Hetgeen Christus door deze zijne offerande verworven heeft, is te veel schier om op te noemen. Voor zichzelven verwierf Hij daardoor zijne gansche verhooging, de opstanding, Ef. 1:20, de hemelvaart, 1 Petr. 3:22, de zitting ter rechterhand Gods, Ef. 1:20, Hebr. 12:2, de verheffing tot Hoofd der gemeente, Ef. 1:22, den naam bovenallennaam, Phil. 2:9-11, de Middelaarsheerlijkheid, Hebr. 2:9, de heerschappij overalle dingen in hemel en aarde, Mt. 28:18, Ef. 1:22, 1 Cor. 15:24v., het laatste oordeel, Joh. 5:22, 27. En verder verwierf Hij voor de zijnen, voor de menschheid, voor de wereld eene onafzienbare reeks van zegeningen. Hij is zelf in zijn persoon het inbegrip van al die zegeningen, het licht der wereld, Joh. 8:12, het ware brood, 6:35, de ware wijnstok, 15:1, de weg, de waarheid, de opstanding en het leven, 11:25, 14:6, onzeσοφια, δικαιοσυνη, ἁγιασμος, ἀπολυτρωσις, 1 Cor. 1:30, onzeειρηνη, Ef. 2:14, de eerstgeborene en de eersteling, die door velen gevolgd wordt, Rom. 8:29, 1 Cor. 15:23, de tweede en laatste Adam, 1 Cor. 15:45, het hoofd der gemeente, Ef. 1:22, de hoeksteen van het Godsgebouw, Ef. 2:20; en daarom is er geen gemeenschap aan zijne weldaden dan door gemeenschap aan zijn persoon. Maar uit Hem vloeien toch alle weldaden voort: de ganscheσωτηρια, Mt. 1:21, Luk. 2:11, Joh. 3:17, 12:47, en dan nader de vergeving der zonden, Mt. 26:28, Ef. 1:7, de wegneming,αἰρεινonzer zonden, Joh. 1:29, 1 Joh. 3:5, de reiniging of bevrijding van een kwaad geweten, Hebr. 10:22, de rechtvaardigmaking, Rom. 4:25, de gerechtigheid, 1 Cor. 1:30, deυἱοθεσια, Gal. 3:26, 4:5, 6, Ef. 1:5, de vrijmoedige toegang tot God, Ef. 2:18, 3:12, de aflegging door God van zijn toorn op grond van Christus’ offerande, d. i. deἱλασμος, Rom. 3:25, 1 Joh. 2:2, 4:10, Hebr. 2:17, de daarvoor bij God in de plaats getreden, nieuwe, verzoende, niet meer vijandige maar gunstige vredeverhouding tot de wereld,καταλλαγη, Rom. 5:10v., 2 Cor. 5:18-20, en de vredeverhouding des menschen in betrekking tot God, Rom. 5:1; verder de gave des H. Geestes, Joh. 15:26, Hd. 2, Gal. 4:6, de wedergeboorte en het landschap uit God, Joh. 1:12, 13, de heiligmaking, 1 Cor. 1:30, de gemeenschap aan Christus’ dood, Rom. 6:3v., de afsterving van de zonde, Rom. 6:6v. Gal. 2:20, de kruisiging aan de wereld, Gal. 6:14, de reiniging, Ef. 5:26, 1 Joh. 1:7, 9, en de afwassching, 1 Cor. 6:11, Op. 1:5, 7:14, der zonden door de besprenging met het bloed van Christus, Hebr. 9:22, 12:24, 1 Petr. 1:2, de wandel in den Geest en in de nieuwigheid des levens, Rom. 6:4, de gemeenschap aan de opstanding en de hemelvaart van Christus, Rom. 6:5, Ef. 2:6, Phil. 3:20, de navolging van Christus, Mt. 10:38, 1 Petr. 2:21v.; alverder de bevrijding van denvloek der wet, Rom. 6:14, 7:1-6, Gal. 3:13, Col. 2:14, de vervulling van het oude en de inwijding van een nieuw verbond, Mk. 14:24, Hebr. 7:22, 9:15, 12:24, de verlossing uit de macht van Satan, Luk. 11:22, Joh. 14:30, Col. 2:15, 1 Joh. 3:8, Col. 1:13, de overwinning der wereld, Joh. 16:33, 1 Joh. 4:4, 5:4, de bevrijding van den dood en van de vreeze des doods, Rom. 5:12v., 1 Cor. 15:55v., Hebr. 2:15, de ontkoming aan het oordeel, Hebr. 10:27, 28; en eindelijk, de opstanding, ten jongsten dage, Joh. 11:25, 1 Cor. 15:21, de hemelvaart, Ef. 2:6, de verheerlijking, Joh. 17:24, de hemelsche erfenis, Joh. 14:1, 1 Petr. 1:4, het eeuwige leven, hier reeds aanvangende met het geloof, Joh. 3:15, 36 en eens zich ten volle openbarend in heerlijkheid, Mk. 10:30, Rom. 6:22, de nieuwe hemel en aarde, 2 Petr. 3:13, Op. 21:1, 5, de wederoprichting aller dingen, Hd. 3:21, 1 Cor. 15:24-28.4. De geschiedenis der leer van Christus’ werk vertoont een ander karakter dan die van het dogma der triniteit en van Christus’ persoon. Er is geen bepaalde strijd over gevoerd, die tot eene scherpe en klare formuleering geleid heeft. De Schrift was in de beschrijving van dat werk ook zoo veelzijdig; en in de geschiedenis der theologie kwamen allerlei voorstellingen van het werk van Christus op, die een kern van waarheid bevatten, cf. Bähr,Die Lehre der Kirche vom Tode Jesu in den drei ersten Jahrh.1832. Baur,Die christl. Lehre v. d. Versöhnung in ihrer gesch. Entw.1838. Dorner,Entw. d. Lehre v. d. Person Christi21851. Thomasius,Christi Person u. WerkII3113 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers., deel I. Art.Versöhnungin Herzog1van Schoeberlein, in Herzog2van H. Schmidt, en voorts de dogmenhist. werken van Hagenbach enz. De apostolische vaders sluiten zich aan bij het spraakgebruik der H. Schrift en zeggen alleen, dat Christus uit liefde voor ons geleden en zich opgeofferd heeft, Barn. 7. Ign. ad Eph. 1. Polyc. ad Phil. 1. Diogn. 9. Spoedig echter trachtte men zich van het werk van Christus eenige meerdere rekenschap te geven. En dan komen terstond verschillende voorstellingen naast elkander voor; van den beginne af werd Christus niet alleen beschouwd als profeet maar ook als koning en priester. Soms worden deze drie ambten ook uitdrukkelijk naast elkander genoemd; Eusebius spreekt van Christus alsμονον ἀρχιερεα των ὁλων και μονον ἁπασης της κτισεως βασιλεα και μονον προφητων αρχιπροφητην του πατρος, Hist. eccl. I 3, en verwante uitspraken komen ook voor bij Lactantius, Greg. Nyss., August., de civ. X 6 enz., cf. Krauss,Das Mittlerwerk nach dem Schema des munus triplex, Jahrb. f. d. Theol. 1872 S. 595-655. Dat neemt niet weg, dat de eene of andere voorstelling soms eenzijdig op den voorgrond treedt. De nadruk valt er dan op, dat Christus de Logos is, die op aarde verscheen, om den menschen de volle waarheid te openbaren en hun een voorbeeld te geven van deugd, Just. Apol. I 10. Iren., adv. haer. V 1. Tertull., de orat. 4. Clem. Alex., Strom. V 12. Orig., de princ. III 5, 6. c. Cels. I 67. 68. Athan., de incarn. 16. Of ook wordt de zonde meer als macht dan als schuld gevoeld en dienovereenkomstig het werk van Christus meer opgevat als verlossing dan als verzoening; God is mensch geworden, opdat Hij de menschen van de zinnelijkheid, sterfelijkheid en daemonenheerschappij verlossen en hen Gode gelijk, het eeuwige leven en de onsterfelijkheid deelachtig maken zou, Iren., adv. haer. III 16, 6. 20, 2 IV 2 V 1. Athan., de incarn. 7. Greg. Nyss., Catech. magna 17-26 enz. Eene andere, bekende en in weerwil van de tegenspraak van Gregorius Naz., Orat. 42, 48, door velen gehuldigde voorstelling was, dat Christus zich in zijn dood tot een losgeld, lokspijs of valstrik aan Satan had overgegeven en dezen alzoo door list overwonnen en de menschen uit zijne heerschappij verlost had, Orig., op Mt. 20:28. Greg. Nyss., Orat. cat. 22-26. Damasc.,de fide orthod.III 1. 27 enz. En eindelijk komt ook van den beginne af reeds de gedachte voor, dat Christus zich in zijn lijden en sterven voor ons en in onze plaats Gode geofferd heeft, om de verzoening, de vergeving, de heiligmaking en de gansche zaligheid te verwerven. Zeer schoon vinden we deze gedachte reeds in den brief aan Diognetus c. 9, cf. Clemens Rom., I ad Cor. 7. Barnabas c. 5. 6. 7. Volgens Justinus Martyr is Christus niet alleen mensch geworden, om zich ons lijden deelachtig te maken en genezing te brengen, om aan de ongehoorzaamheid, die in de wereld gekomen was, een einde te maken, om de macht van Satan en van den dood te overwinnen; maar zijn dood is ook een offer voor alle zondaren, die zich willen bekeeren, het pascha, dat voor allen geslacht is, de oorzaak van de vergeving der zonden, Dial. c. 40. 111, cf.Semisch, Justin der Märtyrer II 416 f. Veel duidelijker zegt Irenaeus, dat Christus, die door zijne menschwording met ons in gemeenschap staat en in heel onzen toestand is ingegaan, V praef. cf. III 18. 7. V 16, 2, door zijn lijden en dood ons Gode verzoend, III 16, 9, ons in de gunst van God, tegen wien wij gezondigd hadden, hersteld, den Vader voor ons verzoend, onze ongehoorzaamheid door zijne gehoorzaamheid goedgemaakt en de vergeving der zonden in het geloof ons geschonken heeft, V 17, 1. En dergelijke opvatting van het lijden van Christus als een offer voor onze zonden, dat ons de gerechtigheid en het leven verwierf, komt ook bij Origenes, Athanasius, Cyrillus, Gregorius Nyss., Damascenus voor, Thomasius, II 125 f. Ook in het Westen werd deze voorstelling overgenomen en verder ontwikkeld. Tertullianus zag in de religie eene rechtsverhouding, waarin de mensch aan Gods wet is onderworpen en voor overtredingen aan God door de poenitentia heeft te voldoen; evenals in de triniteit, zoo bracht Tertullianus in de leer van de boete verschillende termen in zwang,deo offenso satisfacere, deum iratum placare, reconciliare, deum promererienz., die nog wel niet door hemzelven maar toch reeds door Cyprianus, Hilarius, Ambrosius e. a. op Christus en zijne offerande werden toegepast, Harnack, D. G. III 15 f., cf. I 524. Augustinus telde verschillende vruchten van Christus’ offerande op, die alle hierop neerkomen, dat zij eenerzijds ons bevrijd heeft van schuld, smet, dood en duivel en andererzijds ons verlichting, leven en zaligheid geschonken heeft, Kühner,AugustinusAnschauung von der Erlösungsbedeutung Christi, Heidelberg 1899 S. 18. Naast de ethische, de mystische en de loskoopingstheorie komt ook de juridische of satisfactorische bij hem voor. Christus is mediator, reconciliator, redemptor, salvator, medicus, pastor enz., Hij is sacerdos en sacrificium tegelijk; Hij is het ware en eenige offer voor de zonden, de civ. X 6. Enchir. 33. 41; zelf zonder schuld, nam Hij onze straf over, om daarmede onze schuld te betalen en aan onze straf een einde te maken, c. Faust. Man. XIV 4.Delicta nostra sua delicta fecit, ut justitiam suam nostram justitiam faceret. Zijne maledictio is onze benedictio; Christusde te sibi habebat carnem, de se tibi salutem, de te sibi mortem, de se tibi vitam, de te sibi contumelias, de se tibi honores, Enarr. in ps. 60.De voorstellingen, die wij bij de kerkvaders over het lijden vanChristus aantreffen, keeren in de scholastiek terug. Maar Anselmus’ geschriftCur Deus homogaf toch aan de satisfactorische opvatting een overwicht over alle andere. Het nieuwe van Anselmus bestond niet daarin, dat hij Christus’ dood als eene offerande voor onze zonden beschouwde. Maar terwijl men vroeger meest gezegd had, dat de menschwording en voldoening niet absoluut noodzakelijk was, zocht Anselmus naar een grond, om het tegendeel te betoogen. Hij vond dien daarin, dat op de zonde altijdaut poena aut satisfactiovolgen moet en dat, indien God de menschheid vergeven en behouden wil, geen ander dan een Godmensch die satisfactio aan God brengen en zijne eer Hem teruggeven kan. Maar omdat Christus Godmensch was, was zijn gansch vrijwillige dood van zoo groote waarde, dat Hij niet alleen bevrijdde van straf maar bovendien ook nog verdiende; en die verdienste stond Hij, wijl Hij ze zelf niet behoefde, voor de menschheid af, in wier plaats Hij Gode de eere teruggegeven had. Onveranderd nam niemand deze beschouwing van Anselmus over. De absolute noodzakelijkheid van Christus’ menschwording en voldoening werd meestal ontkend; Duns Scotus stond geheel aan de andere zijde, loochende de oneindigheid der schuld en de oneindigheid van Christus’ verdienste, ontkende, dat Christus’ offer in zichzelf genoegzaam was, leerde, dat het door God voldoende was gerekend, en herleidde menschwording en voldoening tot zuivere willekeur, tot het dominium absolutum in God, cf.deel II211; maar ook Thomas achtte ze niet volstrekt noodzakelijk en noemde ze conveniens, S. Th. III qu. 1 art. 1. 2. qu. 46 art. 1-3. Voorts bestreed een enkele, n.l. Abaelard heel de satisfactieleer en stelde daar tegenover, dat Christus’ menschwording en lijden niet eene openbaring van Gods gerechtigheid maar alleen van zijne genade en liefde was; dat Christus van het begin tot het einde zijns levens ons door zijn woord en voorbeeld geleerd had en daardoor eene liefde in ons wekt, welke van de zonde bevrijdt en ons tot Gods kinderen maakt, en dat hierin de verlossende en verzoenende kracht van Christus’ persoon en werk gelegen is, Herzog21, 16. Verschillende elementen in de voorstelling van Anselmus zijn later door allen verworpen, zooals heel het privaatrechtelijk karakter, dat hij aan de voldoening geeft, de opvatting van de zonde als beleediging en van de voldoening als eereherstel, de eenzijdige nadruk, dien hij op Christus’ dood legt metmiskenning van zijn leven, de tegenstelling die hij maakt tusschen poena en satisfactio, de mechanische verbinding, die hij legt tusschen satisfactio en meritum, tusschen Christus’ verdienste en de reden, waarom zij der menschheid ten goede komt. Maar dat neemt niet weg, dat de leer van Anselmus toch in haar wezenlijke bestanddeelen, als voldoening voor de zondenschuld aan Gods gerechtigheid, om daardoor voor ons de gerechtigheid en het leven te verwerven, in de latere theologie eene blijvende beteekenis heeft verkregen. De verlossing, door Christus aangebracht, is door Anselmus het eerst en het duidelijkst opgevat als eene bevrijding, niet in de eerste plaats van de gevolgen der zonde, van den dood en van de macht van Satan, maar allereerst van de zonde zelve en hare schuld; de verlossing van Christus werd in de eerste plaats eene verzoening van God en mensch. Toch is dit in de scholastieke en Roomsche theologie veel minder tot zijn recht gekomen dan in de Protestantsche. Thomas beperkt de voldoening niet met Anselmus hoofdzakelijk tot den dood, maar breidt haar uit tot heel het lijden en de gansche gehoorzaamheid van Christus, S. Theol. III qu. 46; ook verklaart hij de overdracht van Christus’ verdienste op de zijnen beter dan Anselmus daaruit, dat Christus het hoofd en de gemeente zijn lichaam is, ib. qu. 8; maar hij brengt het in de beschouwing van Christus lijden toch tot geen eenheid, vat het achtereenvolgens op alsmeritum, satisfactio, sacrificium, redemptio, ib. qu. 48 en noemt dan als zijne vruchten deliberatio a peccato, a potestate diaboli, a poena peccati, reconciliatio, aditus paradisi, ib. qu. 49. De verzoening staat hier nog niet op den voorgrond en zij komt ook eerst ten volle daardoor tot stand, dat Christus als eenforma virtutis et humilitatisons tot navolging wekt, door zijne liefde en genade tot liefde ons beweegt en in het geloof van de zonde ons bevrijdt; objectieve en subjectieve zijde der verzoening, vergeving en vernieuwing worden niet genoegzaam uit elkander gehouden, ib. 48 art. 1. 49 art. 1 en voorts Lombardus en andere comm. op Sent. III dist. 18. 19. Bonaventura, Brevil. IV 7. 9. Later blijft dit ook nog zoo bij vele Roomsche theologen, Petavius, de incarn. XII. XIII. Theol. Wirceb.3IV 295 sq. Deharbe’s verklaring der kath. geloofs- en zedeleer, Utrecht 1888 II 267v., maar anderen stellen toch heel het werk van Christus onder het begrip redemptio, of satisfactio (en meritum)of behandelen het ook in het schema der drie ambten, Cat. Rom. I c. 3 qu. 7. Perrone, Prael. theol. IV 1839 p. 309. Liebermann, Instit. theol.8II 264. Dieringer, Kath. Dogm.4465. Scheeben, Dogm. III 309-454. Pesch, Prael. dogm. IV 198 sq. 256 sq. Jansen, Prael. theol. II 708.De Reformatie had oorspronkelijk over het werk van Christus geen andere leer dan Rome, en verdedigde de voldoening van Christus met hand en tand tegen de Sociniaansche bestrijding. Toch stelde ze haar krachtens haar beginsel onder een nieuw gezichtspunt en in een ander verband. Wijl zij de zonde allereerst als schuld had leeren kennen, kwam in het werk van Christus de verzoening op den voorgrond te staan. De zonde was van dien aard, dat ze God vertoornde; om dien toorn te stillen, om aan Gods gerechtigheid te voldoen, daartoe was in de eerste plaats de voldoening door den Godmensch noodzakelijk. Deze bracht haar daardoor aan, dat Hij zich als Borg des Verbonds in onze plaats stelde, de volle schuld en straf der zonde op zich nam, en aan den ganschen eisch der wet Gods zich onderwierp. Het werk van Christus bestaat dus niet zoozeer in humilitas, niet alleen in zijn dood, maar in zijne gansche, zoowel actieve als passieve gehoorzaamheid. En Hij volbracht dit werk in zijn drievoudig ambt, niet alleen als profeet door ons te leeren en een voorbeeld te geven en tot liefde ons op te wekken, maar ook als priester en koning, Calvijn eerst in den Catech. Genev., daarna in de editie der Institutie van 1539 en dan van hem allengs door Geref., Luth. en Roomsche theologen overgenomen. De objectieve en de subjectieve zijde der verzoening zijn daardoor duidelijk onderscheiden. Christus heeft alles volbracht. Alle weldaden liggen objectief in zijn persoon besloten. Wijl Christus door zijne offerande aan Gods gerechtigheid heeft voldaan, heeft Hij objectief de verhouding van God en mensch en daardoor ook alle andere verhoudingen des menschen tot zonde, dood, Satan, wereld veranderd. De eerste weldaad is daarom de vergeving der zonden, en tengevolge daarvan ook de bevrijding van smet, dood, wet, Satan. Christus is de eenige Middelaar Gods en der menschen, de algenoegzame Zaligmaker, de hoogste profeet, de eenige priester, de waarachtige koning. Cf. Luther en Melanchton bij Thomasius II 168 f. Gerhard, Loc. IV 320-331. XVI 31-63. Quenstedt III 450-460. Hollaz, Ex. 728-764. Buddeus, Inst. theol. 