Chapter 2

Liefe geert:

Kompt toch gauw vroem, want we missen uw hard...

Lot de mense mor chouwele en geloofd alleen uw trouwe Lowis...

Dienzelfden avond nóg was Geerten terug bij zijn geliefde en liet zich heur streelingen welgevallen, want ook in zijn gemoed was alles rustig geworden na lang nadenken. Waarom zou hij jaloersch zijn, waarom als 't misschien niet eens waar was, wat de babbelkousen rammelden ... en al was 't nu zóo, hém kon 't niet schelen, als hij maar de bovenste bleef ... Meer mocht hij immers niet verlangen van iemand met een estaminet als die van Lowis ... Zijn motorboot vulde thans veel meer zijn zinnen, dan de vleeschelijke vrouw.

Toen Geerten terug aan de ponton verscheen, waar gedienstige tongen reeds alles aan het klokzeel gehangen hadden, werd hij begroet als de "Vijg", iets waaraan hij zich niet stoorde, en, om het te toonen, ging hij met Franske en de anderen om zooals vroeger. Lowis mocht tevreden zijn over Geerten, want stipt volgde hij haren raad: 't was maar om de klanten niet te verliezen ...

In zijn hart bleef Geerten Franske haat toedragen, maar hij toonde het niet, vast besloten in 't geniept wraak te nemen, want dat dien flierefluiter terug komen zou, wist hij omtrent zeker, vooral wijl de rosse als vredesvoorwaarde gesteld had, niet elken avond meer te blijven slapen ... omdat het te ... moeilijk was voor ... 't opstaan, 's morgens, wanneer Geerten al heel vroeg vertrekken moest, hetgeen de nachtrust der plezante bazin stoorde, en dan ... de taterende geburen ... en 't belang der zaak!...

Och, daar maalde hij niet om, vooral nu hij toch om den anderen nacht bij zijn zieken vader waken zou ...

Op een namiddag, heel onverwacht, ontmoette hij 't lief van Franske, Fientje, met haren mosselwagen ... Hij groette vriendelijk joviaal, deed haar stoppen, bestelde voor vijf centjes mosselen ... Met volle handen grabbelde ze in den hoog-opgetorenden, zwart-slijkerigen stapel, waaruit hier en daar besmeurd wier-groen opstak, nam eenige schelpen in de linkerhand, maakte met handige mesbeweging de schalen open ... Geerten pakte de mosselen aan, slurpte gulzig het vette, witte mollige vleesch naar binnen ...

"'t Zijn er goeï" lachte hij ...

Met voorzichtige, sluwe woordjes bracht hij 't gesprek op Franske. 't Mooi-slanke, blonde Fientje, kloeg dat hij zoo weinig geld afgaf, laat thuis kwam, soms 's nachts in 't geheel niet omzag ... Waarom trouwt ge niet? vroeg Geert ... 't Meisje gibberde luid-op ... "Zijt ge zot?... Dan heb ik in 't geheel niets meer aan hem ... nu is hij nog bang, dat ik hem zal laten stikken, maar dan ben ik gebonden ... 'k zou u bedanken, zulle ... zoolang er geen kinderen komen, kamer ik liever." Geerten moest toegeven, met spijt, dat het huwelijk Franske zeker niet verbeteren zou ... "Hij is te schoon," bemerkte hij, sarcastisch ... "Wat kunt g'er aan doen," zuchtte Fientje. De roeier had er een heimelijk plezier in zijn wraak stillekens-aan voor te bereiden ... "Ja, wat kunt g'er aan doen? 't Is zonde, dat hij niet begrijpt wat 'n lief ding gij zijt ... enne ... naar ..."

"Wat zegt ge" hijgde 't mosselvrouwken ... "naar?..."

... "een wijf als rosse Lowis ziet," voleindde Geert, traag opslurpend de laatste vette mossel, die Fientje hem aangeboden had.

De tranen sprongen in haar klare oogen. "Dát had ze nooit gedacht!... Zonder verder te talen, zette zij zich schrap, stootte heur wagen voort. Geerten hoorde hoe, na een wijle, haar stem, schor en tranerig-onduidelijk klonk bij 't roepen van 't gewone "kêpeleê."

"Die heeft beet," grinnikte hij, zeker zijn doel te hebben bereikt ...

's Anderdaags kwam Schoon Franske, tot groote vreugde van al de bootjesroeiers, met een koppel blauwe oogen, en een gezicht gestriemd door nijdig-rood-bekorste krabben, naar de vlot-brug ...

—"Dag blauwe-geschelpte," spotte Geerten, uitschaterend zijn dolle leute ...

—"Vijg!" beet Franske kort-af, terug.

Den heelen voor-winter door, sukkelde de H. Jozef, steeds afnemend in krachten, en nu was elk uur het einde te verwachten. "God zij geloofd" had Sophie—zijn dochter—gezegd, "want dat lijden is niet meer om ná te zien," en hierbij dacht ze vooral aan 't geld, dat ze daarná niet meer hoefde te geven en waardoor reeds zooveel ruzie met haar man in huis geweest was ..."

"Geerten zal dezen nacht tot twaalf uur waken," had Pruttige Trees gezegd, ... "dan kom ik zelf, want hij moet van-avond, gelijk alle jaren met nieuwjaarnacht, naar 't feest van "'t Kasken" in de maatschappij" ... Om zes uur was Geerten zelf gekomen, op zijn paasch-best gekleed.

't Sneeuwde buiten ... De lucht was éene grijsheid van schommelende donspluisjes en beneden, op de achterplaats, zongen kinderen ...

"Deezeken schudt zijn beddeken uit

en laat zijn pluimekens vliegen" ...

De vlokken plekten tegen de bedompte ruiten der krankenkamer. Een olielampken brandde zacht-pinkelend op de kale schouw, waarop een gladde spiegel het twinkelend lichtje weerkaatste. Het vuur in de potkachel smeulde, nu en dan viel een gloeiende sintel met luid tikken in den aschbak, wierp even een ras-verstervende oranje-klaarte op den donkeren vloer ...

—"Niet te hard stoken, fluisterde Trees bezorgd, "ánders heeft hij het te benauwd" ... en ging dan heen ... De duisterte hing dik in de hoeken, vulde de gansche kamer, waarin alleen wit-vlekten de lakens op 't ledikant ... De zieke sluimerde: zijn oude, gele, ingevallen gelaat, met diepe kuilen aan de slapen en onder de diep-liggende oogen bezijden den grooten scherp-belijnden arendsneus, scheen klein midden de blanke bolling van het kussen. Alleen de ring-baard, weeldrig-wit krullend, leefde nog ... de gerimpelde wassen handen lagen roerloos op het omgeslagen laken. Beweegloos zat Geerten bij het bed, in kalmte afwachtend, het gebeuren dat nakend was. De sneeuw geruischloos en zacht viel steeds in pure blankheid ... De uren gingen voorbij, trage weggetikt minuut na minuut ... Soms galmde boven 't doffe straat-rumoer uit, de torenklok, afbrokkelend de laatste stonden van het stervende jaar ... Dichtbij beierde 't klokje van 't naburige klooster. Dan kwamen alleen maar de geruchten der straat, dempig en ver-af tot in de kamer doordringen: het wanluidend gekletter van metalen balken op een hotsenden wagen, het schelle hoornblazen van een krantenjongen. In 't aangrenzend kroegje, klonken onophoudend zeurige harmonicadeuntjes. Geerten trok even een venstervoorhang op: Het sneeuwde niet meer ... Het kleine achterplaatsje, beneden, lag wit en verlaten in den maneschijn, die wondere tintelingen leven deed in de kristaliseerende blankheid. Pelsranden lagen op elk vooruitstekend deel der zilvrig belichte gevels, en de daken kropen weg onder hermelijnen mantel ... Geerten liet het rolgordijn terug af: in 't vertrekje werd het donkerder, en op den neergelaten voorhang, stond klaar afgeteekend het kruishout der ramen. De zieke bewoog, mompelde iets onverstaanbaars ... Geerten boog zich over hem heen: "Eens drinken, vader?" ... Hij schonk een glaasje vol van den wijn, dien Sophie gebracht had, wilde het den kranke geven: hij weigerde. Dan dronk Geerten het zelf maar uit, tongsmakkend, deed ook nog een flinken teug aan de flesch! Bah, ze hebben wijn genoeg ...

Ziende dat vader hem toch niet meer herkende, nam Geerten zijn plaats terug in en wachtte ... Buiten werd het leven woeliger ... Er drongen gezangen dóor tot in de stille kamer en hij zag, in verbeelding, de hossende en dansende benden, die nu juichend de straten van 't Schipperskwartier doorliepen, om hoopvol-feestelijk te begroeten den nieuwen tijd ... Wellicht zou hij dit jaar zijn droom verwezenlijkt zien en eindelijk een motorbootje bezitten. Misschien!--Half-soezend zat hij te tobben.—Veel geluk had hij in de laatste tijden niet gehad. Het gescharrel van Lowis met Franske, kon hij niet verduwen en steeds ging hij gedrukt onder dien spotnaam van hoorndrager. Openlijk heette hij alleen "de vijg," maar hoe gewoon zijn omgang met de overige roeiers ook was, toch wist hij dat ze hem achterduims bespotten. Hij liet ze begaan, beloofde zich groote vreugde, wanneer hij een moteurken bezitten zou. Dat wás zijn levensdoel en éenige bekommering geworden. En, nádenkend, wikkend en wegend, begon hij uit te cijferen hoeveel vader wel kon gespaard hebben. Moeder was nu vijf jaar dood en dan had de oûwe 't kleine snoepwinkeltje en 't koffie opschenken voor een gering sommetje overgedaan aan een buurvrouw, 't Was juist voldoende geweest om den doctor te betalen, want Moeders langdurige ziekte had heel wat geld gekost ... "Ja, ja", overlegde Geerten ... "en toch met het beetje dat overbleef en met de tweehonderd vijftig frankskens, die Sophie ieder jaar afdokte, kon zoo'n oud man leven, ... en zelfs wat wegleggen ... of had hij soms alles opgedaan?... Alles!... 't was onmogelijk: immers Vader was gierig, dronk weinig, rookte niet meer bijna ... Er moest toch nog wat overblijven ... al was het maar een honderd frank of twee ..." Werktuigelijk stond Geerten op ...

