HOOFDSTUK IX.

[Inhoud]HOOFDSTUK IX.Maar de honger begon ook te nijpen in de Batouw. De weinige kuilen met graan, die de Dantubaren niet hadden ontdekt, waren volgeloopen met smeltend sneeuwwater en later had de ongewoon strenge vorst water en graan tot een harde ijsklomp bevroren. Er was in de heele Batouw geen mensch, die heuchenis had van zulk een strengen winter.De zwarte ziekte begon slachtoffers te maken en van alle zijden kwamen maren van hongersnood, koude en vorst.Ook in de hut van Sigbert werd honger geleden. Zij hadden den grooten waakhond al moeten slachten en aten nu sedert dagen niets dan moes van dorre bladeren. Vergeefs liepen zij het woud af om wild te zoeken. Het wild was, instinctief den kouden winter voorvoelend, naar andere streken gevlucht en de weinige hazen, vossen, wolven en evers, die nog waren achtergebleven, ten buit geworden van de honderden hongerige Batouwers, die de bosschen afstroopten.Ook bij de Frisen was de oogst slecht geweest. Maar koningTjilbardhad wel veertig groote schepen naar ’t Paarden-eiland gezonden met barnsteen, albasten schijven, koehuiden en fraai besneden zetels, broodplanken, messenheften, sierframmen beladen, om graan te gaan ruilen op ’tPaarden-eiland.Daar zou dus geen gebrek zijn! MaarTjilbard, zou niet voor niets van zijn voorraad aan de Batouwers afstaan en veel om te ruilen hadden de Batouwers niet, want de Frisen waren rijk en kunstvaardig en hadden in hun rijk alles wat de Batouwers ook hadden.[115]Doch de geschenken, die Sigbert en zijn zonen van Maresag hadden gekregen, de mooie pels van marterbont van Sigbert zelf en het prachtige bronzen kortzwaard van Reri en zijn jachthemd met de koperen schakels en zijn bronzen helm, dat waren schatten, die ook de Frisenkoning wel gaarne zon willen bezitten en inruilen tegen graan.Daarom dan zouden Reri en Tjeerd naar der Frisen koning optrekken en hem bericht brengen van prins Istovar en hun kostbaarheden in ruil voor graan aanbieden.Zij trokken in snelle dagreizen naar Jelhiem, de hoofdstad van het land der dappere Frisen. Maar aan de grens van het Friesche gebied vernamen zij van de groote hongersnood, die ook in Frisenland heerschte en al zoude men graan tegen goud willen opwegen, dan nog zou geen graan aan vreemdelingen medegegeven worden, want het volk zou in dat geval zeker oproer maken.De skigge van koningTjilbardwaren wel teruggekeerd van het Paarden-eiland en blijkens de signalen waren ze volbeladen met graan. Doch de toegang tot de Aamshaven was bevroren en het ijs was te dun om er overheen te kunnen loopen tot aan de skigge, die ingevroren lagen.Dag aan dag stonden de hongerende Frisen aan de kust uitkijkend naar de zwaar beladen skigge maar alle pogingen van die van de schepen om aan land te komen of van die van het land om de schepen te bereiken, faalden.Een breede geul van stroomend water midden in ’t ijs maakte het onmogelijk de schepen te naderen noch te voet, noch met kleine scheepjes,nochmet groote vaartuigen.Enkele dappere mannen hadden het gewaagd zoover mogelijk over het ijs te loopen, dan het ijs stuk te hakken en zoo zich tot de geul door te werken. Maar in ’t ijskoude water waren zij door kramp bevangen en weggezonken. Reri ging naar koningTjilbard, en verhaalde hem ’t wedervaren van zijn zoon prins Istovar.De koning vloekte, zeide dat hij reeds van Melle de[116]tijding had ontvangen en vroeg waarom de Bataaf oude wonden kwam openrijten.Reri verontschuldigde zich en bood nu zijn schatten aan smeekend om één enkele zak graan.„Van wien hebt gij al dat moois?” vroeg de koning wantrouwig.„Van Maresag, den hoogepriester en Harimona, de heilige maagd!”„Dus du bent wel uitverkoren geweest, maar mijn dapperen zoon niet.…”„Ik was wachter heer, bij de schattenschuren! En de heilige maagd heeft vader een rijken oogst beloofd. Ik smeek di, geef ons één zak graan en wij zullen di dankbaar zijn en als de goede tijden voor de Batouw aanbreken gedenken, wie onze vriend in den rampspoed is geweest.”„De heilige maagd Harimona heeft dijn vader een goeden oogst voorspeld.… En daarop vertrouwt di?.… Zotskoppen zijt di.… bij elkaar. Door dijn zotskopperij is ook in ’t Frisenland den roep van de heilige maagd Harimona verbreid en mijneenigezoon heb ik daardoor verloren … Als du weder heilige maagden kent, moogt du di eerst beter vergewissen, want dijne Harimona is een veile deern, een liderlicke hure, die met een Nervischen prins gevlucht is.… De trouwe Melle heeft mi de kond gedaan.…”„Dat liegt di, koning”zeide Reri verontwaardigd.„Pak di weg met dijn schatten.… KoningTjilbardverlangt geen hurenloon … Pak di weg … Hurenknecht!”Met smaad waren Reri en Tjeerd weggezonden. Zij trokken eerst naar de kust om naar de graanschepen te zien. Daar lagen ze, veertig groote Frise skigge, met breede, hooge boegen en lange masten, waarvan de dunne lederen zeilen niet waren opgerold, maar stijf bevroren, strak uithingen aan de rondhouten.Reri, tegen een paal geleund, keek lang en aandachtig naar de schepen.[117]„Zou di niet durven?” vroeg Tjeerd.„Als ’t moest zijn!” zeide Reri kort.…„Du zou al di Frisen te schande maken.…”„Wat heb ik daaraan.… Als ik nu ’t graan van hun skigge haal, is ’t niet voorTjilbard.… Kom mee jong, eerst naar vaêr toe om raad te vragen.”Hoewel zij hongerden en zich met weinig anders voedden, dan met visch, die zij in stroobosschen ’s nachts op de Frise waters vingen en rauw opaten, liepen zij met snelle schreden terug naar de Batouw.Zij vertelden Sigbert van de ontnuchterende ontvangst bij KoningTjilbard.Sigbert wreef een traan uit zijn oog.„Grien jevaêr?” vroeg Reri ontzet.„Ja jong.… ja jong.… als dat waar is.… als die Harimona een hure is geweest, dan is ’t gedaan met de Batouw.… Dan moeten wij weg.… met de saks er op uit een nieuwe ouw zoeken.… En dan begint het moorden weer.… dan moeten wij anderen menschen vellen … en vrouwen en kinderen verjagen.… ’t Is hard hoor.… ’k Heb nooit graag de saks gezwaaid … Wat is dat voor bloedgierig werk?.… Achter den ploeg wil ik loopen.… dat wil ik, van den nuchteren morgen tot in den zwarten schemer. En met dijn moêr wil ik de sikkel slaan.… dat wil ik, naar Batouwschen aard … Dat ’s trouw werk en daar valt zweet bij maar geen bloed.… Grendeldebliksem … zouwen wij Batouwers van ons land afmoeten! Zouwen wij jong? Dat mooie land, dat je overgrootvaêr heeft gebouwd, en je grootvaêr … je moeders moer en je moer.… Wat zeiTjilbard? Is zij een hure! Wee, dien hure.… als zij mij bedrogen heeft … Den kop inhakken met den saks zal ik haar.… die kol, die dop … Grendeldebliksem.… d’r witte haren zal ik rood maken!… Grendeldebliksem hier.… met mijn saks!”Hij had de saks van den wand genomen en drilde ze[118]in zijn schorschige vuist.… Ontzet zag Reri hoe dun vaders polsen waren geworden.„Vaêr,” zei Reri, „er is wel raad.…”„Wat zou hier raad jong?… Zie di niet hoe dijn arme moeder afgeteerd is?… Hoelang vreten wij nu blaremoes? In Dantuba zijn ze allen verrekt van de kou en den honger.… Hoe lang zal ’t hier nog rekken?.… Hari, de bode is hier geweest.… Weet di wat hij vertelde?.…”Sigbert kwam dicht bij zijn zoons staan en Reri diep in de oogen ziende met zijn driehoekige groene oogen onder de schuin neerhangende oogleden.…„Aan de grens hebben Batouwers van den honger elkaar opgevreten.… Van den hònger.… van den hònger, van den hònger, jong!.…”Hij hief zijn saks dreigend op tegen een denkbeeldigen vijand, maar viel toen weer moedeloos neer op een hoop brandhout, zijn oud hoofd gebogen en snikkend hikkend met de borst zonder te weenen.„Ik weet een middelvaêr.…”„Wat zou di weten?.…”„Wij moeten de Frische skigge veroveren.…”„Wat zeg di jong.… Batouwers rooven niet.…”„Batouwers vretennuelkaar op van den honger,” waagde Tjeerd bitter te zeggen.„Hou dijn mond, du melkmuil …” toornde Sigbert op.„’t Is zoo vaêr … Tjeerd zegt ’t rechte woord … wij moeten.… Als ’t nou niet is, moeten wij in ’t voorjaar er op uit.…”„De Frisen zijn onze bondgenooten.…”„Stikken kunnen ze.… die bondgenooten. Geen zak graan ruilen ze voor een marterpels, die tien akkers groenland waard is … Als wij de skigge overvallen hebben wij graan zat … en ook om te zaaien in ’t voorjaar … Waar wil di ’t zaaigraan vandaan halen,vaêr?… En anders moeten wij weg uit Batouw … Op de schobberdebonk naar een[119]nieuw ouw.… Dat zal wat geven, met de Batouwers … Ze vechten tegenwoordig overal nieuwerwetsch met ’t kortzwaard.… Daar kunnen wij niet tegen op met de saks …”„Ik zou wel willen zien, wie mi de saks uit de hand sloeg …”Hij hief zijn gepunte bijl weder op en drilde hem heen en weer, dreigend tegen eendenkbeeldigenvijand.„Du vaêr ja … du wel … maar d’er is al veel volk onder de Batouwers, die al in geen jaren van achter den ploeg zijn weggeweest … Du moet ze zien, zooals ze tegenwoordig vechten bij de Kaninefaten en de Sfafen op de wijze, die van ’t Paarden-eiland is ingevoerd. Op lage wagensvaêr, met vier vlugge peerden er voor en dan twee kaerels er in, één met met kortzwaard en schild en één die stuurt … Daar kan di met een saks niet tegenop … De peerden rijen je omver, de kerel hakt van zijn wagen op je in en als du terug hakt, is-’t-ie weg met zijn kar …”„Grendeldebliksem, twee tegen een … Dat’s smuigerswerk!”„Ze doen ’t ’em maar, vaêr. En als de kop gekloven is, lig je … Als du nou wou vaêr … als du dijn saks opriep, en dan flink aangeloopen naar de kust en dan wij, als Batouwers, met ’t schild en de saks over ’t ijs tot aan de waterrand. En dan ik met nog een paar zwemmers flink ingesmeerd met berenvet, met een taai touw om ’t lijf. Dan bij de skigge het touw vastgelegd aan één skig en dan weer met het touw terug. Als dan de heele saks aan het trekken gaat, krijgen wij een heel skig over den stroom heen en wij kunnen dan de zeelui binden en de skig leeghalen …”Sigbert had aandachtig toegeluisterd.„Dat zou één skig zijn.”„Dat’s genoeg.”„En de wraak van de Frisen?”[120]„Bent-di bang vaêr?”„’t Zijn kwaje kaerels als ze beginnen.”„Honger is ook een kwaje kaerel.”„Als du ’t wilt, welnu dan jong … daar is dijn vaders hand …”Nog dienzelfden dag waren er op de heuvels vuren ontstoken, om de lieden van de streek te waarschuwen, dat er een saks gevormd moest worden en den volgenden morgen vroeg trok Sigbert met honderd Batouwers naar de Frise kust.Zes nachten zou de voetreis der honderd duren, vóór zij aan de kust kwamen, waar de skigge lagen. Zij moesten afzonderlijk optrekken, want een gewapende saks van honderd Batouwers zou door de Frisen spoedig bemerkt en gevangen genomen zijn.Bijna allen waren verzwakt door de lange tijden van schaarschte en maar een twintigtal, die vroeger tegen de Dantubaren gestreden hadden, waren vaardig met de saks. Reri was de grootste en sterkste van allen. De meesten, blondharig, breed van schouders, gedrongen van bouw, waren iets kleiner dan Sigbert. Doch moed hadden ze allen, wetende welke buit hun wachtte en ook welke waarde die buit voor hen had. Het was niet alleen graan, waarmede zij den nijpenden honger van zichzelf, vrouw en kinderen konden stillen. Maar graan, dat was voor hen ook zaaigraan, heteenigemiddel om ’t volgende jaar aan den hongersnood te ontkomen, heteenigemiddel wellicht om hun anders zoo vruchtbare ouw, in vrede te blijven bezitten. Want niets was vreeselijker dan op verovering van een nieuw gebied uit te gaan. De volksstammen waren talrijk en geheel Germanje was in de vruchtbare streken dicht bewoond. De voorbeelden waren niet zelden, dat stammen, die hun gebied verlaten hadden, overal waren verjaagd, opgedrongen, aangevallen, bestreden tot zij eindelijk weer het oude gebied opzochten, maar[121]daar reeds een nieuwen stam vonden. Dan moesten ze om het eerst verlaten land met de wapens in de vuist twisten en zoo waren wel gansche stammen uitgemoord of tot hoorigen en slaven gemaakt.Waar zouden de Batouwers heen? Aan het bezetten van de ouwen der Frisen was niet te denken. De Frisen, hoe vreedzaam ook wanneer zij niet aangevallen werden, waren onoverwinnelijk als zij tot verdediging genoodzaakt waren. En de Frisen waren een ras van krachtige, slanke lieden, vaardig óók al op het nieuwerwetsche kortzwaard en onstuimig in den stormloop.Naar de gebieden der Bellovaken en Nerviërs zouden zij evenmin kunnen trekken, want de Nerviërs waren uitstekende ruiters en de Bellovaken streden wel tegen die van ’t Paarden-eiland, zoodat een Batouwer hier op geen overwinning mocht hopen. Naar de zijde der Sigambers en Chatten was wel een uitweg te vinden, maar die te verjagen naar de Hermoendoeren zou niet gaan, want de Hermoendoeren waren vrienden van de Cherusken en die twee stammen konden niet door de Batouwers verslagen worden als zij de Hermoendoeren nog daarbij voor zich uit hadden te drijven.Zij moesten in hun ouw blijven en de honderd wisten wel, dat het van het gelukken hunner rooftocht afhing, of zij in ’t voorjaar zaaigraan zouden hebben.Er waren in deze koude dagen weinig lieden buitenshuis en vooral niet op de groote wegen. Want de honger had die wegen gevaarlijk gemaakt voor reizigers, die niet in groote troepen trokken. En daar in den winter geen groote reizen werden gemaakt, trok de Batouwsche saks onbemerkt het Frisenland binnen. Vooraf gingen straalsgewijze uitelkaar tien verspieders, die als zij twee gewenden geloopen hadden, weder straalsgewijze tot elkaar liepen. Waren zij bijeengekomen en had de weg niets verdachts opgeleverd, dan liepen twee van hen in twee richtingen in draf terug tot[122]zij in ’t gezicht van de volgende tien man kwamen, die zij door ’t opsteken van een grooten tak waarschuwden, dat zij voort konden loopen.Die tien deden door twee hunner op dezelfde wijze de tien volgende waarschuwen en zoo voort van hoede tot hoede.Was er onraad bespeurd, dan staken de voorloopende een tak op met een dwarstak bovenaan. Onmiddellijk liepen dan de tien mannen in stralen uiteen en kwamen, al naar afspraak na meer of minder gewenden afstands, weder straalsgewijze tot elkaar.De mate van ’t dreigende gevaar konden zij zien aan de wijze waarop de dwarsstok op de rechtstandigen was gestoken, meer of minder zuiver kruisvormig. Was de dwarsstok plat op de rechtstandige gelegd in een T vorm, dan was ’t gevaar ’t grootst.Reri was bij de voorste troep der tien mannen; hij kende den weg en wist de bewoonde streken, die voorzichtig gemeden werden. Daar rivieren en meren en poelen overal hard bevroren waren, kon hij een rechte korten weg volgen en zoo stonden de eerste tien, na zeven dagen van langen ingespannen marschen ’s avonds aan het strand en zagen heel in de verte in ’t maanlicht de donkere rompen van de graanvloot.De twee konders liepen terug om de andere tienmannen te waarschuwen en het laatste eind van den weg werd in den nacht in looppas afgelegd zoodat het nog donker was toen de honderd zwijgend, met de saks in de vuist, gereed voor tegenweer tot op den dood, bij elkaar waren.Onderwijl waren Reri, Hindar, de snelzwemmer, Freihals, die met Reri samen op een Scandischen skig had gevaren, en Baldei de jongere, bezig met de voorbereiding voor den zwemtocht. Het was windstil en hoewel de maan reeds onder was, toch nog licht door de heldere sterren aan den onbewolkten nachthemel. De vier Batouwers, de beste[123]zwemmers van den heelen stam, smeerden zich dik in met berenvet van het hoofd tot de voeten zoodat hun lichamen door een dikke laag hard vet waren bedekt. Nu werden de tien einden touw, die de tien mannen hadden gedragen, aan elkaar geknoopt en de vier zwemmers, onderling door touwen aan elkaar verbonden om bij ongeval elkaar te kunnen steunen, liepen vooruit over het ijs gevolgd door de overigen mannen van de saks van Sigbert. Toen zij daar kwamen waar het ijs geen mensch meer houden kon, omdat door de sterke strooming, die daar stond, het water niet dichtvroor, hielden de sakslieden stand elk met een gedeelte van het touw in de handen, dat zij langzaam lieten uitvieren.De vier zwemmers, de saks in den gordel, sprongen zacht in ’t ijswater en begonnen schuin op de rechter zijde zich werpend met kalme, slagen op de schepen toe te zwemmen. Reri, die merkte dat Baldei, de jonge, in zijn overmoed te snel zwom en zoo telkens een ruk vooruit aan het touw deed, waarmede hij aan de drie anderen was verbonden, waarschuwde hem.„Zacht aanvangen Baldei.… anders houd di ’t niet vol …”Maar Baldei, trotsch op de jonge kracht van zijn prachtige leden en zijn stronkige spieren, wilde niet luisteren.Toen sloeg Reri even twee slagen sneller uit en gaf hem een slag met vuist op den schouder.„Grendeldebliksem, zal di hooren.… als du nogmaals aan het touw trekt verzuip ik di.…”De jonge man hief even boven ’t lijf op uit ’t water, maar verbeet de pijn en zwom nu kalmer door.Een geruimen tijd zwommen de vier zoo door ’t ijswater. Maar ’t berenvet in de koude stollend om hun lichamen, hield hen warm en eenmaal in de beweging was de bloedsomloop snel genoeg om hen voor krampen te bewaren.Eindelijk beval Reri dat zij drijven zouden zonder zich[124]te roeren. Hij had de wacht gezien op ’t eerste schip, dat zij nu al dicht genaderd hadden.„Wij moeten langs het roer op.… Anders kom je nooit op een Frise skig.…”Een ijsbergje dreef aan. Reri hield het met zijn schouder tegen.…„Hierachter aan mannen!” zei hij. Hij haalde zijn saks uit den gordel, sloeg het wapen met de scherpe punt van den bronzen bijl vast in den ijsberg en zachtjes met de voeten trappend, stuwde hij het ijsbergje met duwtjes naar het roer van het schip. Hij hief den vinger op, zijn lichaam steunend op het roer en de drie anderen, de handen klemmend om de stuurstaart, ’t hoofd half boven ’t water, wachtten.Reri maakte het touw los van zijn gordel en zijn saks in de hand nemend, hakte hij het hout rond een zwaren spijker boven zijnhoofd los, zoodat hij er zijn gordel aan kon binden.„Het ishoog tijd. ’t Weer slaat om” fluisterde hij tot zijn makkers. „Het ijs in de strooming is al gesmolten tot hier. Toen ik wegging lagen de skigge nog in ’t ijs en nu zijn ze al aan ’t water toe. Kom hier Baldei.… du bent de langste.… ga in de gordellus staan.… Dan klim ik langs dijn schouders en reik aan de verschansing … Dan hier wachten.… tot ik terug kom. Maar hoort di onraad of een plons, dan wegzwemmen.… Om mi is het dan toch gedaan en boven komt di toch niet zonder hulp.…”Baldei stond in de gordellus en zijn saks vastslaande in ’t hout, hield hij zich zoo rechtop. Reri klom langs hem op, voorzichtig en moeielijk, want beider lichamen, glad door het berenvet, gaven geen houvast. Maar Reri wreef zijn handpalmen droog tegen de ruwe kiel van de skig en vast de schouders van Baldei pakkend, heesch hij zich op diens rug, zette nu de voetzolen in de gleuven van de[125]schouderspieren, die Baldei opzette en nu zachtjes aan zich oprichtend, kon hij met de handen de rand van de borstwering van de skig grijpen, die aan de roerzijde ’t laagst gebouwd was.Nu, de saks bij den steel in den mond pakkend, heesch hij zich op het dek.De roerganger stond geleund tegen het vastgezette roer met den rug naar Reri toe. Reri deed drie schreden voorwaarts, hief zijn saks met de rechterhand op en sloeg met één slag den man schuin tegen den slaap tegelijk met de linkerarm hem opvangend en de hand tegen ’s mans mond houdend, opdat hij niet kon gillen.Toen de wacht neerviel, zonder een geluid, herkende Reri hem met ontzetting. Het was een oude kameraad, een Scandiër, die hem toen Reri nog scheepsjongen was, knoopen had leeren leggen en netten breien.Maar lang peinsde hij niet. Hij legde het lichaam van den gedoode zachtjes neer.… Op zijn vette linkerarm bleven wat roode pareltjes bloed hechten, dat was alles. Daarna sloop hij, welbekend met de inrichting der Frise skigge, naar het ruimluik. Toen hij zijn saks als koevoet gebruikend, den ijzeren sluitriggel over de kram heenzette, brak zijn saks. Hij nam den riggel met de handen vast, zette zich schrap en poogde den riggel te verbuigen. Doch zelfs zijn kracht reikte niet toe. Hij keek rond.… liep op ’t lijk van de wacht toe, haalde diens ijzeren mes uit de scheede en sneed het hout rond de kram weg. Toen gaf de riggel mede, en het luik kon opgetild worden. In ’t zwarte gat van ’t ruim zag hij niets. Maar dit behoefde niet. Hij kende de wijze waarop de skigge gestouwd werden, liet zich in ’t luik afzakken, de hand om den rand van ’t vierkante luikgat gekneld en even heen en weer zwaaiend voelde hij grond. Hij liet zich los en viel op de leeren zakken.„Jammer,” dacht hij „dat ik geen licht heb om te kiezen.”