Uit deze heerlijke beschrijving van den Christenstand in hetN. T.is door velen in vroeger en later tijd afgeleid, dat de Schrift de volmaakbaarheid der geloovigen reeds in dit leven leert; zoo door de Pelagianen, Roomschen, Socinianen, Remonstranten, Anabaptisten, Schwencfeld, Weigel, Böhme, Poiret, Labadie, Quietisten, Pietisten, Kwakers, Herrnhutters, Wesleyaansche Methodisten enz., cf. bij M. Vitringa III 385-414. Moor IV 805 sq., in den nieuweren tijd vooral door Moody, Sankey e. a., cf. Jellinghaus,Das volle, gegenwärtige Heil durch Christum, 1880, gematigder in de latere uitgaven, 4eAufl. Basel 1898. Er is van andere zijde aan deze bewering steun geboden. Ritschl merkte het eerst op, dat Paulus zelf, nadat hij bekeerd was, geen bewustzijn van onvolmaaktheid had, en ook over die van de geloovigen in het geheel niet reflecteert, Rechtf. u. Vers. II 365 f. Anderen werkten deze gedachte uit en beschuldigden den apostel zelfs van een onpractisch idealisme, dat onder den indruk van Jezus’ spoedige wederkomst bij de geloovigen aan geen zonden dacht, cf. Scholz,Zur Lehre vom „armen Sünder”, Zeits. f. Th. u. K. 1896 S. 463 f. Clemen, Chr. Lehre v. d. Sünde I 109 f. Holtzmann, Neut. Theol. II 150, vooral Wernle in zijn boven aangehaald geschrift, cf. ook Karl,Beiträge zum Verständniss der soteriol. Erfahrungen u. Spekulationem des Ap. Paulus, Strassburg 1897. Er ligt in deze bewering eene waarheid, die niet bestreden maar ten volle dient erkend. De Schrift kan schier geen woorden genoeg vinden, om de heerlijkheid te beschrijven van het volk Gods. Zij noemt Israël in hetO. T.een priesterlijk koninkrijk, door God uitverkoren, voorwerp zijner liefde, zijn deel en erve, zijn zoon en knecht, volmaakt van schoonheid door de heerlijkheid Gods, Ex. 19:5, 6, Deut. 7:7v., 32:6, 8, 9, 18, Jes. 41:8, Ezech. 16:14 enz.; en de geloovigen in hetN. T.zijn het zout der aarde, Mt. 5:13, het licht der wereld, vs. 14, uit God geboren en zijne kinderen, Joh. 1:12, 13, zijn uitverkoren geslacht en koninklijk priesterdom, 1 Petr. 2:9, 10, der Goddelijke natuur deelachtig, 2 Petr. 1:4, gezalfd met denH. Geest, 1 Joh. 2:20, door Christus gemaakt tot koningen en priesters, Op. 1:5, niet kunnende zondigen, 1 Joh. 3:9, 5:18v. enz. Wie de leer der Schrift over zonde en genade verwerpt, kan in dit alles slechts overdrijving zien; eene radicale verandering als wedergeboorte en heiligmaking is dan noch noodig noch begrijpelijk. Maar de Schrift oordeelt anders; zij geeft aan de gemeente eene hooge plaats, noemt haar met de schoonste namen en schrijft haar eene Goddelijke heiligheid en heerlijkheid toe. In de Roomsche dogmatiek, cf. bijv. Heinrich-Gutberlet, Dogm. Theol. VIII 550-643, komen de deugden en gaven, welke de H. Geest aan de gemeente schenkt, gewoonlijk beter tot haar recht dan in de Protestantsche, welke menigmaal in de rechtvaardiging uit het geloof en de verwachting van de hemelsche zaligheid de leer der Schrift over den Christenstand uitgeput acht. De heerlijkmaking der gemeente, welke met de wedergeboorte een aanvang neemt, is echter evenzeer een voorwerp des geloofs als de rechtvaardigmaking. Dat de gemeente in Christus schuldvrij voor Gods aangezicht staat, is even zwaar te gelooven, als dat zij door den H. Geest in beginsel geheiligd, verheerlijkt en den beelde des Zoons gelijkvormig is gemaakt. Beide zijn evenzeer met den schijn der dingen in strijd; beide behooren tot die zaken, welke men niet ziet en die alleen zeker zijn voor het geloof. De Schrift weet dat ook zelve. In weerwil toch van de heerlijke beschrijving, welke zij geeft van den stand der geloovigen, beschouwt zij dezen toch als zondaren en verzwijgt hunne overtredingen en hunne schuldbelijdenis niet, bijv. bij Abraham, Gen. 12:11, Izak, 26:7, Jakob, 26:35, Mozes, Num. 20:7-12, Ps. 106:33, David, Ps. 51 enz., Salomo, 1 Kon. 8:46, Spr. 20:9, Jesaja, cap. 64:6, Daniël, cap. 9:4 enz. En ook Paulus weet, dat hem, als hij het goede wil doen, het kwade bijligt. Het is waar, dat Paulus zich steeds helder bewust is van de groote verandering, welke met hem heeft plaats gegrepen. Hij is met Christus der wereld gekruisigd, en hij leeft thans zelf niet meer, Christus leeft in hem. Hij is vrij van de wet, staat rechtvaardig voor God, is van zijn kindschap verzekerd, roemt in de genade, door welke hij alles vermag, stelt zichzelven ten voorbeeld, draagt roem op zijn apostolischen arbeid en is zich van zijne trouwe ambtsvervulling bewust, bijv. Rom. 15 vs. 17, 1 Cor. 4:3, 9:15, 15:30, 31, II 1:12, 6:3, 11:10,Phil. 2:16, 1 Thess. 2:10, 19. Maar desniettemin belijdt hij, dat hij in het vleesch leeft, Gal. 2:20, dat het vleesch steeds begeert tegen den Geest, Gal. 5:17, dat in zijn vleesch geen goed woont, Rom. 7:18, en dat hij de volmaaktheid nog niet heeft verkregen, Phil. 3:12. Vooral Rom. 7:7-26 is in dit opzicht van groote beteekenis, cf. reeds bovenbl. 106; hoezeer de reformatorische exegese van deze plaats in den nieuweren tijd meest prijsgegeven wordt, heeft men, alzoo handelende, niet geweten wat men deed. Wernle overdrijft maar zegt toch niet geheel zonder reden:in der That bedeutet das Zurückgehen auf die alte (griechische) Tradition von Röm. 7 einen viel schwereren Schlag für unsere Dogmatik, als in der Regel von ihr empfunden wird. Gewöhnlich gesteht man zu, dass Röm. 7 sich nicht auf den Wiedergeborenen bezieht, ohne zu merken, dass durch dies Zugeständniss der Paulinismus für uns unbrauchbar wird, t.a.p. 108. Toch is dit niet de sterkste grond voor het handhaven der reformatorische uitlegging van Rom. 7. Deze ligt in den tekst zelven. Het praesens, waarin Paulus spreekt, is alleen van het tegenwoordige te verstaan.In Wahrheit macht man den Apostel zum Komödianten, wenn man ihm zutraut, er habe so, wie hier geschieht, nur in der Erinnerung an einen längst vergangenen Zustand reden können, Clemen t.a.p. 112, die ook verwijst naar van Manen, Paulus II 1891 bl. 71. Toch ziet Clemen geen kans, om Rom. 7 met de overige uitspraken van Paulus in overeenstemming te brengen en zegt daarom:sie entstammt wohl einer besonders trüben Stimmung des Apostels, nicht seinem sonst vorherrschenden Bewusstsein! Maar bij deze zonde en dit zondebesef in de heiligen des O. en N. Verbonds komt nog, dat de Schrift allerwege uitgaat van de onderstelling, dat de zonde in de geloovigen tot het einde huns levens blijft; er blijft hun voortdurend noodig de bede om vergeving, Mt. 6:12, 13 en de belijdenis van zonden, 1 Joh. 1:9. Al de vermaningen en waarschuwingen in de Schrift onderstellen, dat de geloovigen nog maar hebben een klein beginsel der volmaakte gehoorzaamheid; zij struikelen dagelijks in vele dingen, Jak. 3:2; indien zij zeggen, geene zonde te hebben, verleiden zij zichzelven, 1 Joh. 1:8. Ook Paulus oordeelt over de geloovigen niet anders. Hij plaatst hen zeer hoog, noemt hen uitverkorenen, geroepenen, heiligen, merkt met vreugde de christelijke deugden op, die in hen openbaar worden, en geeft hun gaarne en herhaaldelijk een roemvolgetuigenis. Hierin overdrijft de apostel zeker niet; de verandering moet groot geweest zijn, als hij van de geloovigen uit de Heidenen getuigen kon, dat zij vroeger in allerlei schrikkelijke zonden leefden maar nu gewasschen, geheiligd, gerechtvaardigd waren in den naam van den Heere Jezus en door den Geest Gods, 1 Cor. 6:11. Desniettemin heeft hij een open oog voor de zonden, die de geloovigen nog aankleven. De Corinthiërs zijn nog vleeschelijk, 1 Cor. 3:1-4, de Galatiërs zijn ongehoorzaam, Gal. 5:7v., in de Colossers is het goede werk wel begonnen maar niet voleindigd, Col. 1:6, ja, hun leven is nog met Christus verborgen in God, 3:3. In Rom. 6 zegt Paulus niet, dat de geloovigen zondeloos zijn, maar betoogt hij, dat het geloof in Christus zich met een leven in de zonde niet verdraagt; en daarom vermaant hij hen juist, om hunne leden Gode te stellen tot wapenen der gerechtigheid, Rom. 6:13. Zonder telkens op de rechtvaardigmaking terug te komen, die eens uit en door het geloof geschied is, dringt hij er op aan, dat de geloovigen dezen hunnen nieuwen stand in een wandelen naar den Geest openbaren en bewijzen zullen. En daarbij verdient dit dan nog onze opmerkzaamheid, dat de Schrift, schoon altijd de onvolmaaktheid van den geloovige onderstellende, toch nooit den eisch der wet verzwakt of aanpast aan de practijk. De voorstanders van de volmaakbaarheid kunnen dien nooit handhaven, halen de zedewet naar beneden en maken tusschen doodzonden en vergefelijke zonden of tusschen zonde doen en zonde hebben onderscheid. Maar de Schrift doet alzoo niet en handhaaft den vollen, onkreukbaren eisch der wet:weestheilig, want Ik ben heilig, 1 Petr. 1:16,weestvolmaakt, gelijk uw Vader in de hemelen, Mt. 5:48, Jak. 1:4; de geloovigen moeten Christus navolgen, die geen zonde gedaan heeft, 1 Petr. 2:21v. Ef. 5:1, en in den dag van Christusἀνεγκλητοι, εἰλικρινεις, ἀπροσκοποι, ἀμεμπτοι, ἀμωμοιzijn, 1 Cor. 1:8, Phil. 1:10, 2:15, Col. 1:22, 1 Thess. 