't Gewoel in de straten was aangegroeid. Duidelijk klonk het roezemoezen der stemmen in de aangrenzende kroeg. Met den opstekenden wind, die buiten de versche sneeuw deed opwirrelen en verstuiven, kwamen bij vlagen, brokken van zeurige straatliedjes aanwaaien ... Behoedzaam nam Geerten de lamp van de schouw, hield ze dan een stonde boven 't steeds meer invallende gelaat van vader ...

... 't Gele doodsgezicht was effen en stil in den zachten lichtgloor, de oogen waren geloken, de adem reutelde, doende opstreuvelen—heel even maar—kleine haartjes van den baard ... Alleen de handen, groot en beenderig, met lange knokkelige vingers en vuil-zwarte nagels, liepen als spinnen over 't omgevouwen blanke laken, plooiend en herplooiend ...

"'t Zal afloopen" peinsde Geerten kalm, berustend: die dood, waaraan ze zich allen zoo lang reeds verwachtten, kon hem niet meer schokken. Het zou enkel zijn de verlossing uit het lijden van een arm-verlaten grijsaard, en 't ophouden van slapelooze nachten voor den forschen Geert ... "Ieder moet sterven en als men al meer dan tachtig jaar geleefd heeft, is men in de wieg niet versmacht" ...

Op de teenen schoof Geerten naar de kleine in eik-geschilderde kast, die in de donkerte van een hoek, achter 't bed, scheen weg te kruipen, zette de lamp op het blad, trok een schuif open, en zocht ...

't Sloeg elf uren ... "Trees zal gaan komen," dacht hij. Zijn ruige, bruine eelthanden scharrelden zenuwachtig rond in den kleinen lichtkring die van onder de lampkap uitkegelde ... Gejaagd verlegde hij doosjes en ledigde een ouwe draad-versleten geldbeugel van moeder zaliger ... "Niks!" Hij doorsnuffelde ijlings elk hoekje, neusde nieuwsgierig tusschen elk blad ... "Dat 's 't huishuurboekje ... Hier in dien kerkboek" ... Er lagen sokken, met groote gaten, opgerold in de schuif. Geerten doorzocht ze, trok ze om, drie, vier keer, werd nijdig en vloekte boos, niet vindend den gewenschten schat. De zieke ademde moeilijk: de lucht reutelde in zijn keel ... zijn handen bewogen krampig, zijn mond hing open, schuim-lippend. De lijnen van 't ingevallen gelaat stonden scherper en hoekiger, de rimpels dieper-gegroefd, de oogleden nauw open op de reeds gebroken oogen ... Hijgend, jachtend-verlangend, grabbelde Geerten in de half-neerhangende schuif, alles vergetend in zijn zucht naar geld. Al wat hem hinderde liet hij ten gronde vallen ... Nu hurkte hij neder voor de wijd-open deuren. In de duisterste hoeken morrelde hij met grijp-grage vingers. Zijn oogen brandden onder de borstelige wenkbrauwen ... Plots, stroomde zijn hart vol warme vreugd, deed het feller hameren van blijde verwachting: hij had een zakje ontdekt, opende het ras ... De inhoud rolde met kleine tokkelgeluidjes over den grond, verspreidde zich ... Geerten vloekte luid: 't waren de lotonummerkens, die hij gevonden had ...

Zou vader iets gehoord hebben?... Aarzelend trad hij op het bed toe, zag hoe onbeweeglijk daar neerlag het uitgeleefde lichaam ... bevoelde haastig de stil-gevallen handen. Geerten schrok hevig ... sprong weg ... boog zich voorover ... de adem ging niet meer ... 't Ging rauw en snijdend door zijn brein: hij is dood ... De stilte viel drukkend om hem. Nu durfde Geerten niet meer zoeken naar geld. Zijn kop werd als voos, bij 't eenvoudig denkbeeld aan vaders toch-nog-onverwachts-gekomen dood, die hem wonderbaar voorkwam: een vertrek zonder afscheid of tot weerziens- zeggen, een verraderlijk wegsluipen op onhoorbare voeten ... Wat kon hij nu doen ... Trees bleef maar weg, en in heel het kleine huis was geen levende ziel meer ... Mocht hij nu naar Lowis gaan om mede te feesten?... Alles was betaald ... hij moest ... of Franske zou weer ... Als Trees nu maar kwam ... misschien was de Pruttige weer zat!...

In-eens, bruusk-geweldig, verscheurend de grootsche stilte, de plechtig-wachtende geruischloosheid der ijl-wordende minuten, vulde 't schorre toeten van honderd stoomers, 't hel-metalen galm-tingelen der jubelende klokken aan boord der zeilers en 't scheurend-gieren van luide mistseinen, de vorstdoortintelde winterlucht, daverend van geluiden heenvlagend over de feestvierende stad, aan flarden rukkend de laatste stonde van 't heen snellende oude-jaar, juichend-begroetend den jeugdigen, hoop-rijken, nieuwen tijd ... De geruchten werden grooter, omvangrijker, overal opstijgend, alles door-dringend ... In 't kroegje brulden dronkaards een gekke "brabançonne", en in de straat joelden en tierden de pretmakende benden.

En Geerten dacht in eens aan Lowis, die door ieder nu gekust werd in 't donker, wanneer, klokslag twaalf, de gaspitten uitgedraaid werden. Zijn bloed liep warm en heftig door zijn lijf ... hij vloekte ... ô die Trees!...

Hij hoorde stommelen op de trap ... Daar was ze! Ze trad binnen, wierp haar bont-geruiten sjaal achteloos neer op een stoel ...

—"Ehwel?" ...

—"Dood," zei Geerten ... "Ga roep iemand om hem te lijken ... hij is al bijkans koud ..."

—"'k Zal 't wel alleen doen ... een ander moet er zijn neus niet insteken ... en Sophie ook niet ..."

—"Niks gevonden?" vroeg ze ná een poos, naar de in wanorde liggende kast gaande om de lamp te nemen.

—"Niks," antwoordde Geerten norsch ... "'k trek er uit ... Zijt ge niet bang?" ...

—"Bang, begod,!" ... schamperde Trees, een slok zuigend uit haar fleschje, terwijl ze de kachel opkoterde en water opzette ... "Zie, als de moor maar al kookte, dan was 't gauw gedaan ..."

De deur draaide dicht achter Geerten ...

De straten waren slijkerig. De witte sneeuw van den vooravond was vertrapt tot vuil-gore massa, waarin de voorbij rijdende karren diepe sporen hadden gedrukt, glimmend in den blauwen maneschijn. De daken zilvrig belicht blankten hel tegen de ijl-donkere lucht, waarin de twinkelende sterren geprikt stonden ... Beenend langs heen de huizen, spoedde Geerten zich voort ...

Achter de hel-oranje stralende vensters der talrijke drankhuizen klonken vroolijke stemmen en luidruchtige orgelmuziek, en in 't voorbijgaan gluurde hij een danszaal binnen, waar in het verblindende licht van electrische gloeilampen, tusschen de schreeuwerige pracht der goud-omrande spiegels in de wanden, rondzwierden tollende paren. In de verte zag hij de opspichtende masten van een zeilschip; fel-wit op de stalenlucht teekenden de sneeuw-belijnde-ra's. Nog een straatje ... Hoe meer hij naderde, hoe grooter de drukte werd ... Zingende en zwijmelende matrozen liepen gearmd met liefde-deernen; pretmakers met volksvrouwen, dik gerokt en hoog gekapt sprongen in 't opsprinkelende slijk voor de deur eener herberg.

Aan den hoek der straat, waar Lowis woonde, bespeurde Geerten in de kringende klaarte van een lantaarn, een blikkerend voorwerp in 't slijk. Hij bukte zich en vond een hoefijzer ... Dat 's geluk peinsde hij en zijn mistevreden gezicht verhelderde: hij zou zijn motor hebben dat jaar ...

Bij Lowis waren de rolbeluiken neergelaten. Van wijd reeds, hoorde hij de luide stemmen der feestvierenden ... De deur stond op een kier. Geerten wierp ze open, stond in de hel-verlichte zaal ...

Onder 't pletsend licht van den vergulden gas-luchter, juist voor de schenkbank, stond de groote ronde tafel, waarom al de leden zaten van het Spaarfonds der Ware Varensvrienden. Lowis troonde nevens Franske. Geerten deed of hij 't niet merkte ...

—"Ne gelukkige zulle" ... wenschte hij, de uitgestoken handen schuddend ... Van Lowis kreeg hij een fatsoenlijken zoen op de stekelig-bebaarde wang ...

—"Zoo laat" zei ze ...

—"Vader is dood" ...

—"Is de H. Jozef dood?" wonderde Suske van Loock.

—Uitgeleefd, antwoordde koel-kalm Geerten ... uitgegaan gelijk een keersken ... Gulzig begon hij te smikkelen van hetgeen Käthe hem voorschoof, niet gewaar-wordend hoe de glanzige oogen der plezante bazin op hem rustten. Al zijn denken concentreerde zich op 't aankoopen van een moteurken, want nu had hij zekerheid dat vader wèl wat zou achterlaten ... wat kón dat hoefijzer anders beduiden?...

—Nu gaat ge erven? meesmuilde Franske ...

—Peeschijven, jokte Geerten terug ... Ze zouden 't nooit weten, besloot hij, Lowis ook niet ... 't Leek hem of hij 't geld al vast had. Al de teleurstellingen der vorige uren, 't vruchteloos zoeken, scheen hij vergeten, nu hij het heil-voorspellende hoefijzer in zijn zak droeg.

De luidruchtigheid nam toe ... De oogen der smullers glommen in de roodgloeiende gezichten. Nog enkelen peuzelden aan 't laatste beetje van 't opgediende konijn.

—"Wat kat, Vijg?" plaagde venijnige Charel, schoof de schaaltjes met kluifjes toe, deed de moe-gekauwde monden even vertrekken tot een glimlach.

