[Inhoud]HOOFDSTUK V.Het was een droevige winter, die aan was gebroken in de Batouw. Sigbert, zijn vrouw Maaike en zijn twee zonen, Reri en Tjeerd, zaten dagen achtereen in de half duistere hut voor ’t haardvuur. De Dantubaren hadden veel graan gestolen en waren daarmede weder naar hun gouw getrokken. Aan vervolging was voorloopig niet te denken, want op den sneeuwval, die een week lang bijna onafgebroken had geduurd, waren een paar zoele dagen gevolgd. Toen was het gaan vriezen, steeds harder en de geheele Batouw was zelfs tot diep in den grond bevroren. Het sneeuwwater had zich tot een vaste ijskorst gevormd, die met veel moeite opengehakt moest worden, wilde men den bodem bereiken. Toch was een Ding geroepen om over den toestand te spreken. Ze kwamen uit de geheele Batouw de stevige, wat gebukte gestalten der vrije boeren, die leefden zonder koning, gehoorzamend aan den Raad der Ouden, die gevormd was uit de oudste aanvoerders der saksen, dat waren afdeelingen van honderd weerbare lieden die met den saks, een bijl die tevens lans was en als slag-, steek- en werptuig kon dienen, konden omgaan.Maar hoewel uit de goede tijden van weleer de Batouwers nog dikke, mooie pelzen hadden, geruild tegen veldvruchten met de jagerstammen uit de boschgebieden, toch zag men de naderende armoede aan de magere paarden, de weinige bronzen knoopen en fibels, de afwezigheid van bronzen borstspangen en armringen, die allen al waren ingeruild voor leeftocht bij de Frisen en de Kaninefaten.En de gelaten der mannen stonden stroef en droef en de vrouwen, die medegekomen waren, droegen gelapte overkleederen[47]en de teenen karbiezen, waarin zij de leeftocht droegen, waren zichtbaar licht.Zij brandden een kring van groote houtvuren rondom het Dingveld om de koude te verdrijven en dichtopeen stonden ze in dien vurigen kring. Er waren nu geen spelen en geen hardrijderijen en geen mee-tenten om den Dingplaats opgericht, zooals anders wanneer het Ding werd gehouden. Want men was mismoedig en wist dat dezen winter hongersnood te wachten stond.Sigbert trad voor den raad der ouden, zeven grijsaards, die in berevellen gehuld en toch nog kleumend, gehurkt zaten bij een groot houtvuur. Hij gaf eenvoudig en kort een verhaal van de moeielijke tocht, hoe Reri was uitverkoren als de wachter der schattenschuren en hoe Harimona een goeden oogst voorspeld had. Hoe zij na veel wederwaardigheden huiswaarts waren getogen en hoe toen Herebaeld van uitputting en koude gestorven was.Het was een wijle stil toenSigbertzijn roerend verhaal had gedaan en de stoere Batouwer, denkend aan het kind, dat hem ontvallen was, wreef met den rug van zijn groote knuist, een traan uit de oogen.De Oudste van den Raad der Ouden stond op en met een beverige stem, dankte hijSigbertvoor zijn beleidvol en opofferend gedrag. Hij stelde voor Reri en Tjeerd beiden te doen benoemen tot saksvoerders en hun recht te geven op een akker en een weiplaats op de meent.De Batouwers staken allen de saksen op en sloegen die tegen elkaar ten teeken van instemming. Maar Sigbert was treurig teruggetreden en tot Maaike, die terzij bij een vuur wachtte, zei hij:„Mi was ’t liever geweest, als onze Herebaeld nog leefde.”„Mi ook Sig!” zei Maaike, zich steunend tegen haar man.En de Batouwers zagen stil en eerbiedig de twee terugtreden.Er was besloten tot het voorjaar te wachten om de Dantubaren[48]te gaan tuchtigen. De Raad der ouden had onderzocht hoeveel graan er nog in de Batouw gebleven was. Maar dat viel tegen en ondanks de voorspelling van Harimona, die hoop op de toekomst gaf, waren de Batouwers treurig en ernstig naar hun hutten teruggekeerd.Het was een gruwelijk strenge winter. Van de koude werd niet veel geleden, want men had genoeg pelzen en hout. Maar de honger kwam nijpen, toen het graan verbruikt was. Het vee en de paarden, waarvoor men geen voeder meer had, moesten geslacht worden. Het vleesch, in de open lucht gelegd, bevroor en bleef lang goed en zuinig werd er van gebruikt. Doch het raakte ook op en elken dag kwamen er bij Sigbert buurlieden en stamverwanten om voedsel vragen. Die van verre kwamen, aan de Dantubaarsche grens woonden, vertelden van de verschrikking van den honger bij de Dantubaren, want het geroofde graan had niet lang gereikt en vee bezaten de arme Dantubaren sinds lange niet meer. Er waren daar mannen, die hun vrouwen en kinderen hadden geslacht en opgegeten. De zwarte ziekte heerschte er en men zag op de wegen de blauwe, bevroren lijken van tot geraamten uitgeteerde menschen liggen, die ziek uit de dorpen waren gedreven en van honger en kou spoedig waren gestorven. Soms kwamen de Dantubaren, in een groote troep ’s nachtsnaarde woningen van de grens-Batouwers sluipen, loerend op roof. Maar de honden sloegen aan en zoo krachteloos was ’t verhongerde volk geworden, dat twee Batouwers slechts met de knods gewapend, er op één nacht tachtig hadden neergeveld. Zij deden geen moeite om zich te weren, vielen op de knieën en lieten zich neerslaan als aren buigend voor de sikkel.Sigbert had nog geen gebrek, want Reri, de zeeman, wist een middel om visschen in de rivier te vangen, maar dat gebeurde in ’t geheim, want de visch was schraal en als anderen zijn geheim ontdekten, zouden ze allen naar[49]de rivier gaan en dan bleef er spoedig niets meer te vangen over. ’s Nachts gingen hij en Tjeerd naar den stroom en hakten een bijt. Dan staken zij een bundel stroo in de bijt en daarin dan raakten wat kleine visschen verward, die ze thuis brachten. Doch de rivier vroor steeds dichter toe, zoodat de stroowisch wel tot een manslengte in ’t gat moest gestoken worden. Maar ook was het ééns gebeurd, dat zij een grooten snoek in ’t ijs vonden vastgevroren. Dat was een vangst geweest! Moeder had hem in mooten gesneden, aan spitjes gezoden en daarna in den rook gebruind.De vier zaten den ganschen dag voor het vuur in de hut. Sigbert en Reri waren beurtelings de bosschen gaan afloopen om naar winterwild te speuren. Maar de holen waren verlaten en de bosschen waren leeg. De dieren, door hun instinct gedreven, hadden andere streken opgezocht of waren bevroren en lagen verborgen onder de ijskorst van het bevroren sneeuwwater. Vèr dorsten zij niet van huis te gaan, want de honger maakte de beste lieden tot vijand en waar die dan voorraad vonden, stalen zij het weg en sloegen de bewoners neer, wanneer die te zwak waren om zich te verdedigen. Daarom bleef altijd een van de mannen bij moeder thuis en verder dan een horenstoot afstands durfden Sigbert en Reri niet te gaan.De zeeman verhaalde in de eerste tijden van zijn reizen. Hij was vier keer naar ’t Paarden-eiland geweest. Den laatsten keer was de schipper met de zeelieden, dwars over ’t eiland getrokken, het schip medevoerend op vijf stel wielen, die ze hadden medegenomen. En toen, aan de andere zijde, hadden zij ’t schip weder te water gelaten en waren voortgestevend, twintig nachten lang om den weg naar het vreemde land te zoeken, die bekend was ver in ’t noorden, waar de Recken woonden. Maar zij hadden geen land ontdekt, de wereldzee breidde zich steeds verder uit en vreeselijke stormen waren opgestoken. Toen wilden de zeelieden terug, omdat ze vreesden in den baaierd te geraken, en van de[50]aarde af te vallen in den diepen, donkeren zwind, waar de kwade geesten huizen. De schipper had ze schatten beloofd als zij hem trouw bleven en nog drie dagen waren zij blijven stevenen. Maar toen de stormen toenamen en de wacht ’s nachts een groot zeemonster had gezien, dat zware stralen water opspoot en loeide met meer gewelddan een barditus van tien saksen, weigerden de zeelieden verder te gaan. Toen had de schipper een spaak in de hand genomen, gedreigd elkeen neer te slaan, die zich tegen hem verzette, de zeelieden opgeroepen, die mee durfden. Hij,Reri, was als Batouwer, de eenige geweest, hoewel hij ook zeer voor ’t monster en den zwind gevreesd had. Maar hij had zijn woord gegeven voor de afreis.„Hadden die anderen hun woord niet gegeven?” vroeg Tjeerd.„Dat zeker.…” zei Reri.„’t Waren zeker Kaninefaten!” zei Sigbert verachtelijk.„Zooals du zegt vaêr, Kaninefaten en Dantubaren.”„Dat’s allemaal klootjesvolk! Als ’t nu nog Frisen geweest waren.”„Neen,” zei Reri, „een Fries staat zijn man als du ’m aanvalt. Dat is bekend. En als een Fries vecht, dan staat-ie of valt-ie. En als ’t is om een skig te bouwen, laat ze dan maar loopen. D’r zijn geen betere bouwers.… onze skig was een Friesche, maar hij liep in den wind gladjes als een steen van den berg. Als wij het zeil ophadden en er kwam een skig van de Eierlanders of de Bellovaken, die mee wilden en ons vooruitloopen, dan wisten wij ’t al en hielden een ham omhoog, dat ze ’m mochten halen.… als ze ’m krijgen konden. Maar krijgen deden ze ’m nooit. Wij waren al uit zicht als ze nog peuterden met riemen om mee te komen!”„En hoe is het toen gegaan bij den zwind?”„Ik stond wel mijn man en de schipper ook, maar wat kan di tegen bang volk? En ’t bleef stormen, altijd door[51]uit denzelfden hoek, dat wij niet van de plaats konden komen. Telkens werd di teruggeslagen. Toen kregen wij gebrek aan leeftocht en aan water. Wij vingen veel visch maar âltoos visch, daar kan di niet op leven en wij moesten weer terug.”„Grendeldebliksem!” riep Sigbert, „wat een jammer!”„Hè.… als du eens naar ’t vreemde land was gekomen Reri. Hoe ziet het er uit?”„Gezien heb ik het niet hoor.… Maar de schipper wist er al veel van en als ’t niet geweest was datvaêrmij hier noodig had, ’k was weer meegegaan.… want hij is weer uitgevaren met de eigenste skig, maar met Noorsch zeevolk er op.… allemaal kerels, waar ik nog een peuter tegen was.…”„En wat zei hij van ’t vreemde land.”„Nou, daar wonen menschen zoo zwart als ievers. En er zijn boomen zoo hoog als drie beuken op elkaar, maar zoo kaal als een aal. Boven op den top zitten de blaren, die zoo lang zijn elk als een man. En er groeien noten aan zoo dik als een menschenhoofd.”„Zou ’t waar zijn?” riep Sigbert uit.„Wáár? De schipper had zelf zoo ’n noot gezien. Ze was te kijk op het groote Ding in Abalsia1waar hij geweest was omdat hij er stem had.”„Hoe is ’t mogelijk! Als menschenhoofden!”„En ’t zijn echte menschenhoofden geweest. Rondom zit het bruine haar en als dat opgelicht wordt, zijn er twee zwarte oogen en een neus op te zien. Als zoo’n boom oud wordt, groeit aan den kop een romp en aan de romp komen beenen en armen en dan valt er zoo ’n zwarte kerel naar beneden en zóó komen daar de menschen in de wereld!”„Zijn er dan geen vrouwen?” vroeg Maaike.[52]„Dat weet ik niet. Dat heb ik den schipper niet gevraagd.”„Hoe zouden die er zijn?” meende Tjeerd. „Als di toch hoort, dat de menschen van de boomen vallen.”Als Reri van zijn reizen verteld had, verhaalde de vader van vroegere tijden. Hoe zijn grootvader hem nog verteld had van de lange zwerftochten, die hij in zijn jeugd had gemaakt met den geheelen stam, het vee in groote kudden voor zich uitdrijvend, komend in landen, waar nog geen menschen gewoond hadden en afweidend de grasvelden en de meden en marschen, elken nacht op een andere plaats kampeerend. Maar in de Batouw woonden al menschen in hooge hutten, die boven op palen stonden. Het was een klein slag en zij hadden geen andere wapens dan grove stukken vuursteen. Toen nu de stam van Sigberts grootvader daar aankwam met de groote kudden en de paarden en zij zagen hoe sterk de mannen waren, trokken al die lieden ’s nachts in stilte weg en ’s morgens was er geen enkele meer te vinden. Eerst hadden de mannen van grootvaders stam gedacht, dat het een krijgslist was en zich niet in de woningen gewaagd. Maar na een week was er nog geen weergekeerd en toen waren grootvaders lieden in die hooge woningen gaan wonen. Niemand heeft ooit meer van die menschen gehoord.„Dan zijn ’t zeker kobolden geweest,” meende Reri.„Mijn grootvader zei, dat zij naar het Alkmeer2zijn getrokken en daar op vlotten de zee in zijn gevaren tot de kust. Op een nacht is daar de kust van ’t land geslagen en ze zijn toen zeker allen verdronken. De Eierlanders moeten nog vuursteenen van ze hebben en van ’t hout van de vlotten hun hutten hebben gebouwd.”„Waar kwam dijn grootvaêr van daan?” vroeg Reri.„Nu vraag di mij te veel … dat wist-ie zelf niet meer …[53]Zoolang hij heuchenis had, trokken ze maar rond, overal waar ze meden vonden.”