Achter de heuvelenvlucht van het Zocco was de zon alweêr gedaald. De lage hemelen langs vervloot het nu al verre schittergoud wijd-uit in strooken en banen kleur, intenselijk als metalen gebruineerd, geel koper, rood koper en bleek aluminium; gestolten licht; brandglansen walmend over dwaalschijnsels en verloren zweemen; en 't hemelgewemel, dat groende als warrelgevlam van zink en natron, smeltende in veel heftig vuur. De aarde donkerde snel; gedoofd lagen de gronden onder het vuren van de lage atmosferen, asschig in de kuilen der dalen van duister vol, maar op de terreinen hoog, nog gevioletteerd, begloeid door het lichtrag uit den horizon.
Langzaam daalde nu Johan naar de stad terug, kalm onder den blusschenden hemel.
Hij had dien dag geloopen, veel geloopen maar door, het strand langs tot aan den riviermond en terug, toen, wat hij nog niet had durven doen, alleen tusschen de heuvels het land in; alle bezorgdheid en vrees voor kwade ontmoeting, hij had er niet aan gedacht. En in den namiddag was hij naar een bekend plekje gegaan, bekend geworden, achter het kerkhof, en hij had zich neêrgezet daar op het groene veldje, de beenen onder zich gehaald in een gewoonte-zitten. Het was daar goed, bijna een thuis, niemand kwam er. Van onder over het pad trok wel eens het lange loopgeluid voorbij van een muildier met schellen aan zijn tuig, en het "huï-huï".... van den drijver. Dat was alles. Achter de heggen kon hij vrouwen hooren babbelen, maar niemand kon door dien gegroeiden muur heenzien. Andere avonden was het zoo lekker geweest daar te zitten wachten op het donker; er zoo onbespied lang-uit te gaan liggen, rustend met al de leden, de armen wijd-uit en de handen open, als een gekruiste op d'aard, te liggen kijken zoo, tusschen de stekels door, hoe de hemel somberde. En weêr had hij, terwijl allengs het veldje bleeker om hem werd en de blaadjes van het ronde kruipkruid blikkerden als schijfjes geld, de planten-schutting langzaam-aan donker zien worden, groen-donker, blauw-donker en bister-donker; en nu mineraal-zwart, leken het wel versteende stronken van reuzige koolgewassen, zoo hard en fossielig stonden de aloë's tusschen de pluizen van het week wuivende riet. Maar de vrouwen waren opgehurkt van bij hun graven, hem voorbijgegaan hoog loopend langs waar hij ongezien lag, daarna was hij ook opgekomen, om vóor het sluiten der poorten nog binnen te zijn.
Rondom dauwde van den grond het duister. En het was als een vlaag donkere regen geweest daar voorbij de stad, die tronend met het bleeke Hooge-huis, haar steenschijn al verloor. O, de stille avond, de zachte avond. Beneden lag daar ginds het water van de baai te duizelen, meêviolettend onder de verre strandheuvels, strekkend hun schuiningen uit in het weefsel der nachtkleur, lila's en blauwen doordraad met rood en esmerald. Voorop ijlde de minaret van de moskee de huisblokken uit, daaronder verzonken in dit uur van het gebed.
Het was in 's wandelaars hoofd nu een kalmte als voor slaap, nu de moordende gedachten niet meer jaagden, nu ook de jacht van zijn hart uit was. Avondrumoer zwom aan in zijn gehoor in een laag spoelen van golven, terwijl hij ging, ging, aankijkend met de al-leêger blikken, den al-bedroomder hemel. Langs het kerkhof volgde hij een smal spoor tusschen de zoden geloopen; het was hierboven kil en woestijnig; lucht van runderen wademde in zijn ingeadem.
Staâg tredend de glooiing af, voelde Johan zich loopen als zette een ander zijn voeten aan den gang. Daar lagen de lastbeesten al neêr, de pooten gevouwen, saâm kuddend, saâm laag. Eén was er nog tegen de lucht aan 't opduisteren; of hij mank was, stond de kameel op drie pooten, gekluisterd, te herkauwen stil met den rechtgedragen kop als een windvaan voor 't nog-lichte, maar met de hoeven verschrompeld al in den duisteren dauw.
Van beneden kwam nu het buitenwijkje opdringen in een gerommel van plekkerige wanden, en de smerige stadsmuur kartelen uit de diepte van het marktveld, bibberen uit een dal vol schemer met schemerend beweeg. Er achter schoven de huizen fosforesceerend onder den vallenden nacht. Zie, de poorten waren nog niet dicht, zwoelzwart om in te kijken, al trager gingen zijn voeten nu over de dikke delling van het marktveld, over den met voetzoolgaten veel bekuilden grond.
—.... Vandaag veertien dagen dat ik hier ben, kwam even een herinnering zwerven.... toen weêr vergeten.
Hij ging over den straatweg, tusschen menschen, met hen meêloopend in de oplossing van het licht, zelf lichtloozer en vol al grooter leêgte, gedachteloos, gelukkig zich zoo wegsmelten te voelen gaan. Dat was een vriendschappelijk gevoel, dat was genotrijk geworden, dat kwam bijna elken avond weêr, wanneer hij alleen was, dat leêgworden in het langzaam ontastbaar worden van de dingen om hem heen. Dat kwam schokloos droevig, zonder smart, als langzaam bezwijmen bij veel bloedverlies, dat dampte alles weg, begeerten, minnen en haten, alles weg in de éene neiging naar het weg-willen-wezen.
Langs hem haastten de gangende steêlui voorbij; enkelen en bij meer; vrouwen schuivende boven het ratelen der baboesjes, in nachtwitte omhuiving; mannen stoer en groot, roeiend met armen en beenen voort in den avonddroom, al verder-op zich meer omwikkelende met duister in dit stervensuur. Ze verdwenen, klimmend de muren langs naar de hooge stad, of ze doken den nacht van de poorten in. Daar ging de sprookjesverteller, gelijk een bekend gezicht in sluimer komt en gaat; en het vage herinneringszien kwam als een knipoog meê, van dienzelfden man, den slangenbezweerder.... Avond aan avond had hij naar hem staan kijken, nooit kunnend scheiden van die markt; een bekend figuur met zijn tasch was hij er zelve geworden; tot in het late uur doolde hij er, wanneer het veld blond lag, wijl achter de heuvelen de zon zoo pracht-stil van de aarde wegboog. Dan stond die man in zijn wit hemd, en vóor hem kringen van in goor-witte krooken en vouwen verscholen Arabieren-volk; de voorste rijen gehurkt; hij gebaren aan 't maken met zijn oud-roode tamboerijn, schuddend de haren, die zwart en lang als bij een vrouw, en begroezeld met vuilnis waren. Met strootjes om de staarten aan een pin gebonden, sliertten zijn slangen slap over den grond, venijn-geel gekronkeld, glibberig languit, schimmelachtige dingen, onbewegelijk en smerig. Maar de tongpriemen flitsten en vlijmden hun de harde bekken uit, streelerig, koudmakende wellust-rillingen, wanneer gaande in kringloop, de naakte voeten van den slangenman, als bezeten dingen langs hun koppen dansten. Grimasseerend zat het volk dan te luisteren, knippend de oogjes, klein en sluw, om de wreede neuzen rilde het, opgegaan waren ze in het voor Johan gansch onverstaanbare verhaal, dat over hen als uitgeniesd werd. En ze begonnen te prevelen en zij kusten handen en gewaad zich, zoodra maar Gods naam werd aangeroepen op den slag van de tamboerijn.... Nu draafde de man zijn loop naar huis, geweldig spannend den grond onder zijn koelbloote beenen, de ben met slangen hing morsig achterop zijn rug, een flard van zijn wit toovenaarshemd hing onder den grauwen lapmantel neêr.... weg.... weg.... rinkelde de tamboeriene langs zijn zij.
Johan slenterde over het veld, dat kreetloos leêg werd, waar ezels en honden begonnen te dolen, snuffelend met de snoeten in 't schuifelende afval, schaduwen. Toen vond hij zich loopen op de straat achter twee heeren aan, hij tredend bijna in den stap van hun voeten. En in zijn hoofd redeneerde even het bewustzijn, hoe hij wel loopen kon blijven tot die twee naar binnen gingen.... Dat was tijdig genoeg, nog wel een uur vóor het diner.... Zoo bleef hij een eindje achter de schommelende en schemerwitte mannen stappen die toonloos liepen te babbelen naar elkaâr, lip-redeneerden in den avond, onder de ommekappen, onder de koepels der tulbanden vandaan, zonder gebaren, de handen over elkander in de wijde mouwen. Een eindje vóor de poort keerden zij om en hij deed eveneens, liet ze voorbijgaan en keerde toen weêrom, achter hen aan loopend, drinkend den avond en het zieltogen van den dag. Soms voelde hij wel klein pijnlijk, licht in de verdooving van zijn wezen zijn maag gaan hongeren, maar dat was niets, er woelden soms krampjes van binnen, 't was of er telkens wat van zijn lijf afging en in den nacht vervloog.
Zijn kijken ging nu de leêgte tegen van aarde en hemel. Daar voor het nog smeulende lichte, stompten als hooger grond de Engelsche en Spaansche fonda's op, voor het groenige geviolet van de benedenlucht. Maar westelijker was een haal geel gebleven, scherend bijna de vluchtende terreinen, een haat-flakker van brand nog in dat eindelooze gemurmel, in den sluimer der kleuren, in de al-aarzeling der ommerijzing.
Hoe langs hoe meer dampte de violette nacht de vallei vol. Onder Johan's tam-gaande voeten verzonk de straat, die aanschokken bleef als met wiegetred zijn slaapzieken wandel, voortvloeide onder de andere wandelaars, de weinigen die, vreemde en verstorven wezens, doolden, gingen. Voor hem uit bleef het praten van de beide heeren gaan, vlinderende alleene-stemmen boven den grond, en ginds daar glimmerde de weg nog wat, waar de straat opging tusschen de glooiingen, onder het weeë schijnsel van de zwijmelende kim. Daar, in een gewissel van oude en verbrande gelen, verrookt, verroost, leefde nog licht boven het donkere alomme, luister ver-af, vaag als schijnsels die komen in de gesloten oogen na lang staren in het licht.... Want alles schijn en geen leven meer.... schijn, schijn, in de groote onstoffelijke wereld nu....