[126]Hij greep met zijn vingers tastend in de zakken. Dat was graan.… en dat was rogge.… en dat wat ronder, dat zoo stak, dat was gerst.… en dat.… dat.… hij voelde nogmaals en nogmaals.… het waren kleine ronde korreltjes, maar wàt voor graan ’t was kon hij niet goed op ’t gevoel onderscheiden. ’t Zal spelt zijn, dacht hij.En nu stapelde hij snel eenige zakken op elkaar, zoodat hij een soort trap vormend, makkelijk bij de opening van ’t luik kon komen. Met twee zakken gerst klom hij naar boven, sloop naar ’t roer.„Gauw, gauw,” zei Baldei.… „het water bevriest op mijn leden.…”„Volhouden!” riep Reri. Hij gaf hem den eersten zak, die Baldei overgaf aan de twee, die op de roerstaart zaten en wachtten. Toen de tweede.„Volhouden!” riep Reri.… „er komen er meer.”„Ik kan niet.… ik verstijf.…”Toen boog Reri zich over de verschansing, en een stuk touw latend afhangen gebood hij Baldei, dat vast te pakken.„Ik kan niet meer. Ik kan mijn leden niet meer bewegen.”„In je mond!” beval Reri.De jonge Batouwer pakte het eind van het touw vast met zijn tanden.Reri, kennend de sterkte van het gebit der jonge Batouwers, die al als knapen zich oefenen in het tillen met de tanden, trok Baldei op, die nu boven het water zweefde, stijf bevroren maar klemmend zijn tanden, sterk als het gebit van een roofdier om het touw, schuingebogen het hoofd. Toen hij hem tot aan de rand van de verschansing had, greep hij hem snel bij den gordel, die kraakte vanhet ijs. Dan haalde hij den verstijfden, jongen reus op het achterdek.Onmiddellijk begon hij hem krachtig te wrijven. Het waren niet zijn leden, die bevroren waren. Doch het vet[127]was door ’t schuren tegen het roer weggewreven en het warme lichaam, leunend tegen de dikbevroren kiel, was eerst vochtig geworden en toen was ’t water op ’t harige lichaam bevroren.Nu kwam Baldei weder bij en kon zijn leden weder bewegen. Met schrik zag Reri in de verte aan den einder de eerste paarsche schemer van het komende morgenlicht.„Kom mee,” beval hij.Weer daalde hij in ’t ruim af en gaf Baldei zakken aan, een, drie, zes, acht.… twaalf.… vijftien.… tot vijf en twintig. Toen droegen ze beiden de zakken naar de achterplecht.…„Dat krijgen we zoo nooit weg!” meende Baldei.„Neen.… wij moeten de jol kapen.… kom mee.…”Zij schreden naar ’t hooge voordek, sjorden de jol los … droegen haar dwars over het skig naar ’t achterdek en nu lieten de twee reuzen alleen de jol zachtjes met de punt vooruit langs het roer glijden. De twee beneden begrepen dadelijk waarom ’t ging, stutten het vaartuigje, zoodat het recht op ’t water kwam te liggen. Baldei liet zich weer af in de gordellus en nam de zakken een voor een aan, gaf ze aan de twee mannen beneden, die ze stouwden in de jol ….Toen de vijf en twintigleeren zakkenmet graan er in lagen, zakte het vaartuig tot den rand in ’t water.Reri liet zich langs Baldei afgleden, hielp Baldei bij ’t afzakken en nu wierpen de vier zich in ’t water, de jol voor zich uitduwend. Maar Baldei, niet meer beschut door ’t berenvet, voelde de krampen komen.De twee anderen wilden zooveel zakken graan overboord werpen, dat Baldei in de jol kon blijven zitten, zonder dat deze zonk. Maar Reri, die te goed wist wat een enkele zak graan beteekende voor de toekomst van den stam verbood dat. Steunen konden ze hem evenmin, want de drie waren ook vrij uitgeput en hadden de zware jol voort te duwen. Daarbij kwam dat het al begon te schemerlichten.[128]„Trek eens hard aan het touw,” riep Reri tot Freihals. Maar de afstand was nog te groot, dan dat de makkers op ’t ijs den ruk voelen konden.„Mannen,” zei Baldei, „ik mag di niet tot last zijn. Zorg voor mijn moeder. ’t Is een weduwvrouw.…”Hij hief zijn armen op en zonk weg in ’t koude water.Maar Reri greep hem vast, tilde hem hoog.„Volhouden!” beval hij.Doch de jonge reus was met open mond gezonken om snel weg te zullen zijn.Reri legde zich op de rug en haalde ’t hoofd van Baldei over zijn borst, hield den naar adem snakkende zoo boven.„Hindar, zwem vooruit.”„Ik ben òp!” zei Hindar.Op dit oogenblik weerklonk een signaal van de bestolen skig. Maar meteen begonnen de Batouwers op den wal, door ’t signaal gewaarschuwd dat er onraad broeide, het verbindingstouw snel intepalmen. De drie mannen klemden zich aan de jol en lieten zich meetrekken, Reri den machteloozen Baldei nu met één arm boven water houdend.De spanning van de drie mannen was zoo groot, dat zij de koude niet voelden en nu ook kwam Baldei weder bij.Op de bestolen skig was de man van de laatste wacht opgestaan om zijn kameraad te gaan aflossen. Maar niet vermoedend, dat er een luik openstond, was hij daarin gestort. Hoewel hij zich zwaar kneusde, begon hij toch te schreeuwen en riep de naam van den man, dien hij wilde aflossen. Maar ook die gaf geen antwoord. Toen kroop hij rond en voelde de zakken die Reri, als trap had gebezigd. Maar hij had beide beenen gebroken en kon zich niet tot aan den rand van het luik opheffen. Daarom schreeuwde hij, zoo hard hij kon, tot eindelijk een stuurman ontwaakt was, die op ’t dek komend uit het open luik het kreunen hoorde en bij ’t roer den dooden wacht vond en daarna bij ’t luik, de gebroken Batouwsche saks.[129]Hij liep naar de kajuit terug, nam een signaalhoorn en blies alarm.Doch dit duurde lang genoeg en voordat in de vale morgenschemering ontdekt was, waar de aanvallers waren, hadden de Batouwers de jol met de vijf-en-twintig zakken meel al weder op ’t ijs gehaald. En nu, vijf-en-twintig der mannen elk een zak graan op den rug dragend, begonnen de honderd weg te rennen, in den dreunenden, gelijkmatigen stap van krijgslieden, die een aanval doen.Zij vormden een driehoek met telkens één der mannen voorop als windbreker en de anderen, hun handen op de schouders van de voormannen leggend, vermeerderden dier kracht.Er was in al dien tijd geen woord gesproken.Zoodra de vier zwemmers uit het water waren, hadden zij slechts één woord gezegd: „Den barditus!”Dat was genoeg geweest. Sigbert, als de aanvoerder was ’t eerst voorop geloopen als spits van de wig. Maar naarmate de spits wisselde kwam hij, naar ’t oude gebruik, des te meer naar achteren, terwijl de vier zwemmers, als ’t meeste vermoeid, achteraan waren gaan loopen, opdat de voorsten den wind zouden breken. Zoo kwam het, dat na eenige gewenden, toen de achterste lieden vooraan kwamen te loopen, Sigbert met Tjeerd achteraan liep, terwijl Reri in de voorhoede was. Maar toen Baldei, die nog altijd niet geheel bekomen, in de achterhoede bleef loopen, de handen op de schouders van Tjeerd, die hem steun gaf, los liet en niet meer mede kon, floot Sigbert op zijn vingers en de saks hield stil.Zij waren, dank zij de snelle en ordelijke wijze waarop zij de vlucht hadden genomen nu zoo ver van de skigge, dat zij niet anders zouden kunnen worden ingehaald dan door paarden. Maar achterwaarts ziende bemerkten zij, dat het gevaar voor vervolging niet groot was. Want de beroofde skig lag vrij afgezonderd, ’t meest naar voren en[130]het was van de skig onmogelijk seinen naar den vasten wal te geven voor het goed licht was geworden. En dan nog … hoe zouden die van de skigge den menschen op den vasten wal op zoo’n verren afstand kunnen beduiden, dat men bestolen was en door wie. Om te verkondigen, dat zij een lading graan van ’t Paarden-eiland hadden medegebracht, was slechts noodig geweest een zak graan in de mast te hijschen en een vlag op te steken, zooveel keer als er zakken in de schepen waren. Maar die op het strand duidelijk te maken, dat Batouwers ’s nachts de skig hadden overrompeld en het ruim leeggeroofd, ging bezwaarlijker.Sigbert’s saks hield dus een oogenblik halt om te rusten en te overleggen. De mannen stonden bezweet en hijgend, leunend tegen elkaar zooals dit in den krijg gedaan wordt. De mannen, die de zakken droegen zetten ze af, omdat nu de beurt van het dragen aan een tweede vijf-en-twintigtal kwam.Sigbert opende een zak. Daar lag de dikgezwollen weite, het zeldzame, beroemde koningskoren van ’t Paarden-eiland. Sigbert woelde er met zijn hand in, liet een handvol in een stroompje weder neerglijden in den zak. De anderen drongen zich om den zak heen, zagen het prachtige koren begonnen te joelen van vreugde.„Geef mi, geef mi,” zeiden zij, de handen geopend uitstrekkend naar Sigbert, die hun handen vulde uit de zak. En zij liepen weg van den zak, de beide handen gegeuld bij elkaar, voorzichtig om niet een enkel korreltje te verliezen en toonden het verheugd den verder staanden, die naderbij drongen en met lichtende oogen keken naar dat mooie zaaigraan.Zij wreven de graantjes op de handpalm, rollend ze bewrijvend om de dikte te voelen en hoewel ze allen hongerig waren, was er niet één, die een graantje naar den mond bracht. Zij wierpen het graan weer in den zak, tot het laatste korreltje toe.[131]Het was nu geheel licht geworden. Sigbert keek nog eens in de richting van het strand. Maar de schepen waren reeds lang uit zicht en de verre velden waren eenzaam.De mannen vormden weder de saks en liepen in stevigen pas door, evenwel niet meer op een drafje, zooals zij tot nu toe gedaan hadden.Sigbert droeg nu ook een zak en het was hem niet zwaar op den rug maar alsof hij iets liefelijks droeg, dat hem vroolijk maakte en licht te voet. Zoo had hij den kleinen Herebaeld vaak gedragen in de tijden, toen hij in stilte en zonder het ooit te durven uiten, hoopte dat zijn kind met de dubbele kruin eens koning zou worden van de Batouw.Het weer was omgeslagen. Daar zij door het harde loopen allen bezweet waren, hadden zij het niet gevoeld. Maar toen ze aan het eerste bosch kwamen zagen zij, dat de stammen der boomen grijzer werden en van een enkel twijgje drupte al onder de stralen van de morgenzon een spettertje sneeuwwater. Zij zagen elkaar aan zonder wat te zeggen, te goed wetend welke gedachten dat droppeltje wekte, beangst om door ’t uitspreken van hun hoop, ’t geluk te verstoren.Zij rukten den heelen morgen zoo voort, in gezwinden pas, weinig sprekend, de saks gereed in den gordel, hun vingers in ’t voorbijgaan grissend langs den grond of een laaghangenden tak om een balletje sneeuwijs te pakken om dat ter verfrissching in den mond te steken.De vier zwemmers, nog altijd in hun met vet besmeerde lichamen, waren sterk gaan zweeten en het vet begon langs hun leden te druipen. Sigbert beval, dat vier anderen hun pelzen zouden afgorden en ze om de schouders van de zwemmers slaan.Maar Reri en Baldei waren te groot en nog twee anderen moesten hun pelzen afstaan, die, altoos onder ’t voortloopen, met de hoeken aan elkaar werden geknoopt.[132]Het bosch werd dichter en de mannen moesten daar ’t pad smaller werd, achter elkaar loopen.Op een beschutte plek achter struikgewas, wel geschikt om bij een mogelijken overval verdedigd te worden, beval Sigbert rust. Het was al later op den morgen geworden en het gevaar reizigers te ontmoeten vooral omdat de dooi was ingevallen, werd groot. De mannen gingen op stronken zitten of wierpen zich, hun berenhuid uitspreidend op den grond.De geroofde zakken werden nu allen geopend. En de mannen, zich dicht om elken zak dringend, kregen glanzen in de oogen en kreunden in de baarden van bewondering. Slanke haver, dikke, zware gerst, wichtige weite, zak na zak.Reri drong zich naar voren.„Er zijn twee zakken bij met vreemd graan,” zeide hij. „In ’t donker voelend, heb ik het niet op den tast kunnen herkennen.”De twee laatste zakken werden geopend. In de eerste zak lagen kleine, platte schijfjes van een vreemde graansoort, die geen der mannen ooit gezien had. Sigbert gaf een handvol aan den man naast zich om door te geven met de vraag of ook iemand er kennis van had. Maar in den laatsten zak waren korrels, groot als een boon, zoo geel als amber met aan de punt een wit spikkeltje.„Wat ’s dat?” vroeg Sigbert.Hij nam een korrel op en stak deze in den mond, beet haar fijn, proefde haar.„Hoe smaakt het?” vroeg er een.„Als fijne weite, maar nog zoeter.”„Zit er honing in?” vroeg een ander, die getroffen was door de goudgele kleur en den vorm van de korrels, die wel eenigszins aan de cellen in een honingraat deed denken.„Proef zelf,” zei Sigbert, hem den zak voorhoudend.Maar nu een ander dan de saksvoerder een korrel opat, wilden de anderen ook proeven. En de mannen drongen[133]zich om den zak en als kinderen begeerig, staken ze de groote, grove, rasperige boerenhanden uit en kregen een korreltje van het barnsteenkleurige graan. Zij gingen terug als met een schat, bekeken het kleinood, wreven het in de holte van den handpalm met de vinger der andere hand om en om, het keurend met de oogen zooals een kenner een edelsteen zou schatten.En dan, het naar den mond brengend, hielden ze het zaadje er lang in zonder er op te bijten, het met zachte smakjes van de tong proevend, het omwoelend in de mondholte, om langer er ’t genot van te hebben.Onderwijl waren er al eenigen, die hout hadden gekapt en een vuur aangelegd en men wachtte op het woord van Sigbert, die zou bevelen wat heden gegeten zou worden. Zij hoopten in stilte, dat zij dit keer graan zouden krijgen, maar Sigbert liet de zakken weer sluiten en beval, dat men sporen zou zoeken van wild.De mannen waren ontevreden. Eén trad voor de anderen op en vroeg, maar met veel meer deemoed, dan hij zich voorgenomen had:„Sakshoofd, wilt di ons niet wat graan geven?”„Grendeldebliksem!” stoof Sigbert woedend op, zijn hand naar zijn saks brengend, „du, smuigerd. Wilt di ons zaaigraan vervreten?”De man trad beschaamd terug. Maar een ander, die den smaak van het barnsteengraan nog naproefde, trad naar voren.„Sakshoofd … wi hebben honger … En met wild zoeken gaat de tijd weg … Dat honinggraan is toch niet om te zaaien … Laat ons dat nu opeten …”„Ja, laat ons ’t honinggraan opeten,” riepen anderen.„Hier met het honinggraan!” riepen nog weer anderen, verlekkerd door den smaak.Sigbert trok zijn saks en stelde zich voor den zak.„Wie een korrel neemt, kloof ik den kop!” riep hij.[134]„Stemmen, stemmen!” riepen de mannen terug.Sigbertkeek naar Reri.„Ja vaêr, laten wij stemmen!”„Zult di dijn vader afstaan, snotjongen?” zeiSigbert, zijn zoon een stomp voor de borst gevend.„Is dat mijn loon, vaêr?” vroeg de reus, bedroefd ter zijde gaande.„Stemmen, stemmen!” riepen de anderen met meer onstuimigheid.Maar de ouderen onder de mannen, die zelf vaders waren en met bewondering zagen naar hun aanvoerder, die zoo zijn vaderlijk recht wist te bewaren, willende toonen, dat zij ook niet bevreesd waren voor hun zonen, gingen bij Sigbert staan, toonend dat zij voor hem partij namen. De vader van Hindar was de eerste, die naastSigbertstond. Maar Hindar, op hem toetredend zei:„Vaêr, ik moet eten … Du weet wel vaêr, de laatste bete heb ik gisteravond gehad … en toen heb ik met di gedeeld …”„Laat ze eten, Sigbert!” zei nu de vader van Hindar.„De zwemmers kunnen krijgen!” gaf Sigbert toe.„Stemmen, stemmen!” riepen de anderen dreigend.„Vooruit dan … wie ’t zaaigraan wil vervreten, steek op zijn saks …”Alle saksen werden opgestoken. Sigbert boog voor de overmacht. De zak werd weer geopend en een der Batouwers, die een kleinen helm droeg, gaf ze om als maat te dienen.En nu mocht elk man een halven helm vol van het zoete barnsteengraan uit den zak putten. Zij hielden hun pels als voorschoten op en liepen met hun schat naar het vuur of zetten zich wat verder alleen weg en begonnen het zoete graan rauw op te knabbelen.Alleen Sigbert at niet.„Vaêr!” zei Reri, „du eet niet?”„Dijnvaêrvreet zijn vrijheid niet op!” zei de Bataaf norsch.[135]Toen keek Reri even terzij naar Tjeerd, die al den mond vol had. En nog even wijfelend, wierp hij zijn deel weer in den zak terug.„Gaat di mee Tjeerd … sporen zoeken?”„Eerst eten …”Maar tegelijkertijd zag hij naar zijn vader op en boog het hoofd.Hij wilde nog een handvol graan naar den mond brengen. Maar hij dorst niet en schuin het hoofd afgewend, liep hij nu ook naar Sigbert toe en wierp de handvol graan, die hij nog slechts over had, ook in den zak.„Ik had honger,vaêr!” zei hij verontschuldigend, hoewel de oude niets gezegd had, alleen met de driehoekige oogen fél hem aanstaarde.„Het was di geraden, knaap. Du hattet dijn erfdeel opgevreten … Ga mee met dijn broeder …”De twee liepen ’t kreupelhout in, zwijgend, onderworpen, beschaamd, voelend het overwicht van den vader, die hongerend zooals zij en met de volle beschikking, deeenigevan allen was geweest, die sterker zich toonde dan het verlangen, dat als een pijn knaagde in de uitgehongerde maag.„Als ’t voorjaar wordt, moet-ie koning worden!” zei Reri tot Tjeerd. „Denk er wel aan jong, onze vaêr is de grootste Batouwer.… Hij moet koning worden.”Tjeerd spuwde de restjes van ’t graan uit zijn mond en rilde met ’t hoofd als walgde hij nu van dat heerlijke koningsgraan.Zij liepen beiden, de oogen naar den grond, zoekend of ook ergens den indruk van een dier merkbaar was. Doch zelfs hun geoefende oogen konden niets onderscheiden op den hard bevroren grond van sneeuwijs. Maar dichter in ’t hooge hout, waar de boomen zoo vast opeen stonden, dat de vorst eenigszins geweerd was, merkten zij gebroken takken, waar blijkbaar een dier doorgang had gezocht. Opeens hield Tjeerd stil.[136]„Wat is dat?”In ’t sneeuwijs stak een zwartige punt uit. Tjeerd rukte het voorwerp uit de aarde.„Een sandaal!”.… zei hij.„En geen oude.… daar zijn hier menschen.”„Wat voor menschen.…”„Roovers! Anderen zijn niet in den winter hier in den dikicht.”Zij liepen voort, volgend het spoor van de weggebroken takken en vonden weldra een klein offerblok en vandaar voortgaande vonden zij den ingang van ’t hol, dat met een zwaren steen was afgesloten, maar die de twee sterke kerels al spoedig hadden terzij geschoven.Beiden traden dadelijk terug.„Daar zijn lijken in!” meende Reri.„Aan den stank te zeggen, ja!”„Wij moeten vuur maken … ’t Is te donker.”Zij keken rond, maar zagen geen kienhout. Het was een bosch van beuken en eiken.„Wij moeten een lichtgat maken. Vooruit jong!”Reri begon al met zijn saks boven in de sneeuwaarde te woelen en Tjeerd van de andere zijde wierp de uitgewoelde aarde terzij. Toen zij op een armdiepte waren, kwamen zij al aan de laag bladeren en mest, die spoedig doorgestoken was. Uit het gat steeg dezelfde doordringende stank op.„Zooals ik di zei, lijken.”Hij maakte het gat nog wat grooter en nu weer, van de holterp afglijdend, gingen zij den ingang kruipend binnen.Bij ’t daglicht, dat door ’t lichtgat boven, nu binnenviel, zagen zij de lijken van drie mannen en een vrouw in ontbinding. Het hol was volgestapeld met zadels, schilden, huiden, kortzwaarden, bronzen bekkens, urnen met bronzen sluitspelden. Maar iets om te eten vonden ze niet.[137]„Wat denkt di, Reri?” vroeg Tjeerd.„Dat zijn roovers, die zichzelf gevangen hebben. Zij hebben zich in ’t winterhol opgesloten en vuur gestookt. Toen is ’t vuur ’s nachts, toen ze den steen al voor ’t gat hadden gewenteld, gaan aansmeulen en zij zijn gestikt … Wat zei ik di … hier ligt er nog een … die is bijgekomen en is nog naar den uitgang gekropen … maar hij was te zwak. Ga naar vaêr jong en roep hem. En laat de mannen kienhouten meenemen. Ze zullen wel graankuilen hebben gehad..”Tjeerd snelde terug en onderwijl begon Reri het lichtgat grooter te maken. Hoe meer licht er binnenviel, des te meer ook werd hij van de juistheid van zijn veronderstelling overtuigd. Roovers waren het zeker geweest. Dat zou een kind zien aan de soort van schatten, die zij verzameld hadden. Maar waren zij werkelijk gestikt? Of hadden zij geen leeftocht meer gehad?Die daar lagen, half vergaan, toen weder bevroren en nu weder ontdooid, zouden het niet meer zeggen. Reri keek naar de ontbindende lichamen en rilde. Het gezicht van een krijger, op ’t slagveld gedood of van een mensch, kalm in zijn hut gestorven, maakte op hem geen indruk. Zij voeren op naar Wotan en waren voortaan gelukkiger dan op aarde. Maar deze hier, wier lichamen niet verbrand waren geworden, en wier zielen dus eeuwig zouden rondzwerven in den poel van Grendel, tot straf voor hun euveldaden, boezemden hem afschrik in.Zijn honger dreef hem om in ’t stinkende hol rond te zoeken naar leeftocht. Zijn oogen waren nu gewend aan ’t schemerduister en tastend met de handen langs de met koemest en dorre bladeren bestreken wanden, vond hij achterin weder een grooten sluitsteen. Hij wilde hem wegrukken, maar de steen was te zwaar. Nog was hij bezig gebukt in het donker den steen weg te schuiven toen hij al het gele licht van de brandende kienhouten zag, waarmede Sigbert en andereBatouwersnaderden.