VIERDE BOEK.[159][Inhoud]I.Met die, haar telkens later zelve verwonderende tegenwoordigheid van geest, waarmee zij in elke uiterste nood schijnbaar kalm de uitweg insloeg, was zij nu naar de Nadorststraat geloopen. En het had haar niet ontmoedigd, toen zij meer dan een uur bij juffrouw Tabbe, de vriendelijke buurvrouw, van wie meneer Maandag dikwijls verteld had, doch die ze maar eenmaal had ontmoet, moest zitten wachten. Er kwam daar een jong paar op bezoek, een nicht van de juffrouw, die diende bij rijkdom aan de Eendrachtsweg, met er gelant; en een andere buurvrouw, van de benedentrap, zanikte telkens aan de deur, omdat ’er zoon van zestien jaar in twee dagen en nachten niet thuis geweest was; en toen schrikte Geertje even, toen de juffrouw d’er man, die aan de nachtboot van Londen bleek te zijn, plots een alkoofdeur opensmeet en, met een—„o, neem me nie’ kwaluk” om zijn nachtkleedij, weer toetrok. Doch ze lachte maar mee met het meisje van de Eendrachtsweg, en dee net of ze heel niet merkte, dat die nuf óók lachte om haar. Ze had gezegd, dat ze Maandag spreken mòest en de buurvrouw vroeg niet verder.Toen kleine Mietje d’er bleeke neusje om de deur stak, wipte Geertje van ’er stoel en deed de deur verder open en haalde beide kinderen binnen met lacherige drukte, en zei toen lachende-op-’er-gemak tegen juffrouw Tabbe, dat Mietje en Piet zeker wel een oogenblik daar mochten blijven. Meteen had zij Maandag al meegevoerd. En in zijn voorkamer vertelde zij alles:—waarom ze bij Oom niet had kunnen blijven,[160]en dat ze hem smeekte haar bij zich te nemen, in plaats van zijn zuster die niet terugkwam. Terwijl ze sprak, neep even de onbescheidenheid van het verzoek haar door het hoofd. Met buurvrouw’s hulp kwam hij er zóó wel, nu beide kinderen schoolgingen; hij had haar niet noodig. Maar het mòest, ze wou in de stad blijven, en bij wie anders kon ze terecht? Een oogenblik kwam er misverstand, toen Maandag antwoordde dat het niet ging. Zij dacht aan geld, aan bezwaren van zijn kant. Maar hij meende het om haar:—ze dee’ toch beter, hij had het er immers laatst ook al gezeid, naar huis te gaan, eindelijk weer naar d’er groo’va.—Ik kan hier nie’ weg, ik wil niet, ik kan niet!Zij gilde haar leed uit en Maandag begreep. Wel kwam hij linksch en verlegen achter haar aan, toen zij de kinderen halen ging. Hij liet haar het nieuws aan buurvrouw vertellen. Beduusd hoorde hij haar vrijmoedigheid. Maar even later zag hij haar schrikken, toen zij weer in zijn woning waren en buurvrouw nog weer eens praten kwam; en hij doorzag de opzettelijkheid van haar doen, en kwam haar met een grapje te hulp, dat sedert telkens werd herhaald:—hij wou nou ook wel ’en kinderjuf, daarom nam-d-ie Geertje bij um.De buurvrouw mokte, die keurde af. ’t Was niet om wat zij aan Maandag verdiende, dat gaf zij de kinderen rijkelijk weer. Ze vond zich te kort gedaan in waardeering van haar hulp, het zat haar opeens tot hoog in de keel, dat daar een ander zou ringelooren in Maandag’s vertrekken, die ze, na zoolang al telkens te zijn bijgesprongen, nu Maandag z’en zus voor altijd weg scheen, vrijwel was gaan beschouwen als een stuk woning van d’er eiges. Dus sprak zij in onvolledige zinnen of met niet duidelijk verstaanbare woorden en sjokte dan weg met een nijdige vaart, zoodat Geertje in een gulp van wanhoop de nijpende gewaarwording kreeg, dat die vrouw net dee als Tante. Maandag bleef zich om Geertje heen bewegen met een zenuwachtigheid die hij niet kon verbergen.[161]Hij gaf haar aanwijzingen, waar ze om lachen moest, zoo overbodig waren ze; hij begon allerlei dat hij niet voleindde.Samen brachten zij de kinderen te bed, nadat buurvrouw onder een mal stuursch-doen ook tegen de wichten, hun twee beschuiten met suiker was komen brengen. Geertje werd hoe langer hoe angstiger, daar zij merkte, hoe zenuwachtig Maandag was, en, in het voorvertrek terug, barstte zij in tranen uit.—Morge zal ik gaan, maar toe, la’ me venacht hier blijve!Zijn bleeke lippen trilden en het blauw onder zijn oogen scheen op te zwellen.—Hau je nug altaid saufeill van um?.… Arme maid.…Bijna geruchteloos stond hij op. De kinders mochten niet hooren, dat hij uitging, maar hij moest nu zoo gauw mogelijk naar Geertje d’er Oom en Tante. Die behoorden te weten waar ze was.—Wil ú d’ar heen!?—Ja netuurluk! Jai ken ’t nie doen.Even werd zij zich bewust, dat in haar looden gevoel van volslagen ontreddering een verlichting kwam: thuis zouden ze ’t weten en hij zou goed meebrengen.… Maar meteen warde nieuwe angst door haar gedachten: ze zouden ruziën tegen hem, ze zouden haar hier niet willen laten, meekomen, da’lijk Groo’va schrijven.… Op haar zakdoek bijtend, zag zij hem in de kamer na, terwijl hij zich gereed maakte om uit te gaan. ’t Was of ze in een rouwkamer zat, waar niet hardop geschreid mocht worden.Toen hij weg was, bleef ze roerloos zitten. Een plichtsdrang verweet, dat ze niet opstond om wat te redderen, wat gezelligheid te brengen in de holle kamer, of althans vast thee te zetten, gelijk hij had verzocht. Hij had gezegd, dat hij spoedig terug kwam—en zij bleef gedrukt op haar stoel. Eens verschoof zij die en schrikte van het geknerp. Zij schrikte bij ieder geluid op de trap, bevreesd dat buurvrouw weer zou komen. Want aarzelend had Maandag haar bekend, waarom buurvrouw eigenlijk mokte: dat het Geertje niet paste, alleen te zijn in huis bij een ongetrouwde man. Vooral[162]hinderde haar in dit verwijt, dat zij het in het geheel niet voorzien had. Ze zag zich wanhopig-, hulpeloos-dom tegenover al de toornige menschen. Ze vond de gedachte, dat er iets zou zijn af te keuren in haar verblijf bij een zóó goede man als Maandag, te onzinnig om boos te zijn op de buurvrouw. Het mensch was kwaad uit goeiigheid, omdat ze gewoon was hier alles te doen. Maar zij, wat was ze onverbeterlijk-onnoozel, daar ze had kunnen hopen, dat het mogelijk was: zij, bij Maandag in huis.…De zakdoek wringwindende om de vingers, staarde ze met doffe oogen het bijna niet gemeubelde vertrek in. ’t Geriktik van een wekker vinnigde van de schoorsteen af, waar een pop lag van Mietje en Maandag zijn pijp. Ook op de roodhouten kast geen vaasje, nergens een versierinkje. Kale wanden met grauw behang, die de kamer dieper deden schijnen dan ze was. Hier voor, bij het andere raam, Maandag zijn schrijftafeltje, de stoel er voor met de rug naar de huishoudtafel. ’s Avonds kon hij er nooit aan zitten, omdat de lamp hier boven de huishoudtafel voor het eene raam hing. Alles lag en stond precies op zijn plaats: het dofhouten inktkokertje, het potje lijm, het bakje met schaar, potlood en pennen, en in de vakjes allerhand pakjes—alles klein en keurig netjes. In haar verbeelding zag Geertje er de kleine bultenaar voor zitten. Oom had daar wel eens van verteld, hoe hij dan net een jongetje leek, dat aan een tafeltje zit te spelen. Die tafel met het boekenrek er boven, was Maandags geluk, zijn eenig genoegen.… Geertje vond er afleiding in, met medelijdende genegenheid aan hem te denken. Wat een zorgen had die man en hoe weinig vreugd. Maar Piet en Mietje vergolden ’t hem wel: zulke zoete kinderen! Eenmaal in bed, lagen ze stil als muizen. In alles zóó gezeggelijk. Anders zou ’t ook niet kunnen, zoo’n huishouding.… Wanneer zij nu maar gezond bleef en wezenlijk wat helpen kon.… Hòe zou Maandag het aanleggen bij Oom? Een poosje had ze zich niet angstig gevoeld, doch nu ze ’t zich voorstelde: Oom bulderend,[163]Tante krijschende, viel weer het besef over haar van de onmogelijkheid, dat zij hier bleef.Een rumoer beneden deed haar hevig schrikken. Het kon onmogelijk haar gelden en toch dreef de angst haar tot vlak aan de deur. ’t Was de buurvrouw van benee, ze herkende de stem in het schreierig verwijten, dat tegen dof-lijzig beweren van een mansstem inging. De zoon thuis gekomen, dronken. Hier op het portaal hoorde ze fluisteren, een deur was opengegaan, natuurlijk luisterende menschen.Zij langzaamde terug naar haar stoel bij de tafel en bleef er zitten, ontredderd, angstig, onmachtig iets uit te richten.Maandag vond haar nog zoo op de stoel. De deur, uit zijn hand schietend, zwaaide open; hij schrikte daar zelf van, doch, Geertje aanziend, trok hij de kleine, kortbroekige spillebeenen bijeen, lei de linker arm uit langs zijn lijf en sloeg aan met de rechterhand, onder een grijns van zijn onvolgroeide knapegezicht. Geertje zag die gewilde lach en meteen zijn grauwe bleekheid, de verlegen angst die zijn zwak-gevoelige trekken en oogen niet vermochten te verbergen.Zij schoot op:—Wat zeie ze?Nog trachtte hij komedie te spelen. De aan het smalle, ingevallen gelaat als een kikkerbek vooruitspringende mond zette de lippen uit tot een trechterende toet en met een narrige ondervraging van verwondering keken de oogen haar aan. Eerst toen sloot hij de deur achter zich, nam, voor haar heen gaand, de hoed met een armzwaai af en ging zijn overjas aan de kapstok in de hoek der kamer hangen.—Toe meneer.… hoe was et, thuis?—De groete! kwam ’t uit de hoekschemering.Hij treuzelde, schraapte daar een hoest weg met dat pijnlijk moeitevol-snerpende, waarin je voor Geertje’s gevoel de misvormdheid van zijn borstkas kon hóóren. Toen stapte hij terug in het licht en vroeg vriendschappelijk-verwijtend:[164]—Maid, haij no’ nuch chain drinke geset?Meteen kroop hij op de stoel aan de andere kant der tafel.—Drinke!? Och nee, och gut, neem u me nie kwalik.… Maar zeg nou eerst is, hoe is et gegaan?Nu zag hij, over de tafel, in het volle lamplicht haar aan, met een medelijden dat niet veinsde.—Se ware well naidig.…—Zie je wel!—Maid wat haj dan gedacht?.… aarzelde hij op een toon van vertroosten.Even bleef het zwijgen van beider onrust tusschen hen hangen. Toen vertelde hij haar alles. Dat Oom tegen hem had geschuimbekt van woede, hem indringer genoemd en smerige dingen verweten had. En dat Tante d’er tusschen door had gegild:—Ze zal weg! we schrijven venavend an der groo’va.—Haar goed hadden ze hèm niet mee willen geven; hij had niks met Geertje te maken.… Zijn verhaal liep onregelmatig. Hij hokte telkens, dan schraapte zijn keel; het op de romp als in een stolpkraag omhoog gehouden hoofdje wendde zich dan schuinoogend iets naar haar om en de uitdrukking van zijn gelaat scheen bits. Toen Geertje, bij zijn mededeeling van Tante’s zeggen over het schrijven aan Groo’va, weder opvoer van haar stoel, bleef het scheef-omhoog liggende hoofd, angstig de mond open, haar aanzien. Doch een gedachte van durven, van tarten, trilde over haar volverlicht gelaat.—Dan zal ’t nou gebeuren, dan moet Groo’va wete.… En even later:—Hè, had ik nou mijn brief maar hier.Zij had hare geestkracht terug. Uit bescheidenheid tegenover Maandag verzweeg ze haar verlangen om, deze avond nog, hier, een nieuwe brief te schrijven. Bij de buurvrouw ging zij lichten treds een nachtjak leenen. En bij de kinderen, in het oude bulten-en-gaten-bed der weggeloopen moeder, sliep zij die eerste nacht vrij rustig.[165][Inhoud]II.Toen zij met Piet en Mietje meeliep tot school, had Maandag gezegd, dat hij met uitgaan zou wachten tot haar terugkeer. Bij haar binnenkomen, trof haar weer zijn verlegen blik. Buurvrouw was er geweest, hij vertelde het onmiddellijk; buurvrouw was net de kamer uit, ze was stuursch geweest en vreemd en ten slotte was ze uitgevallen:—Maandag, dat ken toch zoo niet. He’t die meid hier venacht geslapen?—Zal ik vandaag nog weggaan? vroeg Geertje.—Nai, je blaif, saulang je will.… Ma’r.… je mot nie baus op me weise, ’k heb d’er nau wat motte fertelle.…Hij had van haar zwangere toestand gesproken. En dat zij nog altijd hield van de vader.—Sie je, sau begreip se wel, datte.…Iets als een blos vaagde over zijn bleekheid.—Heb u Heins genoemd? angstigde Geertje, geheel in die angst in.Het hoofd schuddende tot ontkenning, zag Maandag haar in de oogen. Haar mooie oogen, vol liefde voor dien.… En zij, gerustgesteld, gaf zich rekenschap van die vleug van verlegenheid, die het schaarsche bloed langs zijn ouwelijk knapegezicht had gejaagd. En tegelijk doorteederde hen medelijden met elkander.Geertje wilde nu onmiddellijk schrijven aan Groo’va. Doch de gedachte aan de vroeger geschreven brief deed haar denken aan haar koffer.—Me goed!.…[166]Ja, Maandag had er ook al over zitten prakkezeeren. ’t Beste was, dat hij nog eens ging met een man van de dienstverrichting. Geertje wilde zelve gaan, maar hij wond zich op, verbood het. Zij moest hem een briefje meegeven, als bewijs dat hij recht op het goed had. Kon die dienstverrichtingsman het dan niet alleen doen? Nu, Maandag zou dan op de hoek van de straat, aan de Schie blijven staan.—En uw werk?—Au, me werk, da’ kom terecht.Hij gaf haar papier op zijn schrijftafeltje. Zij wist haast niet hoe zich er te houden om te schrijven, zijn stoel was zóó ongemakkelijk, maar zij bedacht, wat deze schrijfplaats was voor hem en ze móest zeggen:—Wat zit u hier prettig!Toen dacht ze even na en schreef vlot:„Oom! Na het gebeurde kan ik niet bij U terugkomen. Ik verzoek u vriendelijk mijn goed en de koffer aan brenger dezes mede te geven. Ik zal ook aan Groo’va schrijven. De groete vanGeertje.Toen ’t briefje af was, liep zij naar de achterkamer. Zij meende Meneer daar bezig te hooren. Warempel, haalde de bedjes van de kinders af.—Hè, da’s nou nie’ mooi van u. As ik dat nog niet kan doen.…—O, d’er blaift genoch te werke. ’t Briefie al af?Na de lezing maakte hij haar een compliment, dat ze het zoo schielijk had klaar gekregen. Een geluksgevoel, een gewaarwording van sympathie, van thuis zijn, doorwarmde haar. Zij wist, hoe vlug en goed hij schreef. Uit die domheid van Oom’s huis uit.…Zij maakte zich over niets bezorgd. Opgewekt bracht zij de achterkamer verder aan kant, deed Maandag’s bedstee in de[167]voorkamer, veegde de vloer aan en nam er stof af. Toen keek zij in de kast na, wat voor eten er nog stond. Maar zij werd gestoord door gestommel. Maandag en de man brachten samen haar goed, een rommel, zoo maar meegegeven. Tante had geen woord gesproken, de dingen hun letterlijk toegegooid.De man stond te wachten op zijn loon. IJlings grabbelde zij in haar pas meegebrachte zondagsche rok naar haar portemonnaie. Twee centen er in!.… En ze had nog drie gulden, van de tien die Groo’va laatst gestuurd had. Tante moest die er hebben uitgenomen. Dus bezat ze niets, twee cent! Verlegen keek ze Maandag aan.—Wacht.…En met een gedrochtelijk scheef-naar-voren gooien van zijn romp, trok hij de elleboog op en liet de hand tasten in een vestzak.Geertje wendde zich om, opdat de dienstman niet zou zien dat zij schreide.[168][Inhoud]III.Vreemd dreven nu verder de uren voort, als de wolken waar zij droomend naar staarde. Wat haar gebeurde, wat haar omgaf, het leek alles ver van haar. Toch, schoon zij als mechanisch leefde, of z’in zichzelve een zuster verzelde, die ruzie met de familie had en hier bij Maandag een schuilplaats gevonden; schoon, daarentegen, haar wezenlijk-innerlijk zonderling, voor haar denken dwaas, doorschokt werd van het enkele bewustzijn, dat zij, met haar verhuizing, dichter weer bijHemwas gekomen, als beduidde het iets voor haar liefde, dat de Nadorststraat eenige minuten nader bij het Hang lag dan de Simonstraat; toch deed zij meer dan Maandag’s gastvrijheid met wat zorg voor zijn woning beloonen. Te onmiddellijk, te onwillekeurig had haar gevoel Mietje en Piet bij Truus en Koos vergeleken, dan dat zij voor deze kinderen eenige andere belangstelling kon hebben dan medelijden; maar juist doordat niets haar drong tot liefde, doordat voor dit medelijden haar diepere gevoel bleef gesloten, wist zij, door een opgewektheid gedreven, die zonderling elke daad een glans gaf, de wichten gemakkelijk te koesteren met een teerder zorg en een vriendelijker verpleging, dan waaraan deze van de buurvrouw gewend waren; en Maandag, blij, verheimelijkte haar niet, dat Piet die eerste dag al, na het eten, hem de vraag had toegefluisterd, of déze Tante nu bleef in huis.Zij was verheugd, want de waarheid zou komen; niet langer lag zij onder de leugen. Groo’va! ook Groo’va, zèlfs Groo’va, wist nu! Zelve had zij de brief, de oude, maar met een naschrift[169]dat bijna even lang was geworden als haar eerste schrijven, in de bus doen vallen. Wel was, op het oogenblik dat zij de brief losliet, de gedachte haar komen pijnigen, of Groo’va niet te vreeselijk zou schrikken. Maar onmiddellijk had de herinnering aan Oom’s bedreiging, nu zeker uitgevoerd, dat hij aan Groo’va schrijven zou, haar met een kwelling gerustgesteld. Trouwens, voor haar gevoel wàs Groo’va geen man, die men door schrik de dood op het lijf joeg. Groo’va was sterk, de sterke Gestrengheid, de onverbiddelijk-strenge Vermaning. Deze Groo’va wachtte zij af. Met een gelatenheid vol blijdschap, omdat nu eind’lijk de waarheid hersteld werd, zij ontkomen was aan de leugen, als aan Oom’s huis. De strijd die de waarheid bracht, durfde zij aan, want het was de strijd voor haar liefde. De strijd voor zóóveel meer dan het leven. De strijd voor het eenige dat zij bezat, het eenige dat zij ooit had bezeten. Van Groo’moe had zij zielsveel gehouden, ook wel van Groo’va en van nicht Betje en van zoo menigeen in het dorp. Maar wat was het allemaal-samen bij het geluk van haar liefde voor Jan! Tevreden was zij nooit met dat and’re geweest, dagen lang had haar niets kunnen schelen, gehunkerd had z’om weg te komen, weg, naar Oom, als wist ze toen, dat ze hier het geluk zou vinden.… Ze zou het verdedigen, nu, haar geluk.…Zij leefde de uren in afwachting. Elke handeling voor Maandag of voor de kinderen, alles deed zij in afwachting. Gelijk zij bij Oom de weken doorleefd had in angstige afwachting van een brief van Jan, zoo doorleefde zij nu de uren, een dag, een nacht, nog een dag en nacht, in geruste afwachting van Groo’va’s grimmig-gestrenge vermaning: een blij-verbeide strijd voor haar liefde.Onder buurvrouws zorg was het armoedige huishoudinkje keurig in orde gehouden. Haar aangeboren behoefte aan netheid had buurvrouw gedreven tot hulpbetoon, toen zij Maandag, die net en stipt was, lijden zag onder de achteloosheid van zijn zuster. Maandag vertelde Geertje van de ruzies met zijn zuster en vanbuurvrouwslisten in het begin, om althans de[170]kinders iets minder slordig de straat op te krijgen. Toen zijn zuster de eerste keer wegbleef, was buurvrouw vanzelf dadelijk binnengekomen, had de volgende dag een schoonmaakster gehuurd, die onder haar toezicht de rommel had gereinigd, en was voor het verwaarloosde boeltje gaan zorgen, tot de zuster opeens weer vóór haar stond, op een oogenblik dat zij de kinders hun avondbrood smeerde. Ettelijke keeren was dezelfde komedie afgespeeld. De zuster niet anders beschaamdheid toonend dan door over buurvrouws hulp te zwijgen, niet te ruziën, niet te bedanken, te doen als zag zij de properheid niet; buurvrouw goedschiks een verzorging stakend, waar ze soms weken lang haar rust van kinderlooze welgezeten burgervrouw aan had opgeofferd. Nu met Geertje’s onverwachte tusschenkomst was buurvrouw veel minder inschikkelijk. Geertje vond het heel natuurlijk—de moeder bleef toch altijd de moeder, doch nu had een vreemde de taak genomen—, maar aan Maandag’s teergevoeligheid deed de stuurschheid van buurvrouw pijn, en daarom was Geertje brutaalweg begonnen, voor allerlei kleinigheden over te loopen om raad. Eerst had ze bijna geen antwoord gekregen: bij een hoonenden blik van den, weer in nachtkleeding, achter een bord dampende snert gezeten man, een onverstaanbaar mokken der vrouw. Ontmoedigd had zij gevreesd, dat de vrouw haar toeleg begreep. Maar door argeloos te doen en vriendelijk te blijven en voor de norsch gemompelde raad nederig te bedanken, had ze de tweede morgen bereikt, dat de vrouw haar staande hield op de trap om haar te waarschuwen tegen een meid, die in de straat stond met een wagen visch. Er was eten en Geertje dacht niet aan visch-koopen, maar met drukke omhaal betuigde ze haar erkentelijkheid: ’t was zoo moeielijk, wanneer je vreemd en alleen voor het huishouden stondt, je niet telkens te laten beetnemen. Een kwartiertje later tikte buurvrouw; en, eenmaal binnen, keek zij onbeschoft monsterend rond en vroeg of Geertje hier wel voor zorgde en dat niet vergat, maar besloot met een:—„Nou, et valt me mee.” Ze[171]zette zich ongenood tot een praatje. Geertje dacht terstond: nou komt het. Om de goeie Maandag plezier te doen, had ze het mensch hierheen getroggeld. Maar nu ging die zich moeien met haar! Ze zag het, ze zag de vragen komen.… Een woedende ontsteltenis overstelpte haar, en, onmachtig tot zelfbeheersching, zag ze zich haar spel met de vrouw bederven, voelde ze, dat ze alles verspeelde.Toen het mensch vroeg:—Denk ie daj aum je nog weer bij um zel neme?antwoordden haar oogen met trots en verachting.—’t Is tuch dáárum, drong het mensch aan, met het hoofd knikwijzend naar Geertje’s schoot.—’k Weet niet wat u bedoel, zei Geertje.—Aue!.… En treuzelend opstaand met een zucht vol zelfvoldaanheid:—Hebbe me-n-et sau laat!—Toen, smakkend juist als Tante kon doen, keerde buurvrouw, de handen knuffelend onder de schort, het groote lichaam naar de deur:—Nau.… ajuus dan.Hard viel de deur toe.Geertje knikte de verdwenene na, gelijk zij als meisje-op-school de meesters, ook Groo’va zelf, na een berisping had nageknikt. Het gebeurde speet haar om Maandag. Maar wanneer die stikvreemde menschen zich ook al in haar zaken mochten mengen!.… Het hoofd steunend op de rechter elleboog, zat zij aan de tafel voor het raam naar buiten te staren. Wel wat moe, wat als-verdoofd. Eens trappelde ze haar ergernis uit. Maar kom, och kom, dat indringerige mensch, wat had zij met het wijf te maken.… Ze dwong zich tot belangstelling in de dingen op straat. Daar hadt je die jongen weer van de koetsier uit de rijkelui’s stal, twee huizen van hen af. Bij het boodschappen doen in de straat, zag zij hem telkens, eenige als een-jongeheer-gekleede tusschen al de gewone jongens, aanmatigend met zijn dikke glanzige gezicht-van-gezondheid onder zooveel honger-bleekheid. Maar nu had ze straks het afgeluisterd, dat de jongen van het schoenlappertje[172]de „mooie meneer” verweet nog geen hemd aan zijn lijf te hebben dat van hemzelf was.—„Niks is van jou! Je vader he’t niks. Jullie mot de kleere drage, die de heer van de stal je geeft.…” Een valsch mondvertrekken van verlegenheid-verbergen op de glanzige dikke kop die zweeg—Geertje had hardop moeten lachen. Nu speelde de jongen er weer.…Hoe kwam hij nù daar te spelen? Geertje’s blik sloeg op naar de school, aan de overkant der, voor deze bouw verwijde, op dit gedeelte als-nieuw geworden, straat; de school, waar zij dikwijls al in getuurd had, zonder meer te onderscheiden dan een vage glimmerschemer van door glas gescheiden ruimten. Ook nu tuurde zij. En terwijl zij erover nadacht, hoe de jongen van de koetsier op dit uur vrij van school kon hebben, en een tweede vraag zich in haar opdrong: waarom Maandag Piet niet dee’ op die school; trachtte haar bijna professioneele belangstelling, een belangstelling die voortkwam uit haar afkomst en jeugd, de lichte muren van het nog nieuwe gebouw te doordringen. De ramen waren als bij een kerk, zoo hoog dat zij hier van boven de kind’ren niet zien kon en zelfs niet de meester; wel in het tweede lokaal zag ze wat, donkerten van zittende jongens en ook de meester, staand bij het bord; maar het was haar toch niet mogelijk, de man z’en gezicht te onderscheiden, ook niet, toen hij zich verplaatste.Haar mijmeren vergeleek deze school, deze gróóte stàdsschool met vele meesters, bij het oude kleine gebouwtje, weggedoken achter de boomen, op het donkere pleintje naast de dorpskerk.… Donker, midden in de zomer. Nù moest het in het lentegroen staan.… Haar blik gleed van de schoolramen naar de kleine ruimte naast het gebouw, waarvóór het trottoir van het uitgebouwde straatbrok een hoek maakte. Achter een schutting, een rij jonge kastanjes met traag ontluikend loof. Al wat ze hier van de natuur te zien kreeg![173][Inhoud]IV.’s Woensdags was zij laat met de bedden. Ze had de tijd verpraat met Maandag, die bij buurvrouw was geweest. Nu moest zij alles doen voor het eten en de bedden lagen er nog. Ze zweette van inspanning en gejaagdheid. Zoo hoog mogelijk had ze de ramen opengerukt aan de voorkant, en met open tusschendeur voor het doorwaaien was ze achter bij open raam bezig.Toen, in die, haar denken geheel vervullende, prikkelende haast-van-werken, hoorde zij, opeens, Ooms stem; als dingen die vallen zoo duid’lijk de woorden:—Ja, hier is et. Ga maar binne.Over Piet’s bedje gebukt, bleef ze staan. Haar hoofd had tot luisteren trillend gezwenkt.Zij wist, zij wist precies, ineens. Groo’va was er nu met Oom. Door de woningdeur, die zij ook had laten aanstaan voor de frischheid, omdat er een tocht zoog door het traphuis, waren ze in de voorkamer gekomen. Doordat Piet’s bedje tegen de tusschenwand stond, konden zij haar niet zien. Maar daar, daar! achter die openstaande deur, vlak naast haar, aan ’t voeteneind van Piet z’en bedje, daar waren zij.…Om toch geen gerucht te maken, bleef ze in haar gebogen houding.Nu was ’t er, nu zou het gebeuren, met Groo’va.Een paar keer liet ze haar borst op en neer gaan als iemand die op adem moet komen. Zij dacht niet na, z’ onderging een[174]besef: ’t was nu dat ze zou moeten strijden om Hem. Haar driftige ijver voor het huiswerk was gebroken als een zeepbel. Even drong er gelijk iets hinderlijk-tegen-houdends nog door haar bewustzijn: de bedden—’t eten—buurvrouw helpen. Toen—het duurde bij een zóó kort—stapte ze, op het hooren van weer-gestommel in de voorkamer, met kleine haaststappen naar de deur, bleef in bewust spel staan op de drempel, en, koket het hoofdje schuintrekkend tot een uitdrukking van verwondering, liep ze, de hand uitstekend, met een lachje op Grootvader af.—Groo’va!.…Hij stond, met Oom ter zijde achter zich, juist op de plek, waar buurvrouw de vorige dag met een—„Nou, ajuus dan”, hoonend op haar had neergekeken. Hij stond en niets bewoog aan hem. Geertje zag de lange smalle lippen pijnlijk vast opeengeklemd en onder zijn doorborende strafblik sloeg zij hare oogen neer, de lach kromp weg van haar gezicht en zij bedacht dat ze, op haar rouwjapon, tegen de stoffigheid van het huiswerk, een bonte schort met gaten had aangedaan, die er nog hing van Maandag’s zuster. Schielijk de linkerhand naar achteren stekend om de strik te openen, wilde zij met de rechter de schort al wegtrekken, maar de strik trok vast en de ijle beweging der rechterhand scheen een strijken over de zwangere buik, als om weg te strijken.—Ben je alleen? bitste de vermaanstem.—Ja Groo’va.—Het tocht hier.Oom sloot de woningdeur, Geertje de ramen. Ook de tusschendeur ging zij sluiten.—Gaat u niet zitte? vroeg ze zacht en schraapte naar meer geluid. In een wanhopige zelfteleurstelling voelde ze zich tòch onthutst-doen.—Is dat wat je me te zeggen hebt, Geertje?Het was de oude toon van vijandig klinkende berisping, die hardheid, die haar altijd had gekwetst, waarover Groo’moe[175]met zachtheid placht te troosten. Nu was niet Groo’moe er, maar Oom.—Ik heb u ommers alles geschreven, zei ze, met zekerder stem, koel, strak.—Heb je Groo’va vergeving gevraagd?Oom! Die braaf dee, voor ’en wit voetje!.…Nu had ze haar stem weer geheel, en blozend:—Heb ù al om vergeving gevraagd?—Ik? Ik heb me niet laten onteere!—Nee, ù heb goed opgepast! En voor mijn heb u ook zoo gezorgd! Daarom liep ik laast uw huis uit, toen uw zwager m’en as hoer wou gebruike.…Groo’va, die zich juìst omgewend en de hand op een stoelleuning gelegd had, strekte die uit met gebiedend gebaar:—Stilte!Juist als vroeger op school.—Laat me met haar alleen, Jan; ik zal de weg naar je huis wel vinden.Toen Oom was heengegaan, zei Groo’va:—Ga daar zitten.Het wàs háár stoel, waarop zij altijd zat, deze dagen; zij ontving Groo’va, in Maandag z’en woning! Hij deed net als thuis tegen stoute jongens, die hij in zijn kamer liet komen na schooltijd. De meester, de berispende meester—anders was hij niet voor haar.Onverschillig schokte ze neer op de stoel en bleef, de rug naar het raam, de linkerarm zwaar over de hoek van de tafel, de rechter slap op de schoot, voorovergebogen zitten staroogen met botte dofheid.Een beweging van ongeduld schaduwde over het tafelvlak langs haar. Geduld had Groo’va niet kunnen leeren, in al die jaren van jongens bebrommen.—Ik wàcht, op wat je te zèggen hebt, Geertje!Driftig, met sprongetjes, kwam de bedreiging. En nu smakten[176]de lippen. Dat was toch zoo’n malle gewoonte van Groo’va—net iemand, die de soep te zout vindt.—Zul je nu spreken!?Hoog was hij vóór haar.Loom het hoofd heffend, zag zij even hem aan; toen zonk haar blik, als te moe, langs hem neer. En toonloos-koel liet ze vallen:—Ik heb et u ommers al geschreve.—Geschreven!?.… Je brief was één weefsel van leugens. Bedrogen heb je me, en al zoo lang! Mij en Oom, zelfs Groo’moe nog! Als die dit had moeten beleven! Niets dan de schand’lijkste zonde en leugen. En dat een kind van zóóveel gebed. Ongelukkige! hebben wij dat aan je verdiend!? Het loon voor zóóveel zorg en liefde. Ons kind onteerd op de schand’lijkste wijs, in een zonde die God het zwaarste straft. Hij wil dat ik oude man zwaar beproefd word. Maar jij bent, behalve aan Hem, mij rekenschap schuldig van je ondankbaar, snood gedrag. Je bent verleid, máár je was geen kind meer! Die man heeft zich op de laagste, de gruwelijkste wijze aan je vergrepen, maar.…—Die man heb ik lief, en altijd, verstaat u, na me dood nog, ten eeuwige dage, zal ik van ’em houe, dìe màn!.…Tegenover de hooge bestraffersgestalte, naar haar toe gebogen voor ’t driftig betoog, terwijl de groote, oude handen, de stijfbottige vingers tot haken gekromd, als bij een jood die waren weegt, zenuwachtig trilden vóór ’t lijf, was de daareven ineengezakte plots gestaald van den stoel gerezen, zoodat hij week; en was langs hem gegaan; en stond nu, vrouw, fier op haar vracht, uitdagend van geestdrift in ’t midden der kamer.Maar haar trots had zij vàn dien oude: hij, op zijn beurt door haar hoogmoed gestoken, in een drift die zich wreken moet, hoonde haar toe:—Daarom woon je nu hier!—Wat!? nu hier.…[177]—Bij een anderen man!—Groo’va!.…Zij week, keek ontzet hem aan. Hij! Groo’va! dat hij dàt zei! Het was of er een dofheid uit haar wegzakte, een belemmering van haar bewustzijn week; tot nu toe had ze niet gewéten wat ze zeide en deed en voelde; maar deze pijn werd ze scherp-bewust gewaar: Groo’va, zùlke gemeenheid denkend! Een wirwar van verklarende vermoedens sneed haar door het brein, doch verscherpte slechts het wanhopig besef, dat Groo’va, Groo’va tot zoo iets in staat was. Tegelijk had zij de volle herinnering van haar liefde voor Groo’moe en Groo’va, ’t bewustzijn wàt die liefde was waard geweest; en de gewaarwording der toch-niet-mógelijke waarheid, dat niets daarvan was overgebleven, niets, want Groo’moe was dood, en Groo’va.…Zoekend naar een steunpunt, was zij naar de wand gewankeld en had zich vastgegrepen aan Maandag’s schrijftafeltje en hurkte in vaag begrip van het ongemakkelijke der houding meer tegen Maandag’s stoeltje aan dan er op.—U kunt et niet meene, klaagde zij.Doch opziende zag zij steeds de strafblik, die meedoogenloos streng haar doorboorde.—De weg der goddeloozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen, bitste ’t haar op kerktoon tegen.—U weet niet of God mij niet heeft vergeven.—Ik wéét, dat jij er niet naar geleefd hebt om Zijn vergeving te erlangen! Ik vind je terug in de macht van den Duivel, die den dwazen leert zich te verhoovaardigen over hun zonden. In den mond des dwazen is eene roede des hoogmoeds; als de hoovaardigheid komt, zal de schande ook komen; bij jou vind ik hoogmoed en schande beide. In ontucht en overspel heb je geleefd en je bedekt het gelaat niet met beide handen! Je tong moest je hebben uitgerukt, liever dan prat te gaan op je zonde als in die woorden tegen mij. Ik heb vertrouwd op je liefde, je deugd; dagelijks heb ik voor je gebeden; de laatste woorden van Groo’moe prevelden een[178]gebed voor jou. En jij maakte ons allen te schande. Op het gruwelijkst heb je gezondigd tegen den Hemel en tegen ons. En dan.… durf jij.… lichtzinnige.… slet, mij vragen of ik méén wat ik zeg?Hij was, toen zij langs hem heen gegaan was, vóór de kamerdeur blijven staan, en, de eene hand aan de knop, als bevreesd dat zij hem zou ontvluchten; met de rechter, breed uitgespreid, gebarend als in de kerk bij het lezen; had hij gestrafpredikt tegen haar—wel toornig, doch met zóóveel bijbelsch’, dat het Geertje volkomen te moede was geworden, als vroeger thuis onder zijn vermanen.… Tot nu, bij de allerlaatste woorden, hij, de deur loslatend, op haar toetrad, en die woorden zelf, de toon van zijn stem, een zooveel inniger gramschap uitten, dat zij angstig hem naderen zag, de oogen in vrees naar die hand, die groote, beweeglijk-zware rechterhand.… Zij wist weer; een dag toen zij twaalf jaar was, een snikheete Woensdag na de school; met de jongens was ze meegeloopen, om de bijenkorven te zien bij Kroon, en juist toen ze weg zou gaan, werd ze gestoken.… Huilende thuiskomend, zag ze Groo’va vol ongeduld uitkijkend vóór het huis. In haar schreien hikte ze ’t uit van de korven, en dat een bij haar had gestoken.—Waar ben je dan geweest?—Bij Kroon.…En pats—de groote hand om haar hoofd, juist op de pijnlijke plek een slàg!.…Haar woede, haat was zij nooit vergeten. Evenmin het gesprek tusschen Groo’moe en Groo’va, waar ze wel haar pijn voor vergat: Groo’moe hèm zijn drift verwijtend:—„Bedenk wat je bij Jan d’er mee hebt bereikt!” Het kind, onzichtbare getuige, wist die woorden voor haar leven. En voor haar leven aanzag zij die rechterarm als het „wrekende zwaard” van Groo’va’s toorn.De vuist was gebald, nu, de arm bleef stil. Geertje zag: hij wilde een antwoord.[179]—Omdat u dàt niet van me kùnt denke! Dàt heeft tante Riek u gezeid, die zelf gemeen is, net as d’er broer.…—Zwijg, ik verkies zulke taal niet te hooren. Maar als ik me vergis, verklaar je. Hoe kom je hier en waar is die man?—Maandag? uit. Maar dacht u hèusch?Weer voer zij op.—Wéét u, waarom ik hier ben, Groo’va? ’k Mòest weg bij Oom om tante d’er broer, omdat die gemeenert me nazat. Weet u dat? Hebbe z’u dat gezeid?—Och, ik duizel van al die slechtheid, zóóveel verdorvenheid en zonde. Maar al moest je dáár weg, waarom ben je nu hier?Geertje zweeg, ze hoord’ een gerucht. Afleiding kwam er voor Groo’va zijn gramschap.… Ja! De deur ging open.…—Meneer!.… Groo’va is d’er.… Zegt u nu da’lek.… Dat is Groo’va. En meneer Maandag.… Zegt ù an Groo’va, waarom ik hier ben!Beurtelings had zij naar Maandag en Groo’va gekeken. En in haar gespannen hoop op de vernietiging van Groo’va’s griezelig wantrouwen, was haar de verzachting van zijn blik niet ontgaan, de kalmeerende verwondering, toen daar stond een dwerg met een bult.—Groo’va, riep ze in hartstocht’lijke ijver, denkt er kwaad van dat ik hier ben.… Omdat u alleen woont, verklaarde ze, zachter.—No’ je graufader m’en gesien he’t, zal-d-ie wel nie’ meer bang van me sain!Onder Geertje’s eerste spreken, zóó toen ze zei dat Groo’va d’er was, had Maandag, met zijn gewone breede deurzwaai binnengekomen, in een haast van schrik de deur gesloten; ontsteld, had hij de stoffig-vale flambard gerukt van de warrig-lange haren; en het hoofd, dat dwaas-uitdagend achterover op de schouders placht te liggen, had verdwaasd gedraaid; toen had het lichaampje gebogen.… Maar Geertje had méér gezegd: van die verdenking: en onder deze hoon was alle ontsteltenis als gestold in het kleine zenuwwezen. En met vreemde drukdoenerij,[180]gelijk iemand die wordt aangehouden in bezigheid, was hij gedribbeld naar het schrijftafeltje en had er met hooggeheven arm lange papieren getrokken uit een binnenzak van zijn overjas; en toen, onder het gaan naar de kapstok, bleef hij plots staan, en snerpte die woorden, strak, heel kalm, als onverschillig:—No’ je graufader m’en gesien he’t.…Geertje kneep zich het hoofd tusschen de vingers. Zij wist niet, al dit verschrikkelijke.… Was Groo’va nu verlegen met zijn argwaan? Hij stond onbewegelijk; zeide niets, haar een raadsel, gelijk zoo vaak. Maar toch was hij haar grootvader en die goede Maandag had hij beleedigd. Arme Maandag, kijk hij daar nu scharrelen moeten om bij de lage kapstok te komen. God! wat had-ie daar net gezeid! Nou begreep ze-n-et, God nog-es-toe, dat ’en mensch d’er toe komen kon om zoo iets van z’en eigen te zeggen!.… En ’t was Groo’va z’en schuld en van Oom, o! ze háátte àl d’er familie!Zij was op Maandag’s stoel bij het raam neergevallen. Maandag, zich omwendend, zei tot Groo’va:—Gaat u nie’ sitte?En Groo’va deed het.—’k Geloof, dat hij zijn onrecht inziet, dacht Geertje.Maandag trok zijn stoeltje van vóór de schrijftafel bij.—Wil je Graufa niet ie’s gebruyke, Geer?—Wil u wat gebruike, Groo’va?Nu verhief zich het oude bleeke hoofd en de booroogen staarden Maandag aan.—Ik ben met andere bedoelingen gekomen dan uw gastvrijheid te vragen, m’enheer. En schoon ik bemerk, dingen gevreesd te hebben, waarvoor geen grond schijnt te bestaan, u zult begrijpen dat ik niet hier ben om te eten of te drinken. In welken staat vind ik mijn kleinkind! En in welke gemoedsstemming! Het eerste woord van berouw moet nog over haar lippen komen. Reeds is ze verhard in het kwaad. En wat doet ze hier, bij u?.… Ik verwijt u niets, ik verdenk u van niets. Ik neem aan, dat u de gevallene uit medelijden in uw[181]huis hebt genomen. Maar gaf het pas? Waarom deze schuilplaats? Om mij te misleiden—verheimelijking, leugen. Na de grootere zonde nog deze!.… U zult me ten goede houden, m’enheer, u danken voor uw gastvrijheid kan ik niet. En jij, Geertje, pak je goed. M’enheer wil me wel een rijtuig bestellen. Hoe eer we van hier vertrekken, hoe beter.—’En rijtuig bestelle, waar wilt u dan heen?—Dat.… zul je zien. Doe wat ik zeg.Altijd de meester, of-ie tegen een kind sprak! Geertje voer op, ze hijgde van kwaadheid. Zijn laatste woorden benauwden haar, of ze voor de borst was gestooten.—Maar.… ik kan hier zóó niet weg!.…Zij hoorde zich huilen in haar stem, ’t maakte haar nog woedender. Grootvader had zijn stoel achteruitgezet en was lipsmakkend opgestaan, juist als bij menig avondgesprek thuis, wanneer hij met een: „ik wil er niets meer van hooren”, een eind had gemaakt aan haar gepraat over Rotterdam. En tusschen de twee vijandig-staanden zat de kleine Maandag en nòg schielijker draaide, schuw naar hen ziend, het achterover liggende hoofd tusschen de hooge schouders.—Ik kan uw ferlange wel billaike, sprak hij, om Geertje nau bai u thuys te hebbe, às et kan, as Geertje will.…—Zoudt u me nu aan een rijtuig willen helpen?—Maar Geertje mot eerst toch d’er koffer pakke!—Doe dat dan, gebood Groo’va hoog.—Och ik kan hier toch zóó nie’ weg, de bedde ben nog niet eens aan kant!.… Weet nicht Betje dat ik mee kom? aarzelde zij, steeds de hand aan de stoel.Hij stoof uit:—Zul je doen wat ik zeg?!.… Je gáát niet naar nicht Betje toe.—Wat! Wat bedoelt u?.… Wat wilt u dan?—Je gaat naar een doorgangshuis. Daar kun je je tijd afwachten.—Hè!.…[182]Haar stoel sloeg omver langs het raamkozijn. Zij liet hem liggen, trapte er tegen, wist niets met haar handen te grijpen, deinsde omdathijdicht vóór haar was. Al haar voelen was smaadbesef.Hij, hij, Groo’va, net als Tante, ’en slet was ze in hun oogen, ’en slet.—U weet dat ik meerderjarig ben, hè? Dat ik doen kan wat ik wil. Gelukkig da’k et net ben geworde! Anders in ’en doorgangshuis. Net as ’en gemeene meid! Jonge, Groo’va, wat christelek! Thuis verpleegd worde, kan je begrijpe! Al die schande voor et dorp! Nou m’ar, na zoo’n inrichting ga-n-ik ook niet, hoort u! ’k Heb u nie’ noodig! Gaat u m’ar weg! Bij zoo’n slet, hoe kunt u nog blijve!—Meid!.…Maar kleine Maandag, opgevaren, hield den vuistballenden bedreiger tegen.—Denk dan tuch an d’er toestand, meneir, as je fergaite kunt dat se je kind is!—Ik vergeet niets en ik gedoog niet dat u zoo tegen me spreekt.—U staat in main huijs, meneir.—Ik zal weggaan.… Om.… vier uur vertrek ik. Indien je vóór die tijd niet in de Simonstraat bent, boetvaardig, gehoorzaam, beschouw ik je niet langer als me kleinkind.—U!? U bent me Groo’va nie’ meer!De uitroep was een schreeuw van wanhoop, die Maandag bleeker deed worden van deernis. Tegelijk zag hij Geertje om zich heen tasten naar de stoel, met het gebaar van wie gewaarwordt het evenwicht te verliezen; en de oude man met een hatelijk van-zich-zelf-zekere beslistheid grijpen naar zijn hoed. En nu was hij het, die, tegen de deur zich dringend, de oude beletten zou heen te gaan.—Menheer Naikerk, och chot ik versoek je.… Kom Geer, je main et sau niet.…Die meid, in d’er drift van zenuwen, wist ze nie’ meer wat ze dee’! Later zou z’er spijt van hebben.… Het liep[183]anders dan Maandag verwacht had in zijn dagenlang opzien tegen dit bezoek. Zij was anders: uit wrok tegen Oom, want in d’er hart hield ze wel van Groo’va. ’t Kind was op, zóó gejaagd en geplaagd.…Of hij iemand belette in ’t water te springen, zoo hield de dwerg, de handen vlak vóór het achterwaartsche hoofd, houding van een opzittende hond, de rechte lange oude man tegen.—Doe-n-et niet meneer Naikerk, g’lauf me, Geertje meint nie’ wa’ se sait.—Ik was gekomen om haar te helpen. En nog zal ik haar helpen als ze berouw toont. Maar—om vier uur gaat mijn trein.Des langen ouden groote hand beroerde de schouder des bultenaars, die week, en zij opende met vastheid de deur.En Maandag zag Geertje wankelen naar de achterkamer.Hij dribbelde naar zijn schrijftafeltje, vatte de papieren op, legde ze weer neer, liep toen ook naar de achterkamer. Bij de open deur bleef hij staan, hoorde haar achter bij Pietje’s bed, zag op de zijwand de schaduw van haar beweging met een deken. Zou ze?!.… Nu hoorde hij een snik. Verteederd, overtuigd, kwam hij binnen. Bij het zien van de zwangere, ’t waswitte vleesch op het zwart der japon, ging hem door ’t brein wat zij verteld had van het sterven harer moeder. Zij mòest bedaren, ze leek zóó zwak!—Maak je no’ nie’ sau auferstuur!Ruggekromd, het hoofd gedrukt in een tip van een laken, stond zij te huilen dat haar lijf er van schokte. Hij legde troostend zijn hand op haar arm.—Groo’moe, leefde Groo’moe nog maar! beefde de stem door het snikken heen.—Och, je hau ouk well fan je grau’fa. Jullie wiste nie’ meer wa’j zai.… Kom, bedaar, denk an je kindje, vermaande hij.Hij wenschte dat zij de oude man nog zou achterna-gaan[184]maar dorst het haar niet voorstellen. Het mòcht niet zoo blijven tusschen die beiden. Doch hoe deze van zenuwen opgevreten deern de straat op te sturen? Een gedachte doorschoot hem:—Ik wait er wat op!Lusteloos-vragend zagen haar betraande oogen hem aan.—Ik ga na je grau’fa toe.—Nee, och néé?.…—Et mot.… ik ga.Zij was te moe, te ziek, te onverschillig om hem tegen te houden. Wat zou zijn bezoek nog anders geven dan nieuwe ruzie met Oom en Tante? O, die eigengerechtige valscher’s! Tante had Groo’va opgestookt. Naar ’en doorgangshuis, stel je voor! Waarom maar niet ineens na Steenbeek! Niemand geloofde, begreep d’er—als Maandag.… Goeiert, maar over Jan dacht ook hij slecht. Dat de menschen toch maar niet konden begrijpen, dat zij van Jan hield als van d’er man, als van de vader van d’er kind, die in ’er leefde, die ze nóóit kwijt was, zoodat hij van zelf meer voor d’er zijn moest dan Groo’va of dan wie ter wereld.…Zou hij nooit meer denken aan haar?… De kinderen.… Och, die hadhet menschnatuurlijk verboden om ook maar d’er naam te noemen. Kinderen vergeten gauw.… Hartelijke kleine Truus! Had dat kind een andere moeder.… Maar hij! ’s Avonds alleen in de huiskamer.… Hoe dikwijls had hij haar verteld, dat hij, vóór haar komst in huis, ’s avonds en ’s morgens eenzaam zich voelde, ellendig van ongezelligheid in het holle vertrek zijn brood zat te eten. Zou hij daar nu nóóit denken aan haar? „Een geluk als ik niet gekend heb.” ’t Waren zijn eigen woorden geweest. O, hij moest soms terugverlangen, terwijl hij de flesch borg onder-achterin het buffet, voordat ie met z’en zware stap de trap op treuzelde, naar de benauwdheid waar ’tmenschal zoo lang lag.Alshij zich herinnerde;alsook hij verlangen had, maar de móed miste om haar te schrijven.… ’t Kòn wel, hij was zóó gesteld[185]op z’en zaak!.… Moest zij hem dan niet schrijven, en troosten?.… Misschien zou een brief hem boos maken. In zijn angst voor weer-ruzie in huis! Misschien zou hij denken, dat zij zich opdrong. Als ze het tòch maar eens waagde? Eens hem nog schreef en alles hem zei?.… Alles?.… Hij en lange brieven! En ze zou hem zoovéél willen zeggen.… Nee. Enkel: „Ik ben in niets veranderd, ik zal je liefhebben tot aan mijn dood.” Dat ie dit wist, nog eens van haar hoorde, wist, voor altijd, met zekerheid.… Mogelijk dacht hij, dat zij boos was. Wat Maandag zei: dat hij zich moest schámen! Hè, ’t hem te zèggen: lieve Jan, kijk me even góed in de oogen, ’k ben niet boos op je, ’k vin àlles goed, geef me één kus, desnoods voor het laatst.