—"Geef den man nog maar een borrel, Antonio," lachte Johan, die den nachtwacht als een opgewonden mechaniek met zijn hoofd snel van ja zag staan knikken.
—"Is hij niet aardig, ce bonhomme, notre garde de nuit?.... als u van avond naar huis gaat, zult u wel over hem heen moeten stappen, hij slaapt den godganschen nacht als een hond op straat.... regent het.... dan kruipt hij in een ton.... maar wees op uw hoede, maak hem niet wakker, want dan slaat ie er op."
—"En ondanks dat, of liever nog, juist daarom," begon monsieur Crépieux te leeraren, "is men hier zekerder dan in de straten van Parijs."
De nachtwacht, weêr in zijn huid heelemaal gedoken, duisterde als een schaduw weg, de zonstraat in.
Monsieur Crépieux ging voort Johan te onderwijzen over 't zonderlinge recht in Marokko, en de betrekkelijke afwezigheid van misdaden; moord was nog de meest voorkomende crime; meestal een wraakgeschiedenis; maar diefstal bijna nooit, en dat liet zich begrijpen, facilement.... "U hebt natuurlijk de prison gezien.... en door het kijkgat al die miserable gevangenen daar.... voor 't meerendeel opstandelingen, politieke misdadigers, een enkele ook voor bloedschande. Eenmaal in 't hok, komen ze er nooit meer uit, ze vervunzen in 't vuil, sterven spoedig, en de medegevangenen schuiven het cadaver door 't zelfde gat terug, waardoor het is binnengekomen; ze sterven allen klachtloos, de een na den ander, berustende in hun stupide geloof: que tout est écrit."
—"En voor diefstal hebben ze nog een veel grooter absolutisme. De eerste maal dat een man steelt, 't zij een ezel van een buurman, of een kip, of iets van die noodzakelijkheden, wat die arme lui malkander maar te benijden hebben, krijgt hij een geeseling.... vlàn!.... op zijn naakten rug; maar wordt hij voor de tweede maal betrapt, comprenez-vous, dan hakt de beul hem op het hooge huis, tout court, de rechterhand af. En zoo het ten derdemale gebeurt, begrijpt u, of ook wanneer de diefstal groot is, dan oefent de bestolene op 't Kasbah geroepen, zelve recht en brandt met een gloeiend gepunt ijzer.... s.s.t..... den toch onverbeterlijken dief de oogen blind; u zult ze wel hebben gezien, er zijn er hier eenigen, ze zitten bij de poorten, of aan de markt, op de hurken te schommelen, te bedelen met de linkerhand en roepen het medelijden van de voorbijgangers in, op het deuntje van hun miserabel geloofsartikel: 'God is groot.' Gij zult ze gemakkelijk herkennen, ze zitten altijd met den neus in de lucht, zoekend het licht op hun verschroeide oogen, die er precies uitzien als de oogen van zangvogels door den vogelaar blind gebrand.... straffen.... 't lijf pijnigen.... eh bien.... daar hebben ze hier verstand van.... middeleeuwen noch inquisitie vonden verfijnder tortures dan deze kaalkoppen van schurken.... ik noem bijvoorbeeld: 'les mains au sel'.... excuseer mij zoo ik u niet verklaar wat dat zeggen wil.... trop horrible.... trop.... maar gij begrijpt.... zulk een recht jaagt er de vrees in."
Kordaat in al zijn doen had hij een nieuwe sigaret van het buffet genomen en ontstoken, zeggend, "hij rookte te veel", haalde de teugen in, blazend den stralenden rook zijn sper-neus uit, en zat dan met het witte dingie tusschen zijn nog onderrichtende vingers. Hij besloot:
—"Je vous dis.... la peur, c'est une bonne chose."
—"Assurément, la peur, c'est une bonne chose," beaamde monsieur Badaud, "ik herinner mij, hoe 'k eens in Algiers"....
Maar de dokter viel in de rede:
—"Zou mijnheer daar, niet gelooven gaan dat wij heiligen zijn, monsieur Badaud.... oh, als u een Arabier was...."
—"Taisez-vous, docteur."
—"Ah bah, monsieur Crépieux, vous avez raison.... la peur, c'est une bonne chose.... je me tais."
En teruggezakt in zijn onbewegelijk-zijn, verborg hij zich achter rook-mondevollen, terwijl de beide heeren kameraadschappelijk elkaârs gezelschap dadelijk weêr zochten, Badaud rooder geworden bovenop zijn koonen.
—"Bepaald," zei hij half-hard-op, "de dokter is dronken."
—"Sans doute," bevestigde monsieur Crépieux.
—"Is het geen zonde van een man met zoo'n intelligentie?"
Johan, die wel voelde hoe dit eigenlijk tot hem gezegd werd, was niets op zijn gemak.... wat drommel, konden die menschen hun vuil linnen niet en famille wasschen.... kwam die vervelende meid maar terug.... Antonio was ook al gevlogen.... als ze nu kwam, ging hij dadelijk weg.
Gepulver van goudstof, zakte de zon in de straatgeul neêr.... 't liep naar twaalf uur.... achter den zonnedamp was de steeg als breeder, de witte muur van het werkplaatsje stond achteruit, van warme weêrschijnen bebeefd. En weêr een loopende man deisde voorbij, badend nu in den lichtdamp, hard en dichtbij klepte de slag van zijn sloffen. Boven den drempel uit zat het knechtje steeds ijverig te pieken, vol aandacht turend op zijn prettig getreuzel, maar schimmig verschijnend in zijn blank hemdjasje, zijn lichaampje verteerd in de kracht van het krioelende licht.
Diep en donker brokstemde van achter uit de kroeg het gepraat der beide heeren; zonder het te willen was Johan er bij, moest hij luisteren naar wat ze vertelden. Crépieux klaagde over de moeielijkheid fatsoenlijke Arabische vrouwen te naderen, maar monsieur Badaud beweerde dat ging wel en vertelde toen een geval. Uit den hoek reutelde een slurpje.... blijkbaar rekte de dokter zijn grog.... wat een zonderlinge man, roofvogelneus onder weeke open-luchts-oogen.... waar had hij dat kijken meer gezien.... was 't niet....
—.... "En ik hield een vijf-pesetastuk in de hoogte, zóo!" verhaalde monsieur Badaud, "de vrouw keek om, in haar kleed onzichtbaar.... ik lokte, zóo; ze kwam dichterbij, kijkend bangig over de heggen van aloë's; ik weet het nog heel precies, in de verte tegen de berghelling op was een Moor met een span roode ossen aan 't ploegen. Ze kwam, aarzelend wel, maar ze kwam; ik bleef den vijf-frank toonen, zóo. En telkens omkijkend, ik was nog meer den hoek omgegaan, of ook iemand haar zien kon, kwam ze tot bij mij en maakte toen haar gelaat open.... En of ze mooi was.... dat zou 'k meenen.... ik heb haar gekust op mond, oogen, partout.... natuurlijk voor de vijf franken."
—"Gelogen," drifte dokters stem den hoek uit.
—"Maak u niet boos, monsieur Badaud."
—"Ik zeg u dat het niet waar is, dat het een onmogelijkheid is voor een Europeër een Arabische vrouw te kussen.... moi aussi, je connais un peu mon Afrique, monsieur Badaud, une putain, oui, se découvre, nooit een fatsoenlijke vrouw, c'est de la blague...."
—"En als ik u toch zeg...."
—"Zeg wat u bevalt te zeggen, ik zal u zeggen, dat het niet waar is."
—"Ivrogne," schold de kolonel onder zijn favorites.
Bah, wat stonk die kroeg naar kaas, 't was er benauwd, onaangenaam.... eindelijk....
Stuivend om den muurhoek, slobberde in haar violette jurk de Jodenmeid naar binnen; het koelwitte papierrolletje, als iets dat ze gevonden had, hield ze in de hand vooruit. En achter haar rug om, in den stofregen van bleekgoud vroeg-middaglicht, zag Johan, met éen blik, den mooien jongen schooier, dien hij daar straks op het Zocco gezien had, in het vierkant der wagenpoort treden, op zijn bloote voeten ging hij, voorzichtig met teêren tred. Aan den overkant keerde hij zijn rug tegen den muur, trok zijn been dadelijk op, zich schikkende zoo goed en kwaad dat ging, in zijn voddenmantel.
—"Ik vraag u duizendmaal verschooning, monsieur le peintre," kwam Antonio de gangpoort uit spreken, "maar die meid vertelt een heele geschiedenis, ze is overal geweest, 't is overal druk in de bovenbuurten, vanmiddag gaat de processie weg."
—"Wie is die man daar, Antonio?" vroeg Johan, schichtig.
—"Soleimon? o, een arme gek: hij wacht daar bij mijn buurman op zijn eten."