806-859. Calvijn,Inst. II 15-17. Polanus, Syst. Theol. VI c. 27-29. Maccovius, Coll. theol. I 228 sq. Voetius,de merito Christi, Disp. II 228-284. Turretinus, Theol. El. XIV. Id.De satisfactione Christi1691. Owen, verschillende tractaten in deel X van zijn Works, Edinburgh Clark 1862. Moor III 842 sq. M. Vitringa V 315 sq. VI 5 sq.5. Het werk van Christus werd echter, evenals zijn persoon, door anderen geheel anders verstaan. De Ebionieten zagen in Christus slechts een profeet, die door zijn leer en voorbeeld den mensch kracht geeft tot den strijd tegen de zonde. Voor de Gnostieken was Christus een aeon van Goddelijke wijsheid, die in eene schijnbaar menschelijke gedaante op aarde verschenen was, om door verlichting en kennis de menschen uit de banden der materie te bevrijden en hen totπνευματικοιte maken. Tegenover dit speculatief rationalisme handhaafden de Montanisten het bovennatuurlijk, transcendent karakter des Christendoms, niet alleen in den persoon van Christus, maar ook in de door den H. Geest zich voortzettende openbaring, welke thans nog het deel der geloovigen is en de christelijke religie uit den kinderlijken in den mannelijken leeftijd doet overgaan. In de dualistische, pantheistische, apocalyptische en libertinistische secten der Middeleeuwen bleef er evenzoo voor Christus geen andere beteekenis over, dan dat Hij in zijn tijd aan de menschen hun ware wezen en bestemming had geopenbaard, waardoor zij nu zelf in het tijdperk des Geestes worden kunnen wat Christus was; wat de Schrift van Christus leert, wordt in elk Christen verwezenlijkt; het eigenlijk sterven en opstaan van Christus heeft plaats in de wedergeboorte van iederen mensch. Al deze gedachten werkten na in de eeuw der Hervorming en leidden tot eene sterke bestrijding van de leer van Luther en Calvijn. Niet de Christus voor ons, maar de Christus in ons, niet het Woord maar de Geest was het wezen der religie. Osiander leerde, dat Christus de eeuwige, Goddelijke wezensgerechtigheid in zijne menschelijke natuur had medegebracht, en deze den zijnen door het geloof instort en alzoo hen rechtvaardigt, Herzog211, 125 f. Carlstadt, Frank, Schwencfeld, Weigel e. a. zagen in het vertrouwen op Christus’ toegerekende gerechtigheid eene gevaarlijke dwaling; onze zaligheid ligt niet in hetgeen Christus buiten en voor onsmaar in wat Hij in en door ons doet, in de mystieke gemeenschap met God, Erbkam, Gesch. d. prot. Sekten 247 f. 340 f. 441 f. Deze mystieke opvatting van de verlossing door Christus vond ook later bij velen ingang. Böhme beschouwde den toorn Gods en den dood als reëele, physische machten, welke Christus door zijn dood verwonnen heeft en in wier plaats Hij een nieuw Goddelijk leven in de menschheid uitstort, Joh. Claassen,J. Böhme, sein Leben u. seine theos. WerkeIII 31-76. Bij de Kwakers heeft de verlossing wel haar oorzaak in Christus, maar Christus is zelf niet anders dan de saamvatting van de genade en het licht in de menschheid; de eigenlijke, ware verlossing is die, welke in ons geschiedt, Barclay, Verantwoording van de ware Christ. Godgel. Amst. 1757 bl. 154. Antoinette Bourignon en Poiret noemden het plaatsvervangend lijden onmogelijk en onbehoorlijk; Christus kwam niet op aarde om voor ons te voldoen, maar om ons Gods vergevende liefde te prediken en door zijn leer en voorbeeld ons van zonde te reinigen, M. Vitringa VI 51. Evenzoo vatte J. C. Dippel het lijden en sterven van Christus op als een voorbeeld van zijn geestelijk middelaarschap, waardoor Hij den ouden mensch in ons doodt en den nieuwen doet opstaan; de verlossing geschiedt in ons; eene objectieve verzoening is niet noodig, want er is geen toorn in God, ib. 56. Dorner, Entw. II 924. Volgens Zinzendorf is Christus de Schepper en Onderhouder aller dingen, de Jehova desO. T., die daarin Gods liefde heeft geopenbaard, dat Hij zoo klein, zoo arm, zoo nederig is geworden en zooveel heeft geleden; zijn lijden is niet zoozeer straf en voldoening aan God, als wel vrijwillig en liefderijk martelaarschap; zijn bloed, zijn dood is daardoor de bron van het leven der menschheid; de martelaarswonden van Christus’ zijde zijn de matrix van het menschelijk geslacht, de oorsprong van den Geest, die van Christus in allen zich uitstort, Plitt, Zinzendorfs Theol. I 291. II 194 f. Schneckenburger,Vorles. über die Lehrbegriffe der klein. prot. Kirchenparteien195 f. Swedenborg hield het geloof, dat het lijden aan het kruis de verlossing was, voor eene gronddwaling, die met de leer der triniteit de kerk te gronde had gericht. Het lijden aan het kruis was niet de verlossing maar was voor Jezus de laatste verzoeking en, wijl Hij staande bleef, het middel zijner verheerlijking; toen werd het menschelijke in Hem met het Goddelijke zijns Vaders vereenigd, toen werd God waarlijk mensch,kon Hij de vijandige, zinnelijke machten der hel naderen en ze overwinnen; de verlossing is eene voortgaande, door God als mensch teweeggebrachte onderwerping der hel en ordening des hemels, Swedenborg,Die wahre christl. Religion21873 S. 169-205.Maar niet alleen van mystieke, ook van rationalistische zijde kwam er bestrijding van de kerkelijke leer over het werk van Christus. Hiertoe kan gerekend worden de leer van Stancarus, dat Christus alleen naar zijne menschelijke natuur onze middelaar en onze gerechtigheid is, Herzog214, 590 f.; en ook de ontkenning der obedientia activa door Karg (Parsimonius), en door Joh. Piscator, die zijne denkbeelden het eerst uiteenzette in een brief ten jare 1604, opgenomen in de Epist. praest. virorum p. 156, cf. Theses theol. XV 18. 19. Karg nam in 1570 zijn gevoelen terug, doch Piscator vond steun bij Martinius, Crocius, Pierius, Pareus, Wendelinus, H. Alting e. a., en oefende later door Camero, Placaeus, Capellus enz. een schadelijken invloed op de Geref. theologie. Maar de ernstigste en degelijkste bestrijding van de satisfactio vicaria kwam van den kant der Socinianen. Wel noemen zij Christus nog profeet, priester en koning, Cat. Rac. qu. 101, maar feitelijk maken zij het priesterlijk ambt tot een aanhangsel van het koninklijk ambt. Toen Christus op aarde was, was Hij alleen profeet, die vóór het begin van zijn openbaar optreden door God in den hemel was opgenomen (raptus in coelum, Joh. 3:13, 31, 6:36, 62, 8:28, 10:28, Cat. Rac. qu. 195), daar door God zelf met de waarheid was bekend gemaakt, en alzoo in staat was, om de wet te volmaken met nieuwe geboden, Cat. Rac. qu. 209v, en aan de onderhouders dier geboden het eeuwige leven, ib. qu. 352 en de heiligende kracht des Geestes, qu. 361 te beloven. Deze zijne leer heeft Christus bevestigd door zijn zondeloos leven, door zijne wonderen en vooral door zijn dood en zijne opstanding ib. qu. 374. Zijn dood was noodig, om zijne volgelingen in hunne vroomheid en heiligen wandel ten einde toe te doen volharden, qu. 380, en om Gods liefde tot ons klaar en duidelijk te bevestigen, qu. 383.; en zijne opstanding strekte, om ons aan zijn voorbeeld te doen zien, dat zij, die Gode gehoorzaam zijn, van allen dood worden bevrijd, en om aan Christus zelf de macht te schenken, om aan allen, die Hem gehoorzamen, het eeuwige leven te schenken, qu. 384.De dood van Christus had hier dus eene geheel andere beteekenis dan in de leer der kerk; hij vormde geen zelfstandig moment in het werk van Christus maar diende alleen, eenerzijds om zijne leer te bevestigen en anderzijds om Hem te doen komen tot de opstanding, welke Hem eerst tot Koning en Heer in den hemel maakte, qu. 386. En ook dit is Hij eigenlijk eerst geworden door zijn hemelvaart. De opstanding behoort nog tot den staat der vernedering, want ook daarna had Hij nog een sterfelijk lichaam, qu. 465. Maar bij de hemelvaart kreeg Hij een verheerlijkt lichaam, en werd Hij verheven tot Koning, Heer en God. Als zoodanig ontving Hij van God de macht, om hun, die zijn voorbeeld volgen, in allen nood te ondersteunen en hen ten laatste met de onsterfelijkheid te beloonen. Dat Hij dit doenkan, is zijn koninklijk; dat Hij dit doenwil, is zijn hoogepriesterlijk ambt, qu. 476. Priester was Hij dus op aarde nog niet, qu. 483; zijn dood was niet het eigenlijke offer, maar de inleiding en voorbereiding ertoe; het ware offer brengt Hij nu in den hemel, evenals de O. T. hoogepriester de verzoening eerst in het allerheiligste tot stand bracht, qu. 413. En dat offer bestaat daarin, dat Hij de verzoening volbrengt, d. i. ons van den dienst en de straf der zonde bevrijdt. Van dit standpunt uit moesten de Socinianen de leer der voldoening even sterk bestrijden als die van de triniteit en de Godheid van Christus, cf. vooral Catech. Rac. qu. 388-414 en F. Socinus, Praelect. theol. c. 15 ende Jesu Christo Servatore, Bibl. Fr. Pol. II 121-252. Vooreerst is zij naar hun oordeel in strijd met de Schrift; de voorstanders kunnen geen enkele zekere plaats voor hun gevoelen bijbrengen; de Schrift zegt duidelijk, dat God de zonde uit genade vergeeft en vergeving sluit voldoening uit; de uitdrukking, dat Christus voor ons geleden heeft enz., heeft geen plaatsvervangende beteekenis, maar zegt alleen, dat Christus geleden heeft voor ons, niet om God te voldoen, maar om ons van de zonde te bevrijden; de woorden verlossing, verzoening en derg. duiden alleen aan, dat Christus ons den weg gewezen heeft, om van den dienst en de straf der zonde bevrijd te worden, maar volstrekt niet, dat God door een offer moest verzoend worden, want God was ons genadig gezind en heeft ons dit door Christus bekend gemaakt. Voorts is de voldoening ook niet noodzakelijk; de gerechtigheid en barmhartigheid in God zijnniet met elkander in strijd, zij zijn ook geen eigenschappen, Gode van nature eigen, maar zij zijneffectus ipsius voluntatisen hangen van zijn wil af; of God de zonden straffen of vergeven wil, wordt in het geheel niet door zijne natuur maar door zijn wil bepaald; God kan evengoed en beter dan een mensch de zonden zonder voldoening vergeven; ja zijne gerechtigheid wordt door de voldoening te niet gedaan, omdat ze den onschuldige straft en den schuldige vrij laat uitgaan, en zijne barmhartigheid verliest haar waarde, als zij eerst na voldoening zich betoonen kan; God heeft dan ook altijd aan den berouwhebbende vergeving beloofd en gewild, dat wij Hem daarin zouden navolgen. Vervolgens is de voldoening ook onmogelijk; de obedientia passiva is onmogelijk, omdat wel geldschulden maar geen persoonlijke zedelijke schulden op een ander kunnen worden overgedragen; een onschuldige te straffen voor de zonde van een ander, is onrechtvaardig en wreed; en al ware dit mogelijk, die andere zou dan hoogstens voor één enkel mensch de straf der zonde, d. i. den eeuwigen dood, kunnen ondergaan, maar nooit voor vele of voor alle menschen; en wat de obedientia activa aangaat, deze is nog veel minder mogelijk, want tot de onderhouding van Gods wet is elk persoonlijk voor zichzelf verplicht, maar kan de een nooit voor den ander overnemen; bovendien zijn de obedientia passiva en activa met elkander in strijd, wie de een volbrengt, is van de andere vrij; Christus heeft ze dan ook niet volbracht, Hij heeft den eeuwigen dood niet geleden maar is ten derden dage opgestaan uit de dooden; hoe zwaar ook, zijn lijden was eindig; zijne Goddelijke natuur kon het niet oneindig maken in waarde, omdat zij niet lijden en sterven kon, of zij zou ieder moment in dat lijden oneindig en dus al het andere overbodig maken; bovendien wat kon ons dat baten, daar de mensch had gezondigd, en hoe kon God (de Zoon) aan God zelven (den Vader) voldoen? Eindelijk is de leer der voldoening ook schadelijk, wijl zij Christus met zijne barmhartigheid boven God met zijn eisch van voldoening verheft, ons tot grooteren dank aan Christus dan aan God verplicht, en ook de deur voor zorgeloosheid en goddeloosheid opent; alle zonden zijn immers voldaan, wij kunnen dan zondigen zooveel wij willen. En de dood van Christus bedoelde juist, dat wij van de zonde bevrijd zouden worden en in een nieuw godzalig leven zouden wandelen!De kritiek van Faustus Socinus op de satisfactieleer was zoo scherp en volledig, dat latere bestrijders niet anders konden doen dan zijn argumenten herhalen. De Remonstranten trachtten de voldoening van Christus nog wel te handhaven, maar namen toch feitelijk alle ertegen ingebrachte bedenkingen over; zij leerden niet alleen met Roomschen en Lutherschen, dat Christus voor alle menschen voldaan had, maar ook ontkenden zij, dat Christus alle straffen leed, die God op de zonde had gesteld, dat Hij den eeuwigen dood onderging, dat zijne obedientia activa plaatsvervangend was. Zelfs zijn lijden en sterven was geensatisfactio plenaria pro peccatis, geensolutio debitorum, die immers vergeving van Gods zijde en geloof van onze zijde overbodig zou maken; maar eene offerande, eene volkomene, tot in den dood gehandhaafde, toewijding van Christus aan God, welke door Hem als voldoende voor alle zonden aangemerkt werd. Op grond van die offerande laat God nu door het evangelie aan allen de vergeving der zonden aanbieden, opdat elk, die gelooft, zalig worde; maar Christus verwierf niet de werkelijke zaligheid voor de zijnen, doch slechts de mogelijkheid, om zalig te worden, voor allen; of iemand werkelijk zalig wordt, hangt van hemzelven af, Conf. en Apol. Conf. c. 8. Limborch, Theol. Christ. III c. 18-23. Ook Hugo de Groot wendde in zijneDefensio fidei catholicae de satisfactione Christi1617 eene poging aan tot rechtvaardiging van de leer der voldoening. Hij leidde ze daartoe af, niet uit den wil Gods noch ook uit zijne straffende gerechtigheid, maar uit dejustitia Dei rectoria, d. i. uit de noodzakelijkheid voor God, om in de wereld orde en wet, recht en gerechtigheid te handhaven en rekening te houden met het bonum commune. Door die rechtsorde echter op te vatten als eene wereldorde, welke buiten God stond, maakte Hij Gods gerechtigheid daaraan dienstbaar en ondergeschikt; veranderde hij de voldoening van Christus in een onverdiend lijden, in een strafexempel ter afschrikking van anderen, in een maatregel van regentenwijsheid; en liet hij onverklaard, hoe Christus daarvoor God moest wezen, en hoe God een onschuldige alzoo kon doen lijden en zijn lijden als voldoening voor anderen aanmerken kon. Toch hoeveel bedenkingen de Sociniaansche en Remonstrantsche leer uitlokken kon, zij kreeg gaandeweg de overhand. De supranaturalisten, zooals Michaelis, Storr, Morus, Knapp, Steudel, Reinhard, Dogm. § 107, Muntinghe, Vinke,Egeling, Weg der zaligheid II 175 enz., ofschoon soms nog meenende, de kerkelijke leer te verdedigen, droegen zakelijk geen andere leer voor dan die van de Remonstranten of van Hugo Grotius. Hetzelfde was het geval in deNew England Theology. De oudere Jonathan Edwards verdedigde nog de orthodoxe leer, Works I 582; maar Edwards Jr., Smalley, Maxey, Burge, Dwight, Emmons, Spring, droegen de gouvernementeele theorie van Grotius voor, cf. E. Park,The atonement, discourses and treatises of Jon. Edwards, Smalley, Maxey, Emmonsetc., New-York 1860. A. A. Hodge,The atonementp. 328. Maar velen gingen nog verder en verwierpen heel de leer der voldoening. Ernesti,de officio Christi triplici, Opusc. theol. 1773 p. 413 bestreed de leer der drie ambten daarmede, dat de namen van profeet, priester en koning onduidelijke, Oudtest. voorstellingen zijn en elk ambt de beide andere reeds in zich begrijpt. Töllner vernieuwde in zijnde obedientia Christi activa commentatio1755 alle Sociniaansche bedenkingen, niet alleen tegen de dadelijke gehoorzaamheid van Christus maar tegen heel de leer der voldoening. En met hem betoogden Bahrdt, Steinbart, Eberhard, Löffler, Henke, Wegscheider, Inst. § 140-142, Hobbes, Leviathan ch. 41, Locke, Chubb, Coleridge, John Taylor, Priestley enz., dat Christus geen openbaring was van Gods gerechtigheid maar van zijne liefde en barmhartigheid; dat God de zonde niet straft dan met zulke natuurlijke straffen, welke uit de zonde vanzelve voortvloeien en een paedagogisch karakter dragen; dat de leer der plaatsvervanging een onzinnige gedachte is van Augustinus en Anselmus en in de Schrift in het geheel niet of alleen uit accommodatie, in O. T. symbolen voorkomt; dat de dadelijke gehoorzaamheid van Christus, indien ze plaatsvervangend ware, onzerzijds alle geloof, bekeering, zedelijke verbetering onnoodig maken zou; en vooral, dat vergeving der zonden, kindschap Gods, rechtvaardigmaking niet aan de zedelijke vernieuwing of heiligmaking vooraf kan gaan maar daarop volgen moet en daarvan afhankelijk is. De religie werd gebouwd op de moraal; het zwaartepunt uit het objectieve in het subjectieve verlegd; Versöhnung van Erlösung afhankelijk; God een dienaar van den mensch. Zoo kon de dood van Christus alleen nog zijn een voorbeeld van deugd en bevestiging der waarheid (Eberhard, Löffler), of eene opoffering ten bate der menschen en een bewijs van Gods liefde (Schwarze), of eene factischeverklaring Gods, dat Hij aan wie zich bekeert, de zonden vergeven wil (Morus, Köppen, Klaiber, Stäudlin), of een middel om vertrouwen op God te wekken, van de zonde af te schrikken (Töllner, Egeling), of ook, om ons van de verkeerde gedachte, dat God toornt en straft, te bevrijden (Steinbart), of eene symbolische voorstelling van de vrijwillige overname door den zedelijken mensch van de straf, die hij in zijn zondigen toestand heeft verdiend, Kant, Religion 84 f., cf. v. d. Willigen, Oordeelk. Overzigt over de versch. wijzen, op welke men zich heeft voorgesteld het verband tusschen den dood van J. C. en de zaligheid der menschen, Godg. Bijdr. II 1828 bl. 485-603. Bretschneider, Syst. Entw. 608 f. Baur,Chr. Lehre v. d. Versöhnung478 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I cap. 7. 8.6. In de nieuwere theologie heeft het niet ontbroken aan pogingen, om de leer van Christus’ ambt en werk naar de vele daartegen ingebrachte bedenkingen te wijzigen en toch in nieuwen vorm te handhaven. Algemeen werd zij daarbij geleid door het streven, om de juridische leer van de voldoening, waarbij Christus in onze plaats den eisch van Gods gerechtigheid vervulde, om te zetten in die van eene persoonlijke, religieus-ethische werkzaamheid van Christus, waardoor Hij niet in God, die altijd liefde is, maar in ons, hetzij dan meer in ons verstand of in ons hart of in onzen wil verandering bracht. Schelling en Hegel schreven echter aan het Christendom als historisch verschijnsel nog slechts eene voorbijgaande waarde toe. Dat God in een bepaald persoon mensch wordt en dan voor anderer zonde lijdt en sterft, is ondenkbaar. Maar symbolisch opgevat, bevat het diepzinnige waarheid. De persoon en het werk van Christus zijn de historische inkleeding van de idee, dat de wereld als zoon Gods, uit Hem uitgaande en tot Hem terugkeerende, noodzakelijk lijden moet en alzoo tot heerlijkheid ingaan; de aan den tijd en de eindigheid onderworpen wereld en menschheid is de lijdende en stervende God, Schelling, Werke I 5 S. 386-305; de verzoening Gods is een noodzakelijk, objectief moment in het wereldproces, God verzoent zich met zichzelf en keert uit de vervreemding tot zichzelf terug, Hegel, Werke XII 249-256. Zoo voortredeneerende, zeide von Hartmann, God kan mij niet, maar ik kan God verlossen,nur durch mich kann Gott erlöst werden. Das reale Dasein istdie Incarnation der Gottheit, der Weltprocess die Passionsgeschichte des fleischgewordenen Gottes und zugleich der Weg zur Erlösung des im Fleische Gekreuzigten,Das sittl. Bewustsein21886 S. 688. In de moderne theologie, die wel zoover niet gaat maar toch principieel door de philosophie van Hegel en Kant beheerscht wordt, erlangt de persoon van Christus dan ook geen hoogere beteekenis dan die van bevrijder van de wettische, historisch aanvangspunt van de christelijke religie; urbildliche verwezenlijking van het kindschap Gods, van de eenheid van God en mensch; verkondiger van Gods vaderliefde en voorbeeld der gemeente, Pfleiderer,Grundriss§ 128. 133. Schweizer, Chr. Gl. § 115. 125 f. Biedermann, Chr. Dogm. § 802. 815 f. Lipsius, Dogm. § 619 f., cf. v. Hartmann,Die Krisis d. Christ. in der mod. Theol.1880. Scholten, L. H. K. I 410v. Hoekstra, Godg. Bijdr. 1866 bl. 273v. Id. Grondslag, wezen en openb. van het godsd. geloof bl. 201v.Hooger staat de persoon en het werk van Christus bij Schleiermacher; wel leerde hij iets geheel anders dan de kerk beleed, al sloot hij zich ook bij haar spraakgebruik en bij de leer van de drie ambten aan, maar het was hem er toch om te doen, om aan Christus eene blijvende plaats in het Christendom te verzekeren. De Erlösung komt bij Schleiermacher tot stand door de mystische vereeniging van den mensch met Christus. Christus n.l. deelde altijd in de gemeenschap met God, en was daardoor heilig en zalig. Als zoodanig kwam Hij tot ons, ging in in onze gemeenschap, kreeg deel aan ons lijden, leed priesterlijk met ons mede en handhaafde zijne heiligheid en zaligheid tot in de diepste smart, tot in den dood des kruises toe. Zoo eerst ingaande in onze gemeenschap, neemt Hij daarna, niet door zijn woord en voorbeeld slechts maar door de mystieke werking die er uitgaat van heel zijn persoon, ons op in zijne gemeenschap, en doet ons door zijne verlossende werkzaamheid in zijne heiligheid en door zijne verzoenende werkzaamheid in zijne zaligheid deelen; de Erlösung, d. i. de wedergeboorte, de heiligmaking gaat evenals bij Rome en het rationalisme aan de Versöhnung, aan de vergeving der zonden vooraf, Chr. Gl. § 101-104. Deze mystische substitutietheorie bleef de grondgedachte in de verzoeningsleer der Vermittelungstheologie, Nitzsch, Syst. d. chr. Lehre § 80. 