Johan ging terug, met de heeren mede, een onnoozele wel waarvan de gedachten verloren zijn, met als rook boven in zijn hoofd, het vaag gevoelde weten van zijn nog vlottende eenzaamheid.
Hij had dien morgen een brief ontvangen over Gibraltar, Engelsche post, de brief kwam uit Parijs.... Frits was in Parijs.... die brief had hem beroerd met een plotselingen terugslag naar zich zelven. Hij had hem bij zich gehouden, er meê loopen praten in zelfgesprek, hardop vaak praten met den verren schijver. Hij had hem aldoor gevoeld zoo kreukelend in zijn hand, daar gevouwen in zijn borstzak; de brief, de brief, dat was het ding van zijn dag geweest. Iets heel vertrouwelijks was het geworden, dat fladderende van-uit de ziel van een ander.
Van huis uit, door de donkere straatjes en toen door het lichte buiten was het meêgegaan: hier ben ik, hier ben ik, om je oogen te dwingen naar binnen, naar mij; hier ben ik, en ik groet, kijk hoe ik groet.... hier ben ik en gij zijt mijn broeder, langs ratelende, stalen banen kom ik gevangen aan.... hier vrij en zie, over de zee en door de luchten, hier ben ik.
En hij had gewandeld, vreugdevol; zie je wel.... zie je nu wel, op het van-binnen juichen van zijn blije ziel; het strand langs als een opgetogen kind in slangetjes loopend tusschen de draderige hoopen bruin sponswier, die de vloed op het strand nalaat. Luchtig, als was er in hem een dronkenmakend zonnegas; de handen koud; maar gevoeld aldoor het klieven van zijn warm hoofd door het zoel-schuimende licht. Wanneer hij er sterk aan had loopen denken, dan waren zijn oogen gaan wellen en in een weeke verteedering: O, ik wou, ik wou....
En den muur om, en de mierende drukte in, door de volste volte, roekeloos als hoorde de wereld aan hem. Een jonge, donkere kerel was woest gaan schelden en hij was tartend blijven staan: wel, wat wou je, wat zou je me wel kunnen doen, denk je.... en toen had hij in eens vergeten en aan 't lachen, aan 't lachen, omdat hij plotseling niets anders zag dan dien grappigen mond, zoo dicht bij zijn oogen, die ratelende en klappende en friemelende lippen. Dat deed plezier.... alles deed plezier.... wat een gek-doende mond, dicht als een doos die klemt en waar dan in eens rare dingen uitkomen, of als een tuitgaatje dat je bespuwen wil, of als een elastieke kouseband, dien je met je vingers kan rekken.... waar de man het wel over heeft....
En het klare blauw tegen en den buiten-bergweg op.... hier ben ik, hier ben ik, en ik groet.... en tusschen het wijd wegvloeren van de heuvelen, groen zaaigroen en roode vorenaarde, gonsde het in hem: hier ben ik, hier ben ik.... Zoo in den zomer je wereld kan vol zijn, om je en in je en overal, om het zonnezingen van maar éene cigale, had hij geloopen de vlakke wegen over, met zijn ziel zwervend boven een rust van gelijke gedachten, zoo ruim in den zondagschen dag.
Ja.... de brief had gelijk.... reizen dat was wel een heerlijk ding, vlottend te zijn in de vlottende werelddingen, gaan, maar gaan met je oogen vol droomen.
Telkens had hij er weêr in moeten lezen, lezen nog eens zulke in lang niet gehoorde woorden, vriendelijk en bekend, van ziel schijnende op ziel, bedwelmend als zoete zelf-vleierijen. En dan was hij 't schrift gaan bekijken, nooit genoeg, en de hand, de bekende hand had hij zien komen op het blaadje, en 't hoofd gebukt, donker boven de hand en de stille schouders, de sterkstille schouders. En dan de hand aan 't gaan, de rijen langs, strepend het papier, in de hersenkracht die zet de lange visioenen op 't papier, en den warmen bloedklop door de pen neêr op het papier, en dan de pen aan 't ijlen, dun dik, dun dik, op neêr, op neêr, krassend, hakend, opsjouwend tegen de koortsende emotie, in den drang van binnen, blaadjes vol nauw geboren woorden, doorhalen hier, vergeten woorden daar, en woorden onleesbaar als raadsels gelaten door de ontroering op 't papier.
O, die brief met zijn eindelijke erkenning; stond hij daar niet zelve zoo, nu plotseling het leven van die twee geleden zware jaren vattend, den wreveltijd van het stille verzet, en het langzaam groeien van zijn haat tegen al dat hem had willen fatsoeneeren, links en rechts.... ik voel me zoo vrij....
In een wedloop van woorden vertelde de schrijver, hoe hij het in Amsterdam niet had kunnen uithouden. 't Had wel een vlucht geleken, zooals hij was weggegaan, het hoofd zwaar van het omme-geredeneer, vies geworden van zich zelven. Naar Parijs was hij gegaan, hopend daar een grooter leven te vinden, dat meer om hem heen stond, waar hij stil en aan zich zelven overgelaten zou kunnen werken. En Parijs, het had zich dadelijk zoo mooi aan hem voorgedaan, nu in den damp van zijn eersten winterdooi, het licht-lilalillende Parijs met zijn schitterende dorures, het verguldsel als bajonetten-geflikker op hekken en spitsen en het geglans van zijn gouden reclames boven al de willige beweging van de boulevards.... o, je zult zien.... ik zal.... ik zal.... maar och, het is nu zoo'n genot, dat vrije flaneeren hier langs de straat, met mijn oogen maar voor me uit, de handen in mijn jaszak, de armen dicht aan mijn romp.... zoo vrij.... en zeker, zoo plezierig zeker, dat ik niemand kan tegen komen die het noodig vindt je aan je mouw te trekken, om je eens te laten kijken wat hij mooi vindt.... O, de stumpers.... En als ik moê word, dan ga ik zitten voor de ramen van een café, suf-oogen naar het spektakel; of van-boven een omnibus het prettig vinden het leven in den nek te zien, terwijl de wielen onder je zoo knarsig hun bedrijfleven gaan en het van de boomen zoo kalmeerend neêrdrupt in je hals. Als het me dan te binnenkomt, hoe ik me daar ginds kwellen liet tot in de wanden van mijn atelier, hoe ik er gewichtig moet hebben uitgezien, met een komediantengezicht, verdwaald tusschen al die bij elkaâr gestoken hoofden, dan moet ik lachen, lachen, en dan vindt zoo'n leuke Franschman het noodig te zeggen: "que j'ai l'air content." Maar ach, je weet ook niet hoe gauw je er in zit in dat bedrijfleven; blijf maar weg, als je kunt; dat het je nooit gebeure, hoe je op een oogenblik lucide, schrikt van te zien in wat een verwarring je meêliep, hoe ge alles zaagt zoo, en niet het stinkende gedrang tegen je zelven in.... Verbijstering.... Maar, hoor ze dan ook orakelen, roepend als marktschreeuwers, allen door elkaâr, allemaal en niets anders toch dan: ik, ik, ik.... Bah, wat een drukte, als je maar te gaan hebt met je oogen en rustig werkend, verlangend voort.... wat weten wij voor anderen, slangen die we zelve zijn met het staarteinde in den bek.... zoeken we dan nog wat anders dan ons eigen einde....
.... En gelezen en herlezen en meêgevoeld tot in het kloppen van zijn polsen, den naslag van dien in eenzaamheid gestilden toorn en het zachte zelfsussen van die onstuimige ziel. Hij was er in meêgegaan tot er hem de slapen van waren gaan gloeien.
Want in een opflakker van binnenbrand was het schrijven ten einde gegaan.... O, nu ik hier ben, los van dat zwatelende koor, alleen met een nieuwe wereld die tegen mijn oogen aanvaart en ze wijd open doet gaan, nu voel ik het nog meer, dat ik toch niets anders liefheb dan mij zelven, en al wat anderen doen en wat anderen praten me nooit gescheeld heeft. We babbelen daar wat over een wereld, die vlottend en broos is als van geblazen zeepwater en voelen niet, dat ons hongerend ik daar vloekt met zijn veel, veel, en er wel sterven zal.... Welk ander wijst mij mijn wondervol zelf, mijn zelf, waar ik in rondleef als in een roes van raadsels, dat ik liefheb en alleen begeer; och, ook nog in de dagen toen ik me zelven martelde en kwelde, adoreerde het toch zijn hoongod in 't carnavalspak zoo zeer. O, die weters, wij weters, onze monden zijn maar dingen die spreken, waarmeê we wachtertje spelen voor de poort van onze zwijgende begeerte.
Zoo weêr geschreven; en klaar als iets te zien, zag hij het gezet tusschen hen beiden.... en voor hem was het een antwoord geweest op zijn eigen vage gedachten. Want in zijne van natuur buiten zichzelve levende ziel wou het groeien in gezichten en in gedachten niet. Denken; wanneer was hij begonnen te denken, was het van 't jaar, verleden jaar of nog vroeger. Denken, peinzen, 't liefhebben van wat er zoo om kan gaan in je hoofd, het troetelen van je eigen overweging, het uit elkaâr rafelen van gedachtenweefsels en het weêr weven van nieuwe. Wat was er overgebleven van al de wijsheid, die hij toch aangehoord had uit beminde monden? Gezegden veel, die beelden opriepen.... maar wat al woorden waren niet voorbijgegaan. Doch, men had goed praten, ze waren gekomen, maar door, ongevraagd, de woorden met hun naweeën van gepeins.... Wij zeggen dat, denk er eens over, in brief op brief, van vriend op vriend.... En zoo gewichtig zagen ze er uit, de geschreven woorden, waar elke aarzeling in scheen verstijfd, heerscherig en overredend, al voelde hij wel dikwijls, 't was als een reuk op een afstand, dat ze kwamen van iemand, die zichzelven bedwelmde met woorden, woorden, woorden.... of van een overvolle, die van zijn kracht in den wind smeet, verzot geworden op het rondom martelen van zijn woordjes. Soms was het dan als een schreeuw in hem: "ze willen je kwaad doen, ieder wil je kwaad doen,".... maar de redeneering ten langen leste had weêr gevraagd: "waarom?" Zoo waren ze telkens blijven trekken aan vezels daarbinnen, die hij niet wist dat er waren, getrokken hadden ze aan al die draden, van zijn binnenste naar buiten uit, ondanks hem zelven, en met pijn, met pijn, spinsels van weêrwoorden, in brief op brief, aan vriend op vriend.... Ik heb een gevoel, placht hij vroeger van zich af te roepen, wanneer gevraag hem in het nauw joeg, of je mijn darmen afhaspelt; en het was eigenlijk nog niet veel beter.