—"Spreekt ge Duitsch, Herr Maler?".... 's dokters stem was al haar kantigheid kwijt, "ja, ein wenig?.... mag ik u raden voorzichtig te zijn, als ge dien man soms teekenen gaat, een gek, dat is een heilige hier, verstaat ge?.... de Arabieren zouden het u kwalijk nemen, ze zijn wat fanatiek, als ge 't nog niet weet."
—"Men zal mij geen kwaad doen."
—"Zoo, gelooft ge?"
—"Voilà, dokter, eindelijk iemand waar ge meê praten kunt."
—"Merci, Antonio, maar ge vergeet den redacteur van de Réveil, l'Alsacien.... en onzen minister dan met den blauwen bandelier...."
—"Ha, ha!" schaterde de herbergier. Toen, Johan opgestaan ziende: "om twee uur, vergeet het niet, gaat de processie weg, ils partent du Grand Zocco."
—"Verzuim het niet, het is zeer interessant. Ce sont des religieux, des fous, des mangeurs de moutons. Men moet dat zien, 't is zeer belangrijk uit een ethnografisch oogpunt."
—"Merci, monsieur Crépieux."
—"Mag ik meêgaan?" verzocht de dokter, haastig zijn hoek uitgeschoven.
—"Adieu, mijne heeren."
—"Om vier uur kom ik aan 't atelier, dokter," riep monsieur Crépieux, bazig.
—"Bonjour, Antonio."
—"Au revoir, docteur, mijn groeten aan uw minister, ha, ha, ha...."
De beide mannen waren de kroeg uit en onder de zonne-neêrzinking. Achter zich hoorde Johan, Antonio's lachen nog rollen, toen zij 't gekje al voorbij waren. Rustig stond de jongen tegen den muur te droomen, vertoonend zijn sterk en bloeiend spiernaakt, stil lachend zijn gelukkigen glimlach, bestrooid nu en belooverd met zon.
Ze gingen naast elkaâr.
—"Ich möchte wohl mit Shylock sagen," begon de dokter, als iemand die hardop denkt, "Antonio ist ein guter Mann," toen plots zichzelven voorstellend, en met de oogen vragend den ander, zei hij: "Mein Name ist Vogel."
—.... "wat ge me daar vertelde is zeer karakteristiek.... also Sie sind Holländer!"
Zij daalden door de breede hoofdstraat, recht onder de zon, midden loopend in den uitgezakten weg over de hobbelige keien naar de haven omdalend.
—"Drôle de pays votre Hollande."
Ze gingen langs den bazar, een tentoonstellingshuis, opzichtig beschilderd, met achter de vensters, uitstalling van filigrane-mooie dingen, en van veel aardewerk, dat naar buiten glom uit de schaduw van 't mineraalkleurig verglaassel. Ze liepen de moskee langs, waarvan de kerkpoort wijd open, maar 't inzicht naar het heilige als achter een voorhang versloten was door een hoogopstaande mat. Zweeterig-gele sloffen, bij paren schots en scheef op den grond, want daar binnen was 't altijd gebed. De straat droogde tot wit, er liep geen mensch in de straat.
—"Oui, ik ben er tweemaal geweest."
Op de moskeetrappen en onder den rullen straatmuur lagen duistere kerels languit te vadsen, als gestrafte dieven plat op den buik, en er zaten er gerugd tegen den wand, vodderig, met den kop weggeschrompeld in de schaduw van de kap; hun monden waren opengevallen in de lamheid van den slaap.
—"Ja, tweemaal.... wie die Zeit schnell geht.... voyons.... ik was in Amsterdam voor een internationaal hygiënisch Congres.... gemoedelijke lui die Hollanders.... en de tweede maal, om relaties te zoeken voor een andere groote reis door Afrika's binnenland, die ik toen prepareerde.... ik was niet altijd wat ik nu ben.... wissen Sie.... verstandige lui die Holländer.... natuurlijk is u ook een zeer intelligente man."
—"Hoe zoo?"
Ze gingen drinkbakken voorbij, waar paarden aan slobberden, roodbruine, als nieuwe kastanjes glimmend onder de zon; een melkwitte hinnekte, den toom op den nek tusschen het gespleten maanhaar; ze stonden met uitgerekte halzen, water morsend langs de soepele lippen en langs de gele graastanden, de bitten rinkelden tegen de bakken, ijzergeluid klinkklonk in de zonnige straat.
Bijna zonder eigen schaduw op den grond stapten ze; Johan zag naast zich den dokter loopen, grooter dan hij zelve, al liep deze ook met een ronden rug, als in de schouders geknakt. Vogel ging voort in zijn schunnig-blauwe jas, glimmend tot langs de beenpanden, de hand aan zijn pijp, rookblazend veel boven zijn stijven romp, voorover geheld ook in de daling. Hij ging zoetjes aan, als iemand die over den schouder wat voorttrekt, als een myop mensch met halfdicht turende oogen. Nu van ter zijde bekeken, was zijn snavelneus het voornaamste van zijn gezicht, schedel en kaakstuk leken onbelangrijk bijna; aan zijn voorhoofd, dat druk van rimpels, bultte onder een ouden flaphoed, groezelden uitgebleekte, als weggeschroeide wenkbrauwen. Weifelend kromp de kin achteruit, stekelig van roode en grijze stoppels, ook waren zijn wangen slordig onder een baard van acht dagen; maar klein en verstandig schulpte het oor met een dikken luisterrand. En zijn mond verdween geheel onder een bos half-cirkelende snorharen, in 't midden als pegeltjes, altijd nat, onder de dubbele beademing van mond en neus.
Ze liepen de straat af, de weg elleboogde, en een poorttunnel door. In den dunnen schemer zat er een schildwacht op een bank, als een vrouw in witte kleêren, alleen zijn oogen leefden. En zij daalden tusschen stomme muren, wallen; hoog was het zonblauw.
—"Verstandige lui, uw landgenooten," vervolgde Vogel in een droge, opsommerige gewoonte van maar-door-praten, "en extra-ordinaire gemüthlich." Hij gebruikte een onverschillige manier van redeneeren, bandeloos sprong hij over van 't Fransch- naar 't Duitsch-spreken.
—"Die brave monsieur Crépieux met zijn schorpioenen.... dat wil entomoloog spelen.... aartsdomme kerel.... ik had ze wel in een half uurtje kunnen gevangen hebben.... maar een anderen dag.... wissen Sie.... als ik een dag wat veel gevangen heb, deponeer ik er wat van in den toren.... niet zeggen, hoor.... Antonio versteht mich.... moest Crépieux niet begrijpen kunnen, dat met nat weêr niet te vangen is.... wijntje gedronken.... wissen Sie, met den wachter van den vuurtoren op kaap Espartel, een landgenoot van me.... nu ja, Oostenrijker.... ik ben Hongaar.... zijt ge al geweest op kaap Espartel?.... Neen.... mooie wandeling...."
Als iemand die de behoefte heeft zich uit te praten na lange stomheid, raffelde zijn stem; lijmerig leuk, of spotziek, met een ietwat dikke tong en dan in eens heel rad of het van binnen bij hem stookte.
Een Arabier draafde achter een ezel tegen de straat op: brandrood gloeide zijn fez. De vent begon zijn beest te slaan en aan te schelden, omdat 't niet voort wou, maar met luie gretigheid lipte langs de rottige muurkanten naar de dorre distels.
—"Weet ge wat die meerschuimen pijpekop daar langs ons uitschreeuwt? 'Vooruit, hond van een Christen,' roept hij naar zijn bourriek.... We staan niet erg hoog aangeschreven, vindt ge wel.... de kerel verlangt naar zijn slaapje.... ja, slapen, slapen te kunnen!"
't Pad geelde, want het strandzand begon den weg te bevloeren, 't loopen werd al moeielijk.... zoo dadelijk zou de zee wel verschijnen. Maar de dokter sprak voort en Johan's oogen begonnen van zelve het kijken te laten, hij begon meê te loopen in de dommeling van den praatroes. Telkens voelde hij wel het klotsgeschok van zijn teekentasch tegen zijn beenen, maar overigens.... Wie zou hij zijn, wat was dat voor een man?....
—"Badaud is een jakhals.... wissen Sie, en Crépieux.... ah bah!".... Vogel maakte met zijn pijp een zwaai door de lucht of hij lastige vliegen wegjoeg; het klakte sussend in zijn mond.... hij herhaalde: "ah bah.... wat kan dat u schelen!"....
—"Kaap Espartel?.... vier uren hier van daan," gaf hij antwoord op Johan's vraag.... "altijd als ge den ouden weg neemt, de nieuwe gaat in drie uren direct naar den toren.... menig keertje er geweest.... de rotsen waar de toren op staat, zijn rijk voor een snuffelaar als ik ben.... die vuurtoren.... als ze maar durfden, braken de Mooren vandaag nog dat ding af.... dom volk, zou amice Badaud zeggen.... maar ik vraag, wat kan hun die straat van Gibraltar schelen?"
