hitte van 70° negen Duitschers en drie Hollanders in de geheimen der edele toonkunst in te wijden. Als kunsttempel fungeerde de eetzaal der onderofficieren. Dat was een groot euvel, want de etenslucht, die was blijven hangen, bewerkte steeds, dat de zangers binnen het eerste halfuur het water in den mond kregen en dat kon men den menschen niet kwalijk nemen; immers zij hadden honger. Bij het eerste bataljon is namelijk de etenstijd zoo vastgesteld, dat het laatste maal des middags omstreeks half vier verstrekt wordt. Na dien tijd krijgen de manschappen niets meer voor des anderen daags 5 uur in den morgen, wanneer zich de jeukende maag aan koffie met brood mag te goed doen. In dien tusschentijd moet er echter nog twee uren dapper geëxerceerd worden. De honger is dus volkomen gerechtvaardigd. Ik kon den menschen evenwel niets anders aanbieden dan de noten bij het lied van Abt:Die Abendglocken klingen. Ze slikten die dan ook met het grootste genoegen, doch werden er niet dik van. Bij het instudeeren bediende ik mij van een guitaar, die onder de tropische[129]hitte reeds danig had geleden. De gelijmde klankbodem was losgegaan en had met de spijkertjes van een sigarenkistje weer bevestigd moeten worden, door welke bewerking de toon van het instrument nu juist niet aan welluidendheid had gewonnen. Ook waren twee snaren onder den tand des tijds bezweken en moest ik met de grootste behendigheid op de bassnaar manoeuvreeren, om daaraan de vereischte melodie te ontlokken. Deze klonk dan ook zeer erbarmelijk en herinnerde in niets aan de bekende „Abendglocken”.Niettemin scheen zij een bijzonderen indruk te maken op de toeluisterende Javaantjes. Waar sinds de eerste repetities een stuk of wat van die kereltjes bijeenstonden of -zaten, daar hoorde men hen neuriën: „Abenlokkenlingen, Abenlokkenlingen.” In de slaapzaal, bij het baden, zelfs in de keuken bromde de Javaansche koelie: „Abenlokkenlingen.” Wat hielp het, of ik den kerels al toebulderde: „Houdt den mond!” Geheel in gedachten neurieden zij een minuut later weder „Abenlokkenlingen.”Maar dit concert zou ten slotte nog zijn te verdragen geweest, echter niet dat mijner scholieren, die in den eersten tijd de vastgewortelde overtuiging niet prijs wilden geven, dat het lied unisono gezongen moest worden. Mocht het al zijn, dat[130]ik de tweede tenoren of bassen zoo ver had gekregen, dat zij, ieder afzonderlijk, hun melodie vlekkeloos konden voordragen, nauwelijks zongen zij te zamen, of het tonengebouw lag weder in puin. Zegepralend schetterde dan de geheele schaar eenstemmig: „Die Abendglocken klingen.” Toen ik na wekenlangen strijd toch eindelijk in het slechte gehoor mijner leerlingen bres had geschoten en mijn begrip van vierstemmig gezang tot hen was doorgedrongen, overkwam mij het ongeluk, dat een mijner eerste tenoren ziek werd en in het hospitaal moest worden opgenomen. Wilde ik de schitterende uitkomst mijner volharding nu niet weer verloren zien gaan, dan moest ik onvoorwaardelijk zelf inspringen, want er viel niet aan te denken, de opengevallen plaats door een ander te doen innemen. Nu zal mij ieder maar eenigszins muzikaal ontwikkeld mensch toegeven, dat het iemand, die zoo half en half reeds als bas in de wereld is gekomen, wiens stem in den loop der jaren zich voortdurend meer in de laagte heeft uitgezet en die ten gevolge van zijn functie als sergeant zedelijk verplicht is zijn keel, bij het omscheppen van gewone stervelingen in soldaten, dagelijks buitengemeen in te spannen,—dat het zoo iemand, zeg ik, uiterst zwaar moet vallen zijn stem eenige octaven hooger te schroeven. Doch is een Indischsergeantniet tot alles in staat, als[131]hij door ’t noodlot gesard wordt? Spoedig tot een besluit gekomen, sloot ik mij in mijn kamer op en traineerde mijn stem in de hoogste falset. Kon ik het helpen, dat de schoonste tonen altijd oversloegen en af en toe een geluid werd voortgebracht, dat precies op dat van een hond geleek, dien men op den staart trapt? Mijn Javaantjes waren aanvankelijk geheel in de war over mijn gewaagde strottenhoofdexercitiën en meer dan eens hoorde ik hen achter mijn rug mompelen: „Kassian! sergeant pandjang sakit proet.” (De lange sergeant heeft buikpijn). Ik vervolgde onversaagd mijn glibberige loopbaan als tenor en bereikte eindelijk het stadium, dat ik het wagen kon mij te laten hooren. Voorzichtigheidshalve stemde ik evenwel bij voorbaat mijn guitaar nog drie tonen lager. Dit verschil scheen zelfs mijn tweede-bassen—terloops gezegd de domsten mijner leerlingen—op te vallen, want één hunner veroorloofde zich de opmerking, dat de „Abendglocken” veel lager gestemd waren dan vroeger. Maar daar diende ik hem op! „Weet je iets van de harmonieleer en het contrapunt af?” vroeg ik hem. En toen hij daarop „neen” antwoordde, snauwde ik hem toe: „Houd dan je mond!”Nu wist ik wel is waar zelf niets van de geheimenissen dezer zuilen der toonkunst en had een sterk vermoeden, dat ook de „Abendglocken”[132]er geheel vreemd aan waren, doch men mag, om der wille van de discipline, bij een soldaat nooit het denkbeeld doen opkomen, dat er iets ter wereld bestaat of bestaan kan, waarvan de sergeant—en vooral de