Later ook.... vandaag de opleving.... had hij zich zelven opgedrongen dat het toch wel goed was en verstandig veel over alles te denken.... Maar och, het verveelde zoo gauw, en eer hij het wist stond hij voor een spiegel te spotten.... kijk, het baat niets, je hoofd blijft even groot.... wel, was lachen niet een wijs ding?
Destijds was op een nacht eens in zijn slaap een droom gekomen.... 't was ook weêr na een brief.... vriend N. heeft zijn baard laten groeien en ziet er nu uit als een profeet.... stond verteld.... Toen was een groot hoofd met een schedel als een koepel, een droogvellige gevelkop met plooien als van leêr, met tusschen de geloken oogledenspleet een lichtvaag, koel om van te ijzen, over zijn borst gebogen geweest. En het hoofd verlengde zich nog door een baard, een langen profetenbaard, eerst wit, daarna rood als oude wijnmoer. En dat stroomde over het laken en dat knapte in 't slepen als gloeiende metaaldraden die koud willen worden. En het hoofd, bovenop, dampte en borrelde gelijk water dat aan de kook is. En hij was, de ontzetting, in zijn droom gaan liggen tellen.... bij den hoeveelste zal de bol bersten.... En toen zat er zoo ineens een stoffig-zwarte stille spinnekop met zijn krommen voorpoot op het voorhoofd te tikken, oogenloos zat hij te tikken, en achter uit zijn zwaar lijf spon hij draden.... een ruim vol draden.... almaar draden.... Het wakker worden.... de nachtmerrie.
Dat alles was wel koud nu en om te lachen, maar toen hij las: "blijf maar weg", had hij dadelijk gevoeld hoe er bij hem uit al die doorleefde dagen een heftige weerzin gegroeid was, daarginds weêr te zullen moeten terugkeeren.... "Ik zal het rekken, ik blijf zoolang, als ik kan weg".... had hij voor kort nog in een brief gezegd.
.... Al vèr in den namiddag, naar zijn plekje gedwaald, was hij, willend weten hoeveel hij nog aan geld bezat, zijn gordel gaan losmaken, en zijn bezitting gaan tellen, stillekens het rammelen vermijdend.... Ja, dat geld, al was het zuinig geweest.... het was die twee jaar door toch maar altijd zoo gekomen, als iets dat vanzelf sprak.... maar nu was 't gedaan.... En hij was aan 't cijferen begonnen, zittend achter de ondoorkijkbare heggen, die hoog als olifantstanden over hem heen stekelden, en aan 't uitrekenen in zijn jaszakschetsboekje, als een oude duitendief over zijn schat gebogen.
.... Laat eens zien, was zijn gedachte gegaan, indien ik morgen vertrek.... maar dan moet ik eerst met de proviandschuit van het Engelsche garnizoen oversteken naar Gibraltar.... gaat met het kanonschot hier vandaan.... vervolgens van Gibraltar, den volgenden dag, met ezels en een arriero over Algeciras naar Cadix.... geen kijken naar, een veel te dure historie.... dus blijf ik liever.... over een week komt de Transatlantic in de baai.... zoo ben ik wel genoodzaakt hier wat te blijven nog.... en dat vindt je toch eigenlijk wel prettig. Men kan nu eenmaal toch niet alles zien.... al was het ook waar, dat je in die treinen en booten het karakteristiekste altijd langs vloog. Flap.... weêr een mooi ding voorbij, en zoo ging het altijd.... Eerst het hôtel.... zooveel.... fooi, zooveel.... als ik eens wegging zonder fooi, dat doen de Engelschen ook.... dan de overtocht naar Cadix.... het aan boord brengen.... die vervelende kleine dingen kosten het meeste geld.... je rekent er nooit op.... zooveel.
Van Cadix naar Sevilla.... daar.... den koffer lossen in el Cisno.... O jee.... daar ook een rekeningetje betalen.... vijf dagen logies.... neen zes.... zooveel....
Vervolgens naar Madrid, een lange zit, gelukkig was 't nu niet warm.... derde klas.... zooveel.
Dan, in Madrid allicht een paar dagen overblijven. 't Museum.... de Velasquezzen nog eens goed zien, en de Goya's.... de zaal met zijn ouden oppasser.... Vier maanden kopieeren, vier maanden.... et la bonne reste....
Dat was aanraken geweest van een oude wonde, want al had hij zichzelven gezegd er niet meer aan te willen denken, de wrok was er ingeroest en wou maar niet uitslijten.
Wat had dan ook niet al meêgewerkt om hem dat gedoe ongenietbaar te helpen maken, was het niet alles?.... En zoo het eens ongestoord had kunnen gebeuren, hoe zou het geweest zijn?....
"Waarom?" was herhaaldelijk door vrienden-brieven gevraagd: "vertel ons, waarom maak je toch eigenlijk zoo'n ding, waarom laat je je vier maanden van je rijk leven, in een tijd dat je geen raad weten moest met je vollen kop, je aldus kloosteren in een museum, is niet éen streepje dat je zelf gevoeld hebt, meer waard, en meer wenschelijk voor wat je bereiken wilt, dan al dat na leeren doen wat een ander heeft gelijnd.... geniet het, goed.... maar maak ons niet wijs, dat het voor jouw plezier is, het doen van zoo'n hondenbaantje.... neen, amice, een slachtoffer ben je van de domme school-traditie: groote mannen bestudeeren kweekt groote mannen.... stijl.... stijl.... wel dien hebben we te halen uit ons zelven.... en niet uit museums.... 't bederft je.... geloof me...."
En vaag had het toen door zijn gedachten getwijfeld:.... stijl.... je zelf.... is het wel heelemaal dat?....
Maar dat het voor zich zelven was wat hij deed, geloofde hij ook al niet meer. Was het niet onnoozel, zoo alle dagen aan alle wanden van het museum te zien, te moeten bekennen, hoe het juist niet het beste van een almaar heerlijk doorgegroeid kunstenaar was, wat je als voorbeeld werd voorgehouden.... En hij had die meening niet voor zich kunnen houden.... "Wel, dan doe je het om het geld of om een banale eer".... Een oudere vriend had daarentegen geschreven: "gij zult eenmaal blij zijn, een doek van die importantie te hebben vervaardigd." Ook al niet plezierig om te hooren.... Weêr een ander zei: "Nu je zelf vindt dat het onnoodig is, waarom laat je je dan nog langer exploiteeren. Kom terug.... je hoort hier.... wat hebben wij te maken met die vreemde landen.... Mauve!.... Maris!"....
Dat was wel zeker, hoe ook die eene schreef: "trek je toch alles niet zoo aan, je doet genoeg, neem maar wat plezier," zij moesten maar eens als hij hier zoo alleen zijn, dag in dag uit met je wrokkende zelf, al die anderen, die altijd wel een rug vonden om tegen aan te staan.... dat was wel zeker, dat hij ellendiger dagen nog niet gehad had.... pijn hebben is erg, maar als je lichaam lijdt en schreeuwt, dan is er geen mensch die dat geluid niet verstaat. In de zaal van het museum was het balkon een uitkomst geweest, daar kon je de spijttranen laten opdrogen in de harde zon en daar gaf het oude ventje stilletjes permissie sigaretten te gaan rooken; als 't werk je doodverveelde, kon je daar als een bedelaar met je rug tegen den muur gaan staan niets doen. Daar bewaarde dat kereltje ook zijn kruik met water onder een oude sombrero voor de koelte.... De heete dagen.... Dat oppassertje met zijn leuk rimpelgezicht en zijn vriendschappelijke op-den-schouder-klop-maniertjes van kom, 't zal wel gaan, houdt je maar goed, 't wordt mooi.... en dan dat baasjes lachen.... Krom stond hij er bij met zijn handen op zijn knieën, wanneer hij van al het Hollandsche gevloek van zijn beschermeling geen jota begreep.
Ook was gezegd: "het rijk krijgt die dingen meteen op een koopje zoo." Nu ja, geld was geld en 't rijk gaf 't.... maar 't was toch wel waar ook.
Het rijk, het land, de regeering.... dat waren nu ook weêr dingen, waar hij nooit een begrip van had kunnen krijgen uit officieel geschrijf.... was 't éen ding, waren het er honderd.... iets zonder houvast, dat niet aan te spreken was en dat hij toch almaar zoo door boven zijn hoofd gevoeld had.... het rijk, dat kon wel eens waar zijn, haalde er die subsidie-gelden wel weêr netjes uit zoo.... nog niet zoo dom, dat rijk; en als ze nu eens een kat in den zak kochten.... dat kon.... erg ook.... en wat zou het eigenlijk dat honderdkoppige ding kunnen schelen een kopie naar een beroemd schilderij te bezitten. Maar waarom gaven ze dan de toelage niet zoo, zonder meer.... waren ze bang dat je het in weelde verteren zou?.... neen, er moest wat voor gedaan worden, je kreeg het op een papiertje meê. Houden ze de jongens, die ze uitzenden voor futloos?.... wat stond er niet al overbodigs op voorgeschreven.... groote meesters.... natuur.... of je daar niet van zelven naar kijken ging.... je wilt toch schilder worden en dan.... officieel mensch als je bent, de gezanten complimenteeren, en die ontvingen je als lastposten en deden of ze voor de eerste maal van kunst hoorden in hun leven; niets, niets voor je weten te doen, misschien niet willen.... een schande als je toch van de regeering komt.... daar moest je nogal een zwart pak voor meêsjouwen.... En dan series studies laten zien.... waar leveren voor je geldje....
"Zeg het maar, zeg het maar!" was herhaaldelijk geschreven.... "is het niet goed voor jou, dan is het voor die na je zullen komen".... en dan....
