HOOFDSTUK V.

[Inhoud]HOOFDSTUK V.Sogol, de Nerviër, was een vluchteling, die leefde in de Ravenstroth, het dichte gevaarlijke bosch, waar ook de Gröhl van den Nickelman ligt en waarin niemand kan doordringen of hij wordt betooverd.Zijn vader, een Bellovaaksche hertog, was dikwerf op ’t oorlogspad; zijn moeder, de beroemde Nervische heelmeesteres Spûr, die eens den Frieschen koning Verritus genezen had van een beenwond, die hij bij een val tijdens een hardrijderij op schaatsen, had gekregen. De koning had Spûr rijk beloond, haar eerste kind, dat Sogol geweest was, als naamling aangenomen.Met zijn moeder zocht Sogol reeds als kind geneeskrachtige kruiden in bosch en veld en spelend leerde hij haar heelkunst en zag hoe zij de kruiden droogde, ziedde, mengde, tot poeder stampte en hoe zij de werking beproefde door ze aan konijnen, eekhoorns en honden in te geven en te onderzoeken of ze braakten of buikloop kregen of bevingen of krampen of stierven. Toen hij ouder werd, trok hij met haar mede, als zij bij koningen en hertogen werd geroepen om te heelen en hij had zoo al jong, toegang gehad tot kringen, waar andere kinderen uit het volk nooit kwamen en hij had toestanden leeren kennen, die ieder voor ongeloofelijk zou hebben gehouden. Hij was met zijn moeder geroepen naar de priesteressenhaag van Nehalennia op Walcheren, waar de reivoerster, die ’t heilige offer de keel mag doorsnijden, lag met gezwollen buik en pijnlijke heupen. Zij hadden beiden gedacht, moeder en zoon, dat de priesteres aan de jicht leed en haar gewreven met bilzenkruid opgelost in een[35]mengsel van ongeaschte boter en was. Maar hoe groot was hun verwondering geweest, toen de priesteres begon te krijten als eene, die in de weeën ligt en een kind ter wereld bracht. De priesteres had hun een gouden vaas willen geven en een rood-lederen paardetoom als ze getuigen wilden, dat het kind door de genade van Nehalennia was geboren, zonder dat er gemeenschap was geweest met een man, maar Spûr was opgestaan en had haar jongen met zich medevoerende, de geschenken geweigerd. Dan voor de haag, had ze luide geroepen: „Liderlicke Hure, fluch si dir!”Ook was zijn moeder geroepen in de heilige hagen te Mosarik, bij Dûnebarg, bij Forbarg en Bírtâ.1En telkens waren zij verbolgen huiswaarts gekeerd. De priesteressen en de priesters leden aan ziekten, gevolgen van ontucht of zwelgerij en altoos weer hadden zij de eerbare Spûr willen omkoopen en haar bezworen, toch niets aan het volk bekend te maken en de geboorten als kuische, door de heilige beroering van den Geest ontstaan, te willen aankondigen. Maar zij had loon geweigerd en na heur hulp verleend te hebben, had zij ze kloek in heur krachtige taal gesmaad en was met heur zoon weggegaan, nog langs den weg het volk vertellend, wat zij ervaren had en het opzettend, de liederlijke bent van priesters en priesteressen weg te jagen, die zeker den toorn van Nehalennia over de landen zou brengen.En toen haar voorspelling uitkwam, de zwarte ziekte uitbrak, eerst teBírtâen toen te Dûnebarg en overal waar maar hagen van Nehalennia waren, werd het volk oproerig en schoolde voor de hagen saam en vervloekte de ontuchtige[36]priesterschaar. Dat kwam ook ter oore van den reivoerder in ’t Bosch-van-den-Heertoog en de Hertog riep den Raad der oude Priesters bijeen, die verantwoordelijk gemaakt werden. Deze nu beraadslaagden en deden toen kond, dat de godin Nehalennia ondervraagd, geantwoord had, dat zij de ziekten gezonden had wegens een Nervische tooverkol met name Spûr, die giftige brouwsels en tooverdranken bereid had en die aan de priesters en priesteressen had ingegeven. Nu moest Spûr geofferd worden en men lokte haar naar ’t Bosch-van-den-Heertoog onder voorwendsel, dat de reivoerster ziek was. Zij kwam, als altoos bereid tot hulp met haar zoon en toen waren ze gevangen gezet en Spûr van tooverij beschuldigd, moest de waterproef ondergaan. Voor zijn oogen had de jongen gezien hoe zijn moeder, zijn goede, eerbare moeder, wier hoogen zin en groote liefderijkheid hij kende, naakt was geworpen in de kolk en daar, nadat zij driemaal omzichzelve was gedraaid, haar handen hoog had gestrekt naar hem en hem had toegeroepen één woord „Wraak!”, toen was gezonken, na hem nog éénmaal te hebben aangezien. Dien blik vergat de knaap nooit en voortaan leefde hij voor de wraak. Maar de priesters waren sterk, hier in ’t land en ver naar het binnenland waar de hooge bergen zijn en hij was gevlucht, van stede tot stede, altoos in gevaar omgebracht te worden, want ’s nachts sloop hij in de heilige hagen en hij sloeg de offerblokken tot gruizels en hij hing hanen aan één poot in de heilige eiken, om ze de wijding te ontnemen en hij deed zijn gevoeg voor de hutten, waar de offers werden bewaard.Maar nu werden honden bij de hagen vastgelegd, die begonnen te bassen, als hij naderde en dan kwamen de wachters en vervolgden hem. Toen trok hij naar zijn vader, die terug was gekomen van hetPaarden-eiland, waar hij al die jaren had gewoond, omdat hij medegestreden had tegen die van het Groene Eiland, die zoo rijk aan schapen zijn, dezelfde die willen weten, dat de Velagers aanhenzijn verzwagerd[37]en de Bedekauwers vreemdelingen heeten, die uitgedreven moesten worden, in stede van recht op schatting te hebben. Toen hij zijn vader verteld had van het wedervaren zijner moeder en daarna hoe hij zich gewroken had, was zijn vader vertoornd geweest, had zijn moeder gevloekt en hem met smaad weggejaagd. Want de vader, die zeer vroom was, zeide dat hij leugenpraat sprak en dat zijn moeder een vrouw uit het volk was geweest, die niet tegen priesters en priesteressen had op te spelen en dat zij, door het volk op te hitsen een kwalijke daad had gedaan, die wèl met den dood gestraft had verdiend te worden.Want hij, de vader, hoewel ook ontsproten uit den stand der hoorigen, was door vroomheid en moed verheven tot hertog en nu, na den strijd tegen die van ’t Groene Eiland, waarvan hij drie skiggen buit had medegebracht, zou hij naar de koningswaardigheid staan en zeker zouden de priesters op het Ding hem afvallen, als zij wisten, dat hij een zoon had, als Sogol, die de heilige hagen had ontwijd en nooit als zijn opvolger geduld zou worden.Zoo was dan Sogol verjaagd en hij was getrokken naar de Ravenstroth, die woest lag, omdat geen wezen zich er in waagde, vanwege den Nickelman en al de vele booze geesten, die er huisden.Hier, in de eenzame woestenij, was de jongeling opgegroeid, zich voedend met de vruchten en kruiden, die hij kende, met visch, die hij ving in de Gröhl van Nickelman en met klein wild, dat hij in strikken verschalkte. Hij had geen anderen geest om aan te roepen, dan dien van zijn overleden moeder, voor wien hij een altaar gebouwd had van steenen, die rondom de Gröhl lagen. Maar hij wijdde hem geen dieren en geen bloed, doch vruchten en bloemen en kruiden, zooals de blauwe kolebei en de zoete drakenbloedbes, die hij uitdrukte boven den offersteen, zoodat het scheen of er bloed langs leek en de stekelige iringis, ten[38]teeken van de wraak, die hij gezworen had en vogelkruid, rosmarijn en mierik. Ook waren er kruiden, die gedroogd, tot poeder gewreven en dan gebrand, een dichte blauwe rook gaven en met kleine vuursterretjes knetterden en dan, als hij voor den offersteen stond, werd hij zelf licht en voelde zich zweven van de aarde als een geest en de geest van zijn moeder verscheen hem en zij doorleefden nogmaals het leven van vroeger, maar nu nog mooier. Hij herdacht dan met haar heel zijn schoone jeugd, de dagen dat hij met haar langs bosch en veld had gedwaald om kruiden te zoeken en de liefelijke wintertijd, als zij in de groote heilhut woonden, waar de brouwketels stonden; hij stookte het vuur en den heelen winter door aten zij heerlijke honingkoeken en gerookte zijden en hesp in brooddeeg, en ’s avonds, voor hij slapen ging, vertelde moeder mooie sproken van het betooverde slot en van de prinses Herzeloïde en van den wilden jager. Ook gaf zij hem raadsels op en die raadsels, al lang vergeten, kwamen hem nu weer in den zin.Hij zat dan stil bij het rookende offer en hij voelde zich weder als kind en de oude raadsels sprak hij weer uit, zooals moeder dat gedaan had en hij gaf zichzelf het antwoord.Hinder de Haus,Pfloegt Vetter Kraus,On Pfloeg, On Peerd,Is it nit de Moë weert.…2Dat was: de mol.En dan weer:Twi Köp en Twi ArmeZes Bin en zes Tin,Op vire nar nu gin.…Dat was: de ruiter en ’t peerd.[39]En dan weer:Da kommt di Man van Tippen-Tappen,Hat di Rock mit bonte Lappe,Darbije nog sin rote Bart,Rate, Rate, wat vor Art.