—"Die toren? wel,.... die is daar gebouwd door een Fransch ingenieur, voor rekening van een internationale compagnie."
—"Ja!.... een compagnie.... une compagnie.... wie heeft ooit kunnen uitmaken wat een compagnie is, vraag zulke dingen aan Antonio.... al de mogendheden hebben er natuurlijk belang bij dat de vaart door de straat goed is.... die toren is een internationale behoefte.... voilà ce phare. Braun, mein guter Wiener, is daar wachter.... Immer ganz allein da oben."
—"Holland".... bromde hij weêr met zijn ontevreden binnensmondsche stem, als hij antwoord geven moest.... "Holland?.... weet niet, denk van niet.... Holland, zeg.... hoeveel malen zijt ge Holland buiten Holland al tegen gekomen.... Voor eenige jaren was hier nog een Hollandsch consulaat.... de Belgische is nog een groote heer hier.... maar 't was te duur, een eigen consulaat te hebben, en nu neemt een ander 't baantje waar.... dass versteht sich.... de Engelsche of de Zweedsche of de Belgische, of een die het op een koopje voor drie, vier landjes gelijk waarneemt.... hm, 't is een lastig ding.... vraag het maar aan Antonio, die krijgt al zijn brandewijn uit Holland.... sind ja doch wirklich ganz gemüthliche leute, die Holländer.... Drôle de pays.... Rooken dat is goed tegen de vliegen, wissen Sie!...."
Hij snapte, mopperde, dikwijls moeielijk voor den ander te verstaan; in zijn damp loopend, blies hij den rook machinaal voor zich uit.
—"Il y a là-bas du bon tabac, 't is waarlijk een culte bij u, al die mooie winkels waar tabak verkocht wordt, on dirait des temples!" sprak zijn stem hoog, met wat kinderlijks in het geluid.
—"Niet waar? beste tabak."
—"Ah oui, c'est quelque chose."
—"Een pijp goede Porto-Rico, hé?"
—"Daar herken ik u weêr.... Drôle.... Antonio heeft Hollandsche sigaren.... kosten bijna niets."
Al het toeschietelijke en kameraadachtige in zijn manier van praten was als in eens gevlogen. Hij zei niets, stapte voort, of de ander niet naast hem ging.
De weg verliep tusschen verweerd rotswerk. Links, waar Vogel sjokte, steeg de wand rechtop, berghoog. Het Hôtel Central stond daar, een groote til gelijkend, in de lucht.... "sapristi, wat hoog."
't Pad was enkel zand geworden. Tusschen de wallen door kwam het blauwe water van de baai op-en-op verschijnen, 't geleek een scheur tusschen heuvels en aarde; een witte schuimstreep, feestelijk als een lange veêr, wuifde en speelde er door heen. En vèr-in, met de illusie van stilstaande poppetjes, prijkten een paar boompjes, smal en rood onder de roze heuvels, nog in najaarsgebladert.
Hoog de zon.
Toen was de weg zoo een duin snel afdaalt. Zij waren de muren uit.
't Strand lag verlaten. Daar aan de borstwering, een eindje nog langs de zee, leunde een man met lange, bloote beenen, de schouders op.... 't leek wel een hoofdloos mensch.... stond hij te slapen?
De dokter vertelde onverschillig, voor den wind weg.
—.... "Ik herinner me vooral van Amsterdam een ouden mijnheer.... in mijn gedachten, rare gedachten.... noem ik hem altijd: le vieux. Tijdens het congres was ik meermalen zijn gast.... dat was een rooker.... hij had heel wit haar, overvloedig, als zij zoo zacht, en witte handen, verbazend blank met rose nagels.... ik zie hem nog.... het lachje waarmeê hij na 't diner een sigaar presenteerde.... ik hoor nog zijn zachte stem, als hij, na 't dessert, de mooie handen op zijn buik, rookende voluptueus en zichzelven bestreelende wanneer hij over zijn goed land sprak, zacht lachte.... o, suave, wanneer hij Fransch praatte.... en dan die handen met het rimpelige vel als hij goed gegeten had.... 't was zoo lekker dommelig.... dikwijls is 't mij later in Afrika's woestenijen gelukt, wanneer ik na een wilden dag, van overspanning onder mijn tent niet slapen kon, in te slapen door te denken aan 't geluid van die stem, zoodat ik 't hoorde.... te denken aan die witte, zegenende handen, zoodat 'k ze zag.... Le vieux bonhomme.... om u de waarheid te zeggen.... hij verveelde me soms geweldig, votre compatriote, wissen Sie.... c'etait trop doux.... Herr Gott, ja.... Eens herinner ik me, 't was bij een diner met de congressisten.... Gott, Gott.... wat is dat lang geleden.... mijn gastheer opgestaan, een toost van hem bij 't dessert.... ik niet alleen had een glaasje gedronken, wissen Sie.... 't was niet om te verdragen.... ik zat een eindje van hem af.... zijn mond ging open en dicht, gapen, geeuwen, 't was of hij sneeuw at, zijn woorden smolten in zijn mond. Toen heb ik mijn handen aan den rand van de tafel moeten vastklemmen, wissen Sie.... want ik wou opspringen en hem naar de keel vliegen.... het uitschreeuwen.... mais criez donc, nom de Dieu.... die goeie oude heer, hij had 't moeten weten.... We zullen maar wat blijven loopen hier aan de zee, vindt ge het goed?.... we hebben nog wel den tijd, 't is nog niet éen uur op de zon, dat klokje staat maar nooit stil.... 't is hier frisch, 't stonk daar ginds.... poeh.... petit homme, also Sie sind Holländer! Gij zoudt met mij niet in Amsterdam langs de straten willen loopen, hè.... wat zeg ik."
Onverwacht sprak hij op den man af, en evenals wanneer hij zijn wissen-Sie's uitsiste, loenschte hij om naar Johan, die zijn mond vol tanden voelend voor dien onstuimigen woordenstroom, de kwelling onderging van niets terug te kunnen zeggen.
—"Nun, nun," zei Vogel.... en hij suste weêr klakkend met zijn tong, "laten we hem met vrede; 't is waar, moi, je suis un homme fini.... waarvoor en waarom leef ik nog.... is het niet omdat ik te lui en te bang om te sterven ben?"
Hij was blijven staan, turend of hij wat zag boven zee, de oogleên in peinskringen om de oogen gekrompen, met een schuine vouw hing 't vel uit de kas, drukkend het bovenlid neêr; wat waren zijn pupillen zwart, verdonkerd nog in de staring, als een inkijk in zijn duister binnenste; het blauw er om heen brak onder de dichtrimpeling vanonder de oogharen.... zouen die oogen niet zoo zijn als hij gestorven was?.... Neen, dat was geen man die om meêlij bedelde.
Ze stonden beiden gezicht in gezicht. Stilte van een warmen slaap was om hen.... hoog de zon. Een blauwe rookgulp wolkte achter de snor van Vogel vandaan, vrij van achter de gulden tralies der knevelharen: lichtend wittig dan het licht in, stuivende pluisjes zondamp dan de ruimte door.
—"Wat is rook toch een mooi ding, hè!" zei Vogel.... "ach, Herr Gott, da fang ich wieder an sentimentalisch zu werden."
Ze stapten weêr verder.
Naast hen lag de baai blauw-uit, vlak gestrekt in zonnige rust. 't Water ebde. Loom deinden de lange waterbanen, rimpels en niets meer, onverwacht als denkplooien komen in een effen voorhoofd, kwamen ze op uit 't kalm soezende nat, met lange schuimuitkruivingen, bewegingen van zachte zwemmers, meeuwveêrwit aanscheren. Maar op het zand plaste het water uit tot een plots-kokende waterborreling, even kwaad, dan zoog en trok de baai zijn banen achteruit, pareling nalatend op 't strand, als bronwater op de tong, in een gisting van geruisch.
Aan den overkant lag blank, met een kerkspitsje laag, vaag een wit menschendorpje, aandommelend met zachte spiegeling onder den wal.... het vaste land weêr.... Europa.... maar verdroomd achter 't licht. Rechts, een bastion in zee, Gibraltar's dreigende torenschim, en met een sprong der oogen het waterblauw, de straat, over, de toegankelijke straat naar de onbekende groote en diep-in geweldig-lichtende Middellandsche zee; en dan de rood omsnellende heuvelreeksen.... Afrika al.... woningloos.... vèr aan den duizelenden horizon het gesilhouet van den Atlas, berg-ijs-blauw.... en vlak hierbij.... duinen.... wit zand met twee schrale boompjes als witte berkjes.... begoocheling van eigen stranden.... woestijnbegin en thuis, en dan een dadelijk verschrikkelijk gevoelsvisioen van dorheid en dorstlijen.
