HOOFDSTUK III.

[Inhoud]HOOFDSTUK III.De jonge prins Istovar van Mjellego zoon van Tjilbard, koning der Frisen, had de mare vernomen van de bruid Harimona, die door veel dappere daden gewonnen kon worden. De prinsessen van bloede waren uitgestorven en Tjilbard, de koning had het goedgevonden, dat zijn zoon de wonderprinses ging ten houwelijk winnen.Hij had zijn zoon uitgerust met veel praal en staatsie. Prins Istovar kreeg het witte ros Zeven om te berijden. Het was de zoon van het beroemde ros Edem, dat in den strijd tegen de Sutoren, die de Frisen hadden willen verdringen, door zeven speren gewond, zonder berijder, toch was blijven medestrijden, inrennend op de horden der Sutoren en ze met zijn hoeven verpletterend. Zeven werd getooid met gouden schellekens in zijn manen, zoodat het schoone dier bij elke beweging van den korten hals een liefelijk geklingel deed hooren. Voorts kreeg Istovar mede, het kortzwaard Thoering, dat gesmeed was door eentoovenaarin het land der zwarte lieden en door een koning van Scandia aan den vader van Tjilbard was ten geschenke gegeven.Dit zwaard was met de spits gedoopt in ’t eeuwige vuur en wien met de spits ook maar de kleinste wonde werd toegebracht, moest sterven. Doch wie een slag kreeg met de scherpe snee, die kreeg slechts een wond, gelijk aan de wonden, door gewone zwaarden toegebracht. Dit nu was het geheim van Thoering. Wanneer men een gevaarlijken vijand had, die met overmacht, list of toovermiddelen vocht, bracht men hem bij den eersten strijdgang een kleine wonde toe met de spits van Thoering. Dan kon men[20]rustig verder strijden en zich alleen tot de verdediging bepalen. Want zekerzoude vijand sterven aan de kleine wonde, die hij immers geen aandacht schonk en niet zooals een groote wond deed verbinden of sluiten met gesmolten was. Op ’t hoofd droeg Istovar den bronzen helm van zijn geslacht, om de armen de bronzen schermringen, waarop een zwaard afstuitte, op de borst de twee bronzen bukkels, kegelvormig waarop de speer of de pijl afgleed. Tot reisgeleide gaf koning Tjilbard zijn zoon, negen-en-veertig uitgelezen mannen, onder ’t bevel van Melle, den trouwen Leekenaar, beproefden boogschutter, in ’tschijfwerpende beste van alle Frisen en vervaarlijk vechter met de saks, met de fram en met het steenen mes.Zij hadden, voor zij in Rijnlanden aankwamen, velerlei avontuur gehad. Aan de grens van het Batouwsche gebied hadden verarmde Batouwers, die in drie oogsten al geen graan hadden kunnen binnenhalen, hun opgewacht en als prijs voor het doortrekken van hun gebied gevraagd voor elken man zooveel graan als op zijn schild kon liggen en voor den prins zelf zooveel graan als tusschen de pooten van Zeven kon gestort worden. Prins Istovar had geweigerd, omdat een prins van Mjellego zich geen schatting laat opleggen. Hij had daarom zijn mannen in de slagorde gesteld en Melle stond gereed om den aanval te leiden toen de Batouwers, anders dappere mannen, die samen met de Frisen tegen de Sutoren hadden gestreden, zeiden dat zij niet zich te weer zouden stellen omdatSigbert, de hoofdman van de ouw, op reis was met zijn drie zonen.Zoo trokken zij dan ongehinderd door de Batouw maar toen prins Istovar zag hoe schriklijk mager de vrouwen ende maagden waren, om nog niet te spreken van het vee en de huishonden, voelde hij ontferming en bij ’t verlaten van de Batouw sneed hij een berketak af en kerfde daarop met zijn mes vier sikkels en gaf dien den Batouwer, die hun uitgeleide deed met de[21]mare, dat koning Tjilbard den brenger van den kerfstok zooveel graan zou geven als op één dag met vier sikkels kon gemaaid worden. Want de Frisen hadden overvloed daar zij vee ruilden met de volkeren links van de Sutoren en van de Sutoren zelf schatting hieven, vier sikkels van elken vrije gedurende den geheelen oogstmaand zoodat zij zelfs de pronkbeesten met haver voederden in plaats van gras, dat overigens rijkelijk groeide in ’t geheele land der Frisen en ver daarover heen op de eilanden. In het bosch der Widigensen waren ze ’s nachts overvallen door den hoofdman Aspriaan met zijn zeventig gezellen. Hem was de reis van prins Istovar niet aangezegd omdat hij van alle eer vervallen was verklaard, sedert hij ’t gastrecht geschonden had. Aspriaan had den hoofdman Jelle, die vee zou brengen naar Renegouw bij zich genoodigd en wetende dat Jelle een groot drinker was, had hij hem vele horens Widigenser meê te drinken aangeboden, dat met wilden honing en galappels gebrouwen wordt. Toen Jelle beschonken was, had Aspriaan hem zijn vee afgekocht, zeventig koppels uitgezochte beesten voor twee pak wonderkruiden, die op de borst gedragen waarborgen tegen het zwarte water, de ziekte die alle drinkers krijgen als ze oud worden. Toen nu Jelle den volgenden ochtend weer nuchter was en zijn mannen verzamelde en zijn vee zocht om verder te drijven, zeide Aspriaan, dat het vee reeds weg was gebracht naar zijn weiden en Jelle’s eigen mannen erkenden, dat hij ’t vee verkocht had voor twee pak wonderkruiden. Jelle, ziende welk een ramp door de dronkenschap ontstaan was, zond zijn mannen terug met zijn kortzwaard, gaf hun bevel, dit zwaard aan zijn zoon te geven, wanneer hij zweren wilde, nooit een droppel meê te zullen drinken en aan koning Tjilbard mede te deelen, wat zij gezien hadden. Nèt nam Jelle een steen op en sloeg dezen met de vuist met zoo zwaren slag tegen den eigen slaap, dat hij dood neerviel als geveld door een godsoordeel.[22]Koning Tjilbard had gerouwd om Jelle, die behalve grooten dorst geen andere ondeugden had, eerlijk, trouw en dapper was geweest. Aspriaan was wegens dit gedragen jegens een gast in den ban gedaan en onwaardig verklaard om beoorlogd te worden of in verbond mede ten oorlog te trekken.Nu had hij prins Istovar een tijdlang in ’t woud gevolgd en gewacht tot allen de tenten hadden opgeslagen en rustten om ze zoo te overvallen, te vermoorden en te plunderen. Toen allen sliepen, wilde hij nader sluipen met zijn mannen. Maar Melle, hoewel moe van de dagreis, was gedachtig aan de opdracht van zijn koning, blijven waken over den prins. Hij was buiten de tent gegaan om te luisteren naar de geluiden van den nacht. Hij hoorde het krassen van den uil en het heesche blaffen van de wolven en het zingen van een nachtegaal. Hij wilde nu gerustgesteld slapen gaan, toen hij een kautsje zijn klagend oehoe-oehoe hoorde roepen. Als het kautsje ’s nachts roept, waart de dood rond en die het hoort weet, dat er iemand in zijn naaste omgeving moet sterven. Daarom klopte Melle’s hart van angst, want in hem kwam de gedachte op, dat wellicht prins Istovar op deze reis zou sterven en hij voelde zijn borst beklemd als hij bedacht hoe groot dan de droefenis van den koning zou zijn. Maar het kautsje huilde al weer, nu dichterbij en om het te verschrikken wierp hij een steen in de richting, vanwaar ’t geluid kwam. Doch geen vogel vloog op, maar een man in het donkere loof vloekte. Meteen had Melle den horen al van zijn gordel en aan den mond gebracht en hij blies het wek-signaal.