HOOFDSTUK IV.

[Inhoud]HOOFDSTUK IV.Toen Koning Gise zijn eiland weder bereikt had, herkende zijn onderdanen hem niet. Hij was tot op het vel vermagerd en zijn drie koks, die vele dagen vóór de aankomst hun talenten getoond hadden bij de toebereiding van het geslachte ezeltje, geleken op elkaar als drie stafrijmen. Zij hadden het leege karretje voortgetrokken, nadat de ezel opgegeten was en koning Gise liep treurig achteraan, troosteloos omdat hij zonder de hand en zonder de belofte van de groote priesteres, naar zijn eiland moest terugkeeren.Zijn smart werd nog grooter toen hij eindelijk op ’t eiland teruggekomen was. De fioord was na een storm zoo verzand, dat de schepen, die in de fioord lagen, niet meer konden uitvaren en de schepen, die van de oceaan aanzeilden, niet meer binnen konden vallen.De Bedekauwers hadden zich hierom weinig bekommerd. Zij vertrouwden op hun koning, die wel de gunst van de machtige priesteres zou weten te verwerven en hadden zoo vroolijk en welvoldaan geleefd als dat gezeten lieden past.Toen zij nu hoorden, dat de koning niet alleen afgewezen was als bruidegom, maar zelfs smadelijk als roover verdreven, begonnen zij den omvang van de ramp te beseffen en spraken er over, weder naar Nehalennia te gaan en haar door groote geschenken en veel offers te verteederen, zoodat zij den zeegeest zou gelasten, de fioord weder uit te diepen.Koning Gise was mismoedig en bepaalde er zich voorloopig toe, zich weder op zijn vroeger gewicht te eten, want hij merkte wel, dat zijn mager lichaam alle waardigheid verloren had. Maar hij at nu niet aan vroolijke gelagen[39]en velerlei spijzen uit zilveren en gouden schotels, doch somber liet hij telkens een eenzamen houten nap met vleesch en kool vullen en at die leeg. De drie koks wilden sproken spreken, doch de koning legde hun het zwijgen op, legde geen waarde meer op stafrijmen en zuivere maat, maar verweet zijn drie dichters, dat zij niet in staat waren geweest de groote priesteres te bekoren.De drie koks werden nu morrig en begonnen in ’t geheim spotdichten te maken op hun eigen koning, die hun verwijten deed, hoewel zij hem trouw gediend hadden.En hun spotdichten waren zonder stafrijm en zonder de juiste maat, navolgingen van Pill, Pimm en Pinn, doch als alle navolgingen zonder den geest van het oorspronkelijk voorbeeld.Toen nu, korten tijd daarna koning Mise terugkeerde, werd koning Gise nog neerslachtiger en de Bedekauwers schoolden te samen en begonnen er over te spreken koning Gise af te zetten en koning Mise op den troon te verheffen. Want ziet hoe hij naderde. Dertig groote Rinsche wagens vormden den stoet. Op den voorsten wagen zat koning Mise, weldoorvoed en met een buik zoo mooi rond als een pasgevulden wijnzak. Hij droeg een kroon van echt goud rond zijn rood haar en had drie overkleederen over elkaar aan, een purper, een groen en een wit, welks prachtige kleuren men alle drie kon zien bij de opslagen op de borst.Achter de bok zaten in den wagen Pill, Pimm en Pinn. Doch zij waren nu geen magere scharminkels meer die grollen spraken. Alle drie waren zoo dik, dat de twee groote paarden, die den wagen van den Koning trokken, moeite hadden om de drie ex-proeleten voort te trekken.… zoo zwaar was de vracht van hun vleesch, hun vet en hun bloed.Ook zij droegen elk drie gewaden van helle kleuren en op ’t hoofd zilveren palmkronen. Zij maakten nu ook geen grollen meer. Zij vonden de wereld te ernstig om grollen te maken en meenden, dat het beneden de waardigheid was[40]van een zoo voornaam en rijk vorst als koning Mise van Veloog, sproke-dichters aan zijn hoogheerlijk hof te hebben, die niet gepaste verzen spraken in zuiver stafrijm en streng in de maat.Koning Mise veroorloofde geen grollen meer en hij had gezworen elkeen met den dood te straffen, die de waardigheid van zijn staat schond. Elk der drie dichters kreeg een afzonderlijk sproke-gebied toegezegd en verbanning zou onmiddellijk volgen, wanneer hij zich buiten zijn gebied waagde. Het gebied van Pill was: „de Waardigheid.” Het gebied van Pimm was: „De Eerlijkheid.” Het gebied van Pinn was: „De Heldenmoed.” Gedurende de terugreis had Koning Mise ernstig en streng bepaald, welke eigenschappen tot de drie gebieden hoorden.Onder „de Waardigheid,” moesten bedicht worden:Het Koningschap.De Godendienst.Het Staatsgeweld.De Zedelijkheid.De Orde.De VlijtHet Vertrouwen.De Degelijkheid.De Wijsbegeerte.De Stand.Het Bezit.De Welvoegelijkheid.De Kuischheid.De Eer.Onder „De Eerlijkheid” moesten bedicht worden:De Arbeid.De Plichtsvervulling.De Onomkoopbaarheid.De GunstDe Waarheid.De Oprechtheid.Het menschelijk lot.De Wetgeving.[41]Onder „de Heldenmoed,” moesten bedicht worden:De strijd tegen de roovers,De tocht naarRenigo,Het schuurbezoek,De terugtocht.De daden van koning Mise.De laatste taak van Pinn was het zwaarste. Koning Mise had het Pinn op ’t hart gedrukt, dat deze sproke een heldendicht moest worden, ’t welk zijn naam en zijn daden tot in het verste nageslacht moest doen eerbiedigen … ja vergoden.„Als de haven van Veloog volkomen uitgediept zal zijn en mijn rijkdommen die van Gise en Maresag samen verre zullen overtreffen, wil ik mij tot de half-goden laten verheffen. Wanneer men schatten genoeg daartoe heeft, kan men op deze wereld zijn aanspraken daarop doen gelden.”Zoo waren de drie dichters zeer ernstig geworden en dachten na over „De Waardigheid”, „De Eerlijkheid” en „De Heldenmoed”, elk op zijn gebied.Was koning Gise nauwelijks herkend door zijn burgers, daar hij zoo vermagerd was en waren er zelfs geweest, die hem de toegang tot zijn eilandrijk hadden willen ontzeggen, koning Mise werd, ondanks de toeneming van zijn gewicht en van de waardigheid van zijn voorkomen, dadelijk door alle Velagers als hun koning Mise begroet. De trouwe burgers kwamen hem tegemoet met zang en dans en gejuich en geschenken. Want, de zeegeest, door Harimona daartoe gedwongen had in den zelfden nacht, dat de fioord van Bedekoog was verzand, de haven van Veloog geheel uitgediept, zoodat de schepen, die niet meer naar de fioord konden varen, nu in de haven van Veloog kwamen ankeren. En dadelijk begonnen de rijkdommen toe te stroomen. Nu zij hun koning zoo waardig zagen naderen, met dertig karren hoogbeladen met pakken en[42]kruiken en zakken en