11. De Socinianen en hunne geestverwanten echter hebben deze noodzakelijkheid der voldoening zeer ernstig bestreden; hunne argumenten komen alle hierop neer, dat recht en genade, voldoening en vergeving, en dus verder ook wet en evangelie, Oud en Nieuw Testament, schepping en herschepping enz., met elkander in strijd zijn en elkander uitsluiten. De christelijke religie is n.l. volgens hen de absoluut geestelijke en zedelijke religie, van alle natuurlijke en zinnelijke elementen bevrijd. God is niet te denken als Rechter maar als Vader; straffende gerechtigheid, heiligheid, haat, toorn tegen de zonde zijn geen deugden in God maar alleen de liefde. De O. T. religie stond nog op het standpunt der wet, vatte de verhouding van den mensch tot God als rechtsverhouding op; het farizeisme dreef dit op de spits en Paulus bediende zich nog van dit farizeesch spraakgebruik en bestreed de farizeesche combinatie van wetsvervulling, gerechtigheid en loon niet. Maar toch leidt Paulus de onvervulbaarheid der wet niet af uit des menschen zondigheid doch uit de natuur der wet zelve, die niet dient om leven te geven maar om de zonde te vermeerderen. De christelijke religie vat hij dus toch zuiver als Erlösungsreligion op, als genade, vergeving, geloof. En dat is zij inderdaad. Zij is enkel religieus-ethisch, heeft geen kosmische, juridische, metaphysische bestanddeelen meer, zij is enkel heilsleer, en al het andere, de leer van God, den mensch, de zonde, de wereld enz., moet van uit dit standpunt, christologisch en soteriologisch, herzien en omgewerkt worden. De staat is de sfeer des rechts, maar religie en recht staan lijnrecht tegenover elkaar. Cf. boven bl. 322v. en voorts Wegscheider, § 142. Hofstede de Groot, De Gron. Godg. 181. Scholten, L. H. K. II 46v., 57v. Schweizer, Gl. der ev. ref. K. § 63 f. Christl. Glaub. § 94 f. Pfleiderer, Paulinismus286-110, 150-159. Holtzmann, Neutest. Theol. II 108 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III28-14, 223-265. Kaftan, Dogm. 544 f. v. Hartmann, Religionsphilos. I 546 f. Heel deze tegenstelling is echter valsch en is in de christelijke theologie altijd alsmarcionitisch verworpen. Ten eerste toch is het onwaar, dat gerechtigheid en genade (liefde) in God eene tegenstelling zouden zijn; niet alleen kent heel de Schrift aan God ook de deugden van gerechtigheid, heiligheid, toorn en haat tegen de zonde toe,dl. II195v., maar de genade onderstelt zelfs de gerechtigheid in God en is zonder haar niet te handhaven. Immers, genade is die deugd in God, waardoor Hij om eene of andere reden van zijn recht afstand doet; indien Hij alzoo niet als de rechtvaardige en heilige recht heeft om te straffen, kan er bij Hem van genade geen sprake zijn. Evenzoo is de hoogste liefde in God, d. i. de vergevende liefde, die in Christus is geopenbaard, geen liefde meer, indien de zonde naar Gods rechtvaardig oordeel geen straf verdiende. Wie het recht ontkent, ontkent ook de genade. Ten tweede is recht en religie (zedelijkheid) volstrekt geen tegenstelling. Godsdienst en zedelijkheid zijn zelve een recht, dat God op ons heeft; Hij eischt in zijne wet, dat de mensch Hem liefhebbe boven alles en den naaste als zichzelven. Daarmede worden godsdienst en zedelijkheid niet verlaagd of veruitwendigd, maar integendeel in hun ware beteekenis gehandhaafd. God wil, dat de mensch Hem liefhebben zal met geheel zijn hart en met geheel zijn verstand en met al zijne krachten; Hij eischt den ganschen mensch voor zijn liefdedienst op. Godsdienst en zedelijkheid zouden niet kunnen bestaan, indien zij niet wortelden in het recht Gods op zijn schepsel. De zedelijke orde wordt in dezen zin door de rechtsorde gedragen. Veel dieper dan het religieus en het ethisch bewustzijn wortelt in den mensch nog het rechtsgevoel. Zelfs bij hen, die allen godsdienst en alle zedelijkheid hebben uitgeschud, leeft het dikwerf nog krachtig op. En wel is het waar, dat de volmaakte mensch God en den naaste liefheeft spontaan en naar de inspraak zijner heilige natuur; maar dit verandert niets aan het feit, dat juist die dienst uit liefde met Gods wet overeenkomt en daarin voorgeschreven wordt. De zedewet is wel ter dege een eisch en een recht Gods, al is het dat zij den ganschen mensch opeischt en een dienst in geest en waarheid verlangt. Want gelijk godsdienst en zedelijkheid wortelen in een recht Gods, zoo is omgekeerd dat recht Gods geen abstracte, formeele willekeur, maar juist in Gods natuur gegrond; de rechtsorde draagt zelve weer een ethisch karakter en vindt in de zedelijke orde bevestiging en steun,deel II201. Ten derde is daarom de bewering onjuist,dat de zedelijke wereldorde eerst door de zonde eene wettelijke geworden is, Kaftan, Dogm. 370. 545. Wettelijk is ze wel voor den mensch door de zonde geworden, in dien zin, dat de liefde tot God en den naaste thans als een gebod buiten en tegenover hem staat, waaraan hij niet beantwoorden kan, dat hij overtreden heeft, en welks straf hij verdient. Maar wettelijk is ze niet door de zonde geworden, als zou zij niet rusten in een recht en een wet Gods. De Luthersche theologie heeft dit wel alzoo geleerd,deel II556. 558, maar de Gereformeerde heeft anders en beter geoordeeld. De wet is wel ter dege de, ook afgezien van de zonde, in Gods wezen gegronde norma voor heel de zedelijke wereldorde. Deze is zelfs niet denkbaar zonder eene wet. Alle godsdienst en zedelijkheid onderstelt eene wet. Waar geen wet is, is ook geen overtreding. Wie de zedelijke wereldorde van de wet losmaakt, maakt ze objectief en subjectief tot willekeur en graaft het fundament onder haar voeten weg. Ten vierde, wie recht en genade alzoo dualistisch tegenover elkander plaatst, raakt op alle punten met de Schrift in strijd. De status integritatis, als leven van den naar Gods beeld geschapen mensch in overeenstemming met de zedewet, is niet langer te handhaven. Zonde is geen schuld en verdient geen straf, anders dan in het bewustzijn van den zondaar. De wet heeft geen eeuwige maar alleen eene tijdelijke, voorbijgaande, paedagogische beteekenis. Het O. Test. als godsdienst der wet, gaat ons niet meer aan. De leer van de gerechtigheid Gods en van de voldoening in Christus is een joodsch, farizeesch inkruipsel in de theologie van het N. Test. De vergeving der zonden is een subjectief tot inzicht komen, dat zij geen schuld zijn en geen straf verdienen. De heiligmaking is zedelijke, autonome zelfontwikkeling. De kerk is alleen eene religieus-ethische gemeenschap en heeft met recht en wet niets van doen. Onder den schijn van de christelijke religie zuiverder op te vatten, wordt ze van haar hart en kern beroofd. Eindelijk, ten vijfde, indien echter genade, liefde, vergeving geheel onverdiend zijn en alle het vrijwillig afstand doen van een recht onderstellen, dan kan zeer zeker met Socinus,de Christo ServatoreI 1, de vraag nog worden gedaan, of God van dat recht geen afstand kan doen zonder voldoening te eischen; God is toch traag tot toorn, lankmoedig en barmhartig en vergeeft in de Schrift menigmaal, zonder dat er van eenige voldoening sprake is, als er maar oprecht berouwaanwezig is, Deut. 30:1-3, Jerem. 3:13, 14, 18:8, Mt. 18:24v., Luk. 15:11v. Bij deze vraag, indien zij werkelijk ernstig gemeend is, is er dan geen verschil meer de jure maar alleen de facto. Recht had God, om voldoening te eischen; genade en vergeving onderstellen het; alleen is er verschil over, of God die voldoening geeischt heeft. Het zal straks blijken, dat het lijden en sterven in waarheid een satisfactorisch karakter draagt. Tegenover deze werkelijkheid is de vraag naar de mogelijkheid, of God van zijn recht op voldoening geen afstand had kunnen doen, van zeer ondergeschikte beteekenis. Maar in elk geval is het ongeoorloofd, met de vergeving de voldoening te bestrijden, als zou de eene de andere uitsluiten. Want niet alleen worden zij in de Schrift met elkander verbonden, Lev. 4:31, Rom. 3:24-26, Hebr. 9:22, maar zij worden ook in die verhouding tot elkander geplaatst, dat de voldoening juist den weg tot de vergeving ontsluit. Bij geldschulden heft de voldoening de vergeving wel op, wijl het hierbij in het geheel niet aankomt op den persoon, die betaalt, maar alleen op de som, die betaald wordt. Maar bij zedelijke schulden is dat gansch anders. Deze zijn persoonlijk en moeten in den schuldige zelf worden gestraft. Indien hier al een plaatsvervanger toegelaten wordt, dan is het toelaten van zulk een plaatsvervanger en het laten gelden van zijne verdiensten voor die van den schuldige toch altijd eene daad van genade. Voldoening geeft Christus aan God, maar vergeving schenkt God aan ons; de vergeving is niet met het oog op Christus maar met het oog op ons genade. De voldoening van Christus opent voor God den weg, om zonder krenking van zijn recht uit genade de zonden te vergeven en den goddelooze te rechtvaardigen. Indien de zonde van dien aard is, dat recht en gerechtigheid, wet en waarheid niet de minste schade lijden, ook al wordt ze niet gestraft, dan is ook de genade der vergeving niet groot. Maar als de zonde zoo groot is, dat God, eer Hij ze ongestraft liet blijven, met den bitteren en smadelijken dood des kruises aan zijnen lieven Zoon Jezus Christus gestraft heeft, dan komt de rijkdom van Gods genade, de macht zijner vergevende liefde aan het licht. Dan vindt ook de mensch voor zijn beschuldigend geweten in die voldoening rust en troost en kan hij zonder eenige vreeze in de vergeving zijner zonden zich verheugen; want de volkomen genoegdoening waarborgt de volstrekte, onberouwelijke,eeuwige vergeving. Cf. Maccovius, Coll. theol. I 274. Mastricht, Theol. V 18, 35. Turretinus, Th. El. XIV qu. 10, 8. Id.De satisfactionep. 44. Hoornbeek, Socin. Confut. II 629. Petrus de Witte, Wederlegginge der Socin. Dwalingen, Amst. 1662 II 90v. Leydecker, Vis verit. p. 82. Moor III 1031. Shedd, Dogm. Theol. II 382. Martin,The atonement183 etc.12. Het werk, dat Christus voor de zijnen volbracht, bestond in het algemeen in zijne volstrekte en volmaakte gehoorzaamheid aan Gods wil, Mt. 3:15, 20:28, 26:42, Joh. 4:34, 5:30, 6:38, Rom. 5:19, Gal. 4:4, Phil. 2:7, 8, Hebr. 5:8, 10:5-10 enz. Deze rijke gedachte is in de theologie menigmaal niet tot haar recht gekomen. Het lijden van Christus is dikwerf van de daad der gehoorzaamheid, die zich daarin uitsprak, losgemaakt en alzoo tot voorwerp der vrome bepeinzing gemaakt. In de christelijke kerk zijn achtereenvolgens de martelaren, de monniken, de bedelaars, de geeselaars als de echte discipelen van Jezus beschouwd; ascese en zelfpijniging in allerlei vorm waren de christelijke deugden bij uitnemendheid; de navolging van Christus bestond in een copiëeren en nabootsen van daden en toestanden uit zijn leven, bepaaldelijk uit zijn lijden; Christus was de groote lijder, de verheven martelaar, wiens lijden voorwerp van contemplatie en imitatie moest zijn, Zöckler, Askese und Mönchthum, I 1897 S. 145 f. Moll, Joh. Brugman II 1-97. Bij Anselmus bestond de voldoening van Christus, daar Hij tot gehoorzaamheid aan Gods wet al voor zichzelf verplicht was, alleen in zijn lijden en sterven, dat door Hem als een opus supererogationis aan zijn leven toegevoegd en als een vrijwillig geschenk aan den Vader aangeboden werd. De Roomsche theologie spreekt zich over de actieve gehoorzaamheid van Christus niet eenstemmig en ondubbelzinnig uit. Trente maakt wel melding van de sanctissima passio van Christus, VI c. 7, maar de theologen verwerpen ze geheel of vatten ze toch zoo op, dat Christus niet in onze plaats de wet Gods vervuld heeft, Bellarminus, de justif. I 2, de Christo V 9. Bossuet, Gesch. der veranderingen v. d. Prot. kerken, vert. door Berends 1829 II 340. Scheeben, Dogm. III 321. 341. Ook onder de Protestanten komen bij Mystieken, Wederdoopers, Herrnhutters enz., opvattingen van het lijden van Christus als Etwas Sachliches voor, die aan zijne actieve gehoorzaamheidte kort doen. Zelfs Parsimonius en Piscator loochenden haar, wijl Christus reeds voor zichzelf tot deze gehoorzaamheid verplicht was en deze gehoorzaamheid dus wel eennecessarium requisitum personalewas, ons ten goede, nostro bono, maar geen bestanddeel van zijne voldoening, nostro loco volbracht; omdat de H. Schrift altijd aan het lijden en sterven van Christus alleen onze gansche zaligheid, beide de vergeving der zonden en het eeuwige leven, verbindt; en omdat de geloovigen, ook al hebben zij de vergeving en het eeuwige leven, toch tot onderhouding der wet verplicht blijven. De Lutherschen zagen hierin Nestorianisme en zeiden, dat de persoon van Christus naar beide naturen Heer der wet was en dus ook niet als mensch vanzelf voor zijn persoon aan de wet onderworpen was, Gerhard, XVI 57. 59. Quenstedt III 284. Schneckenburger, Zur kirchl. Christol. 58-73. Ritschl, Rechtf. u. Vers I2274. Maar de Gereformeerden konden alzoo niet spreken, wijl Christus als waarachtig mensch wel zeker verplicht was, om de wet te onderhouden, en God lief te hebben boven al en den naaste als zichzelf. Toch verwierpen zij terecht het gevoelen van Piscator. Want ten eerste, de H. Schrift vat heel het leven en werk van Christus op als één geheel en maakt nooit scheiding tusschen eene obedientia vitae, die Hij voor zichzelf, en eene obedientia mortis, die Hij voor ons volbracht. Het is één werk, dat de Vader Hem heeft opgedragen en dat Hij in zijn dood ten einde brengt, Joh. 4:34, 17:4, 19:30. Zijn dienen voltooit zich in het geven zijner ziel tot een losprijs voor velen, Mt. 20:28. Zelfs Paulus, die allen nadruk legt op het kruis van Christus, ziet in zijn dood niet zijne gansche maar de voleindiging zijner gehoorzaamheid. Hij is geworden onder de wet, Gal. 4:4, in gelijkheid des zondigen vleesches, Rom. 8:3, heeft niet geleefd ten gevalle van zichzelven,οὐχ ἑαυτῳ ἠρεσεν, Rom. 15:3, heeft bij zijne menschwording zich al vernietigd en de gestalte van een dienstknecht aangenomen, heeft zich voortdurend vernederd en is gehoorzaam geworden tot den dood toe,μεχρι θανατου, Phil. 2:7, 8, 2 Cor. 8:9 en zoo is het éénδικαιωμαen ééneὑπακοη, die aan velen deδικαιωσις ζωηςschenkt, Rom. 5:18, 19. Het is daarom geheel met de Schrift in strijd, om het satisfactorisch werk van Christus te beperken tot zijn lijden, of zelfs zooals Jac. Alting deed, Op. V 393-395, cf. echter p. 478-480, tot het lijden gedurende de drie uren duisternis aan het kruis. Hetberoep op plaatsen als Zach. 3:9, Joh. 19:30, Rom. 6:10, Hebr. 7:27, 1 Petr. 3:18, waar gezegd wordt, dat Christus éénmaal, op het hout, geleden heeft en uitgeroepen heeft: het is volbracht, bewijst hiertegen niets, omdat in het lijden en sterven heel het voorafgaande leven van Christus is opgenomen, saamgevat en voltooid, cf. Moor III 985 sq. Mastricht V 11, 34. 18, 29. Witsius, Oec. foed. II 6. Misc. S. II 771. Maresius, Syst. Theol. IX 46. Ex. v. h. Ontw. v. Tol. X 467-471. Veeleer is heel het leven en werk van Christus van zijne ontvangenis af tot in zijn dood toe plaatsvervangend van aard. De aanneming der menschelijke natuur zelve en op zich zelve draagt dit karakter nog niet, omdat alle middelaarswerken de twee naturen onderstellen; maar zijne heilige ontvangenis en geboorte en al zijne heilige werken, zijn in het ééne werk van Christus begrepen, Lombardus, Sent. III dist. 18, 2. Heid. Cat. qu. 36 en 60. Ned. Gel. art. 22, cf. Acta Syn. Dordr. sess. 172. 173. Voetius, Disp. II 282. Schneckenburger, Vergl. Darst. I 91. 122 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I2287. Ten tweede is het zeker waar, dat Christus als mensch, voor zichzelf der wet onderworpen was; alleen maar, zijne menschwording en zijn mensch-zijn is niet voor Hem zelven maar voor ons geschied. Christus is nooit geweest en mag nooit beschouwd als een persona privata, een individu naast en op gelijke lijn met anderen; Hij was van den aanvang af eene persona publica, de tweede Adam, sponsor et caput electorum. Gelijk Adam voor zichzelven zondigde en daardoor schuld en dood op allen laadde, wier representant hij was; zoo heeft Christus door zijne gerechtigheid en gehoorzaamheid de vergeving en het leven voor al de zijnen verworven. Meer nog, zeker was Christus als mensch aan de wet Gods onderworpen als regel des levens; zelfs de geloovigen worden nooit van de wet in dien zin ontslagen. Maar Christus heeft zich nog in eene geheel andere verhouding tot de wet gesteld, n.l. tot haar als wet van het werkverbond. Adam was niet alleen tot onderhouding der wet verplicht, maar de wet werd hem in het werkverbond nog onder eene andere forma voorgehouden, n.l. als weg tot het eeuwige leven, hetwelk hij nog niet bezat. Christus echter had door zijne vereeniging met de Goddelijke natuur het eeuwige en zalige leven. Daarvan deed Hij vrijwillig afstand; Hij heeft zich aan de wet van het werkverbond onderworpen als weg tot het eeuwige leven voor zichen de zijnen. De gehoorzaamheid, die Christus bracht aan de wet, was dus eene gansch vrijwillige. Niet zijn dood alleen, gelijk Anselmus zeide, maar heel zijn leven was eene zelfverloochening, ééne zelfofferande, door Hem als Hoofd in de plaats der zijnen gebracht. Ten derde, dat de geloovigen nog altijd tot onderhouding der wet als regel des levens verplicht zijn, bewijst daartegen niets. Indien dit iets bewees, zou al het satisfactorische uit Jezus’ leven en lijden verdwijnen. Want de geloovigen hebben nog allerlei lijden als gevolg der zonden te dragen, zij worden nog verzocht door Satan en verlokt door de wereld, zij zondigen nog telkenmale en moeten nog sterven enz., en zoo zou Christus hen van niets, noch van de zonde noch van hare gevolgen hebben bevrijd. Jac. Alting redeneerde zoo en zeide daarom, dat Christus de zijnen alleen van den eeuwigen dood door zijne helsche angsten gedurende de drie uren duisternis aan het kruis, maar niet van het lijden, den lichamelijken dood enz. had bevrijd. Maar deze beschouwing van het werk der verlossing is zonder twijfel verkeerd. De verlossing is volkomen, eene verlossing van den ganschen mensch naar ziel en lichaam, van alle zonden en gevolgen der zonde. En deze is volbracht in en door Christus’ leven en sterven. Maar gelijk zijn koninkrijk door Hem onderscheiden is in een onzichtbaar, geestelijk en een zichtbaar, op aarde eens te stichten rijk; gelijk Hij zelf eenmaal gekomen is om te lijden en straks wederkomen zal om te oordeelen levenden en dooden; zoo wordt de verlossing, door Christus aangebracht, langzamerhand uitgewerkt en toegepast, eerst geestelijk, daarna lichamelijk. Nu in deze bedeeling worden de geloovigen geestelijk bevrijd van elke schuld en macht der zonde en hare gevolgen, van wereld, Satan, dood; zij hebben de vergeving der zonden en het eeuwige leven; wet, Satan, dood kunnen hun deze niet meer ontrooven; en eens zullen zij ook uitwendig, lichamelijk van alle zonde en macht der zonde bevrijd worden. De gansche herschepping, zooals ze voltooid zal zijn in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, is vrucht van het werk van Christus. Gelijk het eenzijdig is, om met Alting de vrucht van Christus’ werk alleen in de verlossing van den eeuwigen dood te zien; even eenzijdig is het, om met Ritschl die vrucht tot de geestelijke, ethische heerschappij van den Christen over zonde en wereld in het Diesseits, te beperken. De gansche persoon van Christus, beide met zijne actieve en passievegehoorzaamheid, is de borgtocht voor de gansche verlossing. Cf. over de actieve gehoorzaamheid. Calvijn, Inst. II 16, 5. III 14, 12. Comm. op Rom. 5:19, Gal. 4:4. Gomarus, Theses theol. disp. 19, 9. Junius, Theses theol. 36, 8. Synopsis pur. theol. 29, 35. Turretinus, Th. El. XI 22. XIV 13. Cloppenburg, Op. I 504 sq. Witsius, Oec. foed. II 3, 18 sq. Coccejus,de foedereV 93. Quenstedt, Theol. III 281. Gerhard, XVI 57 sq. Walch, Comm. de obed. Christi activa 1755. Baur,Versöhnung478v. Philippi,Der thätige Gehorsam Christi1841. Id., Kirchl. Gl. IV 2 S. 142 f. Frank, Chr. Wahrheit II 172. Id., Neue kirchl. Zeits. 