[Inhoud]HOOFDSTUK II.Zij was gevonden nabij den offersteen in de heilige haag van Renigo, nabij den grooten stroom Rheni, door de Druïdes Anertha, tegen het vallen van den avond. Naast haar stond een drachtige ree. De priesteres had de zuigeling opgenomen, het kleine meisje, dat in een doek van een vreemdkleurig lijnwaad was gewikkeld, welks kleur men niet in ’t Germanen-land tot dien dag gezien had en dat, al naar ’t licht er op scheen, andere tinten toonde, naar de wachthut gedragen, waar de offermessen bewaard werden. De ree was haar gevolgd en toen het kind begon te schreien, had het dier zich tegen haar aangedrongen, haar vollen uier blijkbaar aanbiedend. De Druïdes had het kind neergelegd en de ree was zoo bij het wicht gaan staan, dat dit heur handjes naar den uier uitstrekte, de speen aan den mond bracht en ging zuigen. En toen, terwijl het kind zijn dorst stilde, had de priesteres in de oogen van de ree een vreemde, een onverklaarbare uitdrukking gezien en tusschen de ooren, op den kop, was een lichtende ster verschenen. Toen het kind voldaan was, liep de ree zachtjes vooruit, telkens omziende naar de priesteres en het kind, of ze wel volgden en voor de groote hut van Maresag, den rijkaard, overste der priesters, was de ree blijven stilstaan en had geblaat, maar met zulk een vreemde, klagende stem, dat het leek of niet het dier, maar een jonkvrouw weeklaagde. Maresag was verschrikt naar buiten gekomen en had bevend geroepen, dat hij bereid was om den wil der groote geesten te volvoeren en toen hij in de deuropening verscheen en Anertha, het kind en de ree zag, had hij zijn beide handen hoog ten hemel geheven en[14]Wotan aangeroepen, om een teeken. Met blies de God zijn wind door de boomen voor het huis en bloesems vielen op het hoofd van ’t kind zoo, dat zij een krans vormden. Toen blaatte de ree nogmaals op dien zelfden weeklagenden toon, sprong op en verdween in ’t woud.Het teeken was te duidelijk. De zuigeling was een koningskind, en dereewas de betooverde moeder geweest. De raad der priesteres uit Rijnland kwam bijeen en daar vertelde Anertha hoe zij de zuigeling had gevonden en Maresag verhaalde hoe hij, reeds ter ruste, gedroomd had, dat de maan van den hemel was gestegen en tot hem gekomen was en zeide:„Maresag, hoor, hoor, hoor. Dit is de dochter mijner liefde. Ga en wijde haar mij. Hoor! Hoor! Hoor!” Toen was hij opgestaan en nauw van zijn leger opgericht, daar had hij de vreemde, weeklagende stem buiten gehoord en daar stond dan Anertha met het kleine meisje in den doek van een hemelsche stof, die schemerde met de kleuren van de wolken in ’t maanlicht of de blauwpaarse schelpen aan ’t zeestrand.De raad der priesters doopten nu het kind met den naamHarimonaen Maresag werd tot wereldsche vader benoemd enAnerthatotwereldschemoeder en beide werd opgedragen het kind groot te brengen, dat er een priesteres ter eere van de Maan van zou groeien. Maar daar waren booze geesten, zeker daar waren zéér booze geesten. Recka, de voedstermoeder had het ’t eerst ervaren, want haar eigen kind stierf op denzelfden dag, dat zij de kleine Harimona voor ’t eerst had gevoed. En, schrikkelijke toover, de kuische Anertha vond men drie weken later dood, diep in ’t bosch en o gruwel, zij was geschoffeerd door een wilden man, die daar sedert menschenheugenis huisde en kwaad bedreef maar nog nooit gezien was. In haar krampachtig vertrokken handen vonden de priesters de bossen haar, die de maagd, bij de verdediging harer eer, den kwaden boschnik had uitgetrokken. En midden[15]op haar boezem had zij de kruiswonde, die ieder vertoonde, die door den wilden man was gedood.Maresag was sedert dien gebeurtenis nog norscher en eenzelviger dan te voren. Hij drong met dappere mannen ’s avonds en ’s nachts in ’t woud, liet den horen blazen om den wilden man uit te dagen tot een gevecht, met gekozen of ongekozen tegenpartij, op de saks, op de speer, op het kortzwaard, op het mes of op de vuist. Maar de wilde man verscheen niet. De Raad der priesters besloot nu, dat de wilde man gebannen zou worden met de drie vloeken, den eersten vloek van de aarde, den tweeden van het water en den derde van het vuur. Maar Maresag had geweigerd den ban uit te spreken. Liever wilde hij eerst door beloften den wilden man trachten te verzoenen. En zij hadden, op de plaats waar Anertha verkracht gevonden was, neergelegd eerst een korf met vruchten van den notenboom en den beuk. Doch de dieven van ’t woud hadden de vruchten weggeroofd. Toen een korf met gerstekoeken in honig gebakken. Ook die was door dieven leeggegeten. Eindelijk een korf met kostbare geschenken, waarbij een stuk barnsteen, dat den vorm had van een kindervoet; een kortzwaard van gehard brons met de drie heilige teekens, het kruis, het driebeen, en het klaverblad versierd; een wollen overkleed met franjes, geknoopt door Druïdessen, die in elken knoop een zegespreuk hadden gesproken.En ziet, die geschenken waren weggehaald en op de plaats lag een kroon van gouden linde-bloesems en midden in de kroon een gouden plaat met het gelaat van de Maan. Terzijde van de kroon staken twee speren met de punt in den grond ten teeken, dat de schenker den vrede aanbood.De kroon van Harimona, want het was blijkbaar, dat dit het geschenk van den wilden man beduidde, werd bewaard in het heilige huis, dat stond boven op den berg Wittewa, waar de geest des winters huisde. De kroon[16]werd daar bewaakt door de zeven bergreuzen, den draak Frango, den reuzenhondWhridloen de geit Baza. Wie de kroon zou weten te veroveren en haar kon brengen aan Harimona, die was waardig naar haar hand te dingen en de betoovering van haar en haar sipschaft zou wijken en haar vader, de koning zou komen en haar en den bruidegom voeren naar zijn rijk, dat lag op het eiland Scandia, waar de zeevaarders wonen, die over de wateren voerden tot in de landen van de eeuwige zon, waar de menschen huiden hebben, zwart als de nacht.Harimona groeide op tot een slanke jonkvrouw maar haar wonderlijke afkomst was voor ieder zichtbaar. Zij had haar, zoo wit als sneeuw en oogen, rood als smeulend houtvuur, waarmede zij ’s nachts kon zien. Als de nieuwe Maan scheen stond zij op en liep vèr, vèr weg van de heilige haag en de woningen der menschen en sprak met de Maan en ondervroeg de toekomst. Als zij dan weerkeerde, lag zij dagen en nachten lang op haar rustbed en krampen schokten door haar leden en wit schuim kwam op haar mond en zij schreeuwde rauwe klanken uit, die niemand wist te duiden dan de oudeMaresag.En groot werd de roep van Harimona in de Rijnlanden en veel verder dan in die landen, tot ver over de zee op het Paarden-eiland en bij de zeevaarders van Scandia en in de Ouwen der riviermonden en in de landen der bergen, die tot in Walhalla reiken. Van al die streken kwamen afgezanten naar Harimona om haar te ondervragen over het leven en den dood, over de toekomst en het recht, over de kansen van den oogst, de jacht, den oorlog, over het gevaar van de overstroomingen en over de verborgenheden der aarde en der stroomen, waar de begraven schatten lagen en waar de waterwellen borrelden, die afgeleefde menschen de jeugd wedergeven en over ziekten van menschen en dieren.En wonder na wonder deed zij geschieden. De vorst der[17]Chatten had eeneenigkind, een dochter, dat door de booze geesten was bezield en telkens in krampen neerviel en alleen vermaak vond in dieren en slaven martelen. Het kind werd voor Harimona gebracht. De priesteres gebood dat allen zouden uitgaan en alleen de vorst der Chatten voor haar zou verschijnen. Toen hij voor haar stond, vroeg zij:„Weet di niet, vanwaar dijn dochter den boozen geest gehaald heeft?”Zij keek hem met hare vurige oogen scherp aan en hij aarzelde, den leugen te zeggen, die hem op de lippen lag.