…Dat was: de haan.Als hij dan niet kon slapen, had hijmoekeom nog een raadsel gevraagd en nog een, en nog een heel zwaar, dat niet te raden was.Gâte bi gâte joch,’t Halt toch!Dit was moeielijk geweest en peinzend was hij in slaap gevallen en ’s morgens had hijmoekeom ’t antwoord gevraagd, maar hij moest denken zei ze en den heelen dag had hij gedacht en ’s avonds weer en zoo tot de week om was en toen had moeke dan de brouwpot van ’t vuur genomen en rinkele-rinkele tegen de ketting geslagen en ja, dat was het,Gâte bi gâte joch,’t Halt toch!Na die oogenblikken van herinnering, was hij dagen achtereen bedroefd en weende om zijn moeder. Hij zou het spreken verleerd hebben, wanneer hij niet de gewoonte had aangenomen veel hardop met haar geest te praten, want geen sterveling drong in het bosch door, waar hij woonde. Zoo had hij rust en overvloed, maar de eenzaamheid drukte hem en hij verlangde naar een vrouw. Daarom was hij ’s nachts gaan rondzwerven buiten het bosch. Op een nacht was hij wat ver gaan dwalen en vond den weg niet zoo spoedig terug naar de Ravenstroth. Vermoeid viel hij ten laatste neder. Toen de zon opging, werd hij slapende ontdekt door een troep maaiers. Zij waren beangst, begonnen misbaar te maken en riepen in koor:Wilde Mân, Wilde Mân,Du mot gân, du mot gân,’k Zal din hare stroopen,Als di nit gaat loopen.…[40]Hij ontwaakte op hun geschrei, stond op en nu vluchtten de maaiers en maaisters naar alle zijden. Eerst toen zij zagen, dat hij ze niet najoeg bleven ze staan, eerst de mannen en dan de vrouwen en van verre begonnen ze weer hun wijsje te zingen.Sogol, die nu bij ’t daglicht den rechten weg dadelijk vond, liep naar de Ravenstroth terug, maar in zijn hut gekomen, hoorde hij nog altijd in gedachten het tergende wijsje.Zij hielden hem dus voor een wilden man en spraken bezwerings-spreuken. Hij kende die wijsjes, had ze als kleine jongen wel meegezongen met de kinderen van het dorp, als ze wisten waar een kwaden geest zat, die ze allen te samen gingen tergen om hem het verblijf onhoudbaar te maken. Waren wellicht die andere kwade geesten ook menschen, gewone menschen, zooals hij, geweest? Een twijfel kwam in zijn gemoed sluipen. Als eens alle geesten menschen waren? En de nikkers, en de asen en de recken en de elfen? Wat hij van de priesters, de priesteressen en hun verhalen denken moest, wist hij. Hij lag lang na te denken. Vreemd, zoolang leefde hij nu al hier, wel zesmaal was ’t al winter geweest en hoewel hij op alle uren van den dag en den nacht in de Ravenstroth had gewaakt, nog nooit had hij een nix of een elf gezien en Nickelman, die bij elke nieuwe maan heette uit de Gröhl op te stijgen, had hij ook nooit ontwaard hoewel hij toch vaak bij nieuwe maan zijn fuik had uitgezet.Hij had dikwerf zonderlinge geluiden gehoord in ’t dichte loover maar zoo vaak als hij had gespeurd naar den geest, had hij ervaren, dat het geluid een zichtbare oorzaak had, het knagen van een eekhoorn of het afbreken van een zwaren tak of het vallen van een nest of ook wel ’t geluid van vechtende vogels of balgende herten. Nu kende hij bijna alle geluiden van ’t bosch, hij wist wanneer de uil schreide of de ever snuffelde of de raven krijschten; of ver[41]de herten galoppeerden of de hazen lepelden op den maanavond. En soms, wanneer hij ’s nachts door zoo’n bekend geluid werd gewekt en hij wist meteen, de ever gaat drinken aan de Gröhl of de vos heeft een fazant verschalkt, dan dacht hij ook aan ’t geen hij vroeger bij zoo’n geluid zich zou verbeeld hebben.Langzamerhand begon hij moediger door te dringen in het geheim van de stroth en nu hij ondervonden had, hoe lichtvaardig de menschen, een huns gelijke voor een wildeman hielden, wanneer hij er maar wat woest uitzag, durfde hij het laatste geheim van de wildernis gaan doorgronden. Hij brak een lange gevorkte tak van een boom en scherpte de twee punten van den vork door ze met een steen te slijpen en in ’t vuur te harden. Toen wachtte hij tot het nieuwe maan was en sloop naar de Gröhl.Hij bleef verborgen achter de eikestronk wachten en keek naar het diepe stroompje, dat tusschen de twee rotsige oevers met kleine kabbeltjes geulde, blauwzilverig in ’t maanlicht. Maar … daar kwam de Nickelman.… hij zag de twee gloeiende oogen in ’t kreupelhout. Hij beefde, hield zijn vork stevig vast om bereid te zijn, wanneer de Nickelman hem kwaad wilde doen. Doch opeens lachte hij luid-op en door dien lach verschrikt, sprong een lynx op, die had willen drinken maar nu vluchtte. Moediger door deze nieuwe ontnuchtering, liep hij naar den rand van ’t water en riep: „Nickelman, Nickelman!” Doch de Gröhlgeest dook niet op en nu begon hij hem te tarten en te sarren en uit te dagen. De watergeest dook nog steeds niet op. Hij sloeg met zijn vork op ’t water, schold Nickelman uit, beloofde hem dan weer eeuwige verknochtheid en trouwen dienst, als hij zich liet zien. Nu, geheel moedig, stapte hij in de Gröhl en sloeg met zijn vork in de golfjes en stak de vork naar alle zijden heen om hem te treffen, zoo de Gröhlgeest op den bodem zat. Opeens trilde hij door al zijn leden en uitte een kreet. Zijn vork werd[42]beetgepakt en naar beneden getrokken. Hij hield stevig vast, rukte en met alle kracht trok hij de vork naar den kant en stapte uit het water. Maar de vork werd stevig vastgehouden en ’t was alsof de geest hem zijn wapen uit de handen wilde wringen. Nu hij echter op den vasten grond stond, zette hij den voet schrap tegen een zwaren steen en trok met alle krachten. Die daar beneden verzwakte en toen Sogol de vork boven ’t water haalde, krinkelde zich om den steel een armdikke aal, die hij tusschen de vork had vastgespietst.Hij liet de vork los, die de aal weder in ’t water trok. Maar hij deed geen moeite om de buit terug te halen. Een diepe gedachte hield hem bezig. „Er is geen Nickelman!” dacht hij, zoomin als er elfen en nixen en asen zijn; zoomin als de priesteressen kinderen krijgen van de geesten, zoomin als er tooverkollen of wilde menschen zijn. Alles is zichtbaar en wat niet te zien is, bestaat ook niet. En zoo greep de gedachte hem aan, dat hij dien nacht in destrothbleef rondloopen, luide roepend: „Alles is zichtbaar! Alles is zichtbaar!” opzettelijk daar loopend waar hij de geluiden hoorde, waarvoor hij vroeger angst had gehad en dan luid schallend roepend: „Alles is zichtbaar!” Op eens hoorde hij een stem, die hem antwoordde … maar luider, dieper … „Alles is zichtbaar!”… en toen nogmaals een stem, zwakker en teerder maar toch duidelijk verstaanbaar: „Alles is zichtbaar!”Wie riep dat? Moedig drong hij door de dikke struiken en riep opnieuw. Weer hoorde hij twee stemmen, die antwoordden. Hij dreigde ze. Ze dreigden terug. Hij riep ze op. Ze riepen hem weder op. En steeds met zijn zelfde woorden. Voorwaarts drong hij en sloeg met een tak tegen een boom … een holle slag dreunde en kort daarop zonder dat hij nu sloeg, hoorde hij eveneens den dreun van een slag en een zachteren slag daarna. Hij kon niet ontdekken, wie daar sloeg en wie hem antwoordde en nu[43]weer angstig, liep hij naar zijn hut en legde zich op zijn leger van vellen en bleef den heelen nacht peinzen. Dus was alles dan toch niet zichtbaar? Er waren dan toch geesten, die leefden, spraken, riepen, bedreigden en toch zich onzichtbaar konden maken? Toen het dag was geworden, haalde hij zijn vork uit de gröhl. Die dreef boven en nog altijd krinkelde de aal zich vergeefs om zich los te wringen. Hij sloeg den kop van het dier plat met een steen en droeg het naar de hut om later te braden. Nu, met zijn wapen, in ’t heldere daglicht, ging hij weer naar de plaats, waar dien nacht de geest had geroepen. Hij riep opnieuw: „Alles is zichtbaar!” Het antwoord schalde terug en het tweede opnieuw. Hij sprong in ’t kreupelhout, prikte met zijn vork naar alle zijden, maar ditmaal stak hij niet in een dier, doch slechts in ’t ijle of in bladeren of hagedissen.En tegen den middag, heesch van ’t roepen en moe van ’t zoeken en denken, keerde hij naar de hut terug.Eén enkele gedachten hield hem bezig. „De geest was ten laatste ook schor geworden, dus was hij ook vermoeid van ’t roepen … Maar als hij vermoeid raakte, was hij een mensch en geen geest … Morgen zou hij weer gaan zoeken en overmorgen weer, tot hij hem gevonden had en te weer kon staan: „Alles is zichtbaar!””[44]1Behalve op Walcheren zijn er offerplaatsen voor Nehalennia [Nerthus] geweest te Maastricht, Domburg, Voorburg, en Breda. Hetreligieuzeinstinct der oer-bevolking is op enkele dezer plaatsen tot heden onverzwakt gebleven.↑2De schrijver, het onbekende dialect van 200–150 v. Chr. niet kunnend weergeven, moet zich met een reconstructie naar eigen vinding behelpen. De raadsels echter zijn aan bronnen ontleend, die de mogelijkheid niet uitsluiten, dat ze reeds in dien tijd bekend waren.↑

