The Project Gutenberg eBook ofGekkenThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: GekkenAuthor: Jacobus van LooyRelease date: February 4, 2009 [eBook #27994]Language: DutchCredits: Produced by Anna Tuinman, Eline Visser and the OnlineDistributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GEKKEN ***
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.
Title: GekkenAuthor: Jacobus van LooyRelease date: February 4, 2009 [eBook #27994]Language: DutchCredits: Produced by Anna Tuinman, Eline Visser and the OnlineDistributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
Title: Gekken
Author: Jacobus van Looy
Author: Jacobus van Looy
Release date: February 4, 2009 [eBook #27994]
Language: Dutch
Credits: Produced by Anna Tuinman, Eline Visser and the OnlineDistributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GEKKEN ***
EERSTE GEDEELTEI.II.III.TWEEDE GEDEELTEIV.V.VI.VII.VoetnotenTranscriber's notes
TWEEDE DRUK
AMSTERDAM / S. L. VAN LOOY / MCMXVI
Boek- en Kunstdrukkerij G. J. van Amerongen—Amersfoort
Johan had zijn tasch met teekengerij over den schouder gehangen, zijn stoeltje tusschen de riemen geschoven en zoo ging hij door de poortgang uit van het Hôtel-Central, waar hij logeerde. 't Was later geworden dan hij had gedacht, hij had eerst goed willen ontbijten,—dan was 't niet noodig geweest, had hij met zich zelven geredeneerd, aan zijn maag te denken vóór 't klokje van half zeven, het uur van de table d'hôte.—Toen was Sarah de meid hem een brief komen brengen, gisteren had hij zijn adres opgegeven bij de Engelsche post.... pour mesjeu.... had ze gelispeld uit haar mond met gebroken tanden; van onder den gelen foulard, dien ze als een muts om haar oud voorhoofd hield gespannen en die om haar nek afhing, had haar verlept moedergezicht eventjes vriendelijk gelachen, of 't haar schelen kon, dat ze wat aangenaams te geven had gehad. En hij was gaan zitten lezen, onderwijl etend en van zijn chocolade drinkend, middenin voor de tafel, die al heelemaal klaar was voor het tweede ontbijt, met wachtende couverten, met voor elk couvert een wachtenden stoel.
Rustigjes was hij nog wat blijven zitten, alleen in het eetzaaltje, dat zoo aardig in de binnenplaats tusschen de vier wanden was gemaakt, nu ja, matten, aangehecht tegen de kolommen welke den bovenbouw droegen. Dat scheen elk oogenblik te kunnen worden opgebroken, je zat er zoo echt op reis.... Zware kapiteelen, zeegroen geverfd en primitief-Moorsch van vorm als in de mooie moskee van Cordoba, stolpten plomp boven de gevlochten wanden uit. Dan was de tafel zoo aangenaam helder met zijn blank laken à l'anglaise gedekt, groene planten prijkten bij gebrek aan bloemen, 't was winter, tusschen de glinsterende tafelstellen en de flikkerende karaffen, waarin het water gelend schommelde, zoodra hij zijn armen maar even verlei. Als verdwaald leek heel die nieuwerwetsche disch wel in het oude Moorsche huis. Achter hem in een hoek was, éénig sieraad van het zaaltje, een groote koperen schotel, Moorsch maaksel, vol metaalglimmers op het buitensporig ornament, te pronk gezet op een ruw houten sokkel, die met roode en groene lint-arabesken op een oker-gelen grond en met dwaze draak-figuren onhandig was beklad. Voor zijn oogen een deurtje in de mat gemaakt. En boven zijn hoofd als het doorhangend dak van een ambulante tent was 't zeil over de ruimte van het patio gespannen, vastgesjord aan ringen in de architraaf, dat 't zaaltje bedonkerde, maar tusschen de spanbochten der touwen door, nog naar den lichten hemel kijken liet.
Ongestoord had hij kunnen lezen wat een goede vriend, een jong schilder als hij zelf, hem schreef. In langen tijd had hij niet zoo'n prettige boodschap van huis gekregen, van uit het Noord. De brief verhaalde van sneeuw en ijs.... koud.... over schaatsenrijden op een buitenplaatsvijver.... van een bekend wit huis, nu kil en stil tusschen zijn zwarte, verkleumde boomen.... en van een hei vol sneeuw.... wijd wit. En daardoor klaagden zachte herinneringen aan vroeger samenzijn, en woorden waren er warm als rood bloed, zonnige verzekering van weêr oplevende vriendschap, want 't was een brief van vertrouwen, na veel lang over en weêr gekijf. Niemand was gekomen; boven zijn hoofd, op het eerste bordes rommelde de meid die de kamers daar deed; overigens was het stil. De Engelschen, die in huis logeerden, kooplui met koude zakenoogen, waren zeker allen al aan het handelen in hun kantoortjes of magazijnen, in de hooge of in de lage stad; zij kwamen niet lunchen dan na den middag. En tevreden, omdat dat vervelende geval met zijn vriend eindelijk uit was, in zijn gedachten al een hartelijk antwoord aan het schrijven, was hij opgestaan, had zijn gereedschap van boven gehaald, maar zoo was 't later geworden dan hij wel gewild had.
Johan was nu reeds twee jaar pensionnaire, gesubsidiëerde door het gouvernement en al dien tijd aan het reizen. Zoo goed hij kon had hij voldaan aan al zijn verplichtingen en ook de zending van geëischte studies was voor het tweede studiejaar op tijd gebeurd. Wanneer daar in Amsterdam de vorderingen voldoende werden bevonden, dan was het jaargeld voor vier jaar lang toegezegd.
In een tijd van gisting, toen om hem heen in zijn naaste omgeving een jong gedachte-leven begon te bewegen, in een tijd van veel plannen en gepraat, had Johan meêgedongen naar den zoogenaamden Prijs van Rome, die, na jaren, van nieuws aan wéér was uitgeloofd door de inrichting, waar hij zijn opleiding had genoten.... O, dat was een heele historie.... daar was heel wat aan vast, alvoor een liefhebber werd toegelaten tot zoo'n wedstrijd.... Daar was eerstens het weken lang zich drillen als een recruut, die de handgrepen en de theorie goed kennen moet vóór hij afgeëxerceerd kan worden, zich 't hoofd volstoppen met moeielijkheden, wel zeker, bestemd om ze weêr te vergeten. Wat niet al? En de examendagen zelve, die den prijskamp voorafgaan.... een warboel van zenuwachtig- en de-kluts-glad-kwijt-zijn; en de eigen verbazing in eens over je zelf hoe je zoo veel weet. En dan het wanhopen en de lust om er-den-boel-bij-neêr-te-smijten.... zonder de aanporring van een vriend, die maar altijd bleef zeggen: er is maar éen weg naar Rome en reizen, en die is dien je gaat nu, was hij er nooit gekomen. Vervolgens de tijd van hard werken en 't verlangen en de eerzucht van den jongen, die eens flink wil laten zien wat hij alleen wel kan.
En daarna.... maar och, hij herinnerde zich dat geval niet graag.... woedend was hij geworden om die officiëele onderscheiding, welke geen onderscheiding geweest was. Verbeeld je.... Boos en beleedigd had hij voor zoo'n lammiteit, als hij 't noemde, willen bedanken. Maar al de kameraden hadden hem dwaas genoemd, hoe hij, die geen cent in de wereld bezat, zou om zoo'n bagatel, om zoo iets, dat alle dagen gebeurde, en dat wel bekeken nog eervoller op den koop toe was, zulk een dommen streek doen.... wees wijzer. En toen was hij het ook dom gaan vinden, blij dat ze het hem allemaal afrieden, belust als hij was op de mooie reis, graag naar 't onbekende. Was 't geen buitenkansje?.... Had hij zich dat vroeger ooit durven voorstellen; hij, die voor zes jaar nog op klompen liep, zou nu naar Italië worden gestuurd, gestuurd door de Regeering, zooals zijn familie zoo graag zei.
En zijn weggaan was dan ook prachtig geweest, al de kameraden hadden hem uitgeleid: hij was 't station ingestapt, opgewonden van geluk, zijn nieuwe reisdeken als een mantel omgeslagen, in schooljongensovermoed de roode binnenvoering naar buiten. Hij herinnerde zich nog alles heel precies: 't soort dag, het vroege uur, het reisbiljet naar Rome, voor tien dagen geldig, de bagageverzorging, zijn angst dat alles in de war loopen zou, de plagerijen, de profetieën dat hij op een ongeluksdag op reis ging. En er was geen einde gekomen aan 't handen-geven, de trein ging al, toen hij nog een hand in zijn hand warm voelde. En wat een vragen van gauw en veel schrijven, wat een beloften dat hij veel brieven terug ontvangen zou. Zoo was hij gegaan op een Februari-Vrijdag 't land uit, de ooren nog vol vriendenwoorden, meênemend de beelden van vrienden aan wie zooveel van zijn leven vastzat.