balen, gekleed met drie gewaden waren ze dadelijk overtuigd, dat alleen door zijn invloed, Harimona, de haven zoo plotseling dieper had doen worden. Toen zij achter hun prachtig dikken koning de drie dikke dichters, in hun volle waardigheid op den wagen zagen staan en daarna ook de dertig leden van de lijfwacht ontwaarden, die in gele statiegewaden met bronzen kortzwaarden, ernstig en fier naast de karren liepen, kende hun vreugde geen grenzen en een „Leve koning Mise!” weerschalde daverend dat de Bedekauwers het hoorden over de rivier heen.De achterste twee wagens boden echter de allergrootste verrassing. Daar zaten de twaalf deerntjes, die koning Mise had medegenomen om de lijfwacht van koning Gise te vermaken. Maar het waren niet meer de naakte snolletjes van weleer. Koning Mise had ze allen in witte priesteresse gewaden doen kleeden, die het geheele lichaam, van onder de kin tot de voetzolen stemmig bedekten. In stede dat zij grollen zongen of liederlijke taal uitbraakten, zeiden zij heilige leuzen op en zongen kuische liederen over „De Waardigheid,” „De Eerlijkheid” en „De Heldenmoed”, met lange galmen, statig en stichtelijk, vroom opblikkend naar den hemel. En hare schoone, blanke overkleeden waren om ’t middel door een losse gordel met gouden versieringen omsnoerd en heur lange haren waren verborgen, onder groote, witte huifkappen, zoodat onbescheidenen haar gelaat niet van terzijde konden zien en wanneer zij ’t gelaat neerwaarts hielden, zelfs niet van voren. En zij hielden haar gelaat meestal naar den bodem van den wagen gekeerd, want zij hadden in de handen van den waardigen koning Mise, bijgestaan door Pill, Pimm en Pinn, de gelofte der kuischheid afgelegd.Koning Mise, van de bok van zijn wagen, wenkte statig zijn juichend volk met zijn schepter toe. „Denk er wel aan!” zeide hij tot Pinn, dat in „De Misère” deze ontvangst[43]niet vergeten wordt. Het moet een heldendicht worden zoo schoon als nog geen heldendicht is gemaakt. Tot aan de verre nageslachten moet dit heldendicht de volkeren verkondigen hoe groot en verheven koning Mise is geweest op zijn koene tocht van Veloog naar de Renigo, alwaar hij in de heilige haag ontvangen werd door den hoogepriester Maresag en de vroede vrouw Harimona.Koning Mise, weder op Veloog gevestigd, liet een groot huis bouwen met drie afdeelingen. Middenin woonde hij en in de rechtervleugel werd een offerblok geplaatst en de linkervleugel vormde een schatkamer. Hij liet een beeld oprichten aan Harimona gewijd in de rechter vleugel en droeg zijn drie dichters op voor de verbreiding van den heiligen dienst der godin Harimona te zorgen. De twaalf deerntjes, die de gelofte der eeuwige kuischheid hadden afgelegd, stelde hij tot bewaarsters van de schat van Harimona aan. Naar het voorbeeld van Bedekoog deed hij op een hoog staketsel een vuur ontsteken, opdat ’s nachts de zeelieden reeds van ver de haven van Veloog zouden zien.Hij maakte nu ook een aanvang met de beschaving van zijn burgers. Strenge straffen werden gesteld op diefstal, roof, goddeloosheid, dronkenschap en onzedelijkheid. Daar de grond van Veloog onvruchtbaar was, kocht hij groote stukken land op Bedekoog, waar de verarmde bewoners met eerbied opzagen naar den waardigen koning Mise, die door Harimona’s gunst tot rijkdom en aanzien was gestegen en wiens wensch door de groote priesteres verhoord was. En op die landen liet hij door Bedekoogers graan zaaien en op de grasvelden deed hij zijn vee weiden.Ook liet hij de mee-hutten aan de verzande haven van Bedekoog afbreken en verbood op straffe van neusafsnijding aan de Veloogsche maagden of vrouwen zich met de matrozen af te geven, daar zij nu tot een rijk en godvruchtig volk behoorden, dat een koning had, die door de vroede vrouw van de haag van Renigo verhoord was.[44]De ongelukkige koning Gise moest het aanzien dat nu Bedekauwsche deerntjes in de mee-hutten aan de haven van Veloog de vele zeelieden ter wille waren, die van alle landen van overzee naar de veilige haven van Veloog kwamen om ruilhandel te drijven met de volkeren derBellovaken, Nerviërs, Kaninefaten, Marinen, Bataven en Frisen. Hij werd steeds mistroostiger en door zijn droefenis bleef hij mager en kon, zoomin als zijn drie koks, weder het oude, indrukwekkende voorkomen, herwinnen. Zijn volk, niet gewoon aan arbeid, moest schatten na schatten brengen naar Veloog om in ruil graan en vee te ontvangen, dat op ’t eigen land was geteeld en geweid.Koning Mise begon feesten te geven aan vreemdelingen en onthaalde ze even gastvrij als Koning Gise vroeger gedaan had. Koning Gise noodigde de vreemdelingen ook uit en trachtte, zooals Mise in zijn slechte tijden, door kortswijl het gemis aan overdaad en fijne spijzen en dranken te doen vergeten. Maar de drie koks, die sterk waren geweest in ’t stafrijm en de maat, bleven stumperds in de grollen, zoodat de gasten zich verveelden en even gedwongen lachten bij de mismoedige woorden van de koks, als dat zij kieskauwend aten van het ongeboterde brood, en de smakelooze meelkoeken zonder honing.Op een dag, toen een geheele vloot de haven van Veloog binnenstevende moesten de Bedekauwers de laatste schat van hun eiland gaan inruilen tegen graan bij de Velagers. De wonderkoe met de lange hals, die graasde in de boomen, werd op een vlot naar Veloog overgezet.Koning Gise hoorde het tartend gejuich, waarmede de Velagers het wonderdier ontvingen, dat voor hen de volkomen verarming en onderwerping van Bedekoog beduidde.Bij dit gejuich brak koning Gise in tranen uit. Daarna sloot hij zich op in een ledige schattenhut, trok zijn zwaard, zette het voor zich met ’t gevest in den grond en de punt naar boven en wierp zich er in.[45]Hall, Hamm en Haan, de drie gidsen, vonden hun dooden Koning en alle drie weenden. Hall zeide:Hier ligt de arme koning dood,Hij was als rijke koning groot.Hamm zeide:Raak over rijkdoms bergtop heen,Du zijt voor du het weet beneên.Hann sprak:De rijke roover leeft en sticht een rijk,Verarmde eerlijkheid, hier ligt uw lijk.Zij verbrandden hun koning in ’t tempelvuur, dat daardoor uitdoofde en daarmede den laatsten glans van Bedekoog.Maar op Veloog brandde het havenvuur hoog en de roem van den waardigen koning Mise breidde zich uit met het toenemen van zijn schatten—naar ’s werelds loop.[46]