…Nog nat waren haar wimpers van onvoldoend gedroogde tranen, maar in dat vocht fonkelstraalden haar oogen de schoonheid van deze verbeelding tegen. Zij zou hem zien en hij haar omhelzen!Gedachteloos was zij, het laken steeds over zwarten arm en schoot, op den ijzeren rand van Piet’s ledikantje gaan zitten en onwillekeurig vermeed zij het juist opgeschudde bed neer te drukken. De steun volstond haar, de kantigheid van de ijzerrichel deerde haar niet.Toen zij kinderstemmen hoorde, wipte zij veerkrachtig overeind en ging verheugd af op de klank. Zij omhelsde Piet en Mietje met vroolijke hartelijkheid, daar ze voor haar verbeelding Truus en Koos, zijn kinderen, verwelkomde in de zonnige frischheid der van lentelucht doorademde kamer. Verrast, lieten de kinderen zich terstond aansteken door hare blijheid en babbelden de honderd uit. Wanneer zij niet sprak, neuriede zij, en had, onder het haastig beredderen van eten uit de kast, aldoor voor oogen de brief aan hem. Er werkte een nieuw besef in haar, dat zij misschien Hem niet zou zien en waarschijnlijk ook geen brief hem zou schrijven, maar dat dit niets was, zij stelde ’t zich voor en zij had hem ommers lief! Zoo had zij zich als kind getroost, wanneer ze op kermismiddag[186]niet naar de mallemolen mocht. Door huis heen in de eenzame school geslopen, waar ze de orgelmuziek niet kon hooren, speelde ze molenrijden op een punt van een lessenaar, en bij de ontroering van het gevaar, dat zij, grijpend in de lucht naar de in haar verbeelding daar hangende sleutel, vallen zou, bij de vreugd over haar verbeelde victorie, bestond er geen teleurstelling meer.Nu stond zij, een hand op de buikronding, lachend te zien naar Piet’s gulzigheid, en het wàs of ze Koos verzorgde en Jan daar straks over zou spreken, òf over schrijven een lange brief, over de gezondheid der twee en dan wat over „nommer drie”.…Toen Maandag thuiskwam, ontsteld door ’t kijven van Geertje’s tante, die getierd had, dat Geer nog moest waarmaken, wat ze zeggen dorst over Gerrit; zag hij onthutst de groep vóór het open raam. Piet bij „Tante” op schoot en Mietje tegen haar aangedrongen, nauw tusschen stoel en vensterkozijn. Tante was dòl an et vertellen, van een tuinman bij d’er op het durp, die in ’en sloot viel toen-d-ie jonge vogelnesten-dieven achterna zat. Mietje wrong zich naar Oome toe, om ’t hem over te vertellen. En Maandag lachte mee met het kind. Maar toen hij zijn goed had weggehangen, ging hij naar de achterkamer en kwam eerst later voor terug. Geertje merkte ’t wegblijven niet op.[187][Inhoud]V.Zijn angst over haar verminderde niet, de volgende dagen, toen zij kalm bleef. Soms begreep hij niets van haar doen, talmde ’s morgens met het uitgaan, voelde zich, eenmaal buiten en in zijn werk, bevrijd van een druk; doch werd dan opgeschrikt door de gedachte, met zelfverwijt, of haar niets zou zijn overkomen. Alles en iedereen werkte tegen. Buurvrouw groette met norsche hoofdknik, zei ook tegen de kinders geen woord. Willems, de inspecteur van politie, twee huizen verder, die hij kende sinds jaren en jaren, die hem kende, wist van zijn zuster, wist van alles wat hem betrof, altijd hulpvaardig met inlichtingen, had hem aangeklampt met lachje van verwonderde spot:—„Wat vertelle ze nou toch van je?” en was doorgeloopen met een:—„’k Zou me nog maar ’is bedenke, je weet, man, hoe de mense zijn, as ze wat van je wete, nou!”.… In die vijandschap liet hij haar achter, liepen de kinderen rond, en dan.… er bleef niemand om voor haar te zorgen, straks, wanneer het gebeuren ging. Al deze dingen kwamen bij verrassing, liepen, zooals je niet kòn verwachten, beangstigden heftig het fijne verantwoordelijkheidsgevoel van den zenuwachtigen eenzaamling. Hij hàd er een grapje van gemaakt, waar Geertje dankbaar om had gelachen;—„Ik wil ook wel ’es ’en kinderjuf in m’en huis hebbe, waarom ik niet, zoo goed as ’en ander?” maar aan een langdurig verblijf van haar had hij zoo min gedacht als zij. Nu lei het er toe, hij zag geen uitweg—èn als de zorg voor de kinders, de bezorgdheid over haar, in deze omstandigheden,[188]met wat er, den toestand ingewikkelder makend, bij kwam, hem niet zoo zwaar gevallen waren, zou hij het toeval hebben gezegend. Want wat een vroolijke hartelijkheid lachte er plotseling in zijn woning! Maar het was een angstig geluk. Geer’s vroolijkheid mòest overspanning zijn. Soms vreesde hij voor louter komedie. Eens nam hij bij de Beurs de tram, hij die nooit tramde uit zuinigheid, voortgejaagd door een onreed’lijke vrees, dat ze zich zou hebben verdaan. Onder ’t eten, met de kinders, had zij eerst allerlei grappigs gezeid en toen opeens was ze stil geworden, nadat hij had gezien, hoe haar gezicht vertrok. ’t Moest ommers kemedie zijn. Een arme ziel van ieder verlaten, die d’er eer, d’er leven had weggesmeten voor ’en ellendeling, nu nog op de vent verliefd, van wie ze natuurlijk nooit meer iets merkte. De eenige die ze nog had, d’er Groo’va, laat er ook los en haar maakt dat blij, sedert die dag, dat uur, dee’ ze vroolijk. Even had hij gedacht aan ongevoeligheid, de opzettelijke verharding, waarin gevallen meisjes zich trachten te troosten met d’er trots. Maar dat kon ’t toch niet zijn van Geer! Dan weer overlegde hij, dat ze zoo deed om hem te plezieren, hem te beloonen voor z’en gastvrijheid, nu ze langer bij hem bleef. Maar opzettelijk-lief-zijn en Geer!.… Nee, het moest kemedie zijn, kemedie ook tegen d’er eigen zelf, een zich dwingen, een willen vergeten.… en die toestand bracht meestal tot wanhoop. Griezelend dacht Maandag dan wéder aan zelfmoord, of aan gevaar voor krankzinnigheid.Maar thuis komende hoorde hij de eene keer al op de trap haar neuriën; een ander maal vond hij haar voor het raam van de achterkamer, geheel verdiept in verstelwerk waarvan een stapel naast haar lag op een stoel, of ze boende de kinderen, lief, blij-zorgzaam—als een moeder.…En telkens weer onderging hij dezelfde verbijsterende ontroering, de gewaarwording van niet-kunnen-gelooven, als toen hij, geheel van streek door de ruzie in de Simonstraat, bedeesd, bevreesd om haar daarvan te spreken, haar had gevonden[189]als de vrouw, die aan de kinders, zijn arme weesjes, gaf wat de stumpers steeds hadden ontbeerd.De gansche dag haastte hij zich met zijn werk. Hij, met wiens stiptheid wel werd gespot, lichtte er nu het handje mee, en, wat hij altijd fier had vermeden te doen, hij sprak andere berichtgevers aan, om de dingen te weten te komen.Nu Geer er was, hoefde hij de sleutel niet bij buurvrouw te brengen, wanneer hij ’s avonds uitging. Maar nooit had zijn woning deze gezelligheid gekend en zooveel mogelijk bleef hij thuis. Geregeld kreeg hij zijn koffie en thee, den kinders ontbrak het niet meer aan iets en precies op tijd lagen die in bed. Dan week welhaast het nagevoel van het stage leed over zijn zuster, dat leed als een rouw die men niet overleeft. Dan trilde zijn wezen onder de gewaarwording van zooveel knusse gezelligheid rondom hem, zat hij met snel-knippende straaloogen meer te soezen dan te werken aan zijn schrijftafeltje, bij de kaars, die Geer er „verzonnen” had. En op haar vraag:—„Wil u daar uw thee?” zei hij telkens gretig:—„Ik kom.”Doch later alleen, wanneer zij naar bed was, werd hij weer aangegrepen door vrees. Het kwam niet in hem op, dat voor haar dit zijn hier was als een slaapwandelen, dat haar wezenlijk leven elders verliep—en haar doen van de gansche avond bleef hem een raadsel, zoet.… máár angstig!.…[190][Inhoud]VI.Eén avond begon zij over Jan.Maandag had zijn pijp gestopt, en zich door haar een grog van jenever doen maken. Dat was nu zijn weelde, zijn stoutigheid. De kinders naar bed, rust in de woning, diep beneê het rumoer van de straat. Geen vergadering, thuis kunnen blijven en vóór het raam, bij zijn pijp, een grog. ’t Was een zaligheid, hem op-eenmaal beschoren, gezellige kalmte, huiselijkheid. Buurvrouw had Piet straks op de trap aangeroepen om een lampje van haar te brengen naar de blikslager in de Aert-van-Nes en de boodschap met twee centen beloond. Maandag wilde er een teeken van toenadering in zien, was naar buiten geloopen, had bedankt met protest: als Piet dàt nog niet voor Juffrouw Tabbe kon doen.… Vredigheid, althans een niet dènken aan ruzie; en de schemer was zoo mooi.… Geertje, knus voortzorgend, breide een voet aan.…Toen verschrikte zij hem met die vraag over Jan. Het breien stakend, de armen in de schoot, boog zij zich, keek hem aan over tafel. Maar onmiddellijk richtte zij zich weer op van dit bespieden:—Nee! zegt u niks, zegt u liever niks, ’k zie het al aan uw gezicht!Herhaaldelijk had Maandag aangedrongen, dat zij niet meer zou u-en, meneer-en; nu deden, in zijn verrast-zijn, die u’s hem pijn. Maar zijn verlegenheid werd verlicht, doordat zij niet droevig keek, glimlachte. In ééne slok leegde hij zijn glas.—Nog een make? lachte zij, opstaand.[191]—Neeë, no’ já, voor disse keer.Toen zij hem het glas gebracht had, ging zij naar de kinderen kijken en terugkomend stak zij de lamp aan. Op dat oogenblik werd er beneden gebeld—drie malen, het was voor hem.—De pos’!Dagelijks belde de post voor Maandag, voor niemand in huis zoo vaak als voor hem. Maar deze keer schrikten beiden op; hij, in zijn stâge gespannenheid, nog ontrust door Geertje’s vraag; zij, de-dag-dóór in een koorts-van-gedachte, waarmee ze, plots helder, was ontwaakt: dat, nu zij niet schreef aan Jan, God hem misschien zou neigen tot schrijven. ’n Wonder! àls daar nu zijn brief was.…Zij wilde naar beneden ijlen, doch Maandag hield haar tegen, ging. Toen, alleen, aan zichzelve gelaten, in die seconden eindeloos-makende afwachting der nu opeens gekómen vervulling van het verlangen waarop zij leefde, besefte zij slechts dat zij moest bidden, danken-en-bidden, zij wist niet hoe, maar God achtte de woorden niet—zij had Hem gesmeekt, Hem had zij ’t gevraagd, en Hij die Genade is had haar verhoord. ’t Kwàm! God wou het! Jan had haar nog lief.…—Ja! fo’ jau!Haar vindend: overeind; gebogen leunende tegen de tafel; een witte hand, enkel pees en zenuw, in een klauwvormige vingerspreiding van radeloos steunzoeken geklampt aan het donk’re dofglanzige zeil; de linkerhand en de benedenarm tegen de buik, om die op te houden; de mooie angstoogen vlammend hem tegen, als zogen ze ’t antwoord naar zich toe; dacht hij niet anders, of eindelijk brak de ingebeelde hardheid tegen haar grootvader, en gretig-troostend stak hij de brief toe, waarop hij beneden de stempel van haar dorp had onderscheiden. Het feit op zichzelf, dat de oude schreef, was immers al toenadering.Maar met-een:—Geer!! Chot! p’s op! Geer, u’chot, maid.…[192]Langs de tafel was zij gegleden en achteruit langs haar stoel, waartegen zij lag, nu. De oogen half-open, maar als bij een doode. Toch ademde zij. Neen, dood was zij niet.Een oogenblik stond hij ontzet, onmachtig, slechts bewust van het leed, dat hij haar niet had tegengehouden. Nooit had hij een bezwijmde gezien, wel zijn zuster, zoo liggend, van drank, ook hier, de kinders schreiend ervóór. Die herinnering flitste door zijn verwarring, verinnigde zijn meelij met Geertje. Zij zat op de vloer en haar bovenlijf, schuin liggend, leunde tegen de stoel; haar hoofd had gelukkig de rand niet geraakt, het lag nu voorover, scheef gedoken. Hij wist niet wat het eerst te doen. Geen oogwenk dorst hij haar alleen laten. Terwijl hij vóór haar heen wilde gaan, verwarde zijn voet in een plooi van haar rok, was hij bijna over haar gestruikeld; en het bewustzijn van zijn onredzaam bewegen verheftigde de angst in zijn aansprakelijkheidsgevoel. Toen hij water voor haar wilde krijgen, bedacht hij dat zij op zij zou kunnen wegglijden onder de tafel, het hoofd stootend aan de onderkant. Schielijk dribbelde hij weer voor haar heen, nam de dingen op tafel er ijlings af—een kopje van het theeblad, omvallend, deed hem schrikken, maar Geertje had niet verroerd—, zette ze inderhaast maar op de vloer, en nam met een zenuw-vastheid-van-hand, in een opperspanning van zijn luttele kracht, de tafel op, liet behoedzaam haar kantelen, zoodat het vlak vertikaal tegen Geertje aankwam. Toen nam hij een kopje, liep om water, bracht vocht aan haar lippen, besprenkelde de slapen:—zij zuchtte. Hij ijlde naar zijn bedstee, trok er een deken uit, nam het kussen; de deken spreidde hij langs het tafelvlak, het kussen duwde hij aan de andere zij tegen haar rug. En weer sprenkelde hij water, maakte zijn zakdoek nat, hield die tegen haar polsen, bette de slapen. Een zachtere zucht en steeds bleef zij roerloos. Nu waren de oogen geheel gesloten. Een zweetdroppel viel van zijn voorhoofd in haar nek, onder het oor. Ach, zij had van niets besef!—De gewaarwording dier volslagen onmacht van het fiere, lichtkwetsbare[193]meisje maakte hem nog meer onthutst; hulp moest hij hebben, hij kon niet met haar alleen blijven. In zijn haastigheid had hij het theeblad, zijn tabakspot, zijn glas, van de tafel juìst vóór de deur gezet; die dingen moest hij wegschuiven; toen, even nog gekeken naar haar, en ijlings sloop hij de duistere trap af.Op zijn tikken bij Buurvrouw geen antwoord krijgend, opende hij de deur en, zich op zijn geruchtlooze pantoffels als een insluiper voelend, kuchte hij, een snerp-kuch, heesch door zijn ontsteltenis. Toen keken ze op, in de verlichte achterkamer, buurvrouw en de nicht, de kamenier van de Eendrachtsweg, die bij haar te gast was. Tabbe zat, zijn stoel afgewend, te slapen.—Maandag.…? Wat hew we nau?Hij hoorde wel de gewilde verbazing in buurvrouws permantig-beschermende toon; hij voelde zich daar, nog in het donker van het, properheid en welvaart uitglimmende, voorvertrek, staan als de man die een gunst komt vragen, maar hij was overtuigd dat buurvrouw zou meegaan en zei wat er was, schielijk, dringend met haast. Tabbe ontwaakte, terwijl Maandag sprak, keek voorgewend-uitdagend om:—Wàt is-t-er?—Die frauw die bai Maandag is mot befalle.—Ja da’ wwaite we!—’t Schaint dat et no’ saufer is.Maandag verklaarde dit niet te gelooven. ’t Was nog de tijd niet voor de bevalling. Maar Geertje had zich opgewonden.—’k Will ut jullie well alles fertelle. ’k Will d’er we’ graag us aufer spreke. D’er wurde glauf ik dinge gedacht.… M’ar ’k smeek je, jefrau, ga eers’ mee.…—Ja ma’r zeg us, gelukkige fader, m’en frau is geen froetfrau haur!.…De vrouwen lachten, een spottige lollach, maar Maandag, gemoedelijk-doortastend, trok buurvrouw bij de arm.—Maak no’ tuch fort.…Zij stond op, haar nicht eveneens. Tabbe riep nog een[194]grap achterna, waar de vrouwen op de trap over smoesden, heur lachen verstikkend in de hand. Maandag, wel bang, was maar blij, dat buurvrouw niet boos bleek. Geruchtloos opende hij de deur. In het lichaam geen verandering. Als een ontroering van ontzettende smart doorvlijmde hem de gedachte, dat zij dood zou zijn of stervend. Toen hij zich even over haar bukte, brak het zweet weer uit in zijn nek, aan zijn slapen; en snel hief hij zich overeind, wendde zich af, veegde zich ook vocht uit de oogen.—Man je mott’er iemand bij hale, zei luid, zoodat hij ervan schrikte, de kamenier.Goediger, buurvrouw daarop, half-luid:—Eerst mo’ we de’r daar fedaan helpe.Maandag, dankbaar, wist meteen.—Zijn bedstee. Dan lag zij in een kamer alleen. Hij zou bij de kinders gaan.De vrouwen, met stuursche gezichten, maar zwijgend nu, namen Geertje op. Hem had buurvrouw afgeweerd. Wat kon hij!? Schielijk ademend van opgewondenheid en angst, keek hij verlegen toe, doelloos een paar maal de armen heffend uit behoefte om ook iets te doen. Wel met schokken, maar zonder stooten, kwam ’t doorzakkende lichaam langs de zijschotten heen in de ruime bedstee te liggen.Buurvrouw moest Maandag zeggen, nu toch om de dokter te gaan. Hij was alle gedachten kwijt.Hij griste zijn hoed van de kapstok, bedacht wel dat hij op pantoffels was, doch vergat zijn overjas aan te doen. Buiten bitste de nachtvorsten-kou. Hoestend, huiverend, repte hij voort. Guur-weer placht hij te voelen als pijn, doch nu verhelderde de frischte zijn hoofd.Toen hij met zijn vriend dokter Van Dantzig, al uit de Dageraadstijd zijn vriend, geestverwant nóg, ook nu zij elkander zelden anders zagen dan bij gemeenteraadsvergaderingen, waar hij als berichtgevertje, de dokter als gedoogd vertegenwoordiger van een makke oppositie plachten te verschijnen; toen hij met[195]den hartelijken opgewekten jongen jood, die weer onmiddellijk bereid was geweest mee te gaan, de trap naar zijn woning op kwam, stond de deur half open en geluidde Tabbe’s zware stem uit de kamer. Hij wipte de dokter vooruit, in vrees voor nieuwe verwikkeling:—de twee vrouwen zaten aan tafel en Tabbe stond er bij, pijp in de mond.—’t Heef effe geleken of ze bai kwam, ze dee’ d’er augen aupe-n-en en d’erlippebewauge, no’ lait se weer of se slaap.Haastig sloop hij naar de bedstee. De dokter begon met aanmerking te maken op de benauwde lucht.—Beter als u hier niet rookt, zei hij tegen Tabbe.De deur moest gesloten, een venster geopend. Tabbe en de nicht gingen heen, langzaam, als teleurgesteld.Terwijl Maandag de dokter onder het beschouwen van de bezwijmde bijlichtte met de kaars en nu en dan met gedempte stem in telegramtaal inlichtingen gaf, merkte hij op dat buurvrouw naar de achterkamer ging, naar de kinderen. Schoon er geen licht brandde, bleef zij lang weg. Toen zij terugkwam, wenkte zij Maandag:—Morrege froeg kleed ik se-n-an en da’ neem ik se mee bai maîn.[196][Inhoud]VII.Hij ging niet naar bed, die nacht. Terwijl Van Dantzig er nog was, had Geertje met een zucht als van iemand die ontwaakt uit diepe slaap, de oogen geopend. Nu sluimerde zij onrustig, de ademhaling vaak erg snel, dan onhoorbaar, dan zwaar als van zuchten. Lang was Van Dantzig gebleven, zijn avond er aan gevend, zoodat Maandag naar de apotheek had kunnen gaan en wachten op wat er voor haar bereid moest. Bij dokters vertrek, hadden zij gepraat op het portaal. Hij vond haar toestand zorgelijk: doodzwak en dan zóó overspannen. Als het een miskraam werd, kon het haar dood zijn.—„Beter wanneer ze niet hier blijft, ze heeft veel verpleging noodig.…” Daarom waakte Maandag de nacht. Een lang stuk bordpapier had hij vóór de lamp gehangen. Het raam bij zijn schrijftafel moest op een kier blijven en de eene deur van de bedstee aanstaan. In de kamer, van schaduwen geheimzinnig, huiverde de buitenkou. Hij had zijn overjas aangetrokken en wollen sokken in plaats van pantoffels, om niets geen gerucht te maken, wanneer hij naar de bedstee liep.Nog in overleg met Van Dantzig, had hij, om zeker te zijn, hoe haar groo’va gezind was, de voor haar gekomen brief geopend. En in de lange leegte en stilte der wake tastte zijn hand telkens naar het papier, en nogmaals overzagen de oogen die regels, schrijnde opnieuw de zekerheid, van wat hem als een onthulling verschrikt had.Niet Groo’va—d’er vrind Heukelman had haar geschreven.[197]Zij moest het adresschrift hebben herkend. Daarop was zij in zwijm gevallen. Wàt zou het bij haar zijn geweest? ’t Kòn, dat ze, hópend op Groova’s vergeving, over d’er overspanning heen was geraakt, toen ze zag dat de brief niet van Groo’va was. Stommeling, die hij was geweest! Om met zoo’n drukte naar binnen te komen en blij te roepen:—„Ja, voor jou!” ’t Was mógelijk, dat ze enkel van die schrik was flauw gevallen. Maar—ze moest het schrift hebben herkend. Natuurlijk hàd ze het herkend. Van d’er vroegere vrijer—die haar nòg liefhad. Terugkeer van oude liefde, berouw?.… Kòn dat? Kon een vrouw zóó gauw veranderen?—Nog dezen eigensten avond had ze ommers naar Heins gevraagd. Natuurlijk, ze liep met een kind van de fielt. Kòn het dan, dat het enkele weerzien van het schrift van die vroegere d’er zoo had overstuur gebracht? Dantzig had dadelijk, onderweg hierheen, gevraagd: is ze soms geschrikt, is d’er wat gebeurd?—’t Feit, dat-ie schreef, kòn haar doen vermoeden, wat Heukelman in zijn brief zou zeggen. De Nijkerks hadden niet overdreven met wat ze indertijd, làng gelee, toen Geertje pas hier was en naar ’en dienst zocht, hem, Maandag, hadden verteld van die vrome boerekinkel, rijk maar een kinkel, zóó verliefd, dat-ie uit hartzeer over Geertje’s afwijzing naar Amerika was gegaan. Nu bleek-ie terug—en nog verliefd.…Geliefde Geertje.Nademaal uw grootvader mij onder geheimhouding heeft medegedeeld, zoo meld ik u alsdat ik onder Godes hoede uit Amerika in ons dorp ben teruggekeerd en uw nicht Bet en ik zijn de eenige menschen hier die het van u weten. „Ik schrijf deze dingen niet om u te beschamen, maar als mijne lieve kinderen vermaan ik u.” Alzoo schreef Paulus, de geroepen Apostel van Jezus Christus, aan de gemeente, die te Corinthe was. Hoe zou ik dan anders schrijven aan u, Geliefde Geertje? „De liefde bedekt alle dingen,” staat er in[198]denzelfden Zendbrief, maar ook de Spreuken zeggen het reeds: „De liefde dekt alle overtredingen toe”, „die de overtreding toedekt, zoekt liefde,” „een vriend heeft te aller tijd lief.”Ik heb u lief te aller tijd, ik beschouw ons door God voor elkander bestemd, maar bang is het in mijn harte, Geliefde Geertje, overmits uw grootvader mij heeft gezegd, dat gij niet naar hem hebt willen hooren. „Vermaant elkander te allen dage, zoolang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding der zonde.” Zoo hoop ik dan, Geliefde, dat gij nog zult luisteren naar mij als naar een die niet aflaat voor u te bidden. „En hunne zonden, zegt de Heere, en hunne ongeregtigheden zal Ik geenszins meer gedenken. Waar nu vergeving derzelve is, daar is geene offerande meer voor de zonde.” Denk ook aan dit uit Daniël: „Bij den Heere, onzen God, zijn de barmhartigheden en vergevingen, alhoewel wij tegen hem gerebelleerd hebben.”Zoo verzet u dan niet langer, Geliefde Geertje, keer weder tot Hem die Vergeving is en Genade. En verzoen u met uwen grootvader, schrijf hem zoo spoedig mogelijk of schrijf aan mij, die zich noemGeliefde Geertje. Hij die u trouw bleef en die niet ophoudt den Goeden God voor u te bidden,Willem Heukelman.Spreuken 16 : 6;1 Petrus 4 : 8.Teksten, de brief bestònd uit teksten! Dat was zoo’n kinkel z’en beschaving. Geer had ommers verteld van d’er groo’va, hoe die gebeden maakte van teksten! De vluchteling naar Amerika hield zich verstandig aan Meester z’en lessen!—Maandag dacht aan Multatuli, die citaten bij valsch haar vergeleek. Voor alle levensomstandigheden lagen de teksten bij de lui klaar, als sneedjes brood met boter en kaas. De bijbel was de kast met laadjes: wat er gebeurde, wat hun overkwam, ze hadden maar aan een knop te trekken. Als[199]Kruger in den laatsten oorlog: z’en Boertjes nog zoo klop gehad, hij klaar met de bijbelzalf.… Een troost, als ’t gemeend werd, waarlijk gevoeld! En deze jongen voelde het. Zijn bijbelschheid hing de kinkel om de hersens als ’s zondags ze’n lakensche pak om z’en lijf; maar hoe beroerd, hoe nijdig de vroom-vermanerij Maandag aanvankelijk had gestemd, na de eerste keeren lezens; nù legde hij, zuchtend, de brief neer in bewondering voor Heukelman’s kalme flinkheid. Zùlk leven-met-de-bijbel wàs meer dan zondagsche kleeren. Maar—was ’t iets voor Geertje, was zij niet heel anders?.… Hij wist het niet, hij wist het niet. Hoe weinig kende hij de meid. In de laatste tijd was ze gewoon abnormaal. En wat had hij vroeger met ’er gesproken! Bij de Nijkerks had ze zich onthuis gevoeld, dat had hij van het begin af gemerkt. En verder had-ie haar niet anders gekend dan in d’er droevige liefde voor Heins.Dat ze-n-’en lief meisje was; meer wist hij eigenlijk niet.Ontroering beefde om zijn mond, toen hij bruusk wipte van de stoel. Hij schrikte meteen, daar het gerucht van zijn beweging haar kon hebben gehinderd. De adem inhoudend, staarde hij, het kleine hoofd scheef-achterover op de schouders, naar de zware schaduw waar de bedstee was. Nu was ze niet anders dan ziek, dood-ziek. Misschien zou ze Heukelman’s brief nooit lezen.Hij hield een hand voor de oogen gedrukt en sloop weder naar de bedstee, met een zoo ver mogelijk uitzetten van zijn kleine zwakke beenen. Geregeld was de ademhaling. Ze lag daar goed—de Tabbe’s hadden toch maar heerlijk geholpen. God! als het nog eres wel met ’er afliep.…Bij de gewaarwording, dat zij rustig scheen te slapen, wendde hij zich eensklaps om. Loomheid doorzonk hem; hij vroeg zich af hoe laat het zou wezen; hij dacht met tegen-op-zien aan zijn dagplichten van morgen. Maar hij wilde zoo niet zijn! Een zenuwtrekking van zijn schouders was gelijk een ontrukken aan moedeloosheid. In-eenen gaf hij er zich[200]rekenschap van, dat nu hij Heukelman’s brief had gelezen, deze hem verplichtte de man te waarschuwen.Als een verwardheid in zijn denken, martelde daar nog even de aarzeling, of het, indien zij waarlijk eens niet zoo erg ziek bleek, niet mogelijk zou zijn, haar stil hier te laten: juffrouw Tabbe was ommers welgezind.… Maar onmiddellijk zei hij zich, dat het niet mocht. Van Dantzig had beslist gesproken.Hij zou—ja hij zou morgen telegrafeeren. Aan de grootvader,—makkelijk: „hoofd van de school”; en, een tweede telegram, alleen „Willem Heukelman”; zoo’n rijke boer, ’t kwam waarschijnlijk terecht. „Geertje ongesteld, kom over”—met zijn straat en het huisnummer.…Dan zou Heukelman zeker komen en waarschijnlijk de grootvader mee. Ook om het geld was het beter, was ’t noodig: verpleging, waar ook, wat zou het niet kosten!Om niet verder zich in te denken in de rijkdom van „de kinkel”, dwong hij, op de brief starend, zijn gedachten tot Heukelman’s vroomheid terug. Zòu ’t gaan met Geertje? Was ’t niet het beste?.…Toen.… opeens.… god ja, ze riep!—„Maandag”, riep ze, niet meer—„meneer”.Geruchtloos repte hij zich naar de bedstee.—’k Heb zoon pijn, zoo’n erge pijn.… Waar ben ik hier? Hoe laat is het toch?—Arme maid.… sau’n pain.… ik hèb wat.…Onder de lamp vulde hij het medicijnglaasje uit de drankflesch.—Wat is dat? Och nee.… ’k Heb zoo’n pijn.….—Toe no’, je hadt et al lang motte neme, ma’r je sliep sau lekkertjes.—Och.…In zijn verlegenheid meende hij het glaasje niet recht vóór haar mond te brengen, zoodat het stortte; hij dacht dat ze daarover klaagde. Maar hij dorst er niet naar vragen—stil moest het zijn; als ze maar sliep! En goddank, ze bleef stil nu, kreunde wel, maar scheen ingedommeld.[201]Pijn!.… Wat-ter-wereld zou hij beginnen, als de miskraam eens plotseling nu kwam? Van Dantzig zei: „geen kwestie van”. Maar die pijn, wat was die pijn dan?Nog geruischloozer dan de vorige keeren, schrikkend toen zijn beenbot kraakte bij de groote pas die hij nam, ging hij terug naar de ramenkant en zag met verheuging de schemer. Wanneer het dag was, kon hij de Tabbe’s wekken, als het eens mocht noodig zijn. Dag.… dan was hij niet zoo bang meer—och, wat een baas van een ziekenoppasser! Deugde voor niks, hij, dwerg, mismaakte! En dat wou dan nog jaloersch zijn.…Op de stoof stappend, nam hij de lampebol uit de hanger, en op gevaar van het goed te schroeien, spreidde hij zijn jas ertegen uit, toen hij de bol vóór het open raam bracht, waar hij, laaghoudend, het licht uitblies.Dan bleef hij staan bij zijn schrijftafeltje, en overlegde, aan wie te vragen, dien dag voor zijn krantjes te zorgen.[203]
VIERDE BOEK.[159][Inhoud]I.Met die, haar telkens later zelve verwonderende tegenwoordigheid van geest, waarmee zij in elke uiterste nood schijnbaar kalm de uitweg insloeg, was zij nu naar de Nadorststraat geloopen. En het had haar niet ontmoedigd, toen zij meer dan een uur bij juffrouw Tabbe, de vriendelijke buurvrouw, van wie meneer Maandag dikwijls verteld had, doch die ze maar eenmaal had ontmoet, moest zitten wachten. Er kwam daar een jong paar op bezoek, een nicht van de juffrouw, die diende bij rijkdom aan de Eendrachtsweg, met er gelant; en een andere buurvrouw, van de benedentrap, zanikte telkens aan de deur, omdat ’er zoon van zestien jaar in twee dagen en nachten niet thuis geweest was; en toen schrikte Geertje even, toen de juffrouw d’er man, die aan de nachtboot van Londen bleek te zijn, plots een alkoofdeur opensmeet en, met een—„o, neem me nie’ kwaluk” om zijn nachtkleedij, weer toetrok. Doch ze lachte maar mee met het meisje van de Eendrachtsweg, en dee net of ze heel niet merkte, dat die nuf óók lachte om haar. Ze had gezegd, dat ze Maandag spreken mòest en de buurvrouw vroeg niet verder.Toen kleine Mietje d’er bleeke neusje om de deur stak, wipte Geertje van ’er stoel en deed de deur verder open en haalde beide kinderen binnen met lacherige drukte, en zei toen lachende-op-’er-gemak tegen juffrouw Tabbe, dat Mietje en Piet zeker wel een oogenblik daar mochten blijven. Meteen had zij Maandag al meegevoerd. En in zijn voorkamer vertelde zij alles:—waarom ze bij Oom niet had kunnen blijven,[160]en dat ze hem smeekte haar bij zich te nemen, in plaats van zijn zuster die niet terugkwam. Terwijl ze sprak, neep even de onbescheidenheid van het verzoek haar door het hoofd. Met buurvrouw’s hulp kwam hij er zóó wel, nu beide kinderen schoolgingen; hij had haar niet noodig. Maar het mòest, ze wou in de stad blijven, en bij wie anders kon ze terecht? Een oogenblik kwam er misverstand, toen Maandag antwoordde dat het niet ging. Zij dacht aan geld, aan bezwaren van zijn kant. Maar hij meende het om haar:—ze dee’ toch beter, hij had het er immers laatst ook al gezeid, naar huis te gaan, eindelijk weer naar d’er groo’va.—Ik kan hier nie’ weg, ik wil niet, ik kan niet!Zij gilde haar leed uit en Maandag begreep. Wel kwam hij linksch en verlegen achter haar aan, toen zij de kinderen halen ging. Hij liet haar het nieuws aan buurvrouw vertellen. Beduusd hoorde hij haar vrijmoedigheid. Maar even later zag hij haar schrikken, toen zij weer in zijn woning waren en buurvrouw nog weer eens praten kwam; en hij doorzag de opzettelijkheid van haar doen, en kwam haar met een grapje te hulp, dat sedert telkens werd herhaald:—hij wou nou ook wel ’en kinderjuf, daarom nam-d-ie Geertje bij um.De buurvrouw mokte, die keurde af. ’t Was niet om wat zij aan Maandag verdiende, dat gaf zij de kinderen rijkelijk weer. Ze vond zich te kort gedaan in waardeering van haar hulp, het zat haar opeens tot hoog in de keel, dat daar een ander zou ringelooren in Maandag’s vertrekken, die ze, na zoolang al telkens te zijn bijgesprongen, nu Maandag z’en zus voor altijd weg scheen, vrijwel was gaan beschouwen als een stuk woning van d’er eiges. Dus sprak zij in onvolledige zinnen of met niet duidelijk verstaanbare woorden en sjokte dan weg met een nijdige vaart, zoodat Geertje in een gulp van wanhoop de nijpende gewaarwording kreeg, dat die vrouw net dee als Tante. Maandag bleef zich om Geertje heen bewegen met een zenuwachtigheid die hij niet kon verbergen.[161]Hij gaf haar aanwijzingen, waar ze om lachen moest, zoo overbodig waren ze; hij begon allerlei dat hij niet voleindde.Samen brachten zij de kinderen te bed, nadat buurvrouw onder een mal stuursch-doen ook tegen de wichten, hun twee beschuiten met suiker was komen brengen. Geertje werd hoe langer hoe angstiger, daar zij merkte, hoe zenuwachtig Maandag was, en, in het voorvertrek terug, barstte zij in tranen uit.—Morge zal ik gaan, maar toe, la’ me venacht hier blijve!Zijn bleeke lippen trilden en het blauw onder zijn oogen scheen op te zwellen.—Hau je nug altaid saufeill van um?.… Arme maid.…Bijna geruchteloos stond hij op. De kinders mochten niet hooren, dat hij uitging, maar hij moest nu zoo gauw mogelijk naar Geertje d’er Oom en Tante. Die behoorden te weten waar ze was.—Wil ú d’ar heen!?—Ja netuurluk! Jai ken ’t nie doen.Even werd zij zich bewust, dat in haar looden gevoel van volslagen ontreddering een verlichting kwam: thuis zouden ze ’t weten en hij zou goed meebrengen.… Maar meteen warde nieuwe angst door haar gedachten: ze zouden ruziën tegen hem, ze zouden haar hier niet willen laten, meekomen, da’lijk Groo’va schrijven.… Op haar zakdoek bijtend, zag zij hem in de kamer na, terwijl hij zich gereed maakte om uit te gaan. ’t Was of ze in een rouwkamer zat, waar niet hardop geschreid mocht worden.Toen hij weg was, bleef ze roerloos zitten. Een plichtsdrang verweet, dat ze niet opstond om wat te redderen, wat gezelligheid te brengen in de holle kamer, of althans vast thee te zetten, gelijk hij had verzocht. Hij had gezegd, dat hij spoedig terug kwam—en zij bleef gedrukt op haar stoel. Eens verschoof zij die en schrikte van het geknerp. Zij schrikte bij ieder geluid op de trap, bevreesd dat buurvrouw weer zou komen. Want aarzelend had Maandag haar bekend, waarom buurvrouw eigenlijk mokte: dat het Geertje niet paste, alleen te zijn in huis bij een ongetrouwde man. Vooral[162]hinderde haar in dit verwijt, dat zij het in het geheel niet voorzien had. Ze zag zich wanhopig-, hulpeloos-dom tegenover al de toornige menschen. Ze vond de gedachte, dat er iets zou zijn af te keuren in haar verblijf bij een zóó goede man als Maandag, te onzinnig om boos te zijn op de buurvrouw. Het mensch was kwaad uit goeiigheid, omdat ze gewoon was hier alles te doen. Maar zij, wat was ze onverbeterlijk-onnoozel, daar ze had kunnen hopen, dat het mogelijk was: zij, bij Maandag in huis.…De zakdoek wringwindende om de vingers, staarde ze met doffe oogen het bijna niet gemeubelde vertrek in. ’t Geriktik van een wekker vinnigde van de schoorsteen af, waar een pop lag van Mietje en Maandag zijn pijp. Ook op de roodhouten kast geen vaasje, nergens een versierinkje. Kale wanden met grauw behang, die de kamer dieper deden schijnen dan ze was. Hier voor, bij het andere raam, Maandag zijn schrijftafeltje, de stoel er voor met de rug naar de huishoudtafel. ’s Avonds kon hij er nooit aan zitten, omdat de lamp hier boven de huishoudtafel voor het eene raam hing. Alles lag en stond precies op zijn plaats: het dofhouten inktkokertje, het potje lijm, het bakje met schaar, potlood en pennen, en in de vakjes allerhand pakjes—alles klein en keurig netjes. In haar verbeelding zag Geertje er de kleine bultenaar voor zitten. Oom had daar wel eens van verteld, hoe hij dan net een jongetje leek, dat aan een tafeltje zit te spelen. Die tafel met het boekenrek er boven, was Maandags geluk, zijn eenig genoegen.… Geertje vond er afleiding in, met medelijdende genegenheid aan hem te denken. Wat een zorgen had die man en hoe weinig vreugd. Maar Piet en Mietje vergolden ’t hem wel: zulke zoete kinderen! Eenmaal in bed, lagen ze stil als muizen. In alles zóó gezeggelijk. Anders zou ’t ook niet kunnen, zoo’n huishouding.… Wanneer zij nu maar gezond bleef en wezenlijk wat helpen kon.… Hòe zou Maandag het aanleggen bij Oom? Een poosje had ze zich niet angstig gevoeld, doch nu ze ’t zich voorstelde: Oom bulderend,[163]Tante krijschende, viel weer het besef over haar van de onmogelijkheid, dat zij hier bleef.Een rumoer beneden deed haar hevig schrikken. Het kon onmogelijk haar gelden en toch dreef de angst haar tot vlak aan de deur. ’t Was de buurvrouw van benee, ze herkende de stem in het schreierig verwijten, dat tegen dof-lijzig beweren van een mansstem inging. De zoon thuis gekomen, dronken. Hier op het portaal hoorde ze fluisteren, een deur was opengegaan, natuurlijk luisterende menschen.Zij langzaamde terug naar haar stoel bij de tafel en bleef er zitten, ontredderd, angstig, onmachtig iets uit te richten.Maandag vond haar nog zoo op de stoel. De deur, uit zijn hand schietend, zwaaide open; hij schrikte daar zelf van, doch, Geertje aanziend, trok hij de kleine, kortbroekige spillebeenen bijeen, lei de linker arm uit langs zijn lijf en sloeg aan met de rechterhand, onder een grijns van zijn onvolgroeide knapegezicht. Geertje zag die gewilde lach en meteen zijn grauwe bleekheid, de verlegen angst die zijn zwak-gevoelige trekken en oogen niet vermochten te verbergen.Zij schoot op:—Wat zeie ze?Nog trachtte hij komedie te spelen. De aan het smalle, ingevallen gelaat als een kikkerbek vooruitspringende mond zette de lippen uit tot een trechterende toet en met een narrige ondervraging van verwondering keken de oogen haar aan. Eerst toen sloot hij de deur achter zich, nam, voor haar heen gaand, de hoed met een armzwaai af en ging zijn overjas aan de kapstok in de hoek der kamer hangen.—Toe meneer.… hoe was et, thuis?—De groete! kwam ’t uit de hoekschemering.Hij treuzelde, schraapte daar een hoest weg met dat pijnlijk moeitevol-snerpende, waarin je voor Geertje’s gevoel de misvormdheid van zijn borstkas kon hóóren. Toen stapte hij terug in het licht en vroeg vriendschappelijk-verwijtend:[164]—Maid, haij no’ nuch chain drinke geset?Meteen kroop hij op de stoel aan de andere kant der tafel.—Drinke!? Och nee, och gut, neem u me nie kwalik.… Maar zeg nou eerst is, hoe is et gegaan?Nu zag hij, over de tafel, in het volle lamplicht haar aan, met een medelijden dat niet veinsde.—Se ware well naidig.…—Zie je wel!—Maid wat haj dan gedacht?.… aarzelde hij op een toon van vertroosten.Even bleef het zwijgen van beider onrust tusschen hen hangen. Toen vertelde hij haar alles. Dat Oom tegen hem had geschuimbekt van woede, hem indringer genoemd en smerige dingen verweten had. En dat Tante d’er tusschen door had gegild:—Ze zal weg! we schrijven venavend an der groo’va.—Haar goed hadden ze hèm niet mee willen geven; hij had niks met Geertje te maken.… Zijn verhaal liep onregelmatig. Hij hokte telkens, dan schraapte zijn keel; het op de romp als in een stolpkraag omhoog gehouden hoofdje wendde zich dan schuinoogend iets naar haar om en de uitdrukking van zijn gelaat scheen bits. Toen Geertje, bij zijn mededeeling van Tante’s zeggen over het schrijven aan Groo’va, weder opvoer van haar stoel, bleef het scheef-omhoog liggende hoofd, angstig de mond open, haar aanzien. Doch een gedachte van durven, van tarten, trilde over haar volverlicht gelaat.—Dan zal ’t nou gebeuren, dan moet Groo’va wete.… En even later:—Hè, had ik nou mijn brief maar hier.Zij had hare geestkracht terug. Uit bescheidenheid tegenover Maandag verzweeg ze haar verlangen om, deze avond nog, hier, een nieuwe brief te schrijven. Bij de buurvrouw ging zij lichten treds een nachtjak leenen. En bij de kinderen, in het oude bulten-en-gaten-bed der weggeloopen moeder, sliep zij die eerste nacht vrij rustig.[165][Inhoud]II.Toen zij met Piet en Mietje meeliep tot school, had Maandag gezegd, dat hij met uitgaan zou wachten tot haar terugkeer. Bij haar binnenkomen, trof haar weer zijn verlegen blik. Buurvrouw was er geweest, hij vertelde het onmiddellijk; buurvrouw was net de kamer uit, ze was stuursch geweest en vreemd en ten slotte was ze uitgevallen:—Maandag, dat ken toch zoo niet. He’t die meid hier venacht geslapen?—Zal ik vandaag nog weggaan? vroeg Geertje.—Nai, je blaif, saulang je will.… Ma’r.… je mot nie baus op me weise, ’k heb d’er nau wat motte fertelle.…Hij had van haar zwangere toestand gesproken. En dat zij nog altijd hield van de vader.—Sie je, sau begreip se wel, datte.…Iets als een blos vaagde over zijn bleekheid.—Heb u Heins genoemd? angstigde Geertje, geheel in die angst in.Het hoofd schuddende tot ontkenning, zag Maandag haar in de oogen. Haar mooie oogen, vol liefde voor dien.… En zij, gerustgesteld, gaf zich rekenschap van die vleug van verlegenheid, die het schaarsche bloed langs zijn ouwelijk knapegezicht had gejaagd. En tegelijk doorteederde hen medelijden met elkander.Geertje wilde nu onmiddellijk schrijven aan Groo’va. Doch de gedachte aan de vroeger geschreven brief deed haar denken aan haar koffer.—Me goed!.…[166]Ja, Maandag had er ook al over zitten prakkezeeren. ’t Beste was, dat hij nog eens ging met een man van de dienstverrichting. Geertje wilde zelve gaan, maar hij wond zich op, verbood het. Zij moest hem een briefje meegeven, als bewijs dat hij recht op het goed had. Kon die dienstverrichtingsman het dan niet alleen doen? Nu, Maandag zou dan op de hoek van de straat, aan de Schie blijven staan.—En uw werk?—Au, me werk, da’ kom terecht.Hij gaf haar papier op zijn schrijftafeltje. Zij wist haast niet hoe zich er te houden om te schrijven, zijn stoel was zóó ongemakkelijk, maar zij bedacht, wat deze schrijfplaats was voor hem en ze móest zeggen:—Wat zit u hier prettig!Toen dacht ze even na en schreef vlot:„Oom! Na het gebeurde kan ik niet bij U terugkomen. Ik verzoek u vriendelijk mijn goed en de koffer aan brenger dezes mede te geven. Ik zal ook aan Groo’va schrijven. De groete vanGeertje.Toen ’t briefje af was, liep zij naar de achterkamer. Zij meende Meneer daar bezig te hooren. Warempel, haalde de bedjes van de kinders af.—Hè, da’s nou nie’ mooi van u. As ik dat nog niet kan doen.…—O, d’er blaift genoch te werke. ’t Briefie al af?Na de lezing maakte hij haar een compliment, dat ze het zoo schielijk had klaar gekregen. Een geluksgevoel, een gewaarwording van sympathie, van thuis zijn, doorwarmde haar. Zij wist, hoe vlug en goed hij schreef. Uit die domheid van Oom’s huis uit.…Zij maakte zich over niets bezorgd. Opgewekt bracht zij de achterkamer verder aan kant, deed Maandag’s bedstee in de[167]voorkamer, veegde de vloer aan en nam er stof af. Toen keek zij in de kast na, wat voor eten er nog stond. Maar zij werd gestoord door gestommel. Maandag en de man brachten samen haar goed, een rommel, zoo maar meegegeven. Tante had geen woord gesproken, de dingen hun letterlijk toegegooid.De man stond te wachten op zijn loon. IJlings grabbelde zij in haar pas meegebrachte zondagsche rok naar haar portemonnaie. Twee centen er in!.… En ze had nog drie gulden, van de tien die Groo’va laatst gestuurd had. Tante moest die er hebben uitgenomen. Dus bezat ze niets, twee cent! Verlegen keek ze Maandag aan.—Wacht.…En met een gedrochtelijk scheef-naar-voren gooien van zijn romp, trok hij de elleboog op en liet de hand tasten in een vestzak.Geertje wendde zich om, opdat de dienstman niet zou zien dat zij schreide.[168][Inhoud]III.Vreemd dreven nu verder de uren voort, als de wolken waar zij droomend naar staarde. Wat haar gebeurde, wat haar omgaf, het leek alles ver van haar. Toch, schoon zij als mechanisch leefde, of z’in zichzelve een zuster verzelde, die ruzie met de familie had en hier bij Maandag een schuilplaats gevonden; schoon, daarentegen, haar wezenlijk-innerlijk zonderling, voor haar denken dwaas, doorschokt werd van het enkele bewustzijn, dat zij, met haar verhuizing, dichter weer bijHemwas gekomen, als beduidde het iets voor haar liefde, dat de Nadorststraat eenige minuten nader bij het Hang lag dan de Simonstraat; toch deed zij meer dan Maandag’s gastvrijheid met wat zorg voor zijn woning beloonen. Te onmiddellijk, te onwillekeurig had haar gevoel Mietje en Piet bij Truus en Koos vergeleken, dan dat zij voor deze kinderen eenige andere belangstelling kon hebben dan medelijden; maar juist doordat niets haar drong tot liefde, doordat voor dit medelijden haar diepere gevoel bleef gesloten, wist zij, door een opgewektheid gedreven, die zonderling elke daad een glans gaf, de wichten gemakkelijk te koesteren met een teerder zorg en een vriendelijker verpleging, dan waaraan deze van de buurvrouw gewend waren; en Maandag, blij, verheimelijkte haar niet, dat Piet die eerste dag al, na het eten, hem de vraag had toegefluisterd, of déze Tante nu bleef in huis.Zij was verheugd, want de waarheid zou komen; niet langer lag zij onder de leugen. Groo’va! ook Groo’va, zèlfs Groo’va, wist nu! Zelve had zij de brief, de oude, maar met een naschrift[169]dat bijna even lang was geworden als haar eerste schrijven, in de bus doen vallen. Wel was, op het oogenblik dat zij de brief losliet, de gedachte haar komen pijnigen, of Groo’va niet te vreeselijk zou schrikken. Maar onmiddellijk had de herinnering aan Oom’s bedreiging, nu zeker uitgevoerd, dat hij aan Groo’va schrijven zou, haar met een kwelling gerustgesteld. Trouwens, voor haar gevoel wàs Groo’va geen man, die men door schrik de dood op het lijf joeg. Groo’va was sterk, de sterke Gestrengheid, de onverbiddelijk-strenge Vermaning. Deze Groo’va wachtte zij af. Met een gelatenheid vol blijdschap, omdat nu eind’lijk de waarheid hersteld werd, zij ontkomen was aan de leugen, als aan Oom’s huis. De strijd die de waarheid bracht, durfde zij aan, want het was de strijd voor haar liefde. De strijd voor zóóveel meer dan het leven. De strijd voor het eenige dat zij bezat, het eenige dat zij ooit had bezeten. Van Groo’moe had zij zielsveel gehouden, ook wel van Groo’va en van nicht Betje en van zoo menigeen in het dorp. Maar wat was het allemaal-samen bij het geluk van haar liefde voor Jan! Tevreden was zij nooit met dat and’re geweest, dagen lang had haar niets kunnen schelen, gehunkerd had z’om weg te komen, weg, naar Oom, als wist ze toen, dat ze hier het geluk zou vinden.… Ze zou het verdedigen, nu, haar geluk.