1892 S. 856. Ritschl, Rechtf. u. Vers I2271 f. A. A. Hodge,The atonement248-264 enz.13. Terwijl Piscator en vele anderen de obedientia activa van de voldoening uitsloten, komt in de nieuwere theologie de obedientia passiva niet tot haar recht. Nadat Socinianisme en Rationalisme de kerkelijke satisfactieleer aan eene scherpe kritiek hadden onderworpen, trachtten velen in den tegenwoordigen tijd haar nog te handhaven, door ze in mystischen of ethischen zin om te werken, boven bl.327v. De voorstelling is dan in hoofdzaak deze, dat Christus’ lijden en sterven niet noodig was, om aan Gods gerechtigheid te voldoen noch door God als een offer voor onze zonden geëischt werd, maar dat het de consequentie was van zijn leven in gehoorzaamheid aan Gods wil, het bewijs dat Hij in zijn religieus-ethisch beroep Gode getrouw bleef tot in den dood toe, het historisch noodzakelijk gevolg van zijn heilig leven te midden van eene zondige wereld. Tegenover zulke opvattingen, die het lijden en sterven van Christus geheel van den persoon losmaken en alsEtwas Sachlichesop zichzelf stellen, bezit deze voorstelling een onmiskenbaar recht. Christus is toch de getrouwe getuige, Op. 1:5, Hij heeft onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd, 1 Tim. 6:13, zijn lijden en sterven is geen lot maar eene daad, Hij heeft macht, om het leven af te leggen, gelijk om het aan te nemen, Joh. 10:18. Maar toch wordt zij zelve door niet minder ernstige bezwaren gedrukt. 1oReeds dit is van beteekenis, dat de mystische en ethische theorieën bij Jezus alleen van een beroep en niet meer van een ambt spreken. Hierin ligt reeds al het verschil. Indien Christus een beroep uitoefende, dan heeft Hij zelf door zijn aanleg, opvoeding enz. zich daartoe ontwikkeld, staat Hij niet boven maar naast ons, is Hij ons alleenin religieusen en ethischen zin vooruitgestreefd, en kunnen en moeten wij ons zooveel mogelijk naar zijn voorbeeld conformeeren. Is Christus daarentegen gezalfd tot het ambt van profeet, priester en koning, dan is Hij door God aangesteld, heeft van Hem een werk ontvangen om te doen, staat Hij met gezag boven ons, om ons te leeren, om ons voor Gods aangezicht te vertegenwoordigen, om ons te regeeren naar zijnen wil, Martin,The atonement105. 2oGevolg van deze opvatting is, dat het lijden en sterven van Christus totaal onverklaard blijft. Schleiermacher leidde het daaruit af, dat Christus als heilige inging in onze zondige gemeenschap; hij liet het bestaan inMitgefühl mit menschlicher Schuld und Strafwürdigkeiten zag in zijn dood gevolg van zijnEifer für seinen Beruf, Chr. Gl. § 104, 4. Ritschl zegt evenzoo, dat het de trouw aan zijn beroep is, welke Christus tot eene offerande qualificeert; zijn dood was geen offerande maar een onbedoeld gevolg van het conflict tusschen Hem, den heilige, en de zondige menschheid,das Accidens seiner positiven Treue im Berufe, Rechtf. u. Vers. III2525, cf. 415 f. 441 f. II 334 f., Kaftan, Dogm. 565-569. Kühl,Die Heilsbedeutung des Todes Christi190 f. De Groninger Godgeleerden zagen in den dood van Christus eene zaak, door de menschen gedaan, door Jezus geleden en door God toegelaten, en vatten hetδειin Mt. 16:21, Mk. 8:31, Luk. 9:22 in zedelijken zin op, Pareau et H. de Groot, Lineam. theol. christ. ed. 3 p. 153. H. de Groot, De Gron. Godg. 181. Eene theorie nu, die het lijden en sterven van Christus voor toevallig verklaart, is daarmede reeds ten volle geoordeeld. 3oDe Schrift toch zegt duidelijk, dat Jezus’ lijden en sterven van te voren bepaald en noodzakelijk was. Wel tracht men in den nieuweren tijd aan te toonen, dat Jezus eerst blijde en met groote verwachtingen onder zijn volk optrad en de noodzakelijkheid van zijn dood eerst inzag sedert den dag te Cesarea Philippi, Mt. 16:20v., ten gevolge van de vijandschap, die zich langzamerhand tegen zijn persoon ontwikkelde, b. v. Holtzmann, Neut. Theol. I 284-295. Maar Kähler noemt dit terecht eene sage. Het Messiasbewustzijn, dat Jezus blijkens zijn doop door Johannes van zijn optreden af aan bezat; de naam Menschenzoon, dien Hij met klare bewustheid en eene bepaalde bedoeling zich toekende; de toepassing op zichzelven van Jesaja’s profetie, Luk. 4:21; de voorspelling, dat Hij als de bruidegom van zijnediscipelen zou weggenomen worden, Mk. 2:20; de vergelijking van zichzelven met Jona, Mt. 12:40 en bij de slang in de woestijn, Joh. 3:14; de prediking van het koninkrijk der hemelen in geestelijken zin, van de zelfverloochening en het kruisdragen, van den haat en de vijandschap der wereld, Mt. 5, 10, 11:16v., 12:25v., bewijzen overvloedig, dat voor Jezus’ bewustzijn de dood van het begin af vaststond als het doel van zijn leven; zoo had Hem de profetie onderwezen, Nösgen, Gesch. d. neut. Offenbarung I 1891 S. 395 f. Kähler,Zur Lehre v. d. Versöhnung1898 S. 159 f. De dag van Cesarea Philippi bracht alleen deze verandering, dat Jezus openlijk aan zijne discipelen verkondigde, dat Hij de Messias was, dat Hij overgeleverd zou worden en ten derden dage zou opstaan, Mk. 16:21, Mk. 8:31, Luk. 9:22. En Hij zegt erbij, dat dit alzoomoetzijn, niet omdat Hij zedelijk verplicht was om te sterven of zoo alleen trouw aan zijn beroep kon blijven, want eene zedelijke verplichting, om overgeleverd, gedood en zelfs opgewekt te worden, bestaat niet, maar wijl het alzoo in Gods raad was bepaald en in de Schrift was voorzegd, Mt. 26:54, Luk. 22:22, 24:26, 44, 46, Joh. 3:14, 7:30, 8:20, 10:18, 11:9, 12:23, 17:1, 20:9, Hd. 2:23, 4:28, 1 Cor. 15:3, cf. Scholten, L. H. K. II 45. 4oDe beide teksten Mt. 26:39 en Hebr. 5:7 zijn hiermede geenszins in strijd. Volgens Hebr. 5:7 bad Hij niet om bevrijding van den dood, alsof Hij dezen niet als noodzakelijk erkend had; want er staat duidelijk, dat zijn gebed, niettegenstaande zijn dood, door God verhoord is; maar Christus bad, dat Hij in den dood niet mocht omkomen maar daaruit gered en opgewekt en verheerlijkt mocht worden; Hij kwam juist, om door zijn sterven Gods wil te doen en heiligde ons door dien wil, Hebr. 10:5-10. Dit werpt licht op Mt. 26:39-42; Jezus bidt daar niet naar zijn wil, welken Hij juist aan dien des Vaders onderwerpt, maar naar de geneigdheid, welke der menschelijke natuur is ingeschapen om eigen verderf te ontvlieden, Kantt. St. Vert.; Hij ziet tegen den dood als dood op, maar bidt juist, dat God Hem sterken moge, om in zijn sterven Gods wil te doen, dat Gods wil niet alleen aan Hem maar door Hem geschieden moge. 5oHet lijden en sterven van Christus neemt in de Schrift zulk eene plaats in, dat het niet als het accidens van zijne beroepstrouw kan worden opgevat. Aan de beschrijving daarvan is hetgrootste gedeelte der evangeliën gewijd. En het wordt niet beschreven als een martelaarschap maar als een gericht Gods, als de wil des Vaders, als de offerande eens priesters. Hij sterft niet voor zijn geloof, maar wordt rechterlijk veroordeeld, wijl Hij beweert, de Zone Gods, de Messias te zijn. Hij gaat niet verheugd den dood te gemoet, maar is ontroerd, bedroefd, verbaasd, beangst tot den dood toe en is in zwaren strijd, zoodat zijn zweet werd gelijk druppelen bloeds, Mt. 26:37, 38, Mk. 14:33, Luk. 22:44, Joh. 12:27,Si la vie et la mort de Socrate sont d’un sage, la vie et la mort de Jésus sont d’un Dieu(Rousseau). In de prediking der apostelen is het kruis van Christus het middelpunt en de oorzaak van alle heilsweldaden. Veel meer dan op het leven, valt op den dood van Christus de nadruk; en die dood wordt altijd in verband gebracht met onze zonden; om der zonden wil is Christus gestorven en daardoor heeft Hij voor de zijnen de gerechtigheid en het leven verworven. Al mag dat lijden en sterven niet losgemaakt worden van den persoon, het is toch bepaald door God als zoodanig gewild, door den Zoon volbracht; het vormt in het leven van Christus niet een toevallig, alleen door de omstandigheden noodzakelijk geworden, maar een wezenlijk, onmisbaar bestanddeel; daardoor in de eerste plaats is de verzoening der zonden, de gerechtigheid en de zaligheid verworven. 6oWel wordt daartegen ingebracht, dat God niet propter maar alleen per Christum de weldaden van het verbond der genade ons schenkt; zoo vroeger reeds Socinus e. a. en thans b. v. Scholten, L. H. K. I 20 II 426v. Gottschick, Propter Christum, Zeits. f. Theol. u. Kirche 1897 S. 352-384. De Lutherschen schiepen er zelfs behagen in om de Gereformeerden te beschuldigen, dat zij krachtens hun praedestinatieleer de voldoening van Christus moesten loochenen en Hem alleen konden beschouwen als causa instrumentalis der zaligheid; de Gereformeerden zeiden immers ook zelven, dat Christus niet fundamentum en causa electionis was,deel II380; de verkorenen waren al voorwerp van Gods liefde, eer Christus als hun middelaar was aangewezen en waren verkoren niet om maar in en tot Christus, Gerhard, Loc. XVI de justif. § 36. Schneckenburger, Zur kirchl. Christol. 1848 S. 45 f. Id. Vergl. Darst. II 264 f. Schweizer, Gl. d. ev. ref. K. II 379. 389. Maar deze beschuldiging is onwaar. Christus is zeer zeker bewijs en openbaring van de liefdedes Vaders; logisch gaat onze verkiezing tot zaligheid aan zijne verkiezing tot middelaar vooraf; God is dus niet eerst door Christus bewogen, om zondaren lief te hebben. Maar hierin bestaat juist de liefde Gods, dat Hij dat heil, hetwelk Hij zondaren wil schenken, in den tijd voor hen laat verwerven door zijn eigen Zoon, en het alzoo hun schenkt in overeenstemming met zijne gerechtigheid. Gods genade doet dus de genoegdoening en de verdienste van Christus niet te niet, maar is juist de laatste grond voor die verdienste,quia mero beneplacito mediatorem statuit, qui nobis salutem acquireret, Calv. Inst. II 17, 1.Imo quia prius diligit, postea nos sibi reconciliat, ib. 16, 3.Jam nos diligenti reconciliati sumus, ib. 4. En deze beide, Gods liefde en de voldoening van Christus, moesten en konden daarom samengaan, wijl wij tegelijk als schepselen het voorwerp van zijne liefde en als zondaren het voorwerp van zijn toorn waren, ib. 3. Zoo is het dus louter genade, uit welke God de zonden vergeeft, Hij doet het om zijns zelfs, om zijns grooten naams wille, Jes. 43:23-25, Ezech. 36:21, Ef. 1:17, 1 Joh. 2:12, maar dit is zoo weinig daarmede in strijd, dat God ons de zonden om Christus’ wil vergeeft, dat de naam Gods ons eerst in Christus is geopenbaard. Dat God de zonden vergeeft en het leven schenkt alleen uit genade, om zijns zelfs wil en niet om iets dat in ons is, dat heeft Christus ons verkondigd, dat heeft Hij ons verworven. De vergeving uit genade, als gezindheid in God eeuwiglijk aanwezig en aan de verkiezing en zending van Christus voorafgaande (amor benevolentiae), is toch eerst door Christus’ offerande in den tijd mogelijk gemaakt (amor complacentiae). De weldaden zelve zijn door Christus verworven, al is de genegenheid, om ze te schenken aan de uitverkorenen, van alle eeuwigheid in God aanwezig geweest. Christus is tot zonde gemaakt, opdat wij zouden zijn rechtvaardigheid Gods in Hem. Hij is geworden uit eene vrouw en geworden onder de wet, opdat Hij ons van den vloek der wet verlossen zou en wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden. Gelijk Adam de oorzaak is van zonde en dood, zoo is Christus de bron van gerechtigheid en leven, Mt. 20:28, 27:28, Joh. 1:18, 15:13, Rom. 5:12v., 1 Cor. 15:21, 22, 2 Cor. 5:19-21, Gal. 3:13, 4:4, 1 Joh. 4:9. Zoo verstaan, is de uitdrukking, dat God ons de zonden vergeeft en het eeuwige leven schenkt propter Christum, om Christus’ wil, schriftuurlijk en doorde gansche Christenheid geleerd, ook door de Gereformeerden, Calvijn, Inst. II 16 en 17. Comm. op Joh. 15:13, Rom. 5:10, 2 Cor. 5:19, 1 Joh. 4:19 enz. Ned. Gel. art 21. 22. 23, cf. Scholten, L. H. K. I 20. Heppe, Dogm. d. d. Prot. I 190. Heid. Cat. qu. 37. Petrus de Witte, Wederl. der Soc. dwalingen II 170v. Mastricht, Theol. V 18, 20. 41v. Maresius, Syst. Theol. IV 40 X 30. Turretinus, de satisf. p. 7. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I2265 f. Eindelijk 7o, de mystische en de moreele theorie raken op alle punten met de Schrift en met de christelijke religie in strijd. De eerstgenoemde acht het wezen der religie gelegen in de mystische eenheid van God en mensch. Deze is door de zonde verstoord maar door Christus hersteld en wel niet zoozeer door wat Hij doet als wel door wat Hij is, door zijn persoon meer dan door zijn werk, door zijne geboorte meer dan door zijn kruis. Hoe die mystische eenheid van God en mensch nu door Christus hersteld is, is op dit standpunt moeilijk te zeggen. Hegel zeide, dat die eenheid objectief bestaat, maar door Christus het eerst duidelijk ingezien en uitgesproken is. Schleiermacher stelt het zoo voor, dat Christus, eerst ingaande in onze zondige gemeenschap, daarna ons opneemt in de gemeenschap van zijne heiligheid en zaligheid. De bemiddelingstheologie drukt zich dikwerf zoo uit, dat Christus een nieuw Godmenschelijk leven ons instort. Al deze wijzen van voorstelling zijn afkomstig uit het pantheisme en zijn, zonder dit wijsgeerig stelsel, eenvoudig onverstaanbaar. De moreele theorie gaat uit van de gedachte, dat God geen voldoening eischt maar in zijne liefde ons Christus gaf, opdat deze door zijne leer, leven en sterven ons van Gods liefde verzekeren, ons in onze vijandige gezindheid veranderen en van de zonde afschrikken zou. En ook de gouvernementeele theorie van Grotius ziet in God den Rector mundi, die persoonlijk wel zou kunnen en willen vergeven, doch in het belang der wereldorde de zonde exemplair, tot een afschrik voor anderen, straffen moet. Bij al deze theorieën nu kan men nog wel van Christus als Zone Gods, van zijn priesterschap en offerande blijven spreken, maar men spreekt dan in figuurlijken zin, gebruikt de woorden in ongewone beteekenis en geeft aanleiding tot misverstand. Immers is het duidelijk, dat in het pantheisme en het deisme voor den Christus der Schriften geen plaats is. Het hoogepriesterschap van Christus verandert dan in een martelaarschap, zijne offerande in een voorbeeld, dechristelijke religie in eene paedagogiek en de kerk in eene school. Gerechtigheid is geen deugd Gods, maar alleen in den staat op hare plaats. Zonde is geen schuld en straf geen rechtsherstel. De mensch is niet zoo boos, of hij kan door een zedelijk voorbeeld, door een schok of een indruk, ten goede veranderd worden, cf. Ch. Hodge, Syst. Theol. II 566 etc. A. A. Hodge,The atonement, ch. 21. De objectieve voldoening wordt omgezet in de subjectieve verzoening; de eigenlijke, ware verzoening heeft dan eerst plaats, als de mensch het voorbeeld van Jezus volgt en zichzelven verandert. De geloovigen onder hetO. T.hadden het voorbeeld van Jezus nog niet, zijn dus òf allen verloren òf op eene andere wijze zalig geworden dan wij, en Christus is niet de eenige naam, onder den hemel den menschen ter zaliging gegeven. Bovenal blijft bij al de genoemde theorieën het verband onverklaard, dat de Schrift legt tusschen den dood van Christus en de vergeving onzer zonden en het eeuwige leven. Het is niet in te zien, hoe de dood van Christus als een voorbeeld van deze weldaden de grond kan zijn, waarom God ons om Christus’ wil de zonden vergeeft en het leven schenkt. Feitelijk komt alles hierop neer, dat Christus door zijn beeld een diepen indruk maakt op het verstand of op den wil of ook op het gevoel van den mensch, en zoo hem bevrijdt van de meening, dat God om zijne zonde op hem toornt, of van de zelfzucht, die hem gebonden houdt, of van het gevoel van onzaligheid, dat hem neerdrukt. Maar in geen dezer gevallen wordt aan den mensch ware vrede en rust geschonken. Want het geweten wordt daardoor niet gereinigd en het schuldgevoel daardoor niet weggenomen. Vrede is er alleen in het bloed des kruises!14. Deze actieve en passieve gehoorzaamheid van Christus, welke in de Schrift zoo duidelijk geleerd wordt, is niet te handhaven dan door haar op te vatten als satisfactio vicaria. De bestrijders dezer leer stellen het echter menigmaal zoo voor, dat men bij het werk, evenals bij den persoon van Christus onderscheiden moet tusschen de zuivere feiten, en de theorieën, die daarover ter verklaring opgesteld zijn. Eerst wordt deze onderscheiding gemaakt met het oog op de kerkelijke leer der satisfactio vicaria maar weldra daarna ook met het oog op het onderwijs van de apostelen. Ten slotte blijft er dan niets over dan hetnaakte feit van het sterven van Christus zelf; de interpretatie en appreciatie van het feit is aan ieders willekeur overgelaten. Zoo staat de zaak echter niet. Woord en feit gaan in Gods openbaring saam; Christus is priester maar ook profeet; Hij heeft zijn eigen persoon en werk verklaard; Hij heeft zelf in zijn woord zijn dood geinterpreteerd, en de christelijke theologie is daaraan gebonden. Er zijn dus niet vele theorieën, de moreele, de gouvernementeele, de mystische, de privaat- en de publiekrechterlijke, welke door de theologie bij wijze van hypothesen ter verklaring der feiten en verschijnselen opgesteld worden en als verschillende pogingen ter oplossing alle evenveel recht van bestaan hebben. Maar de vraag is, wat in al deze meeningen en leeringen met de Schrift overeenkomt en daarin gegrond is. Zoo de vraag gesteld, is er haast geen twijfel mogelijk, of de satisfactio vicaria door de Schrift wordt geleerd. De exegese, die de Socinianen en de Rationalisten toepasten, om haar uit de Schrift te verwijderen, neemt niemand meer voor zijne rekening. En de uitlegging van Ritschl moge om haar scherpzinnigheid een tijd lang hebben geboeid, hare onhoudbaarheid wordt schier door niemand meer betwijfeld, cf. Kreibig, Die Versöhnungslehre auf Grund d. chr. Bew. 1878. Frank, Die Theol. Ritschls 1891. Pfleiderer,Die Ritschl’sche Theologie, Jahrb. f. pr. Theol. 1889. Id. Entw. der prot. Theol. 228 f. Orr,The Ritschlian theology, London 1897. Onpartijdige lezing der H. Schrift vindt in haar altijd weer de kerkelijke leer der plaatsvervangende voldoening terug, Wegscheider, Instit. theol. § 136. Pfleiderer,Der Paulinismus2136 f. Holtzmann, Neut. Theol. I 68. II 97. 313 f. enz.De H. Schrift toch laat ons in heel het werk van Christus eene vervulling zien van Gods wet, eene voldoening aan zijn eisch, bovenbl. 310. Als profeet, priester en koning, in zijne geboorte en dood, in zijn leven en lijden, in zijn woorden en wonderen, in zijn spreken en handelen, altijd volbrengt Hij Gods wil; Hij is gekomen, om dien wil te doen; de wet Gods was in het binnenste zijns ingewands; zijn gansche leven is ééne volmaakte offerande, Gode tot eene welriekende reuk. Die wil Gods is één, en één is ook de wil van Christus, en één zijne offerande. Maar toch laat zich daaraan zeer duidelijk eene dubbele zijde onderscheiden. Tweeledig immers was de eisch, door God aan den gevallen mensch gesteld, n.l. dat hij de wet volkomenonderhouden en ook hare overtreding door straf herstellen zou, bovenbl. 