't Bier klokte in de dorstige kelen ... Käthe deed het orgel spelen, en weer zong Franske met zijn neus-tenor een sentimenteel tingel-tangelliedje. Geert knabbelde voort. 't Vet droop hem in den baard. Met groote teugen spoelde hij 't schuimende dikke gersten naar binnen: zijn oogen flikkerden genotvol.

—"Alló Geert, laat eens zien wat dat gij kunt of Franske doet u nog den baard af," gichelde Käthe, wierp hem een stukje koek toe, dat hij in den wijd-opengespannen mond opving ... "Wat 'n bakoven" schertste Franske. Toen Geerten nog een konijnenkop had af gekloven, dronken ze allen hun glas leeg, en werd de tafel op zij gezet, want Lowis en Käthe wilden dansen.

Franske walste lustig met de plezante bazin ... Geerten zag hoe hij ze dicht tegen zich aan prangde, en 't liet hem koud. Van heel den nacht, keek hij naar Lowis niet meer om en dronk lustig al wat men hem voorzette, trakteerde Käthe, die nevens hem was komen zitten, neep haar tersluiks in de mollige armen en kriebelde ze onder de oksels dat ze stuiplachte en de overigen mee kwamen helpen ... De rosse gierde van pret, liet zich in stilte zoenen door Franske ... Käthe ging van den eenen naar den anderen, werd door de bedronken mannen op bier en wijn onthaald ...

Geerten voelde zich moê en ijlhoofdig: hij werd het gewaar dat hij toch zou moeten heengaan, dat Lowis nu alleen naar Franske verlangde en hem wegsturen zou ... Kwaadaardig besloot hij het langst mogelijk te toeven. 't Deed hem toch leed, te beseffen hoe heel anders het nu was tegen 't vorige jaar, toen ná uitbundige uitspattingen, Lowis nog vuriger dan anders naar hem verlangde en ze heur rond-mollig-, warm lijf tegen 't zijne vlijen kwam, daarna ... wanneer ze alleen bleven ... Tot den laatsten roeier, zwijmelend en lallend vertrokken was, talmde Geerten, en 't werd hem tot een wrang-genot toen hij er in slaagde Franske mee te troonen ... Ze durfde hem niet openlijk bedriegen!

Vóór hij zich te bed begaf, bestaarde hij nog eens het vuile oude hoefijzer, en in zijn binnenste bloeide open de blijde hoop ...

"De H. Jozef" was begraven. 't Loopen achter de vergulde lijkkoets, langs de vuile slijkstraten in den vroegen ochtend, had op Geerten een pijnlijken indruk gemaakt. Op de begraafplaats, wanneer de lange smalle kist in den verschen kuil, donker-gapend te midden der tintelende blankheid van de hier nog ongerepte sneeuw, verdween, was zijn hard-omkorst gemoed volgeschoten en 't schupken beefde in zijn ruwe eelthanden wanneer de aardklompkens op de kist neerdoften ...

Nadat hij in de tegenover het kerkhof liggende herbergen, met eenige zeupkens klare zijn emotie doorgespoeld had, toog Geerten te voet naar de stad terug, heel-alleen, wijl de anderen zich per rijtuig naar het sterfhuis lieten voeren, waar Sophie en Trees cognac zouden schenken: hij wilde niet terug naar vaders kamer. De koude lucht deed hem goed, verfrischte zijn zwoele gedachten. Drie dagen reeds liep hij rond met de zekerheid dat vader geen duit had nagelaten. Met Nieuwjaarsdag zegde Trees, dat ze niets gevonden had, ondanks heur lange zoeken en Sophie, zijn zuster, had schertsend gelachen toen hij naar geld vroeg.

—"Waar zou vader de centjes vandaan gehaald hebben! Had ze hem niet moeten onderhouden sedert moeders dood?"

Toch was Geerten niet heelemaal overtuigd. Eens toch had vader een bankje naar Jef, zijn petekind, gestuurd, en dan het hoefijzer! Aan die geluks-voorspelling klampte hij zich wanhopig vast, en in hem leefde soms lichtend op het voorgevoel, welhaast de noodige centjes voor een motorbootje te bezitten.

Vóór hij naar huis ging, wipte hij even bij Lowis binnen. Ze deed heel vriendelijk want ze behoefde zijne hulp om een mand champagnewijn aan boord van een Fransch schip te gaan afhalen. Heur frissche vleeschelijkheid kittelde hem plezierig, zijn onwil bezweek voor de lieftalligheid van haren blik en 't was laat in den namiddag eer hij vertrok, met de belofte 's nachts, na 't vervullen der opdracht, bij haar te komen.

't Donkerde toen Geerten thuis kwam. In de kamer waarin somber hing de duisterte van den nakenden nacht stapte hij een oogenblik heen en weer. De geruchten der plaats: het scherpe zware blaffen van een hond, het kermend schreien van een zuigeling of 't rauwe hoorn-toeten van den dagbladventer drongen dof tot hem door ... Traag begon hij zich uit te kleeden, wierp jas en broek wanordelijk-slordig over een stoelleuning, fluitend een straatdeuntje, trok zijn weeksche kleeren weer aan en zette zijn verkleurde pet, met het bengelend kwastje op de ver-vooruitstekende klep, op zijn ruigen kop.

Dan eerst stak hij de smerig-besmeurde olielamp op, die in 't trieste vertrek zijpelen liet heur gele klaarte, onheimlijk-begloorend, de manke meubels en de vuile tafel waarop nog glommen bruine koffieplasjes naast ongewasschen wit-blinkende kopjes van 's morgens. Een nog onaangesneden brood lag nevens een droge korst ... Geerten grommelde, schonk zich een bakje koude koffie in, beproefde de korst te breken, smeet ze dan kwaad op de teil terug; en het versche brood vattend, maakte hij er met de mespunt machinaal een kruis op, sneed zich een dikke homp. Koffie-slokkend verduwde hij 't brood met groote brokken, die zijn wangen uitpuilen deden.

"Verdomme, nu is dat wijf nog niet thuis ... en 't is bij zessen ... Ongeduldig was hij, nieuwsgierig te weten of er nu toch in 't geheel geen geld was, want weer hoopte hij, heel vagelijk en onvast ... Zijn blik boorde in de toekomst, waar op de goudig-doorzonde blauwheid der golven zijner droomenzee, licht-veerend danste het vurig-begeerde motorbootje, blank van kiel als een zwaan, met donker-fluweelen zitbankjes en een mooi-puntig wimpeltje, rood en wit, en op den stevig-scherpen boeg in gouden letters ... de naam ... ja, wiens naam?... de zijne?... die van Lowis?... Als ze dan al lang niet met een ander, met Fransken ...?!... was weggetrokken ... Had hij maar 't geld, dan kon hij ze vaster aan zich binden, want tegen een motorbootje had ze zich vroeger alleen gekant uit vrees centen te moeten bijleggen ... en 's nachts kon het roeibootje nog steeds gebruikt worden als 't noodig bleek ... wanneer hij 't geld had, zou hij heur een geschenk koopen, een broche, of eene "brachelet" of ...

Geerten vernam een scharrelen aan de voordeur, een stommelen in den gang, dan kwam, zwijmelend, met hangende haren en waterige oogen Trees binnen-zwalken, liet zich neerkwakken, plomp-zwaar op een stoel, de armen strak langs het lichaam, het hoofd loom-zwaar zakkend op de borst ... 't Scheen of ze, dood-vermoeid, in eens overvallen werd door looden slaap, of ze niet meer bij-machte was te beheerschen heur lijf, dat zakkerig ineen-gedrongen, hing tegen de stoelleuning. Heur trekken lijnden slap en uit den scheef-getrokken, halfopen mond kwijlde schuim-speeksel ... Geerten beoogde haar met schamper-lachenden blik ... "Ge zijt verdomd strontzat, Pruttige!" ... Na een wijle ... "En, is er geen nieuws over 't geld?..." "Allez toe, verdomd, hangt het kieken niet uit ... Hop!" ... Met ijzeren vuist omklemde hij haren arm, schudde heftig het willooze, voddige lichaam ... Geerten was toornig ... Zijn gezicht werd rood en zijn trekken nijdig-hard. Ruw, vatte hij zijn vrouw bij de schouders, poogde ze te doen rechtstaan, gaf heur een dof-klinkenden stomp in de zijde ... Lam-log zeeg 't slappe lijf terug op den stoel, maar op den grond kletterden neer met helder metaalgeluid twee groote, blanke vijffrankstukken die wegrolden onder tafel, wat waggelden, eindelijk met helder kinken omvielen. Vlug bukkend raapte Geerten ze op met grijp-grage hand ... Hier was geld!... geld!... Er was meer!... Er moest meer zijn ... Zooveel was er nooit in huis, kon er niet in huis zijn na drie dagen verlet van hem ... en Trees was al sedert acht dagen niet meer gaan leuren ... De stinkende lompen onder de trap, bleven het huis verpesten, werden niet verkocht.—Er was geld! meer geld!... Hij trok den diepen zak, in 't smoezelige kleed van Trees, om ... vond nog enkele frankstukken en smerige nikkeltjes, centen en een gedeukte wilde kastanje ... Er was geld, meer geld! Vloekend en tierend, schudde hij zijn vrouw, neep heur den neus toe dat haar borst uithijgde den zwaren jeneverstank, sloeg met vlakke hand haar in 't gezicht, dat zijn ruwe eeltvingers er hel-rood op afgeteekend stonden ... Dan liep hij naar de waterkruik en 't oude middel gebruikend, pletste haar een geut in 't gezicht, dat de vuile vette haarklissen ervan dropen en Trees, proestend, de oogen opende ...

—"'t Geld! 't Geld! schreeuwde Geerten schor ... 't Geld van vader!"

Verwilderd staarde ze hem aan, poogde te spreken, kon geen woord over de neerhangende lippen krijgen ... "'t Geld, 't Geld van mij!"

Trees stond nu recht, haalde de schouders op, knikte neen ...