Neen, dat begreep die Russische pensionnaire in Rome anders. Welk een man was dat geworden in z'n herinnering met zijn rustig praten: "vous m'embêtez avec votre Hollande.... il faut être plus sage que vos amis.... ge zijt hier om je wat uit te zetten, pour vous élargir".... en: "als je een wond in je hart hebt dan brandt je er hem uit.... soyez tranquille, regardez".... En de Grieksche en de Oostenrijkers, en.... Rome was vol van die jongens, dat waren toch ook geen Fransche seigneurs, en die liepen hun mooie dagen zoo onbezorgd door, zoo benijdenswaard, dacht hij dan, met hun neus in de lucht.
Schacheren.... wanneer ze het là-bas nu eenmaal deden, omdat het zoo hoort en er niet veel voor over hadden, waartoe dan al die schijn of 't heel wat was.... wist daar dan geen mensch wat reizen een duur en moeielijk leven is. Nu was het alleen een baantje voor rijke jongens.... je waagde er alles aan, je gezondheid.... had hij niet in Venetië een maand lang op zijn achterstallig kwartaal moeten wachten en geleefd als een heiden, had hij niet zijn gouden Prix de Rome, er nog aan hechtend, in den lommerd beleend om geld te krijgen.... was 't niet ridicuul....
Halfheid.... meêdoen.... kunstglorie van een land.... zoo'n beetje à l'instar de France. Nu ja, dan moest je den Paus niet van dichtbij gezien hebben.... Dinges had wel gelijk, 't leek veel meer op een exploitatie....
Maar was 't niet bepaald dwaas, kijk, het rijk stuurt je uit.... nu ja, dat is een wassen neus, goed dan, je wordt uitgezonden namens het rijk door een School-Commissie.... kunstvrienden uit de eerste ingezetenen der hoofdstad.... rijke burgers.... de beschermers, de heeren, waar ten allen tijde de kunstenaars de troubadours van zijn geweest.... uitstekend; die komen overeen, geven je op, kopieën te maken.... of je het mooi vindt of niet, daar wordt niet naar gevraagd, jonge wildzangen als de pensionnaires zijn, voor je welzijn dus en voor hun-zelfs plezier.... naar oude schilderijen, die ze.... neen, corpo di Bacco, dat was wel zeker.... ga maar na wat je te doen hadt.... zoo het origineel werk was, niet in hun huizen zouden willen hebben. Voor den drommel, dessertkost was 't juist niet.... Hoe zat dat zoo.... dat kwam dus niet van hen, niet van die eerste lui.... dat kwam bepaald dus van het land, van dat ding in de lucht.... Hoe zat dat zoo?.... Men moet redeneeren.... moet men niet?.... Al deze schilderijen zijn beroemd als groote kunst.... de bedoeling is: de kunst grooter te maken. Groote God, wat een tegenspraak.... want hoe meer de pensionnaires de kracht uit die groote meesters inzogen.... en dat was toch de bedoeling, ga maar na.... hoe meer ze thuis de kans hadden hun heele leven lang hongerlijders te zullen moeten blijven.... dat kwam er nu wel niet zoo opaan.... maar zij zouden dan van armoê ook wel niet veel uit kunnen voeren en waar bleef dan de groote kunst?.... En de pittigheid van die oude heerooms, want pittig waren ze.... kon je wel eens als oude wijn in je bol blijven zitten. Wat moest hij daar nu meê doen?.... Et la bonne reste.... het tweede deel van het officieele programma.... de natuur ingestuurd.
Zoo toegevend aan zijn oude hebbelijkheid, had hij zijn vlinderende gedachten laten gaan, en toen zacht-ernstig in het gras had hij herdenkend gelegen, de handen in mekaâr onder het hoofd gevouwen, boven het weeke zwellen van zijn hart, en gezien als door den nevel, die een roes in de oogen nalaat, hoe het blauw boven wegkromp in een hooghangende melancholie....
.... Dat was al begonnen in het Museum. En daarna, zonder thuis, wonend in herbergen, plots verloren gezet met je groeiende oogen in de wreede zonnatuur van het stoffige Zuiën, middenin het alles vernielende licht, middenin daar met je arm hoofd en je onmogelijke handen, zwart, zwart van al die binnenkamersche, oud-eeuwsche schilderijen....
Dat begon al vroeg, drie uur in den morgen; daar was hij al weêr, de harde dag, je opbrandend met onrust uit je slaap in een damp van zweet. En je wou nog niet zien, maar het verschrikkelijke licht sloeg je in je hersens, door je oogen in, als witte brand met rook van blauw, zengend op alles neêr, spattend van alles op.... En dan maar aan het werk en om tien uur al dood moe, en weêr als gisteren het werk vernietigd. Dagen dikwijls had hij gevoeld krankzinnig te zullen worden als dat niet ophield, en zich opgesloten met de stores dicht van zijn slaaphokje, en op bed gevallen met het gezicht in de kussens. Maar het licht vloekte in je hoofd, en dan verdooving gezocht in den landwijn.... hij van nature geen drinker, om het ellendige huilgevoel in je te smoren, hoe je niets zijt, niets in dat lichtoordeel.... Vaak midden op den dag aan den dwaal, onder den rechtstand der zon, om wel een zonnesteek te krijgen, wankelend tegen den brand in en dan met weêrhakerig plezier achter in je ooren hoorend, hoe het vadsende volk je uit de schaduwen nariep, en jongens die naakt in deur-inkijken lagen te zwijnen, achter je aan joolden:.... "Dronkaard.... Tonto.... Gek!"
Met klein, pijnlijk leedvermaak had hij na-geproefd, hoe juist in die dagen, hij ergens, poste-restante, een brief van een vriend had gevonden, hoe woedend hij zich toen gemaakt had om de ongeloofelijke liefelijkheid van dat schrijven.... als gekluts-kluts van water dat onder boomen voorbij zappelt.... en dat hier in deze verzengde wereld toen....
Hoe lang had hij daar wel gelegen, ongejaagd, zoo warm onder den koelen hemel, te genieten het volle liggen.... dan òp, want dat vervloekte rekenen moest gedaan zijn....
Van Madrid naar Burgos, zooveel.... was ook op de route voorgeschreven geweest te bezoeken om zijn kathedraal. Daar had je het nu weêr....
Was het niet zonderling, had hij honderdmaal wel gedacht, dat in al die voorschriften de architektuurstudie zoo gebiedend was aangewezen. Voor Spanje:.... Toledo, 't Escuriaal, Cordoba.... in Granada was bevolen ernstig het Alhambra te bestudeeren. Pompeji, Ravenna vooral in Italië.... Ja, er was bijna geen stad, als 't niet was om de museums, dan ging je er met je boeltje naar toe, uren sporens, om de architektuur. En dat had veel geld gekost van je traktementje en moeielijke zuinigheidsdagen had het gegeven, vooral in Italië, dat achterna moeten zitten van de architektuur.... Nu ja, dat was voor het breede zien.... "l'architecture est la mère de tous les arts", leerde de school.... Byzantium in Italië nagaan.... Egyptische invloeden over Griekenland terechtgekomen in Italië.... net zaadpluisjes, hier groeien ze en honderd uren verder komen ze eerst op. Italië had soms wel geleken van oude overschotten te zijn gebouwd. En in Spanje, de Moorsche architektuur, de Moorsche geheimvolle zon-schaduwkunst met zijn zinnige spinsels van nachtwichelarij, gehavend en in 't hart getroffen door den ascetenijver van de dwepende Gothiek:.... de moskee van Cordoba.... Maar 't Alhambra, het wellust-bouwsel waar de oude Moorenweelde het mooi vrouwenlijf meê heeft overdroomd, borduursel en weefwerk van steen en als in gaas de koelte bewarend bij het klaterende zonnewater van vijvers en fonteinen.... hij had het er geen twee uur in kunnen uithouden; gerestaureerd, beknoeid stond het daar, gelijk een opgezet beest dat naar kamfer stinkt, dood, leêg, de kolossale liefhebberij van een heel volk. En dan de Renaissance, die overal wel, storm van menschenhartstocht, scheen rondgegaan, waai-ademend hoe in elk mensch God woont, blazend de stelsels door elkaâr, brokken naast brokken, maar zettend eindelijk de hoogmoedige persoonsdaad in 't gezicht van de verstervende leeren.
.... Van Burgos naar Parijs.... zooveel.... te lang.... Bordeaux.... het eerste plan rechtdoor is beter.... Burgos.... Irun.... Bordeaux.... daar ook een museum.... tot Parijs.... zooveel en eenmaal daar.... och wat.... als de hemel invalt dragen we allen een blauwe slaapmuts....
Toen alles zoo gewikt was en nagecijferd, had hij zijn gordel om het lijf gegespt, opgelucht klaar, en was weêr achterover wat gaan liggen, lekker op den grond als op een tapijt.... Parijs, Parijs, was het begonnen te gonzen in zijn hoofd.
Vier jaar wel al geleden, in de maand Mei, voor de eerste maal op reis, was hij er geweest. Vrienden die er waren, zouden hem af komen halen van de Gare du Nord.... herkenningsteeken: het wuiven met een witten zakdoek....
.... Veel muren met gele plakkaten langs, aanplakbiljetten bedaverd met veel letters.... plezier.... plezier.... en met de schuddende omnibus, andere schuddende omnibussen voorbij, donkere, volgeladen reiswagens, waar van-achterop de conducteurs onverstaanbaar riepen naar elkaâr, schuinzeilend stonden met de hand aan de trapleuning naar boven.... Dan leigrijs, van buiten een huis zoo stil, met een breed-uitvarende steentrap onder een tempelend portiek.... de Madeleine.... drie bekende gezichten.... Frits ook, met hem op de trap. Maar van binnen een mist van wierook en bloemengeur in de dreunende bedwelming van koraal en bazuinen. Het ruim boven donker, open met bleeke gaten nacht, de muren vaag met sidderende nissen weg. Beneden een volk van dames, geknield op den kerkvloer, een stil-ruischende en plooi-schuifelende schaar voor de bidstoelen neêrgezegen in lekkerruikende verdooving. Bij de zacht toe-vallende tochtdeur een veranderzieke bijeendringing van in- en uitgangers, veel straatgezichten, werkmannen in blouses, met petten in handen; wijven met hooge wangen en rulle haren, zich bekruisend of niet; heeren met kale hoofden en snorren, zich bekruisend. En van achter, boven het rood-rooklichtende altaar, uit den schemertuin van bloementuilen, het gehosiannah van een vrouwenzang, de hemelstem wel van een onzichtbaar vliegenden engel door het ruim, blauwend in dank.... Alzoo leeft een mensch van herinnering.