220. Tweeërlei zijn de weldaden, die Christus ons verworven heeft, n.l. de vergeving der zonden en het eeuwige leven. Beide zijn niet identisch; rechtvaardigmaking valt niet vanzelf samen met de hemelsche zaligheid. Adam was vóór zijne ongehoorzaamheid wel rechtvaardig, maar moest toch nog in den weg der werken het eeuwige leven verwerven. Het strafdragen is op zichzelf nog volstrekt niet één met het volbrengen der wet; de misdadiger, die gestraft wordt maar onder de straf zich verhardt, vervult het recht doch beantwoordt geenszins aan den ganschen eisch der wet. Bovendien, Christus was de tweede Adam; Hij kwam niet alleen, om voor ons de straf te dragen maar ook om voor ons die gerechtigheid en dat leven te verwerven, welke Adam door zijne gehoorzaamheid verwerven moest; Hij bevrijdde ons niet van schuld en straf alleen en plaatste ons niet aan het begin maar aan het einde van den weg, dien Adam te bewandelen had. Hij schenkt ons veel meer, dan wij in Adam verloren, niet alleen de vergeving der zonden en de kwijtschelding der straf, maar ook terstond in het geloof het non posse peccare en het non posse mori,deel II557: die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld en heeft het eeuwige leven, Joh. 3:16, 18. Beide soorten van weldaden worden daarom ook, al zijn ze in concreto nooit te scheiden, toch dikwerf afzonderlijk naast elkander genoemd, Dan. 9:24, Joh. 3:36, Hd. 26:18, Rom. 5:17, 18, Gal. 4:5, Op. 1:5, 6. En zoo is het ook met de actieve en passieve gehoorzaamheid van Christus. Zij zijn onderscheiden, maar vallen in concreto, in het leven en sterven van Christus, altijd samen. De actieve gehoorzaamheid is geen uitwendig toevoegsel aan de passieve, noch omgekeerd. Geen enkele daad en geen enkel voorval in het leven of lijden van Christus is uitsluitend tot de eene of tot de andere te brengen. Evenals Christus altijd en in alles tegelijk profeet, priester en koning is, zoo is Hij ook steeds werkzaam tot verzoening van de schuld der zonden en tot verwerving van het eeuwige leven. Zelfs is het niet goed, te zeggen, dat de vergeving der zonden alleen door zijne passieve, en het eeuwige leven alleen door zijne actieve gehoorzaamheid is verworven. Want zijn lijden was geen dragen der straf alleen maar ook volbrenging der wet; en zijn werken was geen volbrenging der wet slechts maar ook een dragen van hare straf. Zijn doen was lijden en zijn lijden wasdaad. Het was één werk, dat Christus volbracht, maar zoo rijk, zoo waardevol in Gods oog, dat de gerechtigheid Gods er volkomen door voldaan, alle eisch der wet er ten volle door vervuld en de gansche, eeuwige zaligheid erdoor verworven is. Het satisfactorische van Christus’ gehoorzaamheid bestaat niet daarin, dat Hij eene wraakzuchtige Godheid door bloed bevredigd, haar haat en nijd door eene quantiteit van lijden gestild heeft; maar het is hierin gelegen, dat hij van het begin tot het einde van zijn leven zijn wil aan den ganschen, volmaakten, heiligen en liefderijken wil van God onderworpen, en zichzelf met lijf en ziel en alle krachten Gode tot eene volmaakte offerande geheiligd heeft. Maar die wil van God omvatte naar de leer der Schrift niet alleen het leven maar ook het lijden van Christus; en die offerande bestond niet alleen in zijn „zedelijk beroep” maar ook in zijn kruisdood. Wat God vereenigd heeft, zal de mensch niet scheiden. Cf. Turretinus, Theol. El. XIV 13, 11 sq. Mastricht, Theol. V 18, 14. Moor III 960 sq. Heppe, Dogm. d. ev. ref. K. 326. 341. Schleiermacher, Chr. Gl. 104, 2. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I2279 f. III261.De gehoorzaamheid van Christus is echter niet alleen eene satisfactio; zij is eene satisfactio vicaria. Ook hierover spreekt de Schrift zich duidelijk uit. Eigenlijk ligt in alle zoenoffer de idee der plaatsvervanging opgesloten; het stelt in de plaats van den offeraar, die den toorn Gods waardig is, iets anders, dat Hem weder gunstig stemmen kan. In Israels geschiedenis treffen wij de idee der plaatsvervanging reeds aan bij Abraham, als deze op bevel van den Engel des Heeren zijne hand niet uitstrekt naar zijnen zoon, maar een ram ten brandoffer offert in zijns zoons plaats, Gen. 22:12, 13. In den Oudtest. cultus droeg bij de zoenoffers de handoplegging de zonden van den offeraar op het offerdier over, Lev. 16:21; de verzoening zelve komt niet in één maar in drie acten tot stand, n.l. slachting, bloedsprenging en verbranding; schoon met de zonden van den offeraar beladen en alzoo des doods waardig, wordt het offerdier toch niet eenvoudig gedood maar geslacht. Het is niet om den dood als zoodanig, zonder meer, te doen, want het offerdier is bestemd om verzoening te doen en den offeraar te herstellen in Gods gunst. Die gunst is niet te verwerven door den dood van het offerdier zonder meer, maar daardoor dat het bloed, de ziel, het leven van het welmet de zonden des offeraars beladen en daarom gedoode, maar toch in zichzelf volkomen onschuldig offerdier Gode toegebracht en gewijd wordt. Zoo doet dat bloed, als de zelfofferande van een levend wezen, dat daarom niet gedood maar geslacht wordt, verzoening over de zonden van den offeraar; het maakt dat heel het dier in de verbranding Gode is tot eene aangename reuk; de offeraar zelf deelt dan volkomen in zijne gunst, het dier heeft van het begin tot het einde zijne plaats vervangen en alzoo hem verzoend en in Gods gemeenschap hersteld. Aan dezen cultus ontleende Jesaja de trekken voor zijne teekening van den knecht des Heeren; de poena vicaria kan niet sterker worden uitgedrukt dan in Jes. 53; de knecht des Heeren heeft onze krankheden op zich genomen en onze smarten gedragen; Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door zijne striemen is ons genezing geworden. De Heere heeft ons aller ongerechtigheden op Hem doen aanloopen. Om de overtreding des volks is de plage op Hem geweest. Hij heeft zijne ziel tot een schuldoffer gesteld. Zelf een rechtvaardige, zonder onrecht of bedrog, draagt Hij de ongerechtigheden der zijnen. Dit alles wordt nog duidelijker in het N. Test. Vooreerst komt de uitdrukkingλυτρονhier in aanmerking, Mt. 20:28, Mk. 10:45, 1 Tim. 2:6; het is naar zijne afkomst vanλυειν, losmaken, het middel om iemand los te maken, uit de gevangenis te bevrijden, en vandaar dikwerf losgeld. In deLXXis het de vertaling vanגְּאֻלָּה, Lev. 25:51,52ofפִדִּוי, Num. 3:46 ofכֹּפֶר, Ex. 21:30, 30:12, Num. 35:31, 32, Spr. 6:35, 13:8, dat echter elders vertaald wordt doorἐξιλασμα, 1 Sam. 12:3, Ps. 49:8 ofἀλλαγμα, Am. 5:12, Jes. 43:3, ofδωρον, Jos. 36:18. Nu is het waar, dat in het woordλυτρονhet plaatsvervangende en aequivalente nog niet vanzelf begrepen is. Maar toch is het onjuist, met Ritschl, Rechtf. u. Vers. II 69 de woorden in Mk. 10:45 zoo te verstaan, dat Jezus’ vrijwillige dood eene gave, eene bedekking, een beschermmiddel is, waardoor velen bewaard blijven, niet voor den dood als lot aller schepselen, maar voor de volle vernietiging en de doelloosheid van het leven en dus bevrijd worden van de vreeze des doods. Want het woordλυτρονmoge op zichzelf nog niet uitdrukken, dat de losprijs opweegt tegen wat er door losgekocht wordt; toch ligt de gedachte voor de hand, dat iemand,die ergens recht op heeft, in het algemeen daarvan geen afstand zal doen, dan tegen behoorlijke vergoeding; in Jes. 43:3, Spr. 21:18 wisselt het daarom metתחת, in de plaats van. En dan vooral, de losprijs, dien Christus bracht, heet elders eeneτιμη, een dure prijs, 1 Cor. 6:20, 7:23, 1 Petr. 1:18. 19; er wordt bepaald gezegd, dat een mensch geenἀνταλλαγμα, losprijs, vergoeding, aequivalent kan geven voor zijne ziel, Mt. 16:26, Mk. 8:37, cf. Ps. 49:8; en het woordλυτρονwordt in hetN. T.nog versterkt door de praepositieἀντι, Jezus geeft zijn leven tot een losprijs in de plaats van velen, die het wel moesten maar niet konden doen, cf. Cremer s. v. Maar behalve de uitdrukkingλυτρονkomt hier in de tweede plaats heel de N. T. leer van de offerande van Christus ter sprake. De praeposities, die het verband van die offerande tot ons en onze zonden aanduiden,ὑπερ,περι,δια, bovenbl. 312, beteekenen op zichzelve niet: in de plaats van, maar ten behoeve van, ter wille van, vanwege, om, ter oorzake van; doch zij leggen tusschen Christus’ offerande en onze zonden een zoodanig verband, dat de mystische, moreele en symbolische interpretatie den zin der Schrift in het geheel niet uitput. Natuurlijk is het wel waar, dat Christus ook ons ten voorbeeld geleden heeft en gestorven is, en dat allen in Hem gekruisigd, gestorven en begraven zijn. Maar daarin gaat de zin der Schrift niet op; ja de mystische en moreele opvatting van Christus’ lijden en sterven is niet te handhaven, tenzij vooraf worde erkend, dat Hij in legalen zin plaatsvervangend voor ons geleden heeft en gestorven is. En dat leert de Schrift zoo duidelijk mogelijk, ook al gebruikt zij de uitdrukking satisfactio vicaria evenmin als die van triniteit, menschwording, Godmensch enz. Want als zij zegt, dat Christus, schoon persoonlijk zonder eenige zonde, naar den wil Gods onze zonde op zich genomen en gedragen heeft, voor ons tot zonde is gemaakt en een vloek is geworden, naar dienzelfden wil Gods daarvoor met den vervloekten kruisdood gestraft is, en daardoor als causa meritoria voor ons de verzoening, de vergeving, de gerechtigheid, het leven, de gansche zaligheid voor ons verworven heeft, dan is dat niet anders te denken, dan dat Hij zich in onze plaats gesteld en onze straf gedragen heeft. Cf. Weiss, Lehrb. der bibl. Theol. § 49 b. 80 enz. Holtzmann, Neut. Theol. I 64 f. II 97 f. enz. Over de praep.ὑπερ, Holwerda, Jaarb. v. wet. Theol. 1862 bl. 521v.15. Er zijn echter van ouds tegen deze satisfactio vicaria zeer wichtige bezwaren ingebracht. Geldschulden kan de een van den ander overnemen en voor hem betalen; maar zonden zijn zedelijke schulden en hechten aan den persoon. Zij kunnen uit den aard der zaak niet door een ander worden overgenomen. Het strijdt met Gods gerechtigheid, die den schuldige niet onschuldig en den onschuldige niet schuldig houdt. Het strijdt met den aard der zonde, want wie ze voor een ander zou willen dragen, zou toch nooit het schrikkelijkste in de zonde, d. i. de zelfbeschuldiging, het berouw, de wroeging kunnen overnemen, maar alleen het uitwendige lijden en sterven, en dit ware dan voor hem geen straf der zonde maar eene kastijding, eene beproeving, een martelaarschap. Het strijdt met de werkelijkheid, want Christus heeft niet den toorn Gods gedragen maar steeds in zijne liefde en gunst gedeeld; Hij heeft niet de gansche straf der zonde gedragen, want Hij stierf noch den geestelijken noch den eeuwigen dood; en indien Hij ze ook gedragen had, dan toch alleen voor één enkel mensch, nooit voor velen, want Hij heeft die straf dan toch maar één maal gedragen; al was Hij ook God, dit kan de waarde zijner offerande niet vermeerderen, wijl zijne Godheid toch niet lijden kon, boven324. Vele van deze bedenkingen vloeien uit misverstand voort, dat daarom vooraf uit den weg moet worden geruimd. Ten eerste dan is het volkomen waar, dat Christus nooit persoonlijk, om en voor zichzelven, het voorwerp van Gods toorn is geweest; Hij is nooit in eigen persoon een zondaar geweest. Gnostieken en Anabaptisten maakten wel menigmaal onderscheid tusschen eene Goddelijke, hemelsche, onsterfelijke, heilige en eene menschelijke, aardsche, onreine, sterfelijke lichamelijkheid in Christus, boven275v. En de Antinomianen verstonden de plaatsvervanging zoo, dat op Christus niet alleen de schuld en straf maar ook de smet en onreinheid der zonde was overgedragen; de verwisseling tusschen Christus en de uitverkorenen was zoo volstrekt, dat Hij zelf zonde is en zij gerechtigheid zijn; in Christus zijn zij over hun zonden bedroefd geweest, gerechtvaardigd, wedergeboren; de zonden, die zij zelven doen, zijn geen zonden meer, kwellen hen niet meer in de conscientie, hebben geen vergeving meer van noode en zijn maar daden van het vleesch, van den ouden mensch, Hulsius, De hedendaagsche Antinomianery, 2edr. 1738 bl. 377v. Hoornbeek, Summa Controv.1653 p. 704. Witsius, Misc. S. II 758-780. En in lateren tijd zijn deze gevoelens soms vernieuwd door de Methodisten, Schneckenburger,Vorles. über die kleineren protest. Parteien146, door de Irvingianen, Herzog27, 154, door sommige volgelingen van Kohlbrugge, Bula,Die Versöhnung des Menschen mit Gott durch Christum1874. Böhl,Von der Incarnation des göttl. Wortes1884 Id. Dogmatik 299 f., cf. Kuyper, De vleeschw. des Woords Amst. 1887, Inleiding en bl. 155v. Maar de Schrift leert zoo beslist en duidelijk mogelijk, dat Christus persoonlijk vrij was van alle zonden, boven296, en de enkele plaatsen, waarop men zich voor het tegendeel beroept, Joh. 1:14, Rom. 8:3, Hebr. 2:14 spreken alleen uit, dat de Zone Gods eene zwakke, aan lijden en dood onderworpene natuur aannam, maar niet dat Hij zelf in subjectieven zin een zondaar was. Sommige theologen zooals Chrysostomus, Oecumenius, Luther, Marlorat, ook Calvijn op Gal. 3:13, hebben Christus wel een zondaar genoemd, maar bedoelden dat alleen in objectieven zin, zooals Paulus zegt, dat Christus zonde is gemaakt en een vloek is geworden, 2 Cor. 5:21, Gal. 3:13, cf. Jes. 53:12. Daarmede geeft de apostel niet te kennen, dat Christus in zichzelf een zondaar en een vervloekte was, maar dat Hij door God werd beschouwd en behandeld als een, die schuldig was aan de overtreding der wet en haar vloek op zich geladen had. Zelfbeschuldiging, berouw, wroeging, belijdenis van persoonlijke zonden kon er daarom in Christus niet vallen; de geestelijke dood, als onbekwaamheid ten goede en geneigdheid tot alle kwaad, is door Hem niet geleden. Juist om de zonden van anderen te dragen en voor deze te voldoen, kon en mocht Hij zelf geen zondaar zijn. De permutatio personarum, die er plaats had tusschen Christus en de zijnen, is niet in pantheistisch physischen of mystischen zin te verstaan, maar draagt een legaal karakter; Christus is vrijwillig in die verhouding tot de wet en hare eischen gaan staan, waarin wij tot haar stonden door onze overtreding. In de tweede plaats brengt het plaatsvervangende van Christus’ gehoorzaamheid vanzelf ook mede, dat zij aequivalent is, volkomen beantwoordend aan den eisch der wet. Maar deze gelijkwaardigheid is door de Reformatie toch anders opgevat dan door Rome. Duns Scotus oordeelde, dat ook wel een heilig mensch of een engel voor onze zonden had kunnen voldoen, indien God het goedgevonden had,wanttantum valet omne creatum oblatum, pro quanto Deus acceptat illud et non plus, 8ent. III dist. 20 qu. un. n. 9 cf. dist. 19 qu. un. n. 7. En evenzoo leerden later de Remonstranten, dat niet de justitia Dei maar alleen de aequitas eenige voldoening vorderde en datmeritum quod Christus persolvit juxta Dei Patris aestimationem persolutum est, Limborch, Theol. Chr. III 21, 6. 8. 9. 22, 2. Episc., Inst. Theol. IV sect. 5 c. 3. Vlak daartegenover noemde Thomas, S. Theol. III qu. 48 art. 2 de passio Christi niet alleensufficiens sed superabundans satisfactio pro peccatis humani generis, cf. Cat. Rom. I 5 qu. 13, 2. Theol. Wirceb. IV 317. Billuart, Summa S. Thomae Pars III tom. 2 p. 206-226. Scheeben III 206. 343 enz. Zelfs werd de vraag behandeld, of niet één druppel bloeds van Christus tot verzoening ware voldoende geweest, cf. Quenstedt, Theol. III 327. Dorner, Entw. der Lehre v. d. Person Christi II 843. Heel deze beschouwing zoowel bij Thomas als bij Duns Scotus berust op eene zinnelijke, quantitatieve berekening van het lijden van Christus. In principe heeft de Hervorming met dit berekeningssysteem gebroken. Dat blijkt daaruit, dat zij zoowel de acceptilatio (van acceptum ferre) van Scotus als de superabundantie van Thomas verwierp, Voetius, Disp. II. 247. Mastricht V 18, 38. Moor III 1084. Alting, Theol. probl. pr. 41; dat zij in het werk van Christus naast de passieve ook de actieve gehoorzaamheid opnam; dat zij de offerande van Christus wel aequivalent maar niet identisch noemde met wat wij verplicht waren; dat zij haar voor volkomen sufficient hield, zoodat er noch op Roomsche noch op Remonstrantsche wijze eene aanvulling door ons geloof en onze goede werken bij noodig was; en dat met name de Gereformeerden zeiden, dat Christus’ werk in zichzelf volkomen voldoende was tot verzoening van de zonden der gansche wereld, dat het, indien Hij een kleiner getal had willen behouden, niet geringer kon wezen, en indien Hij een grooter getal of alle menschen had willen behouden, niet grooter had behoeven te zijn. Zonden zijn ook inderdaad geen geldschulden, en de voldoening is geen rekensom. De overdraging onzer zonden op Christus is niet zoo mechanisch toegegaan, dat deze eerst van alle uitverkorenen nauwkeurig bij elkaar opgeteld, zoo op Christus gelegd en elk afzonderlijk door Hem voldaan zijn. Christus heeft ook niet alle menschelijke leeftijden doorloopen noch ook daarin afzonderlijk voor de zondenvan elken leeftijd voldaan, zooals Irenaeus, adv. haer. II 22, 4 en anderen het voorstelden. Hij heeft ook niet precies hetzelfde, idem, geleden als wij noch op dezelfde wijze; want schuldbewustzijn enz., kon in Hem niet vallen, den geestelijken dood als geneigdheid ten kwade kende Hij niet, en den eeuwigen dood heeft Hij niet in vorm en duur maar alleen intensief en qualitatief, als verlating door God, geleden, Thomas, S. Th. III qu. 46 art. 5. qu. 48 art. 2. Calvijn, Inst. II 16, 12. Mastricht, Theol. V 12, 9. 21. Moor IV 122-133. Witsius, Misc. S. II 770. Shedd, Dogm. Theol. II 454. Schneckenburger, Vergl. Darst. II 239. Phillippi, Kirchl. Gl. IV 2, 29. Sartorius, Lehre v. d. h. Liebe II 75. v. Oosterzee, Dogm. II 586. Zelfs ligt er in de acceptilatie eenige waarheid, want het strikte recht Gods vorderde, dat ieder mensch persoonlijk voor zichzelven voldeed; en het is zijne genade geweest, die Christus gaf tot een middelaar des verbonds en zijne gerechtigheid aan de bondgenooten toerekende. Met eene quantitatieve berekening komen wij dus bij de satisfactio vicaria niet uit. Het zijn andere dan meet- en weegbare grootheden, met welke wij in de leer der voldoening te doen hebben. De zonde is een heel de schepping beheerschend en verdervend beginsel, eene macht, een rijk, dat in vele dadelijke zonden zich uitbreidt en organiseert. De toorn Gods is eene verbolgenheid, die zich richt tegen de zonde des ganschen menschelijken geslachts, Heid. Cat. 37. Zijne gerechtigheid is die deugd, waardoor Hij niet dulden kan, dat Hij door zijne schepselen als God wordt miskend of onteerd. Daarom bestaat de satisfactio vicaria daarin, dat Christus als borg en hoofd in die verhouding tot God, tot zijn toorn, zijne gerechtigheid, zijne wet is gaan staan, in welke het menschelijk geslacht daartegenover stond. Hij is voor die menschheid, welke Hem ter verzoening gegeven is, tot zonde gemaakt, een vloek geworden en heeft haar schuld en straf op zich genomen. Als de Socinianen zeggen, dat Christus toch in elk geval maar voor één mensch en niet voor velen kon voldoen, wijl Hij de straf der zonde toch slechts één maal heeft gedragen, dan gaat deze redeneering van dezelfde quantitatieve berekening uit als de acceptilatie van Duns Scotus en de superabundantie van Thomas. Want al openbaart zich de zonde die door Adam in de wereld gekomen is, in eene ontelbare reeks van zondige gedachten, woorden en daden; al wordt de toorn Gods door iederschuldig menschenkind individueel gevoeld; het is en blijft toch altijd de ééne, ondeelbare wet, die geschonden is, de ééne ondeelbare toorn Gods, die tegen de zonde van heel het menschelijk geslacht ontbrand is, de ééne, ondeelbare gerechtigheid Gods, die door de zonde gekrenkt is, de ééne, onveranderlijke, eeuwige God, die door de zonde gehoond is. En daarom is de straf van Christus ook ééne, maar eene, die intensief en qualitatief opweegt tegen de zonde en schuld van heel het menschelijk geslacht, den toorn Gods tegen dat gansche menschelijke geslacht verzoent, de gansche wet vervult, Gods gerechtigheid ten volle herstelt en God zelf in al zijne deugden van waarheid en gerechtigheid, van liefde en genade weer in het menschelijk geslacht tot erkenning brengt. Immers werd die straf ook gelegd op Hem, die niet maar een individu naast anderen, maar de tweede Adam was, hoofd van het menschelijk geslacht, de Zoon des menschen en de Zone Gods tevens.16. Zoo verstaan, is de leer der satisfactio vicaria alleen nog te verdedigen tegen de bedenking, dat op zedelijk gebied zulk eene plaatsvervanging niet mogelijk is. Ten eerste is echter daartegen op te merken, dat de idee der plaatsvervanging ook op zedelijk gebied diep