[138]Nu konden zij in ’t hol goed zien, welk vreeselijk einde de roovers hadden gehad. In ’t midden stond op een vuur van houtskool een groote pot, waarin een weeke massa. Melksoep, die eerst tot bederf was overgegaan en toen weder bevroren. Er lagen wel tien lijken in ’t hol, mannen en vrouwen. Een vrouw lag dicht tegen een wand bij den toegangssluitsteen, de rechterhand met de magere, zwartige vingers nog gekromd uitgestrekt naar den steen, die hun noodlottig was geworden.Reri en Tjeerd samen slaagden er in den steen van het tweede hol weg te schuiven. Dat was de welvoorziene voorraadkamer. Er lagen eenige zakken met graan, stapels gebakken, harde winterbrooden. Er hingen aan touwen stukken gedroogd vleesch en een twaalftal zijden spek. Tegen de wanden stonden groote, met was afgesloten, aarden vaten. Sigbert opende ze met zijn saks. De vaten waren gevuld met honig, mee, gestoofde bessen, ongebrande molleboontjes, meel, gesmolten vet.Nu was er geen rede om niet te eten.„Vrèt jong, vrèt!” zei Sigbert tot Tjeerd. „’t Is je gegund!”voegdehij er tot Reri bij. En deze, niet langer wachtend, trok een reep gedroogd vleesch los en begon als met geeuwhonger te eten. En ook Tjeerd en de vijf andere mannen deden zich te goed aan wat zij maar ’t eerst grepen.Sigbert, met een reep spek in de hand, liep naar buiten en met zijn machtige kaak kauwend op de reep spek, snelde hij terug naar ’t kamp, vertelde van de ontdekking en geen der mannen wist van vermoeidheid. In een vaart liepen ze naar het roovershol, dat weldra zoo vol was, dat er geen mannen meer binnen konden. Maar die binnen waren reikten door ’t lichtgat, dat Reri gemaakt had, voedsel naar buiten. Heele zijden spek, groote potten met meel en honig werden naar buiten aangegeven en de mannen, bemerkend dat er overvloed was, sneden lange[139]repen uit het spek en begonnen als dieren te knagen, knorrend van genot, malkaar aanziend met verheugde blikken.Maar daar de stank binnen te sterk was, kwamen alle mannen spoedig naar buiten. Een paar, die al half voldaan waren, begonnen onder leiding van Sigbert het lichtgat grooter te maken. Anderen kwamen helpen en spoedig lag het roovershol bloot met zijn rijkdommen, zijn voedsel en zijn vergaande lijken.Een paar mannen, dankbaar voor ’t voedsel, spraken er over, de lijken te verbranden en in een paar der ledig gegeten vaten bij te zetten.Maar anderen waren er tegen, meenden dat menschen niet mochten ingrijpen in den wil van Wotan, die de roovers zeker had gestraft voor menige euveldaad en deze laatsten kregen gelijk.Nadat allen verzadigd waren, werd de voorraadkamer van de roovers leeg gehaald en onder de honderd door Sigbert verdeeld. Onderwijl trokken de aangewezen dragers terug naar ’t kamp om de vijf-en-twintig zakken graantehalen en toen deze terug waren, zette de saks van Sigbert den tocht naar de Batouw voort.Sigbert bleef bij het hol staan om bevelen te geven en voor de lucht te zorgen. Het bevreemdde hem, dat nog niets van een vervolging gemerkt werd en hij speurde rond of hij wellicht de vlam van een seinvuur zag of luisterde nauwlettend of ergens een horen toette. Maar ’t was doodstil en alleen het hem liefelijk geluid van de smiltende druppelen die in de twijgen patsten, vernam hij.Tot het laatste stukje vleesch was weggedragen uit het hol van de roovers. Toen wilde een man, die weinig te dragen had, een bronzen ketel medenemen.Sigbert riep hem terug.„Wat doet di daar?” vroeg hij streng.„Voor mijn moei!” antwoordde de man.[140]Sigbert pakte hem bij den schouder, rukte hem de ketel uit de hand en wierp hem met een vaart in ’t hol terug, waar hij met een helderen tink neerviel tusschen ’t andere brons.„Batouwers zijn geen dieven!” sprak hij dreigend. En zijn oogen vlamden. Toen, ziendedat de mannen gereed waren, liep hij zijn troep langs en zijn saks opstekend in de lucht, zetten zij hun vlucht voort.[141]

[Inhoud]HOOFDSTUK IX.Maar de honger begon ook te nijpen in de Batouw. De weinige kuilen met graan, die de Dantubaren niet hadden ontdekt, waren volgeloopen met smeltend sneeuwwater en later had de ongewoon strenge vorst water en graan tot een harde ijsklomp bevroren. Er was in de heele Batouw geen mensch, die heuchenis had van zulk een strengen winter.De zwarte ziekte begon slachtoffers te maken en van alle zijden kwamen maren van hongersnood, koude en vorst.Ook in de hut van Sigbert werd honger geleden. Zij hadden den grooten waakhond al moeten slachten en aten nu sedert dagen niets dan moes van dorre bladeren. Vergeefs liepen zij het woud af om wild te zoeken. Het wild was, instinctief den kouden winter voorvoelend, naar andere streken gevlucht en de weinige hazen, vossen, wolven en evers, die nog waren achtergebleven, ten buit geworden van de honderden hongerige Batouwers, die de bosschen afstroopten.Ook bij de Frisen was de oogst slecht geweest. Maar koningTjilbardhad wel veertig groote schepen naar ’t Paarden-eiland gezonden met barnsteen, albasten schijven, koehuiden en fraai besneden zetels, broodplanken, messenheften, sierframmen beladen, om graan te gaan ruilen op ’tPaarden-eiland.Daar zou dus geen gebrek zijn! MaarTjilbard, zou niet voor niets van zijn voorraad aan de Batouwers afstaan en veel om te ruilen hadden de Batouwers niet, want de Frisen waren rijk en kunstvaardig en hadden in hun rijk alles wat de Batouwers ook hadden.[115]Doch de geschenken, die Sigbert en zijn zonen van Maresag hadden gekregen, de mooie pels van marterbont van Sigbert zelf en het prachtige bronzen kortzwaard van Reri en zijn jachthemd met de koperen schakels en zijn bronzen helm, dat waren schatten, die ook de Frisenkoning wel gaarne zon willen bezitten en inruilen tegen graan.Daarom dan zouden Reri en Tjeerd naar der Frisen koning optrekken en hem bericht brengen van prins Istovar en hun kostbaarheden in ruil voor graan aanbieden.Zij trokken in snelle dagreizen naar Jelhiem, de hoofdstad van het land der dappere Frisen. Maar aan de grens van het Friesche gebied vernamen zij van de groote hongersnood, die ook in Frisenland heerschte en al zoude men graan tegen goud willen opwegen, dan nog zou geen graan aan vreemdelingen medegegeven worden, want het volk zou in dat geval zeker oproer maken.De skigge van koningTjilbardwaren wel teruggekeerd van het Paarden-eiland en blijkens de signalen waren ze volbeladen met graan. Doch de toegang tot de Aamshaven was bevroren en het ijs was te dun om er overheen te kunnen loopen tot aan de skigge, die ingevroren lagen.Dag aan dag stonden de hongerende Frisen aan de kust uitkijkend naar de zwaar beladen skigge maar alle pogingen van die van de schepen om aan land te komen of van die van het land om de schepen te bereiken, faalden.Een breede geul van stroomend water midden in ’t ijs maakte het onmogelijk de schepen te naderen noch te voet, noch met kleine scheepjes,nochmet groote vaartuigen.Enkele dappere mannen hadden het gewaagd zoover mogelijk over het ijs te loopen, dan het ijs stuk te hakken en zoo zich tot de geul door te werken. Maar in ’t ijskoude water waren zij door kramp bevangen en weggezonken. Reri ging naar koningTjilbard, en verhaalde hem ’t wedervaren van zijn zoon prins Istovar.De koning vloekte, zeide dat hij reeds van Melle de[116]tijding had ontvangen en vroeg waarom de Bataaf oude wonden kwam openrijten.Reri verontschuldigde zich en bood nu zijn schatten aan smeekend om één enkele zak graan.„Van wien hebt gij al dat moois?” vroeg de koning wantrouwig.„Van Maresag, den hoogepriester en Harimona, de heilige maagd!”„Dus du bent wel uitverkoren geweest, maar mijn dapperen zoon niet.…”„Ik was wachter heer, bij de schattenschuren! En de heilige maagd heeft vader een rijken oogst beloofd. Ik smeek di, geef ons één zak graan en wij zullen di dankbaar zijn en als de goede tijden voor de Batouw aanbreken gedenken, wie onze vriend in den rampspoed is geweest.”„De heilige maagd Harimona heeft dijn vader een goeden oogst voorspeld.… En daarop vertrouwt di?.… Zotskoppen zijt di.… bij elkaar. Door dijn zotskopperij is ook in ’t Frisenland den roep van de heilige maagd Harimona verbreid en mijneenigezoon heb ik daardoor verloren … Als du weder heilige maagden kent, moogt du di eerst beter vergewissen, want dijne Harimona is een veile deern, een liderlicke hure, die met een Nervischen prins gevlucht is.… De trouwe Melle heeft mi de kond gedaan.…”„Dat liegt di, koning”zeide Reri verontwaardigd.„Pak di weg met dijn schatten.… KoningTjilbardverlangt geen hurenloon … Pak di weg … Hurenknecht!”Met smaad waren Reri en Tjeerd weggezonden. Zij trokken eerst naar de kust om naar de graanschepen te zien. Daar lagen ze, veertig groote Frise skigge, met breede, hooge boegen en lange masten, waarvan de dunne lederen zeilen niet waren opgerold, maar stijf bevroren, strak uithingen aan de rondhouten.Reri, tegen een paal geleund, keek lang en aandachtig naar de schepen.[117]„Zou di niet durven?” vroeg Tjeerd.„Als ’t moest zijn!” zeide Reri kort.…„Du zou al di Frisen te schande maken.…”„Wat heb ik daaraan.… Als ik nu ’t graan van hun skigge haal, is ’t niet voorTjilbard.… Kom mee jong, eerst naar vaêr toe om raad te vragen.”Hoewel zij hongerden en zich met weinig anders voedden, dan met visch, die zij in stroobosschen ’s nachts op de Frise waters vingen en rauw opaten, liepen zij met snelle schreden terug naar de Batouw.Zij vertelden Sigbert van de ontnuchterende ontvangst bij KoningTjilbard.Sigbert wreef een traan uit zijn oog.„Grien jevaêr?” vroeg Reri ontzet.„Ja jong.… ja jong.… als dat waar is.… als die Harimona een hure is geweest, dan is ’t gedaan met de Batouw.… Dan moeten wij weg.… met de saks er op uit een nieuwe ouw zoeken.… En dan begint het moorden weer.… dan moeten wij anderen menschen vellen … en vrouwen en kinderen verjagen.… ’t Is hard hoor.… ’k Heb nooit graag de saks gezwaaid … Wat is dat voor bloedgierig werk?.… Achter den ploeg wil ik loopen.… dat wil ik, van den nuchteren morgen tot in den zwarten schemer. En met dijn moêr wil ik de sikkel slaan.… dat wil ik, naar Batouwschen aard … Dat ’s trouw werk en daar valt zweet bij maar geen bloed.… Grendeldebliksem … zouwen wij Batouwers van ons land afmoeten! Zouwen wij jong? Dat mooie land, dat je overgrootvaêr heeft gebouwd, en je grootvaêr … je moeders moer en je moer.… Wat zeiTjilbard? Is zij een hure! Wee, dien hure.… als zij mij bedrogen heeft … Den kop inhakken met den saks zal ik haar.… die kol, die dop … Grendeldebliksem.… d’r witte haren zal ik rood maken!… Grendeldebliksem hier.… met mijn saks!”Hij had de saks van den wand genomen en drilde ze[118]in zijn schorschige vuist.… Ontzet zag Reri hoe dun vaders polsen waren geworden.„Vaêr,” zei Reri, „er is wel raad.…”„Wat zou hier raad jong?… Zie di niet hoe dijn arme moeder afgeteerd is?… Hoelang vreten wij nu blaremoes? In Dantuba zijn ze allen verrekt van de kou en den honger.… Hoe lang zal ’t hier nog rekken?.… Hari, de bode is hier geweest.… Weet di wat hij vertelde?.…”Sigbert kwam dicht bij zijn zoons staan en Reri diep in de oogen ziende met zijn driehoekige groene oogen onder de schuin neerhangende oogleden.…„Aan de grens hebben Batouwers van den honger elkaar opgevreten.… Van den hònger.… van den hònger, van den hònger, jong!.…”Hij hief zijn saks dreigend op tegen een denkbeeldigen vijand, maar viel toen weer moedeloos neer op een hoop brandhout, zijn oud hoofd gebogen en snikkend hikkend met de borst zonder te weenen.„Ik weet een middelvaêr.…”„Wat zou di weten?.…”„Wij moeten de Frische skigge veroveren.…”„Wat zeg di jong.… Batouwers rooven niet.…”„Batouwers vretennuelkaar op van den honger,” waagde Tjeerd bitter te zeggen.„Hou dijn mond, du melkmuil …” toornde Sigbert op.„’t Is zoo vaêr … Tjeerd zegt ’t rechte woord … wij moeten.… Als ’t nou niet is, moeten wij in ’t voorjaar er op uit.…”„De Frisen zijn onze bondgenooten.…”„Stikken kunnen ze.… die bondgenooten. Geen zak graan ruilen ze voor een marterpels, die tien akkers groenland waard is … Als wij de skigge overvallen hebben wij graan zat … en ook om te zaaien in ’t voorjaar … Waar wil di ’t zaaigraan vandaan halen,vaêr?… En anders moeten wij weg uit Batouw … Op de schobberdebonk naar een[119]nieuw ouw.… Dat zal wat geven, met de Batouwers … Ze vechten tegenwoordig overal nieuwerwetsch met ’t kortzwaard.… Daar kunnen wij niet tegen op met de saks …”„Ik zou wel willen zien, wie mi de saks uit de hand sloeg …”Hij hief zijn gepunte bijl weder op en drilde hem heen en weer, dreigend tegen eendenkbeeldigenvijand.„Du vaêr ja … du wel … maar d’er is al veel volk onder de Batouwers, die al in geen jaren van achter den ploeg zijn weggeweest … Du moet ze zien, zooals ze tegenwoordig vechten bij de Kaninefaten en de Sfafen op de wijze, die van ’t Paarden-eiland is ingevoerd. Op lage wagensvaêr, met vier vlugge peerden er voor en dan twee kaerels er in, één met met kortzwaard en schild en één die stuurt … Daar kan di met een saks niet tegenop … De peerden rijen je omver, de kerel hakt van zijn wagen op je in en als du terug hakt, is-’t-ie weg met zijn kar …”„Grendeldebliksem, twee tegen een … Dat’s smuigerswerk!”„Ze doen ’t ’em maar, vaêr. En als de kop gekloven is, lig je … Als du nou wou vaêr … als du dijn saks opriep, en dan flink aangeloopen naar de kust en dan wij, als Batouwers, met ’t schild en de saks over ’t ijs tot aan de waterrand. En dan ik met nog een paar zwemmers flink ingesmeerd met berenvet, met een taai touw om ’t lijf. Dan bij de skigge het touw vastgelegd aan één skig en dan weer met het touw terug. Als dan de heele saks aan het trekken gaat, krijgen wij een heel skig over den stroom heen en wij kunnen dan de zeelui binden en de skig leeghalen …”Sigbert had aandachtig toegeluisterd.„Dat zou één skig zijn.”„Dat’s genoeg.”„En de wraak van de Frisen?”[120]„Bent-di bang vaêr?”„’t Zijn kwaje kaerels als ze beginnen.”„Honger is ook een kwaje kaerel.”„Als du ’t wilt, welnu dan jong … daar is dijn vaders hand …”Nog dienzelfden dag waren er op de heuvels vuren ontstoken, om de lieden van de streek te waarschuwen, dat er een saks gevormd moest worden en den volgenden morgen vroeg trok Sigbert met honderd Batouwers naar de Frise kust.Zes nachten zou de voetreis der honderd duren, vóór zij aan de kust kwamen, waar de skigge lagen. Zij moesten afzonderlijk optrekken, want een gewapende saks van honderd Batouwers zou door de Frisen spoedig bemerkt en gevangen genomen zijn.Bijna allen waren verzwakt door de lange tijden van schaarschte en maar een twintigtal, die vroeger tegen de Dantubaren gestreden hadden, waren vaardig met de saks. Reri was de grootste en sterkste van allen. De meesten, blondharig, breed van schouders, gedrongen van bouw, waren iets kleiner dan Sigbert. Doch moed hadden ze allen, wetende welke buit hun wachtte en ook welke waarde die buit voor hen had. Het was niet alleen graan, waarmede zij den nijpenden honger van zichzelf, vrouw en kinderen konden stillen. Maar graan, dat was voor hen ook zaaigraan, heteenigemiddel om ’t volgende jaar aan den hongersnood te ontkomen, heteenigemiddel wellicht om hun anders zoo vruchtbare ouw, in vrede te blijven bezitten. Want niets was vreeselijker dan op verovering van een nieuw gebied uit te gaan. De volksstammen waren talrijk en geheel Germanje was in de vruchtbare streken dicht bewoond. De voorbeelden waren niet zelden, dat stammen, die hun gebied verlaten hadden, overal waren verjaagd, opgedrongen, aangevallen, bestreden tot zij eindelijk weer het oude gebied opzochten, maar[121]daar reeds een nieuwen stam vonden. Dan moesten ze om het eerst verlaten land met de wapens in de vuist twisten en zoo waren wel gansche stammen uitgemoord of tot hoorigen en slaven gemaakt.Waar zouden de Batouwers heen? Aan het bezetten van de ouwen der Frisen was niet te denken. De Frisen, hoe vreedzaam ook wanneer zij niet aangevallen werden, waren onoverwinnelijk als zij tot verdediging genoodzaakt waren. En de Frisen waren een ras van krachtige, slanke lieden, vaardig óók al op het nieuwerwetsche kortzwaard en onstuimig in den stormloop.Naar de gebieden der Bellovaken en Nerviërs zouden zij evenmin kunnen trekken, want de Nerviërs waren uitstekende ruiters en de Bellovaken streden wel tegen die van ’t Paarden-eiland, zoodat een Batouwer hier op geen overwinning mocht hopen. Naar de zijde der Sigambers en Chatten was wel een uitweg te vinden, maar die te verjagen naar de Hermoendoeren zou niet gaan, want de Hermoendoeren waren vrienden van de Cherusken en die twee stammen konden niet door de Batouwers verslagen worden als zij de Hermoendoeren nog daarbij voor zich uit hadden te drijven.Zij moesten in hun ouw blijven en de honderd wisten wel, dat het van het gelukken hunner rooftocht afhing, of zij in ’t voorjaar zaaigraan zouden hebben.Er waren in deze koude dagen weinig lieden buitenshuis en vooral niet op de groote wegen. Want de honger had die wegen gevaarlijk gemaakt voor reizigers, die niet in groote troepen trokken. En daar in den winter geen groote reizen werden gemaakt, trok de Batouwsche saks onbemerkt het Frisenland binnen. Vooraf gingen straalsgewijze uitelkaar tien verspieders, die als zij twee gewenden geloopen hadden, weder straalsgewijze tot elkaar liepen. Waren zij bijeengekomen en had de weg niets verdachts opgeleverd, dan liepen twee van hen in twee richtingen in draf terug tot[122]zij in ’t gezicht van de volgende tien man kwamen, die zij door ’t opsteken van een grooten tak waarschuwden, dat zij voort konden loopen.Die tien deden door twee hunner op dezelfde wijze de tien volgende waarschuwen en zoo voort van hoede tot hoede.Was er onraad bespeurd, dan staken de voorloopende een tak op met een dwarstak bovenaan. Onmiddellijk liepen dan de tien mannen in stralen uiteen en kwamen, al naar afspraak na meer of minder gewenden afstands, weder straalsgewijze tot elkaar.De mate van ’t dreigende gevaar konden zij zien aan de wijze waarop de dwarsstok op de rechtstandigen was gestoken, meer of minder zuiver kruisvormig. Was de dwarsstok plat op de rechtstandige gelegd in een T vorm, dan was ’t gevaar ’t grootst.Reri was bij de voorste troep der tien mannen; hij kende den weg en wist de bewoonde streken, die voorzichtig gemeden werden. Daar rivieren en meren en poelen overal hard bevroren waren, kon hij een rechte korten weg volgen en zoo stonden de eerste tien, na zeven dagen van langen ingespannen marschen ’s avonds aan het strand en zagen heel in de verte in ’t maanlicht de donkere rompen van de graanvloot.De twee konders liepen terug om de andere tienmannen te waarschuwen en het laatste eind van den weg werd in den nacht in looppas afgelegd zoodat het nog donker was toen de honderd zwijgend, met de saks in de vuist, gereed voor tegenweer tot op den dood, bij elkaar waren.Onderwijl waren Reri, Hindar, de snelzwemmer, Freihals, die met Reri samen op een Scandischen skig had gevaren, en Baldei de jongere, bezig met de voorbereiding voor den zwemtocht. Het was windstil en hoewel de maan reeds onder was, toch nog licht door de heldere sterren aan den onbewolkten nachthemel. De vier Batouwers, de beste[123]zwemmers van den heelen stam, smeerden zich dik in met berenvet van het hoofd tot de voeten zoodat hun lichamen door een dikke laag hard vet waren bedekt. Nu werden de tien einden touw, die de tien mannen hadden gedragen, aan elkaar geknoopt en de vier zwemmers, onderling door touwen aan elkaar verbonden om bij ongeval elkaar te kunnen steunen, liepen vooruit over het ijs gevolgd door de overigen mannen van de saks van Sigbert. Toen zij daar kwamen waar het ijs geen mensch meer houden kon, omdat door de sterke strooming, die daar stond, het water niet dichtvroor, hielden de sakslieden stand elk met een gedeelte van het touw in de handen, dat zij langzaam lieten uitvieren.De vier zwemmers, de saks in den gordel, sprongen zacht in ’t ijswater en begonnen schuin op de rechter zijde zich werpend met kalme, slagen op de schepen toe te zwemmen. Reri, die merkte dat Baldei, de jonge, in zijn overmoed te snel zwom en zoo telkens een ruk vooruit aan het touw deed, waarmede hij aan de drie anderen was verbonden, waarschuwde hem.„Zacht aanvangen Baldei.… anders houd di ’t niet vol …”Maar Baldei, trotsch op de jonge kracht van zijn prachtige leden en zijn stronkige spieren, wilde niet luisteren.Toen sloeg Reri even twee slagen sneller uit en gaf hem een slag met vuist op den schouder.„Grendeldebliksem, zal di hooren.… als du nogmaals aan het touw trekt verzuip ik di.