„Sintilaz, de vrucht der bloedschande, dat is haar naam!”De vorst was ter aarde gevallen en had vergiffenis gesmeed. Zij had hem als boete opgelegd blootsvoets en steeds achterwaarts gaande naar zijn rijk terug te keeren. Daar aangekomen, was hij van uitputting gestorven, niet vóór dat hij openlijk zijn zonde had beleden. En toen was zijn dochter gedood en daarmede was het geslacht der groote Chatten-vorsten ten einde en het rijk was gekomen onder een vorst uit ’t Rijnlandsche geslacht.In het land der Brukteren was een vruchtbare streek, een groot, groot land maar het bleef woest en onbewoond, hoewel de stam der Brukteren zoo veel mannen telde, dat vrijen en edelen zich als hoorigen verpandden in de andere ouwen, daar ze in ’t eigen land verhongerden. Die vruchtbare streek dan bleef onbewoond en onbebouwd omdat Thor ze haatte. Niet zoodra waren er woningen gebouwd of de bliksem sloeg uit de lucht en doodde menschen en vee en zette de huizen in brand. Harimona had toen bevolen, dat voor elk huis en in elke weide een speer zou worden opgesteld zoo hoog als drie mannen boven elkaar en geheel van ijzer. De spits moest gewijd worden met het heilige teeken van het driebeen en de voet met het heilige teeken van het klaverblad. De speren zonden allen gewijd[18]zijn aan de Harjazzi, de donkere ruiters van over de bergen, die Thors lijfwacht vormen.En hoewel menigeen twijfelde, toch bleek het waar en een ieder kon zich er van overtuigen, gelijk menigeen deed, dat de gouden speren van Thor nu niet meer in de woningen sloegen en niet meer de menschen en de dieren doodden, maar vochten met de speren aan de Harjazzi gewijd en in de diepe aarde zonken en daar verdwenen. Dat kon ieder zien, die twijfelde aan de goddelijke gaven van Harimona.1Want er waren ook twijfelaars en er waren er zelfs, die zeiden dat Harimona een vaderloos kind was voor allen, behalve voor dien aartsschelm van een Maresag, die groote schuren moest bouwen om de rijke offergaven te bergen, die van aller heeren landen werden aangedragen, goud en zilver en brons en wapens en lijnwaad en barnsteen en kostbare houtsoorten en prachtige pelzen. Ook ging het gerucht, dat Anertha vermoord was geworden evenals het kind van Recka, de voedstermoeder. Wie kon bewijzen, dat Anertha door den wilden man was geschoffeerd?Maar dat zeide men alleen, wanneer er véél gedronken was of ’s winters, als men dagen achtereen in de hutten voor ’t haardvuur zat en niets meer wist te vertellen en nu in de vertrouwde sipschaft wel waagde te spreken over iets, dat daarbuiten geuit en aan Maresag overgebracht, zeker met het uitsnijden van de tong des lasteraars zou bestraft worden.[19]1Onder Karel de Groote werd het planten van bliksemafleidende speren, als heidensch gebruik, bij lijfstraf verboden.↑
[Inhoud]HOOFDSTUK II.Zij was gevonden nabij den offersteen in de heilige haag van Renigo, nabij den grooten stroom Rheni, door de Druïdes Anertha, tegen het vallen van den avond. Naast haar stond een drachtige ree. De priesteres had de zuigeling opgenomen, het kleine meisje, dat in een doek van een vreemdkleurig lijnwaad was gewikkeld, welks kleur men niet in ’t Germanen-land tot dien dag gezien had en dat, al naar ’t licht er op scheen, andere tinten toonde, naar de wachthut gedragen, waar de offermessen bewaard werden. De ree was haar gevolgd en toen het kind begon te schreien, had het dier zich tegen haar aangedrongen, haar vollen uier blijkbaar aanbiedend. De Druïdes had het kind neergelegd en de ree was zoo bij het wicht gaan staan, dat dit heur handjes naar den uier uitstrekte, de speen aan den mond bracht en ging zuigen. En toen, terwijl het kind zijn dorst stilde, had de priesteres in de oogen van de ree een vreemde, een onverklaarbare uitdrukking gezien en tusschen de ooren, op den kop, was een lichtende ster verschenen. Toen het kind voldaan was, liep de ree zachtjes vooruit, telkens omziende naar de priesteres en het kind, of ze wel volgden en voor de groote hut van Maresag, den rijkaard, overste der priesters, was de ree blijven stilstaan en had geblaat, maar met zulk een vreemde, klagende stem, dat het leek of niet het dier, maar een jonkvrouw weeklaagde. Maresag was verschrikt naar buiten gekomen en had bevend geroepen, dat hij bereid was om den wil der groote geesten te volvoeren en toen hij in de deuropening verscheen en Anertha, het kind en de ree zag, had hij zijn beide handen hoog ten hemel geheven en[14]Wotan aangeroepen, om een teeken. Met blies de God zijn wind door de boomen voor het huis en bloesems vielen op het hoofd van ’t kind zoo, dat zij een krans vormden. Toen blaatte de ree nogmaals op dien zelfden weeklagenden toon, sprong op en verdween in ’t woud.Het teeken was te duidelijk. De zuigeling was een koningskind, en dereewas de betooverde moeder geweest. De raad der priesteres uit Rijnland kwam bijeen en daar vertelde Anertha hoe zij de zuigeling had gevonden en Maresag verhaalde hoe hij, reeds ter ruste, gedroomd had, dat de maan van den hemel was gestegen en tot hem gekomen was en zeide:„Maresag, hoor, hoor, hoor. Dit is de dochter mijner liefde. Ga en wijde haar mij. Hoor! Hoor! Hoor!” Toen was hij opgestaan en nauw van zijn leger opgericht, daar had hij de vreemde, weeklagende stem buiten gehoord en daar stond dan Anertha met het kleine meisje in den doek van een hemelsche stof, die schemerde met de kleuren van de wolken in ’t maanlicht of de blauwpaarse schelpen aan ’t zeestrand.De raad der priesters doopten nu het kind met den naamHarimonaen Maresag werd tot wereldsche vader benoemd enAnerthatotwereldschemoeder en beide werd opgedragen het kind groot te brengen, dat er een priesteres ter eere van de Maan van zou groeien. Maar daar waren booze geesten, zeker daar waren zéér booze geesten. Recka, de voedstermoeder had het ’t eerst ervaren, want haar eigen kind stierf op denzelfden dag, dat zij de kleine Harimona voor ’t eerst had gevoed. En, schrikkelijke toover, de kuische Anertha vond men drie weken later dood, diep in ’t bosch en o gruwel, zij was geschoffeerd door een wilden man, die daar sedert menschenheugenis huisde en kwaad bedreef maar nog nooit gezien was. In haar krampachtig vertrokken handen vonden de priesters de bossen haar, die de maagd, bij de verdediging harer eer, den kwaden boschnik had uitgetrokken. En midden[15]op haar boezem had zij de kruiswonde, die ieder vertoonde, die door den wilden man was gedood.Maresag was sedert dien gebeurtenis nog norscher en eenzelviger dan te voren. Hij drong met dappere mannen ’s avonds en ’s nachts in ’t woud, liet den horen blazen om den wilden man uit te dagen tot een gevecht, met gekozen of ongekozen tegenpartij, op de saks, op de speer, op het kortzwaard, op het mes of op de vuist. Maar de wilde man verscheen niet. De Raad der priesters besloot nu, dat de wilde man gebannen zou worden met de drie vloeken, den eersten vloek van de aarde, den tweeden van het water en den derde van het vuur. Maar Maresag had geweigerd den ban uit te spreken. Liever wilde hij eerst door beloften den wilden man trachten te verzoenen. En zij hadden, op de plaats waar Anertha verkracht gevonden was, neergelegd eerst een korf met vruchten van den notenboom en den beuk. Doch de dieven van ’t woud hadden de vruchten weggeroofd. Toen een korf met gerstekoeken in honig gebakken. Ook die was door dieven leeggegeten. Eindelijk een korf met kostbare geschenken, waarbij een stuk barnsteen, dat den vorm had van een kindervoet; een kortzwaard van gehard brons met de drie heilige teekens, het kruis, het driebeen, en het klaverblad versierd; een wollen overkleed met franjes, geknoopt door Druïdessen, die in elken knoop een zegespreuk hadden gesproken.En ziet, die geschenken waren weggehaald en op de plaats lag een kroon van gouden linde-bloesems en midden in de kroon een gouden plaat met het gelaat van de Maan. Terzijde van de kroon staken twee speren met de punt in den grond ten teeken, dat de schenker den vrede aanbood.De kroon van Harimona, want het was blijkbaar, dat dit