Indische sergeant—geen kennis draagt. Maar helaas, ik kon er mijn bassen niet toe krijgen, drie tonen lager te zingen. Zij vertrokken den mond wel op alle mogelijke manieren en zetten daarbij de jammerlijkste gezichten, doch de tonen, die zij zoodoende voortbrachten, waren werkelijk onbruikbaar. Ten slotte maakten zij strike, dat wil zeggen, zij hielden den mond. Daarin had zelfs de strengste kapitein geen grond kunnen vinden om de kerels in „Zijner Majesteits snuifdoos” te stoppen; zij konden toch even zoo min lager komen, als het mij mogelijk was om hooger toon te bereiken. Wij luidden derhalve een tijd lang de „Abendglocken” niet meer, tot groot leedwezen mijner Javaantjes, maar legden ons op marschliederen toe, totdat mijn tenor behoorlijk rijp zou zijn. De kapitein keek zielsvergenoegd, toen wij ons bij den eerstvolgenden „militairen marsch” aan het hoofd der compagnie stelden en het eene lied na het andere aanhieven, met welks slotrefrein dan steeds de geheele compagnie instemde.Het best beviel hem de marsch:[133]„Wenn die Soldaten durch die Stadt marschiren,Oeffnen die Mädchen Fenster und Thüren,Nur weg’n dem Bum Vallera, Bum Vallera, Bum Vallera,Nur weg’n dem Bum Vallera, Bum Vallera, Bum!”Dat „Bum Vallera” heeft mij menige sigaar van hem opgebracht en zeker ook mij menigen dag kamerarrest genadiglijk bespaard. Na eenige weken was het met mijn tenor eindelijk in orde.Het was hoog tijd, want St. Nicolaas stond voor de deur en wij hadden van den kapitein de opdracht gekregen, in de officieren-sociëteit, ter gelegenheid van het kinderfeest, eenige passende liederen te zingen. Als eerste nummer op het programma prijkte hetWien Neerlandsch bloed. Later werd beweerd: men had van den tekst geen woord verstaan, wij hadden even zoo goed „Sauerkraut mit Leberwurst” kunnen zingen; doch dat zal wel vuige laster geweest zijn. Het tweede lied heette:O du fröhliche Weihnachtszeit, en het slot vormdenDie Abendglocken.Ik beefde aan handen en knieën, toen ik met mijn schaar het podium betrad en een heimelijken blik op het publiek wierp. Daar, geheel vooraan, in de eerste rij, zat de bataljonscommandant, wiens gestreng voorkomen scheen uit te drukken: „Kerel, voor elke noot, die je valsch laat zingen, krijg je een dag kamerarrest.” Daar achter, naast een pilaar, stond mijn kapitein met dreigend opgeheven[134]vinger, schijnbaar om mij moed (?) in te spreken, en naast mij in de coulisse verscheen mijn peletonscommandant, die mij toefluisterde: „Sergeant, je hebt immers geen dirigeerstok.” Gerechte hemel, daar had ik in ’t geheel niet aan gedacht! Gewoonlijk had ik daarvoor mijn wijsvinger gebruikt en, wanneer ik wat in vuur kwam, mijn guitaar. „Luitenant, zou u zoo goed willen zijn, mij uw potlood te leenen?” smeekte ik, en hij was zoo menschlievend, mijn verzoek in te willigen. Nu kon het beginnen. Ik draaide mij met knikkende knieën naar het publiek. Daarbij gevoelde ik mij zoo ellendig, dat ik onder het maken van mijn buiging bijna van het podium naar beneden in den schoot van mevrouw de majoorsche zou gevallen zijn; maar, God zij dank, brachten mij de glimlachende damesgezichten weder in evenwicht. Nu verhief ik het potlood, telde een, twee, drie, en zette mijn tenor in beweging. HetWien Neerlandsch bloedliep uitstekend van stapel, ofschoon niet zonder dat „von der Stirne heiss” mij „der Schweiss” droop. Luide toejuichingen waren het loon voor den moeitevollen arbeid. Alleen de bataljonsadjudant moest weer eens een aanmerking maken. „Je moet bij het dirigeeren den arm meer zwaaien, niet zoo gebogen staan en het hoofd niet zoo voorover laten hangen,” zeide hij. De goede man begreep blijkbaar niet, welk een[135]reuzenarbeid op mijn schouders drukte. Een tenorpartij zingen, voor twaalf man angst uitstaan en daarbij nog de maat aangeven, dat scheen hem zeker maar een kleinigheid. Ik zou er ook nog den arm bij moeten zwaaien! Om dat alles te doen en bovendien het hoofd omhoog en de schouders naar achter te houden, zou men de legercommandant in hoogst eigen persoon moeten wezen. Dien kan niemand het lastig maken, als zijn stem overslaat, doch een sergeant kan men het wel doen. Natuurlijk hoedde ik er mij voor, den adjudant mijn gedachten bloot te leggen, maar beloofde beterschap. De beide andere nummers werden eveneens schitterend uitgevoerd; vooral de „Abendglocken”, waarbij mijn tenor in smeltende klanken over de golvende tonenzee heenzeilde, oogstte daverenden bijval. Zelfs de dikke bataljonscommandant—van wiens muzikaliteit men verhaalde dat hij alleen met militaire signalen ophad en van deze het meest met het signaal voor het middageten: „Ketels in de keuken! Kamerwacht geef acht!”—zelfs hij knikte goedkeurend! De beste waardeering voor hetgeen ik gepresteerd had, vond ik evenwel in mijn kamer, werwaarts ik eenigen tijd later terugkeerde, en wel in den vorm van een flesch rooden wijn en een kistje sigaren. Ik vermoedde, dat deze goede gaven van den kapitein afkomstig waren. Intusschen brak ik mij het hoofd daar niet[136]lang mee, maar ledigde de flesch tot op den bodem. Daarop kroop ik onder de wol. Mijn Javaantjes zongen mij een slaaplied. Het luidde: „Abenlokkenlingen”.[137]

