8. Deze vernieuwing der zienlijke wereld stelt de eenzijdigheid van het spiritualisme in het licht, dat de toekomstige zaligheid tot den hemel beperkt. Bij de Oudtest. profetie is er geen twijfel mogelijk, dat zij de zaligheid als eene aardsche beschrijft; zij verwacht, dat het volk Gods na den grooten dag in veiligheid en vrede onder den gezalfden koning uit Davids huis in Palestina wonen en door de heidensche natiën omringd en gediend worden zal. Er ligt waarheid in de woorden van Delitzsch op Jes. 66:24:Das ist ja eben der Unterschied desA. und N. T., dass dasA. T.das Jenseits verdiesseitigt, dasN. T.das Diesseits verjenseitigt; dass dasA. T.das Jenseits in den Gesichtskreis des Diesseits herabzieht, dasN. T.das Diesseits in das Jenseits emporhebt. Maar toch doen zij deN. T.verwachting van de toekomstige zaligheid niet geheel tot haar recht komen. Er ligt in het N. Test. ongetwijfeld eene vergeestelijking der Oudtest. profetie; wijl Jezus’ komst in eene eerste en tweede uiteenvalt, wordt eerst het koninkrijk Gods in geestelijken zin in het hart der menschen geplant; en de goederen van dat rijk zijn alle inwendig en onzienlijk, vergeving, vrede, gerechtigheid, eeuwig leven. Dienovereenkomstig wordt het wezen van de toekomstige zaligheid ook meer geestelijk opgevat, vooral door Paulus en Johannes, als een altijd bij den Heere zijn, Joh. 12:26, 14:3, 17:24, 2 Cor. 5:8, Phil. 1:23, 1 Thess. 4:17, 5:10, 1 Joh. 3:2. Maar toch wordt die zaligheid daarmede niet binnen den hemel opgesloten. Dat dit niet het geval kan zijn, blijkt principiëel reeds daaruit, dat hetN. T.de vleeschwording des Woords en de lichamelijke opstanding van Christus leert, aan het eind der dagen zijn lichamelijke wederkomst verwacht en terstond daarna de lichamelijke opstanding van alle menschen, en inzonderheid die van de geloovigen, laat plaats hebben. Dit alles werpt het spiritualisme omver, dat, indien het aan zijn beginsel getrouw bleef, evenals Origenes na den oordeelsdag niets dan geesten in een ongeschapen hemel mocht laten overblijven. De Schrift leert echter gansch anders. Volgens haar bestaat de wereld uit hemel en aarde, de mensch uit ziel en lichaam, en heeft dienovereenkomstig ook het koninkrijk Gods eene geestelijke, verborgene en eene uitwendige, zienlijke zijde.Terwijl Jezus de eerste maal gekomen is, om dat koninkrijk in geestelijken zin te stichten, keert Hij aan het einde der dagen weder, om er ook eene zichtbare gestalte aan te geven. De reformatie gaat van binnen naar buiten; de wedergeboorte der menschen voltooit zich in de wedergeboorte der schepping; het Godsrijk is dan eerst ten volle gerealiseerd, als het ook zichtbaar over de aarde uitgebreid is. Zoo verstonden het ook de jongeren, als zij aan Jezus na zijne opstanding vraagden, of Hij nu aan Israel het koninkrijk weder oprichten zou. En Jezus ontkent in zijn antwoord op die vraag niet, dat Hij eenmaal zulk een koninkrijk oprichten zal, maar zegt alleen, dat de tijden daarvoor door den Vader zijn vastgesteld en dat zijne jongerenthans de roeping hebben, om in de kracht des H. Geestes zijne getuigen te zijn tot aan het uiterste der aarde, Hd. 1:6-8. Elders getuigt Hij uitdrukkelijk, dat de zachtmoedigen de aarde zullen beërven, Mt. 5:5, en stelt Hij de toekomstige zaligheid als een maaltijd voor, waar men aanzit met Abraham, Izak en Jakob, Mt. 8:11, spijze en drank geniet, Luk. 22:30, eet van het nieuwe, volmaakte pascha, Luk. 22:16, en drinkt van de vrucht van den nieuwen wijnstok, Mt. 26:29. Wel is in deze bedeeling, tot de parousie toe, het oog der geloovigen naar boven, naar den hemel gericht. Daar is hun schat, Mt. 6:20, 19:21; daar is Jezus, die hun leven is, gezeten aan de rechterhand Gods, Joh. 14:3, 17:24, Col. 3:1-3; daar is hun burgerschap, terwijl zij hier vreemdelingen zijn, Phil. 3:20, Hebr. 11:13-16; daar wordt voor hen de erfenis bewaard, Hebr. 10:34, 1 Petr. 1:4. Maar die erfenis is bestemd, om geopenbaard te worden. Christus komt eenmaal zichtbaar weer, en doet dan in zijne heerlijkheid de gansche gemeente, ja heel de wereld deelen. De geloovigen worden niet alleen naar zijn beeld veranderd, Joh. 17:24, Rom. 8:17, 18, 28, Phil. 3:21, Col. 3:4, 1 Joh. 3:2, maar de gansche schepping zal van de dienstbaarheid des verderfs worden vrijgemaakt tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods, Rom. 8:21; aarde en hemel worden zoo vernieuwd, dat er de gerechtigheid in woont, 2 Petr. 3:13, Op. 21:1;het hemelsch Jeruzalem, dat thans boven is en het voorbeeld van het aardsche Jeruzalem was, daalt dan op aarde neer, Gal. 4:26, Hebr. 11:10, 13-16, 12:22, 13:14, Op. 3:12, 21:2v. Dit nieuw Jeruzalem is niet met de gemeente identisch, al kan het ook overdrachtelijk de bruid des Lams heeten, Op. 21:2, 9, want Hebr. 12:22, 23 maakt zeer duidelijk onderscheid tusschen het hemelsche Jeruzalem en de gemeente der eerstgeborenen (vromen desO. T.) en der volmaakte rechtvaardigen (ontslapen Christenen). Het hemelsch Jeruzalem is eene stad, door God zelven gebouwd, Hebr. 11:10; zij is de stad des levenden Gods, omdat God niet alleen haar bouwmeester is maar er ook zelf in woont,Op. 21:3; de engelen zijn daarin de dienaren en vormen den hofstoet van den grooten Koning, Hebr. 12:22; de zaligen zijn daarin de burgers, Op. 21:27, 22:3, 4. De beschrijving, welke Johannes van dat Jeruzalem geeft, Op. 21 en 22, mag zeker evenmin als zijne voorafgaande visioenen letterlijk wordenopgevat; dit wordt reeds daardoor uitgesloten, dat Johannes haar voorstelt als een kubus, waarvan lengte, breedte en hoogte gelijk zijn, n.l. 12000 stadiën, d. i. 300 Duitsche mijlen, terwijl de hoogte van den muur toch maar 144 el is, Op. 21:15-17. Johannes bedoelt met zijne beschrijving geen teekening van de stad, maar hij geeft gedachten en vertolkt die in beelden, wijl de heerlijkheid van het Godsrijk op geen andere wijze tot ons bewustzijn te brengen is. En die beelden ontleent hij aan het paradijs, met zijn rivier en levensboom, Op. 21:6, 22:1, 2, aan het aardsche Jeruzalem met hare poorten en straten, Op. 21:12v., aan den tempel met zijn heilige der heiligen, waarin God zelf woonde, Op. 21:3, 22, aan heel het rijk der natuur met al zijne schatten van goud en edele gesteenten, Op. 21:11, 18-21. Maar al zijn het gedachten, welke op die wijze door beelden vertolkt worden, die gedachten zijn toch geen inbeeldingen of verdichtselen dochdiesseitigebeschrijvingen vanjenseitigerealiteiten. Alwat waarachtig is, al wat edel is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat welluidt, in de gansche schepping, in hemel en aarde, wordt in de toekomstige Godsstad saamgebracht, maar vernieuwd, herschapen, tot zijne hoogste heerlijkheid opgevoerd. De substantie ervoor is in deze schepping aanwezig. Gelijk de rups zich ontwikkelt tot vlinder, gelijk koolstof zich omzet tot diamant, gelijk het tarwegraan, stervend in de aarde, een ander voortbrengt, gelijk de gansche natuur in de lente herleeft en in feestdosch zich tooit, gelijk de gemeente gevormd wordt uit Adams gevallen geslacht, gelijk het opstandingslichaam opgewekt wordt uit het lichaam, dat gestorven en in de aarde begraven is; zoo komt ook eenmaal door de herscheppende macht van Christus uit de door vuur gelouterde elementen van deze wereld de nieuwe hemel en aarde te voorschijn, stralend in onvergankelijke heerlijkheid en van deδουλεια της φθοραςvoor eeuwig bevrijd. Heerlijker dan deze schoone aarde, heerlijker dan het aardsche Jeruzalem, heerlijker zelfs dan het paradijs zal de heerlijkheid van het nieuwe Jeruzalem zijn, waarvan God zelf de kunstenaar en de bouwmeester is. De status gloriae zal geen zuivere restauratie zijn van den oorspronkelijken status naturae, maar eene reformatie, die, dank zij de macht van Christus, alleὑληtotεἰδος, alle potentia tot actus doet overgaan en heel de schepping voor Gods aangezicht zal stellen, stralendin onverwelkelijke pracht en bloeiend in de lente eener eeuwige jeugd. Substantieel gaat er niets verloren. Buiten zijn wel de honden en de toovenaars en de hoereerders en de doodslagers en de afgodendienaars en een iegelijk, die de leugen liefheeft of doet, Op. 22:15. Maar in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde wordt de wereld hersteld; in de gemeente wordt het menschelijk geslacht behouden; in die gemeente, die uit alle natiën en talen en tongen door Christus gekocht en vergaderd is, Op. 5:9 enz., behouden alle de volken, ook Israel, elk zijne onderscheidene plaats en roeping, Mt. 8:11, Rom. 11:25, Op. 21:24, 22:2; en alle die volken brengen in het nieuwe Jeruzalem saam, al wat zij elk naar zijn onderscheiden aard van God ontvangen hebben aan heerlijkheid en eere, Op. 21:24, 26.9. De zegeningen, waarin de gezaligden deelen, zijn daarom niet alleen geestelijk maar ook stoffelijk of lichamelijk van aard. Zoo verkeerd als het is, om de laatste met de heidensche volken en ook met sommige Chiliasten tot het hoofdbestanddeel der toekomstige zaligheid te maken, zoo eenzijdig is het ook, om ze op stoische wijze onverschillig te rekenen of ook van de zaligheid ten eenenmale uit te sluiten. De Schrift houdt het geestelijke en het natuurlijke steeds in nauw verband; wijl de wereld uit hemel en aarde en de mensch uit ziel en lichaam bestaat, behooren heiligheid en heerlijkheid, deugd en geluk, zedelijke en natuurlijke wereldorde ook ten slotte harmonisch verbonden te zijn.De zaligen zullen daarom niet alleen vrij zijn van alle zonde, maar ook van alle gevolgen der zonde, van onwetendheid en dwaling, Joh. 6:45, van den dood, Luk. 20:36, 1 Cor. 15:26, Op. 2:11, 20:6, 14, van armoede en krankheid, smart en vreeze, honger en dorst, koude en hitte, Mt. 5:4, Luk. 6:21, Op. 7:16, 17, 21:4, van alle zwakheid, oneer en verderf, 1 Cor. 15:42 enz. Maar de geestelijke zegeningen zijn toch de voornaamste en zijn ontelbaar vele: heiligheid, Op. 3:4, 5, 7:14, 19:8, 21:27, zaligheid, Rom. 13:11, 1 Thess. 5:9, Hebr. 1:14, 5:9, heerlijkheid, Luk. 24:36, Rom. 2:10, 8:18, 21, aanneming tot kinderen, Rom. 8:23, eeuwig leven, Mt. 19:16, 29 enz., aanschouwing van en gelijkvormigheid aan God en Christus, Mt. 5:8, Joh. 17:24, Rom. 8:29, 1 Cor. 13:12, 2 Cor. 3:18, Phil. 3:21, 1 Joh. 3:2, Op. 22:4,gemeenschap met en dienen en prijzen van God en Christus, Joh. 17:24, 2 Cor. 5:8, Phil. 1:23, Op. 4:10, 5:9, 13, 7:10, 15, 21:3, 22:3 enz. Omdat al deze weldaden in beginsel reeds op aarde aan de geloovigen worden geschonken, zooals bijv. de aanneming tot kinderen, Rom. 9:4, 8:15, Gal. 4:5, Ef. 1:5, en het eeuwige leven, Joh. 3:15, 16, 36 enz., hebben velen de zaligheid, welke Christus schenkt, uitsluitend als eene tegenwoordige opgevat, die alleen in den weg van een ethisch proces zich hoe langer hoe meer realiseert, Pfleiderer, Grundriss § 177. Biedermann, Dogm. § 974 f. Scholten, Initia c. 7. Ook Ritschl en vele zijner aanhangers leggen eenzijdig den nadruk op dediesseitige Weltstellungdes Menschen, houden de zedelijke vrijheid, welke de Christen in het geloof tegenover de wereld ontvangt, voor de voornaamste weldaad, en spreken weinig of niet van de eeuwige zaligheid, welke Christus in de toekomst den zijnen, bereidt,Ritschl, Rechtf. u. Vers. III2459 f. 484 f. 534 f. 600 f. Tegenover het abstracte supranaturalisme der Grieksche en Roomsche kerk, dat de zaligheid uitsluitend transcendent opvat en dus hier op aarde het christelijk levensideaal in den monnik belichaamd acht, verdedigt deze beschouwing eene belangrijke waarheid. De Reformatie heeft, teruggaande tot de Schrift, deze supranaturalistische en ascetische levensopvatting principieel verwonnen. Wie gelooft, heeft op datzelfde oogenblik vergeving van zonden en eeuwig leven; hij is een kind van God, dat den Vader dient, niet als knecht uit hoop op loon, maar als een zoon, die uit liefde en dankbaarheid den wil des Vaders volbrengt; en hij volbrengt dien wil, niet door uit de wereld weg te vluchten maar door trouw te zijn in de roeping, welke hem hier op aarde toebetrouwd is. Het leven voor den hemel vormt daarom geen tegenstelling met het leven in het midden der wereld; juist in die wereld bewaart Christus zijne discipelen van den Booze. De nieuwe hemel en aarde wordt immers opgebouwd uit de elementen der wereld, die thans bestaat, en de gemeente is de herstelde menschheid onder Christus als Hoofd. Maar hoezeer de zaligheid in zekeren zin reeds het deel is van de geloovigen op aarde, zij is dat toch maar in beginsel en niet in volle werkelijkheid. De geloovigen zijn in hope zalig, Rom. 8:24; Jezus spreekt de armen van geest enz., zalig, omdat hunner het koninkrijk der hemelen is, dat in de toekomst op aarde gesticht worden zal,Mt. 5:3-10. De geloovigen zijn kinderen Gods en verwachten toch nog de volle verwezenlijking van dat kindschap, Mt. 5:9, Rom. 8:23. Zij hebben het eeuwige leven, en moeten het toch nog bij de opstanding ontvangen, ook volgens Johannes, 5:20-29, 6:40, 44, 54. Beide is dus waar, dat het koninkrijk der hemelen er is en dat het toch nog komt. En deze dubbele waarheid bepaalt heel het karakter van den staat der heerlijkheid. Gelijk de nieuwe hemel en aarde gevormd wordt uit de elementen dezer wereld en de gemeente eene herschepping is van het in Adam gevallen menschelijk geslacht, zoo is ook het leven der zaligen hiernamaals te denken als in analogie met het leven der geloovigen hier op aarde.Het bestaat eenerzijds niet in eenevisio Deiin Roomschen zin, waartoe de menschelijke natuur slechts door een donum superadditum kan opgebeurd worden, en het is aan de andere zijde ook niet eene langzame en geleidelijke ontwikkeling van het christelijk leven, dat hier reeds op aarde door de geloovigen geleid wordt. Het is een echt natuurlijk leven, maar door de genade tot zijne hoogste heerlijkheid opgeheven, en in zijn rijkste schoonheid ontvouwd; de materia blijft, doch de forma verschilt. De religie, dat is de gemeenschap met God, neemt er daarom de eerste, de centrale plaats in. Maar die gemeenschap zal rijker, dieper, zaliger zijn, dan zij hier op aarde ooit was of wezen kon, want zij zal door geen zonde verstoord, door geen afstand verbroken, door geen natuur of Schrift bemiddeld zijn. Nu zien wij in den spiegel van Gods openbaring slechts zijn beeld; dan zien wij aangezicht tot aangezicht, en kennen, gelijk wij gekend zijn.Visio, comprehensio, fruitio Deimaken het wezen der toekomstige zaligheid uit. De zaligen zien God, wel niet met lichamelijke oogen, maar toch op eene wijze, die alle openbaring in deze bedeeling door middel van natuur en van Schrift zeer verre te boven gaat; en dienovereenkomstig zullen zij Hem allen kennen, schoon elk naar de mate zijner bevatting, met eene kennis, die in de kennisse Gods haar beeld en gelijkenis heeft, rechtstreeks, onmiddellijk, zuiver en rein,deel II150-155. Zij ontvangen en bezitten dan alles, wat zij hier slechts in hope hebben verwacht. En alzoo God aanschouwende en God bezittende, genieten zij God en zijn in zijne gemeenschap zalig; zalig naar ziel en naar lichaam, in verstand en in wil. In de theologie was er verschil over, of de zaligheid hiernamaals formaliter zetelde in het verstand of inden wil, en dus in kennis of in liefde bestond. Thomas zeide het eerste, S. Theol. I 2 qu. 3 art. 4, en Duns Scotus beweerde het laatste, Sent. IV dist. 49 qu. 4. Maar Bonaventura vereenigde beide en merkte op, dat defruitio Deiniet alleen eene vrucht was van decognitio Deimaar ook van denamor Deien in beider vereeniging en samenwerking haar oorzaak had, Sent. IV dist. 49 p. 1 art. unic. qu. 4. 5, cf. Voetius, Disp. II 1217-1239.10. De zaligheid der gemeenschap met God wordt genoten in en verhoogd door de gemeenschap der heiligen. Reeds op aarde is deze gemeenschap eene heerlijke weldaad des geloofs. Wie om Jezus’ wil huis of broeders of zusters of vader of moeder of vrouw of kinderen of akkers verlaten hebben, ontvangen reeds in dit leven met de vervolgingen huizen en broeders en zusters en moeders en kinderen en akkers terug, Mk. 10:29, 30, want allen, die den wil des Vaders doen, zijn Jezus’ broeder en zuster en moeder, Mt. 12:50.De geloovigen komen door den Middelaar des Nieuwen Testaments in gemeenschap, niet alleen met de strijdende kerk op aarde, maar ook met de triumfeerende kerk in den hemel, de gemeente der eerstgeborenen, de geesten der volmaakte rechtvaardigen, zelfs met de vele duizenden der engelen, Hebr. 12:22-24. Maar deze gemeenschap, ofschoon in beginsel reeds op aarde bestaande, bovenbl. 28, zal toch onvergelijkelijk veel rijker en heerlijker zijn, wanneer alle scheidsmuren van afstamming en taal, van tijd en ruimte geslecht, alle zonde en dwaling uitgebannen en alle uitverkorenen in het nieuwe Jeruzalem saamgebracht zullen zijn. Dan zal het gebed van Jezus ten volle worden verhoord, dat al zijne schapen ééne kudde vormen onder éénen Herder, Joh. 10:16, 17:21. Alle heiligen zullen dan te zamen ten volle begrijpen, welke de breedte en lengte en diepte en hoogte zij van de liefde van Christus, Ef. 3:18; zij zullen saam vervuld worden tot al de volheid Gods, Ef. 3:19, Col. 2:2, 10, want Christus, dien God vervult, Col. 1:19, vervult op zijne beurt de gemeente met zichzelven en maakt ze tot zijn pleroma, Ef. 1:23, 4:10, cf.deel III417. En aanzittende met Abraham, Izak en Jakob aan éénen disch, Mt. 8:11, heffen zij uit éénen mond het loflied aan tot eere van God en van het Lam, Op. 4:11, 5:12 enz. Van de gemeente op aarde zegt de Schrift menigmaal, dat zij een klein kuddeken vormt, Mt. 7:14,22:14, Luk. 12:32, 13:23, hetgeen door de historie tot op den huidigen dag bevestigd wordt. En zelfs tegen het einde der dagen, als het evangelie onder alle volken gepredikt zal zijn, zal de afval toenemen en het getal der getrouwen gering zijn; reeds de profetie des O. Test. verkondigde, dat slechts een overblijfsel van Israel zich tot den Heere bekeeren en behouden zou worden, boven bl. 429; en het N. Test. koestert evenzoo de verwachting, dat degenen, die volharden tot den einde toe, weinigen zullen zijn, Mt. 24:13, 25:1v., Luk. 18:8.Maar aan de andere zijde spreekt de Schrift dikwerf toch zeer universalistisch. Het verbond der genade wordt in Adam aan heel de menschheid bekend gemaakt, Gen. 3:15. Het verbond der natuur, dat na den zondvloed gesloten wordt, omvat alle schepselen, Gen. 9:9, 10. In Abraham worden alle geslachten der aarde gezegend, Gen. 12:3. De verlossing, welke eens aan Israel geschonken zal worden, komt allen Heidenen ten goede, bovenbl. 