het geschenk van den wilden man beduidde, werd bewaard in het heilige huis, dat stond boven op den berg Wittewa, waar de geest des winters huisde. De kroon[16]werd daar bewaakt door de zeven bergreuzen, den draak Frango, den reuzenhondWhridloen de geit Baza. Wie de kroon zou weten te veroveren en haar kon brengen aan Harimona, die was waardig naar haar hand te dingen en de betoovering van haar en haar sipschaft zou wijken en haar vader, de koning zou komen en haar en den bruidegom voeren naar zijn rijk, dat lag op het eiland Scandia, waar de zeevaarders wonen, die over de wateren voerden tot in de landen van de eeuwige zon, waar de menschen huiden hebben, zwart als de nacht.Harimona groeide op tot een slanke jonkvrouw maar haar wonderlijke afkomst was voor ieder zichtbaar. Zij had haar, zoo wit als sneeuw en oogen, rood als smeulend houtvuur, waarmede zij ’s nachts kon zien. Als de nieuwe Maan scheen stond zij op en liep vèr, vèr weg van de heilige haag en de woningen der menschen en sprak met de Maan en ondervroeg de toekomst. Als zij dan weerkeerde, lag zij dagen en nachten lang op haar rustbed en krampen schokten door haar leden en wit schuim kwam op haar mond en zij schreeuwde rauwe klanken uit, die niemand wist te duiden dan de oudeMaresag.En groot werd de roep van Harimona in de Rijnlanden en veel verder dan in die landen, tot ver over de zee op het Paarden-eiland en bij de zeevaarders van Scandia en in de Ouwen der riviermonden en in de landen der bergen, die tot in Walhalla reiken. Van al die streken kwamen afgezanten naar Harimona om haar te ondervragen over het leven en den dood, over de toekomst en het recht, over de kansen van den oogst, de jacht, den oorlog, over het gevaar van de overstroomingen en over de verborgenheden der aarde en der stroomen, waar de begraven schatten lagen en waar de waterwellen borrelden, die afgeleefde menschen de jeugd wedergeven en over ziekten van menschen en dieren.En wonder na wonder deed zij geschieden. De vorst der[17]Chatten had eeneenigkind, een dochter, dat door de booze geesten was bezield en telkens in krampen neerviel en alleen vermaak vond in dieren en slaven martelen. Het kind werd voor Harimona gebracht. De priesteres gebood dat allen zouden uitgaan en alleen de vorst der Chatten voor haar zou verschijnen. Toen hij voor haar stond, vroeg zij:„Weet di niet, vanwaar dijn dochter den boozen geest gehaald heeft?”Zij keek hem met hare vurige oogen scherp aan en hij aarzelde, den leugen te zeggen, die hem op de lippen lag.„Sintilaz, de vrucht der bloedschande, dat is haar naam!”De vorst was ter aarde gevallen en had vergiffenis gesmeed. Zij had hem als boete opgelegd blootsvoets en steeds achterwaarts gaande naar zijn rijk terug te keeren. Daar aangekomen, was hij van uitputting gestorven, niet vóór dat hij openlijk zijn zonde had beleden. En toen was zijn dochter gedood en daarmede was het geslacht der groote Chatten-vorsten ten einde en het rijk was gekomen onder een vorst uit ’t Rijnlandsche geslacht.In het land der Brukteren was een vruchtbare streek, een groot, groot land maar het bleef woest en onbewoond, hoewel de stam der Brukteren zoo veel mannen telde, dat vrijen en edelen zich als hoorigen verpandden in de andere ouwen, daar ze in ’t eigen land verhongerden. Die vruchtbare streek dan bleef onbewoond en onbebouwd omdat Thor ze haatte. Niet zoodra waren er woningen gebouwd of de bliksem sloeg uit de lucht en doodde menschen en vee en zette de huizen in brand. Harimona had toen bevolen, dat voor elk huis en in elke weide een speer zou worden opgesteld zoo hoog als drie mannen boven elkaar en geheel van ijzer. De spits moest gewijd worden met het heilige teeken van het driebeen en de voet met het heilige teeken van het klaverblad. De speren zonden allen gewijd[18]zijn aan de Harjazzi, de donkere ruiters van over de bergen, die Thors lijfwacht vormen.En hoewel menigeen twijfelde, toch bleek het waar en een ieder kon zich er van overtuigen, gelijk menigeen deed, dat de gouden speren van Thor nu niet meer in de woningen sloegen en niet meer de menschen en de dieren doodden, maar vochten met de speren aan de Harjazzi gewijd en in de diepe aarde zonken en daar verdwenen. Dat kon ieder zien, die twijfelde aan de goddelijke gaven van Harimona.1Want er waren ook twijfelaars en er waren er zelfs, die zeiden dat Harimona een vaderloos kind was voor allen, behalve voor dien aartsschelm van een Maresag, die groote schuren moest bouwen om de rijke offergaven te bergen, die van aller heeren landen werden aangedragen, goud en zilver en brons en wapens en lijnwaad en barnsteen en kostbare houtsoorten en prachtige pelzen. Ook ging het gerucht, dat Anertha vermoord was geworden evenals het kind van Recka, de voedstermoeder. Wie kon bewijzen, dat Anertha door den wilden man was geschoffeerd?Maar dat zeide men alleen, wanneer er véél gedronken was of ’s winters, als men dagen achtereen in de hutten voor ’t haardvuur zat en niets meer wist te vertellen en nu in de vertrouwde sipschaft wel waagde te spreken over iets, dat daarbuiten geuit en aan Maresag overgebracht, zeker met het uitsnijden van de tong des lasteraars zou bestraft worden.[19]1Onder Karel de Groote werd het planten van bliksemafleidende speren, als heidensch gebruik, bij lijfstraf verboden.↑
[Inhoud]HOOFDSTUK II.Zij was gevonden nabij den offersteen in de heilige haag van Renigo, nabij den grooten stroom Rheni, door de Druïdes Anertha, tegen het vallen van den avond. Naast haar stond een drachtige ree. De priesteres had de zuigeling opgenomen, het kleine meisje, dat in een doek van een vreemdkleurig lijnwaad was gewikkeld, welks kleur men niet in ’t Germanen-land tot dien dag gezien had en dat, al naar ’t licht er op scheen, andere tinten toonde, naar de wachthut gedragen, waar de offermessen bewaard werden. De ree was haar gevolgd en toen het kind begon te schreien, had het dier zich tegen haar aangedrongen, haar vollen uier blijkbaar aanbiedend. De Druïdes had het kind neergelegd en de ree was zoo bij het wicht gaan staan, dat dit heur handjes naar den uier uitstrekte, de speen aan den mond bracht en ging zuigen. En toen, terwijl het kind zijn dorst stilde, had de priesteres in de oogen van de ree een vreemde, een onverklaarbare uitdrukking gezien en tusschen de ooren, op den kop, was een lichtende ster verschenen. Toen het kind voldaan was, liep de ree zachtjes vooruit, telkens omziende naar de priesteres en het kind, of ze wel volgden en voor de groote hut van Maresag, den rijkaard, overste der priesters, was de ree blijven stilstaan en had geblaat, maar met zulk een vreemde, klagende stem, dat het leek of niet het dier, maar een jonkvrouw weeklaagde. Maresag was verschrikt naar buiten gekomen en had bevend geroepen, dat hij bereid was om den wil der groote geesten te volvoeren en toen hij in de deuropening verscheen en Anertha, het kind en de ree zag, had hij zijn beide handen hoog ten hemel geheven en[14]Wotan aangeroepen, om een teeken. Met blies de God zijn wind door de boomen voor het huis en bloesems vielen op het hoofd van ’t kind zoo, dat zij een krans vormden. Toen blaatte de ree nogmaals op dien zelfden weeklagenden toon, sprong op en verdween in ’t woud.Het teeken was te duidelijk. De zuigeling was een koningskind, en dereewas de betooverde moeder geweest. De raad der priesteres uit Rijnland kwam bijeen en daar vertelde Anertha hoe zij de zuigeling had gevonden en Maresag verhaalde hoe hij, reeds ter ruste, gedroomd had, dat de maan van den hemel was gestegen en tot hem gekomen was en zeide:„Maresag, hoor, hoor, hoor. Dit is de dochter mijner liefde. Ga en wijde haar mij. Hoor! Hoor! Hoor!” Toen was hij opgestaan en nauw van zijn leger opgericht, daar had hij de vreemde, weeklagende stem buiten gehoord en daar stond dan Anertha met het kleine meisje in den doek van een hemelsche stof, die schemerde met de