… „Pahoen.… Pa.… hoen.… Pa.… hoen!” En nu kwamen zijn mannen uit hun tenten en Melle riep: „Te weer, Te weer!” en hijzelf stelde zich voor de tent van prins Istovar en ’t kortzwaard zwaaiend in ’t duister van ’t woud riep hij zijn daging: „Eén zwaard tegen één zwaard, twee saksen tegen één saks, hier staat Melle de Fries!”[23]Onderwijl waren de mannen al aan ’t vechten in ’t donker. Men wist niet wie vriend of vijand was, want de roovers riepen de Friesche krijgskreten na om verwarring te stichten. Maar Melle kon ’t hooren—wist wèl wie Friesch sprak als Fries en wie ’t sprak als Widigens en ziende, dat hier geen eerlijken strijd met wederzijdsche daging en getuigen gevraagd werd maar ’t laaghartige roovershandwerk werd gedreven, liet hij zijn mannen dien arbeid over en sprong in de tent om zijn prins weg te dragen. Toen, o schrik, prins Istovar was niet in de tent. Hij riep en kreeg geen antwoord. Hij blies op zijn horen hoewel de angst zijn adem beklemde, maar de prins antwoordde niet. Hij liep de tent weer uit en rende midden in ’t gevecht waar hij het sjirpen van de zwaarden en het vloeken van de roovers en de kreten der getroffenen hoorde. Daar sloeg een zwaard plat op zijn rug en hij zich omkeerend riep: „Een zwaard tegen een zwaard. Hier staat Melle de Fries.”„Grendeldebliksem, waar is Zeven!”„Aan den boom achter den tent, prins!” antwoordde Melle en hij trok den prins mede uit het gewoel, hem met zijn breed lichaam dekkend en aldoor zijn zwaard opgestoken om slagen te weren en roepend: „Hier staat Melle de Fries!” En achter de tent gekomen bleek Zeven al losgesneden en geroofd. Melle legde zijn oor op den grond en nu, in de verte hoorde hij de klingeltjes in de manen zacht tinken en de twee schreden door ’t duister naar dien kant, met de zwaarden vooruit om niet tegen de boomen te loopen en toen na een poos, als zij nu helderder de schelletjes hoorden, blies Melle op zijn horen het signaal en Zeven antwoordde met een angstig gehinnik alsof hij wel wilde maar niet kon komen.Zij nu weer, liepen op ’t hinniken aan en Melle blies nogmaals, maar nu kwam er geen antwoord. Men scheen het edele dier gedood te hebben. Doch neen, de schelletjes kinkelden nog, nu dichterbij en nu heel dichtbij en Melle[24]sprong vooruit, maar hij greep in een bos wier, waarin de belletjes hingen, doch ’t paard was weggevoerd en de roovers hadden listig hun van den goeden weg gebracht.Toen riep dan prins Istovar, voor ’t eerst, terwijl Melle van angst beefde voor hem: „Hier staat der Friezen prins, Thoering staat nevens hem.”En opeens werd het licht van rossen fakkel-schijn en zij zagen Zeven staan, die ze doeken om den neus hadden gebonden, zoodat hij niet hinniken kon en Aspriaan zelf was de roover en veel roovers om hem heen hielden nu fakkels en zwaarden hoog.„Kom op met Thoering, melkknaap!” riep Aspriaan, op den prins toetredend met een langzwaard.„Langzwaard tegen kortzwaard, Roovers-aard!” riep Melle, zich voor den prins stellend en toen Aspriaan opdrong sloeg Melle met zijn zwaard een zoo zwaren slag op dat van den roover, dat een stuk van de kling afbrak.„Grendeldebliksem, dat is trouw!” riep de prins.Maar nu week de roover terug en riep zijn mannen op om aan te vallen.„Istovar der Friezen prins staat hier met Thoering. Man tegen man!” gebood de prins.Maar de roovers erkenden geen wet en wilden moorden. Daarom snelde nu Melle vooruit en begon den aanval geducht en onverwacht en onderwijl sloop Aspriaan met een speer op den prins af, die zich met Thoering weerde.„Doof de vuren!” riep Aspriaan. De mannen staken de fakkels in den grond maar nu sprong de prins in de richting waar hij Aspriaan het laatst gezien had en stak met Thoering en raakte en nu, op den roep van Melle afgaande, begon hij ook daar te steken en raakte weer en nog eens en nog eens tot Melle riep: Houdt op prins, of du raakt mij.…Zij raapten de fakkels op, vonden er een die nog smeulde, bliezen deze aan tot ze opvlamde en nu zagen ze, dat drie[25]mannen dood lagen, ook Aspriaan en de anderen waren gevloden. Zeven lag spartelend bij den boom, in gevaar van te stikken, tot zij hem haastig de doeken afrukten en het edele dier hun herkende en mak medeliep.Bij de tenten was de strijd afgeloopen. Zeven roovers waren gedood en twaalf van de Frisen. Zij brachten de rest van den nacht wakend door en eerst tegen den morgen konden zij de mannen begraven en een zendbode sturen met de mare aan koning Tjilbard.Toen zij de roovers gingen begraven en Aspriaan ontkleedden, daar verschrikten zij, want de roover bleek geen man geweest te zijn maar een vrouw en prins Istovar weende zeer omdat de eerste vijand, die hij gedood had met Thoering, een weerlooze vrouw was geweest, wier bloed het zwaard ontheiligde.Zij trokken ’s middags verder en reisden zeven dagen zonder ongevallen verder, toen zij in het groote woud de sporen van vier menschen bemerkten, drie van mannen en één van een vrouw. Zij volgden de sporen en liepen in dezelfde richting als hun reisdoel. Gingen die vier ook naar Harimona? Of waren het dwaalsporen van dolende reizigers. Zij bleven op hun hoede, waakten ’s nachts met tweeën tegelijk, altoos het zwaard naast zich, gereed tot plotselinge weer. Maar na vier dagen volgens, daar begonnen de sporen zich te kruisen en men zag, dat de mannen den weg zochten, her en der speurden, in de boomen klommen en dikwerf de vrouw over lange afstanden droegen, want dan zag men het spoor van haar smalle, kleine voeten niet terwijl de sporen van een der mannen dieper was, als droeg hij een last.En onrustig vroeg de kleine bent zich af, wat deze vier lieden wel beoogden, hier alleen dwalend in de gevaarlijke wildernis.[26]