433. Jezus zegt, dat Hij zijne ziel zal geven tot een rantsoen voorvelen, Mt. 20:28, en datvelenzullen komen van Oosten en Westen en zullen aanzitten met Abraham, Izak en Jakob in het koninkrijk der hemelen, Mt. 8:11. De genade, die in Hem is verschenen, is veel meer overvloedig dan de overtreding van Adam; zij komt over alle menschen tot rechtvaardigmaking des levens, Rom. 5:12-20, 1 Cor. 15:22. Nu worden in deze bedeeling alle dingen in den hemel en op de aarde onder Christus tot één vergaderd, Ef. 1:10. En eens aan het einde, zal alle knie voor Christus zich buigen en alle tong Hem als den Heer belijden, Phil. 2:10, 11. Dan zal eene groote schare, welke niemand tellen kan, staan voor den troon en het Lam, Op. 7:9, 19:1, 6. Het zijn volkeren, die zalig worden en in het licht van het nieuwe Jeruzalem wandelen, Op. 21:24, 26, 22:2. En God zal dan in allen alles zijn, 1 Cor. 15:28. In aansluiting bij en met beroep op deze laatste reeks teksten hebben velen de hope gekoesterd, dat ten slotte, zoo niet alle schepselen, dan toch alle menschen en, indien ook dit niet het geval mocht zijn, dan toch verreweg de meeste menschen zalig zouden worden; de hel zou in het geheel niet bestaan of slechts een kleine uithoek zijn in het heelal. Zij grondden deze hunne verwachting òf op de mogelijkheid, om ook zalig te worden door de werken der wet (Pelagianen, Socinianen, Deisten enz.), òf op de gelegenheid, om ook na den dood in den tusschentoestand ofzelfs nog na den oordeelsdag het evangelie te hooren en in den geloove aan te nemen (Universalisten). Deze gevoelens zijn vroeger reeds besproken en behoeven dus thans niet meer aan de Schrift getoetst te worden, cf.deel I232. II 318 f. 340 f. 350 f. III 390-408 en bovenbl. 499v. Maar ook onder hen, die de belijdenis vasthouden, dat niemand tot den Vader komt dan door Christus en dat er maar één naam onder den hemel ter zaligheid gegeven is, Joh. 14:6, Hd. 4:12, zijn er altijd enkelen geweest, die aan de mogelijkheid der zaligheid in dit leven buiten de prediking van het evangelie hebben geloofd.Zij leerden alzoo ten aanzien van de kinderen des verbonds, van al de jongstervende kinderen binnen en buiten de grenzen des Christendoms, van idioten, krankzinnigen, doofstommen, die feitelijk van de prediking des evangelies verstoken waren, en ook van sommige of van vele Heidenen, die in hun helder inzicht en deugdzaam leven bewijzen gaven van eene waarachtige godsvrucht. Sommige kerkvaders namen een werkzaamheid van den Logos in de Heidenwereld aan,deel I238. Augustinus geloofde, dat er van den beginne af aan niet alleen onder Israel maar ook onder andere volken altijd enkelen waren geweest, die in den Logos geloofden en naar zijne geboden vroom en rechtvaardig leefden, Ep. 102. de civ. 18, 47 en andere plaatsen bij Reuter, Aug. Studien 1887 S. 90 f. Abaelard beweerde, dat ook Heidenen de zaligheid konden deelachtig worden, bij Münscher-v. Coelln, D. G. II 147. Volgens Strauss, Chr. Gl. I 271 sprak Luther eenmaal den wensch uit, dat God ook mannen als Cicero en Seneca genadig mocht zijn, en wilde Melanchton in het midden laten, of Hij soms langs een bijzonderen weg aan Solon, Themistocles e. a. eenige kennis van de vergeving in Christus had medegedeeld.Zwingli sprak beslister en geloofde dat God ook onder de Heidenen zijne uitverkorenen had, Chr. fidei expos. Op. IV 65. Maar anderen lieten alleen de mogelijkheid open en durfden niet meer dan hopen en wenschen, zooals bijv. à Lasco, bij Kuyper, Heraut 1047. Zanchius, bij Shedd, Dogm. Theol. I 436 II 704. Bilderdijk, Brieven V 81. Kuyper, Heraut 594 cf. 1047. Ebrard, Das Dogma v. h. Ab. II 77. Shedd, Dogm. Theol. I 436 II 704. Dit gevoelen bleef echter altijd het gevoelen van enkelen; de kerken lieten er zich in hare confessies niet over uit en de meeste theologen kwamen er tegen op, cf. litt. bij M. Vitringa I 29.Iets gunstigeroordeelde men over de zaligheid der jongstervende kinderen. De Roomschen leeren, dat alle Christenkinderen, die, voto of re gedoopt, sterven, zalig worden en alle andere vroegstervende kinderen in den limbus infantum eenepoena damni, niet sensus, lijden, Lombardus e. a. op Sent. II dist. 33. De Lutherschen oordeelen ten aanzien van de Christenkinderen als de Roomschen en laten de anderen aan Gods oordeel over, Gerhard, Loc. XVI § 169. Buddeus, Inst. theol. VI, 6.De Gereformeerden neigden ertoe, om te gelooven, dat alle in het verbond der genade geboren en dan vóór de jaren des onderscheids door den dood weggenomen kinderen de hemelsche zaligheid deelachtig worden, Can. Dordr. I 7. Voetius, Disp. II 417, hoewel velen ook hier tusschen verkoren en verworpen kinderen onderscheid maakten en niet aan elk dezer kinderen individueel met zekerheid de zaligheid durfden toekennen, Martyr, Loci Comm. p. 76. 436, Beza, Pareus, Zanchius, Perkins e. a. Wat de vroegstervende kinderen buiten het verbond betreft, oordeelden sommigen vrij mild; Junius vermoedde liever uit liefde, dat zij behouden dan dat zij verloren waren, Op. II 333, en Voetius zeide: of zij verloren zijn dan of sommigen onder hen uitverkoren zijn en vóór hun sterven wedergeboren worden,nolim negare, affirmare non possum, Disp. II 413, cf. verdere litt. bij M. Vitringa II 51. 52, en vooral B. Warfield,The development of the doctrine of infant salvation, in:Two studies in the history of doctrine, New-York, Christ. Lit. Comp. 1897 p. 143-239. Met de Schrift in de hand kunnen wij, zoowel in betrekking tot de zaligheid der Heidenen als tot die der vroegstervende kinderen, niet verder komen, dan dat wij van een beslist en stellig oordeel in positieven of negatieven zin ons onthouden. Alleen verdient het opmerking, dat de Gereformeerde theologie bij deze ernstige vragen in veel gunstiger conditie verkeert dan eenige andere. Want alle andere kerken kunnen hierbij dan alleen een zachter oordeel koesteren, wanneer zij op hare leer van de volstrekte noodzakelijkheid der genademiddelen terugkomen of op die van de verdoemelijkheid der zonde inbreuk maken. Maar de Gereformeerden wilden ten eerste de mate der genade niet vaststellen, waarmede een mensch ook onder vele dwalingen en zonden nog aan God verbonden kan zijn noch den graad der kennis bepalen, die tot zaligheid onmisbaar noodig is, Voetius, Disp. II 537. 538. 781. Witsius, Apost. Geloof II 2 en 15. Spanheim, Op. III 1291.En ten andere hielden zij staande, dat de middelen der genade niet absoluut noodzakelijk waren tot de zaligheid en dat God ook buiten woord en sacramenten kon wederbaren ten eeuwigen leven, Calvijn, Inst. IV 16, 19. In de tweede Helv. Confessie, art. 1 luidt het:agnoscimus Deum illuminare posse homines, etiam sine externo ministerio, quos et quando velit; id quod ejus potentiae est. En de Westminstersche belijdenis spreekt in cap. X § 3 uit, dat uitverkoren kinderen, die in hun kindsheid sterven, wedergeboren en behouden worden door den Geest van Christus,qui quando et ubi et quo sibi placuerit modo operatur, en dat dit ook geldt van de overige uitverkorenen,quotquot externae vocationis per ministerium verbi sunt incapaces. Reuter zegt daarom terecht, als hij de leer van Augustinus op dit punt heeft uiteengezet:In der That, es lässt sich das Paradoxon rechtfertigen, gerade diepartikularistischePrädestinationslehre habe jeneuniversalistischklingenden Phrasen ermöglicht, Aug. Studien 92. In de Gereformeerde theologie komen zelfs de bovenaangehaalde universalistische teksten der Schrift het best en het schoonst tot haar recht. Want universalistisch in dien zin, dat alle menschen of zelfs alle schepselen worden behouden, zijn die teksten zeker niet bedoeld en ook door geen enkele christelijke kerk opgevat. Alle belijden zonder uitzondering, dat er niet alleen een hemel maar ook eene hel is. Hoogstens is er dus verschil over het getal dergenen, die zalig worden en die verloren gaan. Maar daarover valt niet te twisten; want dat getal is alleen Gode bekend. Op de vraag: Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden, gaf Jezus alleen ten antwoord: strijdt om in te gaan door de enge poort, want velen zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen, Luk. 13:24. Dit alleen is rechtstreeks voor ons van belang; het getal der uitverkorenen behoeft ons niet bekend te zijn. Maar in elk geval staat dit vast, dat het getal der uitverkorenen in de Gereformeerde theologie om geen enkele reden en in geen enkel opzicht kleiner behoeft gedacht te worden, dan in eenige andere theologie. Als het er op aankomt, is de Geref. belijdenis ruimer van hart en breeder van blik, dan eenige andere christelijke confessie. Zij vindt de laatste, diepste oorzaak der zaligheid alleen in Gods welbehagen, in zijne eeuwige ontferming, in zijne ondoorgrondelijke barmhartigheid, in den onnaspeurlijken rijkdom zijner almachtige en vrije genade. Welke vastere, breederegrondslag zou daarnaast voor de zaligheid van een schuldig en verloren menschengeslacht te vinden zijn? Laten velen dan afvallen; hoe ontroerend dit zij, in Christus wordt toch de gemeente, de menschheid, de wereld behouden. Het organisme der schepping wordt hersteld. De goddeloozen worden van de aarde verdaan, Ps. 104:35, zij worden buitengeworpen, Joh. 12:31, 15:6, Op. 22:15. Maar onder Christus worden alle dingen, in den hemel en op de aarde, vergaderd tot één, Ef. 1:10. Alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen, Col. 1:16.11. De gemeenschap met God, die in de gemeenschap der heiligen genoten wordt, sluit zeker in de toekomende eeuw evenmin als in deze bedeeling alle handeling en alle werkzaamheid uit. De christelijke theologie heeft hier in den regel wel weinig aandacht aan gewijd en meest van de hemelsche zaligheid als een kennen en genieten van God gesproken. En dit is zonder twijfel ook de kern en het middelpunt, de bron en de kracht van het eeuwige leven. Ook biedt de Schrift weinig gegevens, om ons van de werkzaamheid der gezaligden eene heldere voorstelling te vormen. Zij beschrijft de zaligheid meer als een rusten van den aardschen arbeid dan als het volbrengen van eene nieuwe werkzaamheid, Hebr. 4:9, Op. 14:13. Maar toch is de rust, die in het nieuwe Jeruzalem genoten wordt, evenmin bij God, Joh. 5:17, als bij zijne kinderen, als een zalig niets-doen te denken. De H. Schrift zegt zelve, dat het eeuwige leven bestaat in een kennen en dienen, in een loven en prijzen van God, Joh. 17:3, Op. 4:11, 5:8 enz. Zijne kinderen blijven ook zijne knechten, die Hem dienen dag en nacht, Op. 22:3. Zij zijn profeten, priesters en koningen, die op de aarde heerschen in alle eeuwigheid, Op. 1:6, 5:10, 22:5. Naarmate zij op aarde over weinig getrouw zijn geweest, worden zij in het koninkrijk. Gods over veel gezet, Mt. 24:47, 25:21, 23. Ieder behoudt zijn eigen persoonlijkheid, want van allen, die ingaan in het nieuwe Jeruzalem, zijn de namen geschreven in het boek des levens des Lams, Op. 20:15, 27, en elk ontvangt een eigen, nieuwen naam, Jes. 62:2, 65:15, Op. 2:17, 3:12, cf. 21:12, 14. De dooden, die in den Heere sterven, rusten van hunne moeiten, maar worden elk door zijn eigen werken gevolgd, Op. 14:13. Geslachten, volken, natiën dragen het hunne tot verrijking des levens in hetnieuwe Jeruzalem bij, Op. 5:9, 7:9, 21:24, 26. Wat hier gezaaid wordt, wordt in de eeuwigheid gemaaid, Mt. 25:24, 26, 1 Cor. 15:42v., 2 Cor. 9:6, Gal. 6:7, 8. De groote verscheidenheid, die in allerlei opzicht onder de menschen bestaat, wordt in de eeuwigheid niet vernietigd maar van al het zondige gereinigd en aan de gemeenschap met God en met elkander dienstbaar gemaakt.En gelijk de natuurlijke verscheidenheid in de gemeente op aarde nog met de geestelijke verscheidenheid vermeerderd wordt, 1 Cor. 12:7v., zoo neemt dit natuurlijk en geestelijk verschil in den hemel nog weer daardoor toe, dat er onderscheidene graden van heerlijkheid zijn. Uit oppositie tegen de verdienstelijkheid der goede werken hebben sommige Gereformeerden, zooals Martyr, Loci C. III 17, 8, Camero, Schoenfeld, Tilenus, Spanheim, evenals in de vierde eeuw reeds Jovinianus en later sommige Socinianen en thans nog Gerlach, alle onderscheid in de heerlijkheid hiernamaals geloochend. En het is ook waar, dat aan alle geloovigen dezelfde weldaden in de toekomst van Christus worden beloofd; zij ontvangen allen hetzelfde eeuwige leven, dezelfde woonplaats in het nieuwe Jeruzalem, dezelfde gemeenschap met God, dezelfde zaligheid enz. Maar desniettemin stelt de Schrift het buiten allen twijfel, dat er in die eenheid en gelijkheid eene zeer groote afwisseling en verscheidenheid is. Zelfs de gelijkenis,Mt. 20:1-16, waarop men zich menigmaal voor het tegendeel beroept, pleit voor zulk een onderscheid; want Jezus wil met die gelijkenis leeren, dat velen, die naar eigen en anderer meening lang en zwaar hebben gearbeid, in het toekomstig Messiasrijk volstrekt niet zullen achterstaan bij degenen, die veel korter tijd in den wijnberg zijn werkzaam geweest; de laatsten halen de eersten in, want velen zijn wel geroepen en arbeiden in den dienst van het koninkrijk Gods, maar weinigen zijn er, die daarvoor hiernamaals eene bijzondere onderscheiding genieten en een uitgelezen plaats ontvangen.Veel duidelijker wordt zulk een gradueel verschil in de heerlijkheid op andere plaatsen in de Schrift geleerd, vooral daar, waar sprake is van een loon, dat een iegelijk geschonken zal worden naar zijne werken. Dat loon wordt thans in de hemelen bewaard, Mt. 5:12, 6:1v., Luk. 6:23, 1 Tim. 6:19, Hebr. 10:34-37, en wordt eerst in het openbaar uitgedeeld bij de parousie, Mt. 6:4, 6, 18, 24:47, 2 Thess. 1:7, 1 Petr. 4:13. Het wordt dan geschonken alsvergoeding voor hetgeen de discipelen van Jezus hier op aarde om zijnentwil verloochend en geleden hebben, Mt. 5:10v., 19:29, Luk. 6:21v., Rom. 8:17, 18, 2 Cor. 4:17, 2 Thess. 1:7, Hebr. 10:34, 1 Petr. 4:13, en verder ook als vergelding voor de goede werken, die zij hebben verricht, zooals bijv. voor goede besteding der talenten, Mt. 25:15v., Luk. 19:13v., voor vijandsliefde en belangelooze milddadigheid, Luk. 6:35, voor verzorging der armen, Mt. 6:1, voor bidden en vasten, Mt. 6:6, 18, voor het dienen der broederen, Mt. 10:40-42, voor trouwen dienst in het rijk Gods, Mt. 24:44-47, 1 Cor. 3:8 enz. Dat loon zal in verband staan met en evenredig zijn aan de werken, Mt. 16:27, 19:29, 25:21, 23, Luk. 6:38, 19:17, 19, Rom. 2:6, 1 Cor. 3:8, 2 Cor. 4:17, 5:10, 9:6, Gal. 6:8, 9, Hebr. 11:26, Op. 2:23, 11:18, 20:12, 22:12. De zaligheid is wel voor allen dezelfde, maar er is verschil in glans en heerlijkheid, Dan. 12:3, 1 Cor. 15:41; er zijn in het Vaderhuis, dat alle kinderen opneemt, vele woningen, Joh. 14:2; en de gemeenten ontvangen alle naar de mate van hare getrouwheid en toewijding, van den koning der kerk een eigen sieraad en kroon, Op. 1-3. De Roomschen hebben op deze uitspraken der Schrift de leer van de verdienstelijkheid der goede werken gebouwd, Trid. VI can. 31. 