…Zij leefde de uren in afwachting. Elke handeling voor Maandag of voor de kinderen, alles deed zij in afwachting. Gelijk zij bij Oom de weken doorleefd had in angstige afwachting van een brief van Jan, zoo doorleefde zij nu de uren, een dag, een nacht, nog een dag en nacht, in geruste afwachting van Groo’va’s grimmig-gestrenge vermaning: een blij-verbeide strijd voor haar liefde.Onder buurvrouws zorg was het armoedige huishoudinkje keurig in orde gehouden. Haar aangeboren behoefte aan netheid had buurvrouw gedreven tot hulpbetoon, toen zij Maandag, die net en stipt was, lijden zag onder de achteloosheid van zijn zuster. Maandag vertelde Geertje van de ruzies met zijn zuster en vanbuurvrouwslisten in het begin, om althans de[170]kinders iets minder slordig de straat op te krijgen. Toen zijn zuster de eerste keer wegbleef, was buurvrouw vanzelf dadelijk binnengekomen, had de volgende dag een schoonmaakster gehuurd, die onder haar toezicht de rommel had gereinigd, en was voor het verwaarloosde boeltje gaan zorgen, tot de zuster opeens weer vóór haar stond, op een oogenblik dat zij de kinders hun avondbrood smeerde. Ettelijke keeren was dezelfde komedie afgespeeld. De zuster niet anders beschaamdheid toonend dan door over buurvrouws hulp te zwijgen, niet te ruziën, niet te bedanken, te doen als zag zij de properheid niet; buurvrouw goedschiks een verzorging stakend, waar ze soms weken lang haar rust van kinderlooze welgezeten burgervrouw aan had opgeofferd. Nu met Geertje’s onverwachte tusschenkomst was buurvrouw veel minder inschikkelijk. Geertje vond het heel natuurlijk—de moeder bleef toch altijd de moeder, doch nu had een vreemde de taak genomen—, maar aan Maandag’s teergevoeligheid deed de stuurschheid van buurvrouw pijn, en daarom was Geertje brutaalweg begonnen, voor allerlei kleinigheden over te loopen om raad. Eerst had ze bijna geen antwoord gekregen: bij een hoonenden blik van den, weer in nachtkleeding, achter een bord dampende snert gezeten man, een onverstaanbaar mokken der vrouw. Ontmoedigd had zij gevreesd, dat de vrouw haar toeleg begreep. Maar door argeloos te doen en vriendelijk te blijven en voor de norsch gemompelde raad nederig te bedanken, had ze de tweede morgen bereikt, dat de vrouw haar staande hield op de trap om haar te waarschuwen tegen een meid, die in de straat stond met een wagen visch. Er was eten en Geertje dacht niet aan visch-koopen, maar met drukke omhaal betuigde ze haar erkentelijkheid: ’t was zoo moeielijk, wanneer je vreemd en alleen voor het huishouden stondt, je niet telkens te laten beetnemen. Een kwartiertje later tikte buurvrouw; en, eenmaal binnen, keek zij onbeschoft monsterend rond en vroeg of Geertje hier wel voor zorgde en dat niet vergat, maar besloot met een:—„Nou, et valt me mee.” Ze[171]zette zich ongenood tot een praatje. Geertje dacht terstond: nou komt het. Om de goeie Maandag plezier te doen, had ze het mensch hierheen getroggeld. Maar nu ging die zich moeien met haar! Ze zag het, ze zag de vragen komen.… Een woedende ontsteltenis overstelpte haar, en, onmachtig tot zelfbeheersching, zag ze zich haar spel met de vrouw bederven, voelde ze, dat ze alles verspeelde.Toen het mensch vroeg:—Denk ie daj aum je nog weer bij um zel neme?antwoordden haar oogen met trots en verachting.—’t Is tuch dáárum, drong het mensch aan, met het hoofd knikwijzend naar Geertje’s schoot.—’k Weet niet wat u bedoel, zei Geertje.—Aue!.… En treuzelend opstaand met een zucht vol zelfvoldaanheid:—Hebbe me-n-et sau laat!—Toen, smakkend juist als Tante kon doen, keerde buurvrouw, de handen knuffelend onder de schort, het groote lichaam naar de deur:—Nau.… ajuus dan.Hard viel de deur toe.Geertje knikte de verdwenene na, gelijk zij als meisje-op-school de meesters, ook Groo’va zelf, na een berisping had nageknikt. Het gebeurde speet haar om Maandag. Maar wanneer die stikvreemde menschen zich ook al in haar zaken mochten mengen!.… Het hoofd steunend op de rechter elleboog, zat zij aan de tafel voor het raam naar buiten te staren. Wel wat moe, wat als-verdoofd. Eens trappelde ze haar ergernis uit. Maar kom, och kom, dat indringerige mensch, wat had zij met het wijf te maken.… Ze dwong zich tot belangstelling in de dingen op straat. Daar hadt je die jongen weer van de koetsier uit de rijkelui’s stal, twee huizen van hen af. Bij het boodschappen doen in de straat, zag zij hem telkens, eenige als een-jongeheer-gekleede tusschen al de gewone jongens, aanmatigend met zijn dikke glanzige gezicht-van-gezondheid onder zooveel honger-bleekheid. Maar nu had ze straks het afgeluisterd, dat de jongen van het schoenlappertje[172]de „mooie meneer” verweet nog geen hemd aan zijn lijf te hebben dat van hemzelf was.—„Niks is van jou! Je vader he’t niks. Jullie mot de kleere drage, die de heer van de stal je geeft.…” Een valsch mondvertrekken van verlegenheid-verbergen op de glanzige dikke kop die zweeg—Geertje had hardop moeten lachen. Nu speelde de jongen er weer.…Hoe kwam hij nù daar te spelen? Geertje’s blik sloeg op naar de school, aan de overkant der, voor deze bouw verwijde, op dit gedeelte als-nieuw geworden, straat; de school, waar zij dikwijls al in getuurd had, zonder meer te onderscheiden dan een vage glimmerschemer van door glas gescheiden ruimten. Ook nu tuurde zij. En terwijl zij erover nadacht, hoe de jongen van de koetsier op dit uur vrij van school kon hebben, en een tweede vraag zich in haar opdrong: waarom Maandag Piet niet dee’ op die school; trachtte haar bijna professioneele belangstelling, een belangstelling die voortkwam uit haar afkomst en jeugd, de lichte muren van het nog nieuwe gebouw te doordringen. De ramen waren als bij een kerk, zoo hoog dat zij hier van boven de kind’ren niet zien kon en zelfs niet de meester; wel in het tweede lokaal zag ze wat, donkerten van zittende jongens en ook de meester, staand bij het bord; maar het was haar toch niet mogelijk, de man z’en gezicht te onderscheiden, ook niet, toen hij zich verplaatste.Haar mijmeren vergeleek deze school, deze gróóte stàdsschool met vele meesters, bij het oude kleine gebouwtje, weggedoken achter de boomen, op het donkere pleintje naast de dorpskerk.… Donker, midden in de zomer. Nù moest het in het lentegroen staan.… Haar blik gleed van de schoolramen naar de kleine ruimte naast het gebouw, waarvóór het trottoir van het uitgebouwde straatbrok een hoek maakte. Achter een schutting, een rij jonge kastanjes met traag ontluikend loof. Al wat ze hier van de natuur te zien kreeg![173][Inhoud]IV.’s Woensdags was zij laat met de bedden. Ze had de tijd verpraat met Maandag, die bij buurvrouw was geweest. Nu moest zij alles doen voor het eten en de bedden lagen er nog. Ze zweette van inspanning en gejaagdheid. Zoo hoog mogelijk had ze de ramen opengerukt aan de voorkant, en met open tusschendeur voor het doorwaaien was ze achter bij open raam bezig.Toen, in die, haar denken geheel vervullende, prikkelende haast-van-werken, hoorde zij, opeens, Ooms stem; als dingen die vallen zoo duid’lijk de woorden:—Ja, hier is et. Ga maar binne.Over Piet’s bedje gebukt, bleef ze staan. Haar hoofd had tot luisteren trillend gezwenkt.Zij wist, zij wist precies, ineens. Groo’va was er nu met Oom. Door de woningdeur, die zij ook had laten aanstaan voor de frischheid, omdat er een tocht zoog door het traphuis, waren ze in de voorkamer gekomen. Doordat Piet’s bedje tegen de tusschenwand stond, konden zij haar niet zien. Maar daar, daar! achter die openstaande deur, vlak naast haar, aan ’t voeteneind van Piet z’en bedje, daar waren zij.…Om toch geen gerucht te maken, bleef ze in haar gebogen houding.Nu was ’t er, nu zou het gebeuren, met Groo’va.Een paar keer liet ze haar borst op en neer gaan als iemand die op adem moet komen. Zij dacht niet na, z’ onderging een[174]besef: ’t was nu dat ze zou moeten strijden om Hem. Haar driftige ijver voor het huiswerk was gebroken als een zeepbel. Even drong er gelijk iets hinderlijk-tegen-houdends nog door haar bewustzijn: de bedden—’t eten—buurvrouw helpen. Toen—het duurde bij een zóó kort—stapte ze, op het hooren van weer-gestommel in de voorkamer, met kleine haaststappen naar de deur, bleef in bewust spel staan op de drempel, en, koket het hoofdje schuintrekkend tot een uitdrukking van verwondering, liep ze, de hand uitstekend, met een lachje op Grootvader af.—Groo’va!.…Hij stond, met Oom ter zijde achter zich, juist op de plek, waar buurvrouw de vorige dag met een—„Nou, ajuus dan”, hoonend op haar had neergekeken. Hij stond en niets bewoog aan hem. Geertje zag de lange smalle lippen pijnlijk vast opeengeklemd en onder zijn doorborende strafblik sloeg zij hare oogen neer, de lach kromp weg van haar gezicht en zij bedacht dat ze, op haar rouwjapon, tegen de stoffigheid van het huiswerk, een bonte schort met gaten had aangedaan, die er nog hing van Maandag’s zuster. Schielijk de linkerhand naar achteren stekend om de strik te openen, wilde zij met de rechter de schort al wegtrekken, maar de strik trok vast en de ijle beweging der rechterhand scheen een strijken over de zwangere buik, als om weg te strijken.—Ben je alleen? bitste de vermaanstem.—Ja Groo’va.—Het tocht hier.Oom sloot de woningdeur, Geertje de ramen. Ook de tusschendeur ging zij sluiten.—Gaat u niet zitte? vroeg ze zacht en schraapte naar meer geluid. In een wanhopige zelfteleurstelling voelde ze zich tòch onthutst-doen.—Is dat wat je me te zeggen hebt, Geertje?Het was de oude toon van vijandig klinkende berisping, die hardheid, die haar altijd had gekwetst, waarover Groo’moe[175]met zachtheid placht te troosten. Nu was niet Groo’moe er, maar Oom.—Ik heb u ommers alles geschreven, zei ze, met zekerder stem, koel, strak.—Heb je Groo’va vergeving gevraagd?Oom! Die braaf dee, voor ’en wit voetje!.…Nu had ze haar stem weer geheel, en blozend:—Heb ù al om vergeving gevraagd?—Ik? Ik heb me niet laten onteere!—Nee, ù heb goed opgepast! En voor mijn heb u ook zoo gezorgd! Daarom liep ik laast uw huis uit, toen uw zwager m’en as hoer wou gebruike.…Groo’va, die zich juìst omgewend en de hand op een stoelleuning gelegd had, strekte die uit met gebiedend gebaar:—Stilte!Juist als vroeger op school.—Laat me met haar alleen, Jan; ik zal de weg naar je huis wel vinden.Toen Oom was heengegaan, zei Groo’va:—Ga daar zitten.Het wàs háár stoel, waarop zij altijd zat, deze dagen; zij ontving Groo’va, in Maandag z’en woning! Hij deed net als thuis tegen stoute jongens, die hij in zijn kamer liet komen na schooltijd. De meester, de berispende meester—anders was hij niet voor haar.Onverschillig schokte ze neer op de stoel en bleef, de rug naar het raam, de linkerarm zwaar over de hoek van de tafel, de rechter slap op de schoot, voorovergebogen zitten staroogen met botte dofheid.Een beweging van ongeduld schaduwde over het tafelvlak langs haar. Geduld had Groo’va niet kunnen leeren, in al die jaren van jongens bebrommen.—Ik wàcht, op wat je te zèggen hebt, Geertje!Driftig, met sprongetjes, kwam de bedreiging. En nu smakten[176]de lippen. Dat was toch zoo’n malle gewoonte van Groo’va—net iemand, die de soep te zout vindt.—Zul je nu spreken!?Hoog was hij vóór haar.Loom het hoofd heffend, zag zij even hem aan; toen zonk haar blik, als te moe, langs hem neer. En toonloos-koel liet ze vallen:—Ik heb et u ommers al geschreve.—Geschreven!?.… Je brief was één weefsel van leugens. Bedrogen heb je me, en al zoo lang! Mij en Oom, zelfs Groo’moe nog! Als die dit had moeten beleven! Niets dan de schand’lijkste zonde en leugen. En dat een kind van zóóveel gebed. Ongelukkige! hebben wij dat aan je verdiend!? Het loon voor zóóveel zorg en liefde. Ons kind onteerd op de schand’lijkste wijs, in een zonde die God het zwaarste straft. Hij wil dat ik oude man zwaar beproefd word. Maar jij bent, behalve aan Hem, mij rekenschap schuldig van je ondankbaar, snood gedrag. Je bent verleid, máár je was geen kind meer! Die man heeft zich op de laagste, de gruwelijkste wijze aan je vergrepen, maar.…—Die man heb ik lief, en altijd, verstaat u, na me dood nog, ten eeuwige dage, zal ik van ’em houe, dìe màn!.…Tegenover de hooge bestraffersgestalte, naar haar toe gebogen voor ’t driftig betoog, terwijl de groote, oude handen, de stijfbottige vingers tot haken gekromd, als bij een jood die waren weegt, zenuwachtig trilden vóór ’t lijf, was de daareven ineengezakte plots gestaald van den stoel gerezen, zoodat hij week; en was langs hem gegaan; en stond nu, vrouw, fier op haar vracht, uitdagend van geestdrift in ’t midden der kamer.Maar haar trots had zij vàn dien oude: hij, op zijn beurt door haar hoogmoed gestoken, in een drift die zich wreken moet, hoonde haar toe:—Daarom woon je nu hier!—Wat!? nu hier.…[177]—Bij een anderen man!—Groo’va!.…Zij week, keek ontzet hem aan. Hij! Groo’va! dat hij dàt zei! Het was of er een dofheid uit haar wegzakte, een belemmering van haar bewustzijn week; tot nu toe had ze niet gewéten wat ze zeide en deed en voelde; maar deze pijn werd ze scherp-bewust gewaar: Groo’va, zùlke gemeenheid denkend! Een wirwar van verklarende vermoedens sneed haar door het brein, doch verscherpte slechts het wanhopig besef, dat Groo’va, Groo’va tot zoo iets in staat was. Tegelijk had zij de volle herinnering van haar liefde voor Groo’moe en Groo’va, ’t bewustzijn wàt die liefde was waard geweest; en de gewaarwording der toch-niet-mógelijke waarheid, dat niets daarvan was overgebleven, niets, want Groo’moe was dood, en Groo’va.…Zoekend naar een steunpunt, was zij naar de wand gewankeld en had zich vastgegrepen aan Maandag’s schrijftafeltje en hurkte in vaag begrip van het ongemakkelijke der houding meer tegen Maandag’s stoeltje aan dan er op.—U kunt et niet meene, klaagde zij.Doch opziende zag zij steeds de strafblik, die meedoogenloos streng haar doorboorde.—De weg der goddeloozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen, bitste ’t haar op kerktoon tegen.—U weet niet of God mij niet heeft vergeven.—Ik wéét, dat jij er niet naar geleefd hebt om Zijn vergeving te erlangen! Ik vind je terug in de macht van den Duivel, die den dwazen leert zich te verhoovaardigen over hun zonden. In den mond des dwazen is eene roede des hoogmoeds; als de hoovaardigheid komt, zal de schande ook komen; bij jou vind ik hoogmoed en schande beide. In ontucht en overspel heb je geleefd en je bedekt het gelaat niet met beide handen! Je tong moest je hebben uitgerukt, liever dan prat te gaan op je zonde als in die woorden tegen mij. Ik heb vertrouwd op je liefde, je deugd; dagelijks heb ik voor je gebeden; de laatste woorden van Groo’moe prevelden een[178]gebed voor jou. En jij maakte ons allen te schande. Op het gruwelijkst heb je gezondigd tegen den Hemel en tegen ons. En dan.… durf jij.… lichtzinnige.… slet, mij vragen of ik méén wat ik zeg?Hij was, toen zij langs hem heen gegaan was, vóór de kamerdeur blijven staan, en, de eene hand aan de knop, als bevreesd dat zij hem zou ontvluchten; met de rechter, breed uitgespreid, gebarend als in de kerk bij het lezen; had hij gestrafpredikt tegen haar—wel toornig, doch met zóóveel bijbelsch’, dat het Geertje volkomen te moede was geworden, als vroeger thuis onder zijn vermanen.… Tot nu, bij de allerlaatste woorden, hij, de deur loslatend, op haar toetrad, en die woorden zelf, de toon van zijn stem, een zooveel inniger gramschap uitten, dat zij angstig hem naderen zag, de oogen in vrees naar die hand, die groote, beweeglijk-zware rechterhand.… Zij wist weer; een dag toen zij twaalf jaar was, een snikheete Woensdag na de school; met de jongens was ze meegeloopen, om de bijenkorven te zien bij Kroon, en juist toen ze weg zou gaan, werd ze gestoken.… Huilende thuiskomend, zag ze Groo’va vol ongeduld uitkijkend vóór het huis. In haar schreien hikte ze ’t uit van de korven, en dat een bij haar had gestoken.—Waar ben je dan geweest?—Bij Kroon.…En pats—de groote hand om haar hoofd, juist op de pijnlijke plek een slàg!.…Haar woede, haat was zij nooit vergeten. Evenmin het gesprek tusschen Groo’moe en Groo’va, waar ze wel haar pijn voor vergat: Groo’moe hèm zijn drift verwijtend:—„Bedenk wat je bij Jan d’er mee hebt bereikt!” Het kind, onzichtbare getuige, wist die woorden voor haar leven. En voor haar leven aanzag zij die rechterarm als het „wrekende zwaard” van Groo’va’s toorn.De vuist was gebald, nu, de arm bleef stil. Geertje zag: hij wilde een antwoord.[179]—Omdat u dàt niet van me kùnt denke! Dàt heeft tante Riek u gezeid, die zelf gemeen is, net as d’er broer.…—Zwijg, ik verkies zulke taal niet te hooren. Maar als ik me vergis, verklaar je. Hoe kom je hier en waar is die man?—Maandag? uit. Maar dacht u hèusch?Weer voer zij op.—Wéét u, waarom ik hier ben, Groo’va? ’k Mòest weg bij Oom om tante d’er broer, omdat die gemeenert me nazat. Weet u dat? Hebbe z’u dat gezeid?—Och, ik duizel van al die slechtheid, zóóveel verdorvenheid en zonde. Maar al moest je dáár weg, waarom ben je nu hier?Geertje zweeg, ze hoord’ een gerucht. Afleiding kwam er voor Groo’va zijn gramschap.… Ja! De deur ging open.…—Meneer!.… Groo’va is d’er.… Zegt u nu da’lek.… Dat is Groo’va. En meneer Maandag.… Zegt ù an Groo’va, waarom ik hier ben!Beurtelings had zij naar Maandag en Groo’va gekeken. En in haar gespannen hoop op de vernietiging van Groo’va’s griezelig wantrouwen, was haar de verzachting van zijn blik niet ontgaan, de kalmeerende verwondering, toen daar stond een dwerg met een bult.—Groo’va, riep ze in hartstocht’lijke ijver, denkt er kwaad van dat ik hier ben.… Omdat u alleen woont, verklaarde ze, zachter.—No’ je graufader m’en gesien he’t, zal-d-ie wel nie’ meer bang van me sain!Onder Geertje’s eerste spreken, zóó toen ze zei dat Groo’va d’er was, had Maandag, met zijn gewone breede deurzwaai binnengekomen, in een haast van schrik de deur gesloten; ontsteld, had hij de stoffig-vale flambard gerukt van de warrig-lange haren; en het hoofd, dat dwaas-uitdagend achterover op de schouders placht te liggen, had verdwaasd gedraaid; toen had het lichaampje gebogen.… Maar Geertje had méér gezegd: van die verdenking: en onder deze hoon was alle ontsteltenis als gestold in het kleine zenuwwezen. En met vreemde drukdoenerij,[180]gelijk iemand die wordt aangehouden in bezigheid, was hij gedribbeld naar het schrijftafeltje en had er met hooggeheven arm lange papieren getrokken uit een binnenzak van zijn overjas; en toen, onder het gaan naar de kapstok, bleef hij plots staan, en snerpte die woorden, strak, heel kalm, als onverschillig:—No’ je graufader m’en gesien he’t.…Geertje kneep zich het hoofd tusschen de vingers. Zij wist niet, al dit verschrikkelijke.… Was Groo’va nu verlegen met zijn argwaan? Hij stond onbewegelijk; zeide niets, haar een raadsel, gelijk zoo vaak. Maar toch was hij haar grootvader en die goede Maandag had hij beleedigd. Arme Maandag, kijk hij daar nu scharrelen moeten om bij de lage kapstok te komen. God! wat had-ie daar net gezeid! Nou begreep ze-n-et, God nog-es-toe, dat ’en mensch d’er toe komen kon om zoo iets van z’en eigen te zeggen!.… En ’t was Groo’va z’en schuld en van Oom, o! ze háátte àl d’er familie!Zij was op Maandag’s stoel bij het raam neergevallen. Maandag, zich omwendend, zei tot Groo’va:—Gaat u nie’ sitte?En Groo’va deed het.—’k Geloof, dat hij zijn onrecht inziet, dacht Geertje.Maandag trok zijn stoeltje van vóór de schrijftafel bij.—Wil je Graufa niet ie’s gebruyke, Geer?—Wil u wat gebruike, Groo’va?Nu verhief zich het oude bleeke hoofd en de booroogen staarden Maandag aan.—Ik ben met andere bedoelingen gekomen dan uw gastvrijheid te vragen, m’enheer. En schoon ik bemerk, dingen gevreesd te hebben, waarvoor geen grond schijnt te bestaan, u zult begrijpen dat ik niet hier ben om te eten of te drinken. In welken staat vind ik mijn kleinkind! En in welke gemoedsstemming! Het eerste woord van berouw moet nog over haar lippen komen. Reeds is ze verhard in het kwaad. En wat doet ze hier, bij u?.… Ik verwijt u niets, ik verdenk u van niets. Ik neem aan, dat u de gevallene uit medelijden in uw[181]huis hebt genomen. Maar gaf het pas? Waarom deze schuilplaats? Om mij te misleiden—verheimelijking, leugen. Na de grootere zonde nog deze!.… U zult me ten goede houden, m’enheer, u danken voor uw gastvrijheid kan ik niet. En jij, Geertje, pak je goed. M’enheer wil me wel een rijtuig bestellen. Hoe eer we van hier vertrekken, hoe beter.—’En rijtuig bestelle, waar wilt u dan heen?—Dat.… zul je zien. Doe wat ik zeg.Altijd de meester, of-ie tegen een kind sprak! Geertje voer op, ze hijgde van kwaadheid. Zijn laatste woorden benauwden haar, of ze voor de borst was gestooten.—Maar.… ik kan hier zóó niet weg!.…Zij hoorde zich huilen in haar stem, ’t maakte haar nog woedender. Grootvader had zijn stoel achteruitgezet en was lipsmakkend opgestaan, juist als bij menig avondgesprek thuis, wanneer hij met een: „ik wil er niets meer van hooren”, een eind had gemaakt aan haar gepraat over Rotterdam. En tusschen de twee vijandig-staanden zat de kleine Maandag en nòg schielijker draaide, schuw naar hen ziend, het achterover liggende hoofd tusschen de hooge schouders.—Ik kan uw ferlange wel billaike, sprak hij, om Geertje nau bai u thuys te hebbe, às et kan, as Geertje will.…—Zoudt u me nu aan een rijtuig willen helpen?—Maar Geertje mot eerst toch d’er koffer pakke!—Doe dat dan, gebood Groo’va hoog.—Och ik kan hier toch zóó nie’ weg, de bedde ben nog niet eens aan kant!.… Weet nicht Betje dat ik mee kom? aarzelde zij, steeds de hand aan de stoel.Hij stoof uit:—Zul je doen wat ik zeg?!.… Je gáát niet naar nicht Betje toe.—Wat! Wat bedoelt u?.… Wat wilt u dan?—Je gaat naar een doorgangshuis. Daar kun je je tijd afwachten.—Hè!.…[182]Haar stoel sloeg omver langs het raamkozijn. Zij liet hem liggen, trapte er tegen, wist niets met haar handen te grijpen, deinsde omdathijdicht vóór haar was. Al haar voelen was smaadbesef.Hij, hij, Groo’va, net als Tante, ’en slet was ze in hun oogen, ’en slet.—U weet dat ik meerderjarig ben, hè? Dat ik doen kan wat ik wil. Gelukkig da’k et net ben geworde! Anders in ’en doorgangshuis. Net as ’en gemeene meid! Jonge, Groo’va, wat christelek! Thuis verpleegd worde, kan je begrijpe! Al die schande voor et dorp! Nou m’ar, na zoo’n inrichting ga-n-ik ook niet, hoort u! ’k Heb u nie’ noodig! Gaat u m’ar weg! Bij zoo’n slet, hoe kunt u nog blijve!—Meid!.…Maar kleine Maandag, opgevaren, hield den vuistballenden bedreiger tegen.—Denk dan tuch an d’er toestand, meneir, as je fergaite kunt dat se je kind is!—Ik vergeet niets en ik gedoog niet dat u zoo tegen me spreekt.—U staat in main huijs, meneir.—Ik zal weggaan.… Om.… vier uur vertrek ik. Indien je vóór die tijd niet in de Simonstraat bent, boetvaardig, gehoorzaam, beschouw ik je niet langer als me kleinkind.—U!? U bent me Groo’va nie’ meer!De uitroep was een schreeuw van wanhoop, die Maandag bleeker deed worden van deernis. Tegelijk zag hij Geertje om zich heen tasten naar de stoel, met het gebaar van wie gewaarwordt het evenwicht te verliezen; en de oude man met een hatelijk van-zich-zelf-zekere beslistheid grijpen naar zijn hoed. En nu was hij het, die, tegen de deur zich dringend, de oude beletten zou heen te gaan.—Menheer Naikerk, och chot ik versoek je.… Kom Geer, je main et sau niet.…Die meid, in d’er drift van zenuwen, wist ze nie’ meer wat ze dee’! Later zou z’er spijt van hebben.… Het liep[183]anders dan Maandag verwacht had in zijn dagenlang opzien tegen dit bezoek. Zij was anders: uit wrok tegen Oom, want in d’er hart hield ze wel van Groo’va. ’t Kind was op, zóó gejaagd en geplaagd.…Of hij iemand belette in ’t water te springen, zoo hield de dwerg, de handen vlak vóór het achterwaartsche hoofd, houding van een opzittende hond, de rechte lange oude man tegen.—Doe-n-et niet meneer Naikerk, g’lauf me, Geertje meint nie’ wa’ se sait.—Ik was gekomen om haar te helpen. En nog zal ik haar helpen als ze berouw toont. Maar—om vier uur gaat mijn trein.Des langen ouden groote hand beroerde de schouder des bultenaars, die week, en zij opende met vastheid de deur.En Maandag zag Geertje wankelen naar de achterkamer.Hij dribbelde naar zijn schrijftafeltje, vatte de papieren op, legde ze weer neer, liep toen ook naar de achterkamer. Bij de open deur bleef hij staan, hoorde haar achter bij Pietje’s bed, zag op de zijwand de schaduw van haar beweging met een deken. Zou ze?!.… Nu hoorde hij een snik. Verteederd, overtuigd, kwam hij binnen. Bij het zien van de zwangere, ’t waswitte vleesch op het zwart der japon, ging hem door ’t brein wat zij verteld had van het sterven harer moeder. Zij mòest bedaren, ze leek zóó zwak!—Maak je no’ nie’ sau auferstuur!Ruggekromd, het hoofd gedrukt in een tip van een laken, stond zij te huilen dat haar lijf er van schokte. Hij legde troostend zijn hand op haar arm.—Groo’moe, leefde Groo’moe nog maar! beefde de stem door het snikken heen.—Och, je hau ouk well fan je grau’fa. Jullie wiste nie’ meer wa’j zai.… Kom, bedaar, denk an je kindje, vermaande hij.Hij wenschte dat zij de oude man nog zou achterna-gaan[184]maar dorst het haar niet voorstellen. Het mòcht niet zoo blijven tusschen die beiden. Doch hoe deze van zenuwen opgevreten deern de straat op te sturen? Een gedachte doorschoot hem:—Ik wait er wat op!Lusteloos-vragend zagen haar betraande oogen hem aan.—Ik ga na je grau’fa toe.—Nee, och néé?.…—Et mot.… ik ga.Zij was te moe, te ziek, te onverschillig om hem tegen te houden. Wat zou zijn bezoek nog anders geven dan nieuwe ruzie met Oom en Tante? O, die eigengerechtige valscher’s! Tante had Groo’va opgestookt. Naar ’en doorgangshuis, stel je voor! Waarom maar niet ineens na Steenbeek! Niemand geloofde, begreep d’er—als Maandag.… Goeiert, maar over Jan dacht ook hij slecht. Dat de menschen toch maar niet konden begrijpen, dat zij van Jan hield als van d’er man, als van de vader van d’er kind, die in ’er leefde, die ze nóóit kwijt was, zoodat hij van zelf meer voor d’er zijn moest dan Groo’va of dan wie ter wereld.…Zou hij nooit meer denken aan haar?… De kinderen.… Och, die hadhet menschnatuurlijk verboden om ook maar d’er naam te noemen. Kinderen vergeten gauw.… Hartelijke kleine Truus! Had dat kind een andere moeder.… Maar hij! ’s Avonds alleen in de huiskamer.… Hoe dikwijls had hij haar verteld, dat hij, vóór haar komst in huis, ’s avonds en ’s morgens eenzaam zich voelde, ellendig van ongezelligheid in het holle vertrek zijn brood zat te eten. Zou hij daar nu nóóit denken aan haar? „Een geluk als ik niet gekend heb.” ’t Waren zijn eigen woorden geweest. O, hij moest soms terugverlangen, terwijl hij de flesch borg onder-achterin het buffet, voordat ie met z’en zware stap de trap op treuzelde, naar de benauwdheid waar ’tmenschal zoo lang lag.Alshij zich herinnerde;alsook hij verlangen had, maar de móed miste om haar te schrijven.… ’t Kòn wel, hij was zóó gesteld[185]op z’en zaak!.… Moest zij hem dan niet schrijven, en troosten?.… Misschien zou een brief hem boos maken. In zijn angst voor weer-ruzie in huis! Misschien zou hij denken, dat zij zich opdrong. Als ze het tòch maar eens waagde? Eens hem nog schreef en alles hem zei?.… Alles?.… Hij en lange brieven! En ze zou hem zoovéél willen zeggen.… Nee. Enkel: „Ik ben in niets veranderd, ik zal je liefhebben tot aan mijn dood.” Dat ie dit wist, nog eens van haar hoorde, wist, voor altijd, met zekerheid.… Mogelijk dacht hij, dat zij boos was. Wat Maandag zei: dat hij zich moest schámen! Hè, ’t hem te zèggen: lieve Jan, kijk me even góed in de oogen, ’k ben niet boos op je, ’k vin àlles goed, geef me één kus, desnoods voor het laatst.…Nog nat waren haar wimpers van onvoldoend gedroogde tranen, maar in dat vocht fonkelstraalden haar oogen de schoonheid van deze verbeelding tegen. Zij zou hem zien en hij haar omhelzen!Gedachteloos was zij, het laken steeds over zwarten arm en schoot, op den ijzeren rand van Piet’s ledikantje gaan zitten en onwillekeurig vermeed zij het juist opgeschudde bed neer te drukken. De steun volstond haar, de kantigheid van de ijzerrichel deerde haar niet.Toen zij kinderstemmen hoorde, wipte zij veerkrachtig overeind en ging verheugd af op de klank. Zij omhelsde Piet en Mietje met vroolijke hartelijkheid, daar ze voor haar verbeelding Truus en Koos, zijn kinderen, verwelkomde in de zonnige frischheid der van lentelucht doorademde kamer. Verrast, lieten de kinderen zich terstond aansteken door hare blijheid en babbelden de honderd uit. Wanneer zij niet sprak, neuriede zij, en had, onder het haastig beredderen van eten uit de kast, aldoor voor oogen de brief aan hem. Er werkte een nieuw besef in haar, dat zij misschien Hem niet zou zien en waarschijnlijk ook geen brief hem zou schrijven, maar dat dit niets was, zij stelde ’t zich voor en zij had hem ommers lief! Zoo had zij zich als kind getroost, wanneer ze op kermismiddag[186]niet naar de mallemolen mocht. Door huis heen in de eenzame school geslopen, waar ze de orgelmuziek niet kon hooren, speelde ze molenrijden op een punt van een lessenaar, en bij de ontroering van het gevaar, dat zij, grijpend in de lucht naar de in haar verbeelding daar hangende sleutel, vallen zou, bij de vreugd over haar verbeelde victorie, bestond er geen teleurstelling meer.Nu stond zij, een hand op de buikronding, lachend te zien naar Piet’s gulzigheid, en het wàs of ze Koos verzorgde en Jan daar straks over zou spreken, òf over schrijven een lange brief, over de gezondheid der twee en dan wat over „nommer drie”.…Toen Maandag thuiskwam, ontsteld door ’t kijven van Geertje’s tante, die getierd had, dat Geer nog moest waarmaken, wat ze zeggen dorst over Gerrit; zag hij onthutst de groep vóór het open raam. Piet bij „Tante” op schoot en Mietje tegen haar aangedrongen, nauw tusschen stoel en vensterkozijn. Tante was dòl an et vertellen, van een tuinman bij d’er op het durp, die in ’en sloot viel toen-d-ie jonge vogelnesten-dieven achterna zat. Mietje wrong zich naar Oome toe, om ’t hem over te vertellen. En Maandag lachte mee met het kind. Maar toen hij zijn goed had weggehangen, ging hij naar de achterkamer en kwam eerst later voor terug. Geertje merkte ’t wegblijven niet op.[187][Inhoud]V.Zijn angst over haar verminderde niet, de volgende dagen, toen zij kalm bleef. Soms begreep hij niets van haar doen, talmde ’s morgens met het uitgaan, voelde zich, eenmaal buiten en in zijn werk, bevrijd van een druk; doch werd dan opgeschrikt door de gedachte, met zelfverwijt, of haar niets zou zijn overkomen. Alles en iedereen werkte tegen. Buurvrouw groette met norsche hoofdknik, zei ook tegen de kinders geen woord. Willems, de inspecteur van politie, twee huizen verder, die hij kende sinds jaren en jaren, die hem kende, wist van zijn zuster, wist van alles wat hem betrof, altijd hulpvaardig met inlichtingen, had hem aangeklampt met lachje van verwonderde spot:—„Wat vertelle ze nou toch van je?” en was doorgeloopen met een:—„’k Zou me nog maar ’is bedenke, je weet, man, hoe de mense zijn, as ze wat van je wete, nou!”.… In die vijandschap liet hij haar achter, liepen de kinderen rond, en dan.… er bleef niemand om voor haar te zorgen, straks, wanneer het gebeuren ging. Al deze dingen kwamen bij verrassing, liepen, zooals je niet kòn verwachten, beangstigden heftig het fijne verantwoordelijkheidsgevoel van den zenuwachtigen eenzaamling. Hij hàd er een grapje van gemaakt, waar Geertje dankbaar om had gelachen;—„Ik wil ook wel ’es ’en kinderjuf in m’en huis hebbe, waarom ik niet, zoo goed as ’en ander?” maar aan een langdurig verblijf van haar had hij zoo min gedacht als zij. Nu lei het er toe, hij zag geen uitweg—èn als de zorg voor de kinders, de bezorgdheid over haar, in deze omstandigheden,[188]met wat er, den toestand ingewikkelder makend, bij kwam, hem niet zoo zwaar gevallen waren, zou hij het toeval hebben gezegend. Want wat een vroolijke hartelijkheid lachte er plotseling in zijn woning! Maar het was een angstig geluk. Geer’s vroolijkheid mòest overspanning zijn. Soms vreesde hij voor louter komedie. Eens nam hij bij de Beurs de tram, hij die nooit tramde uit zuinigheid, voortgejaagd door een onreed’lijke vrees, dat ze zich zou hebben verdaan. Onder ’t eten, met de kinders, had zij eerst allerlei grappigs gezeid en toen opeens was ze stil geworden, nadat hij had gezien, hoe haar gezicht vertrok. ’t Moest ommers kemedie zijn. Een arme ziel van ieder verlaten, die d’er eer, d’er leven had weggesmeten voor ’en ellendeling, nu nog op de vent verliefd, van wie ze natuurlijk nooit meer iets merkte. De eenige die ze nog had, d’er Groo’va, laat er ook los en haar maakt dat blij, sedert die dag, dat uur, dee’ ze vroolijk. Even had hij gedacht aan ongevoeligheid, de opzettelijke verharding, waarin gevallen meisjes zich trachten te troosten met d’er trots. Maar dat kon ’t toch niet zijn van Geer! Dan weer overlegde hij, dat ze zoo deed om hem te plezieren, hem te beloonen voor z’en gastvrijheid, nu ze langer bij hem bleef. Maar opzettelijk-lief-zijn en Geer!.… Nee, het moest kemedie zijn, kemedie ook tegen d’er eigen zelf, een zich dwingen, een willen vergeten.… en die toestand bracht meestal tot wanhoop. Griezelend dacht Maandag dan wéder aan zelfmoord, of aan gevaar voor krankzinnigheid.Maar thuis komende hoorde hij de eene keer al op de trap haar neuriën; een ander maal vond hij haar voor het raam van de achterkamer, geheel verdiept in verstelwerk waarvan een stapel naast haar lag op een stoel, of ze boende de kinderen, lief, blij-zorgzaam—als een moeder.…En telkens weer onderging hij dezelfde verbijsterende ontroering, de gewaarwording van niet-kunnen-gelooven, als toen hij, geheel van streek door de ruzie in de Simonstraat, bedeesd, bevreesd om haar daarvan te spreken, haar had gevonden[189]als de vrouw, die aan de kinders, zijn arme weesjes, gaf wat de stumpers steeds hadden ontbeerd.De gansche dag haastte hij zich met zijn werk. Hij, met wiens stiptheid wel werd gespot, lichtte er nu het handje mee, en, wat hij altijd fier had vermeden te doen, hij sprak andere berichtgevers aan, om de dingen te weten te komen.Nu Geer er was, hoefde hij de sleutel niet bij buurvrouw te brengen, wanneer hij ’s avonds uitging. Maar nooit had zijn woning deze gezelligheid gekend en zooveel mogelijk bleef hij thuis. Geregeld kreeg hij zijn koffie en thee, den kinders ontbrak het niet meer aan iets en precies op tijd lagen die in bed. Dan week welhaast het nagevoel van het stage leed over zijn zuster, dat leed als een rouw die men niet overleeft. Dan trilde zijn wezen onder de gewaarwording van zooveel knusse gezelligheid rondom hem, zat hij met snel-knippende straaloogen meer te soezen dan te werken aan zijn schrijftafeltje, bij de kaars, die Geer er „verzonnen” had. En op haar vraag:—„Wil u daar uw thee?” zei hij telkens gretig:—„Ik kom.”Doch later alleen, wanneer zij naar bed was, werd hij weer aangegrepen door vrees. Het kwam niet in hem op, dat voor haar dit zijn hier was als een slaapwandelen, dat haar wezenlijk leven elders verliep—en haar doen van de gansche avond bleef hem een raadsel, zoet.… máár angstig!.…[190][Inhoud]VI.Eén avond begon zij over Jan.Maandag had zijn pijp gestopt, en zich door haar een grog van jenever doen maken. Dat was nu zijn weelde, zijn stoutigheid. De kinders naar bed, rust in de woning, diep beneê het rumoer van de straat. Geen vergadering, thuis kunnen blijven en vóór het raam, bij zijn pijp, een grog. ’t Was een zaligheid, hem op-eenmaal beschoren, gezellige kalmte, huiselijkheid. Buurvrouw had Piet straks op de trap aangeroepen om een lampje van haar te brengen naar de blikslager in de Aert-van-Nes en de boodschap met twee centen beloond. Maandag wilde er een teeken van toenadering in zien, was naar buiten geloopen, had bedankt met protest: als Piet dàt nog niet voor Juffrouw Tabbe kon doen.… Vredigheid, althans een niet dènken aan ruzie; en de schemer was zoo mooi.… Geertje, knus voortzorgend, breide een voet aan.…Toen verschrikte zij hem met die vraag over Jan. Het breien stakend, de armen in de schoot, boog zij zich, keek hem aan over tafel. Maar onmiddellijk richtte zij zich weer op van dit bespieden:—Nee! zegt u niks, zegt u liever niks, ’k zie het al aan uw gezicht!Herhaaldelijk had Maandag aangedrongen, dat zij niet meer zou u-en, meneer-en; nu deden, in zijn verrast-zijn, die u’s hem pijn. Maar zijn verlegenheid werd verlicht, doordat zij niet droevig keek, glimlachte. In ééne slok leegde hij zijn glas.—Nog een make? lachte zij, opstaand.[191]—Neeë, no’ já, voor disse keer.Toen zij hem het glas gebracht had, ging zij naar de kinderen kijken en terugkomend stak zij de lamp aan. Op dat oogenblik werd er beneden gebeld—drie malen, het was voor hem.—De pos’!Dagelijks belde de post voor Maandag, voor niemand in huis zoo vaak als voor hem. Maar deze keer schrikten beiden op; hij, in zijn stâge gespannenheid, nog ontrust door Geertje’s vraag; zij, de-dag-dóór in een koorts-van-gedachte, waarmee ze, plots helder, was ontwaakt: dat, nu zij niet schreef aan Jan, God hem misschien zou neigen tot schrijven. ’n Wonder! àls daar nu zijn brief was.…Zij wilde naar beneden ijlen, doch Maandag hield haar tegen, ging. Toen, alleen, aan zichzelve gelaten, in die seconden eindeloos-makende afwachting der nu opeens gekómen vervulling van het verlangen waarop zij leefde, besefte zij slechts dat zij moest bidden, danken-en-bidden, zij wist niet hoe, maar God achtte de woorden niet—zij had Hem gesmeekt, Hem had zij ’t gevraagd, en Hij die Genade is had haar verhoord. ’t Kwàm! God wou het! Jan had haar nog lief.…—Ja! fo’ jau!Haar vindend: overeind; gebogen leunende tegen de tafel; een witte hand, enkel pees en zenuw, in een klauwvormige vingerspreiding van radeloos steunzoeken geklampt aan het donk’re dofglanzige zeil; de linkerhand en de benedenarm tegen de buik, om die op te houden; de mooie angstoogen vlammend hem tegen, als zogen ze ’t antwoord naar zich toe; dacht hij niet anders, of eindelijk brak de ingebeelde hardheid tegen haar grootvader, en gretig-troostend stak hij de brief toe, waarop hij beneden de stempel van haar dorp had onderscheiden. Het feit op zichzelf, dat de oude schreef, was immers al toenadering.Maar met-een:—Geer!! Chot! p’s op! Geer, u’chot, maid.…[192]Langs de tafel was zij gegleden en achteruit langs haar stoel, waartegen zij lag, nu. De oogen half-open, maar als bij een doode. Toch ademde zij. Neen, dood was zij niet.Een oogenblik stond hij ontzet, onmachtig, slechts bewust van het leed, dat hij haar niet had tegengehouden. Nooit had hij een bezwijmde gezien, wel zijn zuster, zoo liggend, van drank, ook hier, de kinders schreiend ervóór. Die herinnering flitste door zijn verwarring, verinnigde zijn meelij met Geertje. Zij zat op de vloer en haar bovenlijf, schuin liggend, leunde tegen de stoel; haar hoofd had gelukkig de rand niet geraakt, het lag nu voorover, scheef gedoken. Hij wist niet wat het eerst te doen. Geen oogwenk dorst hij haar alleen laten. Terwijl hij vóór haar heen wilde gaan, verwarde zijn voet in een plooi van haar rok, was hij bijna over haar gestruikeld; en het bewustzijn van zijn onredzaam bewegen verheftigde de angst in zijn aansprakelijkheidsgevoel. Toen hij water voor haar wilde krijgen, bedacht hij dat zij op zij zou kunnen wegglijden onder de tafel, het hoofd stootend aan de onderkant. Schielijk dribbelde hij weer voor haar heen, nam de dingen op tafel er ijlings af—een kopje van het theeblad, omvallend, deed hem schrikken, maar Geertje had niet verroerd—, zette ze inderhaast maar op de vloer, en nam met een zenuw-vastheid-van-hand, in een opperspanning van zijn luttele kracht, de tafel op, liet behoedzaam haar kantelen, zoodat het vlak vertikaal tegen Geertje aankwam. Toen nam hij een kopje, liep om water, bracht vocht aan haar lippen, besprenkelde de slapen:—zij zuchtte. Hij ijlde naar zijn bedstee, trok er een deken uit, nam het kussen; de deken spreidde hij langs het tafelvlak, het kussen duwde hij aan de andere zij tegen haar rug. En weer sprenkelde hij water, maakte zijn zakdoek nat, hield die tegen haar polsen, bette de slapen. Een zachtere zucht en steeds bleef zij roerloos. Nu waren de oogen geheel gesloten. Een zweetdroppel viel van zijn voorhoofd in haar nek, onder het oor. Ach, zij had van niets besef!—De gewaarwording dier volslagen onmacht van het fiere, lichtkwetsbare[193]meisje maakte hem nog meer onthutst; hulp moest hij hebben, hij kon niet met haar alleen blijven. In zijn haastigheid had hij het theeblad, zijn tabakspot, zijn glas, van de tafel juìst vóór de deur gezet; die dingen moest hij wegschuiven; toen, even nog gekeken naar haar, en ijlings sloop hij de duistere trap af.Op zijn tikken bij Buurvrouw geen antwoord krijgend, opende hij de deur en, zich op zijn geruchtlooze pantoffels als een insluiper voelend, kuchte hij, een snerp-kuch, heesch door zijn ontsteltenis. Toen keken ze op, in de verlichte achterkamer, buurvrouw en de nicht, de kamenier van de Eendrachtsweg, die bij haar te gast was. Tabbe zat, zijn stoel afgewend, te slapen.—Maandag.…? Wat hew we nau?Hij hoorde wel de gewilde verbazing in buurvrouws permantig-beschermende toon; hij voelde zich daar, nog in het donker van het, properheid en welvaart uitglimmende, voorvertrek, staan als de man die een gunst komt vragen, maar hij was overtuigd dat buurvrouw zou meegaan en zei wat er was, schielijk, dringend met haast. Tabbe ontwaakte, terwijl Maandag sprak, keek voorgewend-uitdagend om:—Wàt is-t-er?—Die frauw die bai Maandag is mot befalle.—Ja da’ wwaite we!—’t Schaint dat et no’ saufer is.Maandag verklaarde dit niet te gelooven. ’t Was nog de tijd niet voor de bevalling. Maar Geertje had zich opgewonden.—’k Will ut jullie well alles fertelle. ’k Will d’er we’ graag us aufer spreke. D’er wurde glauf ik dinge gedacht.… M’ar ’k smeek je, jefrau, ga eers’ mee.…—Ja ma’r zeg us, gelukkige fader, m’en frau is geen froetfrau haur!.…De vrouwen lachten, een spottige lollach, maar Maandag, gemoedelijk-doortastend, trok buurvrouw bij de arm.—Maak no’ tuch fort.…Zij stond op, haar nicht eveneens. Tabbe riep nog een[194]grap achterna, waar de vrouwen op de trap over smoesden, heur lachen verstikkend in de hand. Maandag, wel bang, was maar blij, dat buurvrouw niet boos bleek. Geruchtloos opende hij de deur. In het lichaam geen verandering. Als een ontroering van ontzettende smart doorvlijmde hem de gedachte, dat zij dood zou zijn of stervend. Toen hij zich even over haar bukte, brak het zweet weer uit in zijn nek, aan zijn slapen; en snel hief hij zich overeind, wendde zich af, veegde zich ook vocht uit de oogen.—Man je mott’er iemand bij hale, zei luid, zoodat hij ervan schrikte, de kamenier.Goediger, buurvrouw daarop, half-luid:—Eerst mo’ we de’r daar fedaan helpe.Maandag, dankbaar, wist meteen.—Zijn bedstee. Dan lag zij in een kamer alleen. Hij zou bij de kinders gaan.De vrouwen, met stuursche gezichten, maar zwijgend nu, namen Geertje op. Hem had buurvrouw afgeweerd. Wat kon hij!? Schielijk ademend van opgewondenheid en angst, keek hij verlegen toe, doelloos een paar maal de armen heffend uit behoefte om ook iets te doen. Wel met schokken, maar zonder stooten, kwam ’t doorzakkende lichaam langs de zijschotten heen in de ruime bedstee te liggen.Buurvrouw moest Maandag zeggen, nu toch om de dokter te gaan. Hij was alle gedachten kwijt.Hij griste zijn hoed van de kapstok, bedacht wel dat hij op pantoffels was, doch vergat zijn overjas aan te doen. Buiten bitste de nachtvorsten-kou. Hoestend, huiverend, repte hij voort. Guur-weer placht hij te voelen als pijn, doch nu verhelderde de frischte zijn hoofd.Toen hij met zijn vriend dokter Van Dantzig, al uit de Dageraadstijd zijn vriend, geestverwant nóg, ook nu zij elkander zelden anders zagen dan bij gemeenteraadsvergaderingen, waar hij als berichtgevertje, de dokter als gedoogd vertegenwoordiger van een makke oppositie plachten te verschijnen; toen hij met[195]den hartelijken opgewekten jongen jood, die weer onmiddellijk bereid was geweest mee te gaan, de trap naar zijn woning op kwam, stond de deur half open en geluidde Tabbe’s zware stem uit de kamer. Hij wipte de dokter vooruit, in vrees voor nieuwe verwikkeling:—de twee vrouwen zaten aan tafel en Tabbe stond er bij, pijp in de mond.—’t Heef effe geleken of ze bai kwam, ze dee’ d’er augen aupe-n-en en d’erlippebewauge, no’ lait se weer of se slaap.Haastig sloop hij naar de bedstee. De dokter begon met aanmerking te maken op de benauwde lucht.—Beter als u hier niet rookt, zei hij tegen Tabbe.De deur moest gesloten, een venster geopend. Tabbe en de nicht gingen heen, langzaam, als teleurgesteld.Terwijl Maandag de dokter onder het beschouwen van de bezwijmde bijlichtte met de kaars en nu en dan met gedempte stem in telegramtaal inlichtingen gaf, merkte hij op dat buurvrouw naar de achterkamer ging, naar de kinderen. Schoon er geen licht brandde, bleef zij lang weg. Toen zij terugkwam, wenkte zij Maandag:—Morrege froeg kleed ik se-n-an en da’ neem ik se mee bai maîn.[196][Inhoud]VII.Hij ging niet naar bed, die nacht. Terwijl Van Dantzig er nog was, had Geertje met een zucht als van iemand die ontwaakt uit diepe slaap, de oogen geopend. Nu sluimerde zij onrustig, de ademhaling vaak erg snel, dan onhoorbaar, dan zwaar als van zuchten. Lang was Van Dantzig gebleven, zijn avond er aan gevend, zoodat Maandag naar de apotheek had kunnen gaan en wachten op wat er voor haar bereid moest. Bij dokters vertrek, hadden zij gepraat op het portaal. Hij vond haar toestand zorgelijk: doodzwak en dan zóó overspannen. Als het een miskraam werd, kon het haar dood zijn.—„Beter wanneer ze niet hier blijft, ze heeft veel verpleging noodig.