3:13, 5:23. Met allen ernst en zonder ophouden worden zij daarom opgewekt tot een heiligen wandel. Boven bij de rechtvaardiging bleek ons, dat de Christen van zijne zaligheid zeker is, alleen door het geloof, zonder en onafhankelijk van de werken. Maar in de heiligmaking, in het leven wordt, naar het schijnt, de zaligheid weer daarvan afhankelijk gemaakt, of de geloovigen Gods wil doen en onstoffelijk voor zijn aangezicht wandelen.De heiligmaking, die eerst alleen passief was, Phil. 1:5, 1 Thess. 5:23, krijgt in eens eene actieve beteekenis, Rom. 12:1, 2 Cor. 7:1, 1 Thess. 4:3, Hebr. 12:14. Evenals bij de prediking van het evangelie het geloof eene gave Gods is en toch de mensch voor zijne houding tegenover Gods roeping verantwoordelijk is, bv. Rom. 9:1-29 en 9:30-10:21, zoo wordt hier het bezit van alle weldaden des verbonds, vergeving, kindschap, leven, zaligheid vóór alle werk zeker gesteld en toch telkens met zooveel ernst op goede werken aangedrongen, alsof zij eerst daardoor verkregen moesten worden. Het koninkrijk Gods is eene gave, door God naar zijn welbehagen geschonken, Mt. 11:26, 16:17, 22:14, 24:22, Luk. 10:20, 12:32, 22:29, en toch is het een loon, een schat in de hemelen, die met inspanning gezocht en door arbeid in den dienst Gods verworven moet worden, Mt. 5:12, 20, 6:20, 19:21, 20:1v. enz. De geloovigen zijn ranken aan den wijnstok, die zonder Christus niets kunnen doen en worden toch vermaand, om in Hem, in zijn woord, in zijne liefde te blijven, Joh. 15; zij zijn uitverkorenen, en moeten toch zich benaarstigen, om hunne roeping en verkiezing vast te maken, 2 Petr. 1:10; zij zijn door de ééne offerande van Christus geheiligd en volmaakt, Hebr. 10:10, 14, in wie God werkt hetgeen Hem welbehagelijk is, 13:21, en toch moeten zij in het geloof volharden ten einde toe, 3:6, 14, 4:14, 6:11, 12; zij hebben den nieuwen mensch aangedaan en moeten Hem steeds aandoen, Ef. 4:24, Col. 3:10; zij hebben het vleesch gekruisigd met de begeerlijkheden en moeten toch hunne leden dooden, die op de aarde zijn, Gal. 5:24, Col. 3:5; of, om al deze tegenstellingen saam te vatten: eenerzijds is het een feit, dat de Schrift niet eens maar herhaaldelijk van loon spreekt, aan het geringste werk, in Jezus’ naam verricht, loon verbindt, aan het einde een iegelijk vergelden laat naar zijne werken en menigmaal met het oog op dat loon op goede werken aandringt, Mt. 5:12, 6:4, 16:27, 25:34, Rom. 2:6, 1 Tim. 4:7, 8, Op. 22:12 enz.; en daarnaast staat even vast, dat er geen verhouding van verdienste en loon bestaat tusschen wat de geloovige doet en wat hij ontvangen zal, Mt. 20:9, Mk. 10:30, Luk. 12:37, 43, 44; dat hij, als hij alles doet, wat hij schuldig was te doen, nog een onnutte dienstknecht is, Luk. 17:10, dat er geen loon is dan uit genade, Rom. 4:3, 4, en dat alle weldaden des verbonds,de heiligmaking en de verheerlijking, even goed als de rechtvaardigmaking, door Christus verworven zijn, in Hem gereed liggen en dus door de geloovigen niet alleen niet meer behoeven maar ook niet meer kunnen verdiend en alleen kinderlijk in het geloof kunnen aangenomen worden. Velen hebben tusschen deze alwerkzaamheid Gods in de genade en de toch daarnaast gehandhaafde zelfwerkzaamheid des menschen eene tegenstrijdigheid gezien, Jezus, Paulus, Johannes van innerlijke tegenspraak beschuldigd en voor zichzelven de eene aan de andere opgeofferd. Zoo werd dan geleerd, dat de genade hoogstens alleen dient, om de wilskracht ten goede bij den mensch te herstellen en hem zelf aan den arbeid en aan het verdienen te zetten, of ook aan den anderen kant beweerd, dat goede werken niet noodzakelijk of ook zelfs schadelijk voor de zaligheid zijn. Maar hoog boven al deze eenzijdigheden staat de H. Schrift, als de hemel boven de aarde, als de gedachten Gods boven de gedachten der menschen. Zij houdt beide vast, predikt beide met gelijken nadruk en ziet tusschen beide geen tegenspraak noch strijd. Juist omdat God in de geloovigen werkt het willen en het werken, hebben zij huns zelfs zaligheid uit te werken met vreeze en beven, Phil. 2:12, 13. Zij zijn Gods maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat zij daarin wandelen zouden, Ef. 2:10. God en mensch, religie en zedelijkheid, geloof en liefde, rechtvaardigmaking en heiligmaking, bidden en werken, zijn van nature geen tegenstelling. Zij zijn het geworden door de zonde; en door haar brengt de mensch telkens weer strijd tusschen beide. Maar zij zijn oorspronkelijk ten nauwste vereenigd; zij zijn door Christus, die onze vrede is, in hunne eenheid hersteld; zij zijn in het christelijk leven in beginsel verzoend. Afhankelijkheid valt hier met vrijheid saam; de geborenen uit God worden kinderen Gods omdat zij het zijn; voor hen geldt de wet:werde was du bist!Goede werken zijn daarom eenerzijds zonder eenige verdienste; zij zijn immers onze niet, maar door God in Christus voor ons voorbereid en door zijn Geest in ons gewerkt; zij zijn door onze zwakheid steeds onvolmaakt en met zonde besmet; ze zijn gansch ongeevenredigd aan de zaligheid, die geschonken wordt;ipsa hominis bona merita sunt Dei munera, Augustinus, Ench. 107. En desniettemin zijn zij dringend noodzakelijk, om het gebod Gods, Rom. 6:18, 7:4, 8:12, 13, 1 Thess. 4:3, om het doel derverlossing, Ef. 1:4; als vruchten des geloofs, Jak. 2:14, uit dankbaarheid, 1 Cor. 6:20, Col. 1:10, 1 Thess. 2:12, ter verheerlijking Gods, Joh. 15:8, als weg tot de zaligheid, Hebr. 12:14;bona opera via regni, non causa regnandi(Bernardus). Cf. later den locus de vita christiana.3. Op dezelfde wijze als over de heiligmaking, spreekt de Schrift over de volharding der heiligen. Zij vermaant de geloovigen, om te volharden tot het einde toe, Mt. 24:13, Rom. 2:7, 8, om te blijven in Christus, in zijn woord, in zijne liefde, Joh. 15:1-10, 12:6, 24, 27, 3:6, 24, 4:12v., om niet af te wijken maar het geloof te behouden, Col. 1:23, Hebr. 2:1, 3:14, 6:11, om getrouw te zijn tot den dood, Op. 2:10, 26. Soms spreekt zij zoo, alsof afval mogelijk ware; wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle, 1 Cor. 10:12; waarschuwt tegen hooggevoeligheid en dreigt in geval van ontrouw met zware straf, Ezech. 18:24, Mt. 13:20, 21, Joh. 15:2, Rom. 11:20, 22, 2 Tim. 2:12, Hebr. 4:1, 6:4-8, 10:26-31, 2 Petr. 2:18-22. Zelfs schijnt zij verschillende voorbeelden te noemen, waarin afval plaats heeft gehad, David in zijn overspel, Salomo in zijne afgoderij, Hymeneus en Alexander, 1 Tim. 1:19, 20, 2 Tim. 2:17, 18, Demas, 2 Tim. 4:10, valsche profeten en leeraars, die den Heer, die hen kocht, verloochenen, 2 Petr. 2:1. geloovigen, die van de genade en het geloof afvallen, Gal. 5:4, 1 Tim. 4:1. Op deze teksten steunende, hebben Pelagianen, Roomschen, Socinianen, Remonstranten, Mennonieten, Kwakers, Methodisten enz., en ook zelfs de Lutherschen de mogelijkheid van een totaal verlies der ontvangen genade geleerd, M. Vitringa III 415 sq. Daarentegen kwam Augustinus tot de belijdenis der perseverantia sanctorum; doch wijl hij de onzekerheid en vreeze ten opzichte van de zaligheid in de geloovigen heilzaam achtte, leerde hij, dat de door den doop wedergeborenen de genade, die zij ontvangen hadden, weer verliezen konden, doch haar, indien zij behoorden tot het getal der praedestinati, in elk geval vóór den dood terug ontvingen; geloovigen konden dus totaliter maar uitverkorenen konden niet finaliter de genade verliezen. In de Katholieke en Roomsche kerk stemden vroeger en later velen met hem in; maar toch is deze leer alleen door de Gereformeerden gehandhaafd en met de certitudo fidei verbonden, Zwingli,Op. IV 121. Calvijn, Inst. II 3, 11. 