De dienst uit.... en een verwonderlijk hoog opstekende Engelschman in een geruite reisjas, met een oogglas in zijn kop van rood kippenvel gekneld, dringend vooruit met onwijkbare schouders, brutaal naar de bloemen toe. Doch de dames voorbij in een wasem van violetten en tusschen de rijen geschemer van witte kinderen, meisjes, serafijntjes in wolkjes van gaas, mistig omsluierd, met kroontjes om de hoofdjes. En een gezeur van stemmetjes; want bij de deuren ook de communiantjes, blozend met neusjes nieuwsgierig onder pimpeloogjes en bedelend allerliefst: "la charité s'il vous plaît." En klankspringen lieten ze de aalmoezen in taschjes van roode pluche, in de handjes wit geganteerd: "la charité, als 't u blieft, voor de maand van Marie."
—"Hè!.... hè!" grauwde het nog eens terug.
Vooraan, waar de Zoccostraat gaat in de kleine markt, was Johan een man die klom in de borst geloopen, en geschrikt blijven staan met de handen bang voor zich uit.
—"Hè!" uitte hij ook op zijn beurt, helder hoorend hoe zijn stem lager was dan gewoonlijk.
—"Ah, daar hebben we den schilder," ginnegapte hoog-uit Vogels bekend geluid, "wat een buitenkansje." Hij stak zijn pijp bijna in 't gezicht van den ander en raffelde in een adem van rhum en smook: "hoe is het, zijt ge bang, mijn waarde, dérangeer u niet.... 't Is waar, het is een weinig donker, mais que voulez-vous.... men is hier niet in Amsterdam, par exemple." En goed gehumeurd als hij scheen: "zal ik u naar Antonio brengen, ik kom er vandaan.... hé?.... ging wat eten.... daar heb ik den jongen Jachjemed gezien, Antonio geeft wel een lantaarntje"....
Maar Johan:.... "merci".... hij wist nu wel den weg, het was altijd 't zelfde paadje.
—"Nu ja," smakte Vogel en hij deed zulk een zwaren haal, dat het gelurk wel uit een kelder scheen op te reutelen, "nu ja, het is niet ausserordentlich groot hier, dat vindt zich vanzelf; maar kom, ik heb den tijd. Zoo goed als gij tegen mij opliep, kunt gij ook tegen een ander oploopen; waarom zou ik u niet liever brengen."
—"Ik had u gisteren avond nog verwacht," praatte hij naast Johan.... "men ziet u zoo weinig."
Het kleine marktruim, nachtvol, zwanger van zwart, zwol op onder te raden wanden. En Johan, zoekend grenzen en tastbaarheid, speurde het moskeetorentje zoo 't hoog uit den omme-chaos reikte, want de hemel bewaarde nog licht. Een geflipflap van stemmen vleermuisvlerkte de donkertes laag uit.... late mannen.... schooiers misschien zonder thuis, die den avond door verpraten bleven onder de bogen van den bazar.... stak daar niet iemand het plein over.... een geschimmer gleed er.... hij zei:
—"Gisteren avond.... toen.... heb ik gewerkt."
En hij had de woorden nog niet gezegd, of het onbegrijpelijke beroerde hem, hoe hij zoo in eens kwam aan dit prompte leugentje.... waarom? was het niet even eenvoudig geweest te vertellen hoe hij met zich zelven geen raad geweten had en maar naar bed was gegaan....
Waarschijnlijk liepen ze nu tot voor het klimmende straatje, in Johans staroogend nog-willen-zien begon het duister te blauwen. Dat ondoorgrondelijke, dat tastdonker was dat niet de steeg naar Sivory's kroeg.... Maar achter hoekhuisblokken verslonk de laatste lucht, de voeten gingen meer aan het aarzelen. Vogels stem kwam rad en spoelend uit het vocht van zijn onzichtbren mond.
—"Wij waren met zijn.... hoeveel wel?.... monsieur de Redacteur du Réveil, monsieur de kolonel mijn vriend Badaud, monsieur de minister, ook wel, knecht van den Zweedschen consul, wissen Sie.... even voor 't tafeldienen zag 'k hem bij Antonio, ha!.... mijn kameraad de Zwitsersche fotograaf en ik.... voilà déjà cinq.... n'oublions pas, monsieur Cré.... Wat is dat?" zweeg het geraffel met een hik.
Een duistere knel om den arm had Johan tot stilstaan gedwongen. De dokter rommelde voor zijn voeten, zijn spraak zwom laag en slibbig, terwijl hij prevelde: "encore un petit aigle."
Maar dadelijk huiverde zijn hoofd weêr op, blootshoofds steeg het met zijn hoog frontaal, schimmerig of het met fosfor was bestreken.
—"Ik wist het wel," hinnikte hij, "ik heb het door mijn schoenzolen heen gevoeld.... weêr een buitenkansje.... de tweede vandaag al.... voel hij is nog warm, nog geen half uur kapot." Zijn stem zakte, Johan bleef staan. Vogel zei zijn hoed te zoeken, in het bukken gevallen.
—"Zeg er niets van aan monsieur Crépieux.... niets, hoort ge," drifte het vraag-bevelend.... toen alsof Johan wat gezegd had: "nun, wat zou het, ik vertel hem morgen dat ik ze met andere van Mustapha gekocht heb".... Hij streek het doode beestje de veêren glad, zijn hand aaide. "Ça vaut bien deux autres bons grogs. Que voulez-vous? heeft hij niet het geld, hij.... en ik.... heb ik niet een fijne neus? Maar gaat u even meê terug, hij mag 't niet zien, deze bêtise in mijn hok deponeeren, 't is dichtbij.... dichtbij."
En over het plein, door den al blauwender nacht sjokten weêr hun paren voeten; zwaar gezet, klankten ze hol, wanneer geen rulligheid knerpte, stappen gelijk die bauwen in een kerk. Vogel bromde dikwijls wat, als spon hij raadselwoorden in zijn knevel, maar ging vooruit, den weg wel wetend. Johan achter hem aan, waadde door den nacht, soms geloovend te zien het zwakke licht-beweeg, de schommelende hand van Vogel, maar ruikend waar hij liep, de prikkeling, de aanwaaiing van den smook. En 't was binnen in hem ook duister en leêg, die sombere voeten klopten zoo ellendig alleen, hij had wel willen gaan wegloopen. Diagonaal staken ze de markt over.... Zoo was ook zijn weg naar het logement.... daar was gauw licht en ordelijke gezichten, wat moest hij nu meêgaan naar dat hok.... Boven de algeheele verzinking van de dingen begon de hemel te gaan in desolate pracht, enkele sterren, koel en eenzelvig, pinkten er als knipoogen hun wit licht-gevonk.
Maar een dijk van opgestopt duister kwam verbijsteren zijn spalkstaren. Hij wankelde terug, zoekend opnieuw met handen en het stapbeen te hoog in de knie gekrompen, zocht, zocht. Tegen zijn geloop in begon de weg als een berg te staan.
—"Pas op, mon petit monsieur," riep Vogel vooruit.... "we gaan de ruelle in.... attendez! Dan zal ik u wat licht geven."
Er gloeide als een vuurvlieg een lichtstip. Witte rook-kringeltjes festonneerden, siswolkjes, en dan niet meer, want zuchtend zogen Vogels lippen het pijpkratertje in brand. Johan hoorde hem zacht tegen den muur de asch uitslaan en toen aan 't blazen, tot er vonken vlogen, tot bloedend voor het steeggat het schema van zijn hoofd verscheen met tintels in 't natte saffier van zijn oogen. Hij spoog, den mond bitter, en kortademig van inspanning ging hij opnieuw zijn klots-klots, verzwolgen in het slopzwart.
—"Ha, ha!" lachte hij vroolijk daarna en stootte zijn stem de steeg in.... "je me dis, hoe gemakkelijk het zijn zou, zich zoo een beetje te kunnen bijlichten, als we in den kuil zullen liggen.... Des clowns que nous sommes.... vanavond is hier réunion in de Engelsche club.... een Italiaansche prestidigitateur die de kust afreist.... alzoo hebt ge gisterenavond gearbeid.... Ja?"
—"Zeker," antwoordde Johan kortaf, met zijn verzinsel al verlegen.... maar het kon toch evengoed zoo geweest zijn, niet waar? waarom, wat behoefde hij het te vertellen hier in deze akelige steeg, waar je telkens met je neus tegen iets geloofde op te loopen.... Waarom? 't Is waar, verscheiden malen had hij hem ontmoet, op straat of bij Antonio, en al was dan ook onwillekeurig de eerste opwelling: alweêr die man, zij hadden elkaâr gezocht, daar was niets tegen te zeggen, samen gewandeld, gepraat, gepraat.... O, hij mocht het zich willen bekennen of niet, Vogel trok hem aan door zijn.... ja, door wat niet al, door zijn oogen, die raadsels, onnoozel soms en dan weêr zoo ironiek schril, maar vooral door den hoogen toon van zijn oordeel, vaak zoo heel voornaam.... Was 't niet prachtig, hoe hij telkens het geklets in de kroeg kon uitmaken.... precies een stop op een flesch.... dicht.... het schenken is gedaan.... drinken jullie liever wat anders, bijv. een grog van rhum.... kittelig was het om er naar te zitten luisteren.... van zelve begon het dan te jeuken van binnen, er groeide tegenspraak.... "Zeker", herhaalde hij stelliger, alsof hij 't zelve geloofde.... "en daarna heb ik nog een brief geschreven."
—"Zoo, zoo, ook nog een brief geschreven, wel dat's braaf," lachte de ander, "nun das versteh ich, war doch auch einmal jung, leidenschaftlich jung".... zijn geluid stond.... "En ze is mooi?"
—"Wat?.... o, erg mooi, bepaald heel mooi, wissen Sie."
—"Hm.... dat zeggen wij mannen allen."