…” Daarom waakte Maandag de nacht. Een lang stuk bordpapier had hij vóór de lamp gehangen. Het raam bij zijn schrijftafel moest op een kier blijven en de eene deur van de bedstee aanstaan. In de kamer, van schaduwen geheimzinnig, huiverde de buitenkou. Hij had zijn overjas aangetrokken en wollen sokken in plaats van pantoffels, om niets geen gerucht te maken, wanneer hij naar de bedstee liep.Nog in overleg met Van Dantzig, had hij, om zeker te zijn, hoe haar groo’va gezind was, de voor haar gekomen brief geopend. En in de lange leegte en stilte der wake tastte zijn hand telkens naar het papier, en nogmaals overzagen de oogen die regels, schrijnde opnieuw de zekerheid, van wat hem als een onthulling verschrikt had.Niet Groo’va—d’er vrind Heukelman had haar geschreven.[197]Zij moest het adresschrift hebben herkend. Daarop was zij in zwijm gevallen. Wàt zou het bij haar zijn geweest? ’t Kòn, dat ze, hópend op Groova’s vergeving, over d’er overspanning heen was geraakt, toen ze zag dat de brief niet van Groo’va was. Stommeling, die hij was geweest! Om met zoo’n drukte naar binnen te komen en blij te roepen:—„Ja, voor jou!” ’t Was mógelijk, dat ze enkel van die schrik was flauw gevallen. Maar—ze moest het schrift hebben herkend. Natuurlijk hàd ze het herkend. Van d’er vroegere vrijer—die haar nòg liefhad. Terugkeer van oude liefde, berouw?.… Kòn dat? Kon een vrouw zóó gauw veranderen?—Nog dezen eigensten avond had ze ommers naar Heins gevraagd. Natuurlijk, ze liep met een kind van de fielt. Kòn het dan, dat het enkele weerzien van het schrift van die vroegere d’er zoo had overstuur gebracht? Dantzig had dadelijk, onderweg hierheen, gevraagd: is ze soms geschrikt, is d’er wat gebeurd?—’t Feit, dat-ie schreef, kòn haar doen vermoeden, wat Heukelman in zijn brief zou zeggen. De Nijkerks hadden niet overdreven met wat ze indertijd, làng gelee, toen Geertje pas hier was en naar ’en dienst zocht, hem, Maandag, hadden verteld van die vrome boerekinkel, rijk maar een kinkel, zóó verliefd, dat-ie uit hartzeer over Geertje’s afwijzing naar Amerika was gegaan. Nu bleek-ie terug—en nog verliefd.…Geliefde Geertje.Nademaal uw grootvader mij onder geheimhouding heeft medegedeeld, zoo meld ik u alsdat ik onder Godes hoede uit Amerika in ons dorp ben teruggekeerd en uw nicht Bet en ik zijn de eenige menschen hier die het van u weten. „Ik schrijf deze dingen niet om u te beschamen, maar als mijne lieve kinderen vermaan ik u.” Alzoo schreef Paulus, de geroepen Apostel van Jezus Christus, aan de gemeente, die te Corinthe was. Hoe zou ik dan anders schrijven aan u, Geliefde Geertje? „De liefde bedekt alle dingen,” staat er in[198]denzelfden Zendbrief, maar ook de Spreuken zeggen het reeds: „De liefde dekt alle overtredingen toe”, „die de overtreding toedekt, zoekt liefde,” „een vriend heeft te aller tijd lief.”Ik heb u lief te aller tijd, ik beschouw ons door God voor elkander bestemd, maar bang is het in mijn harte, Geliefde Geertje, overmits uw grootvader mij heeft gezegd, dat gij niet naar hem hebt willen hooren. „Vermaant elkander te allen dage, zoolang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding der zonde.” Zoo hoop ik dan, Geliefde, dat gij nog zult luisteren naar mij als naar een die niet aflaat voor u te bidden. „En hunne zonden, zegt de Heere, en hunne ongeregtigheden zal Ik geenszins meer gedenken. Waar nu vergeving derzelve is, daar is geene offerande meer voor de zonde.” Denk ook aan dit uit Daniël: „Bij den Heere, onzen God, zijn de barmhartigheden en vergevingen, alhoewel wij tegen hem gerebelleerd hebben.”Zoo verzet u dan niet langer, Geliefde Geertje, keer weder tot Hem die Vergeving is en Genade. En verzoen u met uwen grootvader, schrijf hem zoo spoedig mogelijk of schrijf aan mij, die zich noemGeliefde Geertje. Hij die u trouw bleef en die niet ophoudt den Goeden God voor u te bidden,Willem Heukelman.Spreuken 16 : 6;1 Petrus 4 : 8.Teksten, de brief bestònd uit teksten! Dat was zoo’n kinkel z’en beschaving. Geer had ommers verteld van d’er groo’va, hoe die gebeden maakte van teksten! De vluchteling naar Amerika hield zich verstandig aan Meester z’en lessen!—Maandag dacht aan Multatuli, die citaten bij valsch haar vergeleek. Voor alle levensomstandigheden lagen de teksten bij de lui klaar, als sneedjes brood met boter en kaas. De bijbel was de kast met laadjes: wat er gebeurde, wat hun overkwam, ze hadden maar aan een knop te trekken. Als[199]Kruger in den laatsten oorlog: z’en Boertjes nog zoo klop gehad, hij klaar met de bijbelzalf.… Een troost, als ’t gemeend werd, waarlijk gevoeld! En deze jongen voelde het. Zijn bijbelschheid hing de kinkel om de hersens als ’s zondags ze’n lakensche pak om z’en lijf; maar hoe beroerd, hoe nijdig de vroom-vermanerij Maandag aanvankelijk had gestemd, na de eerste keeren lezens; nù legde hij, zuchtend, de brief neer in bewondering voor Heukelman’s kalme flinkheid. Zùlk leven-met-de-bijbel wàs meer dan zondagsche kleeren. Maar—was ’t iets voor Geertje, was zij niet heel anders?.… Hij wist het niet, hij wist het niet. Hoe weinig kende hij de meid. In de laatste tijd was ze gewoon abnormaal. En wat had hij vroeger met ’er gesproken! Bij de Nijkerks had ze zich onthuis gevoeld, dat had hij van het begin af gemerkt. En verder had-ie haar niet anders gekend dan in d’er droevige liefde voor Heins.Dat ze-n-’en lief meisje was; meer wist hij eigenlijk niet.Ontroering beefde om zijn mond, toen hij bruusk wipte van de stoel. Hij schrikte meteen, daar het gerucht van zijn beweging haar kon hebben gehinderd. De adem inhoudend, staarde hij, het kleine hoofd scheef-achterover op de schouders, naar de zware schaduw waar de bedstee was. Nu was ze niet anders dan ziek, dood-ziek. Misschien zou ze Heukelman’s brief nooit lezen.Hij hield een hand voor de oogen gedrukt en sloop weder naar de bedstee, met een zoo ver mogelijk uitzetten van zijn kleine zwakke beenen. Geregeld was de ademhaling. Ze lag daar goed—de Tabbe’s hadden toch maar heerlijk geholpen. God! als het nog eres wel met ’er afliep.…Bij de gewaarwording, dat zij rustig scheen te slapen, wendde hij zich eensklaps om. Loomheid doorzonk hem; hij vroeg zich af hoe laat het zou wezen; hij dacht met tegen-op-zien aan zijn dagplichten van morgen. Maar hij wilde zoo niet zijn! Een zenuwtrekking van zijn schouders was gelijk een ontrukken aan moedeloosheid. In-eenen gaf hij er zich[200]rekenschap van, dat nu hij Heukelman’s brief had gelezen, deze hem verplichtte de man te waarschuwen.Als een verwardheid in zijn denken, martelde daar nog even de aarzeling, of het, indien zij waarlijk eens niet zoo erg ziek bleek, niet mogelijk zou zijn, haar stil hier te laten: juffrouw Tabbe was ommers welgezind.… Maar onmiddellijk zei hij zich, dat het niet mocht. Van Dantzig had beslist gesproken.Hij zou—ja hij zou morgen telegrafeeren. Aan de grootvader,—makkelijk: „hoofd van de school”; en, een tweede telegram, alleen „Willem Heukelman”; zoo’n rijke boer, ’t kwam waarschijnlijk terecht. „Geertje ongesteld, kom over”—met zijn straat en het huisnummer.…Dan zou Heukelman zeker komen en waarschijnlijk de grootvader mee. Ook om het geld was het beter, was ’t noodig: verpleging, waar ook, wat zou het niet kosten!Om niet verder zich in te denken in de rijkdom van „de kinkel”, dwong hij, op de brief starend, zijn gedachten tot Heukelman’s vroomheid terug. Zòu ’t gaan met Geertje? Was ’t niet het beste?.…Toen.… opeens.… god ja, ze riep!—„Maandag”, riep ze, niet meer—„meneer”.Geruchtloos repte hij zich naar de bedstee.—’k Heb zoon pijn, zoo’n erge pijn.… Waar ben ik hier? Hoe laat is het toch?—Arme maid.… sau’n pain.… ik hèb wat.…Onder de lamp vulde hij het medicijnglaasje uit de drankflesch.—Wat is dat? Och nee.… ’k Heb zoo’n pijn.….—Toe no’, je hadt et al lang motte neme, ma’r je sliep sau lekkertjes.—Och.…In zijn verlegenheid meende hij het glaasje niet recht vóór haar mond te brengen, zoodat het stortte; hij dacht dat ze daarover klaagde. Maar hij dorst er niet naar vragen—stil moest het zijn; als ze maar sliep! En goddank, ze bleef stil nu, kreunde wel, maar scheen ingedommeld.[201]Pijn!.… Wat-ter-wereld zou hij beginnen, als de miskraam eens plotseling nu kwam? Van Dantzig zei: „geen kwestie van”. Maar die pijn, wat was die pijn dan?Nog geruischloozer dan de vorige keeren, schrikkend toen zijn beenbot kraakte bij de groote pas die hij nam, ging hij terug naar de ramenkant en zag met verheuging de schemer. Wanneer het dag was, kon hij de Tabbe’s wekken, als het eens mocht noodig zijn. Dag.… dan was hij niet zoo bang meer—och, wat een baas van een ziekenoppasser! Deugde voor niks, hij, dwerg, mismaakte! En dat wou dan nog jaloersch zijn.…Op de stoof stappend, nam hij de lampebol uit de hanger, en op gevaar van het goed te schroeien, spreidde hij zijn jas ertegen uit, toen hij de bol vóór het open raam bracht, waar hij, laaghoudend, het licht uitblies.Dan bleef hij staan bij zijn schrijftafeltje, en overlegde, aan wie te vragen, dien dag voor zijn krantjes te zorgen.[203]
[159]
[Inhoud]I.Met die, haar telkens later zelve verwonderende tegenwoordigheid van geest, waarmee zij in elke uiterste nood schijnbaar kalm de uitweg insloeg, was zij nu naar de Nadorststraat geloopen. En het had haar niet ontmoedigd, toen zij meer dan een uur bij juffrouw Tabbe, de vriendelijke buurvrouw, van wie meneer Maandag dikwijls verteld had, doch die ze maar eenmaal had ontmoet, moest zitten wachten. Er kwam daar een jong paar op bezoek, een nicht van de juffrouw, die diende bij rijkdom aan de Eendrachtsweg, met er gelant; en een andere buurvrouw, van de benedentrap, zanikte telkens aan de deur, omdat ’er zoon van zestien jaar in twee dagen en nachten niet thuis geweest was; en toen schrikte Geertje even, toen de juffrouw d’er man, die aan de nachtboot van Londen bleek te zijn, plots een alkoofdeur opensmeet en, met een—„o, neem me nie’ kwaluk” om zijn nachtkleedij, weer toetrok. Doch ze lachte maar mee met het meisje van de Eendrachtsweg, en dee net of ze heel niet merkte, dat die nuf óók lachte om haar. Ze had gezegd, dat ze Maandag spreken mòest en de buurvrouw vroeg niet verder.Toen kleine Mietje d’er bleeke neusje om de deur stak, wipte Geertje van ’er stoel en deed de deur verder open en haalde beide kinderen binnen met lacherige drukte, en zei toen lachende-op-’er-gemak tegen juffrouw Tabbe, dat Mietje en Piet zeker wel een oogenblik daar mochten blijven. Meteen had zij Maandag al meegevoerd. En in zijn voorkamer vertelde zij alles:—waarom ze bij Oom niet had kunnen blijven,[160]en dat ze hem smeekte haar bij zich te nemen, in plaats van zijn zuster die niet terugkwam. Terwijl ze sprak, neep even de onbescheidenheid van het verzoek haar door het hoofd. Met buurvrouw’s hulp kwam hij er zóó wel, nu beide kinderen schoolgingen; hij had haar niet noodig. Maar het mòest, ze wou in de stad blijven, en bij wie anders kon ze terecht? Een oogenblik kwam er misverstand, toen Maandag antwoordde dat het niet ging. Zij dacht aan geld, aan bezwaren van zijn kant. Maar hij meende het om haar:—ze dee’ toch beter, hij had het er immers laatst ook al gezeid, naar huis te gaan, eindelijk weer naar d’er groo’va.—Ik kan hier nie’ weg, ik wil niet, ik kan niet!Zij gilde haar leed uit en Maandag begreep. Wel kwam hij linksch en verlegen achter haar aan, toen zij de kinderen halen ging. Hij liet haar het nieuws aan buurvrouw vertellen. Beduusd hoorde hij haar vrijmoedigheid. Maar even later zag hij haar schrikken, toen zij weer in zijn woning waren en buurvrouw nog weer eens praten kwam; en hij doorzag de opzettelijkheid van haar doen, en kwam haar met een grapje te hulp, dat sedert telkens werd herhaald:—hij wou nou ook wel ’en kinderjuf, daarom nam-d-ie Geertje bij um.De buurvrouw mokte, die keurde af. ’t Was niet om wat zij aan Maandag verdiende, dat gaf zij de kinderen rijkelijk weer. Ze vond zich te kort gedaan in waardeering van haar hulp, het zat haar opeens tot hoog in de keel, dat daar een ander zou ringelooren in Maandag’s vertrekken, die ze, na zoolang al telkens te zijn bijgesprongen, nu Maandag z’en zus voor altijd weg scheen, vrijwel was gaan beschouwen als een stuk woning van d’er eiges. Dus sprak zij in onvolledige zinnen of met niet duidelijk verstaanbare woorden en sjokte dan weg met een nijdige vaart, zoodat Geertje in een gulp van wanhoop de nijpende gewaarwording kreeg, dat die vrouw net dee als Tante. Maandag bleef zich om Geertje heen bewegen met een zenuwachtigheid die hij niet kon verbergen.[161]Hij gaf haar aanwijzingen, waar ze om lachen moest, zoo overbodig waren ze; hij begon allerlei dat hij niet voleindde.Samen brachten zij de kinderen te bed, nadat buurvrouw onder een mal stuursch-doen ook tegen de wichten, hun twee beschuiten met suiker was komen brengen. Geertje werd hoe langer hoe angstiger, daar zij merkte, hoe zenuwachtig Maandag was, en, in het voorvertrek terug, barstte zij in tranen uit.—Morge zal ik gaan, maar toe, la’ me venacht hier blijve!Zijn bleeke lippen trilden en het blauw onder zijn oogen scheen op te zwellen.—Hau je nug altaid saufeill van um?.… Arme maid.…Bijna geruchteloos stond hij op. De kinders mochten niet hooren, dat hij uitging, maar hij moest nu zoo gauw mogelijk naar Geertje d’er Oom en Tante. Die behoorden te weten waar ze was.—Wil ú d’ar heen!?—Ja netuurluk! Jai ken ’t nie doen.Even werd zij zich bewust, dat in haar looden gevoel van volslagen ontreddering een verlichting kwam: thuis zouden ze ’t weten en hij zou goed meebrengen.… Maar meteen warde nieuwe angst door haar gedachten: ze zouden ruziën tegen hem, ze zouden haar hier niet willen laten, meekomen, da’lijk Groo’va schrijven.… Op haar zakdoek bijtend, zag zij hem in de kamer na, terwijl hij zich gereed maakte om uit te gaan. ’t Was of ze in een rouwkamer zat, waar niet hardop geschreid mocht worden.Toen hij weg was, bleef ze roerloos zitten. Een plichtsdrang verweet, dat ze niet opstond om wat te redderen, wat gezelligheid te brengen in de holle kamer, of althans vast thee te zetten, gelijk hij had verzocht. Hij had gezegd, dat hij spoedig terug kwam—en zij bleef gedrukt op haar stoel. Eens verschoof zij die en schrikte van het geknerp. Zij schrikte bij ieder geluid op de trap, bevreesd dat buurvrouw weer zou komen. Want aarzelend had Maandag haar bekend, waarom buurvrouw eigenlijk mokte: dat het Geertje niet paste, alleen te zijn in huis bij een ongetrouwde man. Vooral[162]hinderde haar in dit verwijt, dat zij het in het geheel niet voorzien had. Ze zag zich wanhopig-, hulpeloos-dom tegenover al de toornige menschen. Ze vond de gedachte, dat er iets zou zijn af te keuren in haar verblijf bij een zóó goede man als Maandag, te onzinnig om boos te zijn op de buurvrouw. Het mensch was kwaad uit goeiigheid, omdat ze gewoon was hier alles te doen. Maar zij, wat was ze onverbeterlijk-onnoozel, daar ze had kunnen hopen, dat het mogelijk was: zij, bij Maandag in huis.…De zakdoek wringwindende om de vingers, staarde ze met doffe oogen het bijna niet gemeubelde vertrek in. ’t Geriktik van een wekker vinnigde van de schoorsteen af, waar een pop lag van Mietje en Maandag zijn pijp. Ook op de roodhouten kast geen vaasje, nergens een versierinkje. Kale wanden met grauw behang, die de kamer dieper deden schijnen dan ze was. Hier voor, bij het andere raam, Maandag zijn schrijftafeltje, de stoel er voor met de rug naar de huishoudtafel. ’s Avonds kon hij er nooit aan zitten, omdat de lamp hier boven de huishoudtafel voor het eene raam hing. Alles lag en stond precies op zijn plaats: het dofhouten inktkokertje, het potje lijm, het bakje met schaar, potlood en pennen, en in de vakjes allerhand pakjes—alles klein en keurig netjes. In haar verbeelding zag Geertje er de kleine bultenaar voor zitten. Oom had daar wel eens van verteld, hoe hij dan net een jongetje leek, dat aan een tafeltje zit te spelen. Die tafel met het boekenrek er boven, was Maandags geluk, zijn eenig genoegen.… Geertje vond er afleiding in, met medelijdende genegenheid aan hem te denken. Wat een zorgen had die man en hoe weinig vreugd. Maar Piet en Mietje vergolden ’t hem wel: zulke zoete kinderen! Eenmaal in bed, lagen ze stil als muizen. In alles zóó gezeggelijk. Anders zou ’t ook niet kunnen, zoo’n huishouding.… Wanneer zij nu maar gezond bleef en wezenlijk wat helpen kon.… Hòe zou Maandag het aanleggen bij Oom? Een poosje had ze zich niet angstig gevoeld, doch nu ze ’t zich voorstelde: Oom bulderend,[163]Tante krijschende, viel weer het besef over haar van de onmogelijkheid, dat zij hier bleef.Een rumoer beneden deed haar hevig schrikken. Het kon onmogelijk haar gelden en toch dreef de angst haar tot vlak aan de deur. ’t Was de buurvrouw van benee, ze herkende de stem in het schreierig verwijten, dat tegen dof-lijzig beweren van een mansstem inging. De zoon thuis gekomen, dronken. Hier op het portaal hoorde ze fluisteren, een deur was opengegaan, natuurlijk luisterende menschen.Zij langzaamde terug naar haar stoel bij de tafel en bleef er zitten, ontredderd, angstig, onmachtig iets uit te richten.Maandag vond haar nog zoo op de stoel. De deur, uit zijn hand schietend, zwaaide open; hij schrikte daar zelf van, doch, Geertje aanziend, trok hij de kleine, kortbroekige spillebeenen bijeen, lei de linker arm uit langs zijn lijf en sloeg aan met de rechterhand, onder een grijns van zijn onvolgroeide knapegezicht. Geertje zag die gewilde lach en meteen zijn grauwe bleekheid, de verlegen angst die zijn zwak-gevoelige trekken en oogen niet vermochten te verbergen.Zij schoot op:—Wat zeie ze?Nog trachtte hij komedie te spelen. De aan het smalle, ingevallen gelaat als een kikkerbek vooruitspringende mond zette de lippen uit tot een trechterende toet en met een narrige ondervraging van verwondering keken de oogen haar aan. Eerst toen sloot hij de deur achter zich, nam, voor haar heen gaand, de hoed met een armzwaai af en ging zijn overjas aan de kapstok in de hoek der kamer hangen.—Toe meneer.… hoe was et, thuis?—De groete! kwam ’t uit de hoekschemering.Hij treuzelde, schraapte daar een hoest weg met dat pijnlijk moeitevol-snerpende, waarin je voor Geertje’s gevoel de misvormdheid van zijn borstkas kon hóóren. Toen stapte hij terug in het licht en vroeg vriendschappelijk-verwijtend:[164]—Maid, haij no’ nuch chain drinke geset?Meteen kroop hij op de stoel aan de andere kant der tafel.—Drinke!? Och nee, och gut, neem u me nie kwalik.… Maar zeg nou eerst is, hoe is et gegaan?Nu zag hij, over de tafel, in het volle lamplicht haar aan, met een medelijden dat niet veinsde.—Se ware well naidig.…—Zie je wel!—Maid wat haj dan gedacht?.… aarzelde hij op een toon van vertroosten.Even bleef het zwijgen van beider onrust tusschen hen hangen. Toen vertelde hij haar alles. Dat Oom tegen hem had geschuimbekt van woede, hem indringer genoemd en smerige dingen verweten had. En dat Tante d’er tusschen door had gegild:—Ze zal weg! we schrijven venavend an der groo’va.—Haar goed hadden ze hèm niet mee willen geven; hij had niks met Geertje te maken.… Zijn verhaal liep onregelmatig. Hij hokte telkens, dan schraapte zijn keel; het op de romp als in een stolpkraag omhoog gehouden hoofdje wendde zich dan schuinoogend iets naar haar om en de uitdrukking van zijn gelaat scheen bits. Toen Geertje, bij zijn mededeeling van Tante’s zeggen over het schrijven aan Groo’va, weder opvoer van haar stoel, bleef het scheef-omhoog liggende hoofd, angstig de mond open, haar aanzien. Doch een gedachte van durven, van tarten, trilde over haar volverlicht gelaat.—Dan zal ’t nou gebeuren, dan moet Groo’va wete.… En even later:—Hè, had ik nou mijn brief maar hier.Zij had hare geestkracht terug. Uit bescheidenheid tegenover Maandag verzweeg ze haar verlangen om, deze avond nog, hier, een nieuwe brief te schrijven. Bij de buurvrouw ging zij lichten treds een nachtjak leenen. En bij de kinderen, in het oude bulten-en-gaten-bed der weggeloopen moeder, sliep zij die eerste nacht vrij rustig.[165]
I.
Met die, haar telkens later zelve verwonderende tegenwoordigheid van geest, waarmee zij in elke uiterste nood schijnbaar kalm de uitweg insloeg, was zij nu naar de Nadorststraat geloopen. En het had haar niet ontmoedigd, toen zij meer dan een uur bij juffrouw Tabbe, de vriendelijke buurvrouw, van wie meneer Maandag dikwijls verteld had, doch die ze maar eenmaal had ontmoet, moest zitten wachten. Er kwam daar een jong paar op bezoek, een nicht van de juffrouw, die diende bij rijkdom aan de Eendrachtsweg, met er gelant; en een andere buurvrouw, van de benedentrap, zanikte telkens aan de deur, omdat ’er zoon van zestien jaar in twee dagen en nachten niet thuis geweest was; en toen schrikte Geertje even, toen de juffrouw d’er man, die aan de nachtboot van Londen bleek te zijn, plots een alkoofdeur opensmeet en, met een—„o, neem me nie’ kwaluk” om zijn nachtkleedij, weer toetrok. Doch ze lachte maar mee met het meisje van de Eendrachtsweg, en dee net of ze heel niet merkte, dat die nuf óók lachte om haar. Ze had gezegd, dat ze Maandag spreken mòest en de buurvrouw vroeg niet verder.Toen kleine Mietje d’er bleeke neusje om de deur stak, wipte Geertje van ’er stoel en deed de deur verder open en haalde beide kinderen binnen met lacherige drukte, en zei toen lachende-op-’er-gemak tegen juffrouw Tabbe, dat Mietje en Piet zeker wel een oogenblik daar mochten blijven. Meteen had zij Maandag al meegevoerd. En in zijn voorkamer vertelde zij alles:—waarom ze bij Oom niet had kunnen blijven,[160]en dat ze hem smeekte haar bij zich te nemen, in plaats van zijn zuster die niet terugkwam. Terwijl ze sprak, neep even de onbescheidenheid van het verzoek haar door het hoofd. Met buurvrouw’s hulp kwam hij er zóó wel, nu beide kinderen schoolgingen; hij had haar niet noodig. Maar het mòest, ze wou in de stad blijven, en bij wie anders kon ze terecht? Een oogenblik kwam er misverstand, toen Maandag antwoordde dat het niet ging. Zij dacht aan geld, aan bezwaren van zijn kant. Maar hij meende het om haar:—ze dee’ toch beter, hij had het er immers laatst ook al gezeid, naar huis te gaan, eindelijk weer naar d’er groo’va.—Ik kan hier nie’ weg, ik wil niet, ik kan niet!Zij gilde haar leed uit en Maandag begreep. Wel kwam hij linksch en verlegen achter haar aan, toen zij de kinderen halen ging. Hij liet haar het nieuws aan buurvrouw vertellen. Beduusd hoorde hij haar vrijmoedigheid. Maar even later zag hij haar schrikken, toen zij weer in zijn woning waren en buurvrouw nog weer eens praten kwam; en hij doorzag de opzettelijkheid van haar doen, en kwam haar met een grapje te hulp, dat sedert telkens werd herhaald:—hij wou nou ook wel ’en kinderjuf, daarom nam-d-ie Geertje bij um.De buurvrouw mokte, die keurde af. ’t Was niet om wat zij aan Maandag verdiende, dat gaf zij de kinderen rijkelijk weer. Ze vond zich te kort gedaan in waardeering van haar hulp, het zat haar opeens tot hoog in de keel, dat daar een ander zou ringelooren in Maandag’s vertrekken, die ze, na zoolang al telkens te zijn bijgesprongen, nu Maandag z’en zus voor altijd weg scheen, vrijwel was gaan beschouwen als een stuk woning van d’er eiges. Dus sprak zij in onvolledige zinnen of met niet duidelijk verstaanbare woorden en sjokte dan weg met een nijdige vaart, zoodat Geertje in een gulp van wanhoop de nijpende gewaarwording kreeg, dat die vrouw net dee als Tante. Maandag bleef zich om Geertje heen bewegen met een zenuwachtigheid die hij niet kon verbergen.[161]Hij gaf haar aanwijzingen, waar ze om lachen moest, zoo overbodig waren ze; hij begon allerlei dat hij niet voleindde.Samen brachten zij de kinderen te bed, nadat buurvrouw onder een mal stuursch-doen ook tegen de wichten, hun twee beschuiten met suiker was komen brengen. Geertje werd hoe langer hoe angstiger, daar zij merkte, hoe zenuwachtig Maandag was, en, in het voorvertrek terug, barstte zij in tranen uit.—Morge zal ik gaan, maar toe, la’ me venacht hier blijve!Zijn bleeke lippen trilden en het blauw onder zijn oogen scheen op te zwellen.—Hau je nug altaid saufeill van um?.… Arme maid.…Bijna geruchteloos stond hij op. De kinders mochten niet hooren, dat hij uitging, maar hij moest nu zoo gauw mogelijk naar Geertje d’er Oom en Tante. Die behoorden te weten waar ze was.—Wil ú d’ar heen!?—Ja netuurluk! Jai ken ’t nie doen.Even werd zij zich bewust, dat in haar looden gevoel van volslagen ontreddering een verlichting kwam: thuis zouden ze ’t weten en hij zou goed meebrengen.… Maar meteen warde nieuwe angst door haar gedachten: ze zouden ruziën tegen hem, ze zouden haar hier niet willen laten, meekomen, da’lijk Groo’va schrijven.… Op haar zakdoek bijtend, zag zij hem in de kamer na, terwijl hij zich gereed maakte om uit te gaan. ’t Was of ze in een rouwkamer zat, waar niet hardop geschreid mocht worden.Toen hij weg was, bleef ze roerloos zitten. Een plichtsdrang verweet, dat ze niet opstond om wat te redderen, wat gezelligheid te brengen in de holle kamer, of althans vast thee te zetten, gelijk hij had verzocht. Hij had gezegd, dat hij spoedig terug kwam—en zij bleef gedrukt op haar stoel. Eens verschoof zij die en schrikte van het geknerp. Zij schrikte bij ieder geluid op de trap, bevreesd dat buurvrouw weer zou komen. Want aarzelend had Maandag haar bekend, waarom buurvrouw eigenlijk mokte: dat het Geertje niet paste, alleen te zijn in huis bij een ongetrouwde man. Vooral[162]hinderde haar in dit verwijt, dat zij het in het geheel niet voorzien had. Ze zag zich wanhopig-, hulpeloos-dom tegenover al de toornige menschen. Ze vond de gedachte, dat er iets zou zijn af te keuren in haar verblijf bij een zóó goede man als Maandag, te onzinnig om boos te zijn op de buurvrouw. Het mensch was kwaad uit goeiigheid, omdat ze gewoon was hier alles te doen. Maar zij, wat was ze onverbeterlijk-onnoozel, daar ze had kunnen hopen, dat het mogelijk was: zij, bij Maandag in huis.…De zakdoek wringwindende om de vingers, staarde ze met doffe oogen het bijna niet gemeubelde vertrek in. ’t Geriktik van een wekker vinnigde van de schoorsteen af, waar een pop lag van Mietje en Maandag zijn pijp. Ook op de roodhouten kast geen vaasje, nergens een versierinkje. Kale wanden met grauw behang, die de kamer dieper deden schijnen dan ze was. Hier voor, bij het andere raam, Maandag zijn schrijftafeltje, de stoel er voor met de rug naar de huishoudtafel. ’s Avonds kon hij er nooit aan zitten, omdat de lamp hier boven de huishoudtafel voor het eene raam hing. Alles lag en stond precies op zijn plaats: het dofhouten inktkokertje, het potje lijm, het bakje met schaar, potlood en pennen, en in de vakjes allerhand pakjes—alles klein en keurig netjes. In haar verbeelding zag Geertje er de kleine bultenaar voor zitten. Oom had daar wel eens van verteld, hoe hij dan net een jongetje leek, dat aan een tafeltje zit te spelen. Die tafel met het boekenrek er boven, was Maandags geluk, zijn eenig genoegen.… Geertje vond er afleiding in, met medelijdende genegenheid aan hem te denken. Wat een zorgen had die man en hoe weinig vreugd. Maar Piet en Mietje vergolden ’t hem wel: zulke zoete kinderen! Eenmaal in bed, lagen ze stil als muizen. In alles zóó gezeggelijk. Anders zou ’t ook niet kunnen, zoo’n huishouding.… Wanneer zij nu maar gezond bleef en wezenlijk wat helpen kon.… Hòe zou Maandag het aanleggen bij Oom? Een poosje had ze zich niet angstig gevoeld, doch nu ze ’t zich voorstelde: Oom bulderend,[163]Tante krijschende, viel weer het besef over haar van de onmogelijkheid, dat zij hier bleef.Een rumoer beneden deed haar hevig schrikken. Het kon onmogelijk haar gelden en toch dreef de angst haar tot vlak aan de deur. ’t Was de buurvrouw van benee, ze herkende de stem in het schreierig verwijten, dat tegen dof-lijzig beweren van een mansstem inging. De zoon thuis gekomen, dronken. Hier op het portaal hoorde ze fluisteren, een deur was opengegaan, natuurlijk luisterende menschen.Zij langzaamde terug naar haar stoel bij de tafel en bleef er zitten, ontredderd, angstig, onmachtig iets uit te richten.Maandag vond haar nog zoo op de stoel. De deur, uit zijn hand schietend, zwaaide open; hij schrikte daar zelf van, doch, Geertje aanziend, trok hij de kleine, kortbroekige spillebeenen bijeen, lei de linker arm uit langs zijn lijf en sloeg aan met de rechterhand, onder een grijns van zijn onvolgroeide knapegezicht. Geertje zag die gewilde lach en meteen zijn grauwe bleekheid, de verlegen angst die zijn zwak-gevoelige trekken en oogen niet vermochten te verbergen.Zij schoot op:—Wat zeie ze?Nog trachtte hij komedie te spelen. De aan het smalle, ingevallen gelaat als een kikkerbek vooruitspringende mond zette de lippen uit tot een trechterende toet en met een narrige ondervraging van verwondering keken de oogen haar aan. Eerst toen sloot hij de deur achter zich, nam, voor haar heen gaand, de hoed met een armzwaai af en ging zijn overjas aan de kapstok in de hoek der kamer hangen.—Toe meneer.… hoe was et, thuis?—De groete! kwam ’t uit de hoekschemering.Hij treuzelde, schraapte daar een hoest weg met dat pijnlijk moeitevol-snerpende, waarin je voor Geertje’s gevoel de misvormdheid van zijn borstkas kon hóóren. Toen stapte hij terug in het licht en vroeg vriendschappelijk-verwijtend:[164]—Maid, haij no’ nuch chain drinke geset?Meteen kroop hij op de stoel aan de andere kant der tafel.—Drinke!? Och nee, och gut, neem u me nie kwalik.… Maar zeg nou eerst is, hoe is et gegaan?Nu zag hij, over de tafel, in het volle lamplicht haar aan, met een medelijden dat niet veinsde.—Se ware well naidig.…—Zie je wel!—Maid wat haj dan gedacht?.… aarzelde hij op een toon van vertroosten.Even bleef het zwijgen van beider onrust tusschen hen hangen. Toen vertelde hij haar alles. Dat Oom tegen hem had geschuimbekt van woede, hem indringer genoemd en smerige dingen verweten had. En dat Tante d’er tusschen door had gegild:—Ze zal weg! we schrijven venavend an der groo’va.—Haar goed hadden ze hèm niet mee willen geven; hij had niks met Geertje te maken.… Zijn verhaal liep onregelmatig. Hij hokte telkens, dan schraapte zijn keel; het op de romp als in een stolpkraag omhoog gehouden hoofdje wendde zich dan schuinoogend iets naar haar om en de uitdrukking van zijn gelaat scheen bits. Toen Geertje, bij zijn mededeeling van Tante’s zeggen over het schrijven aan Groo’va, weder opvoer van haar stoel, bleef het scheef-omhoog liggende hoofd, angstig de mond open, haar aanzien. Doch een gedachte van durven, van tarten, trilde over haar volverlicht gelaat.—Dan zal ’t nou gebeuren, dan moet Groo’va wete.… En even later:—Hè, had ik nou mijn brief maar hier.Zij had hare geestkracht terug. Uit bescheidenheid tegenover Maandag verzweeg ze haar verlangen om, deze avond nog, hier, een nieuwe brief te schrijven. Bij de buurvrouw ging zij lichten treds een nachtjak leenen. En bij de kinderen, in het oude bulten-en-gaten-bed der weggeloopen moeder, sliep zij die eerste nacht vrij rustig.[165]
Met die, haar telkens later zelve verwonderende tegenwoordigheid van geest, waarmee zij in elke uiterste nood schijnbaar kalm de uitweg insloeg, was zij nu naar de Nadorststraat geloopen. En het had haar niet ontmoedigd, toen zij meer dan een uur bij juffrouw Tabbe, de vriendelijke buurvrouw, van wie meneer Maandag dikwijls verteld had, doch die ze maar eenmaal had ontmoet, moest zitten wachten. Er kwam daar een jong paar op bezoek, een nicht van de juffrouw, die diende bij rijkdom aan de Eendrachtsweg, met er gelant; en een andere buurvrouw, van de benedentrap, zanikte telkens aan de deur, omdat ’er zoon van zestien jaar in twee dagen en nachten niet thuis geweest was; en toen schrikte Geertje even, toen de juffrouw d’er man, die aan de nachtboot van Londen bleek te zijn, plots een alkoofdeur opensmeet en, met een—„o, neem me nie’ kwaluk” om zijn nachtkleedij, weer toetrok. Doch ze lachte maar mee met het meisje van de Eendrachtsweg, en dee net of ze heel niet merkte, dat die nuf óók lachte om haar. Ze had gezegd, dat ze Maandag spreken mòest en de buurvrouw vroeg niet verder.
Toen kleine Mietje d’er bleeke neusje om de deur stak, wipte Geertje van ’er stoel en deed de deur verder open en haalde beide kinderen binnen met lacherige drukte, en zei toen lachende-op-’er-gemak tegen juffrouw Tabbe, dat Mietje en Piet zeker wel een oogenblik daar mochten blijven. Meteen had zij Maandag al meegevoerd. En in zijn voorkamer vertelde zij alles:—waarom ze bij Oom niet had kunnen blijven,[160]en dat ze hem smeekte haar bij zich te nemen, in plaats van zijn zuster die niet terugkwam. Terwijl ze sprak, neep even de onbescheidenheid van het verzoek haar door het hoofd. Met buurvrouw’s hulp kwam hij er zóó wel, nu beide kinderen schoolgingen; hij had haar niet noodig. Maar het mòest, ze wou in de stad blijven, en bij wie anders kon ze terecht? Een oogenblik kwam er misverstand, toen Maandag antwoordde dat het niet ging. Zij dacht aan geld, aan bezwaren van zijn kant. Maar hij meende het om haar:—ze dee’ toch beter, hij had het er immers laatst ook al gezeid, naar huis te gaan, eindelijk weer naar d’er groo’va.
—Ik kan hier nie’ weg, ik wil niet, ik kan niet!
Zij gilde haar leed uit en Maandag begreep. Wel kwam hij linksch en verlegen achter haar aan, toen zij de kinderen halen ging. Hij liet haar het nieuws aan buurvrouw vertellen. Beduusd hoorde hij haar vrijmoedigheid. Maar even later zag hij haar schrikken, toen zij weer in zijn woning waren en buurvrouw nog weer eens praten kwam; en hij doorzag de opzettelijkheid van haar doen, en kwam haar met een grapje te hulp, dat sedert telkens werd herhaald:—hij wou nou ook wel ’en kinderjuf, daarom nam-d-ie Geertje bij um.
De buurvrouw mokte, die keurde af. ’t Was niet om wat zij aan Maandag verdiende, dat gaf zij de kinderen rijkelijk weer. Ze vond zich te kort gedaan in waardeering van haar hulp, het zat haar opeens tot hoog in de keel, dat daar een ander zou ringelooren in Maandag’s vertrekken, die ze, na zoolang al telkens te zijn bijgesprongen, nu Maandag z’en zus voor altijd weg scheen, vrijwel was gaan beschouwen als een stuk woning van d’er eiges. Dus sprak zij in onvolledige zinnen of met niet duidelijk verstaanbare woorden en sjokte dan weg met een nijdige vaart, zoodat Geertje in een gulp van wanhoop de nijpende gewaarwording kreeg, dat die vrouw net dee als Tante. Maandag bleef zich om Geertje heen bewegen met een zenuwachtigheid die hij niet kon verbergen.[161]Hij gaf haar aanwijzingen, waar ze om lachen moest, zoo overbodig waren ze; hij begon allerlei dat hij niet voleindde.
Samen brachten zij de kinderen te bed, nadat buurvrouw onder een mal stuursch-doen ook tegen de wichten, hun twee beschuiten met suiker was komen brengen. Geertje werd hoe langer hoe angstiger, daar zij merkte, hoe zenuwachtig Maandag was, en, in het voorvertrek terug, barstte zij in tranen uit.
—Morge zal ik gaan, maar toe, la’ me venacht hier blijve!
Zijn bleeke lippen trilden en het blauw onder zijn oogen scheen op te zwellen.
—Hau je nug altaid saufeill van um?.… Arme maid.…
Bijna geruchteloos stond hij op. De kinders mochten niet hooren, dat hij uitging, maar hij moest nu zoo gauw mogelijk naar Geertje d’er Oom en Tante. Die behoorden te weten waar ze was.
—Wil ú d’ar heen!?
—Ja netuurluk! Jai ken ’t nie doen.
Even werd zij zich bewust, dat in haar looden gevoel van volslagen ontreddering een verlichting kwam: thuis zouden ze ’t weten en hij zou goed meebrengen.… Maar meteen warde nieuwe angst door haar gedachten: ze zouden ruziën tegen hem, ze zouden haar hier niet willen laten, meekomen, da’lijk Groo’va schrijven.… Op haar zakdoek bijtend, zag zij hem in de kamer na, terwijl hij zich gereed maakte om uit te gaan. ’t Was of ze in een rouwkamer zat, waar niet hardop geschreid mocht worden.
Toen hij weg was, bleef ze roerloos zitten. Een plichtsdrang verweet, dat ze niet opstond om wat te redderen, wat gezelligheid te brengen in de holle kamer, of althans vast thee te zetten, gelijk hij had verzocht. Hij had gezegd, dat hij spoedig terug kwam—en zij bleef gedrukt op haar stoel. Eens verschoof zij die en schrikte van het geknerp. Zij schrikte bij ieder geluid op de trap, bevreesd dat buurvrouw weer zou komen. Want aarzelend had Maandag haar bekend, waarom buurvrouw eigenlijk mokte: dat het Geertje niet paste, alleen te zijn in huis bij een ongetrouwde man. Vooral[162]hinderde haar in dit verwijt, dat zij het in het geheel niet voorzien had. Ze zag zich wanhopig-, hulpeloos-dom tegenover al de toornige menschen. Ze vond de gedachte, dat er iets zou zijn af te keuren in haar verblijf bij een zóó goede man als Maandag, te onzinnig om boos te zijn op de buurvrouw. Het mensch was kwaad uit goeiigheid, omdat ze gewoon was hier alles te doen. Maar zij, wat was ze onverbeterlijk-onnoozel, daar ze had kunnen hopen, dat het mogelijk was: zij, bij Maandag in huis.…
De zakdoek wringwindende om de vingers, staarde ze met doffe oogen het bijna niet gemeubelde vertrek in. ’t Geriktik van een wekker vinnigde van de schoorsteen af, waar een pop lag van Mietje en Maandag zijn pijp. Ook op de roodhouten kast geen vaasje, nergens een versierinkje. Kale wanden met grauw behang, die de kamer dieper deden schijnen dan ze was. Hier voor, bij het andere raam, Maandag zijn schrijftafeltje, de stoel er voor met de rug naar de huishoudtafel. ’s Avonds kon hij er nooit aan zitten, omdat de lamp hier boven de huishoudtafel voor het eene raam hing. Alles lag en stond precies op zijn plaats: het dofhouten inktkokertje, het potje lijm, het bakje met schaar, potlood en pennen, en in de vakjes allerhand pakjes—alles klein en keurig netjes. In haar verbeelding zag Geertje er de kleine bultenaar voor zitten. Oom had daar wel eens van verteld, hoe hij dan net een jongetje leek, dat aan een tafeltje zit te spelen. Die tafel met het boekenrek er boven, was Maandags geluk, zijn eenig genoegen.… Geertje vond er afleiding in, met medelijdende genegenheid aan hem te denken. Wat een zorgen had die man en hoe weinig vreugd. Maar Piet en Mietje vergolden ’t hem wel: zulke zoete kinderen! Eenmaal in bed, lagen ze stil als muizen. In alles zóó gezeggelijk. Anders zou ’t ook niet kunnen, zoo’n huishouding.… Wanneer zij nu maar gezond bleef en wezenlijk wat helpen kon.… Hòe zou Maandag het aanleggen bij Oom? Een poosje had ze zich niet angstig gevoeld, doch nu ze ’t zich voorstelde: Oom bulderend,[163]Tante krijschende, viel weer het besef over haar van de onmogelijkheid, dat zij hier bleef.
Een rumoer beneden deed haar hevig schrikken. Het kon onmogelijk haar gelden en toch dreef de angst haar tot vlak aan de deur. ’t Was de buurvrouw van benee, ze herkende de stem in het schreierig verwijten, dat tegen dof-lijzig beweren van een mansstem inging. De zoon thuis gekomen, dronken. Hier op het portaal hoorde ze fluisteren, een deur was opengegaan, natuurlijk luisterende menschen.
Zij langzaamde terug naar haar stoel bij de tafel en bleef er zitten, ontredderd, angstig, onmachtig iets uit te richten.
Maandag vond haar nog zoo op de stoel. De deur, uit zijn hand schietend, zwaaide open; hij schrikte daar zelf van, doch, Geertje aanziend, trok hij de kleine, kortbroekige spillebeenen bijeen, lei de linker arm uit langs zijn lijf en sloeg aan met de rechterhand, onder een grijns van zijn onvolgroeide knapegezicht. Geertje zag die gewilde lach en meteen zijn grauwe bleekheid, de verlegen angst die zijn zwak-gevoelige trekken en oogen niet vermochten te verbergen.
Zij schoot op:
—Wat zeie ze?
Nog trachtte hij komedie te spelen. De aan het smalle, ingevallen gelaat als een kikkerbek vooruitspringende mond zette de lippen uit tot een trechterende toet en met een narrige ondervraging van verwondering keken de oogen haar aan. Eerst toen sloot hij de deur achter zich, nam, voor haar heen gaand, de hoed met een armzwaai af en ging zijn overjas aan de kapstok in de hoek der kamer hangen.
—Toe meneer.… hoe was et, thuis?
—De groete! kwam ’t uit de hoekschemering.
Hij treuzelde, schraapte daar een hoest weg met dat pijnlijk moeitevol-snerpende, waarin je voor Geertje’s gevoel de misvormdheid van zijn borstkas kon hóóren. Toen stapte hij terug in het licht en vroeg vriendschappelijk-verwijtend:[164]
—Maid, haij no’ nuch chain drinke geset?
Meteen kroop hij op de stoel aan de andere kant der tafel.
—Drinke!? Och nee, och gut, neem u me nie kwalik.… Maar zeg nou eerst is, hoe is et gegaan?
Nu zag hij, over de tafel, in het volle lamplicht haar aan, met een medelijden dat niet veinsde.
—Se ware well naidig.…
—Zie je wel!
—Maid wat haj dan gedacht?.… aarzelde hij op een toon van vertroosten.
Even bleef het zwijgen van beider onrust tusschen hen hangen. Toen vertelde hij haar alles. Dat Oom tegen hem had geschuimbekt van woede, hem indringer genoemd en smerige dingen verweten had. En dat Tante d’er tusschen door had gegild:—Ze zal weg! we schrijven venavend an der groo’va.—Haar goed hadden ze hèm niet mee willen geven; hij had niks met Geertje te maken.… Zijn verhaal liep onregelmatig. Hij hokte telkens, dan schraapte zijn keel; het op de romp als in een stolpkraag omhoog gehouden hoofdje wendde zich dan schuinoogend iets naar haar om en de uitdrukking van zijn gelaat scheen bits. Toen Geertje, bij zijn mededeeling van Tante’s zeggen over het schrijven aan Groo’va, weder opvoer van haar stoel, bleef het scheef-omhoog liggende hoofd, angstig de mond open, haar aanzien. Doch een gedachte van durven, van tarten, trilde over haar volverlicht gelaat.
—Dan zal ’t nou gebeuren, dan moet Groo’va wete.… En even later:—Hè, had ik nou mijn brief maar hier.
Zij had hare geestkracht terug. Uit bescheidenheid tegenover Maandag verzweeg ze haar verlangen om, deze avond nog, hier, een nieuwe brief te schrijven. Bij de buurvrouw ging zij lichten treds een nachtjak leenen. En bij de kinderen, in het oude bulten-en-gaten-bed der weggeloopen moeder, sliep zij die eerste nacht vrij rustig.[165]
[Inhoud]II.Toen zij met Piet en Mietje meeliep tot school, had Maandag gezegd, dat hij met uitgaan zou wachten tot haar terugkeer. Bij haar binnenkomen, trof haar weer zijn verlegen blik. Buurvrouw was er geweest, hij vertelde het onmiddellijk; buurvrouw was net de kamer uit, ze was stuursch geweest en vreemd en ten slotte was ze uitgevallen:—Maandag, dat ken toch zoo niet. He’t die meid hier venacht geslapen?—Zal ik vandaag nog weggaan? vroeg Geertje.—Nai, je blaif, saulang je will.… Ma’r.… je mot nie baus op me weise, ’k heb d’er nau wat motte fertelle.…Hij had van haar zwangere toestand gesproken. En dat zij nog altijd hield van de vader.—Sie je, sau begreip se wel, datte.…Iets als een blos vaagde over zijn bleekheid.—Heb u Heins genoemd? angstigde Geertje, geheel in die angst in.Het hoofd schuddende tot ontkenning, zag Maandag haar in de oogen. Haar mooie oogen, vol liefde voor dien.… En zij, gerustgesteld, gaf zich rekenschap van die vleug van verlegenheid, die het schaarsche bloed langs zijn ouwelijk knapegezicht had gejaagd. En tegelijk doorteederde hen medelijden met elkander.Geertje wilde nu onmiddellijk schrijven aan Groo’va. Doch de gedachte aan de vroeger geschreven brief deed haar denken aan haar koffer.—Me goed!.…[166]Ja, Maandag had er ook al over zitten prakkezeeren. ’t Beste was, dat hij nog eens ging met een man van de dienstverrichting. Geertje wilde zelve gaan, maar hij wond zich op, verbood het. Zij moest hem een briefje meegeven, als bewijs dat hij recht op het goed had. Kon die dienstverrichtingsman het dan niet alleen doen? Nu, Maandag zou dan op de hoek van de straat, aan de Schie blijven staan.—En uw werk?—Au, me werk, da’ kom terecht.Hij gaf haar papier op zijn schrijftafeltje. Zij wist haast niet hoe zich er te houden om te schrijven, zijn stoel was zóó ongemakkelijk, maar zij bedacht, wat deze schrijfplaats was voor hem en ze móest zeggen:—Wat zit u hier prettig!Toen dacht ze even na en schreef vlot:„Oom! Na het gebeurde kan ik niet bij U terugkomen. Ik verzoek u vriendelijk mijn goed en de koffer aan brenger dezes mede te geven. Ik zal ook aan Groo’va schrijven. De groete vanGeertje.Toen ’t briefje af was, liep zij naar de achterkamer. Zij meende Meneer daar bezig te hooren. Warempel, haalde de bedjes van de kinders af.—Hè, da’s nou nie’ mooi van u. As ik dat nog niet kan doen.…—O, d’er blaift genoch te werke. ’t Briefie al af?Na de lezing maakte hij haar een compliment, dat ze het zoo schielijk had klaar gekregen. Een geluksgevoel, een gewaarwording van sympathie, van thuis zijn, doorwarmde haar. Zij wist, hoe vlug en goed hij schreef. Uit die domheid van Oom’s huis uit.…Zij maakte zich over niets bezorgd. Opgewekt bracht zij de achterkamer verder aan kant, deed Maandag’s bedstee in de[167]voorkamer, veegde de vloer aan en nam er stof af. Toen keek zij in de kast na, wat voor eten er nog stond. Maar zij werd gestoord door gestommel. Maandag en de man brachten samen haar goed, een rommel, zoo maar meegegeven. Tante had geen woord gesproken, de dingen hun letterlijk toegegooid.De man stond te wachten op zijn loon. IJlings grabbelde zij in haar pas meegebrachte zondagsche rok naar haar portemonnaie. Twee centen er in!.… En ze had nog drie gulden, van de tien die Groo’va laatst gestuurd had. Tante moest die er hebben uitgenomen. Dus bezat ze niets, twee cent! Verlegen keek ze Maandag aan.—Wacht.…En met een gedrochtelijk scheef-naar-voren gooien van zijn romp, trok hij de elleboog op en liet de hand tasten in een vestzak.Geertje wendde zich om, opdat de dienstman niet zou zien dat zij schreide.[168]
II.