Razend, met een hol-klinkenden vloek, gaf hij zijn wijf een stomp in volle gelaat, dat het bloed haar uit neus en mond gulpte ... "'t Geld!... 't Geld!..." Heescher gilde hij, moeilijk doorslikkend het overvloedige speeksel dat op zijn trillende lippen schuimde ... Rood-beloopen stonden zijn oogen, ver uit hun kassen.—

Het onvoorziene geweld deed Trees tot bezinning komen, ontnuchterde haar. Nu eerst verstond ze goed wat Geerten begeerde, en nà de verwondering over de onverwachte, vroeger nooit ondervonden mishandeling, had de schrik haar bevangen. Terwijl 't bloed in roode vlekken stolde op heur vet-plekkige kleed, slofte ze schichtig bijna door de kamer, tot bij het bed, kroop er half onder, pakte een oud staalzakje van graan beet en zich oprichtend, overreikte het aan Geerten, die met loerende oogen van wantrouwen gevolgd had elk harer bewegingen ...

In 't flauwe gloren der lamp, schudde hij 't beursje ledig op de tafel ... zijn oogen flikkerden, zijn dikke, gele handen scharrelden koortsig met zwart-gerande nagels in 't geld ... tellend ... briefje voor briefje —platstrijkend en beduimelend om zeker te zijn dat geen twee bankjes aan elkaar kleefden ... Hij vergat Trees en Lowis ... en de heele wereld ... er was geld ... geld ... wel vierhonderd frank ... Er moest méer zijn ... ze had er veel van opgezopen ...

"Trees ... hoeveel hebt g' er afgenomen?... Met trillende stem bekende ze vijffrank verteerd te hebben ... Er moest meer zijn, meer ... zei Geerten weer, hardnekkig ...

Dan, na kort bedenken, brusk: Van wanneer hebt ge 't geld in huis?...

Toen vertelde ze met kort-uitgestooten woorden, nog bangelijk ...

"Met nieuwjaarnacht, wanneer ge weg waart, heb ik gezocht, overal ... en in de lollepot van moeder zaliger ... heb ik ... in een toegeknoopten rooien zakdoek van vader ... 't geld gevonden ..."

"Goed, antwoordde Geerten kort ... stak de bankjes en 't zilver terug in grijze staalzakje, dat hij in zijn binnentasch borg ... en nu Salut!..."

Met groote stappen beende hij naar de deur, wilde weggaan ...

Schuchter, met tranen in de stem en wrang-vertrokken gelaat van bittere ontgoocheling, smeek-vraagde Trees ...

"Gaat ge nu alles óp-doen, Geerten ...?"

"'t Gaat u niet aan, pruttige zatlap!" beet hij haar bruut terug.

"Laat ons de helft doen," riep ze nog met beef-stem, toen hij reeds in de gang stond ... òf geef me wat voor 't huishouden" ...

Geertens zware, vierkante, krachtige gestalte verscheen terug in de deur ...

—"Om op te zuipen zeker ... Niks verdomsche teef!... en smoel toe, of!..."

Met forschen armzwaai en ballende vuist, deed hij een dreiggebaar ... "of 'k zal u raken!..." Trees kromp in-een van schrik ...

De straatdeur viel klakkend achter Geerten toe ...

Het heele huisje daverde van den schok ...

Geerten sprak met niemand over zijn onverwacht geluk, zelfs voor Lowis bleef hij gesloten en over zijn plan een moteurbootje te koopen, repte hij geen woord. Trees zou heuren mond wel houden, want elken dag herhaalde hij als een bruut-kort bevel ... "Smoel toe, of ..."

Weer verscheen hij 's morgens heel vroeg reeds op de kaai, trachtte zooveel klanten mogelijk te bedienen, was voorkomend en minzaam-beleefd ... bezield met den vasten wil meer centen te verdienen, hopend zich stil-aan een vaste klandizie te verwerven ... Met de andere roeiers hield hij zich nu minder op. Sedert de nederlaag in de worsteling met venijnigen Charel, was zijn populariteit afgesleten. Tusschen Franske en hem kwam het stil-aan tot een breuk vooral na de poets, die hij den jongen met Nieuwjaarnacht bij Lowis gespeeld had. De veete tegen de motorbootjes verscherpte en nu ging er bijna geen dag voorbij of er werd eenige schade aan de scheepjes toegebracht, vooral aan dat van Rik Schampavie.

Nu Geerten er ernstig begon aan te denken zelf een motorken te koopen, poogde hij zich bij Schampavie en zijn gezellen aan te sluiten ... 's Avonds, in 't naar huis gaan, bezocht hij meermaals "het Fleschken", trof er nu en dan den Rik en zijn maten aan, trakteerde soms met een rondeken dikkoppen. Hij voelde zich nu bijna volmaakt-gelukkig, vooral wanneer hij bijwijlen na 't avondeten, de hem op aanvraag toegezonden catalogen met modellen van motorbootjes, zat te bestudeeren, heel alleen, terwijl Trees de gedurende den dag gekochte lompen bij den opkooper te gelde maakte ... 't Wijf mocht niets weten, ze zou heur tong roeren, maar werken moest ze, werken iederen dag en de centen afgeven, anders sloeg hij heur onbarmhartig ... Hoe lang zou 't nog wel duren eer hij zijn moteurken aanschaffen kon?... 't Hoefijzer, dat hij tegen den boeg van zijn roeibootje gespijkerd had, deed hem wel wat meer verdienen en ook, 't weder was gunstiger dan in 't begin van den winter ... maar rekenend en herrekenend vond hij dat er nog wel honderd frank ontbraken ... Geen kleinigheid!... maar komen zouden ze er ... vast en zeker!...

Kort nà nieuwjaar had hij Lowis eenen geel-satijnen met zwarten kant bezetten onderrok, dien Käthe op zijn verzoek gekocht had, ten geschenke gegeven. De plezante bazin had zich dan weer bizonder lief en inschikkelijk getoond en verscheidene nachten achtereen had hij weer 't groote geluk gesmaakt nevens zich te voelen haar verleidelijk-weeldrig vleesch-lichaam, warm van onstuimigen lust. Maar nu slabbakte het weer en Geerten vermoedde wel, dat Franskens jeugd het op hem steeds winnen zou ...

Nu zijn wensch ging vervuld worden, wilde hij niet dat Lowis hem heelemaal ontvallen zou en soms knaagde de jaloerschheid aan het volle-heerlijke geluk, waarin hij waande te leven. Op een triestigen regen-morgen, in Februari, stelde Rik Schampavie vast, dat zijn motor niet meer werkte, wijl kwaadwilligen het schroefje stukgeslagen hadden. Dan beschuldigde Geerten in 't geniept, Franske, en 't werd hem een zoete victorie wanneer hij vernam hoe de Rik met zijn vrienden, zijn medevrijer hadden afgerammeld.

Stil-aan was hij begonnen met Franske te haten, en uit wrok beklapte hij hem bij Lowis, maakte hem verdacht bij de andere roeiers.

... o Die zouden staan kijken, wanneer Geerten, de Vijg, de Hoorndrager, hen concurrentie zou aandoen met zijn motorbootje ... Duivelsche pret lichtte in zijn blik wanneer hij daaraan peinsde.

Het geld, dat hij van Trees afperste en het zijne, scheen niet aan te groeien: ze konden toch niet leven van den hemelschen dauw! Hij probeerde nu zooveel mogelijk van de anderen te krijgen, liet zich trakteeren waar hij maar kon en was innig-verrukt, wanneer Lowis hem 's avonds met haar eten liet: dat was seffens een half brood gespaard, want thuis had hij verboden nog toespijs te halen ...

Er ontbraken hem nog meer dan tachtig frank, en indien hij zijn oud roeibootje nog voor dertig kon verkoopen was 't een buitenkansje.

Waar zou dat briefje van vijftig vandaan komen? Het geduld begon hem te ontbreken, om te wachten tot hij de rest door bezuinigingen zou bijeen gegaard hebben ...—

Klaarder en klaarder, al verzinnend, tikkelde in zijn geest òp, de verlokkende gedachte, die som bij Lowis te stelen ... Een misdaad was dàt zeker niet ... Aan de kaai robberden ze allemaal, de bazen net zoo goed als de werklie ... en Lowis had heur geld ook niet eerlijk verdiend ... Had hij zelf voor haar niet een rond sommeken door smokkelen gewonnen ... Wat waren in vergelijking daarbij, de arme vijffrankskens die ze hem betaalde?... niks! niemendál!... Allengskens dacht hij aan niets anders meer ...

Zooveel hinderpalen waren uit den weg geruimd, met vurigen ijver had hij nu alles bereid om zijn wenschen vervuld te zien en thans—om 'n arme vijftig frank, zou hij een half jaar of langer nog tegen hongerloon moeten zwoegen, eer zijn verlangen voldaan werd ... Verdòmd ... dàt mocht niet gebeuren!...

Aan Lowis kòn hij dat geld in leen vragen, maar hij zou dan moeten liegen en Geerten was bewust dat zij hem nog steeds genoeg beheerschte om hem spoedig den worm uit den neus te halen en dat wilde hij niet ... òf ... ze zou weigeren, en dan werd het eene onmogelijkheid de som daarna weg te nemen ... 't Simpelst was nog in-eens te pakken, wat hij krijgen kon ... Bij dit voornemen bleef hij ...

Wanneer hij nu in 't kabberdoesken aan de tafel tegen den toog zat, loerde hij immer met begeerige blikken naar de lade, waar de ontvangen munt met zilvrig-klinken, of doffen smak inviel ... Maar de bazin verwijderde zich zelden, en gebeurde het soms dat ze nevens een klant plaats nam, dan hield ze steeds het sleutelken van de op slot-gedraaide schuif bij ... in haren diepen moederkenszak ... onder haren zijden bovenrok verborgen ...

't Ving aan Geerten in 't end te vervelen en die wantrouwigheid der rosse waardin kwetste hem ...

Veertien dagen voór vastenavond verwittigde Lowis hem, dat hij een tonnetje Sherry van een Engelsch schip moest afhalen ... 't Valt mee, zei ze ... morgen is 't nieuw-maan ... en er zijn vijf frank voor u bij ...

