HOOFDSTUK IV.

[Inhoud]HOOFDSTUK IV.Nabij de zee, naar de richting van het land der Kaninefaten lagen twee groote eilanden, Veloog en Bedekoog. Ze waren bijna even groot maar Veloog was zandig en dor en Bedekoog vettig en groen. Veloog was rondom door zandbanken omgeven en stak hoog boven de zee uit. Bedekoog was laag aan de zee gelegen, zoodat de bewoners op terpen en in paalwoningen huisden en op de bergloo, die het eiland naar de landzijde afsloot, den tempel, den koningshof en de groote veestal hadden opgericht. Want als de zeegeest woedde, stroomde soms het water over ’t geheele eiland en dan was ’t alleen veilig op de terpen en in de huizen en op de bergloo, waar dan al ’t vee van ’t geheele eiland werd heengedreven. De bewoners van Veloog waren arme lieden en de Velagers dienden den Bedekauwers als veeknechten, als roeiknechten en als grasmaaiers en hunne vrouwen en dochters als dienstmaagden, spinsters en lichtekooien. Velagers en Bedekauwers waren afstammelingen van dezelfde sipschaft en het was de wil van Nehalennia geweest, dat de twee stammen zoo van elkaar verschilden.Naar deheuchenisder priesters was in verre tijden, toen Tuisto de wereld had geschapen uit den leegen en duisteren afgrond in het land Iberia, dat nu de Massilianen bereizen om olie en granaatappels, de held Aujans geboren, die zich paarde met den ievermoer Beerd. Beerd baarde twee kinderen, Winnô, een jongeling en Harjasi, een maagd, die dadelijk na hun geboorte huwden en van den zeegeest een waterkoets kregen, waarin zij op de zeeën rondvoeren, getrokken[27]door de vier witte meerpaarden. Harjasi baarde Harimella, die bij een storm uit de koets sloeg en aan de kust van ’t eiland van Nehalennia aandreef. De godin wekte Harimella op, en gaf haar als woonplaats het eiland Bedekoog, dat toen nog aan ’t land verbonden was en waarvan Veloog een deel uitmaakte. De twee zonen van Harimella, die zij baarde zonder door een man bekend te zijn, groeiden op tot sterke mannen, die zich zeer onderscheiden van alle lieden, die men in het land der Frisen of Bataven en verder over den stroom Mesa en den stroom Rîn kende. Zij hadden blauwzwart haar en zwarte oogen en een okergele huid. Beiden kozen, toen zij volwassen waren, een gemalin uit de priesteressen van Nehalennia en weldra ontstond een nieuw, vreemd en schoon geslacht van menschen met zwarte oogen en blonde haren of blauwe oogen en zwarte haren. De vrouwen kleedden zich in groene gewaden, die zij verfden door koperstof in algensap te doen gisten. De mannen scheerden het gelaat geheel kaal en droegen het haar kort. De twee gemalinnen van Winnô en Harjasi nu, die afgunstig op elkaar waren, bliezen hun gemalen in, elkaar te beoorlogen. Elk hoopte zoo, alleenheerschers te worden. Winnô weigerde zich op zijn broeder te werpen maar Harjasi vatte het plan ’s nachts Winnô te doorsteken. Doch dit werd Nehalennia onthuld en zij riep den zeegeest op, die in den nacht, dat de broedermoord zou gebeuren en Harjasi met zijn gemalin en de geheele sipschaft, kinderen en kleinkinderen, meer dan vijf honderd, vereenigd waren, zijn hoofd verhief en de golven deed opzetten en den storm woeden zóó, dat één golf waarop de sipschaft van Harjasi stond afscheurde van het land, waar Winnô en de zijnen sliepen. Nu was Harjasi alleen-heerscher op dat eiland en keerde niet weer, hoewel het eiland arm was en zijn sipschaft sober, en ten laatste in dienstbaarheid leefde. Winnô bracht Nehalennia een offer van dankbaarheid, door het[28]kind, dat in den nacht van den scheidstorm geboren was in zijn sippe haar ter eere, den zeegod te brengen en deze, om zijn gunst te bewijzen, stak nogmaals zijn hoofd op en scheurde Winnô’s land van het land derKaninefatenzoodat nu voortaan de bergloo niet meer door deze bestormd en beroofd kon worden.Daar waren nu geslachten na geslachten overheen gegaan en Nehalennia bleef met haar gunst Bedekoog trouw, want alle weldaden werden over Bedekoog geschud uit den horen van Nehalennia. De zeevaarders van alle landen, die van hetPaarden-eiland, die van Massilia, die van Belligou, Galligou en van het „vreemde land”, kwamen met hun schepen in de diepe fioord van Bedekoog landen om te rusten of om te ruilen of om van daaruit verder landwaarts in te trekken, hun schepen in de fioord van Bedekoog onder bewaking achterlatend. En die uit de binnenlanden kwamen met hun vlotten en kanen langs de Skalde en langs de Rîn, bleven ankeren in de Bedekoogsche fioord. Boven op de bergloo stond de tempel en op het dak van den tempel werd het eeuwige vuur gebrand ter eere van Nehalennia, zoodat die op de skiggen in zee, zoowel als die op vlotten al van verre konden zien, waarheen zij den steven moesten richten en waar zij veilig waren.En alle die dan, brachten offers naar dan tempel en de koningen kregen geschenken, zooveel en zoo rijkelijk, want het zeevarende volk was gul, dat Bedekoog vermaardheid had tot ver in de wereld wegens de schatten en ook wegens de vele vreemdsoortige dingen, die daar te zien waren en die tweemaal ’s jaars, bij ’t begin van ’t jaar in den winter en bij ’t begin van het voorjaar, als de stroomen ontdooiden en de vlotten weder kwamen uit het binnenland, werden getoond met groote feestelijkheden. Daar waren dan wonderen, zooals in de wereld niet meer te zien zijn, zooals de heilige vogel Lorre, prachtig van vederen als geen andere, met een rooden staart en groene vleugels, die sprak[29]en zong en floot als een mensch. De gevlekte wonderkoe, die een hals had zoo hoog als een boom en niet van den grond at maar van de boomen. Dan de betooverde prins „Kórj”, die in het „vreemde land” was gevonden met drie van zijn vrouwen en door een Massiliaan medegebracht. De drie vrouwen waren gestorven maar „Kórj” leefde. Hij was geheel bebaard gelijk een wilde man of een dier en hij had geen voeten maar twee paar handen, een paar zooals de mensch en een paar, daar waar de mensch voeten heeft. Hij kon spreken maar wegens een betoovering deed hij het niet en hij kon in boomen klimmen, beter dan eenig mensch en hij was sterker dan een man en zéér boosaardig, zoodat hij achter traliën van brons was opgesloten. Dan waren er gouden drinkvaten en het Massiliaansche vuurglas, dat in de zon gehouden een lijnwaad in brand zette en waarmede op zonnewenddag het heilige vuur in den tempel werd ontstoken.Hoewel het land der Bedekauwers vruchtbaar was en er behalve gras ook graan kon groeien, behoefden de Bedekauwers al sinds lang niet meer te zaaien of te maaien. Want hun rijkdommen waren zoo groot, dat zij alles wat zij wenschten, konden ruilen en nog merkten zij niet, dat hun schatten verminderden. Daarom, wanneer er genoeg gemaaid was voor het vee der Bedekauwers, kregen de Velagers als loon al ’t overige gras dat te maaien was, ’t welk zij dan op kleine skiggen naar het arme Veloog roeiden.Daar groeide alleen dor, spits gras, goed slechts om geiten en bokken te voederen. De Velagers leefden van schelpdieren, van vogeleieren, van visch, van garnalen, van geitevleesch en van den afval van de Bedekauwers. Daarom ook werden ze door de Bedekauwers geminacht en door de geheele streek noemde men hen schraaiers of hompeloopers of grisebarden, omdat ze lange baarden droegen en allen in grauwe kleederen gingen, daar zij geen purperen of groenen of witten konden ruilen.