Toen zij met Piet en Mietje meeliep tot school, had Maandag gezegd, dat hij met uitgaan zou wachten tot haar terugkeer. Bij haar binnenkomen, trof haar weer zijn verlegen blik. Buurvrouw was er geweest, hij vertelde het onmiddellijk; buurvrouw was net de kamer uit, ze was stuursch geweest en vreemd en ten slotte was ze uitgevallen:—Maandag, dat ken toch zoo niet. He’t die meid hier venacht geslapen?—Zal ik vandaag nog weggaan? vroeg Geertje.—Nai, je blaif, saulang je will.… Ma’r.… je mot nie baus op me weise, ’k heb d’er nau wat motte fertelle.…Hij had van haar zwangere toestand gesproken. En dat zij nog altijd hield van de vader.—Sie je, sau begreip se wel, datte.…Iets als een blos vaagde over zijn bleekheid.—Heb u Heins genoemd? angstigde Geertje, geheel in die angst in.Het hoofd schuddende tot ontkenning, zag Maandag haar in de oogen. Haar mooie oogen, vol liefde voor dien.… En zij, gerustgesteld, gaf zich rekenschap van die vleug van verlegenheid, die het schaarsche bloed langs zijn ouwelijk knapegezicht had gejaagd. En tegelijk doorteederde hen medelijden met elkander.Geertje wilde nu onmiddellijk schrijven aan Groo’va. Doch de gedachte aan de vroeger geschreven brief deed haar denken aan haar koffer.—Me goed!.…[166]Ja, Maandag had er ook al over zitten prakkezeeren. ’t Beste was, dat hij nog eens ging met een man van de dienstverrichting. Geertje wilde zelve gaan, maar hij wond zich op, verbood het. Zij moest hem een briefje meegeven, als bewijs dat hij recht op het goed had. Kon die dienstverrichtingsman het dan niet alleen doen? Nu, Maandag zou dan op de hoek van de straat, aan de Schie blijven staan.—En uw werk?—Au, me werk, da’ kom terecht.Hij gaf haar papier op zijn schrijftafeltje. Zij wist haast niet hoe zich er te houden om te schrijven, zijn stoel was zóó ongemakkelijk, maar zij bedacht, wat deze schrijfplaats was voor hem en ze móest zeggen:—Wat zit u hier prettig!Toen dacht ze even na en schreef vlot:„Oom! Na het gebeurde kan ik niet bij U terugkomen. Ik verzoek u vriendelijk mijn goed en de koffer aan brenger dezes mede te geven. Ik zal ook aan Groo’va schrijven. De groete vanGeertje.Toen ’t briefje af was, liep zij naar de achterkamer. Zij meende Meneer daar bezig te hooren. Warempel, haalde de bedjes van de kinders af.—Hè, da’s nou nie’ mooi van u. As ik dat nog niet kan doen.…—O, d’er blaift genoch te werke. ’t Briefie al af?Na de lezing maakte hij haar een compliment, dat ze het zoo schielijk had klaar gekregen. Een geluksgevoel, een gewaarwording van sympathie, van thuis zijn, doorwarmde haar. Zij wist, hoe vlug en goed hij schreef. Uit die domheid van Oom’s huis uit.…Zij maakte zich over niets bezorgd. Opgewekt bracht zij de achterkamer verder aan kant, deed Maandag’s bedstee in de[167]voorkamer, veegde de vloer aan en nam er stof af. Toen keek zij in de kast na, wat voor eten er nog stond. Maar zij werd gestoord door gestommel. Maandag en de man brachten samen haar goed, een rommel, zoo maar meegegeven. Tante had geen woord gesproken, de dingen hun letterlijk toegegooid.De man stond te wachten op zijn loon. IJlings grabbelde zij in haar pas meegebrachte zondagsche rok naar haar portemonnaie. Twee centen er in!.… En ze had nog drie gulden, van de tien die Groo’va laatst gestuurd had. Tante moest die er hebben uitgenomen. Dus bezat ze niets, twee cent! Verlegen keek ze Maandag aan.—Wacht.…En met een gedrochtelijk scheef-naar-voren gooien van zijn romp, trok hij de elleboog op en liet de hand tasten in een vestzak.Geertje wendde zich om, opdat de dienstman niet zou zien dat zij schreide.[168]
Toen zij met Piet en Mietje meeliep tot school, had Maandag gezegd, dat hij met uitgaan zou wachten tot haar terugkeer. Bij haar binnenkomen, trof haar weer zijn verlegen blik. Buurvrouw was er geweest, hij vertelde het onmiddellijk; buurvrouw was net de kamer uit, ze was stuursch geweest en vreemd en ten slotte was ze uitgevallen:
—Maandag, dat ken toch zoo niet. He’t die meid hier venacht geslapen?
—Zal ik vandaag nog weggaan? vroeg Geertje.
—Nai, je blaif, saulang je will.… Ma’r.… je mot nie baus op me weise, ’k heb d’er nau wat motte fertelle.…
Hij had van haar zwangere toestand gesproken. En dat zij nog altijd hield van de vader.
—Sie je, sau begreip se wel, datte.…
Iets als een blos vaagde over zijn bleekheid.
—Heb u Heins genoemd? angstigde Geertje, geheel in die angst in.
Het hoofd schuddende tot ontkenning, zag Maandag haar in de oogen. Haar mooie oogen, vol liefde voor dien.… En zij, gerustgesteld, gaf zich rekenschap van die vleug van verlegenheid, die het schaarsche bloed langs zijn ouwelijk knapegezicht had gejaagd. En tegelijk doorteederde hen medelijden met elkander.
Geertje wilde nu onmiddellijk schrijven aan Groo’va. Doch de gedachte aan de vroeger geschreven brief deed haar denken aan haar koffer.
—Me goed!.…[166]
Ja, Maandag had er ook al over zitten prakkezeeren. ’t Beste was, dat hij nog eens ging met een man van de dienstverrichting. Geertje wilde zelve gaan, maar hij wond zich op, verbood het. Zij moest hem een briefje meegeven, als bewijs dat hij recht op het goed had. Kon die dienstverrichtingsman het dan niet alleen doen? Nu, Maandag zou dan op de hoek van de straat, aan de Schie blijven staan.
—En uw werk?
—Au, me werk, da’ kom terecht.
Hij gaf haar papier op zijn schrijftafeltje. Zij wist haast niet hoe zich er te houden om te schrijven, zijn stoel was zóó ongemakkelijk, maar zij bedacht, wat deze schrijfplaats was voor hem en ze móest zeggen:—Wat zit u hier prettig!
Toen dacht ze even na en schreef vlot:
„Oom! Na het gebeurde kan ik niet bij U terugkomen. Ik verzoek u vriendelijk mijn goed en de koffer aan brenger dezes mede te geven. Ik zal ook aan Groo’va schrijven. De groete vanGeertje.
„Oom! Na het gebeurde kan ik niet bij U terugkomen. Ik verzoek u vriendelijk mijn goed en de koffer aan brenger dezes mede te geven. Ik zal ook aan Groo’va schrijven. De groete van
Geertje.
Toen ’t briefje af was, liep zij naar de achterkamer. Zij meende Meneer daar bezig te hooren. Warempel, haalde de bedjes van de kinders af.
—Hè, da’s nou nie’ mooi van u. As ik dat nog niet kan doen.…
—O, d’er blaift genoch te werke. ’t Briefie al af?
Na de lezing maakte hij haar een compliment, dat ze het zoo schielijk had klaar gekregen. Een geluksgevoel, een gewaarwording van sympathie, van thuis zijn, doorwarmde haar. Zij wist, hoe vlug en goed hij schreef. Uit die domheid van Oom’s huis uit.…
Zij maakte zich over niets bezorgd. Opgewekt bracht zij de achterkamer verder aan kant, deed Maandag’s bedstee in de[167]voorkamer, veegde de vloer aan en nam er stof af. Toen keek zij in de kast na, wat voor eten er nog stond. Maar zij werd gestoord door gestommel. Maandag en de man brachten samen haar goed, een rommel, zoo maar meegegeven. Tante had geen woord gesproken, de dingen hun letterlijk toegegooid.
De man stond te wachten op zijn loon. IJlings grabbelde zij in haar pas meegebrachte zondagsche rok naar haar portemonnaie. Twee centen er in!.… En ze had nog drie gulden, van de tien die Groo’va laatst gestuurd had. Tante moest die er hebben uitgenomen. Dus bezat ze niets, twee cent! Verlegen keek ze Maandag aan.
—Wacht.…
En met een gedrochtelijk scheef-naar-voren gooien van zijn romp, trok hij de elleboog op en liet de hand tasten in een vestzak.
Geertje wendde zich om, opdat de dienstman niet zou zien dat zij schreide.[168]
[Inhoud]III.Vreemd dreven nu verder de uren voort, als de wolken waar zij droomend naar staarde. Wat haar gebeurde, wat haar omgaf, het leek alles ver van haar. Toch, schoon zij als mechanisch leefde, of z’in zichzelve een zuster verzelde, die ruzie met de familie had en hier bij Maandag een schuilplaats gevonden; schoon, daarentegen, haar wezenlijk-innerlijk zonderling, voor haar denken dwaas, doorschokt werd van het enkele bewustzijn, dat zij, met haar verhuizing, dichter weer bijHemwas gekomen, als beduidde het iets voor haar liefde, dat de Nadorststraat eenige minuten nader bij het Hang lag dan de Simonstraat; toch deed zij meer dan Maandag’s gastvrijheid met wat zorg voor zijn woning beloonen. Te onmiddellijk, te onwillekeurig had haar gevoel Mietje en Piet bij Truus en Koos vergeleken, dan dat zij voor deze kinderen eenige andere belangstelling kon hebben dan medelijden; maar juist doordat niets haar drong tot liefde, doordat voor dit medelijden haar diepere gevoel bleef gesloten, wist zij, door een opgewektheid gedreven, die zonderling elke daad een glans gaf, de wichten gemakkelijk te koesteren met een teerder zorg en een vriendelijker verpleging, dan waaraan deze van de buurvrouw gewend waren; en Maandag, blij, verheimelijkte haar niet, dat Piet die eerste dag al, na het eten, hem de vraag had toegefluisterd, of déze Tante nu bleef in huis.Zij was verheugd, want de waarheid zou komen; niet langer lag zij onder de leugen. Groo’va! ook Groo’va, zèlfs Groo’va, wist nu! Zelve had zij de brief, de oude, maar met een naschrift[169]dat bijna even lang was geworden als haar eerste schrijven, in de bus doen vallen. Wel was, op het oogenblik dat zij de brief losliet, de gedachte haar komen pijnigen, of Groo’va niet te vreeselijk zou schrikken. Maar onmiddellijk had de herinnering aan Oom’s bedreiging, nu zeker uitgevoerd, dat hij aan Groo’va schrijven zou, haar met een kwelling gerustgesteld. Trouwens, voor haar gevoel wàs Groo’va geen man, die men door schrik de dood op het lijf joeg. Groo’va was sterk, de sterke Gestrengheid, de onverbiddelijk-strenge Vermaning. Deze Groo’va wachtte zij af. Met een gelatenheid vol blijdschap, omdat nu eind’lijk de waarheid hersteld werd, zij ontkomen was aan de leugen, als aan Oom’s huis. De strijd die de waarheid bracht, durfde zij aan, want het was de strijd voor haar liefde. De strijd voor zóóveel meer dan het leven. De strijd voor het eenige dat zij bezat, het eenige dat zij ooit had bezeten. Van Groo’moe had zij zielsveel gehouden, ook wel van Groo’va en van nicht Betje en van zoo menigeen in het dorp. Maar wat was het allemaal-samen bij het geluk van haar liefde voor Jan! Tevreden was zij nooit met dat and’re geweest, dagen lang had haar niets kunnen schelen, gehunkerd had z’om weg te komen, weg, naar Oom, als wist ze toen, dat ze hier het geluk zou vinden.… Ze zou het verdedigen, nu, haar geluk.…Zij leefde de uren in afwachting. Elke handeling voor Maandag of voor de kinderen, alles deed zij in afwachting. Gelijk zij bij Oom de weken doorleefd had in angstige afwachting van een brief van Jan, zoo doorleefde zij nu de uren, een dag, een nacht, nog een dag en nacht, in geruste afwachting van Groo’va’s grimmig-gestrenge vermaning: een blij-verbeide strijd voor haar liefde.Onder buurvrouws zorg was het armoedige huishoudinkje keurig in orde gehouden. Haar aangeboren behoefte aan netheid had buurvrouw gedreven tot hulpbetoon, toen zij Maandag, die net en stipt was, lijden zag onder de achteloosheid van zijn zuster. Maandag vertelde Geertje van de ruzies met zijn zuster en vanbuurvrouwslisten in het begin, om althans de[170]kinders iets minder slordig de straat op te krijgen. Toen zijn zuster de eerste keer wegbleef, was buurvrouw vanzelf dadelijk binnengekomen, had de volgende dag een schoonmaakster gehuurd, die onder haar toezicht de rommel had gereinigd, en was voor het verwaarloosde boeltje gaan zorgen, tot de zuster opeens weer vóór haar stond, op een oogenblik dat zij de kinders hun avondbrood smeerde. Ettelijke keeren was dezelfde komedie afgespeeld. De zuster niet anders beschaamdheid toonend dan door over buurvrouws hulp te zwijgen, niet te ruziën, niet te bedanken, te doen als zag zij de properheid niet; buurvrouw goedschiks een verzorging stakend, waar ze soms weken lang haar rust van kinderlooze welgezeten burgervrouw aan had opgeofferd. Nu met Geertje’s onverwachte tusschenkomst was buurvrouw veel minder inschikkelijk. Geertje vond het heel natuurlijk—de moeder bleef toch altijd de moeder, doch nu had een vreemde de taak genomen—, maar aan Maandag’s teergevoeligheid deed de stuurschheid van buurvrouw pijn, en daarom was Geertje brutaalweg begonnen, voor allerlei kleinigheden over te loopen om raad. Eerst had ze bijna geen antwoord gekregen: bij een hoonenden blik van den, weer in nachtkleeding, achter een bord dampende snert gezeten man, een onverstaanbaar mokken der vrouw. Ontmoedigd had zij gevreesd, dat de vrouw haar toeleg begreep. Maar door argeloos te doen en vriendelijk te blijven en voor de norsch gemompelde raad nederig te bedanken, had ze de tweede morgen bereikt, dat de vrouw haar staande hield op de trap om haar te waarschuwen tegen een meid, die in de straat stond met een wagen visch. Er was eten en Geertje dacht niet aan visch-koopen, maar met drukke omhaal betuigde ze haar erkentelijkheid: ’t was zoo moeielijk, wanneer je vreemd en alleen voor het huishouden stondt, je niet telkens te laten beetnemen. Een kwartiertje later tikte buurvrouw; en, eenmaal binnen, keek zij onbeschoft monsterend rond en vroeg of Geertje hier wel voor zorgde en dat niet vergat, maar besloot met een:—„Nou, et valt me mee.” Ze[171]zette zich ongenood tot een praatje. Geertje dacht terstond: nou komt het. Om de goeie Maandag plezier te doen, had ze het mensch hierheen getroggeld. Maar nu ging die zich moeien met haar! Ze zag het, ze zag de vragen komen.… Een woedende ontsteltenis overstelpte haar, en, onmachtig tot zelfbeheersching, zag ze zich haar spel met de vrouw bederven, voelde ze, dat ze alles verspeelde.Toen het mensch vroeg:—Denk ie daj aum je nog weer bij um zel neme?antwoordden haar oogen met trots en verachting.—’t Is tuch dáárum, drong het mensch aan, met het hoofd knikwijzend naar Geertje’s schoot.—’k Weet niet wat u bedoel, zei Geertje.—Aue!.… En treuzelend opstaand met een zucht vol zelfvoldaanheid:—Hebbe me-n-et sau laat!—Toen, smakkend juist als Tante kon doen, keerde buurvrouw, de handen knuffelend onder de schort, het groote lichaam naar de deur:—Nau.… ajuus dan.Hard viel de deur toe.Geertje knikte de verdwenene na, gelijk zij als meisje-op-school de meesters, ook Groo’va zelf, na een berisping had nageknikt. Het gebeurde speet haar om Maandag. Maar wanneer die stikvreemde menschen zich ook al in haar zaken mochten mengen!.… Het hoofd steunend op de rechter elleboog, zat zij aan de tafel voor het raam naar buiten te staren. Wel wat moe, wat als-verdoofd. Eens trappelde ze haar ergernis uit. Maar kom, och kom, dat indringerige mensch, wat had zij met het wijf te maken.… Ze dwong zich tot belangstelling in de dingen op straat. Daar hadt je die jongen weer van de koetsier uit de rijkelui’s stal, twee huizen van hen af. Bij het boodschappen doen in de straat, zag zij hem telkens, eenige als een-jongeheer-gekleede tusschen al de gewone jongens, aanmatigend met zijn dikke glanzige gezicht-van-gezondheid onder zooveel honger-bleekheid. Maar nu had ze straks het afgeluisterd, dat de jongen van het schoenlappertje[172]de „mooie meneer” verweet nog geen hemd aan zijn lijf te hebben dat van hemzelf was.—„Niks is van jou! Je vader he’t niks. Jullie mot de kleere drage, die de heer van de stal je geeft.…” Een valsch mondvertrekken van verlegenheid-verbergen op de glanzige dikke kop die zweeg—Geertje had hardop moeten lachen. Nu speelde de jongen er weer.…Hoe kwam hij nù daar te spelen? Geertje’s blik sloeg op naar de school, aan de overkant der, voor deze bouw verwijde, op dit gedeelte als-nieuw geworden, straat; de school, waar zij dikwijls al in getuurd had, zonder meer te onderscheiden dan een vage glimmerschemer van door glas gescheiden ruimten. Ook nu tuurde zij. En terwijl zij erover nadacht, hoe de jongen van de koetsier op dit uur vrij van school kon hebben, en een tweede vraag zich in haar opdrong: waarom Maandag Piet niet dee’ op die school; trachtte haar bijna professioneele belangstelling, een belangstelling die voortkwam uit haar afkomst en jeugd, de lichte muren van het nog nieuwe gebouw te doordringen. De ramen waren als bij een kerk, zoo hoog dat zij hier van boven de kind’ren niet zien kon en zelfs niet de meester; wel in het tweede lokaal zag ze wat, donkerten van zittende jongens en ook de meester, staand bij het bord; maar het was haar toch niet mogelijk, de man z’en gezicht te onderscheiden, ook niet, toen hij zich verplaatste.Haar mijmeren vergeleek deze school, deze gróóte stàdsschool met vele meesters, bij het oude kleine gebouwtje, weggedoken achter de boomen, op het donkere pleintje naast de dorpskerk.… Donker, midden in de zomer. Nù moest het in het lentegroen staan.… Haar blik gleed van de schoolramen naar de kleine ruimte naast het gebouw, waarvóór het trottoir van het uitgebouwde straatbrok een hoek maakte. Achter een schutting, een rij jonge kastanjes met traag ontluikend loof. Al wat ze hier van de natuur te zien kreeg![173]
III.
Vreemd dreven nu verder de uren voort, als de wolken waar zij droomend naar staarde. Wat haar gebeurde, wat haar omgaf, het leek alles ver van haar. Toch, schoon zij als mechanisch leefde, of z’in zichzelve een zuster verzelde, die ruzie met de familie had en hier bij Maandag een schuilplaats gevonden; schoon, daarentegen, haar wezenlijk-innerlijk zonderling, voor haar denken dwaas, doorschokt werd van het enkele bewustzijn, dat zij, met haar verhuizing, dichter weer bijHemwas gekomen, als beduidde het iets voor haar liefde, dat de Nadorststraat eenige minuten nader bij het Hang lag dan de Simonstraat; toch deed zij meer dan Maandag’s gastvrijheid met wat zorg voor zijn woning beloonen. Te onmiddellijk, te onwillekeurig had haar gevoel Mietje en Piet bij Truus en Koos vergeleken, dan dat zij voor deze kinderen eenige andere belangstelling kon hebben dan medelijden; maar juist doordat niets haar drong tot liefde, doordat voor dit medelijden haar diepere gevoel bleef gesloten, wist zij, door een opgewektheid gedreven, die zonderling elke daad een glans gaf, de wichten gemakkelijk te koesteren met een teerder zorg en een vriendelijker verpleging, dan waaraan deze van de buurvrouw gewend waren; en Maandag, blij, verheimelijkte haar niet, dat Piet die eerste dag al, na het eten, hem de vraag had toegefluisterd, of déze Tante nu bleef in huis.Zij was verheugd, want de waarheid zou komen; niet langer lag zij onder de leugen. Groo’va! ook Groo’va, zèlfs Groo’va, wist nu! Zelve had zij de brief, de oude, maar met een naschrift[169]dat bijna even lang was geworden als haar eerste schrijven, in de bus doen vallen. Wel was, op het oogenblik dat zij de brief losliet, de gedachte haar komen pijnigen, of Groo’va niet te vreeselijk zou schrikken. Maar onmiddellijk had de herinnering aan Oom’s bedreiging, nu zeker uitgevoerd, dat hij aan Groo’va schrijven zou, haar met een kwelling gerustgesteld. Trouwens, voor haar gevoel wàs Groo’va geen man, die men door schrik de dood op het lijf joeg. Groo’va was sterk, de sterke Gestrengheid, de onverbiddelijk-strenge Vermaning. Deze Groo’va wachtte zij af. Met een gelatenheid vol blijdschap, omdat nu eind’lijk de waarheid hersteld werd, zij ontkomen was aan de leugen, als aan Oom’s huis. De strijd die de waarheid bracht, durfde zij aan, want het was de strijd voor haar liefde. De strijd voor zóóveel meer dan het leven. De strijd voor het eenige dat zij bezat, het eenige dat zij ooit had bezeten. Van Groo’moe had zij zielsveel gehouden, ook wel van Groo’va en van nicht Betje en van zoo menigeen in het dorp. Maar wat was het allemaal-samen bij het geluk van haar liefde voor Jan! Tevreden was zij nooit met dat and’re geweest, dagen lang had haar niets kunnen schelen, gehunkerd had z’om weg te komen, weg, naar Oom, als wist ze toen, dat ze hier het geluk zou vinden.… Ze zou het verdedigen, nu, haar geluk.…Zij leefde de uren in afwachting. Elke handeling voor Maandag of voor de kinderen, alles deed zij in afwachting. Gelijk zij bij Oom de weken doorleefd had in angstige afwachting van een brief van Jan, zoo doorleefde zij nu de uren, een dag, een nacht, nog een dag en nacht, in geruste afwachting van Groo’va’s grimmig-gestrenge vermaning: een blij-verbeide strijd voor haar liefde.Onder buurvrouws zorg was het armoedige huishoudinkje keurig in orde gehouden. Haar aangeboren behoefte aan netheid had buurvrouw gedreven tot hulpbetoon, toen zij Maandag, die net en stipt was, lijden zag onder de achteloosheid van zijn zuster. Maandag vertelde Geertje van de ruzies met zijn zuster en vanbuurvrouwslisten in het begin, om althans de[170]kinders iets minder slordig de straat op te krijgen. Toen zijn zuster de eerste keer wegbleef, was buurvrouw vanzelf dadelijk binnengekomen, had de volgende dag een schoonmaakster gehuurd, die onder haar toezicht de rommel had gereinigd, en was voor het verwaarloosde boeltje gaan zorgen, tot de zuster opeens weer vóór haar stond, op een oogenblik dat zij de kinders hun avondbrood smeerde. Ettelijke keeren was dezelfde komedie afgespeeld. De zuster niet anders beschaamdheid toonend dan door over buurvrouws hulp te zwijgen, niet te ruziën, niet te bedanken, te doen als zag zij de properheid niet; buurvrouw goedschiks een verzorging stakend, waar ze soms weken lang haar rust van kinderlooze welgezeten burgervrouw aan had opgeofferd. Nu met Geertje’s onverwachte tusschenkomst was buurvrouw veel minder inschikkelijk. Geertje vond het heel natuurlijk—de moeder bleef toch altijd de moeder, doch nu had een vreemde de taak genomen—, maar aan Maandag’s teergevoeligheid deed de stuurschheid van buurvrouw pijn, en daarom was Geertje brutaalweg begonnen, voor allerlei kleinigheden over te loopen om raad. Eerst had ze bijna geen antwoord gekregen: bij een hoonenden blik van den, weer in nachtkleeding, achter een bord dampende snert gezeten man, een onverstaanbaar mokken der vrouw. Ontmoedigd had zij gevreesd, dat de vrouw haar toeleg begreep. Maar door argeloos te doen en vriendelijk te blijven en voor de norsch gemompelde raad nederig te bedanken, had ze de tweede morgen bereikt, dat de vrouw haar staande hield op de trap om haar te waarschuwen tegen een meid, die in de straat stond met een wagen visch. Er was eten en Geertje dacht niet aan visch-koopen, maar met drukke omhaal betuigde ze haar erkentelijkheid: ’t was zoo moeielijk, wanneer je vreemd en alleen voor het huishouden stondt, je niet telkens te laten beetnemen. Een kwartiertje later tikte buurvrouw; en, eenmaal binnen, keek zij onbeschoft monsterend rond en vroeg of Geertje hier wel voor zorgde en dat niet vergat, maar besloot met een:—„Nou, et valt me mee.” Ze[171]zette zich ongenood tot een praatje. Geertje dacht terstond: nou komt het. Om de goeie Maandag plezier te doen, had ze het mensch hierheen getroggeld. Maar nu ging die zich moeien met haar! Ze zag het, ze zag de vragen komen.… Een woedende ontsteltenis overstelpte haar, en, onmachtig tot zelfbeheersching, zag ze zich haar spel met de vrouw bederven, voelde ze, dat ze alles verspeelde.Toen het mensch vroeg:—Denk ie daj aum je nog weer bij um zel neme?antwoordden haar oogen met trots en verachting.—’t Is tuch dáárum, drong het mensch aan, met het hoofd knikwijzend naar Geertje’s schoot.—’k Weet niet wat u bedoel, zei Geertje.—Aue!.… En treuzelend opstaand met een zucht vol zelfvoldaanheid:—Hebbe me-n-et sau laat!—Toen, smakkend juist als Tante kon doen, keerde buurvrouw, de handen knuffelend onder de schort, het groote lichaam naar de deur:—Nau.… ajuus dan.Hard viel de deur toe.Geertje knikte de verdwenene na, gelijk zij als meisje-op-school de meesters, ook Groo’va zelf, na een berisping had nageknikt. Het gebeurde speet haar om Maandag. Maar wanneer die stikvreemde menschen zich ook al in haar zaken mochten mengen!.… Het hoofd steunend op de rechter elleboog, zat zij aan de tafel voor het raam naar buiten te staren. Wel wat moe, wat als-verdoofd. Eens trappelde ze haar ergernis uit. Maar kom, och kom, dat indringerige mensch, wat had zij met het wijf te maken.… Ze dwong zich tot belangstelling in de dingen op straat. Daar hadt je die jongen weer van de koetsier uit de rijkelui’s stal, twee huizen van hen af. Bij het boodschappen doen in de straat, zag zij hem telkens, eenige als een-jongeheer-gekleede tusschen al de gewone jongens, aanmatigend met zijn dikke glanzige gezicht-van-gezondheid onder zooveel honger-bleekheid. Maar nu had ze straks het afgeluisterd, dat de jongen van het schoenlappertje[172]de „mooie meneer” verweet nog geen hemd aan zijn lijf te hebben dat van hemzelf was.—„Niks is van jou! Je vader he’t niks. Jullie mot de kleere drage, die de heer van de stal je geeft.…” Een valsch mondvertrekken van verlegenheid-verbergen op de glanzige dikke kop die zweeg—Geertje had hardop moeten lachen. Nu speelde de jongen er weer.…Hoe kwam hij nù daar te spelen? Geertje’s blik sloeg op naar de school, aan de overkant der, voor deze bouw verwijde, op dit gedeelte als-nieuw geworden, straat; de school, waar zij dikwijls al in getuurd had, zonder meer te onderscheiden dan een vage glimmerschemer van door glas gescheiden ruimten. Ook nu tuurde zij. En terwijl zij erover nadacht, hoe de jongen van de koetsier op dit uur vrij van school kon hebben, en een tweede vraag zich in haar opdrong: waarom Maandag Piet niet dee’ op die school; trachtte haar bijna professioneele belangstelling, een belangstelling die voortkwam uit haar afkomst en jeugd, de lichte muren van het nog nieuwe gebouw te doordringen. De ramen waren als bij een kerk, zoo hoog dat zij hier van boven de kind’ren niet zien kon en zelfs niet de meester; wel in het tweede lokaal zag ze wat, donkerten van zittende jongens en ook de meester, staand bij het bord; maar het was haar toch niet mogelijk, de man z’en gezicht te onderscheiden, ook niet, toen hij zich verplaatste.Haar mijmeren vergeleek deze school, deze gróóte stàdsschool met vele meesters, bij het oude kleine gebouwtje, weggedoken achter de boomen, op het donkere pleintje naast de dorpskerk.… Donker, midden in de zomer. Nù moest het in het lentegroen staan.… Haar blik gleed van de schoolramen naar de kleine ruimte naast het gebouw, waarvóór het trottoir van het uitgebouwde straatbrok een hoek maakte. Achter een schutting, een rij jonge kastanjes met traag ontluikend loof. Al wat ze hier van de natuur te zien kreeg![173]
Vreemd dreven nu verder de uren voort, als de wolken waar zij droomend naar staarde. Wat haar gebeurde, wat haar omgaf, het leek alles ver van haar. Toch, schoon zij als mechanisch leefde, of z’in zichzelve een zuster verzelde, die ruzie met de familie had en hier bij Maandag een schuilplaats gevonden; schoon, daarentegen, haar wezenlijk-innerlijk zonderling, voor haar denken dwaas, doorschokt werd van het enkele bewustzijn, dat zij, met haar verhuizing, dichter weer bijHemwas gekomen, als beduidde het iets voor haar liefde, dat de Nadorststraat eenige minuten nader bij het Hang lag dan de Simonstraat; toch deed zij meer dan Maandag’s gastvrijheid met wat zorg voor zijn woning beloonen. Te onmiddellijk, te onwillekeurig had haar gevoel Mietje en Piet bij Truus en Koos vergeleken, dan dat zij voor deze kinderen eenige andere belangstelling kon hebben dan medelijden; maar juist doordat niets haar drong tot liefde, doordat voor dit medelijden haar diepere gevoel bleef gesloten, wist zij, door een opgewektheid gedreven, die zonderling elke daad een glans gaf, de wichten gemakkelijk te koesteren met een teerder zorg en een vriendelijker verpleging, dan waaraan deze van de buurvrouw gewend waren; en Maandag, blij, verheimelijkte haar niet, dat Piet die eerste dag al, na het eten, hem de vraag had toegefluisterd, of déze Tante nu bleef in huis.
Zij was verheugd, want de waarheid zou komen; niet langer lag zij onder de leugen. Groo’va! ook Groo’va, zèlfs Groo’va, wist nu! Zelve had zij de brief, de oude, maar met een naschrift[169]dat bijna even lang was geworden als haar eerste schrijven, in de bus doen vallen. Wel was, op het oogenblik dat zij de brief losliet, de gedachte haar komen pijnigen, of Groo’va niet te vreeselijk zou schrikken. Maar onmiddellijk had de herinnering aan Oom’s bedreiging, nu zeker uitgevoerd, dat hij aan Groo’va schrijven zou, haar met een kwelling gerustgesteld. Trouwens, voor haar gevoel wàs Groo’va geen man, die men door schrik de dood op het lijf joeg. Groo’va was sterk, de sterke Gestrengheid, de onverbiddelijk-strenge Vermaning. Deze Groo’va wachtte zij af. Met een gelatenheid vol blijdschap, omdat nu eind’lijk de waarheid hersteld werd, zij ontkomen was aan de leugen, als aan Oom’s huis. De strijd die de waarheid bracht, durfde zij aan, want het was de strijd voor haar liefde. De strijd voor zóóveel meer dan het leven. De strijd voor het eenige dat zij bezat, het eenige dat zij ooit had bezeten. Van Groo’moe had zij zielsveel gehouden, ook wel van Groo’va en van nicht Betje en van zoo menigeen in het dorp. Maar wat was het allemaal-samen bij het geluk van haar liefde voor Jan! Tevreden was zij nooit met dat and’re geweest, dagen lang had haar niets kunnen schelen, gehunkerd had z’om weg te komen, weg, naar Oom, als wist ze toen, dat ze hier het geluk zou vinden.… Ze zou het verdedigen, nu, haar geluk.…
Zij leefde de uren in afwachting. Elke handeling voor Maandag of voor de kinderen, alles deed zij in afwachting. Gelijk zij bij Oom de weken doorleefd had in angstige afwachting van een brief van Jan, zoo doorleefde zij nu de uren, een dag, een nacht, nog een dag en nacht, in geruste afwachting van Groo’va’s grimmig-gestrenge vermaning: een blij-verbeide strijd voor haar liefde.
Onder buurvrouws zorg was het armoedige huishoudinkje keurig in orde gehouden. Haar aangeboren behoefte aan netheid had buurvrouw gedreven tot hulpbetoon, toen zij Maandag, die net en stipt was, lijden zag onder de achteloosheid van zijn zuster. Maandag vertelde Geertje van de ruzies met zijn zuster en vanbuurvrouwslisten in het begin, om althans de[170]kinders iets minder slordig de straat op te krijgen. Toen zijn zuster de eerste keer wegbleef, was buurvrouw vanzelf dadelijk binnengekomen, had de volgende dag een schoonmaakster gehuurd, die onder haar toezicht de rommel had gereinigd, en was voor het verwaarloosde boeltje gaan zorgen, tot de zuster opeens weer vóór haar stond, op een oogenblik dat zij de kinders hun avondbrood smeerde. Ettelijke keeren was dezelfde komedie afgespeeld. De zuster niet anders beschaamdheid toonend dan door over buurvrouws hulp te zwijgen, niet te ruziën, niet te bedanken, te doen als zag zij de properheid niet; buurvrouw goedschiks een verzorging stakend, waar ze soms weken lang haar rust van kinderlooze welgezeten burgervrouw aan had opgeofferd. Nu met Geertje’s onverwachte tusschenkomst was buurvrouw veel minder inschikkelijk. Geertje vond het heel natuurlijk—de moeder bleef toch altijd de moeder, doch nu had een vreemde de taak genomen—, maar aan Maandag’s teergevoeligheid deed de stuurschheid van buurvrouw pijn, en daarom was Geertje brutaalweg begonnen, voor allerlei kleinigheden over te loopen om raad. Eerst had ze bijna geen antwoord gekregen: bij een hoonenden blik van den, weer in nachtkleeding, achter een bord dampende snert gezeten man, een onverstaanbaar mokken der vrouw. Ontmoedigd had zij gevreesd, dat de vrouw haar toeleg begreep. Maar door argeloos te doen en vriendelijk te blijven en voor de norsch gemompelde raad nederig te bedanken, had ze de tweede morgen bereikt, dat de vrouw haar staande hield op de trap om haar te waarschuwen tegen een meid, die in de straat stond met een wagen visch. Er was eten en Geertje dacht niet aan visch-koopen, maar met drukke omhaal betuigde ze haar erkentelijkheid: ’t was zoo moeielijk, wanneer je vreemd en alleen voor het huishouden stondt, je niet telkens te laten beetnemen. Een kwartiertje later tikte buurvrouw; en, eenmaal binnen, keek zij onbeschoft monsterend rond en vroeg of Geertje hier wel voor zorgde en dat niet vergat, maar besloot met een:—„Nou, et valt me mee.” Ze[171]zette zich ongenood tot een praatje. Geertje dacht terstond: nou komt het. Om de goeie Maandag plezier te doen, had ze het mensch hierheen getroggeld. Maar nu ging die zich moeien met haar! Ze zag het, ze zag de vragen komen.… Een woedende ontsteltenis overstelpte haar, en, onmachtig tot zelfbeheersching, zag ze zich haar spel met de vrouw bederven, voelde ze, dat ze alles verspeelde.
Toen het mensch vroeg:
—Denk ie daj aum je nog weer bij um zel neme?
antwoordden haar oogen met trots en verachting.
—’t Is tuch dáárum, drong het mensch aan, met het hoofd knikwijzend naar Geertje’s schoot.
—’k Weet niet wat u bedoel, zei Geertje.
—Aue!.… En treuzelend opstaand met een zucht vol zelfvoldaanheid:—Hebbe me-n-et sau laat!—Toen, smakkend juist als Tante kon doen, keerde buurvrouw, de handen knuffelend onder de schort, het groote lichaam naar de deur:—Nau.… ajuus dan.
Hard viel de deur toe.
Geertje knikte de verdwenene na, gelijk zij als meisje-op-school de meesters, ook Groo’va zelf, na een berisping had nageknikt. Het gebeurde speet haar om Maandag. Maar wanneer die stikvreemde menschen zich ook al in haar zaken mochten mengen!.… Het hoofd steunend op de rechter elleboog, zat zij aan de tafel voor het raam naar buiten te staren. Wel wat moe, wat als-verdoofd. Eens trappelde ze haar ergernis uit. Maar kom, och kom, dat indringerige mensch, wat had zij met het wijf te maken.… Ze dwong zich tot belangstelling in de dingen op straat. Daar hadt je die jongen weer van de koetsier uit de rijkelui’s stal, twee huizen van hen af. Bij het boodschappen doen in de straat, zag zij hem telkens, eenige als een-jongeheer-gekleede tusschen al de gewone jongens, aanmatigend met zijn dikke glanzige gezicht-van-gezondheid onder zooveel honger-bleekheid. Maar nu had ze straks het afgeluisterd, dat de jongen van het schoenlappertje[172]de „mooie meneer” verweet nog geen hemd aan zijn lijf te hebben dat van hemzelf was.—„Niks is van jou! Je vader he’t niks. Jullie mot de kleere drage, die de heer van de stal je geeft.…” Een valsch mondvertrekken van verlegenheid-verbergen op de glanzige dikke kop die zweeg—Geertje had hardop moeten lachen. Nu speelde de jongen er weer.…
Hoe kwam hij nù daar te spelen? Geertje’s blik sloeg op naar de school, aan de overkant der, voor deze bouw verwijde, op dit gedeelte als-nieuw geworden, straat; de school, waar zij dikwijls al in getuurd had, zonder meer te onderscheiden dan een vage glimmerschemer van door glas gescheiden ruimten. Ook nu tuurde zij. En terwijl zij erover nadacht, hoe de jongen van de koetsier op dit uur vrij van school kon hebben, en een tweede vraag zich in haar opdrong: waarom Maandag Piet niet dee’ op die school; trachtte haar bijna professioneele belangstelling, een belangstelling die voortkwam uit haar afkomst en jeugd, de lichte muren van het nog nieuwe gebouw te doordringen. De ramen waren als bij een kerk, zoo hoog dat zij hier van boven de kind’ren niet zien kon en zelfs niet de meester; wel in het tweede lokaal zag ze wat, donkerten van zittende jongens en ook de meester, staand bij het bord; maar het was haar toch niet mogelijk, de man z’en gezicht te onderscheiden, ook niet, toen hij zich verplaatste.