…”De jonge man hief even boven ’t lijf op uit ’t water, maar verbeet de pijn en zwom nu kalmer door.Een geruimen tijd zwommen de vier zoo door ’t ijswater. Maar ’t berenvet in de koude stollend om hun lichamen, hield hen warm en eenmaal in de beweging was de bloedsomloop snel genoeg om hen voor krampen te bewaren.Eindelijk beval Reri dat zij drijven zouden zonder zich[124]te roeren. Hij had de wacht gezien op ’t eerste schip, dat zij nu al dicht genaderd hadden.„Wij moeten langs het roer op.… Anders kom je nooit op een Frise skig.…”Een ijsbergje dreef aan. Reri hield het met zijn schouder tegen.…„Hierachter aan mannen!” zei hij. Hij haalde zijn saks uit den gordel, sloeg het wapen met de scherpe punt van den bronzen bijl vast in den ijsberg en zachtjes met de voeten trappend, stuwde hij het ijsbergje met duwtjes naar het roer van het schip. Hij hief den vinger op, zijn lichaam steunend op het roer en de drie anderen, de handen klemmend om de stuurstaart, ’t hoofd half boven ’t water, wachtten.Reri maakte het touw los van zijn gordel en zijn saks in de hand nemend, hakte hij het hout rond een zwaren spijker boven zijnhoofd los, zoodat hij er zijn gordel aan kon binden.„Het ishoog tijd. ’t Weer slaat om” fluisterde hij tot zijn makkers. „Het ijs in de strooming is al gesmolten tot hier. Toen ik wegging lagen de skigge nog in ’t ijs en nu zijn ze al aan ’t water toe. Kom hier Baldei.… du bent de langste.… ga in de gordellus staan.… Dan klim ik langs dijn schouders en reik aan de verschansing … Dan hier wachten.… tot ik terug kom. Maar hoort di onraad of een plons, dan wegzwemmen.… Om mi is het dan toch gedaan en boven komt di toch niet zonder hulp.…”Baldei stond in de gordellus en zijn saks vastslaande in ’t hout, hield hij zich zoo rechtop. Reri klom langs hem op, voorzichtig en moeielijk, want beider lichamen, glad door het berenvet, gaven geen houvast. Maar Reri wreef zijn handpalmen droog tegen de ruwe kiel van de skig en vast de schouders van Baldei pakkend, heesch hij zich op diens rug, zette nu de voetzolen in de gleuven van de[125]schouderspieren, die Baldei opzette en nu zachtjes aan zich oprichtend, kon hij met de handen de rand van de borstwering van de skig grijpen, die aan de roerzijde ’t laagst gebouwd was.Nu, de saks bij den steel in den mond pakkend, heesch hij zich op het dek.De roerganger stond geleund tegen het vastgezette roer met den rug naar Reri toe. Reri deed drie schreden voorwaarts, hief zijn saks met de rechterhand op en sloeg met één slag den man schuin tegen den slaap tegelijk met de linkerarm hem opvangend en de hand tegen ’s mans mond houdend, opdat hij niet kon gillen.Toen de wacht neerviel, zonder een geluid, herkende Reri hem met ontzetting. Het was een oude kameraad, een Scandiër, die hem toen Reri nog scheepsjongen was, knoopen had leeren leggen en netten breien.Maar lang peinsde hij niet. Hij legde het lichaam van den gedoode zachtjes neer.… Op zijn vette linkerarm bleven wat roode pareltjes bloed hechten, dat was alles. Daarna sloop hij, welbekend met de inrichting der Frise skigge, naar het ruimluik. Toen hij zijn saks als koevoet gebruikend, den ijzeren sluitriggel over de kram heenzette, brak zijn saks. Hij nam den riggel met de handen vast, zette zich schrap en poogde den riggel te verbuigen. Doch zelfs zijn kracht reikte niet toe. Hij keek rond.… liep op ’t lijk van de wacht toe, haalde diens ijzeren mes uit de scheede en sneed het hout rond de kram weg. Toen gaf de riggel mede, en het luik kon opgetild worden. In ’t zwarte gat van ’t ruim zag hij niets. Maar dit behoefde niet. Hij kende de wijze waarop de skigge gestouwd werden, liet zich in ’t luik afzakken, de hand om den rand van ’t vierkante luikgat gekneld en even heen en weer zwaaiend voelde hij grond. Hij liet zich los en viel op de leeren zakken.„Jammer,” dacht hij „dat ik geen licht heb om te kiezen.”[126]Hij greep met zijn vingers tastend in de zakken. Dat was graan.… en dat was rogge.… en dat wat ronder, dat zoo stak, dat was gerst.… en dat.… dat.… hij voelde nogmaals en nogmaals.… het waren kleine ronde korreltjes, maar wàt voor graan ’t was kon hij niet goed op ’t gevoel onderscheiden. ’t Zal spelt zijn, dacht hij.En nu stapelde hij snel eenige zakken op elkaar, zoodat hij een soort trap vormend, makkelijk bij de opening van ’t luik kon komen. Met twee zakken gerst klom hij naar boven, sloop naar ’t roer.„Gauw, gauw,” zei Baldei.… „het water bevriest op mijn leden.…”„Volhouden!” riep Reri. Hij gaf hem den eersten zak, die Baldei overgaf aan de twee, die op de roerstaart zaten en wachtten. Toen de tweede.„Volhouden!” riep Reri.… „er komen er meer.”„Ik kan niet.… ik verstijf.…”Toen boog Reri zich over de verschansing, en een stuk touw latend afhangen gebood hij Baldei, dat vast te pakken.„Ik kan niet meer. Ik kan mijn leden niet meer bewegen.”„In je mond!” beval Reri.De jonge Batouwer pakte het eind van het touw vast met zijn tanden.Reri, kennend de sterkte van het gebit der jonge Batouwers, die al als knapen zich oefenen in het tillen met de tanden, trok Baldei op, die nu boven het water zweefde, stijf bevroren maar klemmend zijn tanden, sterk als het gebit van een roofdier om het touw, schuingebogen het hoofd. Toen hij hem tot aan de rand van de verschansing had, greep hij hem snel bij den gordel, die kraakte vanhet ijs. Dan haalde hij den verstijfden, jongen reus op het achterdek.Onmiddellijk begon hij hem krachtig te wrijven. Het waren niet zijn leden, die bevroren waren. Doch het vet[127]was door ’t schuren tegen het roer weggewreven en het warme lichaam, leunend tegen de dikbevroren kiel, was eerst vochtig geworden en toen was ’t water op ’t harige lichaam bevroren.Nu kwam Baldei weder bij en kon zijn leden weder bewegen. Met schrik zag Reri in de verte aan den einder de eerste paarsche schemer van het komende morgenlicht.„Kom mee,” beval hij.Weer daalde hij in ’t ruim af en gaf Baldei zakken aan, een, drie, zes, acht.… twaalf.… vijftien.… tot vijf en twintig. Toen droegen ze beiden de zakken naar de achterplecht.…„Dat krijgen we zoo nooit weg!” meende Baldei.„Neen.… wij moeten de jol kapen.… kom mee.…”Zij schreden naar ’t hooge voordek, sjorden de jol los … droegen haar dwars over het skig naar ’t achterdek en nu lieten de twee reuzen alleen de jol zachtjes met de punt vooruit langs het roer glijden. De twee beneden begrepen dadelijk waarom ’t ging, stutten het vaartuigje, zoodat het recht op ’t water kwam te liggen. Baldei liet zich weer af in de gordellus en nam de zakken een voor een aan, gaf ze aan de twee mannen beneden, die ze stouwden in de jol ….Toen de vijf en twintigleeren zakkenmet graan er in lagen, zakte het vaartuig tot den rand in ’t water.Reri liet zich langs Baldei afgleden, hielp Baldei bij ’t afzakken en nu wierpen de vier zich in ’t water, de jol voor zich uitduwend. Maar Baldei, niet meer beschut door ’t berenvet, voelde de krampen komen.De twee anderen wilden zooveel zakken graan overboord werpen, dat Baldei in de jol kon blijven zitten, zonder dat deze zonk. Maar Reri, die te goed wist wat een enkele zak graan beteekende voor de toekomst van den stam verbood dat. Steunen konden ze hem evenmin, want de drie waren ook vrij uitgeput en hadden de zware jol voort te duwen. Daarbij kwam dat het al begon te schemerlichten.[128]„Trek eens hard aan het touw,” riep Reri tot Freihals. Maar de afstand was nog te groot, dan dat de makkers op ’t ijs den ruk voelen konden.„Mannen,” zei Baldei, „ik mag di niet tot last zijn. Zorg voor mijn moeder. ’t Is een weduwvrouw.…”Hij hief zijn armen op en zonk weg in ’t koude water.Maar Reri greep hem vast, tilde hem hoog.„Volhouden!” beval hij.Doch de jonge reus was met open mond gezonken om snel weg te zullen zijn.Reri legde zich op de rug en haalde ’t hoofd van Baldei over zijn borst, hield den naar adem snakkende zoo boven.„Hindar, zwem vooruit.”„Ik ben òp!” zei Hindar.Op dit oogenblik weerklonk een signaal van de bestolen skig. Maar meteen begonnen de Batouwers op den wal, door ’t signaal gewaarschuwd dat er onraad broeide, het verbindingstouw snel intepalmen. De drie mannen klemden zich aan de jol en lieten zich meetrekken, Reri den machteloozen Baldei nu met één arm boven water houdend.De spanning van de drie mannen was zoo groot, dat zij de koude niet voelden en nu ook kwam Baldei weder bij.Op de bestolen skig was de man van de laatste wacht opgestaan om zijn kameraad te gaan aflossen. Maar niet vermoedend, dat er een luik openstond, was hij daarin gestort. Hoewel hij zich zwaar kneusde, begon hij toch te schreeuwen en riep de naam van den man, dien hij wilde aflossen. Maar ook die gaf geen antwoord. Toen kroop hij rond en voelde de zakken die Reri, als trap had gebezigd. Maar hij had beide beenen gebroken en kon zich niet tot aan den rand van het luik opheffen. Daarom schreeuwde hij, zoo hard hij kon, tot eindelijk een stuurman ontwaakt was, die op ’t dek komend uit het open luik het kreunen hoorde en bij ’t roer den dooden wacht vond en daarna bij ’t luik, de gebroken Batouwsche saks.[129]Hij liep naar de kajuit terug, nam een signaalhoorn en blies alarm.Doch dit duurde lang genoeg en voordat in de vale morgenschemering ontdekt was, waar de aanvallers waren, hadden de Batouwers de jol met de vijf-en-twintig zakken meel al weder op ’t ijs gehaald. En nu, vijf-en-twintig der mannen elk een zak graan op den rug dragend, begonnen de honderd weg te rennen, in den dreunenden, gelijkmatigen stap van krijgslieden, die een aanval doen.Zij vormden een driehoek met telkens één der mannen voorop als windbreker en de anderen, hun handen op de schouders van de voormannen leggend, vermeerderden dier kracht.Er was in al dien tijd geen woord gesproken.Zoodra de vier zwemmers uit het water waren, hadden zij slechts één woord gezegd: „Den barditus!”Dat was genoeg geweest. Sigbert, als de aanvoerder was ’t eerst voorop geloopen als spits van de wig. Maar naarmate de spits wisselde kwam hij, naar ’t oude gebruik, des te meer naar achteren, terwijl de vier zwemmers, als ’t meeste vermoeid, achteraan waren gaan loopen, opdat de voorsten den wind zouden breken. Zoo kwam het, dat na eenige gewenden, toen de achterste lieden vooraan kwamen te loopen, Sigbert met Tjeerd achteraan liep, terwijl Reri in de voorhoede was. Maar toen Baldei, die nog altijd niet geheel bekomen, in de achterhoede bleef loopen, de handen op de schouders van Tjeerd, die hem steun gaf, los liet en niet meer mede kon, floot Sigbert op zijn vingers en de saks hield stil.Zij waren, dank zij de snelle en ordelijke wijze waarop zij de vlucht hadden genomen nu zoo ver van de skigge, dat zij niet anders zouden kunnen worden ingehaald dan door paarden. Maar achterwaarts ziende bemerkten zij, dat het gevaar voor vervolging niet groot was. Want de beroofde skig lag vrij afgezonderd, ’t meest naar voren en[130]het was van de skig onmogelijk seinen naar den vasten wal te geven voor het goed licht was geworden. En dan nog … hoe zouden die van de skigge den menschen op den vasten wal op zoo’n verren afstand kunnen beduiden, dat men bestolen was en door wie. Om te verkondigen, dat zij een lading graan van ’t Paarden-eiland hadden medegebracht, was slechts noodig geweest een zak graan in de mast te hijschen en een vlag op te steken, zooveel keer als er zakken in de schepen waren. Maar die op het strand duidelijk te maken, dat Batouwers ’s nachts de skig hadden overrompeld en het ruim leeggeroofd, ging bezwaarlijker.Sigbert’s saks hield dus een oogenblik halt om te rusten en te overleggen. De mannen stonden bezweet en hijgend, leunend tegen elkaar zooals dit in den krijg gedaan wordt. De mannen, die de zakken droegen zetten ze af, omdat nu de beurt van het dragen aan een tweede vijf-en-twintigtal kwam.Sigbert opende een zak. Daar lag de dikgezwollen weite, het zeldzame, beroemde koningskoren van ’t Paarden-eiland. Sigbert woelde er met zijn hand in, liet een handvol in een stroompje weder neerglijden in den zak. De anderen drongen zich om den zak heen, zagen het prachtige koren begonnen te joelen van vreugde.„Geef mi, geef mi,” zeiden zij, de handen geopend uitstrekkend naar Sigbert, die hun handen vulde uit de zak. En zij liepen weg van den zak, de beide handen gegeuld bij elkaar, voorzichtig om niet een enkel korreltje te verliezen en toonden het verheugd den verder staanden, die naderbij drongen en met lichtende oogen keken naar dat mooie zaaigraan.Zij wreven de graantjes op de handpalm, rollend ze bewrijvend om de dikte te voelen en hoewel ze allen hongerig waren, was er niet één, die een graantje naar den mond bracht. Zij wierpen het graan weer in den zak, tot het laatste korreltje toe.[131]Het was nu geheel licht geworden. Sigbert keek nog eens in de richting van het strand. Maar de schepen waren reeds lang uit zicht en de verre velden waren eenzaam.De mannen vormden weder de saks en liepen in stevigen pas door, evenwel niet meer op een drafje, zooals zij tot nu toe gedaan hadden.Sigbert droeg nu ook een zak en het was hem niet zwaar op den rug maar alsof hij iets liefelijks droeg, dat hem vroolijk maakte en licht te voet. Zoo had hij den kleinen Herebaeld vaak gedragen in de tijden, toen hij in stilte en zonder het ooit te durven uiten, hoopte dat zijn kind met de dubbele kruin eens koning zou worden van de Batouw.Het weer was omgeslagen. Daar zij door het harde loopen allen bezweet waren, hadden zij het niet gevoeld. Maar toen ze aan het eerste bosch kwamen zagen zij, dat de stammen der boomen grijzer werden en van een enkel twijgje drupte al onder de stralen van de morgenzon een spettertje sneeuwwater. Zij zagen elkaar aan zonder wat te zeggen, te goed wetend welke gedachten dat droppeltje wekte, beangst om door ’t uitspreken van hun hoop, ’t geluk te verstoren.Zij rukten den heelen morgen zoo voort, in gezwinden pas, weinig sprekend, de saks gereed in den gordel, hun vingers in ’t voorbijgaan grissend langs den grond of een laaghangenden tak om een balletje sneeuwijs te pakken om dat ter verfrissching in den mond te steken.De vier zwemmers, nog altijd in hun met vet besmeerde lichamen, waren sterk gaan zweeten en het vet begon langs hun leden te druipen. Sigbert beval, dat vier anderen hun pelzen zouden afgorden en ze om de schouders van de zwemmers slaan.Maar Reri en Baldei waren te groot en nog twee anderen moesten hun pelzen afstaan, die, altoos onder ’t voortloopen, met de hoeken aan elkaar werden geknoopt.[132]Het bosch werd dichter en de mannen moesten daar ’t pad smaller werd, achter elkaar loopen.Op een beschutte plek achter struikgewas, wel geschikt om bij een mogelijken overval verdedigd te worden, beval Sigbert rust. Het was al later op den morgen geworden en het gevaar reizigers te ontmoeten vooral omdat de dooi was ingevallen, werd groot. De mannen gingen op stronken zitten of wierpen zich, hun berenhuid uitspreidend op den grond.De geroofde zakken werden nu allen geopend. En de mannen, zich dicht om elken zak dringend, kregen glanzen in de oogen en kreunden in de baarden van bewondering. Slanke haver, dikke, zware gerst, wichtige weite, zak na zak.Reri drong zich naar voren.„Er zijn twee zakken bij met vreemd graan,” zeide hij. „In ’t donker voelend, heb ik het niet op den tast kunnen herkennen.”De twee laatste zakken werden geopend. In de eerste zak lagen kleine, platte schijfjes van een vreemde graansoort, die geen der mannen ooit gezien had. Sigbert gaf een handvol aan den man naast zich om door te geven met de vraag of ook iemand er kennis van had. Maar in den laatsten zak waren korrels, groot als een boon, zoo geel als amber met aan de punt een wit spikkeltje.„Wat ’s dat?” vroeg Sigbert.Hij nam een korrel op en stak deze in den mond, beet haar fijn, proefde haar.„Hoe smaakt het?” vroeg er een.„Als fijne weite, maar nog zoeter.”„Zit er honing in?” vroeg een ander, die getroffen was door de goudgele kleur en den vorm van de korrels, die wel eenigszins aan de cellen in een honingraat deed denken.„Proef zelf,” zei Sigbert, hem den zak voorhoudend.Maar nu een ander dan de saksvoerder een korrel opat, wilden de anderen ook proeven. En de mannen drongen[133]zich om den zak en als kinderen begeerig, staken ze de groote, grove, rasperige boerenhanden uit en kregen een korreltje van het barnsteenkleurige graan. Zij gingen terug als met een schat, bekeken het kleinood, wreven het in de holte van den handpalm met de vinger der andere hand om en om, het keurend met de oogen zooals een kenner een edelsteen zou schatten.En dan, het naar den mond brengend, hielden ze het zaadje er lang in zonder er op te bijten, het met zachte smakjes van de tong proevend, het omwoelend in de mondholte, om langer er ’t genot van te hebben.Onderwijl waren er al eenigen, die hout hadden gekapt en een vuur aangelegd en men wachtte op het woord van Sigbert, die zou bevelen wat heden gegeten zou worden. Zij hoopten in stilte, dat zij dit keer graan zouden krijgen, maar Sigbert liet de zakken weer sluiten en beval, dat men sporen zou zoeken van wild.De mannen waren ontevreden. Eén trad voor de anderen op en vroeg, maar met veel meer deemoed, dan hij zich voorgenomen had:„Sakshoofd, wilt di ons niet wat graan geven?”„Grendeldebliksem!” stoof Sigbert woedend op, zijn hand naar zijn saks brengend, „du, smuigerd. Wilt di ons zaaigraan vervreten?”De man trad beschaamd terug. Maar een ander, die den smaak van het barnsteengraan nog naproefde, trad naar voren.„Sakshoofd … wi hebben honger … En met wild zoeken gaat de tijd weg … Dat honinggraan is toch niet om te zaaien … Laat ons dat nu opeten …”„Ja, laat ons ’t honinggraan opeten,” riepen anderen.„Hier met het honinggraan!” riepen nog weer anderen, verlekkerd door den smaak.Sigbert trok zijn saks en stelde zich voor den zak.„Wie een korrel neemt, kloof ik den kop!” riep hij.[134]„Stemmen, stemmen!” riepen de mannen terug.Sigbertkeek naar Reri.„Ja vaêr, laten wij stemmen!”„Zult di dijn vader afstaan, snotjongen?” zeiSigbert, zijn zoon een stomp voor de borst gevend.„Is dat mijn loon, vaêr?” vroeg de reus, bedroefd ter zijde gaande.„Stemmen, stemmen!” riepen de anderen met meer onstuimigheid.Maar de ouderen onder de mannen, die zelf vaders waren en met bewondering zagen naar hun aanvoerder, die zoo zijn vaderlijk recht wist te bewaren, willende toonen, dat zij ook niet bevreesd waren voor hun zonen, gingen bij Sigbert staan, toonend dat zij voor hem partij namen. De vader van Hindar was de eerste, die naastSigbertstond. Maar Hindar, op hem toetredend zei:„Vaêr, ik moet eten … Du weet wel vaêr, de laatste bete heb ik gisteravond gehad … en toen heb ik met di gedeeld …”„Laat ze eten, Sigbert!” zei nu de vader van Hindar.„De zwemmers kunnen krijgen!” gaf Sigbert toe.„Stemmen, stemmen!” riepen de anderen dreigend.„Vooruit dan … wie ’t zaaigraan wil vervreten, steek op zijn saks …”Alle saksen werden opgestoken. Sigbert boog voor de overmacht. De zak werd weer geopend en een der Batouwers, die een kleinen helm droeg, gaf ze om als maat te dienen.En nu mocht elk man een halven helm vol van het zoete barnsteengraan uit den zak putten. Zij hielden hun pels als voorschoten op en liepen met hun schat naar het vuur of zetten zich wat verder alleen weg en begonnen het zoete graan rauw op te knabbelen.Alleen Sigbert at niet.„Vaêr!” zei Reri, „du eet niet?”„Dijnvaêrvreet zijn vrijheid niet op!” zei de Bataaf norsch.[135]Toen keek Reri even terzij naar Tjeerd, die al den mond vol had. En nog even wijfelend, wierp hij zijn deel weer in den zak terug.„Gaat di mee Tjeerd … sporen zoeken?”„Eerst eten …”Maar tegelijkertijd zag hij naar zijn vader op en boog het hoofd.Hij wilde nog een handvol graan naar den mond brengen. Maar hij dorst niet en schuin het hoofd afgewend, liep hij nu ook naar Sigbert toe en wierp de handvol graan, die hij nog slechts over had, ook in den zak.„Ik had honger,vaêr!” zei hij verontschuldigend, hoewel de oude niets gezegd had, alleen met de driehoekige oogen fél hem aanstaarde.„Het was di geraden, knaap. Du hattet dijn erfdeel opgevreten … Ga mee met dijn broeder …”De twee liepen ’t kreupelhout in, zwijgend, onderworpen, beschaamd, voelend het overwicht van den vader, die hongerend zooals zij en met de volle beschikking, deeenigevan allen was geweest, die sterker zich toonde dan het verlangen, dat als een pijn knaagde in de uitgehongerde maag.„Als ’t voorjaar wordt, moet-ie koning worden!” zei Reri tot Tjeerd. „Denk er wel aan jong, onze vaêr is de grootste Batouwer.