in de menschelijke natuur is gegrond, en onder alle volken in priesterschap en offerande zich belichaamd heeft en ook op allerlei wijze in poezie en mythologie is uitgesproken. Origenes vergeleek Christus in zijn dood reeds met hen, die volgens klassieke overleveringen voor hun vaderland gestorven zijn, om het van pest of andere rampen te bevrijden, want het schijnt volgens verborgen wetten in de natuur der dingen te liggen, dat de vrijwillige dood van een rechtvaardig mensch ten algemeenen nutte de macht der booze geesten breekt, c. Cels. I 31. De christelijke theologie haalde dan ook menigmaal de voorbeelden van Codrus, Curtius, Kratinus, Zaleucus, Damon en Phintias en de gijzelaars aan, om daarmede het plaatsvervangend lijden van Christus op te helderen. Natuurlijk hebben deze voorbeelden geen andere waarde, dan om te doen zien, dat de idee der plaatsvervanging in de gedachtenwereld van Grieken en Romeinen eene groote plaats innam. Hetzelfde is het geval met de tragedie, wier grondgedachte zeker niet altijd doorSchuld und Sühnemaar wel doorLeidenschaft und Leidis weer tegeven. De dood van den held is in vele treurspelen niet eene eigenlijke verzoening voor begane zonde, maar toch altijd eene verlossing, door eene of andere vergissing, dwaling enz., noodzakelijk gemaakt en daarom ons ten slotte verzoenend en bevrediging schenkend. Maar ook zoo opgevat, verkondigt de tragedie eene groote waarheid: al het menschelijk groote wandelt langs afgronden van schuld, en bevrediging is er eerst dan, als het edele en groote in den dood te gronde gaat. De ondergang van Orestes, Oedipus, Antigone, Romeo en Julia, Max en Thekla, Iphigenie enz., verzoent ons met hen en met hun geslacht;alle menschlichen Gebrechen sühnet reine Menschlichheit(Goethe). En zoo is het ook dikwerf in de historie: de laatste, edele Constantijn is, strijdende en stervende voor zijn volk en land, een zoen voor de gruwelen der Byzantijnsche keizers, en de in vergelijking met zijne voorgangers onschuldige Lodewijk XVI boet in zijn dood voor de zonden van zijn huis. Indien de historie der familiën en geslachten ons bekend was, zou zij ons tal van dergelijke voorbeelden leveren. In hetde mortuis nil nisi beneeeren wij allen de verzoenende kracht van lijden en dood. Ja, alle leven en vreugde hier op aarde is vrucht van smart en dood. Alles leeft van elkanders dood. De graankorrel moet sterven om vrucht te dragen. Wat de een heeft gezaaid wordt door den ander gemaaid. De moeder geeft in barenssmart en soms stervende, het leven aan haar kind. Alle geboorte, ook op het gebied der gedachte en der kunst, is uit duister tot licht. Enkelen werken, strijden, lijden, en anderen genieten van hun arbeid. Wij leven allen van de met inspanning verworven schatten der voorgeslachten. Alle edele goederen der menschheid zijn onder strijd en lijden door enkelen voor allen veroverd. Vooral draagt de liefde een plaatsvervangend karakter; hier op aarde is ze haast niet anders denkbaar dan als mede-lijden,συμπαθεια; wie het meest liefheeft, lijdt het meest. De moeder lijdt om, in, met haar kind; de vader draagt rouw in het hart om de afdwaling van zijn zoon. Natuur en menschheid leeren, dat erstellvertretende Kräftezijn. Cf. boven bl. 135 en voorts nog Maresius, Syst. Theol. X 24. Turretinus, de satisf. 51. Petrus de Witte, Wederl. der Soc. dwal. II 221v. Bushnell,Vicarious sacrifice1866. Dorner, Chr. Gl. II 622. de Maistre,Soirées de St. Petersbourg, éclairc. sur les sacrifices.Al deze voorbeelden en redeneeringen zijn zonder twijfel geschikt,om het plaatsvervangend lijden van Christus eenigermate toe te lichten. Tegenover het individualisme en atomisme, dat de menschheid uiteenrukt en van de mystiek der liefde niet weet, zijn ze van uitnemende waarde. Maar toch zijn ze niet in staat, om het lijden van Christus te verklaren. Velen blijven wel bij deze voorbeelden staan en trachten het lijden van Christus te begrijpen als een natuurlijk gevolg van zijn ingaan in onze zondige gemeenschap, b. v. Schleiermacher, Chr. Gl. § 104, 4. Weisse, Philos. Dogm. § 876. Lange, Dogm. II 840. 841. H. Schultz,Der Begriff des stellvertr. Leidens, Basel 1864 enz. Maar zoo komt de offerande van Christus niet tot haar recht. Wel is menschelijke sympathie voor Christus, en bovenal voor Hem als den heiligen en barmhartigen Hoogepriester, oorzaak van diep, smartelijk lijden geweest, Mt. 8:17, 9:36, 14:14 enz., maar zij is niet de eenige en de voornaamste oorzaak, evenmin als honger en dorst, vervolging van zijne vijanden, verzoeking van Satan, verlating door zijne discipelen. Dan toch ware het lijden voor Christus slechts lijden en geen straf, en Hij zelf niet meer dan een getuige, een martelaar, een lijder geweest, alleen gradueel verschillend van anderen. Maar Christus heeft zelf zijn lijden beschouwd als eene straf, door God om onze zonden op Hem gelegd, Mt. 20:28, 26:28, 27:46, en heel de Schrift leert, dat Hij voor ons tot zonde is gemaakt en een vloek is geworden, 2 Cor. 5:21, Gal. 3:13. Een stap verder gaan zij, die het lijden van Christus op realistische wijze verklaren uit de plaats, die Hij in het menschelijk geslacht inneemt. Hij is n.l. niet een individu naast anderen, maar Centralindividuum; Hij heeft niet een menschelijk persoon maar de menschelijke natuur aangenomen; die natuur droeg de zonde en lag onder den vloek; en alzoo nam Christus met die natuur ook haar schuld en straf op zich. Gelijk Adam daarom onze vertegenwoordiger kon zijn, wijl hij de stamvader was van heel het menschelijk geslacht, zoo is Christus plaatsvervanger van de gemeente, die als zijn lichaam uit Hem als het hoofd wordt geboren en één met Hem is. En evenals wij b. v. op onzen rug worden gestraft om hetgeen wij met onze hand hebben misdaan, zoo is Christus om onze zonden gestraft wijl Hij één met ons is, Thomas, S. Theol. III qu. 48 art. 1. 2. Suppl. qu. 13 art. 2. Shedd, Dogm. Theol. II 57v. 533v. Dale,The atonement, lect. 10. Scott Lidgett,The spiritual principleof the atonement, ch. 7. Sartorius, Lehre v. d. h. Liebe II 67 f. Bilderdijk, Opst. v. godg. en zedek. inhoud, I 1-15 enz. Deze realistisch-mystische opvatting van Christus’ plaatsvervanging is op zichzelve volkomen juist en wordt ook door de Schrift duidelijk geleerd; de geloovigen toch zijn zelven met Christus gekruist, gestorven, begraven, opgewekt en in den hemel gezet, Rom. 6-8, Gal. 2:20, Ef. 2:6, Col. 2:11, 3:3 enz., cf. Holtzmann, Neut. Theol. II 114-121. Wijl Christus niet alleen verzoener maar ook verlosser is, niet alleen objectief de schuld der zonde moest wegnemen maar ook subjectief de macht der zonde moest breken, vormt deze mystieke unie van Christus en de geloovigen in het werk der zaligheid een wezenlijk en onmisbaar bestanddeel. Maar toch is zij niet de eenige en de eerste relatie, welke tusschen Christus en de zijnen bestaat. In de Schrift is zij op de foederale gebouwd; Rom. 6-8 volgt op Rom. 3-5. Wanneer zij daarvan wordt losgemaakt, verliest zij den grondslag, waarop zij rusten moet; gaat zij haar steun zoeken in het pantheisme, dat de herschepping verandert in een proces; en verlegt de objectieve verzoening meer en meer in de subjectieve verlossing; Shedd laat b. v. de toerekening van Christus’ gerechtigheid reeds afhangen van wedergeboorte en geloof, ib. 534, cf. Dale 422 enz. Dan alleen is deze mystieke unie in haar schriftuurlijke beteekenis tegelijk met de objectieve verzoening van Christus’ offerande te handhaven, wanneer Christus allereerst als Hoofd des verbonds wordt beschouwd en in foederalistischen, legalen zin voor de zijnen in de plaats is getreden. Het verbond der genade gaat aan den persoon en de offerande van Christus vooraf. Dat verbond begint toch niet nadat Christus zijn werk heeft volbracht, met den H. Geest, met de weldaden van wedergeboorte en geloof; maar ook Christus zelf staat in dat verbond, Hij is er de borg en de middelaar van, Hebr. 7:22, 8:6, 12:24; zijn bloed is bondsbloed en daarom verzoenend, Mt. 26:28. Ja meer nog, het verbond der genade is niet eerst opgericht in den tijd, maar het heeft zijn grondslag in de eeuwigheid, het rust in het pactum salutis, het is in de eerste plaats een verbond der drie personen in het Goddelijk wezen zelf. Vader en Zoon en Geest zijn alle drie in dat verbond werkzaam; en zoo weinig begint het eerst in den tijd met de werkzaamheid des H. Geestes, dat het veeleer van eeuwigheid in den raad van God drieëenig zijn bestand envastigheid heeft. En daaruit wordt ook de satisfactio vicaria van Christus verklaard. Zij berust op eene ordinantie, op eene vrije, almachtige, genadige beschikking Gods. Dat wil volstrekt niet zeggen, dat zij willekeurig en onredelijk is. Allerlei verhoudingen in natuur en menschheid bieden analogie van de plaatsvervanging bij Christus. Maar analogie is hier en kan hier, evenmin als bij Adam, boven bl.129v. identiteit zijn. Beiden nemen in de menschheid eene eigenaardige plaats in; zij alleen zijn hoofden van heel het menschelijk geslacht; hun invloed en werking breidt tot alle plaatsen en tijden zich uit. En boven Adam staat Christus nog weer. Want Adam was vertegenwoordiger, Christus is plaatsvervanger der menschheid. Adam handelde in onzen naam maar nam niets van ons over; Christus kwam tot ons, stelde zich in onze plaats, droeg onze schuld en straf en verwierf onze gerechtigheid. Adam was hoofd van een verbond der werken, dat wankel was; Christus is hoofd van een beter verbond, dat van geen wankelen weet. Adam was een mensch, schoon zonder zonde, aardsch uit de aarde; Christus was het vleeschgeworden Woord, de Eengeborene van den Vader, vol van genade en waarheid, de Heer uit den hemel. Adam bedierf wat goed was, Christus herstelde en volmaakte wat bedorven was. Zoover als het genadeverbond het verbond der werken, en het evangelie de wet te boven gaat, zoo hoog staat Christus boven Adam. Zijne satisfactio vicaria is zelfs niet naar het verbond der werken met zijne wet te begrijpen; zij is wel niet contra legem, want zij bevestigt de wet, maar zij is toch supra legem en gaat alle onze gedachten zeer verre te boven. Zij is tot geen algemeenen regel terug te brengen noch door eene algemeene wet te verklaren, want zij is geen verschijnsel naast andere, maar zij is een concreet feit, geheel eenig in de geschiedenis der menschheid, door niets verklaard en zelf alles verklarend, rustend in eene bijzondere ordinantie Gods. En deze ordinantie Gods is geen geisoleerd wilsbesluit, maar draagt een verbondmatig karakter. De satisfactio vicaria heeft haar grondslag in den raad van God drieëenig, in het leven der hoogste, der volmaakte en eeuwige liefde, in het onwankelbaar verbond der verlossing. Naar de ordinantiën van dat verbond neemt Christus de plaats der zijnen in en wisselt Hij hunne zonde tegen zijne gerechtigheid, hun dood tegen zijn leven in.Ὠ της γλυκειας ἀνταλλαγης, ὠ της ἀνεξιχνιαστου δημιουργιας,ὠ των ἀπροσδοκητων εἰεργεσιων, ἱνα ἀνομια μεν πολλων ἐν δικαιῳ ἑνι κρυβῃ, δικαιοσυνη δε ἑνος πολλους ἀνομους δικαιωσῃ, Ep. ad Diogn. 9. Cf. A. A. Hodge,The atonement198 etc. Hugh Martin,The atonementp. 9 etc.17. Deze gehoorzaamheid heeft Christus volbracht in heel den staat zijner vernedering. De formeele behandeling van de leer der twee staten kwam bij de Lutherschen op, om de communicatio idiomatum met Jezus’ vernedering in overeenstemming te brengen, maar werd spoedig ook door de Gereformeerden overgenomen, Olevianus, Subst. foed. II 5. Polanus, Synt. VI c. 13. Junius, Theses Theol. c. 29. Synopsis pur. theol. c. 27. 28 enz. Sedert Schleiermachers kritiek, Chr. Gl. § 105, is zij echter òf geheel prijsgegeven òf belangrijk gewijzigd. Zij, die het voorbestaan en de opstanding van Christus ontkennen, hebben bij deze leer ook geen belang meer, Biedermann, Chr. Dogm. § 824 f. Lipsius, Dogm. § 567 f. Anderen, die deze getuigenissen der Schrift aannemen, hebben haar dikwerf omgezet in eene beschrijving van de allengs zich voltooiende menschwording van den Logos, of van de Godmenschelijke ontwikkeling en volmaking van Christus; zijne vernedering wordt dan opgevat als eine stete Erhöhung seines inneren Lebens, welke de verhooging vanzelve ten gevolge had, Martensen § 139 f. Dorner § 104. Lange II 635. Rothe, Ethik § 533 f. De leer der twee staten wordt door eene biographie van Jezus vervangen, die echter met het oog op de bronnen onmogelijk, met het oog op den persoon ongeoorloofd is en daarom altijd op eene valsche tegenstelling uitloopt tusschen den historischen Jezus en den apostolischen Christus, Strauss, Leben Jesu 1864 § 1. Weiss, Leben Jesu I 180. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III13. 63. Kähler, Der sogen. histor. Jezus und der geschichtliche, bibl. Christus 1892. Id. Zur Lehre v. d. Versöhnung 68 f. Kuyper, Enc. III 158. Er is geen scheiding te maken tusschen een vita Christi en een officium Christi, gelijk Ebrard wil, Dogm. § 408. Zijn gansche leven stond in dienst van het ambt, waartoe Hij door den Vader aangesteld en in de wereld gezonden was. Het dogma der apostolische prediking is de eenige sleutel, om de evangelische overlevering van Christus te ontsluiten; het eenige middel, om ons een beeld vol leven van den Heiland der wereld te verschaffen, Kähler, Versöhnung 69. Christus heeft geen oogenblikvoor zichzelf geleefd, Rom. 15:3, maar altijd voor zijne gemeente, om haar een voorbeeld te geven, Mt. 11:29, Joh. 13:14-16 enz., om haar te dienen en zijn leven te geven tot een rantsoen voor velen, Mt. 20:28, om zijn genade en waarheid, zijn licht en zijn leven haar mede te deelen, Joh. 1:16, 6:33v., Col. 3:4. De menschwording zelve was reeds eeneκενωσις, daarin bestaande, dat Hij, dieἐν μορφῃ θεου ὑπαρχων οὐχ ἁρπαγμον ἡγησατο το εἰναι ἰσα θεῳ, d. i., die in de gedaante Gods, op dezelfde wijze als God bestond en dit niet hield voor iets geroofds of aangematigds, toch van deze Goddelijke bestaanswijze afstand deed en deμορφη δουλουaannam, zoodat Hij waarlijk aan een mensch gelijk werd en in gedaante als een mensch bevonden werd, Phil. 2:7, 8, 2 Cor. 8:9, cf. Weiffenbach,Zur Auslegung der Stelle Phil. 2:5-11, Karlsruhe u. Leipzig 1884. In de verwisseling derμορφη θεουmet deμορφη δουλου, van de Goddelijke bestaanswijze met de menschelijke bestond zijneκενωσις, exinanitio. En zoodra deze had plaats gehad, begon zijneταπεινωσις, humiliatio, daarin bestaande, dat Hij Gode gehoorzaam was en bleef tot den dood toe. Heel het leven van Christus van de ontvangenis af tot den dood toe was dus eene vernedering ten gevolge van zijne gehoorzaamheid, een steeds dieper ingaan in de gemeenschap onzer zonde en een steeds verder zich verwijderen van de hemelsche vreugde. Zijne besnijdenis, Luk. 2:21, strekte tot bewijs, dat Hij waarachtig mensch en Abrahams zaad was, dat Hij als zoodanig stond in de gemeenschap onzer zonde en het teeken der afsnijding van die zonde ontvangen moest, en dat God zijn God en Hij Gods Zoon was. Zijn doop, dien Hij als de Heilige evenmin als de besnijdenis voor zichzelf van noode had, Mt. 3:14, geschiedde, omdat het Hem als middelaar betaamde,πληρωσαι πασαν δικαιοσυνην, al het recht der wet te voldoen en de gansche, volle gerechtigheid aan te brengen, die de wet van Hem eischte; omdat Hij als zoodanig in de gemeenschap der zondaren staande, het teeken en zegel zijner gemeenschap met God ontvangen moest, als de Zoon, in wien de Vader al zijn welbehagen had; en omdat Hij met den H. Geest gezalfd en bekwaamd en alzoo ingewijd moest worden tot zijn openlijk optreden als de Christus die zelf alleen doopen kan met den H. Geest en met vuur, Mt. 3:11-17, cf. parall., Hd. 10:38, Bornemann,Die Taufe Christi durch Joh. in der dogm.Beurteilang der christl. Theologen der vier ersten Jahrh., Leipzig 1896. De verzoeking, die terstond na den doop plaats had en voorts telkens tot in Gethsemane toe zich herhaalde, cf.ἀχρι καιρου, Luk. 4:13, Joh. 12:27, Mt. 26:39, Hebr. 4:15, 5:7, 1 Petr. 2:23, had ten doel, dat Christus, die zoo pas het teeken en zegel van zijn gemeenschap met God en de gaven des H. G. ontvangen had, deze gemeenschap ook tegenover alle verleiding van Satan en wereld zou handhaven, als de tweede Adam het verbond met God niet verbreken maar voor zich en de zijnen in stand houden en bevestigen zou, en als de barmhartige Hoogepriester, in alles verzocht zijnde als wij, ons in onze zwakheden en verzoekingen zou ter hulpe komen. Al de woorden en werken, welke Christus gedurende zijn leven gesproken en gedaan heeft, zijn eene uitvoering van Gods wil, Joh. 5:19v., 6:38 en hebben ten doel, om den naam, de deugden, den raad en het welbehagen Gods beide in wet en evangelie bekend te maken, Mt. 11:27, Joh. 1:18; om zijne priesterlijke barmhartigheid te toonen aan alle armen, kranken en verlorenen, Mt. 8:17, 11:5; om zijne koninklijke macht te bewijzen over Satan, wereld, zonde en al hunne werkingen. Luk. 10:18, Joh. 12:31, 14:30, 16:33, 18:37. Het lijden van Christus, dat met zijne menschwording begint maar in de passio magna zich voltooit, is de wil en het gebod van den Vader, Mt. 26:39, 42, Joh. 10:17, 18, bewijs van zijne volstrekte gehoorzaamheid, Phil. 2:8, Hebr. 5:8, en voor de zijnen tot een voorbeeld voor hun leven, 1 Petr. 2:21, tot een rantsoen voor hunne zonden, Mt. 20:28, 26:28, tot eene overwinning der wereld, Joh. 16:33, Col. 2:15. Zijne veroordeeling, niet alleen door het sanhedrin maar ook door den wereldlijken Romeinschen rechter Pontius Pilatus geschiedde daartoe, dat Hij niet heimelijk door een sluipmoord of in een oproer sterven zou, maar naar de uitspraak van het toenmaals beste en deugdelijkste recht, na behoorlijk onderzoek, openlijk, in den weg des rechts gedood zou worden, en dat daarbij èn zijne persoonlijke onschuld, Mt. 27:18-24, èn de grond van zijne veroordeeling, n.l. zijne belijdenis, de Zone Gods en de Messias Israels te zijn, Mt. 26:63, 27:11, èn de wil van God, Hd. 2:23, 4:27, 28, èn het karakter van zijn dood als een sterven voor anderen, Mt. 20:28, duidelijk en onwedersprekelijk voor aller oog in het licht zouden treden. De dood der kruisiging,crudelissimum teterrimumque supplicium, engewoonlijk slechts op slaven en erge misdadigers toegepast, had deze beteekenis, dat Christus, in naam der wet tot de schrikkelijkste en smadelijkste straf veroordeeld zijnde, aan den strengsten eisch der wet heeft voldaan, als een gehangene Gode tot een vloek is geworden, maar daardoor ook de vervloeking der wet van ons heeft weggenomen, Deut. 21:23, Gal. 3:13, en van alle kwaad, waartoe de wet ons om onze zonden veroordeelt, volkomen heeft bevrijd; het kruis is daarom het middelpunt en de kern van het evangelie, 1 Cor. 1:23, 2:2, Gal. 6:14. Het bloed dat Christus vergoot—non infirmitate, sed potestate mortuus est, Aug., de nat. et gr. 26—bewijst, dat Hij zijn leven vrijwillig Gode heiligde, dat Hij het bracht als eene offerande, en daardoor de verzoening en den vrede tot stand bracht, Mt. 26:27, Hd. 20:28, Rom. 3:25, 5:9, Ef. 1:7, Col. 1:20, Hebr. 9:12, 22. Ten slotte heeft ook de begrafenis van Christus eene bijzondere beteekenis; zij wordt herhaaldelijk vermeld, Jes. 53:9, Mt. 12:40, 27:59, 60, Luk. 11:29, 23:53, Joh. 19:40-42, Hd. 13:29, 1 Cor. 15:3, 4. Ze is niet alleen bewijs daarvan, dat Hij waarlijk gestorven en dus ook uit den dood opgestaan is, maar hare beteekenis ligt vooral hierin, dat Christus, ofschoon zijn geest overgevende in de handen zijns Vaders, die Hem opnam in het paradijs, Luk. 23:43, 46, toch drie dagen verkeerd heeft in den staat des doods, tot het rijk der dooden behoord heeft, en alzoo de straf der zonde, Gen. 3:19, ten volle gedragen heeft. Aan dien staat des doods, den Hades, is Hij niet overgelaten, zijn vleesch heeft geen verderfenis gezien, Hij is immers ten derden dage opgewekt; maar Hij heeft dan toch in den Hades verkeerd, Mt. 12:40, Hd. 2:27, 31.