32, en het recht op bijzondere belooningen in den hemel, die naar Ex. 25:25 aureolae genoemd en aan de allen ten deel vallende corona aurea toegevoegd worden, vooral aan de martelaren, de coelibatairen en de leeraars toegekend, Thomas, S. Theol. III qu. 96. Bonaventura, Brevil. VII 7. Maar dit misbruik neemt de waarheid niet weg, dat er onderscheid in de heerlijkheid is naar gelang van de werken, die door de geloovigen hier op aarde verricht zijn. Er is geen loon, waarop de mensch van nature aanspraak zou kunnen maken, want de wet Gods is absoluut verplichtend en laat den eisch tot volbrenging niet afhangen van de vrije keuze van den mensch. Indien deze daarom de gansche wet heeft volbracht, past hem toch niets anders te zeggen, dan dat hij een onnutte dienstknecht is, die maar gedaan heeft wat hij schuldig was te doen, Luk. 17:10. Alle aanspraak op loon kan daarom alleen voortvloeien uit een verbond, uit eene vrijmachtige en genadige beschikking Gods, en is daarom een gegeven recht,deel II553. Zoo was het in het werkverbond en zoo is het nog veel meer in het genadeverbond,deel III563. WantChristus heeft alles volbracht, niet alleen de straf geleden maar ook door het volbrengen der wet het eeuwige leven verworven. De eeuwige zaligheid en heerlijkheid, welke Hij ontving, was voor Hem het loon op zijne volmaakte gehoorzaamheid. Maar als Hij deze zijne gerechtigheid door het geloof den zijnen schenkt en daaraan het eeuwige leven verbindt, dan zijn beide, zoowel die geschonken gerechtigheid als de toekomstige zaligheid, gaven van zijne genade, welke alle verdienste van de zijde der geloovigen ten eenenmale uitsluit. De geloovigen zijn immers Gods maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat zij in dezelve zouden wandelen, Ef. 2:10. Het wordt hun uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te gelooven maar ook voor Hem te lijden, Phil. 1:29, Hd. 5:41. Niet alleen in de gave van het eeuwige leven aan een iegelijk, die gelooft, maar ook in de uitdeeling van eene verschillende mate van heerlijkheid aan wie uit dat geloof goede werken hebben voortgebracht, kroont God zijn eigen werk. Maar dat doet Hij dan ook, opdat er, gelijk hier, zoo hiernamaals in de gemeente eene rijke verscheidenheid zijn zou en in die verscheidenheid de heerlijkheid zijner deugden uitkomen zou. Door die verscheidenheid toch neemt het leven der gemeenschap met God, met de engelen, en van de zaligen onderling in diepte en in innigheid toe. In die gemeenschap heeft elk, gelijk in de gemeente hier op aarde, Rom. 12:4-8, 1 Cor. 12, in verband met zijn persoon en karakter, een eigen plaats en taak. Van de werkzaamheid der zaligen mogen wij ons geene zuivere voorstelling kunnen vormen, de Schrift leert toch, dat het profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt, hetwelk de mensch oorspronkelijk bezat, in hen door Christus ten volle hersteld is. De dienst van God, de onderlinge gemeenschap en de bewoning van den nieuwen hemel en de nieuwe aarde biedt ongetwijfeld voor de uitoefening van deze ambten overvloedige gelegenheid, ook al is de vorm en wijze ervan ons onbekend. Maar dat werken is een rusten en genieten tevens. Het onderscheid van dag en nacht, van sabbat en werkdagen heeft opgehouden; de tijd is doordrongen van de eeuwigheid Gods; de ruimte is vol van zijne tegenwoordigheid; het eeuwige worden is gehuwd met het onveranderlijke zijn. Zelfs de tegenstelling van hemel en aarde is verdwenen. Want al wat in den hemel en op aarde is, is tot één vergaderd onderChristus als Hoofd, Ef. 1:10. Alle schepselen zijn en leven en bewegen zich in God, die alles in allen is, die in den spiegel zijner werken al zijne deugden weerkaatst en daarin zichzelven verheerlijkt. Cf. over de hemelsche zaligheid: Augustinus, de civ. XXII c. 29. 30. Lombardus, Sent. IV dist. 49. Thomas, suppl. qu. 92-96. Bonaventura, Brevil. VII c. 7. Oswald, Eschat. 38-57. Atzberger, Die christl. Eschat. 238 f. Simar, Dogm. § 162. Jansen, Prael. III 903-946. O. Ritschl,Luthers Seligkeitsvorstellung in ihrer Entstehung und Bedeutung, Christl. Welt 1889 S. 874-880. Gerhard, Loc. XXXI. Quenstedt, Theol. I 550-560. Hollaz 451 sq. Polanus, Synt. VI c. 72-75. Amyraldus, Theses Salm. III 859. Synopsis pur. theol., disp. 52. Mastricht, Theol. VIII 4, 10. Turretinus, Theol. El. XX qu. 8-13. Marck, Exspect J. C. III c. 8. 10. 11. Moor VI 718-733. M. Vitringa IV 179. Kliefoth, Eschat. 311 f. Titius,DieN. T.Lehre von der Seligkeit im Reiche Gottes und ihre Bedeutung für die Gegenwart1895-1900.BREEDERE INHOUDSOPGAVE.Deel I—Deel II—Deel III—Deel IVEERSTE DEEL.Inleiding.§ 1.Naam en begrip der Dogmatiekbl. 1-9. Namen der dogmatiek n. 1[A]. Het woord dogma 2. Gezag van het dogma 3. Materieele inhoud van het dogma 4. 5.[A]Deze cijfers duiden de nummers aan, waaronder de stof der verschillende paragrafen verdeeld is.§ 2.Encyclopaedische Plaats der Dogmatiekbl. 9-14. In de system. Theologie 1. Onderscheid der Dogmatiek van de Symboliek, Catechetiek 2 en Ethiek 3.§ 3.Methode der Dogmatiekbl. 14-31. Schrift, kerk en persoonlijke overtuiging als factoren, waarmede de Dogmatiek te rekenen heeft 1-3. Kritische richting, die de kennis put uit het subject 4. Kerkelijke, die de traditie onfeilbaar acht 5. Bijbelsche, die de Schrift raadpleegt buiten de historie om 6. Beteekenis der kerk en van hare belijdenis voor de Dogmatiek 7. Van de Schrift (en de openbaring Gods in de natuur, theol. naturalis) 8. Van de persoonlijke overtuiging 9.§ 4.Indeeling der Dogmatiekbl. 31-51. Bij Clemens, Orig., Theodoretus, Damascenus, Augustinus 1, Lombardus, Bonaventura, Thomas 2, latere Roomsche theologen 3. Bij Melanchton, Calvijn 4, en latere Geref. en Luth. theologen 5. Reactie tegen de synthet. methode bij Calixtus, Coccejus 6, en nog sterker bij het Rationalisme 7, en is de nieuwe theologie 8. Indeeling in algemeen en bijzonder deel, en van dit laatste naar de synthetische orde 9. 10.§ 5.Geschiedenis en Litteratuur der Dogmatiekbl. 51-139. Wetenschappelijke theologie, die bij de Apost. vaders nog niet voorkomt 1, wordt na de bestrijding van het geloof door Lucianus, Celsus, Porphyrius, Julianus, de Gnostieken ter zelfverdediging bij de Apologeten noodzakelijk 2, en gaat dan in de richting der N. Afr., Klein-Az., of Alex. School uiteen 3, en krijgt in den twist tegen het monarchianismein de 3e eeuw een vasten grondslag 4. Vaststelling en verdediging van het trinitarisch en christologisch dogma in het Oosten in de 4e tot de 8e eeuw 5. De dogmatische ontwikkeling loopt in het Oosten uit op Joh. Damascenus 6, en zet zich dan wel voort maar is voor een groot deel nog onbekend 7. De dogmatiek in het Westen draagt van den aanvang af, reeds bij Tert., Cypr., Iren., een eigen karakter, al is zij ook van het Oosten afhankelijk 8, en krijgt haar uitnemendsten tolk in Augustinus 9. Gregorius leidde kerk en theologie over naar de nieuwe volken, die eerst beide eenvoudig overnamen (Isidorus, Alcuinus) 10, maar dan zelfstandig werden en in de scholastiek een eigen theologie voortbrachten 11. De scholastiek verliep in drie perioden 12, en had de mystiek naast zich 13. In het laatst der M. E. kwam zij in verval en stond aan veel critiek bloot, maar zij herstelde zich na de Herv. weer 14, en kwam vooral in Spanje tot bloei 15. In de 18e eeuw kwam de Roomsche theologie onder invloed van het Rationalisme 16, en bleef daar ook nog ten deele onder in de 19e eeuw (Hermes, Günther); maar zij wist zich toch weer vrij te maken en trad als traditionalisme, romantisme, bemiddelingstheologie en vooral als Thomisme weer zelfstandig op 17. De Luthersche Reformatie kreeg haar eersten dogmaticus in Melanchton en haar consensus in de Form. Conc. 18, werd in de 17e eeuw scholastisch ontwikkeld 19, maar in de 18e eeuw verzwakt door Pietisme, Hernhuttisme, Rationalisme 20, 21, en sloot zich in deze eeuw vooral bij de verschillende stelsels van wijsbegeerte aan, bij Kant 22, Jacobi 23, Schleiermacher 24, Hegel 25, Schelling 26, of trad op als confessionalisme, Bijbelsche theologie 27, of neokantianisme 28. De Zwitsersche Reformatie, die principieel van de Duitsche verschilt 29, ontving haar dogmatisch systeem van Calvijn en vond ingang in Frankrijk, Nederland, Engeland, Schotland, Duitschland 30. Tegen het einde der 16e eeuw kwam in de Geref. theologie de scholastische methode op, die haar in verschillende landen tot grooten bloei bracht 31, maar door Anab., Arm., Cartes., Coccejanisme 32, Amyraldisme, Independentisme, Baptisme, Kwakerisme, Deisme tot verval kwam 33. Tolerantie, neologie, supranaturalisme, neonomisme kwamen nu aan het woord 34. Maar tegenover de negatieve richtingen in ons vaderland van supranaturalisme, Groninger en moderne theologie kwam er eene herleving van de positieve theologie door Afscheiding en Reveil, Utrechtsche en ethisch-iren. richting en door het ontwakend Calvinisme 35, eene herleving, die ook elders voorkomt, maar gewoonlijk een minder beslist Geref. karakter draagt, Duitschland 35, Zwitserland en Frankrijk 36. Engeland en Schotland 37, Amerika 38, 39.HOOFDSTUK I.Principia in het algemeen.§ 6.Beteekenis der principiabl. 140-145. De naamἀρχη, principium 1. Principium essendi 2. Principium cognoscendi, externum en internum 3. Eenheid en onderscheid dezer drie principia 4.§ 7.Principia in de wetenschapbl. 145-170. HetRationalisme, dat door heel de geschiedenis der philosophie heenloopt 1, leidt alle kennis af uit het subject 2, maar miskent het princ. cogn. externum en vervalt tot idealisme en illusionisme 3. HetEmpirismezoekt de bron der kennis in de zinlijke waarneming 4, maar miskent het princ.cogn. internum en leidt tot materialisme 5. Daarentegen gaat hetRealismeuit van de algemeene, natuurlijke zekerheid aangaande de objectiviteit en waarheid der kennis 6, erkent zoowel het princ. cogn. internum als externum 7, laat alle kennis aanvangen met de zinlijke waarneming 8, maar schrijft aan het verstand het vermogen toe, om uit de phaenomena tot de noumena door te dringen 9, omdat de rede in ons en de rede buiten ons saam haar oorsprong hebben in den Logos 10.§ 8.Principia in de Religiebl. 171-214. Hetwezender religie, wier naam van onzekere afleiding is 1, is volgens de H. S. als religio objectiva identisch met Gods openbaring en als religio subjectiva met de gezindheid, om in zijne wegen te wandelen 2. Deze onderscheiding is ter bepaling van het wezen der religie onmisbaar. Als religio objectiva bevatten alle godsdiensten de elementen van traditie, dogma, ethos, cultus 3. En als religio subjectiva zijn zij pietas, die cultus tot vrucht heeft 4. Deze religio subjectiva, die een habitus is, werd door de zonde bedorven, wordt door wedergeboorte vernieuwd, en bestaat volgens de H. S. in geloof 5, dat in een cultus naar Gods wil zich openbaart 6. Dezetelder religie is vooral onderzocht, sedert het wezen der religie, ten onrechte, alleen in de religio subjectiva werd gesteld 7, 8, is niet uitsluitend het verstand 9, want godsdienst en wetenschap zijn onderscheiden 10, noch ook de wil 11, want godsdienst en zedelijkheid zijn twee 12, noch ook het gevoel 13, want godsdienst is iets anders dan kunst 14, maar da gansche mensch, die God geheel en altijd en overal dienen moet 15. Deoorsprongder religie is niet vrees, priesterbedrog, onkunde, animisme enz., 16, noch ook de zucht, om zich tegenover de wereld te handhaven 16, 17. Historische en psychologische methode zijn tot verklaring van wezen en oorsprong der religie onvoldoende 18. Godsdienst is alleen verklaarbaar, wanneer het bestaan van God en de waarachtigheid zijner openbaring aangenomen wordt 19.HOOFDSTUK II.Principium externum.§ 9.Algemeene Openbaringbl. 215-244. Openbaring is een religieus begrip, dat alleen in het theisme te handhaven is 1, en bestaat in het algemeen in eene daad Gods, waardoor Hij den mensch tot zichzelven in eene religieuse verhouding plaatst 2. De onderscheiding in natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring is reeds van de oudste kerkelijke schrijvers afkomstig, maar werd bij Rome tot eene rationeele tegenstelling 3, die door de Reformatie wel gewijzigd werd, maar toch in het Socinianisme enz. bleef voortleven en heel het begrip der openbaring ondermijnde 4. De Schrift maakt geen begripmatig onderscheid tusschen natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring, wijl alle openbaring het persoonlijk, boven de natuur verheven bestaan Gods erkent, en alleen verschilt in de middelen, waardoor zij tot ons komt 5. Bovennatuurlijke openbaring is niet met onmiddellijke identisch, want alle openbaring geschiedt middellijk, maar verschilt van de natuurlijke in de wegen, waarlangs zij tot ons komt. Daarom verdient de onderscheiding van algemeene en bijzondere openbaring de voorkeur 6. De algemeene openbaring is onvoldoende, wijl zij niets bevat van Gods genade in Christus 7, maar is toch voor de Heidenwereld 8, 9, en ook voor de gemeente van groote waarde.§ 10.Bijzondere Openbaringbl. 224-295. Gelijk alle godsdiensten, beroept het Christendom zich op eene bijzondere openbaring,φανερωσις, ἀποκαλυψις, die op drieërlei wijze geschiedt 1, door theophanie 2, profetie (spreken Gods, lot, urim, droom, visioen, inwendige verlichting) 3, wonderen 4. De H. Schrift doet ons daarmede de bijzondere openbaring kennen, niet als loutere mededeeling van leer of als religieuse inspiratie of als instorting van nieuw leven of als bewustwording Gods in den menschelijken geest 5, maar als een systeem van woorden en daden Gods, die zich concentreeren in den persoon van Christus en na zijne verschijning en na de voltooiing der Schrift gewijzigd, in de bedeeling des H. Geestes zich voortzetten en voltooien. 6. In dezen rijken zin wordt zij echter miskend, zoowel door het abstracte supranaturalisme van Rome enz., 7, 8, als door het rationalistisch naturalisme 9, dat echter onvoldoende is ter verklaring van de openbaringsverschijnselen 10, en in een pantheistisch of materialistisch monisme zijn grond heeft 11. Maar dit monisme wordt door eene juiste natuurbeschouwing zoowel 11, als door de Schrift weersproken; in haar wereldbeschouwing neemt de bijzondere openbaring eene passende, harmonische plaats in 12.§ 11.De Heilige Schriftbl. 295-362. De bijzondere openbaring, die historie is en als zoodanig voorbijgaat, wordt tot de menschheid en wereld uitgebreid, doordat zij in den vorm der Schrift optreedt 1. DeSchrift is daarom niet al de openbaring noch ook slechts oorkonde der openbaring maar de laatste acte, de sluitsteen der openbaring 2. Want de openbaring valt in haar geheel in twee bedeelingen uiteen; de eerste brengt de vleeschwording van den Logos en de Schriftwording van zijn woord tot stand, de tweede past de schatten van Christus en van zijn getuigenis in de gemeente toe, die daarom met die Schrift steeds in levend, organisch verband staat 3. Van die Schrift is de Goddelijke ingeving steeds door de kerk beleden, van de oudste tijden af 4, door de scholastiek 5, door de Roomschen 6, de Hervormers 7, maar ook dikwerf van buitenaf bestreden en dan tot eene dualistische of dynamische inspiratie verzwakt of ook geheel ontkend 8. De Schrift leert echter duidelijk hare eigene inspiratie, zoowel in het Oude Test. 9, en in hetN. T.aangaande hetO. T.10, als ook in hetN. T.aangaande zichzelf 11 en geeft zich daarom uit voor het Woord Gods 12. Dit zelfgetuigenis der Schrift is onwraakbaar 13, onderscheidt de inspiratie, waardoor de Schrift ontstond, van alle andere, geniale inspiratie, van Gods immanente werkzaamheid in de wereld, van revelatie en van wedergeboorte, al staat ze ook met al deze in verband 14. Zij is een spreken Gods door middel van profeten en apostelen, echter niet in mechanischen maar in organischen zin 15, en niet tot bezieling der personen of tot ingeving van hoofdzaken te beperken 16. De bezwaren, tegen deze inspiratie ingebracht, staan zonder twijfel voor een deel in verband met de vijandschap van het menschelijk hart 17, en worden anderdeels verminderd door eene organische opvatting 18, en door eene duidelijke omschrijving van het doel, waartoe de Schrift gegeven is 19.§ 12.Eigenschappen der Schriftbl. 363-415. De leer der eigenschappen van de Schrift ontwikkelde zich in den strijd tegen Rome, dat de verhouding van Schrift en kerk gansch anders dan de Hervorming bepaalt 1, 2. Hetgezagder Schrift rust bij Rome op de kerk 3, en volgens de Reformatie, zonder miskenning van de paedagogische beteekenis der kerk, op de Schrift zelve 4. Hoewel bij dat gezag deauctoritas historiae et normaete onderscheiden is 5, is zijn Goddelijk karakter toch niet voor een menschelijk, historisch, zedelijk gezag in te ruilen 6. Want in de religie is een Goddelijk gezag, dat echter heel iets anders is dan geweld, onmisbaar 7. Denoodzakelijkheidder Schrift wordt door Rome, door vele mystieke richtingen 8, en ook door Schleiermacher ontkend 9, maar staat toch vast, wijl de kerk altijd rustte op een ongeschreven of geschreven Woord Gods 10, zonder zulk een woord tot dwaling en leugen vervalt 11, en daaraan in deze bedeeling steeds behoefte blijft houden 12. Deduidelijkheidder Schrift wordt eveneens door Rome ten bate der kerk verworpen 13, maar is, goed opgevat, op de Schrift zelve gegrond, door de oude kerk algemeen erkend 14, en ter handhaving van de vrijheid des Christens 15, en van de facultas S. Scr. se ipsam interpretandivan de grootste beteekenis 16. Degenoegzaamheidder Schrift eindelijk, door Rome ten gunste der traditie bestreden 17, die echter ten slotte geen ander kenmerk voor hare waarheid behoudt dan de pauselijke uitspraak 19, en de Schrift aan de kerk, dat is aan den paus onderwerpt 19, werd door de Hervorming wederom tegenover de traditie gehandhaafd 20, wijl zij door de Schrift zelve geleerd wordt en met den aard der tegenwoordige bedeeling overeenkomt 21, zonder dat daarmee het betrekkelijk recht der traditie wordt ontkend 22.HOOFDSTUK III.Principium Internum.§ 13.Beteekenis van het principium internumbl. 416-421. Aan het objectief principe moet een subjectief beantwoorden, dat bij ieder van kindsbeen af in overeenstemming met den godsdienst, waarin hij geboren is, een bepaalden vorm aanneemt 1, en in zijn diepsten grond schier aan alle onderzoek zich onttrekt 2. Daarom worden voor het geloof ook vele en verschillende gronden genoemd (historisch-apologetische, speculatieve, ethisch-practische), die echter de zelfstandigheid der religie en het werk des Geestes miskennen 3.§ 14.De historisch-apologetische methodebl. 423-431 werd vooral door Rome 1, en door verschillende supranaturalistische richtingen toegepast 2, maar is, schoon eene geloovige apologetiek recht van bestaan heeft, theoretisch en practisch onhoudbaar 3.§ 15.De speculatieve methodebl. 431-444, door Hegel 1, door deVermittlungstheologie2, en in gewijzigden vorm door Hofmann en Frank gevolgd 3, bood wel belangrijke voordeelen boven de apologethische, maar verviel in de dwaling der oude gnostiek en offerde het zijn aan het denken, de historie aan de idee op 4. Ook de poging van Frank, om de objectieve waarheid der dogmata uit de subjectieve zekerheid van den Christen af te leiden, is niet geslaagd 5, en berust op eene onjuiste Erkenntnistheorie 6.§ 16.De ethisch-psychologische methodebl. 