—"Ongeluk, 't is een ongeluk," zei Vogel, en 't klonk als een jammering in den wind, "een groot, goed mensch geboren te zijn."
Hij lachte luid na, even schril:
—"Vraiment, c'est du Sophocle.... waarom niet?"
Zij liepen over het natte en donkerder zand door de waterkeering verlaten. Het strand deinde onder de stappende voeten.
—"Des bêtises, wissen Sie, maar dat is toch erg, gehoond te worden tot het laatste, te moeten verdwijnen, zonder dat vuile, krieuwelige tuig, mijn innige verachting in 't gezicht te kunnen spuwen. O, ce Crépieux!" en zijn knorrige stem was met vocht beloopen, "hij is me de baas."
Ze liepen. 't Zand lag in lange ribbelingen; op de aarde, als op een reuzenschaal had de zee den geleidelijken achteruitgang gemerkt van het almaar ebbende water.
—"Vergeef me," begon hij wat weeker, "wat kan het u schelen als ik naar den grond ga.... ça arrive.... n'est-il pas que tout existe pour faire penser?.... maar och, ik zou willen nu, dat ge me gekend hadt, vroeger.... en waarom?.... dat ge wist hoe mooi ik begonnen ben.... Bah, wat brandt dat water daar fel in mijn oogen".... Hij spoog op 't zand, den mond vol speeksel, gaf een veeg langs zijn snor met den rug van zijn hand.
—"Attendez!" zei ie, "mijn pijp is vuil."
Hij stond weêr stil. Johan met hem. Vogel bukte naar den grond, zoekend een stokje of een strootje of een verloren veêr.
Het strand blonk nog altijd verlaten. Heel in de verte leek het wel of er menschjes liepen, donkertjes onder de ietwat al dalende zon. Walmpjes wind doesden breed aan, op de tong verziltte het speeksel, en een benauwde nicotinegeur ging om de pijp van Vogel.
—"Daar," wees Johan naar den grond den dokter aan, die laag, bijziende als hij was, met de handen scharrelde.
—"Daar, neen, die is te kort."
—"Is die goed?"
—"Merci."
Ze kwamen beiden op, Vogel even kreunend.
—"Badaud?" vroeg hij, met zijn pijp onder zijn oogen peuterend, "hoe vindt ge Badaud.... kolonel.... geloof er maar niets van.... de la blague.... ach, Badauds kunnen alleen zwakkelingen als ik ben kwaad doen, wissen Sie.... maar Crépieux.... pas op de Crépieux."
—"Zoo," zei Johan, zacht meêgaande en proevend uit den klank de bedoeling.
Stom was hij naast den dokter blijven loopen. De kleine vertrouwelijkheden van dien man, van wien hij voelde hoe hij onder de zon al in den dood leefde, bleven in hem vallen en brachten meê hun eigen zwarte beklemdheid. Hij liep naast Vogel, soms met het onpasselijke gevoel dat angst voor iets onbekends geven kan, iets dat men uit zou willen spuwen, zoo kropt het in de keel, en dat men maar niet van zich af te zetten vermag. Hij bracht zijn handen aan zijn zij, instinctmatig, als om zich zoo bij elkander te houden.
—"Laten we teruggaan," sprak weêr in rookdamp, Vogel.... "'t is half twee.... hoor, de muziek is boven."
Schaduw sloeg al voor hun voeten uit op 't korrelglanzende zand, schaduw als van dwergmannetjes. Het zachte branden van de middagzon prikte Johan in den hals nu.
Ze gingen. Vóor hen om de kromming der baai praalde de stad in 't op- en uitgestapel van haar bordessen, met het optronende hooge huis, zonblokkend op de schroeierig roode rotsen. Gelijk een star maanvisioen verscheen Tanger boven de blauwe pracht van het soezende water, onder de luchtblauwe overspanning van den wijden hemel.
Beneden donkerde het havenwerk, rommelig, maar verlaten van drukte; een keikleurige pier stak het water in, en de Moorsche lichtervaartuigen met de dwarslijnen van hun ra's met gereefde zwarte zeiltjes, guirlandeerden er tegen de vuil-blanke onderste huizen van de oude stad. Maar zie, lager naar het strand, daar was al beweeg van omloopende figuurtjes, wittigheidjes van burnous en kleurtjes van kaftans. Ze gingen schichtig de walstraat in.
Buiten de baai, in de wijdweg blauwende waterruimte, van plezierscheepjes scheen wel, witte zeiltjes.... twee, drie, vier, als driehoekige vogelvlerken.
Maar uit het stil stralende stadje zoemde, en al dichter en duidelijker, het openluchts-joedelen van een herdersfluit, woestijnmuziek, en toen aangedragen op den wind, het ondergrondsche gebom van een geslagen trom; 't woei weêr weg, maar jagen kwam een wilde snerp, dol geworden, zich opslingeren in de lucht.
—"Ik vraag mijzelven af," ging Vogel voort, "waarom toch vertel ik u dat alles, aan u, dien ik voor een uur nog niet kende.... steun zoeken.... zwakheid van me.... 't is waar, ge hebt geen kwaad gezicht.... laat kijken.... dat bedriegt wel.... dan.... gij zijt een Hollander en ik ken uw land tamelijk wel, votre drôle de pays," begon hij weêr te schimpen.
—"Ge schijnt erg in uw schik die uitdrukking gevonden te hebben," liet Johan merken dat hij geraakt was.... "of, en dat is niet aardig, ge wilt twist met me zoeken."
—"Waarom?"
—"Omdat ge nu al zoo dikwijls hetzelfde zegt."
—"Ah bah! zet er u toch geen gal van, jongmensch.... 't is om te lachen.... lachen, lachen.... meer waard dan de vrees, die de patroon.... pardon.... monsieur Crépieux, ons zooeven aanprees.... leer lachen.... Bah, daarvan komt al mijn kwaad.... ik deed het nooit genoeg.... Zeg zelf, wat baat het mij nu, lachen te kunnen.... en wat scheelt het een ander als ik vroolijk ben.... u, par exemple.... over uw Holland, en pour cause...."
—"Dat doet me zeer."
—"Allons donc, 't is de moeite niet waard."
Met de zon in zijn nek, begon er kwaadheid in Johan te schroeien en hij flapte uit:
—"Ik wou dat ge uw mond hieldt."
—"Dat zegt monsieur Crépieux ook, ha!"
—"Ge kent mijn land niet, al denkt ge 't, gij hebt niet het recht met mij te spotten."
—"Allons donc, votre Hollande est tout bonnement un pays fini."
Vlàn! als een klap in 't gezicht, ontving Johan Vogel's onverschillig in den wind gegooid oordeel. Hij had een twist, een kibbeling verwacht en gewenscht, maar nu dàt, als 't eindbesluit na een lange redeneering sloeg zijn kwaadheid stuk. En het was of er een ander naast hem sprak, toen hij zijn eigen wrevelige stem hoorde zeggen:
—"Ge liegt."
—"En waarom?"
—"'t Is niet waar."
—"Ah, jongmensch, ik weet het heel wel.... ge zijt artist, et tous les artistes rêvent aussi un peu la gloire de leur pays.... maar zeg, waarom zou ik liegen, waarom u plagen, wat kan het u schelen, herhaal ik, wat ik meen, ik.... ik die de gewoonte heb gekregen alles luid uit te zeggen wat ik denk.... waarom?...."
—"Waarom? waarom? weet ik het?".... zonder het te willen deed Johan Vogels stem en manieren na.... "gij die...."
—"Ge durft niet.... omdat ik een verloopen kerel ben, wilt ge zeggen, is het niet zoo? wat is de waarheid eenvoudig, niet waar?.... ik wou dat dat water niet zoo helsch glom.... maar, petit homme, dat maakt het mij juist zoo gemakkelijk te zeggen wat ik denk.... où est donc votre fameuse intelligence?.... menschen als ik.... zijn als groote gekken, wissen Sie, ze hebben niets te verliezen, ze hebben niets te bewaren."
—"Verdomme," vloekte Johan.... en hij zei maar wat.
—"Wat, wat zegt ge.... goeie individuen.... maar zijn die niet overal.... onder de.... Dinka's, onder de Hongaren, n'importe.... waarom dan niet in uw Holland.... sans doute, 't is là-bas als in mijn uitgeblonken leven.... vonken nog.... ah oui.... opflikkerende vonken.... des morceaux de pensées.... maar het lichaam.... wissen Sie, la masse reste inerte, frappée d'apoplexie."