[Inhoud]HOOFDSTUK III.De jonge prins Istovar van Mjellego zoon van Tjilbard, koning der Frisen, had de mare vernomen van de bruid Harimona, die door veel dappere daden gewonnen kon worden. De prinsessen van bloede waren uitgestorven en Tjilbard, de koning had het goedgevonden, dat zijn zoon de wonderprinses ging ten houwelijk winnen.Hij had zijn zoon uitgerust met veel praal en staatsie. Prins Istovar kreeg het witte ros Zeven om te berijden. Het was de zoon van het beroemde ros Edem, dat in den strijd tegen de Sutoren, die de Frisen hadden willen verdringen, door zeven speren gewond, zonder berijder, toch was blijven medestrijden, inrennend op de horden der Sutoren en ze met zijn hoeven verpletterend. Zeven werd getooid met gouden schellekens in zijn manen, zoodat het schoone dier bij elke beweging van den korten hals een liefelijk geklingel deed hooren. Voorts kreeg Istovar mede, het kortzwaard Thoering, dat gesmeed was door eentoovenaarin het land der zwarte lieden en door een koning van Scandia aan den vader van Tjilbard was ten geschenke gegeven.Dit zwaard was met de spits gedoopt in ’t eeuwige vuur en wien met de spits ook maar de kleinste wonde werd toegebracht, moest sterven. Doch wie een slag kreeg met de scherpe snee, die kreeg slechts een wond, gelijk aan de wonden, door gewone zwaarden toegebracht. Dit nu was het geheim van Thoering. Wanneer men een gevaarlijken vijand had, die met overmacht, list of toovermiddelen vocht, bracht men hem bij den eersten strijdgang een kleine wonde toe met de spits van Thoering. Dan kon men[20]rustig verder strijden en zich alleen tot de verdediging bepalen. Want zekerzoude vijand sterven aan de kleine wonde, die hij immers geen aandacht schonk en niet zooals een groote wond deed verbinden of sluiten met gesmolten was. Op ’t hoofd droeg Istovar den bronzen helm van zijn geslacht, om de armen de bronzen schermringen, waarop een zwaard afstuitte, op de borst de twee bronzen bukkels, kegelvormig waarop de speer of de pijl afgleed. Tot reisgeleide gaf koning Tjilbard zijn zoon, negen-en-veertig uitgelezen mannen, onder ’t bevel van Melle, den trouwen Leekenaar, beproefden boogschutter, in ’tschijfwerpende beste van alle Frisen en vervaarlijk vechter met de saks, met de fram en met het steenen mes.Zij hadden, voor zij in Rijnlanden aankwamen, velerlei avontuur gehad. Aan de grens van het Batouwsche gebied hadden verarmde Batouwers, die in drie oogsten al geen graan hadden kunnen binnenhalen, hun opgewacht en als prijs voor het doortrekken van hun gebied gevraagd voor elken man zooveel graan als op zijn schild kon liggen en voor den prins zelf zooveel graan als tusschen de pooten van Zeven kon gestort worden. Prins Istovar had geweigerd, omdat een prins van Mjellego zich geen schatting laat opleggen. Hij had daarom zijn mannen in de slagorde gesteld en Melle stond gereed om den aanval te leiden toen de Batouwers, anders dappere mannen, die samen met de Frisen tegen de Sutoren hadden gestreden, zeiden dat zij niet zich te weer zouden stellen omdatSigbert, de hoofdman van de ouw, op reis was met zijn drie zonen.Zoo trokken zij dan ongehinderd door de Batouw maar toen prins Istovar zag hoe schriklijk mager de vrouwen ende maagden waren, om nog niet te spreken van het vee en de huishonden, voelde hij ontferming en bij ’t verlaten van de Batouw sneed hij een berketak af en kerfde daarop met zijn mes vier sikkels en gaf dien den Batouwer, die hun uitgeleide deed met de[21]mare, dat koning Tjilbard den brenger van den kerfstok zooveel graan zou geven als op één dag met vier sikkels kon gemaaid worden. Want de Frisen hadden overvloed daar zij vee ruilden met de volkeren links van de Sutoren en van de Sutoren zelf schatting hieven, vier sikkels van elken vrije gedurende den geheelen oogstmaand zoodat zij zelfs de pronkbeesten met haver voederden in plaats van gras, dat overigens rijkelijk groeide in ’t geheele land der Frisen en ver daarover heen op de eilanden. In het bosch der Widigensen waren ze ’s nachts overvallen door den hoofdman Aspriaan met zijn zeventig gezellen. Hem was de reis van prins Istovar niet aangezegd omdat hij van alle eer vervallen was verklaard, sedert hij ’t gastrecht geschonden had. Aspriaan had den hoofdman Jelle, die vee zou brengen naar Renegouw bij zich genoodigd en wetende dat Jelle een groot drinker was, had hij hem vele horens Widigenser meê te drinken aangeboden, dat met wilden honing en galappels gebrouwen wordt. Toen Jelle beschonken was, had Aspriaan hem zijn vee afgekocht, zeventig koppels uitgezochte beesten voor twee pak wonderkruiden, die op de borst gedragen waarborgen tegen het zwarte water, de ziekte die alle drinkers krijgen als ze oud worden. Toen nu Jelle den volgenden ochtend weer nuchter was en zijn mannen verzamelde en zijn vee zocht om verder te drijven, zeide Aspriaan, dat het vee reeds weg was gebracht naar zijn weiden en Jelle’s eigen mannen erkenden, dat hij ’t vee verkocht had voor twee pak wonderkruiden. Jelle, ziende welk een ramp door de dronkenschap ontstaan was, zond zijn mannen terug met zijn kortzwaard, gaf hun bevel, dit zwaard aan zijn zoon te geven, wanneer hij zweren wilde, nooit een droppel meê te zullen drinken en aan koning Tjilbard mede te deelen, wat zij gezien hadden. Nèt nam Jelle een steen op en sloeg dezen met de vuist met zoo zwaren slag tegen den eigen slaap, dat hij dood neerviel als geveld door een godsoordeel.[22]Koning Tjilbard had gerouwd om Jelle, die behalve grooten dorst geen andere ondeugden had, eerlijk, trouw en dapper was geweest. Aspriaan was wegens dit gedragen jegens een gast in den ban gedaan en onwaardig verklaard om beoorlogd te worden of in verbond mede ten oorlog te trekken.Nu had hij prins Istovar een tijdlang in ’t woud gevolgd en gewacht tot allen de tenten hadden opgeslagen en rustten om ze zoo te overvallen, te vermoorden en te plunderen. Toen allen sliepen, wilde hij nader sluipen met zijn mannen. Maar Melle, hoewel moe van de dagreis, was gedachtig aan de opdracht van zijn koning, blijven waken over den prins. Hij was buiten de tent gegaan om te luisteren naar de geluiden van den nacht. Hij hoorde het krassen van den uil en het heesche blaffen van de wolven en het zingen van een nachtegaal. Hij wilde nu gerustgesteld slapen gaan, toen hij een kautsje zijn klagend oehoe-oehoe hoorde roepen. Als het kautsje ’s nachts roept, waart de dood rond en die het hoort weet, dat er iemand in zijn naaste omgeving moet sterven. Daarom klopte Melle’s hart van angst, want in hem kwam de gedachte op, dat wellicht prins Istovar op deze reis zou sterven en hij voelde zijn borst beklemd als hij bedacht hoe groot dan de droefenis van den koning zou zijn. Maar het kautsje huilde al weer, nu dichterbij en om het te verschrikken wierp hij een steen in de richting, vanwaar ’t geluid kwam. Doch geen vogel vloog op, maar een man in het donkere loof vloekte. Meteen had Melle den horen al van zijn gordel en aan den mond gebracht en hij blies het wek-signaal.… „Pahoen.… Pa.… hoen.… Pa.… hoen!” En nu kwamen zijn mannen uit hun tenten en Melle riep: „Te weer, Te weer!” en hijzelf stelde zich voor de tent van prins Istovar en ’t kortzwaard zwaaiend in ’t duister van ’t woud riep hij zijn daging: „Eén zwaard tegen één zwaard, twee saksen tegen één saks, hier staat Melle de Fries!”[23]Onderwijl waren de mannen al aan ’t vechten in ’t donker. Men wist niet wie vriend of vijand was, want de roovers riepen de Friesche krijgskreten na om verwarring te stichten. Maar Melle kon ’t hooren—wist wèl wie Friesch sprak als Fries en wie ’t sprak als Widigens en ziende, dat hier geen eerlijken strijd met wederzijdsche daging en getuigen gevraagd werd maar ’t laaghartige roovershandwerk werd gedreven, liet hij zijn mannen dien arbeid over en sprong in de tent om zijn prins weg te dragen. Toen, o schrik, prins Istovar was niet in de tent. Hij riep en kreeg geen antwoord. Hij blies op zijn horen hoewel de angst zijn adem beklemde, maar de prins antwoordde niet. Hij liep de tent weer uit en rende midden in ’t gevecht waar hij het sjirpen van de zwaarden en het vloeken van de roovers en de kreten der getroffenen hoorde. Daar sloeg een zwaard plat op zijn rug en hij zich omkeerend riep: „Een zwaard tegen een zwaard. Hier staat Melle de Fries.”„Grendeldebliksem, waar is Zeven!”„Aan den boom achter den tent, prins!” antwoordde Melle en hij trok den prins mede uit het gewoel, hem met zijn breed lichaam dekkend en aldoor zijn zwaard opgestoken om slagen te weren en roepend: „Hier staat Melle de Fries!” En achter de tent gekomen bleek Zeven al losgesneden en geroofd. Melle legde zijn oor op den grond en nu, in de verte hoorde hij de klingeltjes in de manen zacht tinken en de twee schreden door ’t duister naar dien kant, met de zwaarden vooruit om niet tegen de boomen te loopen en toen na een poos, als zij nu helderder de schelletjes hoorden, blies Melle op zijn horen het signaal en Zeven antwoordde met een angstig gehinnik alsof hij wel wilde maar niet kon komen.Zij nu weer, liepen op ’t hinniken aan en Melle blies nogmaals, maar nu kwam er geen antwoord. Men scheen het edele dier gedood te hebben. Doch neen, de schelletjes kinkelden nog, nu dichterbij en nu heel dichtbij en Melle[24]sprong vooruit, maar hij greep in een bos wier, waarin de belletjes hingen, doch ’t paard was weggevoerd en de roovers hadden listig hun van den goeden weg gebracht.Toen riep dan prins Istovar, voor ’t eerst, terwijl Melle van angst beefde voor hem: „Hier staat der Friezen prins, Thoering staat nevens hem.”En opeens werd het licht van rossen fakkel-schijn en zij zagen Zeven staan, die ze doeken om den neus hadden gebonden, zoodat hij niet hinniken kon en Aspriaan zelf was de roover en veel roovers om hem heen hielden nu fakkels en zwaarden hoog.„Kom op met Thoering, melkknaap!” riep Aspriaan, op den prins toetredend met een langzwaard.„Langzwaard tegen kortzwaard, Roovers-aard!” riep Melle, zich voor den prins stellend en toen Aspriaan opdrong sloeg Melle met zijn zwaard een zoo zwaren slag op dat van den roover, dat een stuk van de kling afbrak.„Grendeldebliksem, dat is trouw!” riep de prins.Maar nu week de roover terug en riep zijn mannen op om aan te vallen.„Istovar der Friezen prins staat hier met Thoering. Man tegen man!” gebood de prins.Maar de roovers erkenden geen wet en wilden moorden. Daarom snelde nu Melle vooruit en begon den aanval geducht en onverwacht en onderwijl sloop Aspriaan met een speer op den prins af, die zich met Thoering weerde.„Doof de vuren!” riep Aspriaan. De mannen staken de fakkels in den grond maar nu sprong de prins in de richting waar hij Aspriaan het laatst gezien had en stak met Thoering en raakte en nu, op den roep van Melle afgaande, begon hij ook daar te steken en raakte weer en nog eens en nog eens tot Melle riep: Houdt op prins, of du raakt mij.…Zij raapten de fakkels op, vonden er een die nog smeulde, bliezen deze aan tot ze opvlamde en nu zagen ze, dat drie[25]mannen dood lagen, ook Aspriaan en de anderen waren gevloden. Zeven lag spartelend bij den boom, in gevaar van te stikken, tot zij hem haastig de doeken afrukten en het edele dier hun herkende en mak medeliep.Bij de tenten was de strijd afgeloopen. Zeven roovers waren gedood en twaalf van de Frisen. Zij brachten de rest van den nacht wakend door en eerst tegen den morgen konden zij de mannen begraven en een zendbode sturen met de mare aan koning Tjilbard.Toen zij de roovers gingen begraven en Aspriaan ontkleedden, daar verschrikten zij, want de roover bleek geen man geweest te zijn maar een vrouw en prins Istovar weende zeer omdat de eerste vijand, die hij gedood had met Thoering, een weerlooze vrouw was geweest, wier bloed het zwaard ontheiligde.Zij trokken ’s middags verder en reisden zeven dagen zonder ongevallen verder, toen zij in het groote woud de sporen van vier menschen bemerkten, drie van mannen en één van een vrouw. Zij volgden de sporen en liepen in dezelfde richting als hun reisdoel. Gingen die vier ook naar Harimona? Of waren het dwaalsporen van dolende reizigers. Zij bleven op hun hoede, waakten ’s nachts met tweeën tegelijk, altoos het zwaard naast zich, gereed tot plotselinge weer. Maar na vier dagen volgens, daar begonnen de sporen zich te kruisen en men zag, dat de mannen den weg zochten, her en der speurden, in de boomen klommen en dikwerf de vrouw over lange afstanden droegen, want dan zag men het spoor van haar smalle, kleine voeten niet terwijl de sporen van een der mannen dieper was, als droeg hij een last.En onrustig vroeg de kleine bent zich af, wat deze vier lieden wel beoogden, hier alleen dwalend in de gevaarlijke wildernis.[26]