444-465, schoon van ouds gebruikelijk, kwam in eere door Pascal en Vinet 1. Zij is verwant aan het moreele bewijs van Kant 2, en vindt in dezen vorm bij velen hier te lande 3, en vooral ook bij Ritschl en Lipsius c. s. steun 4, 5. Maar, ofschoon religie het element van den troost niet missen kan, ervaring des harten kan 6, evenmin als religieuse waardeering, bewijs voor de waarheid der religie zijn 7, en leidt bovendien tot een onhoudbaar dualisme tusschen gelooven en weten 8.§ 17.Het geloofbl. 465-484. Wijl het principium internum aan het princ. ext. beantwoorden moet, kan het niet liggen in den natuurlijken, maar alleen in den door Gods Geest verlichten mensch, zoodatde dogmaticus daarmede een subjectief standpunt inneemt 1. De Schrift noemt als dit princ. internum het geloof, dat een acte van het bewustzijn is, verwant aan het geloof op natuurlijk terrein 2, maar daarvan toch wel te onderscheiden 3, en ook niet met nudus assensus te vereenzelvigen 4. Dat geloof brengt eene eigen zekerheid mede 5, die naast de wetenschappelijke en moreele zekerheid recht van bestaan heeft 6.§ 18.De grond des geloofsbl. 484-509. Wijl dit geloof door geen bewijzen of redeneeringen, maar alleen door Gods genade gewerkt kan worden 1, neemt Rome daarmede in beginsel hetzelfde subjectieve standpunt in als de Hervorming 2. Het testimonium Sp. S. is de laatste grond des geloofs, gelijk de Hervorming, inzonderheid Calvijn, erkende maar het rationalisme ten onrechte bestreed 3. Want het komt overeen met het getuigenis, dat onze geest in het algemeen aan de waarheid geeft 4, beantwoordt aan de bijzondere openbaring in Christus en handhaaft hare autopistie 5. Het sluit voorts het argumenteeren niet uit, is sterk als getuigenis der gansche Christenheid, onderstelt de wedergeboorte en komt daaruit op spontaan en vrij 6. Ook heeft het niet eenzijdig betrekking op de autoriteit der H. S., maar staat met heel het geloofsleven in verband, verzekert subjectief van al de waarheid Gods en daarin ook van de divinitas der H. S. 7, en wordt door de onderlinge verschillen der Christenen niet van zijne waarheid beroofd 8.§ 19.Geloof en Theologiebl. 509-532. Ofschoon in het geloof zeker van de waarheid, streefde de christelijke kerk toch altijd, niettegenstaande alle bestrijding, naar eene wetenschappelijke theologie 1, die dan ook, in weerwil van haar vele afdwalingen, recht van bestaan heeft en zonder welke de openbaring, de religie, de dogmenhistorie, de kerk gevaar loopen van miskenning 2. Deze theologie is een vrucht van het denkend bewustzijn der gemeente en heeft de hulp der philosophie van noode 3. Geloof is daarom van theologie onderscheiden, gelijk ook vroeger blijkens de leer van de fides implicita 4, de onderscheiding van theologia infusa en acquisita en die tusschen fundamenteele en nietfundamenteele artikelen aangenomen werd 5. Maar beider verwantschap is even groot als hun verschil 6. En wijl de theologie niet in het geloof als zoodanig maar in het geloovig denken haar oorsprong heeft, is ter harer beoefening de ontwikkelde rede en dus de philosophie onmisbaar 7, al is het ook, dat de kennis, welke de theologie verschaft, nooit een begrijpen wordt en in bewondering van het mysterie eindigt 8.TWEEDE DEEL.HOOFDSTUK IV.Over God.§ 20.De onbegrijpelijkheid Godsbl. 1-24. De dogmatiek leeft in het mysterie, want zij heeft altijd te doen met God, die volgens de H. S. onbegrijpelijk en zelfs met geen naam te noemen is 1. Deze onbegrijpelijkheid Gods is ook buiten het terrein der bijz. openbaring erkend 2, in de christ. theol. van de kerkvaders 3, 4, van de scholastici 5, van de reformatoren opgenomen 6, en in de nieuwere philosophie vervangen door de volstrekte onkenbaarheid Gods 7, 8. De gronden, welke dit agnosticisme aanvoert 9, zijn, al is er zeer zeker geen adaequate kennis van God, niet houdbaar, wijl het agnosticisme alle spreken bij ons over God en alle openbaring van Gods zijde aan ons onmogelijk zou maken 10. De loochening van de kenbaarheid Gods sluit in, dat God zich niet heeft willen en niet heeft kunnen openbaren, en dat wij ook zelfs den grond missen, om zijn bestaan aan te nemen 11.§ 21.De kenbaarheid Gods(cognitio Dei insita) bl. 24-44. God is kenbaar, voorzoover Hij zich openbaart. En dat Hij zich openbaart, staat vast volgens Schrift en natuur en wordt door alle menschen bevestigd; atheisten zijn er schier niet 1. De natuurlijkheid, algemeenheid en noodzakelijkheid der Godskennis hebben velen geleid tot het geloof aan aangeboren begrippen 2, 3. Maar de christ. theol. verwierp deze leer, niet alleen patres en scholastici 4, maar ook Luth. en Geref. 5, wijl zij tot rationalisme of mysticisme voerde 6. Doch daarmede werd niet ontkend, dat de mensch de potentia en inclinatio meebrengt, om vanzelf, zonder wetenschappelijke redeneering tot eenige kennisse Gods te komen 7.§ 22.De kenbaarheid Gods(cognitio Dei acquisita) bl. 44-62. Decognitio Dei insitawordt vermeerderd door de langs den weg van nadenken en redeneering verkregencognitio Dei acquisita1. Beide behooren tot detheologia naturalis, die geen product is van de menschelijke rede maar in de Schrift is opgenomen en door den geloovige uit de natuur wordt afgeleid 2. De H. S. bewijst Gods bestaan niet maar getuigt ervan 3. De zoogen. bewijzen voor Gods bestaan, deels over-, deels onderschat 4, n.l. het ontologisch 5, kosmologisch 6, teleologisch 7, en moreel bewijs 8, heeten ten onrechte bewijzen maar zijn signa en testimonia, dat God zich niet onbetuigd laat aan den mensch 9.§ 23.De Namen Godsbl. 62-78. Al wat van God door zijne openbaring kenbaar wordt, vat de H. S. saam onder de namen, waarmede God, op grond van zijne openbaring (nomen editum), genoemd wordt (nomen inditum) 1. Al die namen zijn anthropomorphistisch 2, en naar de analogie in schepselen gevormd 3, maar dit terecht, wijl God zelf in en door de schepselen zich openbaart en op geen andere wijzenoembaar is 4. Zij geven daarom wel geen adaequate doch ook geen onware 5, maar eene ectypische, analoge kennis van God 6.§ 24.Indeeling der namen Godsbl. 78-102. De H. S. eert gelijkelijk alle deugden Gods en kent de onderscheiding niet tusschen wezen en eigenschappen 1, die later in de theologie opkwam en het wezen Gods deed omschrijven als het Absolute of als Souverein of als Vader enz., 2-4, en de eigenschappen daarvan afzonderde 5. Maar er is bij God geen onderscheid tusschen wezen en eigenschappen 6, al zijn ook de eigenschappen onderling verschillendratione ratiocinata7. De eigenschappen werden op velerlei wijze ingedeeld 8, maar al die indeelingen komen zakelijk overeen en worden door dezelfde bezwaren gedrukt, zoodat eene goede indeeling moeilijk te vinden is 9.§ 25.De eigennamen Godsbl. 102-115, in ruimer zin zoo genomen, zijn die, waarmede God benoemd en aangesproken wordt, zooalsθεος, deus, God 1, in de H. S., El, Elohim, Eljon, Adonai 2, El Schaddai, Ihvh 3, Ihvh Zebaoth 4,κυριος, πατηρ, Vader, Zoon en H. Geest 5.§ 26.De wezensnamen Godsbl. 115-227, welke vóór de leer der triniteit dienen behandeld te worden, bevatten eerst die, waarmede God als deZijndein volstrekten zin wordt aangeduid, n.l. de onafhankelijkheid 1, de onveranderlijkheid 2, de oneindigheid, welke weder insluit de eeuwigheid 3, en de alomtegenwoordigheid 4. Vervolgens zijn er namen, die ons God doen kennen als den Levende, alsGeest, n.l. de eenvoudigheid 5, de geestelijkheid 6, de onzienlijkheid 7. Verder zijn er namen, die het Goddelijk wezen omschrijven als volkomen zichzelf bewust, alsLicht, n.l. kennis van zichzelven en van de wereld (waarbij de praescientia en de scientia media ter sprake komt) 8, wijsheid (ideeën in God) 9, waarachtigheid 10. Voorts zijn er namen, die ons wijzen op de ethische natuur van Gods wezen en Hem doen kennen als denHeilige, n.l. goedheid (goedertierenheid, barmhartigheid, lankmoedigheid, genade, liefde) 11, heiligheid 12, heerlijkheid 13, gerechtigheid 14. En eindelijk zijn er namen, waarin God ons tegemoet treedt als de absolute macht, alsSouverein, n.l. de wil, die alspropensio Dei in se ipsum (necessaria)enals propensio in creaturas (libera)onderscheiden wordt 15, in laatstgenoemden zin wel als vrij maar niet als pure willekeur te denken is 16, voorts involuntas beneplacitien signi uiteenvalt 17, en eindelijk als almacht te eeren is 18.§ 27.De personeele namen Godsbl. 227-312 doen ons in het ééne Goddelijke wezen de zelfonderscheidingen kennen, welke reeds in hetO. T.(Elohim of Ihvh brengt alles tot stand door Woord en Geest) voorkomen 1, maar, vooral ook in tegenstelling met de dwaalleer der tusschenwezens in de Joodsche philosophie 2, 3, in het N. Test. veel helderder worden geopenbaard. Het N. Test. leert niet alleen, dat alles in natuur en genade tot stand komt door Vader, Zoon en Geest 4, maardoet ons ook iets kennen van de relatiën tusschen deze drie personen, als het den Vader in metaph. zin den Vader van Christus 5, Christus in specialen zin het Woord, den Zoon, het Beeld Gods 6, en den Geest in bijzonderen zin Geest des Vaders en des Zoons noemt 7. Deze gegevens der H. S. leidden de kerk tot de belijdenis van de triniteit, een leerstuk, dat in den eersten tijd door Justinus, Irenaeus, Tertullianus, Origenes ontwikkeld 8, vervolgens vooral door Athanasius 9 en Augustinus uitgewerkt en verdedigd werd 10, maar door Arianisme en Sabellianisme 11, en de daarbij zich aansluitende richtingen sterk bestreden werd 12, 13. De termen, die bij dit dogma gebruikelijk zijn, wezen, personen, drieëenheid enz., zijn wel niet uit de Schrift genomen maar zijn daarom niet ongeoorloofd 14. Het woord wezen duidt de Godheid, de Goddelijke natuur aan, gelijk die in de personen bestaat 15. Personen heeten de drie zelfstandige modi subsistendi in het ééne Goddelijk wezen 16, die van dat wezen niet re maar toch realiter verschillen en onderling onderscheiden zijn in namen, personeele eigenschappen en wijze van werken 17. De eerste persoon heeft als personeele eigenschap de paternitas 18. De tweede persoon is de Zoon, die door geestelijke, eenvoudige, eeuwige generatie uit het wezen des Vaders is gegenereerd 19. De derde persoon is de Geest, wiens persoonlijkheid en Godheid, schoon in de kerk later erkend dan die des Zoons, voor leer en leven van het hoogste belang is 20, en wiens personeele eigenschap deεκπορευσιςis, niet alleen uit den Vader 21, maar ook uit den Zoon, Filioque 22. Deze ontologische triniteit spiegelt zich af in de oeconomische, welke met de eenheid ook het onderscheid der drie personen in de openbaring doet uitkomen 23, maar zij is, schoon het zeer veel beproefd is, moeilijk door beelden op te helderen of door redeneeringen te bewijzen 24. Toch is zij voor de leer van God, van schepping en herschepping, ja voor heel de christelijke religie van de grootste beteekenis 25.§ 28.De Raad Godsbl. 313-385, die, als omvattend de opera essentialia ad intra, het verband aanwijst tusschen God en zijne werken (opera ad extra), komt in hetO. T.vooral voor als feit in de historie 1, en blijkt in hetN. T.duidelijk te zijn eeuwig, persoonlijk en betrekking hebbende op de bestemming hiernamaals 2. Maar in de christ. kerk werd de leer der praedestinatie door de Grieksche kerk, door Pelagianisme, Semipelagianisme 3, door de Roomsche kerk 4, en zelfs door de Lutherschen verzwakt 5, terwijl de Gereformeerden haar wel handhaafden, maar over de methode van behandeling 6, en over de infral. of supral. orde der decreten verschilden 7, en vele anderen, Socin., Remonstr. enz., ze ontkenden of in een wijsgeerig determinisme omzetten of in pelag. of semipel. zin wijzigden 8. Nu is Gods raad niets anders dan zijn eenvoudig en eeuwig besluit over al wat in den tijd zijn of geschieden zal 9, allereerst omvattend de providentia in den zin vanratio ordinisrerum10, en vervolgens de praedestinatio, die door het Pelag. voor de praescientia ingeruild 11, en vooral op drie punten bestreden wordt 12. Onder de Geref. was er verschil over hare infral. of supral. orde 13, die beide iets voor en iets tegen hebben 14 en geen van beide de ware oplossing bieden 15. De reprobatio, die in de H. S. herhaaldelijk voorkomt, behoort in zekeren zin beslist tot de praedestinatie 16, maar behoort er toch in een anderen zin toe dan de electie 17, in welke de praedestinatie haar einde bereikt en tot haar volle realiteit komt 18, want de verkiezing heeft Christus en zijne gemeente tot voorwerp en de eere Gods in de redding van de gevallen wereld tot doel 19.HOOFDSTUK V.Over de wereld in haar oorspronkelijken staat.§ 29.De Scheppingbl. 386-424 is het begin der uitvoering van Gods raad. Haar leer neemt in de H. S. eene breede plaats in 1, en is alleen te verstaan door het geloof, zoodat de Heidenen haar niet kenden en de philosophie haar gewoonlijk verwierp, om de wereld pantheistisch of materialistisch te verklaren 2. Pantheisme en materialisme zijn echter beide onbekwaam, om ons den oorsprong der dingen te doen kennen 3. De christelijke kerk hield zich dan ook aan de leer der H. S. 4, en leerde eene schepping uit niets 5, welke door God drieëenig, Vader, Zoon en Geest, tot stand was gebracht 6, en bepaaldelijk den Zoon tot Middelaar heeft 7. Zij had niet plaats in, maar viel saam met de schepping van den tijd 8, en had haar oorzaak niet in Gods overvloeiende volheid van zijn noch in zijne armoede en behoefte 9, maar in Gods wil, die daarbij de heerlijkheid van zijn naam beoogt 10. Als product van Gods wil, is de wereld één geheel, dat de grootste verscheidenheid in zich bevat.§ 30.De geestelijke wereldbl. 424-456 omvat de wezens, die gewoonlijk den naam van engelen dragen. Hun bestaan wordt schier in alle godsdiensten aangenomen, maar is toch ook menigmaal verworpen 1; wijsgeerig en historisch onbewijsbaar, is het voor de religie, schoon geen centraal dogma, toch van belang 2. De Schrift heeft voor hen niet één gemeenschappelijken naam, maar noemt verschillende klassen 3. Zij zijn echter daarin toch één, dat zij allen geschapene 4, geestelijke, onlichamelijke 5, redelijke 6, zedelijke wezens zijn 7, wezenlijk onderscheiden van den mensen, die beeld Gods is 8, tot een buitengewonen en gewonen dienst in het koninkrijk der hemelen geroepen, die echter geen personeele bescherming en voorbede insluit 9, en op geen godsdienstige vereering aanspraak geeft 10.§ 31.De stoffelijke wereldbl. 456-489 blijft in haar oorsprong buiten de H. S. onverklaard 1, maar ontstaat volgens Gen. 1:1 doorschepping uit niets (creatio prima) en wordt in de zes dagen toebereid (creatio secunda) 2, waarbij eene bepaalde orde valt op te merken 3. Dit hexaemeron werd in de christ. theologie dikwerf uitvoerig behandeld en zonder bezwaar naar de heerschende wereldbeschouwing (ptolem. kopernik.) gewijzigd 4. Maar de hypothese van Kant en Laplace 5, alsmede die van de op de aardlagen gebouwde ontwikkelingsperioden der aarde zijn met de Schrift moeilijk overeen te brengen 6. De pogingen tot verzoening kunnen niet geslaagd heeten 7, al bevatten zij ook goede elementen 8. Maar eene juiste opvatting van het scheppingsverhaal 9, en eene zuivere schifting tusschen het zekere en het onzekere in de geologische wetenschap brengen toch eene voorloopige overeenstemming 10.§ 32.De oorsprong van den menschbl. 490-507 is in het eerste en tweede scheppingsverhaal verschillend beschreven maar volgens beide verhalen aan Gods scheppende almacht te danken 1. De christ. kerk hield dezen goddelijken oorsprong van den mensch tegen alle materialistische, evolutionistische verklaring in vroeger en later tijd vast 2, en vond daarin ook bij vele mannen van wetenschap, die het darwinisme bestreden, steun 3. En voorts is tusschen de H. S. en de hedendaagsche wetenschap niet alleen de oorsprong van den mensch in geschil, maar ook de ouderdom 4, de eenheid 5, en de bakermat der menschheid 6.§ 33.Het wezen van den menschbl. 508-545 ligt volgens de H. S. daarin, dat hij beeld Gods is 1. De inhoud van dit beeld werd in de christ. kerk verschillend opgevat. Vooral kwamen er allengs twee opvattingen tegenover elkander te staan, de naturalistische 2, die door historie, Schrift en gezonde redeneering gelijkelijk weersproken wordt 3, en de supranaturalistische, die in de Roomsche leer van het donum superadditum tot ontwikkeling kwam 4, maar op eene valsche conceptie van den mensch en van zijne bestemming berust 5. De Hervorming leerde daarom, dat het beeld Gods wezenlijk eigen was aan den mensch 6, niet als eene substantie, maar als eene bij het wezen des menschen behoorende qualiteit 7. De gansche mensch is toch beeld Gods, gelijk de Gereformeerden met hun onderscheiding van beeld Gods in ruimer en enger zin tegen de Lutherschen erkenden, naar ziel en geest, die geen twee substantiën zijn, en naar al hun vermogens 8, naar de deugden van kennis, gerechtigheid en heiligheid (justitia originalis) en zelfs in zekeren zin naar het lichaam 9. De menschelijke natuur is onder de werken der schepping de hoogste openbaring Gods 10.§ 34.De bestemming van den menschbl. 545-571. Adam, schoon Gods beeld, had volgens de H. S. terstond het hoogste nog niet en werd daarom in het verbond der werken geplaatst 1. De christ. theologie heeft deze waarheid niet ten volle erkend en Adams toestand beurtelings te laag of te hoog geschat. Maar de Geref. hebben haar in de leer van hetfoedus operumopgenomen 2, eene leer, die, schoon al teschoolsch ontwikkeld, toch eene diepe gedachte bevat, wijl zij de religie als gemeenschap met God handhaaft 3, met Adams staat vóór den val ten volle rekening houdt 4, den rijkdom van het beeld Gods eerst in het menschelijk geslacht zich ontvouwen laat 5, en daarom ook verklaart, waarom Roomschen en Gereformeerden, in onderscheiding van de Lutherschen, over het algemeen aanhangers van het creatianisme waren 6, 7.