5, 3. III 24, 6. 7 enz. Polanus, Synt. VI 43. Heid. Cat. vr. 1. 53. 54. Can. Dordr. c. 5. Trigland, Antapol. c. 39-41. Gomarus, Op. II 280. Chamier, Panstr. Cath. III 13 c. 20-22. Moor IV 387 V 158. M. Vitringa III 415 enz., en in den nieuweren tijd Schleiermacher, Chr. Gl. § 111. Schweizer, Chr. Gl. II 368. 509. Scholten, L. H. K. II 505v. Van Oosterzee § 121.Nu is het bij deze leer der volharding niet de vraag, of zij, die het ware, zaligmakend geloof deelachtig zijn, niet, aan zichzelven overgelaten, het weder door eigen schuld en zonde zouden kunnen verliezen; evenmin of bij hen niet soms feitelijk alle werkzaamheid, vrijmoedigheid en troost des geloofs ophoudt en het geloof zelf onder de zorgvuldigheden des levens en de genietingen der wereld in het verborgen zich terugtrekt. Maar de vraag is, of God het werk der genade dat Hij begon, ook handhaaft, voortzet en voleindigt, dan wel of Hij het soms door de macht der zonde ganschelijk te niet laat gaan. De perseverantia is geen daad des menschen maar zij is eene gave Gods. Augustinus heeft dit goed ingezien; alleen maakte hij tusschen tweeërlei genade onderscheid, en achtte eene genade der wedergeboorte en des geloofs mogelijk, die in zichzelve verliesbaar was en waaraan, om te blijven bestaan, nog van buiten af eene tweede genade, die der perseverantia, moest worden toegevoegd. De tweede genade is dan een donum superadditum, houdt met de eerste geen verband en staat feitelijk zonder eenigen invloed buiten het christelijk leven. Bij de Gereformeerden was de leer van de volharding eene gansch andere; zij was eene gave Gods; Hij waakt en zorgt, dat het werk der genade voortgang en voltooiing hebbe; maar Hij doet dit niet buiten de geloovigen om doch door hen henen. Hij geeft in wedergeboorte en geloof eene genade, die ook in zichzelve een onverliesbaar karakter draagt; Hij schenkt een leven, dat van nature eeuwig is; Hij verleent weldaden van roeping, rechtvaardigmaking, verheerlijking, die onderling onverbreekbaar samenhangen. Al de bovengenoemde vermaningen en bedreigingen, die de Schrift tot de geloovigen richt, bewijzen dan ook niets tegen de leer der volharding. Zij zijn juist de weg, waarin God zelf door de geloovigen heen zijne belofte en gave bevestigt; zij zijn de middelen, waardoor de volharding in het leven gerealiseerd wordt.Ook de volharding toch is geen dwang maar werkt als gave Gods op geestelijke wijze op den mensch in. God wil juist op zedelijke wijze, door vermaning en waarschuwing, den geloovige tot de hemelsche zaligheid leiden en doet hem zelf gewillig, door de genade des H. Geestes, volharden in geloof en in liefde. Gansch verkeerd is het daarom, uit de vermaningen des H. Schrift tot de mogelijkheid van het totale verlies der genade te besluiten. Deze conclusie is even onwettig, als wanneer bij Christus uit zijne verzoeking en strijd tot zijn posse peccare besloten wordt. De zekerheid der uitkomst maakt de middelen niet overbodig, maar ligt in Gods bestel daaraan onverbrekelijk vast. Paulus wist zeker, dat niemand bij de schipbreuk het leven verliezen zou; toch zegt hij: indien deze in het schip niet blijven, gij kunt niet behouden worden, Hd. 27:22, 31. Wat de voorbeelden aangaat, welke de Schrift voor werkelijken afval zou aanhalen, dan is het onmogelijk te bewijzen, dat al die personen òf de werkelijke genade der wedergeboorte hebben gehad (Hymeneus, Alexander, Demas, personen in 1 Tim. 4:1, 2 Petr. 2:1) òf haar werkelijk in hun val hebben verloren en dan later weder terug hebben ontvangen (David, Salomo) òf ook ze werkelijk hebben gehad doch nooit terug ontvingen (Hebr. 6:4-8, 10:26-31, 2 Petr. 2:18-22). Deze laatste teksten schijnen het grootste bezwaar in den weg te leggen voor de belijdenis der perseverantia sanctorum. Toch is dit maar schijn. Want ook zij, die de mogelijkheid van afval leeren, moeten aannemen, dat hier van eene gansch bijzondere zonde sprake is. Immers is volgens henzelven de genade wel verliesbaar maar ook na totaal verlies weer herkrijgbaar. Het gevoelen der Montanisten en Novatianen, die uit deze plaatsen afleidden, dat afgevallenen nooit meer in de kerk mochten opgenomen worden, is door de christelijke kerken algemeen verworpen. Wanneer de Schrift dan toch uitdrukkelijk zegt, dat hetonmogelijkis, om zulken, van welke in die teksten sprake is, wederom te vernieuwen tot bekeering, Hebr. 6:4, 10:26, 2 Petr. 18:20, 1 Joh. 5:16, dan is het onwedersprekelijk, dat hier eene zonde bedoeld wordt, die het oordeel der verharding medebrengt en bekeering onmogelijk maakt. En zulk eene zonde is er, ook naar de belijdenis van hen, die de mogelijkheid van afvalaannemen, slechts ééne, n.l. de lastering tegen den H. Geest, bovenbl. 101. Indien dit nu zoo is, leidt de leer van den afval der heiligen totde gevolgtrekking, dat de lastering tegen den H. Geest ook of zelfs alleen door wedergeborenen bedreven kan worden, Quenstedt, Theol. II 157, of de bovengenoemde teksten verliezen tegen de perseverantia sanctorum alle bewijskracht. Maar daarbij komt nog meer. Zij, die totalen afval mogelijk achten, moeten onderscheid maken tusschen zulke zonden, waardoor de genade der wedergeboorte niet, en andere, waardoor zij wel verloren wordt; zij zijn m. a. w. gedwongen, om tot de Roomsche leer van de peccata mortalia en venialia de toevlucht te nemen, tenzij zij zouden willen, dat die genade door iedere, ook de geringste, zonde teloor ging. Hierdoor echter wordt heel de moraal vervalscht, de natuur der zonde miskend, eene de gewetens verstrikkende en benauwende casuistiek ingevoerd. Voorts komt het op dit standpunt tot geen zekerheid des geloofs, tot geen rustigen arbeid, tot geen stille ontwikkeling en groei van het christelijk leven. De continuiteit kan ieder oogenblik verbroken worden; Hollaz, Ex. 883 tracht te betoogen, dat de wedergeboorte drie, vier en meer malen verloren en weder terug-ontvangen kan worden, cf. Schneckenburger, Vergl. Darst. I 233 f. Eindelijk ontkomt de leer van den afval der heiligen zoo weinig aan de moeilijkheden, die zij ontwijken wil, dat zij deze nog vergroot en vermeerdert. Want indien zij daarbij vasthoudt de onveranderlijkheid van Gods praescientia, worden toch eindelijk alleen zij zalig, van wie God dit eeuwig zeker geweten heeft; en de menschelijke wil kan deze zekerheid der uitkomst niet te niet doen. Of ook moet zij voortschrijden tot loochening van praedestinatio en praescientia in elken zin, en dan maakt zij alles wankel en onvast, de liefde des Vaders, de genade des Zoons en de gemeenschap des H. Geestes. God moge zijne liefde hebben geopenbaard, Christus moge voor zondaren gestorven zijn, de H. Geest moge wedergeboorte en geloof in het hart hebben geplant, de geloovige moge met Paulus kunnen zeggen: ik heb een vermaak in de wet Gods naar den inwendigen mensch; ten slotte is tot in de stervensure toe, en waarom ook nog niet aan gene zijde des grafs, de wil van den mensch de beslissende en alles beheerschende macht. Het zal alles zijn, gelijk hij bepaalt.De Schrift leert echter geheel anders. Reeds het O. Testament spreekt het duidelijk uit, dat het verbond der genade niet afhangt van de gehoorzaamheid des menschen. Wel brengt het deverplichting mede, om in den weg des verbonds te wandelen, maar zelf rust het alleen in Gods ontferming. Als desniettemin de Israelieten zich telkens aan ontrouw en echtbreuk schuldig maken, leiden de profeten daaruit niet af, dat God verandert, dat zijn verbond wankelt en zijne belofte faalt. Integendeel, God kan en mag zijn verbond niet verbreken; Hij heeft er zich vrijwillig, met een duren eed aan Israël door verbonden; zijn roem, zijn naam, zijn eere hangt eraan; Hij kan zijn volk niet verlaten; het is een eeuwig verbond, dat van geen wankelen weet; Hij zal zelf aan zijn volk een nieuw hart en een nieuwen geest geven, de wet in hun binnenste schrijven en hen in zijne inzettingen doen wandelen, bovenbl. 