[Inhoud]HOOFDSTUK III.De jonge prins Istovar van Mjellego zoon van Tjilbard, koning der Frisen, had de mare vernomen van de bruid Harimona, die door veel dappere daden gewonnen kon worden. De prinsessen van bloede waren uitgestorven en Tjilbard, de koning had het goedgevonden, dat zijn zoon de wonderprinses ging ten houwelijk winnen.Hij had zijn zoon uitgerust met veel praal en staatsie. Prins Istovar kreeg het witte ros Zeven om te berijden. Het was de zoon van het beroemde ros Edem, dat in den strijd tegen de Sutoren, die de Frisen hadden willen verdringen, door zeven speren gewond, zonder berijder, toch was blijven medestrijden, inrennend op de horden der Sutoren en ze met zijn hoeven verpletterend. Zeven werd getooid met gouden schellekens in zijn manen, zoodat het schoone dier bij elke beweging van den korten hals een liefelijk geklingel deed hooren. Voorts kreeg Istovar mede, het kortzwaard Thoering, dat gesmeed was door eentoovenaarin het land der zwarte lieden en door een koning van Scandia aan den vader van Tjilbard was ten geschenke gegeven.Dit zwaard was met de spits gedoopt in ’t eeuwige vuur en wien met de spits ook maar de kleinste wonde werd toegebracht, moest sterven. Doch wie een slag kreeg met de scherpe snee, die kreeg slechts een wond, gelijk aan de wonden, door gewone zwaarden toegebracht. Dit nu was het geheim van Thoering. Wanneer men een gevaarlijken vijand had, die met overmacht, list of toovermiddelen vocht, bracht men hem bij den eersten strijdgang een kleine wonde toe met de spits van Thoering. Dan kon men[20]rustig verder strijden en zich alleen tot de verdediging bepalen. Want zekerzoude vijand sterven aan de kleine wonde, die hij immers geen aandacht schonk en niet zooals een groote wond deed verbinden of sluiten met gesmolten was. Op ’t hoofd droeg Istovar den bronzen helm van zijn geslacht, om de armen de bronzen schermringen, waarop een zwaard afstuitte, op de borst de twee bronzen bukkels, kegelvormig waarop de speer of de pijl afgleed. Tot reisgeleide gaf koning Tjilbard zijn zoon, negen-en-veertig uitgelezen mannen, onder ’t bevel van Melle, den trouwen Leekenaar, beproefden boogschutter, in ’tschijfwerpende beste van alle Frisen en vervaarlijk vechter met de saks, met de fram en met het steenen mes.Zij hadden, voor zij in Rijnlanden aankwamen, velerlei avontuur gehad. Aan de grens van het Batouwsche gebied hadden verarmde Batouwers, die in drie oogsten al geen graan hadden kunnen binnenhalen, hun opgewacht en als prijs voor het doortrekken van hun gebied gevraagd voor elken man zooveel graan als op zijn schild kon liggen en voor den prins zelf zooveel graan als tusschen de pooten van Zeven kon gestort worden. Prins Istovar had geweigerd, omdat een prins van Mjellego zich geen schatting laat opleggen. Hij had daarom zijn mannen in de slagorde gesteld en Melle stond gereed om den aanval te leiden toen de Batouwers, anders dappere mannen, die samen met de Frisen tegen de Sutoren hadden gestreden, zeiden dat zij niet zich te weer zouden stellen omdatSigbert, de hoofdman van de ouw, op reis was met zijn drie zonen.Zoo trokken zij dan ongehinderd door de Batouw maar toen prins Istovar zag hoe schriklijk mager de vrouwen ende maagden waren, om nog niet te spreken van het vee en de huishonden, voelde hij ontferming en bij ’t verlaten van de Batouw sneed hij een berketak af en kerfde daarop met zijn mes vier sikkels en gaf dien den Batouwer, die hun uitgeleide deed met de[21]mare, dat koning Tjilbard den brenger van den kerfstok zooveel graan zou geven als op één dag met vier sikkels kon gemaaid worden. Want de Frisen hadden overvloed daar zij vee ruilden met de volkeren links van de Sutoren en van de Sutoren zelf schatting hieven, vier sikkels van elken vrije gedurende den geheelen oogstmaand zoodat zij zelfs de pronkbeesten met haver voederden in plaats van gras, dat overigens rijkelijk groeide in ’t geheele land der Frisen en ver daarover heen op de eilanden. In het bosch der Widigensen waren ze ’s nachts overvallen door den hoofdman Aspriaan met zijn zeventig gezellen. Hem was de reis van prins Istovar niet aangezegd omdat hij van alle eer vervallen was verklaard, sedert hij ’t gastrecht geschonden had. Aspriaan had den hoofdman Jelle, die vee zou brengen naar Renegouw bij zich genoodigd en wetende dat Jelle een groot drinker was, had hij hem vele horens Widigenser meê te drinken aangeboden, dat met wilden honing en galappels gebrouwen wordt. Toen Jelle beschonken was, had Aspriaan hem zijn vee afgekocht, zeventig koppels uitgezochte beesten voor twee pak wonderkruiden, die op de borst gedragen waarborgen tegen het zwarte water, de ziekte die alle drinkers krijgen als ze oud worden. Toen nu Jelle den volgenden ochtend weer nuchter was en zijn mannen verzamelde en zijn vee zocht om verder te drijven, zeide Aspriaan, dat het vee reeds weg was gebracht naar zijn weiden en Jelle’s eigen mannen erkenden, dat hij ’t vee verkocht had voor twee pak wonderkruiden. Jelle, ziende welk een ramp door de dronkenschap ontstaan was, zond zijn mannen terug met zijn kortzwaard, gaf hun bevel, dit zwaard aan zijn zoon te geven, wanneer hij zweren wilde, nooit een droppel meê te zullen drinken en aan koning Tjilbard mede te deelen, wat zij gezien hadden. Nèt nam Jelle een steen op en sloeg dezen met de vuist met zoo zwaren slag tegen den eigen slaap, dat hij dood neerviel als geveld door een godsoordeel.[22]Koning Tjilbard had gerouwd om Jelle, die behalve grooten dorst geen andere ondeugden had, eerlijk, trouw en dapper was geweest. Aspriaan was wegens dit gedragen jegens een gast in den ban gedaan en onwaardig verklaard om beoorlogd te worden of in verbond mede ten oorlog te trekken.Nu had hij prins Istovar een tijdlang in ’t woud gevolgd en gewacht tot allen de tenten hadden opgeslagen en rustten om ze zoo te overvallen, te vermoorden en te plunderen. Toen allen sliepen, wilde hij nader sluipen met zijn mannen. Maar Melle, hoewel moe van de dagreis, was gedachtig aan de opdracht van zijn koning, blijven waken over den prins. Hij was buiten de tent gegaan om te luisteren naar de geluiden van den nacht. Hij hoorde het krassen van den uil en het heesche blaffen van de wolven en het zingen van een nachtegaal. Hij wilde nu gerustgesteld slapen gaan, toen hij een kautsje zijn klagend oehoe-oehoe hoorde roepen. Als het kautsje ’s nachts roept, waart de dood rond en die het hoort weet, dat er iemand in zijn naaste omgeving moet sterven. Daarom klopte Melle’s hart van angst, want in hem kwam de gedachte op, dat wellicht prins Istovar op deze reis zou sterven en hij voelde zijn borst beklemd als hij bedacht hoe groot dan de droefenis van den koning zou zijn. Maar het kautsje huilde al weer, nu dichterbij en om het te verschrikken wierp hij een steen in de richting, vanwaar ’t geluid kwam. Doch geen vogel vloog op, maar een man in het donkere loof vloekte. Meteen had Melle den horen al van zijn gordel en aan den mond gebracht en hij blies het wek-signaal.… „Pahoen.… Pa.… hoen.… Pa.… hoen!” En nu kwamen zijn mannen uit hun tenten en Melle riep: „Te weer, Te weer!” en hijzelf stelde zich voor de tent van prins Istovar en ’t kortzwaard zwaaiend in ’t duister van ’t woud riep hij zijn daging: „Eén zwaard tegen één zwaard, twee saksen tegen één saks, hier staat Melle de Fries!”[23]Onderwijl waren de mannen al aan ’t vechten in ’t donker. Men wist niet wie vriend of vijand was, want de roovers riepen de Friesche krijgskreten na om verwarring te stichten. Maar Melle kon ’t hooren—wist wèl wie Friesch sprak als Fries en wie ’t sprak als Widigens en ziende, dat hier geen eerlijken strijd met wederzijdsche daging en getuigen gevraagd werd maar ’t laaghartige roovershandwerk werd gedreven, liet hij zijn mannen dien arbeid over en sprong in de tent om zijn prins weg te dragen. Toen, o schrik, prins Istovar was niet in de tent. Hij riep en kreeg geen antwoord. Hij blies op zijn horen hoewel de angst zijn adem beklemde, maar de prins antwoordde niet. Hij liep de tent weer uit en rende midden in ’t gevecht waar hij het sjirpen van de zwaarden en het vloeken van de roovers en de kreten der getroffenen hoorde. Daar sloeg een zwaard plat op zijn rug en hij zich omkeerend riep: „Een zwaard tegen een zwaard. Hier staat Melle de Fries.”„Grendeldebliksem, waar is Zeven!”„Aan den boom achter den tent, prins!” antwoordde Melle en hij trok den prins mede uit het gewoel, hem met zijn breed lichaam dekkend en aldoor zijn zwaard opgestoken om slagen te weren en roepend: „Hier staat Melle de Fries!” En achter de tent gekomen bleek Zeven al losgesneden en geroofd. Melle legde zijn oor op den grond en nu, in de verte hoorde hij de klingeltjes in de manen zacht tinken en de twee schreden door ’t duister naar dien kant, met de zwaarden vooruit om niet tegen de boomen te loopen en toen na een poos, als zij nu helderder de schelletjes hoorden, blies Melle op zijn horen het signaal en Zeven antwoordde met een angstig gehinnik alsof hij wel wilde maar niet kon komen.Zij nu weer, liepen op ’t hinniken aan en Melle blies nogmaals, maar nu kwam er geen antwoord. Men scheen het edele dier gedood te hebben. Doch neen, de schelletjes kinkelden nog, nu dichterbij en nu heel dichtbij en Melle[24]sprong vooruit, maar hij greep in een bos wier, waarin de belletjes hingen, doch ’t paard was weggevoerd en de roovers hadden listig hun van den goeden weg gebracht.Toen riep dan prins Istovar, voor ’t eerst, terwijl Melle van angst beefde voor hem: „Hier staat der Friezen prins, Thoering staat nevens hem.”En opeens werd het licht van rossen fakkel-schijn en zij zagen Zeven staan, die ze doeken om den neus hadden gebonden, zoodat hij niet hinniken kon en Aspriaan zelf was de roover en veel roovers om hem heen hielden nu fakkels en zwaarden hoog.„Kom op met Thoering, melkknaap!” riep Aspriaan, op den prins toetredend met een langzwaard.„Langzwaard tegen kortzwaard, Roovers-aard!” riep Melle, zich voor den prins stellend en toen Aspriaan opdrong sloeg Melle met zijn zwaard een zoo zwaren slag op dat van den roover, dat een stuk van de kling afbrak.„Grendeldebliksem, dat is trouw!” riep de prins.Maar nu week de roover terug en riep zijn mannen op om aan te vallen.„Istovar der Friezen prins staat hier met Thoering. Man tegen man!” gebood de prins.Maar de roovers erkenden geen wet en wilden moorden. Daarom snelde nu Melle vooruit en begon den aanval geducht en onverwacht en onderwijl sloop Aspriaan met een speer op den prins af, die zich met Thoering weerde.„Doof de vuren!” riep Aspriaan. De mannen staken de fakkels in den grond maar nu sprong de prins in de richting waar hij Aspriaan het laatst gezien had en stak met Thoering en raakte en nu, op den roep van Melle afgaande, begon hij ook daar te steken en raakte weer en nog eens en nog eens tot Melle riep: Houdt op prins, of du raakt mij.…Zij raapten de fakkels op, vonden er een die nog smeulde, bliezen deze aan tot ze opvlamde en nu zagen ze, dat drie[25]mannen dood lagen, ook Aspriaan en de anderen waren gevloden. Zeven lag spartelend bij den boom, in gevaar van te stikken, tot zij hem haastig de doeken afrukten en het edele dier hun herkende en mak medeliep.Bij de tenten was de strijd afgeloopen. Zeven roovers waren gedood en twaalf van de Frisen. Zij brachten de rest van den nacht wakend door en eerst tegen den morgen konden zij de mannen begraven en een zendbode sturen met de mare aan koning Tjilbard.Toen zij de roovers gingen begraven en Aspriaan ontkleedden, daar verschrikten zij, want de roover bleek geen man geweest te zijn maar een vrouw en prins Istovar weende zeer omdat de eerste vijand, die hij gedood had met Thoering, een weerlooze vrouw was geweest, wier bloed het zwaard ontheiligde.Zij trokken ’s middags verder en reisden zeven dagen zonder ongevallen verder, toen zij in het groote woud de sporen van vier menschen bemerkten, drie van mannen en één van een vrouw. Zij volgden de sporen en liepen in dezelfde richting als hun reisdoel. Gingen die vier ook naar Harimona? Of waren het dwaalsporen van dolende reizigers. Zij bleven op hun hoede, waakten ’s nachts met tweeën tegelijk, altoos het zwaard naast zich, gereed tot plotselinge weer. Maar na vier dagen volgens, daar begonnen de sporen zich te kruisen en men zag, dat de mannen den weg zochten, her en der speurden, in de boomen klommen en dikwerf de vrouw over lange afstanden droegen, want dan zag men het spoor van haar smalle, kleine voeten niet terwijl de sporen van een der mannen dieper was, als droeg hij een last.En onrustig vroeg de kleine bent zich af, wat deze vier lieden wel beoogden, hier alleen dwalend in de gevaarlijke wildernis.[26]