134-136. Rothe,Theol. Ethik§ 541-558. Schoeberlein, art.Versöhnungin Herzog1enPrincip u. Syst. d. Dogm. 182 f. 647 f. Lange, Dogm. II 813-908. Martensen, Dogm. § 156-169, ook Hofmann in zijnSchriftbeweis, die daarom door Philippi, Thomasius, Delitzsch e. a. bestreden werd, cf. Weiszäcker,Um was handelt es sich in dem Streit über die Versöhnungslehre?Jahrb. f. d. Th. 1858 S. 155-188. Verwant is ook de leer der verzoening bij Ritschl. Deze is niet in verband te brengen met God als rechter, met zijne wrekende gerechtigheid of toorn, met een rechtsorde van loon en straf; want dat is eene juridische, farizeesche opvatting van de verhouding van God en mensch, die in de religie niet thuis behoort. God is wezenlijk liefde, en zijne gerechtigheid bestaat daarin, dat Hij onveranderlijk de menschen tot de zaligheid brengen en een Godsrijk in hen verwezenlijken wil. Maar nu is de menschheid vanwege de zonde verre van God, zij gaat gebukt onder het bewustzijn van schuld, zij heeft het gevoel, dat zij in een toestand van straf verkeert, zij vreest en durft God niet naderen, zij leeft niet in gemeenschap met God. Daarom is Christus gekomen om ons de liefde Gods te openbaren. De leer der drie ambten ontmoet bij Ritschl bezwaar; het woord ambt hoort alleen in een rechtsgemeenschap thuis; in eene zedelijke gemeenschap der liefde is het beter te spreken van een beroep; de drie ambten zijn bij Christus ook niet uit elkander te houden en loopen in elkaar; indien men ze behouden wil, staat het koninklijk ambt op den voorgrond, Christus is aangesteld tot koning, om eene gemeente, een rijk Gods op aarde te stichten, en daartoe heeft Hij God geopenbaard als profeet, en zich voor de zijnen Gode opgeofferd als priester. Christus stond n.l. in eene gansch bijzondere verhouding tot God, Hij maakte het doel Gods, om n.l. de menschen te vereenigen tot een rijk Gods, tot zijne levenstaak; en heel zijn leven, lijden en sterven moet onder dit gezichtspunt opgevat, als een zedelijk beroep, dat Hij vervulde, niet als een borgtocht of middelaarschap, als een plaatsvervanging voor ons. In die zedelijke levenstaak ging Jezus op, daaraan wijdde Hij zich geheel, Hij bleef er trouw aan tot in den dood toe. Alzoo levende, heeft Hij Gods wil volbracht, zijn doel met de menschheid gerealiseerd, zijne liefde, genade, trouw geopenbaard, en tegelijk in dit zijn vasthouden aan zijne levenstaak tot in den dood toe zich ten bate der zijnen Gode opgeofferd en toegewijd. Door deze zijne zedelijke gehoorzaamheid heeft Christusgeen werking op God uitgeoefend, alsof deze van toornig gunstig ware gestemd geworden, noch ook bewerkt, dat de geloovigen losgekocht zijn uit de macht van Satan of van den dood; maar wel verkregen, dat allen, die evenals Christus Gods wil tot den hunnen maken, in zijne gemeenschap het schuldbewustzijn, het ongeloof, het wantrouwen, de verkeerde gedachte, alsof God toornde en strafte, mogen afleggen en in weerwil van hunne zonden aan Gods liefde en trouw gelooven en in de vergeving der zonden roemen mogen (rechtvaardiging), en daarna ook zelven positief kunnen ingaan in de nieuwe verhouding, waarin God tot hen staat, en alle vijandschap tegen God kunnen afleggen, Rechtf. u. Vers. III vooral c. 6-8, en voorts Herrmann,Der Verkehr des Christen mit Gott1886 S. 93 f. Schultz,Grundriss d. ev. Dogm.§ 44-46. Kaftan,Wesen der chr. Rel.246 f. Dogm. S. 446 f. Haering,Zu Ritschl’s Versöhnungslehre, Zurich 1888. Id.Zur Versöhnungslehre, Gött. 1893. Nitzsch, Ev. Dogm. 504-513. Ziegler in Gottschicks Zeits. f. Th. u. K. 1895. Riebergall, ib. 1897 S. 461-512. Ecklin,Der Heilswert des Todes Jesu, Basel 1888. Kühl,Die Heilsbedeutung des Todes Christi, Berlin 1890.Ook in andere landen werden soortgelijke pogingen tot mystische of ethische reconstructie van de leer der voldoening beproefd. Hier te lande bestreden de Groninger Godgeleerden de kerkelijke leer en zagen in Jezus’ dood, die door de menschen gedaan, door Jezus geleden en door God toegelaten was, vooral in verband met zijne opstanding, eene openbaring van Gods liefde, van Jezus’ volmaaktheid en van de zonde der menschen, welke dezen voor hunne boosheid doet schrikken, Jezus’ grootheid leert bewonderen en Gods liefde gelooven, Hofstede de Groot, De Gron. Godg. 181. Chantepie de la Saussaye nam in zijne leer der verzoening de denkbeelden van Schleiermacher en de Vermittelungstheologie over, cf. mijne Theol. van Ch. d. I. S. 48. In Engeland leerden Thomas Erskine,The unconditional freeness of the gospel1828 en Dr. JohnMcLeod Campbell,The nature of the atonement, 5 ed. 1878, dat Christus niet Gods liefde verwierf maar openbaarde en zoo Gods vertegenwoordiger was bij ons. Maar Hij was ook onze vertegenwoordiger bij God, doordat Hij, ingaande in onze gemeenschap, de diepste smart leed over de zonde als schuld voor God en als bron aller ellende, op Gods gericht over de zondehet amen uitsprak en als het ware in onze plaats belijdenis daarvan deed, en alzoo als ons Hoofd eene gerechtigheid en leven verwierf, welke niet juridisch ons toegerekend maar wel mystisch en ethisch ons meegedeeld wordt. Horace Bushnell,Vicarious sacrifice grounded in principles of universal obligation, ed. New-York 1866, trachtte het lijden van Christus geheel te verklaren uit het plaatsvervangend karakter, dat alle liefde draagt. Maurice, Doctrine of sacrifice 1854, Kingsley, F. Robertson e. a. zagen in de volmaakte zelfovergave van Christus aan den wil des Vaders het wezen der door Hem aangebrachte verzoening; alle heil toch vloeit voor den mensch uit de offerande van zichzelven voort. Cf. Orr, Chr. view 346. Pfleiderer, Entw. der prot. Theol. 1891 S. 460 f. Clemen, Stud. u. Krit. 1892 S. 644 f. In Frankrijk komen voor deze mystische of ethische opvatting van de leer der verzoening vooral in aanmerking: Pressensé,Essai sur le dogme de la Rédemption, Bulletin Théol. 1867. Durand,Etude sur la Rédemption, Revue de théol. et de philos. 1889. Ménégoz,Péché et Rédemption. Bovon,Etude sur l’oeuvrede la Rédemption1893 s. Ongewijzigd bleef de kerkelijke leer schier bij niemand, maar toch werd ze in hoofdzaak nog voorgedragen door Tholuck,Lehre v. d. Sünde u. v. d. Versöhner1823. Philippi, Kirchl. Gl. IV 2. Thomasius, Christi Person und Werk II. Vilmar, Dogm. § 48. Böhl, Dogm. 361 f. Bula,Die Versöhnung des Menschen mit Gott durch Christum oder die Genugthuung, Basel 1874. Koelling, Diesatisfactio vicaria,d. i. die Lehre v. d. stellvertr. Genugthuung des Herrn Jesu, I Gütersloh 1897. Gess, Jahrb. f. d. Theol. 1857 S. 679-752. 1858 S. 713 f. 1859 S. 467 f. Dorner, Chr. Gl. II 612 f. Ebrard, Dogm. § 396 f. Id.Die Lehre v. d. stellvertr. Genugthuung1857. Frank,Chr. WahrheitII2157 f. Kähler, Wiss. v. d. chr. Lehre S. 363 f. Id.Zur Lehre v. d. Versöhnung, Leipzig 1898. Ch. Hodge, Syst. Theol. II 480. Shedd, Dogm. Theol. II 378. Arch. Alex. Hodge,The atonement, Philad. 1867. Dale,The atonement, 18 ed. London 1896. Crawford,The doctrine of H. Scr. resp. the atonement, Edinb. London 1871. Candlish,The atonement, its reality, completeness and extent, London 1861. Hugh Martin,The atonement in its relations to the covenants, the priesthood, the intercession of our Lord, Edinb. Hunter z. j. George Smeaton,The doctrine of the atonement as taughtbyChrist Himself, Edinb. ClarkLyttelton,The atonement, in Gore’s Lux mundi 1892 p. 201-229. John Scott Lidgett,The spiritual principle of the atonement as a satisfaction made to God for the sins of the world2, London 1898. Merle d’Aubigné,L’expiation de la croix, 2 ed. Paris 1867. Bois,La nécessité de l’expiation, Revue théol. de Montauban 1888. Id.Expiation et solidarité, ib. 1889. Grétillat, Exposé de théol. syst. IV 300 s., enz.7. Heel de belijdenis der Christenheid concentreert zich daarin, dat Jezus is de Christus. Met deze aanspraak, dat Hij de Christus was, trad Jezus zelf op; door dit geloof kwamen de Christenen zoowel tegenover de Joden als tegenover de Heidenen als eene bijzondere secte te staan; naar den naam van Christus werden de geloovigen te Antiochie het eerst Christenen genoemd. De naam Jezus,יְהוֹשׁוּעַenהוֹשֵׁעַ3 p. imp. hi. naastיְהוֹשִׁיעַ, Ps. 116:6 a. v.ישע, redden, helpen, en dus Hij, n.l. Ihvh, zal helpen, later verkort totיֵשׁוּעַ,Ιησους, Jhesus, Jezus, werd wel op uitdrukkelijk bevel des engels door Jozef aan zijn zoon gegeven, Mt. 1:21, omdat Hij de volkomen Zaligmaker was, Hd. 4:12, Hebr. 7:25, maar was toch onder Israel een gewone naam, Num. 13:16, 1 S. 6:14, 18, 2 K. 15:30, 23:8, Hos. 1:1, Hagg. 1:1, Zach. 3:1, Ezr. 2:2, 6, Neh. 7:7, 11, 39, 10:24 enz., Hd. 7:45, Hebr. 4:1, Col. 4:11. In den naam Christus daarentegen komt zijn ambt, zijne waardigheid uit. De Jezuiten noemen zich naar den naam Jezus en matigen zich daarmede een naam aan, die niemand toekomt, want zaligmaker is Christus alleen; maar zij hebben dan ook dikwerf het oordeel over zich gebracht, dat zij te minder Christenen worden naarmate zij meer Jezuiten zijn. Maar de geloovigen noemen zich naar den naam Christus, want zij zijn met Hem gezalfd tot profeten, priesters en koningen. Van de andere namen, die zijn ambt en werk aanduiden, komt vooral in aanmerking die vanμεσιτης, 1 Tim. 2:5, Hebr. 8:6, 9:15, 12:24, mediator, sequester, intercessor, interventor, omdat Hij in het verbond der genade door zijn persoon en werk God en mensch met elkander vereenigt en verzoent. In de eeuw der Hervorming ontstond over dit middelaarschap van Christus een niet onbelangrijk geschil. Tegenover Osiander, die de wezensgerechtigheid Gods in Christus voor de materia onzer rechtvaardigmaking hield, verdedigde Stancarus, hoogl. te Königsberg,de stelling, dat Christus alleen middelaar was naar zijne menschelijke natuur en dus ook alleen op grond van zijne menschelijke verworvene gerechtigheid ons rechtvaardigen kon, Herzog214, 590. Hij kon zich daarvoor beroepen op Augustinus, de civ. XI 2, Conf. X 43, Lombardus, Sent. III dist. 19, Thomas, S. Theol. III qu. 26 art. 2, die allen zeiden, dat Christus alleen mediator was,in quantum homo, namin quantum Deus non mediator sed aequalis Patri est; en deze theologen werden door Stancarus heel wat hooger geschat, dan de Hervormers:plus valet unus Petrus Lombardus, quam centum Lutheri, ducenti Melanchtones, trecenti Bullingeri, quadringenti Petri martyres et quingenti Calvini; qui omnes si in mortario contunderentur, non exprimeretur una uncia verae theologiae. Lutherschen en Gereformeerden kwamen daar ten sterkste tegen op en beweerden, dat Christus middelaar was naar beide naturen, dat Hij als zoodanig van eeuwigheid was aangesteld en dat Hij het ambt van middelaar ook reeds in de dagen desO. T.had vervuld.Die symb. Bücher der ev. luth. K.ed. Müller 622. 684. Gerhard, Loc. IV 325. Quenstedt III 273. Calvijn, in twee brieven, C. R. XXXVII 337-358, de dienaren der kerk van Zurich in twee brieven, Herzog214, 592. Polanus, Synt. theol. p. 430. Turretinos, Th. El. XIV qu. 2. De Roomschen hielden staande, dat Christus alleen middelaar was naar zijne menschelijke natuur, maar zij moesten toch erkennen, dat Christus, om middelaar te zijn, beide God en mensch moest wezen, dat beide naturen het suppositum en de substantia mediatoris uitmaakten en konden dus alleen nog beweren, dat Christus de middelaarswerken, offeren, lijden, sterven volbracht in zijne menschelijke natuur, dat deze dus alleen was hetprincipium quo, principium formalevan de middelaarswerken, Bellarminus, de Christo V c. 1-8. Petavius, de incarn. XII c. 1-4. Doch deze scheiding tusschen den persoon en het werk des middelaars is niet vol te houden; de middelaarswerken hebben juist dit eigenaardige, dat zij door den éénen persoon met beide naturen zijn verricht. Dat wil niet zeggen, gelijk Petavius aan Lutheranen en Calvinisten toedicht, ib. XII 4, 9, dat dezen aan de Goddelijke natuur van Christusper sese et ab humana divulsa, het middelaarswerk toeschrijven. Niet naar zijne Goddelijke natuur als zoodanig, als ééne en gelijk met den Vader en den Geest, is de Zoon middelaar, maarwel naar die Goddelijke natuurκατ’ οἰκονομιαν,quatenus secundum eam voluntaria illa dispensatione gratiae se submiserit, Polanus p. 430. De Schrift noemt dan ook meermalen Christus naar zijne Goddelijke natuur subject der vernedering, Joh. 1:14, 2 Cor. 8:9, Phil. 2:6; de kerkvaders laten meermalen in denzelfden geest zich uit, Petavius XII 1; Augustinus, Lombardus en Thomas bedoelden niets anders, dan dat Christus niet naar zijne Goddelijke natuur als zoodanig,ab humana natura divulsa, maar alleen als menschgeworden Zoon van God middelaar was en wezen kon; en ten slotte moesten de Roomsche theologen dit zelven weer tegen Stancarus verdedigen.Er schuilt hier achter echter nog een ander verschil. Indien Christus n.l. alleen middelaar is naar zijne menschelijke natuur in den zin van Bellarminus en Petavius, dan is Hij ook geen middelaar geweest vóór zijne vleeschwording maar is Hij dit eerst begonnen te zijn in het moment zijner ontvangenis en is het O. Test. dus feitelijk van een middelaar verstoken geweest, Petavius, de incarn. XII 4, 10. Maar al is het ook, dat de Zoon eerst vleesch is geworden in de volheid des tijds, toch is Hij van eeuwigheid verkoren en aangesteld tot middelaar. Er kan hier niet tegen ingebracht worden, dat ook David, Salomo enz. van eeuwigheid tot koning verkoren en in dien zin gezalfd zijn. Want daarbij bestaat dit groote onderscheid, dat David, Salomo enz. en alle verkorenen vóór hunne ontvangenis slechts in de idee en het besluit Gods bestonden, maar de Zoon was in den beginne bij God en zelf God. Zijne verkiezing tot middelaar is niet buiten Hem om geschied, zij draagt het karakter van eenpactum salutis; het verlossingswerk is een gemeenschappelijk werk van Vader, Zoon en Geest, en is terstond na den val door alle drie personen begonnen uitgevoerd te worden. In denzelfden zin als de Vader van eeuwigheid Vader zijner kinderen en de H. Geest van eeuwigheid Trooster der geloovigen is geweest, is de Zoon van eeuwigheid tot middelaar aangesteld en terstond na den val als middelaar opgetreden. Reeds onder hetO. T.was Hij als profeet, priester en koning werkzaam. De gevallen wereld is terstond aan den Zoon als middelaar ter verzoening en verlossing overgegeven. En in de volheid des tijds is Hij, die reeds middelaar was, in het vleesch geopenbaard, 1 Joh. 1:2, 3:5, 8. Hieruit is te verklaren, dathet koninklijk ambt bij Christus op den voorgrond treedt; als zoodanig wordt Hij in hetO. T.vooral geteekend en voorspeld; en met dien titel treedt Hij vooral onder zijn volk op. Maar dat koningschap van Christus is van dat van aardsche vorsten zeer onderscheiden; het heeft zijn type alleen in het theocratisch, in het Davidisch koningschap, hetwelk wezenlijk van dat van andere koningen onderscheiden is; het is een koningschap in Gods naam, aan Gods wil ondergeschikt, alles heenleidend tot Gods eer; het is geen koningschap van geweld en wapenen, maar het heerscht en regeert op eene gansch andere, veel betere wijze; het heerscht door Woord en Geest, door genade en waarheid, door recht en gerechtigheid. De koning is daarom tegelijkertijd profeet en priester; zijn macht staat in dienst van de waarheid en de gerechtigheid. Omdat het koningschap van Christus een geheel eigenaardig karakter draagt, maken velen bezwaar om van zijn koninklijk ambt te spreken of bezigen den titel van koning bij Christus in overdrachtelijken zin, Wegscheider § 144. Scholten L. H. K. I4369v. Ja velen achten het beter, bij Christus niet van ambt maar van persoonlijk beroep te spreken, want ambt hoort in eene rechtsgemeenschap thuis en Christus’ koninkrijk is een rijk der liefde en niet des rechts, Ritschl, Rechtf. u. Vers. III2402. Inderdaad is een ambt van beroep, ambacht, betrekking daarin onderscheiden, dat het eene overheid onderstelt, op eene aanstelling door die overheid berust, en die overheid dient met zijn persoon, niet voor loon. Maar zoo is het juist het woord ambt, dat ten aanzien van Christus behoort gebezigd te worden. Want Hij heeft zichzelven de middelaarswaardigheid niet aangenomen, maar God heeft Hem verkoren, geroepen, aangesteld, Ps. 2:7, 89:19-21, 110:1-4, 132:17, Jes. 42:1, Hebr. 5:4-6; de naam Christus is geen beroeps-, maar een ambtsnaam, een titel, eene waardigheid, waarop Jezus aanspraak heeft, omdat Hij door God zelven verkoren is. Onder hetO. T.werden vooral de koningen gezalfd, Richt. 9:8, 15, 1 Sam. 9:16, 10:1, 16:13, 2 Sam. 2:4, 5:3, 19:10, 1 Kon. 1:34, 39, 2 Kon. 9:1, 11:12, 23:30, waarschijnlijk met de heilige zalfolie, 1 Kon. 1:39, Ps. 89:21; gezalfde was de naam van den theocratischen koning, Ps. 20:7, 28:8, 84:10, 89:39 enz. De zalving met olie was symbool van de Goddelijke wijding, van de toerusting met den Geest Gods, 1 Sam. 10:1, 9, 10.En deze zalving, niet in uitwendigen, symbolischen, maar in geestelijken, wezenlijken zin werd Christus deelachtig, Jes. 11:2, 42:1, 61:1, Ps. 2:6, 45:8, 89:21, Luk. 4:18, Joh. 3:34, Hd. 4:27, 10:38, Hebr. 1:9, bij zijne ontvangenis uit den H. Geest, Luk. 1:35 en bij den doop door Johannes, Mt. 3:16, Mk. 1:10, Luk. 3:22, Joh. 1:32. En even reëel als zijne zalving, van welke die onder hetO. T.slechts schaduw was, was ook zijn koningschap. Het theocratisch, Davidisch koningschap was er slechts de zwakke type van, en heeft in het koningschap van Christus zijne wezenlijke vervulling gekregen. Christus is niet in minderen maar in meerderen, in veel waarachtiger zin koning dan David en Salomo. Want tot de idee van den theocratischen koning behoorde, dat hij een man naar Gods hart moest zijn, aan Gods wet gebonden moest wezen en niet als een despoot boven zijne broederen zich verheffen mocht, Deut. 17:14-20. Aan deze koningswet hielden Israels koningen zich niet, en zoo verwachtte de profetie een anderen, beteren koning, die, zelf gezalfde des Heeren en knecht Gods, zijn volk regeeren zou door waarheid en gerechtigheid, en zijne vijanden overwinnen zou. Als zulk een koning treedt Christus op; Hij sticht een rijk Gods, dat nu alleen geestelijk en zedelijk bestaat maar bestemd is, om ook uitwendig en lichamelijk eenmaal zich te openbaren in de stad Gods, waar alle goddeloozen gebannen zijn en God alles in allen wezen zal. En omdat Hij zulk een koning is, een koning in waarachtigen, vollen zin, daarom sluit zijn koningschap ook het profetisch en priesterlijk ambt in.8. Dit drievoudig ambt van Christus vindt echter bij velen bezwaar, omdat het eene van het andere niet te onderscheiden is, Ritschl, Rechtf. u. Vers. I2520 f. III2386 f. Frank, Chr. Wahrh. II2158. 202. Kaftan, Dogm. 486. 