194. En als later Paulus voor datzelfde feit van Israels ontrouw staat, het hart van droefheid vervuld, dan besluit hij daaruit niet, dat het woord Gods is uitgevallen, maar blijft hij gelooven, dat God zich ontfermt diens Hij wil, dat zijne genadegiften en roeping onberouwelijk zijn, en dat niet allen Israel zijn, die uit Israel zijn, Rom. 9-11. En evenzoo getuigt Johannes van hen, die afvallig worden: zij waren uit ons niet, anders zouden zij met ons gebleven zijn, I 2:9. Wat afval er dus ook onder de Christenheid plaats hebbe, het mag ons nimmer doen twijfelen aan de onveranderlijkheid Gods, aan de vastheid van zijn raad, aan de onverbreekbaarheid van zijn verbond, aan de trouw zijner beloften. Eer moet men alle schepsel varen laten dan dat men niet vertrouwe op zijn woord. En dat woord is ééne rijke belofte voor de erfgenamen des koninkrijks. Er zijn niet enkele teksten, die de volharding leeren; het gansche evangelie draagt en bevestigt ze. De Vader heeft hen verkoren vóór de grondlegging der wereld, Ef. 1:4, hen verordineerd ten eeuwigen leven, Hd. 13:48, tot gelijkvormigheid den beelde zijns Zoons, Rom. 8:29; en deze verkiezing is onveranderlijk, Rom. 9:11, Hebr. 6:17 en brengt te harer tijd roeping en rechtvaardiging en verheerlijking mede, Rom. 8:30. Christus, in wien alle beloften Gods ja en amen zijn, 2 Cor. 1:20, is gestorven voor degenen, die Hem gegeven zijn van den Vader, Joh. 17:6, 12, opdat Hij hun het eeuwige leven geve en niemand hunner verliezen zou, Joh. 6:40, 17:2; en daarom schenkt Hij hun het eeuwige leven en zullen zij niet verloren gaan in eeuwigheid, niemand zal hen uit zijne hand rukken, Joh. 6:39, 10:28: De H. Geest, die hen wederbaart, blijft eeuwig bij hen,Joh. 14:16, en verzegelt hen tot den dag der verlossing, Ef. 1:13, 4:30. Het verbond der genade is vast en met een eed bevestigd, Hebr. 6:16-18, 13:20, onverbreekbaar als een huwelijk, Ef. 5 vs. 31, 32, als een testament, Hebr. 9:17, en krachtens dat verbond roept God zijne uitverkorenen, schrijft de wet in hun binnenste, legt zijne vreeze in hun hart, Hebr. 8:10, 10:14v., laat hen niet verzocht worden boven vermogen, 1 Cor. 10:13, bevestigt en voleindigt het goede werk, dat Hij in hen begon, 1 Cor. 1:9, Phil. 1:6 en bewaart hen voor de toekomst van Christus, om de hemelsche erfenis deelachtig te worden, 1 Thess. 5 vs. 23, 2 Thess. 3:3, 1 Petr. 1:4, 5. Door zijne voorbede bij den Vader is Christus alzoo werkzaam, dat hun geloof niet ophoudt, Luk. 11:32, dat zij in de wereld bewaard worden van den Booze, Joh. 17:11, 20, dat zij volkomen zalig worden, Hebr. 7:20, dat de zonden hun worden vergeven, 1 Joh. 2:1 en dat zij allen bij Hem zijn zullen en zijne heerlijkheid aanschouwen, Joh. 17:24. De weldaden van Christus, welke de H. Geest hen deelachtig maakt, zijn alle onberouwelijk, Rom. 11:29; die geroepen is, is verheerlijkt, Rom. 8:30; die tot een kind is aangenomen, is een erfgenaam des eeuwigen levens, Rom. 8:17, Gal. 4:7; die gelooft, heeft hier reeds het eeuwige leven, Joh. 3:16. En dat leven zelf is, wijl eeuwig, ook onverliesbaar; het kan niet sterven, wijl het niet zondigen kan, 1 Joh. 3:9. Het geloof is een vaste grond, Hebr. 11:1, de hope is een anker, Hebr. 6:19 en beschaamt niet, Rom. 5:5, en de liefde vergaat nimmermeer, 1 Cor. 13:8.Uit deze volharding vloeit een rijke troost voor de geloovigen en een overvloedige zegen voor het christelijk leven voort. Omdat God het goede werk, dat Hij begon, ook naar zijne belofte voleindigt, daarom kunnen en mogen de geloovigen ten allen tijde van hunne eeuwige zaligheid verzekerd zijn. Wie de rechtvaardigmaking alleen uit het geloof bestrijden of desniettemin, gelijk de Lutherschen, de perseverantia sanctorum verwerpen, kunnen deze certitudo fidei niet aanvaarden. Zelfs Augustinus durfde deze leer niet aan en zeide:Deus melius esse judicavit, miscere quosdam non perseveraturos certo numero sanctorum suorum, ut quibus non expedit in hujus vitae tentatione securitas, bij Schweizer, Centraldogmen I 42. Rome bepaalde dan ook, dat niemand met zekerheid weten kan, dat hij Gods genade verkregen heeft, tenzijdoor bijzondere openbaring, Trid. VI c. 9 en can. 13-15, en de Roomsche theologen spreken daarom alleen van eene certitudo moralis, conjecturalis, Thomas, S. Theol. II 1 qu. 112 art. 5. Bellarminus, de justif. III c. 2 sq. Möhler zeide, dat het hem in de nabijheid van iemand, die altijd van zijne zaligheid zeker was,im höchsten Grade unheimlichzou zijn, en dat hij de gedachte niet van zich zou kunnen weren,dass etwas Diabolisches dabei unterlaufe, Symbolik S. 197. Ook de Remonstranten en in lateren tijd de Lutherschen bestreden de certitudo fidei, althans voor de toekomst; maar de Gereformeerden beleden de electie en schreven aan het geloof de vaste verzekerdheid der zaligheid toe, welke wel niet uit nieuwsgierige onderzoekingen naar den verborgen raad Gods, maar toch uit de natuur en de vruchten des geloofs door het getuigenis des H. Geestes verkregen kon worden. Het geloof toch is in zijn aard met allen twijfel in strijd; de zekerheid wordt er niet later van buitenaf aan toegevoegd, maar ligt er van den aanvang af in, en komt er te harer tijd uit voort; het is immers eene gave Gods, eene werking des H. Geestes. Hij getuigt daarin met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn, Rom. 8:15, Gal. 4:6, doet de geloovigen roemen, dat niets hen scheiden zal van de liefde Gods in Christus, Rom. 8:38 en verzekert hen van hunne toekomstige zaligheid, Rom. 8:23, 2 Cor. 1:22, Ef. 1:13, 14, 4:30. En deze zekerheid des geloofs geeft kracht en steun aan het christelijk leven. Want dit heeft Ritschl helder in het licht gesteld: bij de Roomschen is de rechtvaardigmaking eene bekwaammaking tot de zedelijke bestemming, bij de Protestanten is zij de herstelling der religieuse verhouding tot God. Deze laatste moet voorafgaan, eer er van een waarlijk christelijk leven sprake kan zijn. Zoolang wij nog staan tegenover God als Rechter, door de wet het leven zoeken en met vreeze des doods bevangen zijn, is de liefde niet in ons, die de vrucht des geloofs, de vervulling der wet, de band der volmaaktheid is en alle vreeze buitensluit. Maar als in de rechtvaardigmaking de vrede met God, het kindschap, de vrijmoedige toegang tot den troon der genade, de vrijheid van de wet, de onafhankelijkheid van de wereld ons geschonken is, dan vloeien uit dat geloof de goede werken vanzelve voort. Zij dienen niet om het eeuwige leven te verwerven, maar zijn van het eeuwige leven, dat elk geloovige reeds bezit, openbaring, zegel en bewijs. Het geloof, dat dezekerheid insluit, dat bij God alle dingen mogelijk zijn, dat Hij dooden levend maakt en de dingen, die niet zijn, roept alsof zij waren, stelt altijd tot groote dingen in staat. Het zegt tot den berg: word opgeheven en in de zee geworpen; en het geschiedt alzoo, Mt. 21:21. Cf. over de certitudo fidei: Calvijn, Inst. III 2, 14v. enz. Acta Syn. Trid. c. antid. C. R. 35, 455. Zanchius, Op. VIII 227. Chamier, Panstr. Cath. III 13 c. 8 sq. Can. Dordr. I 12. V 9-12. Rivetus, Op. III 470-478. Trigland, Antapol. c. 41. Keckermann e. a. bij Heppe, Dogm. d. ev. ref. K. 129-131. Hoornbeek, Theol. pract. II 64 sq. Love, Theol. Werken 126v. Erskine, De verzekering des geloofs, Werken, Amst. 1856 VI. Marshall, Evang. Heiligmaking bl. 195v. M. Vitringa III 89.