[Inhoud]HOOFDSTUK IV.Toen Koning Gise zijn eiland weder bereikt had, herkende zijn onderdanen hem niet. Hij was tot op het vel vermagerd en zijn drie koks, die vele dagen vóór de aankomst hun talenten getoond hadden bij de toebereiding van het geslachte ezeltje, geleken op elkaar als drie stafrijmen. Zij hadden het leege karretje voortgetrokken, nadat de ezel opgegeten was en koning Gise liep treurig achteraan, troosteloos omdat hij zonder de hand en zonder de belofte van de groote priesteres, naar zijn eiland moest terugkeeren.Zijn smart werd nog grooter toen hij eindelijk op ’t eiland teruggekomen was. De fioord was na een storm zoo verzand, dat de schepen, die in de fioord lagen, niet meer konden uitvaren en de schepen, die van de oceaan aanzeilden, niet meer binnen konden vallen.De Bedekauwers hadden zich hierom weinig bekommerd. Zij vertrouwden op hun koning, die wel de gunst van de machtige priesteres zou weten te verwerven en hadden zoo vroolijk en welvoldaan geleefd als dat gezeten lieden past.Toen zij nu hoorden, dat de koning niet alleen afgewezen was als bruidegom, maar zelfs smadelijk als roover verdreven, begonnen zij den omvang van de ramp te beseffen en spraken er over, weder naar Nehalennia te gaan en haar door groote geschenken en veel offers te verteederen, zoodat zij den zeegeest zou gelasten, de fioord weder uit te diepen.Koning Gise was mismoedig en bepaalde er zich voorloopig toe, zich weder op zijn vroeger gewicht te eten, want hij merkte wel, dat zijn mager lichaam alle waardigheid verloren had. Maar hij at nu niet aan vroolijke gelagen[39]en velerlei spijzen uit zilveren en gouden schotels, doch somber liet hij telkens een eenzamen houten nap met vleesch en kool vullen en at die leeg. De drie koks wilden sproken spreken, doch de koning legde hun het zwijgen op, legde geen waarde meer op stafrijmen en zuivere maat, maar verweet zijn drie dichters, dat zij niet in staat waren geweest de groote priesteres te bekoren.De drie koks werden nu morrig en begonnen in ’t geheim spotdichten te maken op hun eigen koning, die hun verwijten deed, hoewel zij hem trouw gediend hadden.En hun spotdichten waren zonder stafrijm en zonder de juiste maat, navolgingen van Pill, Pimm en Pinn, doch als alle navolgingen zonder den geest van het oorspronkelijk voorbeeld.Toen nu, korten tijd daarna koning Mise terugkeerde, werd koning Gise nog neerslachtiger en de Bedekauwers schoolden te samen en begonnen er over te spreken koning Gise af te zetten en koning Mise op den troon te verheffen. Want ziet hoe hij naderde. Dertig groote Rinsche wagens vormden den stoet. Op den voorsten wagen zat koning Mise, weldoorvoed en met een buik zoo mooi rond als een pasgevulden wijnzak. Hij droeg een kroon van echt goud rond zijn rood haar en had drie overkleederen over elkaar aan, een purper, een groen en een wit, welks prachtige kleuren men alle drie kon zien bij de opslagen op de borst.Achter de bok zaten in den wagen Pill, Pimm en Pinn. Doch zij waren nu geen magere scharminkels meer die grollen spraken. Alle drie waren zoo dik, dat de twee groote paarden, die den wagen van den Koning trokken, moeite hadden om de drie ex-proeleten voort te trekken.… zoo zwaar was de vracht van hun vleesch, hun vet en hun bloed.Ook zij droegen elk drie gewaden van helle kleuren en op ’t hoofd zilveren palmkronen. Zij maakten nu ook geen grollen meer. Zij vonden de wereld te ernstig om grollen te maken en meenden, dat het beneden de waardigheid was[40]van een zoo voornaam en rijk vorst als koning Mise van Veloog, sproke-dichters aan zijn hoogheerlijk hof te hebben, die niet gepaste verzen spraken in zuiver stafrijm en streng in de maat.Koning Mise veroorloofde geen grollen meer en hij had gezworen elkeen met den dood te straffen, die de waardigheid van zijn staat schond. Elk der drie dichters kreeg een afzonderlijk sproke-gebied toegezegd en verbanning zou onmiddellijk volgen, wanneer hij zich buiten zijn gebied waagde. Het gebied van Pill was: „de Waardigheid.” Het gebied van Pimm was: „De Eerlijkheid.” Het gebied van Pinn was: „De Heldenmoed.” Gedurende de terugreis had Koning Mise ernstig en streng bepaald, welke eigenschappen tot de drie gebieden hoorden.Onder „de Waardigheid,” moesten bedicht worden:Het Koningschap.De Godendienst.Het Staatsgeweld.De Zedelijkheid.De Orde.De VlijtHet Vertrouwen.De Degelijkheid.De Wijsbegeerte.De Stand.Het Bezit.De Welvoegelijkheid.De Kuischheid.De Eer.Onder „De Eerlijkheid” moesten bedicht worden:De Arbeid.De Plichtsvervulling.De Onomkoopbaarheid.De GunstDe Waarheid.De Oprechtheid.Het menschelijk lot.De Wetgeving.[41]Onder „de Heldenmoed,” moesten bedicht worden:De strijd tegen de roovers,De tocht naarRenigo,Het schuurbezoek,De terugtocht.De daden van koning Mise.De laatste taak van Pinn was het zwaarste. Koning Mise had het Pinn op ’t hart gedrukt, dat deze sproke een heldendicht moest worden, ’t welk zijn naam en zijn daden tot in het verste nageslacht moest doen eerbiedigen … ja vergoden.„Als de haven van Veloog volkomen uitgediept zal zijn en mijn rijkdommen die van Gise en Maresag samen verre zullen overtreffen, wil ik mij tot de half-goden laten verheffen. Wanneer men schatten genoeg daartoe heeft, kan men op deze wereld zijn aanspraken daarop doen gelden.”Zoo waren de drie dichters zeer ernstig geworden en dachten na over „De Waardigheid”, „De Eerlijkheid” en „De Heldenmoed”, elk op zijn gebied.Was koning Gise nauwelijks herkend door zijn burgers, daar hij zoo vermagerd was en waren er zelfs geweest, die hem de toegang tot zijn eilandrijk hadden willen ontzeggen, koning Mise werd, ondanks de toeneming van zijn gewicht en van de waardigheid van zijn voorkomen, dadelijk door alle Velagers als hun koning Mise begroet. De trouwe burgers kwamen hem tegemoet met zang en dans en gejuich en geschenken. Want, de zeegeest, door Harimona daartoe gedwongen had in den zelfden nacht, dat de fioord van Bedekoog was verzand, de haven van Veloog geheel uitgediept, zoodat de schepen, die niet meer naar de fioord konden varen, nu in de haven van Veloog kwamen ankeren. En dadelijk begonnen de rijkdommen toe te stroomen. Nu zij hun koning zoo waardig zagen naderen, met dertig karren hoogbeladen met pakken en[42]kruiken en zakken en balen, gekleed met drie gewaden waren ze dadelijk overtuigd, dat alleen door zijn invloed, Harimona, de haven zoo plotseling dieper had doen worden. Toen zij achter hun prachtig dikken koning de drie dikke dichters, in hun volle waardigheid op den wagen zagen staan en daarna ook de dertig leden van de lijfwacht ontwaarden, die in gele statiegewaden met bronzen kortzwaarden, ernstig en fier naast de karren liepen, kende hun vreugde geen grenzen en een „Leve koning Mise!” weerschalde daverend dat de Bedekauwers het hoorden over de rivier heen.De achterste twee wagens boden echter de allergrootste verrassing. Daar zaten de twaalf deerntjes, die koning Mise had medegenomen om de lijfwacht van koning Gise te vermaken. Maar het waren niet meer de naakte snolletjes van weleer. Koning Mise had ze allen in witte priesteresse gewaden doen kleeden, die het geheele lichaam, van onder de kin tot de voetzolen stemmig bedekten. In stede dat zij grollen zongen of liederlijke taal uitbraakten, zeiden zij heilige leuzen op en zongen kuische liederen over „De Waardigheid,” „De Eerlijkheid” en „De Heldenmoed”, met lange galmen, statig en stichtelijk, vroom opblikkend naar den hemel. En hare schoone, blanke overkleeden waren om ’t middel door een losse gordel met gouden versieringen omsnoerd en heur lange haren waren verborgen, onder groote, witte huifkappen, zoodat onbescheidenen haar gelaat niet van terzijde konden zien en wanneer zij ’t gelaat neerwaarts hielden, zelfs niet van voren. En zij hielden haar gelaat meestal naar den bodem van den wagen gekeerd, want zij hadden in de handen van den waardigen koning Mise, bijgestaan door Pill, Pimm en Pinn, de gelofte der kuischheid afgelegd.Koning Mise, van de bok van zijn wagen, wenkte statig zijn juichend volk met zijn schepter toe. „Denk er wel aan!” zeide hij tot Pinn, dat in „De Misère” deze ontvangst[43]niet vergeten wordt. Het moet een heldendicht worden zoo schoon als nog geen heldendicht is gemaakt. Tot aan de verre nageslachten moet dit heldendicht de volkeren verkondigen hoe groot en verheven koning Mise is geweest op zijn koene tocht van Veloog naar de Renigo, alwaar hij in de heilige haag ontvangen werd door den hoogepriester Maresag en de vroede vrouw Harimona.Koning Mise, weder op Veloog gevestigd, liet een groot huis bouwen met drie afdeelingen. Middenin woonde hij en in de rechtervleugel werd een offerblok geplaatst en de linkervleugel vormde een schatkamer. Hij liet een beeld oprichten aan Harimona gewijd in de rechter vleugel en droeg zijn drie dichters op voor de verbreiding van den heiligen dienst der godin Harimona te zorgen. De twaalf deerntjes, die de gelofte der eeuwige kuischheid hadden afgelegd, stelde hij tot bewaarsters van de schat van Harimona aan. Naar het voorbeeld van Bedekoog deed hij op een hoog staketsel een vuur ontsteken, opdat ’s nachts de zeelieden reeds van ver de haven van Veloog zouden zien.Hij maakte nu ook een aanvang met de beschaving van zijn burgers. Strenge straffen werden gesteld op diefstal, roof, goddeloosheid, dronkenschap en onzedelijkheid. Daar de grond van Veloog onvruchtbaar was, kocht hij groote stukken land op Bedekoog, waar de verarmde bewoners met eerbied opzagen naar den waardigen koning Mise, die door Harimona’s gunst tot rijkdom en aanzien was gestegen en wiens wensch door de groote priesteres verhoord was. En op die landen liet hij door Bedekoogers graan zaaien en op de grasvelden deed hij zijn vee weiden.Ook liet hij de mee-hutten aan de verzande haven van Bedekoog afbreken en verbood op straffe van neusafsnijding aan de Veloogsche maagden of vrouwen zich met de matrozen af te geven, daar zij nu tot een rijk en godvruchtig volk behoorden, dat een koning had, die door de vroede vrouw van de haag van Renigo verhoord was.[44]De ongelukkige koning Gise moest het aanzien dat nu Bedekauwsche deerntjes in de mee-hutten aan de haven van Veloog de vele zeelieden ter wille waren, die van alle landen van overzee naar de veilige haven van Veloog kwamen om ruilhandel te drijven met de volkeren derBellovaken, Nerviërs, Kaninefaten, Marinen, Bataven en Frisen. Hij werd steeds mistroostiger en door zijn droefenis bleef hij mager en kon, zoomin als zijn drie koks, weder het oude, indrukwekkende voorkomen, herwinnen. Zijn volk, niet gewoon aan arbeid, moest schatten na schatten brengen naar Veloog om in ruil graan en vee te ontvangen, dat op ’t eigen land was geteeld en geweid.Koning Mise begon feesten te geven aan vreemdelingen en onthaalde ze even gastvrij als Koning Gise vroeger gedaan had. Koning Gise noodigde de vreemdelingen ook uit en trachtte, zooals Mise in zijn slechte tijden, door kortswijl het gemis aan overdaad en fijne spijzen en dranken te doen vergeten. Maar de drie koks, die sterk waren geweest in ’t stafrijm en de maat, bleven stumperds in de grollen, zoodat de gasten zich verveelden en even gedwongen lachten bij de mismoedige woorden van de koks, als dat zij kieskauwend aten van het ongeboterde brood, en de smakelooze meelkoeken zonder honing.Op een dag, toen een geheele vloot de haven van Veloog binnenstevende moesten de Bedekauwers de laatste schat van hun eiland gaan inruilen tegen graan bij de Velagers. De wonderkoe met de lange hals, die graasde in de boomen, werd op een vlot naar Veloog overgezet.Koning Gise hoorde het tartend gejuich, waarmede de Velagers het wonderdier ontvingen, dat voor hen de volkomen verarming en onderwerping van Bedekoog beduidde.Bij dit gejuich brak koning Gise in tranen uit. Daarna sloot hij zich op in een ledige schattenhut, trok zijn zwaard, zette het voor zich met ’t gevest in den grond en de punt naar boven en wierp zich er in.[45]Hall, Hamm en Haan, de drie gidsen, vonden hun dooden Koning en alle drie weenden. Hall zeide:Hier ligt de arme koning dood,Hij was als rijke koning groot.Hamm zeide:Raak over rijkdoms bergtop heen,Du zijt voor du het weet beneên.Hann sprak:De rijke roover leeft en sticht een rijk,Verarmde eerlijkheid, hier ligt uw lijk.Zij verbrandden hun koning in ’t tempelvuur, dat daardoor uitdoofde en daarmede den laatsten glans van Bedekoog.Maar op Veloog brandde het havenvuur hoog en de roem van den waardigen koning Mise breidde zich uit met het toenemen van zijn schatten—naar ’s werelds loop.[46]