Wederom moest Johan maar wat zeggen, verslagen. Wat te antwoorden aan de driestheid van zoo'n naren kameraad, die in de vernietiging van zichzelven, den ander te treffen wist in zijn ongelukkige origine.
—.... "Waarlijk.... ge hebt gelijk, waarlijk, das bewegt sich, ça existe, 't maakt leven.... jawel.... als deze zee, wissen Sie, die maakt ook leven.... hoor.... maar in waarheid beweegt het water niet, water is traag, voortgaan doet het niet.... 't schommelt, 't schommelt.... uit.... thuis.... un songe.... begoocheling van beweging...."
—"O, we hebben nog kracht, we zullen nog veel.... we zijn nog rijk."
—"Steinreich, niet waar?.... Zijt ge 't bij geval zelve?.... Herr Gott, noch einmal.... daar weet ik van.... rijk.... waar is dan toch uw rijkdom.... une tradition.... als uw heele bestaan là-bas.... Rijk.... des vaches.... voilà une trouvaille."
—"We hebben nog, we hebben...."
—"Wat?"
—"We hebben nog groote artisten, par exemple, tout le monde le dit...."
—"Jessus...." hoonlachte Vogel met zijn hand aan zijn oor.... "daar heb je den ouden heer weêr.... hm.... hm.... een volk dat groote artisten heeft is zelve groot.... want de artisten komen toch uit het volk.... qui le dira, je demande.... Hij heeft ze mij genoeg aangeprezen, uw artisten.... le plus fameux.... une femme, n'est-ce-pas? et.... mais ce sont des vrais Mormones là-bas.... Drôle de pays.... dat is er van gaan houden zoetjes gekitteld te worden...."
—"Ik waarschuw u, mijnheer!"
—"Dreigen geeft niets.... dadelijk doen.... nu is 't al te laat.... nu zijt ge alweêr wat kalmer...."
—"Petit homme, petit homme...." vervolgde hij, gemoedelijk lurkend, "zet u er toch geen gal van.... à quoi bon?.... voorheen heb ik ook wel eens gedacht, sprekend met een goed mensch là-bas, dat uw vroeger zoo sterk, zoo springlevend volk zichzelve suicideerde, bewust, omdat 't niet anders kan.... maar 't is niet waar.... wissen Sie.... comme moi, traînard.... oh! ik weet wel.... ah, bah.... gaan we maar weêr naar boven.... even aanloopen bij Antonio en daar, wed ik, offreert ge mij een glaasje.... drinken, een sigaar in de zon rooken.... voilà, mon cher, voor 't oogenblik, absolument quelque chose."
Hij had Johan onder den arm genomen, maar die, wrokkend, zei:
—"Neen, daar houd ik niet van, ik loop liever los."
En de zee verdween. Daar op de borstwering leunde nog altijd de man, of hij te slapen stond.
Van-om de haven daalden nu veel menschen: vrouwen bij tweeën tredend, spookrecht in hun omsluiering; sommigen hadden een ronden bobbel uitpuilen van achteren, door het onder de doeken op den rug gedragen kind; en heeren, kalm loopend, ook in omsluiering tegen de zonnebranding. Veel mannen, werklichamen, kwamen op hooge naakte beenen aan, die ze uitwierpen, neêrspalkend de voeten in de smakkende muilen; scheenspieren spanden taaie vezels onder kuiten als van hard hout. Forsch met de armen zwaaiend, weken zij den hoek om en de walstraat in, dadelijk kleurend in samenlooping, of gingen den buitenweg op die achter de muren cirkelt rond de stad.
Johan en de dokter liepen meê in de walstraat, maar Vogel, thuis, sneed al gauw een zijsteeg in, en ging toen links en rechts, wankelend over 't lastige pad als een dronken man, in zijn pijprook schier dravend. Ternauwernood hield Johan hem bij. Langs versch gekalkte, met oker besmeerde muren gingen ze, lage slopjes door, nauw en gedrongen in gelen schemer, soms pakkend op een hoek een worp zonlicht gelijk een neêrgeschoten pijl. De straatjes volgden elkaâr, vaal als harpuis of wittig van wanden, bespat, bedrekt, waar een oud geluikt raam en op de ribbels met zand bestoven, soms met kruishouten dicht was; over een weg vol gaten struikelde Johan met telkens zwikkende voeten den dokter achterna, hoog en laag door de drogende modder, over struiken en groen, bossend en bezemend overal, vegeteerend in den vruchtbaren zonne-schemer.
—"Loop toch wat aan," riep Vogel.
Dan gingen ze voorbij een kleine deur en met een snellen inkijk zag Johan als in een droom, er een vrouw staan in een hemelsblauwe pantalon die uitpofte, opgeblazen scheen om de dijen, maar om de enkels straks was. Zij hing kleêren over touwen te drogen, hief de armen boven het hoofd op, het zwarte vestje plooide langs haar borst, soepel in 't witte onderhemd. Kin en bovenhoofd had ze, als bij een gekwetste, in doeken gewonden, aan haar voeten graaide een kind over den vloer van gebakken steenen en spartelde met de naakt-blozende beentjes in de lucht. Verderop verliet een Moor zijn huis, overstappend het drempeltje, neêrbukkend uit het lage kozijn, met een verstoord kijken ging hij norsch voort. En een schrale Hebreër, schriel-spichtig van kop, met een pluizigen en wormstekerigen baard, die een oude vijgenmand aan een touwhengsel in den knik van zijn arm had hangen, die een tooneelachtigen wandelstaf telkens tikte op den grond, liet hen voorbijgaan, groetend beleefd met de hand op zijn hart, door de looze oogen nieuwsgierig vragend: "wie zouen dat zijn?"
De muziek wandelde, scheen wel, oproepend door de stad. Onverwacht, gelijk aanwaaiing van tocht, zoemde bij wijlen het schreien van de verre rietfluit, en dompte het geboem van de gong; het was met den vinger aan te wijzen waar de muzikanten liepen.
Vloekende, van binnen nog kwaad, strompelde Johan achter den dokter aan, die zwaaiend met één arm, met langere beenen harder loopen kon.
.... Duivelsche vent, dat noemt zich òp en wat kan hij nog hard loopen.... Kijk, zijn eene schouder is hooger dan zijn andere.... en een neiging kropte in Johan's keel om Vogel uit te gaan jouwen, onder het loopen hem na te schreeuwen.... Zeg, struikel niet over je scheeve hakken! zeg, trap niet op de randen van je pantalon! Sapristi.... daar kon je op loopen, dat klonk als een deuntje.... trap niet op de randen van je pan-ta-lon.
Nog een hoek om en weêr een bocht. Vogel gaf een ezel die in 't straatje graasde, een stoffig-klinkenden klap op het kruis, 't beest sjokte uit den weg.... toen, een eindje snel dalend en ze waren als neêrgevallen midden in de straat, in eens herkend, die van 't Kleine naar 't Groote Zocco gaat, en waar onder de zon de drukte in de breedte drong.
—"Te laat voor Antonio," zei de dokter, even keerend, "de muziek is achter ons, boven, hoor maar!"
Dof, in een breede uitrolling van een geluid dat veel lucht verzet, dichtbij gehoord als na-dondertjes over wolken vertuimelend, bonsden nu de slagen van de donkere trommel: boem, boem, boem, gronderig onder het neusachtige getoeter van de klagelijke klarinet.... hoor!.... dat klonk als een melodietje, almaar dezelfde vijf, zes nootjes, je zou ze kunnen teekenen, het overspringen van de krijtende klankjes, een lijntje als een snel bliksemstraaltje, zigzaggend, en dan den gillenden snerp, recht.
Een keiige vloer, baande de straat op; drukte joeg onder de huizen, storend telkens de eenzelfde beweging van kalm opgaande menschen. Aan weêrszijden der straat winkeltjes; tusschen de lieden door zag Johan weleens een koopman gehurkt zitten op zijn mat, in de schaduw en aan 't rooken alsof er in de wereld niets anders was te doen, keek hij uit stil-bruin, doffige oogen den voorbijgaanden menschendrom aan. Op de platformen boven de winkels stapelde veel opgeborgen pakhuistuig; manden en tonnen, vervreten door regen en veel zon; hooger stegen dan weêr muren naar het blauw.... Daar gaapte een zwarte hoefijzerpoort over de hoofden.... van een hal, leek wel.... en kijk, daar puntte de hellebaard op van den marabout.... van dien aansteller in zijn splinternieuw oranje theaterpak.... den heilige met zijn gemeene, branderige oogen.... Zie, hoe dat ding gepoetst was en blikkerde in de zon.... Die vent liet zich teekenen.... dat had de gids verteld.... Een Belg had eens een schilderij naar hem gemaakt.... een heel duur.... dat weêr had Antonio verteld.... Hè.... wat rook die Arabieren-rug daar vóór hem.... muskus.... en uitwaseming van sterk vleesch.... 't stonk wild....