Haar mijmeren vergeleek deze school, deze gróóte stàdsschool met vele meesters, bij het oude kleine gebouwtje, weggedoken achter de boomen, op het donkere pleintje naast de dorpskerk.… Donker, midden in de zomer. Nù moest het in het lentegroen staan.… Haar blik gleed van de schoolramen naar de kleine ruimte naast het gebouw, waarvóór het trottoir van het uitgebouwde straatbrok een hoek maakte. Achter een schutting, een rij jonge kastanjes met traag ontluikend loof. Al wat ze hier van de natuur te zien kreeg![173]
[Inhoud]IV.’s Woensdags was zij laat met de bedden. Ze had de tijd verpraat met Maandag, die bij buurvrouw was geweest. Nu moest zij alles doen voor het eten en de bedden lagen er nog. Ze zweette van inspanning en gejaagdheid. Zoo hoog mogelijk had ze de ramen opengerukt aan de voorkant, en met open tusschendeur voor het doorwaaien was ze achter bij open raam bezig.Toen, in die, haar denken geheel vervullende, prikkelende haast-van-werken, hoorde zij, opeens, Ooms stem; als dingen die vallen zoo duid’lijk de woorden:—Ja, hier is et. Ga maar binne.Over Piet’s bedje gebukt, bleef ze staan. Haar hoofd had tot luisteren trillend gezwenkt.Zij wist, zij wist precies, ineens. Groo’va was er nu met Oom. Door de woningdeur, die zij ook had laten aanstaan voor de frischheid, omdat er een tocht zoog door het traphuis, waren ze in de voorkamer gekomen. Doordat Piet’s bedje tegen de tusschenwand stond, konden zij haar niet zien. Maar daar, daar! achter die openstaande deur, vlak naast haar, aan ’t voeteneind van Piet z’en bedje, daar waren zij.…Om toch geen gerucht te maken, bleef ze in haar gebogen houding.Nu was ’t er, nu zou het gebeuren, met Groo’va.Een paar keer liet ze haar borst op en neer gaan als iemand die op adem moet komen. Zij dacht niet na, z’ onderging een[174]besef: ’t was nu dat ze zou moeten strijden om Hem. Haar driftige ijver voor het huiswerk was gebroken als een zeepbel. Even drong er gelijk iets hinderlijk-tegen-houdends nog door haar bewustzijn: de bedden—’t eten—buurvrouw helpen. Toen—het duurde bij een zóó kort—stapte ze, op het hooren van weer-gestommel in de voorkamer, met kleine haaststappen naar de deur, bleef in bewust spel staan op de drempel, en, koket het hoofdje schuintrekkend tot een uitdrukking van verwondering, liep ze, de hand uitstekend, met een lachje op Grootvader af.—Groo’va!.…Hij stond, met Oom ter zijde achter zich, juist op de plek, waar buurvrouw de vorige dag met een—„Nou, ajuus dan”, hoonend op haar had neergekeken. Hij stond en niets bewoog aan hem. Geertje zag de lange smalle lippen pijnlijk vast opeengeklemd en onder zijn doorborende strafblik sloeg zij hare oogen neer, de lach kromp weg van haar gezicht en zij bedacht dat ze, op haar rouwjapon, tegen de stoffigheid van het huiswerk, een bonte schort met gaten had aangedaan, die er nog hing van Maandag’s zuster. Schielijk de linkerhand naar achteren stekend om de strik te openen, wilde zij met de rechter de schort al wegtrekken, maar de strik trok vast en de ijle beweging der rechterhand scheen een strijken over de zwangere buik, als om weg te strijken.—Ben je alleen? bitste de vermaanstem.—Ja Groo’va.—Het tocht hier.Oom sloot de woningdeur, Geertje de ramen. Ook de tusschendeur ging zij sluiten.—Gaat u niet zitte? vroeg ze zacht en schraapte naar meer geluid. In een wanhopige zelfteleurstelling voelde ze zich tòch onthutst-doen.—Is dat wat je me te zeggen hebt, Geertje?Het was de oude toon van vijandig klinkende berisping, die hardheid, die haar altijd had gekwetst, waarover Groo’moe[175]met zachtheid placht te troosten. Nu was niet Groo’moe er, maar Oom.—Ik heb u ommers alles geschreven, zei ze, met zekerder stem, koel, strak.—Heb je Groo’va vergeving gevraagd?Oom! Die braaf dee, voor ’en wit voetje!.…Nu had ze haar stem weer geheel, en blozend:—Heb ù al om vergeving gevraagd?—Ik? Ik heb me niet laten onteere!—Nee, ù heb goed opgepast! En voor mijn heb u ook zoo gezorgd! Daarom liep ik laast uw huis uit, toen uw zwager m’en as hoer wou gebruike.…Groo’va, die zich juìst omgewend en de hand op een stoelleuning gelegd had, strekte die uit met gebiedend gebaar:—Stilte!Juist als vroeger op school.—Laat me met haar alleen, Jan; ik zal de weg naar je huis wel vinden.Toen Oom was heengegaan, zei Groo’va:—Ga daar zitten.Het wàs háár stoel, waarop zij altijd zat, deze dagen; zij ontving Groo’va, in Maandag z’en woning! Hij deed net als thuis tegen stoute jongens, die hij in zijn kamer liet komen na schooltijd. De meester, de berispende meester—anders was hij niet voor haar.Onverschillig schokte ze neer op de stoel en bleef, de rug naar het raam, de linkerarm zwaar over de hoek van de tafel, de rechter slap op de schoot, voorovergebogen zitten staroogen met botte dofheid.Een beweging van ongeduld schaduwde over het tafelvlak langs haar. Geduld had Groo’va niet kunnen leeren, in al die jaren van jongens bebrommen.—Ik wàcht, op wat je te zèggen hebt, Geertje!Driftig, met sprongetjes, kwam de bedreiging. En nu smakten[176]de lippen. Dat was toch zoo’n malle gewoonte van Groo’va—net iemand, die de soep te zout vindt.—Zul je nu spreken!?Hoog was hij vóór haar.Loom het hoofd heffend, zag zij even hem aan; toen zonk haar blik, als te moe, langs hem neer. En toonloos-koel liet ze vallen:—Ik heb et u ommers al geschreve.—Geschreven!?.… Je brief was één weefsel van leugens. Bedrogen heb je me, en al zoo lang! Mij en Oom, zelfs Groo’moe nog! Als die dit had moeten beleven! Niets dan de schand’lijkste zonde en leugen. En dat een kind van zóóveel gebed. Ongelukkige! hebben wij dat aan je verdiend!? Het loon voor zóóveel zorg en liefde. Ons kind onteerd op de schand’lijkste wijs, in een zonde die God het zwaarste straft. Hij wil dat ik oude man zwaar beproefd word. Maar jij bent, behalve aan Hem, mij rekenschap schuldig van je ondankbaar, snood gedrag. Je bent verleid, máár je was geen kind meer! Die man heeft zich op de laagste, de gruwelijkste wijze aan je vergrepen, maar.…—Die man heb ik lief, en altijd, verstaat u, na me dood nog, ten eeuwige dage, zal ik van ’em houe, dìe màn!.…Tegenover de hooge bestraffersgestalte, naar haar toe gebogen voor ’t driftig betoog, terwijl de groote, oude handen, de stijfbottige vingers tot haken gekromd, als bij een jood die waren weegt, zenuwachtig trilden vóór ’t lijf, was de daareven ineengezakte plots gestaald van den stoel gerezen, zoodat hij week; en was langs hem gegaan; en stond nu, vrouw, fier op haar vracht, uitdagend van geestdrift in ’t midden der kamer.Maar haar trots had zij vàn dien oude: hij, op zijn beurt door haar hoogmoed gestoken, in een drift die zich wreken moet, hoonde haar toe:—Daarom woon je nu hier!—Wat!? nu hier.…[177]—Bij een anderen man!—Groo’va!.…Zij week, keek ontzet hem aan. Hij! Groo’va! dat hij dàt zei! Het was of er een dofheid uit haar wegzakte, een belemmering van haar bewustzijn week; tot nu toe had ze niet gewéten wat ze zeide en deed en voelde; maar deze pijn werd ze scherp-bewust gewaar: Groo’va, zùlke gemeenheid denkend! Een wirwar van verklarende vermoedens sneed haar door het brein, doch verscherpte slechts het wanhopig besef, dat Groo’va, Groo’va tot zoo iets in staat was. Tegelijk had zij de volle herinnering van haar liefde voor Groo’moe en Groo’va, ’t bewustzijn wàt die liefde was waard geweest; en de gewaarwording der toch-niet-mógelijke waarheid, dat niets daarvan was overgebleven, niets, want Groo’moe was dood, en Groo’va.…Zoekend naar een steunpunt, was zij naar de wand gewankeld en had zich vastgegrepen aan Maandag’s schrijftafeltje en hurkte in vaag begrip van het ongemakkelijke der houding meer tegen Maandag’s stoeltje aan dan er op.—U kunt et niet meene, klaagde zij.Doch opziende zag zij steeds de strafblik, die meedoogenloos streng haar doorboorde.—De weg der goddeloozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen, bitste ’t haar op kerktoon tegen.—U weet niet of God mij niet heeft vergeven.—Ik wéét, dat jij er niet naar geleefd hebt om Zijn vergeving te erlangen! Ik vind je terug in de macht van den Duivel, die den dwazen leert zich te verhoovaardigen over hun zonden. In den mond des dwazen is eene roede des hoogmoeds; als de hoovaardigheid komt, zal de schande ook komen; bij jou vind ik hoogmoed en schande beide. In ontucht en overspel heb je geleefd en je bedekt het gelaat niet met beide handen! Je tong moest je hebben uitgerukt, liever dan prat te gaan op je zonde als in die woorden tegen mij. Ik heb vertrouwd op je liefde, je deugd; dagelijks heb ik voor je gebeden; de laatste woorden van Groo’moe prevelden een[178]gebed voor jou. En jij maakte ons allen te schande. Op het gruwelijkst heb je gezondigd tegen den Hemel en tegen ons. En dan.… durf jij.… lichtzinnige.… slet, mij vragen of ik méén wat ik zeg?Hij was, toen zij langs hem heen gegaan was, vóór de kamerdeur blijven staan, en, de eene hand aan de knop, als bevreesd dat zij hem zou ontvluchten; met de rechter, breed uitgespreid, gebarend als in de kerk bij het lezen; had hij gestrafpredikt tegen haar—wel toornig, doch met zóóveel bijbelsch’, dat het Geertje volkomen te moede was geworden, als vroeger thuis onder zijn vermanen.… Tot nu, bij de allerlaatste woorden, hij, de deur loslatend, op haar toetrad, en die woorden zelf, de toon van zijn stem, een zooveel inniger gramschap uitten, dat zij angstig hem naderen zag, de oogen in vrees naar die hand, die groote, beweeglijk-zware rechterhand.… Zij wist weer; een dag toen zij twaalf jaar was, een snikheete Woensdag na de school; met de jongens was ze meegeloopen, om de bijenkorven te zien bij Kroon, en juist toen ze weg zou gaan, werd ze gestoken.… Huilende thuiskomend, zag ze Groo’va vol ongeduld uitkijkend vóór het huis. In haar schreien hikte ze ’t uit van de korven, en dat een bij haar had gestoken.—Waar ben je dan geweest?—Bij Kroon.…En pats—de groote hand om haar hoofd, juist op de pijnlijke plek een slàg!.…Haar woede, haat was zij nooit vergeten. Evenmin het gesprek tusschen Groo’moe en Groo’va, waar ze wel haar pijn voor vergat: Groo’moe hèm zijn drift verwijtend:—„Bedenk wat je bij Jan d’er mee hebt bereikt!” Het kind, onzichtbare getuige, wist die woorden voor haar leven. En voor haar leven aanzag zij die rechterarm als het „wrekende zwaard” van Groo’va’s toorn.De vuist was gebald, nu, de arm bleef stil. Geertje zag: hij wilde een antwoord.[179]—Omdat u dàt niet van me kùnt denke! Dàt heeft tante Riek u gezeid, die zelf gemeen is, net as d’er broer.…—Zwijg, ik verkies zulke taal niet te hooren. Maar als ik me vergis, verklaar je. Hoe kom je hier en waar is die man?—Maandag? uit. Maar dacht u hèusch?Weer voer zij op.—Wéét u, waarom ik hier ben, Groo’va? ’k Mòest weg bij Oom om tante d’er broer, omdat die gemeenert me nazat. Weet u dat? Hebbe z’u dat gezeid?—Och, ik duizel van al die slechtheid, zóóveel verdorvenheid en zonde. Maar al moest je dáár weg, waarom ben je nu hier?Geertje zweeg, ze hoord’ een gerucht. Afleiding kwam er voor Groo’va zijn gramschap.… Ja! De deur ging open.…—Meneer!.… Groo’va is d’er.… Zegt u nu da’lek.… Dat is Groo’va. En meneer Maandag.… Zegt ù an Groo’va, waarom ik hier ben!Beurtelings had zij naar Maandag en Groo’va gekeken. En in haar gespannen hoop op de vernietiging van Groo’va’s griezelig wantrouwen, was haar de verzachting van zijn blik niet ontgaan, de kalmeerende verwondering, toen daar stond een dwerg met een bult.—Groo’va, riep ze in hartstocht’lijke ijver, denkt er kwaad van dat ik hier ben.… Omdat u alleen woont, verklaarde ze, zachter.—No’ je graufader m’en gesien he’t, zal-d-ie wel nie’ meer bang van me sain!Onder Geertje’s eerste spreken, zóó toen ze zei dat Groo’va d’er was, had Maandag, met zijn gewone breede deurzwaai binnengekomen, in een haast van schrik de deur gesloten; ontsteld, had hij de stoffig-vale flambard gerukt van de warrig-lange haren; en het hoofd, dat dwaas-uitdagend achterover op de schouders placht te liggen, had verdwaasd gedraaid; toen had het lichaampje gebogen.… Maar Geertje had méér gezegd: van die verdenking: en onder deze hoon was alle ontsteltenis als gestold in het kleine zenuwwezen. En met vreemde drukdoenerij,[180]gelijk iemand die wordt aangehouden in bezigheid, was hij gedribbeld naar het schrijftafeltje en had er met hooggeheven arm lange papieren getrokken uit een binnenzak van zijn overjas; en toen, onder het gaan naar de kapstok, bleef hij plots staan, en snerpte die woorden, strak, heel kalm, als onverschillig:—No’ je graufader m’en gesien he’t.…Geertje kneep zich het hoofd tusschen de vingers. Zij wist niet, al dit verschrikkelijke.… Was Groo’va nu verlegen met zijn argwaan? Hij stond onbewegelijk; zeide niets, haar een raadsel, gelijk zoo vaak. Maar toch was hij haar grootvader en die goede Maandag had hij beleedigd. Arme Maandag, kijk hij daar nu scharrelen moeten om bij de lage kapstok te komen. God! wat had-ie daar net gezeid! Nou begreep ze-n-et, God nog-es-toe, dat ’en mensch d’er toe komen kon om zoo iets van z’en eigen te zeggen!.… En ’t was Groo’va z’en schuld en van Oom, o! ze háátte àl d’er familie!Zij was op Maandag’s stoel bij het raam neergevallen. Maandag, zich omwendend, zei tot Groo’va:—Gaat u nie’ sitte?En Groo’va deed het.—’k Geloof, dat hij zijn onrecht inziet, dacht Geertje.Maandag trok zijn stoeltje van vóór de schrijftafel bij.—Wil je Graufa niet ie’s gebruyke, Geer?—Wil u wat gebruike, Groo’va?Nu verhief zich het oude bleeke hoofd en de booroogen staarden Maandag aan.—Ik ben met andere bedoelingen gekomen dan uw gastvrijheid te vragen, m’enheer. En schoon ik bemerk, dingen gevreesd te hebben, waarvoor geen grond schijnt te bestaan, u zult begrijpen dat ik niet hier ben om te eten of te drinken. In welken staat vind ik mijn kleinkind! En in welke gemoedsstemming! Het eerste woord van berouw moet nog over haar lippen komen. Reeds is ze verhard in het kwaad. En wat doet ze hier, bij u?.… Ik verwijt u niets, ik verdenk u van niets. Ik neem aan, dat u de gevallene uit medelijden in uw[181]huis hebt genomen. Maar gaf het pas? Waarom deze schuilplaats? Om mij te misleiden—verheimelijking, leugen. Na de grootere zonde nog deze!.… U zult me ten goede houden, m’enheer, u danken voor uw gastvrijheid kan ik niet. En jij, Geertje, pak je goed. M’enheer wil me wel een rijtuig bestellen. Hoe eer we van hier vertrekken, hoe beter.—’En rijtuig bestelle, waar wilt u dan heen?—Dat.… zul je zien. Doe wat ik zeg.Altijd de meester, of-ie tegen een kind sprak! Geertje voer op, ze hijgde van kwaadheid. Zijn laatste woorden benauwden haar, of ze voor de borst was gestooten.—Maar.… ik kan hier zóó niet weg!.…Zij hoorde zich huilen in haar stem, ’t maakte haar nog woedender. Grootvader had zijn stoel achteruitgezet en was lipsmakkend opgestaan, juist als bij menig avondgesprek thuis, wanneer hij met een: „ik wil er niets meer van hooren”, een eind had gemaakt aan haar gepraat over Rotterdam. En tusschen de twee vijandig-staanden zat de kleine Maandag en nòg schielijker draaide, schuw naar hen ziend, het achterover liggende hoofd tusschen de hooge schouders.—Ik kan uw ferlange wel billaike, sprak hij, om Geertje nau bai u thuys te hebbe, às et kan, as Geertje will.…—Zoudt u me nu aan een rijtuig willen helpen?—Maar Geertje mot eerst toch d’er koffer pakke!—Doe dat dan, gebood Groo’va hoog.—Och ik kan hier toch zóó nie’ weg, de bedde ben nog niet eens aan kant!.… Weet nicht Betje dat ik mee kom? aarzelde zij, steeds de hand aan de stoel.Hij stoof uit:—Zul je doen wat ik zeg?!.… Je gáát niet naar nicht Betje toe.—Wat! Wat bedoelt u?.… Wat wilt u dan?—Je gaat naar een doorgangshuis. Daar kun je je tijd afwachten.—Hè!.…[182]Haar stoel sloeg omver langs het raamkozijn. Zij liet hem liggen, trapte er tegen, wist niets met haar handen te grijpen, deinsde omdathijdicht vóór haar was. Al haar voelen was smaadbesef.Hij, hij, Groo’va, net als Tante, ’en slet was ze in hun oogen, ’en slet.—U weet dat ik meerderjarig ben, hè? Dat ik doen kan wat ik wil. Gelukkig da’k et net ben geworde! Anders in ’en doorgangshuis. Net as ’en gemeene meid! Jonge, Groo’va, wat christelek! Thuis verpleegd worde, kan je begrijpe! Al die schande voor et dorp! Nou m’ar, na zoo’n inrichting ga-n-ik ook niet, hoort u! ’k Heb u nie’ noodig! Gaat u m’ar weg! Bij zoo’n slet, hoe kunt u nog blijve!—Meid!.…Maar kleine Maandag, opgevaren, hield den vuistballenden bedreiger tegen.—Denk dan tuch an d’er toestand, meneir, as je fergaite kunt dat se je kind is!—Ik vergeet niets en ik gedoog niet dat u zoo tegen me spreekt.—U staat in main huijs, meneir.—Ik zal weggaan.… Om.… vier uur vertrek ik. Indien je vóór die tijd niet in de Simonstraat bent, boetvaardig, gehoorzaam, beschouw ik je niet langer als me kleinkind.—U!? U bent me Groo’va nie’ meer!De uitroep was een schreeuw van wanhoop, die Maandag bleeker deed worden van deernis. Tegelijk zag hij Geertje om zich heen tasten naar de stoel, met het gebaar van wie gewaarwordt het evenwicht te verliezen; en de oude man met een hatelijk van-zich-zelf-zekere beslistheid grijpen naar zijn hoed. En nu was hij het, die, tegen de deur zich dringend, de oude beletten zou heen te gaan.—Menheer Naikerk, och chot ik versoek je.… Kom Geer, je main et sau niet.…Die meid, in d’er drift van zenuwen, wist ze nie’ meer wat ze dee’! Later zou z’er spijt van hebben.… Het liep[183]anders dan Maandag verwacht had in zijn dagenlang opzien tegen dit bezoek. Zij was anders: uit wrok tegen Oom, want in d’er hart hield ze wel van Groo’va. ’t Kind was op, zóó gejaagd en geplaagd.…Of hij iemand belette in ’t water te springen, zoo hield de dwerg, de handen vlak vóór het achterwaartsche hoofd, houding van een opzittende hond, de rechte lange oude man tegen.—Doe-n-et niet meneer Naikerk, g’lauf me, Geertje meint nie’ wa’ se sait.—Ik was gekomen om haar te helpen. En nog zal ik haar helpen als ze berouw toont. Maar—om vier uur gaat mijn trein.Des langen ouden groote hand beroerde de schouder des bultenaars, die week, en zij opende met vastheid de deur.En Maandag zag Geertje wankelen naar de achterkamer.Hij dribbelde naar zijn schrijftafeltje, vatte de papieren op, legde ze weer neer, liep toen ook naar de achterkamer. Bij de open deur bleef hij staan, hoorde haar achter bij Pietje’s bed, zag op de zijwand de schaduw van haar beweging met een deken. Zou ze?!.… Nu hoorde hij een snik. Verteederd, overtuigd, kwam hij binnen. Bij het zien van de zwangere, ’t waswitte vleesch op het zwart der japon, ging hem door ’t brein wat zij verteld had van het sterven harer moeder. Zij mòest bedaren, ze leek zóó zwak!—Maak je no’ nie’ sau auferstuur!Ruggekromd, het hoofd gedrukt in een tip van een laken, stond zij te huilen dat haar lijf er van schokte. Hij legde troostend zijn hand op haar arm.—Groo’moe, leefde Groo’moe nog maar! beefde de stem door het snikken heen.—Och, je hau ouk well fan je grau’fa. Jullie wiste nie’ meer wa’j zai.… Kom, bedaar, denk an je kindje, vermaande hij.Hij wenschte dat zij de oude man nog zou achterna-gaan[184]maar dorst het haar niet voorstellen. Het mòcht niet zoo blijven tusschen die beiden. Doch hoe deze van zenuwen opgevreten deern de straat op te sturen? Een gedachte doorschoot hem:—Ik wait er wat op!Lusteloos-vragend zagen haar betraande oogen hem aan.—Ik ga na je grau’fa toe.—Nee, och néé?.…—Et mot.… ik ga.Zij was te moe, te ziek, te onverschillig om hem tegen te houden. Wat zou zijn bezoek nog anders geven dan nieuwe ruzie met Oom en Tante? O, die eigengerechtige valscher’s! Tante had Groo’va opgestookt. Naar ’en doorgangshuis, stel je voor! Waarom maar niet ineens na Steenbeek! Niemand geloofde, begreep d’er—als Maandag.… Goeiert, maar over Jan dacht ook hij slecht. Dat de menschen toch maar niet konden begrijpen, dat zij van Jan hield als van d’er man, als van de vader van d’er kind, die in ’er leefde, die ze nóóit kwijt was, zoodat hij van zelf meer voor d’er zijn moest dan Groo’va of dan wie ter wereld.…Zou hij nooit meer denken aan haar?… De kinderen.… Och, die hadhet menschnatuurlijk verboden om ook maar d’er naam te noemen. Kinderen vergeten gauw.… Hartelijke kleine Truus! Had dat kind een andere moeder.… Maar hij! ’s Avonds alleen in de huiskamer.… Hoe dikwijls had hij haar verteld, dat hij, vóór haar komst in huis, ’s avonds en ’s morgens eenzaam zich voelde, ellendig van ongezelligheid in het holle vertrek zijn brood zat te eten. Zou hij daar nu nóóit denken aan haar? „Een geluk als ik niet gekend heb.” ’t Waren zijn eigen woorden geweest. O, hij moest soms terugverlangen, terwijl hij de flesch borg onder-achterin het buffet, voordat ie met z’en zware stap de trap op treuzelde, naar de benauwdheid waar ’tmenschal zoo lang lag.Alshij zich herinnerde;alsook hij verlangen had, maar de móed miste om haar te schrijven.… ’t Kòn wel, hij was zóó gesteld[185]op z’en zaak!.… Moest zij hem dan niet schrijven, en troosten?.… Misschien zou een brief hem boos maken. In zijn angst voor weer-ruzie in huis! Misschien zou hij denken, dat zij zich opdrong. Als ze het tòch maar eens waagde? Eens hem nog schreef en alles hem zei?.… Alles?.… Hij en lange brieven! En ze zou hem zoovéél willen zeggen.… Nee. Enkel: „Ik ben in niets veranderd, ik zal je liefhebben tot aan mijn dood.” Dat ie dit wist, nog eens van haar hoorde, wist, voor altijd, met zekerheid.… Mogelijk dacht hij, dat zij boos was. Wat Maandag zei: dat hij zich moest schámen! Hè, ’t hem te zèggen: lieve Jan, kijk me even góed in de oogen, ’k ben niet boos op je, ’k vin àlles goed, geef me één kus, desnoods voor het laatst.…Nog nat waren haar wimpers van onvoldoend gedroogde tranen, maar in dat vocht fonkelstraalden haar oogen de schoonheid van deze verbeelding tegen. Zij zou hem zien en hij haar omhelzen!Gedachteloos was zij, het laken steeds over zwarten arm en schoot, op den ijzeren rand van Piet’s ledikantje gaan zitten en onwillekeurig vermeed zij het juist opgeschudde bed neer te drukken. De steun volstond haar, de kantigheid van de ijzerrichel deerde haar niet.Toen zij kinderstemmen hoorde, wipte zij veerkrachtig overeind en ging verheugd af op de klank. Zij omhelsde Piet en Mietje met vroolijke hartelijkheid, daar ze voor haar verbeelding Truus en Koos, zijn kinderen, verwelkomde in de zonnige frischheid der van lentelucht doorademde kamer. Verrast, lieten de kinderen zich terstond aansteken door hare blijheid en babbelden de honderd uit. Wanneer zij niet sprak, neuriede zij, en had, onder het haastig beredderen van eten uit de kast, aldoor voor oogen de brief aan hem. Er werkte een nieuw besef in haar, dat zij misschien Hem niet zou zien en waarschijnlijk ook geen brief hem zou schrijven, maar dat dit niets was, zij stelde ’t zich voor en zij had hem ommers lief! Zoo had zij zich als kind getroost, wanneer ze op kermismiddag[186]niet naar de mallemolen mocht. Door huis heen in de eenzame school geslopen, waar ze de orgelmuziek niet kon hooren, speelde ze molenrijden op een punt van een lessenaar, en bij de ontroering van het gevaar, dat zij, grijpend in de lucht naar de in haar verbeelding daar hangende sleutel, vallen zou, bij de vreugd over haar verbeelde victorie, bestond er geen teleurstelling meer.Nu stond zij, een hand op de buikronding, lachend te zien naar Piet’s gulzigheid, en het wàs of ze Koos verzorgde en Jan daar straks over zou spreken, òf over schrijven een lange brief, over de gezondheid der twee en dan wat over „nommer drie”.…Toen Maandag thuiskwam, ontsteld door ’t kijven van Geertje’s tante, die getierd had, dat Geer nog moest waarmaken, wat ze zeggen dorst over Gerrit; zag hij onthutst de groep vóór het open raam. Piet bij „Tante” op schoot en Mietje tegen haar aangedrongen, nauw tusschen stoel en vensterkozijn. Tante was dòl an et vertellen, van een tuinman bij d’er op het durp, die in ’en sloot viel toen-d-ie jonge vogelnesten-dieven achterna zat. Mietje wrong zich naar Oome toe, om ’t hem over te vertellen. En Maandag lachte mee met het kind. Maar toen hij zijn goed had weggehangen, ging hij naar de achterkamer en kwam eerst later voor terug. Geertje merkte ’t wegblijven niet op.[187]
IV.
’s Woensdags was zij laat met de bedden. Ze had de tijd verpraat met Maandag, die bij buurvrouw was geweest. Nu moest zij alles doen voor het eten en de bedden lagen er nog. Ze zweette van inspanning en gejaagdheid. Zoo hoog mogelijk had ze de ramen opengerukt aan de voorkant, en met open tusschendeur voor het doorwaaien was ze achter bij open raam bezig.Toen, in die, haar denken geheel vervullende, prikkelende haast-van-werken, hoorde zij, opeens, Ooms stem; als dingen die vallen zoo duid’lijk de woorden:—Ja, hier is et. Ga maar binne.Over Piet’s bedje gebukt, bleef ze staan. Haar hoofd had tot luisteren trillend gezwenkt.Zij wist, zij wist precies, ineens. Groo’va was er nu met Oom. Door de woningdeur, die zij ook had laten aanstaan voor de frischheid, omdat er een tocht zoog door het traphuis, waren ze in de voorkamer gekomen. Doordat Piet’s bedje tegen de tusschenwand stond, konden zij haar niet zien. Maar daar, daar! achter die openstaande deur, vlak naast haar, aan ’t voeteneind van Piet z’en bedje, daar waren zij.…Om toch geen gerucht te maken, bleef ze in haar gebogen houding.Nu was ’t er, nu zou het gebeuren, met Groo’va.Een paar keer liet ze haar borst op en neer gaan als iemand die op adem moet komen. Zij dacht niet na, z’ onderging een[174]besef: ’t was nu dat ze zou moeten strijden om Hem. Haar driftige ijver voor het huiswerk was gebroken als een zeepbel. Even drong er gelijk iets hinderlijk-tegen-houdends nog door haar bewustzijn: de bedden—’t eten—buurvrouw helpen. Toen—het duurde bij een zóó kort—stapte ze, op het hooren van weer-gestommel in de voorkamer, met kleine haaststappen naar de deur, bleef in bewust spel staan op de drempel, en, koket het hoofdje schuintrekkend tot een uitdrukking van verwondering, liep ze, de hand uitstekend, met een lachje op Grootvader af.—Groo’va!.…Hij stond, met Oom ter zijde achter zich, juist op de plek, waar buurvrouw de vorige dag met een—„Nou, ajuus dan”, hoonend op haar had neergekeken. Hij stond en niets bewoog aan hem. Geertje zag de lange smalle lippen pijnlijk vast opeengeklemd en onder zijn doorborende strafblik sloeg zij hare oogen neer, de lach kromp weg van haar gezicht en zij bedacht dat ze, op haar rouwjapon, tegen de stoffigheid van het huiswerk, een bonte schort met gaten had aangedaan, die er nog hing van Maandag’s zuster. Schielijk de linkerhand naar achteren stekend om de strik te openen, wilde zij met de rechter de schort al wegtrekken, maar de strik trok vast en de ijle beweging der rechterhand scheen een strijken over de zwangere buik, als om weg te strijken.—Ben je alleen? bitste de vermaanstem.—Ja Groo’va.—Het tocht hier.Oom sloot de woningdeur, Geertje de ramen. Ook de tusschendeur ging zij sluiten.—Gaat u niet zitte? vroeg ze zacht en schraapte naar meer geluid. In een wanhopige zelfteleurstelling voelde ze zich tòch onthutst-doen.—Is dat wat je me te zeggen hebt, Geertje?Het was de oude toon van vijandig klinkende berisping, die hardheid, die haar altijd had gekwetst, waarover Groo’moe[175]met zachtheid placht te troosten. Nu was niet Groo’moe er, maar Oom.—Ik heb u ommers alles geschreven, zei ze, met zekerder stem, koel, strak.—Heb je Groo’va vergeving gevraagd?Oom! Die braaf dee, voor ’en wit voetje!.…Nu had ze haar stem weer geheel, en blozend:—Heb ù al om vergeving gevraagd?—Ik? Ik heb me niet laten onteere!—Nee, ù heb goed opgepast! En voor mijn heb u ook zoo gezorgd! Daarom liep ik laast uw huis uit, toen uw zwager m’en as hoer wou gebruike.…Groo’va, die zich juìst omgewend en de hand op een stoelleuning gelegd had, strekte die uit met gebiedend gebaar:—Stilte!Juist als vroeger op school.—Laat me met haar alleen, Jan; ik zal de weg naar je huis wel vinden.Toen Oom was heengegaan, zei Groo’va:—Ga daar zitten.Het wàs háár stoel, waarop zij altijd zat, deze dagen; zij ontving Groo’va, in Maandag z’en woning! Hij deed net als thuis tegen stoute jongens, die hij in zijn kamer liet komen na schooltijd. De meester, de berispende meester—anders was hij niet voor haar.Onverschillig schokte ze neer op de stoel en bleef, de rug naar het raam, de linkerarm zwaar over de hoek van de tafel, de rechter slap op de schoot, voorovergebogen zitten staroogen met botte dofheid.Een beweging van ongeduld schaduwde over het tafelvlak langs haar. Geduld had Groo’va niet kunnen leeren, in al die jaren van jongens bebrommen.—Ik wàcht, op wat je te zèggen hebt, Geertje!Driftig, met sprongetjes, kwam de bedreiging. En nu smakten[176]de lippen. Dat was toch zoo’n malle gewoonte van Groo’va—net iemand, die de soep te zout vindt.—Zul je nu spreken!?Hoog was hij vóór haar.Loom het hoofd heffend, zag zij even hem aan; toen zonk haar blik, als te moe, langs hem neer. En toonloos-koel liet ze vallen:—Ik heb et u ommers al geschreve.—Geschreven!?.… Je brief was één weefsel van leugens. Bedrogen heb je me, en al zoo lang! Mij en Oom, zelfs Groo’moe nog! Als die dit had moeten beleven! Niets dan de schand’lijkste zonde en leugen. En dat een kind van zóóveel gebed. Ongelukkige! hebben wij dat aan je verdiend!? Het loon voor zóóveel zorg en liefde. Ons kind onteerd op de schand’lijkste wijs, in een zonde die God het zwaarste straft. Hij wil dat ik oude man zwaar beproefd word. Maar jij bent, behalve aan Hem, mij rekenschap schuldig van je ondankbaar, snood gedrag. Je bent verleid, máár je was geen kind meer! Die man heeft zich op de laagste, de gruwelijkste wijze aan je vergrepen, maar.…—Die man heb ik lief, en altijd, verstaat u, na me dood nog, ten eeuwige dage, zal ik van ’em houe, dìe màn!.…Tegenover de hooge bestraffersgestalte, naar haar toe gebogen voor ’t driftig betoog, terwijl de groote, oude handen, de stijfbottige vingers tot haken gekromd, als bij een jood die waren weegt, zenuwachtig trilden vóór ’t lijf, was de daareven ineengezakte plots gestaald van den stoel gerezen, zoodat hij week; en was langs hem gegaan; en stond nu, vrouw, fier op haar vracht, uitdagend van geestdrift in ’t midden der kamer.Maar haar trots had zij vàn dien oude: hij, op zijn beurt door haar hoogmoed gestoken, in een drift die zich wreken moet, hoonde haar toe:—Daarom woon je nu hier!—Wat!? nu hier.…[177]—Bij een anderen man!—Groo’va!.…Zij week, keek ontzet hem aan. Hij! Groo’va! dat hij dàt zei! Het was of er een dofheid uit haar wegzakte, een belemmering van haar bewustzijn week; tot nu toe had ze niet gewéten wat ze zeide en deed en voelde; maar deze pijn werd ze scherp-bewust gewaar: Groo’va, zùlke gemeenheid denkend! Een wirwar van verklarende vermoedens sneed haar door het brein, doch verscherpte slechts het wanhopig besef, dat Groo’va, Groo’va tot zoo iets in staat was. Tegelijk had zij de volle herinnering van haar liefde voor Groo’moe en Groo’va, ’t bewustzijn wàt die liefde was waard geweest; en de gewaarwording der toch-niet-mógelijke waarheid, dat niets daarvan was overgebleven, niets, want Groo’moe was dood, en Groo’va.…Zoekend naar een steunpunt, was zij naar de wand gewankeld en had zich vastgegrepen aan Maandag’s schrijftafeltje en hurkte in vaag begrip van het ongemakkelijke der houding meer tegen Maandag’s stoeltje aan dan er op.—U kunt et niet meene, klaagde zij.Doch opziende zag zij steeds de strafblik, die meedoogenloos streng haar doorboorde.—De weg der goddeloozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen, bitste ’t haar op kerktoon tegen.—U weet niet of God mij niet heeft vergeven.—Ik wéét, dat jij er niet naar geleefd hebt om Zijn vergeving te erlangen! Ik vind je terug in de macht van den Duivel, die den dwazen leert zich te verhoovaardigen over hun zonden. In den mond des dwazen is eene roede des hoogmoeds; als de hoovaardigheid komt, zal de schande ook komen; bij jou vind ik hoogmoed en schande beide. In ontucht en overspel heb je geleefd en je bedekt het gelaat niet met beide handen! Je tong moest je hebben uitgerukt, liever dan prat te gaan op je zonde als in die woorden tegen mij. Ik heb vertrouwd op je liefde, je deugd; dagelijks heb ik voor je gebeden; de laatste woorden van Groo’moe prevelden een[178]gebed voor jou. En jij maakte ons allen te schande. Op het gruwelijkst heb je gezondigd tegen den Hemel en tegen ons. En dan.… durf jij.… lichtzinnige.… slet, mij vragen of ik méén wat ik zeg?Hij was, toen zij langs hem heen gegaan was, vóór de kamerdeur blijven staan, en, de eene hand aan de knop, als bevreesd dat zij hem zou ontvluchten; met de rechter, breed uitgespreid, gebarend als in de kerk bij het lezen; had hij gestrafpredikt tegen haar—wel toornig, doch met zóóveel bijbelsch’, dat het Geertje volkomen te moede was geworden, als vroeger thuis onder zijn vermanen.… Tot nu, bij de allerlaatste woorden, hij, de deur loslatend, op haar toetrad, en die woorden zelf, de toon van zijn stem, een zooveel inniger gramschap uitten, dat zij angstig hem naderen zag, de oogen in vrees naar die hand, die groote, beweeglijk-zware rechterhand.… Zij wist weer; een dag toen zij twaalf jaar was, een snikheete Woensdag na de school; met de jongens was ze meegeloopen, om de bijenkorven te zien bij Kroon, en juist toen ze weg zou gaan, werd ze gestoken.… Huilende thuiskomend, zag ze Groo’va vol ongeduld uitkijkend vóór het huis. In haar schreien hikte ze ’t uit van de korven, en dat een bij haar had gestoken.—Waar ben je dan geweest?—Bij Kroon.…En pats—de groote hand om haar hoofd, juist op de pijnlijke plek een slàg!.…Haar woede, haat was zij nooit vergeten. Evenmin het gesprek tusschen Groo’moe en Groo’va, waar ze wel haar pijn voor vergat: Groo’moe hèm zijn drift verwijtend:—„Bedenk wat je bij Jan d’er mee hebt bereikt!” Het kind, onzichtbare getuige, wist die woorden voor haar leven. En voor haar leven aanzag zij die rechterarm als het „wrekende zwaard” van Groo’va’s toorn.De vuist was gebald, nu, de arm bleef stil. Geertje zag: hij wilde een antwoord.[179]—Omdat u dàt niet van me kùnt denke! Dàt heeft tante Riek u gezeid, die zelf gemeen is, net as d’er broer.…—Zwijg, ik verkies zulke taal niet te hooren. Maar als ik me vergis, verklaar je. Hoe kom je hier en waar is die man?—Maandag? uit. Maar dacht u hèusch?Weer voer zij op.—Wéét u, waarom ik hier ben, Groo’va? ’k Mòest weg bij Oom om tante d’er broer, omdat die gemeenert me nazat. Weet u dat? Hebbe z’u dat gezeid?—Och, ik duizel van al die slechtheid, zóóveel verdorvenheid en zonde. Maar al moest je dáár weg, waarom ben je nu hier?Geertje zweeg, ze hoord’ een gerucht. Afleiding kwam er voor Groo’va zijn gramschap.… Ja! De deur ging open.…—Meneer!.… Groo’va is d’er.… Zegt u nu da’lek.… Dat is Groo’va. En meneer Maandag.… Zegt ù an Groo’va, waarom ik hier ben!Beurtelings had zij naar Maandag en Groo’va gekeken. En in haar gespannen hoop op de vernietiging van Groo’va’s griezelig wantrouwen, was haar de verzachting van zijn blik niet ontgaan, de kalmeerende verwondering, toen daar stond een dwerg met een bult.—Groo’va, riep ze in hartstocht’lijke ijver, denkt er kwaad van dat ik hier ben.… Omdat u alleen woont, verklaarde ze, zachter.—No’ je graufader m’en gesien he’t, zal-d-ie wel nie’ meer bang van me sain!Onder Geertje’s eerste spreken, zóó toen ze zei dat Groo’va d’er was, had Maandag, met zijn gewone breede deurzwaai binnengekomen, in een haast van schrik de deur gesloten; ontsteld, had hij de stoffig-vale flambard gerukt van de warrig-lange haren; en het hoofd, dat dwaas-uitdagend achterover op de schouders placht te liggen, had verdwaasd gedraaid; toen had het lichaampje gebogen.… Maar Geertje had méér gezegd: van die verdenking: en onder deze hoon was alle ontsteltenis als gestold in het kleine zenuwwezen. En met vreemde drukdoenerij,[180]gelijk iemand die wordt aangehouden in bezigheid, was hij gedribbeld naar het schrijftafeltje en had er met hooggeheven arm lange papieren getrokken uit een binnenzak van zijn overjas; en toen, onder het gaan naar de kapstok, bleef hij plots staan, en snerpte die woorden, strak, heel kalm, als onverschillig:—No’ je graufader m’en gesien he’t.…Geertje kneep zich het hoofd tusschen de vingers. Zij wist niet, al dit verschrikkelijke.… Was Groo’va nu verlegen met zijn argwaan? Hij stond onbewegelijk; zeide niets, haar een raadsel, gelijk zoo vaak. Maar toch was hij haar grootvader en die goede Maandag had hij beleedigd. Arme Maandag, kijk hij daar nu scharrelen moeten om bij de lage kapstok te komen. God! wat had-ie daar net gezeid! Nou begreep ze-n-et, God nog-es-toe, dat ’en mensch d’er toe komen kon om zoo iets van z’en eigen te zeggen!.… En ’t was Groo’va z’en schuld en van Oom, o! ze háátte àl d’er familie!Zij was op Maandag’s stoel bij het raam neergevallen. Maandag, zich omwendend, zei tot Groo’va:—Gaat u nie’ sitte?En Groo’va deed het.—’k Geloof, dat hij zijn onrecht inziet, dacht Geertje.Maandag trok zijn stoeltje van vóór de schrijftafel bij.—Wil je Graufa niet ie’s gebruyke, Geer?—Wil u wat gebruike, Groo’va?Nu verhief zich het oude bleeke hoofd en de booroogen staarden Maandag aan.—Ik ben met andere bedoelingen gekomen dan uw gastvrijheid te vragen, m’enheer. En schoon ik bemerk, dingen gevreesd te hebben, waarvoor geen grond schijnt te bestaan, u zult begrijpen dat ik niet hier ben om te eten of te drinken. In welken staat vind ik mijn kleinkind! En in welke gemoedsstemming! Het eerste woord van berouw moet nog over haar lippen komen. Reeds is ze verhard in het kwaad. En wat doet ze hier, bij u?.… Ik verwijt u niets, ik verdenk u van niets. Ik neem aan, dat u de gevallene uit medelijden in uw[181]huis hebt genomen. Maar gaf het pas? Waarom deze schuilplaats? Om mij te misleiden—verheimelijking, leugen. Na de grootere zonde nog deze!.… U zult me ten goede houden, m’enheer, u danken voor uw gastvrijheid kan ik niet. En jij, Geertje, pak je goed. M’enheer wil me wel een rijtuig bestellen. Hoe eer we van hier vertrekken, hoe beter.—’En rijtuig bestelle, waar wilt u dan heen?—Dat.… zul je zien. Doe wat ik zeg.Altijd de meester, of-ie tegen een kind sprak! Geertje voer op, ze hijgde van kwaadheid. Zijn laatste woorden benauwden haar, of ze voor de borst was gestooten.—Maar.… ik kan hier zóó niet weg!.…Zij hoorde zich huilen in haar stem, ’t maakte haar nog woedender. Grootvader had zijn stoel achteruitgezet en was lipsmakkend opgestaan, juist als bij menig avondgesprek thuis, wanneer hij met een: „ik wil er niets meer van hooren”, een eind had gemaakt aan haar gepraat over Rotterdam. En tusschen de twee vijandig-staanden zat de kleine Maandag en nòg schielijker draaide, schuw naar hen ziend, het achterover liggende hoofd tusschen de hooge schouders.—Ik kan uw ferlange wel billaike, sprak hij, om Geertje nau bai u thuys te hebbe, às et kan, as Geertje will.…—Zoudt u me nu aan een rijtuig willen helpen?—Maar Geertje mot eerst toch d’er koffer pakke!—Doe dat dan, gebood Groo’va hoog.—Och ik kan hier toch zóó nie’ weg, de bedde ben nog niet eens aan kant!.… Weet nicht Betje dat ik mee kom? aarzelde zij, steeds de hand aan de stoel.Hij stoof uit:—Zul je doen wat ik zeg?!.… Je gáát niet naar nicht Betje toe.—Wat! Wat bedoelt u?.… Wat wilt u dan?—Je gaat naar een doorgangshuis. Daar kun je je tijd afwachten.—Hè!.…[182]Haar stoel sloeg omver langs het raamkozijn. Zij liet hem liggen, trapte er tegen, wist niets met haar handen te grijpen, deinsde omdathijdicht vóór haar was. Al haar voelen was smaadbesef.Hij, hij, Groo’va, net als Tante, ’en slet was ze in hun oogen, ’en slet.—U weet dat ik meerderjarig ben, hè? Dat ik doen kan wat ik wil. Gelukkig da’k et net ben geworde! Anders in ’en doorgangshuis. Net as ’en gemeene meid! Jonge, Groo’va, wat christelek! Thuis verpleegd worde, kan je begrijpe! Al die schande voor et dorp! Nou m’ar, na zoo’n inrichting ga-n-ik ook niet, hoort u! ’k Heb u nie’ noodig! Gaat u m’ar weg! Bij zoo’n slet, hoe kunt u nog blijve!—Meid!.…Maar kleine Maandag, opgevaren, hield den vuistballenden bedreiger tegen.—Denk dan tuch an d’er toestand, meneir, as je fergaite kunt dat se je kind is!—Ik vergeet niets en ik gedoog niet dat u zoo tegen me spreekt.—U staat in main huijs, meneir.—Ik zal weggaan.… Om.… vier uur vertrek ik. Indien je vóór die tijd niet in de Simonstraat bent, boetvaardig, gehoorzaam, beschouw ik je niet langer als me kleinkind.—U!? U bent me Groo’va nie’ meer!De uitroep was een schreeuw van wanhoop, die Maandag bleeker deed worden van deernis. Tegelijk zag hij Geertje om zich heen tasten naar de stoel, met het gebaar van wie gewaarwordt het evenwicht te verliezen; en de oude man met een hatelijk van-zich-zelf-zekere beslistheid grijpen naar zijn hoed. En nu was hij het, die, tegen de deur zich dringend, de oude beletten zou heen te gaan.—Menheer Naikerk, och chot ik versoek je.… Kom Geer, je main et sau niet.…Die meid, in d’er drift van zenuwen, wist ze nie’ meer wat ze dee’! Later zou z’er spijt van hebben.… Het liep[183]anders dan Maandag verwacht had in zijn dagenlang opzien tegen dit bezoek. Zij was anders: uit wrok tegen Oom, want in d’er hart hield ze wel van Groo’va. ’t Kind was op, zóó gejaagd en geplaagd.…Of hij iemand belette in ’t water te springen, zoo hield de dwerg, de handen vlak vóór het achterwaartsche hoofd, houding van een opzittende hond, de rechte lange oude man tegen.—Doe-n-et niet meneer Naikerk, g’lauf me, Geertje meint nie’ wa’ se sait.—Ik was gekomen om haar te helpen. En nog zal ik haar helpen als ze berouw toont. Maar—om vier uur gaat mijn trein.Des langen ouden groote hand beroerde de schouder des bultenaars, die week, en zij opende met vastheid de deur.En Maandag zag Geertje wankelen naar de achterkamer.Hij dribbelde naar zijn schrijftafeltje, vatte de papieren op, legde ze weer neer, liep toen ook naar de achterkamer. Bij de open deur bleef hij staan, hoorde haar achter bij Pietje’s bed, zag op de zijwand de schaduw van haar beweging met een deken. Zou ze?!.… Nu hoorde hij een snik. Verteederd, overtuigd, kwam hij binnen. Bij het zien van de zwangere, ’t waswitte vleesch op het zwart der japon, ging hem door ’t brein wat zij verteld had van het sterven harer moeder. Zij mòest bedaren, ze leek zóó zwak!—Maak je no’ nie’ sau auferstuur!Ruggekromd, het hoofd gedrukt in een tip van een laken, stond zij te huilen dat haar lijf er van schokte. Hij legde troostend zijn hand op haar arm.—Groo’moe, leefde Groo’moe nog maar! beefde de stem door het snikken heen.—Och, je hau ouk well fan je grau’fa. Jullie wiste nie’ meer wa’j zai.… Kom, bedaar, denk an je kindje, vermaande hij.Hij wenschte dat zij de oude man nog zou achterna-gaan[184]maar dorst het haar niet voorstellen. Het mòcht niet zoo blijven tusschen die beiden. Doch hoe deze van zenuwen opgevreten deern de straat op te sturen? Een gedachte doorschoot hem:—Ik wait er wat op!Lusteloos-vragend zagen haar betraande oogen hem aan.—Ik ga na je grau’fa toe.—Nee, och néé?.…—Et mot.… ik ga.Zij was te moe, te ziek, te onverschillig om hem tegen te houden. Wat zou zijn bezoek nog anders geven dan nieuwe ruzie met Oom en Tante? O, die eigengerechtige valscher’s! Tante had Groo’va opgestookt. Naar ’en doorgangshuis, stel je voor! Waarom maar niet ineens na Steenbeek! Niemand geloofde, begreep d’er—als Maandag.… Goeiert, maar over Jan dacht ook hij slecht. Dat de menschen toch maar niet konden begrijpen, dat zij van Jan hield als van d’er man, als van de vader van d’er kind, die in ’er leefde, die ze nóóit kwijt was, zoodat hij van zelf meer voor d’er zijn moest dan Groo’va of dan wie ter wereld.…Zou hij nooit meer denken aan haar?… De kinderen.… Och, die hadhet menschnatuurlijk verboden om ook maar d’er naam te noemen. Kinderen vergeten gauw.… Hartelijke kleine Truus! Had dat kind een andere moeder.… Maar hij! ’s Avonds alleen in de huiskamer.… Hoe dikwijls had hij haar verteld, dat hij, vóór haar komst in huis, ’s avonds en ’s morgens eenzaam zich voelde, ellendig van ongezelligheid in het holle vertrek zijn brood zat te eten. Zou hij daar nu nóóit denken aan haar? „Een geluk als ik niet gekend heb.” ’t Waren zijn eigen woorden geweest. O, hij moest soms terugverlangen, terwijl hij de flesch borg onder-achterin het buffet, voordat ie met z’en zware stap de trap op treuzelde, naar de benauwdheid waar ’tmenschal zoo lang lag.Alshij zich herinnerde;alsook hij verlangen had, maar de móed miste om haar te schrijven.… ’t Kòn wel, hij was zóó gesteld[185]op z’en zaak!.… Moest zij hem dan niet schrijven, en troosten?.… Misschien zou een brief hem boos maken. In zijn angst voor weer-ruzie in huis! Misschien zou hij denken, dat zij zich opdrong. Als ze het tòch maar eens waagde? Eens hem nog schreef en alles hem zei?.… Alles?.… Hij en lange brieven! En ze zou hem zoovéél willen zeggen.… Nee. Enkel: „Ik ben in niets veranderd, ik zal je liefhebben tot aan mijn dood.” Dat ie dit wist, nog eens van haar hoorde, wist, voor altijd, met zekerheid.… Mogelijk dacht hij, dat zij boos was. Wat Maandag zei: dat hij zich moest schámen! Hè, ’t hem te zèggen: lieve Jan, kijk me even góed in de oogen, ’k ben niet boos op je, ’k vin àlles goed, geef me één kus, desnoods voor het laatst.…Nog nat waren haar wimpers van onvoldoend gedroogde tranen, maar in dat vocht fonkelstraalden haar oogen de schoonheid van deze verbeelding tegen. Zij zou hem zien en hij haar omhelzen!Gedachteloos was zij, het laken steeds over zwarten arm en schoot, op den ijzeren rand van Piet’s ledikantje gaan zitten en onwillekeurig vermeed zij het juist opgeschudde bed neer te drukken. De steun volstond haar, de kantigheid van de ijzerrichel deerde haar niet.Toen zij kinderstemmen hoorde, wipte zij veerkrachtig overeind en ging verheugd af op de klank. Zij omhelsde Piet en Mietje met vroolijke hartelijkheid, daar ze voor haar verbeelding Truus en Koos, zijn kinderen, verwelkomde in de zonnige frischheid der van lentelucht doorademde kamer. Verrast, lieten de kinderen zich terstond aansteken door hare blijheid en babbelden de honderd uit. Wanneer zij niet sprak, neuriede zij, en had, onder het haastig beredderen van eten uit de kast, aldoor voor oogen de brief aan hem. Er werkte een nieuw besef in haar, dat zij misschien Hem niet zou zien en waarschijnlijk ook geen brief hem zou schrijven, maar dat dit niets was, zij stelde ’t zich voor en zij had hem ommers lief! Zoo had zij zich als kind getroost, wanneer ze op kermismiddag[186]niet naar de mallemolen mocht. Door huis heen in de eenzame school geslopen, waar ze de orgelmuziek niet kon hooren, speelde ze molenrijden op een punt van een lessenaar, en bij de ontroering van het gevaar, dat zij, grijpend in de lucht naar de in haar verbeelding daar hangende sleutel, vallen zou, bij de vreugd over haar verbeelde victorie, bestond er geen teleurstelling meer.Nu stond zij, een hand op de buikronding, lachend te zien naar Piet’s gulzigheid, en het wàs of ze Koos verzorgde en Jan daar straks over zou spreken, òf over schrijven een lange brief, over de gezondheid der twee en dan wat over „nommer drie”.…Toen Maandag thuiskwam, ontsteld door ’t kijven van Geertje’s tante, die getierd had, dat Geer nog moest waarmaken, wat ze zeggen dorst over Gerrit; zag hij onthutst de groep vóór het open raam. Piet bij „Tante” op schoot en Mietje tegen haar aangedrongen, nauw tusschen stoel en vensterkozijn. Tante was dòl an et vertellen, van een tuinman bij d’er op het durp, die in ’en sloot viel toen-d-ie jonge vogelnesten-dieven achterna zat. Mietje wrong zich naar Oome toe, om ’t hem over te vertellen. En Maandag lachte mee met het kind. Maar toen hij zijn goed had weggehangen, ging hij naar de achterkamer en kwam eerst later voor terug. Geertje merkte ’t wegblijven niet op.[187]
’s Woensdags was zij laat met de bedden. Ze had de tijd verpraat met Maandag, die bij buurvrouw was geweest. Nu moest zij alles doen voor het eten en de bedden lagen er nog. Ze zweette van inspanning en gejaagdheid. Zoo hoog mogelijk had ze de ramen opengerukt aan de voorkant, en met open tusschendeur voor het doorwaaien was ze achter bij open raam bezig.
Toen, in die, haar denken geheel vervullende, prikkelende haast-van-werken, hoorde zij, opeens, Ooms stem; als dingen die vallen zoo duid’lijk de woorden:
—Ja, hier is et. Ga maar binne.
Over Piet’s bedje gebukt, bleef ze staan. Haar hoofd had tot luisteren trillend gezwenkt.
Zij wist, zij wist precies, ineens. Groo’va was er nu met Oom. Door de woningdeur, die zij ook had laten aanstaan voor de frischheid, omdat er een tocht zoog door het traphuis, waren ze in de voorkamer gekomen. Doordat Piet’s bedje tegen de tusschenwand stond, konden zij haar niet zien. Maar daar, daar! achter die openstaande deur, vlak naast haar, aan ’t voeteneind van Piet z’en bedje, daar waren zij.…
Om toch geen gerucht te maken, bleef ze in haar gebogen houding.
Nu was ’t er, nu zou het gebeuren, met Groo’va.
Een paar keer liet ze haar borst op en neer gaan als iemand die op adem moet komen. Zij dacht niet na, z’ onderging een[174]besef: ’t was nu dat ze zou moeten strijden om Hem. Haar driftige ijver voor het huiswerk was gebroken als een zeepbel. Even drong er gelijk iets hinderlijk-tegen-houdends nog door haar bewustzijn: de bedden—’t eten—buurvrouw helpen. Toen—het duurde bij een zóó kort—stapte ze, op het hooren van weer-gestommel in de voorkamer, met kleine haaststappen naar de deur, bleef in bewust spel staan op de drempel, en, koket het hoofdje schuintrekkend tot een uitdrukking van verwondering, liep ze, de hand uitstekend, met een lachje op Grootvader af.
—Groo’va!.…
Hij stond, met Oom ter zijde achter zich, juist op de plek, waar buurvrouw de vorige dag met een—„Nou, ajuus dan”, hoonend op haar had neergekeken. Hij stond en niets bewoog aan hem. Geertje zag de lange smalle lippen pijnlijk vast opeengeklemd en onder zijn doorborende strafblik sloeg zij hare oogen neer, de lach kromp weg van haar gezicht en zij bedacht dat ze, op haar rouwjapon, tegen de stoffigheid van het huiswerk, een bonte schort met gaten had aangedaan, die er nog hing van Maandag’s zuster. Schielijk de linkerhand naar achteren stekend om de strik te openen, wilde zij met de rechter de schort al wegtrekken, maar de strik trok vast en de ijle beweging der rechterhand scheen een strijken over de zwangere buik, als om weg te strijken.
—Ben je alleen? bitste de vermaanstem.
—Ja Groo’va.
—Het tocht hier.
Oom sloot de woningdeur, Geertje de ramen. Ook de tusschendeur ging zij sluiten.
—Gaat u niet zitte? vroeg ze zacht en schraapte naar meer geluid. In een wanhopige zelfteleurstelling voelde ze zich tòch onthutst-doen.
—Is dat wat je me te zeggen hebt, Geertje?
Het was de oude toon van vijandig klinkende berisping, die hardheid, die haar altijd had gekwetst, waarover Groo’moe[175]met zachtheid placht te troosten. Nu was niet Groo’moe er, maar Oom.
—Ik heb u ommers alles geschreven, zei ze, met zekerder stem, koel, strak.
—Heb je Groo’va vergeving gevraagd?
Oom! Die braaf dee, voor ’en wit voetje!.…
Nu had ze haar stem weer geheel, en blozend:
—Heb ù al om vergeving gevraagd?
—Ik? Ik heb me niet laten onteere!
—Nee, ù heb goed opgepast! En voor mijn heb u ook zoo gezorgd! Daarom liep ik laast uw huis uit, toen uw zwager m’en as hoer wou gebruike.…
Groo’va, die zich juìst omgewend en de hand op een stoelleuning gelegd had, strekte die uit met gebiedend gebaar:
—Stilte!
Juist als vroeger op school.
—Laat me met haar alleen, Jan; ik zal de weg naar je huis wel vinden.
Toen Oom was heengegaan, zei Groo’va:
—Ga daar zitten.
Het wàs háár stoel, waarop zij altijd zat, deze dagen; zij ontving Groo’va, in Maandag z’en woning! Hij deed net als thuis tegen stoute jongens, die hij in zijn kamer liet komen na schooltijd. De meester, de berispende meester—anders was hij niet voor haar.
Onverschillig schokte ze neer op de stoel en bleef, de rug naar het raam, de linkerarm zwaar over de hoek van de tafel, de rechter slap op de schoot, voorovergebogen zitten staroogen met botte dofheid.
Een beweging van ongeduld schaduwde over het tafelvlak langs haar. Geduld had Groo’va niet kunnen leeren, in al die jaren van jongens bebrommen.
—Ik wàcht, op wat je te zèggen hebt, Geertje!
Driftig, met sprongetjes, kwam de bedreiging. En nu smakten[176]de lippen. Dat was toch zoo’n malle gewoonte van Groo’va—net iemand, die de soep te zout vindt.
—Zul je nu spreken!?
Hoog was hij vóór haar.
Loom het hoofd heffend, zag zij even hem aan; toen zonk haar blik, als te moe, langs hem neer. En toonloos-koel liet ze vallen:
—Ik heb et u ommers al geschreve.
—Geschreven!?.… Je brief was één weefsel van leugens. Bedrogen heb je me, en al zoo lang! Mij en Oom, zelfs Groo’moe nog! Als die dit had moeten beleven! Niets dan de schand’lijkste zonde en leugen. En dat een kind van zóóveel gebed. Ongelukkige! hebben wij dat aan je verdiend!? Het loon voor zóóveel zorg en liefde. Ons kind onteerd op de schand’lijkste wijs, in een zonde die God het zwaarste straft. Hij wil dat ik oude man zwaar beproefd word. Maar jij bent, behalve aan Hem, mij rekenschap schuldig van je ondankbaar, snood gedrag. Je bent verleid, máár je was geen kind meer! Die man heeft zich op de laagste, de gruwelijkste wijze aan je vergrepen, maar.…
—Die man heb ik lief, en altijd, verstaat u, na me dood nog, ten eeuwige dage, zal ik van ’em houe, dìe màn!.…
Tegenover de hooge bestraffersgestalte, naar haar toe gebogen voor ’t driftig betoog, terwijl de groote, oude handen, de stijfbottige vingers tot haken gekromd, als bij een jood die waren weegt, zenuwachtig trilden vóór ’t lijf, was de daareven ineengezakte plots gestaald van den stoel gerezen, zoodat hij week; en was langs hem gegaan; en stond nu, vrouw, fier op haar vracht, uitdagend van geestdrift in ’t midden der kamer.
Maar haar trots had zij vàn dien oude: hij, op zijn beurt door haar hoogmoed gestoken, in een drift die zich wreken moet, hoonde haar toe:
—Daarom woon je nu hier!
—Wat!? nu hier.…[177]
—Bij een anderen man!
—Groo’va!.…
Zij week, keek ontzet hem aan. Hij! Groo’va! dat hij dàt zei! Het was of er een dofheid uit haar wegzakte, een belemmering van haar bewustzijn week; tot nu toe had ze niet gewéten wat ze zeide en deed en voelde; maar deze pijn werd ze scherp-bewust gewaar: Groo’va, zùlke gemeenheid denkend! Een wirwar van verklarende vermoedens sneed haar door het brein, doch verscherpte slechts het wanhopig besef, dat Groo’va, Groo’va tot zoo iets in staat was. Tegelijk had zij de volle herinnering van haar liefde voor Groo’moe en Groo’va, ’t bewustzijn wàt die liefde was waard geweest; en de gewaarwording der toch-niet-mógelijke waarheid, dat niets daarvan was overgebleven, niets, want Groo’moe was dood, en Groo’va.…
Zoekend naar een steunpunt, was zij naar de wand gewankeld en had zich vastgegrepen aan Maandag’s schrijftafeltje en hurkte in vaag begrip van het ongemakkelijke der houding meer tegen Maandag’s stoeltje aan dan er op.
—U kunt et niet meene, klaagde zij.
Doch opziende zag zij steeds de strafblik, die meedoogenloos streng haar doorboorde.
—De weg der goddeloozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen, bitste ’t haar op kerktoon tegen.
—U weet niet of God mij niet heeft vergeven.
—Ik wéét, dat jij er niet naar geleefd hebt om Zijn vergeving te erlangen! Ik vind je terug in de macht van den Duivel, die den dwazen leert zich te verhoovaardigen over hun zonden. In den mond des dwazen is eene roede des hoogmoeds; als de hoovaardigheid komt, zal de schande ook komen; bij jou vind ik hoogmoed en schande beide. In ontucht en overspel heb je geleefd en je bedekt het gelaat niet met beide handen! Je tong moest je hebben uitgerukt, liever dan prat te gaan op je zonde als in die woorden tegen mij. Ik heb vertrouwd op je liefde, je deugd; dagelijks heb ik voor je gebeden; de laatste woorden van Groo’moe prevelden een[178]gebed voor jou. En jij maakte ons allen te schande. Op het gruwelijkst heb je gezondigd tegen den Hemel en tegen ons. En dan.… durf jij.… lichtzinnige.… slet, mij vragen of ik méén wat ik zeg?
Hij was, toen zij langs hem heen gegaan was, vóór de kamerdeur blijven staan, en, de eene hand aan de knop, als bevreesd dat zij hem zou ontvluchten; met de rechter, breed uitgespreid, gebarend als in de kerk bij het lezen; had hij gestrafpredikt tegen haar—wel toornig, doch met zóóveel bijbelsch’, dat het Geertje volkomen te moede was geworden, als vroeger thuis onder zijn vermanen.… Tot nu, bij de allerlaatste woorden, hij, de deur loslatend, op haar toetrad, en die woorden zelf, de toon van zijn stem, een zooveel inniger gramschap uitten, dat zij angstig hem naderen zag, de oogen in vrees naar die hand, die groote, beweeglijk-zware rechterhand.… Zij wist weer; een dag toen zij twaalf jaar was, een snikheete Woensdag na de school; met de jongens was ze meegeloopen, om de bijenkorven te zien bij Kroon, en juist toen ze weg zou gaan, werd ze gestoken.… Huilende thuiskomend, zag ze Groo’va vol ongeduld uitkijkend vóór het huis. In haar schreien hikte ze ’t uit van de korven, en dat een bij haar had gestoken.