531. Het moet dan ook toegestemd, dat geen enkele werkzaamheid van Christus uitsluitend tot één ambt te beperken is. Zijne woorden zijn eene verkondiging van wet en evangelie, en wijzen alzoo op het profetisch ambt; maar Hij spreekt als machthebbende en alles gehoorzaamt zijn bevel, Mk. 1:122, 4:41, Luk. 4:32 enz.; zelf noemt Hij zich koning, in de wereld gekomen, om der waarheid getuigenis te geven, Joh. 18:37. Zijne wonderen zijn teekenen zijner leer, Joh. 2:11, 10:37 enz., maar ook openbaring vanzijne priesterlijke barmhartigheid, Mt. 8:17 en van zijne koninklijke macht, Mt. 9:6, 8, 21:23. In zijne voorbede komt niet alleen zijn hoogepriesterlijk maar ook zijn profetisch en koninklijk ambt uit, Joh. 17:2, 9, 10, 24. Zijn dood is eene belijdenis en voorbeeld, 1 Tim. 6:13, 1 Petr. 2:21, Op. 1:5, maar ook eene offerande, Ef. 5:2 en een betoon zijner macht, Joh. 10:18. De dogmatiek is daarom ook verlegen geweest met wat er tot ieder ambt in het bijzonder uit Jezus’ leven en werken te brengen viel. Onder het profetisch ambt werd gewoonlijk behandeld het leeren, voorspellen en wonderen doen; onder het priesterlijk ambt het offeren, voorbidden en zegenen; maar voor het koninklijk ambt bleef in den staat der vernedering dan niet meer over dan de hulde der wijzen uit het oosten, de intocht in Jeruzalem, de aanstelling van de apostelen, de instelling der sacramenten; geisoleerde feiten, die ten deele evengoed tot de andere ambten kunnen gebracht worden. Nog moeilijker werd de aanwijzing van het onderscheid in den staat der verhooging; want Jezus’ profetische werkzaamheid zet zich wel voort in het leeren zijner gemeente door Woord en Geest, maar ook als koning regeert en beschermt Hij zijne kerk door deze beide; en zijne hoogepriesterlijke voorbede is geen smeeking maar een koninklijk willen, Joh. 17:24. Het is dan ook eene atomistische beschouwing, die bepaalde werkzaamheden uit het leven van Jezus losmaakt en daarvan enkele tot het profetisch, en andere tot het priesterlijk en het koninklijk ambt brengt. Christus is gister en heden dezelfde in eeuwigheid. Hij verricht maar niet profetische, priesterlijke en koninklijke werkzaamheden, doch is zelf in heel zijn persoon profeet, priester en koning. En alles wat Hij is, spreekt en doet, brengt die drieërlei waardigheid tot openbaring. Wel kan voor ons in de eene werkzaamheid meer zijn profetisch, en in eene andere zijn priesterlijk of zijn koninklijk ambt uitkomen; en wel treedt zijn profetisch ambt meer in de dagen desO. T.en in zijne omwandeling op aarde, zijn priesterlijk ambt meer in zijn lijden en sterven, zijn koninklijk ambt meer in zijn staat van verhooging op den voorgrond; maar werkelijk draagt Hij alle drie ambten tegelijk en oefent ze alle drie steeds tegelijkertijd uit, zoowel vóór als na zijne menschwording, beide in den staat der vernedering en dien der verhooging. Daarom is echter het spreken van drie ambten bij Christus geen willekeur, geen oostersche beeldspraak, die zonderbezwaar kan prijsgegeven worden; ook is het eene ambt niet tot een der beide andere te herleiden. Scheiding is niet mogelijk, maar onderscheid is er zeer zeker. Om middelaar, om volkomen zaligmaker te wezen, moest Hij door den Vader tot alle drie ambten aangesteld en door den Geest tot alle drie bekwaamd worden. Immers, de idee van mensch bevat deze drieërlei waardigheid en werkzaamheid reeds in zich; hij heeft een hoofd, om te kennen, een hart, om zich te geven, eene hand om te regeeren en te leiden; en dienovereenkomstig werd hij in den aanvang door God toegerust met kennis en verstand, met gerechtigheid en heiligheid, met heerschappij en heerlijkheid (zaligheid). De zonde, die den mensch verdierf, werkte in op al zijne vermogens en was niet alleen onwetendheid, dwaasheid, dwaling, leugen, blindheid, duisternis, maar ook ongerechtigheid, schuld, zedelijke verdorvenheid en voorts nog ellende, dood en verderf. Daarom moest Christus, zoowel als Zoon en beeld Gods voor zichzelven als ook als middelaar en zaligmaker voor ons alle drie ambten dragen; Hij moest profeet zijn, om de waarheid Gods te kennen en te openbaren; priester, om zich Gode te wijden en in onze plaats zich Gode op te offeren; koning, om naar Gods wil ons te regeeren en te beschermen. Leeren, verzoenen en leiden;discere, acquirere en applicare salutem; wijsheid, gerechtigheid en verlossing; waarheid, liefde en macht, alle drie zijn tot onze volkomene zaligheid noodig. Profeet is Hij in zijne verhouding van God tot ons; priester in zijne verhouding van ons tot God; koning in zijne verhouding als hoofd tot de menschheid. Het rationalisme erkent alleen zijn profetisch, het mysticisme alleen zijn priesterlijk, het chiliasme alleen zijn koninklijk ambt. Maar de Schrift ziet in Hem alle drie, en deze steeds en tegelijk, onzen hoogsten profeet, onzen eenigen priester, onzen eeuwigen koning. Hij is koning, doch Hij regeert niet door het zwaard maar door zijn Woord en Geest; Hij is profeet, maar zijn woord is macht en geschiedt; Hij is priester, maar Hij leeft door te sterven, overwint door te lijden en is almachtig door zijne liefde. Hij is altijd alles te zamen, nooit het een zonder het ander, in zijn spreken en handelen machtig als een koning en in zijne koninklijke heerschappij vol van genade en waarheid. Witsius, Exerc. 10 in Symbolum, Amesius, Med. Theol. I 19, 11. Leydecker, de verit. relig. ref. IV 9, 3. Schleiermacher, Chr. Gl. § 102. Philippi,Kirchl. Gl. IV 2 S. 5. 6. Ebrard, Dogm. § 399. Heraut 509v.9. Deze Christus is in heel zijn persoon en in zijn gansche werk een openbaring van Gods liefde. De Gnostieken en vooral Marcion maakten eene scherpe tegenstelling tusschen den God des toorns, der wrake, der gerechtigheid, die zich in hetO. T.openbaarde en den God der liefde en der genade, die in hetN. T.in Christus zich had bekend gemaakt,deel II200. Maar zulk eene tegenstelling is der Schrift onbekend. Ihvh Elohim in het O. T. is wel rechtvaardig, heilig, ijverend voor zijne eer en toornende tegen de zonde, maar Hij is ook genadig, barmhartig, gaarne vergevende en groot van goedertierenheid, Ex. 20:5, 6, 34:6, 7, Deut. 4:31, Ps. 86:15 enz. In hetN. T.is God, de Vader van onzen Heere Jezus Christus, de God aller genade en barmhartigheid, Luk. 6:36, 2 Cor. 1:3, 1 Petr. 5:10; er is geen tegenstelling tusschen den Vader en Christus; even liefderijk, barmhartig en gaarne vergevende als Christus is, is ook de Vader; het zijn zijne woorden, die Christus spreekt, zijne werken, die Hij doet. De Vader is zelf de Zaligmaker,σωτηρ, Luk. 1:47, 1 Tim. 1:1, Tit. 3:4, 5, degene, die in Christus de wereld met zichzelven verzoend en de zonden haar niet toegerekend heeft, 2 Cor. 5:18, 19. Christus heeft daarom den Vader niet eerst door zijn werk tot liefde en genade bewogen, maar de liefde des Vaders gaat vooraf en komt in Christus tot openbaring, Christus is eene gave van Gods liefde, Joh. 3:16, Rom. 5:8, 8:32, 1 Joh. 4:9, 10. Wel zegt Paulus in Rom. 3:25, 26, dat God Christus Jezus tot eene verzoening door het geloof in zijn bloed openlijk, voor aller oog, heeft voorgesteldεἰς ἐνδειξιν της δικαιοσυνης αὐτου; en hierbij is zonder twijfel aan de gerechtigheid als deugd Gods te denken, die vanwege het zonder verzoening laten voorbijgaan van de door Joden en Heidenen vroeger onder Gods lankmoedigheid begane zonden niet tot openbaring scheen te komen en daarom scheen niet te bestaan; het was dus noodig, dat God Christus in den tegenwoordigen tijd, in de volheid des tijds, tot eene verzoening door zijn bloed stelde, opdat Hij zelf bleek rechtvaardig te zijn en ook rechtvaardigen kon dengene, die uit het geloof van Jezus is. Maar ook hier is de gerechtigheid Gods niet als in strijd met zijne genade en liefde gedacht. Immers, de gerechtigheid Gods betoonde zich niet daarin, dat zijde zondaren strafte voor hunne overtredingen, maar dat zij in Christus eene verzoening door zijn bloed voorstelde, zoodat God nu in de vergeving der zonden toch zelf rechtvaardig bleek en tegelijk den geloovige rechtvaardigen kon. De gerechtigheid Gods n.l. bestaat in de Schrift allereerst daarin, dat Hij rechtvaardig oordeelt, den schuldige niet voor onschuldig en den onschuldige niet voor schuldig houdt; en dan vervolgens, dat Hij de armen, de ellendigen, degenen, die persoonlijk wel schuldig zijn maar zakelijk het recht aan hunne zijde hebben, helpt en redt en in hun recht erkent. In dezen laatsten zin wordt gerechtigheid dan aan barmhartigheid, trouw, waarheid verwant; maar zij is van deze toch altijd daarin onderscheiden, dat zij vooral let op de anomalie, die er bestaat tusschen het recht, dat iemand heeft en den toestand, waarin hij verkeert,deel II194v. Ook hier bij Paulus is Gods gerechtigheid niet met zijne goedheid, barmhartigheid, trouw, waarheid identisch, maar zij is nog veel minder daaraan tegengesteld. Immers is zij juist die deugd Gods, welke Christus gaf tot eene verzoening, opdat God de zonden vergeven kon uit genade. Van een strijd van Gods gerechtigheid en liefde, gelijk het evangelisch gezang 125:5 dien voorstelt, is er dus geen sprake. In onzen zondigen toestand kan ons dit wel zoo voorkomen; maar in God zijn alle deugden één en in volle harmonie. Eenerzijds is daarom de voorstelling te verwerpen, alsof Christus enkel eene openbaring van Gods straffende gerechtigheid ware. De God der openbaring, de Vader van onzen Heere Jezus Christus, is geen heidensche god, wiens nijd en haat tegen de menschen door allerlei offers afgewend moet worden; het offer draagt in de Schrift, ook in het O. Test., een gansch ander karakter, het onderstelt het verbond der genade. Ook kwame er dan eene gnostische tegenstelling tusschen Vader en Zoon, die den Zoon als den God der genade verre boven den Vader als den God der wrake verheffen en Oud en Nieuw Test., schepping en herschepping, natuur en genade uit elkander rukken zou. Maar andererzijds is Christus ook niet op te vatten als eene betooning van Gods liefde alleen, althans niet van eene liefde, gelijk wij ons die menigmaal denken en die van de liefde Gods in de Schrift ten eenenmale verschilt. In dat geval toch bleve niet alleen het lijden en sterven van Christus, dat de Schrift ongetwijfeld als eene straf voor onze zonde voorstelt, geheelonverklaard; maar het woord van Paulus wierd ook rechtstreeks weersproken, dat God Christus daartoe tot eene verzoening gaf, opdat Hij zelf rechtvaardig bleke te zijn en rechtvaardigen kon dengene, die uit het geloof van Jezus is. De Schrift leert ons veeleer, dat in Christus en zijne offerande alle Gods deugden tot luisterrijke openbaring kwamen. De genade gaat daarbij voorop, maar zij wordt door alle andere gevolgd. Zij realiseert zichzelve in den weg van recht en gerechtigheid, Jes. 1:27, 5:16.Hinter dem Zorne ist als letztes Agens die Liebe geborgen, wie hinter Gewitterwolken die Sonne(Delitzsch). Cf. over Rom. 3:25, 26, behalve de commentaren van Philippi, Tholuck, Meyer enz., Pfleiderer,Der Paulinismus2143 f. Holtzmann, Neut. Theol. II 100. Fricke,Der Paulin. Grundbegriff derδικ. θεου, erörtert auf Grund von Röm. 3:21-26, Leipzig 1888.10. Dit leidt vanzelf tot de in de theologie druk besproken vraag, of deze weg des rechts voor God noodzakelijk was, om zijne genade te openbaren, dan wel of Hij ook zonder voldoening vergeven kon. Scotus ging uit van hetabsolutum dominium Deien achtte menschwording en voldoening alleen door Gods willekeur bepaald; Athanasius, Augustinus, Thomas, Calvijn, Musculus, Zanchius, Twissus e. a. oordeelden ze niet volstrekt noodzakelijk maar toch in overeenstemming met Gods wijsheid als hoogst passend en geschikt; Irenaeus, Basilius, Ambrosius, Anselmus, Beza, Piscator, Voetius, Turretinus, Owen, de Moor e. a. neigden er toe, om ze voor volstrekt noodzakelijk te houden, cf.deel II207-216 en Voetius, Disp. II 238. Het is te begrijpen, dat velen liever den middelweg bewandelden dan in God de willekeur ten troon te verheffen of zijne almacht door eene absolute necessitas te beperken. Toch is er geen bezwaar, om hierbij van noodzakelijkheid te spreken, indien deze maar goed verstaan wordt. De wil in God is noch eene van alle deugden en van heel het wezen Gods gescheiden formeele willekeur, noch ook eene door al die deugden en door dat gansche wezen gebonden en daarom onvrije keuze. De wil Gods is dikwerf voor ons de laatste grond der dingen en wij hebben daarin te berusten, ook al weten wij niet, waarom God zoo en niet anders gehandeld heeft. Maar in God heeft die wil altijd wijze en heilige redenen voor zijn zóó en niet anders handelen, want Hijhandelt nooit dan in overeenstemming met alle zijne deugden, met zijne liefde, wijsheid, gerechtigheid enz. En deze overeenstemming van den wil Gods met al zijne deugden is geen dwang, geen beperking voor dien wil, maar juist de ware, hoogste vrijheid. Zoo te willen en te handelen als zijne heilige, wijze, almachtige, liefderijke natuur zelve wil, dat is voor God beide de hoogste vrijheid en de hoogste noodzakelijkheid. Zoo is het ook met de vleeschwording en voldoening; zij mogen noodzakelijk heeten, niet als een dwang, die Gode van buiten af opgelegd wordt en waaraan Hij niet ontkomen kan, maar wel als daden en handelingen, die in overeenstemming met zijne deugden zijn en deze op het luisterrijkst tot openbaring brengen. Vooreerst toch leert de Schrift, dat God alles doet om zijns zelfs wil, Spr. 16:4, Rom. 11:36; de laatste grond en het laatste doel, ook van menschwording en voldoening, kan niet liggen in het schepsel, in de zaligheid van den zondaar maar moet liggen in God zelf. Om zijns zelfs wil heeft Hij zijn zoon in de wereld gezonden tot eene verzoening voor onze zonden, opdat alzoo zijne deugden tot openbaring zouden komen. En inderdaad is er geen feit, dat die volmaaktheden Gods zoo in het licht stelt als de menschwording en de voldoening. Niet eene enkele deugd treedt daardoor in het helderst licht, maar alle te zamen, zijne wijsheid, genade, liefde, barmhartigheid, lankmoedigheid, rechtvaardigheid, heiligheid, macht enz. Al is er gewoonlijk alleen sprake van Gods genade en rechtvaardigheid, toch mogen de andere deugden niet worden vergeten. Christus is in zijn persoon, woord en werk de hoogste, volkomenste, alzijdigste openbaring Gods, zijn knecht, zijn beeld, zijn Zoon; Hij heeft ons den Vader verklaard. Indien God zich op het heerlijkst openbaren wilde, dan was daartoe de schepping en de herschepping, de menschwording en de voldoening noodzakelijk. In de schepping werden reeds zijne deugden openbaar, maar veel rijker en hooger nog in de herschepping; de zonde weet Hij almachtig te gebruiken als een middel, om zichzelf te verheerlijken. Ten tweede is het de leer der Schrift, dat God als de volstrekt rechtvaardige en heilige de zonde haat met Goddelijken haat, Gen. 18:25, Ex. 20:5, 23:7, Ps. 5:6, 7, Nah. 1:2, Rom. 1:18, 32. Er is eene absolute tegenstelling tusschen God en de zonde, daarin noodzakelijk uitkomende, dat Hij met al zijne deugden er tegen reageert; Hij wil de zondeniet, Hij heeft er geen lust en welgevallen aan, Hij haat ze en toornt er tegen. Zonde kan niet bestaan, zonder dat zij door God gehaat en gestraft wordt. God kan zichzelven niet verloochenen; Hij kan het recht der zonde niet erkennen; Hij kan aan Satan geen gelijke rechten geven met zichzelven. Juist omdat Hij de volstrekt heilige is, moet Hij de zonde haten. Eigenlijk stemt ieder dat toe; ook al zegt men dat God de zonde zonder voldoening vergeven kan en als de hoogste liefde ook vergeven moet; toch erkent elk nog, dat God de zondevergeeft, d. i. dat Hij ze uit genade niet straft, maar tot die straf wel het recht en de macht bezit. Zelfs de Heer Chavannes vond op de vergadering van moderne theologen weinig instemming met zijne stelling, dat de uitdrukking „vergevende liefde” eene contradictio in adjectis is en niets beteekent, Bijbl. v. d. Herv. 28 Juni 1895. Ten derde is God zeer zeker Vader der menschen, maar deze naam geeft lang niet de gansche verhouding weer, waarin God tot zijne schepselen staat. Hij is ook Schepper, Onderhouder, Regeerder, Souverein, Wetgever, Rechter enz., en het is eenzijdig en tot dwaling leidende, indien men in één dezer namen met voorbijzien der andere de volle openbaring Gods aanschouwt. Zoo is God ten opzichte der zonde geen schuldeischer en geen beleedigde partij alleen, die de schuld kwijtschelden en de beleediging vergeten en vergeven kan. Maar Hij is zelf de Gever, Beschermer, Wreker der wet, de persoonlijke gerechtigheid, en als zoodanig kan Hij de zonde niet vergeven zonder voldoening, Hebr. 9:22. In die qualiteit kan Hij het recht der wet niet teniet doen; want het gaat hier niet om een persoonlijk, privaat recht, waarvan men afstand kan doen, maar om de gerechtigheid, d. i. om de deugden en de eere van God zelven. Wel zou men hiertegen zich beroepen kunnen op het recht van gratie, dat de aardsche overheid menigmaal uitoefent; maar dit recht van gratie is haar alleen daarom gegund, wijl zij feilbaar is en in vele gevallen eene te zware of zelfs onverdiende straf oplegt. In God kan zoo iets niet vallen; Hij is de gerechtigheid zelve, behoeft door de gratie de justitia niet te herstellen, doet ze door haar ook niet te niet, maar laat ze saam in het kruis van Christus tot openbaring komen. Ten vierde is de zedewet als zoodanig geen willekeurige, positieve wet, maar in de natuur van God zelven gegrond; zij is ook geen onpersoonlijke, van God onafhankelijke, in zichzelve rustendemacht, zoodat Christus niet aan God maar aan haar eisch voldeed, cf. Dale,The atonement, lect. 9; maar zij is uitdrukking van zijn wezen. God, de wet handhavend, handhaaft zichzelf en omgekeerd. Daarom is zij onverbrekelijk en onschendbaar. Door heel de Schrift heen draagt zij dat karakter; onze eigen conscientie geeft er getuigenis aan; en heel de zoogenaamde zedelijke wereldorde met hare verschijnselen van verantwoordelijkheid, plichtbesef, schuld, berouw, angst, wroeging, straf enz., is op deze onschendbaarheid der zedewet gebouwd. Christus is dan ook niet gekomen, om de wet te ontbinden maar te vervullen, Mt. 5:17, 18, Rom. 10:4; Hij heeft haar majesteit en heerlijkheid gehandhaafd; en het geloof doet de wet niet te niet maar bevestigt ze, Rom. 3:31. Ten vijfde, de zonde draagt in de Schrift velerlei karakter; zij is onverstand, dwaasheid, schuld, smet, onreinheid, schande enz., zij wordt vergeleken bij eene geldschuld, en is onder een ander gezichtspunt ook weer eene beleediging van God. Maar zoo komt zij in de Schrift ook voor als eene misdaad, crimen, een vergrijp tegen de gerechtigheid, eene schennis van de majesteit Gods, welke ons onder zijn oordeel brengt, Rom. 3:19, en des doods waardig maakt, Rom. 1:32. In dit karakter eischt ze straf en is er zonder voldoening geen vergeving; alleen in den weg van het recht is zij, zoo wat haar schuld en smet als wat haar macht en heerschappij aangaat, volkomen te overwinnen. Ten zesde mag hieraan nog toegevoegd, dat de zonde zoo groot is, dat God haar, eer Hij ze ongestraft liet blijven, aan zijnen lieven Zoon Jezus Christus met den bitteren en smadelijken dood des kruises gestraft heeft. Indien de rechtvaardigheid op eene andere wijze ware te verkrijgen geweest, zou Christus te vergeefs gestorven zijn, Gal. 2:21, 3:21, Hebr. 2:10. Om alles saam te vatten, vleeschwording en voldoening zijn daartoe geschied, dat God weer als God door zijne schepselen zou worden erkend en geëerd. Zonde was miskenning van God en van al zijne deugden, heenwending tot en aanbidding van het creatuur. Maar in Christus heeft God zichzelf weer geopenbaard, zijne souvereiniteit hersteld, al zijne deugden gerechtvaardigd, zijn naam verheerlijkt, zijne Godheid gehandhaafd. Het was God, ook in het werk der verlossing, allereerst om zichzelven, om zijn eigen glorie te doen. Cf. Voetius, Disp. I 372 II 238 sq. Mastricht, Theol. V 18, 34. Turretinus, Theol. El. XIV 10. Id. de satisf. Christi, disp. 1 en 2.Heidegger, Corpus Theol. XIX 80 sq. Heppe, Dogm. 341. Ebrard, Dogm. § 427. Martensen, Christl. Ethik II2155 f. Dorner, Chr. Gl. II 614. Ch. Hodge, Syst. Theol. II 487. A. A. Hodge,The atonementp. 48. Shedd, Dogm. Theol. I 378. Hugh Martin,The atonement, Edinb. z. j. p. 172 enz.