Zij liepen al onder den walmuur, nu aan het Zuidwesten van de stad. Ze gingen de straatpoort door. Daar zat zoo'n gestrafte dief, de oogen verschroeid als bij een blind gebranden vink, in den zonnigen post, onder de deur weggedraaid op sterke scharnieren, zijn godsdienstig deuntje te zingen. En Johan moest neêrzien op zijn dood gezicht, achterover met den jammerenden mond.
Tusschen de fladderende, kleurende en lawaaiende drukte gingen de beide Noordmannen, bijna schouder aan schouder, meê op den rhythmus van de veelvoetige beweging.
Tusschen de hooge walmuren onder het Kasbah liepen ze als door een droge vestinggracht. Hoog brokkelden de zon-oude steenen der kanteelen als een hoekig plooirijgsel onder de glinsterende lucht. Bossen wintergroen onkruid pruikten uit de voegen, slierden er langs neêr aan de roestrood harige wortels.
Nu, als tot een bastion, dijde de gracht uit. Smeden hadden er hun werkplaatsjes gemaakt in de uitpuiling van de muren. Een, gebukt boven den op zijn knie geknikten paardepoot, de fez achterover tegen het afvallen, hamerde het glimmende hoefijzer vast.
Toen, zooals water persend gaat door een duiker, drong de drukte samen en het enge Zoccopoortje door. Zij waren buiten.
En in Johan's oogen klaterde hel het zonneruim van het groote Zocco.
Het marktveld, beginnende met zware aarde, uitschuivend zijn drekkige heuvelgronden, rommelde van volte, krioelde van zich weghaastende kooplui. Links daalde de volte in de stadsmuur-schaduw, of was daar de markt nog in vollen gang; maar rechts rezen de terreinen in amphitheaters stijgend, en stonden daar beplant met stralende gestalten, met rijen van sluier-vrouwen.
In het dal-midden, waar onder het aantreden naar de rijen, de vloer telkens bloot schoof, in sombere lijnen als versch opgehaalde ploegvoren onder het neêrschuinen van den lichtvloed, golfden en sleepten de loopende witte plooien door 't bonte lawaai; maar hooger schaarden zij zich saâm, blinkende stil, tot een volk wel, in de zon-atmosfeer.
Tot waar de helling het hoogste tegen de rimpellooze lucht aanging, stonden zij, beeldjes achter eveneensche beeldjes; tot onder de heggen van het kerkhof: aloë's, die ratelden van groen licht op hun vervaarlijke stekels, die slurpten in hun schaduwen het hemelblauw en waar bovenuit, zooals een toren steekt uit een stad, een gladde obelisk steeg gelijk een naald stijf verstorven licht achter den rouwwaaier òp van een eenzamen ceder, stonden de stille vrouwen in het al-parelend warm blank van hun bezonde gewaden.
—"Waar blijft ge toch?" riep de dokter, vooruitgeloopen, naar Johan.
—"Maar kijk dan toch!"
Gelijk een schreeuw die plat slaat tegen de ruimte, hoorde hij fel zijn eigen bewonderend roepen en om zijn slapen ging een blaaskou van sidder-wind.
—"Wat?.... daar?.... vrouwen, die als wij op 't weggaan der gekken wachten, die, dàar en daar met die groote hoeden, dat zijn vrouwen van Tetuan."
Vogel had zijn pijp in de hand genomen en wees er mêe naar de stroohoeden, gelende dingen tusschen de lichte gewaden.
Zij begonnen den weg te loopen die als een waterbaan tusschen landen de terreinen inging. Johan rechts boven zijn oogen almaar ziende in de zonnehal het statuen-staan van de witte vrouwengelederen. Hard voelde hij den straatweg aan, maar langs de kanten was het slijk hobbelig, als water in kabbeling bevroren, bekuild, betrapt met de duizenden gaten van de voetstappen. In de vlucht van zijn oogen bleven de heuvels opglooien uit den weg: aarde-voortschuiving onder de menschjes, modder verkorst en molmend in de zon, maar omgewoeld weêr, zwellend van sop en onderaardsche kleuren; vertrapt gras en verrotte rommel, saâmgekloend voederhooi en geknakte stroohalmen die als gouderts-aderen flikkerden onder de zon in de rosbruine gronden; disteltjes en eendaagsch onkruid, schijngroen, onder het geschuif en gewrijf der almaar haastende voeten van de mannen die gingen met veel lawaai.
Doch zoo een vlieg dwaalt naar de kaars, keerden Johan's oogen van zelve naar de vrouwen, staande in éenzelfde berustende wachting, breed-blank, staand-blank; elke gestalte besterd voor 't hoofd, fataal, met een blauw-zwarte plek: de donkere plooischaduw voor hun oogen.
—"'t Is mooi, zeg!"
Maar de dokter ging het pad op, zei niets, smal, als verkrompen plotseling in zichzelven, en Johan, met de armen uitbundig geworden, had het genot in zijn oogen vochtig, wiegde zichzelven mêe op den schommelenden hooggang van zijn klimmend lichaam.
Overal haastte zich de marktdrukte henen, langs de straat, overstekend de straat en weêr kuilend de modder, voorbij hem, achterom hem, in plasserig beenenbewegen, links in een almaar gebuk naar den grond, bezig met de overgebleven koopwaar. Het was daar een geploeter van veel handen uit wijde mouwen gestoken, zonbruine handen sjouwende goorgele korven, soepel vlechtwerk aan groote biesooren op en dan ze tillend met een hijsch op de ruggen van de suffende ezels, of ze bij tweeën langs de basten in evenwicht ophangend, en klaar er meê vort, hooger op, lager in, altijd aan den gang. En onderwijl schreeuwden ze onophoudelijk, zetten de lucht om hen aan den gang meê; kruisschreeuwen, dwarsschreeuwen, keelstooten vol haast en zangerige uithalen van hun winden woestijnstemmen galmden over de glinsterende hoofdbollen, grommelden over den rommeligen grond onder het gebuk van de gekaftande mannen door de zon op de ruggen geslagen, krijschten met het gedraaf van de geburnousde mannen met kanten zon om kopkappen en mouwplooien;—een volksrommel, uitlichtend zóo tegen de groote stille schaduw van den stadsmuur, die plotseling als met een snede, achter de veranderzieke lijn van het licht, de kleur en de beweging in zich dronk.
Zij gingen.
Links nog, maar meer van hen òp en verder, was het veld begrensd onder de tintellichte lucht. De zonnebol, door Johan schuin boven zich gevoeld als een brandend groot vuuroog dat het gezicht wel verschroeien kon, vernietigde het blauw der eindeloosheid rondom zich wijd, wijd-weg.
Dáar uit de laagte optrekkend, zette de muur zich voort tot een buitenwijkje in huizingen zonder vensters, hoogblokkend, laagblokkend, verkalkt, verweerd, vervuild, éen geworden met den grond. En overal er tegenaan was hokwerk, schuurtjes, stallinkjes van rotdonker plankenhout, en vlechtwerk als hutten voor de zon, schaduw-inkijkjes gevend, en overal beplekt met kalm zittende witte menschjes aan den rand van de markt. Ginds een stuk steenvierkant, afgeknot gelijk een vervallen toren, met schietgaten; er naast en er tusschen verliepen hegjes van gevlochten riet, de pluimen nog in de lucht. Maar in 't midden van den huizentroep en het hoogste, was een oud, opgeknapt huis, wittig, met een pannendak en een jalouzieënraam, en op den muur een schreeuwende moderne reclame, zwarte letters: "The Britannia."
Zij drentelden langs een lang huis onder een regenoverhuiving, aan den straatweg gezet gelijk een loods, met halfronde, open poorten, als een karavanserai omstapeld met rommel en markttuig. Een knutselige betimmering van paalwerk en met veel zorg gevlochten takken zag hij als een loofhut tegen den muur gehecht, aan alle kanten open.... Zou dat de Beurs kunnen zijn?.... koopmannen zaten er te rooken of kopjes thee te drinken.... handelend misschien wel.... ze konden van-op hun matten de geheele markt overzien. Een Arabier als een vredebode met een palmtak in de hand, blikte uit den inkijk.
—"Daar ga ik morgen zitten werken," zei Johan.
—"Ge zult het wel laten."
Vooruit ging de straatweg het terrein uit-enden, bolde om tusschen de glooiingen en de diepte in, niet meer met de oogen te volgen. Rood loof van den achterweg kroonde er boven.
En ze liepen naar het einde.