11. De Socinianen en hunne geestverwanten echter hebben deze noodzakelijkheid der voldoening zeer ernstig bestreden; hunne argumenten komen alle hierop neer, dat recht en genade, voldoening en vergeving, en dus verder ook wet en evangelie, Oud en Nieuw Testament, schepping en herschepping enz., met elkander in strijd zijn en elkander uitsluiten. De christelijke religie is n.l. volgens hen de absoluut geestelijke en zedelijke religie, van alle natuurlijke en zinnelijke elementen bevrijd. God is niet te denken als Rechter maar als Vader; straffende gerechtigheid, heiligheid, haat, toorn tegen de zonde zijn geen deugden in God maar alleen de liefde. De O. T. religie stond nog op het standpunt der wet, vatte de verhouding van den mensch tot God als rechtsverhouding op; het farizeisme dreef dit op de spits en Paulus bediende zich nog van dit farizeesch spraakgebruik en bestreed de farizeesche combinatie van wetsvervulling, gerechtigheid en loon niet. Maar toch leidt Paulus de onvervulbaarheid der wet niet af uit des menschen zondigheid doch uit de natuur der wet zelve, die niet dient om leven te geven maar om de zonde te vermeerderen. De christelijke religie vat hij dus toch zuiver als Erlösungsreligion op, als genade, vergeving, geloof. En dat is zij inderdaad. Zij is enkel religieus-ethisch, heeft geen kosmische, juridische, metaphysische bestanddeelen meer, zij is enkel heilsleer, en al het andere, de leer van God, den mensch, de zonde, de wereld enz., moet van uit dit standpunt, christologisch en soteriologisch, herzien en omgewerkt worden. De staat is de sfeer des rechts, maar religie en recht staan lijnrecht tegenover elkaar. Cf. boven bl. 322v. en voorts Wegscheider, § 142. Hofstede de Groot, De Gron. Godg. 181. Scholten, L. H. K. II 46v., 57v. Schweizer, Gl. der ev. ref. K. § 63 f. Christl. Glaub. § 94 f. Pfleiderer, Paulinismus286-110, 150-159. Holtzmann, Neutest. Theol. II 108 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III28-14, 223-265. Kaftan, Dogm. 544 f. v. Hartmann, Religionsphilos. I 546 f. Heel deze tegenstelling is echter valsch en is in de christelijke theologie altijd alsmarcionitisch verworpen. Ten eerste toch is het onwaar, dat gerechtigheid en genade (liefde) in God eene tegenstelling zouden zijn; niet alleen kent heel de Schrift aan God ook de deugden van gerechtigheid, heiligheid, toorn en haat tegen de zonde toe,dl. II195v., maar de genade onderstelt zelfs de gerechtigheid in God en is zonder haar niet te handhaven. Immers, genade is die deugd in God, waardoor Hij om eene of andere reden van zijn recht afstand doet; indien Hij alzoo niet als de rechtvaardige en heilige recht heeft om te straffen, kan er bij Hem van genade geen sprake zijn. Evenzoo is de hoogste liefde in God, d. i. de vergevende liefde, die in Christus is geopenbaard, geen liefde meer, indien de zonde naar Gods rechtvaardig oordeel geen straf verdiende. Wie het recht ontkent, ontkent ook de genade. Ten tweede is recht en religie (zedelijkheid) volstrekt geen tegenstelling. Godsdienst en zedelijkheid zijn zelve een recht, dat God op ons heeft; Hij eischt in zijne wet, dat de mensch Hem liefhebbe boven alles en den naaste als zichzelven. Daarmede worden godsdienst en zedelijkheid niet verlaagd of veruitwendigd, maar integendeel in hun ware beteekenis gehandhaafd. God wil, dat de mensch Hem liefhebben zal met geheel zijn hart en met geheel zijn verstand en met al zijne krachten; Hij eischt den ganschen mensch voor zijn liefdedienst op. Godsdienst en zedelijkheid zouden niet kunnen bestaan, indien zij niet wortelden in het recht Gods op zijn schepsel. De zedelijke orde wordt in dezen zin door de rechtsorde gedragen. Veel dieper dan het religieus en het ethisch bewustzijn wortelt in den mensch nog het rechtsgevoel. Zelfs bij hen, die allen godsdienst en alle zedelijkheid hebben uitgeschud, leeft het dikwerf nog krachtig op. En wel is het waar, dat de volmaakte mensch God en den naaste liefheeft spontaan en naar de inspraak zijner heilige natuur; maar dit verandert niets aan het feit, dat juist die dienst uit liefde met Gods wet overeenkomt en daarin voorgeschreven wordt. De zedewet is wel ter dege een eisch en een recht Gods, al is het dat zij den ganschen mensch opeischt en een dienst in geest en waarheid verlangt. Want gelijk godsdienst en zedelijkheid wortelen in een recht Gods, zoo is omgekeerd dat recht Gods geen abstracte, formeele willekeur, maar juist in Gods natuur gegrond; de rechtsorde draagt zelve weer een ethisch karakter en vindt in de zedelijke orde bevestiging en steun,deel II201. Ten derde is daarom de bewering onjuist,dat de zedelijke wereldorde eerst door de zonde eene wettelijke geworden is, Kaftan, Dogm. 370. 545. Wettelijk is ze wel voor den mensch door de zonde geworden, in dien zin, dat de liefde tot God en den naaste thans als een gebod buiten en tegenover hem staat, waaraan hij niet beantwoorden kan, dat hij overtreden heeft, en welks straf hij verdient. Maar wettelijk is ze niet door de zonde geworden, als zou zij niet rusten in een recht en een wet Gods. De Luthersche theologie heeft dit wel alzoo geleerd,deel II556. 558, maar de Gereformeerde heeft anders en beter geoordeeld. De wet is wel ter dege de, ook afgezien van de zonde, in Gods wezen gegronde norma voor heel de zedelijke wereldorde. Deze is zelfs niet denkbaar zonder eene wet. Alle godsdienst en zedelijkheid onderstelt eene wet. Waar geen wet is, is ook geen overtreding. Wie de zedelijke wereldorde van de wet losmaakt, maakt ze objectief en subjectief tot willekeur en graaft het fundament onder haar voeten weg. Ten vierde, wie recht en genade alzoo dualistisch tegenover elkander plaatst, raakt op alle punten met de Schrift in strijd. De status integritatis, als leven van den naar Gods beeld geschapen mensch in overeenstemming met de zedewet, is niet langer te handhaven. Zonde is geen schuld en verdient geen straf, anders dan in het bewustzijn van den zondaar. De wet heeft geen eeuwige maar alleen eene tijdelijke, voorbijgaande, paedagogische beteekenis. Het O. Test. als godsdienst der wet, gaat ons niet meer aan. De leer van de gerechtigheid Gods en van de voldoening in Christus is een joodsch, farizeesch inkruipsel in de theologie van het N. Test. De vergeving der zonden is een subjectief tot inzicht komen, dat zij geen schuld zijn en geen straf verdienen. De heiligmaking is zedelijke, autonome zelfontwikkeling. De kerk is alleen eene religieus-ethische gemeenschap en heeft met recht en wet niets van doen. Onder den schijn van de christelijke religie zuiverder op te vatten, wordt ze van haar hart en kern beroofd. Eindelijk, ten vijfde, indien echter genade, liefde, vergeving geheel onverdiend zijn en alle het vrijwillig afstand doen van een recht onderstellen, dan kan zeer zeker met Socinus,de Christo ServatoreI 1, de vraag nog worden gedaan, of God van dat recht geen afstand kan doen zonder voldoening te eischen; God is toch traag tot toorn, lankmoedig en barmhartig en vergeeft in de Schrift menigmaal, zonder dat er van eenige voldoening sprake is, als er maar oprecht berouwaanwezig is, Deut. 30:1-3, Jerem. 3:13, 14, 18:8, Mt. 18:24v., Luk. 15:11v. Bij deze vraag, indien zij werkelijk ernstig gemeend is, is er dan geen verschil meer de jure maar alleen de facto. Recht had God, om voldoening te eischen; genade en vergeving onderstellen het; alleen is er verschil over, of God die voldoening geeischt heeft. Het zal straks blijken, dat het lijden en sterven in waarheid een satisfactorisch karakter draagt. Tegenover deze werkelijkheid is de vraag naar de mogelijkheid, of God van zijn recht op voldoening geen afstand had kunnen doen, van zeer ondergeschikte beteekenis. Maar in elk geval is het ongeoorloofd, met de vergeving de voldoening te bestrijden, als zou de eene de andere uitsluiten. Want niet alleen worden zij in de Schrift met elkander verbonden, Lev. 4:31, Rom. 3:24-26, Hebr. 9:22, maar zij worden ook in die verhouding tot elkander geplaatst, dat de voldoening juist den weg tot de vergeving ontsluit. Bij geldschulden heft de voldoening de vergeving wel op, wijl het hierbij in het geheel niet aankomt op den persoon, die betaalt, maar alleen op de som, die betaald wordt. Maar bij zedelijke schulden is dat gansch anders. Deze zijn persoonlijk en moeten in den schuldige zelf worden gestraft. Indien hier al een plaatsvervanger toegelaten wordt, dan is het toelaten van zulk een plaatsvervanger en het laten gelden van zijne verdiensten voor die van den schuldige toch altijd eene daad van genade. Voldoening geeft Christus aan God, maar vergeving schenkt God aan ons; de vergeving is niet met het oog op Christus maar met het oog op ons genade. De voldoening van Christus opent voor God den weg, om zonder krenking van zijn recht uit genade de zonden te vergeven en den goddelooze te rechtvaardigen. Indien de zonde van dien aard is, dat recht en gerechtigheid, wet en waarheid niet de minste schade lijden, ook al wordt ze niet gestraft, dan is ook de genade der vergeving niet groot. Maar als de zonde zoo groot is, dat God, eer Hij ze ongestraft liet blijven, met den bitteren en smadelijken dood des kruises aan zijnen lieven Zoon Jezus Christus gestraft heeft, dan komt de rijkdom van Gods genade, de macht zijner vergevende liefde aan het licht. Dan vindt ook de mensch voor zijn beschuldigend geweten in die voldoening rust en troost en kan hij zonder eenige vreeze in de vergeving zijner zonden zich verheugen; want de volkomen genoegdoening waarborgt de volstrekte, onberouwelijke,eeuwige vergeving. Cf. Maccovius, Coll. theol. I 274. Mastricht, Theol. V 18, 35. Turretinus, Th. El. XIV qu. 10, 8. Id.De satisfactionep. 44. Hoornbeek, Socin. Confut. II 629. Petrus de Witte, Wederlegginge der Socin. Dwalingen, Amst. 1662 II 90v. Leydecker, Vis verit. p. 82. Moor III 1031. Shedd, Dogm. Theol. II 382. Martin,The atonement183 etc.
12. Het werk, dat Christus voor de zijnen volbracht, bestond in het algemeen in zijne volstrekte en volmaakte gehoorzaamheid aan Gods wil, Mt. 3:15, 20:28, 26:42, Joh. 4:34, 5:30, 6:38, Rom. 5:19, Gal. 4:4, Phil. 2:7, 8, Hebr. 5:8, 10:5-10 enz. Deze rijke gedachte is in de theologie menigmaal niet tot haar recht gekomen. Het lijden van Christus is dikwerf van de daad der gehoorzaamheid, die zich daarin uitsprak, losgemaakt en alzoo tot voorwerp der vrome bepeinzing gemaakt. In de christelijke kerk zijn achtereenvolgens de martelaren, de monniken, de bedelaars, de geeselaars als de echte discipelen van Jezus beschouwd; ascese en zelfpijniging in allerlei vorm waren de christelijke deugden bij uitnemendheid; de navolging van Christus bestond in een copiëeren en nabootsen van daden en toestanden uit zijn leven, bepaaldelijk uit zijn lijden; Christus was de groote lijder, de verheven martelaar, wiens lijden voorwerp van contemplatie en imitatie moest zijn, Zöckler, Askese und Mönchthum, I 1897 S. 145 f. Moll, Joh. Brugman II 1-97. Bij Anselmus bestond de voldoening van Christus, daar Hij tot gehoorzaamheid aan Gods wet al voor zichzelf verplicht was, alleen in zijn lijden en sterven, dat door Hem als een opus supererogationis aan zijn leven toegevoegd en als een vrijwillig geschenk aan den Vader aangeboden werd. De Roomsche theologie spreekt zich over de actieve gehoorzaamheid van Christus niet eenstemmig en ondubbelzinnig uit. Trente maakt wel melding van de sanctissima passio van Christus, VI c. 7, maar de theologen verwerpen ze geheel of vatten ze toch zoo op, dat Christus niet in onze plaats de wet Gods vervuld heeft, Bellarminus, de justif. I 2, de Christo V 9. Bossuet, Gesch. der veranderingen v. d. Prot. kerken, vert. door Berends 1829 II 340. Scheeben, Dogm. III 321. 341. Ook onder de Protestanten komen bij Mystieken, Wederdoopers, Herrnhutters enz., opvattingen van het lijden van Christus als Etwas Sachliches voor, die aan zijne actieve gehoorzaamheidte kort doen. Zelfs Parsimonius en Piscator loochenden haar, wijl Christus reeds voor zichzelf tot deze gehoorzaamheid verplicht was en deze gehoorzaamheid dus wel eennecessarium requisitum personalewas, ons ten goede, nostro bono, maar geen bestanddeel van zijne voldoening, nostro loco volbracht; omdat de H. Schrift altijd aan het lijden en sterven van Christus alleen onze gansche zaligheid, beide de vergeving der zonden en het eeuwige leven, verbindt; en omdat de geloovigen, ook al hebben zij de vergeving en het eeuwige leven, toch tot onderhouding der wet verplicht blijven. De Lutherschen zagen hierin Nestorianisme en zeiden, dat de persoon van Christus naar beide naturen Heer der wet was en dus ook niet als mensch vanzelf voor zijn persoon aan de wet onderworpen was, Gerhard, XVI 57. 59. Quenstedt III 284. Schneckenburger, Zur kirchl. Christol. 58-73. Ritschl, Rechtf. u. Vers I2274. Maar de Gereformeerden konden alzoo niet spreken, wijl Christus als waarachtig mensch wel zeker verplicht was, om de wet te onderhouden, en God lief te hebben boven al en den naaste als zichzelf. Toch verwierpen zij terecht het gevoelen van Piscator. Want ten eerste, de H. Schrift vat heel het leven en werk van Christus op als één geheel en maakt nooit scheiding tusschen eene obedientia vitae, die Hij voor zichzelf, en eene obedientia mortis, die Hij voor ons volbracht. Het is één werk, dat de Vader Hem heeft opgedragen en dat Hij in zijn dood ten einde brengt, Joh. 4:34, 17:4, 19:30. Zijn dienen voltooit zich in het geven zijner ziel tot een losprijs voor velen, Mt. 20:28. Zelfs Paulus, die allen nadruk legt op het kruis van Christus, ziet in zijn dood niet zijne gansche maar de voleindiging zijner gehoorzaamheid. Hij is geworden onder de wet, Gal. 4:4, in gelijkheid des zondigen vleesches, Rom. 8:3, heeft niet geleefd ten gevalle van zichzelven,οὐχ ἑαυτῳ ἠρεσεν, Rom. 15:3, heeft bij zijne menschwording zich al vernietigd en de gestalte van een dienstknecht aangenomen, heeft zich voortdurend vernederd en is gehoorzaam geworden tot den dood toe,μεχρι θανατου, Phil. 2:7, 8, 2 Cor. 8:9 en zoo is het éénδικαιωμαen ééneὑπακοη, die aan velen deδικαιωσις ζωηςschenkt, Rom. 5:18, 19. Het is daarom geheel met de Schrift in strijd, om het satisfactorisch werk van Christus te beperken tot zijn lijden, of zelfs zooals Jac. Alting deed, Op. V 393-395, cf. echter p. 478-480, tot het lijden gedurende de drie uren duisternis aan het kruis. Hetberoep op plaatsen als Zach. 3:9, Joh. 19:30, Rom. 6:10, Hebr. 7:27, 1 Petr. 3:18, waar gezegd wordt, dat Christus éénmaal, op het hout, geleden heeft en uitgeroepen heeft: het is volbracht, bewijst hiertegen niets, omdat in het lijden en sterven heel het voorafgaande leven van Christus is opgenomen, saamgevat en voltooid, cf. Moor III 985 sq. Mastricht V 11, 34. 18, 29. Witsius, Oec. foed. II 6. Misc. S. II 771. Maresius, Syst. Theol. IX 46. Ex. v. h. Ontw. v. Tol. X 467-471. Veeleer is heel het leven en werk van Christus van zijne ontvangenis af tot in zijn dood toe plaatsvervangend van aard. De aanneming der menschelijke natuur zelve en op zich zelve draagt dit karakter nog niet, omdat alle middelaarswerken de twee naturen onderstellen; maar zijne heilige ontvangenis en geboorte en al zijne heilige werken, zijn in het ééne werk van Christus begrepen, Lombardus, Sent. III dist. 18, 2. Heid. Cat. qu. 36 en 60. Ned. Gel. art. 22, cf. Acta Syn. Dordr. sess. 172. 173. Voetius, Disp. II 282. Schneckenburger, Vergl. Darst. I 91. 122 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I2287. Ten tweede is het zeker waar, dat Christus als mensch, voor zichzelf der wet onderworpen was; alleen maar, zijne menschwording en zijn mensch-zijn is niet voor Hem zelven maar voor ons geschied. Christus is nooit geweest en mag nooit beschouwd als een persona privata, een individu naast en op gelijke lijn met anderen; Hij was van den aanvang af eene persona publica, de tweede Adam, sponsor et caput electorum. Gelijk Adam voor zichzelven zondigde en daardoor schuld en dood op allen laadde, wier representant hij was; zoo heeft Christus door zijne gerechtigheid en gehoorzaamheid de vergeving en het leven voor al de zijnen verworven. Meer nog, zeker was Christus als mensch aan de wet Gods onderworpen als regel des levens; zelfs de geloovigen worden nooit van de wet in dien zin ontslagen. Maar Christus heeft zich nog in eene geheel andere verhouding tot de wet gesteld, n.l. tot haar als wet van het werkverbond. Adam was niet alleen tot onderhouding der wet verplicht, maar de wet werd hem in het werkverbond nog onder eene andere forma voorgehouden, n.l. als weg tot het eeuwige leven, hetwelk hij nog niet bezat. Christus echter had door zijne vereeniging met de Goddelijke natuur het eeuwige en zalige leven. Daarvan deed Hij vrijwillig afstand; Hij heeft zich aan de wet van het werkverbond onderworpen als weg tot het eeuwige leven voor zichen de zijnen. De gehoorzaamheid, die Christus bracht aan de wet, was dus eene gansch vrijwillige. Niet zijn dood alleen, gelijk Anselmus zeide, maar heel zijn leven was eene zelfverloochening, ééne zelfofferande, door Hem als Hoofd in de plaats der zijnen gebracht. Ten derde, dat de geloovigen nog altijd tot onderhouding der wet als regel des levens verplicht zijn, bewijst daartegen niets. Indien dit iets bewees, zou al het satisfactorische uit Jezus’ leven en lijden verdwijnen. Want de geloovigen hebben nog allerlei lijden als gevolg der zonden te dragen, zij worden nog verzocht door Satan en verlokt door de wereld, zij zondigen nog telkenmale en moeten nog sterven enz., en zoo zou Christus hen van niets, noch van de zonde noch van hare gevolgen hebben bevrijd. Jac. Alting redeneerde zoo en zeide daarom, dat Christus de zijnen alleen van den eeuwigen dood door zijne helsche angsten gedurende de drie uren duisternis aan het kruis, maar niet van het lijden, den lichamelijken dood enz. had bevrijd. Maar deze beschouwing van het werk der verlossing is zonder twijfel verkeerd. De verlossing is volkomen, eene verlossing van den ganschen mensch naar ziel en lichaam, van alle zonden en gevolgen der zonde. En deze is volbracht in en door Christus’ leven en sterven. Maar gelijk zijn koninkrijk door Hem onderscheiden is in een onzichtbaar, geestelijk en een zichtbaar, op aarde eens te stichten rijk; gelijk Hij zelf eenmaal gekomen is om te lijden en straks wederkomen zal om te oordeelen levenden en dooden; zoo wordt de verlossing, door Christus aangebracht, langzamerhand uitgewerkt en toegepast, eerst geestelijk, daarna lichamelijk. Nu in deze bedeeling worden de geloovigen geestelijk bevrijd van elke schuld en macht der zonde en hare gevolgen, van wereld, Satan, dood; zij hebben de vergeving der zonden en het eeuwige leven; wet, Satan, dood kunnen hun deze niet meer ontrooven; en eens zullen zij ook uitwendig, lichamelijk van alle zonde en macht der zonde bevrijd worden. De gansche herschepping, zooals ze voltooid zal zijn in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, is vrucht van het werk van Christus. Gelijk het eenzijdig is, om met Alting de vrucht van Christus’ werk alleen in de verlossing van den eeuwigen dood te zien; even eenzijdig is het, om met Ritschl die vrucht tot de geestelijke, ethische heerschappij van den Christen over zonde en wereld in het Diesseits, te beperken. De gansche persoon van Christus, beide met zijne actieve en passievegehoorzaamheid, is de borgtocht voor de gansche verlossing. Cf. over de actieve gehoorzaamheid. Calvijn, Inst. II 16, 5. III 14, 12. Comm. op Rom. 5:19, Gal. 4:4. Gomarus, Theses theol. disp. 19, 9. Junius, Theses theol. 36, 8. Synopsis pur. theol. 29, 35. Turretinus, Th. El. XI 22. XIV 13. Cloppenburg, Op. I 504 sq. Witsius, Oec. foed. II 3, 18 sq. Coccejus,de foedereV 93. Quenstedt, Theol. III 281. Gerhard, XVI 57 sq. Walch, Comm. de obed. Christi activa 1755. Baur,Versöhnung478v. Philippi,Der thätige Gehorsam Christi1841. Id., Kirchl. Gl. IV 2 S. 142 f. Frank, Chr. Wahrheit II 172. Id., Neue kirchl. Zeits. 1892 S. 856. Ritschl, Rechtf. u. Vers I2271 f. A. A. Hodge,The atonement248-264 enz.