[Inhoud]HOOFDSTUK IV.Toen Koning Gise zijn eiland weder bereikt had, herkende zijn onderdanen hem niet. Hij was tot op het vel vermagerd en zijn drie koks, die vele dagen vóór de aankomst hun talenten getoond hadden bij de toebereiding van het geslachte ezeltje, geleken op elkaar als drie stafrijmen. Zij hadden het leege karretje voortgetrokken, nadat de ezel opgegeten was en koning Gise liep treurig achteraan, troosteloos omdat hij zonder de hand en zonder de belofte van de groote priesteres, naar zijn eiland moest terugkeeren.Zijn smart werd nog grooter toen hij eindelijk op ’t eiland teruggekomen was. De fioord was na een storm zoo verzand, dat de schepen, die in de fioord lagen, niet meer konden uitvaren en de schepen, die van de oceaan aanzeilden, niet meer binnen konden vallen.De Bedekauwers hadden zich hierom weinig bekommerd. Zij vertrouwden op hun koning, die wel de gunst van de machtige priesteres zou weten te verwerven en hadden zoo vroolijk en welvoldaan geleefd als dat gezeten lieden past.Toen zij nu hoorden, dat de koning niet alleen afgewezen was als bruidegom, maar zelfs smadelijk als roover verdreven, begonnen zij den omvang van de ramp te beseffen en spraken er over, weder naar Nehalennia te gaan en haar door groote geschenken en veel offers te verteederen, zoodat zij den zeegeest zou gelasten, de fioord weder uit te diepen.Koning Gise was mismoedig en bepaalde er zich voorloopig toe, zich weder op zijn vroeger gewicht te eten, want hij merkte wel, dat zijn mager lichaam alle waardigheid verloren had. Maar hij at nu niet aan vroolijke gelagen[39]en velerlei spijzen uit zilveren en gouden schotels, doch somber liet hij telkens een eenzamen houten nap met vleesch en kool vullen en at die leeg. De drie koks wilden sproken spreken, doch de koning legde hun het zwijgen op, legde geen waarde meer op stafrijmen en zuivere maat, maar verweet zijn drie dichters, dat zij niet in staat waren geweest de groote priesteres te bekoren.De drie koks werden nu morrig en begonnen in ’t geheim spotdichten te maken op hun eigen koning, die hun verwijten deed, hoewel zij hem trouw gediend hadden.En hun spotdichten waren zonder stafrijm en zonder de juiste maat, navolgingen van Pill, Pimm en Pinn, doch als alle navolgingen zonder den geest van het oorspronkelijk voorbeeld.Toen nu, korten tijd daarna koning Mise terugkeerde, werd koning Gise nog neerslachtiger en de Bedekauwers schoolden te samen en begonnen er over te spreken koning Gise af te zetten en koning Mise op den troon te verheffen. Want ziet hoe hij naderde. Dertig groote Rinsche wagens vormden den stoet. Op den voorsten wagen zat koning Mise, weldoorvoed en met een buik zoo mooi rond als een pasgevulden wijnzak. Hij droeg een kroon van echt goud rond zijn rood haar en had drie overkleederen over elkaar aan, een purper, een groen en een wit, welks prachtige kleuren men alle drie kon zien bij de opslagen op de borst.Achter de bok zaten in den wagen Pill, Pimm en Pinn. Doch zij waren nu geen magere scharminkels meer die grollen spraken. Alle drie waren zoo dik, dat de twee groote paarden, die den wagen van den Koning trokken, moeite hadden om de drie ex-proeleten voort te trekken.… zoo zwaar was de vracht van hun vleesch, hun vet en hun bloed.Ook zij droegen elk drie gewaden van helle kleuren en op ’t hoofd zilveren palmkronen. Zij maakten nu ook geen grollen meer. Zij vonden de wereld te ernstig om grollen te maken en meenden, dat het beneden de waardigheid was[40]van een zoo voornaam en rijk vorst als koning Mise van Veloog, sproke-dichters aan zijn hoogheerlijk hof te hebben, die niet gepaste verzen spraken in zuiver stafrijm en streng in de maat.Koning Mise veroorloofde geen grollen meer en hij had gezworen elkeen met den dood te straffen, die de waardigheid van zijn staat schond. Elk der drie dichters kreeg een afzonderlijk sproke-gebied toegezegd en verbanning zou onmiddellijk volgen, wanneer hij zich buiten zijn gebied waagde. Het gebied van Pill was: „de Waardigheid.” Het gebied van Pimm was: „De Eerlijkheid.” Het gebied van Pinn was: „De Heldenmoed.” Gedurende de terugreis had Koning Mise ernstig en streng bepaald, welke eigenschappen tot de drie gebieden hoorden.Onder „de Waardigheid,” moesten bedicht worden:Het Koningschap.De Godendienst.Het Staatsgeweld.De Zedelijkheid.De Orde.De VlijtHet Vertrouwen.De Degelijkheid.De Wijsbegeerte.De Stand.Het Bezit.De Welvoegelijkheid.De Kuischheid.De Eer.Onder „De Eerlijkheid” moesten bedicht worden:De Arbeid.De Plichtsvervulling.De Onomkoopbaarheid.De GunstDe Waarheid.De Oprechtheid.Het menschelijk lot.De Wetgeving.[41]Onder „de Heldenmoed,” moesten bedicht worden:De strijd tegen de roovers,De tocht naarRenigo,Het schuurbezoek,De terugtocht.De daden van koning Mise.De laatste taak van Pinn was het zwaarste. Koning Mise had het Pinn op ’t hart gedrukt, dat deze sproke een heldendicht moest worden, ’t welk zijn naam en zijn daden tot in het verste nageslacht moest doen eerbiedigen … ja vergoden.„Als de haven van Veloog volkomen uitgediept zal zijn en mijn rijkdommen die van Gise en Maresag samen verre zullen overtreffen, wil ik mij tot de half-goden laten verheffen. Wanneer men schatten genoeg daartoe heeft, kan men op deze wereld zijn aanspraken daarop doen gelden.”Zoo waren de drie dichters zeer ernstig geworden en dachten na over „De Waardigheid”, „De Eerlijkheid” en „De Heldenmoed”, elk op zijn gebied.Was koning Gise nauwelijks herkend door zijn burgers, daar hij zoo vermagerd was en waren er zelfs geweest, die hem de toegang tot zijn eilandrijk hadden willen ontzeggen, koning Mise werd, ondanks de toeneming van zijn gewicht en van de waardigheid van zijn voorkomen, dadelijk door alle Velagers als hun koning Mise begroet. De trouwe burgers kwamen hem tegemoet met zang en dans en gejuich en geschenken. Want, de zeegeest, door Harimona daartoe gedwongen had in den zelfden nacht, dat de fioord van Bedekoog was verzand, de haven van Veloog geheel uitgediept, zoodat de schepen, die niet meer naar de fioord konden varen, nu in de haven van Veloog kwamen ankeren. En dadelijk begonnen de rijkdommen toe te stroomen. Nu zij hun koning zoo waardig zagen naderen, met dertig karren hoogbeladen met pakken en[42]kruiken en zakken en balen, gekleed met drie gewaden waren ze dadelijk overtuigd, dat alleen door zijn invloed, Harimona, de haven zoo plotseling dieper had doen worden. Toen zij achter hun prachtig dikken koning de drie dikke dichters, in hun volle waardigheid op den wagen zagen staan en daarna ook de dertig leden van de lijfwacht ontwaarden, die in gele statiegewaden met bronzen kortzwaarden, ernstig en fier naast de karren liepen, kende hun vreugde geen grenzen en een „Leve koning Mise!” weerschalde daverend dat de Bedekauwers het hoorden over de rivier heen.De achterste twee wagens boden echter de allergrootste verrassing. Daar zaten de twaalf deerntjes, die koning Mise had medegenomen om de lijfwacht van koning Gise te vermaken. Maar het waren niet meer de naakte snolletjes van weleer. Koning Mise had ze allen in witte priesteresse gewaden doen kleeden, die het geheele lichaam, van onder de kin tot de voetzolen stemmig bedekten. In stede dat zij grollen zongen of liederlijke taal uitbraakten, zeiden zij heilige leuzen op en zongen kuische liederen over „De Waardigheid,” „De Eerlijkheid” en „De Heldenmoed”, met lange galmen, statig en stichtelijk, vroom opblikkend naar den hemel. En hare schoone, blanke overkleeden waren om ’t middel door een losse gordel met gouden versieringen omsnoerd en heur lange haren waren verborgen, onder groote, witte huifkappen, zoodat onbescheidenen haar gelaat niet van terzijde konden zien en wanneer zij ’t gelaat neerwaarts hielden, zelfs niet van voren. En zij hielden haar gelaat meestal naar den bodem van den wagen gekeerd, want zij hadden in de handen van den waardigen koning Mise, bijgestaan door Pill, Pimm en Pinn, de gelofte der kuischheid afgelegd.Koning Mise, van de bok van zijn wagen, wenkte statig zijn juichend volk met zijn schepter toe. „Denk er wel aan!” zeide hij tot Pinn, dat in „De Misère” deze ontvangst[43]niet vergeten wordt. Het moet een heldendicht worden zoo schoon als nog geen heldendicht is gemaakt. Tot aan de verre nageslachten moet dit heldendicht de volkeren verkondigen hoe groot en verheven koning Mise is geweest op zijn koene tocht van Veloog naar de Renigo, alwaar hij in de heilige haag ontvangen werd door den hoogepriester Maresag en de vroede vrouw Harimona.Koning Mise, weder op Veloog gevestigd, liet een groot huis bouwen met drie afdeelingen. Middenin woonde hij en in de rechtervleugel werd een offerblok geplaatst en de linkervleugel vormde een schatkamer. Hij liet een beeld oprichten aan Harimona gewijd in de rechter vleugel en droeg zijn drie dichters op voor de verbreiding van den heiligen dienst der godin Harimona te zorgen. De twaalf deerntjes, die de gelofte der eeuwige kuischheid hadden afgelegd, stelde hij tot bewaarsters van de schat van Harimona aan. Naar het voorbeeld van Bedekoog deed hij op een hoog staketsel een vuur ontsteken, opdat ’s nachts de zeelieden reeds van ver de haven van Veloog zouden zien.Hij maakte nu ook een aanvang met de beschaving van zijn burgers. Strenge straffen werden gesteld op diefstal, roof, goddeloosheid, dronkenschap en onzedelijkheid. Daar de grond van Veloog onvruchtbaar was, kocht hij groote stukken land op Bedekoog, waar de verarmde bewoners met eerbied opzagen naar den waardigen koning Mise, die door Harimona’s gunst tot rijkdom en aanzien was gestegen en wiens wensch door de groote priesteres verhoord was. En op die landen liet hij door Bedekoogers graan zaaien en op de grasvelden deed hij zijn vee weiden.Ook liet hij de mee-hutten aan de verzande haven van Bedekoog afbreken en verbood op straffe van neusafsnijding aan de Veloogsche maagden of vrouwen zich met de matrozen af te geven, daar zij nu tot een rijk en godvruchtig volk behoorden, dat een koning had, die door de vroede vrouw van de haag van Renigo verhoord was.[44]De ongelukkige koning Gise moest het aanzien dat nu Bedekauwsche deerntjes in de mee-hutten aan de haven van Veloog de vele zeelieden ter wille waren, die van alle landen van overzee naar de veilige haven van Veloog kwamen om ruilhandel te drijven met de volkeren derBellovaken, Nerviërs, Kaninefaten, Marinen, Bataven en Frisen. Hij werd steeds mistroostiger en door zijn droefenis bleef hij mager en kon, zoomin als zijn drie koks, weder het oude, indrukwekkende voorkomen, herwinnen. Zijn volk, niet gewoon aan arbeid, moest schatten na schatten brengen naar Veloog om in ruil graan en vee te ontvangen, dat op ’t eigen land was geteeld en geweid.Koning Mise begon feesten te geven aan vreemdelingen en onthaalde ze even gastvrij als Koning Gise vroeger gedaan had. Koning Gise noodigde de vreemdelingen ook uit en trachtte, zooals Mise in zijn slechte tijden, door kortswijl het gemis aan overdaad en fijne spijzen en dranken te doen vergeten. Maar de drie koks, die sterk waren geweest in ’t stafrijm en de maat, bleven stumperds in de grollen, zoodat de gasten zich verveelden en even gedwongen lachten bij de mismoedige woorden van de koks, als dat zij kieskauwend aten van het ongeboterde brood, en de smakelooze meelkoeken zonder honing.Op een dag, toen een geheele vloot de haven van Veloog binnenstevende moesten de Bedekauwers de laatste schat van hun eiland gaan inruilen tegen graan bij de Velagers. De wonderkoe met de lange hals, die graasde in de boomen, werd op een vlot naar Veloog overgezet.Koning Gise hoorde het tartend gejuich, waarmede de Velagers het wonderdier ontvingen, dat voor hen de volkomen verarming en onderwerping van Bedekoog beduidde.Bij dit gejuich brak koning Gise in tranen uit. Daarna sloot hij zich op in een ledige schattenhut, trok zijn zwaard, zette het voor zich met ’t gevest in den grond en de punt naar boven en wierp zich er in.[45]Hall, Hamm en Haan, de drie gidsen, vonden hun dooden Koning en alle drie weenden. Hall zeide:Hier ligt de arme koning dood,Hij was als rijke koning groot.Hamm zeide:Raak over rijkdoms bergtop heen,Du zijt voor du het weet beneên.Hann sprak:De rijke roover leeft en sticht een rijk,Verarmde eerlijkheid, hier ligt uw lijk.Zij verbrandden hun koning in ’t tempelvuur, dat daardoor uitdoofde en daarmede den laatsten glans van Bedekoog.Maar op Veloog brandde het havenvuur hoog en de roem van den waardigen koning Mise breidde zich uit met het toenemen van zijn schatten—naar ’s werelds loop.[46]