kleuren van de wolken in ’t maanlicht of de blauwpaarse schelpen aan ’t zeestrand.De raad der priesters doopten nu het kind met den naamHarimonaen Maresag werd tot wereldsche vader benoemd enAnerthatotwereldschemoeder en beide werd opgedragen het kind groot te brengen, dat er een priesteres ter eere van de Maan van zou groeien. Maar daar waren booze geesten, zeker daar waren zéér booze geesten. Recka, de voedstermoeder had het ’t eerst ervaren, want haar eigen kind stierf op denzelfden dag, dat zij de kleine Harimona voor ’t eerst had gevoed. En, schrikkelijke toover, de kuische Anertha vond men drie weken later dood, diep in ’t bosch en o gruwel, zij was geschoffeerd door een wilden man, die daar sedert menschenheugenis huisde en kwaad bedreef maar nog nooit gezien was. In haar krampachtig vertrokken handen vonden de priesters de bossen haar, die de maagd, bij de verdediging harer eer, den kwaden boschnik had uitgetrokken. En midden[15]op haar boezem had zij de kruiswonde, die ieder vertoonde, die door den wilden man was gedood.Maresag was sedert dien gebeurtenis nog norscher en eenzelviger dan te voren. Hij drong met dappere mannen ’s avonds en ’s nachts in ’t woud, liet den horen blazen om den wilden man uit te dagen tot een gevecht, met gekozen of ongekozen tegenpartij, op de saks, op de speer, op het kortzwaard, op het mes of op de vuist. Maar de wilde man verscheen niet. De Raad der priesters besloot nu, dat de wilde man gebannen zou worden met de drie vloeken, den eersten vloek van de aarde, den tweeden van het water en den derde van het vuur. Maar Maresag had geweigerd den ban uit te spreken. Liever wilde hij eerst door beloften den wilden man trachten te verzoenen. En zij hadden, op de plaats waar Anertha verkracht gevonden was, neergelegd eerst een korf met vruchten van den notenboom en den beuk. Doch de dieven van ’t woud hadden de vruchten weggeroofd. Toen een korf met gerstekoeken in honig gebakken. Ook die was door dieven leeggegeten. Eindelijk een korf met kostbare geschenken, waarbij een stuk barnsteen, dat den vorm had van een kindervoet; een kortzwaard van gehard brons met de drie heilige teekens, het kruis, het driebeen, en het klaverblad versierd; een wollen overkleed met franjes, geknoopt door Druïdessen, die in elken knoop een zegespreuk hadden gesproken.En ziet, die geschenken waren weggehaald en op de plaats lag een kroon van gouden linde-bloesems en midden in de kroon een gouden plaat met het gelaat van de Maan. Terzijde van de kroon staken twee speren met de punt in den grond ten teeken, dat de schenker den vrede aanbood.De kroon van Harimona, want het was blijkbaar, dat dit het geschenk van den wilden man beduidde, werd bewaard in het heilige huis, dat stond boven op den berg Wittewa, waar de geest des winters huisde. De kroon[16]werd daar bewaakt door de zeven bergreuzen, den draak Frango, den reuzenhondWhridloen de geit Baza. Wie de kroon zou weten te veroveren en haar kon brengen aan Harimona, die was waardig naar haar hand te dingen en de betoovering van haar en haar sipschaft zou wijken en haar vader, de koning zou komen en haar en den bruidegom voeren naar zijn rijk, dat lag op het eiland Scandia, waar de zeevaarders wonen, die over de wateren voerden tot in de landen van de eeuwige zon, waar de menschen huiden hebben, zwart als de nacht.Harimona groeide op tot een slanke jonkvrouw maar haar wonderlijke afkomst was voor ieder zichtbaar. Zij had haar, zoo wit als sneeuw en oogen, rood als smeulend houtvuur, waarmede zij ’s nachts kon zien. Als de nieuwe Maan scheen stond zij op en liep vèr, vèr weg van de heilige haag en de woningen der menschen en sprak met de Maan en ondervroeg de toekomst. Als zij dan weerkeerde, lag zij dagen en nachten lang op haar rustbed en krampen schokten door haar leden en wit schuim kwam op haar mond en zij schreeuwde rauwe klanken uit, die niemand wist te duiden dan de oudeMaresag.En groot werd de roep van Harimona in de Rijnlanden en veel verder dan in die landen, tot ver over de zee op het Paarden-eiland en bij de zeevaarders van Scandia en in de Ouwen der riviermonden en in de landen der bergen, die tot in Walhalla reiken. Van al die streken kwamen afgezanten naar Harimona om haar te ondervragen over het leven en den dood, over de toekomst en het recht, over de kansen van den oogst, de jacht, den oorlog, over het gevaar van de overstroomingen en over de verborgenheden der aarde en der stroomen, waar de begraven schatten lagen en waar de waterwellen borrelden, die afgeleefde menschen de jeugd wedergeven en over ziekten van menschen en dieren.En wonder na wonder deed zij geschieden. De vorst der[17]Chatten had eeneenigkind, een dochter, dat door de booze geesten was bezield en telkens in krampen neerviel en alleen vermaak vond in dieren en slaven martelen. Het kind werd voor Harimona gebracht. De priesteres gebood dat allen zouden uitgaan en alleen de vorst der Chatten voor haar zou verschijnen. Toen hij voor haar stond, vroeg zij:„Weet di niet, vanwaar dijn dochter den boozen geest gehaald heeft?”Zij keek hem met hare vurige oogen scherp aan en hij aarzelde, den leugen te zeggen, die hem op de lippen lag.„Sintilaz, de vrucht der bloedschande, dat is haar naam!”De vorst was ter aarde gevallen en had vergiffenis gesmeed. Zij had hem als boete opgelegd blootsvoets en steeds achterwaarts gaande naar zijn rijk terug te keeren. Daar aangekomen, was hij van uitputting gestorven, niet vóór dat hij openlijk zijn zonde had beleden. En toen was zijn dochter gedood en daarmede was het geslacht der groote Chatten-vorsten ten einde en het rijk was gekomen onder een vorst uit ’t Rijnlandsche geslacht.In het land der Brukteren was een vruchtbare streek, een groot, groot land maar het bleef woest en onbewoond, hoewel de stam der Brukteren zoo veel mannen telde, dat vrijen en edelen zich als hoorigen verpandden in de andere ouwen, daar ze in ’t eigen land verhongerden. Die vruchtbare streek dan bleef onbewoond en onbebouwd omdat Thor ze haatte. Niet zoodra waren er woningen gebouwd of de bliksem sloeg uit de lucht en doodde menschen en vee en zette de huizen in brand. Harimona had toen bevolen, dat voor elk huis en in elke weide een speer zou worden opgesteld zoo hoog als drie mannen boven elkaar en geheel van ijzer. De spits moest gewijd worden met het heilige teeken van het driebeen en de voet met het heilige teeken van het klaverblad. De speren zonden allen gewijd[18]zijn aan de Harjazzi, de donkere ruiters van over de bergen, die Thors lijfwacht vormen.En hoewel menigeen twijfelde, toch bleek het waar en een ieder kon zich er van overtuigen, gelijk menigeen deed, dat de gouden speren van Thor nu niet meer in de woningen sloegen en niet meer de menschen en de dieren doodden, maar vochten met de speren aan de Harjazzi gewijd en in de diepe aarde zonken en daar verdwenen. Dat kon ieder zien, die twijfelde aan de goddelijke gaven van Harimona.1Want er waren ook twijfelaars en er waren er zelfs, die zeiden dat Harimona een vaderloos kind was voor allen, behalve voor dien aartsschelm van een Maresag, die groote schuren moest bouwen om de rijke offergaven te bergen, die van aller heeren landen werden aangedragen, goud en zilver en brons en wapens en lijnwaad en barnsteen en kostbare houtsoorten en prachtige pelzen. Ook ging het gerucht, dat Anertha vermoord was geworden evenals het kind van Recka, de voedstermoeder. Wie kon bewijzen, dat Anertha door den wilden man was geschoffeerd?Maar dat zeide men alleen, wanneer er véél gedronken was of ’s winters, als men dagen achtereen in de hutten voor ’t haardvuur zat en niets meer wist te vertellen en nu in de vertrouwde sipschaft wel waagde te spreken over iets, dat daarbuiten geuit en aan Maresag overgebracht, zeker met het uitsnijden van de tong des lasteraars zou bestraft worden.[19]1Onder Karel de Groote werd het planten van bliksemafleidende speren, als heidensch gebruik, bij lijfstraf verboden.↑