Door het slop smakten en zogen de schoenzolen weêr voort of sloffend òp van uit het benauwde lage, telkens wanneer het brokkelige gepraat, het harde klanken van Vogels stem maar even stil was. Johan door al dat stikkedonker verbijsterd, voor het immer aandringende zwart schuw als voor gevaar, aarzelde opnieuw, tastend naar de kilkou der muren, zoo dichtbij, en strompelde dan, al trachtend met de voeten den weg te begrijpen, tegen vuilnis op, er onder tegenaan geheuveld.
—"Dat vervloekte donker," mopperde hij, aan zichzelven overgelaten, Vogel vergeten.
—"Houd uw oogen naar boven, dan ziet ge van zelve het pad in de lucht," waarschuwde de stem een eind hem vooruit in den vunzen nacht. Hij bleef stil, vroeg plagerig: "en wat hebt ge gisteren wel gedaan, darf ich fragen."
—"Ach, niet veel bizonders," loog Johan door, nu zekerder gaande en den spot in de stem van Vogel niet dadelijk hoorend. "Ik was een teekening begonnen.... verbeeld u," sloeg hij door, geïllumineerd door zijn verzinsel.
Maar Vogel viel in:
—"Attention, we gaan rechts om, de weg klimt wat, pas op.... geef me uw hand.... pardon!"
Wendend en toen blind voorover tegen het duister klommen ze langzaam, stap in stap. Vogel rookte niet meer, scheen wel, zeker was zijn pijp leêg. En Johan kijkend naar de geul lucht boven zijn hoofd, in het nachtelijke ongewisse blauw, vervolgde met radde tong:
—"'t Is een heel mooi geval, wissen Sie, er zijn er hier honderden, het zou prachtig kunnen zijn, zoo ik het zie nu, magnifique...."
—"Pas si bête, waarde: toch nooit zoo mooi als uw leugen wel zijn kon. Hebt ge dat gisteravond allemaal in uw bed bedacht.... indien onze compagnie u niet bevalt.... mij ook niet.... waarom te liegen?.... gelooft ge inderdaad.... ach neen.... dat's rein onmogelijk."
.... Hoor hoe hij liep te grinneken in zijn snor, zijn eigen plezier te eten, blij natuurlijk dat die ander daar achter hem aan moest gaan als een bestrafte jongen. En de lust begon Johan op de tong te branden om te zeggen, om het uit te roepen dat het wel waar was, en dat het hem niets schelen kon uitgelachen te worden hier in dat smerige donker.... maar toen, plotseling zonder wil.... rammelde de bekentenis zijn mond uit:
—"Och ja, ik was een weinig verdrietig en ben maar naar bed gegaan; en van dien brief is ook niet waar, wissen Sie, 't is allemaal niet waar."
—"Maar dat is een confessie, mijnheertje, dat wordt hoe langer hoe grappiger, o mon bon, ce bon petit monsieur!"
En het was of daar waar hij ging het zwart schudde van de pret.... Zeker, hij liep met zijn mond open van vroolijkheid, de tanden bloot in den nacht.... Hoor, nu hield zijn slof-stap stil en de stem kwam kappen zijn eigen genot af:
—"Nog wat rechts, en dan zijn we er!"
Bengelend gelijk een klokkeslinger kwam diep uit de hoeksche steeg een vlam aan wandelen. En spookhoog, ook los van den grond, geestte het lichtbeeld van een Oosterling in een damp van ontbonden duister, stillig-stil.
Een schok, die hem in de beenen sloeg, had Johan doen staan. 't Doffe klop-klop van paard-hoefslag was als vijzels in zijn ooren aan het stampen, even waren zijn tanden in zijn mond aan het rikketikken begonnen.
De naderende Arabier bleef aanvaren winnend in grootte en in lichtkracht, nader kwam hij gewiegd door zijn paard, hoog heerlijk gezeten in het reine mousseline. Gelijk een ster voor Drie-Koningen, bakende over hem heen de aan een stok gedragen lantaren, het pad zoo blootleggend voor zijns paards pooten. De lantaren wiebelde aan tusschen de wanden van de wijdere steeg, het duister ontraadselend waar de ruiter ging, die blank-straf en ondoorgrondelijk, keek naar niets uit de koepelende omhulling van zijn nachtwitten en begloeiden mantel. Koolzwart roezemoesde uit het kappe-open knevel en baard, waar achter hem nachtte de luchtstrook; waar de knechtskop van een neger schonkglimmerig uit aankwam met een roodende fez; toen zijn roode lijfjas.
—"Ziedaar een licht dat tenminste op zijn tijd komt," zwetste Vogel nog, toch ook wat lager. Voor een nis op een stoepje zag Johan hem staan schemeren, los ook hij van den nacht, gebukt-schevig, bezig met rommelig te zoeken naar een sleutel in zijn broekzak en hanghebbend in zijn lage hand den gevonden arend aan de krampende pooten.
Dan een muurlengte rechts, wendde het paard al schuif-trappelend om, gestuurd door de onteziene handen van zijn heer. Dwars stond het in de steeg. De lantaren, wind-schommelend, brandde neêr op de ritselooren van den witten hengst en op zijn omkruivende manen zijig, merkte de gleuven van den krommen spierhals en de uitsnuivende wrongen van den neus waar stil hijging uit dampte. En op stangen en trenzen vonkte het rood en goud, want het paard knikte de pooten in stap, toen kwam het schabrak ontbloeien in een mysterie van arabesken, en in den bak des stijgbeugels de gele voet van den hoogen musulman.
En als in een tooverhuis droeg het paard den Moor onder het nu stille gloeilicht voorbij, wiegend hem statig weg, ijskalm en onbegrepen hoogheerelijk in het open donker.
Zwart-glanzig stuurde de knecht zijn paard vast aan. Hij hield in zijn knookvuist den lantarenstok, zoo een lans in rust wordt gedragen, nu ook het achterlijf van den hengst heenhobbelde, rozig als besneeuwd, bebaldakijnd onder den nasleep van den mantel.
De lantaren binnen, omraamde rood het portiek; schuw blauwde het in de steeg. En binnen de roode knecht met zijn glimmende eunuchenfacie; toen viel de nacht als een bui. Op 't gevoel af had Vogel met doffen smak het doode beestje neêrgesmeten in het andere open donker.
Hij peuterde zijn werkplaats dicht: "Die arme Seigneurie, hij heeft meer dan vijf vrouwen, men zegt zes, men zegt zeven."
En door den nacht terug en veroordeeld tot een dubbel donker, daalde Johan met hem.... twee duistere menschen die elkaâr niet zien. Vogel was stil geworden, het broeide om hem als liep hij in een stom dreigement, niets was er dan het leven van de voeten. Dom ging het loopen goed, de zakkende weg maakte nu het gaan gemakkelijk. Uit de hemelstraat boven de steeg prikten de sterren hun blinklicht neêr in Johans oogen, en kasteelige donkers schoven voorbij.... de uitbouwsels, die als groote kooien zijn, op schraagsels in den muur gestut.
En hij zoo gaande was blij dat Vogel niet sprak.
.... Was het niet als een droom nu al veertien dagen, een wonderlijk leven, onverzadelijk om er naar te kijken, nooit genoeg, telkens wat anders om het vorige te verdringen tot het wel herinnering geleek; zoo kwam er van werken maar niets, alle dagen dezelfde beloften aan zichzelven vandaag zal ik dit doen, dat en dat, en er was nog altijd niets gebeurd. Nu ja.... een paar schetsjes.... niet veel.... hoe kon het ook anders.... dat nare geld.... nog een paar dagen, dan was het sprookje voor goed uit.... Hoe zou hij zich in Holland weêr voelen.... hoe langs de straten daar gaan.... allemaal andere menschen geworden in die twee jaar?.... twee jaar.... waren het er niet meer.... waren het er geen twintig.... dertig....
—"En dan te denken dat ik ook eens mijn eigen paard reed, mijn goed paard.... ma pauvre Mirsa".... mopperde de dokter vlak voor hem, uit zijn eigen gedachten.
Grottig vloeide voor 't gezicht weifeling van lucht. Haastiger onder het gaan slonk de al dalender steeg. Toen klankten weêr de eenzelvige stappen op het kleine Zocco. En de opstapelingen, duister als waren zij gegroeid, stuwden zich op naar het hooge open boven, naar het rouw-blauw van den hemel, magistraal met zijn benageling van sterren. Maar insidderend lag er het zwarte van onder, er doolden spinraggen en raadselen van schijn, draderig geflinster schoot er het wanden-duister langs, als lijnen van telegrafen. Vogel kwam aangedrongen, Johan rakend en toen los, toeschietelijk met het goeielijke in zijn gepraat dat hij hebben kon, liep hij weêr te vragen:
—"Alzoo gelooft ge wezenlijk, dat een vreemdeling die hier veertien dagen is, als gij; die komt waar wij komen, als gij; op een avond naar bed zou kunnen gaan, dadelijk na zijn diner, en zijn twaalf, nun, zeggen we elf uurtjes, kan doorslapen zonder dat wij het zouden weten?.... hoe is dat zoo?.... pscht," slikte hij tot fluisteren zijn stem in, "loopt u een beetje hier, daar komt monsieur Crépieux aan.... ik ken zijn lantaren."
Maar in het gauwe gaan was het lichtje achter Johans rug flap uit gelijk een uitgewaaide vlam; nagezeten menschen die op de teenen vluchten, zoo draafde hij schichtig achter den schichtigen Vogel. Ze waren de groote Zoccostraat voorbij gesneld. En nu langs den opstand waaronder overdag de koopvrouwen met de brooden zaten, bedaarde het geloop. Achter hen bauwde uit den donker de stevig aanstappende mannenpas, in den zakkenden gang met val van klank.
—"Hij gaat eten.... hij woont bij den muur, mijn patroon.... ce Crépieux."
Dan vóor hen, waar kwam het zoo snel vandaan? schommelde alweêr een ander rood lichtje, het ging, schijnende dwaalvlam, op, neêr, soms als in een tocht aanvarend.
—"Loop wat aan!" stookte Vogel weêr op. "Ce bon brute daar kan ons wel een beetje bijlichten.... Kom toch."....