„Het was een rare, dijn grootvaêr!” zei Maaike tot haar man. „Denk du,” ging ze tot Tjeerd sprekend voort, „dat-ie tot Wotan of tot Thor bad of ze offerde? Zij hadden een grooten steen meegebracht, daar waar ze vandaan kwamen en die was, zei-ie uit den hemel gevallen als een ster en dat was hun geloof. Ze stookten om den steen een vuur en dan gingen ze er naakt omheen dansen, mannen, vrouwen en kinderen, allemaal en als er een zwak kind was, namen ze het en wierpen het op den steen, dat ’t stikte van den rook en verzengde van de vlammen. Als ’t dan geroosterd was, vraten ze ’t op.…”„Zulke beesten!” riep Reri uit. „Daar had ik bij moeten zijn.…”„Geloof is geloof!” zei Sigbert. „En mijn grootvaêr heeft nooit mee gegeten.”„Dat heeft-ie wel!” riep Maaike geprikkeld. „En ’t was maar nauw, dat ik hier Reri uit zijn knuisten wrong, toen ie geboren was omdat-ie ’m op den steen wou brengen.”„Ze wisten nog niet beter!” verontschuldigde Sigbert.„Als du zoo eens denkt, dan leven wij toch in wat betere tijden vaêr. Wij hebben onze meent, en onze vaste hutten en wij kennen de ware goden.”„Ik weet het niet!” mompelde Sigbert. „Nu hebben wij al drie jaren slechte oogsten en wat hebben wij al niet gedaan om Wotan en Donar en Nerthus en Thius te verzoenen. Wij hebben als Batouwers allemaal bij de eerste ploegvoor brood geofferd voor Nerthus; bij ’t zaaien, zaad voor Thius of zooals jelui tegenwoordig zeggen Wotan; na den zaai hebben wij in de Batouw over de duizend banen geofferd tegen den hagel en ’t onweer. Winkelfried heeft zijn twee mooie vaarzen geofferd voor de Batouw. En wat is ’t geweest?… Hagel, donder, overstrooming, bloedkoren, alles wat di maar voor kwaads hebben kon.[54]Nou zijn we naar Harimona geweest. Goed, we zijn naar Harimona geweest en we zullen zien wat ’t geeft … du mag niet twijfelen, want als du twijfelt beginnen ze di eerst recht te pesten. Maar dat zeg ik di—als wij den winter dóórkomen en wij hebben gezaaid en ’t is weer donderen, dan weet ik allang wat wij doen …”„Dan trekken wij weg!” riep Tjeerd.„Wegtrekken? Bij den iever niet … wegtrekken doe ik niet. Beteren grond dan hier vind di nergens … in de heele wereld niet … ’t Is grond waar di niet af mot gaan … Hoe was de oogst Maaike, toen du Herebaeld baarde? Wij hadden zooveel, dat wij toen de winter om was nog méér in de kuilen over hadden dan in andere jaren vóór den winter … En hoe was de oogst, toen Herebaeld gewijd werd? Ze hadden toen bij de Dantubaren een schralen oogst … Maar ze hoefden niet te komen rooven hoor … Wij wezen ze de kuilen en zeiden, neem maar buur, zooveel als di nemen wilt … Wij konden ’t zelf toch niet aan in de Batouw en ’t zou verschimmeld en verrot zijn.”„Dat was allemaal door Herebaeld. Zoo dikwijls als er met hem wat gebeurde, bij zijn geboorte en bij zijn wijding en toen-ie de runen ging leeren en toen-ie uitgeleerd terugkwam, altoos bracht dat kind geluk … is ’t niet Sig?” vroeg Maaike.En voor ’t vuur staande, voelde zij de oogen branden door ’t stralen van de vlammen in de opwellende tranen.„Ik weet wel, wat ik doe!” zei Sigbert zachtjes knikkend met ’t hoofd en daarna star in ’t vuur blikkend.„En wat zou du dan doen, vaêr?”„Nou magge jelui lachen om mijn grootvaêr, maar ik weet, dat-ie altijd de grootste kalveren en de kloekste peerden had … dat heb ik voor mijn oogen gezien en wat du ziet, mot du aannemen.”„Dat zeker,” meende Reri.[55]„En als ’t weer slechten oogst is, dan kunnen Wotan en Nerthus en Frija en al dijn nieuwerwetsche goden mij dàt doen … en ik ga naar den zwarten steen aan de grens en ik offer er een vaars op …”En mokkend nadenkend, bleef de oude boer verbitterd op Wotan en Nerthus, in ’t vuur staren.[56]1Abalsia, Balcia, Zuid-Zweden, Vgl.Quellen and Forschungen zur alten Geschichte und Geographie, v. Prof. W. Sieglin, Heft IIBerlijn 1904.↑2Alkmeer = Tempelmeer, naam van de Zuiderzee, vóór deze het meer Flevo werd.↑
[Inhoud]HOOFDSTUK V.Het was een droevige winter, die aan was gebroken in de Batouw. Sigbert, zijn vrouw Maaike en zijn twee zonen, Reri en Tjeerd, zaten dagen achtereen in de half duistere hut voor ’t haardvuur. De Dantubaren hadden veel graan gestolen en waren daarmede weder naar hun gouw getrokken. Aan vervolging was voorloopig niet te denken, want op den sneeuwval, die een week lang bijna onafgebroken had geduurd, waren een paar zoele dagen gevolgd. Toen was het gaan vriezen, steeds harder en de geheele Batouw was zelfs tot diep in den grond bevroren. Het sneeuwwater had zich tot een vaste ijskorst gevormd, die met veel moeite opengehakt moest worden, wilde men den bodem bereiken. Toch was een Ding geroepen om over den toestand te spreken. Ze kwamen uit de geheele Batouw de stevige, wat gebukte gestalten der vrije boeren, die leefden zonder koning, gehoorzamend aan den Raad der Ouden, die gevormd was uit de oudste aanvoerders der saksen, dat waren afdeelingen van honderd weerbare lieden die met den saks, een bijl die tevens lans was en als slag-, steek- en werptuig kon dienen, konden omgaan.Maar hoewel uit de goede tijden van weleer de Batouwers nog dikke, mooie pelzen hadden, geruild tegen veldvruchten met de jagerstammen uit de boschgebieden, toch zag men de naderende armoede aan de magere paarden, de weinige bronzen knoopen en fibels, de afwezigheid van bronzen borstspangen en armringen, die allen al waren ingeruild voor leeftocht bij de Frisen en de Kaninefaten.En de gelaten der mannen stonden stroef en droef en de vrouwen, die medegekomen waren, droegen gelapte overkleederen[47]en de teenen karbiezen, waarin zij de leeftocht droegen, waren zichtbaar licht.Zij brandden een kring van groote houtvuren rondom het Dingveld om de koude te verdrijven en dichtopeen stonden ze in dien vurigen kring. Er waren nu geen spelen en geen hardrijderijen en geen mee-tenten om den Dingplaats opgericht, zooals anders wanneer het Ding werd gehouden. Want men was mismoedig en wist dat dezen winter hongersnood te wachten stond.Sigbert trad voor den raad der ouden, zeven grijsaards, die in berevellen gehuld en toch nog kleumend, gehurkt zaten bij een groot houtvuur. Hij gaf eenvoudig en kort een verhaal van de moeielijke tocht, hoe Reri was uitverkoren als de wachter der schattenschuren en hoe Harimona een goeden oogst voorspeld had. Hoe zij na veel wederwaardigheden huiswaarts waren getogen en hoe toen Herebaeld van uitputting en koude gestorven was.Het was een wijle stil toenSigbertzijn roerend verhaal had gedaan en de stoere Batouwer, denkend aan het kind, dat hem ontvallen was, wreef met den rug van zijn groote knuist, een traan uit de oogen.De Oudste van den Raad der Ouden stond op en met een beverige stem, dankte hijSigbertvoor zijn beleidvol en opofferend gedrag. Hij stelde voor Reri en Tjeerd beiden te doen benoemen tot saksvoerders en hun recht te geven op een akker en een weiplaats op de meent.De Batouwers staken allen de saksen op en sloegen die tegen elkaar ten teeken van instemming. Maar Sigbert was treurig teruggetreden en tot Maaike, die terzij bij een vuur wachtte, zei hij:„Mi was ’t liever geweest, als onze Herebaeld nog leefde.”„Mi ook Sig!” zei Maaike, zich steunend tegen haar man.En de Batouwers zagen stil en eerbiedig de twee terugtreden.Er was besloten tot het voorjaar te wachten om de Dantubaren[48]te gaan tuchtigen. De Raad der ouden had onderzocht hoeveel graan er nog in de Batouw gebleven was. Maar dat viel tegen en ondanks de voorspelling van Harimona, die hoop op de toekomst gaf, waren de Batouwers treurig en ernstig naar hun hutten teruggekeerd.Het was een gruwelijk strenge winter. Van de koude werd niet veel geleden, want men had genoeg pelzen en hout. Maar de honger kwam nijpen, toen het graan verbruikt was. Het vee en de paarden, waarvoor men geen voeder meer had, moesten geslacht worden. Het vleesch, in de open lucht gelegd, bevroor en bleef lang goed en zuinig werd er van gebruikt. Doch het raakte ook op en elken dag kwamen er bij Sigbert buurlieden en stamverwanten om voedsel vragen. Die van verre kwamen, aan de Dantubaarsche grens woonden, vertelden van de verschrikking van den honger bij de Dantubaren, want het geroofde graan had niet lang gereikt en vee bezaten de arme Dantubaren sinds lange niet meer. Er waren daar mannen, die hun vrouwen en kinderen hadden geslacht en opgegeten. De zwarte ziekte heerschte er en men zag op de wegen de blauwe, bevroren lijken van tot geraamten uitgeteerde menschen liggen, die ziek uit de dorpen waren gedreven en van honger en kou spoedig waren gestorven. Soms kwamen de Dantubaren, in een groote troep ’s nachtsnaarde woningen van de grens-Batouwers sluipen, loerend op roof. Maar de honden sloegen aan en zoo krachteloos was ’t verhongerde volk geworden, dat twee Batouwers slechts met de knods gewapend, er op één nacht tachtig hadden neergeveld. Zij deden geen moeite om zich te weren, vielen op de knieën en lieten zich neerslaan als aren buigend voor de sikkel.Sigbert had nog geen gebrek, want Reri, de zeeman, wist een middel om visschen in de rivier te vangen, maar dat gebeurde in ’t geheim, want de visch was schraal en als anderen zijn geheim ontdekten, zouden ze allen naar[49]de rivier gaan en dan bleef er spoedig niets meer te vangen over. ’s Nachts gingen hij en Tjeerd naar den stroom en hakten een bijt. Dan staken zij een bundel stroo in de bijt en daarin dan raakten wat kleine visschen verward, die ze thuis brachten. Doch de rivier vroor steeds dichter toe, zoodat de stroowisch wel tot een manslengte in ’t gat moest gestoken worden. Maar ook was het ééns gebeurd, dat zij een grooten snoek in ’t ijs vonden vastgevroren. Dat was een vangst geweest! Moeder had hem in mooten gesneden, aan spitjes gezoden en daarna in den rook gebruind.De vier zaten den ganschen dag voor het vuur in de hut. Sigbert en Reri waren beurtelings de bosschen gaan afloopen om naar winterwild te speuren. Maar de holen waren verlaten en de bosschen waren leeg. De dieren, door hun instinct gedreven, hadden andere streken opgezocht of waren bevroren en lagen verborgen onder de ijskorst van het bevroren sneeuwwater. Vèr dorsten zij niet van huis te gaan, want de honger maakte de beste lieden tot vijand en waar die dan voorraad vonden, stalen zij het weg en sloegen de bewoners neer, wanneer die te zwak waren om zich te verdedigen. Daarom bleef altijd een van de mannen bij moeder thuis en verder dan een horenstoot afstands durfden Sigbert en Reri niet te gaan.De zeeman verhaalde in de eerste tijden van zijn reizen. Hij was vier keer naar ’t Paarden-eiland geweest. Den laatsten keer was de schipper met de zeelieden, dwars over ’t eiland getrokken, het schip medevoerend op vijf stel wielen, die ze hadden medegenomen. En toen, aan de andere zijde, hadden zij ’t schip weder te water gelaten en waren voortgestevend, twintig nachten lang om den weg naar het vreemde land te zoeken, die bekend was ver in ’t noorden, waar de Recken woonden. Maar zij hadden geen land ontdekt, de wereldzee breidde zich steeds verder uit en vreeselijke stormen waren opgestoken. Toen wilden de zeelieden terug, omdat ze vreesden in den baaierd te geraken, en van de[50]aarde af te vallen in den diepen, donkeren zwind, waar de kwade geesten huizen. De schipper had ze schatten beloofd als zij hem trouw bleven en nog drie dagen waren zij blijven stevenen. Maar toen de stormen toenamen en de wacht ’s nachts een groot zeemonster had gezien, dat zware stralen water opspoot en loeide met meer gewelddan een barditus van tien saksen, weigerden de zeelieden verder te gaan. Toen had de schipper een spaak in de hand genomen, gedreigd elkeen neer te slaan, die zich tegen hem verzette, de zeelieden opgeroepen, die mee durfden. Hij,Reri, was als Batouwer, de eenige geweest, hoewel hij ook zeer voor ’t monster en den zwind gevreesd had. Maar hij had zijn woord gegeven voor de afreis.„Hadden die anderen hun woord niet gegeven?” vroeg Tjeerd.„Dat zeker.…” zei Reri.„’t Waren zeker Kaninefaten!” zei Sigbert verachtelijk.„Zooals du zegt vaêr, Kaninefaten en Dantubaren.”„Dat’s allemaal klootjesvolk! Als ’t nu nog Frisen geweest waren.”„Neen,” zei Reri, „een Fries staat zijn man als du ’m aanvalt. Dat is bekend. En als een Fries vecht, dan staat-ie of valt-ie. En als ’t is om een skig te bouwen, laat ze dan maar loopen. D’r zijn geen betere bouwers.