[Inhoud]HOOFDSTUK IV.Toen Koning Gise zijn eiland weder bereikt had, herkende zijn onderdanen hem niet. Hij was tot op het vel vermagerd en zijn drie koks, die vele dagen vóór de aankomst hun talenten getoond hadden bij de toebereiding van het geslachte ezeltje, geleken op elkaar als drie stafrijmen. Zij hadden het leege karretje voortgetrokken, nadat de ezel opgegeten was en koning Gise liep treurig achteraan, troosteloos omdat hij zonder de hand en zonder de belofte van de groote priesteres, naar zijn eiland moest terugkeeren.Zijn smart werd nog grooter toen hij eindelijk op ’t eiland teruggekomen was. De fioord was na een storm zoo verzand, dat de schepen, die in de fioord lagen, niet meer konden uitvaren en de schepen, die van de oceaan aanzeilden, niet meer binnen konden vallen.De Bedekauwers hadden zich hierom weinig bekommerd. Zij vertrouwden op hun koning, die wel de gunst van de machtige priesteres zou weten te verwerven en hadden zoo vroolijk en welvoldaan geleefd als dat gezeten lieden past.Toen zij nu hoorden, dat de koning niet alleen afgewezen was als bruidegom, maar zelfs smadelijk als roover verdreven, begonnen zij den omvang van de ramp te beseffen en spraken er over, weder naar Nehalennia te gaan en haar door groote geschenken en veel offers te verteederen, zoodat zij den zeegeest zou gelasten, de fioord weder uit te diepen.Koning Gise was mismoedig en bepaalde er zich voorloopig toe, zich weder op zijn vroeger gewicht te eten, want hij merkte wel, dat zijn mager lichaam alle waardigheid verloren had. Maar hij at nu niet aan vroolijke gelagen[39]en velerlei spijzen uit zilveren en gouden schotels, doch somber liet hij telkens een eenzamen houten nap met vleesch en kool vullen en at die leeg. De drie koks wilden sproken spreken, doch de koning legde hun het zwijgen op, legde geen waarde meer op stafrijmen en zuivere maat, maar verweet zijn drie dichters, dat zij niet in staat waren geweest de groote priesteres te bekoren.De drie koks werden nu morrig en begonnen in ’t geheim spotdichten te maken op hun eigen koning, die hun verwijten deed, hoewel zij hem trouw gediend hadden.En hun spotdichten waren zonder stafrijm en zonder de juiste maat, navolgingen van Pill, Pimm en Pinn, doch als alle navolgingen zonder den geest van het oorspronkelijk voorbeeld.Toen nu, korten tijd daarna koning Mise terugkeerde, werd koning Gise nog neerslachtiger en de Bedekauwers schoolden te samen en begonnen er over te spreken koning Gise af te zetten en koning Mise op den troon te verheffen. Want ziet hoe hij naderde. Dertig groote Rinsche wagens vormden den stoet. Op den voorsten wagen zat koning Mise, weldoorvoed en met een buik zoo mooi rond als een pasgevulden wijnzak. Hij droeg een kroon van echt goud rond zijn rood haar en had drie overkleederen over elkaar aan, een purper, een groen en een wit, welks prachtige kleuren men alle drie kon zien bij de opslagen op de borst.Achter de bok zaten in den wagen Pill, Pimm en Pinn. Doch zij waren nu geen magere scharminkels meer die grollen spraken. Alle drie waren zoo dik, dat de twee groote paarden, die den wagen van den Koning trokken, moeite hadden om de drie ex-proeleten voort te trekken.… zoo zwaar was de vracht van hun vleesch, hun vet en hun bloed.Ook zij droegen elk drie gewaden van helle kleuren en op ’t hoofd zilveren palmkronen. Zij maakten nu ook geen grollen meer. Zij vonden de wereld te ernstig om grollen te maken en meenden, dat het beneden de waardigheid was[40]van een zoo voornaam en rijk vorst als koning Mise van Veloog, sproke-dichters aan zijn hoogheerlijk hof te hebben, die niet gepaste verzen spraken in zuiver stafrijm en streng in de maat.Koning Mise veroorloofde geen grollen meer en hij had gezworen elkeen met den dood te straffen, die de waardigheid van zijn staat schond. Elk der drie dichters kreeg een afzonderlijk sproke-gebied toegezegd en verbanning zou onmiddellijk volgen, wanneer hij zich buiten zijn gebied waagde. Het gebied van Pill was: „de Waardigheid.” Het gebied van Pimm was: „De Eerlijkheid.” Het gebied van Pinn was: „De Heldenmoed.” Gedurende de terugreis had Koning Mise ernstig en streng bepaald, welke eigenschappen tot de drie gebieden hoorden.Onder „de Waardigheid,” moesten bedicht worden:Het Koningschap.De Godendienst.Het Staatsgeweld.De Zedelijkheid.De Orde.De VlijtHet Vertrouwen.De Degelijkheid.De Wijsbegeerte.De Stand.Het Bezit.De Welvoegelijkheid.De Kuischheid.De Eer.Onder „De Eerlijkheid” moesten bedicht worden:De Arbeid.De Plichtsvervulling.De Onomkoopbaarheid.De GunstDe Waarheid.De Oprechtheid.Het menschelijk lot.De Wetgeving.[41]Onder „de Heldenmoed,” moesten bedicht worden:De strijd tegen de roovers,De tocht naarRenigo,Het schuurbezoek,De terugtocht.De daden van koning Mise.De laatste taak van Pinn was het zwaarste. Koning Mise had het Pinn op ’t hart gedrukt, dat deze sproke een heldendicht moest worden, ’t welk zijn naam en zijn daden tot in het verste nageslacht moest doen eerbiedigen … ja vergoden.„Als de haven van Veloog volkomen uitgediept zal zijn en mijn rijkdommen die van Gise en Maresag samen verre zullen overtreffen, wil ik mij tot de half-goden laten verheffen. Wanneer men schatten genoeg daartoe heeft, kan men op deze wereld zijn aanspraken daarop doen gelden.”Zoo waren de drie dichters zeer ernstig geworden en dachten na over „De Waardigheid”, „De Eerlijkheid” en „De Heldenmoed”, elk op zijn gebied.Was koning Gise nauwelijks herkend door zijn burgers, daar hij zoo vermagerd was en waren er zelfs geweest, die hem de toegang tot zijn eilandrijk hadden willen ontzeggen, koning Mise werd, ondanks de toeneming van zijn gewicht en van de waardigheid van zijn voorkomen, dadelijk door alle Velagers als hun koning Mise begroet. De trouwe burgers kwamen hem tegemoet met zang en dans en gejuich en geschenken. Want, de zeegeest, door Harimona daartoe gedwongen had in den zelfden nacht, dat de fioord van Bedekoog was verzand, de haven van Veloog geheel uitgediept, zoodat de schepen, die niet meer naar de fioord konden varen, nu in de haven van Veloog kwamen ankeren. En dadelijk begonnen de rijkdommen toe te stroomen. Nu zij hun koning zoo waardig zagen naderen, met dertig karren hoogbeladen met pakken en[42]kruiken en zakken en balen, gekleed met drie gewaden waren ze dadelijk overtuigd, dat alleen door zijn invloed, Harimona, de haven zoo plotseling dieper had doen worden. Toen zij achter hun prachtig dikken koning de drie dikke dichters, in hun volle waardigheid op den wagen zagen staan en daarna ook de dertig leden van de lijfwacht ontwaarden, die in gele statiegewaden met bronzen kortzwaarden, ernstig en fier naast de karren liepen, kende hun vreugde geen grenzen en een „Leve koning Mise!” weerschalde daverend dat de Bedekauwers het hoorden over de rivier heen.De achterste twee wagens boden echter de allergrootste verrassing. Daar zaten de twaalf deerntjes, die koning Mise had medegenomen om de lijfwacht van koning Gise te vermaken. Maar het waren niet meer de naakte snolletjes van weleer. Koning Mise had ze allen in witte priesteresse gewaden doen kleeden, die het geheele lichaam, van onder de kin tot de voetzolen stemmig bedekten. In stede dat zij grollen zongen of liederlijke taal uitbraakten, zeiden zij heilige leuzen op en zongen kuische liederen over „De Waardigheid,” „De Eerlijkheid” en „De Heldenmoed”, met lange galmen, statig en stichtelijk, vroom opblikkend naar den hemel. En hare schoone, blanke overkleeden waren om ’t middel door een losse gordel met gouden versieringen omsnoerd en heur lange haren waren verborgen, onder groote, witte huifkappen, zoodat onbescheidenen haar gelaat niet van terzijde konden zien en wanneer zij ’t gelaat neerwaarts hielden, zelfs niet van voren. En zij hielden haar gelaat meestal naar den bodem van den wagen gekeerd, want zij hadden in de handen van den waardigen koning Mise, bijgestaan door Pill, Pimm en Pinn, de gelofte der kuischheid afgelegd.Koning Mise, van de bok van zijn wagen, wenkte statig zijn juichend volk met zijn schepter toe. „Denk er wel aan!” zeide hij tot Pinn, dat in „De Misère” deze ontvangst[43]niet vergeten wordt. Het moet een heldendicht worden zoo schoon als nog geen heldendicht is gemaakt. Tot aan de verre nageslachten moet dit heldendicht de volkeren verkondigen hoe groot en verheven koning Mise is geweest op zijn koene tocht van Veloog naar de Renigo, alwaar hij in de heilige haag ontvangen werd door den hoogepriester Maresag en de vroede vrouw Harimona.Koning Mise, weder op Veloog gevestigd, liet een groot huis bouwen met drie afdeelingen. Middenin woonde hij en in de rechtervleugel werd een offerblok geplaatst en de linkervleugel vormde een schatkamer. Hij liet een beeld oprichten aan Harimona gewijd in de rechter vleugel en droeg zijn drie dichters op voor de verbreiding van den heiligen dienst der godin Harimona te zorgen. De twaalf deerntjes, die de gelofte der eeuwige kuischheid hadden afgelegd, stelde hij tot bewaarsters van de schat van Harimona aan. Naar het voorbeeld van Bedekoog deed hij op een hoog staketsel een vuur ontsteken, opdat ’s nachts de zeelieden reeds van ver de haven van Veloog zouden zien.Hij maakte nu ook een aanvang met de beschaving van zijn burgers. Strenge straffen werden gesteld op diefstal, roof, goddeloosheid, dronkenschap en onzedelijkheid. Daar de grond van Veloog onvruchtbaar was, kocht hij groote stukken land op Bedekoog, waar de verarmde bewoners met eerbied opzagen naar den waardigen koning Mise, die door Harimona’s gunst tot rijkdom en aanzien was gestegen en wiens wensch door de groote priesteres verhoord was. En op die landen liet hij door Bedekoogers graan zaaien en op de grasvelden deed hij zijn vee weiden.Ook liet hij de mee-hutten aan de verzande haven van Bedekoog afbreken en verbood op straffe van neusafsnijding aan de Veloogsche maagden of vrouwen zich met de matrozen af te geven, daar zij nu tot een rijk en godvruchtig volk behoorden, dat een koning had, die door de vroede vrouw van de haag van Renigo verhoord was.[44]De ongelukkige koning Gise moest het aanzien dat nu Bedekauwsche deerntjes in de mee-hutten aan de haven van Veloog de vele zeelieden ter wille waren, die van alle landen van overzee naar de veilige haven van Veloog kwamen om ruilhandel te drijven met de volkeren derBellovaken, Nerviërs, Kaninefaten, Marinen, Bataven en Frisen. Hij werd steeds mistroostiger en door zijn droefenis bleef hij mager en kon, zoomin als zijn drie koks, weder het oude, indrukwekkende voorkomen, herwinnen. Zijn volk, niet gewoon aan arbeid, moest schatten na schatten brengen naar Veloog om in ruil graan en vee te ontvangen, dat op ’t eigen land was geteeld en geweid.Koning Mise begon feesten te geven aan vreemdelingen en onthaalde ze even gastvrij als Koning Gise vroeger gedaan had. Koning Gise noodigde de vreemdelingen ook uit en trachtte, zooals Mise in zijn slechte tijden, door kortswijl het gemis aan overdaad en fijne spijzen en dranken te doen vergeten. Maar de drie koks, die sterk waren geweest in ’t stafrijm en de maat, bleven stumperds in de grollen, zoodat de gasten zich verveelden en even gedwongen lachten bij de mismoedige woorden van de koks, als dat zij kieskauwend aten van het ongeboterde brood, en de smakelooze meelkoeken zonder honing.Op een dag, toen een geheele vloot de haven van Veloog binnenstevende moesten de Bedekauwers de laatste schat van hun eiland gaan inruilen tegen graan bij de Velagers. De wonderkoe met de lange hals, die graasde in de boomen, werd op een vlot naar Veloog overgezet.Koning Gise hoorde het tartend gejuich, waarmede de Velagers het wonderdier ontvingen, dat voor hen de volkomen verarming en onderwerping van Bedekoog beduidde.Bij dit gejuich brak koning Gise in tranen uit. Daarna sloot hij zich op in een ledige schattenhut, trok zijn zwaard, zette het voor zich met ’t gevest in den grond en de punt naar boven en wierp zich er in.[45]Hall, Hamm en Haan, de drie gidsen, vonden hun dooden Koning en alle drie weenden. Hall zeide:Hier ligt de arme koning dood,Hij was als rijke koning groot.Hamm zeide:Raak over rijkdoms bergtop heen,Du zijt voor du het weet beneên.Hann sprak:De rijke roover leeft en sticht een rijk,Verarmde eerlijkheid, hier ligt uw lijk.Zij verbrandden hun koning in ’t tempelvuur, dat daardoor uitdoofde en daarmede den laatsten glans van Bedekoog.Maar op Veloog brandde het havenvuur hoog en de roem van den waardigen koning Mise breidde zich uit met het toenemen van zijn schatten—naar ’s werelds loop.[46]