—"Ik zeg: 't is niet de eerste maal dat ik zoo mijn geluk zoek."
Tot op twee manslengten achter het bakentje liep Johan meê, willoos in het rillerige donker. De Arabier keek niet om of op, gewend. Hij sjokte als een nachtdief, vallend het duister tegen, met zijn bekapten kop in den loop voorover; met het soppige geluid van zijn tippende muilen onder het opgeschop van zijn nachtjas, geleek hij soms meer een vrouw. En het vlammetje oproepend zijn knuist uit den nacht der mouw, brandde roetlicht neêr in een cirkelkring van stervend rood: een heraldiek teeken, de lichtschim van een kruisvaardersschild, zoo schoof het naast den duister-witten man. Spraakloos gingen ze in het lawaai geworden leven van de voeten; de blinde muren schroeiden op uit een gerikketik van vuil en onkruid, schijn vlottend naar schijn. De eerste steeg week wijd-zwart in den wand en duisterde achter hem dicht; een deurpost paalde met zijn hoogen drempel er onder en voorbij; toen zwenkte Vogel, latend den gangenden lantarendrager, op den lichtschraai af die midden in de steeg Sivory's kroeg uitwalmde.
—"Een glaasje op onze gelukkige ontmoeting, is 't niet?" zei Vogel.
Maar Johan bedankte, neen, wezenlijk, hij had geen lust, ergen honger.... en 't was al zoo laat, de dokter moest Jachjemed maar naar buiten sturen.... neen, wezenlijk niet.
—"Des bêtises."
In den schamperen kroeggloed, glom het ellendige geween van zijn lichte oogen. Zeker, ze waren groot geweest en gespannen in het duister, maar al gordijnde de vouw er over, brekend het even kralende gekijk. En zijn neus vlak pakkend het deurlicht, snavelde er tusschen neêr, hard en onverschillig in een stijlen rug, maar verdrietelijk toch met zijn hangende punt. Een zenuwachtig rilletje trok op onder uit den bluf van den knevel en zijn mond, zijn spotmond, hoe zou die er wel onder uitzien. En nu ging zijn linksch oog daar nog meer knijpen in een geraad van rimpeltjes; maar boven het andere kromp de brauw, stijgend, als in hoon, hooger.... Och, oolijk was het bijna om er om te lachen, maar ook om er beroerd van te worden. Hij stond vaal in zijn verwaarloosde jas; tegen zijn nek op frommelde een boord te hoog, welig warde het haar er over. Laag hingen de handen langs neêr, missend de pijp.
—"Ik zal nog een glaasje nemen.... een tout petit.... waarom zou ik niet?.... de rhum van Antonio is goed.... geeft me slaap.... en slapen wil ik.... waarom niet?.... Bonsoir.... ge weet.... niets vertellen aan monsieur Crépieux.... Dus ge komt morgen bij mij kijken?" bleef hij even staan zeggen.... "doe het maar.... tot morgen dus, bonsoir."
Johan alleen, wachtte in het straatje.... Als nu die jongen maar dadelijk kwam.... 't was eigenlijk zoo noodig niet, eergisteren was hij ook wel alleen naar huis gescharreld.... Maar hij had zich nu plotseling verloren en zoo moe gevoeld; tegen den muur was hij aan gaan leunen, met niets geen kracht meer. Hij wachtte. Uit het kroegebinnen rommelde 't mannengezwatel, onverstaanbaar door-elkaâr-gewar van spraak; hoog op steigerde lachen, aanvarend op den lichtschraai naar buiten.... Antonio's plezier.... Voor zijn oogen was het werkplaatsje van den kleermaker verschijnend, slaperig met hangende deur, een dicht huis dat zijn geheimen bewaart. In het duister stond hij, machteloos, zoo òp, zoo leêg, zijn maag was een leêg ding ook, o, hij had honger en dorst. En de table d'hôte kwam in zijn hoofd blinken, linnen-blank met veel licht, met rinkelende karaffen, met rookend eten, volop, veel zou hij eten. Zwart, stop-zwart ging de steeg in het niet; door de wijdte was het stil, suisstil, maar de kroeg naast hem, een gat rood walmend leven hier in het nacht-overal. Hoor, daar ging een hond aan het blaffen, van vèraf hortte het de huizen over, viel het in donkeren huilval, druischend in zijn ooren neêr. Zeker, de nacht wou van hem, hij had den nacht gedronken, te veel, met zijn oogen, met zijn ooren, met zijn adem en met zijn handen ingetast. Hoog over de steeggeul en over de dompende blokken, daar achter en daar rechts en daar links, daar schoof de nacht ruimte van grondeloosheid, verijsd, gemat, vliedend in ijle atmosferen boven het maan-blauw al hooger, bewicheld met sterren, radeloos al meer. En met de behoefte, plotseling, iets van zich zelven heelemaal te zien, stak hij zijn hand langzaam van zich af in den rossen deurgloed.
Hoor, daar was Vogels verweerstem fel van zich afbekkend.... een onbekend geluid raffelde er tegen in. Dan gromde het wat van uit de diepte: zoetsappig gekeuvel, gekwispel en gekal van mannen die door den neus praten. Vast zaten er Arabieren te drinken.... Eergisterenavond ook.... Maar dat kwam van den opgeruimden kolonel met zijn joviale vertelsels, en dadelijk toen Antonio's jongensachtig lachen, duidelijk over het voorplaatsje aangedragen door het roetachtige geroezemoes:
—"Oh, monsieur Badaud, schei uit, ik stik."
—"Pak aan, muchacho.... licht."
Dat was de stem van Antonio's vrouw.... nu zou Jachjemed wel dadelijk hier zijn....
En Johan ging los van den muur.
—"Herein."
Over den drempel met een stap als in een kuil, was Johan onverwacht gedaald in de kamer. Maar achter de al-dichte deur was hij staan gebleven op den uitgetrapten zandgrond, bestookt door een oogenblikkelijke benauwing, onwillig voor den vagabondeerenden menagerie-stank van opgesloten heete beesten, die prikte in den neus en terughinderde zijn vrij ademen. Schuw, onder een hoog troebel licht had hij Vogels blauwen blik zijn inkomen zien zoeken. Doch een lawaai barbaarsch, veel te geweldig voor zoo klein een ruimte, het krijschen van een bang geworden aap: een harig donker monstertje zat daar tegen tralies aangegrepen, gluurde, schuivend den kop; wanhopig-wit, verdwaasde beestoogen; dan stil, klapte het als in een groote siddering zijn smoel snel voorbij het grimmende gebit.
—"Ah, de schilder," herkende de dokter blijig, van boven de werktafel waarop zijn handen lagen bleek in den dag. Donker en hard, een mechaniek gelijk, stak hem de pijp onder uit den fellen neus of zij vergroeid waren met elkander.
—"Dat's goed van u.... zeer goed.... taisez-vous donc, camarade," knorde hij naar den aap, die de spangen deed rellen, dat er het hooren en zien in de werkplaats van verging.
—"Gaat u zitten, gaat u zitten."
De zitting waarvan hij was opgekomen, een plank gelegd op het matlooze geraamte van een stoel, wipte, sloeg blink-lichtend onder hem neêr, rumoerend weêr wreed de kamer. De aap plofte weg, verscheen opnieuw plomp-donker, tand-blikkerend. En de stoel alleen, lattig, van geverfd hout, bleef in zijn donkeren stilstand.
Johan bij de deur, houdend zijn tasch bij den schouderriem los aan de hand, zag Vogel met willooze handen in de war gebracht staan, in het leêge midden van de werkplaats, als een man die verrast wordt en ongewoon geworden is aan bezoek.... Was er dan niets om op te zitten aan te bieden.... Hij ging, sukkelig gebogen in een verslofd luuster huisjasje en halsstarrig nagegaan door de druilerige oogen van den aap, die tusschen de kieren doorloerend, klonterig zat bovenop zijn handvoeten, lang van span, knijpend de tralies. De haar-armen hingen er achter, en om zijn gemoedelijk vooruit-leuterenden snoet, mummelend, een oud-kereltjes-mond, rilde en kringelde nog telkens de grimas, zenuwig als bij een kind, dat na lang huilen het snikken niet laten kan.
—"Laat ik maar dàarop gaan zitten," meende Johan eindelijk, en hij wees naar een tobbe naast zijn beenen, een doorgezaagde ton, in een kring van weeken grond verzakt en met een plank ook tot deksel.
—"Neen, neen," lachte Vogel zich opzettend en hij stopte zijn pijp die vallen wou in zijn jaszak.... "Neen.... doe het niet, daarin huist de Gypohierax Angolensis van monsieur Crépieux, wissen Sie.... ha.... een meeuw.... niet meer."
Op zijn gemak snuffelde hij nu den spinnekop-stoffigen muur van grauw pleister langs, verzette veel pakhuisdingen, van-achter het hok, gestriemd door de tralies liep hij weêr terug en scheen te hebben gevonden; want hij zeulde een bankje van uit het donker onder de tafel; kalk-wit hortte het ding in het licht. Een flardige papierzak opengapend lag er op te kantelen, propvol nog in de punt met rul poeder. Sussend klakte hij met zijn tong.
—"Ah.... que voulez-vous?"
Zindelijk, zonder veel stuiven was hij al bezig de gemorste kalk in het zakje te schuiven; met de knieën wat geknikt en door zijn hangend jasje omflard, stond hij krom boven het kleine gierige schrapen van zijn voorzichtige hand; op de aangestampte aarde platten zijn schoenen met de kleur van den grond.
—"Hebt ge gearbeid?" vroeg hij.
Van tusschen uit het lang smalle raamkozijn, waarvan de harde haakschheid vernield was door veel nesterig en dwars-webbend spinrag, van achter het geraam der bestoven en gore ruitjes, zeefde het late licht van wel al vijf uur in den middag binnen, was wittig onder het nadende zolderhout dat dekselde boven de hoofden van de beide mannen. En Johan die laag het ploeteren van den dokter merkte, hoe hij het bankje schoon wreef met een slip van zijn jasje, zag hoe rechts een plank den muur in de lengte ploegde en bezet was met stuk naast stuk staande opgezette vogels; als sieradiën verstijfd in hun natuurlijk staan waren het bot glanzende veêr-lichaampjes op droge pootjes.