[30]De Velagers waren bekend als spitsboeven en dieven en roovers, en als er een skig door den storm werd geworpen op hun zandbank, dan snelden zij toe en doodden de zeelieden en roofden alles. Ook hadden zij een kwade, scherpe tong en onder hen waren ook veel zonderlinge sprooksprekers, die liederen zongen waarom men moest lachen. Hun maagden waren onkuisch en kenden opwekkende dansen en soms, als er veel zeelieden in de fioord van Bedekoog lagen, dan gingen zij te samen naar Veloog over om naar de dansen te zien en met de maagden hun spel te drijven en de Massilianen kochten er lustknapen om mede te voeren naar het vreemde land. Maar welgeteld gingen de zeelieden er heen, om te weten, wanneer ze terugkwamen, dat geen hunner was achtergehouden of verstoken vermoord en geroofd en niets was gevaarlijker dan te luisteren naar de boerterij van de sprokezeggers. Want als men dan toehoorde en lachte en in zijn vroolijkheid aan niets dacht, dan om de grollen, dan kwamen de Velaagsche maagden en óók wel oude wijven of kleine kinderen en zij brachten groote schelpen met meê en de zeelieden dronken en hoe meer ze dronken, hoe meer ze lachten en dan slopen die wijven en die kinderen zachtjes nabij en stalen wat ze maar stelen konden van de beschonken zeelieden en als die dan ’t merkten en opspeelden, kwamen de Velagers en gingen vechten met die dronken mannen en staken ze overhoop. Maar met nuchtere lieden vochten ze nooit en ook niet als ze wisten, dat er nog één nuchter was, want die meldde het naar den koning van Bedekoog en die hield dan streng gericht. Zoo kwam het, dat men onder de Velagers veel mannen vond met één hand of één voet of één oog en lichtekooien, die men een borst had afgesneden omdat zij zich geleend hadden tot de onkuischheid van het „vreemde land”. Dit wisten de zeelieden en die lichtekooien werden dikwerf juist begeerd en zij liepen met bloote armen en soms naakt tot op den gordel en droegen lange kussens[31]om de heupen. Zoo zag men ze op de twee feesten ook op Bedekoog, wanneer ’t recht was opgeheven en de ban. Maar op de andere tijden mocht geen vrouw of man van Veloog den voet op Bedekoog zetten zonder den verlofring, die ze zichtbaar aan de slapen moesten dragen.KoningGoësde Groote, had de schatten van Bedekoog nog willen vermeerderen. Daar de zeelieden na slechte vaart wel vaak kleine geschenken gaven en anderen, door groote geschenken, onrechtvaardige voordeelen bedongen, steldehijeen vaste schatting in. De geschenken voor die van de zee kwamen werden vastgesteld naar het aantal riemen of de grootte der zeilen. En de geschenken van die van het land kwamen, naar het aantal der boomen en hun lengte.Die van de zee en die van het land hadden dat niet gewild, maar toen had koningGoëseen groot zeil rondom het eeuwige vuur gehangen en ’s nachts waren wel zeven schepen gestrand op de kust van de Velagers, die de bemanningen hadden uitgemoord en beroofd en toen hadden hun sprooksprekers grollen gemaakt op ’t heilige vuur, dat geen licht gaf en één grol werd tot ver in ’t land bekend.„Vier en fioord wàs in een land,Waar zijn toen de skigge gestrand?Eén op de plaat en twee op de plaats tot zeven,Lustig alle Velagers leven!”Toen hadden die van de zee toegestemd, maar die van ’t land, die den weg al wel wisten en ’s nachts niet voeren besloten een krijgsmacht op de been te brengen en zij zonden zendboden naar de Katten, en de Broekteren en de Frisen en de Kaninefaten. Die hadden allen hun legers gestuurd, want zij wisten wel dat de buit groot zou zijn behalve de Frisen, die alleen strijden als ze worden aangevallen maar niet op buit-gevecht uitgaan.Toen deBedekauwersde groote krijgsmacht zagen, werden zij beangst voor hun schatten en de zeelieden begonnen te mooren en zeiden, dat zij de schatting te hoog vonden.[32]De Velagers maakten zich gereed om over te komen om mede te deelen als de buit loskwam en hun vrouwen gingen al naar de framgo’s van den vijand om op te hitsen en vertelden van de groote rijkdommen.Toen zei KoningGoës, deBedekauwerszouden zich wapenen om zich te weer te stellen, maar deze begonnen te morren. Zij hadden al die jaren geen wapenoefeningen meer gehouden en zij hadden het leven te lief. Waarom zouden zij strijden en zich aan ’t gevaar van wonden blootstellen. Waren zij al niet rijk genoeg. Hadden zij geen overvloed ook zonder de vaste schatting? Zij wilden niet strijden en wenschten, dat de koning gijzelaars zou zenden naar de benden en zou doen vreezen, wat ze eischten om af te trekken.De koning schimpte zijn onderdanen voor lafaards en oude wijven, maar hij kon niet anders dan voorloopig toegeven en zond gijzelaars bood een losprijs aan. Dit brachten de vrouwen van Veloog dadelijk aan hun koning over en zoodra was de lafheid der Bedekauwers op Veloog bekend geworden, daar begonnen de Velagers met veel misbaar eveneens een deel van den losprijs te eischen. Zij dreigden zoowaar met een aanval en een hunner vrouwen wist eenaanvoerderder Kaninefaten om te praten, dat hij zeggen zoude, dat de Velagers ook rechten hadden op den losprijs.En zoo dan deelden de Velagers in ’t losgeld. Zij bekwamen veertig runderen, tachtig zakken graan, vier purperen en twee groene overkleederen, een gouden ring voor den koning, drie vederen uit de staart van den wondervogel Lorre behalve nog honig, kaas, acht vaten wijn uit Massilia, en ’t recht om aan de fioord een meê-schenke te openen, waar hun vrouwen zouden bedienen.Toen was er groote vreugde op Veloog, waar men, aan armoede en soberheid gewend, levende van de hand in de tand, voortaan hoopte altoos door veel geschreeuw en[33]en misbaar, de Bedekauwers tot schatting te kunnen dwingen. De runderen werden geslacht, een groot gastmaal aangericht en vier dagen achtereen was het feesten en zwelgen op Veloog, waarbij de sproke-sprekers voor de pret zorgden en tot ver in ’t land werd één grol bekend, luidende:„Wie riepen meer! meer! uit het meer!Tot meer van ’t meer nam een keer,En Lorre liet zijn veerAan des Velagers heer?”Maar koning Goës waakte en zon, want hij was zeer verbeten en belust op schatten.[34]