HOOFDSTUK IV.

Toen Koning Gise zijn eiland weder bereikt had, herkende zijn onderdanen hem niet. Hij was tot op het vel vermagerd en zijn drie koks, die vele dagen vóór de aankomst hun talenten getoond hadden bij de toebereiding van het geslachte ezeltje, geleken op elkaar als drie stafrijmen. Zij hadden het leege karretje voortgetrokken, nadat de ezel opgegeten was en koning Gise liep treurig achteraan, troosteloos omdat hij zonder de hand en zonder de belofte van de groote priesteres, naar zijn eiland moest terugkeeren.Zijn smart werd nog grooter toen hij eindelijk op ’t eiland teruggekomen was. De fioord was na een storm zoo verzand, dat de schepen, die in de fioord lagen, niet meer konden uitvaren en de schepen, die van de oceaan aanzeilden, niet meer binnen konden vallen.De Bedekauwers hadden zich hierom weinig bekommerd. Zij vertrouwden op hun koning, die wel de gunst van de machtige priesteres zou weten te verwerven en hadden zoo vroolijk en welvoldaan geleefd als dat gezeten lieden past.Toen zij nu hoorden, dat de koning niet alleen afgewezen was als bruidegom, maar zelfs smadelijk als roover verdreven, begonnen zij den omvang van de ramp te beseffen en spraken er over, weder naar Nehalennia te gaan en haar door groote geschenken en veel offers te verteederen, zoodat zij den zeegeest zou gelasten, de fioord weder uit te diepen.Koning Gise was mismoedig en bepaalde er zich voorloopig toe, zich weder op zijn vroeger gewicht te eten, want hij merkte wel, dat zijn mager lichaam alle waardigheid verloren had. Maar hij at nu niet aan vroolijke gelagen[39]en velerlei spijzen uit zilveren en gouden schotels, doch somber liet hij telkens een eenzamen houten nap met vleesch en kool vullen en at die leeg. De drie koks wilden sproken spreken, doch de koning legde hun het zwijgen op, legde geen waarde meer op stafrijmen en zuivere maat, maar verweet zijn drie dichters, dat zij niet in staat waren geweest de groote priesteres te bekoren.De drie koks werden nu morrig en begonnen in ’t geheim spotdichten te maken op hun eigen koning, die hun verwijten deed, hoewel zij hem trouw gediend hadden.En hun spotdichten waren zonder stafrijm en zonder de juiste maat, navolgingen van Pill, Pimm en Pinn, doch als alle navolgingen zonder den geest van het oorspronkelijk voorbeeld.Toen nu, korten tijd daarna koning Mise terugkeerde, werd koning Gise nog neerslachtiger en de Bedekauwers schoolden te samen en begonnen er over te spreken koning Gise af te zetten en koning Mise op den troon te verheffen. Want ziet hoe hij naderde. Dertig groote Rinsche wagens vormden den stoet. Op den voorsten wagen zat koning Mise, weldoorvoed en met een buik zoo mooi rond als een pasgevulden wijnzak. Hij droeg een kroon van echt goud rond zijn rood haar en had drie overkleederen over elkaar aan, een purper, een groen en een wit, welks prachtige kleuren men alle drie kon zien bij de opslagen op de borst.Achter de bok zaten in den wagen Pill, Pimm en Pinn. Doch zij waren nu geen magere scharminkels meer die grollen spraken. Alle drie waren zoo dik, dat de twee groote paarden, die den wagen van den Koning trokken, moeite hadden om de drie ex-proeleten voort te trekken.… zoo zwaar was de vracht van hun vleesch, hun vet en hun bloed.Ook zij droegen elk drie gewaden van helle kleuren en op ’t hoofd zilveren palmkronen. Zij maakten nu ook geen grollen meer. Zij vonden de wereld te ernstig om grollen te maken en meenden, dat het beneden de waardigheid was[40]van een zoo voornaam en rijk vorst als koning Mise van Veloog, sproke-dichters aan zijn hoogheerlijk hof te hebben, die niet gepaste verzen spraken in zuiver stafrijm en streng in de maat.Koning Mise veroorloofde geen grollen meer en hij had gezworen elkeen met den dood te straffen, die de waardigheid van zijn staat schond. Elk der drie dichters kreeg een afzonderlijk sproke-gebied toegezegd en verbanning zou onmiddellijk volgen, wanneer hij zich buiten zijn gebied waagde. Het gebied van Pill was: „de Waardigheid.” Het gebied van Pimm was: „De Eerlijkheid.” Het gebied van Pinn was: „De Heldenmoed.” Gedurende de terugreis had Koning Mise ernstig en streng bepaald, welke eigenschappen tot de drie gebieden hoorden.Onder „de Waardigheid,” moesten bedicht worden:Het Koningschap.De Godendienst.Het Staatsgeweld.De Zedelijkheid.De Orde.De VlijtHet Vertrouwen.De Degelijkheid.De Wijsbegeerte.De Stand.Het Bezit.De Welvoegelijkheid.De Kuischheid.De Eer.Onder „De Eerlijkheid” moesten bedicht worden:De Arbeid.De Plichtsvervulling.De Onomkoopbaarheid.De GunstDe Waarheid.De Oprechtheid.Het menschelijk lot.De Wetgeving.[41]Onder „de Heldenmoed,” moesten bedicht worden:De strijd tegen de roovers,De tocht naarRenigo,Het schuurbezoek,De terugtocht.De daden van koning Mise.De laatste taak van Pinn was het zwaarste. Koning Mise had het Pinn op ’t hart gedrukt, dat deze sproke een heldendicht moest worden, ’t welk zijn naam en zijn daden tot in het verste nageslacht moest doen eerbiedigen … ja vergoden.„Als de haven van Veloog volkomen uitgediept zal zijn en mijn rijkdommen die van Gise en Maresag samen verre zullen overtreffen, wil ik mij tot de half-goden laten verheffen. Wanneer men schatten genoeg daartoe heeft, kan men op deze wereld zijn aanspraken daarop doen gelden.”Zoo waren de drie dichters zeer ernstig geworden en dachten na over „De Waardigheid”, „De Eerlijkheid” en „De Heldenmoed”, elk op zijn gebied.Was koning Gise nauwelijks herkend door zijn burgers, daar hij zoo vermagerd was en waren er zelfs geweest, die hem de toegang tot zijn eilandrijk hadden willen ontzeggen, koning Mise werd, ondanks de toeneming van zijn gewicht en van de waardigheid van zijn voorkomen, dadelijk door alle Velagers als hun koning Mise begroet. De trouwe burgers kwamen hem tegemoet met zang en dans en gejuich en geschenken. Want, de zeegeest, door Harimona daartoe gedwongen had in den zelfden nacht, dat de fioord van Bedekoog was verzand, de haven van Veloog geheel uitgediept, zoodat de schepen, die niet meer naar de fioord konden varen, nu in de haven van Veloog kwamen ankeren. En dadelijk begonnen de rijkdommen toe te stroomen. Nu zij hun koning zoo waardig zagen naderen, met dertig karren hoogbeladen met pakken en[42]kruiken en zakken en balen, gekleed met drie gewaden waren ze dadelijk overtuigd, dat alleen door zijn invloed, Harimona, de haven zoo plotseling dieper had doen worden. Toen zij achter hun prachtig dikken koning de drie dikke dichters, in hun volle waardigheid op den wagen zagen staan en daarna ook de dertig leden van de lijfwacht ontwaarden, die in gele statiegewaden met bronzen kortzwaarden, ernstig en fier naast de karren liepen, kende hun vreugde geen grenzen en een „Leve koning Mise!” weerschalde daverend dat de Bedekauwers het hoorden over de rivier heen.De achterste twee wagens boden echter de allergrootste verrassing. Daar zaten de twaalf deerntjes, die koning Mise had medegenomen om de lijfwacht van koning Gise te vermaken. Maar het waren niet meer de naakte snolletjes van weleer. Koning Mise had ze allen in witte priesteresse gewaden doen kleeden, die het geheele lichaam, van onder de kin tot de voetzolen stemmig bedekten. In stede dat zij grollen zongen of liederlijke taal uitbraakten, zeiden zij heilige leuzen op en zongen kuische liederen over „De Waardigheid,” „De Eerlijkheid” en „De Heldenmoed”, met lange galmen, statig en stichtelijk, vroom opblikkend naar den hemel. En hare schoone, blanke overkleeden waren om ’t middel door een losse gordel met gouden versieringen omsnoerd en heur lange haren waren verborgen, onder groote, witte huifkappen, zoodat onbescheidenen haar gelaat niet van terzijde konden zien en wanneer zij ’t gelaat neerwaarts hielden, zelfs niet van voren. En zij hielden haar gelaat meestal naar den bodem van den wagen gekeerd, want zij hadden in de handen van den waardigen koning Mise, bijgestaan door Pill, Pimm en Pinn, de gelofte der kuischheid afgelegd.Koning Mise, van de bok van zijn wagen, wenkte statig zijn juichend volk met zijn schepter toe. „Denk er wel aan!” zeide hij tot Pinn, dat in „De Misère” deze ontvangst[43]niet vergeten wordt. Het moet een heldendicht worden zoo schoon als nog geen heldendicht is gemaakt. Tot aan de verre nageslachten moet dit heldendicht de volkeren verkondigen hoe groot en verheven koning Mise is geweest op zijn koene tocht van Veloog naar de Renigo, alwaar hij in de heilige haag ontvangen werd door den hoogepriester Maresag en de vroede vrouw Harimona.Koning Mise, weder op Veloog gevestigd, liet een groot huis bouwen met drie afdeelingen. Middenin woonde hij en in de rechtervleugel werd een offerblok geplaatst en de linkervleugel vormde een schatkamer. Hij liet een beeld oprichten aan Harimona gewijd in de rechter vleugel en droeg zijn drie dichters op voor de verbreiding van den heiligen dienst der godin Harimona te zorgen. De twaalf deerntjes, die de gelofte der eeuwige kuischheid hadden afgelegd, stelde hij tot bewaarsters van de schat van Harimona aan. Naar het voorbeeld van Bedekoog deed hij op een hoog staketsel een vuur ontsteken, opdat ’s nachts de zeelieden reeds van ver de haven van Veloog zouden zien.Hij maakte nu ook een aanvang met de beschaving van zijn burgers. Strenge straffen werden gesteld op diefstal, roof, goddeloosheid, dronkenschap en onzedelijkheid. Daar de grond van Veloog onvruchtbaar was, kocht hij groote stukken land op Bedekoog, waar de verarmde bewoners met eerbied opzagen naar den waardigen koning Mise, die door Harimona’s gunst tot rijkdom en aanzien was gestegen en wiens wensch door de groote priesteres verhoord was. En op die landen liet hij door Bedekoogers graan zaaien en op de grasvelden deed hij zijn vee weiden.Ook liet hij de mee-hutten aan de verzande haven van Bedekoog afbreken en verbood op straffe van neusafsnijding aan de Veloogsche maagden of vrouwen zich met de matrozen af te geven, daar zij nu tot een rijk en godvruchtig volk behoorden, dat een koning had, die door de vroede vrouw van de haag van Renigo verhoord was.[44]De ongelukkige koning Gise moest het aanzien dat nu Bedekauwsche deerntjes in de mee-hutten aan de haven van Veloog de vele zeelieden ter wille waren, die van alle landen van overzee naar de veilige haven van Veloog kwamen om ruilhandel te drijven met de volkeren derBellovaken, Nerviërs, Kaninefaten, Marinen, Bataven en Frisen. Hij werd steeds mistroostiger en door zijn droefenis bleef hij mager en kon, zoomin als zijn drie koks, weder het oude, indrukwekkende voorkomen, herwinnen. Zijn volk, niet gewoon aan arbeid, moest schatten na schatten brengen naar Veloog om in ruil graan en vee te ontvangen, dat op ’t eigen land was geteeld en geweid.Koning Mise begon feesten te geven aan vreemdelingen en onthaalde ze even gastvrij als Koning Gise vroeger gedaan had. Koning Gise noodigde de vreemdelingen ook uit en trachtte, zooals Mise in zijn slechte tijden, door kortswijl het gemis aan overdaad en fijne spijzen en dranken te doen vergeten. Maar de drie koks, die sterk waren geweest in ’t stafrijm en de maat, bleven stumperds in de grollen, zoodat de gasten zich verveelden en even gedwongen lachten bij de mismoedige woorden van de koks, als dat zij kieskauwend aten van het ongeboterde brood, en de smakelooze meelkoeken zonder honing.Op een dag, toen een geheele vloot de haven van Veloog binnenstevende moesten de Bedekauwers de laatste schat van hun eiland gaan inruilen tegen graan bij de Velagers. De wonderkoe met de lange hals, die graasde in de boomen, werd op een vlot naar Veloog overgezet.Koning Gise hoorde het tartend gejuich, waarmede de Velagers het wonderdier ontvingen, dat voor hen de volkomen verarming en onderwerping van Bedekoog beduidde.Bij dit gejuich brak koning Gise in tranen uit. Daarna sloot hij zich op in een ledige schattenhut, trok zijn zwaard, zette het voor zich met ’t gevest in den grond en de punt naar boven en wierp zich er in.[45]Hall, Hamm en Haan, de drie gidsen, vonden hun dooden Koning en alle drie weenden. Hall zeide:Hier ligt de arme koning dood,Hij was als rijke koning groot.Hamm zeide:Raak over rijkdoms bergtop heen,Du zijt voor du het weet beneên.Hann sprak:De rijke roover leeft en sticht een rijk,Verarmde eerlijkheid, hier ligt uw lijk.Zij verbrandden hun koning in ’t tempelvuur, dat daardoor uitdoofde en daarmede den laatsten glans van Bedekoog.Maar op Veloog brandde het havenvuur hoog en de roem van den waardigen koning Mise breidde zich uit met het toenemen van zijn schatten—naar ’s werelds loop.[46]