[Inhoud]HOOFDSTUK V.Sogol, de Nerviër, was een vluchteling, die leefde in de Ravenstroth, het dichte gevaarlijke bosch, waar ook de Gröhl van den Nickelman ligt en waarin niemand kan doordringen of hij wordt betooverd.Zijn vader, een Bellovaaksche hertog, was dikwerf op ’t oorlogspad; zijn moeder, de beroemde Nervische heelmeesteres Spûr, die eens den Frieschen koning Verritus genezen had van een beenwond, die hij bij een val tijdens een hardrijderij op schaatsen, had gekregen. De koning had Spûr rijk beloond, haar eerste kind, dat Sogol geweest was, als naamling aangenomen.Met zijn moeder zocht Sogol reeds als kind geneeskrachtige kruiden in bosch en veld en spelend leerde hij haar heelkunst en zag hoe zij de kruiden droogde, ziedde, mengde, tot poeder stampte en hoe zij de werking beproefde door ze aan konijnen, eekhoorns en honden in te geven en te onderzoeken of ze braakten of buikloop kregen of bevingen of krampen of stierven. Toen hij ouder werd, trok hij met haar mede, als zij bij koningen en hertogen werd geroepen om te heelen en hij had zoo al jong, toegang gehad tot kringen, waar andere kinderen uit het volk nooit kwamen en hij had toestanden leeren kennen, die ieder voor ongeloofelijk zou hebben gehouden. Hij was met zijn moeder geroepen naar de priesteressenhaag van Nehalennia op Walcheren, waar de reivoerster, die ’t heilige offer de keel mag doorsnijden, lag met gezwollen buik en pijnlijke heupen. Zij hadden beiden gedacht, moeder en zoon, dat de priesteres aan de jicht leed en haar gewreven met bilzenkruid opgelost in een[35]mengsel van ongeaschte boter en was. Maar hoe groot was hun verwondering geweest, toen de priesteres begon te krijten als eene, die in de weeën ligt en een kind ter wereld bracht. De priesteres had hun een gouden vaas willen geven en een rood-lederen paardetoom als ze getuigen wilden, dat het kind door de genade van Nehalennia was geboren, zonder dat er gemeenschap was geweest met een man, maar Spûr was opgestaan en had haar jongen met zich medevoerende, de geschenken geweigerd. Dan voor de haag, had ze luide geroepen: „Liderlicke Hure, fluch si dir!”Ook was zijn moeder geroepen in de heilige hagen te Mosarik, bij Dûnebarg, bij Forbarg en Bírtâ.1En telkens waren zij verbolgen huiswaarts gekeerd. De priesteressen en de priesters leden aan ziekten, gevolgen van ontucht of zwelgerij en altoos weer hadden zij de eerbare Spûr willen omkoopen en haar bezworen, toch niets aan het volk bekend te maken en de geboorten als kuische, door de heilige beroering van den Geest ontstaan, te willen aankondigen. Maar zij had loon geweigerd en na heur hulp verleend te hebben, had zij ze kloek in heur krachtige taal gesmaad en was met heur zoon weggegaan, nog langs den weg het volk vertellend, wat zij ervaren had en het opzettend, de liederlijke bent van priesters en priesteressen weg te jagen, die zeker den toorn van Nehalennia over de landen zou brengen.En toen haar voorspelling uitkwam, de zwarte ziekte uitbrak, eerst teBírtâen toen te Dûnebarg en overal waar maar hagen van Nehalennia waren, werd het volk oproerig en schoolde voor de hagen saam en vervloekte de ontuchtige[36]priesterschaar. Dat kwam ook ter oore van den reivoerder in ’t Bosch-van-den-Heertoog en de Hertog riep den Raad der oude Priesters bijeen, die verantwoordelijk gemaakt werden. Deze nu beraadslaagden en deden toen kond, dat de godin Nehalennia ondervraagd, geantwoord had, dat zij de ziekten gezonden had wegens een Nervische tooverkol met name Spûr, die giftige brouwsels en tooverdranken bereid had en die aan de priesters en priesteressen had ingegeven. Nu moest Spûr geofferd worden en men lokte haar naar ’t Bosch-van-den-Heertoog onder voorwendsel, dat de reivoerster ziek was. Zij kwam, als altoos bereid tot hulp met haar zoon en toen waren ze gevangen gezet en Spûr van tooverij beschuldigd, moest de waterproef ondergaan. Voor zijn oogen had de jongen gezien hoe zijn moeder, zijn goede, eerbare moeder, wier hoogen zin en groote liefderijkheid hij kende, naakt was geworpen in de kolk en daar, nadat zij driemaal omzichzelve was gedraaid, haar handen hoog had gestrekt naar hem en hem had toegeroepen één woord „Wraak!”, toen was gezonken, na hem nog éénmaal te hebben aangezien. Dien blik vergat de knaap nooit en voortaan leefde hij voor de wraak. Maar de priesters waren sterk, hier in ’t land en ver naar het binnenland waar de hooge bergen zijn en hij was gevlucht, van stede tot stede, altoos in gevaar omgebracht te worden, want ’s nachts sloop hij in de heilige hagen en hij sloeg de offerblokken tot gruizels en hij hing hanen aan één poot in de heilige eiken, om ze de wijding te ontnemen en hij deed zijn gevoeg voor de hutten, waar de offers werden bewaard.Maar nu werden honden bij de hagen vastgelegd, die begonnen te bassen, als hij naderde en dan kwamen de wachters en vervolgden hem. Toen trok hij naar zijn vader, die terug was gekomen van hetPaarden-eiland, waar hij al die jaren had gewoond, omdat hij medegestreden had tegen die van het Groene Eiland, die zoo rijk aan schapen zijn, dezelfde die willen weten, dat de Velagers aanhenzijn verzwagerd[37]en de Bedekauwers vreemdelingen heeten, die uitgedreven moesten worden, in stede van recht op schatting te hebben. Toen hij zijn vader verteld had van het wedervaren zijner moeder en daarna hoe hij zich gewroken had, was zijn vader vertoornd geweest, had zijn moeder gevloekt en hem met smaad weggejaagd. Want de vader, die zeer vroom was, zeide dat hij leugenpraat sprak en dat zijn moeder een vrouw uit het volk was geweest, die niet tegen priesters en priesteressen had op te spelen en dat zij, door het volk op te hitsen een kwalijke daad had gedaan, die wèl met den dood gestraft had verdiend te worden.Want hij, de vader, hoewel ook ontsproten uit den stand der hoorigen, was door vroomheid en moed verheven tot hertog en nu, na den strijd tegen die van ’t Groene Eiland, waarvan hij drie skiggen buit had medegebracht, zou hij naar de koningswaardigheid staan en zeker zouden de priesters op het Ding hem afvallen, als zij wisten, dat hij een zoon had, als Sogol, die de heilige hagen had ontwijd en nooit als zijn opvolger geduld zou worden.Zoo was dan Sogol verjaagd en hij was getrokken naar de Ravenstroth, die woest lag, omdat geen wezen zich er in waagde, vanwege den Nickelman en al de vele booze geesten, die er huisden.Hier, in de eenzame woestenij, was de jongeling opgegroeid, zich voedend met de vruchten en kruiden, die hij kende, met visch, die hij ving in de Gröhl van Nickelman en met klein wild, dat hij in strikken verschalkte. Hij had geen anderen geest om aan te roepen, dan dien van zijn overleden moeder, voor wien hij een altaar gebouwd had van steenen, die rondom de Gröhl lagen. Maar hij wijdde hem geen dieren en geen bloed, doch vruchten en bloemen en kruiden, zooals de blauwe kolebei en de zoete drakenbloedbes, die hij uitdrukte boven den offersteen, zoodat het scheen of er bloed langs leek en de stekelige iringis, ten[38]teeken van de wraak, die hij gezworen had en vogelkruid, rosmarijn en mierik. Ook waren er kruiden, die gedroogd, tot poeder gewreven en dan gebrand, een dichte blauwe rook gaven en met kleine vuursterretjes knetterden en dan, als hij voor den offersteen stond, werd hij zelf licht en voelde zich zweven van de aarde als een geest en de geest van zijn moeder verscheen hem en zij doorleefden nogmaals het leven van vroeger, maar nu nog mooier. Hij herdacht dan met haar heel zijn schoone jeugd, de dagen dat hij met haar langs bosch en veld had gedwaald om kruiden te zoeken en de liefelijke wintertijd, als zij in de groote heilhut woonden, waar de brouwketels stonden; hij stookte het vuur en den heelen winter door aten zij heerlijke honingkoeken en gerookte zijden en hesp in brooddeeg, en ’s avonds, voor hij slapen ging, vertelde moeder mooie sproken van het betooverde slot en van de prinses Herzeloïde en van den wilden jager. Ook gaf zij hem raadsels op en die raadsels, al lang vergeten, kwamen hem nu weer in den zin.Hij zat dan stil bij het rookende offer en hij voelde zich weder als kind en de oude raadsels sprak hij weer uit, zooals moeder dat gedaan had en hij gaf zichzelf het antwoord.Hinder de Haus,Pfloegt Vetter Kraus,On Pfloeg, On Peerd,Is it nit de Moë weert.…2Dat was: de mol.En dan weer:Twi Köp en Twi ArmeZes Bin en zes Tin,Op vire nar nu gin.…Dat was: de ruiter en ’t peerd.[39]En dan weer:Da kommt di Man van Tippen-Tappen,Hat di Rock mit bonte Lappe,Darbije nog sin rote Bart,Rate, Rate, wat vor Art.…Dat was: de haan.Als hij dan niet kon slapen, had hijmoekeom nog een raadsel gevraagd en nog een, en nog een heel zwaar, dat niet te raden was.Gâte bi gâte joch,’t Halt toch!Dit was moeielijk geweest en peinzend was hij in slaap gevallen en ’s morgens had hijmoekeom ’t antwoord gevraagd, maar hij moest denken zei ze en den heelen dag had hij gedacht en ’s avonds weer en zoo tot de week om was en toen had moeke dan de brouwpot van ’t vuur genomen en rinkele-rinkele tegen de ketting geslagen en ja, dat was het,Gâte bi gâte joch,’t Halt toch!Na die oogenblikken van herinnering, was hij dagen achtereen bedroefd en weende om zijn moeder. Hij zou het spreken verleerd hebben, wanneer hij niet de gewoonte had aangenomen veel hardop met haar geest te praten, want geen sterveling drong in het bosch door, waar hij woonde. Zoo had hij rust en overvloed, maar de eenzaamheid drukte hem en hij verlangde naar een vrouw. Daarom was hij ’s nachts gaan rondzwerven buiten het bosch. Op een nacht was hij wat ver gaan dwalen en vond den weg niet zoo spoedig terug naar de Ravenstroth. Vermoeid viel hij ten laatste neder. Toen de zon opging, werd hij slapende ontdekt door een troep maaiers. Zij waren beangst, begonnen misbaar te maken en riepen in koor:Wilde Mân, Wilde Mân,Du mot gân, du mot gân,’k Zal din hare stroopen,Als di nit gaat loopen.…[40]Hij ontwaakte op hun geschrei, stond op en nu vluchtten de maaiers en maaisters naar alle zijden. Eerst toen zij zagen, dat hij ze niet najoeg bleven ze staan, eerst de mannen en dan de vrouwen en van verre begonnen ze weer hun wijsje te zingen.Sogol, die nu bij ’t daglicht den rechten weg dadelijk vond, liep naar de Ravenstroth terug, maar in zijn hut gekomen, hoorde hij nog altijd in gedachten het tergende wijsje.Zij hielden hem dus voor een wilden man en spraken bezwerings-spreuken. Hij kende die wijsjes, had ze als kleine jongen wel meegezongen met de kinderen van het dorp, als ze wisten waar een kwaden geest zat, die ze allen te samen gingen tergen om hem het verblijf onhoudbaar te maken. Waren wellicht die andere kwade geesten ook menschen, gewone menschen, zooals hij, geweest? Een twijfel kwam in zijn gemoed sluipen. Als eens alle geesten menschen waren? En de nikkers, en de asen en de recken en de elfen? Wat hij van de priesters, de priesteressen en hun verhalen denken moest, wist hij. Hij lag lang na te denken. Vreemd, zoolang leefde hij nu al hier, wel zesmaal was ’t al winter geweest en hoewel hij op alle uren van den dag en den nacht in de Ravenstroth had gewaakt, nog nooit had hij een nix of een elf gezien en Nickelman, die bij elke nieuwe maan heette uit de Gröhl op te stijgen, had hij ook nooit ontwaard hoewel hij toch vaak bij nieuwe maan zijn fuik had uitgezet.Hij had dikwerf zonderlinge geluiden gehoord in ’t dichte loover maar zoo vaak als hij had gespeurd naar den geest, had hij ervaren, dat het geluid een zichtbare oorzaak had, het knagen van een eekhoorn of het afbreken van een zwaren tak of het vallen van een nest of ook wel ’t geluid van vechtende vogels of balgende herten. Nu kende hij bijna alle geluiden van ’t bosch, hij wist wanneer de uil schreide of de ever snuffelde of de raven krijschten; of ver[41]de herten galoppeerden of de hazen lepelden op den maanavond. En soms, wanneer hij ’s nachts door zoo’n bekend geluid werd gewekt en hij wist meteen, de ever gaat drinken aan de Gröhl of de vos heeft een fazant verschalkt, dan dacht hij ook aan ’t geen hij vroeger bij zoo’n geluid zich zou verbeeld hebben.Langzamerhand begon hij moediger door te dringen in het geheim van de stroth en nu hij ondervonden had, hoe lichtvaardig de menschen, een huns gelijke voor een wildeman hielden, wanneer hij er maar wat woest uitzag, durfde hij het laatste geheim van de wildernis gaan doorgronden. Hij brak een lange gevorkte tak van een boom en scherpte de twee punten van den vork door ze met een steen te slijpen en in ’t vuur te harden. Toen wachtte hij tot het nieuwe maan was en sloop naar de Gröhl.Hij bleef verborgen achter de eikestronk wachten en keek naar het diepe stroompje, dat tusschen de twee rotsige oevers met kleine kabbeltjes geulde, blauwzilverig in ’t maanlicht. Maar … daar kwam de Nickelman.… hij zag de twee gloeiende oogen in ’t kreupelhout. Hij beefde, hield zijn vork stevig vast om bereid te zijn, wanneer de Nickelman hem kwaad wilde doen. Doch opeens lachte hij luid-op en door dien lach verschrikt, sprong een lynx op, die had willen drinken maar nu vluchtte. Moediger door deze nieuwe ontnuchtering, liep hij naar den rand van ’t water en riep: „Nickelman, Nickelman!” Doch de Gröhlgeest dook niet op en nu begon hij hem te tarten en te sarren en uit te dagen. De watergeest dook nog steeds niet op. Hij sloeg met zijn vork op ’t water, schold Nickelman uit, beloofde hem dan weer eeuwige verknochtheid en trouwen dienst, als hij zich liet zien. Nu, geheel moedig, stapte hij in de Gröhl en sloeg met zijn vork in de golfjes en stak de vork naar alle zijden heen om hem te treffen, zoo de Gröhlgeest op den bodem zat. Opeens trilde hij door al zijn leden en uitte een kreet. Zijn vork werd[42]beetgepakt en naar beneden getrokken. Hij hield stevig vast, rukte en met alle kracht trok hij de vork naar den kant en stapte uit het water. Maar de vork werd stevig vastgehouden en ’t was alsof de geest hem zijn wapen uit de handen wilde wringen. Nu hij echter op den vasten grond stond, zette hij den voet schrap tegen een zwaren steen en trok met alle krachten. Die daar beneden verzwakte en toen Sogol de vork boven ’t water haalde, krinkelde zich om den steel een armdikke aal, die hij tusschen de vork had vastgespietst.Hij liet de vork los, die de aal weder in ’t water trok. Maar hij deed geen moeite om de buit terug te halen. Een diepe gedachte hield hem bezig. „Er is geen Nickelman!” dacht hij, zoomin als er elfen en nixen en asen zijn; zoomin als de priesteressen kinderen krijgen van de geesten, zoomin als er tooverkollen of wilde menschen zijn. Alles is zichtbaar en wat niet te zien is, bestaat ook niet. En zoo greep de gedachte hem aan, dat hij dien nacht in destrothbleef rondloopen, luide roepend: „Alles is zichtbaar! Alles is zichtbaar!” opzettelijk daar loopend waar hij de geluiden hoorde, waarvoor hij vroeger angst had gehad en dan luid schallend roepend: „Alles is zichtbaar!” Op eens hoorde hij een stem, die hem antwoordde … maar luider, dieper … „Alles is zichtbaar!”… en toen nogmaals een stem, zwakker en teerder maar toch duidelijk verstaanbaar: „Alles is zichtbaar!”Wie riep dat? Moedig drong hij door de dikke struiken en riep opnieuw. Weer hoorde hij twee stemmen, die antwoordden. Hij dreigde ze. Ze dreigden terug. Hij riep ze op. Ze riepen hem weder op. En steeds met zijn zelfde woorden. Voorwaarts drong hij en sloeg met een tak tegen een boom … een holle slag dreunde en kort daarop zonder dat hij nu sloeg, hoorde hij eveneens den dreun van een slag en een zachteren slag daarna. Hij kon niet ontdekken, wie daar sloeg en wie hem antwoordde en nu[43]weer angstig, liep hij naar zijn hut en legde zich op zijn leger van vellen en bleef den heelen nacht peinzen. Dus was alles dan toch niet zichtbaar? Er waren dan toch geesten, die leefden, spraken, riepen, bedreigden en toch zich onzichtbaar konden maken? Toen het dag was geworden, haalde hij zijn vork uit de gröhl. Die dreef boven en nog altijd krinkelde de aal zich vergeefs om zich los te wringen. Hij sloeg den kop van het dier plat met een steen en droeg het naar de hut om later te braden. Nu, met zijn wapen, in ’t heldere daglicht, ging hij weer naar de plaats, waar dien nacht de geest had geroepen. Hij riep opnieuw: „Alles is zichtbaar!” Het antwoord schalde terug en het tweede opnieuw. Hij sprong in ’t kreupelhout, prikte met zijn vork naar alle zijden, maar ditmaal stak hij niet in een dier, doch slechts in ’t ijle of in bladeren of hagedissen.En tegen den middag, heesch van ’t roepen en moe van ’t zoeken en denken, keerde hij naar de hut terug.Eén enkele gedachten hield hem bezig. „De geest was ten laatste ook schor geworden, dus was hij ook vermoeid van ’t roepen … Maar als hij vermoeid raakte, was hij een mensch en geen geest … Morgen zou hij weer gaan zoeken en overmorgen weer, tot hij hem gevonden had en te weer kon staan: „Alles is zichtbaar!””[44]1Behalve op Walcheren zijn er offerplaatsen voor Nehalennia [Nerthus] geweest te Maastricht, Domburg, Voorburg, en Breda. Hetreligieuzeinstinct der oer-bevolking is op enkele dezer plaatsen tot heden onverzwakt gebleven.↑2De schrijver, het onbekende dialect van 200–150 v. Chr. niet kunnend weergeven, moet zich met een reconstructie naar eigen vinding behelpen. De raadsels echter zijn aan bronnen ontleend, die de mogelijkheid niet uitsluiten, dat ze reeds in dien tijd bekend waren.↑