… Hij moet koning worden.”Tjeerd spuwde de restjes van ’t graan uit zijn mond en rilde met ’t hoofd als walgde hij nu van dat heerlijke koningsgraan.Zij liepen beiden, de oogen naar den grond, zoekend of ook ergens den indruk van een dier merkbaar was. Doch zelfs hun geoefende oogen konden niets onderscheiden op den hard bevroren grond van sneeuwijs. Maar dichter in ’t hooge hout, waar de boomen zoo vast opeen stonden, dat de vorst eenigszins geweerd was, merkten zij gebroken takken, waar blijkbaar een dier doorgang had gezocht. Opeens hield Tjeerd stil.[136]„Wat is dat?”In ’t sneeuwijs stak een zwartige punt uit. Tjeerd rukte het voorwerp uit de aarde.„Een sandaal!”.… zei hij.„En geen oude.… daar zijn hier menschen.”„Wat voor menschen.…”„Roovers! Anderen zijn niet in den winter hier in den dikicht.”Zij liepen voort, volgend het spoor van de weggebroken takken en vonden weldra een klein offerblok en vandaar voortgaande vonden zij den ingang van ’t hol, dat met een zwaren steen was afgesloten, maar die de twee sterke kerels al spoedig hadden terzij geschoven.Beiden traden dadelijk terug.„Daar zijn lijken in!” meende Reri.„Aan den stank te zeggen, ja!”„Wij moeten vuur maken … ’t Is te donker.”Zij keken rond, maar zagen geen kienhout. Het was een bosch van beuken en eiken.„Wij moeten een lichtgat maken. Vooruit jong!”Reri begon al met zijn saks boven in de sneeuwaarde te woelen en Tjeerd van de andere zijde wierp de uitgewoelde aarde terzij. Toen zij op een armdiepte waren, kwamen zij al aan de laag bladeren en mest, die spoedig doorgestoken was. Uit het gat steeg dezelfde doordringende stank op.„Zooals ik di zei, lijken.”Hij maakte het gat nog wat grooter en nu weer, van de holterp afglijdend, gingen zij den ingang kruipend binnen.Bij ’t daglicht, dat door ’t lichtgat boven, nu binnenviel, zagen zij de lijken van drie mannen en een vrouw in ontbinding. Het hol was volgestapeld met zadels, schilden, huiden, kortzwaarden, bronzen bekkens, urnen met bronzen sluitspelden. Maar iets om te eten vonden ze niet.[137]„Wat denkt di, Reri?” vroeg Tjeerd.„Dat zijn roovers, die zichzelf gevangen hebben. Zij hebben zich in ’t winterhol opgesloten en vuur gestookt. Toen is ’t vuur ’s nachts, toen ze den steen al voor ’t gat hadden gewenteld, gaan aansmeulen en zij zijn gestikt … Wat zei ik di … hier ligt er nog een … die is bijgekomen en is nog naar den uitgang gekropen … maar hij was te zwak. Ga naar vaêr jong en roep hem. En laat de mannen kienhouten meenemen. Ze zullen wel graankuilen hebben gehad..”Tjeerd snelde terug en onderwijl begon Reri het lichtgat grooter te maken. Hoe meer licht er binnenviel, des te meer ook werd hij van de juistheid van zijn veronderstelling overtuigd. Roovers waren het zeker geweest. Dat zou een kind zien aan de soort van schatten, die zij verzameld hadden. Maar waren zij werkelijk gestikt? Of hadden zij geen leeftocht meer gehad?Die daar lagen, half vergaan, toen weder bevroren en nu weder ontdooid, zouden het niet meer zeggen. Reri keek naar de ontbindende lichamen en rilde. Het gezicht van een krijger, op ’t slagveld gedood of van een mensch, kalm in zijn hut gestorven, maakte op hem geen indruk. Zij voeren op naar Wotan en waren voortaan gelukkiger dan op aarde. Maar deze hier, wier lichamen niet verbrand waren geworden, en wier zielen dus eeuwig zouden rondzwerven in den poel van Grendel, tot straf voor hun euveldaden, boezemden hem afschrik in.Zijn honger dreef hem om in ’t stinkende hol rond te zoeken naar leeftocht. Zijn oogen waren nu gewend aan ’t schemerduister en tastend met de handen langs de met koemest en dorre bladeren bestreken wanden, vond hij achterin weder een grooten sluitsteen. Hij wilde hem wegrukken, maar de steen was te zwaar. Nog was hij bezig gebukt in het donker den steen weg te schuiven toen hij al het gele licht van de brandende kienhouten zag, waarmede Sigbert en andereBatouwersnaderden.[138]Nu konden zij in ’t hol goed zien, welk vreeselijk einde de roovers hadden gehad. In ’t midden stond op een vuur van houtskool een groote pot, waarin een weeke massa. Melksoep, die eerst tot bederf was overgegaan en toen weder bevroren. Er lagen wel tien lijken in ’t hol, mannen en vrouwen. Een vrouw lag dicht tegen een wand bij den toegangssluitsteen, de rechterhand met de magere, zwartige vingers nog gekromd uitgestrekt naar den steen, die hun noodlottig was geworden.Reri en Tjeerd samen slaagden er in den steen van het tweede hol weg te schuiven. Dat was de welvoorziene voorraadkamer. Er lagen eenige zakken met graan, stapels gebakken, harde winterbrooden. Er hingen aan touwen stukken gedroogd vleesch en een twaalftal zijden spek. Tegen de wanden stonden groote, met was afgesloten, aarden vaten. Sigbert opende ze met zijn saks. De vaten waren gevuld met honig, mee, gestoofde bessen, ongebrande molleboontjes, meel, gesmolten vet.Nu was er geen rede om niet te eten.„Vrèt jong, vrèt!” zei Sigbert tot Tjeerd. „’t Is je gegund!”voegdehij er tot Reri bij. En deze, niet langer wachtend, trok een reep gedroogd vleesch los en begon als met geeuwhonger te eten. En ook Tjeerd en de vijf andere mannen deden zich te goed aan wat zij maar ’t eerst grepen.Sigbert, met een reep spek in de hand, liep naar buiten en met zijn machtige kaak kauwend op de reep spek, snelde hij terug naar ’t kamp, vertelde van de ontdekking en geen der mannen wist van vermoeidheid. In een vaart liepen ze naar het roovershol, dat weldra zoo vol was, dat er geen mannen meer binnen konden. Maar die binnen waren reikten door ’t lichtgat, dat Reri gemaakt had, voedsel naar buiten. Heele zijden spek, groote potten met meel en honig werden naar buiten aangegeven en de mannen, bemerkend dat er overvloed was, sneden lange[139]repen uit het spek en begonnen als dieren te knagen, knorrend van genot, malkaar aanziend met verheugde blikken.Maar daar de stank binnen te sterk was, kwamen alle mannen spoedig naar buiten. Een paar, die al half voldaan waren, begonnen onder leiding van Sigbert het lichtgat grooter te maken. Anderen kwamen helpen en spoedig lag het roovershol bloot met zijn rijkdommen, zijn voedsel en zijn vergaande lijken.Een paar mannen, dankbaar voor ’t voedsel, spraken er over, de lijken te verbranden en in een paar der ledig gegeten vaten bij te zetten.Maar anderen waren er tegen, meenden dat menschen niet mochten ingrijpen in den wil van Wotan, die de roovers zeker had gestraft voor menige euveldaad en deze laatsten kregen gelijk.Nadat allen verzadigd waren, werd de voorraadkamer van de roovers leeg gehaald en onder de honderd door Sigbert verdeeld. Onderwijl trokken de aangewezen dragers terug naar ’t kamp om de vijf-en-twintig zakken graantehalen en toen deze terug waren, zette de saks van Sigbert den tocht naar de Batouw voort.Sigbert bleef bij het hol staan om bevelen te geven en voor de lucht te zorgen. Het bevreemdde hem, dat nog niets van een vervolging gemerkt werd en hij speurde rond of hij wellicht de vlam van een seinvuur zag of luisterde nauwlettend of ergens een horen toette. Maar ’t was doodstil en alleen het hem liefelijk geluid van de smiltende druppelen die in de twijgen patsten, vernam hij.Tot het laatste stukje vleesch was weggedragen uit het hol van de roovers. Toen wilde een man, die weinig te dragen had, een bronzen ketel medenemen.Sigbert riep hem terug.„Wat doet di daar?” vroeg hij streng.„Voor mijn moei!” antwoordde de man.[140]Sigbert pakte hem bij den schouder, rukte hem de ketel uit de hand en wierp hem met een vaart in ’t hol terug, waar hij met een helderen tink neerviel tusschen ’t andere brons.„Batouwers zijn geen dieven!” sprak hij dreigend. En zijn oogen vlamden. Toen, ziendedat de mannen gereed waren, liep hij zijn troep langs en zijn saks opstekend in de lucht, zetten zij hun vlucht voort.[141]

[Inhoud]HOOFDSTUK IX.Maar de honger begon ook te nijpen in de Batouw. De weinige kuilen met graan, die de Dantubaren niet hadden ontdekt, waren volgeloopen met smeltend sneeuwwater en later had de ongewoon strenge vorst water en graan tot een harde ijsklomp bevroren. Er was in de heele Batouw geen mensch, die heuchenis had van zulk een strengen winter.De zwarte ziekte begon slachtoffers te maken en van alle zijden kwamen maren van hongersnood, koude en vorst.Ook in de hut van Sigbert werd honger geleden. Zij hadden den grooten waakhond al moeten slachten en aten nu sedert dagen niets dan moes van dorre bladeren. Vergeefs liepen zij het woud af om wild te zoeken. Het wild was, instinctief den kouden winter voorvoelend, naar andere streken gevlucht en de weinige hazen, vossen, wolven en evers, die nog waren achtergebleven, ten buit geworden van de honderden hongerige Batouwers, die de bosschen afstroopten.Ook bij de Frisen was de oogst slecht geweest. Maar koningTjilbardhad wel veertig groote schepen naar ’t Paarden-eiland gezonden met barnsteen, albasten schijven, koehuiden en fraai besneden zetels, broodplanken, messenheften, sierframmen beladen, om graan te gaan ruilen op ’tPaarden-eiland.Daar zou dus geen gebrek zijn! MaarTjilbard, zou niet voor niets van zijn voorraad aan de Batouwers afstaan en veel om te ruilen hadden de Batouwers niet, want de Frisen waren rijk en kunstvaardig en hadden in hun rijk alles wat de Batouwers ook hadden.[115]Doch de geschenken, die Sigbert en zijn zonen van Maresag hadden gekregen, de mooie pels van marterbont van Sigbert zelf en het prachtige bronzen kortzwaard van Reri en zijn jachthemd met de koperen schakels en zijn bronzen helm, dat waren schatten, die ook de Frisenkoning wel gaarne zon willen bezitten en inruilen tegen graan.Daarom dan zouden Reri en Tjeerd naar der Frisen koning optrekken en hem bericht brengen van prins Istovar en hun kostbaarheden in ruil voor graan aanbieden.Zij trokken in snelle dagreizen naar Jelhiem, de hoofdstad van het land der dappere Frisen. Maar aan de grens van het Friesche gebied vernamen zij van de groote hongersnood, die ook in Frisenland heerschte en al zoude men graan tegen goud willen opwegen, dan nog zou geen graan aan vreemdelingen medegegeven worden, want het volk zou in dat geval zeker oproer maken.De skigge van koningTjilbardwaren wel teruggekeerd van het Paarden-eiland en blijkens de signalen waren ze volbeladen met graan. Doch de toegang tot de Aamshaven was bevroren en het ijs was te dun om er overheen te kunnen loopen tot aan de skigge, die ingevroren lagen.Dag aan dag stonden de hongerende Frisen aan de kust uitkijkend naar de zwaar beladen skigge maar alle pogingen van die van de schepen om aan land te komen of van die van het land om de schepen te bereiken, faalden.Een breede geul van stroomend water midden in ’t ijs maakte het onmogelijk de schepen te naderen noch te voet, noch met kleine scheepjes,nochmet groote vaartuigen.Enkele dappere mannen hadden het gewaagd zoover mogelijk over het ijs te loopen, dan het ijs stuk te hakken en zoo zich tot de geul door te werken. Maar in ’t ijskoude water waren zij door kramp bevangen en weggezonken. Reri ging naar koningTjilbard, en verhaalde hem ’t wedervaren van zijn zoon prins Istovar.De koning vloekte, zeide dat hij reeds van Melle de[116]tijding had ontvangen en vroeg waarom de Bataaf oude wonden kwam openrijten.Reri verontschuldigde zich en bood nu zijn schatten aan smeekend om één enkele zak graan.„Van wien hebt gij al dat moois?” vroeg de koning wantrouwig.„Van Maresag, den hoogepriester en Harimona, de heilige maagd!”„Dus du bent wel uitverkoren geweest, maar mijn dapperen zoon niet.…”„Ik was wachter heer, bij de schattenschuren! En de heilige maagd heeft vader een rijken oogst beloofd. Ik smeek di, geef ons één zak graan en wij zullen di dankbaar zijn en als de goede tijden voor de Batouw aanbreken gedenken, wie onze vriend in den rampspoed is geweest.”„De heilige maagd Harimona heeft dijn vader een goeden oogst voorspeld.… En daarop vertrouwt di?.… Zotskoppen zijt di.… bij elkaar. Door dijn zotskopperij is ook in ’t Frisenland den roep van de heilige maagd Harimona verbreid en mijneenigezoon heb ik daardoor verloren … Als du weder heilige maagden kent, moogt du di eerst beter vergewissen, want dijne Harimona is een veile deern, een liderlicke hure, die met een Nervischen prins gevlucht is.… De trouwe Melle heeft mi de kond gedaan.…”„Dat liegt di, koning”zeide Reri verontwaardigd.„Pak di weg met dijn schatten.… KoningTjilbardverlangt geen hurenloon … Pak di weg … Hurenknecht!”Met smaad waren Reri en Tjeerd weggezonden. Zij trokken eerst naar de kust om naar de graanschepen te zien. Daar lagen ze, veertig groote Frise skigge, met breede, hooge boegen en lange masten, waarvan de dunne lederen zeilen niet waren opgerold, maar stijf bevroren, strak uithingen aan de rondhouten.Reri, tegen een paal geleund, keek lang en aandachtig naar de schepen.[117]„Zou di niet durven?” vroeg Tjeerd.„Als ’t moest zijn!” zeide Reri kort.…„Du zou al di Frisen te schande maken.…”„Wat heb ik daaraan.… Als ik nu ’t graan van hun skigge haal, is ’t niet voorTjilbard.… Kom mee jong, eerst naar vaêr toe om raad te vragen.”Hoewel zij hongerden en zich met weinig anders voedden, dan met visch, die zij in stroobosschen ’s nachts op de Frise waters vingen en rauw opaten, liepen zij met snelle schreden terug naar de Batouw.Zij vertelden Sigbert van de ontnuchterende ontvangst bij KoningTjilbard.Sigbert wreef een traan uit zijn oog.„Grien jevaêr?” vroeg Reri ontzet.„Ja jong.… ja jong.… als dat waar is.… als die Harimona een hure is geweest, dan is ’t gedaan met de Batouw.… Dan moeten wij weg.… met de saks er op uit een nieuwe ouw zoeken.… En dan begint het moorden weer.… dan moeten wij anderen menschen vellen … en vrouwen en kinderen verjagen.… ’t Is hard hoor.… ’k Heb nooit graag de saks gezwaaid … Wat is dat voor bloedgierig werk?.… Achter den ploeg wil ik loopen.… dat wil ik, van den nuchteren morgen tot in den zwarten schemer. En met dijn moêr wil ik de sikkel slaan.… dat wil ik, naar Batouwschen aard … Dat ’s trouw werk en daar valt zweet bij maar geen bloed.… Grendeldebliksem … zouwen wij Batouwers van ons land afmoeten! Zouwen wij jong? Dat mooie land, dat je overgrootvaêr heeft gebouwd, en je grootvaêr … je moeders moer en je moer.… Wat zeiTjilbard? Is zij een hure! Wee, dien hure.… als zij mij bedrogen heeft … Den kop inhakken met den saks zal ik haar.… die kol, die dop … Grendeldebliksem.… d’r witte haren zal ik rood maken!… Grendeldebliksem hier.… met mijn saks!”Hij had de saks van den wand genomen en drilde ze[118]in zijn schorschige vuist.… Ontzet zag Reri hoe dun vaders polsen waren geworden.„Vaêr,” zei Reri, „er is wel raad.…”„Wat zou hier raad jong?… Zie di niet hoe dijn arme moeder afgeteerd is?… Hoelang vreten wij nu blaremoes? In Dantuba zijn ze allen verrekt van de kou en den honger.… Hoe lang zal ’t hier nog rekken?.… Hari, de bode is hier geweest.… Weet di wat hij vertelde?.…”Sigbert kwam dicht bij zijn zoons staan en Reri diep in de oogen ziende met zijn driehoekige groene oogen onder de schuin neerhangende oogleden.…„Aan de grens hebben Batouwers van den honger elkaar opgevreten.… Van den hònger.… van den hònger, van den hònger, jong!.…”Hij hief zijn saks dreigend op tegen een denkbeeldigen vijand, maar viel toen weer moedeloos neer op een hoop brandhout, zijn oud hoofd gebogen en snikkend hikkend met de borst zonder te weenen.„Ik weet een middelvaêr.…”„Wat zou di weten?.…”„Wij moeten de Frische skigge veroveren.…”„Wat zeg di jong.… Batouwers rooven niet.…”„Batouwers vretennuelkaar op van den honger,” waagde Tjeerd bitter te zeggen.„Hou dijn mond, du melkmuil …” toornde Sigbert op.„’t Is zoo vaêr … Tjeerd zegt ’t rechte woord … wij moeten.… Als ’t nou niet is, moeten wij in ’t voorjaar er op uit.…”„De Frisen zijn onze bondgenooten.…”„Stikken kunnen ze.… die bondgenooten. Geen zak graan ruilen ze voor een marterpels, die tien akkers groenland waard is … Als wij de skigge overvallen hebben wij graan zat … en ook om te zaaien in ’t voorjaar … Waar wil di ’t zaaigraan vandaan halen,vaêr?… En anders moeten wij weg uit Batouw … Op de schobberdebonk naar een[119]nieuw ouw.… Dat zal wat geven, met de Batouwers … Ze vechten tegenwoordig overal nieuwerwetsch met ’t kortzwaard.… Daar kunnen wij niet tegen op met de saks …”„Ik zou wel willen zien, wie mi de saks uit de hand sloeg …”Hij hief zijn gepunte bijl weder op en drilde hem heen en weer, dreigend tegen eendenkbeeldigenvijand.„Du vaêr ja … du wel … maar d’er is al veel volk onder de Batouwers, die al in geen jaren van achter den ploeg zijn weggeweest … Du moet ze zien, zooals ze tegenwoordig vechten bij de Kaninefaten en de Sfafen op de wijze, die van ’t Paarden-eiland is ingevoerd. Op lage wagensvaêr, met vier vlugge peerden er voor en dan twee kaerels er in, één met met kortzwaard en schild en één die stuurt … Daar kan di met een saks niet tegenop … De peerden rijen je omver, de kerel hakt van zijn wagen op je in en als du terug hakt, is-’t-ie weg met zijn kar …”„Grendeldebliksem, twee tegen een … Dat’s smuigerswerk!”„Ze doen ’t ’em maar, vaêr. En als de kop gekloven is, lig je … Als du nou wou vaêr … als du dijn saks opriep, en dan flink aangeloopen naar de kust en dan wij, als Batouwers, met ’t schild en de saks over ’t ijs tot aan de waterrand. En dan ik met nog een paar zwemmers flink ingesmeerd met berenvet, met een taai touw om ’t lijf. Dan bij de skigge het touw vastgelegd aan één skig en dan weer met het touw terug. Als dan de heele saks aan het trekken gaat, krijgen wij een heel skig over den stroom heen en wij kunnen dan de zeelui binden en de skig leeghalen …”Sigbert had aandachtig toegeluisterd.„Dat zou één skig zijn.”„Dat’s genoeg.”„En de wraak van de Frisen?”[120]„Bent-di bang vaêr?”„’t Zijn kwaje kaerels als ze beginnen.”„Honger is ook een kwaje kaerel.”