Een oom van mij, die zich reeds op zijn twintigste levensjaar in zulk een lichaamsomvang verheugde, dat ’s konings rok hem te klein was, verklaarde mij dikwerf hoofdschuddende: „Ik begrijp niet, hoe het mogelijk is, dat soldaten met den ransel op den rug, het geweer op den nek en een massa patronen voor den buik, bij een hitte van tachtig graden op den stoffigen straatweg zingen kunnen.” Deze zienswijze was den goeden man niet kwalijk te nemen. Het ging hem juist als vele Hollandsche staatsburgers, die nog nooit het schoone lied hebben medegezongen: „O, welk een lust soldaat te zijn!” maar zich voor een paar honderd gulden iemand koopen, die voor hen dezen lust botviert. Hij weet niet, dat het een zeer slecht[126]teeken is, als een kolonne stil haars weegs gaat; als de manschappen met slependen tred en hangende hoofden achter elkander aanstrompelen. Dan duurt het niet lang meer, of de een na den ander zakt aan den kant van den weg ineen, bleek als een doode, bezwijkende van vermoeienis. Welk een verschil tusschen zulk een troep en één uit welks rijen, van de eerste sectie tot de laatste, de melodieën van bekende marschliederen weerklinken. Als op de parade, zoo gelijk gaan de beenen op en neder; het is of de geheele kolonne marcheert als één man, en trotsch schrijdt zij voorwaarts. Geleden zijn honger en dorst, verdwenen is alle vermoeidheid. De officieren weten dat wel. Zij wekken hun manschappen tot zingen op en stoppen ook de ooren niet dicht, als er zoo nu en dan een lied onder doorloopt, waarvan het refrein een keukenprinses misschien zou doen blozen. Het kan zelfs voorkomen, dat de gestrenge heer kapitein in eigen persoon aan den koorzang deelneemt en enkele klanken uit zijn keel laat opwellen, die van de gebruikelijke commando’s ten eenenmale afwijken. Deze eer viel der eerste compagnie van het1edepot-bataljon in Meester-Cornelis herhaaldelijk te beurt, want haar kapitein was een zeer muzikaal man, van wien zelfs het gerucht liep, dat hij in zijn ledige uren viool speelde. Was het bataljon uitgerukt tot het maken eener militaire wandeling en weergalmde zoo om[127]en bij de „Berenlaan” het commando: „uit den pas”, dan kon men onzen kapitein ook weldra hooren roepen: „Komaan, jongens, doet nu eens flink den mond open,” en daarop hief de geheele „eerste” het bekendePiet Heinaan, dat het een lust was om te hooren. Was hetPiet-Hein-lied uitgezongen, dan volgdeDie Wacht am Rheinen daarna deMarseillaiseof eerst deMarseillaiseen danDie Wacht am Rhein, al naarmate het grootste gedeelte met de eene of andere hymne instemde. Bij dergelijke gelegenheden verbaasde ik mij steeds over het gebrek aan Hollandsche soldatenliederen in het Indische leger.Piet Heinwas vrij wel het eenige lied, op welks kranige, rythmische melodie men goed kon marcheeren. De overige liederen waren grootendeels van draaiorgels afgeluisterd en van alles behalve geestige teksten voorzien, als: „Ik zal het zeggen aan je moeder,” of „Hou jij van soep met balletjes?” enz. Waarschijnlijk ook lachte daarom de kapitein zoo welwillend, toen ik hem, bij gelegenheid van het compagniesrapport, om de vergunning verzocht, een zangvereeniging te mogen oprichten. Toevallig was mij een Duitsch liederenboek voor vierstemmigen mannenzang in handen gekomen en daarop had ik mijn plan gebouwd. De kapitein gaf zijn toestemming. Hij scheen het niet meer dan natuurlijk te vinden, dat een sergeant, die dagelijks vijf[128]uur geëxerceerd, twee uur theoretisch onderwijs gegeven en nog weder vijf uur als „sergeant van de week” in de kazerne rondgegaloppeerd heeft, behoefte had aan eenige uitspanning.