[Inhoud]HOOFDSTUK II.Zij was gevonden nabij den offersteen in de heilige haag van Renigo, nabij den grooten stroom Rheni, door de Druïdes Anertha, tegen het vallen van den avond. Naast haar stond een drachtige ree. De priesteres had de zuigeling opgenomen, het kleine meisje, dat in een doek van een vreemdkleurig lijnwaad was gewikkeld, welks kleur men niet in ’t Germanen-land tot dien dag gezien had en dat, al naar ’t licht er op scheen, andere tinten toonde, naar de wachthut gedragen, waar de offermessen bewaard werden. De ree was haar gevolgd en toen het kind begon te schreien, had het dier zich tegen haar aangedrongen, haar vollen uier blijkbaar aanbiedend. De Druïdes had het kind neergelegd en de ree was zoo bij het wicht gaan staan, dat dit heur handjes naar den uier uitstrekte, de speen aan den mond bracht en ging zuigen. En toen, terwijl het kind zijn dorst stilde, had de priesteres in de oogen van de ree een vreemde, een onverklaarbare uitdrukking gezien en tusschen de ooren, op den kop, was een lichtende ster verschenen. Toen het kind voldaan was, liep de ree zachtjes vooruit, telkens omziende naar de priesteres en het kind, of ze wel volgden en voor de groote hut van Maresag, den rijkaard, overste der priesters, was de ree blijven stilstaan en had geblaat, maar met zulk een vreemde, klagende stem, dat het leek of niet het dier, maar een jonkvrouw weeklaagde. Maresag was verschrikt naar buiten gekomen en had bevend geroepen, dat hij bereid was om den wil der groote geesten te volvoeren en toen hij in de deuropening verscheen en Anertha, het kind en de ree zag, had hij zijn beide handen hoog ten hemel geheven en[14]Wotan aangeroepen, om een teeken. Met blies de God zijn wind door de boomen voor het huis en bloesems vielen op het hoofd van ’t kind zoo, dat zij een krans vormden. Toen blaatte de ree nogmaals op dien zelfden weeklagenden toon, sprong op en verdween in ’t woud.Het teeken was te duidelijk. De zuigeling was een koningskind, en dereewas de betooverde moeder geweest. De raad der priesteres uit Rijnland kwam bijeen en daar vertelde Anertha hoe zij de zuigeling had gevonden en Maresag verhaalde hoe hij, reeds ter ruste, gedroomd had, dat de maan van den hemel was gestegen en tot hem gekomen was en zeide:„Maresag, hoor, hoor, hoor. Dit is de dochter mijner liefde. Ga en wijde haar mij. Hoor! Hoor! Hoor!” Toen was hij opgestaan en nauw van zijn leger opgericht, daar had hij de vreemde, weeklagende stem buiten gehoord en daar stond dan Anertha met het kleine meisje in den doek van een hemelsche stof, die schemerde met de kleuren van de wolken in ’t maanlicht of de blauwpaarse schelpen aan ’t zeestrand.De raad der priesters doopten nu het kind met den naamHarimonaen Maresag werd tot wereldsche vader benoemd enAnerthatotwereldschemoeder en beide werd opgedragen het kind groot te brengen, dat er een priesteres ter eere van de Maan van zou groeien. Maar daar waren booze geesten, zeker daar waren zéér booze geesten. Recka, de voedstermoeder had het ’t eerst ervaren, want haar eigen kind stierf op denzelfden dag, dat zij de kleine Harimona voor ’t eerst had gevoed. En, schrikkelijke toover, de kuische Anertha vond men drie weken later dood, diep in ’t bosch en o gruwel, zij was geschoffeerd door een wilden man, die daar sedert menschenheugenis huisde en kwaad bedreef maar nog nooit gezien was. In haar krampachtig vertrokken handen vonden de priesters de bossen haar, die de maagd, bij de verdediging harer eer, den kwaden boschnik had uitgetrokken. En midden[15]op haar boezem had zij de kruiswonde, die ieder vertoonde, die door den wilden man was gedood.Maresag was sedert dien gebeurtenis nog norscher en eenzelviger dan te voren. Hij drong met dappere mannen ’s avonds en ’s nachts in ’t woud, liet den horen blazen om den wilden man uit te dagen tot een gevecht, met gekozen of ongekozen tegenpartij, op de saks, op de speer, op het kortzwaard, op het mes of op de vuist. Maar de wilde man verscheen niet. De Raad der priesters besloot nu, dat de wilde man gebannen zou worden met de drie vloeken, den eersten vloek van de aarde, den tweeden van het water en den derde van het vuur. Maar Maresag had geweigerd den ban uit te spreken. Liever wilde hij eerst door beloften den wilden man trachten te verzoenen. En zij hadden, op de plaats waar Anertha verkracht gevonden was, neergelegd eerst een korf met vruchten van den notenboom en den beuk. Doch de dieven van ’t woud hadden de vruchten weggeroofd. Toen een korf met gerstekoeken in honig gebakken. Ook die was door dieven leeggegeten. Eindelijk een korf met kostbare geschenken, waarbij een stuk barnsteen, dat den vorm had van een kindervoet; een kortzwaard van gehard brons met de drie heilige teekens, het kruis, het driebeen, en het klaverblad versierd; een wollen overkleed met franjes, geknoopt door Druïdessen, die in elken knoop een zegespreuk hadden gesproken.En ziet, die geschenken waren weggehaald en op de plaats lag een kroon van gouden linde-bloesems en midden in de kroon een gouden plaat met het gelaat van de Maan. Terzijde van de kroon staken twee speren met de punt in den grond ten teeken, dat de schenker den vrede aanbood.De kroon van Harimona, want het was blijkbaar, dat dit het geschenk van den wilden man beduidde, werd bewaard in het heilige huis, dat stond boven op den berg Wittewa, waar de geest des winters huisde. De kroon[16]werd daar bewaakt door de zeven bergreuzen, den draak Frango, den reuzenhondWhridloen de geit Baza. Wie de kroon zou weten te veroveren en haar kon brengen aan Harimona, die was waardig naar haar hand te dingen en de betoovering van haar en haar sipschaft zou wijken en haar vader, de koning zou komen en haar en den bruidegom voeren naar zijn rijk, dat lag op het eiland Scandia, waar de zeevaarders wonen, die over de wateren voerden tot in de landen van de eeuwige zon, waar de menschen huiden hebben, zwart als de nacht.Harimona groeide op tot een slanke jonkvrouw maar haar wonderlijke afkomst was voor ieder zichtbaar. Zij had haar, zoo wit als sneeuw en oogen, rood als smeulend houtvuur, waarmede zij ’s nachts kon zien. Als de nieuwe Maan scheen stond zij op en liep vèr, vèr weg van de heilige haag en de woningen der menschen en sprak met de Maan en ondervroeg de toekomst. Als zij dan weerkeerde, lag zij dagen en nachten lang op haar rustbed en krampen schokten door haar leden en wit schuim kwam op haar mond en zij schreeuwde rauwe klanken uit, die niemand wist te duiden dan de oudeMaresag.En groot werd de roep van Harimona in de Rijnlanden en veel verder dan in die landen, tot ver over de zee op het Paarden-eiland en bij de zeevaarders van Scandia en in de Ouwen der riviermonden en in de landen der bergen, die tot in Walhalla reiken. Van al die streken kwamen afgezanten naar Harimona om haar te ondervragen over het leven en den dood, over de toekomst en het recht, over de kansen van den oogst, de jacht, den oorlog, over het gevaar van de overstroomingen en over de verborgenheden der aarde en der stroomen, waar de begraven schatten lagen en waar de waterwellen borrelden, die afgeleefde menschen de jeugd wedergeven en over ziekten van menschen en dieren.En wonder na wonder deed zij geschieden. De vorst der[17]Chatten had eeneenigkind, een dochter, dat door de booze geesten was bezield en telkens in krampen neerviel en alleen vermaak vond in dieren en slaven martelen. Het kind werd voor Harimona gebracht. De priesteres gebood dat allen zouden uitgaan en alleen de vorst der Chatten voor haar zou verschijnen. Toen hij voor haar stond, vroeg zij:„Weet di niet, vanwaar dijn dochter den boozen geest gehaald heeft?”Zij keek hem met hare vurige oogen scherp aan en hij aarzelde, den leugen te zeggen, die hem op de lippen lag.