Hetgeen Christus door deze zijne offerande verworven heeft, is te veel schier om op te noemen. Voor zichzelven verwierf Hij daardoor zijne gansche verhooging, de opstanding, Ef. 1:20, de hemelvaart, 1 Petr. 3:22, de zitting ter rechterhand Gods, Ef. 1:20, Hebr. 12:2, de verheffing tot Hoofd der gemeente, Ef. 1:22, den naam bovenallennaam, Phil. 2:9-11, de Middelaarsheerlijkheid, Hebr. 2:9, de heerschappij overalle dingen in hemel en aarde, Mt. 28:18, Ef. 1:22, 1 Cor. 15:24v., het laatste oordeel, Joh. 5:22, 27. En verder verwierf Hij voor de zijnen, voor de menschheid, voor de wereld eene onafzienbare reeks van zegeningen. Hij is zelf in zijn persoon het inbegrip van al die zegeningen, het licht der wereld, Joh. 8:12, het ware brood, 6:35, de ware wijnstok, 15:1, de weg, de waarheid, de opstanding en het leven, 11:25, 14:6, onzeσοφια, δικαιοσυνη, ἁγιασμος, ἀπολυτρωσις, 1 Cor. 1:30, onzeειρηνη, Ef. 2:14, de eerstgeborene en de eersteling, die door velen gevolgd wordt, Rom. 8:29, 1 Cor. 15:23, de tweede en laatste Adam, 1 Cor. 15:45, het hoofd der gemeente, Ef. 1:22, de hoeksteen van het Godsgebouw, Ef. 2:20; en daarom is er geen gemeenschap aan zijne weldaden dan door gemeenschap aan zijn persoon. Maar uit Hem vloeien toch alle weldaden voort: de ganscheσωτηρια, Mt. 1:21, Luk. 2:11, Joh. 3:17, 12:47, en dan nader de vergeving der zonden, Mt. 26:28, Ef. 1:7, de wegneming,αἰρεινonzer zonden, Joh. 1:29, 1 Joh. 3:5, de reiniging of bevrijding van een kwaad geweten, Hebr. 10:22, de rechtvaardigmaking, Rom. 4:25, de gerechtigheid, 1 Cor. 1:30, deυἱοθεσια, Gal. 3:26, 4:5, 6, Ef. 1:5, de vrijmoedige toegang tot God, Ef. 2:18, 3:12, de aflegging door God van zijn toorn op grond van Christus’ offerande, d. i. deἱλασμος, Rom. 3:25, 1 Joh. 2:2, 4:10, Hebr. 2:17, de daarvoor bij God in de plaats getreden, nieuwe, verzoende, niet meer vijandige maar gunstige vredeverhouding tot de wereld,καταλλαγη, Rom. 5:10v., 2 Cor. 5:18-20, en de vredeverhouding des menschen in betrekking tot God, Rom. 5:1; verder de gave des H. Geestes, Joh. 15:26, Hd. 2, Gal. 4:6, de wedergeboorte en het landschap uit God, Joh. 1:12, 13, de heiligmaking, 1 Cor. 1:30, de gemeenschap aan Christus’ dood, Rom. 6:3v., de afsterving van de zonde, Rom. 6:6v. Gal. 2:20, de kruisiging aan de wereld, Gal. 6:14, de reiniging, Ef. 5:26, 1 Joh. 1:7, 9, en de afwassching, 1 Cor. 6:11, Op. 1:5, 7:14, der zonden door de besprenging met het bloed van Christus, Hebr. 9:22, 12:24, 1 Petr. 1:2, de wandel in den Geest en in de nieuwigheid des levens, Rom. 6:4, de gemeenschap aan de opstanding en de hemelvaart van Christus, Rom. 6:5, Ef. 2:6, Phil. 3:20, de navolging van Christus, Mt. 10:38, 1 Petr. 2:21v.; alverder de bevrijding van denvloek der wet, Rom. 6:14, 7:1-6, Gal. 3:13, Col. 2:14, de vervulling van het oude en de inwijding van een nieuw verbond, Mk. 14:24, Hebr. 7:22, 9:15, 12:24, de verlossing uit de macht van Satan, Luk. 11:22, Joh. 14:30, Col. 2:15, 1 Joh. 3:8, Col. 1:13, de overwinning der wereld, Joh. 16:33, 1 Joh. 4:4, 5:4, de bevrijding van den dood en van de vreeze des doods, Rom. 5:12v., 1 Cor. 15:55v., Hebr. 2:15, de ontkoming aan het oordeel, Hebr. 10:27, 28; en eindelijk, de opstanding, ten jongsten dage, Joh. 11:25, 1 Cor. 15:21, de hemelvaart, Ef. 2:6, de verheerlijking, Joh. 17:24, de hemelsche erfenis, Joh. 14:1, 1 Petr. 1:4, het eeuwige leven, hier reeds aanvangende met het geloof, Joh. 3:15, 36 en eens zich ten volle openbarend in heerlijkheid, Mk. 10:30, Rom. 6:22, de nieuwe hemel en aarde, 2 Petr. 3:13, Op. 21:1, 5, de wederoprichting aller dingen, Hd. 3:21, 1 Cor. 15:24-28.
4. De geschiedenis der leer van Christus’ werk vertoont een ander karakter dan die van het dogma der triniteit en van Christus’ persoon. Er is geen bepaalde strijd over gevoerd, die tot eene scherpe en klare formuleering geleid heeft. De Schrift was in de beschrijving van dat werk ook zoo veelzijdig; en in de geschiedenis der theologie kwamen allerlei voorstellingen van het werk van Christus op, die een kern van waarheid bevatten, cf. Bähr,Die Lehre der Kirche vom Tode Jesu in den drei ersten Jahrh.1832. Baur,Die christl. Lehre v. d. Versöhnung in ihrer gesch. Entw.1838. Dorner,Entw. d. Lehre v. d. Person Christi21851. Thomasius,Christi Person u. WerkII3113 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers., deel I. Art.Versöhnungin Herzog1van Schoeberlein, in Herzog2van H. Schmidt, en voorts de dogmenhist. werken van Hagenbach enz. De apostolische vaders sluiten zich aan bij het spraakgebruik der H. Schrift en zeggen alleen, dat Christus uit liefde voor ons geleden en zich opgeofferd heeft, Barn. 7. Ign. ad Eph. 1. Polyc. ad Phil. 1. Diogn. 9. Spoedig echter trachtte men zich van het werk van Christus eenige meerdere rekenschap te geven. En dan komen terstond verschillende voorstellingen naast elkander voor; van den beginne af werd Christus niet alleen beschouwd als profeet maar ook als koning en priester. Soms worden deze drie ambten ook uitdrukkelijk naast elkander genoemd; Eusebius spreekt van Christus alsμονον ἀρχιερεα των ὁλων και μονον ἁπασης της κτισεως βασιλεα και μονον προφητων αρχιπροφητην του πατρος, Hist. eccl. I 3, en verwante uitspraken komen ook voor bij Lactantius, Greg. Nyss., August., de civ. X 6 enz., cf. Krauss,Das Mittlerwerk nach dem Schema des munus triplex, Jahrb. f. d. Theol. 1872 S. 595-655. Dat neemt niet weg, dat de eene of andere voorstelling soms eenzijdig op den voorgrond treedt. De nadruk valt er dan op, dat Christus de Logos is, die op aarde verscheen, om den menschen de volle waarheid te openbaren en hun een voorbeeld te geven van deugd, Just. Apol. I 10. Iren., adv. haer. V 1. Tertull., de orat. 4. Clem. Alex., Strom. V 12. Orig., de princ. III 5, 6. c. Cels. I 67. 68. Athan., de incarn. 16. Of ook wordt de zonde meer als macht dan als schuld gevoeld en dienovereenkomstig het werk van Christus meer opgevat als verlossing dan als verzoening; God is mensch geworden, opdat Hij de menschen van de zinnelijkheid, sterfelijkheid en daemonenheerschappij verlossen en hen Gode gelijk, het eeuwige leven en de onsterfelijkheid deelachtig maken zou, Iren., adv. haer. III 16, 6. 20, 2 IV 2 V 1. Athan., de incarn. 7. Greg. Nyss., Catech. magna 17-26 enz. Eene andere, bekende en in weerwil van de tegenspraak van Gregorius Naz., Orat. 42, 48, door velen gehuldigde voorstelling was, dat Christus zich in zijn dood tot een losgeld, lokspijs of valstrik aan Satan had overgegeven en dezen alzoo door list overwonnen en de menschen uit zijne heerschappij verlost had, Orig., op Mt. 20:28. Greg. Nyss., Orat. cat. 22-26. Damasc.,de fide orthod.III 1. 27 enz. En eindelijk komt ook van den beginne af reeds de gedachte voor, dat Christus zich in zijn lijden en sterven voor ons en in onze plaats Gode geofferd heeft, om de verzoening, de vergeving, de heiligmaking en de gansche zaligheid te verwerven. Zeer schoon vinden we deze gedachte reeds in den brief aan Diognetus c. 9, cf. Clemens Rom., I ad Cor. 7. Barnabas c. 5. 6. 7. Volgens Justinus Martyr is Christus niet alleen mensch geworden, om zich ons lijden deelachtig te maken en genezing te brengen, om aan de ongehoorzaamheid, die in de wereld gekomen was, een einde te maken, om de macht van Satan en van den dood te overwinnen; maar zijn dood is ook een offer voor alle zondaren, die zich willen bekeeren, het pascha, dat voor allen geslacht is, de oorzaak van de vergeving der zonden, Dial. c. 40. 111, cf.Semisch, Justin der Märtyrer II 416 f. Veel duidelijker zegt Irenaeus, dat Christus, die door zijne menschwording met ons in gemeenschap staat en in heel onzen toestand is ingegaan, V praef. cf. III 18. 7. V 16, 2, door zijn lijden en dood ons Gode verzoend, III 16, 9, ons in de gunst van God, tegen wien wij gezondigd hadden, hersteld, den Vader voor ons verzoend, onze ongehoorzaamheid door zijne gehoorzaamheid goedgemaakt en de vergeving der zonden in het geloof ons geschonken heeft, V 17, 1. En dergelijke opvatting van het lijden van Christus als een offer voor onze zonden, dat ons de gerechtigheid en het leven verwierf, komt ook bij Origenes, Athanasius, Cyrillus, Gregorius Nyss., Damascenus voor, Thomasius, II 125 f. Ook in het Westen werd deze voorstelling overgenomen en verder ontwikkeld. Tertullianus zag in de religie eene rechtsverhouding, waarin de mensch aan Gods wet is onderworpen en voor overtredingen aan God door de poenitentia heeft te voldoen; evenals in de triniteit, zoo bracht Tertullianus in de leer van de boete verschillende termen in zwang,deo offenso satisfacere, deum iratum placare, reconciliare, deum promererienz., die nog wel niet door hemzelven maar toch reeds door Cyprianus, Hilarius, Ambrosius e. a. op Christus en zijne offerande werden toegepast, Harnack, D. G. III 15 f., cf. I 524. Augustinus telde verschillende vruchten van Christus’ offerande op, die alle hierop neerkomen, dat zij eenerzijds ons bevrijd heeft van schuld, smet, dood en duivel en andererzijds ons verlichting, leven en zaligheid geschonken heeft, Kühner,AugustinusAnschauung von der Erlösungsbedeutung Christi, Heidelberg 1899 S. 18. Naast de ethische, de mystische en de loskoopingstheorie komt ook de juridische of satisfactorische bij hem voor. Christus is mediator, reconciliator, redemptor, salvator, medicus, pastor enz., Hij is sacerdos en sacrificium tegelijk; Hij is het ware en eenige offer voor de zonden, de civ. X 6. Enchir. 33. 41; zelf zonder schuld, nam Hij onze straf over, om daarmede onze schuld te betalen en aan onze straf een einde te maken, c. Faust. Man. XIV 4.Delicta nostra sua delicta fecit, ut justitiam suam nostram justitiam faceret. Zijne maledictio is onze benedictio; Christusde te sibi habebat carnem, de se tibi salutem, de te sibi mortem, de se tibi vitam, de te sibi contumelias, de se tibi honores, Enarr. in ps. 60.
De voorstellingen, die wij bij de kerkvaders over het lijden vanChristus aantreffen, keeren in de scholastiek terug. Maar Anselmus’ geschriftCur Deus homogaf toch aan de satisfactorische opvatting een overwicht over alle andere. Het nieuwe van Anselmus bestond niet daarin, dat hij Christus’ dood als eene offerande voor onze zonden beschouwde. Maar terwijl men vroeger meest gezegd had, dat de menschwording en voldoening niet absoluut noodzakelijk was, zocht Anselmus naar een grond, om het tegendeel te betoogen. Hij vond dien daarin, dat op de zonde altijdaut poena aut satisfactiovolgen moet en dat, indien God de menschheid vergeven en behouden wil, geen ander dan een Godmensch die satisfactio aan God brengen en zijne eer Hem teruggeven kan. Maar omdat Christus Godmensch was, was zijn gansch vrijwillige dood van zoo groote waarde, dat Hij niet alleen bevrijdde van straf maar bovendien ook nog verdiende; en die verdienste stond Hij, wijl Hij ze zelf niet behoefde, voor de menschheid af, in wier plaats Hij Gode de eere teruggegeven had. Onveranderd nam niemand deze beschouwing van Anselmus over. De absolute noodzakelijkheid van Christus’ menschwording en voldoening werd meestal ontkend; Duns Scotus stond geheel aan de andere zijde, loochende de oneindigheid der schuld en de oneindigheid van Christus’ verdienste, ontkende, dat Christus’ offer in zichzelf genoegzaam was, leerde, dat het door God voldoende was gerekend, en herleidde menschwording en voldoening tot zuivere willekeur, tot het dominium absolutum in God, cf.deel II211; maar ook Thomas achtte ze niet volstrekt noodzakelijk en noemde ze conveniens, S. Th. III qu. 1 art. 1. 2. qu. 46 art. 1-3. Voorts bestreed een enkele, n.l. Abaelard heel de satisfactieleer en stelde daar tegenover, dat Christus’ menschwording en lijden niet eene openbaring van Gods gerechtigheid maar alleen van zijne genade en liefde was; dat Christus van het begin tot het einde zijns levens ons door zijn woord en voorbeeld geleerd had en daardoor eene liefde in ons wekt, welke van de zonde bevrijdt en ons tot Gods kinderen maakt, en dat hierin de verlossende en verzoenende kracht van Christus’ persoon en werk gelegen is, Herzog21, 16. Verschillende elementen in de voorstelling van Anselmus zijn later door allen verworpen, zooals heel het privaatrechtelijk karakter, dat hij aan de voldoening geeft, de opvatting van de zonde als beleediging en van de voldoening als eereherstel, de eenzijdige nadruk, dien hij op Christus’ dood legt metmiskenning van zijn leven, de tegenstelling die hij maakt tusschen poena en satisfactio, de mechanische verbinding, die hij legt tusschen satisfactio en meritum, tusschen Christus’ verdienste en de reden, waarom zij der menschheid ten goede komt. Maar dat neemt niet weg, dat de leer van Anselmus toch in haar wezenlijke bestanddeelen, als voldoening voor de zondenschuld aan Gods gerechtigheid, om daardoor voor ons de gerechtigheid en het leven te verwerven, in de latere theologie eene blijvende beteekenis heeft verkregen. De verlossing, door Christus aangebracht, is door Anselmus het eerst en het duidelijkst opgevat als eene bevrijding, niet in de eerste plaats van de gevolgen der zonde, van den dood en van de macht van Satan, maar allereerst van de zonde zelve en hare schuld; de verlossing van Christus werd in de eerste plaats eene verzoening van God en mensch. Toch is dit in de scholastieke en Roomsche theologie veel minder tot zijn recht gekomen dan in de Protestantsche. Thomas beperkt de voldoening niet met Anselmus hoofdzakelijk tot den dood, maar breidt haar uit tot heel het lijden en de gansche gehoorzaamheid van Christus, S. Theol. III qu. 46; ook verklaart hij de overdracht van Christus’ verdienste op de zijnen beter dan Anselmus daaruit, dat Christus het hoofd en de gemeente zijn lichaam is, ib. qu. 8; maar hij brengt het in de beschouwing van Christus lijden toch tot geen eenheid, vat het achtereenvolgens op alsmeritum, satisfactio, sacrificium, redemptio, ib. qu. 48 en noemt dan als zijne vruchten deliberatio a peccato, a potestate diaboli, a poena peccati, reconciliatio, aditus paradisi, ib. qu. 49. De verzoening staat hier nog niet op den voorgrond en zij komt ook eerst ten volle daardoor tot stand, dat Christus als eenforma virtutis et humilitatisons tot navolging wekt, door zijne liefde en genade tot liefde ons beweegt en in het geloof van de zonde ons bevrijdt; objectieve en subjectieve zijde der verzoening, vergeving en vernieuwing worden niet genoegzaam uit elkander gehouden, ib. 48 art. 1. 49 art. 1 en voorts Lombardus en andere comm. op Sent. III dist. 18. 19. Bonaventura, Brevil. IV 7. 9. Later blijft dit ook nog zoo bij vele Roomsche theologen, Petavius, de incarn. XII. XIII. Theol. Wirceb.3IV 295 sq. Deharbe’s verklaring der kath. geloofs- en zedeleer, Utrecht 1888 II 267v., maar anderen stellen toch heel het werk van Christus onder het begrip redemptio, of satisfactio (en meritum)of behandelen het ook in het schema der drie ambten, Cat. Rom. I c. 3 qu. 7. Perrone, Prael. theol. IV 1839 p. 309. Liebermann, Instit. theol.8II 264. Dieringer, Kath. Dogm.4465. Scheeben, Dogm. III 309-454. Pesch, Prael. dogm. IV 198 sq. 256 sq. Jansen, Prael. theol. II 708.
De Reformatie had oorspronkelijk over het werk van Christus geen andere leer dan Rome, en verdedigde de voldoening van Christus met hand en tand tegen de Sociniaansche bestrijding. Toch stelde ze haar krachtens haar beginsel onder een nieuw gezichtspunt en in een ander verband. Wijl zij de zonde allereerst als schuld had leeren kennen, kwam in het werk van Christus de verzoening op den voorgrond te staan. De zonde was van dien aard, dat ze God vertoornde; om dien toorn te stillen, om aan Gods gerechtigheid te voldoen, daartoe was in de eerste plaats de voldoening door den Godmensch noodzakelijk. Deze bracht haar daardoor aan, dat Hij zich als Borg des Verbonds in onze plaats stelde, de volle schuld en straf der zonde op zich nam, en aan den ganschen eisch der wet Gods zich onderwierp. Het werk van Christus bestaat dus niet zoozeer in humilitas, niet alleen in zijn dood, maar in zijne gansche, zoowel actieve als passieve gehoorzaamheid. En Hij volbracht dit werk in zijn drievoudig ambt, niet alleen als profeet door ons te leeren en een voorbeeld te geven en tot liefde ons op te wekken, maar ook als priester en koning, Calvijn eerst in den Catech. Genev., daarna in de editie der Institutie van 1539 en dan van hem allengs door Geref., Luth. en Roomsche theologen overgenomen. De objectieve en de subjectieve zijde der verzoening zijn daardoor duidelijk onderscheiden. Christus heeft alles volbracht. Alle weldaden liggen objectief in zijn persoon besloten. Wijl Christus door zijne offerande aan Gods gerechtigheid heeft voldaan, heeft Hij objectief de verhouding van God en mensch en daardoor ook alle andere verhoudingen des menschen tot zonde, dood, Satan, wereld veranderd. De eerste weldaad is daarom de vergeving der zonden, en tengevolge daarvan ook de bevrijding van smet, dood, wet, Satan. Christus is de eenige Middelaar Gods en der menschen, de algenoegzame Zaligmaker, de hoogste profeet, de eenige priester, de waarachtige koning. Cf. Luther en Melanchton bij Thomasius II 168 f. Gerhard, Loc. IV 320-331. XVI 31-63. Quenstedt III 450-460. Hollaz, Ex. 728-764. Buddeus, Inst. theol. 806-859. Calvijn,Inst. II 15-17. Polanus, Syst. Theol. VI c. 27-29. Maccovius, Coll. theol. I 228 sq. Voetius,de merito Christi, Disp. II 228-284. Turretinus, Theol. El. XIV. Id.De satisfactione Christi1691. Owen, verschillende tractaten in deel X van zijn Works, Edinburgh Clark 1862. Moor III 842 sq. M. Vitringa V 315 sq. VI 5 sq.