Toen kreeg Geerten een kostelijken inval, die zijn heele tronie verhelderde en diepe lachrimpels over zijn bruin-verweerde kaken tot in de grijzende stoppels van zijn ringbaard deed loopen: Hij zou 't volle vat verlappen aan 'nen kroegbaas van de kaai en Lowis wijs maken, dat hij den heelen boel in 't water had moeten werpen, daar hij bijna door nachtwakers gesnapt werd!... Ze zou hem toch niet durven aanklagen of ze was zelf bakvisch ... dat was jandòme een goeï lol!...

't Werd een dichte dreigende regennacht, met een zwaar-donker bewolkte ster-looze lucht: over stad en stroom, één duisternis waarin als versomberde ...

... Met forsch-breede streken, de riemen geruischloos scherend over de opkammende baarkens, roeide Geerten terug naar de kade. Achter hem, log-onbeweeglijk, plompte de zwarte romp van de stoomboot, waarin de kleine lichtrondekens der kajuitspoortjes gelig glommen. Handig en rap had een vertrouwd bootsman, het niet heel zware wijnvaatje, zeer behoedzaam neergelaten in het vaartuigje, dat nu door de dalende en stijgende waterwemeling heendreef ... Geerten zag vóór zich de stoomers aan de kade, wier vele lantaarns hem tegenblonken: wit, rood en purper ... Over den stroom rustte een zware stilte, waarin soms ópklonken, duidelijk en klaar, de verre kettergeluiden van neerratelende kraankettingen op een lossend schip ... Breede lichtstroomen vloeiden uit booglampen aan den oever, doorboorden de ijle duisterte der ruimte, dansten in krinkelend-uitwijdende vuurstrepen op de golvenwriemeling, vervloten eindelijk lijze in de eeuwig klotsend-zingende deining ... Behendig ontweek Geerten de te schelle klaarte, verbreedde zijn riemslagen, poogde geruchtloos door de waterkabbeling heen te glijden, voorzichtiger wordend naarmate hij de aanlegplaats naderde ... Nu hij bijna voor eigen rekening smokkelde beving hem vrees. Hij liet zijn sloepje drijven met den afvloeienden stroom mee, langsheen den steil uit den vloed opsteigenden boord van eene postboot, zette zich overeind, de beenen schraag op de achterste zitbank en flikkerde ... Zoo stuurde Geerten heel gemakkelijk het vaartuigje tot tegen een ijzeren ladder, waaraan hij het vastmeerde ... Dan klom hij, vlug-buigend en strekkend armen en beenen, de sporten op, tot zijn hoofd boven den blauwen steen uitstak, oogde gespannen-kijkend links en rechts, en, niemand bemerkend, ging hij een dikke koord van twee haken voorzien, aan beide bodems van het tonneken vasthechten, klauterde ijlings op de kade, trok voorzichtig zijn vracht omhoog ... Sterk als hij was, viel de last hem niet zwaar, doch algaande brak 't koude zweet hem uit. Hij was een oogenblik beangst ...

Heel levendig beeldde hij zich in wat hij aan Lowis zou voorliegen: hij zag den blinkenden helm van den agent juist opdagen terwijl hij het vat omhoog heesch, voelde zich in gevaar, liet het touw los zoodat alles in 't water plofte en hij wegloopen kon ... Hij grinnikte in zich zelven, toch verschrikt door de fel-scherpe voorstelling. Zonder verontrust te worden geraakte hij met zijn tonneken, langs een achterpoortje, in 't bordeeltje "Zum siebensten Himmel", waar de baas den Sherry kocht voor vijf en zeventig franken ...

Geerts hart popelde van vreugde: nu zou hij zijn motorken kunnen koopen en comptant betalen! Uit danige blijdschap gaf hij een rondeken bock aan den baas en de drie bar-meiden, die tot diep in den nacht, achter de even weggeschoven purperen gordijnen, te vergeefs de klanten hadden verbeid ...

't Was bijna morgen wanneer Geerten bij Lowis aanklopte ... In haar witte nachtpon, waarin weeldrig-rondde de molligheid harer vormen en de losse borsten wibbelden, deed ze open ... Met schijnheilig-ontdane tronie vertelde hij hoe, ongelukkig-genoeg, dat vervloekt vat was kwijt gespeeld, en hoe het hem amper gelukt was te gaan reepen snijden. Een moment bekeek Lowis hem stijl, werd dan boos over 't ondergane verlies ... Heur mond trilde van ingehouden toorn terwijl Geerten voortraasde, opgewonden door de ettelijke "bockskens", gedurig terugkomend op 't geluk dat hij nog had te kunnen gaan vluchten ...

Bruusk-ruw in de gevallen stilte, zei Lowis hoonend en woedend: "Vijg!" ...

"Salut, tot morgen," antwoordde Geerten, niet-eens heel erg getroffen, maar voelend hare verachting ...

De zotte dagen van dolle pret waren in 't land ... Zooals ieder jaar zouden de "Ware Varensvrienden" den laatsten dag van vastenavond, in groep uitgaan. Daarvoor spaarden ze sedert nieuwjaar in 't kasken, dat bij Lowis in de herberg hing, tegen den muur tusschen een in vergulden kader ingelijsten Red Star-boot en eene hoog-bont gekleurde reklaam van Scotch Whisky.

De weinig talrijke leden, allemaal roeiers, kwamen tegen den drieën samen hij de Plezante bazin om 't gespaarde geld te trekken. Ze hadden een grooten platten natiewagen gehuurd met twee stoere, zwart-glimmende gek-getooide paarden bespannen ... Op den wagen stond een versch ontstoken gerstenton en een komfoorken met lange buis, waarop Käthe, bij 't doorrijden der stad, koeken zou bakken ...

Wanneer de Plezante Bazin-zelf, klaar was, kwam heel de groep al zingend uit de herberg, nam op den wagen plaats ... Heel de buurt stond met gapenden mond te kijken op het rare gedoe der maskeraden, elkander- aanwijzend onder luid-proesten de mannen of vrouwen, die ze herkenden ondanks hun gemaakte stemmen ... Lowis, breed en groot, had een rose zijden, druk met roode linten versierd bébé-kleed aangetrokken, zoodat onder 't kanten bezetsel heur mooi-gevormde in vleesch-kleurige kousen gespannen kuiten, zichtbaar bleven ... Heur vlam-ros haar slierde los over rug en schouders, en onder de breede kap met vrij wuivende, zacht-roode binders, donkerde ernstig het zwarte masker met de gloeiende oogen. Naast haar stond Geerten, in lang wit nachthemd; voor 't aangezicht een doodskop, schel-geel bij 't smetlooze wit eener fel-gepinde vrouwenslaapmuts ... Franske was er in clown, veelkleurig en nauw-sluitend om zijn ranke lichaam en bij hem bevond zich Fientje in fluweelen jongenscostuum, strak-passend om heur lenden en wel-gevulden sierlijk-rondenden boezen. Heel de ploeg, ruige roeiers in ouw-wijven met reuzige hangborsten, en dik geheupte vrouwen in mans-kostuums was reeds op den wagen. Ze wachtten enkel nog op Käthe ... Venijnige Charel in bloed-rooden torero uit Carmen, wipte terug binnen, bracht Käthe, in goudbestikt Tyroler-meisje, mee buiten. Ze droeg een grooten pot met hoog opgewerkten pannekoeksdeeg. Dan, met een forschen ruk der zich schrap-zettende, paarden, bolde zwaar de wagen over de bobbelige kasseide ...

Domien had zijn harmonica meegebracht, begon te spelen, ernstig, bijna plechtig ... Heel de straat dreunde van 't uitgelaten jubelzingen ...

... Wij zijn hier, wij zijn hier!...

Wij zijn de mannen van het schipperskwartier!...

Hoog-gillende vrouwenstemmen en zwaarder mannengeluiden galmden door elkaar, overschreeuwden de moeilijk volgende, zeur-zingende en hijgende harmonica. Het ouwe Suske van Loock sloeg met den koterhaak op het potdeksel ... Bij elken hotsebots over een hobbeligheid van den steenweg werden ze door elkaar geschud ... Groepen dansende en zingende kinderen, hand in hand, volgden hen ... Franske en Vernijnige Charel wierpen centen te grabbel, die de knapen, malkaar stootend en stampend, trachtten te bemachtigen, haarkenpluk doende wanneer milde werpers het geboden ...

Op de Meir, kuierde 't volk in dichte drommen over de gaanpaden, wijl de stofferige confetti, geel en rood en blauw en wit, op de stemmig donkere kleederen neerwirbelde en de lange veelkleurige linten der slingerende serpentines met gracielijken zwaai, ál krinkelend, door de gouden zonnigheid der lichte lucht flitsten en midden de menigte neerdraaiden ...

... Hier begon de jool voor goed ...

Käthe bakte koeken, wiep ze handig in de hoogte, ving ze weer op, en zingend en drinkend werden ze half-gaar en zonder suiker binnen gesneukerd ... Soms door 't schokken van den wagen en 't danige dansen, viel een koek op 't hoofd der mannen ... Dan gierden ze 't uit van dolle pret, schreeuwden en schaterden wild en luid ... Welgemikte serpentines omzwierden Lowis, die te midden der vreugde haast waardig troonde naast zwelgenden Geerten. Ze voelde hoe de blikken der mannen rustten op heur vollen boezem, die, wen ze met de anderen moest meespringen, vroolijk opwipte ...

Haar nabij stond Franske, dien Fientje niet uit het oog verloor ... 't Meisje bleef ernstig, zag jaloersch naar de flink-gedraaide kuiten en de weeldrig-lokkende vleeschelijkheid van de rosse. De wagen doorkruiste heel de rumoerige stad, van tijd tot tijd stilhoudend voor een groot koffiehuis, waar de linksche roeiers zich op andere Zondagen aan begaapten ... Daar maakten ze dan een helsch spektakel, renden tusschen de wit-marmeren tafeltjes door, malkander bij de schouders vasthoudend ... In de kroegjes waar ze aanlandden, dronken ze, en bralden schunnige liedjes ... Wanneer de avond gevallen was, werd de wagen naar huis gezonden. Arm in arm, de mannen reeds zwijmelend, slierden ze door de straten, baldadig gillend uit heesche kelen ... Domien, met zijn harmonica, liep met lamme slungelig-buigende beenen en vooroverhellend lijf, vooróp, trok bij poozen een klagend-snerpenden toon uit zijn nauw nog plooiend en rekkend speeltuig.