„Als du ’t wilt, welnu dan jong … daar is dijn vaders hand …”Nog dienzelfden dag waren er op de heuvels vuren ontstoken, om de lieden van de streek te waarschuwen, dat er een saks gevormd moest worden en den volgenden morgen vroeg trok Sigbert met honderd Batouwers naar de Frise kust.Zes nachten zou de voetreis der honderd duren, vóór zij aan de kust kwamen, waar de skigge lagen. Zij moesten afzonderlijk optrekken, want een gewapende saks van honderd Batouwers zou door de Frisen spoedig bemerkt en gevangen genomen zijn.Bijna allen waren verzwakt door de lange tijden van schaarschte en maar een twintigtal, die vroeger tegen de Dantubaren gestreden hadden, waren vaardig met de saks. Reri was de grootste en sterkste van allen. De meesten, blondharig, breed van schouders, gedrongen van bouw, waren iets kleiner dan Sigbert. Doch moed hadden ze allen, wetende welke buit hun wachtte en ook welke waarde die buit voor hen had. Het was niet alleen graan, waarmede zij den nijpenden honger van zichzelf, vrouw en kinderen konden stillen. Maar graan, dat was voor hen ook zaaigraan, heteenigemiddel om ’t volgende jaar aan den hongersnood te ontkomen, heteenigemiddel wellicht om hun anders zoo vruchtbare ouw, in vrede te blijven bezitten. Want niets was vreeselijker dan op verovering van een nieuw gebied uit te gaan. De volksstammen waren talrijk en geheel Germanje was in de vruchtbare streken dicht bewoond. De voorbeelden waren niet zelden, dat stammen, die hun gebied verlaten hadden, overal waren verjaagd, opgedrongen, aangevallen, bestreden tot zij eindelijk weer het oude gebied opzochten, maar[121]daar reeds een nieuwen stam vonden. Dan moesten ze om het eerst verlaten land met de wapens in de vuist twisten en zoo waren wel gansche stammen uitgemoord of tot hoorigen en slaven gemaakt.Waar zouden de Batouwers heen? Aan het bezetten van de ouwen der Frisen was niet te denken. De Frisen, hoe vreedzaam ook wanneer zij niet aangevallen werden, waren onoverwinnelijk als zij tot verdediging genoodzaakt waren. En de Frisen waren een ras van krachtige, slanke lieden, vaardig óók al op het nieuwerwetsche kortzwaard en onstuimig in den stormloop.Naar de gebieden der Bellovaken en Nerviërs zouden zij evenmin kunnen trekken, want de Nerviërs waren uitstekende ruiters en de Bellovaken streden wel tegen die van ’t Paarden-eiland, zoodat een Batouwer hier op geen overwinning mocht hopen. Naar de zijde der Sigambers en Chatten was wel een uitweg te vinden, maar die te verjagen naar de Hermoendoeren zou niet gaan, want de Hermoendoeren waren vrienden van de Cherusken en die twee stammen konden niet door de Batouwers verslagen worden als zij de Hermoendoeren nog daarbij voor zich uit hadden te drijven.Zij moesten in hun ouw blijven en de honderd wisten wel, dat het van het gelukken hunner rooftocht afhing, of zij in ’t voorjaar zaaigraan zouden hebben.Er waren in deze koude dagen weinig lieden buitenshuis en vooral niet op de groote wegen. Want de honger had die wegen gevaarlijk gemaakt voor reizigers, die niet in groote troepen trokken. En daar in den winter geen groote reizen werden gemaakt, trok de Batouwsche saks onbemerkt het Frisenland binnen. Vooraf gingen straalsgewijze uitelkaar tien verspieders, die als zij twee gewenden geloopen hadden, weder straalsgewijze tot elkaar liepen. Waren zij bijeengekomen en had de weg niets verdachts opgeleverd, dan liepen twee van hen in twee richtingen in draf terug tot[122]zij in ’t gezicht van de volgende tien man kwamen, die zij door ’t opsteken van een grooten tak waarschuwden, dat zij voort konden loopen.Die tien deden door twee hunner op dezelfde wijze de tien volgende waarschuwen en zoo voort van hoede tot hoede.Was er onraad bespeurd, dan staken de voorloopende een tak op met een dwarstak bovenaan. Onmiddellijk liepen dan de tien mannen in stralen uiteen en kwamen, al naar afspraak na meer of minder gewenden afstands, weder straalsgewijze tot elkaar.De mate van ’t dreigende gevaar konden zij zien aan de wijze waarop de dwarsstok op de rechtstandigen was gestoken, meer of minder zuiver kruisvormig. Was de dwarsstok plat op de rechtstandige gelegd in een T vorm, dan was ’t gevaar ’t grootst.Reri was bij de voorste troep der tien mannen; hij kende den weg en wist de bewoonde streken, die voorzichtig gemeden werden. Daar rivieren en meren en poelen overal hard bevroren waren, kon hij een rechte korten weg volgen en zoo stonden de eerste tien, na zeven dagen van langen ingespannen marschen ’s avonds aan het strand en zagen heel in de verte in ’t maanlicht de donkere rompen van de graanvloot.De twee konders liepen terug om de andere tienmannen te waarschuwen en het laatste eind van den weg werd in den nacht in looppas afgelegd zoodat het nog donker was toen de honderd zwijgend, met de saks in de vuist, gereed voor tegenweer tot op den dood, bij elkaar waren.Onderwijl waren Reri, Hindar, de snelzwemmer, Freihals, die met Reri samen op een Scandischen skig had gevaren, en Baldei de jongere, bezig met de voorbereiding voor den zwemtocht. Het was windstil en hoewel de maan reeds onder was, toch nog licht door de heldere sterren aan den onbewolkten nachthemel. De vier Batouwers, de beste[123]zwemmers van den heelen stam, smeerden zich dik in met berenvet van het hoofd tot de voeten zoodat hun lichamen door een dikke laag hard vet waren bedekt. Nu werden de tien einden touw, die de tien mannen hadden gedragen, aan elkaar geknoopt en de vier zwemmers, onderling door touwen aan elkaar verbonden om bij ongeval elkaar te kunnen steunen, liepen vooruit over het ijs gevolgd door de overigen mannen van de saks van Sigbert. Toen zij daar kwamen waar het ijs geen mensch meer houden kon, omdat door de sterke strooming, die daar stond, het water niet dichtvroor, hielden de sakslieden stand elk met een gedeelte van het touw in de handen, dat zij langzaam lieten uitvieren.De vier zwemmers, de saks in den gordel, sprongen zacht in ’t ijswater en begonnen schuin op de rechter zijde zich werpend met kalme, slagen op de schepen toe te zwemmen. Reri, die merkte dat Baldei, de jonge, in zijn overmoed te snel zwom en zoo telkens een ruk vooruit aan het touw deed, waarmede hij aan de drie anderen was verbonden, waarschuwde hem.„Zacht aanvangen Baldei.… anders houd di ’t niet vol …”Maar Baldei, trotsch op de jonge kracht van zijn prachtige leden en zijn stronkige spieren, wilde niet luisteren.Toen sloeg Reri even twee slagen sneller uit en gaf hem een slag met vuist op den schouder.„Grendeldebliksem, zal di hooren.… als du nogmaals aan het touw trekt verzuip ik di.…”De jonge man hief even boven ’t lijf op uit ’t water, maar verbeet de pijn en zwom nu kalmer door.Een geruimen tijd zwommen de vier zoo door ’t ijswater. Maar ’t berenvet in de koude stollend om hun lichamen, hield hen warm en eenmaal in de beweging was de bloedsomloop snel genoeg om hen voor krampen te bewaren.Eindelijk beval Reri dat zij drijven zouden zonder zich[124]te roeren. Hij had de wacht gezien op ’t eerste schip, dat zij nu al dicht genaderd hadden.„Wij moeten langs het roer op.… Anders kom je nooit op een Frise skig.…”Een ijsbergje dreef aan. Reri hield het met zijn schouder tegen.…„Hierachter aan mannen!” zei hij. Hij haalde zijn saks uit den gordel, sloeg het wapen met de scherpe punt van den bronzen bijl vast in den ijsberg en zachtjes met de voeten trappend, stuwde hij het ijsbergje met duwtjes naar het roer van het schip. Hij hief den vinger op, zijn lichaam steunend op het roer en de drie anderen, de handen klemmend om de stuurstaart, ’t hoofd half boven ’t water, wachtten.Reri maakte het touw los van zijn gordel en zijn saks in de hand nemend, hakte hij het hout rond een zwaren spijker boven zijnhoofd los, zoodat hij er zijn gordel aan kon binden.„Het ishoog tijd. ’t Weer slaat om” fluisterde hij tot zijn makkers. „Het ijs in de strooming is al gesmolten tot hier. Toen ik wegging lagen de skigge nog in ’t ijs en nu zijn ze al aan ’t water toe. Kom hier Baldei.… du bent de langste.… ga in de gordellus staan.… Dan klim ik langs dijn schouders en reik aan de verschansing … Dan hier wachten.… tot ik terug kom. Maar hoort di onraad of een plons, dan wegzwemmen.… Om mi is het dan toch gedaan en boven komt di toch niet zonder hulp.…”Baldei stond in de gordellus en zijn saks vastslaande in ’t hout, hield hij zich zoo rechtop. Reri klom langs hem op, voorzichtig en moeielijk, want beider lichamen, glad door het berenvet, gaven geen houvast. Maar Reri wreef zijn handpalmen droog tegen de ruwe kiel van de skig en vast de schouders van Baldei pakkend, heesch hij zich op diens rug, zette nu de voetzolen in de gleuven van de[125]schouderspieren, die Baldei opzette en nu zachtjes aan zich oprichtend, kon hij met de handen de rand van de borstwering van de skig grijpen, die aan de roerzijde ’t laagst gebouwd was.Nu, de saks bij den steel in den mond pakkend, heesch hij zich op het dek.De roerganger stond geleund tegen het vastgezette roer met den rug naar Reri toe. Reri deed drie schreden voorwaarts, hief zijn saks met de rechterhand op en sloeg met één slag den man schuin tegen den slaap tegelijk met de linkerarm hem opvangend en de hand tegen ’s mans mond houdend, opdat hij niet kon gillen.Toen de wacht neerviel, zonder een geluid, herkende Reri hem met ontzetting. Het was een oude kameraad, een Scandiër, die hem toen Reri nog scheepsjongen was, knoopen had leeren leggen en netten breien.Maar lang peinsde hij niet. Hij legde het lichaam van den gedoode zachtjes neer.… Op zijn vette linkerarm bleven wat roode pareltjes bloed hechten, dat was alles. Daarna sloop hij, welbekend met de inrichting der Frise skigge, naar het ruimluik. Toen hij zijn saks als koevoet gebruikend, den ijzeren sluitriggel over de kram heenzette, brak zijn saks. Hij nam den riggel met de handen vast, zette zich schrap en poogde den riggel te verbuigen. Doch zelfs zijn kracht reikte niet toe. Hij keek rond.… liep op ’t lijk van de wacht toe, haalde diens ijzeren mes uit de scheede en sneed het hout rond de kram weg. Toen gaf de riggel mede, en het luik kon opgetild worden. In ’t zwarte gat van ’t ruim zag hij niets. Maar dit behoefde niet. Hij kende de wijze waarop de skigge gestouwd werden, liet zich in ’t luik afzakken, de hand om den rand van ’t vierkante luikgat gekneld en even heen en weer zwaaiend voelde hij grond. Hij liet zich los en viel op de leeren zakken.„Jammer,” dacht hij „dat ik geen licht heb om te kiezen.”[126]Hij greep met zijn vingers tastend in de zakken. Dat was graan.… en dat was rogge.… en dat wat ronder, dat zoo stak, dat was gerst.… en dat.… dat.… hij voelde nogmaals en nogmaals.… het waren kleine ronde korreltjes, maar wàt voor graan ’t was kon hij niet goed op ’t gevoel onderscheiden. ’t Zal spelt zijn, dacht hij.En nu stapelde hij snel eenige zakken op elkaar, zoodat hij een soort trap vormend, makkelijk bij de opening van ’t luik kon komen. Met twee zakken gerst klom hij naar boven, sloop naar ’t roer.„Gauw, gauw,” zei Baldei.… „het water bevriest op mijn leden.…”„Volhouden!” riep Reri. Hij gaf hem den eersten zak, die Baldei overgaf aan de twee, die op de roerstaart zaten en wachtten. Toen de tweede.„Volhouden!” riep Reri.… „er komen er meer.”„Ik kan niet.… ik verstijf.…”Toen boog Reri zich over de verschansing, en een stuk touw latend afhangen gebood hij Baldei, dat vast te pakken.„Ik kan niet meer. Ik kan mijn leden niet meer bewegen.”„In je mond!” beval Reri.De jonge Batouwer pakte het eind van het touw vast met zijn tanden.Reri, kennend de sterkte van het gebit der jonge Batouwers, die al als knapen zich oefenen in het tillen met de tanden, trok Baldei op, die nu boven het water zweefde, stijf bevroren maar klemmend zijn tanden, sterk als het gebit van een roofdier om het touw, schuingebogen het hoofd. Toen hij hem tot aan de rand van de verschansing had, greep hij hem snel bij den gordel, die kraakte vanhet ijs. Dan haalde hij den verstijfden, jongen reus op het achterdek.Onmiddellijk begon hij hem krachtig te wrijven. Het waren niet zijn leden, die bevroren waren. Doch het vet[127]was door ’t schuren tegen het roer weggewreven en het warme lichaam, leunend tegen de dikbevroren kiel, was eerst vochtig geworden en toen was ’t water op ’t harige lichaam bevroren.Nu kwam Baldei weder bij en kon zijn leden weder bewegen. Met schrik zag Reri in de verte aan den einder de eerste paarsche schemer van het komende morgenlicht.„Kom mee,” beval hij.Weer daalde hij in ’t ruim af en gaf Baldei zakken aan, een, drie, zes, acht.… twaalf.… vijftien.… tot vijf en twintig. Toen droegen ze beiden de zakken naar de achterplecht.…„Dat krijgen we zoo nooit weg!” meende Baldei.„Neen.… wij moeten de jol kapen.… kom mee.…”Zij schreden naar ’t hooge voordek, sjorden de jol los … droegen haar dwars over het skig naar ’t achterdek en nu lieten de twee reuzen alleen de jol zachtjes met de punt vooruit langs het roer glijden. De twee beneden begrepen dadelijk waarom ’t ging, stutten het vaartuigje, zoodat het recht op ’t water kwam te liggen. Baldei liet zich weer af in de gordellus en nam de zakken een voor een aan, gaf ze aan de twee mannen beneden, die ze stouwden in de jol ….Toen de vijf en twintigleeren zakkenmet graan er in lagen, zakte het vaartuig tot den rand in ’t water.Reri liet zich langs Baldei afgleden, hielp Baldei bij ’t afzakken en nu wierpen de vier zich in ’t water, de jol voor zich uitduwend. Maar Baldei, niet meer beschut door ’t berenvet, voelde de krampen komen.De twee anderen wilden zooveel zakken graan overboord werpen, dat Baldei in de jol kon blijven zitten, zonder dat deze zonk. Maar Reri, die te goed wist wat een enkele zak graan beteekende voor de toekomst van den stam verbood dat. Steunen konden ze hem evenmin, want de drie waren ook vrij uitgeput en hadden de zware jol voort te duwen. Daarbij kwam dat het al begon te schemerlichten.[128]„Trek eens hard aan het touw,” riep Reri tot Freihals. Maar de afstand was nog te groot, dan dat de makkers op ’t ijs den ruk voelen konden.„Mannen,” zei Baldei, „ik mag di niet tot last zijn. Zorg voor mijn moeder. ’t Is een weduwvrouw.…”Hij hief zijn armen op en zonk weg in ’t koude water.Maar Reri greep hem vast, tilde hem hoog.„Volhouden!” beval hij.Doch de jonge reus was met open mond gezonken om snel weg te zullen zijn.Reri legde zich op de rug en haalde ’t hoofd van Baldei over zijn borst, hield den naar adem snakkende zoo boven.„Hindar, zwem vooruit.”„Ik ben òp!” zei Hindar.Op dit oogenblik weerklonk een signaal van de bestolen skig. Maar meteen begonnen de Batouwers op den wal, door ’t signaal gewaarschuwd dat er onraad broeide, het verbindingstouw snel intepalmen. De drie mannen klemden zich aan de jol en lieten zich meetrekken, Reri den machteloozen Baldei nu met één arm boven water houdend.De spanning van de drie mannen was zoo groot, dat zij de koude niet voelden en nu ook kwam Baldei weder bij.Op de bestolen skig was de man van de laatste wacht opgestaan om zijn kameraad te gaan aflossen. Maar niet vermoedend, dat er een luik openstond, was hij daarin gestort. Hoewel hij zich zwaar kneusde, begon hij toch te schreeuwen en riep de naam van den man, dien hij wilde aflossen. Maar ook die gaf geen antwoord. Toen kroop hij rond en voelde de zakken die Reri, als trap had gebezigd. Maar hij had beide beenen gebroken en kon zich niet tot aan den rand van het luik opheffen. Daarom schreeuwde hij, zoo hard hij kon, tot eindelijk een stuurman ontwaakt was, die op ’t dek komend uit het open luik het kreunen hoorde en bij ’t roer den dooden wacht vond en daarna bij ’t luik, de gebroken Batouwsche saks.[129]Hij liep naar de kajuit terug, nam een signaalhoorn en blies alarm.Doch dit duurde lang genoeg en voordat in de vale morgenschemering ontdekt was, waar de aanvallers waren, hadden de Batouwers de jol met de vijf-en-twintig zakken meel al weder op ’t ijs gehaald. En nu, vijf-en-twintig der mannen elk een zak graan op den rug dragend, begonnen de honderd weg te rennen, in den dreunenden, gelijkmatigen stap van krijgslieden, die een aanval doen.Zij vormden een driehoek met telkens één der mannen voorop als windbreker en de anderen, hun handen op de schouders van de voormannen leggend, vermeerderden dier kracht.Er was in al dien tijd geen woord gesproken.Zoodra de vier zwemmers uit het water waren, hadden zij slechts één woord gezegd: „Den barditus!”Dat was genoeg geweest. Sigbert, als de aanvoerder was ’t eerst voorop geloopen als spits van de wig. Maar naarmate de spits wisselde kwam hij, naar ’t oude gebruik, des te meer naar achteren, terwijl de vier zwemmers, als ’t meeste vermoeid, achteraan waren gaan loopen, opdat de voorsten den wind zouden breken. Zoo kwam het, dat na eenige gewenden, toen de achterste lieden vooraan kwamen te loopen, Sigbert met Tjeerd achteraan liep, terwijl Reri in de voorhoede was. Maar toen Baldei, die nog altijd niet geheel bekomen, in de achterhoede bleef loopen, de handen op de schouders van Tjeerd, die hem steun gaf, los liet en niet meer mede kon, floot Sigbert op zijn vingers en de saks hield stil.Zij waren, dank zij de snelle en ordelijke wijze waarop zij de vlucht hadden genomen nu zoo ver van de skigge, dat zij niet anders zouden kunnen worden ingehaald dan door paarden. Maar achterwaarts ziende bemerkten zij, dat het gevaar voor vervolging niet groot was. Want de beroofde skig lag vrij afgezonderd, ’t meest naar voren en[130]het was van de skig onmogelijk seinen naar den vasten wal te geven voor het goed licht was geworden. En dan nog … hoe zouden die van de skigge den menschen op den vasten wal op zoo’n verren afstand kunnen beduiden, dat men bestolen was en door wie. Om te verkondigen, dat zij een lading graan van ’t Paarden-eiland hadden medegebracht, was slechts noodig geweest een zak graan in de mast te hijschen en een vlag op te steken, zooveel keer als er zakken in de schepen waren. Maar die op het strand duidelijk te maken, dat Batouwers ’s nachts de skig hadden overrompeld en het ruim leeggeroofd, ging bezwaarlijker.Sigbert’s saks hield dus een oogenblik halt om te rusten en te overleggen. De mannen stonden bezweet en hijgend, leunend tegen elkaar zooals dit in den krijg gedaan wordt. De mannen, die de zakken droegen zetten ze af, omdat nu de beurt van het dragen aan een tweede vijf-en-twintigtal kwam.Sigbert opende een zak. Daar lag de dikgezwollen weite, het zeldzame, beroemde koningskoren van ’t Paarden-eiland. Sigbert woelde er met zijn hand in, liet een handvol in een stroompje weder neerglijden in den zak. De anderen drongen zich om den zak heen, zagen het prachtige koren begonnen te joelen van vreugde.„Geef mi, geef mi,” zeiden zij, de handen geopend uitstrekkend naar Sigbert, die hun handen vulde uit de zak. En zij liepen weg van den zak, de beide handen gegeuld bij elkaar, voorzichtig om niet een enkel korreltje te verliezen en toonden het verheugd den verder staanden, die naderbij drongen en met lichtende oogen keken naar dat mooie zaaigraan.Zij wreven de graantjes op de handpalm, rollend ze bewrijvend om de dikte te voelen en hoewel ze allen hongerig waren, was er niet één, die een graantje naar den mond bracht. Zij wierpen het graan weer in den zak, tot het laatste korreltje toe.[131]Het was nu geheel licht geworden. Sigbert keek nog eens in de richting van het strand. Maar de schepen waren reeds lang uit zicht en de verre velden waren eenzaam.De mannen vormden weder de saks en liepen in stevigen pas door, evenwel niet meer op een drafje, zooals zij tot nu toe gedaan hadden.Sigbert droeg nu ook een zak en het was hem niet zwaar op den rug maar alsof hij iets liefelijks droeg, dat hem vroolijk maakte en licht te voet. Zoo had hij den kleinen Herebaeld vaak gedragen in de tijden, toen hij in stilte en zonder het ooit te durven uiten, hoopte dat zijn kind met de dubbele kruin eens koning zou worden van de Batouw.Het weer was omgeslagen. Daar zij door het harde loopen allen bezweet waren, hadden zij het niet gevoeld. Maar toen ze aan het eerste bosch kwamen zagen zij, dat de stammen der boomen grijzer werden en van een enkel twijgje drupte al onder de stralen van de morgenzon een spettertje sneeuwwater. Zij zagen elkaar aan zonder wat te zeggen, te goed wetend welke gedachten dat droppeltje wekte, beangst om door ’t uitspreken van hun hoop, ’t geluk te verstoren.Zij rukten den heelen morgen zoo voort, in gezwinden pas, weinig sprekend, de saks gereed in den gordel, hun vingers in ’t voorbijgaan grissend langs den grond of een laaghangenden tak om een balletje sneeuwijs te pakken om dat ter verfrissching in den mond te steken.De vier zwemmers, nog altijd in hun met vet besmeerde lichamen, waren sterk gaan zweeten en het vet begon langs hun leden te druipen. Sigbert beval, dat vier anderen hun pelzen zouden afgorden en ze om de schouders van de zwemmers slaan.Maar Reri en Baldei waren te groot en nog twee anderen moesten hun pelzen afstaan, die, altoos onder ’t voortloopen, met de hoeken aan elkaar werden geknoopt.[132]Het bosch werd dichter en de mannen moesten daar ’t pad smaller werd, achter elkaar loopen.Op een beschutte plek achter struikgewas, wel geschikt om bij een mogelijken overval verdedigd te worden, beval Sigbert rust. Het was al later op den morgen geworden en het gevaar reizigers te ontmoeten vooral omdat de dooi was ingevallen, werd groot. De mannen gingen op stronken zitten of wierpen zich, hun berenhuid uitspreidend op den grond.De geroofde zakken werden nu allen geopend. En de mannen, zich dicht om elken zak dringend, kregen glanzen in de oogen en kreunden in de baarden van bewondering. Slanke haver, dikke, zware gerst, wichtige weite, zak na zak.Reri drong zich naar voren.„Er zijn twee zakken bij met vreemd graan,” zeide hij. „In ’t donker voelend, heb ik het niet op den tast kunnen herkennen.”De twee laatste zakken werden geopend. In de eerste zak lagen kleine, platte schijfjes van een vreemde graansoort, die geen der mannen ooit gezien had. Sigbert gaf een handvol aan den man naast zich om door te geven met de vraag of ook iemand er kennis van had. Maar in den laatsten zak waren korrels, groot als een boon, zoo geel als amber met aan de punt een wit spikkeltje.„Wat ’s dat?” vroeg Sigbert.Hij nam een korrel op en stak deze in den mond, beet haar fijn, proefde haar.„Hoe smaakt het?” vroeg er een.„Als fijne weite, maar nog zoeter.”„Zit er honing in?” vroeg een ander, die getroffen was door de goudgele kleur en den vorm van de korrels, die wel eenigszins aan de cellen in een honingraat deed denken.„Proef zelf,” zei Sigbert, hem den zak voorhoudend.Maar nu een ander dan de saksvoerder een korrel opat, wilden de anderen ook proeven. En de mannen drongen[133]zich om den zak en als kinderen begeerig, staken ze de groote, grove, rasperige boerenhanden uit en kregen een korreltje van het barnsteenkleurige graan. Zij gingen terug als met een schat, bekeken het kleinood, wreven het in de holte van den handpalm met de vinger der andere hand om en om, het keurend met de oogen zooals een kenner een edelsteen zou schatten.En dan, het naar den mond brengend, hielden ze het zaadje er lang in zonder er op te bijten, het met zachte smakjes van de tong proevend, het omwoelend in de mondholte, om langer er ’t genot van te hebben.Onderwijl waren er al eenigen, die hout hadden gekapt en een vuur aangelegd en men wachtte op het woord van Sigbert, die zou bevelen wat heden gegeten zou worden. Zij hoopten in stilte, dat zij dit keer graan zouden krijgen, maar Sigbert liet de zakken weer sluiten en beval, dat men sporen zou zoeken van wild.De mannen waren ontevreden. Eén trad voor de anderen op en vroeg, maar met veel meer deemoed, dan hij zich voorgenomen had:„Sakshoofd, wilt di ons niet wat graan geven?”