[Inhoud]HOOFDSTUK V.Sogol, de Nerviër, was een vluchteling, die leefde in de Ravenstroth, het dichte gevaarlijke bosch, waar ook de Gröhl van den Nickelman ligt en waarin niemand kan doordringen of hij wordt betooverd.Zijn vader, een Bellovaaksche hertog, was dikwerf op ’t oorlogspad; zijn moeder, de beroemde Nervische heelmeesteres Spûr, die eens den Frieschen koning Verritus genezen had van een beenwond, die hij bij een val tijdens een hardrijderij op schaatsen, had gekregen. De koning had Spûr rijk beloond, haar eerste kind, dat Sogol geweest was, als naamling aangenomen.Met zijn moeder zocht Sogol reeds als kind geneeskrachtige kruiden in bosch en veld en spelend leerde hij haar heelkunst en zag hoe zij de kruiden droogde, ziedde, mengde, tot poeder stampte en hoe zij de werking beproefde door ze aan konijnen, eekhoorns en honden in te geven en te onderzoeken of ze braakten of buikloop kregen of bevingen of krampen of stierven. Toen hij ouder werd, trok hij met haar mede, als zij bij koningen en hertogen werd geroepen om te heelen en hij had zoo al jong, toegang gehad tot kringen, waar andere kinderen uit het volk nooit kwamen en hij had toestanden leeren kennen, die ieder voor ongeloofelijk zou hebben gehouden. Hij was met zijn moeder geroepen naar de priesteressenhaag van Nehalennia op Walcheren, waar de reivoerster, die ’t heilige offer de keel mag doorsnijden, lag met gezwollen buik en pijnlijke heupen. Zij hadden beiden gedacht, moeder en zoon, dat de priesteres aan de jicht leed en haar gewreven met bilzenkruid opgelost in een[35]mengsel van ongeaschte boter en was. Maar hoe groot was hun verwondering geweest, toen de priesteres begon te krijten als eene, die in de weeën ligt en een kind ter wereld bracht. De priesteres had hun een gouden vaas willen geven en een rood-lederen paardetoom als ze getuigen wilden, dat het kind door de genade van Nehalennia was geboren, zonder dat er gemeenschap was geweest met een man, maar Spûr was opgestaan en had haar jongen met zich medevoerende, de geschenken geweigerd. Dan voor de haag, had ze luide geroepen: „Liderlicke Hure, fluch si dir!”Ook was zijn moeder geroepen in de heilige hagen te Mosarik, bij Dûnebarg, bij Forbarg en Bírtâ.1En telkens waren zij verbolgen huiswaarts gekeerd. De priesteressen en de priesters leden aan ziekten, gevolgen van ontucht of zwelgerij en altoos weer hadden zij de eerbare Spûr willen omkoopen en haar bezworen, toch niets aan het volk bekend te maken en de geboorten als kuische, door de heilige beroering van den Geest ontstaan, te willen aankondigen. Maar zij had loon geweigerd en na heur hulp verleend te hebben, had zij ze kloek in heur krachtige taal gesmaad en was met heur zoon weggegaan, nog langs den weg het volk vertellend, wat zij ervaren had en het opzettend, de liederlijke bent van priesters en priesteressen weg te jagen, die zeker den toorn van Nehalennia over de landen zou brengen.En toen haar voorspelling uitkwam, de zwarte ziekte uitbrak, eerst teBírtâen toen te Dûnebarg en overal waar maar hagen van Nehalennia waren, werd het volk oproerig en schoolde voor de hagen saam en vervloekte de ontuchtige[36]priesterschaar. Dat kwam ook ter oore van den reivoerder in ’t Bosch-van-den-Heertoog en de Hertog riep den Raad der oude Priesters bijeen, die verantwoordelijk gemaakt werden. Deze nu beraadslaagden en deden toen kond, dat de godin Nehalennia ondervraagd, geantwoord had, dat zij de ziekten gezonden had wegens een Nervische tooverkol met name Spûr, die giftige brouwsels en tooverdranken bereid had en die aan de priesters en priesteressen had ingegeven. Nu moest Spûr geofferd worden en men lokte haar naar ’t Bosch-van-den-Heertoog onder voorwendsel, dat de reivoerster ziek was. Zij kwam, als altoos bereid tot hulp met haar zoon en toen waren ze gevangen gezet en Spûr van tooverij beschuldigd, moest de waterproef ondergaan. Voor zijn oogen had de jongen gezien hoe zijn moeder, zijn goede, eerbare moeder, wier hoogen zin en groote liefderijkheid hij kende, naakt was geworpen in de kolk en daar, nadat zij driemaal omzichzelve was gedraaid, haar handen hoog had gestrekt naar hem en hem had toegeroepen één woord „Wraak!”, toen was gezonken, na hem nog éénmaal te hebben aangezien. Dien blik vergat de knaap nooit en voortaan leefde hij voor de wraak. Maar de priesters waren sterk, hier in ’t land en ver naar het binnenland waar de hooge bergen zijn en hij was gevlucht, van stede tot stede, altoos in gevaar omgebracht te worden, want ’s nachts sloop hij in de heilige hagen en hij sloeg de offerblokken tot gruizels en hij hing hanen aan één poot in de heilige eiken, om ze de wijding te ontnemen en hij deed zijn gevoeg voor de hutten, waar de offers werden bewaard.Maar nu werden honden bij de hagen vastgelegd, die begonnen te bassen, als hij naderde en dan kwamen de wachters en vervolgden hem. Toen trok hij naar zijn vader, die terug was gekomen van hetPaarden-eiland, waar hij al die jaren had gewoond, omdat hij medegestreden had tegen die van het Groene Eiland, die zoo rijk aan schapen zijn, dezelfde die willen weten, dat de Velagers aanhenzijn verzwagerd[37]en de Bedekauwers vreemdelingen heeten, die uitgedreven moesten worden, in stede van recht op schatting te hebben. Toen hij zijn vader verteld had van het wedervaren zijner moeder en daarna hoe hij zich gewroken had, was zijn vader vertoornd geweest, had zijn moeder gevloekt en hem met smaad weggejaagd. Want de vader, die zeer vroom was, zeide dat hij leugenpraat sprak en dat zijn moeder een vrouw uit het volk was geweest, die niet tegen priesters en priesteressen had op te spelen en dat zij, door het volk op te hitsen een kwalijke daad had gedaan, die wèl met den dood gestraft had verdiend te worden.Want hij, de vader, hoewel ook ontsproten uit den stand der hoorigen, was door vroomheid en moed verheven tot hertog en nu, na den strijd tegen die van ’t Groene Eiland, waarvan hij drie skiggen buit had medegebracht, zou hij naar de koningswaardigheid staan en zeker zouden de priesters op het Ding hem afvallen, als zij wisten, dat hij een zoon had, als Sogol, die de heilige hagen had ontwijd en nooit als zijn opvolger geduld zou worden.Zoo was dan Sogol verjaagd en hij was getrokken naar de Ravenstroth, die woest lag, omdat geen wezen zich er in waagde, vanwege den Nickelman en al de vele booze geesten, die er huisden.Hier, in de eenzame woestenij, was de jongeling opgegroeid, zich voedend met de vruchten en kruiden, die hij kende, met visch, die hij ving in de Gröhl van Nickelman en met klein wild, dat hij in strikken verschalkte. Hij had geen anderen geest om aan te roepen, dan dien van zijn overleden moeder, voor wien hij een altaar gebouwd had van steenen, die rondom de Gröhl lagen. Maar hij wijdde hem geen dieren en geen bloed, doch vruchten en bloemen en kruiden, zooals de blauwe kolebei en de zoete drakenbloedbes, die hij uitdrukte boven den offersteen, zoodat het scheen of er bloed langs leek en de stekelige iringis, ten[38]teeken van de wraak, die hij gezworen had en vogelkruid, rosmarijn en mierik. Ook waren er kruiden, die gedroogd, tot poeder gewreven en dan gebrand, een dichte blauwe rook gaven en met kleine vuursterretjes knetterden en dan, als hij voor den offersteen stond, werd hij zelf licht en voelde zich zweven van de aarde als een geest en de geest van zijn moeder verscheen hem en zij doorleefden nogmaals het leven van vroeger, maar nu nog mooier. Hij herdacht dan met haar heel zijn schoone jeugd, de dagen dat hij met haar langs bosch en veld had gedwaald om kruiden te zoeken en de liefelijke wintertijd, als zij in de groote heilhut woonden, waar de brouwketels stonden; hij stookte het vuur en den heelen winter door aten zij heerlijke honingkoeken en gerookte zijden en hesp in brooddeeg, en ’s avonds, voor hij slapen ging, vertelde moeder mooie sproken van het betooverde slot en van de prinses Herzeloïde en van den wilden jager. Ook gaf zij hem raadsels op en die raadsels, al lang vergeten, kwamen hem nu weer in den zin.Hij zat dan stil bij het rookende offer en hij voelde zich weder als kind en de oude raadsels sprak hij weer uit, zooals moeder dat gedaan had en hij gaf zichzelf het antwoord.Hinder de Haus,Pfloegt Vetter Kraus,On Pfloeg, On Peerd,Is it nit de Moë weert.…2Dat was: de mol.En dan weer:Twi Köp en Twi ArmeZes Bin en zes Tin,Op vire nar nu gin.…Dat was: de ruiter en ’t peerd.[39]En dan weer:Da kommt di Man van Tippen-Tappen,Hat di Rock mit bonte Lappe,Darbije nog sin rote Bart,Rate, Rate, wat vor Art.…Dat was: de haan.Als hij dan niet kon slapen, had hijmoekeom nog een raadsel gevraagd en nog een, en nog een heel zwaar, dat niet te raden was.Gâte bi gâte joch,’t Halt toch!Dit was moeielijk geweest en peinzend was hij in slaap gevallen en ’s morgens had hijmoekeom ’t antwoord gevraagd, maar hij moest denken zei ze en den heelen dag had hij gedacht en ’s avonds weer en zoo tot de week om was en toen had moeke dan de brouwpot van ’t vuur genomen en rinkele-rinkele tegen de ketting geslagen en ja, dat was het,Gâte bi gâte joch,’t Halt toch!Na die oogenblikken van herinnering, was hij dagen achtereen bedroefd en weende om zijn moeder. Hij zou het spreken verleerd hebben, wanneer hij niet de gewoonte had aangenomen veel hardop met haar geest te praten, want geen sterveling drong in het bosch door, waar hij woonde. Zoo had hij rust en overvloed, maar de eenzaamheid drukte hem en hij verlangde naar een vrouw. Daarom was hij ’s nachts gaan rondzwerven buiten het bosch. Op een nacht was hij wat ver gaan dwalen en vond den weg niet zoo spoedig terug naar de Ravenstroth. Vermoeid viel hij ten laatste neder. Toen de zon opging, werd hij slapende ontdekt door een troep maaiers. Zij waren beangst, begonnen misbaar te maken en riepen in koor:Wilde Mân, Wilde Mân,Du mot gân, du mot gân,’k Zal din hare stroopen,Als di nit gaat loopen.…[40]Hij ontwaakte op hun geschrei, stond op en nu vluchtten de maaiers en maaisters naar alle zijden. Eerst toen zij zagen, dat hij ze niet najoeg bleven ze staan, eerst de mannen en dan de vrouwen en van verre begonnen ze weer hun wijsje te zingen.Sogol, die nu bij ’t daglicht den rechten weg dadelijk vond, liep naar de Ravenstroth terug, maar in zijn hut gekomen, hoorde hij nog altijd in gedachten het tergende wijsje.Zij hielden hem dus voor een wilden man en spraken bezwerings-spreuken. Hij kende die wijsjes, had ze als kleine jongen wel meegezongen met de kinderen van het dorp, als ze wisten waar een kwaden geest zat, die ze allen te samen gingen tergen om hem het verblijf onhoudbaar te maken. Waren wellicht die andere kwade geesten ook menschen, gewone menschen, zooals hij, geweest? Een twijfel kwam in zijn gemoed sluipen. Als eens alle geesten menschen waren? En de nikkers, en de asen en de recken en de elfen? Wat hij van de priesters, de priesteressen en hun verhalen denken moest, wist hij. Hij lag lang na te denken. Vreemd, zoolang leefde hij nu al hier, wel zesmaal was ’t al winter geweest en hoewel hij op alle uren van den dag en den nacht in de Ravenstroth had gewaakt, nog nooit had hij een nix of een elf gezien en Nickelman, die bij elke nieuwe maan heette uit de Gröhl op te stijgen, had hij ook nooit ontwaard hoewel hij toch vaak bij nieuwe maan zijn fuik had uitgezet.Hij had dikwerf zonderlinge geluiden gehoord in ’t dichte loover maar zoo vaak als hij had gespeurd naar den geest, had hij ervaren, dat het geluid een zichtbare oorzaak had, het knagen van een eekhoorn of het afbreken van een zwaren tak of het vallen van een nest of ook wel ’t geluid van vechtende vogels of balgende herten. Nu kende hij bijna alle geluiden van ’t bosch, hij wist wanneer de uil schreide of de ever snuffelde of de raven krijschten; of ver[41]de herten galoppeerden of de hazen lepelden op den maanavond. En soms, wanneer hij ’s nachts door zoo’n bekend geluid werd gewekt en hij wist meteen, de ever gaat drinken aan de Gröhl of de vos heeft een fazant verschalkt, dan dacht hij ook aan ’t geen hij vroeger bij zoo’n geluid zich zou verbeeld hebben.Langzamerhand begon hij moediger door te dringen in het geheim van de stroth en nu hij ondervonden had, hoe lichtvaardig de menschen, een huns gelijke voor een wildeman hielden, wanneer hij er maar wat woest uitzag, durfde hij het laatste geheim van de wildernis gaan doorgronden. Hij brak een lange gevorkte tak van een boom en scherpte de twee punten van den vork door ze met een steen te slijpen en in ’t vuur te harden. Toen wachtte hij tot het nieuwe maan was en sloop naar de Gröhl.Hij bleef verborgen achter de eikestronk wachten en keek naar het diepe stroompje, dat tusschen de twee rotsige oevers met kleine kabbeltjes geulde, blauwzilverig in ’t maanlicht. Maar … daar kwam de Nickelman.… hij zag de twee gloeiende oogen in ’t kreupelhout. Hij beefde, hield zijn vork stevig vast om bereid te zijn, wanneer de Nickelman hem kwaad wilde doen. Doch opeens lachte hij luid-op en door dien lach verschrikt, sprong een lynx op, die had willen drinken maar nu vluchtte. Moediger door deze nieuwe ontnuchtering, liep hij naar den rand van ’t water en riep: „Nickelman, Nickelman!” Doch de Gröhlgeest dook niet op en nu begon hij hem te tarten en te sarren en uit te dagen. De watergeest dook nog steeds niet op. Hij sloeg met zijn vork op ’t water, schold Nickelman uit, beloofde hem dan weer eeuwige verknochtheid en trouwen dienst, als hij zich liet zien. Nu, geheel moedig, stapte hij in de Gröhl en sloeg met zijn vork in de golfjes en stak de vork naar alle zijden heen om hem te treffen, zoo de Gröhlgeest op den bodem zat. Opeens trilde hij door al zijn leden en uitte een kreet. Zijn vork werd[42]beetgepakt en naar beneden getrokken. Hij hield stevig vast, rukte en met alle kracht trok hij de vork naar den kant en stapte uit het water. Maar de vork werd stevig vastgehouden en ’t was alsof de geest hem zijn wapen uit de handen wilde wringen. Nu hij echter op den vasten grond stond, zette hij den voet schrap tegen een zwaren steen en trok met alle krachten. Die daar beneden verzwakte en toen Sogol de vork boven ’t water haalde, krinkelde zich om den steel een armdikke aal, die hij tusschen de vork had vastgespietst.Hij liet de vork los, die de aal weder in ’t water trok. Maar hij deed geen moeite om de buit terug te halen. Een diepe gedachte hield hem bezig. „Er is geen Nickelman!” dacht hij, zoomin als er elfen en nixen en asen zijn; zoomin als de priesteressen kinderen krijgen van de geesten, zoomin als er tooverkollen of wilde menschen zijn. Alles is zichtbaar en wat niet te zien is, bestaat ook niet. En zoo greep de gedachte hem aan, dat hij dien nacht in destrothbleef rondloopen, luide roepend: „Alles is zichtbaar! Alles is zichtbaar!” opzettelijk daar loopend waar hij de geluiden hoorde, waarvoor hij vroeger angst had gehad en dan luid schallend roepend: „Alles is zichtbaar!” Op eens hoorde hij een stem, die hem antwoordde … maar luider, dieper … „Alles is zichtbaar!”… en toen nogmaals een stem, zwakker en teerder maar toch duidelijk verstaanbaar: „Alles is zichtbaar!”Wie riep dat? Moedig drong hij door de dikke struiken en riep opnieuw. Weer hoorde hij twee stemmen, die antwoordden. Hij dreigde ze. Ze dreigden terug. Hij riep ze op. Ze riepen hem weder op. En steeds met zijn zelfde woorden. Voorwaarts drong hij en sloeg met een tak tegen een boom … een holle slag dreunde en kort daarop zonder dat hij nu sloeg, hoorde hij eveneens den dreun van een slag en een zachteren slag daarna. Hij kon niet ontdekken, wie daar sloeg en wie hem antwoordde en nu[43]weer angstig, liep hij naar zijn hut en legde zich op zijn leger van vellen en bleef den heelen nacht peinzen. Dus was alles dan toch niet zichtbaar? Er waren dan toch geesten, die leefden, spraken, riepen, bedreigden en toch zich onzichtbaar konden maken? Toen het dag was geworden, haalde hij zijn vork uit de gröhl. Die dreef boven en nog altijd krinkelde de aal zich vergeefs om zich los te wringen. Hij sloeg den kop van het dier plat met een steen en droeg het naar de hut om later te braden. Nu, met zijn wapen, in ’t heldere daglicht, ging hij weer naar de plaats, waar dien nacht de geest had geroepen. Hij riep opnieuw: „Alles is zichtbaar!” Het antwoord schalde terug en het tweede opnieuw. Hij sprong in ’t kreupelhout, prikte met zijn vork naar alle zijden, maar ditmaal stak hij niet in een dier, doch slechts in ’t ijle of in bladeren of hagedissen.En tegen den middag, heesch van ’t roepen en moe van ’t zoeken en denken, keerde hij naar de hut terug.Eén enkele gedachten hield hem bezig. „De geest was ten laatste ook schor geworden, dus was hij ook vermoeid van ’t roepen … Maar als hij vermoeid raakte, was hij een mensch en geen geest … Morgen zou hij weer gaan zoeken en overmorgen weer, tot hij hem gevonden had en te weer kon staan: „Alles is zichtbaar!””[44]1Behalve op Walcheren zijn er offerplaatsen voor Nehalennia [Nerthus] geweest te Maastricht, Domburg, Voorburg, en Breda. Hetreligieuzeinstinct der oer-bevolking is op enkele dezer plaatsen tot heden onverzwakt gebleven.↑2De schrijver, het onbekende dialect van 200–150 v. Chr. niet kunnend weergeven, moet zich met een reconstructie naar eigen vinding behelpen. De raadsels echter zijn aan bronnen ontleend, die de mogelijkheid niet uitsluiten, dat ze reeds in dien tijd bekend waren.↑