Maar o, van die vrienden, ze hadden zijn mooi leven die twee jaar lang verpest met hun brieven. Eerst waren ze opgehouden te komen; dat was wel begrijpelijk geweest, ieder had het natuurlijk druk, 't broeide al zoo, toen hij wegging. Hij zelve had ook de handen vol; 't was niet gemakkelijk zoo in eens op zich zelven te moeten rekenen, zoo in eens te worden gezet heelenal voor eigen kunnen. 't Ging in den eersten tijd goed, mooie dingen zien, af en toe een vriendelijken brief, zoo was men ten minste niet alleen in de wereld. Maar 't duurde niet lang, toen was er in eens, na lang zwijgen, een brief gekomen, een brief als een plank, maar geen hartelijkheid meer, en geen van zelven gaan; gepraat van ouwelijke jeugd en wijs geredeneer.... wat.... die brief rook vijandig.... wat was er toch gebeurd?.... een tijdje later wist hij het; wat vroeger bepraat was geworden op kamers of in cafés, dat werd nu openbaar gemeend, er werd gevochten.... dat had mooie brieven gegeven, brieven die als oorlog waren, lustig van den krijg, en wreed als strijd is, brieven, waarin zinnen die als klaroenen klonken; maar daar waren ook andere, bazige brieven, met veel langdradig geleuter over anderen, en weinig mooi vertel van eigen doen.... Hij voelde het wel.... al stond het niet in de regels.... hij was gezet door de vrienden aan den kant van den vijand, zoo in eens maar.... jawel, maar bliksem, dat was toch larie.... och, wat hadden al die meeningen hem een last gegeven.... hij, die daar in dat vreemde en liefelijke land maar niets thuis was, en er toch geen oogen en vingers genoeg had, die alles wel had willen vasthouden in dat land zonder nevel, waar de eeuwige zon hem zoo begon te plagen en ziek maakte, tot hij er als een sjouwerman werkte, planloos, bang in klein-burgerlijk plichtbesef van te kort te komen, van niet genoeg te zullen kunnen laten zien van al wat hij gezien had.... En hoe was hij dikwijls met het beeld van een vriend op reis en aan 't werk geweest, dàt zal ik voor die maken en dàt voor die.... Werken, werken; ontevreden zoekend naar rust; hij domkop die hij was geweest toen, was maar door blijven hunkeren naar die vriendenbrieven, waarvan hij, vóór hij ze las, al wist dat hij er wrevelig over worden zou, wanneer er zijn onrust sarrend in werd beklaagd, wanneer hij voor de zooveelste maal hooren moest, hoe zij allen thuis al wisten wat ze wilden, hij die toch ook wel wilde veel, al wist ie niet wat. Hij was Italië doorgegaan, ongelukkig in redeloos gepruttel, overal naar toe waar zijn principalen hem stuurden, doende naar hun gereglementeerde bepalingen. Hij had zich vaak een officiëelen schooier gevoeld, reizend met een zwarten rok in zijn koffer, maar die bekneld moet leven, vóór de hooge visite stil met kastanjes dineert, alles op een koopje doende, gedwongen elken stuiver om te keeren, driemaal, eer hij 'm uitgaf, om toe te komen in het dure reizen. En zwak en hulpbehoevend meer dan ooit, geslagen door de ontzaggelijke voorbeelden die hij bestudeeren moest en die hem nog meer in de war stuurden door hun vèr afstaan, door hun hooge rust van bewustzijn, zoo vloekend met zijn eigen eenzame en tastende onbewustheid. En hij had zijn weifelende en woedende en grimmige ziel vaak uitgezegd in menigen brief, hartstochtelijk en wild, over niets kon hij spreken dan over zich zelven; en van heel dat vriendental was er maar één geweest en altijd dezelfde, dien hij voelde dat hem zag daar in de verte, en die met groot en medelijdend zien, vermeed te gaan wroeten in de ellende van een vriendenziel. Hoe zou hij er hem altijd om lief hebben.
Het tweede jaar zou Spanje moeten worden bereisd. Maar in Genua was hij toen plotseling ziek geworden, en door de vriendelijke bemoeiing van den consul opgenomen in een hospitaal. Een gezegende rust van drie maanden was er het gevolg van geweest. O, dat weêr beter worden in het hoogliggend hospitaal van Genua. Hij moest dat dikwijls de mooiste herinnering vinden, die hij van Italië had meêgedragen. Zijn ziekenkamer keek uit in den tuin; dat wakker-liggen daar, na lang slapen, bij volle kennis, de dagen door, lekker tusschen de heldere lakens. De kamer kraakzindelijk, 't medicijnfleschje met altijd iets visiteachtigs er naast, vlak bij 't bed op 't nachttafeltje, de wanden langs Engelsche bijbelteksten, opgehangen achter glas, grooten druk, hij kon ze vanuit zijn bed lezen. Maar dan het raam open, de jonge zon blond en licht en veel vallend op 't balkon. En in den tuin het voorjaar met al veel violetten, een geur van bosch en zee binnenluchtend door het raam. En in zijn liggende leden een aangloeiing, iets van gisting als in nieuwen wijn, een aanspoeien weêr van kracht en gezondheid; maar in zijn hoofd nog een teêr suizen, een week nagevoel alsof hij veel vlugzout geroken had, iets ijls of er veel damp in de hersens was. En een sterker proeven en een nieuwer zien en een fijner hooren. O, die lange dagen in Genua's hoog op de rotsen staand hospitaal. Dat dagen stil liggen kijken in de zon, met de stille zorgen der direktrice altijd om zich, die altijd verlangend dat hij slapen zou, op zachte voeten naar binnen kwam, en de deur weêr uit, zwart en goedmoederlijk met haar kuisch-gekapt haar. Maar ook dat toen verwenschte diëet, die strenge, Zwitsersche dokter, die zijn tong kwam zien en dan altijd zei: "Sie haben gestern zu viel gegessen." En later, toen hij de dagen al opzat, dat wakker worden soms midden in den nacht, van zelven, zonder pijn of behoefte, dadelijk helder in den nacht, de nacht hoog om het huis, zoo hoog in de lucht, en zoo heerlijk stil en toch zoo raadselachtig vol met geluid zonder naam, dat hem de gewaarwording gaf alsof hij 't blauw zag, 't onstoffelijke, kleurlooze blauw der door sterrelicht ondoode aardschaduw. Daar kan men stilliggend, lang over denken, en dan plots in zijn dichte oogen een roode drang, en 't mooi opvlottende beeld van een begeerde vrouw.
Heelemaal hersteld was hij de tweede reis begonnen, tuk op nieuwe indrukken, begeerig naar nieuwe beroering. De dokter had hem den raad gegeven zich beter in acht te nemen, zich niet meer zoo over stuur te werken, en dat zou hij in geen geval doen. Neen zeker niet. Bovendien was de beurs gevulder. Door de zorgen van een welmeenend beschermer had een rijk verzamelaar tot aanmoediging veel van zijn studies gekocht, al dat gewurm van verleden jaar was uit de voeten; hij zou 't nu bedaarder aanleggen en wat meer ook voor zijn plezier uit zijn. De behoefte naar land en vrienden bestond bijna niet meer, een enkele maal schreef hij aan zijn familie, om af en toe nog iets van huis te hooren.
Maar onverwacht, hij was toen nog maar een maand in Madrid, op een Aprilmorgen, daar was weêr een brief gekomen van zijn besten studie-kameraad, een brief als een akte geschreven met een zware hand. In ronde vriendenwoorden, kort en zakelijk, was die brief van meening, dat hij een onvrij man was, dat dit aan zijn tentoongesteld werk was te zien, dat het er veel van had, of hij zich verkocht voor een bezoldiging, dat hij laf een goed leven leed, waar al zijn vroegere kameraden krom lagen, ontbeerden voor hun ernstig zich-zelve-willen-wezen. 't Speet den schrijver zoo, 't had hem zeer gedaan, maar op de expositie had hij een kameraad hooren fluisteren tot een ander, en toen meer die zeiën, dat zij zich in Johan hadden vergist, dat hij met massa's werk den boel had willen overdonderen.... neen.... hij mocht niet van zich laten zeggen, dat hij geen artist was, dat was gezegd en er was reden voor geweest.
Dat was als een slag op zijn hoofd gevallen, 't was hem een oogenblik benauwd geweest in de keel en of zijn bloed niet voort wou. Toen was hij met een vloek opgesprongen, de deur uit en de straat op. Hij had dien dag door de straten van Madrid gehold, de natheid niet voelend, en den ijskouden regen niet, met niets in zich dan stomme kwaadheid en in zijn hoofd huilend verdriet. 't Is niet waar, 't is toch niet waar, griende het in hem dien dreinigen dag. Dagen achtereen had hij in 't Museum niet kunnen schilderen, vies van zijn besteld werk; daarna was hij er weêr naar toe gezakt, als een hond in 't gareel, 't moest toch gedaan worden. Maar lang daarna nog hadden die woorden hem bezeten, hij herkauwde die bitterheden den geheelen dag onder 't werken door: zou 't ook waar zijn, zou 't ook waar zijn?
En de eene dag verging na den anderen. Twintig brieven was hij wel begonnen op dien eenen brief; geslingerd als hij werd tusschen zelftwijfel en beleedigden trots, schreef hij telkens wat anders; nu een brief waarin hij kroop als een geslagen hond, excuses vindend, en dan weêr een anderen met een hoog opgezetten toon; onvoldaan had hij ze alle verscheurd, want langzamerhand vocht het zich van zelve uit, voor de eerste maal misschien werd hij zich iets bewust van zelfvoeling. En in dat gevoel slaagde het antwoord in eens, schreef hij even kort en zakelijk, maar als een snauw, als een dadelijken beet van zich af: "ik wil niet langer worden geplaagd, laat me met rust."
Maar een woord was gezaaid en het groeide tot een heel ding in zijn jong leven. Wat hij zich verleden jaar nooit precies had weten te zeggen, 't werd hem nu volmaakt helder, zijn mooi reisbestaan was voor de tweede maal bedorven.
Hij was dat tweede jaar weêr net even ongelukkig, wetend en zich bekennend: gij zijt laf, gij zijt laag, maar koppiger nog dan ooit, volgend de voorschriften van zijn principalen, punctueel in alles wat hem was voorgeschreven.... dat heele gedoe, hij was het te haten begonnen. Hij had dagen van rondgeboemel, laksch voor de dingen om hem heen, afkeerig als iemand die met bedorven maag walgt voor een lekker maal. Doch lang hield hij dat niet uit, werkman als hij altijd geweest was, begon hij op nieuw, maar met geweld zich verzettend tegen de stortbuien van emoties en van de zich telkens nieuwe en opdringende gezichten; om er een vast te houden maakte hij zich overal een thuis, klampte hij zich vast aan eenmaal begonnen werk. Langzaam begon hij zoo te zien wat zijn leven zou zetten; hier of ginder, dat zou overal op 't zelfde neêrkomen. Soms midden in ploeterend gewerk kreeg hij als in den weêrschijn van een opslaande vlam een bruut inzicht in zijn toekomstig leven. Zijn altijd alleen zijn, het zich altijd aanwrijven tegen dingen, die zoo hoog onverschillig naast hem waren, joeg hem meer en meer terug in zich zelf, hij begon zich te betrappen dat hij als met een vriend hardop met zich zelven sprak.