Uit deze heerlijke beschrijving van den Christenstand in hetN. T.is door velen in vroeger en later tijd afgeleid, dat de Schrift de volmaakbaarheid der geloovigen reeds in dit leven leert; zoo door de Pelagianen, Roomschen, Socinianen, Remonstranten, Anabaptisten, Schwencfeld, Weigel, Böhme, Poiret, Labadie, Quietisten, Pietisten, Kwakers, Herrnhutters, Wesleyaansche Methodisten enz., cf. bij M. Vitringa III 385-414. Moor IV 805 sq., in den nieuweren tijd vooral door Moody, Sankey e. a., cf. Jellinghaus,Das volle, gegenwärtige Heil durch Christum, 1880, gematigder in de latere uitgaven, 4eAufl. Basel 1898. Er is van andere zijde aan deze bewering steun geboden. Ritschl merkte het eerst op, dat Paulus zelf, nadat hij bekeerd was, geen bewustzijn van onvolmaaktheid had, en ook over die van de geloovigen in het geheel niet reflecteert, Rechtf. u. Vers. II 365 f. Anderen werkten deze gedachte uit en beschuldigden den apostel zelfs van een onpractisch idealisme, dat onder den indruk van Jezus’ spoedige wederkomst bij de geloovigen aan geen zonden dacht, cf. Scholz,Zur Lehre vom „armen Sünder”, Zeits. f. Th. u. K. 1896 S. 463 f. Clemen, Chr. Lehre v. d. Sünde I 109 f. Holtzmann, Neut. Theol. II 150, vooral Wernle in zijn boven aangehaald geschrift, cf. ook Karl,Beiträge zum Verständniss der soteriol. Erfahrungen u. Spekulationem des Ap. Paulus, Strassburg 1897. Er ligt in deze bewering eene waarheid, die niet bestreden maar ten volle dient erkend. De Schrift kan schier geen woorden genoeg vinden, om de heerlijkheid te beschrijven van het volk Gods. Zij noemt Israël in hetO. T.een priesterlijk koninkrijk, door God uitverkoren, voorwerp zijner liefde, zijn deel en erve, zijn zoon en knecht, volmaakt van schoonheid door de heerlijkheid Gods, Ex. 19:5, 6, Deut. 7:7v., 32:6, 8, 9, 18, Jes. 41:8, Ezech. 16:14 enz.; en de geloovigen in hetN. T.zijn het zout der aarde, Mt. 5:13, het licht der wereld, vs. 14, uit God geboren en zijne kinderen, Joh. 1:12, 13, zijn uitverkoren geslacht en koninklijk priesterdom, 1 Petr. 2:9, 10, der Goddelijke natuur deelachtig, 2 Petr. 1:4, gezalfd met denH. Geest, 1 Joh. 2:20, door Christus gemaakt tot koningen en priesters, Op. 1:5, niet kunnende zondigen, 1 Joh. 3:9, 5:18v. enz. Wie de leer der Schrift over zonde en genade verwerpt, kan in dit alles slechts overdrijving zien; eene radicale verandering als wedergeboorte en heiligmaking is dan noch noodig noch begrijpelijk. Maar de Schrift oordeelt anders; zij geeft aan de gemeente eene hooge plaats, noemt haar met de schoonste namen en schrijft haar eene Goddelijke heiligheid en heerlijkheid toe. In de Roomsche dogmatiek, cf. bijv. Heinrich-Gutberlet, Dogm. Theol. VIII 550-643, komen de deugden en gaven, welke de H. Geest aan de gemeente schenkt, gewoonlijk beter tot haar recht dan in de Protestantsche, welke menigmaal in de rechtvaardiging uit het geloof en de verwachting van de hemelsche zaligheid de leer der Schrift over den Christenstand uitgeput acht. De heerlijkmaking der gemeente, welke met de wedergeboorte een aanvang neemt, is echter evenzeer een voorwerp des geloofs als de rechtvaardigmaking. Dat de gemeente in Christus schuldvrij voor Gods aangezicht staat, is even zwaar te gelooven, als dat zij door den H. Geest in beginsel geheiligd, verheerlijkt en den beelde des Zoons gelijkvormig is gemaakt. Beide zijn evenzeer met den schijn der dingen in strijd; beide behooren tot die zaken, welke men niet ziet en die alleen zeker zijn voor het geloof. De Schrift weet dat ook zelve. In weerwil toch van de heerlijke beschrijving, welke zij geeft van den stand der geloovigen, beschouwt zij dezen toch als zondaren en verzwijgt hunne overtredingen en hunne schuldbelijdenis niet, bijv. bij Abraham, Gen. 12:11, Izak, 26:7, Jakob, 26:35, Mozes, Num. 20:7-12, Ps. 106:33, David, Ps. 51 enz., Salomo, 1 Kon. 8:46, Spr. 20:9, Jesaja, cap. 64:6, Daniël, cap. 9:4 enz. En ook Paulus weet, dat hem, als hij het goede wil doen, het kwade bijligt. Het is waar, dat Paulus zich steeds helder bewust is van de groote verandering, welke met hem heeft plaats gegrepen. Hij is met Christus der wereld gekruisigd, en hij leeft thans zelf niet meer, Christus leeft in hem. Hij is vrij van de wet, staat rechtvaardig voor God, is van zijn kindschap verzekerd, roemt in de genade, door welke hij alles vermag, stelt zichzelven ten voorbeeld, draagt roem op zijn apostolischen arbeid en is zich van zijne trouwe ambtsvervulling bewust, bijv. Rom. 15 vs. 17, 1 Cor. 4:3, 9:15, 15:30, 31, II 1:12, 6:3, 11:10,Phil. 2:16, 1 Thess. 2:10, 19. Maar desniettemin belijdt hij, dat hij in het vleesch leeft, Gal. 2:20, dat het vleesch steeds begeert tegen den Geest, Gal. 5:17, dat in zijn vleesch geen goed woont, Rom. 7:18, en dat hij de volmaaktheid nog niet heeft verkregen, Phil. 3:12. Vooral Rom. 7:7-26 is in dit opzicht van groote beteekenis, cf. reeds bovenbl. 106; hoezeer de reformatorische exegese van deze plaats in den nieuweren tijd meest prijsgegeven wordt, heeft men, alzoo handelende, niet geweten wat men deed. Wernle overdrijft maar zegt toch niet geheel zonder reden:in der That bedeutet das Zurückgehen auf die alte (griechische) Tradition von Röm. 7 einen viel schwereren Schlag für unsere Dogmatik, als in der Regel von ihr empfunden wird. Gewöhnlich gesteht man zu, dass Röm. 7 sich nicht auf den Wiedergeborenen bezieht, ohne zu merken, dass durch dies Zugeständniss der Paulinismus für uns unbrauchbar wird, t.a.p. 108. Toch is dit niet de sterkste grond voor het handhaven der reformatorische uitlegging van Rom. 7. Deze ligt in den tekst zelven. Het praesens, waarin Paulus spreekt, is alleen van het tegenwoordige te verstaan.In Wahrheit macht man den Apostel zum Komödianten, wenn man ihm zutraut, er habe so, wie hier geschieht, nur in der Erinnerung an einen längst vergangenen Zustand reden können, Clemen t.a.p. 112, die ook verwijst naar van Manen, Paulus II 1891 bl. 71. Toch ziet Clemen geen kans, om Rom. 7 met de overige uitspraken van Paulus in overeenstemming te brengen en zegt daarom:sie entstammt wohl einer besonders trüben Stimmung des Apostels, nicht seinem sonst vorherrschenden Bewusstsein! Maar bij deze zonde en dit zondebesef in de heiligen des O. en N. Verbonds komt nog, dat de Schrift allerwege uitgaat van de onderstelling, dat de zonde in de geloovigen tot het einde huns levens blijft; er blijft hun voortdurend noodig de bede om vergeving, Mt. 6:12, 13 en de belijdenis van zonden, 1 Joh. 1:9. Al de vermaningen en waarschuwingen in de Schrift onderstellen, dat de geloovigen nog maar hebben een klein beginsel der volmaakte gehoorzaamheid; zij struikelen dagelijks in vele dingen, Jak. 3:2; indien zij zeggen, geene zonde te hebben, verleiden zij zichzelven, 1 Joh. 1:8. Ook Paulus oordeelt over de geloovigen niet anders. Hij plaatst hen zeer hoog, noemt hen uitverkorenen, geroepenen, heiligen, merkt met vreugde de christelijke deugden op, die in hen openbaar worden, en geeft hun gaarne en herhaaldelijk een roemvolgetuigenis. Hierin overdrijft de apostel zeker niet; de verandering moet groot geweest zijn, als hij van de geloovigen uit de Heidenen getuigen kon, dat zij vroeger in allerlei schrikkelijke zonden leefden maar nu gewasschen, geheiligd, gerechtvaardigd waren in den naam van den Heere Jezus en door den Geest Gods, 1 Cor. 6:11. Desniettemin heeft hij een open oog voor de zonden, die de geloovigen nog aankleven. De Corinthiërs zijn nog vleeschelijk, 1 Cor. 3:1-4, de Galatiërs zijn ongehoorzaam, Gal. 5:7v., in de Colossers is het goede werk wel begonnen maar niet voleindigd, Col. 1:6, ja, hun leven is nog met Christus verborgen in God, 3:3. In Rom. 6 zegt Paulus niet, dat de geloovigen zondeloos zijn, maar betoogt hij, dat het geloof in Christus zich met een leven in de zonde niet verdraagt; en daarom vermaant hij hen juist, om hunne leden Gode te stellen tot wapenen der gerechtigheid, Rom. 6:13. Zonder telkens op de rechtvaardigmaking terug te komen, die eens uit en door het geloof geschied is, dringt hij er op aan, dat de geloovigen dezen hunnen nieuwen stand in een wandelen naar den Geest openbaren en bewijzen zullen. En daarbij verdient dit dan nog onze opmerkzaamheid, dat de Schrift, schoon altijd de onvolmaaktheid van den geloovige onderstellende, toch nooit den eisch der wet verzwakt of aanpast aan de practijk. De voorstanders van de volmaakbaarheid kunnen dien nooit handhaven, halen de zedewet naar beneden en maken tusschen doodzonden en vergefelijke zonden of tusschen zonde doen en zonde hebben onderscheid. Maar de Schrift doet alzoo niet en handhaaft den vollen, onkreukbaren eisch der wet:weestheilig, want Ik ben heilig, 1 Petr. 1:16,weestvolmaakt, gelijk uw Vader in de hemelen, Mt. 5:48, Jak. 1:4; de geloovigen moeten Christus navolgen, die geen zonde gedaan heeft, 1 Petr. 2:21v. Ef. 5:1, en in den dag van Christusἀνεγκλητοι, εἰλικρινεις, ἀπροσκοποι, ἀμεμπτοι, ἀμωμοιzijn, 1 Cor. 1:8, Phil. 1:10, 2:15, Col. 1:22, 1 Thess. 