[Inhoud]HOOFDSTUK V.Sogol, de Nerviër, was een vluchteling, die leefde in de Ravenstroth, het dichte gevaarlijke bosch, waar ook de Gröhl van den Nickelman ligt en waarin niemand kan doordringen of hij wordt betooverd.Zijn vader, een Bellovaaksche hertog, was dikwerf op ’t oorlogspad; zijn moeder, de beroemde Nervische heelmeesteres Spûr, die eens den Frieschen koning Verritus genezen had van een beenwond, die hij bij een val tijdens een hardrijderij op schaatsen, had gekregen. De koning had Spûr rijk beloond, haar eerste kind, dat Sogol geweest was, als naamling aangenomen.Met zijn moeder zocht Sogol reeds als kind geneeskrachtige kruiden in bosch en veld en spelend leerde hij haar heelkunst en zag hoe zij de kruiden droogde, ziedde, mengde, tot poeder stampte en hoe zij de werking beproefde door ze aan konijnen, eekhoorns en honden in te geven en te onderzoeken of ze braakten of buikloop kregen of bevingen of krampen of stierven. Toen hij ouder werd, trok hij met haar mede, als zij bij koningen en hertogen werd geroepen om te heelen en hij had zoo al jong, toegang gehad tot kringen, waar andere kinderen uit het volk nooit kwamen en hij had toestanden leeren kennen, die ieder voor ongeloofelijk zou hebben gehouden. Hij was met zijn moeder geroepen naar de priesteressenhaag van Nehalennia op Walcheren, waar de reivoerster, die ’t heilige offer de keel mag doorsnijden, lag met gezwollen buik en pijnlijke heupen. Zij hadden beiden gedacht, moeder en zoon, dat de priesteres aan de jicht leed en haar gewreven met bilzenkruid opgelost in een[35]mengsel van ongeaschte boter en was. Maar hoe groot was hun verwondering geweest, toen de priesteres begon te krijten als eene, die in de weeën ligt en een kind ter wereld bracht. De priesteres had hun een gouden vaas willen geven en een rood-lederen paardetoom als ze getuigen wilden, dat het kind door de genade van Nehalennia was geboren, zonder dat er gemeenschap was geweest met een man, maar Spûr was opgestaan en had haar jongen met zich medevoerende, de geschenken geweigerd. Dan voor de haag, had ze luide geroepen: „Liderlicke Hure, fluch si dir!”Ook was zijn moeder geroepen in de heilige hagen te Mosarik, bij Dûnebarg, bij Forbarg en Bírtâ.1En telkens waren zij verbolgen huiswaarts gekeerd. De priesteressen en de priesters leden aan ziekten, gevolgen van ontucht of zwelgerij en altoos weer hadden zij de eerbare Spûr willen omkoopen en haar bezworen, toch niets aan het volk bekend te maken en de geboorten als kuische, door de heilige beroering van den Geest ontstaan, te willen aankondigen. Maar zij had loon geweigerd en na heur hulp verleend te hebben, had zij ze kloek in heur krachtige taal gesmaad en was met heur zoon weggegaan, nog langs den weg het volk vertellend, wat zij ervaren had en het opzettend, de liederlijke bent van priesters en priesteressen weg te jagen, die zeker den toorn van Nehalennia over de landen zou brengen.En toen haar voorspelling uitkwam, de zwarte ziekte uitbrak, eerst teBírtâen toen te Dûnebarg en overal waar maar hagen van Nehalennia waren, werd het volk oproerig en schoolde voor de hagen saam en vervloekte de ontuchtige[36]priesterschaar. Dat kwam ook ter oore van den reivoerder in ’t Bosch-van-den-Heertoog en de Hertog riep den Raad der oude Priesters bijeen, die verantwoordelijk gemaakt werden. Deze nu beraadslaagden en deden toen kond, dat de godin Nehalennia ondervraagd, geantwoord had, dat zij de ziekten gezonden had wegens een Nervische tooverkol met name Spûr, die giftige brouwsels en tooverdranken bereid had en die aan de priesters en priesteressen had ingegeven. Nu moest Spûr geofferd worden en men lokte haar naar ’t Bosch-van-den-Heertoog onder voorwendsel, dat de reivoerster ziek was. Zij kwam, als altoos bereid tot hulp met haar zoon en toen waren ze gevangen gezet en Spûr van tooverij beschuldigd, moest de waterproef ondergaan. Voor zijn oogen had de jongen gezien hoe zijn moeder, zijn goede, eerbare moeder, wier hoogen zin en groote liefderijkheid hij kende, naakt was geworpen in de kolk en daar, nadat zij driemaal omzichzelve was gedraaid, haar handen hoog had gestrekt naar hem en hem had toegeroepen één woord „Wraak!”, toen was gezonken, na hem nog éénmaal te hebben aangezien. Dien blik vergat de knaap nooit en voortaan leefde hij voor de wraak. Maar de priesters waren sterk, hier in ’t land en ver naar het binnenland waar de hooge bergen zijn en hij was gevlucht, van stede tot stede, altoos in gevaar omgebracht te worden, want ’s nachts sloop hij in de heilige hagen en hij sloeg de offerblokken tot gruizels en hij hing hanen aan één poot in de heilige eiken, om ze de wijding te ontnemen en hij deed zijn gevoeg voor de hutten, waar de offers werden bewaard.Maar nu werden honden bij de hagen vastgelegd, die begonnen te bassen, als hij naderde en dan kwamen de wachters en vervolgden hem. Toen trok hij naar zijn vader, die terug was gekomen van hetPaarden-eiland, waar hij al die jaren had gewoond, omdat hij medegestreden had tegen die van het Groene Eiland, die zoo rijk aan schapen zijn, dezelfde die willen weten, dat de Velagers aanhenzijn verzwagerd[37]en de Bedekauwers vreemdelingen heeten, die uitgedreven moesten worden, in stede van recht op schatting te hebben. Toen hij zijn vader verteld had van het wedervaren zijner moeder en daarna hoe hij zich gewroken had, was zijn vader vertoornd geweest, had zijn moeder gevloekt en hem met smaad weggejaagd. Want de vader, die zeer vroom was, zeide dat hij leugenpraat sprak en dat zijn moeder een vrouw uit het volk was geweest, die niet tegen priesters en priesteressen had op te spelen en dat zij, door het volk op te hitsen een kwalijke daad had gedaan, die wèl met den dood gestraft had verdiend te worden.Want hij, de vader, hoewel ook ontsproten uit den stand der hoorigen, was door vroomheid en moed verheven tot hertog en nu, na den strijd tegen die van ’t Groene Eiland, waarvan hij drie skiggen buit had medegebracht, zou hij naar de koningswaardigheid staan en zeker zouden de priesters op het Ding hem afvallen, als zij wisten, dat hij een zoon had, als Sogol, die de heilige hagen had ontwijd en nooit als zijn opvolger geduld zou worden.Zoo was dan Sogol verjaagd en hij was getrokken naar de Ravenstroth, die woest lag, omdat geen wezen zich er in waagde, vanwege den Nickelman en al de vele booze geesten, die er huisden.Hier, in de eenzame woestenij, was de jongeling opgegroeid, zich voedend met de vruchten en kruiden, die hij kende, met visch, die hij ving in de Gröhl van Nickelman en met klein wild, dat hij in strikken verschalkte. Hij had geen anderen geest om aan te roepen, dan dien van zijn overleden moeder, voor wien hij een altaar gebouwd had van steenen, die rondom de Gröhl lagen. Maar hij wijdde hem geen dieren en geen bloed, doch vruchten en bloemen en kruiden, zooals de blauwe kolebei en de zoete drakenbloedbes, die hij uitdrukte boven den offersteen, zoodat het scheen of er bloed langs leek en de stekelige iringis, ten[38]teeken van de wraak, die hij gezworen had en vogelkruid, rosmarijn en mierik. Ook waren er kruiden, die gedroogd, tot poeder gewreven en dan gebrand, een dichte blauwe rook gaven en met kleine vuursterretjes knetterden en dan, als hij voor den offersteen stond, werd hij zelf licht en voelde zich zweven van de aarde als een geest en de geest van zijn moeder verscheen hem en zij doorleefden nogmaals het leven van vroeger, maar nu nog mooier. Hij herdacht dan met haar heel zijn schoone jeugd, de dagen dat hij met haar langs bosch en veld had gedwaald om kruiden te zoeken en de liefelijke wintertijd, als zij in de groote heilhut woonden, waar de brouwketels stonden; hij stookte het vuur en den heelen winter door aten zij heerlijke honingkoeken en gerookte zijden en hesp in brooddeeg, en ’s avonds, voor hij slapen ging, vertelde moeder mooie sproken van het betooverde slot en van de prinses Herzeloïde en van den wilden jager. Ook gaf zij hem raadsels op en die raadsels, al lang vergeten, kwamen hem nu weer in den zin.Hij zat dan stil bij het rookende offer en hij voelde zich weder als kind en de oude raadsels sprak hij weer uit, zooals moeder dat gedaan had en hij gaf zichzelf het antwoord.Hinder de Haus,Pfloegt Vetter Kraus,On Pfloeg, On Peerd,Is it nit de Moë weert.…2Dat was: de mol.En dan weer:Twi Köp en Twi ArmeZes Bin en zes Tin,Op vire nar nu gin.…Dat was: de ruiter en ’t peerd.[39]En dan weer:Da kommt di Man van Tippen-Tappen,Hat di Rock mit bonte Lappe,Darbije nog sin rote Bart,Rate, Rate, wat vor Art.…Dat was: de haan.Als hij dan niet kon slapen, had hijmoekeom nog een raadsel gevraagd en nog een, en nog een heel zwaar, dat niet te raden was.Gâte bi gâte joch,’t Halt toch!Dit was moeielijk geweest en peinzend was hij in slaap gevallen en ’s morgens had hijmoekeom ’t antwoord gevraagd, maar hij moest denken zei ze en den heelen dag had hij gedacht en ’s avonds weer en zoo tot de week om was en toen had moeke dan de brouwpot van ’t vuur genomen en rinkele-rinkele tegen de ketting geslagen en ja, dat was het,Gâte bi gâte joch,’t Halt toch!Na die oogenblikken van herinnering, was hij dagen achtereen bedroefd en weende om zijn moeder. Hij zou het spreken verleerd hebben, wanneer hij niet de gewoonte had aangenomen veel hardop met haar geest te praten, want geen sterveling drong in het bosch door, waar hij woonde. Zoo had hij rust en overvloed, maar de eenzaamheid drukte hem en hij verlangde naar een vrouw. Daarom was hij ’s nachts gaan rondzwerven buiten het bosch. Op een nacht was hij wat ver gaan dwalen en vond den weg niet zoo spoedig terug naar de Ravenstroth. Vermoeid viel hij ten laatste neder. Toen de zon opging, werd hij slapende ontdekt door een troep maaiers. Zij waren beangst, begonnen misbaar te maken en riepen in koor:Wilde Mân, Wilde Mân,Du mot gân, du mot gân,’k Zal din hare stroopen,Als di nit gaat loopen.…[40]Hij ontwaakte op hun geschrei, stond op en nu vluchtten de maaiers en maaisters naar alle zijden. Eerst toen zij zagen, dat hij ze niet najoeg bleven ze staan, eerst de mannen en dan de vrouwen en van verre begonnen ze weer hun wijsje te zingen.Sogol, die nu bij ’t daglicht den rechten weg dadelijk vond, liep naar de Ravenstroth terug, maar in zijn hut gekomen, hoorde hij nog altijd in gedachten het tergende wijsje.Zij hielden hem dus voor een wilden man en spraken bezwerings-spreuken. Hij kende die wijsjes, had ze als kleine jongen wel meegezongen met de kinderen van het dorp, als ze wisten waar een kwaden geest zat, die ze allen te samen gingen tergen om hem het verblijf onhoudbaar te maken. Waren wellicht die andere kwade geesten ook menschen, gewone menschen, zooals hij, geweest? Een twijfel kwam in zijn gemoed sluipen. Als eens alle geesten menschen waren? En de nikkers, en de asen en de recken en de elfen? Wat hij van de priesters, de priesteressen en hun verhalen denken moest, wist hij. Hij lag lang na te denken. Vreemd, zoolang leefde hij nu al hier, wel zesmaal was ’t al winter geweest en hoewel hij op alle uren van den dag en den nacht in de Ravenstroth had gewaakt, nog nooit had hij een nix of een elf gezien en Nickelman, die bij elke nieuwe maan heette uit de Gröhl op te stijgen, had hij ook nooit ontwaard hoewel hij toch vaak bij nieuwe maan zijn fuik had uitgezet.Hij had dikwerf zonderlinge geluiden gehoord in ’t dichte loover maar zoo vaak als hij had gespeurd naar den geest, had hij ervaren, dat het geluid een zichtbare oorzaak had, het knagen van een eekhoorn of het afbreken van een zwaren tak of het vallen van een nest of ook wel ’t geluid van vechtende vogels of balgende herten. Nu kende hij bijna alle geluiden van ’t bosch, hij wist wanneer de uil schreide of de ever snuffelde of de raven krijschten; of ver[41]de herten galoppeerden of de hazen lepelden op den maanavond. En soms, wanneer hij ’s nachts door zoo’n bekend geluid werd gewekt en hij wist meteen, de ever gaat drinken aan de Gröhl of de vos heeft een fazant verschalkt, dan dacht hij ook aan ’t geen hij vroeger bij zoo’n geluid zich zou verbeeld hebben.Langzamerhand begon hij moediger door te dringen in het geheim van de stroth en nu hij ondervonden had, hoe lichtvaardig de menschen, een huns gelijke voor een wildeman hielden, wanneer hij er maar wat woest uitzag, durfde hij het laatste geheim van de wildernis gaan doorgronden. Hij brak een lange gevorkte tak van een boom en scherpte de twee punten van den vork door ze met een steen te slijpen en in ’t vuur te harden. Toen wachtte hij tot het nieuwe maan was en sloop naar de Gröhl.Hij bleef verborgen achter de eikestronk wachten en keek naar het diepe stroompje, dat tusschen de twee rotsige oevers met kleine kabbeltjes geulde, blauwzilverig in ’t maanlicht. Maar … daar kwam de Nickelman.… hij zag de twee gloeiende oogen in ’t kreupelhout. Hij beefde, hield zijn vork stevig vast om bereid te zijn, wanneer de Nickelman hem kwaad wilde doen. Doch opeens lachte hij luid-op en door dien lach verschrikt, sprong een lynx op, die had willen drinken maar nu vluchtte. Moediger door deze nieuwe ontnuchtering, liep hij naar den rand van ’t water en riep: „Nickelman, Nickelman!” Doch de Gröhlgeest dook niet op en nu begon hij hem te tarten en te sarren en uit te dagen. De watergeest dook nog steeds niet op. Hij sloeg met zijn vork op ’t water, schold Nickelman uit, beloofde hem dan weer eeuwige verknochtheid en trouwen dienst, als hij zich liet zien. Nu, geheel moedig, stapte hij in de Gröhl en sloeg met zijn vork in de golfjes en stak de vork naar alle zijden heen om hem te treffen, zoo de Gröhlgeest op den bodem zat. Opeens trilde hij door al zijn leden en uitte een kreet. Zijn vork werd[42]beetgepakt en naar beneden getrokken. Hij hield stevig vast, rukte en met alle kracht trok hij de vork naar den kant en stapte uit het water. Maar de vork werd stevig vastgehouden en ’t was alsof de geest hem zijn wapen uit de handen wilde wringen. Nu hij echter op den vasten grond stond, zette hij den voet schrap tegen een zwaren steen en trok met alle krachten. Die daar beneden verzwakte en toen Sogol de vork boven ’t water haalde, krinkelde zich om den steel een armdikke aal, die hij tusschen de vork had vastgespietst.Hij liet de vork los, die de aal weder in ’t water trok. Maar hij deed geen moeite om de buit terug te halen. Een diepe gedachte hield hem bezig. „Er is geen Nickelman!” dacht hij, zoomin als er elfen en nixen en asen zijn; zoomin als de priesteressen kinderen krijgen van de geesten, zoomin als er tooverkollen of wilde menschen zijn. Alles is zichtbaar en wat niet te zien is, bestaat ook niet. En zoo greep de gedachte hem aan, dat hij dien nacht in destrothbleef rondloopen, luide roepend: „Alles is zichtbaar! Alles is zichtbaar!” opzettelijk daar loopend waar hij de geluiden hoorde, waarvoor hij vroeger angst had gehad en dan luid schallend roepend: „Alles is zichtbaar!” Op eens hoorde hij een stem, die hem antwoordde … maar luider, dieper … „Alles is zichtbaar!”… en toen nogmaals een stem, zwakker en teerder maar toch duidelijk verstaanbaar: „Alles is zichtbaar!”Wie riep dat? Moedig drong hij door de dikke struiken en riep opnieuw. Weer hoorde hij twee stemmen, die antwoordden. Hij dreigde ze. Ze dreigden terug. Hij riep ze op. Ze riepen hem weder op. En steeds met zijn zelfde woorden. Voorwaarts drong hij en sloeg met een tak tegen een boom … een holle slag dreunde en kort daarop zonder dat hij nu sloeg, hoorde hij eveneens den dreun van een slag en een zachteren slag daarna. Hij kon niet ontdekken, wie daar sloeg en wie hem antwoordde en nu[43]weer angstig, liep hij naar zijn hut en legde zich op zijn leger van vellen en bleef den heelen nacht peinzen. Dus was alles dan toch niet zichtbaar? Er waren dan toch geesten, die leefden, spraken, riepen, bedreigden en toch zich onzichtbaar konden maken? Toen het dag was geworden, haalde hij zijn vork uit de gröhl. Die dreef boven en nog altijd krinkelde de aal zich vergeefs om zich los te wringen. Hij sloeg den kop van het dier plat met een steen en droeg het naar de hut om later te braden. Nu, met zijn wapen, in ’t heldere daglicht, ging hij weer naar de plaats, waar dien nacht de geest had geroepen. Hij riep opnieuw: „Alles is zichtbaar!” Het antwoord schalde terug en het tweede opnieuw. Hij sprong in ’t kreupelhout, prikte met zijn vork naar alle zijden, maar ditmaal stak hij niet in een dier, doch slechts in ’t ijle of in bladeren of hagedissen.En tegen den middag, heesch van ’t roepen en moe van ’t zoeken en denken, keerde hij naar de hut terug.Eén enkele gedachten hield hem bezig. „De geest was ten laatste ook schor geworden, dus was hij ook vermoeid van ’t roepen … Maar als hij vermoeid raakte, was hij een mensch en geen geest … Morgen zou hij weer gaan zoeken en overmorgen weer, tot hij hem gevonden had en te weer kon staan: „Alles is zichtbaar!””[44]1Behalve op Walcheren zijn er offerplaatsen voor Nehalennia [Nerthus] geweest te Maastricht, Domburg, Voorburg, en Breda. Hetreligieuzeinstinct der oer-bevolking is op enkele dezer plaatsen tot heden onverzwakt gebleven.↑2De schrijver, het onbekende dialect van 200–150 v. Chr. niet kunnend weergeven, moet zich met een reconstructie naar eigen vinding behelpen. De raadsels echter zijn aan bronnen ontleend, die de mogelijkheid niet uitsluiten, dat ze reeds in dien tijd bekend waren.↑