[Inhoud]HOOFDSTUK III.De jonge prins Istovar van Mjellego zoon van Tjilbard, koning der Frisen, had de mare vernomen van de bruid Harimona, die door veel dappere daden gewonnen kon worden. De prinsessen van bloede waren uitgestorven en Tjilbard, de koning had het goedgevonden, dat zijn zoon de wonderprinses ging ten houwelijk winnen.Hij had zijn zoon uitgerust met veel praal en staatsie. Prins Istovar kreeg het witte ros Zeven om te berijden. Het was de zoon van het beroemde ros Edem, dat in den strijd tegen de Sutoren, die de Frisen hadden willen verdringen, door zeven speren gewond, zonder berijder, toch was blijven medestrijden, inrennend op de horden der Sutoren en ze met zijn hoeven verpletterend. Zeven werd getooid met gouden schellekens in zijn manen, zoodat het schoone dier bij elke beweging van den korten hals een liefelijk geklingel deed hooren. Voorts kreeg Istovar mede, het kortzwaard Thoering, dat gesmeed was door eentoovenaarin het land der zwarte lieden en door een koning van Scandia aan den vader van Tjilbard was ten geschenke gegeven.Dit zwaard was met de spits gedoopt in ’t eeuwige vuur en wien met de spits ook maar de kleinste wonde werd toegebracht, moest sterven. Doch wie een slag kreeg met de scherpe snee, die kreeg slechts een wond, gelijk aan de wonden, door gewone zwaarden toegebracht. Dit nu was het geheim van Thoering. Wanneer men een gevaarlijken vijand had, die met overmacht, list of toovermiddelen vocht, bracht men hem bij den eersten strijdgang een kleine wonde toe met de spits van Thoering. Dan kon men[20]rustig verder strijden en zich alleen tot de verdediging bepalen. Want zekerzoude vijand sterven aan de kleine wonde, die hij immers geen aandacht schonk en niet zooals een groote wond deed verbinden of sluiten met gesmolten was. Op ’t hoofd droeg Istovar den bronzen helm van zijn geslacht, om de armen de bronzen schermringen, waarop een zwaard afstuitte, op de borst de twee bronzen bukkels, kegelvormig waarop de speer of de pijl afgleed. Tot reisgeleide gaf koning Tjilbard zijn zoon, negen-en-veertig uitgelezen mannen, onder ’t bevel van Melle, den trouwen Leekenaar, beproefden boogschutter, in ’tschijfwerpende beste van alle Frisen en vervaarlijk vechter met de saks, met de fram en met het steenen mes.Zij hadden, voor zij in Rijnlanden aankwamen, velerlei avontuur gehad. Aan de grens van het Batouwsche gebied hadden verarmde Batouwers, die in drie oogsten al geen graan hadden kunnen binnenhalen, hun opgewacht en als prijs voor het doortrekken van hun gebied gevraagd voor elken man zooveel graan als op zijn schild kon liggen en voor den prins zelf zooveel graan als tusschen de pooten van Zeven kon gestort worden. Prins Istovar had geweigerd, omdat een prins van Mjellego zich geen schatting laat opleggen. Hij had daarom zijn mannen in de slagorde gesteld en Melle stond gereed om den aanval te leiden toen de Batouwers, anders dappere mannen, die samen met de Frisen tegen de Sutoren hadden gestreden, zeiden dat zij niet zich te weer zouden stellen omdatSigbert, de hoofdman van de ouw, op reis was met zijn drie zonen.Zoo trokken zij dan ongehinderd door de Batouw maar toen prins Istovar zag hoe schriklijk mager de vrouwen ende maagden waren, om nog niet te spreken van het vee en de huishonden, voelde hij ontferming en bij ’t verlaten van de Batouw sneed hij een berketak af en kerfde daarop met zijn mes vier sikkels en gaf dien den Batouwer, die hun uitgeleide deed met de[21]mare, dat koning Tjilbard den brenger van den kerfstok zooveel graan zou geven als op één dag met vier sikkels kon gemaaid worden. Want de Frisen hadden overvloed daar zij vee ruilden met de volkeren links van de Sutoren en van de Sutoren zelf schatting hieven, vier sikkels van elken vrije gedurende den geheelen oogstmaand zoodat zij zelfs de pronkbeesten met haver voederden in plaats van gras, dat overigens rijkelijk groeide in ’t geheele land der Frisen en ver daarover heen op de eilanden. In het bosch der Widigensen waren ze ’s nachts overvallen door den hoofdman Aspriaan met zijn zeventig gezellen. Hem was de reis van prins Istovar niet aangezegd omdat hij van alle eer vervallen was verklaard, sedert hij ’t gastrecht geschonden had. Aspriaan had den hoofdman Jelle, die vee zou brengen naar Renegouw bij zich genoodigd en wetende dat Jelle een groot drinker was, had hij hem vele horens Widigenser meê te drinken aangeboden, dat met wilden honing en galappels gebrouwen wordt. Toen Jelle beschonken was, had Aspriaan hem zijn vee afgekocht, zeventig koppels uitgezochte beesten voor twee pak wonderkruiden, die op de borst gedragen waarborgen tegen het zwarte water, de ziekte die alle drinkers krijgen als ze oud worden. Toen nu Jelle den volgenden ochtend weer nuchter was en zijn mannen verzamelde en zijn vee zocht om verder te drijven, zeide Aspriaan, dat het vee reeds weg was gebracht naar zijn weiden en Jelle’s eigen mannen erkenden, dat hij ’t vee verkocht had voor twee pak wonderkruiden. Jelle, ziende welk een ramp door de dronkenschap ontstaan was, zond zijn mannen terug met zijn kortzwaard, gaf hun bevel, dit zwaard aan zijn zoon te geven, wanneer hij zweren wilde, nooit een droppel meê te zullen drinken en aan koning Tjilbard mede te deelen, wat zij gezien hadden. Nèt nam Jelle een steen op en sloeg dezen met de vuist met zoo zwaren slag tegen den eigen slaap, dat hij dood neerviel als geveld door een godsoordeel.[22]Koning Tjilbard had gerouwd om Jelle, die behalve grooten dorst geen andere ondeugden had, eerlijk, trouw en dapper was geweest. Aspriaan was wegens dit gedragen jegens een gast in den ban gedaan en onwaardig verklaard om beoorlogd te worden of in verbond mede ten oorlog te trekken.Nu had hij prins Istovar een tijdlang in ’t woud gevolgd en gewacht tot allen de tenten hadden opgeslagen en rustten om ze zoo te overvallen, te vermoorden en te plunderen. Toen allen sliepen, wilde hij nader sluipen met zijn mannen. Maar Melle, hoewel moe van de dagreis, was gedachtig aan de opdracht van zijn koning, blijven waken over den prins. Hij was buiten de tent gegaan om te luisteren naar de geluiden van den nacht. Hij hoorde het krassen van den uil en het heesche blaffen van de wolven en het zingen van een nachtegaal. Hij wilde nu gerustgesteld slapen gaan, toen hij een kautsje zijn klagend oehoe-oehoe hoorde roepen. Als het kautsje ’s nachts roept, waart de dood rond en die het hoort weet, dat er iemand in zijn naaste omgeving moet sterven. Daarom klopte Melle’s hart van angst, want in hem kwam de gedachte op, dat wellicht prins Istovar op deze reis zou sterven en hij voelde zijn borst beklemd als hij bedacht hoe groot dan de droefenis van den koning zou zijn. Maar het kautsje huilde al weer, nu dichterbij en om het te verschrikken wierp hij een steen in de richting, vanwaar ’t geluid kwam. Doch geen vogel vloog op, maar een man in het donkere loof vloekte. Meteen had Melle den horen al van zijn gordel en aan den mond gebracht en hij blies het wek-signaal.… „Pahoen.… Pa.… hoen.… Pa.… hoen!” En nu kwamen zijn mannen uit hun tenten en Melle riep: „Te weer, Te weer!” en hijzelf stelde zich voor de tent van prins Istovar en ’t kortzwaard zwaaiend in ’t duister van ’t woud riep hij zijn daging: „Eén zwaard tegen één zwaard, twee saksen tegen één saks, hier staat Melle de Fries!”[23]Onderwijl waren de mannen al aan ’t vechten in ’t donker. Men wist niet wie vriend of vijand was, want de roovers riepen de Friesche krijgskreten na om verwarring te stichten. Maar Melle kon ’t hooren—wist wèl wie Friesch sprak als Fries en wie ’t sprak als Widigens en ziende, dat hier geen eerlijken strijd met wederzijdsche daging en getuigen gevraagd werd maar ’t laaghartige roovershandwerk werd gedreven, liet hij zijn mannen dien arbeid over en sprong in de tent om zijn prins weg te dragen. Toen, o schrik, prins Istovar was niet in de tent. Hij riep en kreeg geen antwoord. Hij blies op zijn horen hoewel de angst zijn adem beklemde, maar de prins antwoordde niet. Hij liep de tent weer uit en rende midden in ’t gevecht waar hij het sjirpen van de zwaarden en het vloeken van de roovers en de kreten der getroffenen hoorde. Daar sloeg een zwaard plat op zijn rug en hij zich omkeerend riep: „Een zwaard tegen een zwaard. Hier staat Melle de Fries.”„Grendeldebliksem, waar is Zeven!”„Aan den boom achter den tent, prins!” antwoordde Melle en hij trok den prins mede uit het gewoel, hem met zijn breed lichaam dekkend en aldoor zijn zwaard opgestoken om slagen te weren en roepend: „Hier staat Melle de Fries!” En achter de tent gekomen bleek Zeven al losgesneden en geroofd. Melle legde zijn oor op den grond en nu, in de verte hoorde hij de klingeltjes in de manen zacht tinken en de twee schreden door ’t duister naar dien kant, met de zwaarden vooruit om niet tegen de boomen te loopen en toen na een poos, als zij nu helderder de schelletjes hoorden, blies Melle op zijn horen het signaal en Zeven antwoordde met een angstig gehinnik alsof hij wel wilde maar niet kon komen.Zij nu weer, liepen op ’t hinniken aan en Melle blies nogmaals, maar nu kwam er geen antwoord. Men scheen het edele dier gedood te hebben. Doch neen, de schelletjes kinkelden nog, nu dichterbij en nu heel dichtbij en Melle[24]sprong vooruit, maar hij greep in een bos wier, waarin de belletjes hingen, doch ’t paard was weggevoerd en de roovers hadden listig hun van den goeden weg gebracht.Toen riep dan prins Istovar, voor ’t eerst, terwijl Melle van angst beefde voor hem: „Hier staat der Friezen prins, Thoering staat nevens hem.”En opeens werd het licht van rossen fakkel-schijn en zij zagen Zeven staan, die ze doeken om den neus hadden gebonden, zoodat hij niet hinniken kon en Aspriaan zelf was de roover en veel roovers om hem heen hielden nu fakkels en zwaarden hoog.„Kom op met Thoering, melkknaap!” riep Aspriaan, op den prins toetredend met een langzwaard.„Langzwaard tegen kortzwaard, Roovers-aard!” riep Melle, zich voor den prins stellend en toen Aspriaan opdrong sloeg Melle met zijn zwaard een zoo zwaren slag op dat van den roover, dat een stuk van de kling afbrak.„Grendeldebliksem, dat is trouw!” riep de prins.Maar nu week de roover terug en riep zijn mannen op om aan te vallen.„Istovar der Friezen prins staat hier met Thoering. Man tegen man!” gebood de prins.Maar de roovers erkenden geen wet en wilden moorden. Daarom snelde nu Melle vooruit en begon den aanval geducht en onverwacht en onderwijl sloop Aspriaan met een speer op den prins af, die zich met Thoering weerde.„Doof de vuren!” riep Aspriaan. De mannen staken de fakkels in den grond maar nu sprong de prins in de richting waar hij Aspriaan het laatst gezien had en stak met Thoering en raakte en nu, op den roep van Melle afgaande, begon hij ook daar te steken en raakte weer en nog eens en nog eens tot Melle riep: Houdt op prins, of du raakt mij.…Zij raapten de fakkels op, vonden er een die nog smeulde, bliezen deze aan tot ze opvlamde en nu zagen ze, dat drie[25]mannen dood lagen, ook Aspriaan en de anderen waren gevloden. Zeven lag spartelend bij den boom, in gevaar van te stikken, tot zij hem haastig de doeken afrukten en het edele dier hun herkende en mak medeliep.Bij de tenten was de strijd afgeloopen. Zeven roovers waren gedood en twaalf van de Frisen. Zij brachten de rest van den nacht wakend door en eerst tegen den morgen konden zij de mannen begraven en een zendbode sturen met de mare aan koning Tjilbard.Toen zij de roovers gingen begraven en Aspriaan ontkleedden, daar verschrikten zij, want de roover bleek geen man geweest te zijn maar een vrouw en prins Istovar weende zeer omdat de eerste vijand, die hij gedood had met Thoering, een weerlooze vrouw was geweest, wier bloed het zwaard ontheiligde.Zij trokken ’s middags verder en reisden zeven dagen zonder ongevallen verder, toen zij in het groote woud de sporen van vier menschen bemerkten, drie van mannen en één van een vrouw. Zij volgden de sporen en liepen in dezelfde richting als hun reisdoel. Gingen die vier ook naar Harimona? Of waren het dwaalsporen van dolende reizigers. Zij bleven op hun hoede, waakten ’s nachts met tweeën tegelijk, altoos het zwaard naast zich, gereed tot plotselinge weer. Maar na vier dagen volgens, daar begonnen de sporen zich te kruisen en men zag, dat de mannen den weg zochten, her en der speurden, in de boomen klommen en dikwerf de vrouw over lange afstanden droegen, want dan zag men het spoor van haar smalle, kleine voeten niet terwijl de sporen van een der mannen dieper was, als droeg hij een last.En onrustig vroeg de kleine bent zich af, wat deze vier lieden wel beoogden, hier alleen dwalend in de gevaarlijke wildernis.[26]