„Grendeldebliksem!” stoof Sigbert woedend op, zijn hand naar zijn saks brengend, „du, smuigerd. Wilt di ons zaaigraan vervreten?”De man trad beschaamd terug. Maar een ander, die den smaak van het barnsteengraan nog naproefde, trad naar voren.„Sakshoofd … wi hebben honger … En met wild zoeken gaat de tijd weg … Dat honinggraan is toch niet om te zaaien … Laat ons dat nu opeten …”„Ja, laat ons ’t honinggraan opeten,” riepen anderen.„Hier met het honinggraan!” riepen nog weer anderen, verlekkerd door den smaak.Sigbert trok zijn saks en stelde zich voor den zak.„Wie een korrel neemt, kloof ik den kop!” riep hij.[134]„Stemmen, stemmen!” riepen de mannen terug.Sigbertkeek naar Reri.„Ja vaêr, laten wij stemmen!”„Zult di dijn vader afstaan, snotjongen?” zeiSigbert, zijn zoon een stomp voor de borst gevend.„Is dat mijn loon, vaêr?” vroeg de reus, bedroefd ter zijde gaande.„Stemmen, stemmen!” riepen de anderen met meer onstuimigheid.Maar de ouderen onder de mannen, die zelf vaders waren en met bewondering zagen naar hun aanvoerder, die zoo zijn vaderlijk recht wist te bewaren, willende toonen, dat zij ook niet bevreesd waren voor hun zonen, gingen bij Sigbert staan, toonend dat zij voor hem partij namen. De vader van Hindar was de eerste, die naastSigbertstond. Maar Hindar, op hem toetredend zei:„Vaêr, ik moet eten … Du weet wel vaêr, de laatste bete heb ik gisteravond gehad … en toen heb ik met di gedeeld …”„Laat ze eten, Sigbert!” zei nu de vader van Hindar.„De zwemmers kunnen krijgen!” gaf Sigbert toe.„Stemmen, stemmen!” riepen de anderen dreigend.„Vooruit dan … wie ’t zaaigraan wil vervreten, steek op zijn saks …”Alle saksen werden opgestoken. Sigbert boog voor de overmacht. De zak werd weer geopend en een der Batouwers, die een kleinen helm droeg, gaf ze om als maat te dienen.En nu mocht elk man een halven helm vol van het zoete barnsteengraan uit den zak putten. Zij hielden hun pels als voorschoten op en liepen met hun schat naar het vuur of zetten zich wat verder alleen weg en begonnen het zoete graan rauw op te knabbelen.Alleen Sigbert at niet.„Vaêr!” zei Reri, „du eet niet?”„Dijnvaêrvreet zijn vrijheid niet op!” zei de Bataaf norsch.[135]Toen keek Reri even terzij naar Tjeerd, die al den mond vol had. En nog even wijfelend, wierp hij zijn deel weer in den zak terug.„Gaat di mee Tjeerd … sporen zoeken?”„Eerst eten …”Maar tegelijkertijd zag hij naar zijn vader op en boog het hoofd.Hij wilde nog een handvol graan naar den mond brengen. Maar hij dorst niet en schuin het hoofd afgewend, liep hij nu ook naar Sigbert toe en wierp de handvol graan, die hij nog slechts over had, ook in den zak.„Ik had honger,vaêr!” zei hij verontschuldigend, hoewel de oude niets gezegd had, alleen met de driehoekige oogen fél hem aanstaarde.„Het was di geraden, knaap. Du hattet dijn erfdeel opgevreten … Ga mee met dijn broeder …”De twee liepen ’t kreupelhout in, zwijgend, onderworpen, beschaamd, voelend het overwicht van den vader, die hongerend zooals zij en met de volle beschikking, deeenigevan allen was geweest, die sterker zich toonde dan het verlangen, dat als een pijn knaagde in de uitgehongerde maag.„Als ’t voorjaar wordt, moet-ie koning worden!” zei Reri tot Tjeerd. „Denk er wel aan jong, onze vaêr is de grootste Batouwer.… Hij moet koning worden.”Tjeerd spuwde de restjes van ’t graan uit zijn mond en rilde met ’t hoofd als walgde hij nu van dat heerlijke koningsgraan.Zij liepen beiden, de oogen naar den grond, zoekend of ook ergens den indruk van een dier merkbaar was. Doch zelfs hun geoefende oogen konden niets onderscheiden op den hard bevroren grond van sneeuwijs. Maar dichter in ’t hooge hout, waar de boomen zoo vast opeen stonden, dat de vorst eenigszins geweerd was, merkten zij gebroken takken, waar blijkbaar een dier doorgang had gezocht. Opeens hield Tjeerd stil.[136]„Wat is dat?”In ’t sneeuwijs stak een zwartige punt uit. Tjeerd rukte het voorwerp uit de aarde.„Een sandaal!”.… zei hij.„En geen oude.… daar zijn hier menschen.”„Wat voor menschen.…”„Roovers! Anderen zijn niet in den winter hier in den dikicht.”Zij liepen voort, volgend het spoor van de weggebroken takken en vonden weldra een klein offerblok en vandaar voortgaande vonden zij den ingang van ’t hol, dat met een zwaren steen was afgesloten, maar die de twee sterke kerels al spoedig hadden terzij geschoven.Beiden traden dadelijk terug.„Daar zijn lijken in!” meende Reri.„Aan den stank te zeggen, ja!”„Wij moeten vuur maken … ’t Is te donker.”Zij keken rond, maar zagen geen kienhout. Het was een bosch van beuken en eiken.„Wij moeten een lichtgat maken. Vooruit jong!”Reri begon al met zijn saks boven in de sneeuwaarde te woelen en Tjeerd van de andere zijde wierp de uitgewoelde aarde terzij. Toen zij op een armdiepte waren, kwamen zij al aan de laag bladeren en mest, die spoedig doorgestoken was. Uit het gat steeg dezelfde doordringende stank op.„Zooals ik di zei, lijken.”Hij maakte het gat nog wat grooter en nu weer, van de holterp afglijdend, gingen zij den ingang kruipend binnen.Bij ’t daglicht, dat door ’t lichtgat boven, nu binnenviel, zagen zij de lijken van drie mannen en een vrouw in ontbinding. Het hol was volgestapeld met zadels, schilden, huiden, kortzwaarden, bronzen bekkens, urnen met bronzen sluitspelden. Maar iets om te eten vonden ze niet.[137]„Wat denkt di, Reri?” vroeg Tjeerd.„Dat zijn roovers, die zichzelf gevangen hebben. Zij hebben zich in ’t winterhol opgesloten en vuur gestookt. Toen is ’t vuur ’s nachts, toen ze den steen al voor ’t gat hadden gewenteld, gaan aansmeulen en zij zijn gestikt … Wat zei ik di … hier ligt er nog een … die is bijgekomen en is nog naar den uitgang gekropen … maar hij was te zwak. Ga naar vaêr jong en roep hem. En laat de mannen kienhouten meenemen. Ze zullen wel graankuilen hebben gehad..”Tjeerd snelde terug en onderwijl begon Reri het lichtgat grooter te maken. Hoe meer licht er binnenviel, des te meer ook werd hij van de juistheid van zijn veronderstelling overtuigd. Roovers waren het zeker geweest. Dat zou een kind zien aan de soort van schatten, die zij verzameld hadden. Maar waren zij werkelijk gestikt? Of hadden zij geen leeftocht meer gehad?Die daar lagen, half vergaan, toen weder bevroren en nu weder ontdooid, zouden het niet meer zeggen. Reri keek naar de ontbindende lichamen en rilde. Het gezicht van een krijger, op ’t slagveld gedood of van een mensch, kalm in zijn hut gestorven, maakte op hem geen indruk. Zij voeren op naar Wotan en waren voortaan gelukkiger dan op aarde. Maar deze hier, wier lichamen niet verbrand waren geworden, en wier zielen dus eeuwig zouden rondzwerven in den poel van Grendel, tot straf voor hun euveldaden, boezemden hem afschrik in.Zijn honger dreef hem om in ’t stinkende hol rond te zoeken naar leeftocht. Zijn oogen waren nu gewend aan ’t schemerduister en tastend met de handen langs de met koemest en dorre bladeren bestreken wanden, vond hij achterin weder een grooten sluitsteen. Hij wilde hem wegrukken, maar de steen was te zwaar. Nog was hij bezig gebukt in het donker den steen weg te schuiven toen hij al het gele licht van de brandende kienhouten zag, waarmede Sigbert en andereBatouwersnaderden.[138]Nu konden zij in ’t hol goed zien, welk vreeselijk einde de roovers hadden gehad. In ’t midden stond op een vuur van houtskool een groote pot, waarin een weeke massa. Melksoep, die eerst tot bederf was overgegaan en toen weder bevroren. Er lagen wel tien lijken in ’t hol, mannen en vrouwen. Een vrouw lag dicht tegen een wand bij den toegangssluitsteen, de rechterhand met de magere, zwartige vingers nog gekromd uitgestrekt naar den steen, die hun noodlottig was geworden.Reri en Tjeerd samen slaagden er in den steen van het tweede hol weg te schuiven. Dat was de welvoorziene voorraadkamer. Er lagen eenige zakken met graan, stapels gebakken, harde winterbrooden. Er hingen aan touwen stukken gedroogd vleesch en een twaalftal zijden spek. Tegen de wanden stonden groote, met was afgesloten, aarden vaten. Sigbert opende ze met zijn saks. De vaten waren gevuld met honig, mee, gestoofde bessen, ongebrande molleboontjes, meel, gesmolten vet.Nu was er geen rede om niet te eten.„Vrèt jong, vrèt!” zei Sigbert tot Tjeerd. „’t Is je gegund!”voegdehij er tot Reri bij. En deze, niet langer wachtend, trok een reep gedroogd vleesch los en begon als met geeuwhonger te eten. En ook Tjeerd en de vijf andere mannen deden zich te goed aan wat zij maar ’t eerst grepen.Sigbert, met een reep spek in de hand, liep naar buiten en met zijn machtige kaak kauwend op de reep spek, snelde hij terug naar ’t kamp, vertelde van de ontdekking en geen der mannen wist van vermoeidheid. In een vaart liepen ze naar het roovershol, dat weldra zoo vol was, dat er geen mannen meer binnen konden. Maar die binnen waren reikten door ’t lichtgat, dat Reri gemaakt had, voedsel naar buiten. Heele zijden spek, groote potten met meel en honig werden naar buiten aangegeven en de mannen, bemerkend dat er overvloed was, sneden lange[139]repen uit het spek en begonnen als dieren te knagen, knorrend van genot, malkaar aanziend met verheugde blikken.Maar daar de stank binnen te sterk was, kwamen alle mannen spoedig naar buiten. Een paar, die al half voldaan waren, begonnen onder leiding van Sigbert het lichtgat grooter te maken. Anderen kwamen helpen en spoedig lag het roovershol bloot met zijn rijkdommen, zijn voedsel en zijn vergaande lijken.Een paar mannen, dankbaar voor ’t voedsel, spraken er over, de lijken te verbranden en in een paar der ledig gegeten vaten bij te zetten.Maar anderen waren er tegen, meenden dat menschen niet mochten ingrijpen in den wil van Wotan, die de roovers zeker had gestraft voor menige euveldaad en deze laatsten kregen gelijk.Nadat allen verzadigd waren, werd de voorraadkamer van de roovers leeg gehaald en onder de honderd door Sigbert verdeeld. Onderwijl trokken de aangewezen dragers terug naar ’t kamp om de vijf-en-twintig zakken graantehalen en toen deze terug waren, zette de saks van Sigbert den tocht naar de Batouw voort.Sigbert bleef bij het hol staan om bevelen te geven en voor de lucht te zorgen. Het bevreemdde hem, dat nog niets van een vervolging gemerkt werd en hij speurde rond of hij wellicht de vlam van een seinvuur zag of luisterde nauwlettend of ergens een horen toette. Maar ’t was doodstil en alleen het hem liefelijk geluid van de smiltende druppelen die in de twijgen patsten, vernam hij.Tot het laatste stukje vleesch was weggedragen uit het hol van de roovers. Toen wilde een man, die weinig te dragen had, een bronzen ketel medenemen.Sigbert riep hem terug.„Wat doet di daar?” vroeg hij streng.„Voor mijn moei!” antwoordde de man.[140]Sigbert pakte hem bij den schouder, rukte hem de ketel uit de hand en wierp hem met een vaart in ’t hol terug, waar hij met een helderen tink neerviel tusschen ’t andere brons.„Batouwers zijn geen dieven!” sprak hij dreigend. En zijn oogen vlamden. Toen, ziendedat de mannen gereed waren, liep hij zijn troep langs en zijn saks opstekend in de lucht, zetten zij hun vlucht voort.[141]

[Inhoud]HOOFDSTUK IX.Maar de honger begon ook te nijpen in de Batouw. De weinige kuilen met graan, die de Dantubaren niet hadden ontdekt, waren volgeloopen met smeltend sneeuwwater en later had de ongewoon strenge vorst water en graan tot een harde ijsklomp bevroren. Er was in de heele Batouw geen mensch, die heuchenis had van zulk een strengen winter.De zwarte ziekte begon slachtoffers te maken en van alle zijden kwamen maren van hongersnood, koude en vorst.Ook in de hut van Sigbert werd honger geleden. Zij hadden den grooten waakhond al moeten slachten en aten nu sedert dagen niets dan moes van dorre bladeren. Vergeefs liepen zij het woud af om wild te zoeken. Het wild was, instinctief den kouden winter voorvoelend, naar andere streken gevlucht en de weinige hazen, vossen, wolven en evers, die nog waren achtergebleven, ten buit geworden van de honderden hongerige Batouwers, die de bosschen afstroopten.Ook bij de Frisen was de oogst slecht geweest. Maar koningTjilbardhad wel veertig groote schepen naar ’t Paarden-eiland gezonden met barnsteen, albasten schijven, koehuiden en fraai besneden zetels, broodplanken, messenheften, sierframmen beladen, om graan te gaan ruilen op ’tPaarden-eiland.Daar zou dus geen gebrek zijn! MaarTjilbard, zou niet voor niets van zijn voorraad aan de Batouwers afstaan en veel om te ruilen hadden de Batouwers niet, want de Frisen waren rijk en kunstvaardig en hadden in hun rijk alles wat de Batouwers ook hadden.[115]Doch de geschenken, die Sigbert en zijn zonen van Maresag hadden gekregen, de mooie pels van marterbont van Sigbert zelf en het prachtige bronzen kortzwaard van Reri en zijn jachthemd met de koperen schakels en zijn bronzen helm, dat waren schatten, die ook de Frisenkoning wel gaarne zon willen bezitten en inruilen tegen graan.Daarom dan zouden Reri en Tjeerd naar der Frisen koning optrekken en hem bericht brengen van prins Istovar en hun kostbaarheden in ruil voor graan aanbieden.Zij trokken in snelle dagreizen naar Jelhiem, de hoofdstad van het land der dappere Frisen. Maar aan de grens van het Friesche gebied vernamen zij van de groote hongersnood, die ook in Frisenland heerschte en al zoude men graan tegen goud willen opwegen, dan nog zou geen graan aan vreemdelingen medegegeven worden, want het volk zou in dat geval zeker oproer maken.De skigge van koningTjilbardwaren wel teruggekeerd van het Paarden-eiland en blijkens de signalen waren ze volbeladen met graan. Doch de toegang tot de Aamshaven was bevroren en het ijs was te dun om er overheen te kunnen loopen tot aan de skigge, die ingevroren lagen.Dag aan dag stonden de hongerende Frisen aan de kust uitkijkend naar de zwaar beladen skigge maar alle pogingen van die van de schepen om aan land te komen of van die van het land om de schepen te bereiken, faalden.Een breede geul van stroomend water midden in ’t ijs maakte het onmogelijk de schepen te naderen noch te voet, noch met kleine scheepjes,nochmet groote vaartuigen.Enkele dappere mannen hadden het gewaagd zoover mogelijk over het ijs te loopen, dan het ijs stuk te hakken en zoo zich tot de geul door te werken. Maar in ’t ijskoude water waren zij door kramp bevangen en weggezonken. Reri ging naar koningTjilbard, en verhaalde hem ’t wedervaren van zijn zoon prins Istovar.De koning vloekte, zeide dat hij reeds van Melle de[116]tijding had ontvangen en vroeg waarom de Bataaf oude wonden kwam openrijten.Reri verontschuldigde zich en bood nu zijn schatten aan smeekend om één enkele zak graan.„Van wien hebt gij al dat moois?” vroeg de koning wantrouwig.„Van Maresag, den hoogepriester en Harimona, de heilige maagd!”„Dus du bent wel uitverkoren geweest, maar mijn dapperen zoon niet.…”„Ik was wachter heer, bij de schattenschuren! En de heilige maagd heeft vader een rijken oogst beloofd. Ik smeek di, geef ons één zak graan en wij zullen di dankbaar zijn en als de goede tijden voor de Batouw aanbreken gedenken, wie onze vriend in den rampspoed is geweest.”„De heilige maagd Harimona heeft dijn vader een goeden oogst voorspeld.… En daarop vertrouwt di?.… Zotskoppen zijt di.… bij elkaar. Door dijn zotskopperij is ook in ’t Frisenland den roep van de heilige maagd Harimona verbreid en mijneenigezoon heb ik daardoor verloren … Als du weder heilige maagden kent, moogt du di eerst beter vergewissen, want dijne Harimona is een veile deern, een liderlicke hure, die met een Nervischen prins gevlucht is.… De trouwe Melle heeft mi de kond gedaan.…”„Dat liegt di, koning”zeide Reri verontwaardigd.„Pak di weg met dijn schatten.… KoningTjilbardverlangt geen hurenloon … Pak di weg … Hurenknecht!”Met smaad waren Reri en Tjeerd weggezonden. Zij trokken eerst naar de kust om naar de graanschepen te zien. Daar lagen ze, veertig groote Frise skigge, met breede, hooge boegen en lange masten, waarvan de dunne lederen zeilen niet waren opgerold, maar stijf bevroren, strak uithingen aan de rondhouten.Reri, tegen een paal geleund, keek lang en aandachtig naar de schepen.[117]„Zou di niet durven?” vroeg Tjeerd.„Als ’t moest zijn!” zeide Reri kort.…„Du zou al di Frisen te schande maken.…”„Wat heb ik daaraan.… Als ik nu ’t graan van hun skigge haal, is ’t niet voorTjilbard.… Kom mee jong, eerst naar vaêr toe om raad te vragen.”Hoewel zij hongerden en zich met weinig anders voedden, dan met visch, die zij in stroobosschen ’s nachts op de Frise waters vingen en rauw opaten, liepen zij met snelle schreden terug naar de Batouw.Zij vertelden Sigbert van de ontnuchterende ontvangst bij KoningTjilbard.Sigbert wreef een traan uit zijn oog.„Grien jevaêr?” vroeg Reri ontzet.„Ja jong.… ja jong.… als dat waar is.… als die Harimona een hure is geweest, dan is ’t gedaan met de Batouw.… Dan moeten wij weg.… met de saks er op uit een nieuwe ouw zoeken.… En dan begint het moorden weer.… dan moeten wij anderen menschen vellen … en vrouwen en kinderen verjagen.… ’t Is hard hoor.… ’k Heb nooit graag de saks gezwaaid … Wat is dat voor bloedgierig werk?.… Achter den ploeg wil ik loopen.… dat wil ik, van den nuchteren morgen tot in den zwarten schemer. En met dijn moêr wil ik de sikkel slaan.… dat wil ik, naar Batouwschen aard … Dat ’s trouw werk en daar valt zweet bij maar geen bloed.… Grendeldebliksem … zouwen wij Batouwers van ons land afmoeten! Zouwen wij jong? Dat mooie land, dat je overgrootvaêr heeft gebouwd, en je grootvaêr … je moeders moer en je moer.… Wat zeiTjilbard? Is zij een hure! Wee, dien hure.… als zij mij bedrogen heeft … Den kop inhakken met den saks zal ik haar.… die kol, die dop … Grendeldebliksem.… d’r witte haren zal ik rood maken!… Grendeldebliksem hier.… met mijn saks!”Hij had de saks van den wand genomen en drilde ze[118]in zijn schorschige vuist.… Ontzet zag Reri hoe dun vaders polsen waren geworden.„Vaêr,” zei Reri, „er is wel raad.…”„Wat zou hier raad jong?… Zie di niet hoe dijn arme moeder afgeteerd is?… Hoelang vreten wij nu blaremoes? In Dantuba zijn ze allen verrekt van de kou en den honger.… Hoe lang zal ’t hier nog rekken?.… Hari, de bode is hier geweest.… Weet di wat hij vertelde?.…”Sigbert kwam dicht bij zijn zoons staan en Reri diep in de oogen ziende met zijn driehoekige groene oogen onder de schuin neerhangende oogleden.…„Aan de grens hebben Batouwers van den honger elkaar opgevreten.… Van den hònger.… van den hònger, van den hònger, jong!.…”Hij hief zijn saks dreigend op tegen een denkbeeldigen vijand, maar viel toen weer moedeloos neer op een hoop brandhout, zijn oud hoofd gebogen en snikkend hikkend met de borst zonder te weenen.„Ik weet een middelvaêr.…”„Wat zou di weten?.…”„Wij moeten de Frische skigge veroveren.…”„Wat zeg di jong.… Batouwers rooven niet.…”„Batouwers vretennuelkaar op van den honger,” waagde Tjeerd bitter te zeggen.„Hou dijn mond, du melkmuil …” toornde Sigbert op.„’t Is zoo vaêr … Tjeerd zegt ’t rechte woord … wij moeten.… Als ’t nou niet is, moeten wij in ’t voorjaar er op uit.…”„De Frisen zijn onze bondgenooten.…”„Stikken kunnen ze.… die bondgenooten. Geen zak graan ruilen ze voor een marterpels, die tien akkers groenland waard is … Als wij de skigge overvallen hebben wij graan zat … en ook om te zaaien in ’t voorjaar … Waar wil di ’t zaaigraan vandaan halen,vaêr?… En anders moeten wij weg uit Batouw … Op de schobberdebonk naar een[119]nieuw ouw.… Dat zal wat geven, met de Batouwers … Ze vechten tegenwoordig overal nieuwerwetsch met ’t kortzwaard.… Daar kunnen wij niet tegen op met de saks …”„Ik zou wel willen zien, wie mi de saks uit de hand sloeg …”Hij hief zijn gepunte bijl weder op en drilde hem heen en weer, dreigend tegen eendenkbeeldigenvijand.„Du vaêr ja … du wel … maar d’er is al veel volk onder de Batouwers, die al in geen jaren van achter den ploeg zijn weggeweest … Du moet ze zien, zooals ze tegenwoordig vechten bij de Kaninefaten en de Sfafen op de wijze, die van ’t Paarden-eiland is ingevoerd. Op lage wagensvaêr, met vier vlugge peerden er voor en dan twee kaerels er in, één met met kortzwaard en schild en één die stuurt … Daar kan di met een saks niet tegenop … De peerden rijen je omver, de kerel hakt van zijn wagen op je in en als du terug hakt, is-’t-ie weg met zijn kar …”„Grendeldebliksem, twee tegen een … Dat’s smuigerswerk!”