13. Terwijl Piscator en vele anderen de obedientia activa van de voldoening uitsloten, komt in de nieuwere theologie de obedientia passiva niet tot haar recht. Nadat Socinianisme en Rationalisme de kerkelijke satisfactieleer aan eene scherpe kritiek hadden onderworpen, trachtten velen in den tegenwoordigen tijd haar nog te handhaven, door ze in mystischen of ethischen zin om te werken, boven bl.327v. De voorstelling is dan in hoofdzaak deze, dat Christus’ lijden en sterven niet noodig was, om aan Gods gerechtigheid te voldoen noch door God als een offer voor onze zonden geëischt werd, maar dat het de consequentie was van zijn leven in gehoorzaamheid aan Gods wil, het bewijs dat Hij in zijn religieus-ethisch beroep Gode getrouw bleef tot in den dood toe, het historisch noodzakelijk gevolg van zijn heilig leven te midden van eene zondige wereld. Tegenover zulke opvattingen, die het lijden en sterven van Christus geheel van den persoon losmaken en alsEtwas Sachlichesop zichzelf stellen, bezit deze voorstelling een onmiskenbaar recht. Christus is toch de getrouwe getuige, Op. 1:5, Hij heeft onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd, 1 Tim. 6:13, zijn lijden en sterven is geen lot maar eene daad, Hij heeft macht, om het leven af te leggen, gelijk om het aan te nemen, Joh. 10:18. Maar toch wordt zij zelve door niet minder ernstige bezwaren gedrukt. 1oReeds dit is van beteekenis, dat de mystische en ethische theorieën bij Jezus alleen van een beroep en niet meer van een ambt spreken. Hierin ligt reeds al het verschil. Indien Christus een beroep uitoefende, dan heeft Hij zelf door zijn aanleg, opvoeding enz. zich daartoe ontwikkeld, staat Hij niet boven maar naast ons, is Hij ons alleenin religieusen en ethischen zin vooruitgestreefd, en kunnen en moeten wij ons zooveel mogelijk naar zijn voorbeeld conformeeren. Is Christus daarentegen gezalfd tot het ambt van profeet, priester en koning, dan is Hij door God aangesteld, heeft van Hem een werk ontvangen om te doen, staat Hij met gezag boven ons, om ons te leeren, om ons voor Gods aangezicht te vertegenwoordigen, om ons te regeeren naar zijnen wil, Martin,The atonement105. 2oGevolg van deze opvatting is, dat het lijden en sterven van Christus totaal onverklaard blijft. Schleiermacher leidde het daaruit af, dat Christus als heilige inging in onze zondige gemeenschap; hij liet het bestaan inMitgefühl mit menschlicher Schuld und Strafwürdigkeiten zag in zijn dood gevolg van zijnEifer für seinen Beruf, Chr. Gl. § 104, 4. Ritschl zegt evenzoo, dat het de trouw aan zijn beroep is, welke Christus tot eene offerande qualificeert; zijn dood was geen offerande maar een onbedoeld gevolg van het conflict tusschen Hem, den heilige, en de zondige menschheid,das Accidens seiner positiven Treue im Berufe, Rechtf. u. Vers. III2525, cf. 415 f. 441 f. II 334 f., Kaftan, Dogm. 565-569. Kühl,Die Heilsbedeutung des Todes Christi190 f. De Groninger Godgeleerden zagen in den dood van Christus eene zaak, door de menschen gedaan, door Jezus geleden en door God toegelaten, en vatten hetδειin Mt. 16:21, Mk. 8:31, Luk. 9:22 in zedelijken zin op, Pareau et H. de Groot, Lineam. theol. christ. ed. 3 p. 153. H. de Groot, De Gron. Godg. 181. Eene theorie nu, die het lijden en sterven van Christus voor toevallig verklaart, is daarmede reeds ten volle geoordeeld. 3oDe Schrift toch zegt duidelijk, dat Jezus’ lijden en sterven van te voren bepaald en noodzakelijk was. Wel tracht men in den nieuweren tijd aan te toonen, dat Jezus eerst blijde en met groote verwachtingen onder zijn volk optrad en de noodzakelijkheid van zijn dood eerst inzag sedert den dag te Cesarea Philippi, Mt. 16:20v., ten gevolge van de vijandschap, die zich langzamerhand tegen zijn persoon ontwikkelde, b. v. Holtzmann, Neut. Theol. I 284-295. Maar Kähler noemt dit terecht eene sage. Het Messiasbewustzijn, dat Jezus blijkens zijn doop door Johannes van zijn optreden af aan bezat; de naam Menschenzoon, dien Hij met klare bewustheid en eene bepaalde bedoeling zich toekende; de toepassing op zichzelven van Jesaja’s profetie, Luk. 4:21; de voorspelling, dat Hij als de bruidegom van zijnediscipelen zou weggenomen worden, Mk. 2:20; de vergelijking van zichzelven met Jona, Mt. 12:40 en bij de slang in de woestijn, Joh. 3:14; de prediking van het koninkrijk der hemelen in geestelijken zin, van de zelfverloochening en het kruisdragen, van den haat en de vijandschap der wereld, Mt. 5, 10, 11:16v., 12:25v., bewijzen overvloedig, dat voor Jezus’ bewustzijn de dood van het begin af vaststond als het doel van zijn leven; zoo had Hem de profetie onderwezen, Nösgen, Gesch. d. neut. Offenbarung I 1891 S. 395 f. Kähler,Zur Lehre v. d. Versöhnung1898 S. 159 f. De dag van Cesarea Philippi bracht alleen deze verandering, dat Jezus openlijk aan zijne discipelen verkondigde, dat Hij de Messias was, dat Hij overgeleverd zou worden en ten derden dage zou opstaan, Mk. 16:21, Mk. 8:31, Luk. 9:22. En Hij zegt erbij, dat dit alzoomoetzijn, niet omdat Hij zedelijk verplicht was om te sterven of zoo alleen trouw aan zijn beroep kon blijven, want eene zedelijke verplichting, om overgeleverd, gedood en zelfs opgewekt te worden, bestaat niet, maar wijl het alzoo in Gods raad was bepaald en in de Schrift was voorzegd, Mt. 26:54, Luk. 22:22, 24:26, 44, 46, Joh. 3:14, 7:30, 8:20, 10:18, 11:9, 12:23, 17:1, 20:9, Hd. 2:23, 4:28, 1 Cor. 15:3, cf. Scholten, L. H. K. II 45. 4oDe beide teksten Mt. 26:39 en Hebr. 5:7 zijn hiermede geenszins in strijd. Volgens Hebr. 5:7 bad Hij niet om bevrijding van den dood, alsof Hij dezen niet als noodzakelijk erkend had; want er staat duidelijk, dat zijn gebed, niettegenstaande zijn dood, door God verhoord is; maar Christus bad, dat Hij in den dood niet mocht omkomen maar daaruit gered en opgewekt en verheerlijkt mocht worden; Hij kwam juist, om door zijn sterven Gods wil te doen en heiligde ons door dien wil, Hebr. 10:5-10. Dit werpt licht op Mt. 26:39-42; Jezus bidt daar niet naar zijn wil, welken Hij juist aan dien des Vaders onderwerpt, maar naar de geneigdheid, welke der menschelijke natuur is ingeschapen om eigen verderf te ontvlieden, Kantt. St. Vert.; Hij ziet tegen den dood als dood op, maar bidt juist, dat God Hem sterken moge, om in zijn sterven Gods wil te doen, dat Gods wil niet alleen aan Hem maar door Hem geschieden moge. 5oHet lijden en sterven van Christus neemt in de Schrift zulk eene plaats in, dat het niet als het accidens van zijne beroepstrouw kan worden opgevat. Aan de beschrijving daarvan is hetgrootste gedeelte der evangeliën gewijd. En het wordt niet beschreven als een martelaarschap maar als een gericht Gods, als de wil des Vaders, als de offerande eens priesters. Hij sterft niet voor zijn geloof, maar wordt rechterlijk veroordeeld, wijl Hij beweert, de Zone Gods, de Messias te zijn. Hij gaat niet verheugd den dood te gemoet, maar is ontroerd, bedroefd, verbaasd, beangst tot den dood toe en is in zwaren strijd, zoodat zijn zweet werd gelijk druppelen bloeds, Mt. 26:37, 38, Mk. 14:33, Luk. 22:44, Joh. 12:27,Si la vie et la mort de Socrate sont d’un sage, la vie et la mort de Jésus sont d’un Dieu(Rousseau). In de prediking der apostelen is het kruis van Christus het middelpunt en de oorzaak van alle heilsweldaden. Veel meer dan op het leven, valt op den dood van Christus de nadruk; en die dood wordt altijd in verband gebracht met onze zonden; om der zonden wil is Christus gestorven en daardoor heeft Hij voor de zijnen de gerechtigheid en het leven verworven. Al mag dat lijden en sterven niet losgemaakt worden van den persoon, het is toch bepaald door God als zoodanig gewild, door den Zoon volbracht; het vormt in het leven van Christus niet een toevallig, alleen door de omstandigheden noodzakelijk geworden, maar een wezenlijk, onmisbaar bestanddeel; daardoor in de eerste plaats is de verzoening der zonden, de gerechtigheid en de zaligheid verworven. 6oWel wordt daartegen ingebracht, dat God niet propter maar alleen per Christum de weldaden van het verbond der genade ons schenkt; zoo vroeger reeds Socinus e. a. en thans b. v. Scholten, L. H. K. I 20 II 426v. Gottschick, Propter Christum, Zeits. f. Theol. u. Kirche 1897 S. 352-384. De Lutherschen schiepen er zelfs behagen in om de Gereformeerden te beschuldigen, dat zij krachtens hun praedestinatieleer de voldoening van Christus moesten loochenen en Hem alleen konden beschouwen als causa instrumentalis der zaligheid; de Gereformeerden zeiden immers ook zelven, dat Christus niet fundamentum en causa electionis was,deel II380; de verkorenen waren al voorwerp van Gods liefde, eer Christus als hun middelaar was aangewezen en waren verkoren niet om maar in en tot Christus, Gerhard, Loc. XVI de justif. § 36. Schneckenburger, Zur kirchl. Christol. 1848 S. 45 f. Id. Vergl. Darst. II 264 f. Schweizer, Gl. d. ev. ref. K. II 379. 389. Maar deze beschuldiging is onwaar. Christus is zeer zeker bewijs en openbaring van de liefdedes Vaders; logisch gaat onze verkiezing tot zaligheid aan zijne verkiezing tot middelaar vooraf; God is dus niet eerst door Christus bewogen, om zondaren lief te hebben. Maar hierin bestaat juist de liefde Gods, dat Hij dat heil, hetwelk Hij zondaren wil schenken, in den tijd voor hen laat verwerven door zijn eigen Zoon, en het alzoo hun schenkt in overeenstemming met zijne gerechtigheid. Gods genade doet dus de genoegdoening en de verdienste van Christus niet te niet, maar is juist de laatste grond voor die verdienste,quia mero beneplacito mediatorem statuit, qui nobis salutem acquireret, Calv. Inst. II 17, 1.Imo quia prius diligit, postea nos sibi reconciliat, ib. 16, 3.Jam nos diligenti reconciliati sumus, ib. 4. En deze beide, Gods liefde en de voldoening van Christus, moesten en konden daarom samengaan, wijl wij tegelijk als schepselen het voorwerp van zijne liefde en als zondaren het voorwerp van zijn toorn waren, ib. 3. Zoo is het dus louter genade, uit welke God de zonden vergeeft, Hij doet het om zijns zelfs, om zijns grooten naams wille, Jes. 43:23-25, Ezech. 36:21, Ef. 1:17, 1 Joh. 2:12, maar dit is zoo weinig daarmede in strijd, dat God ons de zonden om Christus’ wil vergeeft, dat de naam Gods ons eerst in Christus is geopenbaard. Dat God de zonden vergeeft en het leven schenkt alleen uit genade, om zijns zelfs wil en niet om iets dat in ons is, dat heeft Christus ons verkondigd, dat heeft Hij ons verworven. De vergeving uit genade, als gezindheid in God eeuwiglijk aanwezig en aan de verkiezing en zending van Christus voorafgaande (amor benevolentiae), is toch eerst door Christus’ offerande in den tijd mogelijk gemaakt (amor complacentiae). De weldaden zelve zijn door Christus verworven, al is de genegenheid, om ze te schenken aan de uitverkorenen, van alle eeuwigheid in God aanwezig geweest. Christus is tot zonde gemaakt, opdat wij zouden zijn rechtvaardigheid Gods in Hem. Hij is geworden uit eene vrouw en geworden onder de wet, opdat Hij ons van den vloek der wet verlossen zou en wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden. Gelijk Adam de oorzaak is van zonde en dood, zoo is Christus de bron van gerechtigheid en leven, Mt. 20:28, 27:28, Joh. 1:18, 15:13, Rom. 5:12v., 1 Cor. 15:21, 22, 2 Cor. 5:19-21, Gal. 3:13, 4:4, 1 Joh. 4:9. Zoo verstaan, is de uitdrukking, dat God ons de zonden vergeeft en het eeuwige leven schenkt propter Christum, om Christus’ wil, schriftuurlijk en doorde gansche Christenheid geleerd, ook door de Gereformeerden, Calvijn, Inst. II 16 en 17. Comm. op Joh. 15:13, Rom. 5:10, 2 Cor. 5:19, 1 Joh. 4:19 enz. Ned. Gel. art 21. 22. 23, cf. Scholten, L. H. K. I 20. Heppe, Dogm. d. d. Prot. I 190. Heid. Cat. qu. 37. Petrus de Witte, Wederl. der Soc. dwalingen II 170v. Mastricht, Theol. V 18, 20. 41v. Maresius, Syst. Theol. IV 40 X 30. Turretinus, de satisf. p. 7. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I2265 f. Eindelijk 7o, de mystische en de moreele theorie raken op alle punten met de Schrift en met de christelijke religie in strijd. De eerstgenoemde acht het wezen der religie gelegen in de mystische eenheid van God en mensch. Deze is door de zonde verstoord maar door Christus hersteld en wel niet zoozeer door wat Hij doet als wel door wat Hij is, door zijn persoon meer dan door zijn werk, door zijne geboorte meer dan door zijn kruis. Hoe die mystische eenheid van God en mensch nu door Christus hersteld is, is op dit standpunt moeilijk te zeggen. Hegel zeide, dat die eenheid objectief bestaat, maar door Christus het eerst duidelijk ingezien en uitgesproken is. Schleiermacher stelt het zoo voor, dat Christus, eerst ingaande in onze zondige gemeenschap, daarna ons opneemt in de gemeenschap van zijne heiligheid en zaligheid. De bemiddelingstheologie drukt zich dikwerf zoo uit, dat Christus een nieuw Godmenschelijk leven ons instort. Al deze wijzen van voorstelling zijn afkomstig uit het pantheisme en zijn, zonder dit wijsgeerig stelsel, eenvoudig onverstaanbaar. De moreele theorie gaat uit van de gedachte, dat God geen voldoening eischt maar in zijne liefde ons Christus gaf, opdat deze door zijne leer, leven en sterven ons van Gods liefde verzekeren, ons in onze vijandige gezindheid veranderen en van de zonde afschrikken zou. En ook de gouvernementeele theorie van Grotius ziet in God den Rector mundi, die persoonlijk wel zou kunnen en willen vergeven, doch in het belang der wereldorde de zonde exemplair, tot een afschrik voor anderen, straffen moet. Bij al deze theorieën nu kan men nog wel van Christus als Zone Gods, van zijn priesterschap en offerande blijven spreken, maar men spreekt dan in figuurlijken zin, gebruikt de woorden in ongewone beteekenis en geeft aanleiding tot misverstand. Immers is het duidelijk, dat in het pantheisme en het deisme voor den Christus der Schriften geen plaats is. Het hoogepriesterschap van Christus verandert dan in een martelaarschap, zijne offerande in een voorbeeld, dechristelijke religie in eene paedagogiek en de kerk in eene school. Gerechtigheid is geen deugd Gods, maar alleen in den staat op hare plaats. Zonde is geen schuld en straf geen rechtsherstel. De mensch is niet zoo boos, of hij kan door een zedelijk voorbeeld, door een schok of een indruk, ten goede veranderd worden, cf. Ch. Hodge, Syst. Theol. II 566 etc. A. A. Hodge,The atonement, ch. 21. De objectieve voldoening wordt omgezet in de subjectieve verzoening; de eigenlijke, ware verzoening heeft dan eerst plaats, als de mensch het voorbeeld van Jezus volgt en zichzelven verandert. De geloovigen onder hetO. T.hadden het voorbeeld van Jezus nog niet, zijn dus òf allen verloren òf op eene andere wijze zalig geworden dan wij, en Christus is niet de eenige naam, onder den hemel den menschen ter zaliging gegeven. Bovenal blijft bij al de genoemde theorieën het verband onverklaard, dat de Schrift legt tusschen den dood van Christus en de vergeving onzer zonden en het eeuwige leven. Het is niet in te zien, hoe de dood van Christus als een voorbeeld van deze weldaden de grond kan zijn, waarom God ons om Christus’ wil de zonden vergeeft en het leven schenkt. Feitelijk komt alles hierop neer, dat Christus door zijn beeld een diepen indruk maakt op het verstand of op den wil of ook op het gevoel van den mensch, en zoo hem bevrijdt van de meening, dat God om zijne zonde op hem toornt, of van de zelfzucht, die hem gebonden houdt, of van het gevoel van onzaligheid, dat hem neerdrukt. Maar in geen dezer gevallen wordt aan den mensch ware vrede en rust geschonken. Want het geweten wordt daardoor niet gereinigd en het schuldgevoel daardoor niet weggenomen. Vrede is er alleen in het bloed des kruises!
14. Deze actieve en passieve gehoorzaamheid van Christus, welke in de Schrift zoo duidelijk geleerd wordt, is niet te handhaven dan door haar op te vatten als satisfactio vicaria. De bestrijders dezer leer stellen het echter menigmaal zoo voor, dat men bij het werk, evenals bij den persoon van Christus onderscheiden moet tusschen de zuivere feiten, en de theorieën, die daarover ter verklaring opgesteld zijn. Eerst wordt deze onderscheiding gemaakt met het oog op de kerkelijke leer der satisfactio vicaria maar weldra daarna ook met het oog op het onderwijs van de apostelen. Ten slotte blijft er dan niets over dan hetnaakte feit van het sterven van Christus zelf; de interpretatie en appreciatie van het feit is aan ieders willekeur overgelaten. Zoo staat de zaak echter niet. Woord en feit gaan in Gods openbaring saam; Christus is priester maar ook profeet; Hij heeft zijn eigen persoon en werk verklaard; Hij heeft zelf in zijn woord zijn dood geinterpreteerd, en de christelijke theologie is daaraan gebonden. Er zijn dus niet vele theorieën, de moreele, de gouvernementeele, de mystische, de privaat- en de publiekrechterlijke, welke door de theologie bij wijze van hypothesen ter verklaring der feiten en verschijnselen opgesteld worden en als verschillende pogingen ter oplossing alle evenveel recht van bestaan hebben. Maar de vraag is, wat in al deze meeningen en leeringen met de Schrift overeenkomt en daarin gegrond is. Zoo de vraag gesteld, is er haast geen twijfel mogelijk, of de satisfactio vicaria door de Schrift wordt geleerd. De exegese, die de Socinianen en de Rationalisten toepasten, om haar uit de Schrift te verwijderen, neemt niemand meer voor zijne rekening. En de uitlegging van Ritschl moge om haar scherpzinnigheid een tijd lang hebben geboeid, hare onhoudbaarheid wordt schier door niemand meer betwijfeld, cf. Kreibig, Die Versöhnungslehre auf Grund d. chr. Bew. 1878. Frank, Die Theol. Ritschls 1891. Pfleiderer,Die Ritschl’sche Theologie, Jahrb. f. pr. Theol. 1889. Id. Entw. der prot. Theol. 228 f. Orr,The Ritschlian theology, London 1897. Onpartijdige lezing der H. Schrift vindt in haar altijd weer de kerkelijke leer der plaatsvervangende voldoening terug, Wegscheider, Instit. theol. § 136. Pfleiderer,Der Paulinismus2136 f. Holtzmann, Neut. Theol. I 68. II 97. 313 f. enz.