Intusschen was deze uitspanning wel van ietwat twijfelachtig gehalte, want het kwam er hier op aan bij een hitte van 70° negen Duitschers en drie Hollanders in de geheimen der edele toonkunst in te wijden. Als kunsttempel fungeerde de eetzaal der onderofficieren. Dat was een groot euvel, want de etenslucht, die was blijven hangen, bewerkte steeds, dat de zangers binnen het eerste halfuur het water in den mond kregen en dat kon men den menschen niet kwalijk nemen; immers zij hadden honger. Bij het eerste bataljon is namelijk de etenstijd zoo vastgesteld, dat het laatste maal des middags omstreeks half vier verstrekt wordt. Na dien tijd krijgen de manschappen niets meer voor des anderen daags 5 uur in den morgen, wanneer zich de jeukende maag aan koffie met brood mag te goed doen. In dien tusschentijd moet er echter nog twee uren dapper geëxerceerd worden. De honger is dus volkomen gerechtvaardigd. Ik kon den menschen evenwel niets anders aanbieden dan de noten bij het lied van Abt:Die Abendglocken klingen. Ze slikten die dan ook met het grootste genoegen, doch werden er niet dik van. Bij het instudeeren bediende ik mij van een guitaar, die onder de tropische[129]hitte reeds danig had geleden. De gelijmde klankbodem was losgegaan en had met de spijkertjes van een sigarenkistje weer bevestigd moeten worden, door welke bewerking de toon van het instrument nu juist niet aan welluidendheid had gewonnen. Ook waren twee snaren onder den tand des tijds bezweken en moest ik met de grootste behendigheid op de bassnaar manoeuvreeren, om daaraan de vereischte melodie te ontlokken. Deze klonk dan ook zeer erbarmelijk en herinnerde in niets aan de bekende „Abendglocken”.