Geerten, verwarmd door den drank, opgehitst door de kittelende bekoring, die van Lowis uitging, trachtte steeds heur arm te grijpen, wilde ze ontrukken aan Franskens indringerigheid. Heel de ploeg ging van danszaal tot danszaal, stil-aan afbrokkelend, wijl hier en daar, enkelen met vrienden plakken bleven zoodat de joelende hoop staag verminderde ...

Rond middernacht waren ze nog met hun vieren: Geerten, soezerig-zeurend in zijn bevuild en verfrommeld nachthemd—een bespottelijke dood onder de half scheef-hangende pijpjesmuts—met 't pipsche Fientje, en Frans, levendig opgewekt met rosse Lowis, wier lijf hij genot-vol beroerde wanneer 't gedrang groot was ... Fientje, jaloersch, deed lief tegen pappig-ongevoeligen Geerten, om heur vrijer te tergen ... Samen trokken ze naar de Scala ... Geerten, wat suffend, moeilijk ademend langs den reeds door bier-drinken en sigaren-rooken week-geworden mond van zijn doodshoofd, liet zich meetroonen, betaalde voor Fientje.

In de groote druk-versierde danszaal, onder de van pijler tot pijler kartelende arabische spitsbogen, hing een muf-zware grijze lucht doortrokken van sigarensmook en bedwelmende wijngeuren, als een dichten nevel omwasemend de duizenden lichtpeertjes, die in vurig-veelkleurige festoenen langs de bogen slingerden.

Schetterend doordaverde schel-gemeene muziek de dronken-makende atmosfeer, overschreeuwd door de rumoerende en tierende dansers ... De hal dreunde van dubbelzinnig-liederlijke zangen stijgend uit heesche strotten.

Een oogenblik stond Geerten verbijsterd, dan greep Fientje hem beet, dwong hem mee te springen, want Franske en Lowis waren reeds in den bak ... Hij bemerkte hoe zijn medevrijer een arm om de lenden der plezante bazin legde, hij hoorde hoe zij, het zwaar-omlokte hoofd achterover werpend, klokkend schaterde uit volle keel, wijl Franske heur kittelde. Om hen wirrelden wriemelende koppels in wilde bacchanale, elkander omstrengelend en zoenend met vollen mond ... Steeds dreunde de muziek en lawaaiden de schorre stemmen ... Om de dansruimte stonden heeren, die de vermomde vrouwkens vastpakten en lijk ballen naar elkaar overwipten ... De saturnale vierde hooggetij tusschen de dooreenkrielende verbeeste menigte.

Opeens, slaakte Fientje een kreet, trok heur geleider voort buiten het gedrang, onder de galerijen waar prieeltjes in vuil-groen loover gebouwd waren ten gerieve der champagnewijn zuipende wellustelingen.

—"Geert ... Geert ... ze zijn niet meer te zien ... Franske en de rosse."

Geerten verschrikte, kwam plots tot bezinning nu hij zich buiten den steeds voortjachtenden dans bevond ... Zijn bloed kookte, klopte in zijn slapen ... Fientje sleurde hem mee naar boven, waar ze zicht hadden op heel de zaal ...

In den rook en de walgelijk riekende wijn-dampen, tusschen de fluwijnig-blanke of blakend-verhitte gezichten der vuig-beluste menschen, trachtten ze de vermisten op te sporen, doch nergens bespeurden ze 't rose bébé-kleed van Lowis noch den spannenden veelkleurigen clown van Franske ... De tranen stonden Fientje in de oogen.

—"Ze zijn wellicht in de priëeltjes gekropen," sprak Geerten schor van opwinding en jaloerschheid ...

Samen liepen ze langs de groene looverhuisjes, die ook boven op de gaanderij opgetimmerd waren ... Hier werd botgevierd de zinnelijke geilheid ... In de armen van bleeke jongens, door traag opgeslurpten Champagner opgewonden, lagen rookend en drinkend, de ver uitgesneden kleedjes los-hangend over de losgewoelde borsten, jeugdige meisjes, 't masker weggetrokken om vrij te laten den wulpschen, karmijn-rooden, zoen-gragen mond, waarop de nat-bloedlooze lippen der genieters zich vastzogen.

Gejaagd, nauw-ademend, met loerend-ijverzuchtige blikken liepen Geerten en Fientje, speurend, langs helsche lust-huisjes, waar door éenzelfde opgezweepte dierlijke genotzucht gedreven, mannen en vrouwen elkander omvingen; wijl buiten deinde de menigte der kijkgragen, met glunder-glinsterende oogen, spotwoorden roepend ...

Nergens was Lowis te zien ... Immer opgewondener drong Geerten verder, op zijn beurt meesleurend 't walgende Fientje ... Nu nog de benedenpriëelen langs!

De roeier botste op twee, heel-laag gedecolleteerde lichtekooien, die hem uitscholden: hij hoorde niets ... 't Zweet gutste hem over 't lichaam, hij trok het onderdeel van zijn masker stuk, hijgde naar adem. De haren los, het fluweelen buisje door toetastende handen half van 't lijf gereten volgde Fientje, gedwee ... Ze vonden niemand ... "Ze zijn weg," zuchtte ze, begon bijna te weenen ... Geerten vloekte ruw ...

Samen verlieten ze de zaal ... Ontdaan, sprakeloos, doorkruisten ze de stad, trokken koffiehuizen binnen en uit, in doelloos zoeken. Het motregende ... Het water sijpelde hun door de kleederen ... Geertens witte hemd was met slijk besprinkeld ...

Voortdurend vlotte de menigte langs de hel-verlichte straten, en 't leek hen of er vele dagen verloopen waren sedert hun vroolijken tocht per natiewagen door de leutig-feestvierende stad ...

Geerten gevoelde dat hij nu overwonnen was, dat de stille strijd tusschen hem en Franske om 't bezit der plezierige schoonheid van rosse Lowis nu geëindigd was met zijne neerlaag ... Een oogenblik kwam de gedachte in hem op zich met Fientje te wreken, doch ze zijlings beglurend in het smart-verwrongen gelaat, vond hij ze te miezer en niet begeerlijk genoeg. Thans, na de opwinding van den dag, werd hij intens bewust hoezeer die vrouw hem diep in 't bloed zat.

Toen de kille morgen naakte en de wandelaars schaarsch werden, liet Fientje Geerten alleen ...

"Ik ga naar huis zei ze, misschien is Frans dàar, maar 'k denk het niet ... 't zal wel "af" zijn tusschen ons ..."

Treurig, sukkelde Geerten door verlaten straten van eenzaamheid. De fijne regen druilde aanhoudend neer, deed spiegelglimmen de steenen ... Zijn mombakkes hing af, losjes zwierend aan het bindsnoer ... Aan de werf slenterde hij van kroeg tot kroeg, verstompend zijn denken door borrel nà borrel, tot het schuimspeeksel de lippen vieselijk bekroesde ... Van 't gaanpad zwijmelend, gleed hij uit en viel, langsheen in 't slijk; werd door een nachtwaker opgeholpen ... Voort strompelde hij weer, nu eens schuivend langs vuil-vochtige gevels, dan weer knieënknikkend zwalkend naar 't straatmidden toe ...

Er begon beweging te geruchten in de loom-ontwakende stad ... De eerste tram snorde voorbij, werklieden, nog slaperig, togen naar hun arbeid, bespottend den smerigen maskeraad met de loddelijk-bengelende doodskop-mom ... Straat-in straat-uit sjokkerde hij, in de triestige klaarte van den smokkeligen regenmorgen. Het stadsleven ging alweer zijn gewonen gang. Onbewust was Geerten in 't buurtje gekomen, waar Lowis woonde ... Langsheen de huizen scherend, door al de buren nageoogd, en van de joelende straatjeugd gevolgd, geraakte hij voor de deur van 't kabberdoesken ... Met groote moeite trad hij de stoep op ... stootte de deur open ... de bel relde ... Zwijmelend, van zich-af spuwend, met verdwaasde oogen stond hij midden den reeds opgefrischten vloer der gelagkamer.

Daar verscheen Lowis, in haar nachtjak, ver-open op blooten blanken boezem en Franske in hemdsmouwen. Nog vóor Geert den tijd had een woord te bazelen had Fransken hem omvangen, en Lowis de deur wijd-opengegooid. Met een flukschen duw en een trap van de bazin, vloog Geert de deur uit, tuimelde zwaar op de slijkerige steenen.

Ontnuchterd richtte hij zich op, en aangehitst door de talrijke kijkers, wilde hij de deur instampen, gelukte erin ze te ontsluiten, doch werd door Franske terug gedrongen en met één stomp midden de borst neergesmakt, wijl Lowis op hoonenden toon, dat allen het hooren konden, hem achterna riep: "Vijg!!" ...

Grommelend-vloekend, bezag hij woedend de gegrendelde deur ... zwierf dan voetje voor voetje, machteloos-zwikkend, binnensmonds verwenschingen lallend, verder in zijn potsierlijk maskeraden-pak.

"Pietje de dood!" huilden gier-lachend de straatjongens en saamgetroppelde buur-vrouwen spotten plat-weg: "Hoorndrager" ...

Vuistdreigend keerde hij zich om ...

"Worst!..." "Vijg!!..." "Pietje de Dood!!..." brulden de kinders, den waggelenden roeier steeds dichter naderend om aan zijne fladderende hemdslippen te snokken ... vluchtend wanneer hij zich omdraaide ... En "Vijg"-roepend, grabbelden ze in den modder, wierpen met groote klodden, die uiteenspattend tegen zijn goor plunje pletsten en erop kleven bleven.