HOOFDSTUK III.

De jonge prins Istovar van Mjellego zoon van Tjilbard, koning der Frisen, had de mare vernomen van de bruid Harimona, die door veel dappere daden gewonnen kon worden. De prinsessen van bloede waren uitgestorven en Tjilbard, de koning had het goedgevonden, dat zijn zoon de wonderprinses ging ten houwelijk winnen.Hij had zijn zoon uitgerust met veel praal en staatsie. Prins Istovar kreeg het witte ros Zeven om te berijden. Het was de zoon van het beroemde ros Edem, dat in den strijd tegen de Sutoren, die de Frisen hadden willen verdringen, door zeven speren gewond, zonder berijder, toch was blijven medestrijden, inrennend op de horden der Sutoren en ze met zijn hoeven verpletterend. Zeven werd getooid met gouden schellekens in zijn manen, zoodat het schoone dier bij elke beweging van den korten hals een liefelijk geklingel deed hooren. Voorts kreeg Istovar mede, het kortzwaard Thoering, dat gesmeed was door eentoovenaarin het land der zwarte lieden en door een koning van Scandia aan den vader van Tjilbard was ten geschenke gegeven.Dit zwaard was met de spits gedoopt in ’t eeuwige vuur en wien met de spits ook maar de kleinste wonde werd toegebracht, moest sterven. Doch wie een slag kreeg met de scherpe snee, die kreeg slechts een wond, gelijk aan de wonden, door gewone zwaarden toegebracht. Dit nu was het geheim van Thoering. Wanneer men een gevaarlijken vijand had, die met overmacht, list of toovermiddelen vocht, bracht men hem bij den eersten strijdgang een kleine wonde toe met de spits van Thoering. Dan kon men[20]rustig verder strijden en zich alleen tot de verdediging bepalen. Want zekerzoude vijand sterven aan de kleine wonde, die hij immers geen aandacht schonk en niet zooals een groote wond deed verbinden of sluiten met gesmolten was. Op ’t hoofd droeg Istovar den bronzen helm van zijn geslacht, om de armen de bronzen schermringen, waarop een zwaard afstuitte, op de borst de twee bronzen bukkels, kegelvormig waarop de speer of de pijl afgleed. Tot reisgeleide gaf koning Tjilbard zijn zoon, negen-en-veertig uitgelezen mannen, onder ’t bevel van Melle, den trouwen Leekenaar, beproefden boogschutter, in ’tschijfwerpende beste van alle Frisen en vervaarlijk vechter met de saks, met de fram en met het steenen mes.Zij hadden, voor zij in Rijnlanden aankwamen, velerlei avontuur gehad. Aan de grens van het Batouwsche gebied hadden verarmde Batouwers, die in drie oogsten al geen graan hadden kunnen binnenhalen, hun opgewacht en als prijs voor het doortrekken van hun gebied gevraagd voor elken man zooveel graan als op zijn schild kon liggen en voor den prins zelf zooveel graan als tusschen de pooten van Zeven kon gestort worden. Prins Istovar had geweigerd, omdat een prins van Mjellego zich geen schatting laat opleggen. Hij had daarom zijn mannen in de slagorde gesteld en Melle stond gereed om den aanval te leiden toen de Batouwers, anders dappere mannen, die samen met de Frisen tegen de Sutoren hadden gestreden, zeiden dat zij niet zich te weer zouden stellen omdatSigbert, de hoofdman van de ouw, op reis was met zijn drie zonen.Zoo trokken zij dan ongehinderd door de Batouw maar toen prins Istovar zag hoe schriklijk mager de vrouwen ende maagden waren, om nog niet te spreken van het vee en de huishonden, voelde hij ontferming en bij ’t verlaten van de Batouw sneed hij een berketak af en kerfde daarop met zijn mes vier sikkels en gaf dien den Batouwer, die hun uitgeleide deed met de[21]mare, dat koning Tjilbard den brenger van den kerfstok zooveel graan zou geven als op één dag met vier sikkels kon gemaaid worden. Want de Frisen hadden overvloed daar zij vee ruilden met de volkeren links van de Sutoren en van de Sutoren zelf schatting hieven, vier sikkels van elken vrije gedurende den geheelen oogstmaand zoodat zij zelfs de pronkbeesten met haver voederden in plaats van gras, dat overigens rijkelijk groeide in ’t geheele land der Frisen en ver daarover heen op de eilanden. In het bosch der Widigensen waren ze ’s nachts overvallen door den hoofdman Aspriaan met zijn zeventig gezellen. Hem was de reis van prins Istovar niet aangezegd omdat hij van alle eer vervallen was verklaard, sedert hij ’t gastrecht geschonden had. Aspriaan had den hoofdman Jelle, die vee zou brengen naar Renegouw bij zich genoodigd en wetende dat Jelle een groot drinker was, had hij hem vele horens Widigenser meê te drinken aangeboden, dat met wilden honing en galappels gebrouwen wordt. Toen Jelle beschonken was, had Aspriaan hem zijn vee afgekocht, zeventig koppels uitgezochte beesten voor twee pak wonderkruiden, die op de borst gedragen waarborgen tegen het zwarte water, de ziekte die alle drinkers krijgen als ze oud worden. Toen nu Jelle den volgenden ochtend weer nuchter was en zijn mannen verzamelde en zijn vee zocht om verder te drijven, zeide Aspriaan, dat het vee reeds weg was gebracht naar zijn weiden en Jelle’s eigen mannen erkenden, dat hij ’t vee verkocht had voor twee pak wonderkruiden. Jelle, ziende welk een ramp door de dronkenschap ontstaan was, zond zijn mannen terug met zijn kortzwaard, gaf hun bevel, dit zwaard aan zijn zoon te geven, wanneer hij zweren wilde, nooit een droppel meê te zullen drinken en aan koning Tjilbard mede te deelen, wat zij gezien hadden. Nèt nam Jelle een steen op en sloeg dezen met de vuist met zoo zwaren slag tegen den eigen slaap, dat hij dood neerviel als geveld door een godsoordeel.[22]Koning Tjilbard had gerouwd om Jelle, die behalve grooten dorst geen andere ondeugden had, eerlijk, trouw en dapper was geweest. Aspriaan was wegens dit gedragen jegens een gast in den ban gedaan en onwaardig verklaard om beoorlogd te worden of in verbond mede ten oorlog te trekken.Nu had hij prins Istovar een tijdlang in ’t woud gevolgd en gewacht tot allen de tenten hadden opgeslagen en rustten om ze zoo te overvallen, te vermoorden en te plunderen. Toen allen sliepen, wilde hij nader sluipen met zijn mannen. Maar Melle, hoewel moe van de dagreis, was gedachtig aan de opdracht van zijn koning, blijven waken over den prins. Hij was buiten de tent gegaan om te luisteren naar de geluiden van den nacht. Hij hoorde het krassen van den uil en het heesche blaffen van de wolven en het zingen van een nachtegaal. Hij wilde nu gerustgesteld slapen gaan, toen hij een kautsje zijn klagend oehoe-oehoe hoorde roepen. Als het kautsje ’s nachts roept, waart de dood rond en die het hoort weet, dat er iemand in zijn naaste omgeving moet sterven. Daarom klopte Melle’s hart van angst, want in hem kwam de gedachte op, dat wellicht prins Istovar op deze reis zou sterven en hij voelde zijn borst beklemd als hij bedacht hoe groot dan de droefenis van den koning zou zijn. Maar het kautsje huilde al weer, nu dichterbij en om het te verschrikken wierp hij een steen in de richting, vanwaar ’t geluid kwam. Doch geen vogel vloog op, maar een man in het donkere loof vloekte. Meteen had Melle den horen al van zijn gordel en aan den mond gebracht en hij blies het wek-signaal.… „Pahoen.… Pa.… hoen.… Pa.… hoen!” En nu kwamen zijn mannen uit hun tenten en Melle riep: „Te weer, Te weer!” en hijzelf stelde zich voor de tent van prins Istovar en ’t kortzwaard zwaaiend in ’t duister van ’t woud riep hij zijn daging: „Eén zwaard tegen één zwaard, twee saksen tegen één saks, hier staat Melle de Fries!”[23]Onderwijl waren de mannen al aan ’t vechten in ’t donker. Men wist niet wie vriend of vijand was, want de roovers riepen de Friesche krijgskreten na om verwarring te stichten. Maar Melle kon ’t hooren—wist wèl wie Friesch sprak als Fries en wie ’t sprak als Widigens en ziende, dat hier geen eerlijken strijd met wederzijdsche daging en getuigen gevraagd werd maar ’t laaghartige roovershandwerk werd gedreven, liet hij zijn mannen dien arbeid over en sprong in de tent om zijn prins weg te dragen. Toen, o schrik, prins Istovar was niet in de tent. Hij riep en kreeg geen antwoord. Hij blies op zijn horen hoewel de angst zijn adem beklemde, maar de prins antwoordde niet. Hij liep de tent weer uit en rende midden in ’t gevecht waar hij het sjirpen van de zwaarden en het vloeken van de roovers en de kreten der getroffenen hoorde. Daar sloeg een zwaard plat op zijn rug en hij zich omkeerend riep: „Een zwaard tegen een zwaard. Hier staat Melle de Fries.”„Grendeldebliksem, waar is Zeven!”„Aan den boom achter den tent, prins!” antwoordde Melle en hij trok den prins mede uit het gewoel, hem met zijn breed lichaam dekkend en aldoor zijn zwaard opgestoken om slagen te weren en roepend: „Hier staat Melle de Fries!” En achter de tent gekomen bleek Zeven al losgesneden en geroofd. Melle legde zijn oor op den grond en nu, in de verte hoorde hij de klingeltjes in de manen zacht tinken en de twee schreden door ’t duister naar dien kant, met de zwaarden vooruit om niet tegen de boomen te loopen en toen na een poos, als zij nu helderder de schelletjes hoorden, blies Melle op zijn horen het signaal en Zeven antwoordde met een angstig gehinnik alsof hij wel wilde maar niet kon komen.Zij nu weer, liepen op ’t hinniken aan en Melle blies nogmaals, maar nu kwam er geen antwoord. Men scheen het edele dier gedood te hebben. Doch neen, de schelletjes kinkelden nog, nu dichterbij en nu heel dichtbij en Melle[24]sprong vooruit, maar hij greep in een bos wier, waarin de belletjes hingen, doch ’t paard was weggevoerd en de roovers hadden listig hun van den goeden weg gebracht.Toen riep dan prins Istovar, voor ’t eerst, terwijl Melle van angst beefde voor hem: „Hier staat der Friezen prins, Thoering staat nevens hem.”En opeens werd het licht van rossen fakkel-schijn en zij zagen Zeven staan, die ze doeken om den neus hadden gebonden, zoodat hij niet hinniken kon en Aspriaan zelf was de roover en veel roovers om hem heen hielden nu fakkels en zwaarden hoog.„Kom op met Thoering, melkknaap!” riep Aspriaan, op den prins toetredend met een langzwaard.„Langzwaard tegen kortzwaard, Roovers-aard!” riep Melle, zich voor den prins stellend en toen Aspriaan opdrong sloeg Melle met zijn zwaard een zoo zwaren slag op dat van den roover, dat een stuk van de kling afbrak.„Grendeldebliksem, dat is trouw!” riep de prins.Maar nu week de roover terug en riep zijn mannen op om aan te vallen.„Istovar der Friezen prins staat hier met Thoering. Man tegen man!” gebood de prins.Maar de roovers erkenden geen wet en wilden moorden. Daarom snelde nu Melle vooruit en begon den aanval geducht en onverwacht en onderwijl sloop Aspriaan met een speer op den prins af, die zich met Thoering weerde.„Doof de vuren!” riep Aspriaan. De mannen staken de fakkels in den grond maar nu sprong de prins in de richting waar hij Aspriaan het laatst gezien had en stak met Thoering en raakte en nu, op den roep van Melle afgaande, begon hij ook daar te steken en raakte weer en nog eens en nog eens tot Melle riep: Houdt op prins, of du raakt mij.…Zij raapten de fakkels op, vonden er een die nog smeulde, bliezen deze aan tot ze opvlamde en nu zagen ze, dat drie[25]mannen dood lagen, ook Aspriaan en de anderen waren gevloden. Zeven lag spartelend bij den boom, in gevaar van te stikken, tot zij hem haastig de doeken afrukten en het edele dier hun herkende en mak medeliep.Bij de tenten was de strijd afgeloopen. Zeven roovers waren gedood en twaalf van de Frisen. Zij brachten de rest van den nacht wakend door en eerst tegen den morgen konden zij de mannen begraven en een zendbode sturen met de mare aan koning Tjilbard.Toen zij de roovers gingen begraven en Aspriaan ontkleedden, daar verschrikten zij, want de roover bleek geen man geweest te zijn maar een vrouw en prins Istovar weende zeer omdat de eerste vijand, die hij gedood had met Thoering, een weerlooze vrouw was geweest, wier bloed het zwaard ontheiligde.Zij trokken ’s middags verder en reisden zeven dagen zonder ongevallen verder, toen zij in het groote woud de sporen van vier menschen bemerkten, drie van mannen en één van een vrouw. Zij volgden de sporen en liepen in dezelfde richting als hun reisdoel. Gingen die vier ook naar Harimona? Of waren het dwaalsporen van dolende reizigers. Zij bleven op hun hoede, waakten ’s nachts met tweeën tegelijk, altoos het zwaard naast zich, gereed tot plotselinge weer. Maar na vier dagen volgens, daar begonnen de sporen zich te kruisen en men zag, dat de mannen den weg zochten, her en der speurden, in de boomen klommen en dikwerf de vrouw over lange afstanden droegen, want dan zag men het spoor van haar smalle, kleine voeten niet terwijl de sporen van een der mannen dieper was, als droeg hij een last.En onrustig vroeg de kleine bent zich af, wat deze vier lieden wel beoogden, hier alleen dwalend in de gevaarlijke wildernis.[26]