Niettemin scheen zij een bijzonderen indruk te maken op de toeluisterende Javaantjes. Waar sinds de eerste repetities een stuk of wat van die kereltjes bijeenstonden of -zaten, daar hoorde men hen neuriën: „Abenlokkenlingen, Abenlokkenlingen.” In de slaapzaal, bij het baden, zelfs in de keuken bromde de Javaansche koelie: „Abenlokkenlingen.” Wat hielp het, of ik den kerels al toebulderde: „Houdt den mond!” Geheel in gedachten neurieden zij een minuut later weder „Abenlokkenlingen.”

Maar dit concert zou ten slotte nog zijn te verdragen geweest, echter niet dat mijner scholieren, die in den eersten tijd de vastgewortelde overtuiging niet prijs wilden geven, dat het lied unisono gezongen moest worden. Mocht het al zijn, dat[130]ik de tweede tenoren of bassen zoo ver had gekregen, dat zij, ieder afzonderlijk, hun melodie vlekkeloos konden voordragen, nauwelijks zongen zij te zamen, of het tonengebouw lag weder in puin. Zegepralend schetterde dan de geheele schaar eenstemmig: „Die Abendglocken klingen.” Toen ik na wekenlangen strijd toch eindelijk in het slechte gehoor mijner leerlingen bres had geschoten en mijn begrip van vierstemmig gezang tot hen was doorgedrongen, overkwam mij het ongeluk, dat een mijner eerste tenoren ziek werd en in het hospitaal moest worden opgenomen. Wilde ik de schitterende uitkomst mijner volharding nu niet weer verloren zien gaan, dan moest ik onvoorwaardelijk zelf inspringen, want er viel niet aan te denken, de opengevallen plaats door een ander te doen innemen. Nu zal mij ieder maar eenigszins muzikaal ontwikkeld mensch toegeven, dat het iemand, die zoo half en half reeds als bas in de wereld is gekomen, wiens stem in den loop der jaren zich voortdurend meer in de laagte heeft uitgezet en die ten gevolge van zijn functie als sergeant zedelijk verplicht is zijn keel, bij het omscheppen van gewone stervelingen in soldaten, dagelijks buitengemeen in te spannen,—dat het zoo iemand, zeg ik, uiterst zwaar moet vallen zijn stem eenige octaven hooger te schroeven. Doch is een Indischsergeantniet tot alles in staat, als[131]hij door ’t noodlot gesard wordt? Spoedig tot een besluit gekomen, sloot ik mij in mijn kamer op en traineerde mijn stem in de hoogste falset. Kon ik het helpen, dat de schoonste tonen altijd oversloegen en af en toe een geluid werd voortgebracht, dat precies op dat van een hond geleek, dien men op den staart trapt? Mijn Javaantjes waren aanvankelijk geheel in de war over mijn gewaagde strottenhoofdexercitiën en meer dan eens hoorde ik hen achter mijn rug mompelen: „Kassian! sergeant pandjang sakit proet.” (De lange sergeant heeft buikpijn). Ik vervolgde onversaagd mijn glibberige loopbaan als tenor en bereikte eindelijk het stadium, dat ik het wagen kon mij te laten hooren. Voorzichtigheidshalve stemde ik evenwel bij voorbaat mijn guitaar nog drie tonen lager. Dit verschil scheen zelfs mijn tweede-bassen—terloops gezegd de domsten mijner leerlingen—op te vallen, want één hunner veroorloofde zich de opmerking, dat de „Abendglocken” veel lager gestemd waren dan vroeger. Maar daar diende ik hem op! „Weet je iets van de harmonieleer en het contrapunt af?” vroeg ik hem. En toen hij daarop „neen” antwoordde, snauwde ik hem toe: „Houd dan je mond!”