3:13, 5:23. Met allen ernst en zonder ophouden worden zij daarom opgewekt tot een heiligen wandel. Boven bij de rechtvaardiging bleek ons, dat de Christen van zijne zaligheid zeker is, alleen door het geloof, zonder en onafhankelijk van de werken. Maar in de heiligmaking, in het leven wordt, naar het schijnt, de zaligheid weer daarvan afhankelijk gemaakt, of de geloovigen Gods wil doen en onstoffelijk voor zijn aangezicht wandelen.
De heiligmaking, die eerst alleen passief was, Phil. 1:5, 1 Thess. 5:23, krijgt in eens eene actieve beteekenis, Rom. 12:1, 2 Cor. 7:1, 1 Thess. 4:3, Hebr. 12:14. Evenals bij de prediking van het evangelie het geloof eene gave Gods is en toch de mensch voor zijne houding tegenover Gods roeping verantwoordelijk is, bv. Rom. 9:1-29 en 9:30-10:21, zoo wordt hier het bezit van alle weldaden des verbonds, vergeving, kindschap, leven, zaligheid vóór alle werk zeker gesteld en toch telkens met zooveel ernst op goede werken aangedrongen, alsof zij eerst daardoor verkregen moesten worden. Het koninkrijk Gods is eene gave, door God naar zijn welbehagen geschonken, Mt. 11:26, 16:17, 22:14, 24:22, Luk. 10:20, 12:32, 22:29, en toch is het een loon, een schat in de hemelen, die met inspanning gezocht en door arbeid in den dienst Gods verworven moet worden, Mt. 5:12, 20, 6:20, 19:21, 20:1v. enz. De geloovigen zijn ranken aan den wijnstok, die zonder Christus niets kunnen doen en worden toch vermaand, om in Hem, in zijn woord, in zijne liefde te blijven, Joh. 15; zij zijn uitverkorenen, en moeten toch zich benaarstigen, om hunne roeping en verkiezing vast te maken, 2 Petr. 1:10; zij zijn door de ééne offerande van Christus geheiligd en volmaakt, Hebr. 10:10, 14, in wie God werkt hetgeen Hem welbehagelijk is, 13:21, en toch moeten zij in het geloof volharden ten einde toe, 3:6, 14, 4:14, 6:11, 12; zij hebben den nieuwen mensch aangedaan en moeten Hem steeds aandoen, Ef. 4:24, Col. 3:10; zij hebben het vleesch gekruisigd met de begeerlijkheden en moeten toch hunne leden dooden, die op de aarde zijn, Gal. 5:24, Col. 3:5; of, om al deze tegenstellingen saam te vatten: eenerzijds is het een feit, dat de Schrift niet eens maar herhaaldelijk van loon spreekt, aan het geringste werk, in Jezus’ naam verricht, loon verbindt, aan het einde een iegelijk vergelden laat naar zijne werken en menigmaal met het oog op dat loon op goede werken aandringt, Mt. 5:12, 6:4, 16:27, 25:34, Rom. 2:6, 1 Tim. 4:7, 8, Op. 22:12 enz.; en daarnaast staat even vast, dat er geen verhouding van verdienste en loon bestaat tusschen wat de geloovige doet en wat hij ontvangen zal, Mt. 20:9, Mk. 10:30, Luk. 12:37, 43, 44; dat hij, als hij alles doet, wat hij schuldig was te doen, nog een onnutte dienstknecht is, Luk. 17:10, dat er geen loon is dan uit genade, Rom. 4:3, 4, en dat alle weldaden des verbonds,de heiligmaking en de verheerlijking, even goed als de rechtvaardigmaking, door Christus verworven zijn, in Hem gereed liggen en dus door de geloovigen niet alleen niet meer behoeven maar ook niet meer kunnen verdiend en alleen kinderlijk in het geloof kunnen aangenomen worden. Velen hebben tusschen deze alwerkzaamheid Gods in de genade en de toch daarnaast gehandhaafde zelfwerkzaamheid des menschen eene tegenstrijdigheid gezien, Jezus, Paulus, Johannes van innerlijke tegenspraak beschuldigd en voor zichzelven de eene aan de andere opgeofferd. Zoo werd dan geleerd, dat de genade hoogstens alleen dient, om de wilskracht ten goede bij den mensch te herstellen en hem zelf aan den arbeid en aan het verdienen te zetten, of ook aan den anderen kant beweerd, dat goede werken niet noodzakelijk of ook zelfs schadelijk voor de zaligheid zijn. Maar hoog boven al deze eenzijdigheden staat de H. Schrift, als de hemel boven de aarde, als de gedachten Gods boven de gedachten der menschen. Zij houdt beide vast, predikt beide met gelijken nadruk en ziet tusschen beide geen tegenspraak noch strijd. Juist omdat God in de geloovigen werkt het willen en het werken, hebben zij huns zelfs zaligheid uit te werken met vreeze en beven, Phil. 2:12, 13. Zij zijn Gods maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat zij daarin wandelen zouden, Ef. 2:10. God en mensch, religie en zedelijkheid, geloof en liefde, rechtvaardigmaking en heiligmaking, bidden en werken, zijn van nature geen tegenstelling. Zij zijn het geworden door de zonde; en door haar brengt de mensch telkens weer strijd tusschen beide. Maar zij zijn oorspronkelijk ten nauwste vereenigd; zij zijn door Christus, die onze vrede is, in hunne eenheid hersteld; zij zijn in het christelijk leven in beginsel verzoend. Afhankelijkheid valt hier met vrijheid saam; de geborenen uit God worden kinderen Gods omdat zij het zijn; voor hen geldt de wet:werde was du bist!Goede werken zijn daarom eenerzijds zonder eenige verdienste; zij zijn immers onze niet, maar door God in Christus voor ons voorbereid en door zijn Geest in ons gewerkt; zij zijn door onze zwakheid steeds onvolmaakt en met zonde besmet; ze zijn gansch ongeevenredigd aan de zaligheid, die geschonken wordt;ipsa hominis bona merita sunt Dei munera, Augustinus, Ench. 107. En desniettemin zijn zij dringend noodzakelijk, om het gebod Gods, Rom. 6:18, 7:4, 8:12, 13, 1 Thess. 4:3, om het doel derverlossing, Ef. 1:4; als vruchten des geloofs, Jak. 2:14, uit dankbaarheid, 1 Cor. 6:20, Col. 1:10, 1 Thess. 2:12, ter verheerlijking Gods, Joh. 15:8, als weg tot de zaligheid, Hebr. 12:14;bona opera via regni, non causa regnandi(Bernardus). Cf. later den locus de vita christiana.
3. Op dezelfde wijze als over de heiligmaking, spreekt de Schrift over de volharding der heiligen. Zij vermaant de geloovigen, om te volharden tot het einde toe, Mt. 24:13, Rom. 2:7, 8, om te blijven in Christus, in zijn woord, in zijne liefde, Joh. 15:1-10, 12:6, 24, 27, 3:6, 24, 4:12v., om niet af te wijken maar het geloof te behouden, Col. 1:23, Hebr. 2:1, 3:14, 6:11, om getrouw te zijn tot den dood, Op. 2:10, 26. Soms spreekt zij zoo, alsof afval mogelijk ware; wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle, 1 Cor. 10:12; waarschuwt tegen hooggevoeligheid en dreigt in geval van ontrouw met zware straf, Ezech. 18:24, Mt. 13:20, 21, Joh. 15:2, Rom. 11:20, 22, 2 Tim. 2:12, Hebr. 4:1, 6:4-8, 10:26-31, 2 Petr. 2:18-22. Zelfs schijnt zij verschillende voorbeelden te noemen, waarin afval plaats heeft gehad, David in zijn overspel, Salomo in zijne afgoderij, Hymeneus en Alexander, 1 Tim. 1:19, 20, 2 Tim. 2:17, 18, Demas, 2 Tim. 4:10, valsche profeten en leeraars, die den Heer, die hen kocht, verloochenen, 2 Petr. 2:1. geloovigen, die van de genade en het geloof afvallen, Gal. 5:4, 1 Tim. 4:1. Op deze teksten steunende, hebben Pelagianen, Roomschen, Socinianen, Remonstranten, Mennonieten, Kwakers, Methodisten enz., en ook zelfs de Lutherschen de mogelijkheid van een totaal verlies der ontvangen genade geleerd, M. Vitringa III 415 sq. Daarentegen kwam Augustinus tot de belijdenis der perseverantia sanctorum; doch wijl hij de onzekerheid en vreeze ten opzichte van de zaligheid in de geloovigen heilzaam achtte, leerde hij, dat de door den doop wedergeborenen de genade, die zij ontvangen hadden, weer verliezen konden, doch haar, indien zij behoorden tot het getal der praedestinati, in elk geval vóór den dood terug ontvingen; geloovigen konden dus totaliter maar uitverkorenen konden niet finaliter de genade verliezen. In de Katholieke en Roomsche kerk stemden vroeger en later velen met hem in; maar toch is deze leer alleen door de Gereformeerden gehandhaafd en met de certitudo fidei verbonden, Zwingli,Op. IV 121. Calvijn, Inst. II 3, 11. 5, 3. III 24, 6. 7 enz. Polanus, Synt. VI 43. Heid. Cat. vr. 1. 53. 54. Can. Dordr. c. 5. Trigland, Antapol. c. 39-41. Gomarus, Op. II 280. Chamier, Panstr. Cath. III 13 c. 20-22. Moor IV 387 V 158. M. Vitringa III 415 enz., en in den nieuweren tijd Schleiermacher, Chr. Gl. § 111. Schweizer, Chr. Gl. II 368. 509. Scholten, L. H. K. II 505v. Van Oosterzee § 121.