De jonge prins Istovar van Mjellego zoon van Tjilbard, koning der Frisen, had de mare vernomen van de bruid Harimona, die door veel dappere daden gewonnen kon worden. De prinsessen van bloede waren uitgestorven en Tjilbard, de koning had het goedgevonden, dat zijn zoon de wonderprinses ging ten houwelijk winnen.

Hij had zijn zoon uitgerust met veel praal en staatsie. Prins Istovar kreeg het witte ros Zeven om te berijden. Het was de zoon van het beroemde ros Edem, dat in den strijd tegen de Sutoren, die de Frisen hadden willen verdringen, door zeven speren gewond, zonder berijder, toch was blijven medestrijden, inrennend op de horden der Sutoren en ze met zijn hoeven verpletterend. Zeven werd getooid met gouden schellekens in zijn manen, zoodat het schoone dier bij elke beweging van den korten hals een liefelijk geklingel deed hooren. Voorts kreeg Istovar mede, het kortzwaard Thoering, dat gesmeed was door eentoovenaarin het land der zwarte lieden en door een koning van Scandia aan den vader van Tjilbard was ten geschenke gegeven.

Dit zwaard was met de spits gedoopt in ’t eeuwige vuur en wien met de spits ook maar de kleinste wonde werd toegebracht, moest sterven. Doch wie een slag kreeg met de scherpe snee, die kreeg slechts een wond, gelijk aan de wonden, door gewone zwaarden toegebracht. Dit nu was het geheim van Thoering. Wanneer men een gevaarlijken vijand had, die met overmacht, list of toovermiddelen vocht, bracht men hem bij den eersten strijdgang een kleine wonde toe met de spits van Thoering. Dan kon men[20]rustig verder strijden en zich alleen tot de verdediging bepalen. Want zekerzoude vijand sterven aan de kleine wonde, die hij immers geen aandacht schonk en niet zooals een groote wond deed verbinden of sluiten met gesmolten was. Op ’t hoofd droeg Istovar den bronzen helm van zijn geslacht, om de armen de bronzen schermringen, waarop een zwaard afstuitte, op de borst de twee bronzen bukkels, kegelvormig waarop de speer of de pijl afgleed. Tot reisgeleide gaf koning Tjilbard zijn zoon, negen-en-veertig uitgelezen mannen, onder ’t bevel van Melle, den trouwen Leekenaar, beproefden boogschutter, in ’tschijfwerpende beste van alle Frisen en vervaarlijk vechter met de saks, met de fram en met het steenen mes.

Zij hadden, voor zij in Rijnlanden aankwamen, velerlei avontuur gehad. Aan de grens van het Batouwsche gebied hadden verarmde Batouwers, die in drie oogsten al geen graan hadden kunnen binnenhalen, hun opgewacht en als prijs voor het doortrekken van hun gebied gevraagd voor elken man zooveel graan als op zijn schild kon liggen en voor den prins zelf zooveel graan als tusschen de pooten van Zeven kon gestort worden. Prins Istovar had geweigerd, omdat een prins van Mjellego zich geen schatting laat opleggen. Hij had daarom zijn mannen in de slagorde gesteld en Melle stond gereed om den aanval te leiden toen de Batouwers, anders dappere mannen, die samen met de Frisen tegen de Sutoren hadden gestreden, zeiden dat zij niet zich te weer zouden stellen omdatSigbert, de hoofdman van de ouw, op reis was met zijn drie zonen.