… onze skig was een Friesche, maar hij liep in den wind gladjes als een steen van den berg. Als wij het zeil ophadden en er kwam een skig van de Eierlanders of de Bellovaken, die mee wilden en ons vooruitloopen, dan wisten wij ’t al en hielden een ham omhoog, dat ze ’m mochten halen.… als ze ’m krijgen konden. Maar krijgen deden ze ’m nooit. Wij waren al uit zicht als ze nog peuterden met riemen om mee te komen!”„En hoe is het toen gegaan bij den zwind?”„Ik stond wel mijn man en de schipper ook, maar wat kan di tegen bang volk? En ’t bleef stormen, altijd door[51]uit denzelfden hoek, dat wij niet van de plaats konden komen. Telkens werd di teruggeslagen. Toen kregen wij gebrek aan leeftocht en aan water. Wij vingen veel visch maar âltoos visch, daar kan di niet op leven en wij moesten weer terug.”„Grendeldebliksem!” riep Sigbert, „wat een jammer!”„Hè.… als du eens naar ’t vreemde land was gekomen Reri. Hoe ziet het er uit?”„Gezien heb ik het niet hoor.… Maar de schipper wist er al veel van en als ’t niet geweest was datvaêrmij hier noodig had, ’k was weer meegegaan.… want hij is weer uitgevaren met de eigenste skig, maar met Noorsch zeevolk er op.… allemaal kerels, waar ik nog een peuter tegen was.…”„En wat zei hij van ’t vreemde land.”„Nou, daar wonen menschen zoo zwart als ievers. En er zijn boomen zoo hoog als drie beuken op elkaar, maar zoo kaal als een aal. Boven op den top zitten de blaren, die zoo lang zijn elk als een man. En er groeien noten aan zoo dik als een menschenhoofd.”„Zou ’t waar zijn?” riep Sigbert uit.„Wáár? De schipper had zelf zoo ’n noot gezien. Ze was te kijk op het groote Ding in Abalsia1waar hij geweest was omdat hij er stem had.”„Hoe is ’t mogelijk! Als menschenhoofden!”„En ’t zijn echte menschenhoofden geweest. Rondom zit het bruine haar en als dat opgelicht wordt, zijn er twee zwarte oogen en een neus op te zien. Als zoo’n boom oud wordt, groeit aan den kop een romp en aan de romp komen beenen en armen en dan valt er zoo ’n zwarte kerel naar beneden en zóó komen daar de menschen in de wereld!”„Zijn er dan geen vrouwen?” vroeg Maaike.[52]„Dat weet ik niet. Dat heb ik den schipper niet gevraagd.”„Hoe zouden die er zijn?” meende Tjeerd. „Als di toch hoort, dat de menschen van de boomen vallen.”Als Reri van zijn reizen verteld had, verhaalde de vader van vroegere tijden. Hoe zijn grootvader hem nog verteld had van de lange zwerftochten, die hij in zijn jeugd had gemaakt met den geheelen stam, het vee in groote kudden voor zich uitdrijvend, komend in landen, waar nog geen menschen gewoond hadden en afweidend de grasvelden en de meden en marschen, elken nacht op een andere plaats kampeerend. Maar in de Batouw woonden al menschen in hooge hutten, die boven op palen stonden. Het was een klein slag en zij hadden geen andere wapens dan grove stukken vuursteen. Toen nu de stam van Sigberts grootvader daar aankwam met de groote kudden en de paarden en zij zagen hoe sterk de mannen waren, trokken al die lieden ’s nachts in stilte weg en ’s morgens was er geen enkele meer te vinden. Eerst hadden de mannen van grootvaders stam gedacht, dat het een krijgslist was en zich niet in de woningen gewaagd. Maar na een week was er nog geen weergekeerd en toen waren grootvaders lieden in die hooge woningen gaan wonen. Niemand heeft ooit meer van die menschen gehoord.„Dan zijn ’t zeker kobolden geweest,” meende Reri.„Mijn grootvader zei, dat zij naar het Alkmeer2zijn getrokken en daar op vlotten de zee in zijn gevaren tot de kust. Op een nacht is daar de kust van ’t land geslagen en ze zijn toen zeker allen verdronken. De Eierlanders moeten nog vuursteenen van ze hebben en van ’t hout van de vlotten hun hutten hebben gebouwd.”„Waar kwam dijn grootvaêr van daan?” vroeg Reri.„Nu vraag di mij te veel … dat wist-ie zelf niet meer …[53]Zoolang hij heuchenis had, trokken ze maar rond, overal waar ze meden vonden.”„Het was een rare, dijn grootvaêr!” zei Maaike tot haar man. „Denk du,” ging ze tot Tjeerd sprekend voort, „dat-ie tot Wotan of tot Thor bad of ze offerde? Zij hadden een grooten steen meegebracht, daar waar ze vandaan kwamen en die was, zei-ie uit den hemel gevallen als een ster en dat was hun geloof. Ze stookten om den steen een vuur en dan gingen ze er naakt omheen dansen, mannen, vrouwen en kinderen, allemaal en als er een zwak kind was, namen ze het en wierpen het op den steen, dat ’t stikte van den rook en verzengde van de vlammen. Als ’t dan geroosterd was, vraten ze ’t op.…”„Zulke beesten!” riep Reri uit. „Daar had ik bij moeten zijn.…”„Geloof is geloof!” zei Sigbert. „En mijn grootvaêr heeft nooit mee gegeten.”„Dat heeft-ie wel!” riep Maaike geprikkeld. „En ’t was maar nauw, dat ik hier Reri uit zijn knuisten wrong, toen ie geboren was omdat-ie ’m op den steen wou brengen.”„Ze wisten nog niet beter!” verontschuldigde Sigbert.„Als du zoo eens denkt, dan leven wij toch in wat betere tijden vaêr. Wij hebben onze meent, en onze vaste hutten en wij kennen de ware goden.”„Ik weet het niet!” mompelde Sigbert. „Nu hebben wij al drie jaren slechte oogsten en wat hebben wij al niet gedaan om Wotan en Donar en Nerthus en Thius te verzoenen. Wij hebben als Batouwers allemaal bij de eerste ploegvoor brood geofferd voor Nerthus; bij ’t zaaien, zaad voor Thius of zooals jelui tegenwoordig zeggen Wotan; na den zaai hebben wij in de Batouw over de duizend banen geofferd tegen den hagel en ’t onweer. Winkelfried heeft zijn twee mooie vaarzen geofferd voor de Batouw. En wat is ’t geweest?… Hagel, donder, overstrooming, bloedkoren, alles wat di maar voor kwaads hebben kon.[54]Nou zijn we naar Harimona geweest. Goed, we zijn naar Harimona geweest en we zullen zien wat ’t geeft … du mag niet twijfelen, want als du twijfelt beginnen ze di eerst recht te pesten. Maar dat zeg ik di—als wij den winter dóórkomen en wij hebben gezaaid en ’t is weer donderen, dan weet ik allang wat wij doen …”„Dan trekken wij weg!” riep Tjeerd.„Wegtrekken? Bij den iever niet … wegtrekken doe ik niet. Beteren grond dan hier vind di nergens … in de heele wereld niet … ’t Is grond waar di niet af mot gaan … Hoe was de oogst Maaike, toen du Herebaeld baarde? Wij hadden zooveel, dat wij toen de winter om was nog méér in de kuilen over hadden dan in andere jaren vóór den winter … En hoe was de oogst, toen Herebaeld gewijd werd? Ze hadden toen bij de Dantubaren een schralen oogst … Maar ze hoefden niet te komen rooven hoor … Wij wezen ze de kuilen en zeiden, neem maar buur, zooveel als di nemen wilt … Wij konden ’t zelf toch niet aan in de Batouw en ’t zou verschimmeld en verrot zijn.”„Dat was allemaal door Herebaeld. Zoo dikwijls als er met hem wat gebeurde, bij zijn geboorte en bij zijn wijding en toen-ie de runen ging leeren en toen-ie uitgeleerd terugkwam, altoos bracht dat kind geluk … is ’t niet Sig?” vroeg Maaike.En voor ’t vuur staande, voelde zij de oogen branden door ’t stralen van de vlammen in de opwellende tranen.„Ik weet wel, wat ik doe!” zei Sigbert zachtjes knikkend met ’t hoofd en daarna star in ’t vuur blikkend.„En wat zou du dan doen, vaêr?”„Nou magge jelui lachen om mijn grootvaêr, maar ik weet, dat-ie altijd de grootste kalveren en de kloekste peerden had … dat heb ik voor mijn oogen gezien en wat du ziet, mot du aannemen.”„Dat zeker,” meende Reri.[55]„En als ’t weer slechten oogst is, dan kunnen Wotan en Nerthus en Frija en al dijn nieuwerwetsche goden mij dàt doen … en ik ga naar den zwarten steen aan de grens en ik offer er een vaars op …”En mokkend nadenkend, bleef de oude boer verbitterd op Wotan en Nerthus, in ’t vuur staren.[56]1Abalsia, Balcia, Zuid-Zweden, Vgl.Quellen and Forschungen zur alten Geschichte und Geographie, v. Prof. W. Sieglin, Heft IIBerlijn 1904.↑2Alkmeer = Tempelmeer, naam van de Zuiderzee, vóór deze het meer Flevo werd.↑
[Inhoud]HOOFDSTUK V.Het was een droevige winter, die aan was gebroken in de Batouw. Sigbert, zijn vrouw Maaike en zijn twee zonen, Reri en Tjeerd, zaten dagen achtereen in de half duistere hut voor ’t haardvuur. De Dantubaren hadden veel graan gestolen en waren daarmede weder naar hun gouw getrokken. Aan vervolging was voorloopig niet te denken, want op den sneeuwval, die een week lang bijna onafgebroken had geduurd, waren een paar zoele dagen gevolgd. Toen was het gaan vriezen, steeds harder en de geheele Batouw was zelfs tot diep in den grond bevroren. Het sneeuwwater had zich tot een vaste ijskorst gevormd, die met veel moeite opengehakt moest worden, wilde men den bodem bereiken. Toch was een Ding geroepen om over den toestand te spreken. Ze kwamen uit de geheele Batouw de stevige, wat gebukte gestalten der vrije boeren, die leefden zonder koning, gehoorzamend aan den Raad der Ouden, die gevormd was uit de oudste aanvoerders der saksen, dat waren afdeelingen van honderd weerbare lieden die met den saks, een bijl die tevens lans was en als slag-, steek- en werptuig kon dienen, konden omgaan.Maar hoewel uit de goede tijden van weleer de Batouwers nog dikke, mooie pelzen hadden, geruild tegen veldvruchten met de jagerstammen uit de boschgebieden, toch zag men de naderende armoede aan de magere paarden, de weinige bronzen knoopen en fibels, de afwezigheid van bronzen borstspangen en armringen, die allen al waren ingeruild voor leeftocht bij de Frisen en de Kaninefaten.En de gelaten der mannen stonden stroef en droef en de vrouwen, die medegekomen waren, droegen gelapte overkleederen[47]en de teenen karbiezen, waarin zij de leeftocht droegen, waren zichtbaar licht.Zij brandden een kring van groote houtvuren rondom het Dingveld om de koude te verdrijven en dichtopeen stonden ze in dien vurigen kring. Er waren nu geen spelen en geen hardrijderijen en geen mee-tenten om den Dingplaats opgericht, zooals anders wanneer het Ding werd gehouden. Want men was mismoedig en wist dat dezen winter hongersnood te wachten stond.Sigbert trad voor den raad der ouden, zeven grijsaards, die in berevellen gehuld en toch nog kleumend, gehurkt zaten bij een groot houtvuur. Hij gaf eenvoudig en kort een verhaal van de moeielijke tocht, hoe Reri was uitverkoren als de wachter der schattenschuren en hoe Harimona een goeden oogst voorspeld had. Hoe zij na veel wederwaardigheden huiswaarts waren getogen en hoe toen Herebaeld van uitputting en koude gestorven was.Het was een wijle stil toenSigbertzijn roerend verhaal had gedaan en de stoere Batouwer, denkend aan het kind, dat hem ontvallen was, wreef met den rug van zijn groote knuist, een traan uit de oogen.De Oudste van den Raad der Ouden stond op en met een beverige stem, dankte hijSigbertvoor zijn beleidvol en opofferend gedrag. Hij stelde voor Reri en Tjeerd beiden te doen benoemen tot saksvoerders en hun recht te geven op een akker en een weiplaats op de meent.De Batouwers staken allen de saksen op en sloegen die tegen elkaar ten teeken van instemming. Maar Sigbert was treurig teruggetreden en tot Maaike, die terzij bij een vuur wachtte, zei hij:„Mi was ’t liever geweest, als onze Herebaeld nog leefde.”