Eerst in den morgen van den volgenden dag werd Geerten wakker, zette zich half recht, voelde zijn dikke tong droog in den papperigen mond, wreef zich de nog-zwaar neerhangende oogleden en gaapte met vervaarlijke openspalking der ruig-behaarde lippen ... Stil-aan rees hij uit zijne verdooving, kwam bewustzijn in zijn kop. In de smerige bedompte kamer viel schaars het zonnelicht, even beglansend den grauw-rooden tegelvloer, met kleine vlammetjes fonkelend in de glasstolp van den kruis-lieven-Heer op de schouw. Op de kachel stond de moor suizend te stoomen ...

Trees slefte rond in 't keukentje, sloeg haar vent van ter zijde gade, wachtend op zijn eerste woord. Klappijen hadden haar den vorigen dag, nadat ze Geerten 't vunzig-besmoezelde pak had uitgetrokken en te bed geholpen, 't gebeurde in 't lang en breed verteld, haar den wijzen raad gevend van deze gelegenheid te profiteeren om Geerten thuis te houden ... Trees had heur beste kleeren aan en heur vuil donker-bestoven haar zat strakker dan gewoonlijk in twee stijf-weg-gestreken blessen ... Ze schonk koffie op, onafgebroken sprakeloos loenschend naar Geerten wiens tanige verwilderde kop, terug neergezakt was in 't kussen ... Eindelijk nam ze een kop, spoelde ze gauw uit, goot ze boordevol koffie, bracht ze haren man ... Die ongewone vriendelijkheid verwonderde hem, deed hem zacht-aan en meesmuilend slurpte hij met groote slokken den drank, die klokkend spoelde door zijn bier-vuile keel ... Plots Trees aankijkend, taalde hij verbaasd:

"Hedde-gij, verdraaid uwen besten tenue nu niet aan ... Pruttige?..."

—"Ja, Geerten ..."

—"Wel, God van maranten, zoude niet omvallen en ter eere van wat Heilige?..."

—"'t Is moeder-zaligers sterfdag en ik moet naar den dienst, in de Preekheeren ... dat weet ge toch wel ..."

't Leek hem de moeite niet meer waard, daarop te antwoorden. Allemaal centen weggesmeten, meende hij, en liet Trees betijen zonder naar heur om te zien, tot ze eindelijk vertrok na lang zoeken in eene half uit-de kast hangende lade, om heuren paternoster te vinden ...

—"Zijt gij nog thuis, straks, wanneer ik terugkom?" vraagde ze ...

—"'k Weet niet ... 't Gaat u niet aan ... Salut! en den wind ván achteren!..."

Wanneer zijn vrouw weg was, sprong Geerten 't krakende bed uit, begon zich te wasschen in een grooten emmer koel water ... 't Was hem een weelde de frissche nattigheid over rug en harige borst te laten stroelen, en proestend spoelde hij zijn zeep-schuimenden ruigen kop, dat de haren recht stonden in dikke klisjes bijeen-geplakt ...

Nu was hij heelemaal opgeknapt en onder het eten der dikke met margarine besmeerde brood-hompen, kwamen als een martelende obsessie de herinneringen aan 't gebeurde van den vorigen ochtend in hem opdringen. Geerten had verdriet, nu hij wist hoe het onvermijdelijke gebeurd was: tusschen hem en Lowis was alles gebroken en uit.

Kauwend op zijn pruimpje zon hij op wraak, doch het bleek hem weldra bespottelijk zijn plannen te volvoeren. Het hielp tóch niets dat hij Fransken paars en blauw sloeg of de ruiten van 't kroegsken ging ingooien ... Aan zijn vroegere onoverwinnelijke kracht was hij, sedert het gevecht met venijnigen Charel, allengskens gaan twijfelen. Wat zou die lachen en leute hebben om zijn ongeluk ... Hij hoorde hoe de anderen meevooisden: "Dats rats in mijn voeten" ... Franske mocht doen wat hij verkoos: immers 't was een jongman, en dat hij Fientje Mossel zitten liet was een dagelijkschheid, waarover na een wijle, de ratelende tongen wel zouden zwijgen. Zoo redeneerend, besloot Geerten van zich maar in het ongeluk te schikken. Iets anders nam hem nu heelemaal in en dat zou worden zijn wraak ... op Lowis en schoon Franske ... den Venijnigen en al de andere luizen: nu zou hij zijn moteurken welhaast bezitten.

Kort ná 't geval met het in stilte verschacherde vat wijn, was hij in onderhandeling getreden met een constructeur voor 't bouwen van een sierlijk bootje, en daags vóór vastenavond-nog, had hij toegeslagen en een voorschot aan den wantrouwenden handelaar afbetaald ...

Wanneer Geerten aangekleed was, trok hij naar het werkhuis om den bouwer spoed te doen maken, want hij wist wel dat hij voortaan bij de andere bootjes-roeiers niet meer in tel zijn zou ...

Iederen morgen bijna, ging hij nu kijken hoever 't met zijn moteurken stond, en wijl hij nu geen geld thuis bracht, dwong hij Pruttige Trees, elken dag met haren stootwagen vodden te gaan rondhalen in de stad ... 's Avonds moest ze 't geld, dat de opkooper haar betaalde voor de vuile lompen, aan Geerten aftellen en wanneer ze te weinig aanbracht, raasde hij vloekend en dreigend ...

Op een namiddag deed hij zijne oude roeiboot op een steekkar thuis brengen, begon ze dan op te schilderen ten-einde ze te kunnen verkwanselen, want in zijn ijver om 't mooiste moteurken te hebben had hij er versieringen doen aanbrengen, die den prijs ervan deden stijgen boven 't bedrag waarover hij beschikte ...

Trees waagde niet uit te vorschen waarom Geerten niet meer roeien ging; ze meende dat hij zich schaamde over zijn belachelijk avontuur met Lowis, want voor haar bleef de aankoop van 't moteurken een geheim.

Nu ze 't oude roeibootje liggen zag, op de binnenplaats met de versch- geteerde zwartglanzende kiel in de lucht, durfde ze eindelijk te vragen aan Geerten, die ijverig-borstelend de boorden licht-rood kleurde ...

—"Wat zijt-ge nu van zin, Geert, met uw bootje"?...

—"Verkoopen," snauwde hij norsch ...

—"En dan"?...

—"Verrekt", klonk het nurksch-kort-af ...

"Brengt maar eens thuis," voegde hij er bevelend aan toe, veegde dan heel voorzichtig de schel-roode verf uit, profijtelijk-kauwend op een oúwe pruim, speeksel spritsend links en rechts in vuil-donkere vlekken op de grijs-blauwe steenen ...

Van tijd tot tijd nu, trok Geerten de Schelde over naar Sint Anna, waar hij den huisbewaarder der Yacht-Club bezocht, met hem hernieuwend de kennismaking van vroeger toen ze samen als lichte matrozen vaarden op den "Devonshire" ...

Sluw-royaal trakteerde hij, nam den Bart in vertrouwen, deelde hem mee hoe hij in 't geniep een motorbootje liet maken, vroeg of hij hem zou aanbevelen bij de heeren der Club, om hen over te brengen, wanneer zij in den zomer naar op-stroom-gemeerde zeilscheepjes wilden komen ... Vreugdevol staarde Geerten nu de toekomst in, die hem tegenlachte, gul en veelbelovend ...

Op een avond, keerde hij, in-vroolijk, bijna uitgelaten, terug van den constructeur, die hem 't bootje had laten bekijken ... Kant en klaar was het, alleen moest het nog wit-geschilderd worden en van rood-fluweelen zitbankjes voorzien ... Heel helder zag hij de ranke slanke lijnen van den scherpen boeg, en de fijne buiging van de flink-stevige kiel, waar, heel van achter, het kleine drie-bladige schroefje aangebracht was. Nog een week geduld en 't bootje zou door 't Scheldewater klieven ...

Peinzend en zinnend beende hij, door oude gewoonte gedreven, langs de straat, waarin de Plezante bazin woonde. Vóór het huis was het zwart van bijeengedromd volk ... Nieuwsgierig naderde Geerten ... Hij hoorde 't door elkander roepen van twee hoog-schelle vrouwenstemmen, ópjoepend boven 't gelach der omstanders ... Hij herkende de taal van rosse Lowis, was een oogenblik ontroerd, naderde toch om te zien.

De plezante bazin, schoor-staande op beide uitgespreide beenen, de armen wijd-open, versperde met heur zware gestalte de heele deuropening ...

—"En ge zult er niet binnen," krijschte zij, uitdagend ...

—"Smerige rosse hoer"!!...

In de pletsende klaarte der hel verlichte vitrine stond Fientje. Snel vingerde ze in heur kapsel, dat slierend losgolfde op haren rug, greep een paar haarspelden, en heesch-vloekend, wipte ze op Lowis af, poogde haar 't aangezicht van-een te krabben.

De rosse schoot naar heur aanvalster toe, greep ze bij de hangende haren, trok er-mee, woest sleurend dat het meisje van pijn gilde. Met brusken armzwaai klauwde Fientje de bazin door 't van inspanning hoog-paarse gelaat, dat het bloed langs heur kaken biggelde ... "Daar leelijke smots!" ... "Allemansgerief" ... Lowis wilde de tierende vrouw omklemmen, doch zij verweerde zich dapper, greep de bazin in 't roode haar, dat de dikke vlechten uit-een vielen, trok met een sprong de mooie valsche krullen af, smeet ze op den grond, tot groote jool der gapers ...

—"Wat is hier te doen, baaske?" vroeg een juffrouwtje aan Geerten ...

—"Twee wijven die vechten" ...

—"Waarom?"

Zonder antwoord te geven, bang de aandacht te trekken, nu vooral wijl hij Fransken uit het portaal der herberg springen zag om de twee worstelende harpijen te scheiden en partij voor Lowis te kiezen, trok Geerten voorzichtig af ...

Weldra was het overal bekend dat Basse een moteurbootje in de maak had en er eerstdaags mee op de Schelde verschijnen zou. Dit nieuwsje verwekte onder de bootjesroeiers een opschudding van belang, vooral toen ze vernamen dat de "Vijg" op aanraden van Bart van de Yacht-Club in alle Vlaamsche en Fransche kranten eene advertentie had doen plaatsen, waardoor hij beleefdelijk verzocht om de gunst van 't publiek, en zich ter beschikking van ieder stelde voor 't maken van vaartochtjes aan billijke prijzen, op den stroom. Ze vermoedden wel, dat Geerten den Bart lekker had mogen betalen voor die hulp, maar 't gaf hun tevens de zekerheid dat de mededinging nog scherper worden zou.