Het was er een gezigzag van hoog en laag. Tusschen de doffe, dikke, hoenders geleken het, rankten er kleiner, vogels die snel kunnen stijgen, luchtvogels: leeuweriken, spreeuwen, maar als lijsters zoo groot, maar blauw, onweêrsblauw, heet-donker, middagzon-hemelblauw. Het waren gansch en al onbekende vogels: kustvogels, want er hadden er bekken om visch te vangen, kroppen waar visch in wordt bewaard, slokhalzen, duikhalzen. En er hadden er pooten, strandloopertjespooten; ze deden blond en moederlijk om de kleine. Daar in den midden scheen er éen weg te willen vliegen van zijn knoestigen tak; een glanskrans als een regenboogje glom om zijn borst, maar de stompe botten van de open vlerken waren dof van het stof; zoo het vuil mat is op het glad-donker van een wijnflesch; poeder van houtworm lag gelig op het voorhoofdlooze kopje. Daar een insekten-pikkertje met een neb als een naald, een pluizig dingie, van een vaal overrijp bezie-rood; twee lange witte sprieten pronkten op, grashalmen gelijkend, en gaven het een staart als een lier. Doch als een soldaat in een schilderhuis maakte een reiger de rij af en den hoek vol. Dik zat hij in zijn krop, hongerig nog den zandgelen bek opstekend; zijn kuif hing neêr of hij pas had gezwommen, waterschuim-blauw waren zijn veêren. Onder zijn buik borg hij een papegaaiachtig beestje, droog en grasgroen, half toegewend met een praatmond, knabbelmond als van een oud vrouwtje. Van op hun plankjes staarden zij alle langzaam aan, alle met het kralende gekijker van hun glazen oogjes.
Onder in den tafelhoek, heel een mand uitgestort wild wel, lagen de vogels rumoerig over elkander, slap, lenig in de schaduw.
—"Voilà!" kwam de dokter op en hij plantte de bank wat dichterbij op den bultigen en om de tafel als vogelmest grauwenden grond.... "neemt u me niet kwalijk dat ik u niet wat beters kan aanbieden."
—"O," zei Johan, "dat zit wel, ik ben niet verwend."
—"Ook niet?"
Leuk had Vogel zich omgedraaid, dwaalziek in zijn hok, ging, met op den rug glansloos-grijs het licht. Hij was zonder boord, kaal en arm in den nervigen hals. Bij het hok stond hij nu met den neus door de strepende tralies, bijziende zocht hij den grond, zwaar tegen de aapkooi aangeleund, die van te nieuw hout, opdringerig, een gevaarte was in de kamer; schriel plekte zijn oor in het nog dikke en grauwe slaaphaar. Door de tralies heen verscheen het latwerk van een andere afschutting. Maar Vogel praatte zacht-roezig in zijn eigen huis tot den aap, die of hij alles verstond oplettend lummelde, met zijn vochtig uitziend handje den grooten mannenvinger vasthield.
—"Vous n'avez besoin de rien, verstehen Sie, ge hebt vreten.... ge hebt drinken, alors tu me vas être sage.... is het niet, camarade.... allons, wees maar niet bang, ce monsieur"....
Hij praatte vlug òm naar den ander, luider:
—"Ik had nog niet de eer u voor te stellen, mon ami Caca.... bonne bête en somme.... Regardez.... ik geef hem den vinger en hij neemt de heele hand of hij een mensch was.... oh.... ik ben zeker.... ge vindt het een bêtise, wat ik zeg daar."
Zie! boven die twee paar kijkende oogen bewogen de gemakkelijk plooiende rimpels gelijktijdig. Den duur van een oogenblik was dat verschrikkelijk geweest. Had Johan er zijn eigen oogen niet van voelen gaan verdwalen of ze weg wilden uit het hoofd?
—"Bestia, ge begint indecent te worden, kameraad."
Vogel spelend, krauwde met de vrije hand zijn aap op den kop. En Caca grimasseerend, ratelde schel met knippende oogjes, wrong zich genotvol onder het gekoos van den baas. Angstiger hield hij den vinger; al rommeliger krabde hij in zijn lenden en dijhaar, kleintjes klagend.
—"Genoeg, genoeg." Toen zich vrijmakend was Vogel met een paar groote treeën onder het licht, trok den stoel met veel ratelgerucht onder zijn zitten-willen-gaan. De aap plofte weg, verscheen plomp-donker, bleef in de vlucht met uitgespannen pooten en aan 't rillen met den bek. Een mand rolde, door den sprong geschud, boven op het hok.
Vogel diepte zijn pijp uit zijn zak op, babbelde of hij de stilte niet verdragen kon.
—"Al dat wat ge hier ziet.... we hebben nog een exemplaar.... een jakhals.... daar achterin.... hoor hem loopen, ça m'embête et ça pue.... daar is rooken goed voor.... kijk, ik rook niet zwaar.... komt van Rotterdam, zoo ge ziet.... nun.... nun.... al wat ge hier nog meer ziet, is nu de weelde van mijn patroon, monsieur Crépieux, maar weet ge wat zijn rêve is.... raad eens?"
Klankloos in den nog lichten dag brandde het vlammetje dat hij stil hield boven zijn pijp. Het danste lustig spelend door de rookmondevollen die hij smakkend deed gaan voorbij zijn lichten schedel.
—"Niet? hij zou zoo graag een leeuw hebben.... wissen Sie, une toute petite lionne de l'Atlas.... hij is er ziek van.... ja.... ze zijn te koop in Fez.... sait-il.... et il dit.... il dit, dis-je.... dat ze niet wild zijn.... ah, par exemple, dat zou eerst grappig zijn, zoo ik op een goeien dag opgevreten werd door de leeuwin van monsieur Crépieux.... Kreuzdonnerwetter.... ça sera tout de même drôle.... permettez...."
Onrustig, gestookt van binnen, hadden zijn knieën tot elkaâr geklept, toen sprong hij om op zijn stoel, liet zich voorover vallen met zijn armen op de tafel; rook nevelde op, gauw alleen verscholen in zijn rook, was hij aan 't werken begonnen.
En Johan vreemd in de kamer, voelde de onrust in hem geboren worden, ongestadigheid zakte in zijn beenen neêr; hij moest zich tot zitten dwingen.
Voor de tafel met de knieën in het donker zat de dokter. Boven blauwde het voor het raam waar de dag slonk. En zijn vingertoppen waren aan het tasten in de buikveêren van een vogel, die strak onder zijn hand lag met den hals rechtuit, als een onberispelijk gestorvene. Rijk omkraagd lag de kop achterover met de grijze rouwdichte oogkringen en de pooten rekten zich, neêrgestreken door de hand zoo tot een zuivere doodshouding. Stil poeierde de dunne dagschijn neêr over Vogels kalig hoofd en over zijn zoetjes zoekende handen, teeder met aderen beblauwd, wijl in de stinkende ruimte heel hoorbaar de loopgang van den jakhals dofte, heen en weêr; dan het schuieren van zijn haarbast de krabbende tralies langs, heen, weêr, met de dreinerige bezetenheid van een gevangen beest, dat maar loopt, omdat het er altijd uit wil.
Nu kwam van uit de tobbe even een gehamer, schichtig, zoo het snavelen van een specht komt uit het hout. Vogel, of hij vergeten was dat hij bezoek had, tuurde boven het beestje, hij spouwde het borstdons met de vingers open, de naakte huid zoekend, gelijk een aap die vlooit.
Van den eenen muur naar den anderen spande overlangs de planken tafel, vezelig, ruw van timmering. In het midden rondom het kadavertje was het vlak wit, zoor van droge kalk; tot een bergje lag het uitgestort op een journaal, achteruitgeschoven tot onder den greep der hand. Doodzwart brokkelde uit den kartelenden papierrand de kapitale letters: "le Réveil du Maroc." In het linksche hoekdonker rommelden veel snuffelige boeken, stapeltjes in de war gevallen, eenkleurig door het stof; stopflesschen, raadselig vol gekrioeld met gedrochtvormen verstijfd in het gelige sterkwater, blonken er nat als plassen in zand, en glazen zonder voet stolpten er met reine randen op de tafel. Een ervan, omglaasde in het licht een torrig, dikschildig insekt, doodgesparteld op zijn speld. Daar ook slingerde zijn halsboord met de punten omhoog, een boos uitziend ding, zoo het met een smijt tegen den muur daar scheen terecht gekomen.
In betrachting met het rookende hoofd op zij, hield Vogel met de linker vingers een kloof in de veêren van het doode beestje, spleet met een tornsneê de huid van borst naar buik. Hij mopperde boven het teêr snijdende scalpel:
—"'t Wordt al wat donker."
Johan al vreemder van binnen, voelde op zich drukken al zwaarder de zwaarte van de kamer. Maar hij zat. En in het benauwde vierkant klepte nu laf door de muren heen de slofstap van een ganger op straat, in kalm zakkenden pas voorbij.
—"Nous sommes en plein quartier arabe," zei Vogel, "er komen niet veel Europeanen langs hier."
Uit de gapende veêrvacht pelden zijn smoezelige vingers het boutje, koudbloedig, armelijk verscheen het. Hij snoof door den neus.
—"'t Werd tijd.... ça sent mal déjà.... le métier.... dis donc.... zoo het u interesseert open ik hem de maag en laat u zien wat hij het laatst heeft gevreten.... 't is grappig.... gij zoudt lachen zoo ge wist wat ik daar al in gevonden heb.... oef.... dat's sterk."
Hij kraakte een der pooten bij het kniegelid door, toen den tweeden; duwde voorzichtig de klauwen uit de veêrsokken terug, één voor één. Het lijkje zat nu nog vast aan den hals. En hij tilde het op bij den snavel, als een kleinood tusschen duim en wijsvinger, vertoonde het, schuddend de veêren vrij, of hij speelde om de schittering, lachte hij onder zijn opkijkende oogen.
—"Tenez, is hij simple genoeg, het arme beestje, on dirait un pendu, n'est ce pas?"
Maar den hals nu onder den kuifkop tot een lis gemaakt probeerde hij door te snijden, zoo een bot mes wringt tegen touw in; het vleeschkluitje met de opstekende pootstompen glibberig, en van het villen vol kerven, leî hij toen van zich weg.