„Sintilaz, de vrucht der bloedschande, dat is haar naam!”De vorst was ter aarde gevallen en had vergiffenis gesmeed. Zij had hem als boete opgelegd blootsvoets en steeds achterwaarts gaande naar zijn rijk terug te keeren. Daar aangekomen, was hij van uitputting gestorven, niet vóór dat hij openlijk zijn zonde had beleden. En toen was zijn dochter gedood en daarmede was het geslacht der groote Chatten-vorsten ten einde en het rijk was gekomen onder een vorst uit ’t Rijnlandsche geslacht.In het land der Brukteren was een vruchtbare streek, een groot, groot land maar het bleef woest en onbewoond, hoewel de stam der Brukteren zoo veel mannen telde, dat vrijen en edelen zich als hoorigen verpandden in de andere ouwen, daar ze in ’t eigen land verhongerden. Die vruchtbare streek dan bleef onbewoond en onbebouwd omdat Thor ze haatte. Niet zoodra waren er woningen gebouwd of de bliksem sloeg uit de lucht en doodde menschen en vee en zette de huizen in brand. Harimona had toen bevolen, dat voor elk huis en in elke weide een speer zou worden opgesteld zoo hoog als drie mannen boven elkaar en geheel van ijzer. De spits moest gewijd worden met het heilige teeken van het driebeen en de voet met het heilige teeken van het klaverblad. De speren zonden allen gewijd[18]zijn aan de Harjazzi, de donkere ruiters van over de bergen, die Thors lijfwacht vormen.En hoewel menigeen twijfelde, toch bleek het waar en een ieder kon zich er van overtuigen, gelijk menigeen deed, dat de gouden speren van Thor nu niet meer in de woningen sloegen en niet meer de menschen en de dieren doodden, maar vochten met de speren aan de Harjazzi gewijd en in de diepe aarde zonken en daar verdwenen. Dat kon ieder zien, die twijfelde aan de goddelijke gaven van Harimona.1Want er waren ook twijfelaars en er waren er zelfs, die zeiden dat Harimona een vaderloos kind was voor allen, behalve voor dien aartsschelm van een Maresag, die groote schuren moest bouwen om de rijke offergaven te bergen, die van aller heeren landen werden aangedragen, goud en zilver en brons en wapens en lijnwaad en barnsteen en kostbare houtsoorten en prachtige pelzen. Ook ging het gerucht, dat Anertha vermoord was geworden evenals het kind van Recka, de voedstermoeder. Wie kon bewijzen, dat Anertha door den wilden man was geschoffeerd?Maar dat zeide men alleen, wanneer er véél gedronken was of ’s winters, als men dagen achtereen in de hutten voor ’t haardvuur zat en niets meer wist te vertellen en nu in de vertrouwde sipschaft wel waagde te spreken over iets, dat daarbuiten geuit en aan Maresag overgebracht, zeker met het uitsnijden van de tong des lasteraars zou bestraft worden.[19]1Onder Karel de Groote werd het planten van bliksemafleidende speren, als heidensch gebruik, bij lijfstraf verboden.↑
HOOFDSTUK II.
Zij was gevonden nabij den offersteen in de heilige haag van Renigo, nabij den grooten stroom Rheni, door de Druïdes Anertha, tegen het vallen van den avond. Naast haar stond een drachtige ree. De priesteres had de zuigeling opgenomen, het kleine meisje, dat in een doek van een vreemdkleurig lijnwaad was gewikkeld, welks kleur men niet in ’t Germanen-land tot dien dag gezien had en dat, al naar ’t licht er op scheen, andere tinten toonde, naar de wachthut gedragen, waar de offermessen bewaard werden. De ree was haar gevolgd en toen het kind begon te schreien, had het dier zich tegen haar aangedrongen, haar vollen uier blijkbaar aanbiedend. De Druïdes had het kind neergelegd en de ree was zoo bij het wicht gaan staan, dat dit heur handjes naar den uier uitstrekte, de speen aan den mond bracht en ging zuigen. En toen, terwijl het kind zijn dorst stilde, had de priesteres in de oogen van de ree een vreemde, een onverklaarbare uitdrukking gezien en tusschen de ooren, op den kop, was een lichtende ster verschenen. Toen het kind voldaan was, liep de ree zachtjes vooruit, telkens omziende naar de priesteres en het kind, of ze wel volgden en voor de groote hut van Maresag, den rijkaard, overste der priesters, was de ree blijven stilstaan en had geblaat, maar met zulk een vreemde, klagende stem, dat het leek of niet het dier, maar een jonkvrouw weeklaagde. Maresag was verschrikt naar buiten gekomen en had bevend geroepen, dat hij bereid was om den wil der groote geesten te volvoeren en toen hij in de deuropening verscheen en Anertha, het kind en de ree zag, had hij zijn beide handen hoog ten hemel geheven en[14]Wotan aangeroepen, om een teeken. Met blies de God zijn wind door de boomen voor het huis en bloesems vielen op het hoofd van ’t kind zoo, dat zij een krans vormden. Toen blaatte de ree nogmaals op dien zelfden weeklagenden toon, sprong op en verdween in ’t woud.Het teeken was te duidelijk. De zuigeling was een koningskind, en dereewas de betooverde moeder geweest. De raad der priesteres uit Rijnland kwam bijeen en daar vertelde Anertha hoe zij de zuigeling had gevonden en Maresag verhaalde hoe hij, reeds ter ruste, gedroomd had, dat de maan van den hemel was gestegen en tot hem gekomen was en zeide:„Maresag, hoor, hoor, hoor. Dit is de dochter mijner liefde. Ga en wijde haar mij. Hoor! Hoor! Hoor!” Toen was hij opgestaan en nauw van zijn leger opgericht, daar had hij de vreemde, weeklagende stem buiten gehoord en daar stond dan Anertha met het kleine meisje in den doek van een hemelsche stof, die schemerde met de kleuren van de wolken in ’t maanlicht of de blauwpaarse schelpen aan ’t zeestrand.De raad der priesters doopten nu het kind met den naamHarimonaen Maresag werd tot wereldsche vader benoemd enAnerthatotwereldschemoeder en beide werd opgedragen het kind groot te brengen, dat er een priesteres ter eere van de Maan van zou groeien. Maar daar waren booze geesten, zeker daar waren zéér booze geesten. Recka, de voedstermoeder had het ’t eerst ervaren, want haar eigen kind stierf op denzelfden dag, dat zij de kleine Harimona voor ’t eerst had gevoed. En, schrikkelijke toover, de kuische Anertha vond men drie weken later dood, diep in ’t bosch en o gruwel, zij was geschoffeerd door een wilden man, die daar sedert menschenheugenis huisde en kwaad bedreef maar nog nooit gezien was. In haar krampachtig vertrokken handen vonden de priesters de bossen haar, die de maagd, bij de verdediging harer eer, den kwaden boschnik had uitgetrokken. En midden[15]op haar boezem had zij de kruiswonde, die ieder vertoonde, die door den wilden man was gedood.Maresag was sedert dien gebeurtenis nog norscher en eenzelviger dan te voren. Hij drong met dappere mannen ’s avonds en ’s nachts in ’t woud, liet den horen blazen om den wilden man uit te dagen tot een gevecht, met gekozen of ongekozen tegenpartij, op de saks, op de speer, op het kortzwaard, op het mes of op de vuist. Maar de wilde man verscheen niet. De Raad der priesters besloot nu, dat de wilde man gebannen zou worden met de drie vloeken, den eersten vloek van de aarde, den tweeden van het water en den derde van het vuur. Maar Maresag had geweigerd den ban uit te spreken. Liever wilde hij eerst door beloften den wilden man trachten te verzoenen. En zij hadden, op de plaats waar Anertha verkracht gevonden was, neergelegd eerst een korf met vruchten van den notenboom en den beuk. Doch de dieven van ’t woud hadden de vruchten weggeroofd. Toen een korf met gerstekoeken in honig gebakken. Ook die was door dieven leeggegeten. Eindelijk een korf met kostbare geschenken, waarbij een stuk barnsteen, dat den vorm had van een kindervoet; een kortzwaard van gehard brons met de drie heilige teekens, het kruis, het driebeen, en het klaverblad versierd; een wollen overkleed met franjes, geknoopt door Druïdessen, die in elken knoop een zegespreuk hadden gesproken.En ziet, die geschenken waren weggehaald en op de plaats lag een kroon van gouden linde-bloesems en midden in de kroon een gouden plaat met het gelaat van de Maan. Terzijde van de kroon staken twee speren met de punt in den grond ten teeken, dat de schenker den vrede aanbood.De