Nu is het bij deze leer der volharding niet de vraag, of zij, die het ware, zaligmakend geloof deelachtig zijn, niet, aan zichzelven overgelaten, het weder door eigen schuld en zonde zouden kunnen verliezen; evenmin of bij hen niet soms feitelijk alle werkzaamheid, vrijmoedigheid en troost des geloofs ophoudt en het geloof zelf onder de zorgvuldigheden des levens en de genietingen der wereld in het verborgen zich terugtrekt. Maar de vraag is, of God het werk der genade dat Hij begon, ook handhaaft, voortzet en voleindigt, dan wel of Hij het soms door de macht der zonde ganschelijk te niet laat gaan. De perseverantia is geen daad des menschen maar zij is eene gave Gods. Augustinus heeft dit goed ingezien; alleen maakte hij tusschen tweeërlei genade onderscheid, en achtte eene genade der wedergeboorte en des geloofs mogelijk, die in zichzelve verliesbaar was en waaraan, om te blijven bestaan, nog van buiten af eene tweede genade, die der perseverantia, moest worden toegevoegd. De tweede genade is dan een donum superadditum, houdt met de eerste geen verband en staat feitelijk zonder eenigen invloed buiten het christelijk leven. Bij de Gereformeerden was de leer van de volharding eene gansch andere; zij was eene gave Gods; Hij waakt en zorgt, dat het werk der genade voortgang en voltooiing hebbe; maar Hij doet dit niet buiten de geloovigen om doch door hen henen. Hij geeft in wedergeboorte en geloof eene genade, die ook in zichzelve een onverliesbaar karakter draagt; Hij schenkt een leven, dat van nature eeuwig is; Hij verleent weldaden van roeping, rechtvaardigmaking, verheerlijking, die onderling onverbreekbaar samenhangen. Al de bovengenoemde vermaningen en bedreigingen, die de Schrift tot de geloovigen richt, bewijzen dan ook niets tegen de leer der volharding. Zij zijn juist de weg, waarin God zelf door de geloovigen heen zijne belofte en gave bevestigt; zij zijn de middelen, waardoor de volharding in het leven gerealiseerd wordt.Ook de volharding toch is geen dwang maar werkt als gave Gods op geestelijke wijze op den mensch in. God wil juist op zedelijke wijze, door vermaning en waarschuwing, den geloovige tot de hemelsche zaligheid leiden en doet hem zelf gewillig, door de genade des H. Geestes, volharden in geloof en in liefde. Gansch verkeerd is het daarom, uit de vermaningen des H. Schrift tot de mogelijkheid van het totale verlies der genade te besluiten. Deze conclusie is even onwettig, als wanneer bij Christus uit zijne verzoeking en strijd tot zijn posse peccare besloten wordt. De zekerheid der uitkomst maakt de middelen niet overbodig, maar ligt in Gods bestel daaraan onverbrekelijk vast. Paulus wist zeker, dat niemand bij de schipbreuk het leven verliezen zou; toch zegt hij: indien deze in het schip niet blijven, gij kunt niet behouden worden, Hd. 27:22, 31. Wat de voorbeelden aangaat, welke de Schrift voor werkelijken afval zou aanhalen, dan is het onmogelijk te bewijzen, dat al die personen òf de werkelijke genade der wedergeboorte hebben gehad (Hymeneus, Alexander, Demas, personen in 1 Tim. 4:1, 2 Petr. 2:1) òf haar werkelijk in hun val hebben verloren en dan later weder terug hebben ontvangen (David, Salomo) òf ook ze werkelijk hebben gehad doch nooit terug ontvingen (Hebr. 6:4-8, 10:26-31, 2 Petr. 2:18-22). Deze laatste teksten schijnen het grootste bezwaar in den weg te leggen voor de belijdenis der perseverantia sanctorum. Toch is dit maar schijn. Want ook zij, die de mogelijkheid van afval leeren, moeten aannemen, dat hier van eene gansch bijzondere zonde sprake is. Immers is volgens henzelven de genade wel verliesbaar maar ook na totaal verlies weer herkrijgbaar. Het gevoelen der Montanisten en Novatianen, die uit deze plaatsen afleidden, dat afgevallenen nooit meer in de kerk mochten opgenomen worden, is door de christelijke kerken algemeen verworpen. Wanneer de Schrift dan toch uitdrukkelijk zegt, dat hetonmogelijkis, om zulken, van welke in die teksten sprake is, wederom te vernieuwen tot bekeering, Hebr. 6:4, 10:26, 2 Petr. 18:20, 1 Joh. 5:16, dan is het onwedersprekelijk, dat hier eene zonde bedoeld wordt, die het oordeel der verharding medebrengt en bekeering onmogelijk maakt. En zulk eene zonde is er, ook naar de belijdenis van hen, die de mogelijkheid van afvalaannemen, slechts ééne, n.l. de lastering tegen den H. Geest, bovenbl. 101. Indien dit nu zoo is, leidt de leer van den afval der heiligen totde gevolgtrekking, dat de lastering tegen den H. Geest ook of zelfs alleen door wedergeborenen bedreven kan worden, Quenstedt, Theol. II 157, of de bovengenoemde teksten verliezen tegen de perseverantia sanctorum alle bewijskracht. Maar daarbij komt nog meer. Zij, die totalen afval mogelijk achten, moeten onderscheid maken tusschen zulke zonden, waardoor de genade der wedergeboorte niet, en andere, waardoor zij wel verloren wordt; zij zijn m. a. w. gedwongen, om tot de Roomsche leer van de peccata mortalia en venialia de toevlucht te nemen, tenzij zij zouden willen, dat die genade door iedere, ook de geringste, zonde teloor ging. Hierdoor echter wordt heel de moraal vervalscht, de natuur der zonde miskend, eene de gewetens verstrikkende en benauwende casuistiek ingevoerd. Voorts komt het op dit standpunt tot geen zekerheid des geloofs, tot geen rustigen arbeid, tot geen stille ontwikkeling en groei van het christelijk leven. De continuiteit kan ieder oogenblik verbroken worden; Hollaz, Ex. 883 tracht te betoogen, dat de wedergeboorte drie, vier en meer malen verloren en weder terug-ontvangen kan worden, cf. Schneckenburger, Vergl. Darst. I 233 f. Eindelijk ontkomt de leer van den afval der heiligen zoo weinig aan de moeilijkheden, die zij ontwijken wil, dat zij deze nog vergroot en vermeerdert. Want indien zij daarbij vasthoudt de onveranderlijkheid van Gods praescientia, worden toch eindelijk alleen zij zalig, van wie God dit eeuwig zeker geweten heeft; en de menschelijke wil kan deze zekerheid der uitkomst niet te niet doen. Of ook moet zij voortschrijden tot loochening van praedestinatio en praescientia in elken zin, en dan maakt zij alles wankel en onvast, de liefde des Vaders, de genade des Zoons en de gemeenschap des H. Geestes. God moge zijne liefde hebben geopenbaard, Christus moge voor zondaren gestorven zijn, de H. Geest moge wedergeboorte en geloof in het hart hebben geplant, de geloovige moge met Paulus kunnen zeggen: ik heb een vermaak in de wet Gods naar den inwendigen mensch; ten slotte is tot in de stervensure toe, en waarom ook nog niet aan gene zijde des grafs, de wil van den mensch de beslissende en alles beheerschende macht. Het zal alles zijn, gelijk hij bepaalt.