8. Deze vernieuwing der zienlijke wereld stelt de eenzijdigheid van het spiritualisme in het licht, dat de toekomstige zaligheid tot den hemel beperkt. Bij de Oudtest. profetie is er geen twijfel mogelijk, dat zij de zaligheid als eene aardsche beschrijft; zij verwacht, dat het volk Gods na den grooten dag in veiligheid en vrede onder den gezalfden koning uit Davids huis in Palestina wonen en door de heidensche natiën omringd en gediend worden zal. Er ligt waarheid in de woorden van Delitzsch op Jes. 66:24:Das ist ja eben der Unterschied desA. und N. T., dass dasA. T.das Jenseits verdiesseitigt, dasN. T.das Diesseits verjenseitigt; dass dasA. T.das Jenseits in den Gesichtskreis des Diesseits herabzieht, dasN. T.das Diesseits in das Jenseits emporhebt. Maar toch doen zij deN. T.verwachting van de toekomstige zaligheid niet geheel tot haar recht komen. Er ligt in het N. Test. ongetwijfeld eene vergeestelijking der Oudtest. profetie; wijl Jezus’ komst in eene eerste en tweede uiteenvalt, wordt eerst het koninkrijk Gods in geestelijken zin in het hart der menschen geplant; en de goederen van dat rijk zijn alle inwendig en onzienlijk, vergeving, vrede, gerechtigheid, eeuwig leven. Dienovereenkomstig wordt het wezen van de toekomstige zaligheid ook meer geestelijk opgevat, vooral door Paulus en Johannes, als een altijd bij den Heere zijn, Joh. 12:26, 14:3, 17:24, 2 Cor. 5:8, Phil. 1:23, 1 Thess. 4:17, 5:10, 1 Joh. 3:2. Maar toch wordt die zaligheid daarmede niet binnen den hemel opgesloten. Dat dit niet het geval kan zijn, blijkt principiëel reeds daaruit, dat hetN. T.de vleeschwording des Woords en de lichamelijke opstanding van Christus leert, aan het eind der dagen zijn lichamelijke wederkomst verwacht en terstond daarna de lichamelijke opstanding van alle menschen, en inzonderheid die van de geloovigen, laat plaats hebben. Dit alles werpt het spiritualisme omver, dat, indien het aan zijn beginsel getrouw bleef, evenals Origenes na den oordeelsdag niets dan geesten in een ongeschapen hemel mocht laten overblijven. De Schrift leert echter gansch anders. Volgens haar bestaat de wereld uit hemel en aarde, de mensch uit ziel en lichaam, en heeft dienovereenkomstig ook het koninkrijk Gods eene geestelijke, verborgene en eene uitwendige, zienlijke zijde.Terwijl Jezus de eerste maal gekomen is, om dat koninkrijk in geestelijken zin te stichten, keert Hij aan het einde der dagen weder, om er ook eene zichtbare gestalte aan te geven. De reformatie gaat van binnen naar buiten; de wedergeboorte der menschen voltooit zich in de wedergeboorte der schepping; het Godsrijk is dan eerst ten volle gerealiseerd, als het ook zichtbaar over de aarde uitgebreid is. Zoo verstonden het ook de jongeren, als zij aan Jezus na zijne opstanding vraagden, of Hij nu aan Israel het koninkrijk weder oprichten zou. En Jezus ontkent in zijn antwoord op die vraag niet, dat Hij eenmaal zulk een koninkrijk oprichten zal, maar zegt alleen, dat de tijden daarvoor door den Vader zijn vastgesteld en dat zijne jongerenthans de roeping hebben, om in de kracht des H. Geestes zijne getuigen te zijn tot aan het uiterste der aarde, Hd. 1:6-8. Elders getuigt Hij uitdrukkelijk, dat de zachtmoedigen de aarde zullen beërven, Mt. 5:5, en stelt Hij de toekomstige zaligheid als een maaltijd voor, waar men aanzit met Abraham, Izak en Jakob, Mt. 8:11, spijze en drank geniet, Luk. 22:30, eet van het nieuwe, volmaakte pascha, Luk. 22:16, en drinkt van de vrucht van den nieuwen wijnstok, Mt. 26:29. Wel is in deze bedeeling, tot de parousie toe, het oog der geloovigen naar boven, naar den hemel gericht. Daar is hun schat, Mt. 6:20, 19:21; daar is Jezus, die hun leven is, gezeten aan de rechterhand Gods, Joh. 14:3, 17:24, Col. 3:1-3; daar is hun burgerschap, terwijl zij hier vreemdelingen zijn, Phil. 3:20, Hebr. 11:13-16; daar wordt voor hen de erfenis bewaard, Hebr. 10:34, 1 Petr. 1:4. Maar die erfenis is bestemd, om geopenbaard te worden. Christus komt eenmaal zichtbaar weer, en doet dan in zijne heerlijkheid de gansche gemeente, ja heel de wereld deelen. De geloovigen worden niet alleen naar zijn beeld veranderd, Joh. 17:24, Rom. 8:17, 18, 28, Phil. 3:21, Col. 3:4, 1 Joh. 3:2, maar de gansche schepping zal van de dienstbaarheid des verderfs worden vrijgemaakt tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods, Rom. 8:21; aarde en hemel worden zoo vernieuwd, dat er de gerechtigheid in woont, 2 Petr. 3:13, Op. 21:1;het hemelsch Jeruzalem, dat thans boven is en het voorbeeld van het aardsche Jeruzalem was, daalt dan op aarde neer, Gal. 4:26, Hebr. 11:10, 13-16, 12:22, 13:14, Op. 3:12, 21:2v. Dit nieuw Jeruzalem is niet met de gemeente identisch, al kan het ook overdrachtelijk de bruid des Lams heeten, Op. 21:2, 9, want Hebr. 12:22, 23 maakt zeer duidelijk onderscheid tusschen het hemelsche Jeruzalem en de gemeente der eerstgeborenen (vromen desO. T.) en der volmaakte rechtvaardigen (ontslapen Christenen). Het hemelsch Jeruzalem is eene stad, door God zelven gebouwd, Hebr. 11:10; zij is de stad des levenden Gods, omdat God niet alleen haar bouwmeester is maar er ook zelf in woont,Op. 21:3; de engelen zijn daarin de dienaren en vormen den hofstoet van den grooten Koning, Hebr. 12:22; de zaligen zijn daarin de burgers, Op. 21:27, 22:3, 4. De beschrijving, welke Johannes van dat Jeruzalem geeft, Op. 21 en 22, mag zeker evenmin als zijne voorafgaande visioenen letterlijk wordenopgevat; dit wordt reeds daardoor uitgesloten, dat Johannes haar voorstelt als een kubus, waarvan lengte, breedte en hoogte gelijk zijn, n.l. 12000 stadiën, d. i. 300 Duitsche mijlen, terwijl de hoogte van den muur toch maar 144 el is, Op. 21:15-17. Johannes bedoelt met zijne beschrijving geen teekening van de stad, maar hij geeft gedachten en vertolkt die in beelden, wijl de heerlijkheid van het Godsrijk op geen andere wijze tot ons bewustzijn te brengen is. En die beelden ontleent hij aan het paradijs, met zijn rivier en levensboom, Op. 21:6, 22:1, 2, aan het aardsche Jeruzalem met hare poorten en straten, Op. 21:12v., aan den tempel met zijn heilige der heiligen, waarin God zelf woonde, Op. 21:3, 22, aan heel het rijk der natuur met al zijne schatten van goud en edele gesteenten, Op. 21:11, 18-21. Maar al zijn het gedachten, welke op die wijze door beelden vertolkt worden, die gedachten zijn toch geen inbeeldingen of verdichtselen dochdiesseitigebeschrijvingen vanjenseitigerealiteiten. Alwat waarachtig is, al wat edel is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat welluidt, in de gansche schepping, in hemel en aarde, wordt in de toekomstige Godsstad saamgebracht, maar vernieuwd, herschapen, tot zijne hoogste heerlijkheid opgevoerd. De substantie ervoor is in deze schepping aanwezig. Gelijk de rups zich ontwikkelt tot vlinder, gelijk koolstof zich omzet tot diamant, gelijk het tarwegraan, stervend in de aarde, een ander voortbrengt, gelijk de gansche natuur in de lente herleeft en in feestdosch zich tooit, gelijk de gemeente gevormd wordt uit Adams gevallen geslacht, gelijk het opstandingslichaam opgewekt wordt uit het lichaam, dat gestorven en in de aarde begraven is; zoo komt ook eenmaal door de herscheppende macht van Christus uit de door vuur gelouterde elementen van deze wereld de nieuwe hemel en aarde te voorschijn, stralend in onvergankelijke heerlijkheid en van deδουλεια της φθοραςvoor eeuwig bevrijd. Heerlijker dan deze schoone aarde, heerlijker dan het aardsche Jeruzalem, heerlijker zelfs dan het paradijs zal de heerlijkheid van het nieuwe Jeruzalem zijn, waarvan God zelf de kunstenaar en de bouwmeester is. De status gloriae zal geen zuivere restauratie zijn van den oorspronkelijken status naturae, maar eene reformatie, die, dank zij de macht van Christus, alleὑληtotεἰδος, alle potentia tot actus doet overgaan en heel de schepping voor Gods aangezicht zal stellen, stralendin onverwelkelijke pracht en bloeiend in de lente eener eeuwige jeugd. Substantieel gaat er niets verloren. Buiten zijn wel de honden en de toovenaars en de hoereerders en de doodslagers en de afgodendienaars en een iegelijk, die de leugen liefheeft of doet, Op. 22:15. Maar in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde wordt de wereld hersteld; in de gemeente wordt het menschelijk geslacht behouden; in die gemeente, die uit alle natiën en talen en tongen door Christus gekocht en vergaderd is, Op. 5:9 enz., behouden alle de volken, ook Israel, elk zijne onderscheidene plaats en roeping, Mt. 8:11, Rom. 11:25, Op. 21:24, 22:2; en alle die volken brengen in het nieuwe Jeruzalem saam, al wat zij elk naar zijn onderscheiden aard van God ontvangen hebben aan heerlijkheid en eere, Op. 21:24, 26.
9. De zegeningen, waarin de gezaligden deelen, zijn daarom niet alleen geestelijk maar ook stoffelijk of lichamelijk van aard. Zoo verkeerd als het is, om de laatste met de heidensche volken en ook met sommige Chiliasten tot het hoofdbestanddeel der toekomstige zaligheid te maken, zoo eenzijdig is het ook, om ze op stoische wijze onverschillig te rekenen of ook van de zaligheid ten eenenmale uit te sluiten. De Schrift houdt het geestelijke en het natuurlijke steeds in nauw verband; wijl de wereld uit hemel en aarde en de mensch uit ziel en lichaam bestaat, behooren heiligheid en heerlijkheid, deugd en geluk, zedelijke en natuurlijke wereldorde ook ten slotte harmonisch verbonden te zijn.De zaligen zullen daarom niet alleen vrij zijn van alle zonde, maar ook van alle gevolgen der zonde, van onwetendheid en dwaling, Joh. 6:45, van den dood, Luk. 20:36, 1 Cor. 15:26, Op. 2:11, 20:6, 14, van armoede en krankheid, smart en vreeze, honger en dorst, koude en hitte, Mt. 5:4, Luk. 6:21, Op. 7:16, 17, 21:4, van alle zwakheid, oneer en verderf, 1 Cor. 15:42 enz. Maar de geestelijke zegeningen zijn toch de voornaamste en zijn ontelbaar vele: heiligheid, Op. 3:4, 5, 7:14, 19:8, 21:27, zaligheid, Rom. 13:11, 1 Thess. 5:9, Hebr. 1:14, 5:9, heerlijkheid, Luk. 24:36, Rom. 2:10, 8:18, 21, aanneming tot kinderen, Rom. 8:23, eeuwig leven, Mt. 19:16, 29 enz., aanschouwing van en gelijkvormigheid aan God en Christus, Mt. 5:8, Joh. 17:24, Rom. 8:29, 1 Cor. 13:12, 2 Cor. 3:18, Phil. 3:21, 1 Joh. 3:2, Op. 22:4,gemeenschap met en dienen en prijzen van God en Christus, Joh. 17:24, 2 Cor. 5:8, Phil. 1:23, Op. 4:10, 5:9, 13, 7:10, 15, 21:3, 22:3 enz. Omdat al deze weldaden in beginsel reeds op aarde aan de geloovigen worden geschonken, zooals bijv. de aanneming tot kinderen, Rom. 9:4, 8:15, Gal. 4:5, Ef. 1:5, en het eeuwige leven, Joh. 3:15, 16, 36 enz., hebben velen de zaligheid, welke Christus schenkt, uitsluitend als eene tegenwoordige opgevat, die alleen in den weg van een ethisch proces zich hoe langer hoe meer realiseert, Pfleiderer, Grundriss § 177. Biedermann, Dogm. § 974 f. Scholten, Initia c. 7. Ook Ritschl en vele zijner aanhangers leggen eenzijdig den nadruk op dediesseitige Weltstellungdes Menschen, houden de zedelijke vrijheid, welke de Christen in het geloof tegenover de wereld ontvangt, voor de voornaamste weldaad, en spreken weinig of niet van de eeuwige zaligheid, welke Christus in de toekomst den zijnen, bereidt,Ritschl, Rechtf. u. Vers. III2459 f. 484 f. 534 f. 600 f. Tegenover het abstracte supranaturalisme der Grieksche en Roomsche kerk, dat de zaligheid uitsluitend transcendent opvat en dus hier op aarde het christelijk levensideaal in den monnik belichaamd acht, verdedigt deze beschouwing eene belangrijke waarheid. De Reformatie heeft, teruggaande tot de Schrift, deze supranaturalistische en ascetische levensopvatting principieel verwonnen. Wie gelooft, heeft op datzelfde oogenblik vergeving van zonden en eeuwig leven; hij is een kind van God, dat den Vader dient, niet als knecht uit hoop op loon, maar als een zoon, die uit liefde en dankbaarheid den wil des Vaders volbrengt; en hij volbrengt dien wil, niet door uit de wereld weg te vluchten maar door trouw te zijn in de roeping, welke hem hier op aarde toebetrouwd is. Het leven voor den hemel vormt daarom geen tegenstelling met het leven in het midden der wereld; juist in die wereld bewaart Christus zijne discipelen van den Booze. De nieuwe hemel en aarde wordt immers opgebouwd uit de elementen der wereld, die thans bestaat, en de gemeente is de herstelde menschheid onder Christus als Hoofd. Maar hoezeer de zaligheid in zekeren zin reeds het deel is van de geloovigen op aarde, zij is dat toch maar in beginsel en niet in volle werkelijkheid. De geloovigen zijn in hope zalig, Rom. 8:24; Jezus spreekt de armen van geest enz., zalig, omdat hunner het koninkrijk der hemelen is, dat in de toekomst op aarde gesticht worden zal,Mt. 5:3-10. De geloovigen zijn kinderen Gods en verwachten toch nog de volle verwezenlijking van dat kindschap, Mt. 5:9, Rom. 8:23. Zij hebben het eeuwige leven, en moeten het toch nog bij de opstanding ontvangen, ook volgens Johannes, 5:20-29, 6:40, 44, 54. Beide is dus waar, dat het koninkrijk der hemelen er is en dat het toch nog komt. En deze dubbele waarheid bepaalt heel het karakter van den staat der heerlijkheid. Gelijk de nieuwe hemel en aarde gevormd wordt uit de elementen dezer wereld en de gemeente eene herschepping is van het in Adam gevallen menschelijk geslacht, zoo is ook het leven der zaligen hiernamaals te denken als in analogie met het leven der geloovigen hier op aarde.Het bestaat eenerzijds niet in eenevisio Deiin Roomschen zin, waartoe de menschelijke natuur slechts door een donum superadditum kan opgebeurd worden, en het is aan de andere zijde ook niet eene langzame en geleidelijke ontwikkeling van het christelijk leven, dat hier reeds op aarde door de geloovigen geleid wordt. Het is een echt natuurlijk leven, maar door de genade tot zijne hoogste heerlijkheid opgeheven, en in zijn rijkste schoonheid ontvouwd; de materia blijft, doch de forma verschilt. De religie, dat is de gemeenschap met God, neemt er daarom de eerste, de centrale plaats in. Maar die gemeenschap zal rijker, dieper, zaliger zijn, dan zij hier op aarde ooit was of wezen kon, want zij zal door geen zonde verstoord, door geen afstand verbroken, door geen natuur of Schrift bemiddeld zijn. Nu zien wij in den spiegel van Gods openbaring slechts zijn beeld; dan zien wij aangezicht tot aangezicht, en kennen, gelijk wij gekend zijn.Visio, comprehensio, fruitio Deimaken het wezen der toekomstige zaligheid uit. De zaligen zien God, wel niet met lichamelijke oogen, maar toch op eene wijze, die alle openbaring in deze bedeeling door middel van natuur en van Schrift zeer verre te boven gaat; en dienovereenkomstig zullen zij Hem allen kennen, schoon elk naar de mate zijner bevatting, met eene kennis, die in de kennisse Gods haar beeld en gelijkenis heeft, rechtstreeks, onmiddellijk, zuiver en rein,deel II150-155. Zij ontvangen en bezitten dan alles, wat zij hier slechts in hope hebben verwacht. En alzoo God aanschouwende en God bezittende, genieten zij God en zijn in zijne gemeenschap zalig; zalig naar ziel en naar lichaam, in verstand en in wil. In de theologie was er verschil over, of de zaligheid hiernamaals formaliter zetelde in het verstand of inden wil, en dus in kennis of in liefde bestond. Thomas zeide het eerste, S. Theol. I 2 qu. 3 art. 4, en Duns Scotus beweerde het laatste, Sent. IV dist. 49 qu. 4. Maar Bonaventura vereenigde beide en merkte op, dat defruitio Deiniet alleen eene vrucht was van decognitio Deimaar ook van denamor Deien in beider vereeniging en samenwerking haar oorzaak had, Sent. IV dist. 49 p. 1 art. unic. qu. 4. 5, cf. Voetius, Disp. II 1217-1239.