5. Het werk van Christus werd echter, evenals zijn persoon, door anderen geheel anders verstaan. De Ebionieten zagen in Christus slechts een profeet, die door zijn leer en voorbeeld den mensch kracht geeft tot den strijd tegen de zonde. Voor de Gnostieken was Christus een aeon van Goddelijke wijsheid, die in eene schijnbaar menschelijke gedaante op aarde verschenen was, om door verlichting en kennis de menschen uit de banden der materie te bevrijden en hen totπνευματικοιte maken. Tegenover dit speculatief rationalisme handhaafden de Montanisten het bovennatuurlijk, transcendent karakter des Christendoms, niet alleen in den persoon van Christus, maar ook in de door den H. Geest zich voortzettende openbaring, welke thans nog het deel der geloovigen is en de christelijke religie uit den kinderlijken in den mannelijken leeftijd doet overgaan. In de dualistische, pantheistische, apocalyptische en libertinistische secten der Middeleeuwen bleef er evenzoo voor Christus geen andere beteekenis over, dan dat Hij in zijn tijd aan de menschen hun ware wezen en bestemming had geopenbaard, waardoor zij nu zelf in het tijdperk des Geestes worden kunnen wat Christus was; wat de Schrift van Christus leert, wordt in elk Christen verwezenlijkt; het eigenlijk sterven en opstaan van Christus heeft plaats in de wedergeboorte van iederen mensch. Al deze gedachten werkten na in de eeuw der Hervorming en leidden tot eene sterke bestrijding van de leer van Luther en Calvijn. Niet de Christus voor ons, maar de Christus in ons, niet het Woord maar de Geest was het wezen der religie. Osiander leerde, dat Christus de eeuwige, Goddelijke wezensgerechtigheid in zijne menschelijke natuur had medegebracht, en deze den zijnen door het geloof instort en alzoo hen rechtvaardigt, Herzog211, 125 f. Carlstadt, Frank, Schwencfeld, Weigel e. a. zagen in het vertrouwen op Christus’ toegerekende gerechtigheid eene gevaarlijke dwaling; onze zaligheid ligt niet in hetgeen Christus buiten en voor onsmaar in wat Hij in en door ons doet, in de mystieke gemeenschap met God, Erbkam, Gesch. d. prot. Sekten 247 f. 340 f. 441 f. Deze mystieke opvatting van de verlossing door Christus vond ook later bij velen ingang. Böhme beschouwde den toorn Gods en den dood als reëele, physische machten, welke Christus door zijn dood verwonnen heeft en in wier plaats Hij een nieuw Goddelijk leven in de menschheid uitstort, Joh. Claassen,J. Böhme, sein Leben u. seine theos. WerkeIII 31-76. Bij de Kwakers heeft de verlossing wel haar oorzaak in Christus, maar Christus is zelf niet anders dan de saamvatting van de genade en het licht in de menschheid; de eigenlijke, ware verlossing is die, welke in ons geschiedt, Barclay, Verantwoording van de ware Christ. Godgel. Amst. 1757 bl. 154. Antoinette Bourignon en Poiret noemden het plaatsvervangend lijden onmogelijk en onbehoorlijk; Christus kwam niet op aarde om voor ons te voldoen, maar om ons Gods vergevende liefde te prediken en door zijn leer en voorbeeld ons van zonde te reinigen, M. Vitringa VI 51. Evenzoo vatte J. C. Dippel het lijden en sterven van Christus op als een voorbeeld van zijn geestelijk middelaarschap, waardoor Hij den ouden mensch in ons doodt en den nieuwen doet opstaan; de verlossing geschiedt in ons; eene objectieve verzoening is niet noodig, want er is geen toorn in God, ib. 56. Dorner, Entw. II 924. Volgens Zinzendorf is Christus de Schepper en Onderhouder aller dingen, de Jehova desO. T., die daarin Gods liefde heeft geopenbaard, dat Hij zoo klein, zoo arm, zoo nederig is geworden en zooveel heeft geleden; zijn lijden is niet zoozeer straf en voldoening aan God, als wel vrijwillig en liefderijk martelaarschap; zijn bloed, zijn dood is daardoor de bron van het leven der menschheid; de martelaarswonden van Christus’ zijde zijn de matrix van het menschelijk geslacht, de oorsprong van den Geest, die van Christus in allen zich uitstort, Plitt, Zinzendorfs Theol. I 291. II 194 f. Schneckenburger,Vorles. über die Lehrbegriffe der klein. prot. Kirchenparteien195 f. Swedenborg hield het geloof, dat het lijden aan het kruis de verlossing was, voor eene gronddwaling, die met de leer der triniteit de kerk te gronde had gericht. Het lijden aan het kruis was niet de verlossing maar was voor Jezus de laatste verzoeking en, wijl Hij staande bleef, het middel zijner verheerlijking; toen werd het menschelijke in Hem met het Goddelijke zijns Vaders vereenigd, toen werd God waarlijk mensch,kon Hij de vijandige, zinnelijke machten der hel naderen en ze overwinnen; de verlossing is eene voortgaande, door God als mensch teweeggebrachte onderwerping der hel en ordening des hemels, Swedenborg,Die wahre christl. Religion21873 S. 169-205.
Maar niet alleen van mystieke, ook van rationalistische zijde kwam er bestrijding van de kerkelijke leer over het werk van Christus. Hiertoe kan gerekend worden de leer van Stancarus, dat Christus alleen naar zijne menschelijke natuur onze middelaar en onze gerechtigheid is, Herzog214, 590 f.; en ook de ontkenning der obedientia activa door Karg (Parsimonius), en door Joh. Piscator, die zijne denkbeelden het eerst uiteenzette in een brief ten jare 1604, opgenomen in de Epist. praest. virorum p. 156, cf. Theses theol. XV 18. 19. Karg nam in 1570 zijn gevoelen terug, doch Piscator vond steun bij Martinius, Crocius, Pierius, Pareus, Wendelinus, H. Alting e. a., en oefende later door Camero, Placaeus, Capellus enz. een schadelijken invloed op de Geref. theologie. Maar de ernstigste en degelijkste bestrijding van de satisfactio vicaria kwam van den kant der Socinianen. Wel noemen zij Christus nog profeet, priester en koning, Cat. Rac. qu. 101, maar feitelijk maken zij het priesterlijk ambt tot een aanhangsel van het koninklijk ambt. Toen Christus op aarde was, was Hij alleen profeet, die vóór het begin van zijn openbaar optreden door God in den hemel was opgenomen (raptus in coelum, Joh. 3:13, 31, 6:36, 62, 8:28, 10:28, Cat. Rac. qu. 195), daar door God zelf met de waarheid was bekend gemaakt, en alzoo in staat was, om de wet te volmaken met nieuwe geboden, Cat. Rac. qu. 209v, en aan de onderhouders dier geboden het eeuwige leven, ib. qu. 352 en de heiligende kracht des Geestes, qu. 361 te beloven. Deze zijne leer heeft Christus bevestigd door zijn zondeloos leven, door zijne wonderen en vooral door zijn dood en zijne opstanding ib. qu. 374. Zijn dood was noodig, om zijne volgelingen in hunne vroomheid en heiligen wandel ten einde toe te doen volharden, qu. 380, en om Gods liefde tot ons klaar en duidelijk te bevestigen, qu. 383.; en zijne opstanding strekte, om ons aan zijn voorbeeld te doen zien, dat zij, die Gode gehoorzaam zijn, van allen dood worden bevrijd, en om aan Christus zelf de macht te schenken, om aan allen, die Hem gehoorzamen, het eeuwige leven te schenken, qu. 384.De dood van Christus had hier dus eene geheel andere beteekenis dan in de leer der kerk; hij vormde geen zelfstandig moment in het werk van Christus maar diende alleen, eenerzijds om zijne leer te bevestigen en anderzijds om Hem te doen komen tot de opstanding, welke Hem eerst tot Koning en Heer in den hemel maakte, qu. 386. En ook dit is Hij eigenlijk eerst geworden door zijn hemelvaart. De opstanding behoort nog tot den staat der vernedering, want ook daarna had Hij nog een sterfelijk lichaam, qu. 465. Maar bij de hemelvaart kreeg Hij een verheerlijkt lichaam, en werd Hij verheven tot Koning, Heer en God. Als zoodanig ontving Hij van God de macht, om hun, die zijn voorbeeld volgen, in allen nood te ondersteunen en hen ten laatste met de onsterfelijkheid te beloonen. Dat Hij dit doenkan, is zijn koninklijk; dat Hij dit doenwil, is zijn hoogepriesterlijk ambt, qu. 476. Priester was Hij dus op aarde nog niet, qu. 483; zijn dood was niet het eigenlijke offer, maar de inleiding en voorbereiding ertoe; het ware offer brengt Hij nu in den hemel, evenals de O. T. hoogepriester de verzoening eerst in het allerheiligste tot stand bracht, qu. 413. En dat offer bestaat daarin, dat Hij de verzoening volbrengt, d. i. ons van den dienst en de straf der zonde bevrijdt. Van dit standpunt uit moesten de Socinianen de leer der voldoening even sterk bestrijden als die van de triniteit en de Godheid van Christus, cf. vooral Catech. Rac. qu. 388-414 en F. Socinus, Praelect. theol. c. 15 ende Jesu Christo Servatore, Bibl. Fr. Pol. II 121-252. Vooreerst is zij naar hun oordeel in strijd met de Schrift; de voorstanders kunnen geen enkele zekere plaats voor hun gevoelen bijbrengen; de Schrift zegt duidelijk, dat God de zonde uit genade vergeeft en vergeving sluit voldoening uit; de uitdrukking, dat Christus voor ons geleden heeft enz., heeft geen plaatsvervangende beteekenis, maar zegt alleen, dat Christus geleden heeft voor ons, niet om God te voldoen, maar om ons van de zonde te bevrijden; de woorden verlossing, verzoening en derg. duiden alleen aan, dat Christus ons den weg gewezen heeft, om van den dienst en de straf der zonde bevrijd te worden, maar volstrekt niet, dat God door een offer moest verzoend worden, want God was ons genadig gezind en heeft ons dit door Christus bekend gemaakt. Voorts is de voldoening ook niet noodzakelijk; de gerechtigheid en barmhartigheid in God zijnniet met elkander in strijd, zij zijn ook geen eigenschappen, Gode van nature eigen, maar zij zijneffectus ipsius voluntatisen hangen van zijn wil af; of God de zonden straffen of vergeven wil, wordt in het geheel niet door zijne natuur maar door zijn wil bepaald; God kan evengoed en beter dan een mensch de zonden zonder voldoening vergeven; ja zijne gerechtigheid wordt door de voldoening te niet gedaan, omdat ze den onschuldige straft en den schuldige vrij laat uitgaan, en zijne barmhartigheid verliest haar waarde, als zij eerst na voldoening zich betoonen kan; God heeft dan ook altijd aan den berouwhebbende vergeving beloofd en gewild, dat wij Hem daarin zouden navolgen. Vervolgens is de voldoening ook onmogelijk; de obedientia passiva is onmogelijk, omdat wel geldschulden maar geen persoonlijke zedelijke schulden op een ander kunnen worden overgedragen; een onschuldige te straffen voor de zonde van een ander, is onrechtvaardig en wreed; en al ware dit mogelijk, die andere zou dan hoogstens voor één enkel mensch de straf der zonde, d. i. den eeuwigen dood, kunnen ondergaan, maar nooit voor vele of voor alle menschen; en wat de obedientia activa aangaat, deze is nog veel minder mogelijk, want tot de onderhouding van Gods wet is elk persoonlijk voor zichzelf verplicht, maar kan de een nooit voor den ander overnemen; bovendien zijn de obedientia passiva en activa met elkander in strijd, wie de een volbrengt, is van de andere vrij; Christus heeft ze dan ook niet volbracht, Hij heeft den eeuwigen dood niet geleden maar is ten derden dage opgestaan uit de dooden; hoe zwaar ook, zijn lijden was eindig; zijne Goddelijke natuur kon het niet oneindig maken in waarde, omdat zij niet lijden en sterven kon, of zij zou ieder moment in dat lijden oneindig en dus al het andere overbodig maken; bovendien wat kon ons dat baten, daar de mensch had gezondigd, en hoe kon God (de Zoon) aan God zelven (den Vader) voldoen? Eindelijk is de leer der voldoening ook schadelijk, wijl zij Christus met zijne barmhartigheid boven God met zijn eisch van voldoening verheft, ons tot grooteren dank aan Christus dan aan God verplicht, en ook de deur voor zorgeloosheid en goddeloosheid opent; alle zonden zijn immers voldaan, wij kunnen dan zondigen zooveel wij willen. En de dood van Christus bedoelde juist, dat wij van de zonde bevrijd zouden worden en in een nieuw godzalig leven zouden wandelen!
De kritiek van Faustus Socinus op de satisfactieleer was zoo scherp en volledig, dat latere bestrijders niet anders konden doen dan zijn argumenten herhalen. De Remonstranten trachtten de voldoening van Christus nog wel te handhaven, maar namen toch feitelijk alle ertegen ingebrachte bedenkingen over; zij leerden niet alleen met Roomschen en Lutherschen, dat Christus voor alle menschen voldaan had, maar ook ontkenden zij, dat Christus alle straffen leed, die God op de zonde had gesteld, dat Hij den eeuwigen dood onderging, dat zijne obedientia activa plaatsvervangend was. Zelfs zijn lijden en sterven was geensatisfactio plenaria pro peccatis, geensolutio debitorum, die immers vergeving van Gods zijde en geloof van onze zijde overbodig zou maken; maar eene offerande, eene volkomene, tot in den dood gehandhaafde, toewijding van Christus aan God, welke door Hem als voldoende voor alle zonden aangemerkt werd. Op grond van die offerande laat God nu door het evangelie aan allen de vergeving der zonden aanbieden, opdat elk, die gelooft, zalig worde; maar Christus verwierf niet de werkelijke zaligheid voor de zijnen, doch slechts de mogelijkheid, om zalig te worden, voor allen; of iemand werkelijk zalig wordt, hangt van hemzelven af, Conf. en Apol. Conf. c. 8. Limborch, Theol. Christ. III c. 18-23. Ook Hugo de Groot wendde in zijneDefensio fidei catholicae de satisfactione Christi1617 eene poging aan tot rechtvaardiging van de leer der voldoening. Hij leidde ze daartoe af, niet uit den wil Gods noch ook uit zijne straffende gerechtigheid, maar uit dejustitia Dei rectoria, d. i. uit de noodzakelijkheid voor God, om in de wereld orde en wet, recht en gerechtigheid te handhaven en rekening te houden met het bonum commune. Door die rechtsorde echter op te vatten als eene wereldorde, welke buiten God stond, maakte Hij Gods gerechtigheid daaraan dienstbaar en ondergeschikt; veranderde hij de voldoening van Christus in een onverdiend lijden, in een strafexempel ter afschrikking van anderen, in een maatregel van regentenwijsheid; en liet hij onverklaard, hoe Christus daarvoor God moest wezen, en hoe God een onschuldige alzoo kon doen lijden en zijn lijden als voldoening voor anderen aanmerken kon. Toch hoeveel bedenkingen de Sociniaansche en Remonstrantsche leer uitlokken kon, zij kreeg gaandeweg de overhand. De supranaturalisten, zooals Michaelis, Storr, Morus, Knapp, Steudel, Reinhard, Dogm. § 107, Muntinghe, Vinke,Egeling, Weg der zaligheid II 175 enz., ofschoon soms nog meenende, de kerkelijke leer te verdedigen, droegen zakelijk geen andere leer voor dan die van de Remonstranten of van Hugo Grotius. Hetzelfde was het geval in deNew England Theology. De oudere Jonathan Edwards verdedigde nog de orthodoxe leer, Works I 582; maar Edwards Jr., Smalley, Maxey, Burge, Dwight, Emmons, Spring, droegen de gouvernementeele theorie van Grotius voor, cf. E. Park,The atonement, discourses and treatises of Jon. Edwards, Smalley, Maxey, Emmonsetc., New-York 1860. A. A. Hodge,The atonementp. 328. Maar velen gingen nog verder en verwierpen heel de leer der voldoening. Ernesti,de officio Christi triplici, Opusc. theol. 1773 p. 413 bestreed de leer der drie ambten daarmede, dat de namen van profeet, priester en koning onduidelijke, Oudtest. voorstellingen zijn en elk ambt de beide andere reeds in zich begrijpt. Töllner vernieuwde in zijnde obedientia Christi activa commentatio1755 alle Sociniaansche bedenkingen, niet alleen tegen de dadelijke gehoorzaamheid van Christus maar tegen heel de leer der voldoening. En met hem betoogden Bahrdt, Steinbart, Eberhard, Löffler, Henke, Wegscheider, Inst. § 140-142, Hobbes, Leviathan ch. 41, Locke, Chubb, Coleridge, John Taylor, Priestley enz., dat Christus geen openbaring was van Gods gerechtigheid maar van zijne liefde en barmhartigheid; dat God de zonde niet straft dan met zulke natuurlijke straffen, welke uit de zonde vanzelve voortvloeien en een paedagogisch karakter dragen; dat de leer der plaatsvervanging een onzinnige gedachte is van Augustinus en Anselmus en in de Schrift in het geheel niet of alleen uit accommodatie, in O. T. symbolen voorkomt; dat de dadelijke gehoorzaamheid van Christus, indien ze plaatsvervangend ware, onzerzijds alle geloof, bekeering, zedelijke verbetering onnoodig maken zou; en vooral, dat vergeving der zonden, kindschap Gods, rechtvaardigmaking niet aan de zedelijke vernieuwing of heiligmaking vooraf kan gaan maar daarop volgen moet en daarvan afhankelijk is. De religie werd gebouwd op de moraal; het zwaartepunt uit het objectieve in het subjectieve verlegd; Versöhnung van Erlösung afhankelijk; God een dienaar van den mensch. Zoo kon de dood van Christus alleen nog zijn een voorbeeld van deugd en bevestiging der waarheid (Eberhard, Löffler), of eene opoffering ten bate der menschen en een bewijs van Gods liefde (Schwarze), of eene factischeverklaring Gods, dat Hij aan wie zich bekeert, de zonden vergeven wil (Morus, Köppen, Klaiber, Stäudlin), of een middel om vertrouwen op God te wekken, van de zonde af te schrikken (Töllner, Egeling), of ook, om ons van de verkeerde gedachte, dat God toornt en straft, te bevrijden (Steinbart), of eene symbolische voorstelling van de vrijwillige overname door den zedelijken mensch van de straf, die hij in zijn zondigen toestand heeft verdiend, Kant, Religion 84 f., cf. v. d. Willigen, Oordeelk. Overzigt over de versch. wijzen, op welke men zich heeft voorgesteld het verband tusschen den dood van J. C. en de zaligheid der menschen, Godg. Bijdr. II 1828 bl. 485-603. Bretschneider, Syst. Entw. 608 f. Baur,Chr. Lehre v. d. Versöhnung478 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I cap. 7. 8.
6. In de nieuwere theologie heeft het niet ontbroken aan pogingen, om de leer van Christus’ ambt en werk naar de vele daartegen ingebrachte bedenkingen te wijzigen en toch in nieuwen vorm te handhaven. Algemeen werd zij daarbij geleid door het streven, om de juridische leer van de voldoening, waarbij Christus in onze plaats den eisch van Gods gerechtigheid vervulde, om te zetten in die van eene persoonlijke, religieus-ethische werkzaamheid van Christus, waardoor Hij niet in God, die altijd liefde is, maar in ons, hetzij dan meer in ons verstand of in ons hart of in onzen wil verandering bracht. Schelling en Hegel schreven echter aan het Christendom als historisch verschijnsel nog slechts eene voorbijgaande waarde toe. Dat God in een bepaald persoon mensch wordt en dan voor anderer zonde lijdt en sterft, is ondenkbaar. Maar symbolisch opgevat, bevat het diepzinnige waarheid. De persoon en het werk van Christus zijn de historische inkleeding van de idee, dat de wereld als zoon Gods, uit Hem uitgaande en tot Hem terugkeerende, noodzakelijk lijden moet en alzoo tot heerlijkheid ingaan; de aan den tijd en de eindigheid onderworpen wereld en menschheid is de lijdende en stervende God, Schelling, Werke I 5 S. 386-305; de verzoening Gods is een noodzakelijk, objectief moment in het wereldproces, God verzoent zich met zichzelf en keert uit de vervreemding tot zichzelf terug, Hegel, Werke XII 249-256. Zoo voortredeneerende, zeide von Hartmann, God kan mij niet, maar ik kan God verlossen,nur durch mich kann Gott erlöst werden. Das reale Dasein istdie Incarnation der Gottheit, der Weltprocess die Passionsgeschichte des fleischgewordenen Gottes und zugleich der Weg zur Erlösung des im Fleische Gekreuzigten,Das sittl. Bewustsein21886 S. 688. In de moderne theologie, die wel zoover niet gaat maar toch principieel door de philosophie van Hegel en Kant beheerscht wordt, erlangt de persoon van Christus dan ook geen hoogere beteekenis dan die van bevrijder van de wettische, historisch aanvangspunt van de christelijke religie; urbildliche verwezenlijking van het kindschap Gods, van de eenheid van God en mensch; verkondiger van Gods vaderliefde en voorbeeld der gemeente, Pfleiderer,Grundriss§ 128. 133. Schweizer, Chr. Gl. § 115. 125 f. Biedermann, Chr. Dogm. § 802. 815 f. Lipsius, Dogm. § 619 f., cf. v. Hartmann,Die Krisis d. Christ. in der mod. Theol.1880. Scholten, L. H. K. I 410v. Hoekstra, Godg. Bijdr. 1866 bl. 273v. Id. Grondslag, wezen en openb. van het godsd. geloof bl. 201v.