—Waar ben je dan geweest?
—Bij Kroon.…
En pats—de groote hand om haar hoofd, juist op de pijnlijke plek een slàg!.…
Haar woede, haat was zij nooit vergeten. Evenmin het gesprek tusschen Groo’moe en Groo’va, waar ze wel haar pijn voor vergat: Groo’moe hèm zijn drift verwijtend:—„Bedenk wat je bij Jan d’er mee hebt bereikt!” Het kind, onzichtbare getuige, wist die woorden voor haar leven. En voor haar leven aanzag zij die rechterarm als het „wrekende zwaard” van Groo’va’s toorn.
De vuist was gebald, nu, de arm bleef stil. Geertje zag: hij wilde een antwoord.[179]
—Omdat u dàt niet van me kùnt denke! Dàt heeft tante Riek u gezeid, die zelf gemeen is, net as d’er broer.…
—Zwijg, ik verkies zulke taal niet te hooren. Maar als ik me vergis, verklaar je. Hoe kom je hier en waar is die man?
—Maandag? uit. Maar dacht u hèusch?
Weer voer zij op.
—Wéét u, waarom ik hier ben, Groo’va? ’k Mòest weg bij Oom om tante d’er broer, omdat die gemeenert me nazat. Weet u dat? Hebbe z’u dat gezeid?
—Och, ik duizel van al die slechtheid, zóóveel verdorvenheid en zonde. Maar al moest je dáár weg, waarom ben je nu hier?
Geertje zweeg, ze hoord’ een gerucht. Afleiding kwam er voor Groo’va zijn gramschap.… Ja! De deur ging open.…
—Meneer!.… Groo’va is d’er.… Zegt u nu da’lek.… Dat is Groo’va. En meneer Maandag.… Zegt ù an Groo’va, waarom ik hier ben!
Beurtelings had zij naar Maandag en Groo’va gekeken. En in haar gespannen hoop op de vernietiging van Groo’va’s griezelig wantrouwen, was haar de verzachting van zijn blik niet ontgaan, de kalmeerende verwondering, toen daar stond een dwerg met een bult.
—Groo’va, riep ze in hartstocht’lijke ijver, denkt er kwaad van dat ik hier ben.… Omdat u alleen woont, verklaarde ze, zachter.
—No’ je graufader m’en gesien he’t, zal-d-ie wel nie’ meer bang van me sain!
Onder Geertje’s eerste spreken, zóó toen ze zei dat Groo’va d’er was, had Maandag, met zijn gewone breede deurzwaai binnengekomen, in een haast van schrik de deur gesloten; ontsteld, had hij de stoffig-vale flambard gerukt van de warrig-lange haren; en het hoofd, dat dwaas-uitdagend achterover op de schouders placht te liggen, had verdwaasd gedraaid; toen had het lichaampje gebogen.… Maar Geertje had méér gezegd: van die verdenking: en onder deze hoon was alle ontsteltenis als gestold in het kleine zenuwwezen. En met vreemde drukdoenerij,[180]gelijk iemand die wordt aangehouden in bezigheid, was hij gedribbeld naar het schrijftafeltje en had er met hooggeheven arm lange papieren getrokken uit een binnenzak van zijn overjas; en toen, onder het gaan naar de kapstok, bleef hij plots staan, en snerpte die woorden, strak, heel kalm, als onverschillig:—No’ je graufader m’en gesien he’t.…
Geertje kneep zich het hoofd tusschen de vingers. Zij wist niet, al dit verschrikkelijke.… Was Groo’va nu verlegen met zijn argwaan? Hij stond onbewegelijk; zeide niets, haar een raadsel, gelijk zoo vaak. Maar toch was hij haar grootvader en die goede Maandag had hij beleedigd. Arme Maandag, kijk hij daar nu scharrelen moeten om bij de lage kapstok te komen. God! wat had-ie daar net gezeid! Nou begreep ze-n-et, God nog-es-toe, dat ’en mensch d’er toe komen kon om zoo iets van z’en eigen te zeggen!.… En ’t was Groo’va z’en schuld en van Oom, o! ze háátte àl d’er familie!
Zij was op Maandag’s stoel bij het raam neergevallen. Maandag, zich omwendend, zei tot Groo’va:
—Gaat u nie’ sitte?
En Groo’va deed het.—’k Geloof, dat hij zijn onrecht inziet, dacht Geertje.
Maandag trok zijn stoeltje van vóór de schrijftafel bij.
—Wil je Graufa niet ie’s gebruyke, Geer?
—Wil u wat gebruike, Groo’va?
Nu verhief zich het oude bleeke hoofd en de booroogen staarden Maandag aan.
—Ik ben met andere bedoelingen gekomen dan uw gastvrijheid te vragen, m’enheer. En schoon ik bemerk, dingen gevreesd te hebben, waarvoor geen grond schijnt te bestaan, u zult begrijpen dat ik niet hier ben om te eten of te drinken. In welken staat vind ik mijn kleinkind! En in welke gemoedsstemming! Het eerste woord van berouw moet nog over haar lippen komen. Reeds is ze verhard in het kwaad. En wat doet ze hier, bij u?.… Ik verwijt u niets, ik verdenk u van niets. Ik neem aan, dat u de gevallene uit medelijden in uw[181]huis hebt genomen. Maar gaf het pas? Waarom deze schuilplaats? Om mij te misleiden—verheimelijking, leugen. Na de grootere zonde nog deze!.… U zult me ten goede houden, m’enheer, u danken voor uw gastvrijheid kan ik niet. En jij, Geertje, pak je goed. M’enheer wil me wel een rijtuig bestellen. Hoe eer we van hier vertrekken, hoe beter.
—’En rijtuig bestelle, waar wilt u dan heen?
—Dat.… zul je zien. Doe wat ik zeg.
Altijd de meester, of-ie tegen een kind sprak! Geertje voer op, ze hijgde van kwaadheid. Zijn laatste woorden benauwden haar, of ze voor de borst was gestooten.
—Maar.… ik kan hier zóó niet weg!.…
Zij hoorde zich huilen in haar stem, ’t maakte haar nog woedender. Grootvader had zijn stoel achteruitgezet en was lipsmakkend opgestaan, juist als bij menig avondgesprek thuis, wanneer hij met een: „ik wil er niets meer van hooren”, een eind had gemaakt aan haar gepraat over Rotterdam. En tusschen de twee vijandig-staanden zat de kleine Maandag en nòg schielijker draaide, schuw naar hen ziend, het achterover liggende hoofd tusschen de hooge schouders.
—Ik kan uw ferlange wel billaike, sprak hij, om Geertje nau bai u thuys te hebbe, às et kan, as Geertje will.…
—Zoudt u me nu aan een rijtuig willen helpen?
—Maar Geertje mot eerst toch d’er koffer pakke!
—Doe dat dan, gebood Groo’va hoog.
—Och ik kan hier toch zóó nie’ weg, de bedde ben nog niet eens aan kant!.… Weet nicht Betje dat ik mee kom? aarzelde zij, steeds de hand aan de stoel.
Hij stoof uit:
—Zul je doen wat ik zeg?!.… Je gáát niet naar nicht Betje toe.
—Wat! Wat bedoelt u?.… Wat wilt u dan?
—Je gaat naar een doorgangshuis. Daar kun je je tijd afwachten.
—Hè!.…[182]
Haar stoel sloeg omver langs het raamkozijn. Zij liet hem liggen, trapte er tegen, wist niets met haar handen te grijpen, deinsde omdathijdicht vóór haar was. Al haar voelen was smaadbesef.Hij, hij, Groo’va, net als Tante, ’en slet was ze in hun oogen, ’en slet.
—U weet dat ik meerderjarig ben, hè? Dat ik doen kan wat ik wil. Gelukkig da’k et net ben geworde! Anders in ’en doorgangshuis. Net as ’en gemeene meid! Jonge, Groo’va, wat christelek! Thuis verpleegd worde, kan je begrijpe! Al die schande voor et dorp! Nou m’ar, na zoo’n inrichting ga-n-ik ook niet, hoort u! ’k Heb u nie’ noodig! Gaat u m’ar weg! Bij zoo’n slet, hoe kunt u nog blijve!
—Meid!.…
Maar kleine Maandag, opgevaren, hield den vuistballenden bedreiger tegen.
—Denk dan tuch an d’er toestand, meneir, as je fergaite kunt dat se je kind is!
—Ik vergeet niets en ik gedoog niet dat u zoo tegen me spreekt.
—U staat in main huijs, meneir.
—Ik zal weggaan.… Om.… vier uur vertrek ik. Indien je vóór die tijd niet in de Simonstraat bent, boetvaardig, gehoorzaam, beschouw ik je niet langer als me kleinkind.
—U!? U bent me Groo’va nie’ meer!
De uitroep was een schreeuw van wanhoop, die Maandag bleeker deed worden van deernis. Tegelijk zag hij Geertje om zich heen tasten naar de stoel, met het gebaar van wie gewaarwordt het evenwicht te verliezen; en de oude man met een hatelijk van-zich-zelf-zekere beslistheid grijpen naar zijn hoed. En nu was hij het, die, tegen de deur zich dringend, de oude beletten zou heen te gaan.
—Menheer Naikerk, och chot ik versoek je.… Kom Geer, je main et sau niet.…
Die meid, in d’er drift van zenuwen, wist ze nie’ meer wat ze dee’! Later zou z’er spijt van hebben.… Het liep[183]anders dan Maandag verwacht had in zijn dagenlang opzien tegen dit bezoek. Zij was anders: uit wrok tegen Oom, want in d’er hart hield ze wel van Groo’va. ’t Kind was op, zóó gejaagd en geplaagd.…
Of hij iemand belette in ’t water te springen, zoo hield de dwerg, de handen vlak vóór het achterwaartsche hoofd, houding van een opzittende hond, de rechte lange oude man tegen.
—Doe-n-et niet meneer Naikerk, g’lauf me, Geertje meint nie’ wa’ se sait.
—Ik was gekomen om haar te helpen. En nog zal ik haar helpen als ze berouw toont. Maar—om vier uur gaat mijn trein.
Des langen ouden groote hand beroerde de schouder des bultenaars, die week, en zij opende met vastheid de deur.
En Maandag zag Geertje wankelen naar de achterkamer.
Hij dribbelde naar zijn schrijftafeltje, vatte de papieren op, legde ze weer neer, liep toen ook naar de achterkamer. Bij de open deur bleef hij staan, hoorde haar achter bij Pietje’s bed, zag op de zijwand de schaduw van haar beweging met een deken. Zou ze?!.… Nu hoorde hij een snik. Verteederd, overtuigd, kwam hij binnen. Bij het zien van de zwangere, ’t waswitte vleesch op het zwart der japon, ging hem door ’t brein wat zij verteld had van het sterven harer moeder. Zij mòest bedaren, ze leek zóó zwak!
—Maak je no’ nie’ sau auferstuur!
Ruggekromd, het hoofd gedrukt in een tip van een laken, stond zij te huilen dat haar lijf er van schokte. Hij legde troostend zijn hand op haar arm.
—Groo’moe, leefde Groo’moe nog maar! beefde de stem door het snikken heen.
—Och, je hau ouk well fan je grau’fa. Jullie wiste nie’ meer wa’j zai.… Kom, bedaar, denk an je kindje, vermaande hij.
Hij wenschte dat zij de oude man nog zou achterna-gaan[184]maar dorst het haar niet voorstellen. Het mòcht niet zoo blijven tusschen die beiden. Doch hoe deze van zenuwen opgevreten deern de straat op te sturen? Een gedachte doorschoot hem:
—Ik wait er wat op!
Lusteloos-vragend zagen haar betraande oogen hem aan.
—Ik ga na je grau’fa toe.
—Nee, och néé?.…
—Et mot.… ik ga.
Zij was te moe, te ziek, te onverschillig om hem tegen te houden. Wat zou zijn bezoek nog anders geven dan nieuwe ruzie met Oom en Tante? O, die eigengerechtige valscher’s! Tante had Groo’va opgestookt. Naar ’en doorgangshuis, stel je voor! Waarom maar niet ineens na Steenbeek! Niemand geloofde, begreep d’er—als Maandag.… Goeiert, maar over Jan dacht ook hij slecht. Dat de menschen toch maar niet konden begrijpen, dat zij van Jan hield als van d’er man, als van de vader van d’er kind, die in ’er leefde, die ze nóóit kwijt was, zoodat hij van zelf meer voor d’er zijn moest dan Groo’va of dan wie ter wereld.…
Zou hij nooit meer denken aan haar?… De kinderen.… Och, die hadhet menschnatuurlijk verboden om ook maar d’er naam te noemen. Kinderen vergeten gauw.… Hartelijke kleine Truus! Had dat kind een andere moeder.… Maar hij! ’s Avonds alleen in de huiskamer.… Hoe dikwijls had hij haar verteld, dat hij, vóór haar komst in huis, ’s avonds en ’s morgens eenzaam zich voelde, ellendig van ongezelligheid in het holle vertrek zijn brood zat te eten. Zou hij daar nu nóóit denken aan haar? „Een geluk als ik niet gekend heb.” ’t Waren zijn eigen woorden geweest. O, hij moest soms terugverlangen, terwijl hij de flesch borg onder-achterin het buffet, voordat ie met z’en zware stap de trap op treuzelde, naar de benauwdheid waar ’tmenschal zoo lang lag.Alshij zich herinnerde;alsook hij verlangen had, maar de móed miste om haar te schrijven.… ’t Kòn wel, hij was zóó gesteld[185]op z’en zaak!.… Moest zij hem dan niet schrijven, en troosten?.… Misschien zou een brief hem boos maken. In zijn angst voor weer-ruzie in huis! Misschien zou hij denken, dat zij zich opdrong. Als ze het tòch maar eens waagde? Eens hem nog schreef en alles hem zei?.… Alles?.… Hij en lange brieven! En ze zou hem zoovéél willen zeggen.… Nee. Enkel: „Ik ben in niets veranderd, ik zal je liefhebben tot aan mijn dood.” Dat ie dit wist, nog eens van haar hoorde, wist, voor altijd, met zekerheid.… Mogelijk dacht hij, dat zij boos was. Wat Maandag zei: dat hij zich moest schámen! Hè, ’t hem te zèggen: lieve Jan, kijk me even góed in de oogen, ’k ben niet boos op je, ’k vin àlles goed, geef me één kus, desnoods voor het laatst.…
Nog nat waren haar wimpers van onvoldoend gedroogde tranen, maar in dat vocht fonkelstraalden haar oogen de schoonheid van deze verbeelding tegen. Zij zou hem zien en hij haar omhelzen!
Gedachteloos was zij, het laken steeds over zwarten arm en schoot, op den ijzeren rand van Piet’s ledikantje gaan zitten en onwillekeurig vermeed zij het juist opgeschudde bed neer te drukken. De steun volstond haar, de kantigheid van de ijzerrichel deerde haar niet.
Toen zij kinderstemmen hoorde, wipte zij veerkrachtig overeind en ging verheugd af op de klank. Zij omhelsde Piet en Mietje met vroolijke hartelijkheid, daar ze voor haar verbeelding Truus en Koos, zijn kinderen, verwelkomde in de zonnige frischheid der van lentelucht doorademde kamer. Verrast, lieten de kinderen zich terstond aansteken door hare blijheid en babbelden de honderd uit. Wanneer zij niet sprak, neuriede zij, en had, onder het haastig beredderen van eten uit de kast, aldoor voor oogen de brief aan hem. Er werkte een nieuw besef in haar, dat zij misschien Hem niet zou zien en waarschijnlijk ook geen brief hem zou schrijven, maar dat dit niets was, zij stelde ’t zich voor en zij had hem ommers lief! Zoo had zij zich als kind getroost, wanneer ze op kermismiddag[186]niet naar de mallemolen mocht. Door huis heen in de eenzame school geslopen, waar ze de orgelmuziek niet kon hooren, speelde ze molenrijden op een punt van een lessenaar, en bij de ontroering van het gevaar, dat zij, grijpend in de lucht naar de in haar verbeelding daar hangende sleutel, vallen zou, bij de vreugd over haar verbeelde victorie, bestond er geen teleurstelling meer.
Nu stond zij, een hand op de buikronding, lachend te zien naar Piet’s gulzigheid, en het wàs of ze Koos verzorgde en Jan daar straks over zou spreken, òf over schrijven een lange brief, over de gezondheid der twee en dan wat over „nommer drie”.…
Toen Maandag thuiskwam, ontsteld door ’t kijven van Geertje’s tante, die getierd had, dat Geer nog moest waarmaken, wat ze zeggen dorst over Gerrit; zag hij onthutst de groep vóór het open raam. Piet bij „Tante” op schoot en Mietje tegen haar aangedrongen, nauw tusschen stoel en vensterkozijn. Tante was dòl an et vertellen, van een tuinman bij d’er op het durp, die in ’en sloot viel toen-d-ie jonge vogelnesten-dieven achterna zat. Mietje wrong zich naar Oome toe, om ’t hem over te vertellen. En Maandag lachte mee met het kind. Maar toen hij zijn goed had weggehangen, ging hij naar de achterkamer en kwam eerst later voor terug. Geertje merkte ’t wegblijven niet op.[187]
[Inhoud]V.Zijn angst over haar verminderde niet, de volgende dagen, toen zij kalm bleef. Soms begreep hij niets van haar doen, talmde ’s morgens met het uitgaan, voelde zich, eenmaal buiten en in zijn werk, bevrijd van een druk; doch werd dan opgeschrikt door de gedachte, met zelfverwijt, of haar niets zou zijn overkomen. Alles en iedereen werkte tegen. Buurvrouw groette met norsche hoofdknik, zei ook tegen de kinders geen woord. Willems, de inspecteur van politie, twee huizen verder, die hij kende sinds jaren en jaren, die hem kende, wist van zijn zuster, wist van alles wat hem betrof, altijd hulpvaardig met inlichtingen, had hem aangeklampt met lachje van verwonderde spot:—„Wat vertelle ze nou toch van je?” en was doorgeloopen met een:—„’k Zou me nog maar ’is bedenke, je weet, man, hoe de mense zijn, as ze wat van je wete, nou!”.… In die vijandschap liet hij haar achter, liepen de kinderen rond, en dan.… er bleef niemand om voor haar te zorgen, straks, wanneer het gebeuren ging. Al deze dingen kwamen bij verrassing, liepen, zooals je niet kòn verwachten, beangstigden heftig het fijne verantwoordelijkheidsgevoel van den zenuwachtigen eenzaamling. Hij hàd er een grapje van gemaakt, waar Geertje dankbaar om had gelachen;—„Ik wil ook wel ’es ’en kinderjuf in m’en huis hebbe, waarom ik niet, zoo goed as ’en ander?” maar aan een langdurig verblijf van haar had hij zoo min gedacht als zij. Nu lei het er toe, hij zag geen uitweg—èn als de zorg voor de kinders, de bezorgdheid over haar, in deze omstandigheden,[188]met wat er, den toestand ingewikkelder makend, bij kwam, hem niet zoo zwaar gevallen waren, zou hij het toeval hebben gezegend. Want wat een vroolijke hartelijkheid lachte er plotseling in zijn woning! Maar het was een angstig geluk. Geer’s vroolijkheid mòest overspanning zijn. Soms vreesde hij voor louter komedie. Eens nam hij bij de Beurs de tram, hij die nooit tramde uit zuinigheid, voortgejaagd door een onreed’lijke vrees, dat ze zich zou hebben verdaan. Onder ’t eten, met de kinders, had zij eerst allerlei grappigs gezeid en toen opeens was ze stil geworden, nadat hij had gezien, hoe haar gezicht vertrok. ’t Moest ommers kemedie zijn. Een arme ziel van ieder verlaten, die d’er eer, d’er leven had weggesmeten voor ’en ellendeling, nu nog op de vent verliefd, van wie ze natuurlijk nooit meer iets merkte. De eenige die ze nog had, d’er Groo’va, laat er ook los en haar maakt dat blij, sedert die dag, dat uur, dee’ ze vroolijk. Even had hij gedacht aan ongevoeligheid, de opzettelijke verharding, waarin gevallen meisjes zich trachten te troosten met d’er trots. Maar dat kon ’t toch niet zijn van Geer! Dan weer overlegde hij, dat ze zoo deed om hem te plezieren, hem te beloonen voor z’en gastvrijheid, nu ze langer bij hem bleef. Maar opzettelijk-lief-zijn en Geer!.… Nee, het moest kemedie zijn, kemedie ook tegen d’er eigen zelf, een zich dwingen, een willen vergeten.… en die toestand bracht meestal tot wanhoop. Griezelend dacht Maandag dan wéder aan zelfmoord, of aan gevaar voor krankzinnigheid.Maar thuis komende hoorde hij de eene keer al op de trap haar neuriën; een ander maal vond hij haar voor het raam van de achterkamer, geheel verdiept in verstelwerk waarvan een stapel naast haar lag op een stoel, of ze boende de kinderen, lief, blij-zorgzaam—als een moeder.…En telkens weer onderging hij dezelfde verbijsterende ontroering, de gewaarwording van niet-kunnen-gelooven, als toen hij, geheel van streek door de ruzie in de Simonstraat, bedeesd, bevreesd om haar daarvan te spreken, haar had gevonden[189]als de vrouw, die aan de kinders, zijn arme weesjes, gaf wat de stumpers steeds hadden ontbeerd.De gansche dag haastte hij zich met zijn werk. Hij, met wiens stiptheid wel werd gespot, lichtte er nu het handje mee, en, wat hij altijd fier had vermeden te doen, hij sprak andere berichtgevers aan, om de dingen te weten te komen.Nu Geer er was, hoefde hij de sleutel niet bij buurvrouw te brengen, wanneer hij ’s avonds uitging. Maar nooit had zijn woning deze gezelligheid gekend en zooveel mogelijk bleef hij thuis. Geregeld kreeg hij zijn koffie en thee, den kinders ontbrak het niet meer aan iets en precies op tijd lagen die in bed. Dan week welhaast het nagevoel van het stage leed over zijn zuster, dat leed als een rouw die men niet overleeft. Dan trilde zijn wezen onder de gewaarwording van zooveel knusse gezelligheid rondom hem, zat hij met snel-knippende straaloogen meer te soezen dan te werken aan zijn schrijftafeltje, bij de kaars, die Geer er „verzonnen” had. En op haar vraag:—„Wil u daar uw thee?” zei hij telkens gretig:—„Ik kom.”Doch later alleen, wanneer zij naar bed was, werd hij weer aangegrepen door vrees. Het kwam niet in hem op, dat voor haar dit zijn hier was als een slaapwandelen, dat haar wezenlijk leven elders verliep—en haar doen van de gansche avond bleef hem een raadsel, zoet.… máár angstig!.…[190]
V.
Zijn angst over haar verminderde niet, de volgende dagen, toen zij kalm bleef. Soms begreep hij niets van haar doen, talmde ’s morgens met het uitgaan, voelde zich, eenmaal buiten en in zijn werk, bevrijd van een druk; doch werd dan opgeschrikt door de gedachte, met zelfverwijt, of haar niets zou zijn overkomen. Alles en iedereen werkte tegen. Buurvrouw groette met norsche hoofdknik, zei ook tegen de kinders geen woord. Willems, de inspecteur van politie, twee huizen verder, die hij kende sinds jaren en jaren, die hem kende, wist van zijn zuster, wist van alles wat hem betrof, altijd hulpvaardig met inlichtingen, had hem aangeklampt met lachje van verwonderde spot:—„Wat vertelle ze nou toch van je?” en was doorgeloopen met een:—„’k Zou me nog maar ’is bedenke, je weet, man, hoe de mense zijn, as ze wat van je wete, nou!”.… In die vijandschap liet hij haar achter, liepen de kinderen rond, en dan.… er bleef niemand om voor haar te zorgen, straks, wanneer het gebeuren ging. Al deze dingen kwamen bij verrassing, liepen, zooals je niet kòn verwachten, beangstigden heftig het fijne verantwoordelijkheidsgevoel van den zenuwachtigen eenzaamling. Hij hàd er een grapje van gemaakt, waar Geertje dankbaar om had gelachen;—„Ik wil ook wel ’es ’en kinderjuf in m’en huis hebbe, waarom ik niet, zoo goed as ’en ander?” maar aan een langdurig verblijf van haar had hij zoo min gedacht als zij. Nu lei het er toe, hij zag geen uitweg—èn als de zorg voor de kinders, de bezorgdheid over haar, in deze omstandigheden,[188]met wat er, den toestand ingewikkelder makend, bij kwam, hem niet zoo zwaar gevallen waren, zou hij het toeval hebben gezegend. Want wat een vroolijke hartelijkheid lachte er plotseling in zijn woning! Maar het was een angstig geluk. Geer’s vroolijkheid mòest overspanning zijn. Soms vreesde hij voor louter komedie. Eens nam hij bij de Beurs de tram, hij die nooit tramde uit zuinigheid, voortgejaagd door een onreed’lijke vrees, dat ze zich zou hebben verdaan. Onder ’t eten, met de kinders, had zij eerst allerlei grappigs gezeid en toen opeens was ze stil geworden, nadat hij had gezien, hoe haar gezicht vertrok. ’t Moest ommers kemedie zijn. Een arme ziel van ieder verlaten, die d’er eer, d’er leven had weggesmeten voor ’en ellendeling, nu nog op de vent verliefd, van wie ze natuurlijk nooit meer iets merkte. De eenige die ze nog had, d’er Groo’va, laat er ook los en haar maakt dat blij, sedert die dag, dat uur, dee’ ze vroolijk. Even had hij gedacht aan ongevoeligheid, de opzettelijke verharding, waarin gevallen meisjes zich trachten te troosten met d’er trots. Maar dat kon ’t toch niet zijn van Geer! Dan weer overlegde hij, dat ze zoo deed om hem te plezieren, hem te beloonen voor z’en gastvrijheid, nu ze langer bij hem bleef. Maar opzettelijk-lief-zijn en Geer!.… Nee, het moest kemedie zijn, kemedie ook tegen d’er eigen zelf, een zich dwingen, een willen vergeten.… en die toestand bracht meestal tot wanhoop. Griezelend dacht Maandag dan wéder aan zelfmoord, of aan gevaar voor krankzinnigheid.Maar thuis komende hoorde hij de eene keer al op de trap haar neuriën; een ander maal vond hij haar voor het raam van de achterkamer, geheel verdiept in verstelwerk waarvan een stapel naast haar lag op een stoel, of ze boende de kinderen, lief, blij-zorgzaam—als een moeder.…En telkens weer onderging hij dezelfde verbijsterende ontroering, de gewaarwording van niet-kunnen-gelooven, als toen hij, geheel van streek door de ruzie in de Simonstraat, bedeesd, bevreesd om haar daarvan te spreken, haar had gevonden[189]als de vrouw, die aan de kinders, zijn arme weesjes, gaf wat de stumpers steeds hadden ontbeerd.De gansche dag haastte hij zich met zijn werk. Hij, met wiens stiptheid wel werd gespot, lichtte er nu het handje mee, en, wat hij altijd fier had vermeden te doen, hij sprak andere berichtgevers aan, om de dingen te weten te komen.Nu Geer er was, hoefde hij de sleutel niet bij buurvrouw te brengen, wanneer hij ’s avonds uitging. Maar nooit had zijn woning deze gezelligheid gekend en zooveel mogelijk bleef hij thuis. Geregeld kreeg hij zijn koffie en thee, den kinders ontbrak het niet meer aan iets en precies op tijd lagen die in bed. Dan week welhaast het nagevoel van het stage leed over zijn zuster, dat leed als een rouw die men niet overleeft. Dan trilde zijn wezen onder de gewaarwording van zooveel knusse gezelligheid rondom hem, zat hij met snel-knippende straaloogen meer te soezen dan te werken aan zijn schrijftafeltje, bij de kaars, die Geer er „verzonnen” had. En op haar vraag:—„Wil u daar uw thee?” zei hij telkens gretig:—„Ik kom.”Doch later alleen, wanneer zij naar bed was, werd hij weer aangegrepen door vrees. Het kwam niet in hem op, dat voor haar dit zijn hier was als een slaapwandelen, dat haar wezenlijk leven elders verliep—en haar doen van de gansche avond bleef hem een raadsel, zoet.… máár angstig!.…[190]
Zijn angst over haar verminderde niet, de volgende dagen, toen zij kalm bleef. Soms begreep hij niets van haar doen, talmde ’s morgens met het uitgaan, voelde zich, eenmaal buiten en in zijn werk, bevrijd van een druk; doch werd dan opgeschrikt door de gedachte, met zelfverwijt, of haar niets zou zijn overkomen. Alles en iedereen werkte tegen. Buurvrouw groette met norsche hoofdknik, zei ook tegen de kinders geen woord. Willems, de inspecteur van politie, twee huizen verder, die hij kende sinds jaren en jaren, die hem kende, wist van zijn zuster, wist van alles wat hem betrof, altijd hulpvaardig met inlichtingen, had hem aangeklampt met lachje van verwonderde spot:—„Wat vertelle ze nou toch van je?” en was doorgeloopen met een:—„’k Zou me nog maar ’is bedenke, je weet, man, hoe de mense zijn, as ze wat van je wete, nou!”.… In die vijandschap liet hij haar achter, liepen de kinderen rond, en dan.… er bleef niemand om voor haar te zorgen, straks, wanneer het gebeuren ging. Al deze dingen kwamen bij verrassing, liepen, zooals je niet kòn verwachten, beangstigden heftig het fijne verantwoordelijkheidsgevoel van den zenuwachtigen eenzaamling. Hij hàd er een grapje van gemaakt, waar Geertje dankbaar om had gelachen;—„Ik wil ook wel ’es ’en kinderjuf in m’en huis hebbe, waarom ik niet, zoo goed as ’en ander?” maar aan een langdurig verblijf van haar had hij zoo min gedacht als zij. Nu lei het er toe, hij zag geen uitweg—èn als de zorg voor de kinders, de bezorgdheid over haar, in deze omstandigheden,[188]met wat er, den toestand ingewikkelder makend, bij kwam, hem niet zoo zwaar gevallen waren, zou hij het toeval hebben gezegend. Want wat een vroolijke hartelijkheid lachte er plotseling in zijn woning! Maar het was een angstig geluk. Geer’s vroolijkheid mòest overspanning zijn. Soms vreesde hij voor louter komedie. Eens nam hij bij de Beurs de tram, hij die nooit tramde uit zuinigheid, voortgejaagd door een onreed’lijke vrees, dat ze zich zou hebben verdaan. Onder ’t eten, met de kinders, had zij eerst allerlei grappigs gezeid en toen opeens was ze stil geworden, nadat hij had gezien, hoe haar gezicht vertrok. ’t Moest ommers kemedie zijn. Een arme ziel van ieder verlaten, die d’er eer, d’er leven had weggesmeten voor ’en ellendeling, nu nog op de vent verliefd, van wie ze natuurlijk nooit meer iets merkte. De eenige die ze nog had, d’er Groo’va, laat er ook los en haar maakt dat blij, sedert die dag, dat uur, dee’ ze vroolijk. Even had hij gedacht aan ongevoeligheid, de opzettelijke verharding, waarin gevallen meisjes zich trachten te troosten met d’er trots. Maar dat kon ’t toch niet zijn van Geer! Dan weer overlegde hij, dat ze zoo deed om hem te plezieren, hem te beloonen voor z’en gastvrijheid, nu ze langer bij hem bleef. Maar opzettelijk-lief-zijn en Geer!.… Nee, het moest kemedie zijn, kemedie ook tegen d’er eigen zelf, een zich dwingen, een willen vergeten.… en die toestand bracht meestal tot wanhoop. Griezelend dacht Maandag dan wéder aan zelfmoord, of aan gevaar voor krankzinnigheid.
Maar thuis komende hoorde hij de eene keer al op de trap haar neuriën; een ander maal vond hij haar voor het raam van de achterkamer, geheel verdiept in verstelwerk waarvan een stapel naast haar lag op een stoel, of ze boende de kinderen, lief, blij-zorgzaam—als een moeder.…
En telkens weer onderging hij dezelfde verbijsterende ontroering, de gewaarwording van niet-kunnen-gelooven, als toen hij, geheel van streek door de ruzie in de Simonstraat, bedeesd, bevreesd om haar daarvan te spreken, haar had gevonden[189]als de vrouw, die aan de kinders, zijn arme weesjes, gaf wat de stumpers steeds hadden ontbeerd.
De gansche dag haastte hij zich met zijn werk. Hij, met wiens stiptheid wel werd gespot, lichtte er nu het handje mee, en, wat hij altijd fier had vermeden te doen, hij sprak andere berichtgevers aan, om de dingen te weten te komen.
Nu Geer er was, hoefde hij de sleutel niet bij buurvrouw te brengen, wanneer hij ’s avonds uitging. Maar nooit had zijn woning deze gezelligheid gekend en zooveel mogelijk bleef hij thuis. Geregeld kreeg hij zijn koffie en thee, den kinders ontbrak het niet meer aan iets en precies op tijd lagen die in bed. Dan week welhaast het nagevoel van het stage leed over zijn zuster, dat leed als een rouw die men niet overleeft. Dan trilde zijn wezen onder de gewaarwording van zooveel knusse gezelligheid rondom hem, zat hij met snel-knippende straaloogen meer te soezen dan te werken aan zijn schrijftafeltje, bij de kaars, die Geer er „verzonnen” had. En op haar vraag:—„Wil u daar uw thee?” zei hij telkens gretig:—„Ik kom.”
Doch later alleen, wanneer zij naar bed was, werd hij weer aangegrepen door vrees. Het kwam niet in hem op, dat voor haar dit zijn hier was als een slaapwandelen, dat haar wezenlijk leven elders verliep—en haar doen van de gansche avond bleef hem een raadsel, zoet.… máár angstig!.…[190]
[Inhoud]VI.Eén avond begon zij over Jan.Maandag had zijn pijp gestopt, en zich door haar een grog van jenever doen maken. Dat was nu zijn weelde, zijn stoutigheid. De kinders naar bed, rust in de woning, diep beneê het rumoer van de straat. Geen vergadering, thuis kunnen blijven en vóór het raam, bij zijn pijp, een grog. ’t Was een zaligheid, hem op-eenmaal beschoren, gezellige kalmte, huiselijkheid. Buurvrouw had Piet straks op de trap aangeroepen om een lampje van haar te brengen naar de blikslager in de Aert-van-Nes en de boodschap met twee centen beloond. Maandag wilde er een teeken van toenadering in zien, was naar buiten geloopen, had bedankt met protest: als Piet dàt nog niet voor Juffrouw Tabbe kon doen.… Vredigheid, althans een niet dènken aan ruzie; en de schemer was zoo mooi.… Geertje, knus voortzorgend, breide een voet aan.…Toen verschrikte zij hem met die vraag over Jan. Het breien stakend, de armen in de schoot, boog zij zich, keek hem aan over tafel. Maar onmiddellijk richtte zij zich weer op van dit bespieden:—Nee! zegt u niks, zegt u liever niks, ’k zie het al aan uw gezicht!Herhaaldelijk had Maandag aangedrongen, dat zij niet meer zou u-en, meneer-en; nu deden, in zijn verrast-zijn, die u’s hem pijn. Maar zijn verlegenheid werd verlicht, doordat zij niet droevig keek, glimlachte. In ééne slok leegde hij zijn glas.—Nog een make? lachte zij, opstaand.[191]—Neeë, no’ já, voor disse keer.Toen zij hem het glas gebracht had, ging zij naar de kinderen kijken en terugkomend stak zij de lamp aan. Op dat oogenblik werd er beneden gebeld—drie malen, het was voor hem.—De pos’!Dagelijks belde de post voor Maandag, voor niemand in huis zoo vaak als voor hem. Maar deze keer schrikten beiden op; hij, in zijn stâge gespannenheid, nog ontrust door Geertje’s vraag; zij, de-dag-dóór in een koorts-van-gedachte, waarmee ze, plots helder, was ontwaakt: dat, nu zij niet schreef aan Jan, God hem misschien zou neigen tot schrijven. ’n Wonder! àls daar nu zijn brief was.…Zij wilde naar beneden ijlen, doch Maandag hield haar tegen, ging. Toen, alleen, aan zichzelve gelaten, in die seconden eindeloos-makende afwachting der nu opeens gekómen vervulling van het verlangen waarop zij leefde, besefte zij slechts dat zij moest bidden, danken-en-bidden, zij wist niet hoe, maar God achtte de woorden niet—zij had Hem gesmeekt, Hem had zij ’t gevraagd, en Hij die Genade is had haar verhoord. ’t Kwàm! God wou het! Jan had haar nog lief.…—Ja! fo’ jau!Haar vindend: overeind; gebogen leunende tegen de tafel; een witte hand, enkel pees en zenuw, in een klauwvormige vingerspreiding van radeloos steunzoeken geklampt aan het donk’re dofglanzige zeil; de linkerhand en de benedenarm tegen de buik, om die op te houden; de mooie angstoogen vlammend hem tegen, als zogen ze ’t antwoord naar zich toe; dacht hij niet anders, of eindelijk brak de ingebeelde hardheid tegen haar grootvader, en gretig-troostend stak hij de brief toe, waarop hij beneden de stempel van haar dorp had onderscheiden. Het feit op zichzelf, dat de oude schreef, was immers al toenadering.Maar met-een:—Geer!! Chot! p’s op! Geer, u’chot, maid.…[192]Langs de tafel was zij gegleden en achteruit langs haar stoel, waartegen zij lag, nu. De oogen half-open, maar als bij een doode. Toch ademde zij. Neen, dood was zij niet.Een oogenblik stond hij ontzet, onmachtig, slechts bewust van het leed, dat hij haar niet had tegengehouden. Nooit had hij een bezwijmde gezien, wel zijn zuster, zoo liggend, van drank, ook hier, de kinders schreiend ervóór. Die herinnering flitste door zijn verwarring, verinnigde zijn meelij met Geertje. Zij zat op de vloer en haar bovenlijf, schuin liggend, leunde tegen de stoel; haar hoofd had gelukkig de rand niet geraakt, het lag nu voorover, scheef gedoken. Hij wist niet wat het eerst te doen. Geen oogwenk dorst hij haar alleen laten. Terwijl hij vóór haar heen wilde gaan, verwarde zijn voet in een plooi van haar rok, was hij bijna over haar gestruikeld; en het bewustzijn van zijn onredzaam bewegen verheftigde de angst in zijn aansprakelijkheidsgevoel. Toen hij water voor haar wilde krijgen, bedacht hij dat zij op zij zou kunnen wegglijden onder de tafel, het hoofd stootend aan de onderkant. Schielijk dribbelde hij weer voor haar heen, nam de dingen op tafel er ijlings af—een kopje van het theeblad, omvallend, deed hem schrikken, maar Geertje had niet verroerd—, zette ze inderhaast maar op de vloer, en nam met een zenuw-vastheid-van-hand, in een opperspanning van zijn luttele kracht, de tafel op, liet behoedzaam haar kantelen, zoodat het vlak vertikaal tegen Geertje aankwam. Toen nam hij een kopje, liep om water, bracht vocht aan haar lippen, besprenkelde de slapen:—zij zuchtte. Hij ijlde naar zijn bedstee, trok er een deken uit, nam het kussen; de deken spreidde hij langs het tafelvlak, het kussen duwde hij aan de andere zij tegen haar rug. En weer sprenkelde hij water, maakte zijn zakdoek nat, hield die tegen haar polsen, bette de slapen. Een zachtere zucht en steeds bleef zij roerloos. Nu waren de oogen geheel gesloten. Een zweetdroppel viel van zijn voorhoofd in haar nek, onder het oor. Ach, zij had van niets besef!—De gewaarwording dier volslagen onmacht van het fiere, lichtkwetsbare[193]meisje maakte hem nog meer onthutst; hulp moest hij hebben, hij kon niet met haar alleen blijven. In zijn haastigheid had hij het theeblad, zijn tabakspot, zijn glas, van de tafel juìst vóór de deur gezet; die dingen moest hij wegschuiven; toen, even nog gekeken naar haar, en ijlings sloop hij de duistere trap af.Op zijn tikken bij Buurvrouw geen antwoord krijgend, opende hij de deur en, zich op zijn geruchtlooze pantoffels als een insluiper voelend, kuchte hij, een snerp-kuch, heesch door zijn ontsteltenis. Toen keken ze op, in de verlichte achterkamer, buurvrouw en de nicht, de kamenier van de Eendrachtsweg, die bij haar te gast was. Tabbe zat, zijn stoel afgewend, te slapen.—Maandag.…? Wat hew we nau?Hij hoorde wel de gewilde verbazing in buurvrouws permantig-beschermende toon; hij voelde zich daar, nog in het donker van het, properheid en welvaart uitglimmende, voorvertrek, staan als de man die een gunst komt vragen, maar hij was overtuigd dat buurvrouw zou meegaan en zei wat er was, schielijk, dringend met haast. Tabbe ontwaakte, terwijl Maandag sprak, keek voorgewend-uitdagend om:—Wàt is-t-er?—Die frauw die bai Maandag is mot befalle.—Ja da’ wwaite we!—’t Schaint dat et no’ saufer is.Maandag verklaarde dit niet te gelooven. ’t Was nog de tijd niet voor de bevalling. Maar Geertje had zich opgewonden.—’k Will ut jullie well alles fertelle. ’k Will d’er we’ graag us aufer spreke. D’er wurde glauf ik dinge gedacht.… M’ar ’k smeek je, jefrau, ga eers’ mee.…—Ja ma’r zeg us, gelukkige fader, m’en frau is geen froetfrau haur!.…De vrouwen lachten, een spottige lollach, maar Maandag, gemoedelijk-doortastend, trok buurvrouw bij de arm.—Maak no’ tuch fort.…Zij stond op, haar nicht eveneens. Tabbe riep nog een[194]grap achterna, waar de vrouwen op de trap over smoesden, heur lachen verstikkend in de hand. Maandag, wel bang, was maar blij, dat buurvrouw niet boos bleek. Geruchtloos opende hij de deur. In het lichaam geen verandering. Als een ontroering van ontzettende smart doorvlijmde hem de gedachte, dat zij dood zou zijn of stervend. Toen hij zich even over haar bukte, brak het zweet weer uit in zijn nek, aan zijn slapen; en snel hief hij zich overeind, wendde zich af, veegde zich ook vocht uit de oogen.—Man je mott’er iemand bij hale, zei luid, zoodat hij ervan schrikte, de kamenier.Goediger, buurvrouw daarop, half-luid:—Eerst mo’ we de’r daar fedaan helpe.Maandag, dankbaar, wist meteen.—Zijn bedstee. Dan lag zij in een kamer alleen. Hij zou bij de kinders gaan.De vrouwen, met stuursche gezichten, maar zwijgend nu, namen Geertje op. Hem had buurvrouw afgeweerd. Wat kon hij!? Schielijk ademend van opgewondenheid en angst, keek hij verlegen toe, doelloos een paar maal de armen heffend uit behoefte om ook iets te doen. Wel met schokken, maar zonder stooten, kwam ’t doorzakkende lichaam langs de zijschotten heen in de ruime bedstee te liggen.Buurvrouw moest Maandag zeggen, nu toch om de dokter te gaan. Hij was alle gedachten kwijt.Hij griste zijn hoed van de kapstok, bedacht wel dat hij op pantoffels was, doch vergat zijn overjas aan te doen. Buiten bitste de nachtvorsten-kou. Hoestend, huiverend, repte hij voort. Guur-weer placht hij te voelen als pijn, doch nu verhelderde de frischte zijn hoofd.Toen hij met zijn vriend dokter Van Dantzig, al uit de Dageraadstijd zijn vriend, geestverwant nóg, ook nu zij elkander zelden anders zagen dan bij gemeenteraadsvergaderingen, waar hij als berichtgevertje, de dokter als gedoogd vertegenwoordiger van een makke oppositie plachten te verschijnen; toen hij met[195]den hartelijken opgewekten jongen jood, die weer onmiddellijk bereid was geweest mee te gaan, de trap naar zijn woning op kwam, stond de deur half open en geluidde Tabbe’s zware stem uit de kamer. Hij wipte de dokter vooruit, in vrees voor nieuwe verwikkeling:—de twee vrouwen zaten aan tafel en Tabbe stond er bij, pijp in de mond.—’t Heef effe geleken of ze bai kwam, ze dee’ d’er augen aupe-n-en en d’erlippebewauge, no’ lait se weer of se slaap.Haastig sloop hij naar de bedstee. De dokter begon met aanmerking te maken op de benauwde lucht.—Beter als u hier niet rookt, zei hij tegen Tabbe.De deur moest gesloten, een venster geopend. Tabbe en de nicht gingen heen, langzaam, als teleurgesteld.Terwijl Maandag de dokter onder het beschouwen van de bezwijmde bijlichtte met de kaars en nu en dan met gedempte stem in telegramtaal inlichtingen gaf, merkte hij op dat buurvrouw naar de achterkamer ging, naar de kinderen. Schoon er geen licht brandde, bleef zij lang weg. Toen zij terugkwam, wenkte zij Maandag:—Morrege froeg kleed ik se-n-an en da’ neem ik se mee bai maîn.[196]
VI.
Eén avond begon zij over Jan.Maandag had zijn pijp gestopt, en zich door haar een grog van jenever doen maken. Dat was nu zijn weelde, zijn stoutigheid. De kinders naar bed, rust in de woning, diep beneê het rumoer van de straat. Geen vergadering, thuis kunnen blijven en vóór het raam, bij zijn pijp, een grog. ’t Was een zaligheid, hem op-eenmaal beschoren, gezellige kalmte, huiselijkheid. Buurvrouw had Piet straks op de trap aangeroepen om een lampje van haar te brengen naar de blikslager in de Aert-van-Nes en de boodschap met twee centen beloond. Maandag wilde er een teeken van toenadering in zien, was naar buiten geloopen, had bedankt met protest: als Piet dàt nog niet voor Juffrouw Tabbe kon doen.… Vredigheid, althans een niet dènken aan ruzie; en de schemer was zoo mooi.… Geertje, knus voortzorgend, breide een voet aan.…Toen verschrikte zij hem met die vraag over Jan. Het breien stakend, de armen in de schoot, boog zij zich, keek hem aan over tafel. Maar onmiddellijk richtte zij zich weer op van dit bespieden:—Nee! zegt u niks, zegt u liever niks, ’k zie het al aan uw gezicht!Herhaaldelijk had Maandag aangedrongen, dat zij niet meer zou u-en, meneer-en; nu deden, in zijn verrast-zijn, die u’s hem pijn. Maar zijn verlegenheid werd verlicht, doordat zij niet droevig keek, glimlachte. In ééne slok leegde hij zijn glas.—Nog een make? lachte zij, opstaand.[191]—Neeë, no’ já, voor disse keer.Toen zij hem het glas gebracht had, ging zij naar de kinderen kijken en terugkomend stak zij de lamp aan. Op dat oogenblik werd er beneden gebeld—drie malen, het was voor hem.—De pos’!Dagelijks belde de post voor Maandag, voor niemand in huis zoo vaak als voor hem. Maar deze keer schrikten beiden op; hij, in zijn stâge gespannenheid, nog ontrust door Geertje’s vraag; zij, de-dag-dóór in een koorts-van-gedachte, waarmee ze, plots helder, was ontwaakt: dat, nu zij niet schreef aan Jan, God hem misschien zou neigen tot schrijven. ’n Wonder! àls daar nu zijn brief was.…Zij wilde naar beneden ijlen, doch Maandag hield haar tegen, ging. Toen, alleen, aan zichzelve gelaten, in die seconden eindeloos-makende afwachting der nu opeens gekómen vervulling van het verlangen waarop zij leefde, besefte zij slechts dat zij moest bidden, danken-en-bidden, zij wist niet hoe, maar God achtte de woorden niet—zij had Hem gesmeekt, Hem had zij ’t gevraagd, en Hij die Genade is had haar verhoord. ’t Kwàm! God wou het! Jan had haar nog lief.…—Ja! fo’ jau!Haar vindend: overeind; gebogen leunende tegen de tafel; een witte hand, enkel pees en zenuw, in een klauwvormige vingerspreiding van radeloos steunzoeken geklampt aan het donk’re dofglanzige zeil; de linkerhand en de benedenarm tegen de buik, om die op te houden; de mooie angstoogen vlammend hem tegen, als zogen ze ’t antwoord naar zich toe; dacht hij niet anders, of eindelijk brak de ingebeelde hardheid tegen haar grootvader, en gretig-troostend stak hij de brief toe, waarop hij beneden de stempel van haar dorp had onderscheiden. Het feit op zichzelf, dat de oude schreef, was immers al toenadering.Maar met-een:—Geer!! Chot! p’s op! Geer, u’chot, maid.…[192]Langs de tafel was zij gegleden en achteruit langs haar stoel, waartegen zij lag, nu. De oogen half-open, maar als bij een doode. Toch ademde zij. Neen, dood was zij niet.Een oogenblik stond hij ontzet, onmachtig, slechts bewust van het leed, dat hij haar niet had tegengehouden. Nooit had hij een bezwijmde gezien, wel zijn zuster, zoo liggend, van drank, ook hier, de kinders schreiend ervóór. Die herinnering flitste door zijn verwarring, verinnigde zijn meelij met Geertje. Zij zat op de vloer en haar bovenlijf, schuin liggend, leunde tegen de stoel; haar hoofd had gelukkig de rand niet geraakt, het lag nu voorover, scheef gedoken. Hij wist niet wat het eerst te doen. Geen oogwenk dorst hij haar alleen laten. Terwijl hij vóór haar heen wilde gaan, verwarde zijn voet in een plooi van haar rok, was hij bijna over haar gestruikeld; en het bewustzijn van zijn onredzaam bewegen verheftigde de angst in zijn aansprakelijkheidsgevoel. Toen hij water voor haar wilde krijgen, bedacht hij dat zij op zij zou kunnen wegglijden onder de tafel, het hoofd stootend aan de onderkant. Schielijk dribbelde hij weer voor haar heen, nam de dingen op tafel er ijlings af—een kopje van het theeblad, omvallend, deed hem schrikken, maar Geertje had niet verroerd—, zette ze inderhaast maar op de vloer, en nam met een zenuw-vastheid-van-hand, in een opperspanning van zijn luttele kracht, de tafel op, liet behoedzaam haar kantelen, zoodat het vlak vertikaal tegen Geertje aankwam. Toen nam hij een kopje, liep om water, bracht vocht aan haar lippen, besprenkelde de slapen:—zij zuchtte. Hij ijlde naar zijn bedstee, trok er een deken uit, nam het kussen; de deken spreidde hij langs het tafelvlak, het kussen duwde hij aan de andere zij tegen haar rug. En weer sprenkelde hij water, maakte zijn zakdoek nat, hield die tegen haar polsen, bette de slapen. Een zachtere zucht en steeds bleef zij roerloos. Nu waren de oogen geheel gesloten. Een zweetdroppel viel van zijn voorhoofd in haar nek, onder het oor. Ach, zij had van niets besef!—De gewaarwording dier volslagen onmacht van het fiere, lichtkwetsbare[193]meisje maakte hem nog meer onthutst; hulp moest hij hebben, hij kon niet met haar alleen blijven. In zijn haastigheid had hij het theeblad, zijn tabakspot, zijn glas, van de tafel juìst vóór de deur gezet; die dingen moest hij wegschuiven; toen, even nog gekeken naar haar, en ijlings sloop hij de duistere trap af.Op zijn tikken bij Buurvrouw geen antwoord krijgend, opende hij de deur en, zich op zijn geruchtlooze pantoffels als een insluiper voelend, kuchte hij, een snerp-kuch, heesch door zijn ontsteltenis. Toen keken ze op, in de verlichte achterkamer, buurvrouw en de nicht, de kamenier van de Eendrachtsweg, die bij haar te gast was. Tabbe zat, zijn stoel afgewend, te slapen.—Maandag.…? Wat hew we nau?Hij hoorde wel de gewilde verbazing in buurvrouws permantig-beschermende toon; hij voelde zich daar, nog in het donker van het, properheid en welvaart uitglimmende, voorvertrek, staan als de man die een gunst komt vragen, maar hij was overtuigd dat buurvrouw zou meegaan en zei wat er was, schielijk, dringend met haast. Tabbe ontwaakte, terwijl Maandag sprak, keek voorgewend-uitdagend om:—Wàt is-t-er?—Die frauw die bai Maandag is mot befalle.—Ja da’ wwaite we!—’t Schaint dat et no’ saufer is.Maandag verklaarde dit niet te gelooven. ’t Was nog de tijd niet voor de bevalling. Maar Geertje had zich opgewonden.—’k Will ut jullie well alles fertelle. ’k Will d’er we’ graag us aufer spreke. D’er wurde glauf ik dinge gedacht.… M’ar ’k smeek je, jefrau, ga eers’ mee.…—Ja ma’r zeg us, gelukkige fader, m’en frau is geen froetfrau haur!.…De vrouwen lachten, een spottige lollach, maar Maandag, gemoedelijk-doortastend, trok buurvrouw bij de arm.—Maak no’ tuch fort.…Zij stond op, haar nicht eveneens. Tabbe riep nog een[194]grap achterna, waar de vrouwen op de trap over smoesden, heur lachen verstikkend in de hand. Maandag, wel bang, was maar blij, dat buurvrouw niet boos bleek. Geruchtloos opende hij de deur. In het lichaam geen verandering. Als een ontroering van ontzettende smart doorvlijmde hem de gedachte, dat zij dood zou zijn of stervend. Toen hij zich even over haar bukte, brak het zweet weer uit in zijn nek, aan zijn slapen; en snel hief hij zich overeind, wendde zich af, veegde zich ook vocht uit de oogen.—Man je mott’er iemand bij hale, zei luid, zoodat hij ervan schrikte, de kamenier.Goediger, buurvrouw daarop, half-luid:—Eerst mo’ we de’r daar fedaan helpe.Maandag, dankbaar, wist meteen.—Zijn bedstee. Dan lag zij in een kamer alleen. Hij zou bij de kinders gaan.De vrouwen, met stuursche gezichten, maar zwijgend nu, namen Geertje op. Hem had buurvrouw afgeweerd. Wat kon hij!? Schielijk ademend van opgewondenheid en angst, keek hij verlegen toe, doelloos een paar maal de armen heffend uit behoefte om ook iets te doen. Wel met schokken, maar zonder stooten, kwam ’t doorzakkende lichaam langs de zijschotten heen in de ruime bedstee te liggen.Buurvrouw moest Maandag zeggen, nu toch om de dokter te gaan. Hij was alle gedachten kwijt.Hij griste zijn hoed van de kapstok, bedacht wel dat hij op pantoffels was, doch vergat zijn overjas aan te doen. Buiten bitste de nachtvorsten-kou. Hoestend, huiverend, repte hij voort. Guur-weer placht hij te voelen als pijn, doch nu verhelderde de frischte zijn hoofd.Toen hij met zijn vriend dokter Van Dantzig, al uit de Dageraadstijd zijn vriend, geestverwant nóg, ook nu zij elkander zelden anders zagen dan bij gemeenteraadsvergaderingen, waar hij als berichtgevertje, de dokter als gedoogd vertegenwoordiger van een makke oppositie plachten te verschijnen; toen hij met[195]den hartelijken opgewekten jongen jood, die weer onmiddellijk bereid was geweest mee te gaan, de trap naar zijn woning op kwam, stond de deur half open en geluidde Tabbe’s zware stem uit de kamer. Hij wipte de dokter vooruit, in vrees voor nieuwe verwikkeling:—de twee vrouwen zaten aan tafel en Tabbe stond er bij, pijp in de mond.—’t Heef effe geleken of ze bai kwam, ze dee’ d’er augen aupe-n-en en d’erlippebewauge, no’ lait se weer of se slaap.Haastig sloop hij naar de bedstee. De dokter begon met aanmerking te maken op de benauwde lucht.—Beter als u hier niet rookt, zei hij tegen Tabbe.De deur moest gesloten, een venster geopend. Tabbe en de nicht gingen heen, langzaam, als teleurgesteld.Terwijl Maandag de dokter onder het beschouwen van de bezwijmde bijlichtte met de kaars en nu en dan met gedempte stem in telegramtaal inlichtingen gaf, merkte hij op dat buurvrouw naar de achterkamer ging, naar de kinderen. Schoon er geen licht brandde, bleef zij lang weg. Toen zij terugkwam, wenkte zij Maandag:—Morrege froeg kleed ik se-n-an en da’ neem ik se mee bai maîn.[196]
Eén avond begon zij over Jan.