10. De zaligheid der gemeenschap met God wordt genoten in en verhoogd door de gemeenschap der heiligen. Reeds op aarde is deze gemeenschap eene heerlijke weldaad des geloofs. Wie om Jezus’ wil huis of broeders of zusters of vader of moeder of vrouw of kinderen of akkers verlaten hebben, ontvangen reeds in dit leven met de vervolgingen huizen en broeders en zusters en moeders en kinderen en akkers terug, Mk. 10:29, 30, want allen, die den wil des Vaders doen, zijn Jezus’ broeder en zuster en moeder, Mt. 12:50.De geloovigen komen door den Middelaar des Nieuwen Testaments in gemeenschap, niet alleen met de strijdende kerk op aarde, maar ook met de triumfeerende kerk in den hemel, de gemeente der eerstgeborenen, de geesten der volmaakte rechtvaardigen, zelfs met de vele duizenden der engelen, Hebr. 12:22-24. Maar deze gemeenschap, ofschoon in beginsel reeds op aarde bestaande, bovenbl. 28, zal toch onvergelijkelijk veel rijker en heerlijker zijn, wanneer alle scheidsmuren van afstamming en taal, van tijd en ruimte geslecht, alle zonde en dwaling uitgebannen en alle uitverkorenen in het nieuwe Jeruzalem saamgebracht zullen zijn. Dan zal het gebed van Jezus ten volle worden verhoord, dat al zijne schapen ééne kudde vormen onder éénen Herder, Joh. 10:16, 17:21. Alle heiligen zullen dan te zamen ten volle begrijpen, welke de breedte en lengte en diepte en hoogte zij van de liefde van Christus, Ef. 3:18; zij zullen saam vervuld worden tot al de volheid Gods, Ef. 3:19, Col. 2:2, 10, want Christus, dien God vervult, Col. 1:19, vervult op zijne beurt de gemeente met zichzelven en maakt ze tot zijn pleroma, Ef. 1:23, 4:10, cf.deel III417. En aanzittende met Abraham, Izak en Jakob aan éénen disch, Mt. 8:11, heffen zij uit éénen mond het loflied aan tot eere van God en van het Lam, Op. 4:11, 5:12 enz. Van de gemeente op aarde zegt de Schrift menigmaal, dat zij een klein kuddeken vormt, Mt. 7:14,22:14, Luk. 12:32, 13:23, hetgeen door de historie tot op den huidigen dag bevestigd wordt. En zelfs tegen het einde der dagen, als het evangelie onder alle volken gepredikt zal zijn, zal de afval toenemen en het getal der getrouwen gering zijn; reeds de profetie des O. Test. verkondigde, dat slechts een overblijfsel van Israel zich tot den Heere bekeeren en behouden zou worden, boven bl. 429; en het N. Test. koestert evenzoo de verwachting, dat degenen, die volharden tot den einde toe, weinigen zullen zijn, Mt. 24:13, 25:1v., Luk. 18:8.Maar aan de andere zijde spreekt de Schrift dikwerf toch zeer universalistisch. Het verbond der genade wordt in Adam aan heel de menschheid bekend gemaakt, Gen. 3:15. Het verbond der natuur, dat na den zondvloed gesloten wordt, omvat alle schepselen, Gen. 9:9, 10. In Abraham worden alle geslachten der aarde gezegend, Gen. 12:3. De verlossing, welke eens aan Israel geschonken zal worden, komt allen Heidenen ten goede, bovenbl. 433. Jezus zegt, dat Hij zijne ziel zal geven tot een rantsoen voorvelen, Mt. 20:28, en datvelenzullen komen van Oosten en Westen en zullen aanzitten met Abraham, Izak en Jakob in het koninkrijk der hemelen, Mt. 8:11. De genade, die in Hem is verschenen, is veel meer overvloedig dan de overtreding van Adam; zij komt over alle menschen tot rechtvaardigmaking des levens, Rom. 5:12-20, 1 Cor. 15:22. Nu worden in deze bedeeling alle dingen in den hemel en op de aarde onder Christus tot één vergaderd, Ef. 1:10. En eens aan het einde, zal alle knie voor Christus zich buigen en alle tong Hem als den Heer belijden, Phil. 2:10, 11. Dan zal eene groote schare, welke niemand tellen kan, staan voor den troon en het Lam, Op. 7:9, 19:1, 6. Het zijn volkeren, die zalig worden en in het licht van het nieuwe Jeruzalem wandelen, Op. 21:24, 26, 22:2. En God zal dan in allen alles zijn, 1 Cor. 15:28. In aansluiting bij en met beroep op deze laatste reeks teksten hebben velen de hope gekoesterd, dat ten slotte, zoo niet alle schepselen, dan toch alle menschen en, indien ook dit niet het geval mocht zijn, dan toch verreweg de meeste menschen zalig zouden worden; de hel zou in het geheel niet bestaan of slechts een kleine uithoek zijn in het heelal. Zij grondden deze hunne verwachting òf op de mogelijkheid, om ook zalig te worden door de werken der wet (Pelagianen, Socinianen, Deisten enz.), òf op de gelegenheid, om ook na den dood in den tusschentoestand ofzelfs nog na den oordeelsdag het evangelie te hooren en in den geloove aan te nemen (Universalisten). Deze gevoelens zijn vroeger reeds besproken en behoeven dus thans niet meer aan de Schrift getoetst te worden, cf.deel I232. II 318 f. 340 f. 350 f. III 390-408 en bovenbl. 499v. Maar ook onder hen, die de belijdenis vasthouden, dat niemand tot den Vader komt dan door Christus en dat er maar één naam onder den hemel ter zaligheid gegeven is, Joh. 14:6, Hd. 4:12, zijn er altijd enkelen geweest, die aan de mogelijkheid der zaligheid in dit leven buiten de prediking van het evangelie hebben geloofd.Zij leerden alzoo ten aanzien van de kinderen des verbonds, van al de jongstervende kinderen binnen en buiten de grenzen des Christendoms, van idioten, krankzinnigen, doofstommen, die feitelijk van de prediking des evangelies verstoken waren, en ook van sommige of van vele Heidenen, die in hun helder inzicht en deugdzaam leven bewijzen gaven van eene waarachtige godsvrucht. Sommige kerkvaders namen een werkzaamheid van den Logos in de Heidenwereld aan,deel I238. Augustinus geloofde, dat er van den beginne af aan niet alleen onder Israel maar ook onder andere volken altijd enkelen waren geweest, die in den Logos geloofden en naar zijne geboden vroom en rechtvaardig leefden, Ep. 102. de civ. 18, 47 en andere plaatsen bij Reuter, Aug. Studien 1887 S. 90 f. Abaelard beweerde, dat ook Heidenen de zaligheid konden deelachtig worden, bij Münscher-v. Coelln, D. G. II 147. Volgens Strauss, Chr. Gl. I 271 sprak Luther eenmaal den wensch uit, dat God ook mannen als Cicero en Seneca genadig mocht zijn, en wilde Melanchton in het midden laten, of Hij soms langs een bijzonderen weg aan Solon, Themistocles e. a. eenige kennis van de vergeving in Christus had medegedeeld.Zwingli sprak beslister en geloofde dat God ook onder de Heidenen zijne uitverkorenen had, Chr. fidei expos. Op. IV 65. Maar anderen lieten alleen de mogelijkheid open en durfden niet meer dan hopen en wenschen, zooals bijv. à Lasco, bij Kuyper, Heraut 1047. Zanchius, bij Shedd, Dogm. Theol. I 436 II 704. Bilderdijk, Brieven V 81. Kuyper, Heraut 594 cf. 1047. Ebrard, Das Dogma v. h. Ab. II 77. Shedd, Dogm. Theol. I 436 II 704. Dit gevoelen bleef echter altijd het gevoelen van enkelen; de kerken lieten er zich in hare confessies niet over uit en de meeste theologen kwamen er tegen op, cf. litt. bij M. Vitringa I 29.Iets gunstigeroordeelde men over de zaligheid der jongstervende kinderen. De Roomschen leeren, dat alle Christenkinderen, die, voto of re gedoopt, sterven, zalig worden en alle andere vroegstervende kinderen in den limbus infantum eenepoena damni, niet sensus, lijden, Lombardus e. a. op Sent. II dist. 33. De Lutherschen oordeelen ten aanzien van de Christenkinderen als de Roomschen en laten de anderen aan Gods oordeel over, Gerhard, Loc. XVI § 169. Buddeus, Inst. theol. VI, 6.De Gereformeerden neigden ertoe, om te gelooven, dat alle in het verbond der genade geboren en dan vóór de jaren des onderscheids door den dood weggenomen kinderen de hemelsche zaligheid deelachtig worden, Can. Dordr. I 7. Voetius, Disp. II 417, hoewel velen ook hier tusschen verkoren en verworpen kinderen onderscheid maakten en niet aan elk dezer kinderen individueel met zekerheid de zaligheid durfden toekennen, Martyr, Loci Comm. p. 76. 436, Beza, Pareus, Zanchius, Perkins e. a. Wat de vroegstervende kinderen buiten het verbond betreft, oordeelden sommigen vrij mild; Junius vermoedde liever uit liefde, dat zij behouden dan dat zij verloren waren, Op. II 333, en Voetius zeide: of zij verloren zijn dan of sommigen onder hen uitverkoren zijn en vóór hun sterven wedergeboren worden,nolim negare, affirmare non possum, Disp. II 413, cf. verdere litt. bij M. Vitringa II 51. 52, en vooral B. Warfield,The development of the doctrine of infant salvation, in:Two studies in the history of doctrine, New-York, Christ. Lit. Comp. 1897 p. 143-239. Met de Schrift in de hand kunnen wij, zoowel in betrekking tot de zaligheid der Heidenen als tot die der vroegstervende kinderen, niet verder komen, dan dat wij van een beslist en stellig oordeel in positieven of negatieven zin ons onthouden. Alleen verdient het opmerking, dat de Gereformeerde theologie bij deze ernstige vragen in veel gunstiger conditie verkeert dan eenige andere. Want alle andere kerken kunnen hierbij dan alleen een zachter oordeel koesteren, wanneer zij op hare leer van de volstrekte noodzakelijkheid der genademiddelen terugkomen of op die van de verdoemelijkheid der zonde inbreuk maken. Maar de Gereformeerden wilden ten eerste de mate der genade niet vaststellen, waarmede een mensch ook onder vele dwalingen en zonden nog aan God verbonden kan zijn noch den graad der kennis bepalen, die tot zaligheid onmisbaar noodig is, Voetius, Disp. II 537. 538. 781. Witsius, Apost. Geloof II 2 en 15. Spanheim, Op. III 1291.En ten andere hielden zij staande, dat de middelen der genade niet absoluut noodzakelijk waren tot de zaligheid en dat God ook buiten woord en sacramenten kon wederbaren ten eeuwigen leven, Calvijn, Inst. IV 16, 19. In de tweede Helv. Confessie, art. 1 luidt het:agnoscimus Deum illuminare posse homines, etiam sine externo ministerio, quos et quando velit; id quod ejus potentiae est. En de Westminstersche belijdenis spreekt in cap. X § 3 uit, dat uitverkoren kinderen, die in hun kindsheid sterven, wedergeboren en behouden worden door den Geest van Christus,qui quando et ubi et quo sibi placuerit modo operatur, en dat dit ook geldt van de overige uitverkorenen,quotquot externae vocationis per ministerium verbi sunt incapaces. Reuter zegt daarom terecht, als hij de leer van Augustinus op dit punt heeft uiteengezet:In der That, es lässt sich das Paradoxon rechtfertigen, gerade diepartikularistischePrädestinationslehre habe jeneuniversalistischklingenden Phrasen ermöglicht, Aug. Studien 92. In de Gereformeerde theologie komen zelfs de bovenaangehaalde universalistische teksten der Schrift het best en het schoonst tot haar recht. Want universalistisch in dien zin, dat alle menschen of zelfs alle schepselen worden behouden, zijn die teksten zeker niet bedoeld en ook door geen enkele christelijke kerk opgevat. Alle belijden zonder uitzondering, dat er niet alleen een hemel maar ook eene hel is. Hoogstens is er dus verschil over het getal dergenen, die zalig worden en die verloren gaan. Maar daarover valt niet te twisten; want dat getal is alleen Gode bekend. Op de vraag: Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden, gaf Jezus alleen ten antwoord: strijdt om in te gaan door de enge poort, want velen zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen, Luk. 13:24. Dit alleen is rechtstreeks voor ons van belang; het getal der uitverkorenen behoeft ons niet bekend te zijn. Maar in elk geval staat dit vast, dat het getal der uitverkorenen in de Gereformeerde theologie om geen enkele reden en in geen enkel opzicht kleiner behoeft gedacht te worden, dan in eenige andere theologie. Als het er op aankomt, is de Geref. belijdenis ruimer van hart en breeder van blik, dan eenige andere christelijke confessie. Zij vindt de laatste, diepste oorzaak der zaligheid alleen in Gods welbehagen, in zijne eeuwige ontferming, in zijne ondoorgrondelijke barmhartigheid, in den onnaspeurlijken rijkdom zijner almachtige en vrije genade. Welke vastere, breederegrondslag zou daarnaast voor de zaligheid van een schuldig en verloren menschengeslacht te vinden zijn? Laten velen dan afvallen; hoe ontroerend dit zij, in Christus wordt toch de gemeente, de menschheid, de wereld behouden. Het organisme der schepping wordt hersteld. De goddeloozen worden van de aarde verdaan, Ps. 104:35, zij worden buitengeworpen, Joh. 12:31, 15:6, Op. 22:15. Maar onder Christus worden alle dingen, in den hemel en op de aarde, vergaderd tot één, Ef. 1:10. Alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen, Col. 1:16.
11. De gemeenschap met God, die in de gemeenschap der heiligen genoten wordt, sluit zeker in de toekomende eeuw evenmin als in deze bedeeling alle handeling en alle werkzaamheid uit. De christelijke theologie heeft hier in den regel wel weinig aandacht aan gewijd en meest van de hemelsche zaligheid als een kennen en genieten van God gesproken. En dit is zonder twijfel ook de kern en het middelpunt, de bron en de kracht van het eeuwige leven. Ook biedt de Schrift weinig gegevens, om ons van de werkzaamheid der gezaligden eene heldere voorstelling te vormen. Zij beschrijft de zaligheid meer als een rusten van den aardschen arbeid dan als het volbrengen van eene nieuwe werkzaamheid, Hebr. 4:9, Op. 14:13. Maar toch is de rust, die in het nieuwe Jeruzalem genoten wordt, evenmin bij God, Joh. 5:17, als bij zijne kinderen, als een zalig niets-doen te denken. De H. Schrift zegt zelve, dat het eeuwige leven bestaat in een kennen en dienen, in een loven en prijzen van God, Joh. 17:3, Op. 4:11, 5:8 enz. Zijne kinderen blijven ook zijne knechten, die Hem dienen dag en nacht, Op. 22:3. Zij zijn profeten, priesters en koningen, die op de aarde heerschen in alle eeuwigheid, Op. 1:6, 5:10, 22:5. Naarmate zij op aarde over weinig getrouw zijn geweest, worden zij in het koninkrijk. Gods over veel gezet, Mt. 24:47, 25:21, 23. Ieder behoudt zijn eigen persoonlijkheid, want van allen, die ingaan in het nieuwe Jeruzalem, zijn de namen geschreven in het boek des levens des Lams, Op. 20:15, 27, en elk ontvangt een eigen, nieuwen naam, Jes. 62:2, 65:15, Op. 2:17, 3:12, cf. 21:12, 14. De dooden, die in den Heere sterven, rusten van hunne moeiten, maar worden elk door zijn eigen werken gevolgd, Op. 14:13. Geslachten, volken, natiën dragen het hunne tot verrijking des levens in hetnieuwe Jeruzalem bij, Op. 5:9, 7:9, 21:24, 26. Wat hier gezaaid wordt, wordt in de eeuwigheid gemaaid, Mt. 25:24, 26, 1 Cor. 15:42v., 2 Cor. 9:6, Gal. 6:7, 8. De groote verscheidenheid, die in allerlei opzicht onder de menschen bestaat, wordt in de eeuwigheid niet vernietigd maar van al het zondige gereinigd en aan de gemeenschap met God en met elkander dienstbaar gemaakt.En gelijk de natuurlijke verscheidenheid in de gemeente op aarde nog met de geestelijke verscheidenheid vermeerderd wordt, 1 Cor. 12:7v., zoo neemt dit natuurlijk en geestelijk verschil in den hemel nog weer daardoor toe, dat er onderscheidene graden van heerlijkheid zijn. Uit oppositie tegen de verdienstelijkheid der goede werken hebben sommige Gereformeerden, zooals Martyr, Loci C. III 17, 8, Camero, Schoenfeld, Tilenus, Spanheim, evenals in de vierde eeuw reeds Jovinianus en later sommige Socinianen en thans nog Gerlach, alle onderscheid in de heerlijkheid hiernamaals geloochend. En het is ook waar, dat aan alle geloovigen dezelfde weldaden in de toekomst van Christus worden beloofd; zij ontvangen allen hetzelfde eeuwige leven, dezelfde woonplaats in het nieuwe Jeruzalem, dezelfde gemeenschap met God, dezelfde zaligheid enz. Maar desniettemin stelt de Schrift het buiten allen twijfel, dat er in die eenheid en gelijkheid eene zeer groote afwisseling en verscheidenheid is. Zelfs de gelijkenis,Mt. 20:1-16, waarop men zich menigmaal voor het tegendeel beroept, pleit voor zulk een onderscheid; want Jezus wil met die gelijkenis leeren, dat velen, die naar eigen en anderer meening lang en zwaar hebben gearbeid, in het toekomstig Messiasrijk volstrekt niet zullen achterstaan bij degenen, die veel korter tijd in den wijnberg zijn werkzaam geweest; de laatsten halen de eersten in, want velen zijn wel geroepen en arbeiden in den dienst van het koninkrijk Gods, maar weinigen zijn er, die daarvoor hiernamaals eene bijzondere onderscheiding genieten en een uitgelezen plaats ontvangen.Veel duidelijker wordt zulk een gradueel verschil in de heerlijkheid op andere plaatsen in de Schrift geleerd, vooral daar, waar sprake is van een loon, dat een iegelijk geschonken zal worden naar zijne werken. Dat loon wordt thans in de hemelen bewaard, Mt. 5:12, 6:1v., Luk. 6:23, 1 Tim. 6:19, Hebr. 10:34-37, en wordt eerst in het openbaar uitgedeeld bij de parousie, Mt. 6:4, 6, 18, 24:47, 2 Thess. 1:7, 1 Petr. 4:13. Het wordt dan geschonken alsvergoeding voor hetgeen de discipelen van Jezus hier op aarde om zijnentwil verloochend en geleden hebben, Mt. 5:10v., 19:29, Luk. 6:21v., Rom. 8:17, 18, 2 Cor. 4:17, 2 Thess. 1:7, Hebr. 10:34, 1 Petr. 4:13, en verder ook als vergelding voor de goede werken, die zij hebben verricht, zooals bijv. voor goede besteding der talenten, Mt. 25:15v., Luk. 19:13v., voor vijandsliefde en belangelooze milddadigheid, Luk. 6:35, voor verzorging der armen, Mt. 6:1, voor bidden en vasten, Mt. 6:6, 18, voor het dienen der broederen, Mt. 10:40-42, voor trouwen dienst in het rijk Gods, Mt. 24:44-47, 1 Cor. 3:8 enz. Dat loon zal in verband staan met en evenredig zijn aan de werken, Mt. 16:27, 19:29, 25:21, 23, Luk. 6:38, 19:17, 19, Rom. 2:6, 1 Cor. 3:8, 2 Cor. 4:17, 5:10, 9:6, Gal. 6:8, 9, Hebr. 11:26, Op. 2:23, 11:18, 20:12, 22:12. De zaligheid is wel voor allen dezelfde, maar er is verschil in glans en heerlijkheid, Dan. 12:3, 1 Cor. 15:41; er zijn in het Vaderhuis, dat alle kinderen opneemt, vele woningen, Joh. 14:2; en de gemeenten ontvangen alle naar de mate van hare getrouwheid en toewijding, van den koning der kerk een eigen sieraad en kroon, Op. 1-3. De Roomschen hebben op deze uitspraken der Schrift de leer van de verdienstelijkheid der goede werken gebouwd, Trid. VI can. 31. 32, en het recht op bijzondere belooningen in den hemel, die naar Ex. 25:25 aureolae genoemd en aan de allen ten deel vallende corona aurea toegevoegd worden, vooral aan de martelaren, de coelibatairen en de leeraars toegekend, Thomas, S. Theol. III qu. 96. Bonaventura, Brevil. VII 7. Maar dit misbruik neemt de waarheid niet weg, dat er onderscheid in de heerlijkheid is naar gelang van de werken, die door de geloovigen hier op aarde verricht zijn. Er is geen loon, waarop de mensch van nature aanspraak zou kunnen maken, want de wet Gods is absoluut verplichtend en laat den eisch tot volbrenging niet afhangen van de vrije keuze van den mensch. Indien deze daarom de gansche wet heeft volbracht, past hem toch niets anders te zeggen, dan dat hij een onnutte dienstknecht is, die maar gedaan heeft wat hij schuldig was te doen, Luk. 17:10. Alle aanspraak op loon kan daarom alleen voortvloeien uit een verbond, uit eene vrijmachtige en genadige beschikking Gods, en is daarom een gegeven recht,deel II553. Zoo was het in het werkverbond en zoo is het nog veel meer in het genadeverbond,deel III563. WantChristus heeft alles volbracht, niet alleen de straf geleden maar ook door het volbrengen der wet het eeuwige leven verworven. De eeuwige zaligheid en heerlijkheid, welke Hij ontving, was voor Hem het loon op zijne volmaakte gehoorzaamheid. Maar als Hij deze zijne gerechtigheid door het geloof den zijnen schenkt en daaraan het eeuwige leven verbindt, dan zijn beide, zoowel die geschonken gerechtigheid als de toekomstige zaligheid, gaven van zijne genade, welke alle verdienste van de zijde der geloovigen ten eenenmale uitsluit. De geloovigen zijn immers Gods maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat zij in dezelve zouden wandelen, Ef. 2:10. Het wordt hun uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te gelooven maar ook voor Hem te lijden, Phil. 1:29, Hd. 5:41. Niet alleen in de gave van het eeuwige leven aan een iegelijk, die gelooft, maar ook in de uitdeeling van eene verschillende mate van heerlijkheid aan wie uit dat geloof goede werken hebben voortgebracht, kroont God zijn eigen werk. Maar dat doet Hij dan ook, opdat er, gelijk hier, zoo hiernamaals in de gemeente eene rijke verscheidenheid zijn zou en in die verscheidenheid de heerlijkheid zijner deugden uitkomen zou. Door die verscheidenheid toch neemt het leven der gemeenschap met God, met de engelen, en van de zaligen onderling in diepte en in innigheid toe. In die gemeenschap heeft elk, gelijk in de gemeente hier op aarde, Rom. 12:4-8, 1 Cor. 12, in verband met zijn persoon en karakter, een eigen plaats en taak. Van de werkzaamheid der zaligen mogen wij ons geene zuivere voorstelling kunnen vormen, de Schrift leert toch, dat het profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt, hetwelk de mensch oorspronkelijk bezat, in hen door Christus ten volle hersteld is. De dienst van God, de onderlinge gemeenschap en de bewoning van den nieuwen hemel en de nieuwe aarde biedt ongetwijfeld voor de uitoefening van deze ambten overvloedige gelegenheid, ook al is de vorm en wijze ervan ons onbekend. Maar dat werken is een rusten en genieten tevens. Het onderscheid van dag en nacht, van sabbat en werkdagen heeft opgehouden; de tijd is doordrongen van de eeuwigheid Gods; de ruimte is vol van zijne tegenwoordigheid; het eeuwige worden is gehuwd met het onveranderlijke zijn. Zelfs de tegenstelling van hemel en aarde is verdwenen. Want al wat in den hemel en op aarde is, is tot één vergaderd onderChristus als Hoofd, Ef. 1:10. Alle schepselen zijn en leven en bewegen zich in God, die alles in allen is, die in den spiegel zijner werken al zijne deugden weerkaatst en daarin zichzelven verheerlijkt. Cf. over de hemelsche zaligheid: Augustinus, de civ. XXII c. 29. 30. Lombardus, Sent. IV dist. 49. Thomas, suppl. qu. 92-96. Bonaventura, Brevil. VII c. 7. Oswald, Eschat. 38-57. Atzberger, Die christl. Eschat. 238 f. Simar, Dogm. § 162. Jansen, Prael. III 903-946. O. Ritschl,Luthers Seligkeitsvorstellung in ihrer Entstehung und Bedeutung, Christl. Welt 1889 S. 874-880. Gerhard, Loc. XXXI. Quenstedt, Theol. I 550-560. Hollaz 451 sq. Polanus, Synt. VI c. 72-75. Amyraldus, Theses Salm. III 859. Synopsis pur. theol., disp. 52. Mastricht, Theol. VIII 4, 10. Turretinus, Theol. El. XX qu. 8-13. Marck, Exspect J. C. III c. 8. 10. 11. Moor VI 718-733. M. Vitringa IV 179. Kliefoth, Eschat. 311 f. Titius,DieN. T.Lehre von der Seligkeit im Reiche Gottes und ihre Bedeutung für die Gegenwart1895-1900.