De H. Schrift toch laat ons in heel het werk van Christus eene vervulling zien van Gods wet, eene voldoening aan zijn eisch, bovenbl. 310. Als profeet, priester en koning, in zijne geboorte en dood, in zijn leven en lijden, in zijn woorden en wonderen, in zijn spreken en handelen, altijd volbrengt Hij Gods wil; Hij is gekomen, om dien wil te doen; de wet Gods was in het binnenste zijns ingewands; zijn gansche leven is ééne volmaakte offerande, Gode tot eene welriekende reuk. Die wil Gods is één, en één is ook de wil van Christus, en één zijne offerande. Maar toch laat zich daaraan zeer duidelijk eene dubbele zijde onderscheiden. Tweeledig immers was de eisch, door God aan den gevallen mensch gesteld, n.l. dat hij de wet volkomenonderhouden en ook hare overtreding door straf herstellen zou, bovenbl. 220. Tweeërlei zijn de weldaden, die Christus ons verworven heeft, n.l. de vergeving der zonden en het eeuwige leven. Beide zijn niet identisch; rechtvaardigmaking valt niet vanzelf samen met de hemelsche zaligheid. Adam was vóór zijne ongehoorzaamheid wel rechtvaardig, maar moest toch nog in den weg der werken het eeuwige leven verwerven. Het strafdragen is op zichzelf nog volstrekt niet één met het volbrengen der wet; de misdadiger, die gestraft wordt maar onder de straf zich verhardt, vervult het recht doch beantwoordt geenszins aan den ganschen eisch der wet. Bovendien, Christus was de tweede Adam; Hij kwam niet alleen, om voor ons de straf te dragen maar ook om voor ons die gerechtigheid en dat leven te verwerven, welke Adam door zijne gehoorzaamheid verwerven moest; Hij bevrijdde ons niet van schuld en straf alleen en plaatste ons niet aan het begin maar aan het einde van den weg, dien Adam te bewandelen had. Hij schenkt ons veel meer, dan wij in Adam verloren, niet alleen de vergeving der zonden en de kwijtschelding der straf, maar ook terstond in het geloof het non posse peccare en het non posse mori,deel II557: die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld en heeft het eeuwige leven, Joh. 3:16, 18. Beide soorten van weldaden worden daarom ook, al zijn ze in concreto nooit te scheiden, toch dikwerf afzonderlijk naast elkander genoemd, Dan. 9:24, Joh. 3:36, Hd. 26:18, Rom. 5:17, 18, Gal. 4:5, Op. 1:5, 6. En zoo is het ook met de actieve en passieve gehoorzaamheid van Christus. Zij zijn onderscheiden, maar vallen in concreto, in het leven en sterven van Christus, altijd samen. De actieve gehoorzaamheid is geen uitwendig toevoegsel aan de passieve, noch omgekeerd. Geen enkele daad en geen enkel voorval in het leven of lijden van Christus is uitsluitend tot de eene of tot de andere te brengen. Evenals Christus altijd en in alles tegelijk profeet, priester en koning is, zoo is Hij ook steeds werkzaam tot verzoening van de schuld der zonden en tot verwerving van het eeuwige leven. Zelfs is het niet goed, te zeggen, dat de vergeving der zonden alleen door zijne passieve, en het eeuwige leven alleen door zijne actieve gehoorzaamheid is verworven. Want zijn lijden was geen dragen der straf alleen maar ook volbrenging der wet; en zijn werken was geen volbrenging der wet slechts maar ook een dragen van hare straf. Zijn doen was lijden en zijn lijden wasdaad. Het was één werk, dat Christus volbracht, maar zoo rijk, zoo waardevol in Gods oog, dat de gerechtigheid Gods er volkomen door voldaan, alle eisch der wet er ten volle door vervuld en de gansche, eeuwige zaligheid erdoor verworven is. Het satisfactorische van Christus’ gehoorzaamheid bestaat niet daarin, dat Hij eene wraakzuchtige Godheid door bloed bevredigd, haar haat en nijd door eene quantiteit van lijden gestild heeft; maar het is hierin gelegen, dat hij van het begin tot het einde van zijn leven zijn wil aan den ganschen, volmaakten, heiligen en liefderijken wil van God onderworpen, en zichzelf met lijf en ziel en alle krachten Gode tot eene volmaakte offerande geheiligd heeft. Maar die wil van God omvatte naar de leer der Schrift niet alleen het leven maar ook het lijden van Christus; en die offerande bestond niet alleen in zijn „zedelijk beroep” maar ook in zijn kruisdood. Wat God vereenigd heeft, zal de mensch niet scheiden. Cf. Turretinus, Theol. El. XIV 13, 11 sq. Mastricht, Theol. V 18, 14. Moor III 960 sq. Heppe, Dogm. d. ev. ref. K. 326. 341. Schleiermacher, Chr. Gl. 104, 2. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I2279 f. III261.
De gehoorzaamheid van Christus is echter niet alleen eene satisfactio; zij is eene satisfactio vicaria. Ook hierover spreekt de Schrift zich duidelijk uit. Eigenlijk ligt in alle zoenoffer de idee der plaatsvervanging opgesloten; het stelt in de plaats van den offeraar, die den toorn Gods waardig is, iets anders, dat Hem weder gunstig stemmen kan. In Israels geschiedenis treffen wij de idee der plaatsvervanging reeds aan bij Abraham, als deze op bevel van den Engel des Heeren zijne hand niet uitstrekt naar zijnen zoon, maar een ram ten brandoffer offert in zijns zoons plaats, Gen. 22:12, 13. In den Oudtest. cultus droeg bij de zoenoffers de handoplegging de zonden van den offeraar op het offerdier over, Lev. 16:21; de verzoening zelve komt niet in één maar in drie acten tot stand, n.l. slachting, bloedsprenging en verbranding; schoon met de zonden van den offeraar beladen en alzoo des doods waardig, wordt het offerdier toch niet eenvoudig gedood maar geslacht. Het is niet om den dood als zoodanig, zonder meer, te doen, want het offerdier is bestemd om verzoening te doen en den offeraar te herstellen in Gods gunst. Die gunst is niet te verwerven door den dood van het offerdier zonder meer, maar daardoor dat het bloed, de ziel, het leven van het welmet de zonden des offeraars beladen en daarom gedoode, maar toch in zichzelf volkomen onschuldig offerdier Gode toegebracht en gewijd wordt. Zoo doet dat bloed, als de zelfofferande van een levend wezen, dat daarom niet gedood maar geslacht wordt, verzoening over de zonden van den offeraar; het maakt dat heel het dier in de verbranding Gode is tot eene aangename reuk; de offeraar zelf deelt dan volkomen in zijne gunst, het dier heeft van het begin tot het einde zijne plaats vervangen en alzoo hem verzoend en in Gods gemeenschap hersteld. Aan dezen cultus ontleende Jesaja de trekken voor zijne teekening van den knecht des Heeren; de poena vicaria kan niet sterker worden uitgedrukt dan in Jes. 53; de knecht des Heeren heeft onze krankheden op zich genomen en onze smarten gedragen; Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door zijne striemen is ons genezing geworden. De Heere heeft ons aller ongerechtigheden op Hem doen aanloopen. Om de overtreding des volks is de plage op Hem geweest. Hij heeft zijne ziel tot een schuldoffer gesteld. Zelf een rechtvaardige, zonder onrecht of bedrog, draagt Hij de ongerechtigheden der zijnen. Dit alles wordt nog duidelijker in het N. Test. Vooreerst komt de uitdrukkingλυτρονhier in aanmerking, Mt. 20:28, Mk. 10:45, 1 Tim. 2:6; het is naar zijne afkomst vanλυειν, losmaken, het middel om iemand los te maken, uit de gevangenis te bevrijden, en vandaar dikwerf losgeld. In deLXXis het de vertaling vanגְּאֻלָּה, Lev. 25:51,52ofפִדִּוי, Num. 3:46 ofכֹּפֶר, Ex. 21:30, 30:12, Num. 35:31, 32, Spr. 6:35, 13:8, dat echter elders vertaald wordt doorἐξιλασμα, 1 Sam. 12:3, Ps. 49:8 ofἀλλαγμα, Am. 5:12, Jes. 43:3, ofδωρον, Jos. 36:18. Nu is het waar, dat in het woordλυτρονhet plaatsvervangende en aequivalente nog niet vanzelf begrepen is. Maar toch is het onjuist, met Ritschl, Rechtf. u. Vers. II 69 de woorden in Mk. 10:45 zoo te verstaan, dat Jezus’ vrijwillige dood eene gave, eene bedekking, een beschermmiddel is, waardoor velen bewaard blijven, niet voor den dood als lot aller schepselen, maar voor de volle vernietiging en de doelloosheid van het leven en dus bevrijd worden van de vreeze des doods. Want het woordλυτρονmoge op zichzelf nog niet uitdrukken, dat de losprijs opweegt tegen wat er door losgekocht wordt; toch ligt de gedachte voor de hand, dat iemand,die ergens recht op heeft, in het algemeen daarvan geen afstand zal doen, dan tegen behoorlijke vergoeding; in Jes. 43:3, Spr. 21:18 wisselt het daarom metתחת, in de plaats van. En dan vooral, de losprijs, dien Christus bracht, heet elders eeneτιμη, een dure prijs, 1 Cor. 6:20, 7:23, 1 Petr. 1:18. 19; er wordt bepaald gezegd, dat een mensch geenἀνταλλαγμα, losprijs, vergoeding, aequivalent kan geven voor zijne ziel, Mt. 16:26, Mk. 8:37, cf. Ps. 49:8; en het woordλυτρονwordt in hetN. T.nog versterkt door de praepositieἀντι, Jezus geeft zijn leven tot een losprijs in de plaats van velen, die het wel moesten maar niet konden doen, cf. Cremer s. v. Maar behalve de uitdrukkingλυτρονkomt hier in de tweede plaats heel de N. T. leer van de offerande van Christus ter sprake. De praeposities, die het verband van die offerande tot ons en onze zonden aanduiden,ὑπερ,περι,δια, bovenbl. 312, beteekenen op zichzelve niet: in de plaats van, maar ten behoeve van, ter wille van, vanwege, om, ter oorzake van; doch zij leggen tusschen Christus’ offerande en onze zonden een zoodanig verband, dat de mystische, moreele en symbolische interpretatie den zin der Schrift in het geheel niet uitput. Natuurlijk is het wel waar, dat Christus ook ons ten voorbeeld geleden heeft en gestorven is, en dat allen in Hem gekruisigd, gestorven en begraven zijn. Maar daarin gaat de zin der Schrift niet op; ja de mystische en moreele opvatting van Christus’ lijden en sterven is niet te handhaven, tenzij vooraf worde erkend, dat Hij in legalen zin plaatsvervangend voor ons geleden heeft en gestorven is. En dat leert de Schrift zoo duidelijk mogelijk, ook al gebruikt zij de uitdrukking satisfactio vicaria evenmin als die van triniteit, menschwording, Godmensch enz. Want als zij zegt, dat Christus, schoon persoonlijk zonder eenige zonde, naar den wil Gods onze zonde op zich genomen en gedragen heeft, voor ons tot zonde is gemaakt en een vloek is geworden, naar dienzelfden wil Gods daarvoor met den vervloekten kruisdood gestraft is, en daardoor als causa meritoria voor ons de verzoening, de vergeving, de gerechtigheid, het leven, de gansche zaligheid voor ons verworven heeft, dan is dat niet anders te denken, dan dat Hij zich in onze plaats gesteld en onze straf gedragen heeft. Cf. Weiss, Lehrb. der bibl. Theol. § 49 b. 80 enz. Holtzmann, Neut. Theol. I 64 f. II 97 f. enz. Over de praep.ὑπερ, Holwerda, Jaarb. v. wet. Theol. 1862 bl. 521v.
15. Er zijn echter van ouds tegen deze satisfactio vicaria zeer wichtige bezwaren ingebracht. Geldschulden kan de een van den ander overnemen en voor hem betalen; maar zonden zijn zedelijke schulden en hechten aan den persoon. Zij kunnen uit den aard der zaak niet door een ander worden overgenomen. Het strijdt met Gods gerechtigheid, die den schuldige niet onschuldig en den onschuldige niet schuldig houdt. Het strijdt met den aard der zonde, want wie ze voor een ander zou willen dragen, zou toch nooit het schrikkelijkste in de zonde, d. i. de zelfbeschuldiging, het berouw, de wroeging kunnen overnemen, maar alleen het uitwendige lijden en sterven, en dit ware dan voor hem geen straf der zonde maar eene kastijding, eene beproeving, een martelaarschap. Het strijdt met de werkelijkheid, want Christus heeft niet den toorn Gods gedragen maar steeds in zijne liefde en gunst gedeeld; Hij heeft niet de gansche straf der zonde gedragen, want Hij stierf noch den geestelijken noch den eeuwigen dood; en indien Hij ze ook gedragen had, dan toch alleen voor één enkel mensch, nooit voor velen, want Hij heeft die straf dan toch maar één maal gedragen; al was Hij ook God, dit kan de waarde zijner offerande niet vermeerderen, wijl zijne Godheid toch niet lijden kon, boven324. Vele van deze bedenkingen vloeien uit misverstand voort, dat daarom vooraf uit den weg moet worden geruimd. Ten eerste dan is het volkomen waar, dat Christus nooit persoonlijk, om en voor zichzelven, het voorwerp van Gods toorn is geweest; Hij is nooit in eigen persoon een zondaar geweest. Gnostieken en Anabaptisten maakten wel menigmaal onderscheid tusschen eene Goddelijke, hemelsche, onsterfelijke, heilige en eene menschelijke, aardsche, onreine, sterfelijke lichamelijkheid in Christus, boven275v. En de Antinomianen verstonden de plaatsvervanging zoo, dat op Christus niet alleen de schuld en straf maar ook de smet en onreinheid der zonde was overgedragen; de verwisseling tusschen Christus en de uitverkorenen was zoo volstrekt, dat Hij zelf zonde is en zij gerechtigheid zijn; in Christus zijn zij over hun zonden bedroefd geweest, gerechtvaardigd, wedergeboren; de zonden, die zij zelven doen, zijn geen zonden meer, kwellen hen niet meer in de conscientie, hebben geen vergeving meer van noode en zijn maar daden van het vleesch, van den ouden mensch, Hulsius, De hedendaagsche Antinomianery, 2edr. 1738 bl. 377v. Hoornbeek, Summa Controv.1653 p. 704. Witsius, Misc. S. II 758-780. En in lateren tijd zijn deze gevoelens soms vernieuwd door de Methodisten, Schneckenburger,Vorles. über die kleineren protest. Parteien146, door de Irvingianen, Herzog27, 154, door sommige volgelingen van Kohlbrugge, Bula,Die Versöhnung des Menschen mit Gott durch Christum1874. Böhl,Von der Incarnation des göttl. Wortes1884 Id. Dogmatik 299 f., cf. Kuyper, De vleeschw. des Woords Amst. 1887, Inleiding en bl. 155v. Maar de Schrift leert zoo beslist en duidelijk mogelijk, dat Christus persoonlijk vrij was van alle zonden, boven296, en de enkele plaatsen, waarop men zich voor het tegendeel beroept, Joh. 1:14, Rom. 8:3, Hebr. 2:14 spreken alleen uit, dat de Zone Gods eene zwakke, aan lijden en dood onderworpene natuur aannam, maar niet dat Hij zelf in subjectieven zin een zondaar was. Sommige theologen zooals Chrysostomus, Oecumenius, Luther, Marlorat, ook Calvijn op Gal. 3:13, hebben Christus wel een zondaar genoemd, maar bedoelden dat alleen in objectieven zin, zooals Paulus zegt, dat Christus zonde is gemaakt en een vloek is geworden, 2 Cor. 5:21, Gal. 3:13, cf. Jes. 53:12. Daarmede geeft de apostel niet te kennen, dat Christus in zichzelf een zondaar en een vervloekte was, maar dat Hij door God werd beschouwd en behandeld als een, die schuldig was aan de overtreding der wet en haar vloek op zich geladen had. Zelfbeschuldiging, berouw, wroeging, belijdenis van persoonlijke zonden kon er daarom in Christus niet vallen; de geestelijke dood, als onbekwaamheid ten goede en geneigdheid tot alle kwaad, is door Hem niet geleden. Juist om de zonden van anderen te dragen en voor deze te voldoen, kon en mocht Hij zelf geen zondaar zijn. De permutatio personarum, die er plaats had tusschen Christus en de zijnen, is niet in pantheistisch physischen of mystischen zin te verstaan, maar draagt een legaal karakter; Christus is vrijwillig in die verhouding tot de wet en hare eischen gaan staan, waarin wij tot haar stonden door onze overtreding. In de tweede plaats brengt het plaatsvervangende van Christus’ gehoorzaamheid vanzelf ook mede, dat zij aequivalent is, volkomen beantwoordend aan den eisch der wet. Maar deze gelijkwaardigheid is door de Reformatie toch anders opgevat dan door Rome. Duns Scotus oordeelde, dat ook wel een heilig mensch of een engel voor onze zonden had kunnen voldoen, indien God het goedgevonden had,wanttantum valet omne creatum oblatum, pro quanto Deus acceptat illud et non plus, 8ent. III dist. 20 qu. un. n. 9 cf. dist. 19 qu. un. n. 7. En evenzoo leerden later de Remonstranten, dat niet de justitia Dei maar alleen de aequitas eenige voldoening vorderde en datmeritum quod Christus persolvit juxta Dei Patris aestimationem persolutum est, Limborch, Theol. Chr. III 21, 6. 8. 9. 22, 2. Episc., Inst. Theol. IV sect. 5 c. 3. Vlak daartegenover noemde Thomas, S. Theol. III qu. 48 art. 2 de passio Christi niet alleensufficiens sed superabundans satisfactio pro peccatis humani generis, cf. Cat. Rom. I 5 qu. 13, 2. Theol. Wirceb. IV 317. Billuart, Summa S. Thomae Pars III tom. 2 p. 206-226. Scheeben III 206. 343 enz. Zelfs werd de vraag behandeld, of niet één druppel bloeds van Christus tot verzoening ware voldoende geweest, cf. Quenstedt, Theol. III 327. Dorner, Entw. der Lehre v. d. Person Christi II 843. Heel deze beschouwing zoowel bij Thomas als bij Duns Scotus berust op eene zinnelijke, quantitatieve berekening van het lijden van Christus. In principe heeft de Hervorming met dit berekeningssysteem gebroken. Dat blijkt daaruit, dat zij zoowel de acceptilatio (van acceptum ferre) van Scotus als de superabundantie van Thomas verwierp, Voetius, Disp. II. 247. Mastricht V 18, 38. Moor III 1084. Alting, Theol. probl. pr. 41; dat zij in het werk van Christus naast de passieve ook de actieve gehoorzaamheid opnam; dat zij de offerande van Christus wel aequivalent maar niet identisch noemde met wat wij verplicht waren; dat zij haar voor volkomen sufficient hield, zoodat er noch op Roomsche noch op Remonstrantsche wijze eene aanvulling door ons geloof en onze goede werken bij noodig was; en dat met name de Gereformeerden zeiden, dat Christus’ werk in zichzelf volkomen voldoende was tot verzoening van de zonden der gansche wereld, dat het, indien Hij een kleiner getal had willen behouden, niet geringer kon wezen, en indien Hij een grooter getal of alle menschen had willen behouden, niet grooter had behoeven te zijn. Zonden zijn ook inderdaad geen geldschulden, en de voldoening is geen rekensom. De overdraging onzer zonden op Christus is niet zoo mechanisch toegegaan, dat deze eerst van alle uitverkorenen nauwkeurig bij elkaar opgeteld, zoo op Christus gelegd en elk afzonderlijk door Hem voldaan zijn. Christus heeft ook niet alle menschelijke leeftijden doorloopen noch ook daarin afzonderlijk voor de zondenvan elken leeftijd voldaan, zooals Irenaeus, adv. haer. II 22, 4 en anderen het voorstelden. Hij heeft ook niet precies hetzelfde, idem, geleden als wij noch op dezelfde wijze; want schuldbewustzijn enz., kon in Hem niet vallen, den geestelijken dood als geneigdheid ten kwade kende Hij niet, en den eeuwigen dood heeft Hij niet in vorm en duur maar alleen intensief en qualitatief, als verlating door God, geleden, Thomas, S. Th. III qu. 46 art. 5. qu. 48 art. 2. Calvijn, Inst. II 16, 12. Mastricht, Theol. V 12, 9. 21. Moor IV 122-133. Witsius, Misc. S. II 770. Shedd, Dogm. Theol. II 454. Schneckenburger, Vergl. Darst. II 239. Phillippi, Kirchl. Gl. IV 2, 29. Sartorius, Lehre v. d. h. Liebe II 75. v. Oosterzee, Dogm. II 586. Zelfs ligt er in de acceptilatie eenige waarheid, want het strikte recht Gods vorderde, dat ieder mensch persoonlijk voor zichzelven voldeed; en het is zijne genade geweest, die Christus gaf tot een middelaar des verbonds en zijne gerechtigheid aan de bondgenooten toerekende. Met eene quantitatieve berekening komen wij dus bij de satisfactio vicaria niet uit. Het zijn andere dan meet- en weegbare grootheden, met welke wij in de leer der voldoening te doen hebben. De zonde is een heel de schepping beheerschend en verdervend beginsel, eene macht, een rijk, dat in vele dadelijke zonden zich uitbreidt en organiseert. De toorn Gods is eene verbolgenheid, die zich richt tegen de zonde des ganschen menschelijken geslachts, Heid. Cat. 37. Zijne gerechtigheid is die deugd, waardoor Hij niet dulden kan, dat Hij door zijne schepselen als God wordt miskend of onteerd. Daarom bestaat de satisfactio vicaria daarin, dat Christus als borg en hoofd in die verhouding tot God, tot zijn toorn, zijne gerechtigheid, zijne wet is gaan staan, in welke het menschelijk geslacht daartegenover stond. Hij is voor die menschheid, welke Hem ter verzoening gegeven is, tot zonde gemaakt, een vloek geworden en heeft haar schuld en straf op zich genomen. Als de Socinianen zeggen, dat Christus toch in elk geval maar voor één mensch en niet voor velen kon voldoen, wijl Hij de straf der zonde toch slechts één maal heeft gedragen, dan gaat deze redeneering van dezelfde quantitatieve berekening uit als de acceptilatie van Duns Scotus en de superabundantie van Thomas. Want al openbaart zich de zonde die door Adam in de wereld gekomen is, in eene ontelbare reeks van zondige gedachten, woorden en daden; al wordt de toorn Gods door iederschuldig menschenkind individueel gevoeld; het is en blijft toch altijd de ééne, ondeelbare wet, die geschonden is, de ééne ondeelbare toorn Gods, die tegen de zonde van heel het menschelijk geslacht ontbrand is, de ééne, ondeelbare gerechtigheid Gods, die door de zonde gekrenkt is, de ééne, onveranderlijke, eeuwige God, die door de zonde gehoond is. En daarom is de straf van Christus ook ééne, maar eene, die intensief en qualitatief opweegt tegen de zonde en schuld van heel het menschelijk geslacht, den toorn Gods tegen dat gansche menschelijke geslacht verzoent, de gansche wet vervult, Gods gerechtigheid ten volle herstelt en God zelf in al zijne deugden van waarheid en gerechtigheid, van liefde en genade weer in het menschelijk geslacht tot erkenning brengt. Immers werd die straf ook gelegd op Hem, die niet maar een individu naast anderen, maar de tweede Adam was, hoofd van het menschelijk geslacht, de Zoon des menschen en de Zone Gods tevens.