Rechts streken de heuvels naar het kerkhof op, achter zich een dal latend, waar de hemel als in neêrviel. En daar tegen de helling rezen stijf en onthuis, in een begonnen begrenzing, gelijk de eerste huizen van een nieuw ontworpen wijk, het Hôtel de France en de Spaansche Fonda:.... dingen van speculatie, overbodig en karakterloos uitziende dingen, die ge wel zoudt willen omschieten, zoo onnoozel stonden ze daar het uitzicht te bederven.... Het eerste was een villaächtig heerenhuis, damesgezichten plekten er uitkijkend voor de ramen, een kellner.... hoe kwam de snoeshaan hier.... met een wit voorschoot als een rok om zijn beenen, stond er strak in de deur.... de Spaansche, meer armelijk, als stal en koetshuis van het Fransche.
—"Dàar!" wees Vogel tegelijk omkeerend op het pad, "logeerde ik vroeger.... nu ben ik in pension.... ginder, buiten den muur.... ook bij een Spanjaard.... daar slaap ik met nog een ander, een photograaf, een luien Zwitser, nog luier dan ik, in een klein kamertje.... 't is er wel wat benauwd, maar 't kost niet veel.... ah bah.... 't slaapt wel.... als ik maar slapen kon."
Ze gingen terug, den weg weêr af.
Nu vóor hen, zooals een tunnelopening in een bergwand een spoorweg eindigt, boorde het Zoccopoortje waar ze waren uitgekomen, den muur in. Rechts kleurden kramerijen, zadels, kameeltuig. Maar uit het gat der poort drong in durende botsing het helle in- en uitgaan van de bezige mannen, en van de vrouwen, die gesloten aanwandelend opklommen naar de wachtende witte gelederen, blinkend nu links boven in Johan's oogen onder de glorie der zon.
—"Hoort ge nog muziek?" zei Vogel. "Kijk.... dàar, dat zijn de fameuze tuinen van den Zweedschen consul.... en daar, waar die man op zijn wit paard rijdt, de kolonel.... ziet ge hem?.... achter die vier vrouwen.... ziet ge het?.... een goed paard, hé.... daar gaat de weg naar Kaap Espartel.... Lieber Herr Gott, als ik nog denk aan Crépieux zijn schorpioenen.... aartsdomme kerel...."
Hij wees, maar dadelijk weêr halend aan zijn versch gestopte pijp, naar 't gekruin van donkere boomen, groen als sombere cypressen met hun rossig stammenhout. Ze schaduwden stevig onder den schroeierigen opstand der rotsen bestapeld met de oude stad.
De volte werd al dunner, de drukte draafde. Kale plekken begonnen te liggen tusschen de nog groepende menschen, stukken grond bespikkeld met den afval van den handel. En vrouwen die er pas nog zaten met de zoor-zanderige voeten bloot, hurkten, rapend de gele waterflesch, den bast van een uitgedroogden pompoen, naast zich op; dan schikten zij zich de plooien voor het gezicht recht en stegen ook naar de stilstaande rijen. Enkelen droegen nog hun onverkochte koopwaar, boenders, karbiezen, of goudgele kippen aan de pooten saâmgesnoerd, de vleugels lam hangend, de lellen rood; zij klauterden met de bulten op den rug van hun meêgedragen kinderen, met hun van pijn luid kakelende marktwaar.
Hoog en ongezien de zon, zacht dalend.
—"Voilà!" riep de dokter.
En als de snerp van een aangeschoten wilden vogel sneed er een blaasgil recht uit een houten fluit over het Zoccoruim. En een teruggalm, dadelijk, weêrgeluidde nu van de hooge heuvels: een breede gil groette wijd, het blanke vrouwenvolk hoogkeelde in éen zonnekreet:
—"Dzji.... dzji.... dzji-e."
Door de poort was een legertje uitgedrongen, twee vaandels bukten onder den boog nu door, blauwbloederig-violet was het eene en het andere van een gelig schel voorjaarsgroen. Ze verschenen met plotsflappende schitterlichten op het verguld van de halve-manen.
't Legertje bleef met de voorvoeters stil op den straatweg staan. Een klein troepje in witte boetelingenhemden, acht misschien wel, en nog een twintigtal waren er donker in dagelijksche kleeding.... Maar de drukte kwam aandraven al met flakkerend wisselspel van kleur, en het schaartje ineens omstuwd, verdween voor de naar beneden kijkende oogen van Johan, die den dokter toen vergetend, aan 't hard meêloopen begon, het pad af, recht-aan op de zijïge banen der twee vlaggen, trofeeënd boven de krioeling langs de hoog gehouden stokken met hun gouden sikkels.
Het hart van den loop nog bonzend, was hij toen middenin den troep terecht gekomen en had vóor zich een grooten, stroeven man, die half in de krooken van de violette vlag, den stok tegen zijn buik geklemd hield en in een gelaten houding stond. Maar overal glurende, glimmerende oogen in een omstanders-kring, zonkoppen onder doeken gezien, met de tanden ontbloot door het optrekken der lippen in het zonnekijken en allen bedonkerd onder de baarden en in de jukken van de wangen. In het midden blonken de stille witte ruggen van de heiligen.... dat was een vrouw.... en naast haar nog een, eveneens in het witte boethemd.... de grootste heur haar hing los, glanzende losgemaakte strengels glijdend langs den rug.
De drukte duwde, en Johan kwam te staan naast den trommelslager, bij een ouden neger, grijzig en krullig van baardjes, wenkbrauwloos, maar met een vlok als een kuif wol midden op zijn stoffig-zwarten kop.... een duister oud lichaam in de aschkleurige lappen van een niet thuis te brengen hemd. Zijn taaie nek werd gestriemd door een vet koord.... kijk, in zijn borstgleuf hing een amulet, geschaafd was de huid van den ouden man, die slaande de doffe slagen, boem, boem op een trommel gedragen als een overlangsche ton, zijn gebarsten lippen breed en paarsch openspleet in een geheimen lach, zijn oogen in de haarlooze leden rondglibberen liet, en 't wit er van was roodig.
Naast hem de pijper onder een witten tulband priesterlijk aan 't staan. Een mantel van blauwgaren stof droeg hij over den rechter schouder geslagen, bloot latend zoo den linker met de witte mouw. Statig gebogen hielden zijn armen de blaaspijp tusschen mond en kin, die half verdwenen achter een houten schijf als een grooten ducaton er tegenaan geschoven. En hij blies, hij blies, de lippen gekneld om het enge mondstuk, de wangen vol wind als twee elastiek appelronde blaasbollen, onophoudelijk, terwijl hem de oogen benauwd puilden als van een gemarteld man.
En krijtende om de houten randen van de windpijp, scheurde de snerp langs Johan's ooren heen, ongebroken, dan dadelijk geknakt in zijn stijgvlucht door de moduleerende vingers van den muzikant, wanneer hij de windgaatjes kneep. Krimpend en kreunend, neusklankig, in zijn houttrillingen oproepend het menschelijke van eene stem, joedelden de vijf, zes klagelijke nootjes, het melodietje, als een donkere zig-zag en klangden naar de lichte lucht.
Vóor den blazer, achterin, voorbij de hooge stijging van de groene vlag, bewoog een verdolde, schichtige kop vol genezen nerven, een bovenhoofd gekliefd door de litteekenen van de hakken der zelfkastijding; en een nek van de kleur als dood loof kwam schudden, door ijzeren kettingschakels omsnoerd; en hoogeròp zwaaide een hakmes, de blinkende hellebaardvorm van een moorenbijl.
Naast achter den pijper zaagde een hand heen en weêr over een snaartuig, over een rommelpotachtig ding.
Maar Johan voelde een stomp en toen een ruk aan zijn tasch, hij raakte naar achteren; een snauw ging recht uit den donkeren baardsmoel van een wilden kerel zijn gezicht in; twee haatoogen, dat was het laatste wat hij zag. Hij was 't gedrang uit met plotseling veel luchtkou om zich.
—"Hoort ge niet, "hond van een Christen," dat ge uit den weg moet gaan."
Vogel stond achter hem.
—"Dwaas, wat komt ge die menschen irriteeren, ga meê, ze komen den weg langs dansen, daar kunt ge zien zooveel ge maar wilt, kom!"
En ze liepen haastig, allebeî den weg weêr op.... tot onder de loofhut waar de kooplui kopjes thee hadden zitten drinken. Nu stonden dezen, rustige rijken, in het inzicht van het hutje, onder de wijde kappen uit te kijken. Nieuwsgierigen waren op de tonnen geklommen en op de stapels koopwaar onder de karavanserai gestapeld, er waren er die om voorbij de anderen te kunnen zien, den voet vooruit hadden geplant op de ruggen van de suffende ezels.
—"Voilà!" herhaalde Vogel.