[Inhoud]HOOFDSTUK IV.Nabij de zee, naar de richting van het land der Kaninefaten lagen twee groote eilanden, Veloog en Bedekoog. Ze waren bijna even groot maar Veloog was zandig en dor en Bedekoog vettig en groen. Veloog was rondom door zandbanken omgeven en stak hoog boven de zee uit. Bedekoog was laag aan de zee gelegen, zoodat de bewoners op terpen en in paalwoningen huisden en op de bergloo, die het eiland naar de landzijde afsloot, den tempel, den koningshof en de groote veestal hadden opgericht. Want als de zeegeest woedde, stroomde soms het water over ’t geheele eiland en dan was ’t alleen veilig op de terpen en in de huizen en op de bergloo, waar dan al ’t vee van ’t geheele eiland werd heengedreven. De bewoners van Veloog waren arme lieden en de Velagers dienden den Bedekauwers als veeknechten, als roeiknechten en als grasmaaiers en hunne vrouwen en dochters als dienstmaagden, spinsters en lichtekooien. Velagers en Bedekauwers waren afstammelingen van dezelfde sipschaft en het was de wil van Nehalennia geweest, dat de twee stammen zoo van elkaar verschilden.Naar deheuchenisder priesters was in verre tijden, toen Tuisto de wereld had geschapen uit den leegen en duisteren afgrond in het land Iberia, dat nu de Massilianen bereizen om olie en granaatappels, de held Aujans geboren, die zich paarde met den ievermoer Beerd. Beerd baarde twee kinderen, Winnô, een jongeling en Harjasi, een maagd, die dadelijk na hun geboorte huwden en van den zeegeest een waterkoets kregen, waarin zij op de zeeën rondvoeren, getrokken[27]door de vier witte meerpaarden. Harjasi baarde Harimella, die bij een storm uit de koets sloeg en aan de kust van ’t eiland van Nehalennia aandreef. De godin wekte Harimella op, en gaf haar als woonplaats het eiland Bedekoog, dat toen nog aan ’t land verbonden was en waarvan Veloog een deel uitmaakte. De twee zonen van Harimella, die zij baarde zonder door een man bekend te zijn, groeiden op tot sterke mannen, die zich zeer onderscheiden van alle lieden, die men in het land der Frisen of Bataven en verder over den stroom Mesa en den stroom Rîn kende. Zij hadden blauwzwart haar en zwarte oogen en een okergele huid. Beiden kozen, toen zij volwassen waren, een gemalin uit de priesteressen van Nehalennia en weldra ontstond een nieuw, vreemd en schoon geslacht van menschen met zwarte oogen en blonde haren of blauwe oogen en zwarte haren. De vrouwen kleedden zich in groene gewaden, die zij verfden door koperstof in algensap te doen gisten. De mannen scheerden het gelaat geheel kaal en droegen het haar kort. De twee gemalinnen van Winnô en Harjasi nu, die afgunstig op elkaar waren, bliezen hun gemalen in, elkaar te beoorlogen. Elk hoopte zoo, alleenheerschers te worden. Winnô weigerde zich op zijn broeder te werpen maar Harjasi vatte het plan ’s nachts Winnô te doorsteken. Doch dit werd Nehalennia onthuld en zij riep den zeegeest op, die in den nacht, dat de broedermoord zou gebeuren en Harjasi met zijn gemalin en de geheele sipschaft, kinderen en kleinkinderen, meer dan vijf honderd, vereenigd waren, zijn hoofd verhief en de golven deed opzetten en den storm woeden zóó, dat één golf waarop de sipschaft van Harjasi stond afscheurde van het land, waar Winnô en de zijnen sliepen. Nu was Harjasi alleen-heerscher op dat eiland en keerde niet weer, hoewel het eiland arm was en zijn sipschaft sober, en ten laatste in dienstbaarheid leefde. Winnô bracht Nehalennia een offer van dankbaarheid, door het[28]kind, dat in den nacht van den scheidstorm geboren was in zijn sippe haar ter eere, den zeegod te brengen en deze, om zijn gunst te bewijzen, stak nogmaals zijn hoofd op en scheurde Winnô’s land van het land derKaninefatenzoodat nu voortaan de bergloo niet meer door deze bestormd en beroofd kon worden.Daar waren nu geslachten na geslachten overheen gegaan en Nehalennia bleef met haar gunst Bedekoog trouw, want alle weldaden werden over Bedekoog geschud uit den horen van Nehalennia. De zeevaarders van alle landen, die van hetPaarden-eiland, die van Massilia, die van Belligou, Galligou en van het „vreemde land”, kwamen met hun schepen in de diepe fioord van Bedekoog landen om te rusten of om te ruilen of om van daaruit verder landwaarts in te trekken, hun schepen in de fioord van Bedekoog onder bewaking achterlatend. En die uit de binnenlanden kwamen met hun vlotten en kanen langs de Skalde en langs de Rîn, bleven ankeren in de Bedekoogsche fioord. Boven op de bergloo stond de tempel en op het dak van den tempel werd het eeuwige vuur gebrand ter eere van Nehalennia, zoodat die op de skiggen in zee, zoowel als die op vlotten al van verre konden zien, waarheen zij den steven moesten richten en waar zij veilig waren.En alle die dan, brachten offers naar dan tempel en de koningen kregen geschenken, zooveel en zoo rijkelijk, want het zeevarende volk was gul, dat Bedekoog vermaardheid had tot ver in de wereld wegens de schatten en ook wegens de vele vreemdsoortige dingen, die daar te zien waren en die tweemaal ’s jaars, bij ’t begin van ’t jaar in den winter en bij ’t begin van het voorjaar, als de stroomen ontdooiden en de vlotten weder kwamen uit het binnenland, werden getoond met groote feestelijkheden. Daar waren dan wonderen, zooals in de wereld niet meer te zien zijn, zooals de heilige vogel Lorre, prachtig van vederen als geen andere, met een rooden staart en groene vleugels, die sprak[29]en zong en floot als een mensch. De gevlekte wonderkoe, die een hals had zoo hoog als een boom en niet van den grond at maar van de boomen. Dan de betooverde prins „Kórj”, die in het „vreemde land” was gevonden met drie van zijn vrouwen en door een Massiliaan medegebracht. De drie vrouwen waren gestorven maar „Kórj” leefde. Hij was geheel bebaard gelijk een wilde man of een dier en hij had geen voeten maar twee paar handen, een paar zooals de mensch en een paar, daar waar de mensch voeten heeft. Hij kon spreken maar wegens een betoovering deed hij het niet en hij kon in boomen klimmen, beter dan eenig mensch en hij was sterker dan een man en zéér boosaardig, zoodat hij achter traliën van brons was opgesloten. Dan waren er gouden drinkvaten en het Massiliaansche vuurglas, dat in de zon gehouden een lijnwaad in brand zette en waarmede op zonnewenddag het heilige vuur in den tempel werd ontstoken.Hoewel het land der Bedekauwers vruchtbaar was en er behalve gras ook graan kon groeien, behoefden de Bedekauwers al sinds lang niet meer te zaaien of te maaien. Want hun rijkdommen waren zoo groot, dat zij alles wat zij wenschten, konden ruilen en nog merkten zij niet, dat hun schatten verminderden. Daarom, wanneer er genoeg gemaaid was voor het vee der Bedekauwers, kregen de Velagers als loon al ’t overige gras dat te maaien was, ’t welk zij dan op kleine skiggen naar het arme Veloog roeiden.Daar groeide alleen dor, spits gras, goed slechts om geiten en bokken te voederen. De Velagers leefden van schelpdieren, van vogeleieren, van visch, van garnalen, van geitevleesch en van den afval van de Bedekauwers. Daarom ook werden ze door de Bedekauwers geminacht en door de geheele streek noemde men hen schraaiers of hompeloopers of grisebarden, omdat ze lange baarden droegen en allen in grauwe kleederen gingen, daar zij geen purperen of groenen of witten konden ruilen.[30]De Velagers waren bekend als spitsboeven en dieven en roovers, en als er een skig door den storm werd geworpen op hun zandbank, dan snelden zij toe en doodden de zeelieden en roofden alles. Ook hadden zij een kwade, scherpe tong en onder hen waren ook veel zonderlinge sprooksprekers, die liederen zongen waarom men moest lachen. Hun maagden waren onkuisch en kenden opwekkende dansen en soms, als er veel zeelieden in de fioord van Bedekoog lagen, dan gingen zij te samen naar Veloog over om naar de dansen te zien en met de maagden hun spel te drijven en de Massilianen kochten er lustknapen om mede te voeren naar het vreemde land. Maar welgeteld gingen de zeelieden er heen, om te weten, wanneer ze terugkwamen, dat geen hunner was achtergehouden of verstoken vermoord en geroofd en niets was gevaarlijker dan te luisteren naar de boerterij van de sprokezeggers. Want als men dan toehoorde en lachte en in zijn vroolijkheid aan niets dacht, dan om de grollen, dan kwamen de Velaagsche maagden en óók wel oude wijven of kleine kinderen en zij brachten groote schelpen met meê en de zeelieden dronken en hoe meer ze dronken, hoe meer ze lachten en dan slopen die wijven en die kinderen zachtjes nabij en stalen wat ze maar stelen konden van de beschonken zeelieden en als die dan ’t merkten en opspeelden, kwamen de Velagers en gingen vechten met die dronken mannen en staken ze overhoop. Maar met nuchtere lieden vochten ze nooit en ook niet als ze wisten, dat er nog één nuchter was, want die meldde het naar den koning van Bedekoog en die hield dan streng gericht. Zoo kwam het, dat men onder de Velagers veel mannen vond met één hand of één voet of één oog en lichtekooien, die men een borst had afgesneden omdat zij zich geleend hadden tot de onkuischheid van het „vreemde land”. Dit wisten de zeelieden en die lichtekooien werden dikwerf juist begeerd en zij liepen met bloote armen en soms naakt tot op den gordel en droegen lange kussens[31]om de heupen. Zoo zag men ze op de twee feesten ook op Bedekoog, wanneer ’t recht was opgeheven en de ban. Maar op de andere tijden mocht geen vrouw of man van Veloog den voet op Bedekoog zetten zonder den verlofring, die ze zichtbaar aan de slapen moesten dragen.KoningGoësde Groote, had de schatten van Bedekoog nog willen vermeerderen. Daar de zeelieden na slechte vaart wel vaak kleine geschenken gaven en anderen, door groote geschenken, onrechtvaardige voordeelen bedongen, steldehijeen vaste schatting in. De geschenken voor die van de zee kwamen werden vastgesteld naar het aantal riemen of de grootte der zeilen. En de geschenken van die van het land kwamen, naar het aantal der boomen en hun lengte.Die van de zee en die van het land hadden dat niet gewild, maar toen had koningGoëseen groot zeil rondom het eeuwige vuur gehangen en ’s nachts waren wel zeven schepen gestrand op de kust van de Velagers, die de bemanningen hadden uitgemoord en beroofd en toen hadden hun sprooksprekers grollen gemaakt op ’t heilige vuur, dat geen licht gaf en één grol werd tot ver in ’t land bekend.„Vier en fioord wàs in een land,Waar zijn toen de skigge gestrand?Eén op de plaat en twee op de plaats tot zeven,Lustig alle Velagers leven!”Toen hadden die van de zee toegestemd, maar die van ’t land, die den weg al wel wisten en ’s nachts niet voeren besloten een krijgsmacht op de been te brengen en zij zonden zendboden naar de Katten, en de Broekteren en de Frisen en de Kaninefaten. Die hadden allen hun legers gestuurd, want zij wisten wel dat de buit groot zou zijn behalve de Frisen, die alleen strijden als ze worden aangevallen maar niet op buit-gevecht uitgaan.Toen deBedekauwersde groote krijgsmacht zagen, werden zij beangst voor hun schatten en de zeelieden begonnen te mooren en zeiden, dat zij de schatting te hoog vonden.[32]De Velagers maakten zich gereed om over te komen om mede te deelen als de buit loskwam en hun vrouwen gingen al naar de framgo’s van den vijand om op te hitsen en vertelden van de groote rijkdommen.Toen zei KoningGoës, deBedekauwerszouden zich wapenen om zich te weer te stellen, maar deze begonnen te morren. Zij hadden al die jaren geen wapenoefeningen meer gehouden en zij hadden het leven te lief. Waarom zouden zij strijden en zich aan ’t gevaar van wonden blootstellen. Waren zij al niet rijk genoeg. Hadden zij geen overvloed ook zonder de vaste schatting? Zij wilden niet strijden en wenschten, dat de koning gijzelaars zou zenden naar de benden en zou doen vreezen, wat ze eischten om af te trekken.De koning schimpte zijn onderdanen voor lafaards en oude wijven, maar hij kon niet anders dan voorloopig toegeven en zond gijzelaars bood een losprijs aan. Dit brachten de vrouwen van Veloog dadelijk aan hun koning over en zoodra was de lafheid der Bedekauwers op Veloog bekend geworden, daar begonnen de Velagers met veel misbaar eveneens een deel van den losprijs te eischen. Zij dreigden zoowaar met een aanval en een hunner vrouwen wist eenaanvoerderder Kaninefaten om te praten, dat hij zeggen zoude, dat de Velagers ook rechten hadden op den losprijs.En zoo dan deelden de Velagers in ’t losgeld. Zij bekwamen veertig runderen, tachtig zakken graan, vier purperen en twee groene overkleederen, een gouden ring voor den koning, drie vederen uit de staart van den wondervogel Lorre behalve nog honig, kaas, acht vaten wijn uit Massilia, en ’t recht om aan de fioord een meê-schenke te openen, waar hun vrouwen zouden bedienen.Toen was er groote vreugde op Veloog, waar men, aan armoede en soberheid gewend, levende van de hand in de tand, voortaan hoopte altoos door veel geschreeuw en[33]en misbaar, de Bedekauwers tot schatting te kunnen dwingen. De runderen werden geslacht, een groot gastmaal aangericht en vier dagen achtereen was het feesten en zwelgen op Veloog, waarbij de sproke-sprekers voor de pret zorgden en tot ver in ’t land werd één grol bekend, luidende:„Wie riepen meer! meer! uit het meer!Tot meer van ’t meer nam een keer,En Lorre liet zijn veerAan des Velagers heer?”Maar koning Goës waakte en zon, want hij was zeer verbeten en belust op schatten.[34]