.... Wat had hij vaak zitten soezen zoo in een klein landstadje, een hoop verdwaalde huizen in een woestenij van zand, moê van den langen zomerdag, met gesloten oogen, als de avond komend was met loome schemering. Dan was de vlaktewind langs zijn hoofd en handen waaiend gegaan, de straat inwalmend, zwoel als heete lucht weggewolkt van veel vèr en groot vuur, zwaar van een opkomend onweêr maar niet te zien, broeiend en somber als vooruitgeadem van een naderende katastrofe; terwijl het treurde almaar binnen in hem, dat niemand, ook geen vriend, ooit 't leed van een ziel proeven zal als die ziel zelve; terwijl het duister snel viel, tot de slaap in den zwarten nacht zijn hoofd kwam omhuiven, en hij als een moegeweend kind, beweldadigd tegen den muur ingedruild was. Met een tik op den schouder was de waard hem komen wekken, die vroeg sloot om het angstige weêr, en kreunend was hij ontwaakt, nààr in den nacht en hij had wel gewenscht eeuwig zoo te kunnen blijven rusten, en niet meer zoo te worden voortgejaagd.
Maar de reis was verderop gegaan, zoo zijn route hem aanwees. Brieven kwamen er bijna niet meer, zijn vrienden lieten hem met vrede. Eerst maanden daarna ontving hij in Granada weêr een tijding van zijn oudsten en besten kameraad, een brief, waarin hij plots het worstelen van een hevig begeerend mensch zag, als hij zelve was. De brief klaagde ook over misverstand en och, dat sprak van zelf, over weinig vriendschap. Dat had een nieuwe correspondentie gegeven, en toen was het bij hem tot klaarheid gekomen, dat hij voor zijn eigen rust aan dien tweeslachtigen en schijnheiligen toestand een einde maken moest. Dàar, in een anderen brief aan zijn principalen, beredeneerde hij, dat hij voor 't verder genot der subsidie bedanken wilde. Wel bekroop hem de vrees, hoe dan zoo in eens te leven, maar kom, dat zou wel gaan; nu of over twee jaar, men bleef toch altijd staan voor het eenmaal moeten beginnen, en dan was het verstandiger nu dan over twee jaar. Hij had wat geld, en eens weêr in Holland zou hij er wat bij zien te doen.... lessen geven.... ook misschien wel eens wat verkoopen, eindelijk was die zaak dus uit de wereld. Dit alles had hij aan zijn vriend geschreven, ook dat hij toch zoo dichtbij, nog even naar Afrika's noordkust wenschte over te steken en het antwoord op dien brief was hem van morgen door Sarah de meid gebracht.
't Was de vierde dag dat Johan in Tanger was en hij geloofde wel nu den weg alleen te zullen kunnen vinden, zonder den gids Mohammed Ben Jachjemed. Prettig eindelijk alleen uit te gaan. Men zag met zoo'n jongen eigenlijk niets. De moskee nu ja, ook maar van buiten, en de gevangenis; een Arabisch café van binnen, een tentoonstellingsding klaargemaakt voor de toeristen, en een bazar voor de toeristen met goedkoope nagemaakte mooiigheden voor de toeristen, alles wat een reiziger zien moet of hij wil of niet. Nu zou hij alleen slenteren kunnen, stilstaan als hij er lust in had, zonder zoo'n uitlegger naast zich te hebben, zonder dat kitteloorigmakende klep-klep van diens muiltjes almaar naast zich te hooren, medegenomen te worden door dien slimmen Arabier, die altijd wou rooken en dronk voor drie. Hij wou nu maar op goed geluk gaan dwalen, in dat warnest van smerige buurtjes, door dat doolhof van steegjes, met trapjes stijgend naar steegjes en paadjes en slopjes zonder naam. 't Was gisteren een vuile boel geweest, het had den geheelen dag geregend; nu was 't droog en mooi weêr. Van morgen bij het opstaan had hij uit het raam van zijn slaapkamertje de buien nog gezien, vèr, wolken met vage koppen nog, boven het rose, licht-lila en 't blond schaduwblauw der heuvels om de baai, vèr weg uitgespreid, als een rook uitpluimend naar de Spaansche kusten henen, naar Gibraltar, en naar Tarifa, dat nog laag en onzichtbaar als in een mist gevangen lag. Maar naar boven was de hemel nu weêr klaar, blauw toch achter het wittige waas der hoogvlottende dampen; alom en overal vervloeide het bleekgouden ochtendlicht er onder en door het ruim vol vochten, als een noorsche voorjaarszon alles doordringend, zeeg 't breed neêr. En 't had de baai doen parelen, zilverig schuimspatte en spikkelde het licht op 't kalme golfgekabbel, op 't blauwe, ebbende water der Middellandsche Zee.
Alles beloofde een mooien dag.
Het steegje, toen hij 't hôtel uitging, lag voor hem als de moddergrond van een sloot. Hij moest, wilde hij niet door den grooten plas voor den ingang waden, langs de muurkanten strompelen, houvast zoeken aan den muur, of zijn voeten probeeren te zetten op de stukken puin, die in de sopperige brij als droge eilandjes waren. Zijn tasch hinderde hem geweldig. 't Ding was toch al vervelend genoeg.... zoo'n heelen dag dat gebengel tegen je beenen.... en dat omslachtige reisboek kon hij den dag door voelen. Kom, met den ballast weêr naar boven, al genoeg gewerkt.... maar je kon toch nooit weten.... Beter meê verlegen dan om verlegen.
Besluiteloos bleef Johan staan, een eindje ver al het straatje in, op een hoop droog, grauw puin, waar middenin een paar witgeworden steigerpalen als stammen uit opschoten.... Daar werd een huis gemaakt.... nette lui, die Mooren.... 't was goed om je beenen hier te breken.... Zal 'k 't doen, zal 'k 't niet doen.... dat de fataliteit beslisse.... we zijn nu toch eenmaal in Marokko.
Om zich zelven lachend in het stille straatje, haalde Johan een muntstukje uit zijn zak.... kruis niet, munt wel.... en kantelend vloog de cent langs de palen op, het streepje zonhemel boven de steeg te gemoet.... Kijk.... daar boven den muur daar staat je waarachtig de metselaar; de slimmerd buigt over de straatgeul, nu 't koper klankspringend valt op 't puin. Wat een mijnheer. Hij staat daar met zijn troffel in zijn hand, als iemand die op visite is, propertjes in zijn burnous, met een rood zijden tulband om zijn kalen knikker.... een mooi lapje.... wijnrood met gele strepen, oud goudgeel.... Eerst dien cent zoeken.... dáar.... hij ligt op zijn kant.... neen.... eerlijk zijn, munt ligt boven.... vooruit dus, 't noodlot heeft gesproken, er is maar éen god en Mohammed is zijn profeet....
Lacherig nog stapte Johan door, het straatje af, in eens gedwongen schoor te loopen tegen den afzakkenden weg, de hakken telkens geplant in de modder, schrap met den rug achteruit, want almaar daalde de straatgeul tusschen de smerige, vensterlooze muren door. Tusschen steile wanden, die benauwd dichtbij waren, ging hij, tusschen gevangenisachtige, leêgstaande stijgingen. Een heel enkele maal puilde er een uitbouw uit den muur, geschraagd op schuine ijzers in den steen gestut, of hij ging een klein diefachtig deurtje voorbij dat stomdicht was. Van uit de verte, als 't gegons in een zeehoorn, een gedruisch als van een brekenden zeevloed of uitgeluiding van menigteleven. Overigens was 't straatje doodstil in den looden, on-dagachtigen schemer, die zijn oogenkijken telkens naar boven joeg, naar 't schijnen van den vriendelijken daghemel. Het getroffel van den metselaar hoorde hij hoog achter zich, metaal-lachen uit de lucht vallend. Zooals de geul, die het regenwater in het zand sappelt, met kronkels en onverwachte ellebooghoeken daalt naar een plas, zoo daalde het naamlooze straatje naar het kleine Zocco toe. Wat verder weêr ging hij een steegje langs.... daalde het naar de haven? Veel licht scheen achter in.... 't ging hem voorbij als een poortje naar 't licht. Bij een onverwachten ellebooghoek was de muur links in eens open, een groot portiek kwam en een inzicht in een ruim gepleisterd portaal, koelig onder het gewelf. Laag op steenen banken hurkten er een paar Mooren, de beenen gekruist onder zich gehaald, de handen in de witte schootplooien, roerloos als pagoden zittend. Zij rookten uit pijpjes van roode leem, vaasjes, waar kostbre specerij in verbrand schijnt te worden, en keken heet-droomerig den voorbijganger na, tot ze weêr doken in hun gewichtig zwijgen. Johan herinnerde zich onder 't loopen, hoe Jachjemed gisteren gezegd had, dat daar een ambassade was, de Engelsche, indien hij goed verstaan had. Maar het straatje begon snel te dalen. Het marktrumoer steeg gelijk wasem in de tuit van een ketel de monding der straatgeul in. Daar zette het lijf aan van een mageren kerel in een blauwige jas, zijn kop met roode fez boorde de steeg in. Voorover, als een man, die tegen wind opgaat, klom hij met heftige buigingen in de knieën. Hij kwam hooger, slijkspatten waren verdroogd tegen den beenigen kant van zijn schenen, zijn schilferige voeten trapten paarschig en ruig in muilen van okergeel leêr; die hadden toonstukken als de kop van een stompen visch. Hij sjokte aan door de dras van het glibberige paadje en week voor den ander uit als voor een onreine. Met een paar sprongen was Johan toen het steegje uit, neêrgevallen in de volle zon van het kleine Zocco.
En zooals voor iemand, die uit een stille kamer na lang thuis zitten, plots komt te midden van een straat waar het karnaval is, zoo was het voor zijn grage oogen dadelijk feest van bewegend en van kleurig leven.