Toen Koning Gise zijn eiland weder bereikt had, herkende zijn onderdanen hem niet. Hij was tot op het vel vermagerd en zijn drie koks, die vele dagen vóór de aankomst hun talenten getoond hadden bij de toebereiding van het geslachte ezeltje, geleken op elkaar als drie stafrijmen. Zij hadden het leege karretje voortgetrokken, nadat de ezel opgegeten was en koning Gise liep treurig achteraan, troosteloos omdat hij zonder de hand en zonder de belofte van de groote priesteres, naar zijn eiland moest terugkeeren.

Zijn smart werd nog grooter toen hij eindelijk op ’t eiland teruggekomen was. De fioord was na een storm zoo verzand, dat de schepen, die in de fioord lagen, niet meer konden uitvaren en de schepen, die van de oceaan aanzeilden, niet meer binnen konden vallen.

De Bedekauwers hadden zich hierom weinig bekommerd. Zij vertrouwden op hun koning, die wel de gunst van de machtige priesteres zou weten te verwerven en hadden zoo vroolijk en welvoldaan geleefd als dat gezeten lieden past.

Toen zij nu hoorden, dat de koning niet alleen afgewezen was als bruidegom, maar zelfs smadelijk als roover verdreven, begonnen zij den omvang van de ramp te beseffen en spraken er over, weder naar Nehalennia te gaan en haar door groote geschenken en veel offers te verteederen, zoodat zij den zeegeest zou gelasten, de fioord weder uit te diepen.

Koning Gise was mismoedig en bepaalde er zich voorloopig toe, zich weder op zijn vroeger gewicht te eten, want hij merkte wel, dat zijn mager lichaam alle waardigheid verloren had. Maar hij at nu niet aan vroolijke gelagen[39]en velerlei spijzen uit zilveren en gouden schotels, doch somber liet hij telkens een eenzamen houten nap met vleesch en kool vullen en at die leeg. De drie koks wilden sproken spreken, doch de koning legde hun het zwijgen op, legde geen waarde meer op stafrijmen en zuivere maat, maar verweet zijn drie dichters, dat zij niet in staat waren geweest de groote priesteres te bekoren.

De drie koks werden nu morrig en begonnen in ’t geheim spotdichten te maken op hun eigen koning, die hun verwijten deed, hoewel zij hem trouw gediend hadden.

En hun spotdichten waren zonder stafrijm en zonder de juiste maat, navolgingen van Pill, Pimm en Pinn, doch als alle navolgingen zonder den geest van het oorspronkelijk voorbeeld.

Toen nu, korten tijd daarna koning Mise terugkeerde, werd koning Gise nog neerslachtiger en de Bedekauwers schoolden te samen en begonnen er over te spreken koning Gise af te zetten en koning Mise op den troon te verheffen. Want ziet hoe hij naderde. Dertig groote Rinsche wagens vormden den stoet. Op den voorsten wagen zat koning Mise, weldoorvoed en met een buik zoo mooi rond als een pasgevulden wijnzak. Hij droeg een kroon van echt goud rond zijn rood haar en had drie overkleederen over elkaar aan, een purper, een groen en een wit, welks prachtige kleuren men alle drie kon zien bij de opslagen op de borst.