[Inhoud]HOOFDSTUK IV.Nabij de zee, naar de richting van het land der Kaninefaten lagen twee groote eilanden, Veloog en Bedekoog. Ze waren bijna even groot maar Veloog was zandig en dor en Bedekoog vettig en groen. Veloog was rondom door zandbanken omgeven en stak hoog boven de zee uit. Bedekoog was laag aan de zee gelegen, zoodat de bewoners op terpen en in paalwoningen huisden en op de bergloo, die het eiland naar de landzijde afsloot, den tempel, den koningshof en de groote veestal hadden opgericht. Want als de zeegeest woedde, stroomde soms het water over ’t geheele eiland en dan was ’t alleen veilig op de terpen en in de huizen en op de bergloo, waar dan al ’t vee van ’t geheele eiland werd heengedreven. De bewoners van Veloog waren arme lieden en de Velagers dienden den Bedekauwers als veeknechten, als roeiknechten en als grasmaaiers en hunne vrouwen en dochters als dienstmaagden, spinsters en lichtekooien. Velagers en Bedekauwers waren afstammelingen van dezelfde sipschaft en het was de wil van Nehalennia geweest, dat de twee stammen zoo van elkaar verschilden.Naar deheuchenisder priesters was in verre tijden, toen Tuisto de wereld had geschapen uit den leegen en duisteren afgrond in het land Iberia, dat nu de Massilianen bereizen om olie en granaatappels, de held Aujans geboren, die zich paarde met den ievermoer Beerd. Beerd baarde twee kinderen, Winnô, een jongeling en Harjasi, een maagd, die dadelijk na hun geboorte huwden en van den zeegeest een waterkoets kregen, waarin zij op de zeeën rondvoeren, getrokken[27]door de vier witte meerpaarden. Harjasi baarde Harimella, die bij een storm uit de koets sloeg en aan de kust van ’t eiland van Nehalennia aandreef. De godin wekte Harimella op, en gaf haar als woonplaats het eiland Bedekoog, dat toen nog aan ’t land verbonden was en waarvan Veloog een deel uitmaakte. De twee zonen van Harimella, die zij baarde zonder door een man bekend te zijn, groeiden op tot sterke mannen, die zich zeer onderscheiden van alle lieden, die men in het land der Frisen of Bataven en verder over den stroom Mesa en den stroom Rîn kende. Zij hadden blauwzwart haar en zwarte oogen en een okergele huid. Beiden kozen, toen zij volwassen waren, een gemalin uit de priesteressen van Nehalennia en weldra ontstond een nieuw, vreemd en schoon geslacht van menschen met zwarte oogen en blonde haren of blauwe oogen en zwarte haren. De vrouwen kleedden zich in groene gewaden, die zij verfden door koperstof in algensap te doen gisten. De mannen scheerden het gelaat geheel kaal en droegen het haar kort. De twee gemalinnen van Winnô en Harjasi nu, die afgunstig op elkaar waren, bliezen hun gemalen in, elkaar te beoorlogen. Elk hoopte zoo, alleenheerschers te worden. Winnô weigerde zich op zijn broeder te werpen maar Harjasi vatte het plan ’s nachts Winnô te doorsteken. Doch dit werd Nehalennia onthuld en zij riep den zeegeest op, die in den nacht, dat de broedermoord zou gebeuren en Harjasi met zijn gemalin en de geheele sipschaft, kinderen en kleinkinderen, meer dan vijf honderd, vereenigd waren, zijn hoofd verhief en de golven deed opzetten en den storm woeden zóó, dat één golf waarop de sipschaft van Harjasi stond afscheurde van het land, waar Winnô en de zijnen sliepen. Nu was Harjasi alleen-heerscher op dat eiland en keerde niet weer, hoewel het eiland arm was en zijn sipschaft sober, en ten laatste in dienstbaarheid leefde. Winnô bracht Nehalennia een offer van dankbaarheid, door het[28]kind, dat in den nacht van den scheidstorm geboren was in zijn sippe haar ter eere, den zeegod te brengen en deze, om zijn gunst te bewijzen, stak nogmaals zijn hoofd op en scheurde Winnô’s land van het land derKaninefatenzoodat nu voortaan de bergloo niet meer door deze bestormd en beroofd kon worden.Daar waren nu geslachten na geslachten overheen gegaan en Nehalennia bleef met haar gunst Bedekoog trouw, want alle weldaden werden over Bedekoog geschud uit den horen van Nehalennia. De zeevaarders van alle landen, die van hetPaarden-eiland, die van Massilia, die van Belligou, Galligou en van het „vreemde land”, kwamen met hun schepen in de diepe fioord van Bedekoog landen om te rusten of om te ruilen of om van daaruit verder landwaarts in te trekken, hun schepen in de fioord van Bedekoog onder bewaking achterlatend. En die uit de binnenlanden kwamen met hun vlotten en kanen langs de Skalde en langs de Rîn, bleven ankeren in de Bedekoogsche fioord. Boven op de bergloo stond de tempel en op het dak van den tempel werd het eeuwige vuur gebrand ter eere van Nehalennia, zoodat die op de skiggen in zee, zoowel als die op vlotten al van verre konden zien, waarheen zij den steven moesten richten en waar zij veilig waren.En alle die dan, brachten offers naar dan tempel en de koningen kregen geschenken, zooveel en zoo rijkelijk, want het zeevarende volk was gul, dat Bedekoog vermaardheid had tot ver in de wereld wegens de schatten en ook wegens de vele vreemdsoortige dingen, die daar te zien waren en die tweemaal ’s jaars, bij ’t begin van ’t jaar in den winter en bij ’t begin van het voorjaar, als de stroomen ontdooiden en de vlotten weder kwamen uit het binnenland, werden getoond met groote feestelijkheden. Daar waren dan wonderen, zooals in de wereld niet meer te zien zijn, zooals de heilige vogel Lorre, prachtig van vederen als geen andere, met een rooden staart en groene vleugels, die sprak[29]en zong en floot als een mensch. De gevlekte wonderkoe, die een hals had zoo hoog als een boom en niet van den grond at maar van de boomen. Dan de betooverde prins „Kórj”, die in het „vreemde land” was gevonden met drie van zijn vrouwen en door een Massiliaan medegebracht. De drie vrouwen waren gestorven maar „Kórj” leefde. Hij was geheel bebaard gelijk een wilde man of een dier en hij had geen voeten maar twee paar handen, een paar zooals de mensch en een paar, daar waar de mensch voeten heeft. Hij kon spreken maar wegens een betoovering deed hij het niet en hij kon in boomen klimmen, beter dan eenig mensch en hij was sterker dan een man en zéér boosaardig, zoodat hij achter traliën van brons was opgesloten. Dan waren er gouden drinkvaten en het Massiliaansche vuurglas, dat in de zon gehouden een lijnwaad in brand zette en waarmede op zonnewenddag het heilige vuur in den tempel werd ontstoken.Hoewel het land der Bedekauwers vruchtbaar was en er behalve gras ook graan kon groeien, behoefden de Bedekauwers al sinds lang niet meer te zaaien of te maaien. Want hun rijkdommen waren zoo groot, dat zij alles wat zij wenschten, konden ruilen en nog merkten zij niet, dat hun schatten verminderden. Daarom, wanneer er genoeg gemaaid was voor het vee der Bedekauwers, kregen de Velagers als loon al ’t overige gras dat te maaien was, ’t welk zij dan op kleine skiggen naar het arme Veloog roeiden.Daar groeide alleen dor, spits gras, goed slechts om geiten en bokken te voederen. De Velagers leefden van schelpdieren, van vogeleieren, van visch, van garnalen, van geitevleesch en van den afval van de Bedekauwers. Daarom ook werden ze door de Bedekauwers geminacht en door de geheele streek noemde men hen schraaiers of hompeloopers of grisebarden, omdat ze lange baarden droegen en allen in grauwe kleederen gingen, daar zij geen purperen of groenen of witten konden ruilen.[30]De Velagers waren bekend als spitsboeven en dieven en roovers, en als er een skig door den storm werd geworpen op hun zandbank, dan snelden zij toe en doodden de zeelieden en roofden alles. Ook hadden zij een kwade, scherpe tong en onder hen waren ook veel zonderlinge sprooksprekers, die liederen zongen waarom men moest lachen. Hun maagden waren onkuisch en kenden opwekkende dansen en soms, als er veel zeelieden in de fioord van Bedekoog lagen, dan gingen zij te samen naar Veloog over om naar de dansen te zien en met de maagden hun spel te drijven en de Massilianen kochten er lustknapen om mede te voeren naar het vreemde land. Maar welgeteld gingen de zeelieden er heen, om te weten, wanneer ze terugkwamen, dat geen hunner was achtergehouden of verstoken vermoord en geroofd en niets was gevaarlijker dan te luisteren naar de boerterij van de sprokezeggers. Want als men dan toehoorde en lachte en in zijn vroolijkheid aan niets dacht, dan om de grollen, dan kwamen de Velaagsche maagden en óók wel oude wijven of kleine kinderen en zij brachten groote schelpen met meê en de zeelieden dronken en hoe meer ze dronken, hoe meer ze lachten en dan slopen die wijven en die kinderen zachtjes nabij en stalen wat ze maar stelen konden van de beschonken zeelieden en als die dan ’t merkten en opspeelden, kwamen de Velagers en gingen vechten met die dronken mannen en staken ze overhoop. Maar met nuchtere lieden vochten ze nooit en ook niet als ze wisten, dat er nog één nuchter was, want die meldde het naar den koning van Bedekoog en die hield dan streng gericht. Zoo kwam het, dat men onder de Velagers veel mannen vond met één hand of één voet of één oog en lichtekooien, die men een borst had afgesneden omdat zij zich geleend hadden tot de onkuischheid van het „vreemde land”. Dit wisten de zeelieden en die lichtekooien werden dikwerf juist begeerd en zij liepen met bloote armen en soms naakt tot op den gordel en droegen lange kussens[31]om de heupen. Zoo zag men ze op de twee feesten ook op Bedekoog, wanneer ’t recht was opgeheven en de ban. Maar op de andere tijden mocht geen vrouw of man van Veloog den voet op Bedekoog zetten zonder den verlofring, die ze zichtbaar aan de slapen moesten dragen.KoningGoësde Groote, had de schatten van Bedekoog nog willen vermeerderen. Daar de zeelieden na slechte vaart wel vaak kleine geschenken gaven en anderen, door groote geschenken, onrechtvaardige voordeelen bedongen, steldehijeen vaste schatting in. De geschenken voor die van de zee kwamen werden vastgesteld naar het aantal riemen of de grootte der zeilen. En de geschenken van die van het land kwamen, naar het aantal der boomen en hun lengte.Die van de zee en die van het land hadden dat niet gewild, maar toen had koningGoëseen groot zeil rondom het eeuwige vuur gehangen en ’s nachts waren wel zeven schepen gestrand op de kust van de Velagers, die de bemanningen hadden uitgemoord en beroofd en toen hadden hun sprooksprekers grollen gemaakt op ’t heilige vuur, dat geen licht gaf en één grol werd tot ver in ’t land bekend.„Vier en fioord wàs in een land,Waar zijn toen de skigge gestrand?Eén op de plaat en twee op de plaats tot zeven,Lustig alle Velagers leven!”Toen hadden die van de zee toegestemd, maar die van ’t land, die den weg al wel wisten en ’s nachts niet voeren besloten een krijgsmacht op de been te brengen en zij zonden zendboden naar de Katten, en de Broekteren en de Frisen en de Kaninefaten. Die hadden allen hun legers gestuurd, want zij wisten wel dat de buit groot zou zijn behalve de Frisen, die alleen strijden als ze worden aangevallen maar niet op buit-gevecht uitgaan.Toen deBedekauwersde groote krijgsmacht zagen, werden zij beangst voor hun schatten en de zeelieden begonnen te mooren en zeiden, dat zij de schatting te hoog vonden.[32]De Velagers maakten zich gereed om over te komen om mede te deelen als de buit loskwam en hun vrouwen gingen al naar de framgo’s van den vijand om op te hitsen en vertelden van de groote rijkdommen.Toen zei KoningGoës, deBedekauwerszouden zich wapenen om zich te weer te stellen, maar deze begonnen te morren. Zij hadden al die jaren geen wapenoefeningen meer gehouden en zij hadden het leven te lief. Waarom zouden zij strijden en zich aan ’t gevaar van wonden blootstellen. Waren zij al niet rijk genoeg. Hadden zij geen overvloed ook zonder de vaste schatting? Zij wilden niet strijden en wenschten, dat de koning gijzelaars zou zenden naar de benden en zou doen vreezen, wat ze eischten om af te trekken.De koning schimpte zijn onderdanen voor lafaards en oude wijven, maar hij kon niet anders dan voorloopig toegeven en zond gijzelaars bood een losprijs aan. Dit brachten de vrouwen van Veloog dadelijk aan hun koning over en zoodra was de lafheid der Bedekauwers op Veloog bekend geworden, daar begonnen de Velagers met veel misbaar eveneens een deel van den losprijs te eischen. Zij dreigden zoowaar met een aanval en een hunner vrouwen wist eenaanvoerderder Kaninefaten om te praten, dat hij zeggen zoude, dat de Velagers ook rechten hadden op den losprijs.En zoo dan deelden de Velagers in ’t losgeld. Zij bekwamen veertig runderen, tachtig zakken graan, vier purperen en twee groene overkleederen, een gouden ring voor den koning, drie vederen uit de staart van den wondervogel Lorre behalve nog honig, kaas, acht vaten wijn uit Massilia, en ’t recht om aan de fioord een meê-schenke te openen, waar hun vrouwen zouden bedienen.Toen was er groote vreugde op Veloog, waar men, aan armoede en soberheid gewend, levende van de hand in de tand, voortaan hoopte altoos door veel geschreeuw en[33]en misbaar, de Bedekauwers tot schatting te kunnen dwingen. De runderen werden geslacht, een groot gastmaal aangericht en vier dagen achtereen was het feesten en zwelgen op Veloog, waarbij de sproke-sprekers voor de pret zorgden en tot ver in ’t land werd één grol bekend, luidende:„Wie riepen meer! meer! uit het meer!Tot meer van ’t meer nam een keer,En Lorre liet zijn veerAan des Velagers heer?”Maar koning Goës waakte en zon, want hij was zeer verbeten en belust op schatten.[34]