Tusschen de huizen-ophooping, kubieke blokken zon met schriel hier en daar een zwart gat, als een wantrouwend oog in de van-buiten-nietszeggende oostersche woning; tusschen vensterlooze witte muurvlakken—er was maar een enkele muur met vensters achter groene jalouzieën dicht—onder een breed-wit opgestapel van bordessen, als hoopen doozen op elkaâr gekanteld, als groote dompers over veel leven gezet, krioelde laag in een moeras van modder en afval, een bont, veelrassig volk in druk-dagelijksch marktbedrijf. Tusschen opstellinkjes van hout en zeildoek, opgezet tegen beroeste en glibberig bemoste muurwanden; tusschen ambulante winkeltjes waarin getulbande kooplui schemerden achter hun rare waar; in een gekaleidoskoop van veel lappen en toevalligheên, schoven, draafden en klutsten door een gespat van drek, ruwe donkere kerels, kaalkoppig volk en verweerde jongens. Als mieren, op den tast af, zochten ze hun weg door de volte. En ze schreeuwden en kreten luid uit, tegen elkaâr op, alsof ze woedend waren; maar joegen de pakezels door 't gedrang, aanscheldend malkander in hun keeltaal en met stokken dreigend onder het loopen door; maar voortslovend pakken op rug of kop; maar ranselend hun ruige beestjes.... hui.... hu. i.... hu. i, zonder stilstaan, rusteloos, rusteloos.
De twee ochtenden dat Johan het kleine Zocco met den gids was overgeloopen, had hij het niet zoo rumoerig nog gezien. Nu kreeg hij stompen en duwen overal tegelijk; en toen hij, lacherig en uitermate in zijn schik om die onverwachte kleurdrukte in de mooie zon, stil was blijven staan in een leêg plekje, en zag hoe de drukte aankwam, 't gescharrel samenkluwde en een oogenblik opstopte, alsof er een ruzie was in den hoek van het lange straatplein, daar onder den hoefijzerboog van een poort, ingang naar een straat; en zag hoe boven gindsche huisblokken uit, de minaret der moskee frisch-zeewatergroen, nat-glimmerig alsof hij pas beregend was, opstak in de zonlucht, werd hij ruw opzij geplompt en stoven er ruwe woorden van kwaadgestoorde drukte zijn ooren in. Voor zich uit keek hij in den woedenden kop van een kerel, rugs-òm kijkend naar hem toe, op den loggen kop van een half-naakten neger, die voortsjokte achter een ezel met vaten aan weêrskanten van zijn bast; een loopenden zwarten vent, die telkens omkeek, uitscheldend uit zijn lippensnoet een bui van schorre geluiden, de gebalde vuist schuddend voor zijn raaskallend schonkengezicht. Maar Johan lachte den glimmenden vent om zijn boosheid wat uit, en ging verder. Hij wilde naar de kroeg van Antonio Sivory, die verkocht toch van alles, die zou hem misschien ook wel aan papier om op te krabbelen kunnen helpen;.... vervelend dat hij om de goedkoopte zijn grooten koffer in Sevilla gelaten had.... 't schetsboek in de tasch was zulk onaangenaam papier, zoo erg jufferachtig.... dat kwam er van, van die beroerde vrees te veel geld te zullen moeten uitgeven.... briefpapier zou Antonio wel hebben.... het teekende heel mooi met een zacht stuk krijt;.... dat verhaal in dien brief van Frits was goed.... god.... als ie me eens hier kon zien loopen.... hoe grappig.
Johan liep of stond zonder 't besef te hebben van gaan of staan, levend met zijn oogen alleen, soms met kleine, wakkermakende bewustwordinkjes over den te nemen weg, soms een oogenblik verstrooid door invallende gedachtetjes, aangeblazen als tochtjes, als scheutjes koude lucht om een warm hoofd. Hij liep de kraampjes langs; daar pluisde de drukte uit, den stiller gekleurden rand gelijk om een bont-tafreelig kleed. Tusschen stilstaand volk ging hij troepjes van schunnige leêgloopers langs, die in de zon schurkten onder hun vuile jassen, bruingroen en vet als oude olijven; langs bijeenscholingen van stinkende parasietmenschen met onverschillig strakke inboorlingengezichten, verdroogd en vlooirood in de mantelkapschaduw.... Daar was 't straatje waar hij in moest.... ja, 't was 't wel.... Een bejaarde Jood kwam er hem uit te gemoet, gaande naar de stroomende drukte. Hij dribbelde hard aan, een beetje tuimelend op zijn oude mannenbeenen, 't magere lijf krom en afgewerkt tusschen zijn laag en leêg schommelende handen. Van den hals af tot boven de enkels, waar de pijpen van een sintelkleurige pantalon dichtom knepen, was hij in zijn smerige kaftan sluik en tranig en rood als wijnmoer; om het middel gegordeld en voor het lijf was de jas dicht met een rij van veel kleine knoopjes. Hij had een vaalzwart kalotje op 't gebukte hoofd, 't grijs haar spritste er onder uit en piekte naar de uitgezakte schouders.... een verschooierde bijbelsche Jood.... Hij strompelde haastig aan zonder opkijken uit zijn droefgelijnde facie, waarin de lip zorgvol hing, waar, langs den mageren uitstekenden neus, twee diepe lijnen groeven naar de verscheefde mondspleet.... den driehoek dien de smart donker snijdt in het gelaat der menschen.... En hij ging zijn voorovervallenden gang, den blik naar den grond alsof hij daar wat zocht, een haastige, zwervende gestalte.... Johan bleef den ouden man na staan kijken, en toen kwansuis; want daar liepen tegen de zon een paar vrouwen de drukte uit en 't reisboek leerde, dat het niet goed was van een vreemdeling nieuwsgierigheid voor vrouwen te laten merken.... 't Was je toch een vertooning.... leken het niet net spoken die twee aanwandelende witte lappenpoppen.... hoopjes lijnwaad, vrouwenlichamen, weggemoffeld in plooien.... Zouen ze mooi zijn?.... Ze gingen hem langs en hij kon het teêre bewegen van een hand raden onder de gelaat-slip van het weeke kleed. Zij sloten zich geheel, ook het streepje voor de oogen, om heelemaal niet gezien te worden door een ongewijde. Log van gang traden zij met de vleezige bloote enkelvoeten, sleepend door de modder hare mooie muiltjes, gouddraad-geel met een roode hak onder het neêrgeslofte hielstuk, terwijl het kleed stil en zwaar hun om de beenen hing. Het tweetal ging het straatje in. Johan zag ze verdwijnen tusschen hun stomme, alles verbergende huizen, zij zelve als dingen van even onbegrijpelijk geheim.
Het straatje, waar ook hij in moest, ging gelijkvloers uit een hoek van het kleine Zocco; rechthoekig er meê was daar een ander straatje, opschuivend weêr naar de hooge stad.... Zoo kwam je op de fortificaties.... gisteren er geweest met den gids.... bij dat monsterkanon van Krupp; een geschenk van Koningin Victoria aan haren hoogen cousin den Sultan van Marocco; stapels kogels er bij.... het kon de geheele straat van Gibraltar bestrijken.... Wat had die Ben Jachjemed gelachen, toen hij vertelde dat geen een Moor wist hoe het te hanteeren, veel minder nog het af te schieten. Hij zelve had 't vreemd aangezien, dien zwarten reus daar zoo stevig staande, ijzerzwart, een massa somber Noordsch intellekt, tusschen een rijk gegroei van veel aardige struiken, rood en verweerd op den in puin vallenden rotswal. Kinderen met fezjes op en zwarte staartjes midden op 't kruintje, in oranje en groene en in bloemkleurige hemdjasjes speelden er onder den loop, die als een omgevallen fabriekspijp in de beestachtig zware tappen hing.... Maar in het eerste steegje en dan het tweede dwars en dan weêr even rechtuit, daar was Antonio's kroeg.
Onwillig om het zon-violet van het donkere slop te moeten ingaan, bleef hij nog wat kijkend staan. Onder het muurvlak daar zaten een rist in doeken en plooien verscholen vrouwen, hel met den witten wand in de vlakke zon. Donker streepte het open voor de oogen, donker lag een kort blauw schaduwtje achter hun breed zitten aan. Op doffe matten gehurkt zaten zij, achter stapels van plat-rond en grof-grauw haverbrood, verschanst achter hun eetwaar, veilig aan den rand der drukte. Die had hij daar gisteren ook even onbewegelijk zien zitten, die zaten daar misschien wel altijd, 't leken wel dooien in witte lijkwaden.
Achter zijn ooren gromde het marktleven, vol en gedragen tusschen de wijduitstaande huisblokken, en de bewegelijke kreten en schreeuwen vlogen er als pijlen doorheen.
Vóór hem hurkte een aangekomen vrouw bij de mat in het licht neêr.... Sapperloot, die was niet mager, wat een breed bekken.... Over de brooden heên begon ze met een koopvrouw een praatje, de beide vrouwen, stille gestalte over gestalte, babbelden door den kier voor 't gezicht, naar elkander.
En een olieachtige kerel, duister bruin en blauw in de zon, kwam als aanrollen uit het klimmende straatje en bukte nog in de loopvaart der helling, nam een brood en ging er meê vort, terwijl hij achter zich het geld onverschillig op de mat smeet. Even kwam toen een hand uit een lappenvrouw, de hoofddoek week open, de kin dook bloot, versierd met drie streepjes als van uitgebleekten inkt, als merkjes in een kerfstok. Johan zag de vingers, waaraan de nagels tabakssapkleurig geverfd, verdwijnen met het geld, muntjes geheimvol gestempeld, tusschen de wollen gaping van het kleed. En het praten ging voort, lispelend met neusachtig geneurie.... wonderlijk toch zoo'n gesloten leven....
Johan liep weêr door, de broodenverkoopsters langs, waarvan hij het oogengegluur achter zijn weggaan voelde, hij zelve kijkend naar links en naar rechts, als een speurhond met den neus in den wind.