Hooger staat de persoon en het werk van Christus bij Schleiermacher; wel leerde hij iets geheel anders dan de kerk beleed, al sloot hij zich ook bij haar spraakgebruik en bij de leer van de drie ambten aan, maar het was hem er toch om te doen, om aan Christus eene blijvende plaats in het Christendom te verzekeren. De Erlösung komt bij Schleiermacher tot stand door de mystische vereeniging van den mensch met Christus. Christus n.l. deelde altijd in de gemeenschap met God, en was daardoor heilig en zalig. Als zoodanig kwam Hij tot ons, ging in in onze gemeenschap, kreeg deel aan ons lijden, leed priesterlijk met ons mede en handhaafde zijne heiligheid en zaligheid tot in de diepste smart, tot in den dood des kruises toe. Zoo eerst ingaande in onze gemeenschap, neemt Hij daarna, niet door zijn woord en voorbeeld slechts maar door de mystieke werking die er uitgaat van heel zijn persoon, ons op in zijne gemeenschap, en doet ons door zijne verlossende werkzaamheid in zijne heiligheid en door zijne verzoenende werkzaamheid in zijne zaligheid deelen; de Erlösung, d. i. de wedergeboorte, de heiligmaking gaat evenals bij Rome en het rationalisme aan de Versöhnung, aan de vergeving der zonden vooraf, Chr. Gl. § 101-104. Deze mystische substitutietheorie bleef de grondgedachte in de verzoeningsleer der Vermittelungstheologie, Nitzsch, Syst. d. chr. Lehre § 80. 134-136. Rothe,Theol. Ethik§ 541-558. Schoeberlein, art.Versöhnungin Herzog1enPrincip u. Syst. d. Dogm. 182 f. 647 f. Lange, Dogm. II 813-908. Martensen, Dogm. § 156-169, ook Hofmann in zijnSchriftbeweis, die daarom door Philippi, Thomasius, Delitzsch e. a. bestreden werd, cf. Weiszäcker,Um was handelt es sich in dem Streit über die Versöhnungslehre?Jahrb. f. d. Th. 1858 S. 155-188. Verwant is ook de leer der verzoening bij Ritschl. Deze is niet in verband te brengen met God als rechter, met zijne wrekende gerechtigheid of toorn, met een rechtsorde van loon en straf; want dat is eene juridische, farizeesche opvatting van de verhouding van God en mensch, die in de religie niet thuis behoort. God is wezenlijk liefde, en zijne gerechtigheid bestaat daarin, dat Hij onveranderlijk de menschen tot de zaligheid brengen en een Godsrijk in hen verwezenlijken wil. Maar nu is de menschheid vanwege de zonde verre van God, zij gaat gebukt onder het bewustzijn van schuld, zij heeft het gevoel, dat zij in een toestand van straf verkeert, zij vreest en durft God niet naderen, zij leeft niet in gemeenschap met God. Daarom is Christus gekomen om ons de liefde Gods te openbaren. De leer der drie ambten ontmoet bij Ritschl bezwaar; het woord ambt hoort alleen in een rechtsgemeenschap thuis; in eene zedelijke gemeenschap der liefde is het beter te spreken van een beroep; de drie ambten zijn bij Christus ook niet uit elkander te houden en loopen in elkaar; indien men ze behouden wil, staat het koninklijk ambt op den voorgrond, Christus is aangesteld tot koning, om eene gemeente, een rijk Gods op aarde te stichten, en daartoe heeft Hij God geopenbaard als profeet, en zich voor de zijnen Gode opgeofferd als priester. Christus stond n.l. in eene gansch bijzondere verhouding tot God, Hij maakte het doel Gods, om n.l. de menschen te vereenigen tot een rijk Gods, tot zijne levenstaak; en heel zijn leven, lijden en sterven moet onder dit gezichtspunt opgevat, als een zedelijk beroep, dat Hij vervulde, niet als een borgtocht of middelaarschap, als een plaatsvervanging voor ons. In die zedelijke levenstaak ging Jezus op, daaraan wijdde Hij zich geheel, Hij bleef er trouw aan tot in den dood toe. Alzoo levende, heeft Hij Gods wil volbracht, zijn doel met de menschheid gerealiseerd, zijne liefde, genade, trouw geopenbaard, en tegelijk in dit zijn vasthouden aan zijne levenstaak tot in den dood toe zich ten bate der zijnen Gode opgeofferd en toegewijd. Door deze zijne zedelijke gehoorzaamheid heeft Christusgeen werking op God uitgeoefend, alsof deze van toornig gunstig ware gestemd geworden, noch ook bewerkt, dat de geloovigen losgekocht zijn uit de macht van Satan of van den dood; maar wel verkregen, dat allen, die evenals Christus Gods wil tot den hunnen maken, in zijne gemeenschap het schuldbewustzijn, het ongeloof, het wantrouwen, de verkeerde gedachte, alsof God toornde en strafte, mogen afleggen en in weerwil van hunne zonden aan Gods liefde en trouw gelooven en in de vergeving der zonden roemen mogen (rechtvaardiging), en daarna ook zelven positief kunnen ingaan in de nieuwe verhouding, waarin God tot hen staat, en alle vijandschap tegen God kunnen afleggen, Rechtf. u. Vers. III vooral c. 6-8, en voorts Herrmann,Der Verkehr des Christen mit Gott1886 S. 93 f. Schultz,Grundriss d. ev. Dogm.§ 44-46. Kaftan,Wesen der chr. Rel.246 f. Dogm. S. 446 f. Haering,Zu Ritschl’s Versöhnungslehre, Zurich 1888. Id.Zur Versöhnungslehre, Gött. 1893. Nitzsch, Ev. Dogm. 504-513. Ziegler in Gottschicks Zeits. f. Th. u. K. 1895. Riebergall, ib. 1897 S. 461-512. Ecklin,Der Heilswert des Todes Jesu, Basel 1888. Kühl,Die Heilsbedeutung des Todes Christi, Berlin 1890.
Ook in andere landen werden soortgelijke pogingen tot mystische of ethische reconstructie van de leer der voldoening beproefd. Hier te lande bestreden de Groninger Godgeleerden de kerkelijke leer en zagen in Jezus’ dood, die door de menschen gedaan, door Jezus geleden en door God toegelaten was, vooral in verband met zijne opstanding, eene openbaring van Gods liefde, van Jezus’ volmaaktheid en van de zonde der menschen, welke dezen voor hunne boosheid doet schrikken, Jezus’ grootheid leert bewonderen en Gods liefde gelooven, Hofstede de Groot, De Gron. Godg. 181. Chantepie de la Saussaye nam in zijne leer der verzoening de denkbeelden van Schleiermacher en de Vermittelungstheologie over, cf. mijne Theol. van Ch. d. I. S. 48. In Engeland leerden Thomas Erskine,The unconditional freeness of the gospel1828 en Dr. JohnMcLeod Campbell,The nature of the atonement, 5 ed. 1878, dat Christus niet Gods liefde verwierf maar openbaarde en zoo Gods vertegenwoordiger was bij ons. Maar Hij was ook onze vertegenwoordiger bij God, doordat Hij, ingaande in onze gemeenschap, de diepste smart leed over de zonde als schuld voor God en als bron aller ellende, op Gods gericht over de zondehet amen uitsprak en als het ware in onze plaats belijdenis daarvan deed, en alzoo als ons Hoofd eene gerechtigheid en leven verwierf, welke niet juridisch ons toegerekend maar wel mystisch en ethisch ons meegedeeld wordt. Horace Bushnell,Vicarious sacrifice grounded in principles of universal obligation, ed. New-York 1866, trachtte het lijden van Christus geheel te verklaren uit het plaatsvervangend karakter, dat alle liefde draagt. Maurice, Doctrine of sacrifice 1854, Kingsley, F. Robertson e. a. zagen in de volmaakte zelfovergave van Christus aan den wil des Vaders het wezen der door Hem aangebrachte verzoening; alle heil toch vloeit voor den mensch uit de offerande van zichzelven voort. Cf. Orr, Chr. view 346. Pfleiderer, Entw. der prot. Theol. 1891 S. 460 f. Clemen, Stud. u. Krit. 1892 S. 644 f. In Frankrijk komen voor deze mystische of ethische opvatting van de leer der verzoening vooral in aanmerking: Pressensé,Essai sur le dogme de la Rédemption, Bulletin Théol. 1867. Durand,Etude sur la Rédemption, Revue de théol. et de philos. 1889. Ménégoz,Péché et Rédemption. Bovon,Etude sur l’oeuvrede la Rédemption1893 s. Ongewijzigd bleef de kerkelijke leer schier bij niemand, maar toch werd ze in hoofdzaak nog voorgedragen door Tholuck,Lehre v. d. Sünde u. v. d. Versöhner1823. Philippi, Kirchl. Gl. IV 2. Thomasius, Christi Person und Werk II. Vilmar, Dogm. § 48. Böhl, Dogm. 361 f. Bula,Die Versöhnung des Menschen mit Gott durch Christum oder die Genugthuung, Basel 1874. Koelling, Diesatisfactio vicaria,d. i. die Lehre v. d. stellvertr. Genugthuung des Herrn Jesu, I Gütersloh 1897. Gess, Jahrb. f. d. Theol. 1857 S. 679-752. 1858 S. 713 f. 1859 S. 467 f. Dorner, Chr. Gl. II 612 f. Ebrard, Dogm. § 396 f. Id.Die Lehre v. d. stellvertr. Genugthuung1857. Frank,Chr. WahrheitII2157 f. Kähler, Wiss. v. d. chr. Lehre S. 363 f. Id.Zur Lehre v. d. Versöhnung, Leipzig 1898. Ch. Hodge, Syst. Theol. II 480. Shedd, Dogm. Theol. II 378. Arch. Alex. Hodge,The atonement, Philad. 1867. Dale,The atonement, 18 ed. London 1896. Crawford,The doctrine of H. Scr. resp. the atonement, Edinb. London 1871. Candlish,The atonement, its reality, completeness and extent, London 1861. Hugh Martin,The atonement in its relations to the covenants, the priesthood, the intercession of our Lord, Edinb. Hunter z. j. George Smeaton,The doctrine of the atonement as taughtbyChrist Himself, Edinb. ClarkLyttelton,The atonement, in Gore’s Lux mundi 1892 p. 201-229. John Scott Lidgett,The spiritual principle of the atonement as a satisfaction made to God for the sins of the world2, London 1898. Merle d’Aubigné,L’expiation de la croix, 2 ed. Paris 1867. Bois,La nécessité de l’expiation, Revue théol. de Montauban 1888. Id.Expiation et solidarité, ib. 1889. Grétillat, Exposé de théol. syst. IV 300 s., enz.
7. Heel de belijdenis der Christenheid concentreert zich daarin, dat Jezus is de Christus. Met deze aanspraak, dat Hij de Christus was, trad Jezus zelf op; door dit geloof kwamen de Christenen zoowel tegenover de Joden als tegenover de Heidenen als eene bijzondere secte te staan; naar den naam van Christus werden de geloovigen te Antiochie het eerst Christenen genoemd. De naam Jezus,יְהוֹשׁוּעַenהוֹשֵׁעַ3 p. imp. hi. naastיְהוֹשִׁיעַ, Ps. 116:6 a. v.ישע, redden, helpen, en dus Hij, n.l. Ihvh, zal helpen, later verkort totיֵשׁוּעַ,Ιησους, Jhesus, Jezus, werd wel op uitdrukkelijk bevel des engels door Jozef aan zijn zoon gegeven, Mt. 1:21, omdat Hij de volkomen Zaligmaker was, Hd. 4:12, Hebr. 7:25, maar was toch onder Israel een gewone naam, Num. 13:16, 1 S. 6:14, 18, 2 K. 15:30, 23:8, Hos. 1:1, Hagg. 1:1, Zach. 3:1, Ezr. 2:2, 6, Neh. 7:7, 11, 39, 10:24 enz., Hd. 7:45, Hebr. 4:1, Col. 4:11. In den naam Christus daarentegen komt zijn ambt, zijne waardigheid uit. De Jezuiten noemen zich naar den naam Jezus en matigen zich daarmede een naam aan, die niemand toekomt, want zaligmaker is Christus alleen; maar zij hebben dan ook dikwerf het oordeel over zich gebracht, dat zij te minder Christenen worden naarmate zij meer Jezuiten zijn. Maar de geloovigen noemen zich naar den naam Christus, want zij zijn met Hem gezalfd tot profeten, priesters en koningen. Van de andere namen, die zijn ambt en werk aanduiden, komt vooral in aanmerking die vanμεσιτης, 1 Tim. 2:5, Hebr. 8:6, 9:15, 12:24, mediator, sequester, intercessor, interventor, omdat Hij in het verbond der genade door zijn persoon en werk God en mensch met elkander vereenigt en verzoent. In de eeuw der Hervorming ontstond over dit middelaarschap van Christus een niet onbelangrijk geschil. Tegenover Osiander, die de wezensgerechtigheid Gods in Christus voor de materia onzer rechtvaardigmaking hield, verdedigde Stancarus, hoogl. te Königsberg,de stelling, dat Christus alleen middelaar was naar zijne menschelijke natuur en dus ook alleen op grond van zijne menschelijke verworvene gerechtigheid ons rechtvaardigen kon, Herzog214, 590. Hij kon zich daarvoor beroepen op Augustinus, de civ. XI 2, Conf. X 43, Lombardus, Sent. III dist. 19, Thomas, S. Theol. III qu. 26 art. 2, die allen zeiden, dat Christus alleen mediator was,in quantum homo, namin quantum Deus non mediator sed aequalis Patri est; en deze theologen werden door Stancarus heel wat hooger geschat, dan de Hervormers:plus valet unus Petrus Lombardus, quam centum Lutheri, ducenti Melanchtones, trecenti Bullingeri, quadringenti Petri martyres et quingenti Calvini; qui omnes si in mortario contunderentur, non exprimeretur una uncia verae theologiae. Lutherschen en Gereformeerden kwamen daar ten sterkste tegen op en beweerden, dat Christus middelaar was naar beide naturen, dat Hij als zoodanig van eeuwigheid was aangesteld en dat Hij het ambt van middelaar ook reeds in de dagen desO. T.had vervuld.Die symb. Bücher der ev. luth. K.ed. Müller 622. 684. Gerhard, Loc. IV 325. Quenstedt III 273. Calvijn, in twee brieven, C. R. XXXVII 337-358, de dienaren der kerk van Zurich in twee brieven, Herzog214, 592. Polanus, Synt. theol. p. 430. Turretinos, Th. El. XIV qu. 2. De Roomschen hielden staande, dat Christus alleen middelaar was naar zijne menschelijke natuur, maar zij moesten toch erkennen, dat Christus, om middelaar te zijn, beide God en mensch moest wezen, dat beide naturen het suppositum en de substantia mediatoris uitmaakten en konden dus alleen nog beweren, dat Christus de middelaarswerken, offeren, lijden, sterven volbracht in zijne menschelijke natuur, dat deze dus alleen was hetprincipium quo, principium formalevan de middelaarswerken, Bellarminus, de Christo V c. 1-8. Petavius, de incarn. XII c. 1-4. Doch deze scheiding tusschen den persoon en het werk des middelaars is niet vol te houden; de middelaarswerken hebben juist dit eigenaardige, dat zij door den éénen persoon met beide naturen zijn verricht. Dat wil niet zeggen, gelijk Petavius aan Lutheranen en Calvinisten toedicht, ib. XII 4, 9, dat dezen aan de Goddelijke natuur van Christusper sese et ab humana divulsa, het middelaarswerk toeschrijven. Niet naar zijne Goddelijke natuur als zoodanig, als ééne en gelijk met den Vader en den Geest, is de Zoon middelaar, maarwel naar die Goddelijke natuurκατ’ οἰκονομιαν,quatenus secundum eam voluntaria illa dispensatione gratiae se submiserit, Polanus p. 430. De Schrift noemt dan ook meermalen Christus naar zijne Goddelijke natuur subject der vernedering, Joh. 1:14, 2 Cor. 8:9, Phil. 2:6; de kerkvaders laten meermalen in denzelfden geest zich uit, Petavius XII 1; Augustinus, Lombardus en Thomas bedoelden niets anders, dan dat Christus niet naar zijne Goddelijke natuur als zoodanig,ab humana natura divulsa, maar alleen als menschgeworden Zoon van God middelaar was en wezen kon; en ten slotte moesten de Roomsche theologen dit zelven weer tegen Stancarus verdedigen.
Er schuilt hier achter echter nog een ander verschil. Indien Christus n.l. alleen middelaar is naar zijne menschelijke natuur in den zin van Bellarminus en Petavius, dan is Hij ook geen middelaar geweest vóór zijne vleeschwording maar is Hij dit eerst begonnen te zijn in het moment zijner ontvangenis en is het O. Test. dus feitelijk van een middelaar verstoken geweest, Petavius, de incarn. XII 4, 10. Maar al is het ook, dat de Zoon eerst vleesch is geworden in de volheid des tijds, toch is Hij van eeuwigheid verkoren en aangesteld tot middelaar. Er kan hier niet tegen ingebracht worden, dat ook David, Salomo enz. van eeuwigheid tot koning verkoren en in dien zin gezalfd zijn. Want daarbij bestaat dit groote onderscheid, dat David, Salomo enz. en alle verkorenen vóór hunne ontvangenis slechts in de idee en het besluit Gods bestonden, maar de Zoon was in den beginne bij God en zelf God. Zijne verkiezing tot middelaar is niet buiten Hem om geschied, zij draagt het karakter van eenpactum salutis; het verlossingswerk is een gemeenschappelijk werk van Vader, Zoon en Geest, en is terstond na den val door alle drie personen begonnen uitgevoerd te worden. In denzelfden zin als de Vader van eeuwigheid Vader zijner kinderen en de H. Geest van eeuwigheid Trooster der geloovigen is geweest, is de Zoon van eeuwigheid tot middelaar aangesteld en terstond na den val als middelaar opgetreden. Reeds onder hetO. T.was Hij als profeet, priester en koning werkzaam. De gevallen wereld is terstond aan den Zoon als middelaar ter verzoening en verlossing overgegeven. En in de volheid des tijds is Hij, die reeds middelaar was, in het vleesch geopenbaard, 1 Joh. 1:2, 3:5, 8. Hieruit is te verklaren, dathet koninklijk ambt bij Christus op den voorgrond treedt; als zoodanig wordt Hij in hetO. T.vooral geteekend en voorspeld; en met dien titel treedt Hij vooral onder zijn volk op. Maar dat koningschap van Christus is van dat van aardsche vorsten zeer onderscheiden; het heeft zijn type alleen in het theocratisch, in het Davidisch koningschap, hetwelk wezenlijk van dat van andere koningen onderscheiden is; het is een koningschap in Gods naam, aan Gods wil ondergeschikt, alles heenleidend tot Gods eer; het is geen koningschap van geweld en wapenen, maar het heerscht en regeert op eene gansch andere, veel betere wijze; het heerscht door Woord en Geest, door genade en waarheid, door recht en gerechtigheid. De koning is daarom tegelijkertijd profeet en priester; zijn macht staat in dienst van de waarheid en de gerechtigheid. Omdat het koningschap van Christus een geheel eigenaardig karakter draagt, maken velen bezwaar om van zijn koninklijk ambt te spreken of bezigen den titel van koning bij Christus in overdrachtelijken zin, Wegscheider § 144. Scholten L. H. K. I4369v. Ja velen achten het beter, bij Christus niet van ambt maar van persoonlijk beroep te spreken, want ambt hoort in eene rechtsgemeenschap thuis en Christus’ koninkrijk is een rijk der liefde en niet des rechts, Ritschl, Rechtf. u. Vers. III2402. Inderdaad is een ambt van beroep, ambacht, betrekking daarin onderscheiden, dat het eene overheid onderstelt, op eene aanstelling door die overheid berust, en die overheid dient met zijn persoon, niet voor loon. Maar zoo is het juist het woord ambt, dat ten aanzien van Christus behoort gebezigd te worden. Want Hij heeft zichzelven de middelaarswaardigheid niet aangenomen, maar God heeft Hem verkoren, geroepen, aangesteld, Ps. 2:7, 89:19-21, 110:1-4, 132:17, Jes. 42:1, Hebr. 5:4-6; de naam Christus is geen beroeps-, maar een ambtsnaam, een titel, eene waardigheid, waarop Jezus aanspraak heeft, omdat Hij door God zelven verkoren is. Onder hetO. T.werden vooral de koningen gezalfd, Richt. 9:8, 15, 1 Sam. 9:16, 10:1, 16:13, 2 Sam. 2:4, 5:3, 19:10, 1 Kon. 1:34, 39, 2 Kon. 9:1, 11:12, 23:30, waarschijnlijk met de heilige zalfolie, 1 Kon. 1:39, Ps. 89:21; gezalfde was de naam van den theocratischen koning, Ps. 20:7, 28:8, 84:10, 89:39 enz. De zalving met olie was symbool van de Goddelijke wijding, van de toerusting met den Geest Gods, 1 Sam. 10:1, 9, 10.En deze zalving, niet in uitwendigen, symbolischen, maar in geestelijken, wezenlijken zin werd Christus deelachtig, Jes. 11:2, 42:1, 61:1, Ps. 2:6, 45:8, 89:21, Luk. 4:18, Joh. 3:34, Hd. 4:27, 10:38, Hebr. 1:9, bij zijne ontvangenis uit den H. Geest, Luk. 1:35 en bij den doop door Johannes, Mt. 3:16, Mk. 1:10, Luk. 3:22, Joh. 1:32. En even reëel als zijne zalving, van welke die onder hetO. T.slechts schaduw was, was ook zijn koningschap. Het theocratisch, Davidisch koningschap was er slechts de zwakke type van, en heeft in het koningschap van Christus zijne wezenlijke vervulling gekregen. Christus is niet in minderen maar in meerderen, in veel waarachtiger zin koning dan David en Salomo. Want tot de idee van den theocratischen koning behoorde, dat hij een man naar Gods hart moest zijn, aan Gods wet gebonden moest wezen en niet als een despoot boven zijne broederen zich verheffen mocht, Deut. 17:14-20. Aan deze koningswet hielden Israels koningen zich niet, en zoo verwachtte de profetie een anderen, beteren koning, die, zelf gezalfde des Heeren en knecht Gods, zijn volk regeeren zou door waarheid en gerechtigheid, en zijne vijanden overwinnen zou. Als zulk een koning treedt Christus op; Hij sticht een rijk Gods, dat nu alleen geestelijk en zedelijk bestaat maar bestemd is, om ook uitwendig en lichamelijk eenmaal zich te openbaren in de stad Gods, waar alle goddeloozen gebannen zijn en God alles in allen wezen zal. En omdat Hij zulk een koning is, een koning in waarachtigen, vollen zin, daarom sluit zijn koningschap ook het profetisch en priesterlijk ambt in.