[Inhoud]HOOFDSTUK IV.Nabij de zee, naar de richting van het land der Kaninefaten lagen twee groote eilanden, Veloog en Bedekoog. Ze waren bijna even groot maar Veloog was zandig en dor en Bedekoog vettig en groen. Veloog was rondom door zandbanken omgeven en stak hoog boven de zee uit. Bedekoog was laag aan de zee gelegen, zoodat de bewoners op terpen en in paalwoningen huisden en op de bergloo, die het eiland naar de landzijde afsloot, den tempel, den koningshof en de groote veestal hadden opgericht. Want als de zeegeest woedde, stroomde soms het water over ’t geheele eiland en dan was ’t alleen veilig op de terpen en in de huizen en op de bergloo, waar dan al ’t vee van ’t geheele eiland werd heengedreven. De bewoners van Veloog waren arme lieden en de Velagers dienden den Bedekauwers als veeknechten, als roeiknechten en als grasmaaiers en hunne vrouwen en dochters als dienstmaagden, spinsters en lichtekooien. Velagers en Bedekauwers waren afstammelingen van dezelfde sipschaft en het was de wil van Nehalennia geweest, dat de twee stammen zoo van elkaar verschilden.Naar deheuchenisder priesters was in verre tijden, toen Tuisto de wereld had geschapen uit den leegen en duisteren afgrond in het land Iberia, dat nu de Massilianen bereizen om olie en granaatappels, de held Aujans geboren, die zich paarde met den ievermoer Beerd. Beerd baarde twee kinderen, Winnô, een jongeling en Harjasi, een maagd, die dadelijk na hun geboorte huwden en van den zeegeest een waterkoets kregen, waarin zij op de zeeën rondvoeren, getrokken[27]door de vier witte meerpaarden. Harjasi baarde Harimella, die bij een storm uit de koets sloeg en aan de kust van ’t eiland van Nehalennia aandreef. De godin wekte Harimella op, en gaf haar als woonplaats het eiland Bedekoog, dat toen nog aan ’t land verbonden was en waarvan Veloog een deel uitmaakte. De twee zonen van Harimella, die zij baarde zonder door een man bekend te zijn, groeiden op tot sterke mannen, die zich zeer onderscheiden van alle lieden, die men in het land der Frisen of Bataven en verder over den stroom Mesa en den stroom Rîn kende. Zij hadden blauwzwart haar en zwarte oogen en een okergele huid. Beiden kozen, toen zij volwassen waren, een gemalin uit de priesteressen van Nehalennia en weldra ontstond een nieuw, vreemd en schoon geslacht van menschen met zwarte oogen en blonde haren of blauwe oogen en zwarte haren. De vrouwen kleedden zich in groene gewaden, die zij verfden door koperstof in algensap te doen gisten. De mannen scheerden het gelaat geheel kaal en droegen het haar kort. De twee gemalinnen van Winnô en Harjasi nu, die afgunstig op elkaar waren, bliezen hun gemalen in, elkaar te beoorlogen. Elk hoopte zoo, alleenheerschers te worden. Winnô weigerde zich op zijn broeder te werpen maar Harjasi vatte het plan ’s nachts Winnô te doorsteken. Doch dit werd Nehalennia onthuld en zij riep den zeegeest op, die in den nacht, dat de broedermoord zou gebeuren en Harjasi met zijn gemalin en de geheele sipschaft, kinderen en kleinkinderen, meer dan vijf honderd, vereenigd waren, zijn hoofd verhief en de golven deed opzetten en den storm woeden zóó, dat één golf waarop de sipschaft van Harjasi stond afscheurde van het land, waar Winnô en de zijnen sliepen. Nu was Harjasi alleen-heerscher op dat eiland en keerde niet weer, hoewel het eiland arm was en zijn sipschaft sober, en ten laatste in dienstbaarheid leefde. Winnô bracht Nehalennia een offer van dankbaarheid, door het[28]kind, dat in den nacht van den scheidstorm geboren was in zijn sippe haar ter eere, den zeegod te brengen en deze, om zijn gunst te bewijzen, stak nogmaals zijn hoofd op en scheurde Winnô’s land van het land derKaninefatenzoodat nu voortaan de bergloo niet meer door deze bestormd en beroofd kon worden.Daar waren nu geslachten na geslachten overheen gegaan en Nehalennia bleef met haar gunst Bedekoog trouw, want alle weldaden werden over Bedekoog geschud uit den horen van Nehalennia. De zeevaarders van alle landen, die van hetPaarden-eiland, die van Massilia, die van Belligou, Galligou en van het „vreemde land”, kwamen met hun schepen in de diepe fioord van Bedekoog landen om te rusten of om te ruilen of om van daaruit verder landwaarts in te trekken, hun schepen in de fioord van Bedekoog onder bewaking achterlatend. En die uit de binnenlanden kwamen met hun vlotten en kanen langs de Skalde en langs de Rîn, bleven ankeren in de Bedekoogsche fioord. Boven op de bergloo stond de tempel en op het dak van den tempel werd het eeuwige vuur gebrand ter eere van Nehalennia, zoodat die op de skiggen in zee, zoowel als die op vlotten al van verre konden zien, waarheen zij den steven moesten richten en waar zij veilig waren.En alle die dan, brachten offers naar dan tempel en de koningen kregen geschenken, zooveel en zoo rijkelijk, want het zeevarende volk was gul, dat Bedekoog vermaardheid had tot ver in de wereld wegens de schatten en ook wegens de vele vreemdsoortige dingen, die daar te zien waren en die tweemaal ’s jaars, bij ’t begin van ’t jaar in den winter en bij ’t begin van het voorjaar, als de stroomen ontdooiden en de vlotten weder kwamen uit het binnenland, werden getoond met groote feestelijkheden. Daar waren dan wonderen, zooals in de wereld niet meer te zien zijn, zooals de heilige vogel Lorre, prachtig van vederen als geen andere, met een rooden staart en groene vleugels, die sprak[29]en zong en floot als een mensch. De gevlekte wonderkoe, die een hals had zoo hoog als een boom en niet van den grond at maar van de boomen. Dan de betooverde prins „Kórj”, die in het „vreemde land” was gevonden met drie van zijn vrouwen en door een Massiliaan medegebracht. De drie vrouwen waren gestorven maar „Kórj” leefde. Hij was geheel bebaard gelijk een wilde man of een dier en hij had geen voeten maar twee paar handen, een paar zooals de mensch en een paar, daar waar de mensch voeten heeft. Hij kon spreken maar wegens een betoovering deed hij het niet en hij kon in boomen klimmen, beter dan eenig mensch en hij was sterker dan een man en zéér boosaardig, zoodat hij achter traliën van brons was opgesloten. Dan waren er gouden drinkvaten en het Massiliaansche vuurglas, dat in de zon gehouden een lijnwaad in brand zette en waarmede op zonnewenddag het heilige vuur in den tempel werd ontstoken.Hoewel het land der Bedekauwers vruchtbaar was en er behalve gras ook graan kon groeien, behoefden de Bedekauwers al sinds lang niet meer te zaaien of te maaien. Want hun rijkdommen waren zoo groot, dat zij alles wat zij wenschten, konden ruilen en nog merkten zij niet, dat hun schatten verminderden. Daarom, wanneer er genoeg gemaaid was voor het vee der Bedekauwers, kregen de Velagers als loon al ’t overige gras dat te maaien was, ’t welk zij dan op kleine skiggen naar het arme Veloog roeiden.Daar groeide alleen dor, spits gras, goed slechts om geiten en bokken te voederen. De Velagers leefden van schelpdieren, van vogeleieren, van visch, van garnalen, van geitevleesch en van den afval van de Bedekauwers. Daarom ook werden ze door de Bedekauwers geminacht en door de geheele streek noemde men hen schraaiers of hompeloopers of grisebarden, omdat ze lange baarden droegen en allen in grauwe kleederen gingen, daar zij geen purperen of groenen of witten konden ruilen.[30]De Velagers waren bekend als spitsboeven en dieven en roovers, en als er een skig door den storm werd geworpen op hun zandbank, dan snelden zij toe en doodden de zeelieden en roofden alles. Ook hadden zij een kwade, scherpe tong en onder hen waren ook veel zonderlinge sprooksprekers, die liederen zongen waarom men moest lachen. Hun maagden waren onkuisch en kenden opwekkende dansen en soms, als er veel zeelieden in de fioord van Bedekoog lagen, dan gingen zij te samen naar Veloog over om naar de dansen te zien en met de maagden hun spel te drijven en de Massilianen kochten er lustknapen om mede te voeren naar het vreemde land. Maar welgeteld gingen de zeelieden er heen, om te weten, wanneer ze terugkwamen, dat geen hunner was achtergehouden of verstoken vermoord en geroofd en niets was gevaarlijker dan te luisteren naar de boerterij van de sprokezeggers. Want als men dan toehoorde en lachte en in zijn vroolijkheid aan niets dacht, dan om de grollen, dan kwamen de Velaagsche maagden en óók wel oude wijven of kleine kinderen en zij brachten groote schelpen met meê en de zeelieden dronken en hoe meer ze dronken, hoe meer ze lachten en dan slopen die wijven en die kinderen zachtjes nabij en stalen wat ze maar stelen konden van de beschonken zeelieden en als die dan ’t merkten en opspeelden, kwamen de Velagers en gingen vechten met die dronken mannen en staken ze overhoop. Maar met nuchtere lieden vochten ze nooit en ook niet als ze wisten, dat er nog één nuchter was, want die meldde het naar den koning van Bedekoog en die hield dan streng gericht. Zoo kwam het, dat men onder de Velagers veel mannen vond met één hand of één voet of één oog en lichtekooien, die men een borst had afgesneden omdat zij zich geleend hadden tot de onkuischheid van het „vreemde land”. Dit wisten de zeelieden en die lichtekooien werden dikwerf juist begeerd en zij liepen met bloote armen en soms naakt tot op den gordel en droegen lange kussens[31]om de heupen. Zoo zag men ze op de twee feesten ook op Bedekoog, wanneer ’t recht was opgeheven en de ban. Maar op de andere tijden mocht geen vrouw of man van Veloog den voet op Bedekoog zetten zonder den verlofring, die ze zichtbaar aan de slapen moesten dragen.KoningGoësde Groote, had de schatten van Bedekoog nog willen vermeerderen. Daar de zeelieden na slechte vaart wel vaak kleine geschenken gaven en anderen, door groote geschenken, onrechtvaardige voordeelen bedongen, steldehijeen vaste schatting in. De geschenken voor die van de zee kwamen werden vastgesteld naar het aantal riemen of de grootte der zeilen. En de geschenken van die van het land kwamen, naar het aantal der boomen en hun lengte.Die van de zee en die van het land hadden dat niet gewild, maar toen had koningGoëseen groot zeil rondom het eeuwige vuur gehangen en ’s nachts waren wel zeven schepen gestrand op de kust van de Velagers, die de bemanningen hadden uitgemoord en beroofd en toen hadden hun sprooksprekers grollen gemaakt op ’t heilige vuur, dat geen licht gaf en één grol werd tot ver in ’t land bekend.„Vier en fioord wàs in een land,Waar zijn toen de skigge gestrand?Eén op de plaat en twee op de plaats tot zeven,Lustig alle Velagers leven!”Toen hadden die van de zee toegestemd, maar die van ’t land, die den weg al wel wisten en ’s nachts niet voeren besloten een krijgsmacht op de been te brengen en zij zonden zendboden naar de Katten, en de Broekteren en de Frisen en de Kaninefaten. Die hadden allen hun legers gestuurd, want zij wisten wel dat de buit groot zou zijn behalve de Frisen, die alleen strijden als ze worden aangevallen maar niet op buit-gevecht uitgaan.Toen deBedekauwersde groote krijgsmacht zagen, werden zij beangst voor hun schatten en de zeelieden begonnen te mooren en zeiden, dat zij de schatting te hoog vonden.[32]De Velagers maakten zich gereed om over te komen om mede te deelen als de buit loskwam en hun vrouwen gingen al naar de framgo’s van den vijand om op te hitsen en vertelden van de groote rijkdommen.Toen zei KoningGoës, deBedekauwerszouden zich wapenen om zich te weer te stellen, maar deze begonnen te morren. Zij hadden al die jaren geen wapenoefeningen meer gehouden en zij hadden het leven te lief. Waarom zouden zij strijden en zich aan ’t gevaar van wonden blootstellen. Waren zij al niet rijk genoeg. Hadden zij geen overvloed ook zonder de vaste schatting? Zij wilden niet strijden en wenschten, dat de koning gijzelaars zou zenden naar de benden en zou doen vreezen, wat ze eischten om af te trekken.De koning schimpte zijn onderdanen voor lafaards en oude wijven, maar hij kon niet anders dan voorloopig toegeven en zond gijzelaars bood een losprijs aan. Dit brachten de vrouwen van Veloog dadelijk aan hun koning over en zoodra was de lafheid der Bedekauwers op Veloog bekend geworden, daar begonnen de Velagers met veel misbaar eveneens een deel van den losprijs te eischen. Zij dreigden zoowaar met een aanval en een hunner vrouwen wist eenaanvoerderder Kaninefaten om te praten, dat hij zeggen zoude, dat de Velagers ook rechten hadden op den losprijs.En zoo dan deelden de Velagers in ’t losgeld. Zij bekwamen veertig runderen, tachtig zakken graan, vier purperen en twee groene overkleederen, een gouden ring voor den koning, drie vederen uit de staart van den wondervogel Lorre behalve nog honig, kaas, acht vaten wijn uit Massilia, en ’t recht om aan de fioord een meê-schenke te openen, waar hun vrouwen zouden bedienen.Toen was er groote vreugde op Veloog, waar men, aan armoede en soberheid gewend, levende van de hand in de tand, voortaan hoopte altoos door veel geschreeuw en[33]en misbaar, de Bedekauwers tot schatting te kunnen dwingen. De runderen werden geslacht, een groot gastmaal aangericht en vier dagen achtereen was het feesten en zwelgen op Veloog, waarbij de sproke-sprekers voor de pret zorgden en tot ver in ’t land werd één grol bekend, luidende:„Wie riepen meer! meer! uit het meer!Tot meer van ’t meer nam een keer,En Lorre liet zijn veerAan des Velagers heer?”Maar koning Goës waakte en zon, want hij was zeer verbeten en belust op schatten.[34]