Deel I—Deel II—Deel III—Deel IV
§ 1.Naam en begrip der Dogmatiekbl. 1-9. Namen der dogmatiek n. 1[A]. Het woord dogma 2. Gezag van het dogma 3. Materieele inhoud van het dogma 4. 5.
[A]Deze cijfers duiden de nummers aan, waaronder de stof der verschillende paragrafen verdeeld is.
[A]Deze cijfers duiden de nummers aan, waaronder de stof der verschillende paragrafen verdeeld is.
§ 2.Encyclopaedische Plaats der Dogmatiekbl. 9-14. In de system. Theologie 1. Onderscheid der Dogmatiek van de Symboliek, Catechetiek 2 en Ethiek 3.
§ 3.Methode der Dogmatiekbl. 14-31. Schrift, kerk en persoonlijke overtuiging als factoren, waarmede de Dogmatiek te rekenen heeft 1-3. Kritische richting, die de kennis put uit het subject 4. Kerkelijke, die de traditie onfeilbaar acht 5. Bijbelsche, die de Schrift raadpleegt buiten de historie om 6. Beteekenis der kerk en van hare belijdenis voor de Dogmatiek 7. Van de Schrift (en de openbaring Gods in de natuur, theol. naturalis) 8. Van de persoonlijke overtuiging 9.
§ 4.Indeeling der Dogmatiekbl. 31-51. Bij Clemens, Orig., Theodoretus, Damascenus, Augustinus 1, Lombardus, Bonaventura, Thomas 2, latere Roomsche theologen 3. Bij Melanchton, Calvijn 4, en latere Geref. en Luth. theologen 5. Reactie tegen de synthet. methode bij Calixtus, Coccejus 6, en nog sterker bij het Rationalisme 7, en is de nieuwe theologie 8. Indeeling in algemeen en bijzonder deel, en van dit laatste naar de synthetische orde 9. 10.
§ 5.Geschiedenis en Litteratuur der Dogmatiekbl. 51-139. Wetenschappelijke theologie, die bij de Apost. vaders nog niet voorkomt 1, wordt na de bestrijding van het geloof door Lucianus, Celsus, Porphyrius, Julianus, de Gnostieken ter zelfverdediging bij de Apologeten noodzakelijk 2, en gaat dan in de richting der N. Afr., Klein-Az., of Alex. School uiteen 3, en krijgt in den twist tegen het monarchianismein de 3e eeuw een vasten grondslag 4. Vaststelling en verdediging van het trinitarisch en christologisch dogma in het Oosten in de 4e tot de 8e eeuw 5. De dogmatische ontwikkeling loopt in het Oosten uit op Joh. Damascenus 6, en zet zich dan wel voort maar is voor een groot deel nog onbekend 7. De dogmatiek in het Westen draagt van den aanvang af, reeds bij Tert., Cypr., Iren., een eigen karakter, al is zij ook van het Oosten afhankelijk 8, en krijgt haar uitnemendsten tolk in Augustinus 9. Gregorius leidde kerk en theologie over naar de nieuwe volken, die eerst beide eenvoudig overnamen (Isidorus, Alcuinus) 10, maar dan zelfstandig werden en in de scholastiek een eigen theologie voortbrachten 11. De scholastiek verliep in drie perioden 12, en had de mystiek naast zich 13. In het laatst der M. E. kwam zij in verval en stond aan veel critiek bloot, maar zij herstelde zich na de Herv. weer 14, en kwam vooral in Spanje tot bloei 15. In de 18e eeuw kwam de Roomsche theologie onder invloed van het Rationalisme 16, en bleef daar ook nog ten deele onder in de 19e eeuw (Hermes, Günther); maar zij wist zich toch weer vrij te maken en trad als traditionalisme, romantisme, bemiddelingstheologie en vooral als Thomisme weer zelfstandig op 17. De Luthersche Reformatie kreeg haar eersten dogmaticus in Melanchton en haar consensus in de Form. Conc. 18, werd in de 17e eeuw scholastisch ontwikkeld 19, maar in de 18e eeuw verzwakt door Pietisme, Hernhuttisme, Rationalisme 20, 21, en sloot zich in deze eeuw vooral bij de verschillende stelsels van wijsbegeerte aan, bij Kant 22, Jacobi 23, Schleiermacher 24, Hegel 25, Schelling 26, of trad op als confessionalisme, Bijbelsche theologie 27, of neokantianisme 28. De Zwitsersche Reformatie, die principieel van de Duitsche verschilt 29, ontving haar dogmatisch systeem van Calvijn en vond ingang in Frankrijk, Nederland, Engeland, Schotland, Duitschland 30. Tegen het einde der 16e eeuw kwam in de Geref. theologie de scholastische methode op, die haar in verschillende landen tot grooten bloei bracht 31, maar door Anab., Arm., Cartes., Coccejanisme 32, Amyraldisme, Independentisme, Baptisme, Kwakerisme, Deisme tot verval kwam 33. Tolerantie, neologie, supranaturalisme, neonomisme kwamen nu aan het woord 34. Maar tegenover de negatieve richtingen in ons vaderland van supranaturalisme, Groninger en moderne theologie kwam er eene herleving van de positieve theologie door Afscheiding en Reveil, Utrechtsche en ethisch-iren. richting en door het ontwakend Calvinisme 35, eene herleving, die ook elders voorkomt, maar gewoonlijk een minder beslist Geref. karakter draagt, Duitschland 35, Zwitserland en Frankrijk 36. Engeland en Schotland 37, Amerika 38, 39.
§ 6.Beteekenis der principiabl. 140-145. De naamἀρχη, principium 1. Principium essendi 2. Principium cognoscendi, externum en internum 3. Eenheid en onderscheid dezer drie principia 4.
§ 7.Principia in de wetenschapbl. 145-170. HetRationalisme, dat door heel de geschiedenis der philosophie heenloopt 1, leidt alle kennis af uit het subject 2, maar miskent het princ. cogn. externum en vervalt tot idealisme en illusionisme 3. HetEmpirismezoekt de bron der kennis in de zinlijke waarneming 4, maar miskent het princ.cogn. internum en leidt tot materialisme 5. Daarentegen gaat hetRealismeuit van de algemeene, natuurlijke zekerheid aangaande de objectiviteit en waarheid der kennis 6, erkent zoowel het princ. cogn. internum als externum 7, laat alle kennis aanvangen met de zinlijke waarneming 8, maar schrijft aan het verstand het vermogen toe, om uit de phaenomena tot de noumena door te dringen 9, omdat de rede in ons en de rede buiten ons saam haar oorsprong hebben in den Logos 10.
§ 8.Principia in de Religiebl. 171-214. Hetwezender religie, wier naam van onzekere afleiding is 1, is volgens de H. S. als religio objectiva identisch met Gods openbaring en als religio subjectiva met de gezindheid, om in zijne wegen te wandelen 2. Deze onderscheiding is ter bepaling van het wezen der religie onmisbaar. Als religio objectiva bevatten alle godsdiensten de elementen van traditie, dogma, ethos, cultus 3. En als religio subjectiva zijn zij pietas, die cultus tot vrucht heeft 4. Deze religio subjectiva, die een habitus is, werd door de zonde bedorven, wordt door wedergeboorte vernieuwd, en bestaat volgens de H. S. in geloof 5, dat in een cultus naar Gods wil zich openbaart 6. Dezetelder religie is vooral onderzocht, sedert het wezen der religie, ten onrechte, alleen in de religio subjectiva werd gesteld 7, 8, is niet uitsluitend het verstand 9, want godsdienst en wetenschap zijn onderscheiden 10, noch ook de wil 11, want godsdienst en zedelijkheid zijn twee 12, noch ook het gevoel 13, want godsdienst is iets anders dan kunst 14, maar da gansche mensch, die God geheel en altijd en overal dienen moet 15. Deoorsprongder religie is niet vrees, priesterbedrog, onkunde, animisme enz., 16, noch ook de zucht, om zich tegenover de wereld te handhaven 16, 17. Historische en psychologische methode zijn tot verklaring van wezen en oorsprong der religie onvoldoende 18. Godsdienst is alleen verklaarbaar, wanneer het bestaan van God en de waarachtigheid zijner openbaring aangenomen wordt 19.
§ 9.Algemeene Openbaringbl. 215-244. Openbaring is een religieus begrip, dat alleen in het theisme te handhaven is 1, en bestaat in het algemeen in eene daad Gods, waardoor Hij den mensch tot zichzelven in eene religieuse verhouding plaatst 2. De onderscheiding in natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring is reeds van de oudste kerkelijke schrijvers afkomstig, maar werd bij Rome tot eene rationeele tegenstelling 3, die door de Reformatie wel gewijzigd werd, maar toch in het Socinianisme enz. bleef voortleven en heel het begrip der openbaring ondermijnde 4. De Schrift maakt geen begripmatig onderscheid tusschen natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring, wijl alle openbaring het persoonlijk, boven de natuur verheven bestaan Gods erkent, en alleen verschilt in de middelen, waardoor zij tot ons komt 5. Bovennatuurlijke openbaring is niet met onmiddellijke identisch, want alle openbaring geschiedt middellijk, maar verschilt van de natuurlijke in de wegen, waarlangs zij tot ons komt. Daarom verdient de onderscheiding van algemeene en bijzondere openbaring de voorkeur 6. De algemeene openbaring is onvoldoende, wijl zij niets bevat van Gods genade in Christus 7, maar is toch voor de Heidenwereld 8, 9, en ook voor de gemeente van groote waarde.
§ 10.Bijzondere Openbaringbl. 224-295. Gelijk alle godsdiensten, beroept het Christendom zich op eene bijzondere openbaring,φανερωσις, ἀποκαλυψις, die op drieërlei wijze geschiedt 1, door theophanie 2, profetie (spreken Gods, lot, urim, droom, visioen, inwendige verlichting) 3, wonderen 4. De H. Schrift doet ons daarmede de bijzondere openbaring kennen, niet als loutere mededeeling van leer of als religieuse inspiratie of als instorting van nieuw leven of als bewustwording Gods in den menschelijken geest 5, maar als een systeem van woorden en daden Gods, die zich concentreeren in den persoon van Christus en na zijne verschijning en na de voltooiing der Schrift gewijzigd, in de bedeeling des H. Geestes zich voortzetten en voltooien. 6. In dezen rijken zin wordt zij echter miskend, zoowel door het abstracte supranaturalisme van Rome enz., 7, 8, als door het rationalistisch naturalisme 9, dat echter onvoldoende is ter verklaring van de openbaringsverschijnselen 10, en in een pantheistisch of materialistisch monisme zijn grond heeft 11. Maar dit monisme wordt door eene juiste natuurbeschouwing zoowel 11, als door de Schrift weersproken; in haar wereldbeschouwing neemt de bijzondere openbaring eene passende, harmonische plaats in 12.
§ 11.De Heilige Schriftbl. 295-362. De bijzondere openbaring, die historie is en als zoodanig voorbijgaat, wordt tot de menschheid en wereld uitgebreid, doordat zij in den vorm der Schrift optreedt 1. DeSchrift is daarom niet al de openbaring noch ook slechts oorkonde der openbaring maar de laatste acte, de sluitsteen der openbaring 2. Want de openbaring valt in haar geheel in twee bedeelingen uiteen; de eerste brengt de vleeschwording van den Logos en de Schriftwording van zijn woord tot stand, de tweede past de schatten van Christus en van zijn getuigenis in de gemeente toe, die daarom met die Schrift steeds in levend, organisch verband staat 3. Van die Schrift is de Goddelijke ingeving steeds door de kerk beleden, van de oudste tijden af 4, door de scholastiek 5, door de Roomschen 6, de Hervormers 7, maar ook dikwerf van buitenaf bestreden en dan tot eene dualistische of dynamische inspiratie verzwakt of ook geheel ontkend 8. De Schrift leert echter duidelijk hare eigene inspiratie, zoowel in het Oude Test. 9, en in hetN. T.aangaande hetO. T.10, als ook in hetN. T.aangaande zichzelf 11 en geeft zich daarom uit voor het Woord Gods 12. Dit zelfgetuigenis der Schrift is onwraakbaar 13, onderscheidt de inspiratie, waardoor de Schrift ontstond, van alle andere, geniale inspiratie, van Gods immanente werkzaamheid in de wereld, van revelatie en van wedergeboorte, al staat ze ook met al deze in verband 14. Zij is een spreken Gods door middel van profeten en apostelen, echter niet in mechanischen maar in organischen zin 15, en niet tot bezieling der personen of tot ingeving van hoofdzaken te beperken 16. De bezwaren, tegen deze inspiratie ingebracht, staan zonder twijfel voor een deel in verband met de vijandschap van het menschelijk hart 17, en worden anderdeels verminderd door eene organische opvatting 18, en door eene duidelijke omschrijving van het doel, waartoe de Schrift gegeven is 19.
§ 12.Eigenschappen der Schriftbl. 363-415. De leer der eigenschappen van de Schrift ontwikkelde zich in den strijd tegen Rome, dat de verhouding van Schrift en kerk gansch anders dan de Hervorming bepaalt 1, 2. Hetgezagder Schrift rust bij Rome op de kerk 3, en volgens de Reformatie, zonder miskenning van de paedagogische beteekenis der kerk, op de Schrift zelve 4. Hoewel bij dat gezag deauctoritas historiae et normaete onderscheiden is 5, is zijn Goddelijk karakter toch niet voor een menschelijk, historisch, zedelijk gezag in te ruilen 6. Want in de religie is een Goddelijk gezag, dat echter heel iets anders is dan geweld, onmisbaar 7. Denoodzakelijkheidder Schrift wordt door Rome, door vele mystieke richtingen 8, en ook door Schleiermacher ontkend 9, maar staat toch vast, wijl de kerk altijd rustte op een ongeschreven of geschreven Woord Gods 10, zonder zulk een woord tot dwaling en leugen vervalt 11, en daaraan in deze bedeeling steeds behoefte blijft houden 12. Deduidelijkheidder Schrift wordt eveneens door Rome ten bate der kerk verworpen 13, maar is, goed opgevat, op de Schrift zelve gegrond, door de oude kerk algemeen erkend 14, en ter handhaving van de vrijheid des Christens 15, en van de facultas S. Scr. se ipsam interpretandivan de grootste beteekenis 16. Degenoegzaamheidder Schrift eindelijk, door Rome ten gunste der traditie bestreden 17, die echter ten slotte geen ander kenmerk voor hare waarheid behoudt dan de pauselijke uitspraak 19, en de Schrift aan de kerk, dat is aan den paus onderwerpt 19, werd door de Hervorming wederom tegenover de traditie gehandhaafd 20, wijl zij door de Schrift zelve geleerd wordt en met den aard der tegenwoordige bedeeling overeenkomt 21, zonder dat daarmee het betrekkelijk recht der traditie wordt ontkend 22.
§ 13.Beteekenis van het principium internumbl. 416-421. Aan het objectief principe moet een subjectief beantwoorden, dat bij ieder van kindsbeen af in overeenstemming met den godsdienst, waarin hij geboren is, een bepaalden vorm aanneemt 1, en in zijn diepsten grond schier aan alle onderzoek zich onttrekt 2. Daarom worden voor het geloof ook vele en verschillende gronden genoemd (historisch-apologetische, speculatieve, ethisch-practische), die echter de zelfstandigheid der religie en het werk des Geestes miskennen 3.
§ 14.De historisch-apologetische methodebl. 423-431 werd vooral door Rome 1, en door verschillende supranaturalistische richtingen toegepast 2, maar is, schoon eene geloovige apologetiek recht van bestaan heeft, theoretisch en practisch onhoudbaar 3.
§ 15.De speculatieve methodebl. 431-444, door Hegel 1, door deVermittlungstheologie2, en in gewijzigden vorm door Hofmann en Frank gevolgd 3, bood wel belangrijke voordeelen boven de apologethische, maar verviel in de dwaling der oude gnostiek en offerde het zijn aan het denken, de historie aan de idee op 4. Ook de poging van Frank, om de objectieve waarheid der dogmata uit de subjectieve zekerheid van den Christen af te leiden, is niet geslaagd 5, en berust op eene onjuiste Erkenntnistheorie 6.