„Mi ook Sig!” zei Maaike, zich steunend tegen haar man.En de Batouwers zagen stil en eerbiedig de twee terugtreden.Er was besloten tot het voorjaar te wachten om de Dantubaren[48]te gaan tuchtigen. De Raad der ouden had onderzocht hoeveel graan er nog in de Batouw gebleven was. Maar dat viel tegen en ondanks de voorspelling van Harimona, die hoop op de toekomst gaf, waren de Batouwers treurig en ernstig naar hun hutten teruggekeerd.Het was een gruwelijk strenge winter. Van de koude werd niet veel geleden, want men had genoeg pelzen en hout. Maar de honger kwam nijpen, toen het graan verbruikt was. Het vee en de paarden, waarvoor men geen voeder meer had, moesten geslacht worden. Het vleesch, in de open lucht gelegd, bevroor en bleef lang goed en zuinig werd er van gebruikt. Doch het raakte ook op en elken dag kwamen er bij Sigbert buurlieden en stamverwanten om voedsel vragen. Die van verre kwamen, aan de Dantubaarsche grens woonden, vertelden van de verschrikking van den honger bij de Dantubaren, want het geroofde graan had niet lang gereikt en vee bezaten de arme Dantubaren sinds lange niet meer. Er waren daar mannen, die hun vrouwen en kinderen hadden geslacht en opgegeten. De zwarte ziekte heerschte er en men zag op de wegen de blauwe, bevroren lijken van tot geraamten uitgeteerde menschen liggen, die ziek uit de dorpen waren gedreven en van honger en kou spoedig waren gestorven. Soms kwamen de Dantubaren, in een groote troep ’s nachtsnaarde woningen van de grens-Batouwers sluipen, loerend op roof. Maar de honden sloegen aan en zoo krachteloos was ’t verhongerde volk geworden, dat twee Batouwers slechts met de knods gewapend, er op één nacht tachtig hadden neergeveld. Zij deden geen moeite om zich te weren, vielen op de knieën en lieten zich neerslaan als aren buigend voor de sikkel.Sigbert had nog geen gebrek, want Reri, de zeeman, wist een middel om visschen in de rivier te vangen, maar dat gebeurde in ’t geheim, want de visch was schraal en als anderen zijn geheim ontdekten, zouden ze allen naar[49]de rivier gaan en dan bleef er spoedig niets meer te vangen over. ’s Nachts gingen hij en Tjeerd naar den stroom en hakten een bijt. Dan staken zij een bundel stroo in de bijt en daarin dan raakten wat kleine visschen verward, die ze thuis brachten. Doch de rivier vroor steeds dichter toe, zoodat de stroowisch wel tot een manslengte in ’t gat moest gestoken worden. Maar ook was het ééns gebeurd, dat zij een grooten snoek in ’t ijs vonden vastgevroren. Dat was een vangst geweest! Moeder had hem in mooten gesneden, aan spitjes gezoden en daarna in den rook gebruind.De vier zaten den ganschen dag voor het vuur in de hut. Sigbert en Reri waren beurtelings de bosschen gaan afloopen om naar winterwild te speuren. Maar de holen waren verlaten en de bosschen waren leeg. De dieren, door hun instinct gedreven, hadden andere streken opgezocht of waren bevroren en lagen verborgen onder de ijskorst van het bevroren sneeuwwater. Vèr dorsten zij niet van huis te gaan, want de honger maakte de beste lieden tot vijand en waar die dan voorraad vonden, stalen zij het weg en sloegen de bewoners neer, wanneer die te zwak waren om zich te verdedigen. Daarom bleef altijd een van de mannen bij moeder thuis en verder dan een horenstoot afstands durfden Sigbert en Reri niet te gaan.De zeeman verhaalde in de eerste tijden van zijn reizen. Hij was vier keer naar ’t Paarden-eiland geweest. Den laatsten keer was de schipper met de zeelieden, dwars over ’t eiland getrokken, het schip medevoerend op vijf stel wielen, die ze hadden medegenomen. En toen, aan de andere zijde, hadden zij ’t schip weder te water gelaten en waren voortgestevend, twintig nachten lang om den weg naar het vreemde land te zoeken, die bekend was ver in ’t noorden, waar de Recken woonden. Maar zij hadden geen land ontdekt, de wereldzee breidde zich steeds verder uit en vreeselijke stormen waren opgestoken. Toen wilden de zeelieden terug, omdat ze vreesden in den baaierd te geraken, en van de[50]aarde af te vallen in den diepen, donkeren zwind, waar de kwade geesten huizen. De schipper had ze schatten beloofd als zij hem trouw bleven en nog drie dagen waren zij blijven stevenen. Maar toen de stormen toenamen en de wacht ’s nachts een groot zeemonster had gezien, dat zware stralen water opspoot en loeide met meer gewelddan een barditus van tien saksen, weigerden de zeelieden verder te gaan. Toen had de schipper een spaak in de hand genomen, gedreigd elkeen neer te slaan, die zich tegen hem verzette, de zeelieden opgeroepen, die mee durfden. Hij,Reri, was als Batouwer, de eenige geweest, hoewel hij ook zeer voor ’t monster en den zwind gevreesd had. Maar hij had zijn woord gegeven voor de afreis.„Hadden die anderen hun woord niet gegeven?” vroeg Tjeerd.„Dat zeker.…” zei Reri.„’t Waren zeker Kaninefaten!” zei Sigbert verachtelijk.„Zooals du zegt vaêr, Kaninefaten en Dantubaren.”„Dat’s allemaal klootjesvolk! Als ’t nu nog Frisen geweest waren.”„Neen,” zei Reri, „een Fries staat zijn man als du ’m aanvalt. Dat is bekend. En als een Fries vecht, dan staat-ie of valt-ie. En als ’t is om een skig te bouwen, laat ze dan maar loopen. D’r zijn geen betere bouwers.… onze skig was een Friesche, maar hij liep in den wind gladjes als een steen van den berg. Als wij het zeil ophadden en er kwam een skig van de Eierlanders of de Bellovaken, die mee wilden en ons vooruitloopen, dan wisten wij ’t al en hielden een ham omhoog, dat ze ’m mochten halen.… als ze ’m krijgen konden. Maar krijgen deden ze ’m nooit. Wij waren al uit zicht als ze nog peuterden met riemen om mee te komen!”„En hoe is het toen gegaan bij den zwind?”„Ik stond wel mijn man en de schipper ook, maar wat kan di tegen bang volk? En ’t bleef stormen, altijd door[51]uit denzelfden hoek, dat wij niet van de plaats konden komen. Telkens werd di teruggeslagen. Toen kregen wij gebrek aan leeftocht en aan water. Wij vingen veel visch maar âltoos visch, daar kan di niet op leven en wij moesten weer terug.”„Grendeldebliksem!” riep Sigbert, „wat een jammer!”„Hè.… als du eens naar ’t vreemde land was gekomen Reri. Hoe ziet het er uit?”„Gezien heb ik het niet hoor.… Maar de schipper wist er al veel van en als ’t niet geweest was datvaêrmij hier noodig had, ’k was weer meegegaan.… want hij is weer uitgevaren met de eigenste skig, maar met Noorsch zeevolk er op.… allemaal kerels, waar ik nog een peuter tegen was.…”„En wat zei hij van ’t vreemde land.”„Nou, daar wonen menschen zoo zwart als ievers. En er zijn boomen zoo hoog als drie beuken op elkaar, maar zoo kaal als een aal. Boven op den top zitten de blaren, die zoo lang zijn elk als een man. En er groeien noten aan zoo dik als een menschenhoofd.”„Zou ’t waar zijn?” riep Sigbert uit.„Wáár? De schipper had zelf zoo ’n noot gezien. Ze was te kijk op het groote Ding in Abalsia1waar hij geweest was omdat hij er stem had.”„Hoe is ’t mogelijk! Als menschenhoofden!”„En ’t zijn echte menschenhoofden geweest. Rondom zit het bruine haar en als dat opgelicht wordt, zijn er twee zwarte oogen en een neus op te zien. Als zoo’n boom oud wordt, groeit aan den kop een romp en aan de romp komen beenen en armen en dan valt er zoo ’n zwarte kerel naar beneden en zóó komen daar de menschen in de wereld!”„Zijn er dan geen vrouwen?” vroeg Maaike.[52]„Dat weet ik niet. Dat heb ik den schipper niet gevraagd.”„Hoe zouden die er zijn?” meende Tjeerd. „Als di toch hoort, dat de menschen van de boomen vallen.”Als Reri van zijn reizen verteld had, verhaalde de vader van vroegere tijden. Hoe zijn grootvader hem nog verteld had van de lange zwerftochten, die hij in zijn jeugd had gemaakt met den geheelen stam, het vee in groote kudden voor zich uitdrijvend, komend in landen, waar nog geen menschen gewoond hadden en afweidend de grasvelden en de meden en marschen, elken nacht op een andere plaats kampeerend. Maar in de Batouw woonden al menschen in hooge hutten, die boven op palen stonden. Het was een klein slag en zij hadden geen andere wapens dan grove stukken vuursteen. Toen nu de stam van Sigberts grootvader daar aankwam met de groote kudden en de paarden en zij zagen hoe sterk de mannen waren, trokken al die lieden ’s nachts in stilte weg en ’s morgens was er geen enkele meer te vinden. Eerst hadden de mannen van grootvaders stam gedacht, dat het een krijgslist was en zich niet in de woningen gewaagd. Maar na een week was er nog geen weergekeerd en toen waren grootvaders lieden in die hooge woningen gaan wonen. Niemand heeft ooit meer van die menschen gehoord.„Dan zijn ’t zeker kobolden geweest,” meende Reri.„Mijn grootvader zei, dat zij naar het Alkmeer2zijn getrokken en daar op vlotten de zee in zijn gevaren tot de kust. Op een nacht is daar de kust van ’t land geslagen en ze zijn toen zeker allen verdronken. De Eierlanders moeten nog vuursteenen van ze hebben en van ’t hout van de vlotten hun hutten hebben gebouwd.”„Waar kwam dijn grootvaêr van daan?” vroeg Reri.„Nu vraag di mij te veel … dat wist-ie zelf niet meer …[53]Zoolang hij heuchenis had, trokken ze maar rond, overal waar ze meden vonden.”„Het was een rare, dijn grootvaêr!” zei Maaike tot haar man. „Denk du,” ging ze tot Tjeerd sprekend voort, „dat-ie tot Wotan of tot Thor bad of ze offerde? Zij hadden een grooten steen meegebracht, daar waar ze vandaan kwamen en die was, zei-ie uit den hemel gevallen als een ster en dat was hun geloof. Ze stookten om den steen een vuur en dan gingen ze er naakt omheen dansen, mannen, vrouwen en kinderen, allemaal en als er een zwak kind was, namen ze het en wierpen het op den steen, dat ’t stikte van den rook en verzengde van de vlammen. Als ’t dan geroosterd was, vraten ze ’t op.…”„Zulke beesten!” riep Reri uit. „Daar had ik bij moeten zijn.…”„Geloof is geloof!” zei Sigbert. „En mijn grootvaêr heeft nooit mee gegeten.”„Dat heeft-ie wel!” riep Maaike geprikkeld. „En ’t was maar nauw, dat ik hier Reri uit zijn knuisten wrong, toen ie geboren was omdat-ie ’m op den steen wou brengen.”„Ze wisten nog niet beter!” verontschuldigde Sigbert.„Als du zoo eens denkt, dan leven wij toch in wat betere tijden vaêr. Wij hebben onze meent, en onze vaste hutten en wij kennen de ware goden.”„Ik weet het niet!” mompelde Sigbert. „Nu hebben wij al drie jaren slechte oogsten en wat hebben wij al niet gedaan om Wotan en Donar en Nerthus en Thius te verzoenen. Wij hebben als Batouwers allemaal bij de eerste ploegvoor brood geofferd voor Nerthus; bij ’t zaaien, zaad voor Thius of zooals jelui tegenwoordig zeggen Wotan; na den zaai hebben wij in de Batouw over de duizend banen geofferd tegen den hagel en ’t onweer. Winkelfried heeft zijn twee mooie vaarzen geofferd voor de Batouw. En wat is ’t geweest?… Hagel, donder, overstrooming, bloedkoren, alles wat di maar voor kwaads hebben kon.[54]Nou zijn we naar Harimona geweest. Goed, we zijn naar Harimona geweest en we zullen zien wat ’t geeft … du mag niet twijfelen, want als du twijfelt beginnen ze di eerst recht te pesten. Maar dat zeg ik di—als wij den winter dóórkomen en wij hebben gezaaid en ’t is weer donderen, dan weet ik allang wat wij doen …”„Dan trekken wij weg!” riep Tjeerd.„Wegtrekken? Bij den iever niet … wegtrekken doe ik niet. Beteren grond dan hier vind di nergens … in de heele wereld niet … ’t Is grond waar di niet af mot gaan … Hoe was de oogst Maaike, toen du Herebaeld baarde? Wij hadden zooveel, dat wij toen de winter om was nog méér in de kuilen over hadden dan in andere jaren vóór den winter … En hoe was de oogst, toen Herebaeld gewijd werd? Ze hadden toen bij de Dantubaren een schralen oogst … Maar ze hoefden niet te komen rooven hoor … Wij wezen ze de kuilen en zeiden, neem maar buur, zooveel als di nemen wilt … Wij konden ’t zelf toch niet aan in de Batouw en ’t zou verschimmeld en verrot zijn.”„Dat was allemaal door Herebaeld. Zoo dikwijls als er met hem wat gebeurde, bij zijn geboorte en bij zijn wijding en toen-ie de runen ging leeren en toen-ie uitgeleerd terugkwam, altoos bracht dat kind geluk … is ’t niet Sig?” vroeg Maaike.En voor ’t vuur staande, voelde zij de oogen branden door ’t stralen van de vlammen in de opwellende tranen.„Ik weet wel, wat ik doe!” zei Sigbert zachtjes knikkend met ’t hoofd en daarna star in ’t vuur blikkend.„En wat zou du dan doen, vaêr?”„Nou magge jelui lachen om mijn grootvaêr, maar ik weet, dat-ie altijd de grootste kalveren en de kloekste peerden had … dat heb ik voor mijn oogen gezien en wat du ziet, mot du aannemen.”„Dat zeker,” meende Reri.[55]„En als ’t weer slechten oogst is, dan kunnen Wotan en Nerthus en Frija en al dijn nieuwerwetsche goden mij dàt doen … en ik ga naar den zwarten steen aan de grens en ik offer er een vaars op …”En mokkend nadenkend, bleef de oude boer verbitterd op Wotan en Nerthus, in ’t vuur staren.[56]1Abalsia, Balcia, Zuid-Zweden, Vgl.Quellen and Forschungen zur alten Geschichte und Geographie, v. Prof. W. Sieglin, Heft IIBerlijn 1904.↑2Alkmeer = Tempelmeer, naam van de Zuiderzee, vóór deze het meer Flevo werd.↑