HOOFDSTUK IV.

Nabij de zee, naar de richting van het land der Kaninefaten lagen twee groote eilanden, Veloog en Bedekoog. Ze waren bijna even groot maar Veloog was zandig en dor en Bedekoog vettig en groen. Veloog was rondom door zandbanken omgeven en stak hoog boven de zee uit. Bedekoog was laag aan de zee gelegen, zoodat de bewoners op terpen en in paalwoningen huisden en op de bergloo, die het eiland naar de landzijde afsloot, den tempel, den koningshof en de groote veestal hadden opgericht. Want als de zeegeest woedde, stroomde soms het water over ’t geheele eiland en dan was ’t alleen veilig op de terpen en in de huizen en op de bergloo, waar dan al ’t vee van ’t geheele eiland werd heengedreven. De bewoners van Veloog waren arme lieden en de Velagers dienden den Bedekauwers als veeknechten, als roeiknechten en als grasmaaiers en hunne vrouwen en dochters als dienstmaagden, spinsters en lichtekooien. Velagers en Bedekauwers waren afstammelingen van dezelfde sipschaft en het was de wil van Nehalennia geweest, dat de twee stammen zoo van elkaar verschilden.Naar deheuchenisder priesters was in verre tijden, toen Tuisto de wereld had geschapen uit den leegen en duisteren afgrond in het land Iberia, dat nu de Massilianen bereizen om olie en granaatappels, de held Aujans geboren, die zich paarde met den ievermoer Beerd. Beerd baarde twee kinderen, Winnô, een jongeling en Harjasi, een maagd, die dadelijk na hun geboorte huwden en van den zeegeest een waterkoets kregen, waarin zij op de zeeën rondvoeren, getrokken[27]door de vier witte meerpaarden. Harjasi baarde Harimella, die bij een storm uit de koets sloeg en aan de kust van ’t eiland van Nehalennia aandreef. De godin wekte Harimella op, en gaf haar als woonplaats het eiland Bedekoog, dat toen nog aan ’t land verbonden was en waarvan Veloog een deel uitmaakte. De twee zonen van Harimella, die zij baarde zonder door een man bekend te zijn, groeiden op tot sterke mannen, die zich zeer onderscheiden van alle lieden, die men in het land der Frisen of Bataven en verder over den stroom Mesa en den stroom Rîn kende. Zij hadden blauwzwart haar en zwarte oogen en een okergele huid. Beiden kozen, toen zij volwassen waren, een gemalin uit de priesteressen van Nehalennia en weldra ontstond een nieuw, vreemd en schoon geslacht van menschen met zwarte oogen en blonde haren of blauwe oogen en zwarte haren. De vrouwen kleedden zich in groene gewaden, die zij verfden door koperstof in algensap te doen gisten. De mannen scheerden het gelaat geheel kaal en droegen het haar kort. De twee gemalinnen van Winnô en Harjasi nu, die afgunstig op elkaar waren, bliezen hun gemalen in, elkaar te beoorlogen. Elk hoopte zoo, alleenheerschers te worden. Winnô weigerde zich op zijn broeder te werpen maar Harjasi vatte het plan ’s nachts Winnô te doorsteken. Doch dit werd Nehalennia onthuld en zij riep den zeegeest op, die in den nacht, dat de broedermoord zou gebeuren en Harjasi met zijn gemalin en de geheele sipschaft, kinderen en kleinkinderen, meer dan vijf honderd, vereenigd waren, zijn hoofd verhief en de golven deed opzetten en den storm woeden zóó, dat één golf waarop de sipschaft van Harjasi stond afscheurde van het land, waar Winnô en de zijnen sliepen. Nu was Harjasi alleen-heerscher op dat eiland en keerde niet weer, hoewel het eiland arm was en zijn sipschaft sober, en ten laatste in dienstbaarheid leefde. Winnô bracht Nehalennia een offer van dankbaarheid, door het[28]kind, dat in den nacht van den scheidstorm geboren was in zijn sippe haar ter eere, den zeegod te brengen en deze, om zijn gunst te bewijzen, stak nogmaals zijn hoofd op en scheurde Winnô’s land van het land derKaninefatenzoodat nu voortaan de bergloo niet meer door deze bestormd en beroofd kon worden.Daar waren nu geslachten na geslachten overheen gegaan en Nehalennia bleef met haar gunst Bedekoog trouw, want alle weldaden werden over Bedekoog geschud uit den horen van Nehalennia. De zeevaarders van alle landen, die van hetPaarden-eiland, die van Massilia, die van Belligou, Galligou en van het „vreemde land”, kwamen met hun schepen in de diepe fioord van Bedekoog landen om te rusten of om te ruilen of om van daaruit verder landwaarts in te trekken, hun schepen in de fioord van Bedekoog onder bewaking achterlatend. En die uit de binnenlanden kwamen met hun vlotten en kanen langs de Skalde en langs de Rîn, bleven ankeren in de Bedekoogsche fioord. Boven op de bergloo stond de tempel en op het dak van den tempel werd het eeuwige vuur gebrand ter eere van Nehalennia, zoodat die op de skiggen in zee, zoowel als die op vlotten al van verre konden zien, waarheen zij den steven moesten richten en waar zij veilig waren.En alle die dan, brachten offers naar dan tempel en de koningen kregen geschenken, zooveel en zoo rijkelijk, want het zeevarende volk was gul, dat Bedekoog vermaardheid had tot ver in de wereld wegens de schatten en ook wegens de vele vreemdsoortige dingen, die daar te zien waren en die tweemaal ’s jaars, bij ’t begin van ’t jaar in den winter en bij ’t begin van het voorjaar, als de stroomen ontdooiden en de vlotten weder kwamen uit het binnenland, werden getoond met groote feestelijkheden. Daar waren dan wonderen, zooals in de wereld niet meer te zien zijn, zooals de heilige vogel Lorre, prachtig van vederen als geen andere, met een rooden staart en groene vleugels, die sprak[29]en zong en floot als een mensch. De gevlekte wonderkoe, die een hals had zoo hoog als een boom en niet van den grond at maar van de boomen. Dan de betooverde prins „Kórj”, die in het „vreemde land” was gevonden met drie van zijn vrouwen en door een Massiliaan medegebracht. De drie vrouwen waren gestorven maar „Kórj” leefde. Hij was geheel bebaard gelijk een wilde man of een dier en hij had geen voeten maar twee paar handen, een paar zooals de mensch en een paar, daar waar de mensch voeten heeft. Hij kon spreken maar wegens een betoovering deed hij het niet en hij kon in boomen klimmen, beter dan eenig mensch en hij was sterker dan een man en zéér boosaardig, zoodat hij achter traliën van brons was opgesloten. Dan waren er gouden drinkvaten en het Massiliaansche vuurglas, dat in de zon gehouden een lijnwaad in brand zette en waarmede op zonnewenddag het heilige vuur in den tempel werd ontstoken.Hoewel het land der Bedekauwers vruchtbaar was en er behalve gras ook graan kon groeien, behoefden de Bedekauwers al sinds lang niet meer te zaaien of te maaien. Want hun rijkdommen waren zoo groot, dat zij alles wat zij wenschten, konden ruilen en nog merkten zij niet, dat hun schatten verminderden. Daarom, wanneer er genoeg gemaaid was voor het vee der Bedekauwers, kregen de Velagers als loon al ’t overige gras dat te maaien was, ’t welk zij dan op kleine skiggen naar het arme Veloog roeiden.Daar groeide alleen dor, spits gras, goed slechts om geiten en bokken te voederen. De Velagers leefden van schelpdieren, van vogeleieren, van visch, van garnalen, van geitevleesch en van den afval van de Bedekauwers. Daarom ook werden ze door de Bedekauwers geminacht en door de geheele streek noemde men hen schraaiers of hompeloopers of grisebarden, omdat ze lange baarden droegen en allen in grauwe kleederen gingen, daar zij geen purperen of groenen of witten konden ruilen.[30]De Velagers waren bekend als spitsboeven en dieven en roovers, en als er een skig door den storm werd geworpen op hun zandbank, dan snelden zij toe en doodden de zeelieden en roofden alles. Ook hadden zij een kwade, scherpe tong en onder hen waren ook veel zonderlinge sprooksprekers, die liederen zongen waarom men moest lachen. Hun maagden waren onkuisch en kenden opwekkende dansen en soms, als er veel zeelieden in de fioord van Bedekoog lagen, dan gingen zij te samen naar Veloog over om naar de dansen te zien en met de maagden hun spel te drijven en de Massilianen kochten er lustknapen om mede te voeren naar het vreemde land. Maar welgeteld gingen de zeelieden er heen, om te weten, wanneer ze terugkwamen, dat geen hunner was achtergehouden of verstoken vermoord en geroofd en niets was gevaarlijker dan te luisteren naar de boerterij van de sprokezeggers. Want als men dan toehoorde en lachte en in zijn vroolijkheid aan niets dacht, dan om de grollen, dan kwamen de Velaagsche maagden en óók wel oude wijven of kleine kinderen en zij brachten groote schelpen met meê en de zeelieden dronken en hoe meer ze dronken, hoe meer ze lachten en dan slopen die wijven en die kinderen zachtjes nabij en stalen wat ze maar stelen konden van de beschonken zeelieden en als die dan ’t merkten en opspeelden, kwamen de Velagers en gingen vechten met die dronken mannen en staken ze overhoop. Maar met nuchtere lieden vochten ze nooit en ook niet als ze wisten, dat er nog één nuchter was, want die meldde het naar den koning van Bedekoog en die hield dan streng gericht. Zoo kwam het, dat men onder de Velagers veel mannen vond met één hand of één voet of één oog en lichtekooien, die men een borst had afgesneden omdat zij zich geleend hadden tot de onkuischheid van het „vreemde land”. Dit wisten de zeelieden en die lichtekooien werden dikwerf juist begeerd en zij liepen met bloote armen en soms naakt tot op den gordel en droegen lange kussens[31]om de heupen. Zoo zag men ze op de twee feesten ook op Bedekoog, wanneer ’t recht was opgeheven en de ban. Maar op de andere tijden mocht geen vrouw of man van Veloog den voet op Bedekoog zetten zonder den verlofring, die ze zichtbaar aan de slapen moesten dragen.KoningGoësde Groote, had de schatten van Bedekoog nog willen vermeerderen. Daar de zeelieden na slechte vaart wel vaak kleine geschenken gaven en anderen, door groote geschenken, onrechtvaardige voordeelen bedongen, steldehijeen vaste schatting in. De geschenken voor die van de zee kwamen werden vastgesteld naar het aantal riemen of de grootte der zeilen. En de geschenken van die van het land kwamen, naar het aantal der boomen en hun lengte.Die van de zee en die van het land hadden dat niet gewild, maar toen had koningGoëseen groot zeil rondom het eeuwige vuur gehangen en ’s nachts waren wel zeven schepen gestrand op de kust van de Velagers, die de bemanningen hadden uitgemoord en beroofd en toen hadden hun sprooksprekers grollen gemaakt op ’t heilige vuur, dat geen licht gaf en één grol werd tot ver in ’t land bekend.„Vier en fioord wàs in een land,Waar zijn toen de skigge gestrand?Eén op de plaat en twee op de plaats tot zeven,Lustig alle Velagers leven!”Toen hadden die van de zee toegestemd, maar die van ’t land, die den weg al wel wisten en ’s nachts niet voeren besloten een krijgsmacht op de been te brengen en zij zonden zendboden naar de Katten, en de Broekteren en de Frisen en de Kaninefaten. Die hadden allen hun legers gestuurd, want zij wisten wel dat de buit groot zou zijn behalve de Frisen, die alleen strijden als ze worden aangevallen maar niet op buit-gevecht uitgaan.Toen deBedekauwersde groote krijgsmacht zagen, werden zij beangst voor hun schatten en de zeelieden begonnen te mooren en zeiden, dat zij de schatting te hoog vonden.[32]De Velagers maakten zich gereed om over te komen om mede te deelen als de buit loskwam en hun vrouwen gingen al naar de framgo’s van den vijand om op te hitsen en vertelden van de groote rijkdommen.Toen zei KoningGoës, deBedekauwerszouden zich wapenen om zich te weer te stellen, maar deze begonnen te morren. Zij hadden al die jaren geen wapenoefeningen meer gehouden en zij hadden het leven te lief. Waarom zouden zij strijden en zich aan ’t gevaar van wonden blootstellen. Waren zij al niet rijk genoeg. Hadden zij geen overvloed ook zonder de vaste schatting? Zij wilden niet strijden en wenschten, dat de koning gijzelaars zou zenden naar de benden en zou doen vreezen, wat ze eischten om af te trekken.De koning schimpte zijn onderdanen voor lafaards en oude wijven, maar hij kon niet anders dan voorloopig toegeven en zond gijzelaars bood een losprijs aan. Dit brachten de vrouwen van Veloog dadelijk aan hun koning over en zoodra was de lafheid der Bedekauwers op Veloog bekend geworden, daar begonnen de Velagers met veel misbaar eveneens een deel van den losprijs te eischen. Zij dreigden zoowaar met een aanval en een hunner vrouwen wist eenaanvoerderder Kaninefaten om te praten, dat hij zeggen zoude, dat de Velagers ook rechten hadden op den losprijs.En zoo dan deelden de Velagers in ’t losgeld. Zij bekwamen veertig runderen, tachtig zakken graan, vier purperen en twee groene overkleederen, een gouden ring voor den koning, drie vederen uit de staart van den wondervogel Lorre behalve nog honig, kaas, acht vaten wijn uit Massilia, en ’t recht om aan de fioord een meê-schenke te openen, waar hun vrouwen zouden bedienen.Toen was er groote vreugde op Veloog, waar men, aan armoede en soberheid gewend, levende van de hand in de tand, voortaan hoopte altoos door veel geschreeuw en[33]en misbaar, de Bedekauwers tot schatting te kunnen dwingen. De runderen werden geslacht, een groot gastmaal aangericht en vier dagen achtereen was het feesten en zwelgen op Veloog, waarbij de sproke-sprekers voor de pret zorgden en tot ver in ’t land werd één grol bekend, luidende:„Wie riepen meer! meer! uit het meer!Tot meer van ’t meer nam een keer,En Lorre liet zijn veerAan des Velagers heer?”Maar koning Goës waakte en zon, want hij was zeer verbeten en belust op schatten.[34]