De Schrift leert echter geheel anders. Reeds het O. Testament spreekt het duidelijk uit, dat het verbond der genade niet afhangt van de gehoorzaamheid des menschen. Wel brengt het deverplichting mede, om in den weg des verbonds te wandelen, maar zelf rust het alleen in Gods ontferming. Als desniettemin de Israelieten zich telkens aan ontrouw en echtbreuk schuldig maken, leiden de profeten daaruit niet af, dat God verandert, dat zijn verbond wankelt en zijne belofte faalt. Integendeel, God kan en mag zijn verbond niet verbreken; Hij heeft er zich vrijwillig, met een duren eed aan Israël door verbonden; zijn roem, zijn naam, zijn eere hangt eraan; Hij kan zijn volk niet verlaten; het is een eeuwig verbond, dat van geen wankelen weet; Hij zal zelf aan zijn volk een nieuw hart en een nieuwen geest geven, de wet in hun binnenste schrijven en hen in zijne inzettingen doen wandelen, bovenbl. 194. En als later Paulus voor datzelfde feit van Israels ontrouw staat, het hart van droefheid vervuld, dan besluit hij daaruit niet, dat het woord Gods is uitgevallen, maar blijft hij gelooven, dat God zich ontfermt diens Hij wil, dat zijne genadegiften en roeping onberouwelijk zijn, en dat niet allen Israel zijn, die uit Israel zijn, Rom. 9-11. En evenzoo getuigt Johannes van hen, die afvallig worden: zij waren uit ons niet, anders zouden zij met ons gebleven zijn, I 2:9. Wat afval er dus ook onder de Christenheid plaats hebbe, het mag ons nimmer doen twijfelen aan de onveranderlijkheid Gods, aan de vastheid van zijn raad, aan de onverbreekbaarheid van zijn verbond, aan de trouw zijner beloften. Eer moet men alle schepsel varen laten dan dat men niet vertrouwe op zijn woord. En dat woord is ééne rijke belofte voor de erfgenamen des koninkrijks. Er zijn niet enkele teksten, die de volharding leeren; het gansche evangelie draagt en bevestigt ze. De Vader heeft hen verkoren vóór de grondlegging der wereld, Ef. 1:4, hen verordineerd ten eeuwigen leven, Hd. 13:48, tot gelijkvormigheid den beelde zijns Zoons, Rom. 8:29; en deze verkiezing is onveranderlijk, Rom. 9:11, Hebr. 6:17 en brengt te harer tijd roeping en rechtvaardiging en verheerlijking mede, Rom. 8:30. Christus, in wien alle beloften Gods ja en amen zijn, 2 Cor. 1:20, is gestorven voor degenen, die Hem gegeven zijn van den Vader, Joh. 17:6, 12, opdat Hij hun het eeuwige leven geve en niemand hunner verliezen zou, Joh. 6:40, 17:2; en daarom schenkt Hij hun het eeuwige leven en zullen zij niet verloren gaan in eeuwigheid, niemand zal hen uit zijne hand rukken, Joh. 6:39, 10:28: De H. Geest, die hen wederbaart, blijft eeuwig bij hen,Joh. 14:16, en verzegelt hen tot den dag der verlossing, Ef. 1:13, 4:30. Het verbond der genade is vast en met een eed bevestigd, Hebr. 6:16-18, 13:20, onverbreekbaar als een huwelijk, Ef. 5 vs. 31, 32, als een testament, Hebr. 9:17, en krachtens dat verbond roept God zijne uitverkorenen, schrijft de wet in hun binnenste, legt zijne vreeze in hun hart, Hebr. 8:10, 10:14v., laat hen niet verzocht worden boven vermogen, 1 Cor. 10:13, bevestigt en voleindigt het goede werk, dat Hij in hen begon, 1 Cor. 1:9, Phil. 1:6 en bewaart hen voor de toekomst van Christus, om de hemelsche erfenis deelachtig te worden, 1 Thess. 5 vs. 23, 2 Thess. 3:3, 1 Petr. 1:4, 5. Door zijne voorbede bij den Vader is Christus alzoo werkzaam, dat hun geloof niet ophoudt, Luk. 11:32, dat zij in de wereld bewaard worden van den Booze, Joh. 17:11, 20, dat zij volkomen zalig worden, Hebr. 7:20, dat de zonden hun worden vergeven, 1 Joh. 2:1 en dat zij allen bij Hem zijn zullen en zijne heerlijkheid aanschouwen, Joh. 17:24. De weldaden van Christus, welke de H. Geest hen deelachtig maakt, zijn alle onberouwelijk, Rom. 11:29; die geroepen is, is verheerlijkt, Rom. 8:30; die tot een kind is aangenomen, is een erfgenaam des eeuwigen levens, Rom. 8:17, Gal. 4:7; die gelooft, heeft hier reeds het eeuwige leven, Joh. 3:16. En dat leven zelf is, wijl eeuwig, ook onverliesbaar; het kan niet sterven, wijl het niet zondigen kan, 1 Joh. 3:9. Het geloof is een vaste grond, Hebr. 11:1, de hope is een anker, Hebr. 6:19 en beschaamt niet, Rom. 5:5, en de liefde vergaat nimmermeer, 1 Cor. 13:8.
Uit deze volharding vloeit een rijke troost voor de geloovigen en een overvloedige zegen voor het christelijk leven voort. Omdat God het goede werk, dat Hij begon, ook naar zijne belofte voleindigt, daarom kunnen en mogen de geloovigen ten allen tijde van hunne eeuwige zaligheid verzekerd zijn. Wie de rechtvaardigmaking alleen uit het geloof bestrijden of desniettemin, gelijk de Lutherschen, de perseverantia sanctorum verwerpen, kunnen deze certitudo fidei niet aanvaarden. Zelfs Augustinus durfde deze leer niet aan en zeide:Deus melius esse judicavit, miscere quosdam non perseveraturos certo numero sanctorum suorum, ut quibus non expedit in hujus vitae tentatione securitas, bij Schweizer, Centraldogmen I 42. Rome bepaalde dan ook, dat niemand met zekerheid weten kan, dat hij Gods genade verkregen heeft, tenzijdoor bijzondere openbaring, Trid. VI c. 9 en can. 13-15, en de Roomsche theologen spreken daarom alleen van eene certitudo moralis, conjecturalis, Thomas, S. Theol. II 1 qu. 112 art. 5. Bellarminus, de justif. III c. 2 sq. Möhler zeide, dat het hem in de nabijheid van iemand, die altijd van zijne zaligheid zeker was,im höchsten Grade unheimlichzou zijn, en dat hij de gedachte niet van zich zou kunnen weren,dass etwas Diabolisches dabei unterlaufe, Symbolik S. 197. Ook de Remonstranten en in lateren tijd de Lutherschen bestreden de certitudo fidei, althans voor de toekomst; maar de Gereformeerden beleden de electie en schreven aan het geloof de vaste verzekerdheid der zaligheid toe, welke wel niet uit nieuwsgierige onderzoekingen naar den verborgen raad Gods, maar toch uit de natuur en de vruchten des geloofs door het getuigenis des H. Geestes verkregen kon worden. Het geloof toch is in zijn aard met allen twijfel in strijd; de zekerheid wordt er niet later van buitenaf aan toegevoegd, maar ligt er van den aanvang af in, en komt er te harer tijd uit voort; het is immers eene gave Gods, eene werking des H. Geestes. Hij getuigt daarin met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn, Rom. 8:15, Gal. 4:6, doet de geloovigen roemen, dat niets hen scheiden zal van de liefde Gods in Christus, Rom. 8:38 en verzekert hen van hunne toekomstige zaligheid, Rom. 8:23, 2 Cor. 1:22, Ef. 1:13, 14, 4:30. En deze zekerheid des geloofs geeft kracht en steun aan het christelijk leven. Want dit heeft Ritschl helder in het licht gesteld: bij de Roomschen is de rechtvaardigmaking eene bekwaammaking tot de zedelijke bestemming, bij de Protestanten is zij de herstelling der religieuse verhouding tot God. Deze laatste moet voorafgaan, eer er van een waarlijk christelijk leven sprake kan zijn. Zoolang wij nog staan tegenover God als Rechter, door de wet het leven zoeken en met vreeze des doods bevangen zijn, is de liefde niet in ons, die de vrucht des geloofs, de vervulling der wet, de band der volmaaktheid is en alle vreeze buitensluit. Maar als in de rechtvaardigmaking de vrede met God, het kindschap, de vrijmoedige toegang tot den troon der genade, de vrijheid van de wet, de onafhankelijkheid van de wereld ons geschonken is, dan vloeien uit dat geloof de goede werken vanzelve voort. Zij dienen niet om het eeuwige leven te verwerven, maar zijn van het eeuwige leven, dat elk geloovige reeds bezit, openbaring, zegel en bewijs. Het geloof, dat dezekerheid insluit, dat bij God alle dingen mogelijk zijn, dat Hij dooden levend maakt en de dingen, die niet zijn, roept alsof zij waren, stelt altijd tot groote dingen in staat. Het zegt tot den berg: word opgeheven en in de zee geworpen; en het geschiedt alzoo, Mt. 21:21. Cf. over de certitudo fidei: Calvijn, Inst. III 2, 14v. enz. Acta Syn. Trid. c. antid. C. R. 35, 455. Zanchius, Op. VIII 227. Chamier, Panstr. Cath. III 13 c. 8 sq. Can. Dordr. I 12. V 9-12. Rivetus, Op. III 470-478. Trigland, Antapol. c. 41. Keckermann e. a. bij Heppe, Dogm. d. ev. ref. K. 129-131. Hoornbeek, Theol. pract. II 64 sq. Love, Theol. Werken 126v. Erskine, De verzekering des geloofs, Werken, Amst. 1856 VI. Marshall, Evang. Heiligmaking bl. 195v. M. Vitringa III 89.