[Inhoud]HOOFDSTUK V.Het was een droevige winter, die aan was gebroken in de Batouw. Sigbert, zijn vrouw Maaike en zijn twee zonen, Reri en Tjeerd, zaten dagen achtereen in de half duistere hut voor ’t haardvuur. De Dantubaren hadden veel graan gestolen en waren daarmede weder naar hun gouw getrokken. Aan vervolging was voorloopig niet te denken, want op den sneeuwval, die een week lang bijna onafgebroken had geduurd, waren een paar zoele dagen gevolgd. Toen was het gaan vriezen, steeds harder en de geheele Batouw was zelfs tot diep in den grond bevroren. Het sneeuwwater had zich tot een vaste ijskorst gevormd, die met veel moeite opengehakt moest worden, wilde men den bodem bereiken. Toch was een Ding geroepen om over den toestand te spreken. Ze kwamen uit de geheele Batouw de stevige, wat gebukte gestalten der vrije boeren, die leefden zonder koning, gehoorzamend aan den Raad der Ouden, die gevormd was uit de oudste aanvoerders der saksen, dat waren afdeelingen van honderd weerbare lieden die met den saks, een bijl die tevens lans was en als slag-, steek- en werptuig kon dienen, konden omgaan.Maar hoewel uit de goede tijden van weleer de Batouwers nog dikke, mooie pelzen hadden, geruild tegen veldvruchten met de jagerstammen uit de boschgebieden, toch zag men de naderende armoede aan de magere paarden, de weinige bronzen knoopen en fibels, de afwezigheid van bronzen borstspangen en armringen, die allen al waren ingeruild voor leeftocht bij de Frisen en de Kaninefaten.En de gelaten der mannen stonden stroef en droef en de vrouwen, die medegekomen waren, droegen gelapte overkleederen[47]en de teenen karbiezen, waarin zij de leeftocht droegen, waren zichtbaar licht.Zij brandden een kring van groote houtvuren rondom het Dingveld om de koude te verdrijven en dichtopeen stonden ze in dien vurigen kring. Er waren nu geen spelen en geen hardrijderijen en geen mee-tenten om den Dingplaats opgericht, zooals anders wanneer het Ding werd gehouden. Want men was mismoedig en wist dat dezen winter hongersnood te wachten stond.Sigbert trad voor den raad der ouden, zeven grijsaards, die in berevellen gehuld en toch nog kleumend, gehurkt zaten bij een groot houtvuur. Hij gaf eenvoudig en kort een verhaal van de moeielijke tocht, hoe Reri was uitverkoren als de wachter der schattenschuren en hoe Harimona een goeden oogst voorspeld had. Hoe zij na veel wederwaardigheden huiswaarts waren getogen en hoe toen Herebaeld van uitputting en koude gestorven was.Het was een wijle stil toenSigbertzijn roerend verhaal had gedaan en de stoere Batouwer, denkend aan het kind, dat hem ontvallen was, wreef met den rug van zijn groote knuist, een traan uit de oogen.De Oudste van den Raad der Ouden stond op en met een beverige stem, dankte hijSigbertvoor zijn beleidvol en opofferend gedrag. Hij stelde voor Reri en Tjeerd beiden te doen benoemen tot saksvoerders en hun recht te geven op een akker en een weiplaats op de meent.De Batouwers staken allen de saksen op en sloegen die tegen elkaar ten teeken van instemming. Maar Sigbert was treurig teruggetreden en tot Maaike, die terzij bij een vuur wachtte, zei hij:„Mi was ’t liever geweest, als onze Herebaeld nog leefde.”„Mi ook Sig!” zei Maaike, zich steunend tegen haar man.En de Batouwers zagen stil en eerbiedig de twee terugtreden.Er was besloten tot het voorjaar te wachten om de Dantubaren[48]te gaan tuchtigen. De Raad der ouden had onderzocht hoeveel graan er nog in de Batouw gebleven was. Maar dat viel tegen en ondanks de voorspelling van Harimona, die hoop op de toekomst gaf, waren de Batouwers treurig en ernstig naar hun hutten teruggekeerd.Het was een gruwelijk strenge winter. Van de koude werd niet veel geleden, want men had genoeg pelzen en hout. Maar de honger kwam nijpen, toen het graan verbruikt was. Het vee en de paarden, waarvoor men geen voeder meer had, moesten geslacht worden. Het vleesch, in de open lucht gelegd, bevroor en bleef lang goed en zuinig werd er van gebruikt. Doch het raakte ook op en elken dag kwamen er bij Sigbert buurlieden en stamverwanten om voedsel vragen. Die van verre kwamen, aan de Dantubaarsche grens woonden, vertelden van de verschrikking van den honger bij de Dantubaren, want het geroofde graan had niet lang gereikt en vee bezaten de arme Dantubaren sinds lange niet meer. Er waren daar mannen, die hun vrouwen en kinderen hadden geslacht en opgegeten. De zwarte ziekte heerschte er en men zag op de wegen de blauwe, bevroren lijken van tot geraamten uitgeteerde menschen liggen, die ziek uit de dorpen waren gedreven en van honger en kou spoedig waren gestorven. Soms kwamen de Dantubaren, in een groote troep ’s nachtsnaarde woningen van de grens-Batouwers sluipen, loerend op roof. Maar de honden sloegen aan en zoo krachteloos was ’t verhongerde volk geworden, dat twee Batouwers slechts met de knods gewapend, er op één nacht tachtig hadden neergeveld. Zij deden geen moeite om zich te weren, vielen op de knieën en lieten zich neerslaan als aren buigend voor de sikkel.Sigbert had nog geen gebrek, want Reri, de zeeman, wist een middel om visschen in de rivier te vangen, maar dat gebeurde in ’t geheim, want de visch was schraal en als anderen zijn geheim ontdekten, zouden ze allen naar[49]de rivier gaan en dan bleef er spoedig niets meer te vangen over. ’s Nachts gingen hij en Tjeerd naar den stroom en hakten een bijt. Dan staken zij een bundel stroo in de bijt en daarin dan raakten wat kleine visschen verward, die ze thuis brachten. Doch de rivier vroor steeds dichter toe, zoodat de stroowisch wel tot een manslengte in ’t gat moest gestoken worden. Maar ook was het ééns gebeurd, dat zij een grooten snoek in ’t ijs vonden vastgevroren. Dat was een vangst geweest! Moeder had hem in mooten gesneden, aan spitjes gezoden en daarna in den rook gebruind.De vier zaten den ganschen dag voor het vuur in de hut. Sigbert en Reri waren beurtelings de bosschen gaan afloopen om naar winterwild te speuren. Maar de holen waren verlaten en de bosschen waren leeg. De dieren, door hun instinct gedreven, hadden andere streken opgezocht of waren bevroren en lagen verborgen onder de ijskorst van het bevroren sneeuwwater. Vèr dorsten zij niet van huis te gaan, want de honger maakte de beste lieden tot vijand en waar die dan voorraad vonden, stalen zij het weg en sloegen de bewoners neer, wanneer die te zwak waren om zich te verdedigen. Daarom bleef altijd een van de mannen bij moeder thuis en verder dan een horenstoot afstands durfden Sigbert en Reri niet te gaan.De zeeman verhaalde in de eerste tijden van zijn reizen. Hij was vier keer naar ’t Paarden-eiland geweest. Den laatsten keer was de schipper met de zeelieden, dwars over ’t eiland getrokken, het schip medevoerend op vijf stel wielen, die ze hadden medegenomen. En toen, aan de andere zijde, hadden zij ’t schip weder te water gelaten en waren voortgestevend, twintig nachten lang om den weg naar het vreemde land te zoeken, die bekend was ver in ’t noorden, waar de Recken woonden. Maar zij hadden geen land ontdekt, de wereldzee breidde zich steeds verder uit en vreeselijke stormen waren opgestoken. Toen wilden de zeelieden terug, omdat ze vreesden in den baaierd te geraken, en van de[50]aarde af te vallen in den diepen, donkeren zwind, waar de kwade geesten huizen. De schipper had ze schatten beloofd als zij hem trouw bleven en nog drie dagen waren zij blijven stevenen. Maar toen de stormen toenamen en de wacht ’s nachts een groot zeemonster had gezien, dat zware stralen water opspoot en loeide met meer gewelddan een barditus van tien saksen, weigerden de zeelieden verder te gaan. Toen had de schipper een spaak in de hand genomen, gedreigd elkeen neer te slaan, die zich tegen hem verzette, de zeelieden opgeroepen, die mee durfden. Hij,Reri, was als Batouwer, de eenige geweest, hoewel hij ook zeer voor ’t monster en den zwind gevreesd had. Maar hij had zijn woord gegeven voor de afreis.„Hadden die anderen hun woord niet gegeven?” vroeg Tjeerd.„Dat zeker.…” zei Reri.„’t Waren zeker Kaninefaten!” zei Sigbert verachtelijk.„Zooals du zegt vaêr, Kaninefaten en Dantubaren.”„Dat’s allemaal klootjesvolk! Als ’t nu nog Frisen geweest waren.”„Neen,” zei Reri, „een Fries staat zijn man als du ’m aanvalt. Dat is bekend. En als een Fries vecht, dan staat-ie of valt-ie. En als ’t is om een skig te bouwen, laat ze dan maar loopen. D’r zijn geen betere bouwers.… onze skig was een Friesche, maar hij liep in den wind gladjes als een steen van den berg. Als wij het zeil ophadden en er kwam een skig van de Eierlanders of de Bellovaken, die mee wilden en ons vooruitloopen, dan wisten wij ’t al en hielden een ham omhoog, dat ze ’m mochten halen.… als ze ’m krijgen konden. Maar krijgen deden ze ’m nooit. Wij waren al uit zicht als ze nog peuterden met riemen om mee te komen!”„En hoe is het toen gegaan bij den zwind?”„Ik stond wel mijn man en de schipper ook, maar wat kan di tegen bang volk? En ’t bleef stormen, altijd door[51]uit denzelfden hoek, dat wij niet van de plaats konden komen. Telkens werd di teruggeslagen. Toen kregen wij gebrek aan leeftocht en aan water. Wij vingen veel visch maar âltoos visch, daar kan di niet op leven en wij moesten weer terug.”„Grendeldebliksem!” riep Sigbert, „wat een jammer!”„Hè.… als du eens naar ’t vreemde land was gekomen Reri. Hoe ziet het er uit?”„Gezien heb ik het niet hoor.… Maar de schipper wist er al veel van en als ’t niet geweest was datvaêrmij hier noodig had, ’k was weer meegegaan.… want hij is weer uitgevaren met de eigenste skig, maar met Noorsch zeevolk er op.… allemaal kerels, waar ik nog een peuter tegen was.…”„En wat zei hij van ’t vreemde land.”„Nou, daar wonen menschen zoo zwart als ievers. En er zijn boomen zoo hoog als drie beuken op elkaar, maar zoo kaal als een aal. Boven op den top zitten de blaren, die zoo lang zijn elk als een man. En er groeien noten aan zoo dik als een menschenhoofd.”„Zou ’t waar zijn?” riep Sigbert uit.„Wáár? De schipper had zelf zoo ’n noot gezien. Ze was te kijk op het groote Ding in Abalsia1waar hij geweest was omdat hij er stem had.”„Hoe is ’t mogelijk! Als menschenhoofden!”„En ’t zijn echte menschenhoofden geweest. Rondom zit het bruine haar en als dat opgelicht wordt, zijn er twee zwarte oogen en een neus op te zien. Als zoo’n boom oud wordt, groeit aan den kop een romp en aan de romp komen beenen en armen en dan valt er zoo ’n zwarte kerel naar beneden en zóó komen daar de menschen in de wereld!”„Zijn er dan geen vrouwen?” vroeg Maaike.[52]„Dat weet ik niet. Dat heb ik den schipper niet gevraagd.”„Hoe zouden die er zijn?” meende Tjeerd. „Als di toch hoort, dat de menschen van de boomen vallen.”Als Reri van zijn reizen verteld had, verhaalde de vader van vroegere tijden. Hoe zijn grootvader hem nog verteld had van de lange zwerftochten, die hij in zijn jeugd had gemaakt met den geheelen stam, het vee in groote kudden voor zich uitdrijvend, komend in landen, waar nog geen menschen gewoond hadden en afweidend de grasvelden en de meden en marschen, elken nacht op een andere plaats kampeerend. Maar in de Batouw woonden al menschen in hooge hutten, die boven op palen stonden. Het was een klein slag en zij hadden geen andere wapens dan grove stukken vuursteen. Toen nu de stam van Sigberts grootvader daar aankwam met de groote kudden en de paarden en zij zagen hoe sterk de mannen waren, trokken al die lieden ’s nachts in stilte weg en ’s morgens was er geen enkele meer te vinden. Eerst hadden de mannen van grootvaders stam gedacht, dat het een krijgslist was en zich niet in de woningen gewaagd. Maar na een week was er nog geen weergekeerd en toen waren grootvaders lieden in die hooge woningen gaan wonen. Niemand heeft ooit meer van die menschen gehoord.„Dan zijn ’t zeker kobolden geweest,” meende Reri.„Mijn grootvader zei, dat zij naar het Alkmeer2zijn getrokken en daar op vlotten de zee in zijn gevaren tot de kust. Op een nacht is daar de kust van ’t land geslagen en ze zijn toen zeker allen verdronken. De Eierlanders moeten nog vuursteenen van ze hebben en van ’t hout van de vlotten hun hutten hebben gebouwd.”„Waar kwam dijn grootvaêr van daan?” vroeg Reri.„Nu vraag di mij te veel … dat wist-ie zelf niet meer …[53]Zoolang hij heuchenis had, trokken ze maar rond, overal waar ze meden vonden.”„Het was een rare, dijn grootvaêr!” zei Maaike tot haar man. „Denk du,” ging ze tot Tjeerd sprekend voort, „dat-ie tot Wotan of tot Thor bad of ze offerde? Zij hadden een grooten steen meegebracht, daar waar ze vandaan kwamen en die was, zei-ie uit den hemel gevallen als een ster en dat was hun geloof. Ze stookten om den steen een vuur en dan gingen ze er naakt omheen dansen, mannen, vrouwen en kinderen, allemaal en als er een zwak kind was, namen ze het en wierpen het op den steen, dat ’t stikte van den rook en verzengde van de vlammen. Als ’t dan geroosterd was, vraten ze ’t op.