Nu wist ik wel is waar zelf niets van de geheimenissen dezer zuilen der toonkunst en had een sterk vermoeden, dat ook de „Abendglocken”[132]er geheel vreemd aan waren, doch men mag, om der wille van de discipline, bij een soldaat nooit het denkbeeld doen opkomen, dat er iets ter wereld bestaat of bestaan kan, waarvan de sergeant—en vooral de Indische sergeant—geen kennis draagt. Maar helaas, ik kon er mijn bassen niet toe krijgen, drie tonen lager te zingen. Zij vertrokken den mond wel op alle mogelijke manieren en zetten daarbij de jammerlijkste gezichten, doch de tonen, die zij zoodoende voortbrachten, waren werkelijk onbruikbaar. Ten slotte maakten zij strike, dat wil zeggen, zij hielden den mond. Daarin had zelfs de strengste kapitein geen grond kunnen vinden om de kerels in „Zijner Majesteits snuifdoos” te stoppen; zij konden toch even zoo min lager komen, als het mij mogelijk was om hooger toon te bereiken. Wij luidden derhalve een tijd lang de „Abendglocken” niet meer, tot groot leedwezen mijner Javaantjes, maar legden ons op marschliederen toe, totdat mijn tenor behoorlijk rijp zou zijn. De kapitein keek zielsvergenoegd, toen wij ons bij den eerstvolgenden „militairen marsch” aan het hoofd der compagnie stelden en het eene lied na het andere aanhieven, met welks slotrefrein dan steeds de geheele compagnie instemde.

Het best beviel hem de marsch:[133]

„Wenn die Soldaten durch die Stadt marschiren,Oeffnen die Mädchen Fenster und Thüren,Nur weg’n dem Bum Vallera, Bum Vallera, Bum Vallera,Nur weg’n dem Bum Vallera, Bum Vallera, Bum!”

„Wenn die Soldaten durch die Stadt marschiren,

Oeffnen die Mädchen Fenster und Thüren,

Nur weg’n dem Bum Vallera, Bum Vallera, Bum Vallera,

Nur weg’n dem Bum Vallera, Bum Vallera, Bum!”

Dat „Bum Vallera” heeft mij menige sigaar van hem opgebracht en zeker ook mij menigen dag kamerarrest genadiglijk bespaard. Na eenige weken was het met mijn tenor eindelijk in orde.

Het was hoog tijd, want St. Nicolaas stond voor de deur en wij hadden van den kapitein de opdracht gekregen, in de officieren-sociëteit, ter gelegenheid van het kinderfeest, eenige passende liederen te zingen. Als eerste nummer op het programma prijkte hetWien Neerlandsch bloed. Later werd beweerd: men had van den tekst geen woord verstaan, wij hadden even zoo goed „Sauerkraut mit Leberwurst” kunnen zingen; doch dat zal wel vuige laster geweest zijn. Het tweede lied heette:O du fröhliche Weihnachtszeit, en het slot vormdenDie Abendglocken.