Nabij de zee, naar de richting van het land der Kaninefaten lagen twee groote eilanden, Veloog en Bedekoog. Ze waren bijna even groot maar Veloog was zandig en dor en Bedekoog vettig en groen. Veloog was rondom door zandbanken omgeven en stak hoog boven de zee uit. Bedekoog was laag aan de zee gelegen, zoodat de bewoners op terpen en in paalwoningen huisden en op de bergloo, die het eiland naar de landzijde afsloot, den tempel, den koningshof en de groote veestal hadden opgericht. Want als de zeegeest woedde, stroomde soms het water over ’t geheele eiland en dan was ’t alleen veilig op de terpen en in de huizen en op de bergloo, waar dan al ’t vee van ’t geheele eiland werd heengedreven. De bewoners van Veloog waren arme lieden en de Velagers dienden den Bedekauwers als veeknechten, als roeiknechten en als grasmaaiers en hunne vrouwen en dochters als dienstmaagden, spinsters en lichtekooien. Velagers en Bedekauwers waren afstammelingen van dezelfde sipschaft en het was de wil van Nehalennia geweest, dat de twee stammen zoo van elkaar verschilden.

Naar deheuchenisder priesters was in verre tijden, toen Tuisto de wereld had geschapen uit den leegen en duisteren afgrond in het land Iberia, dat nu de Massilianen bereizen om olie en granaatappels, de held Aujans geboren, die zich paarde met den ievermoer Beerd. Beerd baarde twee kinderen, Winnô, een jongeling en Harjasi, een maagd, die dadelijk na hun geboorte huwden en van den zeegeest een waterkoets kregen, waarin zij op de zeeën rondvoeren, getrokken[27]door de vier witte meerpaarden. Harjasi baarde Harimella, die bij een storm uit de koets sloeg en aan de kust van ’t eiland van Nehalennia aandreef. De godin wekte Harimella op, en gaf haar als woonplaats het eiland Bedekoog, dat toen nog aan ’t land verbonden was en waarvan Veloog een deel uitmaakte. De twee zonen van Harimella, die zij baarde zonder door een man bekend te zijn, groeiden op tot sterke mannen, die zich zeer onderscheiden van alle lieden, die men in het land der Frisen of Bataven en verder over den stroom Mesa en den stroom Rîn kende. Zij hadden blauwzwart haar en zwarte oogen en een okergele huid. Beiden kozen, toen zij volwassen waren, een gemalin uit de priesteressen van Nehalennia en weldra ontstond een nieuw, vreemd en schoon geslacht van menschen met zwarte oogen en blonde haren of blauwe oogen en zwarte haren. De vrouwen kleedden zich in groene gewaden, die zij verfden door koperstof in algensap te doen gisten. De mannen scheerden het gelaat geheel kaal en droegen het haar kort. De twee gemalinnen van Winnô en Harjasi nu, die afgunstig op elkaar waren, bliezen hun gemalen in, elkaar te beoorlogen. Elk hoopte zoo, alleenheerschers te worden. Winnô weigerde zich op zijn broeder te werpen maar Harjasi vatte het plan ’s nachts Winnô te doorsteken. Doch dit werd Nehalennia onthuld en zij riep den zeegeest op, die in den nacht, dat de broedermoord zou gebeuren en Harjasi met zijn gemalin en de geheele sipschaft, kinderen en kleinkinderen, meer dan vijf honderd, vereenigd waren, zijn hoofd verhief en de golven deed opzetten en den storm woeden zóó, dat één golf waarop de sipschaft van Harjasi stond afscheurde van het land, waar Winnô en de zijnen sliepen. Nu was Harjasi alleen-heerscher op dat eiland en keerde niet weer, hoewel het eiland arm was en zijn sipschaft sober, en ten laatste in dienstbaarheid leefde. Winnô bracht Nehalennia een offer van dankbaarheid, door het[28]kind, dat in den nacht van den scheidstorm geboren was in zijn sippe haar ter eere, den zeegod te brengen en deze, om zijn gunst te bewijzen, stak nogmaals zijn hoofd op en scheurde Winnô’s land van het land derKaninefatenzoodat nu voortaan de bergloo niet meer door deze bestormd en beroofd kon worden.