8. Dit drievoudig ambt van Christus vindt echter bij velen bezwaar, omdat het eene van het andere niet te onderscheiden is, Ritschl, Rechtf. u. Vers. I2520 f. III2386 f. Frank, Chr. Wahrh. II2158. 202. Kaftan, Dogm. 486. 531. Het moet dan ook toegestemd, dat geen enkele werkzaamheid van Christus uitsluitend tot één ambt te beperken is. Zijne woorden zijn eene verkondiging van wet en evangelie, en wijzen alzoo op het profetisch ambt; maar Hij spreekt als machthebbende en alles gehoorzaamt zijn bevel, Mk. 1:122, 4:41, Luk. 4:32 enz.; zelf noemt Hij zich koning, in de wereld gekomen, om der waarheid getuigenis te geven, Joh. 18:37. Zijne wonderen zijn teekenen zijner leer, Joh. 2:11, 10:37 enz., maar ook openbaring vanzijne priesterlijke barmhartigheid, Mt. 8:17 en van zijne koninklijke macht, Mt. 9:6, 8, 21:23. In zijne voorbede komt niet alleen zijn hoogepriesterlijk maar ook zijn profetisch en koninklijk ambt uit, Joh. 17:2, 9, 10, 24. Zijn dood is eene belijdenis en voorbeeld, 1 Tim. 6:13, 1 Petr. 2:21, Op. 1:5, maar ook eene offerande, Ef. 5:2 en een betoon zijner macht, Joh. 10:18. De dogmatiek is daarom ook verlegen geweest met wat er tot ieder ambt in het bijzonder uit Jezus’ leven en werken te brengen viel. Onder het profetisch ambt werd gewoonlijk behandeld het leeren, voorspellen en wonderen doen; onder het priesterlijk ambt het offeren, voorbidden en zegenen; maar voor het koninklijk ambt bleef in den staat der vernedering dan niet meer over dan de hulde der wijzen uit het oosten, de intocht in Jeruzalem, de aanstelling van de apostelen, de instelling der sacramenten; geisoleerde feiten, die ten deele evengoed tot de andere ambten kunnen gebracht worden. Nog moeilijker werd de aanwijzing van het onderscheid in den staat der verhooging; want Jezus’ profetische werkzaamheid zet zich wel voort in het leeren zijner gemeente door Woord en Geest, maar ook als koning regeert en beschermt Hij zijne kerk door deze beide; en zijne hoogepriesterlijke voorbede is geen smeeking maar een koninklijk willen, Joh. 17:24. Het is dan ook eene atomistische beschouwing, die bepaalde werkzaamheden uit het leven van Jezus losmaakt en daarvan enkele tot het profetisch, en andere tot het priesterlijk en het koninklijk ambt brengt. Christus is gister en heden dezelfde in eeuwigheid. Hij verricht maar niet profetische, priesterlijke en koninklijke werkzaamheden, doch is zelf in heel zijn persoon profeet, priester en koning. En alles wat Hij is, spreekt en doet, brengt die drieërlei waardigheid tot openbaring. Wel kan voor ons in de eene werkzaamheid meer zijn profetisch, en in eene andere zijn priesterlijk of zijn koninklijk ambt uitkomen; en wel treedt zijn profetisch ambt meer in de dagen desO. T.en in zijne omwandeling op aarde, zijn priesterlijk ambt meer in zijn lijden en sterven, zijn koninklijk ambt meer in zijn staat van verhooging op den voorgrond; maar werkelijk draagt Hij alle drie ambten tegelijk en oefent ze alle drie steeds tegelijkertijd uit, zoowel vóór als na zijne menschwording, beide in den staat der vernedering en dien der verhooging. Daarom is echter het spreken van drie ambten bij Christus geen willekeur, geen oostersche beeldspraak, die zonderbezwaar kan prijsgegeven worden; ook is het eene ambt niet tot een der beide andere te herleiden. Scheiding is niet mogelijk, maar onderscheid is er zeer zeker. Om middelaar, om volkomen zaligmaker te wezen, moest Hij door den Vader tot alle drie ambten aangesteld en door den Geest tot alle drie bekwaamd worden. Immers, de idee van mensch bevat deze drieërlei waardigheid en werkzaamheid reeds in zich; hij heeft een hoofd, om te kennen, een hart, om zich te geven, eene hand om te regeeren en te leiden; en dienovereenkomstig werd hij in den aanvang door God toegerust met kennis en verstand, met gerechtigheid en heiligheid, met heerschappij en heerlijkheid (zaligheid). De zonde, die den mensch verdierf, werkte in op al zijne vermogens en was niet alleen onwetendheid, dwaasheid, dwaling, leugen, blindheid, duisternis, maar ook ongerechtigheid, schuld, zedelijke verdorvenheid en voorts nog ellende, dood en verderf. Daarom moest Christus, zoowel als Zoon en beeld Gods voor zichzelven als ook als middelaar en zaligmaker voor ons alle drie ambten dragen; Hij moest profeet zijn, om de waarheid Gods te kennen en te openbaren; priester, om zich Gode te wijden en in onze plaats zich Gode op te offeren; koning, om naar Gods wil ons te regeeren en te beschermen. Leeren, verzoenen en leiden;discere, acquirere en applicare salutem; wijsheid, gerechtigheid en verlossing; waarheid, liefde en macht, alle drie zijn tot onze volkomene zaligheid noodig. Profeet is Hij in zijne verhouding van God tot ons; priester in zijne verhouding van ons tot God; koning in zijne verhouding als hoofd tot de menschheid. Het rationalisme erkent alleen zijn profetisch, het mysticisme alleen zijn priesterlijk, het chiliasme alleen zijn koninklijk ambt. Maar de Schrift ziet in Hem alle drie, en deze steeds en tegelijk, onzen hoogsten profeet, onzen eenigen priester, onzen eeuwigen koning. Hij is koning, doch Hij regeert niet door het zwaard maar door zijn Woord en Geest; Hij is profeet, maar zijn woord is macht en geschiedt; Hij is priester, maar Hij leeft door te sterven, overwint door te lijden en is almachtig door zijne liefde. Hij is altijd alles te zamen, nooit het een zonder het ander, in zijn spreken en handelen machtig als een koning en in zijne koninklijke heerschappij vol van genade en waarheid. Witsius, Exerc. 10 in Symbolum, Amesius, Med. Theol. I 19, 11. Leydecker, de verit. relig. ref. IV 9, 3. Schleiermacher, Chr. Gl. § 102. Philippi,Kirchl. Gl. IV 2 S. 5. 6. Ebrard, Dogm. § 399. Heraut 509v.
9. Deze Christus is in heel zijn persoon en in zijn gansche werk een openbaring van Gods liefde. De Gnostieken en vooral Marcion maakten eene scherpe tegenstelling tusschen den God des toorns, der wrake, der gerechtigheid, die zich in hetO. T.openbaarde en den God der liefde en der genade, die in hetN. T.in Christus zich had bekend gemaakt,deel II200. Maar zulk eene tegenstelling is der Schrift onbekend. Ihvh Elohim in het O. T. is wel rechtvaardig, heilig, ijverend voor zijne eer en toornende tegen de zonde, maar Hij is ook genadig, barmhartig, gaarne vergevende en groot van goedertierenheid, Ex. 20:5, 6, 34:6, 7, Deut. 4:31, Ps. 86:15 enz. In hetN. T.is God, de Vader van onzen Heere Jezus Christus, de God aller genade en barmhartigheid, Luk. 6:36, 2 Cor. 1:3, 1 Petr. 5:10; er is geen tegenstelling tusschen den Vader en Christus; even liefderijk, barmhartig en gaarne vergevende als Christus is, is ook de Vader; het zijn zijne woorden, die Christus spreekt, zijne werken, die Hij doet. De Vader is zelf de Zaligmaker,σωτηρ, Luk. 1:47, 1 Tim. 1:1, Tit. 3:4, 5, degene, die in Christus de wereld met zichzelven verzoend en de zonden haar niet toegerekend heeft, 2 Cor. 5:18, 19. Christus heeft daarom den Vader niet eerst door zijn werk tot liefde en genade bewogen, maar de liefde des Vaders gaat vooraf en komt in Christus tot openbaring, Christus is eene gave van Gods liefde, Joh. 3:16, Rom. 5:8, 8:32, 1 Joh. 4:9, 10. Wel zegt Paulus in Rom. 3:25, 26, dat God Christus Jezus tot eene verzoening door het geloof in zijn bloed openlijk, voor aller oog, heeft voorgesteldεἰς ἐνδειξιν της δικαιοσυνης αὐτου; en hierbij is zonder twijfel aan de gerechtigheid als deugd Gods te denken, die vanwege het zonder verzoening laten voorbijgaan van de door Joden en Heidenen vroeger onder Gods lankmoedigheid begane zonden niet tot openbaring scheen te komen en daarom scheen niet te bestaan; het was dus noodig, dat God Christus in den tegenwoordigen tijd, in de volheid des tijds, tot eene verzoening door zijn bloed stelde, opdat Hij zelf bleek rechtvaardig te zijn en ook rechtvaardigen kon dengene, die uit het geloof van Jezus is. Maar ook hier is de gerechtigheid Gods niet als in strijd met zijne genade en liefde gedacht. Immers, de gerechtigheid Gods betoonde zich niet daarin, dat zijde zondaren strafte voor hunne overtredingen, maar dat zij in Christus eene verzoening door zijn bloed voorstelde, zoodat God nu in de vergeving der zonden toch zelf rechtvaardig bleek en tegelijk den geloovige rechtvaardigen kon. De gerechtigheid Gods n.l. bestaat in de Schrift allereerst daarin, dat Hij rechtvaardig oordeelt, den schuldige niet voor onschuldig en den onschuldige niet voor schuldig houdt; en dan vervolgens, dat Hij de armen, de ellendigen, degenen, die persoonlijk wel schuldig zijn maar zakelijk het recht aan hunne zijde hebben, helpt en redt en in hun recht erkent. In dezen laatsten zin wordt gerechtigheid dan aan barmhartigheid, trouw, waarheid verwant; maar zij is van deze toch altijd daarin onderscheiden, dat zij vooral let op de anomalie, die er bestaat tusschen het recht, dat iemand heeft en den toestand, waarin hij verkeert,deel II194v. Ook hier bij Paulus is Gods gerechtigheid niet met zijne goedheid, barmhartigheid, trouw, waarheid identisch, maar zij is nog veel minder daaraan tegengesteld. Immers is zij juist die deugd Gods, welke Christus gaf tot eene verzoening, opdat God de zonden vergeven kon uit genade. Van een strijd van Gods gerechtigheid en liefde, gelijk het evangelisch gezang 125:5 dien voorstelt, is er dus geen sprake. In onzen zondigen toestand kan ons dit wel zoo voorkomen; maar in God zijn alle deugden één en in volle harmonie. Eenerzijds is daarom de voorstelling te verwerpen, alsof Christus enkel eene openbaring van Gods straffende gerechtigheid ware. De God der openbaring, de Vader van onzen Heere Jezus Christus, is geen heidensche god, wiens nijd en haat tegen de menschen door allerlei offers afgewend moet worden; het offer draagt in de Schrift, ook in het O. Test., een gansch ander karakter, het onderstelt het verbond der genade. Ook kwame er dan eene gnostische tegenstelling tusschen Vader en Zoon, die den Zoon als den God der genade verre boven den Vader als den God der wrake verheffen en Oud en Nieuw Test., schepping en herschepping, natuur en genade uit elkander rukken zou. Maar andererzijds is Christus ook niet op te vatten als eene betooning van Gods liefde alleen, althans niet van eene liefde, gelijk wij ons die menigmaal denken en die van de liefde Gods in de Schrift ten eenenmale verschilt. In dat geval toch bleve niet alleen het lijden en sterven van Christus, dat de Schrift ongetwijfeld als eene straf voor onze zonde voorstelt, geheelonverklaard; maar het woord van Paulus wierd ook rechtstreeks weersproken, dat God Christus daartoe tot eene verzoening gaf, opdat Hij zelf rechtvaardig bleke te zijn en rechtvaardigen kon dengene, die uit het geloof van Jezus is. De Schrift leert ons veeleer, dat in Christus en zijne offerande alle Gods deugden tot luisterrijke openbaring kwamen. De genade gaat daarbij voorop, maar zij wordt door alle andere gevolgd. Zij realiseert zichzelve in den weg van recht en gerechtigheid, Jes. 1:27, 5:16.Hinter dem Zorne ist als letztes Agens die Liebe geborgen, wie hinter Gewitterwolken die Sonne(Delitzsch). Cf. over Rom. 3:25, 26, behalve de commentaren van Philippi, Tholuck, Meyer enz., Pfleiderer,Der Paulinismus2143 f. Holtzmann, Neut. Theol. II 100. Fricke,Der Paulin. Grundbegriff derδικ. θεου, erörtert auf Grund von Röm. 3:21-26, Leipzig 1888.
10. Dit leidt vanzelf tot de in de theologie druk besproken vraag, of deze weg des rechts voor God noodzakelijk was, om zijne genade te openbaren, dan wel of Hij ook zonder voldoening vergeven kon. Scotus ging uit van hetabsolutum dominium Deien achtte menschwording en voldoening alleen door Gods willekeur bepaald; Athanasius, Augustinus, Thomas, Calvijn, Musculus, Zanchius, Twissus e. a. oordeelden ze niet volstrekt noodzakelijk maar toch in overeenstemming met Gods wijsheid als hoogst passend en geschikt; Irenaeus, Basilius, Ambrosius, Anselmus, Beza, Piscator, Voetius, Turretinus, Owen, de Moor e. a. neigden er toe, om ze voor volstrekt noodzakelijk te houden, cf.deel II207-216 en Voetius, Disp. II 238. Het is te begrijpen, dat velen liever den middelweg bewandelden dan in God de willekeur ten troon te verheffen of zijne almacht door eene absolute necessitas te beperken. Toch is er geen bezwaar, om hierbij van noodzakelijkheid te spreken, indien deze maar goed verstaan wordt. De wil in God is noch eene van alle deugden en van heel het wezen Gods gescheiden formeele willekeur, noch ook eene door al die deugden en door dat gansche wezen gebonden en daarom onvrije keuze. De wil Gods is dikwerf voor ons de laatste grond der dingen en wij hebben daarin te berusten, ook al weten wij niet, waarom God zoo en niet anders gehandeld heeft. Maar in God heeft die wil altijd wijze en heilige redenen voor zijn zóó en niet anders handelen, want Hijhandelt nooit dan in overeenstemming met alle zijne deugden, met zijne liefde, wijsheid, gerechtigheid enz. En deze overeenstemming van den wil Gods met al zijne deugden is geen dwang, geen beperking voor dien wil, maar juist de ware, hoogste vrijheid. Zoo te willen en te handelen als zijne heilige, wijze, almachtige, liefderijke natuur zelve wil, dat is voor God beide de hoogste vrijheid en de hoogste noodzakelijkheid. Zoo is het ook met de vleeschwording en voldoening; zij mogen noodzakelijk heeten, niet als een dwang, die Gode van buiten af opgelegd wordt en waaraan Hij niet ontkomen kan, maar wel als daden en handelingen, die in overeenstemming met zijne deugden zijn en deze op het luisterrijkst tot openbaring brengen. Vooreerst toch leert de Schrift, dat God alles doet om zijns zelfs wil, Spr. 16:4, Rom. 11:36; de laatste grond en het laatste doel, ook van menschwording en voldoening, kan niet liggen in het schepsel, in de zaligheid van den zondaar maar moet liggen in God zelf. Om zijns zelfs wil heeft Hij zijn zoon in de wereld gezonden tot eene verzoening voor onze zonden, opdat alzoo zijne deugden tot openbaring zouden komen. En inderdaad is er geen feit, dat die volmaaktheden Gods zoo in het licht stelt als de menschwording en de voldoening. Niet eene enkele deugd treedt daardoor in het helderst licht, maar alle te zamen, zijne wijsheid, genade, liefde, barmhartigheid, lankmoedigheid, rechtvaardigheid, heiligheid, macht enz. Al is er gewoonlijk alleen sprake van Gods genade en rechtvaardigheid, toch mogen de andere deugden niet worden vergeten. Christus is in zijn persoon, woord en werk de hoogste, volkomenste, alzijdigste openbaring Gods, zijn knecht, zijn beeld, zijn Zoon; Hij heeft ons den Vader verklaard. Indien God zich op het heerlijkst openbaren wilde, dan was daartoe de schepping en de herschepping, de menschwording en de voldoening noodzakelijk. In de schepping werden reeds zijne deugden openbaar, maar veel rijker en hooger nog in de herschepping; de zonde weet Hij almachtig te gebruiken als een middel, om zichzelf te verheerlijken. Ten tweede is het de leer der Schrift, dat God als de volstrekt rechtvaardige en heilige de zonde haat met Goddelijken haat, Gen. 18:25, Ex. 20:5, 23:7, Ps. 5:6, 7, Nah. 1:2, Rom. 1:18, 32. Er is eene absolute tegenstelling tusschen God en de zonde, daarin noodzakelijk uitkomende, dat Hij met al zijne deugden er tegen reageert; Hij wil de zondeniet, Hij heeft er geen lust en welgevallen aan, Hij haat ze en toornt er tegen. Zonde kan niet bestaan, zonder dat zij door God gehaat en gestraft wordt. God kan zichzelven niet verloochenen; Hij kan het recht der zonde niet erkennen; Hij kan aan Satan geen gelijke rechten geven met zichzelven. Juist omdat Hij de volstrekt heilige is, moet Hij de zonde haten. Eigenlijk stemt ieder dat toe; ook al zegt men dat God de zonde zonder voldoening vergeven kan en als de hoogste liefde ook vergeven moet; toch erkent elk nog, dat God de zondevergeeft, d. i. dat Hij ze uit genade niet straft, maar tot die straf wel het recht en de macht bezit. Zelfs de Heer Chavannes vond op de vergadering van moderne theologen weinig instemming met zijne stelling, dat de uitdrukking „vergevende liefde” eene contradictio in adjectis is en niets beteekent, Bijbl. v. d. Herv. 28 Juni 1895. Ten derde is God zeer zeker Vader der menschen, maar deze naam geeft lang niet de gansche verhouding weer, waarin God tot zijne schepselen staat. Hij is ook Schepper, Onderhouder, Regeerder, Souverein, Wetgever, Rechter enz., en het is eenzijdig en tot dwaling leidende, indien men in één dezer namen met voorbijzien der andere de volle openbaring Gods aanschouwt. Zoo is God ten opzichte der zonde geen schuldeischer en geen beleedigde partij alleen, die de schuld kwijtschelden en de beleediging vergeten en vergeven kan. Maar Hij is zelf de Gever, Beschermer, Wreker der wet, de persoonlijke gerechtigheid, en als zoodanig kan Hij de zonde niet vergeven zonder voldoening, Hebr. 9:22. In die qualiteit kan Hij het recht der wet niet teniet doen; want het gaat hier niet om een persoonlijk, privaat recht, waarvan men afstand kan doen, maar om de gerechtigheid, d. i. om de deugden en de eere van God zelven. Wel zou men hiertegen zich beroepen kunnen op het recht van gratie, dat de aardsche overheid menigmaal uitoefent; maar dit recht van gratie is haar alleen daarom gegund, wijl zij feilbaar is en in vele gevallen eene te zware of zelfs onverdiende straf oplegt. In God kan zoo iets niet vallen; Hij is de gerechtigheid zelve, behoeft door de gratie de justitia niet te herstellen, doet ze door haar ook niet te niet, maar laat ze saam in het kruis van Christus tot openbaring komen. Ten vierde is de zedewet als zoodanig geen willekeurige, positieve wet, maar in de natuur van God zelven gegrond; zij is ook geen onpersoonlijke, van God onafhankelijke, in zichzelve rustendemacht, zoodat Christus niet aan God maar aan haar eisch voldeed, cf. Dale,The atonement, lect. 9; maar zij is uitdrukking van zijn wezen. God, de wet handhavend, handhaaft zichzelf en omgekeerd. Daarom is zij onverbrekelijk en onschendbaar. Door heel de Schrift heen draagt zij dat karakter; onze eigen conscientie geeft er getuigenis aan; en heel de zoogenaamde zedelijke wereldorde met hare verschijnselen van verantwoordelijkheid, plichtbesef, schuld, berouw, angst, wroeging, straf enz., is op deze onschendbaarheid der zedewet gebouwd. Christus is dan ook niet gekomen, om de wet te ontbinden maar te vervullen, Mt. 5:17, 18, Rom. 10:4; Hij heeft haar majesteit en heerlijkheid gehandhaafd; en het geloof doet de wet niet te niet maar bevestigt ze, Rom. 3:31. Ten vijfde, de zonde draagt in de Schrift velerlei karakter; zij is onverstand, dwaasheid, schuld, smet, onreinheid, schande enz., zij wordt vergeleken bij eene geldschuld, en is onder een ander gezichtspunt ook weer eene beleediging van God. Maar zoo komt zij in de Schrift ook voor als eene misdaad, crimen, een vergrijp tegen de gerechtigheid, eene schennis van de majesteit Gods, welke ons onder zijn oordeel brengt, Rom. 3:19, en des doods waardig maakt, Rom. 1:32. In dit karakter eischt ze straf en is er zonder voldoening geen vergeving; alleen in den weg van het recht is zij, zoo wat haar schuld en smet als wat haar macht en heerschappij aangaat, volkomen te overwinnen. Ten zesde mag hieraan nog toegevoegd, dat de zonde zoo groot is, dat God haar, eer Hij ze ongestraft liet blijven, aan zijnen lieven Zoon Jezus Christus met den bitteren en smadelijken dood des kruises gestraft heeft. Indien de rechtvaardigheid op eene andere wijze ware te verkrijgen geweest, zou Christus te vergeefs gestorven zijn, Gal. 2:21, 3:21, Hebr. 2:10. Om alles saam te vatten, vleeschwording en voldoening zijn daartoe geschied, dat God weer als God door zijne schepselen zou worden erkend en geëerd. Zonde was miskenning van God en van al zijne deugden, heenwending tot en aanbidding van het creatuur. Maar in Christus heeft God zichzelf weer geopenbaard, zijne souvereiniteit hersteld, al zijne deugden gerechtvaardigd, zijn naam verheerlijkt, zijne Godheid gehandhaafd. Het was God, ook in het werk der verlossing, allereerst om zichzelven, om zijn eigen glorie te doen. Cf. Voetius, Disp. I 372 II 238 sq. Mastricht, Theol. V 18, 34. Turretinus, Theol. El. XIV 10. Id. de satisf. Christi, disp. 1 en 2.Heidegger, Corpus Theol. XIX 80 sq. Heppe, Dogm. 341. Ebrard, Dogm. § 427. Martensen, Christl. Ethik II2155 f. Dorner, Chr. Gl. II 614. Ch. Hodge, Syst. Theol. II 487. A. A. Hodge,The atonementp. 48. Shedd, Dogm. Theol. I 378. Hugh Martin,The atonement, Edinb. z. j. p. 172 enz.