Hij keek over de markt in de druischende drukte. Het scheen hem dat er onder die sjouwende en ploeterende beweging maar weinig menschen waren uit het land zelve; veel geslaaf van zwarten, veel gehandel van Hebreërs, veel mannen en jongens, geleek wel, uit Europa's Zuid; maar allen onordelijk, inboorlingachtig, maar allen bekleurd met de dracht van het land: het gemakkelijke Moorsche hemd, of jassen verflenst, verwelkt en verscheiden als oude vruchten, of den eenzelfden goor-witten mantel met kap, plattend op den rug tot een driehoek, bollend om den kop met de punt omhoog; en door dat al, het schitteren der barbaarsche sieraden, snellend door 't gekrioel als vonk-vliegende insekten: het rinkelen van een hanger in een oorlel, het spiegelen van een glas-juweel aan een rauwen knuist, armbanden, een raar snoer, een oud zij koord, gestreept, getrest van kleurtjes, bindend de vrije kleêren om de rappe leden, te pas gebracht overal.
Terwijl hij drentelde, op zijn plek blijvend bijna, de vrouwen langs tot aan de kraampjes en dan terug, keek hij soms onverwacht in het suffe kijken der leêgloopers. Hij zag ze plotseling aan 't zinnen gaan, en loeren met de hand vooruit om een aalmoes te bedelen. Maar, rein van uit de smerige volte, waren het een paar deftige heeren die kwamen aanschommelen: rijken van Tanger, luie vette lijven, breedbuikig, uitgedijd, gewikkeld in flanel, mollig, smetteloos gewaad, waaronder het purper bloosde. Hun hoofden waren bekoepeld met een grooten tulband, wit en wijd om de slapen gewonden en om het roode middenstuk, een samengesteld ding moeielijk om uit te pluizen. Ze gingen hun pauwengang, haanachtig voortstappend hun gewichtig leven, stil met zwijgend aangezicht, bleek, ongenaakbaar en bizonder, veel gewasschen en schoon geschoren, ieder met een schralen knevel onder den neus, den baard kort langs de lekker uitziende wangen, de eene zwart, maar de andere al grijs, vrouwmannen. Ze gingen als plechtige lieden ieder met een slaaf achter zich, die den inkoop droeg, schrijdend als gebieders tusschen veel geknecht, den sleutel van 't huis in de hand. Ze wiegelden pralend voort als komedianten doen kunnen, hun onverstoorbare wijsheid ging tusschen de scrofuleuze schooiers door, die uitweken om hun aalmoezen te rapen. Kleine kleuters schoten in eens tusschen uit de beenen der mannen, ze kwamen de mantelmouw kussen van den bejaarden heer, ze ontvingen zijn handlegging op hun geschoren hoofdjes.
De volle markt krioelde voort. Instinktmatig als insekten-arbeid scheen het werk wel te worden gedaan. En tusschen al dat drukbezige gingen stijf de donkere lichamen van Europeërs, rechtop als opzichters tusschen slaven; een Engelsche zaken-man die als een ledepop zijn strakken eenzelfden gang liep, of een andere zinnende handelaar in zijn kokerachtig konfectiekostuum; stukken donkere orde, bewuste, moderne menschen in hun beknopte kleeding, tusschen al die uitbundigheid van het kwistige en Orientalische gedoe. En 't was àl feest; waar Johan ook keek, 't was overal een uiterlijkheid, om er zich nooit met de oogen zat aan te kunnen drinken, onder een zon zoo welig en zoo goud, die al het smerige verguldde en de melaatschheden, die hij met de oogen niet ontwijken kon, meêschitteren deed, als de parelmoerglansen van verrotting zwevend en kleurkringelend op bewogen water, onder dien éenen breeden en grooten val van het koninklijke licht.
Maar vlak voor het straatje naar Sivory's kroeg was Johan als met een schok een andermaal blijven staan. Hij keek in de gapende steeg, die naar boven zich voortschoof. Tusschen de opstijging der huizen verdonkerde de geul naar achteren in 't blauw van haar eigen schaduw; maar in de diepte was weêr een blok zon, een vierkant stuk licht. Ook voor den ingang viel de zon, vol boven de Zoccoruimte, doch dadelijk onderschept door het huisblok van den steeghoek waar Johan stond; een zware maar al korte vlaag schaduw lag neêrgesmeten over het steenen pad vol gleuven en vuilnis, met een grooten scheven rechthoek steeg het donker daar tegen het bezonde muurstuk op. Daar, met zijn voeten in den rouw der schaduw, maar met hoofd en bovenlijf tegen den ouden wand in het bloeiende en blozende licht, beeldde als een statue, een jonge man en die verschijning had hem zoo hevig in de oogen getroffen.
De jonge Arabier stond op zijn eenen voet, met krommende teenen in het dikke slijk der schuine straat, want den anderen had hij als voor de vloerkou opgetrokken en met de zool tegen den muur geplant. Zooals een hagedis, die de zonnige en warme plekken zoekt op zijn gescheurden muur, zoo was hij zich daar aan het koesteren op zijn warm plaatsje, buiten het gedrang, wars van het gewoel.
Hij was bijna ongekleed. Een groote vod te kort om hem van onder tot boven te dekken, een vervaalden lap gelijk een oude Moskovische rietmat, van het bruin als dood loof, hield hij om zich vast, met zijn hand bij elkaâr, om het afglijden te beletten. Hij stond daar stil voor zich uit te droomen, in een vertooning van zijn jong en onversleten spiernaakt, den kop recht op de zuil van den hals, zoo een koningsfiguur op een Aziatisch basrelief loom onder de oogleên uitstaart. Boven de rafels van zijn voddenmantel was een stuk van de platte borstplaat bloot, glanzend vleesch, zonrood geroosterd. Hij was ongeschoren, zijn haar geleek een pruik, 't kroesde rechtop en om het kleine voorhoofd tot een dicht in elkaâr gegroei van korte, sterke krulletjes; 't bracht Johan den schoolkop van Caracalla in eens in 't geheugen terug. Doch zijn neus was lang, met een teêren rug en zijn mond dun met stille lippen, verdonkerd onder een jongen knevel en om de jongensachtige wangen het gepluis van een beginnenden baard.
Hij bleef maar stil, vergenoegelijk voor zich uit glimlachend; wanneer zijn mantel wat afzakte, sjorde hij dien wat op, als zijn eene voet moe of koud werd, verwisselde hij ze zoetjes; zijn gelaat bleef stil met zijn heiligen lach,—als in een Assyrischen muur de figuur van een koningszoon statig staat.
Schaduwen van mannen vlotten Johans ooren langs, terwijl hij te kijken stond naar dien mooien droomer daar vóór hem in het vochte goud der zon.... zou hij niet eens omzien.... zal 'k hem eens voorbij loopen....
Maar met een klein rukje had de gestalte zich losgemaakt van den muur, en kwam.
Hij ging bezorgd en òplettend waar hij zijn voeten zou zetten, angstig als liep hij op glazen beenen; hij schouderschurkte onder zijn lapmantel, dien hij nu met beide handen gesloten hield, één onder de borst en de andere onder den buik; gelijk een kranke in zijn deken gewikkeld daalde hij aan.... Wat was zijn hoofd forsch nu voorover.... zijn borst sterk en breed.... en welk een macht in die armen.... de spieren lagen met gleuven naast elkaâr.... daar zou hij wel een man meê kunnen neêrslaan.... Op den vlakken grond bleef hij een oogenblik dwalerig, toevend; toen ging hij Johan voorbij, steeds met zijn genotlach om de lippen, een wonderlijk inzichzelven gelach, met de wimpers nu op.
En het blikken van een paar ernstige oogen, donkere oogen, klaar verwonderd kinderkijken, vaag van een diep naarbinnen leven, de blik van een bezetene maar zachtgezind, was onverschillig over het kijken van den ander heengegleden, onbewogen, niets hebbend gezien.
De zonderling ging het steegje in, Johan hem achterna. Het Zoccorumoer verdoofde, 't werd weêr 't geroezem in een grooten zeehoorn gelijk.
Achter den teêrloopenden man met zijn jonge reuzenschouders liep hij in het donkere slop.... 't Leek wel of die voorlooper dansen zou gaan.... Maar 't was om te schrikken geweest, daar hurkte hij in eens neêr, en ging op zijn hielen in de nis zitten van een insnijdende poortdeur. En uit een groen aarden schotel, die daar voor hem scheen klaar gezet, begon hij te eten. Hij greep er de witte rijst met zijn vingers uit, en stopte die in zijn mond, zonder gulzigheid, zonder zijn lach te breken, werktuigelijk etend, door niemand gemoeid, uit den weg zittend, niemand moeiend.
Want 't straatje werd druk een oogenblik door de markt-uitloozing. 't Was niet mogelijk lang er in stil te blijven staan, Johan ging dus zijn gang. Hij zag nog juist den man een mageren hond met de hand van zijn schotel weren, die hard aangehold meêvreten kwam. Het gedraaf van een paar kerels achter zwaar-belaste ezels aan, die de steegbreedte vulden, dreef ook hem voort. Ze gilden en hitsten hun "hu hu-i hu-i hu-i," als op de pooten getrapte uitjankende honden.
.... Daar was 't straatje, in 't midden zonnig, het leî zich tot een binnenplaatsje uit, daar was Sivory's kroeg.
Eer hij 't zelf goed wist, beziggehouden door 't weêr terug turen in zich naar het visioen van dien verdwaasde, stond hij in 't schemerdonker der kroeg, en dadelijk kwam hem het praten van een mannenstem tegen, een roepen bijna, een ironiek uit de mondhoeken uitgestooten luid spreken.—O, daar hadt je den kolonel.... den grooten man met zijn windbuil-manieren.... met zijn lange, bibberende snorpunten à la Napoleon III.... Gisteren kennis gemaakt.... jawel....
"Voilà monsieur le peintre avec son sac à malices."
"C'est ça, monsieur Badaud."