HOOFDSTUK V.

Sogol, de Nerviër, was een vluchteling, die leefde in de Ravenstroth, het dichte gevaarlijke bosch, waar ook de Gröhl van den Nickelman ligt en waarin niemand kan doordringen of hij wordt betooverd.Zijn vader, een Bellovaaksche hertog, was dikwerf op ’t oorlogspad; zijn moeder, de beroemde Nervische heelmeesteres Spûr, die eens den Frieschen koning Verritus genezen had van een beenwond, die hij bij een val tijdens een hardrijderij op schaatsen, had gekregen. De koning had Spûr rijk beloond, haar eerste kind, dat Sogol geweest was, als naamling aangenomen.Met zijn moeder zocht Sogol reeds als kind geneeskrachtige kruiden in bosch en veld en spelend leerde hij haar heelkunst en zag hoe zij de kruiden droogde, ziedde, mengde, tot poeder stampte en hoe zij de werking beproefde door ze aan konijnen, eekhoorns en honden in te geven en te onderzoeken of ze braakten of buikloop kregen of bevingen of krampen of stierven. Toen hij ouder werd, trok hij met haar mede, als zij bij koningen en hertogen werd geroepen om te heelen en hij had zoo al jong, toegang gehad tot kringen, waar andere kinderen uit het volk nooit kwamen en hij had toestanden leeren kennen, die ieder voor ongeloofelijk zou hebben gehouden. Hij was met zijn moeder geroepen naar de priesteressenhaag van Nehalennia op Walcheren, waar de reivoerster, die ’t heilige offer de keel mag doorsnijden, lag met gezwollen buik en pijnlijke heupen. Zij hadden beiden gedacht, moeder en zoon, dat de priesteres aan de jicht leed en haar gewreven met bilzenkruid opgelost in een[35]mengsel van ongeaschte boter en was. Maar hoe groot was hun verwondering geweest, toen de priesteres begon te krijten als eene, die in de weeën ligt en een kind ter wereld bracht. De priesteres had hun een gouden vaas willen geven en een rood-lederen paardetoom als ze getuigen wilden, dat het kind door de genade van Nehalennia was geboren, zonder dat er gemeenschap was geweest met een man, maar Spûr was opgestaan en had haar jongen met zich medevoerende, de geschenken geweigerd. Dan voor de haag, had ze luide geroepen: „Liderlicke Hure, fluch si dir!”Ook was zijn moeder geroepen in de heilige hagen te Mosarik, bij Dûnebarg, bij Forbarg en Bírtâ.1En telkens waren zij verbolgen huiswaarts gekeerd. De priesteressen en de priesters leden aan ziekten, gevolgen van ontucht of zwelgerij en altoos weer hadden zij de eerbare Spûr willen omkoopen en haar bezworen, toch niets aan het volk bekend te maken en de geboorten als kuische, door de heilige beroering van den Geest ontstaan, te willen aankondigen. Maar zij had loon geweigerd en na heur hulp verleend te hebben, had zij ze kloek in heur krachtige taal gesmaad en was met heur zoon weggegaan, nog langs den weg het volk vertellend, wat zij ervaren had en het opzettend, de liederlijke bent van priesters en priesteressen weg te jagen, die zeker den toorn van Nehalennia over de landen zou brengen.En toen haar voorspelling uitkwam, de zwarte ziekte uitbrak, eerst teBírtâen toen te Dûnebarg en overal waar maar hagen van Nehalennia waren, werd het volk oproerig en schoolde voor de hagen saam en vervloekte de ontuchtige[36]priesterschaar. Dat kwam ook ter oore van den reivoerder in ’t Bosch-van-den-Heertoog en de Hertog riep den Raad der oude Priesters bijeen, die verantwoordelijk gemaakt werden. Deze nu beraadslaagden en deden toen kond, dat de godin Nehalennia ondervraagd, geantwoord had, dat zij de ziekten gezonden had wegens een Nervische tooverkol met name Spûr, die giftige brouwsels en tooverdranken bereid had en die aan de priesters en priesteressen had ingegeven. Nu moest Spûr geofferd worden en men lokte haar naar ’t Bosch-van-den-Heertoog onder voorwendsel, dat de reivoerster ziek was. Zij kwam, als altoos bereid tot hulp met haar zoon en toen waren ze gevangen gezet en Spûr van tooverij beschuldigd, moest de waterproef ondergaan. Voor zijn oogen had de jongen gezien hoe zijn moeder, zijn goede, eerbare moeder, wier hoogen zin en groote liefderijkheid hij kende, naakt was geworpen in de kolk en daar, nadat zij driemaal omzichzelve was gedraaid, haar handen hoog had gestrekt naar hem en hem had toegeroepen één woord „Wraak!”, toen was gezonken, na hem nog éénmaal te hebben aangezien. Dien blik vergat de knaap nooit en voortaan leefde hij voor de wraak. Maar de priesters waren sterk, hier in ’t land en ver naar het binnenland waar de hooge bergen zijn en hij was gevlucht, van stede tot stede, altoos in gevaar omgebracht te worden, want ’s nachts sloop hij in de heilige hagen en hij sloeg de offerblokken tot gruizels en hij hing hanen aan één poot in de heilige eiken, om ze de wijding te ontnemen en hij deed zijn gevoeg voor de hutten, waar de offers werden bewaard.Maar nu werden honden bij de hagen vastgelegd, die begonnen te bassen, als hij naderde en dan kwamen de wachters en vervolgden hem. Toen trok hij naar zijn vader, die terug was gekomen van hetPaarden-eiland, waar hij al die jaren had gewoond, omdat hij medegestreden had tegen die van het Groene Eiland, die zoo rijk aan schapen zijn, dezelfde die willen weten, dat de Velagers aanhenzijn verzwagerd[37]en de Bedekauwers vreemdelingen heeten, die uitgedreven moesten worden, in stede van recht op schatting te hebben. Toen hij zijn vader verteld had van het wedervaren zijner moeder en daarna hoe hij zich gewroken had, was zijn vader vertoornd geweest, had zijn moeder gevloekt en hem met smaad weggejaagd. Want de vader, die zeer vroom was, zeide dat hij leugenpraat sprak en dat zijn moeder een vrouw uit het volk was geweest, die niet tegen priesters en priesteressen had op te spelen en dat zij, door het volk op te hitsen een kwalijke daad had gedaan, die wèl met den dood gestraft had verdiend te worden.Want hij, de vader, hoewel ook ontsproten uit den stand der hoorigen, was door vroomheid en moed verheven tot hertog en nu, na den strijd tegen die van ’t Groene Eiland, waarvan hij drie skiggen buit had medegebracht, zou hij naar de koningswaardigheid staan en zeker zouden de priesters op het Ding hem afvallen, als zij wisten, dat hij een zoon had, als Sogol, die de heilige hagen had ontwijd en nooit als zijn opvolger geduld zou worden.Zoo was dan Sogol verjaagd en hij was getrokken naar de Ravenstroth, die woest lag, omdat geen wezen zich er in waagde, vanwege den Nickelman en al de vele booze geesten, die er huisden.Hier, in de eenzame woestenij, was de jongeling opgegroeid, zich voedend met de vruchten en kruiden, die hij kende, met visch, die hij ving in de Gröhl van Nickelman en met klein wild, dat hij in strikken verschalkte. Hij had geen anderen geest om aan te roepen, dan dien van zijn overleden moeder, voor wien hij een altaar gebouwd had van steenen, die rondom de Gröhl lagen. Maar hij wijdde hem geen dieren en geen bloed, doch vruchten en bloemen en kruiden, zooals de blauwe kolebei en de zoete drakenbloedbes, die hij uitdrukte boven den offersteen, zoodat het scheen of er bloed langs leek en de stekelige iringis, ten[38]teeken van de wraak, die hij gezworen had en vogelkruid, rosmarijn en mierik. Ook waren er kruiden, die gedroogd, tot poeder gewreven en dan gebrand, een dichte blauwe rook gaven en met kleine vuursterretjes knetterden en dan, als hij voor den offersteen stond, werd hij zelf licht en voelde zich zweven van de aarde als een geest en de geest van zijn moeder verscheen hem en zij doorleefden nogmaals het leven van vroeger, maar nu nog mooier. Hij herdacht dan met haar heel zijn schoone jeugd, de dagen dat hij met haar langs bosch en veld had gedwaald om kruiden te zoeken en de liefelijke wintertijd, als zij in de groote heilhut woonden, waar de brouwketels stonden; hij stookte het vuur en den heelen winter door aten zij heerlijke honingkoeken en gerookte zijden en hesp in brooddeeg, en ’s avonds, voor hij slapen ging, vertelde moeder mooie sproken van het betooverde slot en van de prinses Herzeloïde en van den wilden jager. Ook gaf zij hem raadsels op en die raadsels, al lang vergeten, kwamen hem nu weer in den zin.Hij zat dan stil bij het rookende offer en hij voelde zich weder als kind en de oude raadsels sprak hij weer uit, zooals moeder dat gedaan had en hij gaf zichzelf het antwoord.Hinder de Haus,Pfloegt Vetter Kraus,On Pfloeg, On Peerd,Is it nit de Moë weert.…2Dat was: de mol.En dan weer:Twi Köp en Twi ArmeZes Bin en zes Tin,Op vire nar nu gin.…Dat was: de ruiter en ’t peerd.[39]En dan weer:Da kommt di Man van Tippen-Tappen,Hat di Rock mit bonte Lappe,Darbije nog sin rote Bart,Rate, Rate, wat vor Art.…Dat was: de haan.Als hij dan niet kon slapen, had hijmoekeom nog een raadsel gevraagd en nog een, en nog een heel zwaar, dat niet te raden was.Gâte bi gâte joch,’t Halt toch!Dit was moeielijk geweest en peinzend was hij in slaap gevallen en ’s morgens had hijmoekeom ’t antwoord gevraagd, maar hij moest denken zei ze en den heelen dag had hij gedacht en ’s avonds weer en zoo tot de week om was en toen had moeke dan de brouwpot van ’t vuur genomen en rinkele-rinkele tegen de ketting geslagen en ja, dat was het,Gâte bi gâte joch,’t Halt toch!Na die oogenblikken van herinnering, was hij dagen achtereen bedroefd en weende om zijn moeder. Hij zou het spreken verleerd hebben, wanneer hij niet de gewoonte had aangenomen veel hardop met haar geest te praten, want geen sterveling drong in het bosch door, waar hij woonde. Zoo had hij rust en overvloed, maar de eenzaamheid drukte hem en hij verlangde naar een vrouw. Daarom was hij ’s nachts gaan rondzwerven buiten het bosch. Op een nacht was hij wat ver gaan dwalen en vond den weg niet zoo spoedig terug naar de Ravenstroth. Vermoeid viel hij ten laatste neder. Toen de zon opging, werd hij slapende ontdekt door een troep maaiers. Zij waren beangst, begonnen misbaar te maken en riepen in koor:Wilde Mân, Wilde Mân,Du mot gân, du mot gân,’k Zal din hare stroopen,Als di nit gaat loopen.…[40]Hij ontwaakte op hun geschrei, stond op en nu vluchtten de maaiers en maaisters naar alle zijden. Eerst toen zij zagen, dat hij ze niet najoeg bleven ze staan, eerst de mannen en dan de vrouwen en van verre begonnen ze weer hun wijsje te zingen.Sogol, die nu bij ’t daglicht den rechten weg dadelijk vond, liep naar de Ravenstroth terug, maar in zijn hut gekomen, hoorde hij nog altijd in gedachten het tergende wijsje.Zij hielden hem dus voor een wilden man en spraken bezwerings-spreuken. Hij kende die wijsjes, had ze als kleine jongen wel meegezongen met de kinderen van het dorp, als ze wisten waar een kwaden geest zat, die ze allen te samen gingen tergen om hem het verblijf onhoudbaar te maken. Waren wellicht die andere kwade geesten ook menschen, gewone menschen, zooals hij, geweest? Een twijfel kwam in zijn gemoed sluipen. Als eens alle geesten menschen waren? En de nikkers, en de asen en de recken en de elfen? Wat hij van de priesters, de priesteressen en hun verhalen denken moest, wist hij. Hij lag lang na te denken. Vreemd, zoolang leefde hij nu al hier, wel zesmaal was ’t al winter geweest en hoewel hij op alle uren van den dag en den nacht in de Ravenstroth had gewaakt, nog nooit had hij een nix of een elf gezien en Nickelman, die bij elke nieuwe maan heette uit de Gröhl op te stijgen, had hij ook nooit ontwaard hoewel hij toch vaak bij nieuwe maan zijn fuik had uitgezet.Hij had dikwerf zonderlinge geluiden gehoord in ’t dichte loover maar zoo vaak als hij had gespeurd naar den geest, had hij ervaren, dat het geluid een zichtbare oorzaak had, het knagen van een eekhoorn of het afbreken van een zwaren tak of het vallen van een nest of ook wel ’t geluid van vechtende vogels of balgende herten. Nu kende hij bijna alle geluiden van ’t bosch, hij wist wanneer de uil schreide of de ever snuffelde of de raven krijschten; of ver[41]de herten galoppeerden of de hazen lepelden op den maanavond. En soms, wanneer hij ’s nachts door zoo’n bekend geluid werd gewekt en hij wist meteen, de ever gaat drinken aan de Gröhl of de vos heeft een fazant verschalkt, dan dacht hij ook aan ’t geen hij vroeger bij zoo’n geluid zich zou verbeeld hebben.Langzamerhand begon hij moediger door te dringen in het geheim van de stroth en nu hij ondervonden had, hoe lichtvaardig de menschen, een huns gelijke voor een wildeman hielden, wanneer hij er maar wat woest uitzag, durfde hij het laatste geheim van de wildernis gaan doorgronden. Hij brak een lange gevorkte tak van een boom en scherpte de twee punten van den vork door ze met een steen te slijpen en in ’t vuur te harden. Toen wachtte hij tot het nieuwe maan was en sloop naar de Gröhl.Hij bleef verborgen achter de eikestronk wachten en keek naar het diepe stroompje, dat tusschen de twee rotsige oevers met kleine kabbeltjes geulde, blauwzilverig in ’t maanlicht. Maar … daar kwam de Nickelman.… hij zag de twee gloeiende oogen in ’t kreupelhout. Hij beefde, hield zijn vork stevig vast om bereid te zijn, wanneer de Nickelman hem kwaad wilde doen. Doch opeens lachte hij luid-op en door dien lach verschrikt, sprong een lynx op, die had willen drinken maar nu vluchtte. Moediger door deze nieuwe ontnuchtering, liep hij naar den rand van ’t water en riep: „Nickelman, Nickelman!” Doch de Gröhlgeest dook niet op en nu begon hij hem te tarten en te sarren en uit te dagen. De watergeest dook nog steeds niet op. Hij sloeg met zijn vork op ’t water, schold Nickelman uit, beloofde hem dan weer eeuwige verknochtheid en trouwen dienst, als hij zich liet zien. Nu, geheel moedig, stapte hij in de Gröhl en sloeg met zijn vork in de golfjes en stak de vork naar alle zijden heen om hem te treffen, zoo de Gröhlgeest op den bodem zat. Opeens trilde hij door al zijn leden en uitte een kreet. Zijn vork werd[42]beetgepakt en naar beneden getrokken. Hij hield stevig vast, rukte en met alle kracht trok hij de vork naar den kant en stapte uit het water. Maar de vork werd stevig vastgehouden en ’t was alsof de geest hem zijn wapen uit de handen wilde wringen. Nu hij echter op den vasten grond stond, zette hij den voet schrap tegen een zwaren steen en trok met alle krachten. Die daar beneden verzwakte en toen Sogol de vork boven ’t water haalde, krinkelde zich om den steel een armdikke aal, die hij tusschen de vork had vastgespietst.Hij liet de vork los, die de aal weder in ’t water trok. Maar hij deed geen moeite om de buit terug te halen. Een diepe gedachte hield hem bezig. „Er is geen Nickelman!” dacht hij, zoomin als er elfen en nixen en asen zijn; zoomin als de priesteressen kinderen krijgen van de geesten, zoomin als er tooverkollen of wilde menschen zijn. Alles is zichtbaar en wat niet te zien is, bestaat ook niet. En zoo greep de gedachte hem aan, dat hij dien nacht in destrothbleef rondloopen, luide roepend: „Alles is zichtbaar! Alles is zichtbaar!” opzettelijk daar loopend waar hij de geluiden hoorde, waarvoor hij vroeger angst had gehad en dan luid schallend roepend: „Alles is zichtbaar!” Op eens hoorde hij een stem, die hem antwoordde … maar luider, dieper … „Alles is zichtbaar!”… en toen nogmaals een stem, zwakker en teerder maar toch duidelijk verstaanbaar: „Alles is zichtbaar!”Wie riep dat? Moedig drong hij door de dikke struiken en riep opnieuw. Weer hoorde hij twee stemmen, die antwoordden. Hij dreigde ze. Ze dreigden terug. Hij riep ze op. Ze riepen hem weder op. En steeds met zijn zelfde woorden. Voorwaarts drong hij en sloeg met een tak tegen een boom … een holle slag dreunde en kort daarop zonder dat hij nu sloeg, hoorde hij eveneens den dreun van een slag en een zachteren slag daarna. Hij kon niet ontdekken, wie daar sloeg en wie hem antwoordde en nu[43]weer angstig, liep hij naar zijn hut en legde zich op zijn leger van vellen en bleef den heelen nacht peinzen. Dus was alles dan toch niet zichtbaar? Er waren dan toch geesten, die leefden, spraken, riepen, bedreigden en toch zich onzichtbaar konden maken? Toen het dag was geworden, haalde hij zijn vork uit de gröhl. Die dreef boven en nog altijd krinkelde de aal zich vergeefs om zich los te wringen. Hij sloeg den kop van het dier plat met een steen en droeg het naar de hut om later te braden. Nu, met zijn wapen, in ’t heldere daglicht, ging hij weer naar de plaats, waar dien nacht de geest had geroepen. Hij riep opnieuw: „Alles is zichtbaar!” Het antwoord schalde terug en het tweede opnieuw. Hij sprong in ’t kreupelhout, prikte met zijn vork naar alle zijden, maar ditmaal stak hij niet in een dier, doch slechts in ’t ijle of in bladeren of hagedissen.En tegen den middag, heesch van ’t roepen en moe van ’t zoeken en denken, keerde hij naar de hut terug.Eén enkele gedachten hield hem bezig. „De geest was ten laatste ook schor geworden, dus was hij ook vermoeid van ’t roepen … Maar als hij vermoeid raakte, was hij een mensch en geen geest … Morgen zou hij weer gaan zoeken en overmorgen weer, tot hij hem gevonden had en te weer kon staan: „Alles is zichtbaar!””[44]