kroon van Harimona, want het was blijkbaar, dat dit het geschenk van den wilden man beduidde, werd bewaard in het heilige huis, dat stond boven op den berg Wittewa, waar de geest des winters huisde. De kroon[16]werd daar bewaakt door de zeven bergreuzen, den draak Frango, den reuzenhondWhridloen de geit Baza. Wie de kroon zou weten te veroveren en haar kon brengen aan Harimona, die was waardig naar haar hand te dingen en de betoovering van haar en haar sipschaft zou wijken en haar vader, de koning zou komen en haar en den bruidegom voeren naar zijn rijk, dat lag op het eiland Scandia, waar de zeevaarders wonen, die over de wateren voerden tot in de landen van de eeuwige zon, waar de menschen huiden hebben, zwart als de nacht.Harimona groeide op tot een slanke jonkvrouw maar haar wonderlijke afkomst was voor ieder zichtbaar. Zij had haar, zoo wit als sneeuw en oogen, rood als smeulend houtvuur, waarmede zij ’s nachts kon zien. Als de nieuwe Maan scheen stond zij op en liep vèr, vèr weg van de heilige haag en de woningen der menschen en sprak met de Maan en ondervroeg de toekomst. Als zij dan weerkeerde, lag zij dagen en nachten lang op haar rustbed en krampen schokten door haar leden en wit schuim kwam op haar mond en zij schreeuwde rauwe klanken uit, die niemand wist te duiden dan de oudeMaresag.En groot werd de roep van Harimona in de Rijnlanden en veel verder dan in die landen, tot ver over de zee op het Paarden-eiland en bij de zeevaarders van Scandia en in de Ouwen der riviermonden en in de landen der bergen, die tot in Walhalla reiken. Van al die streken kwamen afgezanten naar Harimona om haar te ondervragen over het leven en den dood, over de toekomst en het recht, over de kansen van den oogst, de jacht, den oorlog, over het gevaar van de overstroomingen en over de verborgenheden der aarde en der stroomen, waar de begraven schatten lagen en waar de waterwellen borrelden, die afgeleefde menschen de jeugd wedergeven en over ziekten van menschen en dieren.En wonder na wonder deed zij geschieden. De vorst der[17]Chatten had eeneenigkind, een dochter, dat door de booze geesten was bezield en telkens in krampen neerviel en alleen vermaak vond in dieren en slaven martelen. Het kind werd voor Harimona gebracht. De priesteres gebood dat allen zouden uitgaan en alleen de vorst der Chatten voor haar zou verschijnen. Toen hij voor haar stond, vroeg zij:„Weet di niet, vanwaar dijn dochter den boozen geest gehaald heeft?”Zij keek hem met hare vurige oogen scherp aan en hij aarzelde, den leugen te zeggen, die hem op de lippen lag.„Sintilaz, de vrucht der bloedschande, dat is haar naam!”De vorst was ter aarde gevallen en had vergiffenis gesmeed. Zij had hem als boete opgelegd blootsvoets en steeds achterwaarts gaande naar zijn rijk terug te keeren. Daar aangekomen, was hij van uitputting gestorven, niet vóór dat hij openlijk zijn zonde had beleden. En toen was zijn dochter gedood en daarmede was het geslacht der groote Chatten-vorsten ten einde en het rijk was gekomen onder een vorst uit ’t Rijnlandsche geslacht.In het land der Brukteren was een vruchtbare streek, een groot, groot land maar het bleef woest en onbewoond, hoewel de stam der Brukteren zoo veel mannen telde, dat vrijen en edelen zich als hoorigen verpandden in de andere ouwen, daar ze in ’t eigen land verhongerden. Die vruchtbare streek dan bleef onbewoond en onbebouwd omdat Thor ze haatte. Niet zoodra waren er woningen gebouwd of de bliksem sloeg uit de lucht en doodde menschen en vee en zette de huizen in brand. Harimona had toen bevolen, dat voor elk huis en in elke weide een speer zou worden opgesteld zoo hoog als drie mannen boven elkaar en geheel van ijzer. De spits moest gewijd worden met het heilige teeken van het driebeen en de voet met het heilige teeken van het klaverblad. De speren zonden allen gewijd[18]zijn aan de Harjazzi, de donkere ruiters van over de bergen, die Thors lijfwacht vormen.En hoewel menigeen twijfelde, toch bleek het waar en een ieder kon zich er van overtuigen, gelijk menigeen deed, dat de gouden speren van Thor nu niet meer in de woningen sloegen en niet meer de menschen en de dieren doodden, maar vochten met de speren aan de Harjazzi gewijd en in de diepe aarde zonken en daar verdwenen. Dat kon ieder zien, die twijfelde aan de goddelijke gaven van Harimona.1Want er waren ook twijfelaars en er waren er zelfs, die zeiden dat Harimona een vaderloos kind was voor allen, behalve voor dien aartsschelm van een Maresag, die groote schuren moest bouwen om de rijke offergaven te bergen, die van aller heeren landen werden aangedragen, goud en zilver en brons en wapens en lijnwaad en barnsteen en kostbare houtsoorten en prachtige pelzen. Ook ging het gerucht, dat Anertha vermoord was geworden evenals het kind van Recka, de voedstermoeder. Wie kon bewijzen, dat Anertha door den wilden man was geschoffeerd?Maar dat zeide men alleen, wanneer er véél gedronken was of ’s winters, als men dagen achtereen in de hutten voor ’t haardvuur zat en niets meer wist te vertellen en nu in de vertrouwde sipschaft wel waagde te spreken over iets, dat daarbuiten geuit en aan Maresag overgebracht, zeker met het uitsnijden van de tong des lasteraars zou bestraft worden.[19]
Zij was gevonden nabij den offersteen in de heilige haag van Renigo, nabij den grooten stroom Rheni, door de Druïdes Anertha, tegen het vallen van den avond. Naast haar stond een drachtige ree. De priesteres had de zuigeling opgenomen, het kleine meisje, dat in een doek van een vreemdkleurig lijnwaad was gewikkeld, welks kleur men niet in ’t Germanen-land tot dien dag gezien had en dat, al naar ’t licht er op scheen, andere tinten toonde, naar de wachthut gedragen, waar de offermessen bewaard werden. De ree was haar gevolgd en toen het kind begon te schreien, had het dier zich tegen haar aangedrongen, haar vollen uier blijkbaar aanbiedend. De Druïdes had het kind neergelegd en de ree was zoo bij het wicht gaan staan, dat dit heur handjes naar den uier uitstrekte, de speen aan den mond bracht en ging zuigen. En toen, terwijl het kind zijn dorst stilde, had de priesteres in de oogen van de ree een vreemde, een onverklaarbare uitdrukking gezien en tusschen de ooren, op den kop, was een lichtende ster verschenen. Toen het kind voldaan was, liep de ree zachtjes vooruit, telkens omziende naar de priesteres en het kind, of ze wel volgden en voor de groote hut van Maresag, den rijkaard, overste der priesters, was de ree blijven stilstaan en had geblaat, maar met zulk een vreemde, klagende stem, dat het leek of niet het dier, maar een jonkvrouw weeklaagde. Maresag was verschrikt naar buiten gekomen en had bevend geroepen, dat hij bereid was om den wil der groote geesten te volvoeren en toen hij in de deuropening verscheen en Anertha, het kind en de ree zag, had hij zijn beide handen hoog ten hemel geheven en[14]Wotan aangeroepen, om een teeken. Met blies de God zijn wind door de boomen voor het huis en bloesems vielen op het hoofd van ’t kind zoo, dat zij een krans vormden. Toen blaatte de ree nogmaals op dien zelfden weeklagenden toon, sprong op en verdween in ’t woud.
Het teeken was te duidelijk. De zuigeling was een koningskind, en dereewas de betooverde moeder geweest. De raad der priesteres uit Rijnland kwam bijeen en daar vertelde Anertha hoe zij de zuigeling had gevonden en Maresag verhaalde hoe hij, reeds ter ruste, gedroomd had, dat de maan van den hemel was gestegen en tot hem gekomen was en zeide:„Maresag, hoor, hoor, hoor. Dit is de dochter mijner liefde. Ga en wijde haar mij. Hoor! Hoor! Hoor!” Toen was hij opgestaan en nauw van zijn leger opgericht, daar had hij de vreemde, weeklagende stem buiten gehoord en daar stond dan Anertha met het kleine meisje in den doek van een hemelsche stof, die schemerde met de kleuren van de wolken in ’t maanlicht of de blauwpaarse schelpen aan ’t zeestrand.