…”„Zulke beesten!” riep Reri uit. „Daar had ik bij moeten zijn.…”„Geloof is geloof!” zei Sigbert. „En mijn grootvaêr heeft nooit mee gegeten.”„Dat heeft-ie wel!” riep Maaike geprikkeld. „En ’t was maar nauw, dat ik hier Reri uit zijn knuisten wrong, toen ie geboren was omdat-ie ’m op den steen wou brengen.”„Ze wisten nog niet beter!” verontschuldigde Sigbert.„Als du zoo eens denkt, dan leven wij toch in wat betere tijden vaêr. Wij hebben onze meent, en onze vaste hutten en wij kennen de ware goden.”„Ik weet het niet!” mompelde Sigbert. „Nu hebben wij al drie jaren slechte oogsten en wat hebben wij al niet gedaan om Wotan en Donar en Nerthus en Thius te verzoenen. Wij hebben als Batouwers allemaal bij de eerste ploegvoor brood geofferd voor Nerthus; bij ’t zaaien, zaad voor Thius of zooals jelui tegenwoordig zeggen Wotan; na den zaai hebben wij in de Batouw over de duizend banen geofferd tegen den hagel en ’t onweer. Winkelfried heeft zijn twee mooie vaarzen geofferd voor de Batouw. En wat is ’t geweest?… Hagel, donder, overstrooming, bloedkoren, alles wat di maar voor kwaads hebben kon.[54]Nou zijn we naar Harimona geweest. Goed, we zijn naar Harimona geweest en we zullen zien wat ’t geeft … du mag niet twijfelen, want als du twijfelt beginnen ze di eerst recht te pesten. Maar dat zeg ik di—als wij den winter dóórkomen en wij hebben gezaaid en ’t is weer donderen, dan weet ik allang wat wij doen …”„Dan trekken wij weg!” riep Tjeerd.„Wegtrekken? Bij den iever niet … wegtrekken doe ik niet. Beteren grond dan hier vind di nergens … in de heele wereld niet … ’t Is grond waar di niet af mot gaan … Hoe was de oogst Maaike, toen du Herebaeld baarde? Wij hadden zooveel, dat wij toen de winter om was nog méér in de kuilen over hadden dan in andere jaren vóór den winter … En hoe was de oogst, toen Herebaeld gewijd werd? Ze hadden toen bij de Dantubaren een schralen oogst … Maar ze hoefden niet te komen rooven hoor … Wij wezen ze de kuilen en zeiden, neem maar buur, zooveel als di nemen wilt … Wij konden ’t zelf toch niet aan in de Batouw en ’t zou verschimmeld en verrot zijn.”„Dat was allemaal door Herebaeld. Zoo dikwijls als er met hem wat gebeurde, bij zijn geboorte en bij zijn wijding en toen-ie de runen ging leeren en toen-ie uitgeleerd terugkwam, altoos bracht dat kind geluk … is ’t niet Sig?” vroeg Maaike.En voor ’t vuur staande, voelde zij de oogen branden door ’t stralen van de vlammen in de opwellende tranen.„Ik weet wel, wat ik doe!” zei Sigbert zachtjes knikkend met ’t hoofd en daarna star in ’t vuur blikkend.„En wat zou du dan doen, vaêr?”„Nou magge jelui lachen om mijn grootvaêr, maar ik weet, dat-ie altijd de grootste kalveren en de kloekste peerden had … dat heb ik voor mijn oogen gezien en wat du ziet, mot du aannemen.”„Dat zeker,” meende Reri.[55]„En als ’t weer slechten oogst is, dan kunnen Wotan en Nerthus en Frija en al dijn nieuwerwetsche goden mij dàt doen … en ik ga naar den zwarten steen aan de grens en ik offer er een vaars op …”En mokkend nadenkend, bleef de oude boer verbitterd op Wotan en Nerthus, in ’t vuur staren.[56]1Abalsia, Balcia, Zuid-Zweden, Vgl.Quellen and Forschungen zur alten Geschichte und Geographie, v. Prof. W. Sieglin, Heft IIBerlijn 1904.↑2Alkmeer = Tempelmeer, naam van de Zuiderzee, vóór deze het meer Flevo werd.↑
HOOFDSTUK V.
Het was een droevige winter, die aan was gebroken in de Batouw. Sigbert, zijn vrouw Maaike en zijn twee zonen, Reri en Tjeerd, zaten dagen achtereen in de half duistere hut voor ’t haardvuur. De Dantubaren hadden veel graan gestolen en waren daarmede weder naar hun gouw getrokken. Aan vervolging was voorloopig niet te denken, want op den sneeuwval, die een week lang bijna onafgebroken had geduurd, waren een paar zoele dagen gevolgd. Toen was het gaan vriezen, steeds harder en de geheele Batouw was zelfs tot diep in den grond bevroren. Het sneeuwwater had zich tot een vaste ijskorst gevormd, die met veel moeite opengehakt moest worden, wilde men den bodem bereiken. Toch was een Ding geroepen om over den toestand te spreken. Ze kwamen uit de geheele Batouw de stevige, wat gebukte gestalten der vrije boeren, die leefden zonder koning, gehoorzamend aan den Raad der Ouden, die gevormd was uit de oudste aanvoerders der saksen, dat waren afdeelingen van honderd weerbare lieden die met den saks, een bijl die tevens lans was en als slag-, steek- en werptuig kon dienen, konden omgaan.Maar hoewel uit de goede tijden van weleer de Batouwers nog dikke, mooie pelzen hadden, geruild tegen veldvruchten met de jagerstammen uit de boschgebieden, toch zag men de naderende armoede aan de magere paarden, de weinige bronzen knoopen en fibels, de afwezigheid van bronzen borstspangen en armringen, die allen al waren ingeruild voor leeftocht bij de Frisen en de Kaninefaten.En de gelaten der mannen stonden stroef en droef en de vrouwen, die medegekomen waren, droegen gelapte overkleederen[47]en de teenen karbiezen, waarin zij de leeftocht droegen, waren zichtbaar licht.Zij brandden een kring van groote houtvuren rondom het Dingveld om de koude te verdrijven en dichtopeen stonden ze in dien vurigen kring. Er waren nu geen spelen en geen hardrijderijen en geen mee-tenten om den Dingplaats opgericht, zooals anders wanneer het Ding werd gehouden. Want men was mismoedig en wist dat dezen winter hongersnood te wachten stond.Sigbert trad voor den raad der ouden, zeven grijsaards, die in berevellen gehuld en toch nog kleumend, gehurkt zaten bij een groot houtvuur. Hij gaf eenvoudig en kort een verhaal van de moeielijke tocht, hoe Reri was uitverkoren als de wachter der schattenschuren en hoe Harimona een goeden oogst voorspeld had. Hoe zij na veel wederwaardigheden huiswaarts waren getogen en hoe toen Herebaeld van uitputting en koude gestorven was.Het was een wijle stil toenSigbertzijn roerend verhaal had gedaan en de stoere Batouwer, denkend aan het kind, dat hem ontvallen was, wreef met den rug van zijn groote knuist, een traan uit de oogen.De Oudste van den Raad der Ouden stond op en met een beverige stem, dankte hijSigbertvoor zijn beleidvol en opofferend gedrag. Hij stelde voor Reri en Tjeerd beiden te doen benoemen tot saksvoerders en hun recht te geven op een akker en een weiplaats op de meent.De Batouwers staken allen de saksen op en sloegen die tegen elkaar ten teeken van instemming. Maar Sigbert was treurig teruggetreden en tot Maaike, die terzij bij een vuur wachtte, zei hij:„Mi was ’t liever geweest, als onze Herebaeld nog leefde.”„Mi ook Sig!” zei Maaike, zich steunend tegen haar man.En de Batouwers zagen stil en eerbiedig de twee terugtreden.Er was besloten tot het voorjaar te wachten om de Dantubaren[48]te gaan tuchtigen. De Raad der ouden had onderzocht hoeveel graan er nog in de Batouw gebleven was. Maar dat viel tegen en ondanks de voorspelling van Harimona, die hoop op de toekomst gaf, waren de Batouwers treurig en ernstig naar hun hutten teruggekeerd.Het was een gruwelijk strenge winter. Van de koude werd niet veel geleden, want men had genoeg pelzen en hout. Maar de honger kwam nijpen, toen het graan verbruikt was. Het vee en de paarden, waarvoor men geen voeder meer had, moesten geslacht worden. Het vleesch, in de open lucht gelegd, bevroor en bleef lang goed en zuinig werd er van gebruikt. Doch het raakte ook op en elken dag kwamen er bij Sigbert buurlieden en stamverwanten om voedsel vragen. Die van verre kwamen, aan de Dantubaarsche grens woonden, vertelden van de verschrikking van den honger bij de Dantubaren, want het geroofde graan had niet lang gereikt en vee bezaten de arme Dantubaren sinds lange niet meer. Er waren daar mannen, die hun vrouwen en kinderen hadden geslacht en opgegeten. De zwarte ziekte heerschte er en men zag op de wegen de blauwe, bevroren lijken van tot geraamten uitgeteerde menschen liggen, die ziek uit de dorpen waren gedreven en van honger en kou spoedig waren gestorven. Soms kwamen de Dantubaren, in een groote troep ’s nachtsnaarde woningen van de grens-Batouwers sluipen, loerend op roof. Maar de honden sloegen aan en zoo krachteloos was ’t verhongerde volk geworden, dat twee Batouwers slechts met de knods gewapend, er op één nacht tachtig hadden neergeveld. Zij deden geen moeite om zich te weren, vielen op de knieën en lieten zich neerslaan als aren buigend voor de sikkel.Sigbert had nog geen gebrek, want Reri, de zeeman, wist een middel om visschen in de rivier te vangen, maar dat gebeurde in ’t geheim, want de visch was schraal en als anderen zijn geheim ontdekten, zouden ze allen naar[49]de rivier gaan en dan bleef er spoedig niets meer te vangen over. ’s Nachts gingen hij en Tjeerd naar den stroom en hakten een bijt. Dan staken zij een bundel stroo in de bijt en daarin dan raakten wat kleine visschen verward, die ze thuis brachten. Doch de rivier vroor steeds dichter toe, zoodat de stroowisch wel tot een manslengte in ’t gat moest gestoken worden. Maar ook was het ééns gebeurd, dat zij een grooten snoek in ’t ijs vonden vastgevroren. Dat was een vangst geweest! Moeder had hem in mooten gesneden, aan spitjes gezoden en daarna in den rook gebruind.De vier zaten den ganschen dag voor het vuur in de hut. Sigbert en Reri waren beurtelings de bosschen gaan afloopen om naar winterwild te speuren. Maar de holen waren verlaten en de bosschen waren leeg. De dieren, door hun instinct gedreven, hadden andere streken opgezocht of waren bevroren en lagen verborgen onder de ijskorst van het bevroren sneeuwwater. Vèr dorsten zij niet van huis te gaan, want de honger maakte de beste lieden tot vijand en waar die dan voorraad vonden, stalen zij het weg en sloegen de bewoners neer, wanneer die te zwak waren om zich te verdedigen. Daarom bleef altijd een van de mannen bij moeder thuis en verder dan een horenstoot afstands durfden Sigbert en Reri niet te gaan.De zeeman verhaalde in de eerste tijden van zijn reizen. Hij was vier keer naar ’t Paarden-eiland geweest. Den laatsten keer was de schipper met de zeelieden, dwars over ’t eiland getrokken, het schip medevoerend op vijf stel wielen, die ze hadden medegenomen. En toen, aan de andere zijde, hadden zij ’t schip weder te water gelaten en waren voortgestevend, twintig nachten lang om den weg naar het vreemde land te zoeken, die bekend was ver in ’t noorden, waar de Recken woonden. Maar zij hadden geen land ontdekt, de wereldzee breidde zich steeds verder uit en vreeselijke stormen waren opgestoken. Toen wilden de zeelieden terug, omdat ze vreesden in den baaierd te geraken, en van de[50]aarde af te vallen in den diepen, donkeren zwind, waar de kwade geesten huizen. De schipper had ze schatten beloofd als zij hem trouw bleven en nog drie dagen waren zij blijven stevenen. Maar toen de stormen toenamen en de wacht ’s nachts een groot zeemonster had gezien, dat zware stralen water opspoot en loeide met meer gewelddan een barditus van tien saksen, weigerden de zeelieden verder te gaan. Toen had de schipper een spaak in de hand genomen, gedreigd elkeen neer te slaan, die zich tegen hem verzette, de zeelieden opgeroepen, die mee durfden. Hij,Reri, was als Batouwer, de eenige geweest, hoewel hij ook zeer voor ’t monster en den zwind gevreesd had. Maar hij had zijn woord gegeven voor de afreis.„Hadden die anderen hun woord niet gegeven?” vroeg Tjeerd.„Dat zeker.…” zei Reri.„’t Waren zeker Kaninefaten!” zei Sigbert verachtelijk.„Zooals du zegt vaêr, Kaninefaten en Dantubaren.”„Dat’s allemaal klootjesvolk! Als ’t nu nog Frisen geweest waren.”„Neen,” zei Reri, „een Fries staat zijn man als du ’m aanvalt. Dat is bekend. En als een Fries vecht, dan staat-ie of valt-ie. En als ’t is om een skig te bouwen, laat ze dan maar loopen. D’r zijn geen betere bouwers.… onze skig was een Friesche, maar hij liep in den wind gladjes als een steen van den berg. Als wij het zeil ophadden en er kwam een skig van de Eierlanders of de Bellovaken, die mee wilden en ons vooruitloopen, dan wisten wij ’t al en hielden een ham omhoog, dat ze ’m mochten halen.