De kolonel zat op zijn tabouretje voor het buffet, rechtop alsof hij op een paard zat, de knieën wijduit. Hij was een stevige veertiger met naden al om zijn neus, maar die zich jonger voordeed door zijn blozenden kop en door zijn zwierige kleêren. In een havannahkleurig jacket en vest, een stof met groote ruiten, was hij jeugdig en achteloos gekleed; 't kostuum deed zijn manhafte militaire schouders goed uitkomen. Om zijn rooden soldatenhals met rimpels als groote barsten in zijn vel sloot de slappe boord van het bonte flanellen hemd, en daaronder was een das, wel wat waaierig en ijdeltuitig gestrikt. Zijn geheele verschijning was net; zijn kleeding uitermate goed geborsteld. Zijn pantalon, donker met breed galon, ging strak om zijn ietwat kromme paardenmansbeenen; met een klein voorzichtig plooitje had hij de pijpen op de knieën wat opgehaald. En zijn laarzen glommen op de spitse toonpunten, als was er geen modder op straat te zien geweest, en ook zijn haar glansde gelijk het met olie besmeerde hoofd van een Marseilliaan. Daardoor leek het zwarter en viel de komende grijzing niet zoo in 't oog; want al was zijn impériale ook lang niet zwart meer, maar van een uitgebeten kleur, een verteerd zwart, de snor met zijn gesteven drilpunten maakte weêr veel goed. Hij had een dikken gouden ring met een groot cachet, een groenen steen, aan zijn rechterhand glinsteren, ook een horlogeketting onder op zijn vest, en onder zijn das, zoowaar nog, glom een speld die een hoefijzer verbeeldde. Hij gaf nu een fermen duw aan zijn flambart en trok hem mannelijk en somber over zijn voorhoofd met ruige wenkbrauwen terecht.
Blijkbaar had hij juist zitten opsnijden toen Johan binnenkwam; voor Sivory, die dik lachmensch als hij was, zoo gemakkelijk mogelijk zat, half neêrgelegd op de bank daar, tegen den muur aan, den arm op zijn buffet.
Sivory's heele gezicht was naar het lachen gegroeid, de pret, die bij buien hem benauwde, als zijn kop openscheurde in de hevigheid der geweldige lachsmart, als zijn zwaar lichaam schokte en hem de tranen traag en pijnlijk uit de klein geknepen oogjes werden geperst. Hij was zeer gezien onder zijn klanten, hij was een goed waard, die met zijn gasten meedronk, borgde, maar schacheraar in zijn hart en van alle markten thuis. Dat alles wist Johan al heel gauw, want Sivory was dadelijk, bij de eerste kennismaking al, zeer vertrouwelijk alles gaan vertellen.
Antonio, zooals ieder hem noemde, was Italiaan van afkomst. Zijn vader, een vreemde snuiter, een aangetaste door de vrijheidskoorts, een woelig kind uit de onrustige revolutietijden, was al jong uit zijn land gejaagd, toen soldaat geworden in de Fransche legers onder Pichegru, vervolgens met Lafayette naar Amerika gegaan, later diens kok, eindelijk na veel, o veel wonderbaarlijke gebeurtenissen hier in Tanger terechtgekomen en daar wegwijzer geworden. In de oude reisboeken werd hij nog altijd aanbevolen om zijn groote geschiktheid. Hij had er een der eerste Fonda's opgericht en Antonio zette nu op vaders begonnen manier het zaakje voort. Daardoor, vertelde hij zelve, sprak hij 't Italiaansch even goed als zijn vader; en 't Arabisch als een geboren Tangeriaan; ook 't Spaansch als een Spanjaard van de overkust; bovendien was zijn vrouw een Spaansche; en 't Engelsch sprak hij als een inwoner van Gibraltar; en 't Fransch, bijna zijn dagelijksche taal, gelijk een stuurman van de Trans-Atlantic, die alle veertien dagen Tanger aandeed; en ook wel een paar woorden Duitsch kon hij begrijpen.... Toen Johan hem vertellen moest dat hij een Hollander was, had hij dadelijk "Gofferdom" gezegd, en stuipachtig het hoofd achteruit en de handen op zijn knieën slaande almaar, zich aan zijn vroolijkheid overgegeven als een dolblij kind.
.... Ah oui.... er was hier nog een compatriote van monsieur, die dat altijd in zijn baard knorde.... ah oui.... de admiraal van de Marokkaansche vloot.... ha, ha, ha! opperbevelhebber van één schip.... een oude Spaansche kast.... dadelijk na de afdanking aan 't verrotten gevallen en voor afbraak verkocht.... dat maar éens gediend had om den Sultan te brengen naar een kustplaats waar een oproer dreigde.... een lek ding met negen vreemde matrozen bemand; nu, met hun admiraal al een jaar lang.... ha, ha, ha! op non-aktiviteit.... die alle morgen vast om zijn paspoort ging vragen en aldoor maar weêr werd afgescheept en zijn hooge gage ontvangen bleef, omdat die Moorsche beambten het zoo lastig vonden dat ding klaar te maken.... ha, ha, hi, ha!.... Hij wordt altijd woedend als ik zeg, dat zijn taal een bedenkseltje is van hemzelf.... als ik hem vraag of er dan nooit eens iemand komen zal hier, om wat Hollandsch te praten.... ha, ha.... Ge zult u wel amuseeren.... nous avons encore ici d'autres....
Johan had een der tabouretjes genomen en zich zettend, Sivory toen gevraagd wat hij wenschte. Neen; groot papier, ongeliniëerd, had deze niet; maar hij zou 't wel weten te krijgen. En terstond had hij door het buffet geroepen, neusachtige woorden gelijk een Arabier spreekt; en een Jodendeerne met zwarte vlosharen bossend om haar hongerigen kop, een prachtige meid, een vervuilde aankomende schoonheid, kwam binnenslobberen achter het buffet om. Zij sloeg, de boodschap aanhoorend, een koffiezakkig vaal omslagdoekje over haar violette oude jurk, met vetkleuren om de randen der mouwen en onder de armen, en keek wild-schrikkerig in het opschijnende licht van de buitenstraat. Toen slemierde zij de deur uit.
—"'t Is nog wel wat vroeg voor een glaasje, is het niet?" vroeg Sivory, en 't was Johan weêr zeer vreemd, die hooge, jongensachtige stem uit dat groote lichaam te hooren komen.... "maar wat dunkt u van een glas spuitwater.... bon?".... "monsieur le docteur," babbelde hij voort, opgestaan naast 't buffet, de hand aan de kruk van een siphon, terwijl zijne oogen den straal, die met hevig schuimgeruisch in het glas spoot, bewaakten; "dokter, daar is misschien iemand voor u om meê te praten!"
—"Gut," bromde het onverschillig van uit den hoek.
—"Gut," lachte Sivory terug met een knakkenden knik van zijn hoofd, tegelijk het accent nabauwend boven 't gesuis van het uitparelende water.
Johan had bij 't binnenkomen den man wel gezien, daar achterin; de enkele keeren dat hij de kroeg had bezocht, had hij er hem altijd zien zitten, in elkaâr gedoken, lurkend aan een houten tyrolerpijp of met zijn neus boven een dampenden rumgrog. Nu, zich omdraaiend op zijn stoeltje, groetboog hij beleefd naar den als dokter aangesprokene, die ook een beetje opgekomen, de hand onder den elleboog van den arm met de pijp, moeielijk alsof hij zoo zijn bovenlijf van de tafel moest aftillen, hem op zijn beurt in de oogen keek. Maar hij groette flauwtjes terug, hij scheen schuw voor 't lichtschijnsel in de kroeg, keek vóor zich neêr, deed een greep naar zijn glas, dronk 't voor de helft uit, en zakte weêr terug in zijn suffende hoekhouding.
Vervloekt, wat had die dokter een bekende oogen, waar had hij zulke oogen meer gezien.... zulk ver blauw.... dat grotje in de pupil zoo angstig zwart.... nevel-oogen.... oogen nat van een weenend licht....
Johan, voelend dat de man geen praatje begeerde, draaide weêr om en keek de deur voor zich uit. Naast hem begon de kolonel op nieuw moppen te tappen voor Antonio, die met zijn mond al klaar tot lachen zat.
De kroeg, waar Johan zoo op zijn papier zat te wachten, had iets van een hol of van een pakhuis; waarschijnlijk was het vroeger, vóór dat de oude Antonio er zijn fonda[1]begon, een Arabische woning geweest. De twee deuren wagenwijd open tegen den muur van het voorplaatsje aangeduwd, anders was er geen licht. Ieder die er in kwam, liep dat plaatsje over, dat óok wel een kamer scheen geweest te zijn vroeger, tusschen een paar muurtjes door, een plaatsje, waar 't vies nat was en de goot plasvol, alsof de kuip, die daar in den hoek stond almaardoor lekte, of er zoo pas iemand hoopen flesschen had zitten spoelen. Zoo liep die inkwam recht op het buffet aan. Dat was een raar ding.... een insteek in den muur, nauw, 't leek wel een uitgebroken bedstede, nu tot een bergkast omgewerkt.... met drie rijen van planken, waar vanalles opstond: veel schitterende flesschen geëtiquetteerd, karaffen met gekleurde vochten, doosjes en pakken met droge waar, trossen touw en kloentjes gekleurd garen. Vóor de kast, de toonbank, een losstaande bak, een breede, roodgeverfde, op zijn kop gezette kist, met een plint stevig aan den grond.... wat zag het ding er gehavend uit.... van onderen bij den vloer was het bekrast, bekrabd, verveloos, als door ratten beknaagd; alsof al de menschen die binnen waren gekomen, tegen de plint waren aangebotst, hun vaart daar tegenaan hadden stil gestooten. Bovenop, een zinken bak, een gladde veel gepoetste metalen bak, rondom met koperen spijkertjes vast op het hout.... in 't lage straatlicht een rondedans van rinkelende goudlichtjes om 't effen metaalgrijs. Een paar flesschen, onder den greep van Antonio staande, blonken er in den hoek; een natte vaatdoek, met den druk van zijn herbergiershand er nog in, lag er tegen aan, een hoopje sopperig grijs, katoen-dof op 't metaal en tegen het harde glas der schenkflesschen.