De raad der priesters doopten nu het kind met den naamHarimonaen Maresag werd tot wereldsche vader benoemd enAnerthatotwereldschemoeder en beide werd opgedragen het kind groot te brengen, dat er een priesteres ter eere van de Maan van zou groeien. Maar daar waren booze geesten, zeker daar waren zéér booze geesten. Recka, de voedstermoeder had het ’t eerst ervaren, want haar eigen kind stierf op denzelfden dag, dat zij de kleine Harimona voor ’t eerst had gevoed. En, schrikkelijke toover, de kuische Anertha vond men drie weken later dood, diep in ’t bosch en o gruwel, zij was geschoffeerd door een wilden man, die daar sedert menschenheugenis huisde en kwaad bedreef maar nog nooit gezien was. In haar krampachtig vertrokken handen vonden de priesters de bossen haar, die de maagd, bij de verdediging harer eer, den kwaden boschnik had uitgetrokken. En midden[15]op haar boezem had zij de kruiswonde, die ieder vertoonde, die door den wilden man was gedood.
Maresag was sedert dien gebeurtenis nog norscher en eenzelviger dan te voren. Hij drong met dappere mannen ’s avonds en ’s nachts in ’t woud, liet den horen blazen om den wilden man uit te dagen tot een gevecht, met gekozen of ongekozen tegenpartij, op de saks, op de speer, op het kortzwaard, op het mes of op de vuist. Maar de wilde man verscheen niet. De Raad der priesters besloot nu, dat de wilde man gebannen zou worden met de drie vloeken, den eersten vloek van de aarde, den tweeden van het water en den derde van het vuur. Maar Maresag had geweigerd den ban uit te spreken. Liever wilde hij eerst door beloften den wilden man trachten te verzoenen. En zij hadden, op de plaats waar Anertha verkracht gevonden was, neergelegd eerst een korf met vruchten van den notenboom en den beuk. Doch de dieven van ’t woud hadden de vruchten weggeroofd. Toen een korf met gerstekoeken in honig gebakken. Ook die was door dieven leeggegeten. Eindelijk een korf met kostbare geschenken, waarbij een stuk barnsteen, dat den vorm had van een kindervoet; een kortzwaard van gehard brons met de drie heilige teekens, het kruis, het driebeen, en het klaverblad versierd; een wollen overkleed met franjes, geknoopt door Druïdessen, die in elken knoop een zegespreuk hadden gesproken.
En ziet, die geschenken waren weggehaald en op de plaats lag een kroon van gouden linde-bloesems en midden in de kroon een gouden plaat met het gelaat van de Maan. Terzijde van de kroon staken twee speren met de punt in den grond ten teeken, dat de schenker den vrede aanbood.
De kroon van Harimona, want het was blijkbaar, dat dit het geschenk van den wilden man beduidde, werd bewaard in het heilige huis, dat stond boven op den berg Wittewa, waar de geest des winters huisde. De kroon[16]werd daar bewaakt door de zeven bergreuzen, den draak Frango, den reuzenhondWhridloen de geit Baza. Wie de kroon zou weten te veroveren en haar kon brengen aan Harimona, die was waardig naar haar hand te dingen en de betoovering van haar en haar sipschaft zou wijken en haar vader, de koning zou komen en haar en den bruidegom voeren naar zijn rijk, dat lag op het eiland Scandia, waar de zeevaarders wonen, die over de wateren voerden tot in de landen van de eeuwige zon, waar de menschen huiden hebben, zwart als de nacht.
Harimona groeide op tot een slanke jonkvrouw maar haar wonderlijke afkomst was voor ieder zichtbaar. Zij had haar, zoo wit als sneeuw en oogen, rood als smeulend houtvuur, waarmede zij ’s nachts kon zien. Als de nieuwe Maan scheen stond zij op en liep vèr, vèr weg van de heilige haag en de woningen der menschen en sprak met de Maan en ondervroeg de toekomst. Als zij dan weerkeerde, lag zij dagen en nachten lang op haar rustbed en krampen schokten door haar leden en wit schuim kwam op haar mond en zij schreeuwde rauwe klanken uit, die niemand wist te duiden dan de oudeMaresag.
En groot werd de roep van Harimona in de Rijnlanden en veel verder dan in die landen, tot ver over de zee op het Paarden-eiland en bij de zeevaarders van Scandia en in de Ouwen der riviermonden en in de landen der bergen, die tot in Walhalla reiken. Van al die streken kwamen afgezanten naar Harimona om haar te ondervragen over het leven en den dood, over de toekomst en het recht, over de kansen van den oogst, de jacht, den oorlog, over het gevaar van de overstroomingen en over de verborgenheden der aarde en der stroomen, waar de begraven schatten lagen en waar de waterwellen borrelden, die afgeleefde menschen de jeugd wedergeven en over ziekten van menschen en dieren.
En wonder na wonder deed zij geschieden. De vorst der[17]Chatten had eeneenigkind, een dochter, dat door de booze geesten was bezield en telkens in krampen neerviel en alleen vermaak vond in dieren en slaven martelen. Het kind werd voor Harimona gebracht. De priesteres gebood dat allen zouden uitgaan en alleen de vorst der Chatten voor haar zou verschijnen. Toen hij voor haar stond, vroeg zij:
„Weet di niet, vanwaar dijn dochter den boozen geest gehaald heeft?”
Zij keek hem met hare vurige oogen scherp aan en hij aarzelde, den leugen te zeggen, die hem op de lippen lag.
„Sintilaz, de vrucht der bloedschande, dat is haar naam!”
De vorst was ter aarde gevallen en had vergiffenis gesmeed. Zij had hem als boete opgelegd blootsvoets en steeds achterwaarts gaande naar zijn rijk terug te keeren. Daar aangekomen, was hij van uitputting gestorven, niet vóór dat hij openlijk zijn zonde had beleden. En toen was zijn dochter gedood en daarmede was het geslacht der groote Chatten-vorsten ten einde en het rijk was gekomen onder een vorst uit ’t Rijnlandsche geslacht.
In het land der Brukteren was een vruchtbare streek, een groot, groot land maar het bleef woest en onbewoond, hoewel de stam der Brukteren zoo veel mannen telde, dat vrijen en edelen zich als hoorigen verpandden in de andere ouwen, daar ze in ’t eigen land verhongerden. Die vruchtbare streek dan bleef onbewoond en onbebouwd omdat Thor ze haatte. Niet zoodra waren er woningen gebouwd of de bliksem sloeg uit de lucht en doodde menschen en vee en zette de huizen in brand. Harimona had toen bevolen, dat voor elk huis en in elke weide een speer zou worden opgesteld zoo hoog als drie mannen boven elkaar en geheel van ijzer. De spits moest gewijd worden met het heilige teeken van het driebeen en de voet met het heilige teeken van het klaverblad. De speren zonden allen gewijd[18]zijn aan de Harjazzi, de donkere ruiters van over de bergen, die Thors lijfwacht vormen.
En hoewel menigeen twijfelde, toch bleek het waar en een ieder kon zich er van overtuigen, gelijk menigeen deed, dat de gouden speren van Thor nu niet meer in de woningen sloegen en niet meer de menschen en de dieren doodden, maar vochten met de speren aan de Harjazzi gewijd en in de diepe aarde zonken en daar verdwenen. Dat kon ieder zien, die twijfelde aan de goddelijke gaven van Harimona.1
Want er waren ook twijfelaars en er waren er zelfs, die zeiden dat Harimona een vaderloos kind was voor allen, behalve voor dien aartsschelm van een Maresag, die groote schuren moest bouwen om de rijke offergaven te bergen, die van aller heeren landen werden aangedragen, goud en zilver en brons en wapens en lijnwaad en barnsteen en kostbare houtsoorten en prachtige pelzen. Ook ging het gerucht, dat Anertha vermoord was geworden evenals het kind van Recka, de voedstermoeder. Wie kon bewijzen, dat Anertha door den wilden man was geschoffeerd?
Maar dat zeide men alleen, wanneer er véél gedronken was of ’s winters, als men dagen achtereen in de hutten voor ’t haardvuur zat en niets meer wist te vertellen en nu in de vertrouwde sipschaft wel waagde te spreken over iets, dat daarbuiten geuit en aan Maresag overgebracht, zeker met het uitsnijden van de tong des lasteraars zou bestraft worden.[19]
1Onder Karel de Groote werd het planten van bliksemafleidende speren, als heidensch gebruik, bij lijfstraf verboden.↑
1Onder Karel de Groote werd het planten van bliksemafleidende speren, als heidensch gebruik, bij lijfstraf verboden.↑
1Onder Karel de Groote werd het planten van bliksemafleidende speren, als heidensch gebruik, bij lijfstraf verboden.↑
1Onder Karel de Groote werd het planten van bliksemafleidende speren, als heidensch gebruik, bij lijfstraf verboden.↑