Rik-Schampavie-zelf, duchtte Geertens concurrentie, het meest wijl hij nog steeds iedere week geld aan den baas uit 't Feschken afkorten moest. Er ontstond van lieverlede eene toenadering tusschen de ploeg van Rik en de gewone roeiers. Geen dag ging voorbij of er werd over Basse gesproken in dreigende woorden, en iederen morgen verwachtten zij er zich aan het spik-splinternieuw moteurken te zien wegtuffen, sierlijk snijdend door 't groene Scheldewater.

Vooral schoon Franske smaalde op zijn vroegeren makker, dien hij nu haatte en vreesde tegelijkertijd, wijl hij hem verdacht Fientje te hebben opgestookt tot het opstootje, waar de vuurrosse schoonheid der plezante bazin, zoo deerlijk gehavend was uitgekomen. Hij was ook naijverig, in stilte bang dat Geerten zijn oude plaats in 't hart der veranderlijke Lowis, terug innemen zou nu hij met zijn motorken meer geld verdienen kon ... Vloekend en tierend, zette hij bulderend, de anderen aan het bootje bij de eerste gelegenheid de beste te vernielen ...

Door de koepeling der doorschijnend-blauwe mei-morgenlucht, waarin zweefden de roomige wollige wolken-vlokjes, goudomboord en flossig, vloeide 't heerlijk jeugdige zonnelicht, de heele ruimte doortintelend met glanzende klaarte, gloeiend op de vergulde tinnen der hooge huizen en kristallijnig flonkerend in de opsprinkelende waterdroppels boven de schuimstrepen, die zachtziedend uitlijnden achter de staag-forschig malende schroef van een wegstevenend stoomschip ...

Rank-wit, sierlijk vlug schoot Geertens moteurken door de opkammende bobbelbaren beschubd met kwijnend-gouden lichttintelingen, door elkander wemelende schakeeringen van veranderlijke kleuren: licht zee-groen vervloeiend tot diep-hemelazuur teer-blank gestreept ... Zijn bootje huppelde blij en gezwind op de hobbelende golven, die achter den loggen stoomer uitwaaierden, tegen den oever klotselend verstierven ... Heerlijk, overmoedig-jong, klonk het doffe tuf-ontploffen over den wiegelenden vloed, werd door de kaaien teruggekaatst ...

Langs den scherpen boeg sprong het water òp, gleed kabbelend op-zij, vloeide in gesmijdige lijning terug omlaag, langs de blanke flanken, in de diepe barenwemeling, werd eindelijk tot wit-opborrelenden schuim-staart geslagen door 't onzichtbare schroefje ...

Met volle kracht, bij kort klare knallen van den motor, scheerde het rijzig-lijnende vaartuigje over de deining als een witte meeuw, drijvend met langs het lichaam gestrekte vlerken, keerend en wendend, lenig-slank, brekend den opsprinkelenden golf-slag, die het een oogenblikje, zacht-veerend dansen deed ... Zoetjes dobberend sneed het door de ruischend-bruisende wriemeling der rolle-bollende baarkens ...

Geerten had daar juist zijn vijfden klant overgebracht, en nu vond hij er een danig genot in zijn moteurken te doen heen en weer varen, midden de zon-overgoten rivier ...

Eene overzetboot paddelde voorbij ...

De menschen op het dek oogden het mooie òp wippende scheepje ná, dat Geerten dwars-door 't vaarwater stuurde ... Traag, onder 't forsche buigen en strekken van spierig-pezige armen, schoven roeisloepjes over den stroom, moeilijk vooruitkomend tegen het opkomend tij, dat de vaartuigjes altijd afdrijven deed.

Schoon Franske, keerde terug van Sint-Anneken. Zijn bootje was leeg ... Regelmatig plonsden de riemen in 't water, deden duizenden zon- doortintelde druppels opstuiven bij elken slag ... Zijn plat-bodemig schuitje was log en zwaar, moeilijk om te besturen.

Tuffend kwam Geerten aandrijven, klievend door de meevloeiende strooming. Franske stuurde zijne boot dwars voor 't moteurken ... Plots-opschrikkend, wilde Geerten opzij-wegschieten, doch de vloed voerde hem mee en met een doffen knots botste hij met groot geweld op Franskens schuitje, dat koppeken onder deed, weer boven kwam ... De motor stond stil, pufte niet meer ...

Franske was overeind gesprongen, een riem hoog-opgeheven, vloekend ... Met een forschen armzwaai bonsde de roeispaan op den half-verdekten boeg van 't moteurken, sloeg een diep bosselende bluts in 't zink, deed de afblottende verf in schilfers rondspringen.

Woedend, schor-schreeuwend greep Geerten zijn noodriem, die in 't bootje lag, zette zich schrap-schrijlings op 't rood-fluweelen zitbankje, zwierde met uitgestrekten arm zijn riem boven Franskens kop ... Van den oever kwamen roeibootjes aanvaren, snel voortbewegend onder de dubbel-krachtige slagen der nieuwsgierige mannen ... "Zóo rap hadden ze't nu toch niet verwacht" ...

Met een fellen slag verbrijzelde Geerten den riem in Franskens hand ... De brokken ploften in 't water en van den hevigen schok wiegewaagden en dobberden de bootjes, wild stijgend en dalend ... Ras vatte Fransken zijn tweede roeispaan, hakte er geducht mee op 't witte vaartuigje, dat bij elke wiegeling water schepte.

Al de roeischuitjes lagen samengeschoold om de worstelende mannen, wier machtige gestalten flink-omlijnd, pezig-stoer, klaar-afgeteekend stonden op de ijlheid der zon-doorgloeide meilucht. De kampers repten geen woord, hijgden van inspanning, elk oogenblik vreezend den noodlottigen houw, die hun deinend bootje zou doen kapseizen ... De kijkers riepen, hitsten hen op lijk vechtende honden. Op de wandelbruggen, op de dekken der schepen, aan de kade, verdrongen zich de toeschouwers, staarden met verwonderd-angstige blikken. De hevelende kranen, stonden een pooze roerloos met in de lucht den bengelenden last aan den stijf uitgestrekten arm, en gedurende een oogenblik, hing ongewone stilte boven den rimpelenden stroom, waarover laaide in slinger-strepen vloeiend goud, de pure straling van 't zonnelicht.

Geerten bukte zich, den ruig-behaarden kop intrekkend tusschen beide schouders, wipte dan weer recht, kapte als een bezetene op Franskens schuitje ...

Plechtig-bijna, hief Franske de zware roeispaan krampachtig met beide handen omkneld, omhoog, wijl zijn bloeddoorloopen oogen uitpuilden in 't roodblakende toorngezicht, zijn nekpezen als koorden spanden, en zijn spieren dik-bolden; liet nu brusk den riem met volle kracht neerbonken op Geertens schoft. 't Moteurken sloeg op-zij en met een plof plompte Geerten 't water-in, dat hoog opspatte in iriseerende droppels ...

Basse's kop, kwam even boven ... Uitgestoken armen klampten hem vast, wierpen hem in een bootje, dat naar de stad terugvoer ... Onderwijl was 't moteurken midden kokende schuimbobbeling van 't hevig woelende en wentelend-kolkende water, gezonken zonder dat één der roeiers er een vinger naar uitgestoken had ... Franske bereikte al flikkerend 't Vlaamsche Hoofd ...

Geerten even tot bewustzijn teruggekeerd, had een wijle de visie eener groote wit-bepleisterde kamer waar in 't licht-gekleede mannen hem warm in wollen dekens rolden, dan hem neerlegden onder zwart-linnen kap van 't wiegende wagentje, dat hem naar 't gasthuis vervoerde.

Heel lijze sleepten de dagen voorbij en werden tot sleur-gelijke eenzame weken en eindelooze maanden voor Geerten, lijdzaam-wachtend de talmende genezing, die hem soms niet-wenschelijk scheen, want 't leven leek hem nu wreed en somber, weeïg van leegte en liefdeloosheid. Toch kwam de beternis stillekens-aan ... en toen hij rechtzitten kon en de heele zaal overkijken, waar nog vele lijders worstelden tegen de krankheid, haakte hij ernaar hier weg te zijn, uit die mokerzware muffe ziekteatmosfeer.

Regelmatig kwam Trees hem bezoeken en ook soms Sophie, zijn zuster, die druiven meebracht. Zoo vernam hij dat Lowis op trouwen stond met schoon Franske, die haar "zoo" gemaakt had ... fluisterde men ... 't Deed hem geen pijn: zijn geest was dof en voos. Alleen de prediktoon van Sophie, welke hem berispte om zijn vroeger slecht leven en hem voornemen deed zich nu eens voor goed te beteren, hinderde hem geweldig ... Zijn moteurken was verloren ... zijn krachten gebroken, 't roeien zou nu onmogelijk wezen ... Wrevelig-smartelijk tikkelden die gedachten voortdurend in hem òp, deden alles donker-dreigend en triestig schijnen ...

Eindelijk op een mooien Oogst-morgen, daverend van goud-glariënden zonneschijn, trillend van roerlooze warmte, mocht Geerten 't benauwende gasthuis verlaten.

't Avonde ... De laatste bloedstrepen vergloorden, en over de diep-azuren lucht kwamen donkere voolen zweven, waarop twinkelden, heel zwakjes nóg, enkele sterren, goud-sprinkelingen gelijk op zwaar-fluweelen mantel-sleep ...

Tusschen de boomen der lanen hing de zoelte nog loom en drukkend ... Met zijn samengerolden mantel over de schouders, zijn dunne kleederen flodderig-hangend om 't vermagerde lijf, de groot-kleppige klak diep over den fel-vergrijsden smal-geworden kop, toog Geerten naar het verre-weg liggende zeilschip, waar hij nacht-waak had gekregen door tusschenkomst van zijn schoonbroer, den waterklerk ...


Back to IndexNext