Maar wat vooral van dat onbeholpen buffet een stil glimmend wondertje van schittering maakte, dat waren de zware spelonkkleuren overal in de kroeg er om heen; de wanden vetbruin en smookgrijs; het donkere gangetje, waar de meid purper uit was komen aanslungelen, en er vlak naast, maar in den hoekschen linkerwand, een groot poortinzicht met het lichtlooze er achter van een tweede pakhuisruimte. Een groezelig groenzwarte inkijk was daar, waarin hij veel gewemel raden kon van spinrag en opgegaarde stof, en waar een opgestapel uit schemerde van ronde tonbuiken, logge dingen, onverzetbaar, met ijzeren hoepels om de duigen, verroest rood. En van af den zolder en om het vierkant der kastholte, bezemden de bossen kiff.... het kruid, dat de Arabieren, kortgehakt en onder tabak gemengd, rooken.... dat met een geurtje van wierook verbrandt.... Ze hingen neêr, heiplanten, dorre franjes van een bleek kamillegroen en deden de kroeg gelijken aan een drogerij of aan een alchimistenwerkplaats. Eenige pistolen van oud kaliber met den haan aan spijkers opgehangen en solide zeslooprevolvers hingen er te koop, kreeftachtige dingen, of 't schaaldieren waren in hun donker pantser.
Rechts van het buffet, er tegenaan beginnend, verliep een lange bank den muur langs; Sivory op de eene punt, de dokter op de andere, daar behoorend in den toon.... menschen, geborgen in den schemer van hun woning.... Een soort scheepsbank was het, met een opengewerkte matten zitting, afkomstig, leek wel, uit de derde-klaskajuit van een Transatlantic. Een wit-houten tafel er voor, bekringd met drank-rondtetjes. Naar achteren in de diepte van den rechterhoek een paar kleinere tafels, oude tuintafels met marmer blad; en er om heen slordige tabouretjes. Die stonden als gestrooid over den vloer, bewarend iets nog, in hun onverschillig op vier pooten staan, van de haast, waarmede de laatste bezitter ze onder zijn loopen-gaan-willend lijf had weggestooten.
Bij den ingang, half achter het deurlicht, helde als een losgeloopen wagenrad, geleund tegen den muur, een groote doos, en daarin een kolossale Zwitsersche kaas, die Antonio vier dagen geleden ontvangen had. Een driehoek als een hap was er al uitgesneden, de blanke, vette kaas uitstallend; 't ding had de geheele ruimte met zijn stank verzadigd; en onder om den hoek van de pakhuispoort, laag op den vloer, een blakertje met een eindje vetkaars, vuil en beloopen, geel vet, smelterig om de zwarte, uitgebluschte pit.... een nachtelijk dingetje.
Johan's kijken, niet te verzadigen door de wonderlijke nieuwheid van alles om hem heen, dwaalde van uit de kroegschaûw de deur uit. De straat over, kon hij door de wagenpoort heen, recht in de werkplaats zien.... van een kleêrmaker, bepaald.... Dat was zeker de baas.... Een man zat op zijn vloermat laag, en zijn arm ging gestadig rukkerig op en neêr. De kop was niet te zien, onder de fez, voorover.
Naast hem, voor den drempel, zat een knechtje in een wit mouwhempje peuterig te pieken, ijverig in de weêr aan een stuk lap, zijn geschoren hoofdje bewegend naar links en rechts, zijn geknutsel in zelfbewondering telkens betrachtend; een slim, tanig en aapachtig kereltje, met de ooren rood en wijd van het hoofd afstaande. En het vermaakte Johan het ingespannen getreuzel van het ventje te gaan bekijken.
—"Antonio, wil je me nog een rhum geven?" hoorde hij achter zich den dokter roepen, onderworpen, alsof deze een lesje opzei.
De zon, blank in de straat, snelde gelijk een baan licht de wagenpoort voorbij, schrampte op tegen den muur, berafelde de oude steenkalk en het versplinterde hout van den uitgesleten drempel; wanneer de jongen met zijn hoofd keerde, glansde zijn rein schedeltje van een blauwend fosfoorlicht. En een voorbijganger kwam stil in de lijst van het deurraam en liep er weêr uit.... en wat later kwam er een ander, een vettige vent in een donkere burnous. Hij schouderde zich in zijn houding van grooten nietsdoener, steunzoekend tegen den deurpost der werkplaats en begon een praatje, als een gedrocht staande met zijn monsterachtig bekapt hoofd. Achter zich hoorde Johan, Antonio weêr neêrvallen op zijn bank, en het gulzig inhalen, het slobberen van den grog. In het werkplaatsje keek de baas op, van achter zijn door een grooten zwarten bril beringde oogen, een bril, als de kwakzalvers en woekeraars dragen op oude Vlaamsche schilderijen. De kleêrmaker bleef babbelen met zijn handen in den schoot.
Maar achter Johan schaterde Antonio het uit, klakkend zijn handen met een doffen vleeschslag op zijn dijen telkens. De kolonel vertelde een geschiedenis uit zijn soldatenleven. Hij trok, toen hij zag dat de andere kwam meêluisteren, triomfantelijk zijn hoed recht, en begon ook dadelijk beleefd zijn vertelling voor zijn twee hoorders te verdeelen: "voyez-vous, monsieur le peintre.... imaginez-vous, Antonio." Zijn vertel met veel delicate handaanduidingen begeleidend, speelde hij het geval. En met zijn klankende, voor in den mond gesproken stem, half zingend de phrases onder zijn nobele snorren vandaan, was hij een smakelijk verteller zoo; als een man die zich altijd op zijn voordeeligst wil laten zien, zat hij zwierig op zijn tabouretje, rechtop, met de beenen aldoor wijduit, als op een paard, de dijen strak, heelemaal niet burgerlijk, maar verradend in het zorgvuldig telkens opgehaalde knieplooitje van zijn pantalon, veel uurtjes van intieme beslommering.
—"Bonjour, mijne heeren," en een ferm stappende man ging achter den kolonel om. In den hoek naast het buffet zette hij zich als op zijn vaste plaats.
—"Bonjour, monsieur Crépieux. Hoe gaat het?"
—"Merci," zei kortaf de binnengekomene, een jonge man, korrekt gekleed, hooge witte boord, het haar bij den wortel afgesneden, als geschoren was zijn hoofd onder den fantasiehoed. Hij trok zijn manchetten recht, kijkend met een stuursch gezicht, heerscherig met den kop van een willer, maar stompig en hondachtig door zijn opgewipten neus met wijd snuivende gaten en hooge wangbeenderen. Zijn knevel was stoppelig, wreede haren gelijk geknipt om de lip, een kuilgleuf was in zijn kin.
—"Antonio," begon hij met zijn dwingerige stem, "hoeveel glazen rum heeft de dokter gehad?"
—"Twee, monsieur Crépieux, twee maar," de herbergier had er de vingers bij opgestoken en schudde ze naast zijn lachkop, als zwoer hij een grappigen eed.
—"Twee.... hè.... niet meer geven van morgen, verstaat ge.... Twee," herhaalde hij, als schreef hij ze op in zijn hoofd. "Dokter...." riep hij vervolgens over het buffet heen, "ik ben van morgen aan het atelier geweest, en gij waart er niet."
—"Bien possible," zei deze, glansvlekkend den schemer daar met zijn opkijkende oogen.
—"En waarom? zou ik u willen vragen, ge wist toch zeer goed dat Mustapha van morgen met vogels komen zou. Heb ik het u gisteren niet laten weten, daar ik zelve geen tijd had om u te komen spreken hier?"
—"Ik weet het heel wel," antwoordde de gebogen man met een vreemd accent, als een Zwitser het Fransch uitsprekend, "ik weet het heel wel, maar 't wachten verveelde me.... toen ben ik hem maar gaan zoeken op 't Zocco.... daar ie toch te slenteren liep.... We hebben vier vogels gekregen.... pas grand' chose.... twee arendjes en dan"....
—"Dat maakt met de andere zes.... En hebt ge gisteren een goede vangst gehad, hebt ge wat kunnen verzamelen bij Kaap Espartel?"
—"Gisteren?" een spoogje kwade lustigheid glimmerde in de waterige oogen van den dokter, in zijn voorhoofd trokken spotzieke rimpels op, als in 't voorhoofd van een komiek grijnzenden aap.... "Gisteren.... o, een goede vangst, ik heb vier schorpioenen gevangen, mooie volwassen exemplaren, en drie calioptères, met nog ander klein goed.... 't heeft moeite gekost.... ik heb er rotsblokken voor moeten omkantelen, monsieur Crépieux, vous n'avez pas une idée comment ces bêtes se cachent."
—"Dat geloof ik graag," blufte de kolonel er tusschen. "Dat lijkt me niet pleizierig, eerst een douche van collodion.... puf.... en dan op een speld opgeprikt zich zelven te moeten zien sterven."
—"Hi, hi," lachte Antonio met een luchthappenden mond....
—"Weet wel, monsieur Badaud, dat schorpioenen door mij niet worden opgeprikt, maar bewaard op sterk water." De dokter sprak haastiger nu, met een sneller slag, "weet dat wel.... en geloof ook maar niet, dat uw agonie, par exemple, zooveel zachter zal zijn dan van die beestjes.... en in geen geval korter, monsieur Badaud.... Voor Antonio is dat wat anders, die zal er gauw uit zijn, die zal nog eens doodblijven in een apoplexie.... mijn God, wat lacht die man!"
—"Ah, docteur, wat zijt ge weêr sinister." Als een lijkengrimas was de lach om Antonio's lippen verstard. En de kolonel zat een weinig verlegen met zijn geknakten bluf.
—"Kom, kom, Antonio, maak je nu maar niet ongerust, beste vriend.... af en toe een beetje huilen.... kom, kom, dan zult ge wel oud worden.... Gisteren hadt ge meê moeten gaan, dat was goed geweest, zooals laatst.... hebben we toen geen plezier gehad samen.... já schudt uw hoofd en 't liegt niet.... maar gisteren was 't glibberig op de rotsen, en regen.... regen.... ik heb wel driemaal mijn nek kunnen breken.... en dat zou toch jammer geweest zijn, niet waar, monsieur Crépieux?"
—"Taisez-vous, docteur, ge zijt weêr dronken."