§ 16.De ethisch-psychologische methodebl. 444-465, schoon van ouds gebruikelijk, kwam in eere door Pascal en Vinet 1. Zij is verwant aan het moreele bewijs van Kant 2, en vindt in dezen vorm bij velen hier te lande 3, en vooral ook bij Ritschl en Lipsius c. s. steun 4, 5. Maar, ofschoon religie het element van den troost niet missen kan, ervaring des harten kan 6, evenmin als religieuse waardeering, bewijs voor de waarheid der religie zijn 7, en leidt bovendien tot een onhoudbaar dualisme tusschen gelooven en weten 8.
§ 17.Het geloofbl. 465-484. Wijl het principium internum aan het princ. ext. beantwoorden moet, kan het niet liggen in den natuurlijken, maar alleen in den door Gods Geest verlichten mensch, zoodatde dogmaticus daarmede een subjectief standpunt inneemt 1. De Schrift noemt als dit princ. internum het geloof, dat een acte van het bewustzijn is, verwant aan het geloof op natuurlijk terrein 2, maar daarvan toch wel te onderscheiden 3, en ook niet met nudus assensus te vereenzelvigen 4. Dat geloof brengt eene eigen zekerheid mede 5, die naast de wetenschappelijke en moreele zekerheid recht van bestaan heeft 6.
§ 18.De grond des geloofsbl. 484-509. Wijl dit geloof door geen bewijzen of redeneeringen, maar alleen door Gods genade gewerkt kan worden 1, neemt Rome daarmede in beginsel hetzelfde subjectieve standpunt in als de Hervorming 2. Het testimonium Sp. S. is de laatste grond des geloofs, gelijk de Hervorming, inzonderheid Calvijn, erkende maar het rationalisme ten onrechte bestreed 3. Want het komt overeen met het getuigenis, dat onze geest in het algemeen aan de waarheid geeft 4, beantwoordt aan de bijzondere openbaring in Christus en handhaaft hare autopistie 5. Het sluit voorts het argumenteeren niet uit, is sterk als getuigenis der gansche Christenheid, onderstelt de wedergeboorte en komt daaruit op spontaan en vrij 6. Ook heeft het niet eenzijdig betrekking op de autoriteit der H. S., maar staat met heel het geloofsleven in verband, verzekert subjectief van al de waarheid Gods en daarin ook van de divinitas der H. S. 7, en wordt door de onderlinge verschillen der Christenen niet van zijne waarheid beroofd 8.
§ 19.Geloof en Theologiebl. 509-532. Ofschoon in het geloof zeker van de waarheid, streefde de christelijke kerk toch altijd, niettegenstaande alle bestrijding, naar eene wetenschappelijke theologie 1, die dan ook, in weerwil van haar vele afdwalingen, recht van bestaan heeft en zonder welke de openbaring, de religie, de dogmenhistorie, de kerk gevaar loopen van miskenning 2. Deze theologie is een vrucht van het denkend bewustzijn der gemeente en heeft de hulp der philosophie van noode 3. Geloof is daarom van theologie onderscheiden, gelijk ook vroeger blijkens de leer van de fides implicita 4, de onderscheiding van theologia infusa en acquisita en die tusschen fundamenteele en nietfundamenteele artikelen aangenomen werd 5. Maar beider verwantschap is even groot als hun verschil 6. En wijl de theologie niet in het geloof als zoodanig maar in het geloovig denken haar oorsprong heeft, is ter harer beoefening de ontwikkelde rede en dus de philosophie onmisbaar 7, al is het ook, dat de kennis, welke de theologie verschaft, nooit een begrijpen wordt en in bewondering van het mysterie eindigt 8.
§ 20.De onbegrijpelijkheid Godsbl. 1-24. De dogmatiek leeft in het mysterie, want zij heeft altijd te doen met God, die volgens de H. S. onbegrijpelijk en zelfs met geen naam te noemen is 1. Deze onbegrijpelijkheid Gods is ook buiten het terrein der bijz. openbaring erkend 2, in de christ. theol. van de kerkvaders 3, 4, van de scholastici 5, van de reformatoren opgenomen 6, en in de nieuwere philosophie vervangen door de volstrekte onkenbaarheid Gods 7, 8. De gronden, welke dit agnosticisme aanvoert 9, zijn, al is er zeer zeker geen adaequate kennis van God, niet houdbaar, wijl het agnosticisme alle spreken bij ons over God en alle openbaring van Gods zijde aan ons onmogelijk zou maken 10. De loochening van de kenbaarheid Gods sluit in, dat God zich niet heeft willen en niet heeft kunnen openbaren, en dat wij ook zelfs den grond missen, om zijn bestaan aan te nemen 11.
§ 21.De kenbaarheid Gods(cognitio Dei insita) bl. 24-44. God is kenbaar, voorzoover Hij zich openbaart. En dat Hij zich openbaart, staat vast volgens Schrift en natuur en wordt door alle menschen bevestigd; atheisten zijn er schier niet 1. De natuurlijkheid, algemeenheid en noodzakelijkheid der Godskennis hebben velen geleid tot het geloof aan aangeboren begrippen 2, 3. Maar de christ. theol. verwierp deze leer, niet alleen patres en scholastici 4, maar ook Luth. en Geref. 5, wijl zij tot rationalisme of mysticisme voerde 6. Doch daarmede werd niet ontkend, dat de mensch de potentia en inclinatio meebrengt, om vanzelf, zonder wetenschappelijke redeneering tot eenige kennisse Gods te komen 7.
§ 22.De kenbaarheid Gods(cognitio Dei acquisita) bl. 44-62. Decognitio Dei insitawordt vermeerderd door de langs den weg van nadenken en redeneering verkregencognitio Dei acquisita1. Beide behooren tot detheologia naturalis, die geen product is van de menschelijke rede maar in de Schrift is opgenomen en door den geloovige uit de natuur wordt afgeleid 2. De H. S. bewijst Gods bestaan niet maar getuigt ervan 3. De zoogen. bewijzen voor Gods bestaan, deels over-, deels onderschat 4, n.l. het ontologisch 5, kosmologisch 6, teleologisch 7, en moreel bewijs 8, heeten ten onrechte bewijzen maar zijn signa en testimonia, dat God zich niet onbetuigd laat aan den mensch 9.
§ 23.De Namen Godsbl. 62-78. Al wat van God door zijne openbaring kenbaar wordt, vat de H. S. saam onder de namen, waarmede God, op grond van zijne openbaring (nomen editum), genoemd wordt (nomen inditum) 1. Al die namen zijn anthropomorphistisch 2, en naar de analogie in schepselen gevormd 3, maar dit terecht, wijl God zelf in en door de schepselen zich openbaart en op geen andere wijzenoembaar is 4. Zij geven daarom wel geen adaequate doch ook geen onware 5, maar eene ectypische, analoge kennis van God 6.
§ 24.Indeeling der namen Godsbl. 78-102. De H. S. eert gelijkelijk alle deugden Gods en kent de onderscheiding niet tusschen wezen en eigenschappen 1, die later in de theologie opkwam en het wezen Gods deed omschrijven als het Absolute of als Souverein of als Vader enz., 2-4, en de eigenschappen daarvan afzonderde 5. Maar er is bij God geen onderscheid tusschen wezen en eigenschappen 6, al zijn ook de eigenschappen onderling verschillendratione ratiocinata7. De eigenschappen werden op velerlei wijze ingedeeld 8, maar al die indeelingen komen zakelijk overeen en worden door dezelfde bezwaren gedrukt, zoodat eene goede indeeling moeilijk te vinden is 9.
§ 25.De eigennamen Godsbl. 102-115, in ruimer zin zoo genomen, zijn die, waarmede God benoemd en aangesproken wordt, zooalsθεος, deus, God 1, in de H. S., El, Elohim, Eljon, Adonai 2, El Schaddai, Ihvh 3, Ihvh Zebaoth 4,κυριος, πατηρ, Vader, Zoon en H. Geest 5.
§ 26.De wezensnamen Godsbl. 115-227, welke vóór de leer der triniteit dienen behandeld te worden, bevatten eerst die, waarmede God als deZijndein volstrekten zin wordt aangeduid, n.l. de onafhankelijkheid 1, de onveranderlijkheid 2, de oneindigheid, welke weder insluit de eeuwigheid 3, en de alomtegenwoordigheid 4. Vervolgens zijn er namen, die ons God doen kennen als den Levende, alsGeest, n.l. de eenvoudigheid 5, de geestelijkheid 6, de onzienlijkheid 7. Verder zijn er namen, die het Goddelijk wezen omschrijven als volkomen zichzelf bewust, alsLicht, n.l. kennis van zichzelven en van de wereld (waarbij de praescientia en de scientia media ter sprake komt) 8, wijsheid (ideeën in God) 9, waarachtigheid 10. Voorts zijn er namen, die ons wijzen op de ethische natuur van Gods wezen en Hem doen kennen als denHeilige, n.l. goedheid (goedertierenheid, barmhartigheid, lankmoedigheid, genade, liefde) 11, heiligheid 12, heerlijkheid 13, gerechtigheid 14. En eindelijk zijn er namen, waarin God ons tegemoet treedt als de absolute macht, alsSouverein, n.l. de wil, die alspropensio Dei in se ipsum (necessaria)enals propensio in creaturas (libera)onderscheiden wordt 15, in laatstgenoemden zin wel als vrij maar niet als pure willekeur te denken is 16, voorts involuntas beneplacitien signi uiteenvalt 17, en eindelijk als almacht te eeren is 18.
§ 27.De personeele namen Godsbl. 227-312 doen ons in het ééne Goddelijke wezen de zelfonderscheidingen kennen, welke reeds in hetO. T.(Elohim of Ihvh brengt alles tot stand door Woord en Geest) voorkomen 1, maar, vooral ook in tegenstelling met de dwaalleer der tusschenwezens in de Joodsche philosophie 2, 3, in het N. Test. veel helderder worden geopenbaard. Het N. Test. leert niet alleen, dat alles in natuur en genade tot stand komt door Vader, Zoon en Geest 4, maardoet ons ook iets kennen van de relatiën tusschen deze drie personen, als het den Vader in metaph. zin den Vader van Christus 5, Christus in specialen zin het Woord, den Zoon, het Beeld Gods 6, en den Geest in bijzonderen zin Geest des Vaders en des Zoons noemt 7. Deze gegevens der H. S. leidden de kerk tot de belijdenis van de triniteit, een leerstuk, dat in den eersten tijd door Justinus, Irenaeus, Tertullianus, Origenes ontwikkeld 8, vervolgens vooral door Athanasius 9 en Augustinus uitgewerkt en verdedigd werd 10, maar door Arianisme en Sabellianisme 11, en de daarbij zich aansluitende richtingen sterk bestreden werd 12, 13. De termen, die bij dit dogma gebruikelijk zijn, wezen, personen, drieëenheid enz., zijn wel niet uit de Schrift genomen maar zijn daarom niet ongeoorloofd 14. Het woord wezen duidt de Godheid, de Goddelijke natuur aan, gelijk die in de personen bestaat 15. Personen heeten de drie zelfstandige modi subsistendi in het ééne Goddelijk wezen 16, die van dat wezen niet re maar toch realiter verschillen en onderling onderscheiden zijn in namen, personeele eigenschappen en wijze van werken 17. De eerste persoon heeft als personeele eigenschap de paternitas 18. De tweede persoon is de Zoon, die door geestelijke, eenvoudige, eeuwige generatie uit het wezen des Vaders is gegenereerd 19. De derde persoon is de Geest, wiens persoonlijkheid en Godheid, schoon in de kerk later erkend dan die des Zoons, voor leer en leven van het hoogste belang is 20, en wiens personeele eigenschap deεκπορευσιςis, niet alleen uit den Vader 21, maar ook uit den Zoon, Filioque 22. Deze ontologische triniteit spiegelt zich af in de oeconomische, welke met de eenheid ook het onderscheid der drie personen in de openbaring doet uitkomen 23, maar zij is, schoon het zeer veel beproefd is, moeilijk door beelden op te helderen of door redeneeringen te bewijzen 24. Toch is zij voor de leer van God, van schepping en herschepping, ja voor heel de christelijke religie van de grootste beteekenis 25.
§ 28.De Raad Godsbl. 313-385, die, als omvattend de opera essentialia ad intra, het verband aanwijst tusschen God en zijne werken (opera ad extra), komt in hetO. T.vooral voor als feit in de historie 1, en blijkt in hetN. T.duidelijk te zijn eeuwig, persoonlijk en betrekking hebbende op de bestemming hiernamaals 2. Maar in de christ. kerk werd de leer der praedestinatie door de Grieksche kerk, door Pelagianisme, Semipelagianisme 3, door de Roomsche kerk 4, en zelfs door de Lutherschen verzwakt 5, terwijl de Gereformeerden haar wel handhaafden, maar over de methode van behandeling 6, en over de infral. of supral. orde der decreten verschilden 7, en vele anderen, Socin., Remonstr. enz., ze ontkenden of in een wijsgeerig determinisme omzetten of in pelag. of semipel. zin wijzigden 8. Nu is Gods raad niets anders dan zijn eenvoudig en eeuwig besluit over al wat in den tijd zijn of geschieden zal 9, allereerst omvattend de providentia in den zin vanratio ordinisrerum10, en vervolgens de praedestinatio, die door het Pelag. voor de praescientia ingeruild 11, en vooral op drie punten bestreden wordt 12. Onder de Geref. was er verschil over hare infral. of supral. orde 13, die beide iets voor en iets tegen hebben 14 en geen van beide de ware oplossing bieden 15. De reprobatio, die in de H. S. herhaaldelijk voorkomt, behoort in zekeren zin beslist tot de praedestinatie 16, maar behoort er toch in een anderen zin toe dan de electie 17, in welke de praedestinatie haar einde bereikt en tot haar volle realiteit komt 18, want de verkiezing heeft Christus en zijne gemeente tot voorwerp en de eere Gods in de redding van de gevallen wereld tot doel 19.
§ 29.De Scheppingbl. 386-424 is het begin der uitvoering van Gods raad. Haar leer neemt in de H. S. eene breede plaats in 1, en is alleen te verstaan door het geloof, zoodat de Heidenen haar niet kenden en de philosophie haar gewoonlijk verwierp, om de wereld pantheistisch of materialistisch te verklaren 2. Pantheisme en materialisme zijn echter beide onbekwaam, om ons den oorsprong der dingen te doen kennen 3. De christelijke kerk hield zich dan ook aan de leer der H. S. 4, en leerde eene schepping uit niets 5, welke door God drieëenig, Vader, Zoon en Geest, tot stand was gebracht 6, en bepaaldelijk den Zoon tot Middelaar heeft 7. Zij had niet plaats in, maar viel saam met de schepping van den tijd 8, en had haar oorzaak niet in Gods overvloeiende volheid van zijn noch in zijne armoede en behoefte 9, maar in Gods wil, die daarbij de heerlijkheid van zijn naam beoogt 10. Als product van Gods wil, is de wereld één geheel, dat de grootste verscheidenheid in zich bevat.
§ 30.De geestelijke wereldbl. 424-456 omvat de wezens, die gewoonlijk den naam van engelen dragen. Hun bestaan wordt schier in alle godsdiensten aangenomen, maar is toch ook menigmaal verworpen 1; wijsgeerig en historisch onbewijsbaar, is het voor de religie, schoon geen centraal dogma, toch van belang 2. De Schrift heeft voor hen niet één gemeenschappelijken naam, maar noemt verschillende klassen 3. Zij zijn echter daarin toch één, dat zij allen geschapene 4, geestelijke, onlichamelijke 5, redelijke 6, zedelijke wezens zijn 7, wezenlijk onderscheiden van den mensen, die beeld Gods is 8, tot een buitengewonen en gewonen dienst in het koninkrijk der hemelen geroepen, die echter geen personeele bescherming en voorbede insluit 9, en op geen godsdienstige vereering aanspraak geeft 10.
§ 31.De stoffelijke wereldbl. 456-489 blijft in haar oorsprong buiten de H. S. onverklaard 1, maar ontstaat volgens Gen. 1:1 doorschepping uit niets (creatio prima) en wordt in de zes dagen toebereid (creatio secunda) 2, waarbij eene bepaalde orde valt op te merken 3. Dit hexaemeron werd in de christ. theologie dikwerf uitvoerig behandeld en zonder bezwaar naar de heerschende wereldbeschouwing (ptolem. kopernik.) gewijzigd 4. Maar de hypothese van Kant en Laplace 5, alsmede die van de op de aardlagen gebouwde ontwikkelingsperioden der aarde zijn met de Schrift moeilijk overeen te brengen 6. De pogingen tot verzoening kunnen niet geslaagd heeten 7, al bevatten zij ook goede elementen 8. Maar eene juiste opvatting van het scheppingsverhaal 9, en eene zuivere schifting tusschen het zekere en het onzekere in de geologische wetenschap brengen toch eene voorloopige overeenstemming 10.
§ 32.De oorsprong van den menschbl. 490-507 is in het eerste en tweede scheppingsverhaal verschillend beschreven maar volgens beide verhalen aan Gods scheppende almacht te danken 1. De christ. kerk hield dezen goddelijken oorsprong van den mensch tegen alle materialistische, evolutionistische verklaring in vroeger en later tijd vast 2, en vond daarin ook bij vele mannen van wetenschap, die het darwinisme bestreden, steun 3. En voorts is tusschen de H. S. en de hedendaagsche wetenschap niet alleen de oorsprong van den mensch in geschil, maar ook de ouderdom 4, de eenheid 5, en de bakermat der menschheid 6.
§ 33.Het wezen van den menschbl. 508-545 ligt volgens de H. S. daarin, dat hij beeld Gods is 1. De inhoud van dit beeld werd in de christ. kerk verschillend opgevat. Vooral kwamen er allengs twee opvattingen tegenover elkander te staan, de naturalistische 2, die door historie, Schrift en gezonde redeneering gelijkelijk weersproken wordt 3, en de supranaturalistische, die in de Roomsche leer van het donum superadditum tot ontwikkeling kwam 4, maar op eene valsche conceptie van den mensch en van zijne bestemming berust 5. De Hervorming leerde daarom, dat het beeld Gods wezenlijk eigen was aan den mensch 6, niet als eene substantie, maar als eene bij het wezen des menschen behoorende qualiteit 7. De gansche mensch is toch beeld Gods, gelijk de Gereformeerden met hun onderscheiding van beeld Gods in ruimer en enger zin tegen de Lutherschen erkenden, naar ziel en geest, die geen twee substantiën zijn, en naar al hun vermogens 8, naar de deugden van kennis, gerechtigheid en heiligheid (justitia originalis) en zelfs in zekeren zin naar het lichaam 9. De menschelijke natuur is onder de werken der schepping de hoogste openbaring Gods 10.
§ 34.De bestemming van den menschbl. 545-571. Adam, schoon Gods beeld, had volgens de H. S. terstond het hoogste nog niet en werd daarom in het verbond der werken geplaatst 1. De christ. theologie heeft deze waarheid niet ten volle erkend en Adams toestand beurtelings te laag of te hoog geschat. Maar de Geref. hebben haar in de leer van hetfoedus operumopgenomen 2, eene leer, die, schoon al teschoolsch ontwikkeld, toch eene diepe gedachte bevat, wijl zij de religie als gemeenschap met God handhaaft 3, met Adams staat vóór den val ten volle rekening houdt 4, den rijkdom van het beeld Gods eerst in het menschelijk geslacht zich ontvouwen laat 5, en daarom ook verklaart, waarom Roomschen en Gereformeerden, in onderscheiding van de Lutherschen, over het algemeen aanhangers van het creatianisme waren 6, 7.