Van beneden kwam de stoet al opdansen; en langs de hoogten rommedomme schalde ten tweedemaal het schelhelle vrouwengehuil, hooguit als hondenjanken:
—"Dzji.... dzji.... dzji-e!"
Over de straat, uit de bont-klimmende omstuwing, onder de wilde vlaggen-kleuren met het geschitter van de twee gouden sikkelen, sloegen op en neêr, lichtend en duisterend van uit de verte, haarhoofden en boven-aangezichten: de knikkende hoofdbollen van de dansende heiligen; terwijl in 't rechts-alomme het ophitsende gillen van de vrouwen begon te duren tot een oorlogsgeroep van slagorden, een wolk lichtende klankpijlen stijgend en vallend onder de zon.
Laag over het pad snerpte de herdersfluit bezetener, en het triolend melodietje overschreide er het bange dompen van trommel en gong.
—"Dzji.... dzji.... dzji-e!"
Langzaam op, langzaam aan, het stoetje klom, sprong voor sprong, den grond onder de voeten winnend, in een rechtoppe cadans van het springende lichaam. Aaneengesloten was het hoopje witte gekken tusschen het meêgaand gedrang.
Achter den troep spande de walmuur zijn bezonde baan, lang, strak uit, ging dan wimpelen naar boven over de rotsen op.... En de witte stad hoog in de oogen als een pagode gezien onder 't azuur der lucht.
—"Dzji.... dzji-e.... dzji-e!"
De gekken naderden aan in eenzelfde dansen; 't hoofd óp, licht; schouders óp, licht; het hoofd neêr, donker; 't lijf ongezien op de beenen óp en dan het hoofd weêr óp, en de muziek blazend in de slingerende halzen óp. Maar de vlaggen stil aanschuivend. Zoo kwamen ze aan met hun martelgang.
—"On dirait des kangourous, n'est ce pas!"
—"Dzji.... dzji.... dzji-e!".... ijlden de blanke kreten.
Ze waren tot voor Johan.... bijkans.... nu....
En tusschen de voorbijschuiving van het donkere joelende volk zag hij de hoofden der twee springende vrouwen; toen kreeg hij gezicht op hun witte lijven met de devoot hangende armen.
De vèr-affe was teêr en wasbleek onder de serpentbundels van haar zwart-zwiependen haren. Ze hield de oogen dicht, neêr de rouwfranjes der wimpers; en haar mond met de bloedlooze lippen hield ze geknepen tot een smartglimp omgekrompen in de pijnigende inspanning van de jammerlijke beweging. Maar zij danste met een rein, recht opgooien van haar afgetobd hoofd in het licht; recht òp den schouderromp met de fijne borstpunten in het licht; rein òp het witte boetelingenlichaam, en ze viel weêr op de voeten, den linkschen voet vooruit, klaar al voor den volgenden sprong. Dan plooide het lijf voorover in doorval met de hangende armen, en het hoofd dan laag met den daarna zwaar zwart ploffenden haarbos.
—"Dzji.... dzji.... dzji-e!"
Naast haar de dichtbijë: een bruin-roode en glimmende vrouw, forsch uit haar hemd komend, sterk en kort en een beetje zwaarborstig, met een volkskop onder krioelende haren. En ze ging den zelfden gang maar gespierder, de ellebogen knotsend, de vingers stompig krom en leêg hangend, den romp zich overgevend met de schouders. Zoo sprong ze in een schuin opschokken, persend den buik naar voren, en haar gezonde nek rimpelde in den opgooi van het hoofd. Zij hield ook de oogen gesloten.
Daar kwamen de mannen, de witte, achter de vrouwen aan; allen aan 't springen op denzelfden bezeten lichaams-rhythmus, maar met meer geweld van leden, spillend kracht met de behaarde en mager-donkere ascetenarmen. Daar éen met een witten band om zijn stompen schedel achter de ooren gestrikt, die de glimmende kogels van zijn oogen rollen liet in den opzwaai van zijn verstarde facie, uitstallend zijn geweldig gek-zijn voor de joelende meêlooperij.
—"Dzji.... dzji.... dzji!...." gingen de ziedende kreten.
Van de beide Noordmannen ging het witte stoetje al af, en nù voorbij de kleurende en naspringende en meêdansende bende. Het volk begon uit elkaâr te vluchten, dravende over het zonveld, brokkelig hier, kloenend daar weêr samen op goede standplaatsen, van waar men de gekken nog éens zou kunnen naoogen.
Voorbij ging de trommelman, de grijze neger, die aandriftend, zijn oude beenen in de hoogte meê opsmeet soms, maar slaan bleef almaar zijn doffe slagen en lachte almaar zijn breeden, wellustigen geloofslach.
En de pijper in zijn blauwgaren mantel voorbij als een leviet; uit zijn wangen vol wind blazende de opwinding den heiligen in de nekken, de onophoudelijke razendmakende eentonigheid van zijn krijtende woestijnmuziek.
Kop voor kop, lichaam na lichaam ging voorbij, òp-neêr, òp-neêr; de dragers toen voorbij van de schrille banieren, met de handen om de stokken stil, hoog heffend hun vlaggen met de branderige schaduwen in de hangende plooien, met de halve manen in vuur.
De drukte draafde voor het stoetje meê op; het gedrang er achter spleet al grooter en grooter, de springers waren vaak voor Johan als een schooltje te zien in hun gezamenlijken opgang, zoo zij zich opgaven van den grond in d'eenzelfden schok; òp-neêr, òp-neêr. En onder de duistere voeten dansten dan donkere slagschaduwen over het hobbelige pad onder den schuinser vallenden licht-overvloed.
—"Dzji.... dzji.... dzji....!"
Maar zooals een hond holt om de beenen van zijn meester, kwam nu in cirkelenden omgang de Arabier met de kerven in zijn voorhoofd en met de oogen rood beloopen, het legertje omdraven, gaande in wijdgenomen kringen achter Johan en den dokter om, de heeren voorbij; de vlam-lichtende moorenbijl hoog.
—"Dzji.... dzji.... dzji....!"
Hij torste op zijn rug een lang blok zwart hout als een groote flesch, als een spitsig aambeeldje van zwaar ijzerbeslag glimmend, en om zijn doffen nek, draderig van de touw-achtige spieren en aderen, snoeren van zware ketens, die neêrschakelden tot over zijn buik. Hij hield hangsloten door zijn vleesch geregen, door 't dikste van het armvleesch, en hij kreet uit een open martelmond met uitgeslagen tanden, schorre, zinlooze geluiden.
Alzoo toegetakeld en rammelend sprong hij, niet voelend scheen wel, zijn godgewijden last en stampte dan als zich bezuipend aan pijn, diktranende en donkerroode bloedstralen zijn vaste kuiten uit, die hij doorstoken had met ijzeren naalden, zooals pennen gaan door een stuk opgemaakt tafel-vleesch. Weg!.... achter het legertje om.... daar ging hij met zijn dreigende bijl, licht-flappend in de zon....
Hooger danste de troep. Knikkend sloegen de hoofden voort onder den zweepslag der bezetenheid, weg weêr, donker, licht; òp, neêr, òp, neêr, gelijk de koppen van riethalmen buigen en zich terugzetten onder het slaan van den wind; de kronkels vrouwenhaar slierden, de vlaggen brandden, en krijtend snerpte de houtfluit.
—"Blijf hier staan," zei Vogel, Johan met de hand inhoudend, "ze zijn toch dadelijk weg.... zoo gaan ze naar Mekkaenes, van heiligen-graf naar heiligen-graf, groeiend onderweg in getal, biddend en vastend.... en op den dag van de geboorte van hun profeet komen ze dan terug, wissen Sie, na een paar weken, uitgevast, dol gesprongen, complétement fous."
—"Dzji.... dzji.... dzji-e!".... groeide het over de heuvels.
—"Ah bah!" vervolgde Vogel. "Ça me paraît bien un fort bon grog, la religion.... voilà donc encore quelque chose.... ah bah!"
Hij spoog op het pad. Johan hoorde zijn speeksel kletsen tegen de straat en de rookwolk uit zijn mond gegaan, zag hij wegwitten in de ruimte.
Wijl òver de heuvels doomde het licht. In het holle wegje bobbelde het troepje gekken; weg sloegen de hoofden, langzaam zakten de vlaggen al met hun bloederig paarsch en schel voorjaarsgroen.
En van de hoogten rommedomme ging nu als windgehuil, als klaaggeschrei van hongerende beesten, het roepen van de vrouwen, die lichtelijk gekeerd, stonden in het parelend warmblank van hun zonnige gewaden.
—"Dzji, dzji, dzji, dzji-e!...."
En de stoet ging weg onder een hallelujah van het hooge geluid, duikend naar-onder het roode loof met een laatsten blinker op het goud van de halve manen, weg onder het hallelujah van het hooge middaglicht.