Achter de bok zaten in den wagen Pill, Pimm en Pinn. Doch zij waren nu geen magere scharminkels meer die grollen spraken. Alle drie waren zoo dik, dat de twee groote paarden, die den wagen van den Koning trokken, moeite hadden om de drie ex-proeleten voort te trekken.… zoo zwaar was de vracht van hun vleesch, hun vet en hun bloed.

Ook zij droegen elk drie gewaden van helle kleuren en op ’t hoofd zilveren palmkronen. Zij maakten nu ook geen grollen meer. Zij vonden de wereld te ernstig om grollen te maken en meenden, dat het beneden de waardigheid was[40]van een zoo voornaam en rijk vorst als koning Mise van Veloog, sproke-dichters aan zijn hoogheerlijk hof te hebben, die niet gepaste verzen spraken in zuiver stafrijm en streng in de maat.

Koning Mise veroorloofde geen grollen meer en hij had gezworen elkeen met den dood te straffen, die de waardigheid van zijn staat schond. Elk der drie dichters kreeg een afzonderlijk sproke-gebied toegezegd en verbanning zou onmiddellijk volgen, wanneer hij zich buiten zijn gebied waagde. Het gebied van Pill was: „de Waardigheid.” Het gebied van Pimm was: „De Eerlijkheid.” Het gebied van Pinn was: „De Heldenmoed.” Gedurende de terugreis had Koning Mise ernstig en streng bepaald, welke eigenschappen tot de drie gebieden hoorden.

Onder „de Waardigheid,” moesten bedicht worden:

Onder „De Eerlijkheid” moesten bedicht worden:

[41]

Onder „de Heldenmoed,” moesten bedicht worden:

De laatste taak van Pinn was het zwaarste. Koning Mise had het Pinn op ’t hart gedrukt, dat deze sproke een heldendicht moest worden, ’t welk zijn naam en zijn daden tot in het verste nageslacht moest doen eerbiedigen … ja vergoden.

„Als de haven van Veloog volkomen uitgediept zal zijn en mijn rijkdommen die van Gise en Maresag samen verre zullen overtreffen, wil ik mij tot de half-goden laten verheffen. Wanneer men schatten genoeg daartoe heeft, kan men op deze wereld zijn aanspraken daarop doen gelden.”

Zoo waren de drie dichters zeer ernstig geworden en dachten na over „De Waardigheid”, „De Eerlijkheid” en „De Heldenmoed”, elk op zijn gebied.

Was koning Gise nauwelijks herkend door zijn burgers, daar hij zoo vermagerd was en waren er zelfs geweest, die hem de toegang tot zijn eilandrijk hadden willen ontzeggen, koning Mise werd, ondanks de toeneming van zijn gewicht en van de waardigheid van zijn voorkomen, dadelijk door alle Velagers als hun koning Mise begroet. De trouwe burgers kwamen hem tegemoet met zang en dans en gejuich en geschenken. Want, de zeegeest, door Harimona daartoe gedwongen had in den zelfden nacht, dat de fioord van Bedekoog was verzand, de haven van Veloog geheel uitgediept, zoodat de schepen, die niet meer naar de fioord konden varen, nu in de haven van Veloog kwamen ankeren. En dadelijk begonnen de rijkdommen toe te stroomen. Nu zij hun koning zoo waardig zagen naderen, met dertig karren hoogbeladen met pakken en[42]kruiken en zakken en balen, gekleed met drie gewaden waren ze dadelijk overtuigd, dat alleen door zijn invloed, Harimona, de haven zoo plotseling dieper had doen worden. Toen zij achter hun prachtig dikken koning de drie dikke dichters, in hun volle waardigheid op den wagen zagen staan en daarna ook de dertig leden van de lijfwacht ontwaarden, die in gele statiegewaden met bronzen kortzwaarden, ernstig en fier naast de karren liepen, kende hun vreugde geen grenzen en een „Leve koning Mise!” weerschalde daverend dat de Bedekauwers het hoorden over de rivier heen.

De achterste twee wagens boden echter de allergrootste verrassing. Daar zaten de twaalf deerntjes, die koning Mise had medegenomen om de lijfwacht van koning Gise te vermaken. Maar het waren niet meer de naakte snolletjes van weleer. Koning Mise had ze allen in witte priesteresse gewaden doen kleeden, die het geheele lichaam, van onder de kin tot de voetzolen stemmig bedekten. In stede dat zij grollen zongen of liederlijke taal uitbraakten, zeiden zij heilige leuzen op en zongen kuische liederen over „De Waardigheid,” „De Eerlijkheid” en „De Heldenmoed”, met lange galmen, statig en stichtelijk, vroom opblikkend naar den hemel. En hare schoone, blanke overkleeden waren om ’t middel door een losse gordel met gouden versieringen omsnoerd en heur lange haren waren verborgen, onder groote, witte huifkappen, zoodat onbescheidenen haar gelaat niet van terzijde konden zien en wanneer zij ’t gelaat neerwaarts hielden, zelfs niet van voren. En zij hielden haar gelaat meestal naar den bodem van den wagen gekeerd, want zij hadden in de handen van den waardigen koning Mise, bijgestaan door Pill, Pimm en Pinn, de gelofte der kuischheid afgelegd.

Koning Mise, van de bok van zijn wagen, wenkte statig zijn juichend volk met zijn schepter toe. „Denk er wel aan!” zeide hij tot Pinn, dat in „De Misère” deze ontvangst[43]niet vergeten wordt. Het moet een heldendicht worden zoo schoon als nog geen heldendicht is gemaakt. Tot aan de verre nageslachten moet dit heldendicht de volkeren verkondigen hoe groot en verheven koning Mise is geweest op zijn koene tocht van Veloog naar de Renigo, alwaar hij in de heilige haag ontvangen werd door den hoogepriester Maresag en de vroede vrouw Harimona.

Koning Mise, weder op Veloog gevestigd, liet een groot huis bouwen met drie afdeelingen. Middenin woonde hij en in de rechtervleugel werd een offerblok geplaatst en de linkervleugel vormde een schatkamer. Hij liet een beeld oprichten aan Harimona gewijd in de rechter vleugel en droeg zijn drie dichters op voor de verbreiding van den heiligen dienst der godin Harimona te zorgen. De twaalf deerntjes, die de gelofte der eeuwige kuischheid hadden afgelegd, stelde hij tot bewaarsters van de schat van Harimona aan. Naar het voorbeeld van Bedekoog deed hij op een hoog staketsel een vuur ontsteken, opdat ’s nachts de zeelieden reeds van ver de haven van Veloog zouden zien.

Hij maakte nu ook een aanvang met de beschaving van zijn burgers. Strenge straffen werden gesteld op diefstal, roof, goddeloosheid, dronkenschap en onzedelijkheid. Daar de grond van Veloog onvruchtbaar was, kocht hij groote stukken land op Bedekoog, waar de verarmde bewoners met eerbied opzagen naar den waardigen koning Mise, die door Harimona’s gunst tot rijkdom en aanzien was gestegen en wiens wensch door de groote priesteres verhoord was. En op die landen liet hij door Bedekoogers graan zaaien en op de grasvelden deed hij zijn vee weiden.

Ook liet hij de mee-hutten aan de verzande haven van Bedekoog afbreken en verbood op straffe van neusafsnijding aan de Veloogsche maagden of vrouwen zich met de matrozen af te geven, daar zij nu tot een rijk en godvruchtig volk behoorden, dat een koning had, die door de vroede vrouw van de haag van Renigo verhoord was.[44]

De ongelukkige koning Gise moest het aanzien dat nu Bedekauwsche deerntjes in de mee-hutten aan de haven van Veloog de vele zeelieden ter wille waren, die van alle landen van overzee naar de veilige haven van Veloog kwamen om ruilhandel te drijven met de volkeren derBellovaken, Nerviërs, Kaninefaten, Marinen, Bataven en Frisen. Hij werd steeds mistroostiger en door zijn droefenis bleef hij mager en kon, zoomin als zijn drie koks, weder het oude, indrukwekkende voorkomen, herwinnen. Zijn volk, niet gewoon aan arbeid, moest schatten na schatten brengen naar Veloog om in ruil graan en vee te ontvangen, dat op ’t eigen land was geteeld en geweid.

Koning Mise begon feesten te geven aan vreemdelingen en onthaalde ze even gastvrij als Koning Gise vroeger gedaan had. Koning Gise noodigde de vreemdelingen ook uit en trachtte, zooals Mise in zijn slechte tijden, door kortswijl het gemis aan overdaad en fijne spijzen en dranken te doen vergeten. Maar de drie koks, die sterk waren geweest in ’t stafrijm en de maat, bleven stumperds in de grollen, zoodat de gasten zich verveelden en even gedwongen lachten bij de mismoedige woorden van de koks, als dat zij kieskauwend aten van het ongeboterde brood, en de smakelooze meelkoeken zonder honing.

Op een dag, toen een geheele vloot de haven van Veloog binnenstevende moesten de Bedekauwers de laatste schat van hun eiland gaan inruilen tegen graan bij de Velagers. De wonderkoe met de lange hals, die graasde in de boomen, werd op een vlot naar Veloog overgezet.

Koning Gise hoorde het tartend gejuich, waarmede de Velagers het wonderdier ontvingen, dat voor hen de volkomen verarming en onderwerping van Bedekoog beduidde.

Bij dit gejuich brak koning Gise in tranen uit. Daarna sloot hij zich op in een ledige schattenhut, trok zijn zwaard, zette het voor zich met ’t gevest in den grond en de punt naar boven en wierp zich er in.[45]

Hall, Hamm en Haan, de drie gidsen, vonden hun dooden Koning en alle drie weenden. Hall zeide:

Hier ligt de arme koning dood,Hij was als rijke koning groot.

Hier ligt de arme koning dood,

Hij was als rijke koning groot.

Hamm zeide:

Raak over rijkdoms bergtop heen,Du zijt voor du het weet beneên.

Raak over rijkdoms bergtop heen,

Du zijt voor du het weet beneên.

Hann sprak:

De rijke roover leeft en sticht een rijk,Verarmde eerlijkheid, hier ligt uw lijk.

De rijke roover leeft en sticht een rijk,

Verarmde eerlijkheid, hier ligt uw lijk.

Zij verbrandden hun koning in ’t tempelvuur, dat daardoor uitdoofde en daarmede den laatsten glans van Bedekoog.

Maar op Veloog brandde het havenvuur hoog en de roem van den waardigen koning Mise breidde zich uit met het toenemen van zijn schatten—naar ’s werelds loop.[46]


Back to IndexNext