Zoo trokken zij dan ongehinderd door de Batouw maar toen prins Istovar zag hoe schriklijk mager de vrouwen ende maagden waren, om nog niet te spreken van het vee en de huishonden, voelde hij ontferming en bij ’t verlaten van de Batouw sneed hij een berketak af en kerfde daarop met zijn mes vier sikkels en gaf dien den Batouwer, die hun uitgeleide deed met de[21]mare, dat koning Tjilbard den brenger van den kerfstok zooveel graan zou geven als op één dag met vier sikkels kon gemaaid worden. Want de Frisen hadden overvloed daar zij vee ruilden met de volkeren links van de Sutoren en van de Sutoren zelf schatting hieven, vier sikkels van elken vrije gedurende den geheelen oogstmaand zoodat zij zelfs de pronkbeesten met haver voederden in plaats van gras, dat overigens rijkelijk groeide in ’t geheele land der Frisen en ver daarover heen op de eilanden. In het bosch der Widigensen waren ze ’s nachts overvallen door den hoofdman Aspriaan met zijn zeventig gezellen. Hem was de reis van prins Istovar niet aangezegd omdat hij van alle eer vervallen was verklaard, sedert hij ’t gastrecht geschonden had. Aspriaan had den hoofdman Jelle, die vee zou brengen naar Renegouw bij zich genoodigd en wetende dat Jelle een groot drinker was, had hij hem vele horens Widigenser meê te drinken aangeboden, dat met wilden honing en galappels gebrouwen wordt. Toen Jelle beschonken was, had Aspriaan hem zijn vee afgekocht, zeventig koppels uitgezochte beesten voor twee pak wonderkruiden, die op de borst gedragen waarborgen tegen het zwarte water, de ziekte die alle drinkers krijgen als ze oud worden. Toen nu Jelle den volgenden ochtend weer nuchter was en zijn mannen verzamelde en zijn vee zocht om verder te drijven, zeide Aspriaan, dat het vee reeds weg was gebracht naar zijn weiden en Jelle’s eigen mannen erkenden, dat hij ’t vee verkocht had voor twee pak wonderkruiden. Jelle, ziende welk een ramp door de dronkenschap ontstaan was, zond zijn mannen terug met zijn kortzwaard, gaf hun bevel, dit zwaard aan zijn zoon te geven, wanneer hij zweren wilde, nooit een droppel meê te zullen drinken en aan koning Tjilbard mede te deelen, wat zij gezien hadden. Nèt nam Jelle een steen op en sloeg dezen met de vuist met zoo zwaren slag tegen den eigen slaap, dat hij dood neerviel als geveld door een godsoordeel.[22]

Koning Tjilbard had gerouwd om Jelle, die behalve grooten dorst geen andere ondeugden had, eerlijk, trouw en dapper was geweest. Aspriaan was wegens dit gedragen jegens een gast in den ban gedaan en onwaardig verklaard om beoorlogd te worden of in verbond mede ten oorlog te trekken.

Nu had hij prins Istovar een tijdlang in ’t woud gevolgd en gewacht tot allen de tenten hadden opgeslagen en rustten om ze zoo te overvallen, te vermoorden en te plunderen. Toen allen sliepen, wilde hij nader sluipen met zijn mannen. Maar Melle, hoewel moe van de dagreis, was gedachtig aan de opdracht van zijn koning, blijven waken over den prins. Hij was buiten de tent gegaan om te luisteren naar de geluiden van den nacht. Hij hoorde het krassen van den uil en het heesche blaffen van de wolven en het zingen van een nachtegaal. Hij wilde nu gerustgesteld slapen gaan, toen hij een kautsje zijn klagend oehoe-oehoe hoorde roepen. Als het kautsje ’s nachts roept, waart de dood rond en die het hoort weet, dat er iemand in zijn naaste omgeving moet sterven. Daarom klopte Melle’s hart van angst, want in hem kwam de gedachte op, dat wellicht prins Istovar op deze reis zou sterven en hij voelde zijn borst beklemd als hij bedacht hoe groot dan de droefenis van den koning zou zijn. Maar het kautsje huilde al weer, nu dichterbij en om het te verschrikken wierp hij een steen in de richting, vanwaar ’t geluid kwam. Doch geen vogel vloog op, maar een man in het donkere loof vloekte. Meteen had Melle den horen al van zijn gordel en aan den mond gebracht en hij blies het wek-signaal.… „Pahoen.… Pa.… hoen.… Pa.… hoen!” En nu kwamen zijn mannen uit hun tenten en Melle riep: „Te weer, Te weer!” en hijzelf stelde zich voor de tent van prins Istovar en ’t kortzwaard zwaaiend in ’t duister van ’t woud riep hij zijn daging: „Eén zwaard tegen één zwaard, twee saksen tegen één saks, hier staat Melle de Fries!”[23]

Onderwijl waren de mannen al aan ’t vechten in ’t donker. Men wist niet wie vriend of vijand was, want de roovers riepen de Friesche krijgskreten na om verwarring te stichten. Maar Melle kon ’t hooren—wist wèl wie Friesch sprak als Fries en wie ’t sprak als Widigens en ziende, dat hier geen eerlijken strijd met wederzijdsche daging en getuigen gevraagd werd maar ’t laaghartige roovershandwerk werd gedreven, liet hij zijn mannen dien arbeid over en sprong in de tent om zijn prins weg te dragen. Toen, o schrik, prins Istovar was niet in de tent. Hij riep en kreeg geen antwoord. Hij blies op zijn horen hoewel de angst zijn adem beklemde, maar de prins antwoordde niet. Hij liep de tent weer uit en rende midden in ’t gevecht waar hij het sjirpen van de zwaarden en het vloeken van de roovers en de kreten der getroffenen hoorde. Daar sloeg een zwaard plat op zijn rug en hij zich omkeerend riep: „Een zwaard tegen een zwaard. Hier staat Melle de Fries.”

„Grendeldebliksem, waar is Zeven!”

„Aan den boom achter den tent, prins!” antwoordde Melle en hij trok den prins mede uit het gewoel, hem met zijn breed lichaam dekkend en aldoor zijn zwaard opgestoken om slagen te weren en roepend: „Hier staat Melle de Fries!” En achter de tent gekomen bleek Zeven al losgesneden en geroofd. Melle legde zijn oor op den grond en nu, in de verte hoorde hij de klingeltjes in de manen zacht tinken en de twee schreden door ’t duister naar dien kant, met de zwaarden vooruit om niet tegen de boomen te loopen en toen na een poos, als zij nu helderder de schelletjes hoorden, blies Melle op zijn horen het signaal en Zeven antwoordde met een angstig gehinnik alsof hij wel wilde maar niet kon komen.

Zij nu weer, liepen op ’t hinniken aan en Melle blies nogmaals, maar nu kwam er geen antwoord. Men scheen het edele dier gedood te hebben. Doch neen, de schelletjes kinkelden nog, nu dichterbij en nu heel dichtbij en Melle[24]sprong vooruit, maar hij greep in een bos wier, waarin de belletjes hingen, doch ’t paard was weggevoerd en de roovers hadden listig hun van den goeden weg gebracht.

Toen riep dan prins Istovar, voor ’t eerst, terwijl Melle van angst beefde voor hem: „Hier staat der Friezen prins, Thoering staat nevens hem.”

En opeens werd het licht van rossen fakkel-schijn en zij zagen Zeven staan, die ze doeken om den neus hadden gebonden, zoodat hij niet hinniken kon en Aspriaan zelf was de roover en veel roovers om hem heen hielden nu fakkels en zwaarden hoog.

„Kom op met Thoering, melkknaap!” riep Aspriaan, op den prins toetredend met een langzwaard.

„Langzwaard tegen kortzwaard, Roovers-aard!” riep Melle, zich voor den prins stellend en toen Aspriaan opdrong sloeg Melle met zijn zwaard een zoo zwaren slag op dat van den roover, dat een stuk van de kling afbrak.

„Grendeldebliksem, dat is trouw!” riep de prins.

Maar nu week de roover terug en riep zijn mannen op om aan te vallen.

„Istovar der Friezen prins staat hier met Thoering. Man tegen man!” gebood de prins.

Maar de roovers erkenden geen wet en wilden moorden. Daarom snelde nu Melle vooruit en begon den aanval geducht en onverwacht en onderwijl sloop Aspriaan met een speer op den prins af, die zich met Thoering weerde.

„Doof de vuren!” riep Aspriaan. De mannen staken de fakkels in den grond maar nu sprong de prins in de richting waar hij Aspriaan het laatst gezien had en stak met Thoering en raakte en nu, op den roep van Melle afgaande, begon hij ook daar te steken en raakte weer en nog eens en nog eens tot Melle riep: Houdt op prins, of du raakt mij.…

Zij raapten de fakkels op, vonden er een die nog smeulde, bliezen deze aan tot ze opvlamde en nu zagen ze, dat drie[25]mannen dood lagen, ook Aspriaan en de anderen waren gevloden. Zeven lag spartelend bij den boom, in gevaar van te stikken, tot zij hem haastig de doeken afrukten en het edele dier hun herkende en mak medeliep.

Bij de tenten was de strijd afgeloopen. Zeven roovers waren gedood en twaalf van de Frisen. Zij brachten de rest van den nacht wakend door en eerst tegen den morgen konden zij de mannen begraven en een zendbode sturen met de mare aan koning Tjilbard.

Toen zij de roovers gingen begraven en Aspriaan ontkleedden, daar verschrikten zij, want de roover bleek geen man geweest te zijn maar een vrouw en prins Istovar weende zeer omdat de eerste vijand, die hij gedood had met Thoering, een weerlooze vrouw was geweest, wier bloed het zwaard ontheiligde.

Zij trokken ’s middags verder en reisden zeven dagen zonder ongevallen verder, toen zij in het groote woud de sporen van vier menschen bemerkten, drie van mannen en één van een vrouw. Zij volgden de sporen en liepen in dezelfde richting als hun reisdoel. Gingen die vier ook naar Harimona? Of waren het dwaalsporen van dolende reizigers. Zij bleven op hun hoede, waakten ’s nachts met tweeën tegelijk, altoos het zwaard naast zich, gereed tot plotselinge weer. Maar na vier dagen volgens, daar begonnen de sporen zich te kruisen en men zag, dat de mannen den weg zochten, her en der speurden, in de boomen klommen en dikwerf de vrouw over lange afstanden droegen, want dan zag men het spoor van haar smalle, kleine voeten niet terwijl de sporen van een der mannen dieper was, als droeg hij een last.

En onrustig vroeg de kleine bent zich af, wat deze vier lieden wel beoogden, hier alleen dwalend in de gevaarlijke wildernis.[26]


Back to IndexNext