Ik beefde aan handen en knieën, toen ik met mijn schaar het podium betrad en een heimelijken blik op het publiek wierp. Daar, geheel vooraan, in de eerste rij, zat de bataljonscommandant, wiens gestreng voorkomen scheen uit te drukken: „Kerel, voor elke noot, die je valsch laat zingen, krijg je een dag kamerarrest.” Daar achter, naast een pilaar, stond mijn kapitein met dreigend opgeheven[134]vinger, schijnbaar om mij moed (?) in te spreken, en naast mij in de coulisse verscheen mijn peletonscommandant, die mij toefluisterde: „Sergeant, je hebt immers geen dirigeerstok.” Gerechte hemel, daar had ik in ’t geheel niet aan gedacht! Gewoonlijk had ik daarvoor mijn wijsvinger gebruikt en, wanneer ik wat in vuur kwam, mijn guitaar. „Luitenant, zou u zoo goed willen zijn, mij uw potlood te leenen?” smeekte ik, en hij was zoo menschlievend, mijn verzoek in te willigen. Nu kon het beginnen. Ik draaide mij met knikkende knieën naar het publiek. Daarbij gevoelde ik mij zoo ellendig, dat ik onder het maken van mijn buiging bijna van het podium naar beneden in den schoot van mevrouw de majoorsche zou gevallen zijn; maar, God zij dank, brachten mij de glimlachende damesgezichten weder in evenwicht. Nu verhief ik het potlood, telde een, twee, drie, en zette mijn tenor in beweging. HetWien Neerlandsch bloedliep uitstekend van stapel, ofschoon niet zonder dat „von der Stirne heiss” mij „der Schweiss” droop. Luide toejuichingen waren het loon voor den moeitevollen arbeid. Alleen de bataljonsadjudant moest weer eens een aanmerking maken. „Je moet bij het dirigeeren den arm meer zwaaien, niet zoo gebogen staan en het hoofd niet zoo voorover laten hangen,” zeide hij. De goede man begreep blijkbaar niet, welk een[135]reuzenarbeid op mijn schouders drukte. Een tenorpartij zingen, voor twaalf man angst uitstaan en daarbij nog de maat aangeven, dat scheen hem zeker maar een kleinigheid. Ik zou er ook nog den arm bij moeten zwaaien! Om dat alles te doen en bovendien het hoofd omhoog en de schouders naar achter te houden, zou men de legercommandant in hoogst eigen persoon moeten wezen. Dien kan niemand het lastig maken, als zijn stem overslaat, doch een sergeant kan men het wel doen. Natuurlijk hoedde ik er mij voor, den adjudant mijn gedachten bloot te leggen, maar beloofde beterschap. De beide andere nummers werden eveneens schitterend uitgevoerd; vooral de „Abendglocken”, waarbij mijn tenor in smeltende klanken over de golvende tonenzee heenzeilde, oogstte daverenden bijval. Zelfs de dikke bataljonscommandant—van wiens muzikaliteit men verhaalde dat hij alleen met militaire signalen ophad en van deze het meest met het signaal voor het middageten: „Ketels in de keuken! Kamerwacht geef acht!”—zelfs hij knikte goedkeurend! De beste waardeering voor hetgeen ik gepresteerd had, vond ik evenwel in mijn kamer, werwaarts ik eenigen tijd later terugkeerde, en wel in den vorm van een flesch rooden wijn en een kistje sigaren. Ik vermoedde, dat deze goede gaven van den kapitein afkomstig waren. Intusschen brak ik mij het hoofd daar niet[136]lang mee, maar ledigde de flesch tot op den bodem. Daarop kroop ik onder de wol. Mijn Javaantjes zongen mij een slaaplied. Het luidde: „Abenlokkenlingen”.[137]


Back to IndexNext