Sogol, de Nerviër, was een vluchteling, die leefde in de Ravenstroth, het dichte gevaarlijke bosch, waar ook de Gröhl van den Nickelman ligt en waarin niemand kan doordringen of hij wordt betooverd.

Zijn vader, een Bellovaaksche hertog, was dikwerf op ’t oorlogspad; zijn moeder, de beroemde Nervische heelmeesteres Spûr, die eens den Frieschen koning Verritus genezen had van een beenwond, die hij bij een val tijdens een hardrijderij op schaatsen, had gekregen. De koning had Spûr rijk beloond, haar eerste kind, dat Sogol geweest was, als naamling aangenomen.

Met zijn moeder zocht Sogol reeds als kind geneeskrachtige kruiden in bosch en veld en spelend leerde hij haar heelkunst en zag hoe zij de kruiden droogde, ziedde, mengde, tot poeder stampte en hoe zij de werking beproefde door ze aan konijnen, eekhoorns en honden in te geven en te onderzoeken of ze braakten of buikloop kregen of bevingen of krampen of stierven. Toen hij ouder werd, trok hij met haar mede, als zij bij koningen en hertogen werd geroepen om te heelen en hij had zoo al jong, toegang gehad tot kringen, waar andere kinderen uit het volk nooit kwamen en hij had toestanden leeren kennen, die ieder voor ongeloofelijk zou hebben gehouden. Hij was met zijn moeder geroepen naar de priesteressenhaag van Nehalennia op Walcheren, waar de reivoerster, die ’t heilige offer de keel mag doorsnijden, lag met gezwollen buik en pijnlijke heupen. Zij hadden beiden gedacht, moeder en zoon, dat de priesteres aan de jicht leed en haar gewreven met bilzenkruid opgelost in een[35]mengsel van ongeaschte boter en was. Maar hoe groot was hun verwondering geweest, toen de priesteres begon te krijten als eene, die in de weeën ligt en een kind ter wereld bracht. De priesteres had hun een gouden vaas willen geven en een rood-lederen paardetoom als ze getuigen wilden, dat het kind door de genade van Nehalennia was geboren, zonder dat er gemeenschap was geweest met een man, maar Spûr was opgestaan en had haar jongen met zich medevoerende, de geschenken geweigerd. Dan voor de haag, had ze luide geroepen: „Liderlicke Hure, fluch si dir!”

Ook was zijn moeder geroepen in de heilige hagen te Mosarik, bij Dûnebarg, bij Forbarg en Bírtâ.1En telkens waren zij verbolgen huiswaarts gekeerd. De priesteressen en de priesters leden aan ziekten, gevolgen van ontucht of zwelgerij en altoos weer hadden zij de eerbare Spûr willen omkoopen en haar bezworen, toch niets aan het volk bekend te maken en de geboorten als kuische, door de heilige beroering van den Geest ontstaan, te willen aankondigen. Maar zij had loon geweigerd en na heur hulp verleend te hebben, had zij ze kloek in heur krachtige taal gesmaad en was met heur zoon weggegaan, nog langs den weg het volk vertellend, wat zij ervaren had en het opzettend, de liederlijke bent van priesters en priesteressen weg te jagen, die zeker den toorn van Nehalennia over de landen zou brengen.

En toen haar voorspelling uitkwam, de zwarte ziekte uitbrak, eerst teBírtâen toen te Dûnebarg en overal waar maar hagen van Nehalennia waren, werd het volk oproerig en schoolde voor de hagen saam en vervloekte de ontuchtige[36]priesterschaar. Dat kwam ook ter oore van den reivoerder in ’t Bosch-van-den-Heertoog en de Hertog riep den Raad der oude Priesters bijeen, die verantwoordelijk gemaakt werden. Deze nu beraadslaagden en deden toen kond, dat de godin Nehalennia ondervraagd, geantwoord had, dat zij de ziekten gezonden had wegens een Nervische tooverkol met name Spûr, die giftige brouwsels en tooverdranken bereid had en die aan de priesters en priesteressen had ingegeven. Nu moest Spûr geofferd worden en men lokte haar naar ’t Bosch-van-den-Heertoog onder voorwendsel, dat de reivoerster ziek was. Zij kwam, als altoos bereid tot hulp met haar zoon en toen waren ze gevangen gezet en Spûr van tooverij beschuldigd, moest de waterproef ondergaan. Voor zijn oogen had de jongen gezien hoe zijn moeder, zijn goede, eerbare moeder, wier hoogen zin en groote liefderijkheid hij kende, naakt was geworpen in de kolk en daar, nadat zij driemaal omzichzelve was gedraaid, haar handen hoog had gestrekt naar hem en hem had toegeroepen één woord „Wraak!”, toen was gezonken, na hem nog éénmaal te hebben aangezien. Dien blik vergat de knaap nooit en voortaan leefde hij voor de wraak. Maar de priesters waren sterk, hier in ’t land en ver naar het binnenland waar de hooge bergen zijn en hij was gevlucht, van stede tot stede, altoos in gevaar omgebracht te worden, want ’s nachts sloop hij in de heilige hagen en hij sloeg de offerblokken tot gruizels en hij hing hanen aan één poot in de heilige eiken, om ze de wijding te ontnemen en hij deed zijn gevoeg voor de hutten, waar de offers werden bewaard.

Maar nu werden honden bij de hagen vastgelegd, die begonnen te bassen, als hij naderde en dan kwamen de wachters en vervolgden hem. Toen trok hij naar zijn vader, die terug was gekomen van hetPaarden-eiland, waar hij al die jaren had gewoond, omdat hij medegestreden had tegen die van het Groene Eiland, die zoo rijk aan schapen zijn, dezelfde die willen weten, dat de Velagers aanhenzijn verzwagerd[37]en de Bedekauwers vreemdelingen heeten, die uitgedreven moesten worden, in stede van recht op schatting te hebben. Toen hij zijn vader verteld had van het wedervaren zijner moeder en daarna hoe hij zich gewroken had, was zijn vader vertoornd geweest, had zijn moeder gevloekt en hem met smaad weggejaagd. Want de vader, die zeer vroom was, zeide dat hij leugenpraat sprak en dat zijn moeder een vrouw uit het volk was geweest, die niet tegen priesters en priesteressen had op te spelen en dat zij, door het volk op te hitsen een kwalijke daad had gedaan, die wèl met den dood gestraft had verdiend te worden.

Want hij, de vader, hoewel ook ontsproten uit den stand der hoorigen, was door vroomheid en moed verheven tot hertog en nu, na den strijd tegen die van ’t Groene Eiland, waarvan hij drie skiggen buit had medegebracht, zou hij naar de koningswaardigheid staan en zeker zouden de priesters op het Ding hem afvallen, als zij wisten, dat hij een zoon had, als Sogol, die de heilige hagen had ontwijd en nooit als zijn opvolger geduld zou worden.

Zoo was dan Sogol verjaagd en hij was getrokken naar de Ravenstroth, die woest lag, omdat geen wezen zich er in waagde, vanwege den Nickelman en al de vele booze geesten, die er huisden.