… als ze ’m krijgen konden. Maar krijgen deden ze ’m nooit. Wij waren al uit zicht als ze nog peuterden met riemen om mee te komen!”„En hoe is het toen gegaan bij den zwind?”„Ik stond wel mijn man en de schipper ook, maar wat kan di tegen bang volk? En ’t bleef stormen, altijd door[51]uit denzelfden hoek, dat wij niet van de plaats konden komen. Telkens werd di teruggeslagen. Toen kregen wij gebrek aan leeftocht en aan water. Wij vingen veel visch maar âltoos visch, daar kan di niet op leven en wij moesten weer terug.”„Grendeldebliksem!” riep Sigbert, „wat een jammer!”„Hè.… als du eens naar ’t vreemde land was gekomen Reri. Hoe ziet het er uit?”„Gezien heb ik het niet hoor.… Maar de schipper wist er al veel van en als ’t niet geweest was datvaêrmij hier noodig had, ’k was weer meegegaan.… want hij is weer uitgevaren met de eigenste skig, maar met Noorsch zeevolk er op.… allemaal kerels, waar ik nog een peuter tegen was.…”„En wat zei hij van ’t vreemde land.”„Nou, daar wonen menschen zoo zwart als ievers. En er zijn boomen zoo hoog als drie beuken op elkaar, maar zoo kaal als een aal. Boven op den top zitten de blaren, die zoo lang zijn elk als een man. En er groeien noten aan zoo dik als een menschenhoofd.”„Zou ’t waar zijn?” riep Sigbert uit.„Wáár? De schipper had zelf zoo ’n noot gezien. Ze was te kijk op het groote Ding in Abalsia1waar hij geweest was omdat hij er stem had.”„Hoe is ’t mogelijk! Als menschenhoofden!”„En ’t zijn echte menschenhoofden geweest. Rondom zit het bruine haar en als dat opgelicht wordt, zijn er twee zwarte oogen en een neus op te zien. Als zoo’n boom oud wordt, groeit aan den kop een romp en aan de romp komen beenen en armen en dan valt er zoo ’n zwarte kerel naar beneden en zóó komen daar de menschen in de wereld!”„Zijn er dan geen vrouwen?” vroeg Maaike.[52]„Dat weet ik niet. Dat heb ik den schipper niet gevraagd.”„Hoe zouden die er zijn?” meende Tjeerd. „Als di toch hoort, dat de menschen van de boomen vallen.”Als Reri van zijn reizen verteld had, verhaalde de vader van vroegere tijden. Hoe zijn grootvader hem nog verteld had van de lange zwerftochten, die hij in zijn jeugd had gemaakt met den geheelen stam, het vee in groote kudden voor zich uitdrijvend, komend in landen, waar nog geen menschen gewoond hadden en afweidend de grasvelden en de meden en marschen, elken nacht op een andere plaats kampeerend. Maar in de Batouw woonden al menschen in hooge hutten, die boven op palen stonden. Het was een klein slag en zij hadden geen andere wapens dan grove stukken vuursteen. Toen nu de stam van Sigberts grootvader daar aankwam met de groote kudden en de paarden en zij zagen hoe sterk de mannen waren, trokken al die lieden ’s nachts in stilte weg en ’s morgens was er geen enkele meer te vinden. Eerst hadden de mannen van grootvaders stam gedacht, dat het een krijgslist was en zich niet in de woningen gewaagd. Maar na een week was er nog geen weergekeerd en toen waren grootvaders lieden in die hooge woningen gaan wonen. Niemand heeft ooit meer van die menschen gehoord.„Dan zijn ’t zeker kobolden geweest,” meende Reri.„Mijn grootvader zei, dat zij naar het Alkmeer2zijn getrokken en daar op vlotten de zee in zijn gevaren tot de kust. Op een nacht is daar de kust van ’t land geslagen en ze zijn toen zeker allen verdronken. De Eierlanders moeten nog vuursteenen van ze hebben en van ’t hout van de vlotten hun hutten hebben gebouwd.”„Waar kwam dijn grootvaêr van daan?” vroeg Reri.„Nu vraag di mij te veel … dat wist-ie zelf niet meer …[53]Zoolang hij heuchenis had, trokken ze maar rond, overal waar ze meden vonden.”„Het was een rare, dijn grootvaêr!” zei Maaike tot haar man. „Denk du,” ging ze tot Tjeerd sprekend voort, „dat-ie tot Wotan of tot Thor bad of ze offerde? Zij hadden een grooten steen meegebracht, daar waar ze vandaan kwamen en die was, zei-ie uit den hemel gevallen als een ster en dat was hun geloof. Ze stookten om den steen een vuur en dan gingen ze er naakt omheen dansen, mannen, vrouwen en kinderen, allemaal en als er een zwak kind was, namen ze het en wierpen het op den steen, dat ’t stikte van den rook en verzengde van de vlammen. Als ’t dan geroosterd was, vraten ze ’t op.…”„Zulke beesten!” riep Reri uit. „Daar had ik bij moeten zijn.…”„Geloof is geloof!” zei Sigbert. „En mijn grootvaêr heeft nooit mee gegeten.”„Dat heeft-ie wel!” riep Maaike geprikkeld. „En ’t was maar nauw, dat ik hier Reri uit zijn knuisten wrong, toen ie geboren was omdat-ie ’m op den steen wou brengen.”„Ze wisten nog niet beter!” verontschuldigde Sigbert.„Als du zoo eens denkt, dan leven wij toch in wat betere tijden vaêr. Wij hebben onze meent, en onze vaste hutten en wij kennen de ware goden.”„Ik weet het niet!” mompelde Sigbert. „Nu hebben wij al drie jaren slechte oogsten en wat hebben wij al niet gedaan om Wotan en Donar en Nerthus en Thius te verzoenen. Wij hebben als Batouwers allemaal bij de eerste ploegvoor brood geofferd voor Nerthus; bij ’t zaaien, zaad voor Thius of zooals jelui tegenwoordig zeggen Wotan; na den zaai hebben wij in de Batouw over de duizend banen geofferd tegen den hagel en ’t onweer. Winkelfried heeft zijn twee mooie vaarzen geofferd voor de Batouw. En wat is ’t geweest?… Hagel, donder, overstrooming, bloedkoren, alles wat di maar voor kwaads hebben kon.[54]Nou zijn we naar Harimona geweest. Goed, we zijn naar Harimona geweest en we zullen zien wat ’t geeft … du mag niet twijfelen, want als du twijfelt beginnen ze di eerst recht te pesten. Maar dat zeg ik di—als wij den winter dóórkomen en wij hebben gezaaid en ’t is weer donderen, dan weet ik allang wat wij doen …”„Dan trekken wij weg!” riep Tjeerd.„Wegtrekken? Bij den iever niet … wegtrekken doe ik niet. Beteren grond dan hier vind di nergens … in de heele wereld niet … ’t Is grond waar di niet af mot gaan … Hoe was de oogst Maaike, toen du Herebaeld baarde? Wij hadden zooveel, dat wij toen de winter om was nog méér in de kuilen over hadden dan in andere jaren vóór den winter … En hoe was de oogst, toen Herebaeld gewijd werd? Ze hadden toen bij de Dantubaren een schralen oogst … Maar ze hoefden niet te komen rooven hoor … Wij wezen ze de kuilen en zeiden, neem maar buur, zooveel als di nemen wilt … Wij konden ’t zelf toch niet aan in de Batouw en ’t zou verschimmeld en verrot zijn.”„Dat was allemaal door Herebaeld. Zoo dikwijls als er met hem wat gebeurde, bij zijn geboorte en bij zijn wijding en toen-ie de runen ging leeren en toen-ie uitgeleerd terugkwam, altoos bracht dat kind geluk … is ’t niet Sig?” vroeg Maaike.En voor ’t vuur staande, voelde zij de oogen branden door ’t stralen van de vlammen in de opwellende tranen.„Ik weet wel, wat ik doe!” zei Sigbert zachtjes knikkend met ’t hoofd en daarna star in ’t vuur blikkend.„En wat zou du dan doen, vaêr?”„Nou magge jelui lachen om mijn grootvaêr, maar ik weet, dat-ie altijd de grootste kalveren en de kloekste peerden had … dat heb ik voor mijn oogen gezien en wat du ziet, mot du aannemen.”„Dat zeker,” meende Reri.[55]„En als ’t weer slechten oogst is, dan kunnen Wotan en Nerthus en Frija en al dijn nieuwerwetsche goden mij dàt doen … en ik ga naar den zwarten steen aan de grens en ik offer er een vaars op …”En mokkend nadenkend, bleef de oude boer verbitterd op Wotan en Nerthus, in ’t vuur staren.[56]
Het was een droevige winter, die aan was gebroken in de Batouw. Sigbert, zijn vrouw Maaike en zijn twee zonen, Reri en Tjeerd, zaten dagen achtereen in de half duistere hut voor ’t haardvuur. De Dantubaren hadden veel graan gestolen en waren daarmede weder naar hun gouw getrokken. Aan vervolging was voorloopig niet te denken, want op den sneeuwval, die een week lang bijna onafgebroken had geduurd, waren een paar zoele dagen gevolgd. Toen was het gaan vriezen, steeds harder en de geheele Batouw was zelfs tot diep in den grond bevroren. Het sneeuwwater had zich tot een vaste ijskorst gevormd, die met veel moeite opengehakt moest worden, wilde men den bodem bereiken. Toch was een Ding geroepen om over den toestand te spreken. Ze kwamen uit de geheele Batouw de stevige, wat gebukte gestalten der vrije boeren, die leefden zonder koning, gehoorzamend aan den Raad der Ouden, die gevormd was uit de oudste aanvoerders der saksen, dat waren afdeelingen van honderd weerbare lieden die met den saks, een bijl die tevens lans was en als slag-, steek- en werptuig kon dienen, konden omgaan.
Maar hoewel uit de goede tijden van weleer de Batouwers nog dikke, mooie pelzen hadden, geruild tegen veldvruchten met de jagerstammen uit de boschgebieden, toch zag men de naderende armoede aan de magere paarden, de weinige bronzen knoopen en fibels, de afwezigheid van bronzen borstspangen en armringen, die allen al waren ingeruild voor leeftocht bij de Frisen en de Kaninefaten.
En de gelaten der mannen stonden stroef en droef en de vrouwen, die medegekomen waren, droegen gelapte overkleederen[47]en de teenen karbiezen, waarin zij de leeftocht droegen, waren zichtbaar licht.
Zij brandden een kring van groote houtvuren rondom het Dingveld om de koude te verdrijven en dichtopeen stonden ze in dien vurigen kring. Er waren nu geen spelen en geen hardrijderijen en geen mee-tenten om den Dingplaats opgericht, zooals anders wanneer het Ding werd gehouden. Want men was mismoedig en wist dat dezen winter hongersnood te wachten stond.
Sigbert trad voor den raad der ouden, zeven grijsaards, die in berevellen gehuld en toch nog kleumend, gehurkt zaten bij een groot houtvuur. Hij gaf eenvoudig en kort een verhaal van de moeielijke tocht, hoe Reri was uitverkoren als de wachter der schattenschuren en hoe Harimona een goeden oogst voorspeld had. Hoe zij na veel wederwaardigheden huiswaarts waren getogen en hoe toen Herebaeld van uitputting en koude gestorven was.
Het was een wijle stil toenSigbertzijn roerend verhaal had gedaan en de stoere Batouwer, denkend aan het kind, dat hem ontvallen was, wreef met den rug van zijn groote knuist, een traan uit de oogen.
De Oudste van den Raad der Ouden stond op en met een beverige stem, dankte hijSigbertvoor zijn beleidvol en opofferend gedrag. Hij stelde voor Reri en Tjeerd beiden te doen benoemen tot saksvoerders en hun recht te geven op een akker en een weiplaats op de meent.
De Batouwers staken allen de saksen op en sloegen die tegen elkaar ten teeken van instemming. Maar Sigbert was treurig teruggetreden en tot Maaike, die terzij bij een vuur wachtte, zei hij:
„Mi was ’t liever geweest, als onze Herebaeld nog leefde.”
„Mi ook Sig!” zei Maaike, zich steunend tegen haar man.
En de Batouwers zagen stil en eerbiedig de twee terugtreden.
Er was besloten tot het voorjaar te wachten om de Dantubaren[48]te gaan tuchtigen. De Raad der ouden had onderzocht hoeveel graan er nog in de Batouw gebleven was. Maar dat viel tegen en ondanks de voorspelling van Harimona, die hoop op de toekomst gaf, waren de Batouwers treurig en ernstig naar hun hutten teruggekeerd.
Het was een gruwelijk strenge winter. Van de koude werd niet veel geleden, want men had genoeg pelzen en hout. Maar de honger kwam nijpen, toen het graan verbruikt was. Het vee en de paarden, waarvoor men geen voeder meer had, moesten geslacht worden. Het vleesch, in de open lucht gelegd, bevroor en bleef lang goed en zuinig werd er van gebruikt. Doch het raakte ook op en elken dag kwamen er bij Sigbert buurlieden en stamverwanten om voedsel vragen. Die van verre kwamen, aan de Dantubaarsche grens woonden, vertelden van de verschrikking van den honger bij de Dantubaren, want het geroofde graan had niet lang gereikt en vee bezaten de arme Dantubaren sinds lange niet meer. Er waren daar mannen, die hun vrouwen en kinderen hadden geslacht en opgegeten. De zwarte ziekte heerschte er en men zag op de wegen de blauwe, bevroren lijken van tot geraamten uitgeteerde menschen liggen, die ziek uit de dorpen waren gedreven en van honger en kou spoedig waren gestorven. Soms kwamen de Dantubaren, in een groote troep ’s nachtsnaarde woningen van de grens-Batouwers sluipen, loerend op roof. Maar de honden sloegen aan en zoo krachteloos was ’t verhongerde volk geworden, dat twee Batouwers slechts met de knods gewapend, er op één nacht tachtig hadden neergeveld. Zij deden geen moeite om zich te weren, vielen op de knieën en lieten zich neerslaan als aren buigend voor de sikkel.