—"Ah, moi? par exemple.... 't is waar, ik hou van een glaasje.... en waarom zou ik niet? houdt gij niet weêr van andere dingen, monsieur Crépieux? heeft iedereen niet wàt waar hij van houden moet?.... Et boire, n'est-ce-pas quelque chose? Maar hoor toch eens aan hoeveel ik altijd om u denk, en wat een moeite ik gehad heb om ónze schorpioenen goed, vooral droog thuis te brengen.... waren ze niet goed droog, Antonio? en ik heb soms tot aan mijn.... nun, nun.... zal ik zeggen tot aan mijn lippen door het water moeten waden, in het donker, door een kreek, die ik niet wist dat er was.... non, non.... ik verzeker u, dat ze er 's morgens nog niet was...."
Tusschenbeide hadden zijn lippen even geklakt, zooals een voerman doet, die zijn paard kalm sust, waneer het door vliegen geplaagd wordt.
—"Ah bah!" was hem de kolonel in de rede gevallen, "met den regen, moi, je connais ça."
—"We weten wel dat ge veel ondervonden hebt, monsieur Badaud, vooraleer gij hier van uw renten kwaamt leven." De dokter, toen hij dat gezegd had, stopte met een krommen vinger de tabak wat vaster in zijn door het vuur zwart uitgevreten pijpekop, zoog, half uit als de pijp onder 't praten gegaan was, er den brand weêr in met een paar stevige zuighalen en zakte toen achter een damp van blauwen rook, in zijn suffende hoekhouding opnieuw weg.
—"Cochon," hoorde Johan den kolonel onder zijn favorites schelden.
Met doffen beestenstap was een Moor komen binnensloffen en hij stond nu voor de toonbank stil. Monsieur Badaud schoof een weinig op zijde, alsof hij vies was; terwijl Antonio, dadelijk in functie, zijn lichaam opheesch en in een dikkemanswaggeling achter de mannen en voor 't buffet omliep, grappig in zijn grijs linnen herbergiersbuisje, te kort van mouwen, dat hem jongensachtig stond; 't hing met een diepe plooi opgeschort boven de kussens van zijn geduchte billen. Hij donkerde weg in de gangpoort, maar kwam dadelijk terug voor den dag, doorbukkend onder de planken.... was daar een deurtje?.... en te staan weêr in 't buffet, gedienstig, op en top verkooper, het grijze lijf met den lachenden kop boven de toonbank op. Hij herhaalde wat de man gevraagd had.... schorrig knorde de landstaal, zooals een verkouden mensch spreekt.... bewoog zich tusschen zijn flesschen, spoelend een glaasje, schenkend toen den klaren brandewijn voor den begeerig wachtenden Arabier, die, schuw tusschen de donkere moderne mannen, in zijn witte burnous verhuld, naar niets keek dan naar den venijnglans van het witte water. Het glaasje bevend vol, goot hij toen dadelijk leêg in zijn gretig open lippen; als in een ontvangenden nap vooruitstekend uit zijn achterover gegooiden kop, wierp hij 't in zijn strot, in éen driftig verlangen van 't gauw en ongezien binnen te hebben.... 'n clandestine dronk.... Antonio maakte nog een bos kiff los, en de Arabier tastte achter in den hangenden zak van zijn mantel, snuffelde geld er uit op, en sjokte toen weêr weg, de wagenpoort uit en de zon in.
Monsieur Crépieux redeneerde met monsieur Badaud. Ze praatten gelijk welopgevoede lieden doen, als flaneurs die elkaâr ontmoet hebben voor een café op een Parijsche boulevard, heeren.
—.... "ils m'ont abruti, monsieur, abruti, bien sûr, die drie dienstjaren".... Johan zag over de toonbank heen, het gebobbelde voorhoofd van monsieur Crépieux, koppig en laag, boven koud metaalgrijze oogen met snel knippende wimpers; het wreede geborstel van zijn stugharigen rondkop en een dikke huidplooi in den nek als bij een dog. Hij bestelde Antonio, die naar zijn plaats wou gaan, sigaretten; de beide heeren rookten en redeneerden over het voor en tegen van de conscriptie; Badaud met de handen op den knop van zijn rotting.
Johan ongeduldig om 't lange wachten, keek eens om naar Antonio, weêr op zijn plaats. De waard haalde zijn schouders op.... hij kon 't toch niet helpen, wanneer die meid wat lang wegbleef, 't was zoo'n rakker, die meid, een straat-slentster.... een wilde.... die zijn vrouw verschrikkelijk veel last gaf.... gisteren had ze den kleinen jongen op de steenen laten vallen.... ah oui, monsieur, een wilde, en die had hij nog wel uit puur meêlij in zijn huis genomen....
En in een opvlieging van zijn gragen lachlust, als had hij plotseling iets bijzonder koddigs gezien, ging hij aan het slaan op zijn knieën, wippend met zijn lichaam, wiegelend zoo zijn pret, zijn binnenst plezier.
—.... "oh.... een historie.... imaginez-vous, monsieur le peintre.... een paar maanden geleden.... ze was toen nog niet hier in huis, was die meid boven van een bordes gesprongen, in de straat neêr.... hi, hi, hi.... met éen razenden sprong had ze zich gered voor een ouden Arabier.... een ouden Arabier.... een grand seigneur de la ville.... die haar in huis gelokt en schande had willen aandoen.... ah! bougre.... quelle courageuse!.... een sprong van meer dan vijf meter.... hi.... hi.... hi.... ge ziet het, niet waar?.... le vieux.... zóo.... de sidderende handen in de leêge lucht.... rien!.... Rebecca beneden, ongedeerd, als een kat op haar pooten terecht gekomen.... hi.... hi.... en dadelijk aan 't hollen gegaan, schreeuwend haar angst uit, de straat langs.... 't geval had opgang gemaakt.... rijke geloofsgenooten en ook Christenen, zelfs de Fransche en Oostenrijksche gezanten hadden geld voor haar bijeengebracht, dat nu op renten gezet, bestemd bleef voor een bruidsschat.... Dat is de bedoeling, begrijpt u.... want natuurlijk is ze dan eenmaal een partij.... zal er wel een man om haar komen die haar eerlijk trouwen wil."
Monsieur Badaud, om Antonio's lachen bijgedraaid, minachtte: "des contes à dormir debout" en redeneerde voort met monsieur Crépieux, als twee dorpsheertjes, die de oude nieuwtjes van hun plaatsje wel kennen.
—.... "en of er dan geen politie was of recht?" had Johan gevraagd.
—"Securo," schudde Antonio, "hebben we onze justitie.... daar.... kijk daar.... notre police de nuit.... regardez!"....
Hij wees de wagenpoort uit, waar de leêglooper onveranderd geschouderd stond tegen het werkplaatsje aan, verschemerend achter den sluier der zon, die in de straat begon te hangen.
—"Ah oui.... zijn wapens.... wacht.... ik zal hem roepen.... iedereen die hier komt, moet dat zien.... Holé Saleh!" riep hij van zijn plaats vandaan, al molenwiekend met zijn arm.
—"Ik zal hem uit uw naam een glaasje offreeren, let eens op."
Van den lichten muur was de donkere schooier losgeraakt, er afgevallen als een rijpe vrucht valt van zijn tak, weggekropen in zijn nachtachtige jas, slofte hij aan en stond onnoozel.
Dan dadelijk los van handen, begon hij, makend een breeden zoom, zijn kap terug te vouwen naar achteren, lospellend den kalen kop zoo, en hij kromde zich voorover naar het glaasje, dat tot overloopens bol, bibberde weêr in zijn weeïge glimmeringen van kleurloos vergif. Hij lebberde er het zoompje af, den overvloed weg en goot het toen, als die andere, in zijn verlangenden snoet.
—"Kijk goed," lachte de herbergier.
De nachtwacht, die zich de lippen langzaam likte, haalde onder zijn jas een zwarte knots vandaan, een glinsterend ding, glimmend van ijzerbeslag; met een luie handtoesteking, alsof hij 't voor de zooveelste maal al deed, hield hij den knuppel vooruit. En gelijk 't lichten van een plots opgestoken vlammetje, lichtte in Johan's hoofd toen het preciese begrip, dat er een klein comedietje daar voor hem werd gespeeld. Neen, maar.... die was goed.... die schoelje van een nachtwacht had hem nageloopen, overal op 't Zocco stil gestaan waar hij stil stond, lekker op zijn verhemelte het vuurwater al proevend.... sapristi.... hij wist wel dat de waard hem roepen zou, om zijn knots te laten zien.
—"Maar kijk dan toch," riep nu ook monsieur Badaud, van-op zijn tabouret, achter den Arabier omkijkend.
De kerel, in zijn jas zoo duister als van oud hout een gesneden pop, stond met zijn glimmend wapen in zijn vuist, onder zijn kap aan 't lachen, welwillend; 't smoel gekerfd door een dwarse grijns.
—"Oui, daar slaat hij meê," ginnegapte Antonio, terwijl de nachtwacht bevestigend met zijn hoofd aan 't knikken viel.
—"Un baiser de cet ange ne me paraît nullement doux," meende de kolonel.
—"Ah, oui, il frappe," herhaalde Antonio, die scheen te gelooven dat de schilder het voor een grapje hield.
Lacherig keek Johan 't ding aan, een ebbenhoutachtigen knoet, die van boven wel de dikte had van een jongenspols; een leêren lis was door 't dunne einde geregen en daarmeê hing het om den pols van den politieman. En met allerlei vondsten had de nachtwacht zijn wapen harder gemaakt; hij had er alles maar ingeslagen wat hij meester had kunnen worden, scheen wel; schoenspijkers veel, een zaaisel van ijzeren koppen blank geschuurd door 't gebruik, als de beslagen schoenzolen van Duitsche straatmuzikanten; of had hij het gedaan voor 't kinderlijk plezier om de glinstering, of omdat hij er zijn borrels meê verdienen moest?.... en platte plaatjes ijzer, als stukjes glas, 't hout ingedreven, vreemde figuurtjes geworden, door het toeval ontstaan in een wildemanssmaak voor versiering.
—"Ge moogt het wel dichtbij bezien," vertaalde de waard, "en 't in uw hand nemen, zegt hij."