Daar waren nu geslachten na geslachten overheen gegaan en Nehalennia bleef met haar gunst Bedekoog trouw, want alle weldaden werden over Bedekoog geschud uit den horen van Nehalennia. De zeevaarders van alle landen, die van hetPaarden-eiland, die van Massilia, die van Belligou, Galligou en van het „vreemde land”, kwamen met hun schepen in de diepe fioord van Bedekoog landen om te rusten of om te ruilen of om van daaruit verder landwaarts in te trekken, hun schepen in de fioord van Bedekoog onder bewaking achterlatend. En die uit de binnenlanden kwamen met hun vlotten en kanen langs de Skalde en langs de Rîn, bleven ankeren in de Bedekoogsche fioord. Boven op de bergloo stond de tempel en op het dak van den tempel werd het eeuwige vuur gebrand ter eere van Nehalennia, zoodat die op de skiggen in zee, zoowel als die op vlotten al van verre konden zien, waarheen zij den steven moesten richten en waar zij veilig waren.

En alle die dan, brachten offers naar dan tempel en de koningen kregen geschenken, zooveel en zoo rijkelijk, want het zeevarende volk was gul, dat Bedekoog vermaardheid had tot ver in de wereld wegens de schatten en ook wegens de vele vreemdsoortige dingen, die daar te zien waren en die tweemaal ’s jaars, bij ’t begin van ’t jaar in den winter en bij ’t begin van het voorjaar, als de stroomen ontdooiden en de vlotten weder kwamen uit het binnenland, werden getoond met groote feestelijkheden. Daar waren dan wonderen, zooals in de wereld niet meer te zien zijn, zooals de heilige vogel Lorre, prachtig van vederen als geen andere, met een rooden staart en groene vleugels, die sprak[29]en zong en floot als een mensch. De gevlekte wonderkoe, die een hals had zoo hoog als een boom en niet van den grond at maar van de boomen. Dan de betooverde prins „Kórj”, die in het „vreemde land” was gevonden met drie van zijn vrouwen en door een Massiliaan medegebracht. De drie vrouwen waren gestorven maar „Kórj” leefde. Hij was geheel bebaard gelijk een wilde man of een dier en hij had geen voeten maar twee paar handen, een paar zooals de mensch en een paar, daar waar de mensch voeten heeft. Hij kon spreken maar wegens een betoovering deed hij het niet en hij kon in boomen klimmen, beter dan eenig mensch en hij was sterker dan een man en zéér boosaardig, zoodat hij achter traliën van brons was opgesloten. Dan waren er gouden drinkvaten en het Massiliaansche vuurglas, dat in de zon gehouden een lijnwaad in brand zette en waarmede op zonnewenddag het heilige vuur in den tempel werd ontstoken.

Hoewel het land der Bedekauwers vruchtbaar was en er behalve gras ook graan kon groeien, behoefden de Bedekauwers al sinds lang niet meer te zaaien of te maaien. Want hun rijkdommen waren zoo groot, dat zij alles wat zij wenschten, konden ruilen en nog merkten zij niet, dat hun schatten verminderden. Daarom, wanneer er genoeg gemaaid was voor het vee der Bedekauwers, kregen de Velagers als loon al ’t overige gras dat te maaien was, ’t welk zij dan op kleine skiggen naar het arme Veloog roeiden.

Daar groeide alleen dor, spits gras, goed slechts om geiten en bokken te voederen. De Velagers leefden van schelpdieren, van vogeleieren, van visch, van garnalen, van geitevleesch en van den afval van de Bedekauwers. Daarom ook werden ze door de Bedekauwers geminacht en door de geheele streek noemde men hen schraaiers of hompeloopers of grisebarden, omdat ze lange baarden droegen en allen in grauwe kleederen gingen, daar zij geen purperen of groenen of witten konden ruilen.[30]

De Velagers waren bekend als spitsboeven en dieven en roovers, en als er een skig door den storm werd geworpen op hun zandbank, dan snelden zij toe en doodden de zeelieden en roofden alles. Ook hadden zij een kwade, scherpe tong en onder hen waren ook veel zonderlinge sprooksprekers, die liederen zongen waarom men moest lachen. Hun maagden waren onkuisch en kenden opwekkende dansen en soms, als er veel zeelieden in de fioord van Bedekoog lagen, dan gingen zij te samen naar Veloog over om naar de dansen te zien en met de maagden hun spel te drijven en de Massilianen kochten er lustknapen om mede te voeren naar het vreemde land. Maar welgeteld gingen de zeelieden er heen, om te weten, wanneer ze terugkwamen, dat geen hunner was achtergehouden of verstoken vermoord en geroofd en niets was gevaarlijker dan te luisteren naar de boerterij van de sprokezeggers. Want als men dan toehoorde en lachte en in zijn vroolijkheid aan niets dacht, dan om de grollen, dan kwamen de Velaagsche maagden en óók wel oude wijven of kleine kinderen en zij brachten groote schelpen met meê en de zeelieden dronken en hoe meer ze dronken, hoe meer ze lachten en dan slopen die wijven en die kinderen zachtjes nabij en stalen wat ze maar stelen konden van de beschonken zeelieden en als die dan ’t merkten en opspeelden, kwamen de Velagers en gingen vechten met die dronken mannen en staken ze overhoop. Maar met nuchtere lieden vochten ze nooit en ook niet als ze wisten, dat er nog één nuchter was, want die meldde het naar den koning van Bedekoog en die hield dan streng gericht. Zoo kwam het, dat men onder de Velagers veel mannen vond met één hand of één voet of één oog en lichtekooien, die men een borst had afgesneden omdat zij zich geleend hadden tot de onkuischheid van het „vreemde land”. Dit wisten de zeelieden en die lichtekooien werden dikwerf juist begeerd en zij liepen met bloote armen en soms naakt tot op den gordel en droegen lange kussens[31]om de heupen. Zoo zag men ze op de twee feesten ook op Bedekoog, wanneer ’t recht was opgeheven en de ban. Maar op de andere tijden mocht geen vrouw of man van Veloog den voet op Bedekoog zetten zonder den verlofring, die ze zichtbaar aan de slapen moesten dragen.

KoningGoësde Groote, had de schatten van Bedekoog nog willen vermeerderen. Daar de zeelieden na slechte vaart wel vaak kleine geschenken gaven en anderen, door groote geschenken, onrechtvaardige voordeelen bedongen, steldehijeen vaste schatting in. De geschenken voor die van de zee kwamen werden vastgesteld naar het aantal riemen of de grootte der zeilen. En de geschenken van die van het land kwamen, naar het aantal der boomen en hun lengte.

Die van de zee en die van het land hadden dat niet gewild, maar toen had koningGoëseen groot zeil rondom het eeuwige vuur gehangen en ’s nachts waren wel zeven schepen gestrand op de kust van de Velagers, die de bemanningen hadden uitgemoord en beroofd en toen hadden hun sprooksprekers grollen gemaakt op ’t heilige vuur, dat geen licht gaf en één grol werd tot ver in ’t land bekend.

„Vier en fioord wàs in een land,Waar zijn toen de skigge gestrand?Eén op de plaat en twee op de plaats tot zeven,Lustig alle Velagers leven!”

„Vier en fioord wàs in een land,

Waar zijn toen de skigge gestrand?

Eén op de plaat en twee op de plaats tot zeven,

Lustig alle Velagers leven!”

Toen hadden die van de zee toegestemd, maar die van ’t land, die den weg al wel wisten en ’s nachts niet voeren besloten een krijgsmacht op de been te brengen en zij zonden zendboden naar de Katten, en de Broekteren en de Frisen en de Kaninefaten. Die hadden allen hun legers gestuurd, want zij wisten wel dat de buit groot zou zijn behalve de Frisen, die alleen strijden als ze worden aangevallen maar niet op buit-gevecht uitgaan.

Toen deBedekauwersde groote krijgsmacht zagen, werden zij beangst voor hun schatten en de zeelieden begonnen te mooren en zeiden, dat zij de schatting te hoog vonden.[32]

De Velagers maakten zich gereed om over te komen om mede te deelen als de buit loskwam en hun vrouwen gingen al naar de framgo’s van den vijand om op te hitsen en vertelden van de groote rijkdommen.

Toen zei KoningGoës, deBedekauwerszouden zich wapenen om zich te weer te stellen, maar deze begonnen te morren. Zij hadden al die jaren geen wapenoefeningen meer gehouden en zij hadden het leven te lief. Waarom zouden zij strijden en zich aan ’t gevaar van wonden blootstellen. Waren zij al niet rijk genoeg. Hadden zij geen overvloed ook zonder de vaste schatting? Zij wilden niet strijden en wenschten, dat de koning gijzelaars zou zenden naar de benden en zou doen vreezen, wat ze eischten om af te trekken.

De koning schimpte zijn onderdanen voor lafaards en oude wijven, maar hij kon niet anders dan voorloopig toegeven en zond gijzelaars bood een losprijs aan. Dit brachten de vrouwen van Veloog dadelijk aan hun koning over en zoodra was de lafheid der Bedekauwers op Veloog bekend geworden, daar begonnen de Velagers met veel misbaar eveneens een deel van den losprijs te eischen. Zij dreigden zoowaar met een aanval en een hunner vrouwen wist eenaanvoerderder Kaninefaten om te praten, dat hij zeggen zoude, dat de Velagers ook rechten hadden op den losprijs.

En zoo dan deelden de Velagers in ’t losgeld. Zij bekwamen veertig runderen, tachtig zakken graan, vier purperen en twee groene overkleederen, een gouden ring voor den koning, drie vederen uit de staart van den wondervogel Lorre behalve nog honig, kaas, acht vaten wijn uit Massilia, en ’t recht om aan de fioord een meê-schenke te openen, waar hun vrouwen zouden bedienen.

Toen was er groote vreugde op Veloog, waar men, aan armoede en soberheid gewend, levende van de hand in de tand, voortaan hoopte altoos door veel geschreeuw en[33]en misbaar, de Bedekauwers tot schatting te kunnen dwingen. De runderen werden geslacht, een groot gastmaal aangericht en vier dagen achtereen was het feesten en zwelgen op Veloog, waarbij de sproke-sprekers voor de pret zorgden en tot ver in ’t land werd één grol bekend, luidende:

„Wie riepen meer! meer! uit het meer!Tot meer van ’t meer nam een keer,En Lorre liet zijn veerAan des Velagers heer?”

„Wie riepen meer! meer! uit het meer!

Tot meer van ’t meer nam een keer,

En Lorre liet zijn veer

Aan des Velagers heer?”

Maar koning Goës waakte en zon, want hij was zeer verbeten en belust op schatten.[34]


Back to IndexNext