Maandag had zijn pijp gestopt, en zich door haar een grog van jenever doen maken. Dat was nu zijn weelde, zijn stoutigheid. De kinders naar bed, rust in de woning, diep beneê het rumoer van de straat. Geen vergadering, thuis kunnen blijven en vóór het raam, bij zijn pijp, een grog. ’t Was een zaligheid, hem op-eenmaal beschoren, gezellige kalmte, huiselijkheid. Buurvrouw had Piet straks op de trap aangeroepen om een lampje van haar te brengen naar de blikslager in de Aert-van-Nes en de boodschap met twee centen beloond. Maandag wilde er een teeken van toenadering in zien, was naar buiten geloopen, had bedankt met protest: als Piet dàt nog niet voor Juffrouw Tabbe kon doen.… Vredigheid, althans een niet dènken aan ruzie; en de schemer was zoo mooi.… Geertje, knus voortzorgend, breide een voet aan.…
Toen verschrikte zij hem met die vraag over Jan. Het breien stakend, de armen in de schoot, boog zij zich, keek hem aan over tafel. Maar onmiddellijk richtte zij zich weer op van dit bespieden:
—Nee! zegt u niks, zegt u liever niks, ’k zie het al aan uw gezicht!
Herhaaldelijk had Maandag aangedrongen, dat zij niet meer zou u-en, meneer-en; nu deden, in zijn verrast-zijn, die u’s hem pijn. Maar zijn verlegenheid werd verlicht, doordat zij niet droevig keek, glimlachte. In ééne slok leegde hij zijn glas.
—Nog een make? lachte zij, opstaand.[191]
—Neeë, no’ já, voor disse keer.
Toen zij hem het glas gebracht had, ging zij naar de kinderen kijken en terugkomend stak zij de lamp aan. Op dat oogenblik werd er beneden gebeld—drie malen, het was voor hem.
—De pos’!
Dagelijks belde de post voor Maandag, voor niemand in huis zoo vaak als voor hem. Maar deze keer schrikten beiden op; hij, in zijn stâge gespannenheid, nog ontrust door Geertje’s vraag; zij, de-dag-dóór in een koorts-van-gedachte, waarmee ze, plots helder, was ontwaakt: dat, nu zij niet schreef aan Jan, God hem misschien zou neigen tot schrijven. ’n Wonder! àls daar nu zijn brief was.…
Zij wilde naar beneden ijlen, doch Maandag hield haar tegen, ging. Toen, alleen, aan zichzelve gelaten, in die seconden eindeloos-makende afwachting der nu opeens gekómen vervulling van het verlangen waarop zij leefde, besefte zij slechts dat zij moest bidden, danken-en-bidden, zij wist niet hoe, maar God achtte de woorden niet—zij had Hem gesmeekt, Hem had zij ’t gevraagd, en Hij die Genade is had haar verhoord. ’t Kwàm! God wou het! Jan had haar nog lief.…
—Ja! fo’ jau!
Haar vindend: overeind; gebogen leunende tegen de tafel; een witte hand, enkel pees en zenuw, in een klauwvormige vingerspreiding van radeloos steunzoeken geklampt aan het donk’re dofglanzige zeil; de linkerhand en de benedenarm tegen de buik, om die op te houden; de mooie angstoogen vlammend hem tegen, als zogen ze ’t antwoord naar zich toe; dacht hij niet anders, of eindelijk brak de ingebeelde hardheid tegen haar grootvader, en gretig-troostend stak hij de brief toe, waarop hij beneden de stempel van haar dorp had onderscheiden. Het feit op zichzelf, dat de oude schreef, was immers al toenadering.
Maar met-een:
—Geer!! Chot! p’s op! Geer, u’chot, maid.…[192]
Langs de tafel was zij gegleden en achteruit langs haar stoel, waartegen zij lag, nu. De oogen half-open, maar als bij een doode. Toch ademde zij. Neen, dood was zij niet.
Een oogenblik stond hij ontzet, onmachtig, slechts bewust van het leed, dat hij haar niet had tegengehouden. Nooit had hij een bezwijmde gezien, wel zijn zuster, zoo liggend, van drank, ook hier, de kinders schreiend ervóór. Die herinnering flitste door zijn verwarring, verinnigde zijn meelij met Geertje. Zij zat op de vloer en haar bovenlijf, schuin liggend, leunde tegen de stoel; haar hoofd had gelukkig de rand niet geraakt, het lag nu voorover, scheef gedoken. Hij wist niet wat het eerst te doen. Geen oogwenk dorst hij haar alleen laten. Terwijl hij vóór haar heen wilde gaan, verwarde zijn voet in een plooi van haar rok, was hij bijna over haar gestruikeld; en het bewustzijn van zijn onredzaam bewegen verheftigde de angst in zijn aansprakelijkheidsgevoel. Toen hij water voor haar wilde krijgen, bedacht hij dat zij op zij zou kunnen wegglijden onder de tafel, het hoofd stootend aan de onderkant. Schielijk dribbelde hij weer voor haar heen, nam de dingen op tafel er ijlings af—een kopje van het theeblad, omvallend, deed hem schrikken, maar Geertje had niet verroerd—, zette ze inderhaast maar op de vloer, en nam met een zenuw-vastheid-van-hand, in een opperspanning van zijn luttele kracht, de tafel op, liet behoedzaam haar kantelen, zoodat het vlak vertikaal tegen Geertje aankwam. Toen nam hij een kopje, liep om water, bracht vocht aan haar lippen, besprenkelde de slapen:—zij zuchtte. Hij ijlde naar zijn bedstee, trok er een deken uit, nam het kussen; de deken spreidde hij langs het tafelvlak, het kussen duwde hij aan de andere zij tegen haar rug. En weer sprenkelde hij water, maakte zijn zakdoek nat, hield die tegen haar polsen, bette de slapen. Een zachtere zucht en steeds bleef zij roerloos. Nu waren de oogen geheel gesloten. Een zweetdroppel viel van zijn voorhoofd in haar nek, onder het oor. Ach, zij had van niets besef!—De gewaarwording dier volslagen onmacht van het fiere, lichtkwetsbare[193]meisje maakte hem nog meer onthutst; hulp moest hij hebben, hij kon niet met haar alleen blijven. In zijn haastigheid had hij het theeblad, zijn tabakspot, zijn glas, van de tafel juìst vóór de deur gezet; die dingen moest hij wegschuiven; toen, even nog gekeken naar haar, en ijlings sloop hij de duistere trap af.
Op zijn tikken bij Buurvrouw geen antwoord krijgend, opende hij de deur en, zich op zijn geruchtlooze pantoffels als een insluiper voelend, kuchte hij, een snerp-kuch, heesch door zijn ontsteltenis. Toen keken ze op, in de verlichte achterkamer, buurvrouw en de nicht, de kamenier van de Eendrachtsweg, die bij haar te gast was. Tabbe zat, zijn stoel afgewend, te slapen.
—Maandag.…? Wat hew we nau?
Hij hoorde wel de gewilde verbazing in buurvrouws permantig-beschermende toon; hij voelde zich daar, nog in het donker van het, properheid en welvaart uitglimmende, voorvertrek, staan als de man die een gunst komt vragen, maar hij was overtuigd dat buurvrouw zou meegaan en zei wat er was, schielijk, dringend met haast. Tabbe ontwaakte, terwijl Maandag sprak, keek voorgewend-uitdagend om:
—Wàt is-t-er?
—Die frauw die bai Maandag is mot befalle.
—Ja da’ wwaite we!
—’t Schaint dat et no’ saufer is.
Maandag verklaarde dit niet te gelooven. ’t Was nog de tijd niet voor de bevalling. Maar Geertje had zich opgewonden.
—’k Will ut jullie well alles fertelle. ’k Will d’er we’ graag us aufer spreke. D’er wurde glauf ik dinge gedacht.… M’ar ’k smeek je, jefrau, ga eers’ mee.…
—Ja ma’r zeg us, gelukkige fader, m’en frau is geen froetfrau haur!.…
De vrouwen lachten, een spottige lollach, maar Maandag, gemoedelijk-doortastend, trok buurvrouw bij de arm.
—Maak no’ tuch fort.…
Zij stond op, haar nicht eveneens. Tabbe riep nog een[194]grap achterna, waar de vrouwen op de trap over smoesden, heur lachen verstikkend in de hand. Maandag, wel bang, was maar blij, dat buurvrouw niet boos bleek. Geruchtloos opende hij de deur. In het lichaam geen verandering. Als een ontroering van ontzettende smart doorvlijmde hem de gedachte, dat zij dood zou zijn of stervend. Toen hij zich even over haar bukte, brak het zweet weer uit in zijn nek, aan zijn slapen; en snel hief hij zich overeind, wendde zich af, veegde zich ook vocht uit de oogen.
—Man je mott’er iemand bij hale, zei luid, zoodat hij ervan schrikte, de kamenier.
Goediger, buurvrouw daarop, half-luid:
—Eerst mo’ we de’r daar fedaan helpe.
Maandag, dankbaar, wist meteen.—Zijn bedstee. Dan lag zij in een kamer alleen. Hij zou bij de kinders gaan.
De vrouwen, met stuursche gezichten, maar zwijgend nu, namen Geertje op. Hem had buurvrouw afgeweerd. Wat kon hij!? Schielijk ademend van opgewondenheid en angst, keek hij verlegen toe, doelloos een paar maal de armen heffend uit behoefte om ook iets te doen. Wel met schokken, maar zonder stooten, kwam ’t doorzakkende lichaam langs de zijschotten heen in de ruime bedstee te liggen.
Buurvrouw moest Maandag zeggen, nu toch om de dokter te gaan. Hij was alle gedachten kwijt.
Hij griste zijn hoed van de kapstok, bedacht wel dat hij op pantoffels was, doch vergat zijn overjas aan te doen. Buiten bitste de nachtvorsten-kou. Hoestend, huiverend, repte hij voort. Guur-weer placht hij te voelen als pijn, doch nu verhelderde de frischte zijn hoofd.
Toen hij met zijn vriend dokter Van Dantzig, al uit de Dageraadstijd zijn vriend, geestverwant nóg, ook nu zij elkander zelden anders zagen dan bij gemeenteraadsvergaderingen, waar hij als berichtgevertje, de dokter als gedoogd vertegenwoordiger van een makke oppositie plachten te verschijnen; toen hij met[195]den hartelijken opgewekten jongen jood, die weer onmiddellijk bereid was geweest mee te gaan, de trap naar zijn woning op kwam, stond de deur half open en geluidde Tabbe’s zware stem uit de kamer. Hij wipte de dokter vooruit, in vrees voor nieuwe verwikkeling:—de twee vrouwen zaten aan tafel en Tabbe stond er bij, pijp in de mond.
—’t Heef effe geleken of ze bai kwam, ze dee’ d’er augen aupe-n-en en d’erlippebewauge, no’ lait se weer of se slaap.
Haastig sloop hij naar de bedstee. De dokter begon met aanmerking te maken op de benauwde lucht.
—Beter als u hier niet rookt, zei hij tegen Tabbe.
De deur moest gesloten, een venster geopend. Tabbe en de nicht gingen heen, langzaam, als teleurgesteld.
Terwijl Maandag de dokter onder het beschouwen van de bezwijmde bijlichtte met de kaars en nu en dan met gedempte stem in telegramtaal inlichtingen gaf, merkte hij op dat buurvrouw naar de achterkamer ging, naar de kinderen. Schoon er geen licht brandde, bleef zij lang weg. Toen zij terugkwam, wenkte zij Maandag:
—Morrege froeg kleed ik se-n-an en da’ neem ik se mee bai maîn.[196]
[Inhoud]VII.Hij ging niet naar bed, die nacht. Terwijl Van Dantzig er nog was, had Geertje met een zucht als van iemand die ontwaakt uit diepe slaap, de oogen geopend. Nu sluimerde zij onrustig, de ademhaling vaak erg snel, dan onhoorbaar, dan zwaar als van zuchten. Lang was Van Dantzig gebleven, zijn avond er aan gevend, zoodat Maandag naar de apotheek had kunnen gaan en wachten op wat er voor haar bereid moest. Bij dokters vertrek, hadden zij gepraat op het portaal. Hij vond haar toestand zorgelijk: doodzwak en dan zóó overspannen. Als het een miskraam werd, kon het haar dood zijn.—„Beter wanneer ze niet hier blijft, ze heeft veel verpleging noodig.…” Daarom waakte Maandag de nacht. Een lang stuk bordpapier had hij vóór de lamp gehangen. Het raam bij zijn schrijftafel moest op een kier blijven en de eene deur van de bedstee aanstaan. In de kamer, van schaduwen geheimzinnig, huiverde de buitenkou. Hij had zijn overjas aangetrokken en wollen sokken in plaats van pantoffels, om niets geen gerucht te maken, wanneer hij naar de bedstee liep.Nog in overleg met Van Dantzig, had hij, om zeker te zijn, hoe haar groo’va gezind was, de voor haar gekomen brief geopend. En in de lange leegte en stilte der wake tastte zijn hand telkens naar het papier, en nogmaals overzagen de oogen die regels, schrijnde opnieuw de zekerheid, van wat hem als een onthulling verschrikt had.Niet Groo’va—d’er vrind Heukelman had haar geschreven.[197]Zij moest het adresschrift hebben herkend. Daarop was zij in zwijm gevallen. Wàt zou het bij haar zijn geweest? ’t Kòn, dat ze, hópend op Groova’s vergeving, over d’er overspanning heen was geraakt, toen ze zag dat de brief niet van Groo’va was. Stommeling, die hij was geweest! Om met zoo’n drukte naar binnen te komen en blij te roepen:—„Ja, voor jou!” ’t Was mógelijk, dat ze enkel van die schrik was flauw gevallen. Maar—ze moest het schrift hebben herkend. Natuurlijk hàd ze het herkend. Van d’er vroegere vrijer—die haar nòg liefhad. Terugkeer van oude liefde, berouw?.… Kòn dat? Kon een vrouw zóó gauw veranderen?—Nog dezen eigensten avond had ze ommers naar Heins gevraagd. Natuurlijk, ze liep met een kind van de fielt. Kòn het dan, dat het enkele weerzien van het schrift van die vroegere d’er zoo had overstuur gebracht? Dantzig had dadelijk, onderweg hierheen, gevraagd: is ze soms geschrikt, is d’er wat gebeurd?—’t Feit, dat-ie schreef, kòn haar doen vermoeden, wat Heukelman in zijn brief zou zeggen. De Nijkerks hadden niet overdreven met wat ze indertijd, làng gelee, toen Geertje pas hier was en naar ’en dienst zocht, hem, Maandag, hadden verteld van die vrome boerekinkel, rijk maar een kinkel, zóó verliefd, dat-ie uit hartzeer over Geertje’s afwijzing naar Amerika was gegaan. Nu bleek-ie terug—en nog verliefd.…Geliefde Geertje.Nademaal uw grootvader mij onder geheimhouding heeft medegedeeld, zoo meld ik u alsdat ik onder Godes hoede uit Amerika in ons dorp ben teruggekeerd en uw nicht Bet en ik zijn de eenige menschen hier die het van u weten. „Ik schrijf deze dingen niet om u te beschamen, maar als mijne lieve kinderen vermaan ik u.” Alzoo schreef Paulus, de geroepen Apostel van Jezus Christus, aan de gemeente, die te Corinthe was. Hoe zou ik dan anders schrijven aan u, Geliefde Geertje? „De liefde bedekt alle dingen,” staat er in[198]denzelfden Zendbrief, maar ook de Spreuken zeggen het reeds: „De liefde dekt alle overtredingen toe”, „die de overtreding toedekt, zoekt liefde,” „een vriend heeft te aller tijd lief.”Ik heb u lief te aller tijd, ik beschouw ons door God voor elkander bestemd, maar bang is het in mijn harte, Geliefde Geertje, overmits uw grootvader mij heeft gezegd, dat gij niet naar hem hebt willen hooren. „Vermaant elkander te allen dage, zoolang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding der zonde.” Zoo hoop ik dan, Geliefde, dat gij nog zult luisteren naar mij als naar een die niet aflaat voor u te bidden. „En hunne zonden, zegt de Heere, en hunne ongeregtigheden zal Ik geenszins meer gedenken. Waar nu vergeving derzelve is, daar is geene offerande meer voor de zonde.” Denk ook aan dit uit Daniël: „Bij den Heere, onzen God, zijn de barmhartigheden en vergevingen, alhoewel wij tegen hem gerebelleerd hebben.”Zoo verzet u dan niet langer, Geliefde Geertje, keer weder tot Hem die Vergeving is en Genade. En verzoen u met uwen grootvader, schrijf hem zoo spoedig mogelijk of schrijf aan mij, die zich noemGeliefde Geertje. Hij die u trouw bleef en die niet ophoudt den Goeden God voor u te bidden,Willem Heukelman.Spreuken 16 : 6;1 Petrus 4 : 8.Teksten, de brief bestònd uit teksten! Dat was zoo’n kinkel z’en beschaving. Geer had ommers verteld van d’er groo’va, hoe die gebeden maakte van teksten! De vluchteling naar Amerika hield zich verstandig aan Meester z’en lessen!—Maandag dacht aan Multatuli, die citaten bij valsch haar vergeleek. Voor alle levensomstandigheden lagen de teksten bij de lui klaar, als sneedjes brood met boter en kaas. De bijbel was de kast met laadjes: wat er gebeurde, wat hun overkwam, ze hadden maar aan een knop te trekken. Als[199]Kruger in den laatsten oorlog: z’en Boertjes nog zoo klop gehad, hij klaar met de bijbelzalf.… Een troost, als ’t gemeend werd, waarlijk gevoeld! En deze jongen voelde het. Zijn bijbelschheid hing de kinkel om de hersens als ’s zondags ze’n lakensche pak om z’en lijf; maar hoe beroerd, hoe nijdig de vroom-vermanerij Maandag aanvankelijk had gestemd, na de eerste keeren lezens; nù legde hij, zuchtend, de brief neer in bewondering voor Heukelman’s kalme flinkheid. Zùlk leven-met-de-bijbel wàs meer dan zondagsche kleeren. Maar—was ’t iets voor Geertje, was zij niet heel anders?.… Hij wist het niet, hij wist het niet. Hoe weinig kende hij de meid. In de laatste tijd was ze gewoon abnormaal. En wat had hij vroeger met ’er gesproken! Bij de Nijkerks had ze zich onthuis gevoeld, dat had hij van het begin af gemerkt. En verder had-ie haar niet anders gekend dan in d’er droevige liefde voor Heins.Dat ze-n-’en lief meisje was; meer wist hij eigenlijk niet.Ontroering beefde om zijn mond, toen hij bruusk wipte van de stoel. Hij schrikte meteen, daar het gerucht van zijn beweging haar kon hebben gehinderd. De adem inhoudend, staarde hij, het kleine hoofd scheef-achterover op de schouders, naar de zware schaduw waar de bedstee was. Nu was ze niet anders dan ziek, dood-ziek. Misschien zou ze Heukelman’s brief nooit lezen.Hij hield een hand voor de oogen gedrukt en sloop weder naar de bedstee, met een zoo ver mogelijk uitzetten van zijn kleine zwakke beenen. Geregeld was de ademhaling. Ze lag daar goed—de Tabbe’s hadden toch maar heerlijk geholpen. God! als het nog eres wel met ’er afliep.…Bij de gewaarwording, dat zij rustig scheen te slapen, wendde hij zich eensklaps om. Loomheid doorzonk hem; hij vroeg zich af hoe laat het zou wezen; hij dacht met tegen-op-zien aan zijn dagplichten van morgen. Maar hij wilde zoo niet zijn! Een zenuwtrekking van zijn schouders was gelijk een ontrukken aan moedeloosheid. In-eenen gaf hij er zich[200]rekenschap van, dat nu hij Heukelman’s brief had gelezen, deze hem verplichtte de man te waarschuwen.Als een verwardheid in zijn denken, martelde daar nog even de aarzeling, of het, indien zij waarlijk eens niet zoo erg ziek bleek, niet mogelijk zou zijn, haar stil hier te laten: juffrouw Tabbe was ommers welgezind.… Maar onmiddellijk zei hij zich, dat het niet mocht. Van Dantzig had beslist gesproken.Hij zou—ja hij zou morgen telegrafeeren. Aan de grootvader,—makkelijk: „hoofd van de school”; en, een tweede telegram, alleen „Willem Heukelman”; zoo’n rijke boer, ’t kwam waarschijnlijk terecht. „Geertje ongesteld, kom over”—met zijn straat en het huisnummer.…Dan zou Heukelman zeker komen en waarschijnlijk de grootvader mee. Ook om het geld was het beter, was ’t noodig: verpleging, waar ook, wat zou het niet kosten!Om niet verder zich in te denken in de rijkdom van „de kinkel”, dwong hij, op de brief starend, zijn gedachten tot Heukelman’s vroomheid terug. Zòu ’t gaan met Geertje? Was ’t niet het beste?.…Toen.… opeens.… god ja, ze riep!—„Maandag”, riep ze, niet meer—„meneer”.Geruchtloos repte hij zich naar de bedstee.—’k Heb zoon pijn, zoo’n erge pijn.… Waar ben ik hier? Hoe laat is het toch?—Arme maid.… sau’n pain.… ik hèb wat.…Onder de lamp vulde hij het medicijnglaasje uit de drankflesch.—Wat is dat? Och nee.… ’k Heb zoo’n pijn.….—Toe no’, je hadt et al lang motte neme, ma’r je sliep sau lekkertjes.—Och.…In zijn verlegenheid meende hij het glaasje niet recht vóór haar mond te brengen, zoodat het stortte; hij dacht dat ze daarover klaagde. Maar hij dorst er niet naar vragen—stil moest het zijn; als ze maar sliep! En goddank, ze bleef stil nu, kreunde wel, maar scheen ingedommeld.[201]Pijn!.… Wat-ter-wereld zou hij beginnen, als de miskraam eens plotseling nu kwam? Van Dantzig zei: „geen kwestie van”. Maar die pijn, wat was die pijn dan?Nog geruischloozer dan de vorige keeren, schrikkend toen zijn beenbot kraakte bij de groote pas die hij nam, ging hij terug naar de ramenkant en zag met verheuging de schemer. Wanneer het dag was, kon hij de Tabbe’s wekken, als het eens mocht noodig zijn. Dag.… dan was hij niet zoo bang meer—och, wat een baas van een ziekenoppasser! Deugde voor niks, hij, dwerg, mismaakte! En dat wou dan nog jaloersch zijn.…Op de stoof stappend, nam hij de lampebol uit de hanger, en op gevaar van het goed te schroeien, spreidde hij zijn jas ertegen uit, toen hij de bol vóór het open raam bracht, waar hij, laaghoudend, het licht uitblies.Dan bleef hij staan bij zijn schrijftafeltje, en overlegde, aan wie te vragen, dien dag voor zijn krantjes te zorgen.[203]
VII.
Hij ging niet naar bed, die nacht. Terwijl Van Dantzig er nog was, had Geertje met een zucht als van iemand die ontwaakt uit diepe slaap, de oogen geopend. Nu sluimerde zij onrustig, de ademhaling vaak erg snel, dan onhoorbaar, dan zwaar als van zuchten. Lang was Van Dantzig gebleven, zijn avond er aan gevend, zoodat Maandag naar de apotheek had kunnen gaan en wachten op wat er voor haar bereid moest. Bij dokters vertrek, hadden zij gepraat op het portaal. Hij vond haar toestand zorgelijk: doodzwak en dan zóó overspannen. Als het een miskraam werd, kon het haar dood zijn.—„Beter wanneer ze niet hier blijft, ze heeft veel verpleging noodig.…” Daarom waakte Maandag de nacht. Een lang stuk bordpapier had hij vóór de lamp gehangen. Het raam bij zijn schrijftafel moest op een kier blijven en de eene deur van de bedstee aanstaan. In de kamer, van schaduwen geheimzinnig, huiverde de buitenkou. Hij had zijn overjas aangetrokken en wollen sokken in plaats van pantoffels, om niets geen gerucht te maken, wanneer hij naar de bedstee liep.Nog in overleg met Van Dantzig, had hij, om zeker te zijn, hoe haar groo’va gezind was, de voor haar gekomen brief geopend. En in de lange leegte en stilte der wake tastte zijn hand telkens naar het papier, en nogmaals overzagen de oogen die regels, schrijnde opnieuw de zekerheid, van wat hem als een onthulling verschrikt had.Niet Groo’va—d’er vrind Heukelman had haar geschreven.[197]Zij moest het adresschrift hebben herkend. Daarop was zij in zwijm gevallen. Wàt zou het bij haar zijn geweest? ’t Kòn, dat ze, hópend op Groova’s vergeving, over d’er overspanning heen was geraakt, toen ze zag dat de brief niet van Groo’va was. Stommeling, die hij was geweest! Om met zoo’n drukte naar binnen te komen en blij te roepen:—„Ja, voor jou!” ’t Was mógelijk, dat ze enkel van die schrik was flauw gevallen. Maar—ze moest het schrift hebben herkend. Natuurlijk hàd ze het herkend. Van d’er vroegere vrijer—die haar nòg liefhad. Terugkeer van oude liefde, berouw?.… Kòn dat? Kon een vrouw zóó gauw veranderen?—Nog dezen eigensten avond had ze ommers naar Heins gevraagd. Natuurlijk, ze liep met een kind van de fielt. Kòn het dan, dat het enkele weerzien van het schrift van die vroegere d’er zoo had overstuur gebracht? Dantzig had dadelijk, onderweg hierheen, gevraagd: is ze soms geschrikt, is d’er wat gebeurd?—’t Feit, dat-ie schreef, kòn haar doen vermoeden, wat Heukelman in zijn brief zou zeggen. De Nijkerks hadden niet overdreven met wat ze indertijd, làng gelee, toen Geertje pas hier was en naar ’en dienst zocht, hem, Maandag, hadden verteld van die vrome boerekinkel, rijk maar een kinkel, zóó verliefd, dat-ie uit hartzeer over Geertje’s afwijzing naar Amerika was gegaan. Nu bleek-ie terug—en nog verliefd.…Geliefde Geertje.Nademaal uw grootvader mij onder geheimhouding heeft medegedeeld, zoo meld ik u alsdat ik onder Godes hoede uit Amerika in ons dorp ben teruggekeerd en uw nicht Bet en ik zijn de eenige menschen hier die het van u weten. „Ik schrijf deze dingen niet om u te beschamen, maar als mijne lieve kinderen vermaan ik u.” Alzoo schreef Paulus, de geroepen Apostel van Jezus Christus, aan de gemeente, die te Corinthe was. Hoe zou ik dan anders schrijven aan u, Geliefde Geertje? „De liefde bedekt alle dingen,” staat er in[198]denzelfden Zendbrief, maar ook de Spreuken zeggen het reeds: „De liefde dekt alle overtredingen toe”, „die de overtreding toedekt, zoekt liefde,” „een vriend heeft te aller tijd lief.”Ik heb u lief te aller tijd, ik beschouw ons door God voor elkander bestemd, maar bang is het in mijn harte, Geliefde Geertje, overmits uw grootvader mij heeft gezegd, dat gij niet naar hem hebt willen hooren. „Vermaant elkander te allen dage, zoolang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding der zonde.” Zoo hoop ik dan, Geliefde, dat gij nog zult luisteren naar mij als naar een die niet aflaat voor u te bidden. „En hunne zonden, zegt de Heere, en hunne ongeregtigheden zal Ik geenszins meer gedenken. Waar nu vergeving derzelve is, daar is geene offerande meer voor de zonde.” Denk ook aan dit uit Daniël: „Bij den Heere, onzen God, zijn de barmhartigheden en vergevingen, alhoewel wij tegen hem gerebelleerd hebben.”Zoo verzet u dan niet langer, Geliefde Geertje, keer weder tot Hem die Vergeving is en Genade. En verzoen u met uwen grootvader, schrijf hem zoo spoedig mogelijk of schrijf aan mij, die zich noemGeliefde Geertje. Hij die u trouw bleef en die niet ophoudt den Goeden God voor u te bidden,Willem Heukelman.Spreuken 16 : 6;1 Petrus 4 : 8.Teksten, de brief bestònd uit teksten! Dat was zoo’n kinkel z’en beschaving. Geer had ommers verteld van d’er groo’va, hoe die gebeden maakte van teksten! De vluchteling naar Amerika hield zich verstandig aan Meester z’en lessen!—Maandag dacht aan Multatuli, die citaten bij valsch haar vergeleek. Voor alle levensomstandigheden lagen de teksten bij de lui klaar, als sneedjes brood met boter en kaas. De bijbel was de kast met laadjes: wat er gebeurde, wat hun overkwam, ze hadden maar aan een knop te trekken. Als[199]Kruger in den laatsten oorlog: z’en Boertjes nog zoo klop gehad, hij klaar met de bijbelzalf.… Een troost, als ’t gemeend werd, waarlijk gevoeld! En deze jongen voelde het. Zijn bijbelschheid hing de kinkel om de hersens als ’s zondags ze’n lakensche pak om z’en lijf; maar hoe beroerd, hoe nijdig de vroom-vermanerij Maandag aanvankelijk had gestemd, na de eerste keeren lezens; nù legde hij, zuchtend, de brief neer in bewondering voor Heukelman’s kalme flinkheid. Zùlk leven-met-de-bijbel wàs meer dan zondagsche kleeren. Maar—was ’t iets voor Geertje, was zij niet heel anders?.… Hij wist het niet, hij wist het niet. Hoe weinig kende hij de meid. In de laatste tijd was ze gewoon abnormaal. En wat had hij vroeger met ’er gesproken! Bij de Nijkerks had ze zich onthuis gevoeld, dat had hij van het begin af gemerkt. En verder had-ie haar niet anders gekend dan in d’er droevige liefde voor Heins.Dat ze-n-’en lief meisje was; meer wist hij eigenlijk niet.Ontroering beefde om zijn mond, toen hij bruusk wipte van de stoel. Hij schrikte meteen, daar het gerucht van zijn beweging haar kon hebben gehinderd. De adem inhoudend, staarde hij, het kleine hoofd scheef-achterover op de schouders, naar de zware schaduw waar de bedstee was. Nu was ze niet anders dan ziek, dood-ziek. Misschien zou ze Heukelman’s brief nooit lezen.Hij hield een hand voor de oogen gedrukt en sloop weder naar de bedstee, met een zoo ver mogelijk uitzetten van zijn kleine zwakke beenen. Geregeld was de ademhaling. Ze lag daar goed—de Tabbe’s hadden toch maar heerlijk geholpen. God! als het nog eres wel met ’er afliep.…Bij de gewaarwording, dat zij rustig scheen te slapen, wendde hij zich eensklaps om. Loomheid doorzonk hem; hij vroeg zich af hoe laat het zou wezen; hij dacht met tegen-op-zien aan zijn dagplichten van morgen. Maar hij wilde zoo niet zijn! Een zenuwtrekking van zijn schouders was gelijk een ontrukken aan moedeloosheid. In-eenen gaf hij er zich[200]rekenschap van, dat nu hij Heukelman’s brief had gelezen, deze hem verplichtte de man te waarschuwen.Als een verwardheid in zijn denken, martelde daar nog even de aarzeling, of het, indien zij waarlijk eens niet zoo erg ziek bleek, niet mogelijk zou zijn, haar stil hier te laten: juffrouw Tabbe was ommers welgezind.… Maar onmiddellijk zei hij zich, dat het niet mocht. Van Dantzig had beslist gesproken.Hij zou—ja hij zou morgen telegrafeeren. Aan de grootvader,—makkelijk: „hoofd van de school”; en, een tweede telegram, alleen „Willem Heukelman”; zoo’n rijke boer, ’t kwam waarschijnlijk terecht. „Geertje ongesteld, kom over”—met zijn straat en het huisnummer.…Dan zou Heukelman zeker komen en waarschijnlijk de grootvader mee. Ook om het geld was het beter, was ’t noodig: verpleging, waar ook, wat zou het niet kosten!Om niet verder zich in te denken in de rijkdom van „de kinkel”, dwong hij, op de brief starend, zijn gedachten tot Heukelman’s vroomheid terug. Zòu ’t gaan met Geertje? Was ’t niet het beste?.…Toen.… opeens.… god ja, ze riep!—„Maandag”, riep ze, niet meer—„meneer”.Geruchtloos repte hij zich naar de bedstee.—’k Heb zoon pijn, zoo’n erge pijn.… Waar ben ik hier? Hoe laat is het toch?—Arme maid.… sau’n pain.… ik hèb wat.…Onder de lamp vulde hij het medicijnglaasje uit de drankflesch.—Wat is dat? Och nee.… ’k Heb zoo’n pijn.….—Toe no’, je hadt et al lang motte neme, ma’r je sliep sau lekkertjes.—Och.…In zijn verlegenheid meende hij het glaasje niet recht vóór haar mond te brengen, zoodat het stortte; hij dacht dat ze daarover klaagde. Maar hij dorst er niet naar vragen—stil moest het zijn; als ze maar sliep! En goddank, ze bleef stil nu, kreunde wel, maar scheen ingedommeld.[201]Pijn!.… Wat-ter-wereld zou hij beginnen, als de miskraam eens plotseling nu kwam? Van Dantzig zei: „geen kwestie van”. Maar die pijn, wat was die pijn dan?Nog geruischloozer dan de vorige keeren, schrikkend toen zijn beenbot kraakte bij de groote pas die hij nam, ging hij terug naar de ramenkant en zag met verheuging de schemer. Wanneer het dag was, kon hij de Tabbe’s wekken, als het eens mocht noodig zijn. Dag.… dan was hij niet zoo bang meer—och, wat een baas van een ziekenoppasser! Deugde voor niks, hij, dwerg, mismaakte! En dat wou dan nog jaloersch zijn.…Op de stoof stappend, nam hij de lampebol uit de hanger, en op gevaar van het goed te schroeien, spreidde hij zijn jas ertegen uit, toen hij de bol vóór het open raam bracht, waar hij, laaghoudend, het licht uitblies.Dan bleef hij staan bij zijn schrijftafeltje, en overlegde, aan wie te vragen, dien dag voor zijn krantjes te zorgen.[203]
Hij ging niet naar bed, die nacht. Terwijl Van Dantzig er nog was, had Geertje met een zucht als van iemand die ontwaakt uit diepe slaap, de oogen geopend. Nu sluimerde zij onrustig, de ademhaling vaak erg snel, dan onhoorbaar, dan zwaar als van zuchten. Lang was Van Dantzig gebleven, zijn avond er aan gevend, zoodat Maandag naar de apotheek had kunnen gaan en wachten op wat er voor haar bereid moest. Bij dokters vertrek, hadden zij gepraat op het portaal. Hij vond haar toestand zorgelijk: doodzwak en dan zóó overspannen. Als het een miskraam werd, kon het haar dood zijn.—„Beter wanneer ze niet hier blijft, ze heeft veel verpleging noodig.…” Daarom waakte Maandag de nacht. Een lang stuk bordpapier had hij vóór de lamp gehangen. Het raam bij zijn schrijftafel moest op een kier blijven en de eene deur van de bedstee aanstaan. In de kamer, van schaduwen geheimzinnig, huiverde de buitenkou. Hij had zijn overjas aangetrokken en wollen sokken in plaats van pantoffels, om niets geen gerucht te maken, wanneer hij naar de bedstee liep.
Nog in overleg met Van Dantzig, had hij, om zeker te zijn, hoe haar groo’va gezind was, de voor haar gekomen brief geopend. En in de lange leegte en stilte der wake tastte zijn hand telkens naar het papier, en nogmaals overzagen de oogen die regels, schrijnde opnieuw de zekerheid, van wat hem als een onthulling verschrikt had.
Niet Groo’va—d’er vrind Heukelman had haar geschreven.[197]Zij moest het adresschrift hebben herkend. Daarop was zij in zwijm gevallen. Wàt zou het bij haar zijn geweest? ’t Kòn, dat ze, hópend op Groova’s vergeving, over d’er overspanning heen was geraakt, toen ze zag dat de brief niet van Groo’va was. Stommeling, die hij was geweest! Om met zoo’n drukte naar binnen te komen en blij te roepen:—„Ja, voor jou!” ’t Was mógelijk, dat ze enkel van die schrik was flauw gevallen. Maar—ze moest het schrift hebben herkend. Natuurlijk hàd ze het herkend. Van d’er vroegere vrijer—die haar nòg liefhad. Terugkeer van oude liefde, berouw?.… Kòn dat? Kon een vrouw zóó gauw veranderen?—Nog dezen eigensten avond had ze ommers naar Heins gevraagd. Natuurlijk, ze liep met een kind van de fielt. Kòn het dan, dat het enkele weerzien van het schrift van die vroegere d’er zoo had overstuur gebracht? Dantzig had dadelijk, onderweg hierheen, gevraagd: is ze soms geschrikt, is d’er wat gebeurd?—’t Feit, dat-ie schreef, kòn haar doen vermoeden, wat Heukelman in zijn brief zou zeggen. De Nijkerks hadden niet overdreven met wat ze indertijd, làng gelee, toen Geertje pas hier was en naar ’en dienst zocht, hem, Maandag, hadden verteld van die vrome boerekinkel, rijk maar een kinkel, zóó verliefd, dat-ie uit hartzeer over Geertje’s afwijzing naar Amerika was gegaan. Nu bleek-ie terug—en nog verliefd.…
Geliefde Geertje.Nademaal uw grootvader mij onder geheimhouding heeft medegedeeld, zoo meld ik u alsdat ik onder Godes hoede uit Amerika in ons dorp ben teruggekeerd en uw nicht Bet en ik zijn de eenige menschen hier die het van u weten. „Ik schrijf deze dingen niet om u te beschamen, maar als mijne lieve kinderen vermaan ik u.” Alzoo schreef Paulus, de geroepen Apostel van Jezus Christus, aan de gemeente, die te Corinthe was. Hoe zou ik dan anders schrijven aan u, Geliefde Geertje? „De liefde bedekt alle dingen,” staat er in[198]denzelfden Zendbrief, maar ook de Spreuken zeggen het reeds: „De liefde dekt alle overtredingen toe”, „die de overtreding toedekt, zoekt liefde,” „een vriend heeft te aller tijd lief.”Ik heb u lief te aller tijd, ik beschouw ons door God voor elkander bestemd, maar bang is het in mijn harte, Geliefde Geertje, overmits uw grootvader mij heeft gezegd, dat gij niet naar hem hebt willen hooren. „Vermaant elkander te allen dage, zoolang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding der zonde.” Zoo hoop ik dan, Geliefde, dat gij nog zult luisteren naar mij als naar een die niet aflaat voor u te bidden. „En hunne zonden, zegt de Heere, en hunne ongeregtigheden zal Ik geenszins meer gedenken. Waar nu vergeving derzelve is, daar is geene offerande meer voor de zonde.” Denk ook aan dit uit Daniël: „Bij den Heere, onzen God, zijn de barmhartigheden en vergevingen, alhoewel wij tegen hem gerebelleerd hebben.”Zoo verzet u dan niet langer, Geliefde Geertje, keer weder tot Hem die Vergeving is en Genade. En verzoen u met uwen grootvader, schrijf hem zoo spoedig mogelijk of schrijf aan mij, die zich noemGeliefde Geertje. Hij die u trouw bleef en die niet ophoudt den Goeden God voor u te bidden,Willem Heukelman.Spreuken 16 : 6;1 Petrus 4 : 8.
Geliefde Geertje.
Nademaal uw grootvader mij onder geheimhouding heeft medegedeeld, zoo meld ik u alsdat ik onder Godes hoede uit Amerika in ons dorp ben teruggekeerd en uw nicht Bet en ik zijn de eenige menschen hier die het van u weten. „Ik schrijf deze dingen niet om u te beschamen, maar als mijne lieve kinderen vermaan ik u.” Alzoo schreef Paulus, de geroepen Apostel van Jezus Christus, aan de gemeente, die te Corinthe was. Hoe zou ik dan anders schrijven aan u, Geliefde Geertje? „De liefde bedekt alle dingen,” staat er in[198]denzelfden Zendbrief, maar ook de Spreuken zeggen het reeds: „De liefde dekt alle overtredingen toe”, „die de overtreding toedekt, zoekt liefde,” „een vriend heeft te aller tijd lief.”
Ik heb u lief te aller tijd, ik beschouw ons door God voor elkander bestemd, maar bang is het in mijn harte, Geliefde Geertje, overmits uw grootvader mij heeft gezegd, dat gij niet naar hem hebt willen hooren. „Vermaant elkander te allen dage, zoolang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding der zonde.” Zoo hoop ik dan, Geliefde, dat gij nog zult luisteren naar mij als naar een die niet aflaat voor u te bidden. „En hunne zonden, zegt de Heere, en hunne ongeregtigheden zal Ik geenszins meer gedenken. Waar nu vergeving derzelve is, daar is geene offerande meer voor de zonde.” Denk ook aan dit uit Daniël: „Bij den Heere, onzen God, zijn de barmhartigheden en vergevingen, alhoewel wij tegen hem gerebelleerd hebben.”
Zoo verzet u dan niet langer, Geliefde Geertje, keer weder tot Hem die Vergeving is en Genade. En verzoen u met uwen grootvader, schrijf hem zoo spoedig mogelijk of schrijf aan mij, die zich noem
Geliefde Geertje. Hij die u trouw bleef en die niet ophoudt den Goeden God voor u te bidden,
Willem Heukelman.
Spreuken 16 : 6;1 Petrus 4 : 8.
Teksten, de brief bestònd uit teksten! Dat was zoo’n kinkel z’en beschaving. Geer had ommers verteld van d’er groo’va, hoe die gebeden maakte van teksten! De vluchteling naar Amerika hield zich verstandig aan Meester z’en lessen!—Maandag dacht aan Multatuli, die citaten bij valsch haar vergeleek. Voor alle levensomstandigheden lagen de teksten bij de lui klaar, als sneedjes brood met boter en kaas. De bijbel was de kast met laadjes: wat er gebeurde, wat hun overkwam, ze hadden maar aan een knop te trekken. Als[199]Kruger in den laatsten oorlog: z’en Boertjes nog zoo klop gehad, hij klaar met de bijbelzalf.… Een troost, als ’t gemeend werd, waarlijk gevoeld! En deze jongen voelde het. Zijn bijbelschheid hing de kinkel om de hersens als ’s zondags ze’n lakensche pak om z’en lijf; maar hoe beroerd, hoe nijdig de vroom-vermanerij Maandag aanvankelijk had gestemd, na de eerste keeren lezens; nù legde hij, zuchtend, de brief neer in bewondering voor Heukelman’s kalme flinkheid. Zùlk leven-met-de-bijbel wàs meer dan zondagsche kleeren. Maar—was ’t iets voor Geertje, was zij niet heel anders?.… Hij wist het niet, hij wist het niet. Hoe weinig kende hij de meid. In de laatste tijd was ze gewoon abnormaal. En wat had hij vroeger met ’er gesproken! Bij de Nijkerks had ze zich onthuis gevoeld, dat had hij van het begin af gemerkt. En verder had-ie haar niet anders gekend dan in d’er droevige liefde voor Heins.
Dat ze-n-’en lief meisje was; meer wist hij eigenlijk niet.
Ontroering beefde om zijn mond, toen hij bruusk wipte van de stoel. Hij schrikte meteen, daar het gerucht van zijn beweging haar kon hebben gehinderd. De adem inhoudend, staarde hij, het kleine hoofd scheef-achterover op de schouders, naar de zware schaduw waar de bedstee was. Nu was ze niet anders dan ziek, dood-ziek. Misschien zou ze Heukelman’s brief nooit lezen.
Hij hield een hand voor de oogen gedrukt en sloop weder naar de bedstee, met een zoo ver mogelijk uitzetten van zijn kleine zwakke beenen. Geregeld was de ademhaling. Ze lag daar goed—de Tabbe’s hadden toch maar heerlijk geholpen. God! als het nog eres wel met ’er afliep.…
Bij de gewaarwording, dat zij rustig scheen te slapen, wendde hij zich eensklaps om. Loomheid doorzonk hem; hij vroeg zich af hoe laat het zou wezen; hij dacht met tegen-op-zien aan zijn dagplichten van morgen. Maar hij wilde zoo niet zijn! Een zenuwtrekking van zijn schouders was gelijk een ontrukken aan moedeloosheid. In-eenen gaf hij er zich[200]rekenschap van, dat nu hij Heukelman’s brief had gelezen, deze hem verplichtte de man te waarschuwen.
Als een verwardheid in zijn denken, martelde daar nog even de aarzeling, of het, indien zij waarlijk eens niet zoo erg ziek bleek, niet mogelijk zou zijn, haar stil hier te laten: juffrouw Tabbe was ommers welgezind.… Maar onmiddellijk zei hij zich, dat het niet mocht. Van Dantzig had beslist gesproken.
Hij zou—ja hij zou morgen telegrafeeren. Aan de grootvader,—makkelijk: „hoofd van de school”; en, een tweede telegram, alleen „Willem Heukelman”; zoo’n rijke boer, ’t kwam waarschijnlijk terecht. „Geertje ongesteld, kom over”—met zijn straat en het huisnummer.…
Dan zou Heukelman zeker komen en waarschijnlijk de grootvader mee. Ook om het geld was het beter, was ’t noodig: verpleging, waar ook, wat zou het niet kosten!
Om niet verder zich in te denken in de rijkdom van „de kinkel”, dwong hij, op de brief starend, zijn gedachten tot Heukelman’s vroomheid terug. Zòu ’t gaan met Geertje? Was ’t niet het beste?.…
Toen.… opeens.… god ja, ze riep!
—„Maandag”, riep ze, niet meer—„meneer”.
Geruchtloos repte hij zich naar de bedstee.
—’k Heb zoon pijn, zoo’n erge pijn.… Waar ben ik hier? Hoe laat is het toch?
—Arme maid.… sau’n pain.… ik hèb wat.…
Onder de lamp vulde hij het medicijnglaasje uit de drankflesch.
—Wat is dat? Och nee.… ’k Heb zoo’n pijn.….
—Toe no’, je hadt et al lang motte neme, ma’r je sliep sau lekkertjes.
—Och.…
In zijn verlegenheid meende hij het glaasje niet recht vóór haar mond te brengen, zoodat het stortte; hij dacht dat ze daarover klaagde. Maar hij dorst er niet naar vragen—stil moest het zijn; als ze maar sliep! En goddank, ze bleef stil nu, kreunde wel, maar scheen ingedommeld.[201]
Pijn!.… Wat-ter-wereld zou hij beginnen, als de miskraam eens plotseling nu kwam? Van Dantzig zei: „geen kwestie van”. Maar die pijn, wat was die pijn dan?
Nog geruischloozer dan de vorige keeren, schrikkend toen zijn beenbot kraakte bij de groote pas die hij nam, ging hij terug naar de ramenkant en zag met verheuging de schemer. Wanneer het dag was, kon hij de Tabbe’s wekken, als het eens mocht noodig zijn. Dag.… dan was hij niet zoo bang meer—och, wat een baas van een ziekenoppasser! Deugde voor niks, hij, dwerg, mismaakte! En dat wou dan nog jaloersch zijn.…
Op de stoof stappend, nam hij de lampebol uit de hanger, en op gevaar van het goed te schroeien, spreidde hij zijn jas ertegen uit, toen hij de bol vóór het open raam bracht, waar hij, laaghoudend, het licht uitblies.
Dan bleef hij staan bij zijn schrijftafeltje, en overlegde, aan wie te vragen, dien dag voor zijn krantjes te zorgen.[203]