Hier, in de eenzame woestenij, was de jongeling opgegroeid, zich voedend met de vruchten en kruiden, die hij kende, met visch, die hij ving in de Gröhl van Nickelman en met klein wild, dat hij in strikken verschalkte. Hij had geen anderen geest om aan te roepen, dan dien van zijn overleden moeder, voor wien hij een altaar gebouwd had van steenen, die rondom de Gröhl lagen. Maar hij wijdde hem geen dieren en geen bloed, doch vruchten en bloemen en kruiden, zooals de blauwe kolebei en de zoete drakenbloedbes, die hij uitdrukte boven den offersteen, zoodat het scheen of er bloed langs leek en de stekelige iringis, ten[38]teeken van de wraak, die hij gezworen had en vogelkruid, rosmarijn en mierik. Ook waren er kruiden, die gedroogd, tot poeder gewreven en dan gebrand, een dichte blauwe rook gaven en met kleine vuursterretjes knetterden en dan, als hij voor den offersteen stond, werd hij zelf licht en voelde zich zweven van de aarde als een geest en de geest van zijn moeder verscheen hem en zij doorleefden nogmaals het leven van vroeger, maar nu nog mooier. Hij herdacht dan met haar heel zijn schoone jeugd, de dagen dat hij met haar langs bosch en veld had gedwaald om kruiden te zoeken en de liefelijke wintertijd, als zij in de groote heilhut woonden, waar de brouwketels stonden; hij stookte het vuur en den heelen winter door aten zij heerlijke honingkoeken en gerookte zijden en hesp in brooddeeg, en ’s avonds, voor hij slapen ging, vertelde moeder mooie sproken van het betooverde slot en van de prinses Herzeloïde en van den wilden jager. Ook gaf zij hem raadsels op en die raadsels, al lang vergeten, kwamen hem nu weer in den zin.

Hij zat dan stil bij het rookende offer en hij voelde zich weder als kind en de oude raadsels sprak hij weer uit, zooals moeder dat gedaan had en hij gaf zichzelf het antwoord.

Hinder de Haus,Pfloegt Vetter Kraus,On Pfloeg, On Peerd,Is it nit de Moë weert.…2Dat was: de mol.

Hinder de Haus,

Pfloegt Vetter Kraus,

On Pfloeg, On Peerd,

Is it nit de Moë weert.…2

Dat was: de mol.

En dan weer:

Twi Köp en Twi ArmeZes Bin en zes Tin,Op vire nar nu gin.…Dat was: de ruiter en ’t peerd.

Twi Köp en Twi Arme

Zes Bin en zes Tin,

Op vire nar nu gin.…

Dat was: de ruiter en ’t peerd.

[39]

En dan weer:

Da kommt di Man van Tippen-Tappen,Hat di Rock mit bonte Lappe,Darbije nog sin rote Bart,Rate, Rate, wat vor Art.…Dat was: de haan.

Da kommt di Man van Tippen-Tappen,

Hat di Rock mit bonte Lappe,

Darbije nog sin rote Bart,

Rate, Rate, wat vor Art.…

Dat was: de haan.

Als hij dan niet kon slapen, had hijmoekeom nog een raadsel gevraagd en nog een, en nog een heel zwaar, dat niet te raden was.

Gâte bi gâte joch,’t Halt toch!

Gâte bi gâte joch,

’t Halt toch!

Dit was moeielijk geweest en peinzend was hij in slaap gevallen en ’s morgens had hijmoekeom ’t antwoord gevraagd, maar hij moest denken zei ze en den heelen dag had hij gedacht en ’s avonds weer en zoo tot de week om was en toen had moeke dan de brouwpot van ’t vuur genomen en rinkele-rinkele tegen de ketting geslagen en ja, dat was het,

Gâte bi gâte joch,’t Halt toch!

Gâte bi gâte joch,

’t Halt toch!

Na die oogenblikken van herinnering, was hij dagen achtereen bedroefd en weende om zijn moeder. Hij zou het spreken verleerd hebben, wanneer hij niet de gewoonte had aangenomen veel hardop met haar geest te praten, want geen sterveling drong in het bosch door, waar hij woonde. Zoo had hij rust en overvloed, maar de eenzaamheid drukte hem en hij verlangde naar een vrouw. Daarom was hij ’s nachts gaan rondzwerven buiten het bosch. Op een nacht was hij wat ver gaan dwalen en vond den weg niet zoo spoedig terug naar de Ravenstroth. Vermoeid viel hij ten laatste neder. Toen de zon opging, werd hij slapende ontdekt door een troep maaiers. Zij waren beangst, begonnen misbaar te maken en riepen in koor:

Wilde Mân, Wilde Mân,Du mot gân, du mot gân,’k Zal din hare stroopen,Als di nit gaat loopen.…

Wilde Mân, Wilde Mân,

Du mot gân, du mot gân,

’k Zal din hare stroopen,

Als di nit gaat loopen.…

[40]

Hij ontwaakte op hun geschrei, stond op en nu vluchtten de maaiers en maaisters naar alle zijden. Eerst toen zij zagen, dat hij ze niet najoeg bleven ze staan, eerst de mannen en dan de vrouwen en van verre begonnen ze weer hun wijsje te zingen.

Sogol, die nu bij ’t daglicht den rechten weg dadelijk vond, liep naar de Ravenstroth terug, maar in zijn hut gekomen, hoorde hij nog altijd in gedachten het tergende wijsje.

Zij hielden hem dus voor een wilden man en spraken bezwerings-spreuken. Hij kende die wijsjes, had ze als kleine jongen wel meegezongen met de kinderen van het dorp, als ze wisten waar een kwaden geest zat, die ze allen te samen gingen tergen om hem het verblijf onhoudbaar te maken. Waren wellicht die andere kwade geesten ook menschen, gewone menschen, zooals hij, geweest? Een twijfel kwam in zijn gemoed sluipen. Als eens alle geesten menschen waren? En de nikkers, en de asen en de recken en de elfen? Wat hij van de priesters, de priesteressen en hun verhalen denken moest, wist hij. Hij lag lang na te denken. Vreemd, zoolang leefde hij nu al hier, wel zesmaal was ’t al winter geweest en hoewel hij op alle uren van den dag en den nacht in de Ravenstroth had gewaakt, nog nooit had hij een nix of een elf gezien en Nickelman, die bij elke nieuwe maan heette uit de Gröhl op te stijgen, had hij ook nooit ontwaard hoewel hij toch vaak bij nieuwe maan zijn fuik had uitgezet.

Hij had dikwerf zonderlinge geluiden gehoord in ’t dichte loover maar zoo vaak als hij had gespeurd naar den geest, had hij ervaren, dat het geluid een zichtbare oorzaak had, het knagen van een eekhoorn of het afbreken van een zwaren tak of het vallen van een nest of ook wel ’t geluid van vechtende vogels of balgende herten. Nu kende hij bijna alle geluiden van ’t bosch, hij wist wanneer de uil schreide of de ever snuffelde of de raven krijschten; of ver[41]de herten galoppeerden of de hazen lepelden op den maanavond. En soms, wanneer hij ’s nachts door zoo’n bekend geluid werd gewekt en hij wist meteen, de ever gaat drinken aan de Gröhl of de vos heeft een fazant verschalkt, dan dacht hij ook aan ’t geen hij vroeger bij zoo’n geluid zich zou verbeeld hebben.

Langzamerhand begon hij moediger door te dringen in het geheim van de stroth en nu hij ondervonden had, hoe lichtvaardig de menschen, een huns gelijke voor een wildeman hielden, wanneer hij er maar wat woest uitzag, durfde hij het laatste geheim van de wildernis gaan doorgronden. Hij brak een lange gevorkte tak van een boom en scherpte de twee punten van den vork door ze met een steen te slijpen en in ’t vuur te harden. Toen wachtte hij tot het nieuwe maan was en sloop naar de Gröhl.

Hij bleef verborgen achter de eikestronk wachten en keek naar het diepe stroompje, dat tusschen de twee rotsige oevers met kleine kabbeltjes geulde, blauwzilverig in ’t maanlicht. Maar … daar kwam de Nickelman.… hij zag de twee gloeiende oogen in ’t kreupelhout. Hij beefde, hield zijn vork stevig vast om bereid te zijn, wanneer de Nickelman hem kwaad wilde doen. Doch opeens lachte hij luid-op en door dien lach verschrikt, sprong een lynx op, die had willen drinken maar nu vluchtte. Moediger door deze nieuwe ontnuchtering, liep hij naar den rand van ’t water en riep: „Nickelman, Nickelman!” Doch de Gröhlgeest dook niet op en nu begon hij hem te tarten en te sarren en uit te dagen. De watergeest dook nog steeds niet op. Hij sloeg met zijn vork op ’t water, schold Nickelman uit, beloofde hem dan weer eeuwige verknochtheid en trouwen dienst, als hij zich liet zien. Nu, geheel moedig, stapte hij in de Gröhl en sloeg met zijn vork in de golfjes en stak de vork naar alle zijden heen om hem te treffen, zoo de Gröhlgeest op den bodem zat. Opeens trilde hij door al zijn leden en uitte een kreet. Zijn vork werd[42]beetgepakt en naar beneden getrokken. Hij hield stevig vast, rukte en met alle kracht trok hij de vork naar den kant en stapte uit het water. Maar de vork werd stevig vastgehouden en ’t was alsof de geest hem zijn wapen uit de handen wilde wringen. Nu hij echter op den vasten grond stond, zette hij den voet schrap tegen een zwaren steen en trok met alle krachten. Die daar beneden verzwakte en toen Sogol de vork boven ’t water haalde, krinkelde zich om den steel een armdikke aal, die hij tusschen de vork had vastgespietst.

Hij liet de vork los, die de aal weder in ’t water trok. Maar hij deed geen moeite om de buit terug te halen. Een diepe gedachte hield hem bezig. „Er is geen Nickelman!” dacht hij, zoomin als er elfen en nixen en asen zijn; zoomin als de priesteressen kinderen krijgen van de geesten, zoomin als er tooverkollen of wilde menschen zijn. Alles is zichtbaar en wat niet te zien is, bestaat ook niet. En zoo greep de gedachte hem aan, dat hij dien nacht in destrothbleef rondloopen, luide roepend: „Alles is zichtbaar! Alles is zichtbaar!” opzettelijk daar loopend waar hij de geluiden hoorde, waarvoor hij vroeger angst had gehad en dan luid schallend roepend: „Alles is zichtbaar!” Op eens hoorde hij een stem, die hem antwoordde … maar luider, dieper … „Alles is zichtbaar!”… en toen nogmaals een stem, zwakker en teerder maar toch duidelijk verstaanbaar: „Alles is zichtbaar!”

Wie riep dat? Moedig drong hij door de dikke struiken en riep opnieuw. Weer hoorde hij twee stemmen, die antwoordden. Hij dreigde ze. Ze dreigden terug. Hij riep ze op. Ze riepen hem weder op. En steeds met zijn zelfde woorden. Voorwaarts drong hij en sloeg met een tak tegen een boom … een holle slag dreunde en kort daarop zonder dat hij nu sloeg, hoorde hij eveneens den dreun van een slag en een zachteren slag daarna. Hij kon niet ontdekken, wie daar sloeg en wie hem antwoordde en nu[43]weer angstig, liep hij naar zijn hut en legde zich op zijn leger van vellen en bleef den heelen nacht peinzen. Dus was alles dan toch niet zichtbaar? Er waren dan toch geesten, die leefden, spraken, riepen, bedreigden en toch zich onzichtbaar konden maken? Toen het dag was geworden, haalde hij zijn vork uit de gröhl. Die dreef boven en nog altijd krinkelde de aal zich vergeefs om zich los te wringen. Hij sloeg den kop van het dier plat met een steen en droeg het naar de hut om later te braden. Nu, met zijn wapen, in ’t heldere daglicht, ging hij weer naar de plaats, waar dien nacht de geest had geroepen. Hij riep opnieuw: „Alles is zichtbaar!” Het antwoord schalde terug en het tweede opnieuw. Hij sprong in ’t kreupelhout, prikte met zijn vork naar alle zijden, maar ditmaal stak hij niet in een dier, doch slechts in ’t ijle of in bladeren of hagedissen.

En tegen den middag, heesch van ’t roepen en moe van ’t zoeken en denken, keerde hij naar de hut terug.

Eén enkele gedachten hield hem bezig. „De geest was ten laatste ook schor geworden, dus was hij ook vermoeid van ’t roepen … Maar als hij vermoeid raakte, was hij een mensch en geen geest … Morgen zou hij weer gaan zoeken en overmorgen weer, tot hij hem gevonden had en te weer kon staan: „Alles is zichtbaar!””[44]

1Behalve op Walcheren zijn er offerplaatsen voor Nehalennia [Nerthus] geweest te Maastricht, Domburg, Voorburg, en Breda. Hetreligieuzeinstinct der oer-bevolking is op enkele dezer plaatsen tot heden onverzwakt gebleven.↑2De schrijver, het onbekende dialect van 200–150 v. Chr. niet kunnend weergeven, moet zich met een reconstructie naar eigen vinding behelpen. De raadsels echter zijn aan bronnen ontleend, die de mogelijkheid niet uitsluiten, dat ze reeds in dien tijd bekend waren.↑

1Behalve op Walcheren zijn er offerplaatsen voor Nehalennia [Nerthus] geweest te Maastricht, Domburg, Voorburg, en Breda. Hetreligieuzeinstinct der oer-bevolking is op enkele dezer plaatsen tot heden onverzwakt gebleven.↑2De schrijver, het onbekende dialect van 200–150 v. Chr. niet kunnend weergeven, moet zich met een reconstructie naar eigen vinding behelpen. De raadsels echter zijn aan bronnen ontleend, die de mogelijkheid niet uitsluiten, dat ze reeds in dien tijd bekend waren.↑

1Behalve op Walcheren zijn er offerplaatsen voor Nehalennia [Nerthus] geweest te Maastricht, Domburg, Voorburg, en Breda. Hetreligieuzeinstinct der oer-bevolking is op enkele dezer plaatsen tot heden onverzwakt gebleven.↑

1Behalve op Walcheren zijn er offerplaatsen voor Nehalennia [Nerthus] geweest te Maastricht, Domburg, Voorburg, en Breda. Hetreligieuzeinstinct der oer-bevolking is op enkele dezer plaatsen tot heden onverzwakt gebleven.↑

2De schrijver, het onbekende dialect van 200–150 v. Chr. niet kunnend weergeven, moet zich met een reconstructie naar eigen vinding behelpen. De raadsels echter zijn aan bronnen ontleend, die de mogelijkheid niet uitsluiten, dat ze reeds in dien tijd bekend waren.↑

2De schrijver, het onbekende dialect van 200–150 v. Chr. niet kunnend weergeven, moet zich met een reconstructie naar eigen vinding behelpen. De raadsels echter zijn aan bronnen ontleend, die de mogelijkheid niet uitsluiten, dat ze reeds in dien tijd bekend waren.↑


Back to IndexNext