16. Zoo verstaan, is de leer der satisfactio vicaria alleen nog te verdedigen tegen de bedenking, dat op zedelijk gebied zulk eene plaatsvervanging niet mogelijk is. Ten eerste is echter daartegen op te merken, dat de idee der plaatsvervanging ook op zedelijk gebied diep in de menschelijke natuur is gegrond, en onder alle volken in priesterschap en offerande zich belichaamd heeft en ook op allerlei wijze in poezie en mythologie is uitgesproken. Origenes vergeleek Christus in zijn dood reeds met hen, die volgens klassieke overleveringen voor hun vaderland gestorven zijn, om het van pest of andere rampen te bevrijden, want het schijnt volgens verborgen wetten in de natuur der dingen te liggen, dat de vrijwillige dood van een rechtvaardig mensch ten algemeenen nutte de macht der booze geesten breekt, c. Cels. I 31. De christelijke theologie haalde dan ook menigmaal de voorbeelden van Codrus, Curtius, Kratinus, Zaleucus, Damon en Phintias en de gijzelaars aan, om daarmede het plaatsvervangend lijden van Christus op te helderen. Natuurlijk hebben deze voorbeelden geen andere waarde, dan om te doen zien, dat de idee der plaatsvervanging in de gedachtenwereld van Grieken en Romeinen eene groote plaats innam. Hetzelfde is het geval met de tragedie, wier grondgedachte zeker niet altijd doorSchuld und Sühnemaar wel doorLeidenschaft und Leidis weer tegeven. De dood van den held is in vele treurspelen niet eene eigenlijke verzoening voor begane zonde, maar toch altijd eene verlossing, door eene of andere vergissing, dwaling enz., noodzakelijk gemaakt en daarom ons ten slotte verzoenend en bevrediging schenkend. Maar ook zoo opgevat, verkondigt de tragedie eene groote waarheid: al het menschelijk groote wandelt langs afgronden van schuld, en bevrediging is er eerst dan, als het edele en groote in den dood te gronde gaat. De ondergang van Orestes, Oedipus, Antigone, Romeo en Julia, Max en Thekla, Iphigenie enz., verzoent ons met hen en met hun geslacht;alle menschlichen Gebrechen sühnet reine Menschlichheit(Goethe). En zoo is het ook dikwerf in de historie: de laatste, edele Constantijn is, strijdende en stervende voor zijn volk en land, een zoen voor de gruwelen der Byzantijnsche keizers, en de in vergelijking met zijne voorgangers onschuldige Lodewijk XVI boet in zijn dood voor de zonden van zijn huis. Indien de historie der familiën en geslachten ons bekend was, zou zij ons tal van dergelijke voorbeelden leveren. In hetde mortuis nil nisi beneeeren wij allen de verzoenende kracht van lijden en dood. Ja, alle leven en vreugde hier op aarde is vrucht van smart en dood. Alles leeft van elkanders dood. De graankorrel moet sterven om vrucht te dragen. Wat de een heeft gezaaid wordt door den ander gemaaid. De moeder geeft in barenssmart en soms stervende, het leven aan haar kind. Alle geboorte, ook op het gebied der gedachte en der kunst, is uit duister tot licht. Enkelen werken, strijden, lijden, en anderen genieten van hun arbeid. Wij leven allen van de met inspanning verworven schatten der voorgeslachten. Alle edele goederen der menschheid zijn onder strijd en lijden door enkelen voor allen veroverd. Vooral draagt de liefde een plaatsvervangend karakter; hier op aarde is ze haast niet anders denkbaar dan als mede-lijden,συμπαθεια; wie het meest liefheeft, lijdt het meest. De moeder lijdt om, in, met haar kind; de vader draagt rouw in het hart om de afdwaling van zijn zoon. Natuur en menschheid leeren, dat erstellvertretende Kräftezijn. Cf. boven bl. 135 en voorts nog Maresius, Syst. Theol. X 24. Turretinus, de satisf. 51. Petrus de Witte, Wederl. der Soc. dwal. II 221v. Bushnell,Vicarious sacrifice1866. Dorner, Chr. Gl. II 622. de Maistre,Soirées de St. Petersbourg, éclairc. sur les sacrifices.
Al deze voorbeelden en redeneeringen zijn zonder twijfel geschikt,om het plaatsvervangend lijden van Christus eenigermate toe te lichten. Tegenover het individualisme en atomisme, dat de menschheid uiteenrukt en van de mystiek der liefde niet weet, zijn ze van uitnemende waarde. Maar toch zijn ze niet in staat, om het lijden van Christus te verklaren. Velen blijven wel bij deze voorbeelden staan en trachten het lijden van Christus te begrijpen als een natuurlijk gevolg van zijn ingaan in onze zondige gemeenschap, b. v. Schleiermacher, Chr. Gl. § 104, 4. Weisse, Philos. Dogm. § 876. Lange, Dogm. II 840. 841. H. Schultz,Der Begriff des stellvertr. Leidens, Basel 1864 enz. Maar zoo komt de offerande van Christus niet tot haar recht. Wel is menschelijke sympathie voor Christus, en bovenal voor Hem als den heiligen en barmhartigen Hoogepriester, oorzaak van diep, smartelijk lijden geweest, Mt. 8:17, 9:36, 14:14 enz., maar zij is niet de eenige en de voornaamste oorzaak, evenmin als honger en dorst, vervolging van zijne vijanden, verzoeking van Satan, verlating door zijne discipelen. Dan toch ware het lijden voor Christus slechts lijden en geen straf, en Hij zelf niet meer dan een getuige, een martelaar, een lijder geweest, alleen gradueel verschillend van anderen. Maar Christus heeft zelf zijn lijden beschouwd als eene straf, door God om onze zonden op Hem gelegd, Mt. 20:28, 26:28, 27:46, en heel de Schrift leert, dat Hij voor ons tot zonde is gemaakt en een vloek is geworden, 2 Cor. 5:21, Gal. 3:13. Een stap verder gaan zij, die het lijden van Christus op realistische wijze verklaren uit de plaats, die Hij in het menschelijk geslacht inneemt. Hij is n.l. niet een individu naast anderen, maar Centralindividuum; Hij heeft niet een menschelijk persoon maar de menschelijke natuur aangenomen; die natuur droeg de zonde en lag onder den vloek; en alzoo nam Christus met die natuur ook haar schuld en straf op zich. Gelijk Adam daarom onze vertegenwoordiger kon zijn, wijl hij de stamvader was van heel het menschelijk geslacht, zoo is Christus plaatsvervanger van de gemeente, die als zijn lichaam uit Hem als het hoofd wordt geboren en één met Hem is. En evenals wij b. v. op onzen rug worden gestraft om hetgeen wij met onze hand hebben misdaan, zoo is Christus om onze zonden gestraft wijl Hij één met ons is, Thomas, S. Theol. III qu. 48 art. 1. 2. Suppl. qu. 13 art. 2. Shedd, Dogm. Theol. II 57v. 533v. Dale,The atonement, lect. 10. Scott Lidgett,The spiritual principleof the atonement, ch. 7. Sartorius, Lehre v. d. h. Liebe II 67 f. Bilderdijk, Opst. v. godg. en zedek. inhoud, I 1-15 enz. Deze realistisch-mystische opvatting van Christus’ plaatsvervanging is op zichzelve volkomen juist en wordt ook door de Schrift duidelijk geleerd; de geloovigen toch zijn zelven met Christus gekruist, gestorven, begraven, opgewekt en in den hemel gezet, Rom. 6-8, Gal. 2:20, Ef. 2:6, Col. 2:11, 3:3 enz., cf. Holtzmann, Neut. Theol. II 114-121. Wijl Christus niet alleen verzoener maar ook verlosser is, niet alleen objectief de schuld der zonde moest wegnemen maar ook subjectief de macht der zonde moest breken, vormt deze mystieke unie van Christus en de geloovigen in het werk der zaligheid een wezenlijk en onmisbaar bestanddeel. Maar toch is zij niet de eenige en de eerste relatie, welke tusschen Christus en de zijnen bestaat. In de Schrift is zij op de foederale gebouwd; Rom. 6-8 volgt op Rom. 3-5. Wanneer zij daarvan wordt losgemaakt, verliest zij den grondslag, waarop zij rusten moet; gaat zij haar steun zoeken in het pantheisme, dat de herschepping verandert in een proces; en verlegt de objectieve verzoening meer en meer in de subjectieve verlossing; Shedd laat b. v. de toerekening van Christus’ gerechtigheid reeds afhangen van wedergeboorte en geloof, ib. 534, cf. Dale 422 enz. Dan alleen is deze mystieke unie in haar schriftuurlijke beteekenis tegelijk met de objectieve verzoening van Christus’ offerande te handhaven, wanneer Christus allereerst als Hoofd des verbonds wordt beschouwd en in foederalistischen, legalen zin voor de zijnen in de plaats is getreden. Het verbond der genade gaat aan den persoon en de offerande van Christus vooraf. Dat verbond begint toch niet nadat Christus zijn werk heeft volbracht, met den H. Geest, met de weldaden van wedergeboorte en geloof; maar ook Christus zelf staat in dat verbond, Hij is er de borg en de middelaar van, Hebr. 7:22, 8:6, 12:24; zijn bloed is bondsbloed en daarom verzoenend, Mt. 26:28. Ja meer nog, het verbond der genade is niet eerst opgericht in den tijd, maar het heeft zijn grondslag in de eeuwigheid, het rust in het pactum salutis, het is in de eerste plaats een verbond der drie personen in het Goddelijk wezen zelf. Vader en Zoon en Geest zijn alle drie in dat verbond werkzaam; en zoo weinig begint het eerst in den tijd met de werkzaamheid des H. Geestes, dat het veeleer van eeuwigheid in den raad van God drieëenig zijn bestand envastigheid heeft. En daaruit wordt ook de satisfactio vicaria van Christus verklaard. Zij berust op eene ordinantie, op eene vrije, almachtige, genadige beschikking Gods. Dat wil volstrekt niet zeggen, dat zij willekeurig en onredelijk is. Allerlei verhoudingen in natuur en menschheid bieden analogie van de plaatsvervanging bij Christus. Maar analogie is hier en kan hier, evenmin als bij Adam, boven bl.129v. identiteit zijn. Beiden nemen in de menschheid eene eigenaardige plaats in; zij alleen zijn hoofden van heel het menschelijk geslacht; hun invloed en werking breidt tot alle plaatsen en tijden zich uit. En boven Adam staat Christus nog weer. Want Adam was vertegenwoordiger, Christus is plaatsvervanger der menschheid. Adam handelde in onzen naam maar nam niets van ons over; Christus kwam tot ons, stelde zich in onze plaats, droeg onze schuld en straf en verwierf onze gerechtigheid. Adam was hoofd van een verbond der werken, dat wankel was; Christus is hoofd van een beter verbond, dat van geen wankelen weet. Adam was een mensch, schoon zonder zonde, aardsch uit de aarde; Christus was het vleeschgeworden Woord, de Eengeborene van den Vader, vol van genade en waarheid, de Heer uit den hemel. Adam bedierf wat goed was, Christus herstelde en volmaakte wat bedorven was. Zoover als het genadeverbond het verbond der werken, en het evangelie de wet te boven gaat, zoo hoog staat Christus boven Adam. Zijne satisfactio vicaria is zelfs niet naar het verbond der werken met zijne wet te begrijpen; zij is wel niet contra legem, want zij bevestigt de wet, maar zij is toch supra legem en gaat alle onze gedachten zeer verre te boven. Zij is tot geen algemeenen regel terug te brengen noch door eene algemeene wet te verklaren, want zij is geen verschijnsel naast andere, maar zij is een concreet feit, geheel eenig in de geschiedenis der menschheid, door niets verklaard en zelf alles verklarend, rustend in eene bijzondere ordinantie Gods. En deze ordinantie Gods is geen geisoleerd wilsbesluit, maar draagt een verbondmatig karakter. De satisfactio vicaria heeft haar grondslag in den raad van God drieëenig, in het leven der hoogste, der volmaakte en eeuwige liefde, in het onwankelbaar verbond der verlossing. Naar de ordinantiën van dat verbond neemt Christus de plaats der zijnen in en wisselt Hij hunne zonde tegen zijne gerechtigheid, hun dood tegen zijn leven in.Ὠ της γλυκειας ἀνταλλαγης, ὠ της ἀνεξιχνιαστου δημιουργιας,ὠ των ἀπροσδοκητων εἰεργεσιων, ἱνα ἀνομια μεν πολλων ἐν δικαιῳ ἑνι κρυβῃ, δικαιοσυνη δε ἑνος πολλους ἀνομους δικαιωσῃ, Ep. ad Diogn. 9. Cf. A. A. Hodge,The atonement198 etc. Hugh Martin,The atonementp. 9 etc.
17. Deze gehoorzaamheid heeft Christus volbracht in heel den staat zijner vernedering. De formeele behandeling van de leer der twee staten kwam bij de Lutherschen op, om de communicatio idiomatum met Jezus’ vernedering in overeenstemming te brengen, maar werd spoedig ook door de Gereformeerden overgenomen, Olevianus, Subst. foed. II 5. Polanus, Synt. VI c. 13. Junius, Theses Theol. c. 29. Synopsis pur. theol. c. 27. 28 enz. Sedert Schleiermachers kritiek, Chr. Gl. § 105, is zij echter òf geheel prijsgegeven òf belangrijk gewijzigd. Zij, die het voorbestaan en de opstanding van Christus ontkennen, hebben bij deze leer ook geen belang meer, Biedermann, Chr. Dogm. § 824 f. Lipsius, Dogm. § 567 f. Anderen, die deze getuigenissen der Schrift aannemen, hebben haar dikwerf omgezet in eene beschrijving van de allengs zich voltooiende menschwording van den Logos, of van de Godmenschelijke ontwikkeling en volmaking van Christus; zijne vernedering wordt dan opgevat als eine stete Erhöhung seines inneren Lebens, welke de verhooging vanzelve ten gevolge had, Martensen § 139 f. Dorner § 104. Lange II 635. Rothe, Ethik § 533 f. De leer der twee staten wordt door eene biographie van Jezus vervangen, die echter met het oog op de bronnen onmogelijk, met het oog op den persoon ongeoorloofd is en daarom altijd op eene valsche tegenstelling uitloopt tusschen den historischen Jezus en den apostolischen Christus, Strauss, Leben Jesu 1864 § 1. Weiss, Leben Jesu I 180. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III13. 63. Kähler, Der sogen. histor. Jezus und der geschichtliche, bibl. Christus 1892. Id. Zur Lehre v. d. Versöhnung 68 f. Kuyper, Enc. III 158. Er is geen scheiding te maken tusschen een vita Christi en een officium Christi, gelijk Ebrard wil, Dogm. § 408. Zijn gansche leven stond in dienst van het ambt, waartoe Hij door den Vader aangesteld en in de wereld gezonden was. Het dogma der apostolische prediking is de eenige sleutel, om de evangelische overlevering van Christus te ontsluiten; het eenige middel, om ons een beeld vol leven van den Heiland der wereld te verschaffen, Kähler, Versöhnung 69. Christus heeft geen oogenblikvoor zichzelf geleefd, Rom. 15:3, maar altijd voor zijne gemeente, om haar een voorbeeld te geven, Mt. 11:29, Joh. 13:14-16 enz., om haar te dienen en zijn leven te geven tot een rantsoen voor velen, Mt. 20:28, om zijn genade en waarheid, zijn licht en zijn leven haar mede te deelen, Joh. 1:16, 6:33v., Col. 3:4. De menschwording zelve was reeds eeneκενωσις, daarin bestaande, dat Hij, dieἐν μορφῃ θεου ὑπαρχων οὐχ ἁρπαγμον ἡγησατο το εἰναι ἰσα θεῳ, d. i., die in de gedaante Gods, op dezelfde wijze als God bestond en dit niet hield voor iets geroofds of aangematigds, toch van deze Goddelijke bestaanswijze afstand deed en deμορφη δουλουaannam, zoodat Hij waarlijk aan een mensch gelijk werd en in gedaante als een mensch bevonden werd, Phil. 2:7, 8, 2 Cor. 8:9, cf. Weiffenbach,Zur Auslegung der Stelle Phil. 2:5-11, Karlsruhe u. Leipzig 1884. In de verwisseling derμορφη θεουmet deμορφη δουλου, van de Goddelijke bestaanswijze met de menschelijke bestond zijneκενωσις, exinanitio. En zoodra deze had plaats gehad, begon zijneταπεινωσις, humiliatio, daarin bestaande, dat Hij Gode gehoorzaam was en bleef tot den dood toe. Heel het leven van Christus van de ontvangenis af tot den dood toe was dus eene vernedering ten gevolge van zijne gehoorzaamheid, een steeds dieper ingaan in de gemeenschap onzer zonde en een steeds verder zich verwijderen van de hemelsche vreugde. Zijne besnijdenis, Luk. 2:21, strekte tot bewijs, dat Hij waarachtig mensch en Abrahams zaad was, dat Hij als zoodanig stond in de gemeenschap onzer zonde en het teeken der afsnijding van die zonde ontvangen moest, en dat God zijn God en Hij Gods Zoon was. Zijn doop, dien Hij als de Heilige evenmin als de besnijdenis voor zichzelf van noode had, Mt. 3:14, geschiedde, omdat het Hem als middelaar betaamde,πληρωσαι πασαν δικαιοσυνην, al het recht der wet te voldoen en de gansche, volle gerechtigheid aan te brengen, die de wet van Hem eischte; omdat Hij als zoodanig in de gemeenschap der zondaren staande, het teeken en zegel zijner gemeenschap met God ontvangen moest, als de Zoon, in wien de Vader al zijn welbehagen had; en omdat Hij met den H. Geest gezalfd en bekwaamd en alzoo ingewijd moest worden tot zijn openlijk optreden als de Christus die zelf alleen doopen kan met den H. Geest en met vuur, Mt. 3:11-17, cf. parall., Hd. 10:38, Bornemann,Die Taufe Christi durch Joh. in der dogm.Beurteilang der christl. Theologen der vier ersten Jahrh., Leipzig 1896. De verzoeking, die terstond na den doop plaats had en voorts telkens tot in Gethsemane toe zich herhaalde, cf.ἀχρι καιρου, Luk. 4:13, Joh. 12:27, Mt. 26:39, Hebr. 4:15, 5:7, 1 Petr. 2:23, had ten doel, dat Christus, die zoo pas het teeken en zegel van zijn gemeenschap met God en de gaven des H. G. ontvangen had, deze gemeenschap ook tegenover alle verleiding van Satan en wereld zou handhaven, als de tweede Adam het verbond met God niet verbreken maar voor zich en de zijnen in stand houden en bevestigen zou, en als de barmhartige Hoogepriester, in alles verzocht zijnde als wij, ons in onze zwakheden en verzoekingen zou ter hulpe komen. Al de woorden en werken, welke Christus gedurende zijn leven gesproken en gedaan heeft, zijn eene uitvoering van Gods wil, Joh. 5:19v., 6:38 en hebben ten doel, om den naam, de deugden, den raad en het welbehagen Gods beide in wet en evangelie bekend te maken, Mt. 11:27, Joh. 1:18; om zijne priesterlijke barmhartigheid te toonen aan alle armen, kranken en verlorenen, Mt. 8:17, 11:5; om zijne koninklijke macht te bewijzen over Satan, wereld, zonde en al hunne werkingen. Luk. 10:18, Joh. 12:31, 14:30, 16:33, 18:37. Het lijden van Christus, dat met zijne menschwording begint maar in de passio magna zich voltooit, is de wil en het gebod van den Vader, Mt. 26:39, 42, Joh. 10:17, 18, bewijs van zijne volstrekte gehoorzaamheid, Phil. 2:8, Hebr. 5:8, en voor de zijnen tot een voorbeeld voor hun leven, 1 Petr. 2:21, tot een rantsoen voor hunne zonden, Mt. 20:28, 26:28, tot eene overwinning der wereld, Joh. 16:33, Col. 2:15. Zijne veroordeeling, niet alleen door het sanhedrin maar ook door den wereldlijken Romeinschen rechter Pontius Pilatus geschiedde daartoe, dat Hij niet heimelijk door een sluipmoord of in een oproer sterven zou, maar naar de uitspraak van het toenmaals beste en deugdelijkste recht, na behoorlijk onderzoek, openlijk, in den weg des rechts gedood zou worden, en dat daarbij èn zijne persoonlijke onschuld, Mt. 27:18-24, èn de grond van zijne veroordeeling, n.l. zijne belijdenis, de Zone Gods en de Messias Israels te zijn, Mt. 26:63, 27:11, èn de wil van God, Hd. 2:23, 4:27, 28, èn het karakter van zijn dood als een sterven voor anderen, Mt. 20:28, duidelijk en onwedersprekelijk voor aller oog in het licht zouden treden. De dood der kruisiging,crudelissimum teterrimumque supplicium, engewoonlijk slechts op slaven en erge misdadigers toegepast, had deze beteekenis, dat Christus, in naam der wet tot de schrikkelijkste en smadelijkste straf veroordeeld zijnde, aan den strengsten eisch der wet heeft voldaan, als een gehangene Gode tot een vloek is geworden, maar daardoor ook de vervloeking der wet van ons heeft weggenomen, Deut. 21:23, Gal. 3:13, en van alle kwaad, waartoe de wet ons om onze zonden veroordeelt, volkomen heeft bevrijd; het kruis is daarom het middelpunt en de kern van het evangelie, 1 Cor. 1:23, 2:2, Gal. 6:14. Het bloed dat Christus vergoot—non infirmitate, sed potestate mortuus est, Aug., de nat. et gr. 26—bewijst, dat Hij zijn leven vrijwillig Gode heiligde, dat Hij het bracht als eene offerande, en daardoor de verzoening en den vrede tot stand bracht, Mt. 26:27, Hd. 20:28, Rom. 3:25, 5:9, Ef. 1:7, Col. 1:20, Hebr. 9:12, 22. Ten slotte heeft ook de begrafenis van Christus eene bijzondere beteekenis; zij wordt herhaaldelijk vermeld, Jes. 53:9, Mt. 12:40, 27:59, 60, Luk. 11:29, 23:53, Joh. 19:40-42, Hd. 13:29, 1 Cor. 15:3, 4. Ze is niet alleen bewijs daarvan, dat Hij waarlijk gestorven en dus ook uit den dood opgestaan is, maar hare beteekenis ligt vooral hierin, dat Christus, ofschoon zijn geest overgevende in de handen zijns Vaders, die Hem opnam in het paradijs, Luk. 23:43, 46, toch drie dagen verkeerd heeft in den staat des doods, tot het rijk der dooden behoord heeft, en alzoo de straf der zonde, Gen. 3:19, ten volle gedragen heeft. Aan dien staat des doods, den Hades, is Hij niet overgelaten, zijn vleesch heeft geen verderfenis gezien, Hij is immers ten derden dage opgewekt; maar Hij heeft dan toch in den Hades verkeerd, Mt. 12:40, Hd. 2:27, 31.