Sigbert had nog geen gebrek, want Reri, de zeeman, wist een middel om visschen in de rivier te vangen, maar dat gebeurde in ’t geheim, want de visch was schraal en als anderen zijn geheim ontdekten, zouden ze allen naar[49]de rivier gaan en dan bleef er spoedig niets meer te vangen over. ’s Nachts gingen hij en Tjeerd naar den stroom en hakten een bijt. Dan staken zij een bundel stroo in de bijt en daarin dan raakten wat kleine visschen verward, die ze thuis brachten. Doch de rivier vroor steeds dichter toe, zoodat de stroowisch wel tot een manslengte in ’t gat moest gestoken worden. Maar ook was het ééns gebeurd, dat zij een grooten snoek in ’t ijs vonden vastgevroren. Dat was een vangst geweest! Moeder had hem in mooten gesneden, aan spitjes gezoden en daarna in den rook gebruind.
De vier zaten den ganschen dag voor het vuur in de hut. Sigbert en Reri waren beurtelings de bosschen gaan afloopen om naar winterwild te speuren. Maar de holen waren verlaten en de bosschen waren leeg. De dieren, door hun instinct gedreven, hadden andere streken opgezocht of waren bevroren en lagen verborgen onder de ijskorst van het bevroren sneeuwwater. Vèr dorsten zij niet van huis te gaan, want de honger maakte de beste lieden tot vijand en waar die dan voorraad vonden, stalen zij het weg en sloegen de bewoners neer, wanneer die te zwak waren om zich te verdedigen. Daarom bleef altijd een van de mannen bij moeder thuis en verder dan een horenstoot afstands durfden Sigbert en Reri niet te gaan.
De zeeman verhaalde in de eerste tijden van zijn reizen. Hij was vier keer naar ’t Paarden-eiland geweest. Den laatsten keer was de schipper met de zeelieden, dwars over ’t eiland getrokken, het schip medevoerend op vijf stel wielen, die ze hadden medegenomen. En toen, aan de andere zijde, hadden zij ’t schip weder te water gelaten en waren voortgestevend, twintig nachten lang om den weg naar het vreemde land te zoeken, die bekend was ver in ’t noorden, waar de Recken woonden. Maar zij hadden geen land ontdekt, de wereldzee breidde zich steeds verder uit en vreeselijke stormen waren opgestoken. Toen wilden de zeelieden terug, omdat ze vreesden in den baaierd te geraken, en van de[50]aarde af te vallen in den diepen, donkeren zwind, waar de kwade geesten huizen. De schipper had ze schatten beloofd als zij hem trouw bleven en nog drie dagen waren zij blijven stevenen. Maar toen de stormen toenamen en de wacht ’s nachts een groot zeemonster had gezien, dat zware stralen water opspoot en loeide met meer gewelddan een barditus van tien saksen, weigerden de zeelieden verder te gaan. Toen had de schipper een spaak in de hand genomen, gedreigd elkeen neer te slaan, die zich tegen hem verzette, de zeelieden opgeroepen, die mee durfden. Hij,Reri, was als Batouwer, de eenige geweest, hoewel hij ook zeer voor ’t monster en den zwind gevreesd had. Maar hij had zijn woord gegeven voor de afreis.
„Hadden die anderen hun woord niet gegeven?” vroeg Tjeerd.
„Dat zeker.…” zei Reri.
„’t Waren zeker Kaninefaten!” zei Sigbert verachtelijk.
„Zooals du zegt vaêr, Kaninefaten en Dantubaren.”
„Dat’s allemaal klootjesvolk! Als ’t nu nog Frisen geweest waren.”
„Neen,” zei Reri, „een Fries staat zijn man als du ’m aanvalt. Dat is bekend. En als een Fries vecht, dan staat-ie of valt-ie. En als ’t is om een skig te bouwen, laat ze dan maar loopen. D’r zijn geen betere bouwers.… onze skig was een Friesche, maar hij liep in den wind gladjes als een steen van den berg. Als wij het zeil ophadden en er kwam een skig van de Eierlanders of de Bellovaken, die mee wilden en ons vooruitloopen, dan wisten wij ’t al en hielden een ham omhoog, dat ze ’m mochten halen.… als ze ’m krijgen konden. Maar krijgen deden ze ’m nooit. Wij waren al uit zicht als ze nog peuterden met riemen om mee te komen!”
„En hoe is het toen gegaan bij den zwind?”
„Ik stond wel mijn man en de schipper ook, maar wat kan di tegen bang volk? En ’t bleef stormen, altijd door[51]uit denzelfden hoek, dat wij niet van de plaats konden komen. Telkens werd di teruggeslagen. Toen kregen wij gebrek aan leeftocht en aan water. Wij vingen veel visch maar âltoos visch, daar kan di niet op leven en wij moesten weer terug.”
„Grendeldebliksem!” riep Sigbert, „wat een jammer!”
„Hè.… als du eens naar ’t vreemde land was gekomen Reri. Hoe ziet het er uit?”
„Gezien heb ik het niet hoor.… Maar de schipper wist er al veel van en als ’t niet geweest was datvaêrmij hier noodig had, ’k was weer meegegaan.… want hij is weer uitgevaren met de eigenste skig, maar met Noorsch zeevolk er op.… allemaal kerels, waar ik nog een peuter tegen was.…”
„En wat zei hij van ’t vreemde land.”
„Nou, daar wonen menschen zoo zwart als ievers. En er zijn boomen zoo hoog als drie beuken op elkaar, maar zoo kaal als een aal. Boven op den top zitten de blaren, die zoo lang zijn elk als een man. En er groeien noten aan zoo dik als een menschenhoofd.”
„Zou ’t waar zijn?” riep Sigbert uit.
„Wáár? De schipper had zelf zoo ’n noot gezien. Ze was te kijk op het groote Ding in Abalsia1waar hij geweest was omdat hij er stem had.”
„Hoe is ’t mogelijk! Als menschenhoofden!”
„En ’t zijn echte menschenhoofden geweest. Rondom zit het bruine haar en als dat opgelicht wordt, zijn er twee zwarte oogen en een neus op te zien. Als zoo’n boom oud wordt, groeit aan den kop een romp en aan de romp komen beenen en armen en dan valt er zoo ’n zwarte kerel naar beneden en zóó komen daar de menschen in de wereld!”
„Zijn er dan geen vrouwen?” vroeg Maaike.[52]
„Dat weet ik niet. Dat heb ik den schipper niet gevraagd.”
„Hoe zouden die er zijn?” meende Tjeerd. „Als di toch hoort, dat de menschen van de boomen vallen.”
Als Reri van zijn reizen verteld had, verhaalde de vader van vroegere tijden. Hoe zijn grootvader hem nog verteld had van de lange zwerftochten, die hij in zijn jeugd had gemaakt met den geheelen stam, het vee in groote kudden voor zich uitdrijvend, komend in landen, waar nog geen menschen gewoond hadden en afweidend de grasvelden en de meden en marschen, elken nacht op een andere plaats kampeerend. Maar in de Batouw woonden al menschen in hooge hutten, die boven op palen stonden. Het was een klein slag en zij hadden geen andere wapens dan grove stukken vuursteen. Toen nu de stam van Sigberts grootvader daar aankwam met de groote kudden en de paarden en zij zagen hoe sterk de mannen waren, trokken al die lieden ’s nachts in stilte weg en ’s morgens was er geen enkele meer te vinden. Eerst hadden de mannen van grootvaders stam gedacht, dat het een krijgslist was en zich niet in de woningen gewaagd. Maar na een week was er nog geen weergekeerd en toen waren grootvaders lieden in die hooge woningen gaan wonen. Niemand heeft ooit meer van die menschen gehoord.
„Dan zijn ’t zeker kobolden geweest,” meende Reri.
„Mijn grootvader zei, dat zij naar het Alkmeer2zijn getrokken en daar op vlotten de zee in zijn gevaren tot de kust. Op een nacht is daar de kust van ’t land geslagen en ze zijn toen zeker allen verdronken. De Eierlanders moeten nog vuursteenen van ze hebben en van ’t hout van de vlotten hun hutten hebben gebouwd.”
„Waar kwam dijn grootvaêr van daan?” vroeg Reri.
„Nu vraag di mij te veel … dat wist-ie zelf niet meer …[53]Zoolang hij heuchenis had, trokken ze maar rond, overal waar ze meden vonden.”
„Het was een rare, dijn grootvaêr!” zei Maaike tot haar man. „Denk du,” ging ze tot Tjeerd sprekend voort, „dat-ie tot Wotan of tot Thor bad of ze offerde? Zij hadden een grooten steen meegebracht, daar waar ze vandaan kwamen en die was, zei-ie uit den hemel gevallen als een ster en dat was hun geloof. Ze stookten om den steen een vuur en dan gingen ze er naakt omheen dansen, mannen, vrouwen en kinderen, allemaal en als er een zwak kind was, namen ze het en wierpen het op den steen, dat ’t stikte van den rook en verzengde van de vlammen. Als ’t dan geroosterd was, vraten ze ’t op.…”
„Zulke beesten!” riep Reri uit. „Daar had ik bij moeten zijn.…”
„Geloof is geloof!” zei Sigbert. „En mijn grootvaêr heeft nooit mee gegeten.”
„Dat heeft-ie wel!” riep Maaike geprikkeld. „En ’t was maar nauw, dat ik hier Reri uit zijn knuisten wrong, toen ie geboren was omdat-ie ’m op den steen wou brengen.”
„Ze wisten nog niet beter!” verontschuldigde Sigbert.
„Als du zoo eens denkt, dan leven wij toch in wat betere tijden vaêr. Wij hebben onze meent, en onze vaste hutten en wij kennen de ware goden.”
„Ik weet het niet!” mompelde Sigbert. „Nu hebben wij al drie jaren slechte oogsten en wat hebben wij al niet gedaan om Wotan en Donar en Nerthus en Thius te verzoenen. Wij hebben als Batouwers allemaal bij de eerste ploegvoor brood geofferd voor Nerthus; bij ’t zaaien, zaad voor Thius of zooals jelui tegenwoordig zeggen Wotan; na den zaai hebben wij in de Batouw over de duizend banen geofferd tegen den hagel en ’t onweer. Winkelfried heeft zijn twee mooie vaarzen geofferd voor de Batouw. En wat is ’t geweest?… Hagel, donder, overstrooming, bloedkoren, alles wat di maar voor kwaads hebben kon.[54]Nou zijn we naar Harimona geweest. Goed, we zijn naar Harimona geweest en we zullen zien wat ’t geeft … du mag niet twijfelen, want als du twijfelt beginnen ze di eerst recht te pesten. Maar dat zeg ik di—als wij den winter dóórkomen en wij hebben gezaaid en ’t is weer donderen, dan weet ik allang wat wij doen …”
„Dan trekken wij weg!” riep Tjeerd.
„Wegtrekken? Bij den iever niet … wegtrekken doe ik niet. Beteren grond dan hier vind di nergens … in de heele wereld niet … ’t Is grond waar di niet af mot gaan … Hoe was de oogst Maaike, toen du Herebaeld baarde? Wij hadden zooveel, dat wij toen de winter om was nog méér in de kuilen over hadden dan in andere jaren vóór den winter … En hoe was de oogst, toen Herebaeld gewijd werd? Ze hadden toen bij de Dantubaren een schralen oogst … Maar ze hoefden niet te komen rooven hoor … Wij wezen ze de kuilen en zeiden, neem maar buur, zooveel als di nemen wilt … Wij konden ’t zelf toch niet aan in de Batouw en ’t zou verschimmeld en verrot zijn.”
„Dat was allemaal door Herebaeld. Zoo dikwijls als er met hem wat gebeurde, bij zijn geboorte en bij zijn wijding en toen-ie de runen ging leeren en toen-ie uitgeleerd terugkwam, altoos bracht dat kind geluk … is ’t niet Sig?” vroeg Maaike.
En voor ’t vuur staande, voelde zij de oogen branden door ’t stralen van de vlammen in de opwellende tranen.
„Ik weet wel, wat ik doe!” zei Sigbert zachtjes knikkend met ’t hoofd en daarna star in ’t vuur blikkend.
„En wat zou du dan doen, vaêr?”
„Nou magge jelui lachen om mijn grootvaêr, maar ik weet, dat-ie altijd de grootste kalveren en de kloekste peerden had … dat heb ik voor mijn oogen gezien en wat du ziet, mot du aannemen.”
„Dat zeker,” meende Reri.[55]
„En als ’t weer slechten oogst is, dan kunnen Wotan en Nerthus en Frija en al dijn nieuwerwetsche goden mij dàt doen … en ik ga naar den zwarten steen aan de grens en ik offer er een vaars op …”
En mokkend nadenkend, bleef de oude boer verbitterd op Wotan en Nerthus, in ’t vuur staren.[56]
1Abalsia, Balcia, Zuid-Zweden, Vgl.Quellen and Forschungen zur alten Geschichte und Geographie, v. Prof. W. Sieglin, Heft IIBerlijn 1904.↑2Alkmeer = Tempelmeer, naam van de Zuiderzee, vóór deze het meer Flevo werd.↑
1Abalsia, Balcia, Zuid-Zweden, Vgl.Quellen and Forschungen zur alten Geschichte und Geographie, v. Prof. W. Sieglin, Heft IIBerlijn 1904.↑2Alkmeer = Tempelmeer, naam van de Zuiderzee, vóór deze het meer Flevo werd.↑
1Abalsia, Balcia, Zuid-Zweden, Vgl.Quellen and Forschungen zur alten Geschichte und Geographie, v. Prof. W. Sieglin, Heft IIBerlijn 1904.↑
1Abalsia, Balcia, Zuid-Zweden, Vgl.Quellen and Forschungen zur alten Geschichte und Geographie, v. Prof. W. Sieglin, Heft IIBerlijn 1904.↑
2Alkmeer = Tempelmeer, naam van de Zuiderzee, vóór deze het meer Flevo werd.↑
2Alkmeer = Tempelmeer, naam van de Zuiderzee, vóór deze het meer Flevo werd.↑