„Ze doen ’t ’em maar, vaêr. En als de kop gekloven is, lig je … Als du nou wou vaêr … als du dijn saks opriep, en dan flink aangeloopen naar de kust en dan wij, als Batouwers, met ’t schild en de saks over ’t ijs tot aan de waterrand. En dan ik met nog een paar zwemmers flink ingesmeerd met berenvet, met een taai touw om ’t lijf. Dan bij de skigge het touw vastgelegd aan één skig en dan weer met het touw terug. Als dan de heele saks aan het trekken gaat, krijgen wij een heel skig over den stroom heen en wij kunnen dan de zeelui binden en de skig leeghalen …”Sigbert had aandachtig toegeluisterd.„Dat zou één skig zijn.”„Dat’s genoeg.”„En de wraak van de Frisen?”[120]„Bent-di bang vaêr?”„’t Zijn kwaje kaerels als ze beginnen.”„Honger is ook een kwaje kaerel.”„Als du ’t wilt, welnu dan jong … daar is dijn vaders hand …”Nog dienzelfden dag waren er op de heuvels vuren ontstoken, om de lieden van de streek te waarschuwen, dat er een saks gevormd moest worden en den volgenden morgen vroeg trok Sigbert met honderd Batouwers naar de Frise kust.Zes nachten zou de voetreis der honderd duren, vóór zij aan de kust kwamen, waar de skigge lagen. Zij moesten afzonderlijk optrekken, want een gewapende saks van honderd Batouwers zou door de Frisen spoedig bemerkt en gevangen genomen zijn.Bijna allen waren verzwakt door de lange tijden van schaarschte en maar een twintigtal, die vroeger tegen de Dantubaren gestreden hadden, waren vaardig met de saks. Reri was de grootste en sterkste van allen. De meesten, blondharig, breed van schouders, gedrongen van bouw, waren iets kleiner dan Sigbert. Doch moed hadden ze allen, wetende welke buit hun wachtte en ook welke waarde die buit voor hen had. Het was niet alleen graan, waarmede zij den nijpenden honger van zichzelf, vrouw en kinderen konden stillen. Maar graan, dat was voor hen ook zaaigraan, heteenigemiddel om ’t volgende jaar aan den hongersnood te ontkomen, heteenigemiddel wellicht om hun anders zoo vruchtbare ouw, in vrede te blijven bezitten. Want niets was vreeselijker dan op verovering van een nieuw gebied uit te gaan. De volksstammen waren talrijk en geheel Germanje was in de vruchtbare streken dicht bewoond. De voorbeelden waren niet zelden, dat stammen, die hun gebied verlaten hadden, overal waren verjaagd, opgedrongen, aangevallen, bestreden tot zij eindelijk weer het oude gebied opzochten, maar[121]daar reeds een nieuwen stam vonden. Dan moesten ze om het eerst verlaten land met de wapens in de vuist twisten en zoo waren wel gansche stammen uitgemoord of tot hoorigen en slaven gemaakt.Waar zouden de Batouwers heen? Aan het bezetten van de ouwen der Frisen was niet te denken. De Frisen, hoe vreedzaam ook wanneer zij niet aangevallen werden, waren onoverwinnelijk als zij tot verdediging genoodzaakt waren. En de Frisen waren een ras van krachtige, slanke lieden, vaardig óók al op het nieuwerwetsche kortzwaard en onstuimig in den stormloop.Naar de gebieden der Bellovaken en Nerviërs zouden zij evenmin kunnen trekken, want de Nerviërs waren uitstekende ruiters en de Bellovaken streden wel tegen die van ’t Paarden-eiland, zoodat een Batouwer hier op geen overwinning mocht hopen. Naar de zijde der Sigambers en Chatten was wel een uitweg te vinden, maar die te verjagen naar de Hermoendoeren zou niet gaan, want de Hermoendoeren waren vrienden van de Cherusken en die twee stammen konden niet door de Batouwers verslagen worden als zij de Hermoendoeren nog daarbij voor zich uit hadden te drijven.Zij moesten in hun ouw blijven en de honderd wisten wel, dat het van het gelukken hunner rooftocht afhing, of zij in ’t voorjaar zaaigraan zouden hebben.Er waren in deze koude dagen weinig lieden buitenshuis en vooral niet op de groote wegen. Want de honger had die wegen gevaarlijk gemaakt voor reizigers, die niet in groote troepen trokken. En daar in den winter geen groote reizen werden gemaakt, trok de Batouwsche saks onbemerkt het Frisenland binnen. Vooraf gingen straalsgewijze uitelkaar tien verspieders, die als zij twee gewenden geloopen hadden, weder straalsgewijze tot elkaar liepen. Waren zij bijeengekomen en had de weg niets verdachts opgeleverd, dan liepen twee van hen in twee richtingen in draf terug tot[122]zij in ’t gezicht van de volgende tien man kwamen, die zij door ’t opsteken van een grooten tak waarschuwden, dat zij voort konden loopen.Die tien deden door twee hunner op dezelfde wijze de tien volgende waarschuwen en zoo voort van hoede tot hoede.Was er onraad bespeurd, dan staken de voorloopende een tak op met een dwarstak bovenaan. Onmiddellijk liepen dan de tien mannen in stralen uiteen en kwamen, al naar afspraak na meer of minder gewenden afstands, weder straalsgewijze tot elkaar.De mate van ’t dreigende gevaar konden zij zien aan de wijze waarop de dwarsstok op de rechtstandigen was gestoken, meer of minder zuiver kruisvormig. Was de dwarsstok plat op de rechtstandige gelegd in een T vorm, dan was ’t gevaar ’t grootst.Reri was bij de voorste troep der tien mannen; hij kende den weg en wist de bewoonde streken, die voorzichtig gemeden werden. Daar rivieren en meren en poelen overal hard bevroren waren, kon hij een rechte korten weg volgen en zoo stonden de eerste tien, na zeven dagen van langen ingespannen marschen ’s avonds aan het strand en zagen heel in de verte in ’t maanlicht de donkere rompen van de graanvloot.De twee konders liepen terug om de andere tienmannen te waarschuwen en het laatste eind van den weg werd in den nacht in looppas afgelegd zoodat het nog donker was toen de honderd zwijgend, met de saks in de vuist, gereed voor tegenweer tot op den dood, bij elkaar waren.Onderwijl waren Reri, Hindar, de snelzwemmer, Freihals, die met Reri samen op een Scandischen skig had gevaren, en Baldei de jongere, bezig met de voorbereiding voor den zwemtocht. Het was windstil en hoewel de maan reeds onder was, toch nog licht door de heldere sterren aan den onbewolkten nachthemel. De vier Batouwers, de beste[123]zwemmers van den heelen stam, smeerden zich dik in met berenvet van het hoofd tot de voeten zoodat hun lichamen door een dikke laag hard vet waren bedekt. Nu werden de tien einden touw, die de tien mannen hadden gedragen, aan elkaar geknoopt en de vier zwemmers, onderling door touwen aan elkaar verbonden om bij ongeval elkaar te kunnen steunen, liepen vooruit over het ijs gevolgd door de overigen mannen van de saks van Sigbert. Toen zij daar kwamen waar het ijs geen mensch meer houden kon, omdat door de sterke strooming, die daar stond, het water niet dichtvroor, hielden de sakslieden stand elk met een gedeelte van het touw in de handen, dat zij langzaam lieten uitvieren.De vier zwemmers, de saks in den gordel, sprongen zacht in ’t ijswater en begonnen schuin op de rechter zijde zich werpend met kalme, slagen op de schepen toe te zwemmen. Reri, die merkte dat Baldei, de jonge, in zijn overmoed te snel zwom en zoo telkens een ruk vooruit aan het touw deed, waarmede hij aan de drie anderen was verbonden, waarschuwde hem.„Zacht aanvangen Baldei.… anders houd di ’t niet vol …”Maar Baldei, trotsch op de jonge kracht van zijn prachtige leden en zijn stronkige spieren, wilde niet luisteren.Toen sloeg Reri even twee slagen sneller uit en gaf hem een slag met vuist op den schouder.„Grendeldebliksem, zal di hooren.… als du nogmaals aan het touw trekt verzuip ik di.…”De jonge man hief even boven ’t lijf op uit ’t water, maar verbeet de pijn en zwom nu kalmer door.Een geruimen tijd zwommen de vier zoo door ’t ijswater. Maar ’t berenvet in de koude stollend om hun lichamen, hield hen warm en eenmaal in de beweging was de bloedsomloop snel genoeg om hen voor krampen te bewaren.Eindelijk beval Reri dat zij drijven zouden zonder zich[124]te roeren. Hij had de wacht gezien op ’t eerste schip, dat zij nu al dicht genaderd hadden.„Wij moeten langs het roer op.… Anders kom je nooit op een Frise skig.…”Een ijsbergje dreef aan. Reri hield het met zijn schouder tegen.…„Hierachter aan mannen!” zei hij. Hij haalde zijn saks uit den gordel, sloeg het wapen met de scherpe punt van den bronzen bijl vast in den ijsberg en zachtjes met de voeten trappend, stuwde hij het ijsbergje met duwtjes naar het roer van het schip. Hij hief den vinger op, zijn lichaam steunend op het roer en de drie anderen, de handen klemmend om de stuurstaart, ’t hoofd half boven ’t water, wachtten.Reri maakte het touw los van zijn gordel en zijn saks in de hand nemend, hakte hij het hout rond een zwaren spijker boven zijnhoofd los, zoodat hij er zijn gordel aan kon binden.„Het ishoog tijd. ’t Weer slaat om” fluisterde hij tot zijn makkers. „Het ijs in de strooming is al gesmolten tot hier. Toen ik wegging lagen de skigge nog in ’t ijs en nu zijn ze al aan ’t water toe. Kom hier Baldei.… du bent de langste.… ga in de gordellus staan.… Dan klim ik langs dijn schouders en reik aan de verschansing … Dan hier wachten.… tot ik terug kom. Maar hoort di onraad of een plons, dan wegzwemmen.… Om mi is het dan toch gedaan en boven komt di toch niet zonder hulp.…”Baldei stond in de gordellus en zijn saks vastslaande in ’t hout, hield hij zich zoo rechtop. Reri klom langs hem op, voorzichtig en moeielijk, want beider lichamen, glad door het berenvet, gaven geen houvast. Maar Reri wreef zijn handpalmen droog tegen de ruwe kiel van de skig en vast de schouders van Baldei pakkend, heesch hij zich op diens rug, zette nu de voetzolen in de gleuven van de[125]schouderspieren, die Baldei opzette en nu zachtjes aan zich oprichtend, kon hij met de handen de rand van de borstwering van de skig grijpen, die aan de roerzijde ’t laagst gebouwd was.Nu, de saks bij den steel in den mond pakkend, heesch hij zich op het dek.De roerganger stond geleund tegen het vastgezette roer met den rug naar Reri toe. Reri deed drie schreden voorwaarts, hief zijn saks met de rechterhand op en sloeg met één slag den man schuin tegen den slaap tegelijk met de linkerarm hem opvangend en de hand tegen ’s mans mond houdend, opdat hij niet kon gillen.Toen de wacht neerviel, zonder een geluid, herkende Reri hem met ontzetting. Het was een oude kameraad, een Scandiër, die hem toen Reri nog scheepsjongen was, knoopen had leeren leggen en netten breien.Maar lang peinsde hij niet. Hij legde het lichaam van den gedoode zachtjes neer.… Op zijn vette linkerarm bleven wat roode pareltjes bloed hechten, dat was alles. Daarna sloop hij, welbekend met de inrichting der Frise skigge, naar het ruimluik. Toen hij zijn saks als koevoet gebruikend, den ijzeren sluitriggel over de kram heenzette, brak zijn saks. Hij nam den riggel met de handen vast, zette zich schrap en poogde den riggel te verbuigen. Doch zelfs zijn kracht reikte niet toe. Hij keek rond.… liep op ’t lijk van de wacht toe, haalde diens ijzeren mes uit de scheede en sneed het hout rond de kram weg. Toen gaf de riggel mede, en het luik kon opgetild worden. In ’t zwarte gat van ’t ruim zag hij niets. Maar dit behoefde niet. Hij kende de wijze waarop de skigge gestouwd werden, liet zich in ’t luik afzakken, de hand om den rand van ’t vierkante luikgat gekneld en even heen en weer zwaaiend voelde hij grond. Hij liet zich los en viel op de leeren zakken.„Jammer,” dacht hij „dat ik geen licht heb om te kiezen.”[126]Hij greep met zijn vingers tastend in de zakken. Dat was graan.… en dat was rogge.… en dat wat ronder, dat zoo stak, dat was gerst.… en dat.… dat.… hij voelde nogmaals en nogmaals.… het waren kleine ronde korreltjes, maar wàt voor graan ’t was kon hij niet goed op ’t gevoel onderscheiden. ’t Zal spelt zijn, dacht hij.En nu stapelde hij snel eenige zakken op elkaar, zoodat hij een soort trap vormend, makkelijk bij de opening van ’t luik kon komen. Met twee zakken gerst klom hij naar boven, sloop naar ’t roer.„Gauw, gauw,” zei Baldei.… „het water bevriest op mijn leden.…”„Volhouden!” riep Reri. Hij gaf hem den eersten zak, die Baldei overgaf aan de twee, die op de roerstaart zaten en wachtten. Toen de tweede.„Volhouden!” riep Reri.… „er komen er meer.”„Ik kan niet.… ik verstijf.…”Toen boog Reri zich over de verschansing, en een stuk touw latend afhangen gebood hij Baldei, dat vast te pakken.„Ik kan niet meer. Ik kan mijn leden niet meer bewegen.”„In je mond!” beval Reri.De jonge Batouwer pakte het eind van het touw vast met zijn tanden.Reri, kennend de sterkte van het gebit der jonge Batouwers, die al als knapen zich oefenen in het tillen met de tanden, trok Baldei op, die nu boven het water zweefde, stijf bevroren maar klemmend zijn tanden, sterk als het gebit van een roofdier om het touw, schuingebogen het hoofd. Toen hij hem tot aan de rand van de verschansing had, greep hij hem snel bij den gordel, die kraakte vanhet ijs. Dan haalde hij den verstijfden, jongen reus op het achterdek.Onmiddellijk begon hij hem krachtig te wrijven. Het waren niet zijn leden, die bevroren waren. Doch het vet[127]was door ’t schuren tegen het roer weggewreven en het warme lichaam, leunend tegen de dikbevroren kiel, was eerst vochtig geworden en toen was ’t water op ’t harige lichaam bevroren.Nu kwam Baldei weder bij en kon zijn leden weder bewegen. Met schrik zag Reri in de verte aan den einder de eerste paarsche schemer van het komende morgenlicht.„Kom mee,” beval hij.Weer daalde hij in ’t ruim af en gaf Baldei zakken aan, een, drie, zes, acht.… twaalf.… vijftien.… tot vijf en twintig. Toen droegen ze beiden de zakken naar de achterplecht.…„Dat krijgen we zoo nooit weg!” meende Baldei.„Neen.… wij moeten de jol kapen.… kom mee.…”Zij schreden naar ’t hooge voordek, sjorden de jol los … droegen haar dwars over het skig naar ’t achterdek en nu lieten de twee reuzen alleen de jol zachtjes met de punt vooruit langs het roer glijden. De twee beneden begrepen dadelijk waarom ’t ging, stutten het vaartuigje, zoodat het recht op ’t water kwam te liggen. Baldei liet zich weer af in de gordellus en nam de zakken een voor een aan, gaf ze aan de twee mannen beneden, die ze stouwden in de jol ….Toen de vijf en twintigleeren zakkenmet graan er in lagen, zakte het vaartuig tot den rand in ’t water.Reri liet zich langs Baldei afgleden, hielp Baldei bij ’t afzakken en nu wierpen de vier zich in ’t water, de jol voor zich uitduwend. Maar Baldei, niet meer beschut door ’t berenvet, voelde de krampen komen.De twee anderen wilden zooveel zakken graan overboord werpen, dat Baldei in de jol kon blijven zitten, zonder dat deze zonk. Maar Reri, die te goed wist wat een enkele zak graan beteekende voor de toekomst van den stam verbood dat. Steunen konden ze hem evenmin, want de drie waren ook vrij uitgeput en hadden de zware jol voort te duwen. Daarbij kwam dat het al begon te schemerlichten.[128]„Trek eens hard aan het touw,” riep Reri tot Freihals. Maar de afstand was nog te groot, dan dat de makkers op ’t ijs den ruk voelen konden.„Mannen,” zei Baldei, „ik mag di niet tot last zijn. Zorg voor mijn moeder. ’t Is een weduwvrouw.…”Hij hief zijn armen op en zonk weg in ’t koude water.Maar Reri greep hem vast, tilde hem hoog.„Volhouden!” beval hij.Doch de jonge reus was met open mond gezonken om snel weg te zullen zijn.Reri legde zich op de rug en haalde ’t hoofd van Baldei over zijn borst, hield den naar adem snakkende zoo boven.„Hindar, zwem vooruit.”„Ik ben òp!” zei Hindar.Op dit oogenblik weerklonk een signaal van de bestolen skig. Maar meteen begonnen de Batouwers op den wal, door ’t signaal gewaarschuwd dat er onraad broeide, het verbindingstouw snel intepalmen. De drie mannen klemden zich aan de jol en lieten zich meetrekken, Reri den machteloozen Baldei nu met één arm boven water houdend.De spanning van de drie mannen was zoo groot, dat zij de koude niet voelden en nu ook kwam Baldei weder bij.Op de bestolen skig was de man van de laatste wacht opgestaan om zijn kameraad te gaan aflossen. Maar niet vermoedend, dat er een luik openstond, was hij daarin gestort. Hoewel hij zich zwaar kneusde, begon hij toch te schreeuwen en riep de naam van den man, dien hij wilde aflossen. Maar ook die gaf geen antwoord. Toen kroop hij rond en voelde de zakken die Reri, als trap had gebezigd. Maar hij had beide beenen gebroken en kon zich niet tot aan den rand van het luik opheffen. Daarom schreeuwde hij, zoo hard hij kon, tot eindelijk een stuurman ontwaakt was, die op ’t dek komend uit het open luik het kreunen hoorde en bij ’t roer den dooden wacht vond en daarna bij ’t luik, de gebroken Batouwsche saks.[129]Hij liep naar de kajuit terug, nam een signaalhoorn en blies alarm.Doch dit duurde lang genoeg en voordat in de vale morgenschemering ontdekt was, waar de aanvallers waren, hadden de Batouwers de jol met de vijf-en-twintig zakken meel al weder op ’t ijs gehaald. En nu, vijf-en-twintig der mannen elk een zak graan op den rug dragend, begonnen de honderd weg te rennen, in den dreunenden, gelijkmatigen stap van krijgslieden, die een aanval doen.Zij vormden een driehoek met telkens één der mannen voorop als windbreker en de anderen, hun handen op de schouders van de voormannen leggend, vermeerderden dier kracht.Er was in al dien tijd geen woord gesproken.Zoodra de vier zwemmers uit het water waren, hadden zij slechts één woord gezegd: „Den barditus!”Dat was genoeg geweest. Sigbert, als de aanvoerder was ’t eerst voorop geloopen als spits van de wig. Maar naarmate de spits wisselde kwam hij, naar ’t oude gebruik, des te meer naar achteren, terwijl de vier zwemmers, als ’t meeste vermoeid, achteraan waren gaan loopen, opdat de voorsten den wind zouden breken. Zoo kwam het, dat na eenige gewenden, toen de achterste lieden vooraan kwamen te loopen, Sigbert met Tjeerd achteraan liep, terwijl Reri in de voorhoede was. Maar toen Baldei, die nog altijd niet geheel bekomen, in de achterhoede bleef loopen, de handen op de schouders van Tjeerd, die hem steun gaf, los liet en niet meer mede kon, floot Sigbert op zijn vingers en de saks hield stil.Zij waren, dank zij de snelle en ordelijke wijze waarop zij de vlucht hadden genomen nu zoo ver van de skigge, dat zij niet anders zouden kunnen worden ingehaald dan door paarden. Maar achterwaarts ziende bemerkten zij, dat het gevaar voor vervolging niet groot was. Want de beroofde skig lag vrij afgezonderd, ’t meest naar voren en[130]het was van de skig onmogelijk seinen naar den vasten wal te geven voor het goed licht was geworden. En dan nog … hoe zouden die van de skigge den menschen op den vasten wal op zoo’n verren afstand kunnen beduiden, dat men bestolen was en door wie. Om te verkondigen, dat zij een lading graan van ’t Paarden-eiland hadden medegebracht, was slechts noodig geweest een zak graan in de mast te hijschen en een vlag op te steken, zooveel keer als er zakken in de schepen waren. Maar die op het strand duidelijk te maken, dat Batouwers ’s nachts de skig hadden overrompeld en het ruim leeggeroofd, ging bezwaarlijker.Sigbert’s saks hield dus een oogenblik halt om te rusten en te overleggen. De mannen stonden bezweet en hijgend, leunend tegen elkaar zooals dit in den krijg gedaan wordt. De mannen, die de zakken droegen zetten ze af, omdat nu de beurt van het dragen aan een tweede vijf-en-twintigtal kwam.Sigbert opende een zak. Daar lag de dikgezwollen weite, het zeldzame, beroemde koningskoren van ’t Paarden-eiland. Sigbert woelde er met zijn hand in, liet een handvol in een stroompje weder neerglijden in den zak. De anderen drongen zich om den zak heen, zagen het prachtige koren begonnen te joelen van vreugde.„Geef mi, geef mi,” zeiden zij, de handen geopend uitstrekkend naar Sigbert, die hun handen vulde uit de zak. En zij liepen weg van den zak, de beide handen gegeuld bij elkaar, voorzichtig om niet een enkel korreltje te verliezen en toonden het verheugd den verder staanden, die naderbij drongen en met lichtende oogen keken naar dat mooie zaaigraan.Zij wreven de graantjes op de handpalm, rollend ze bewrijvend om de dikte te voelen en hoewel ze allen hongerig waren, was er niet één, die een graantje naar den mond bracht. Zij wierpen het graan weer in den zak, tot het laatste korreltje toe.[131]Het was nu geheel licht geworden. Sigbert keek nog eens in de richting van het strand. Maar de schepen waren reeds lang uit zicht en de verre velden waren eenzaam.De mannen vormden weder de saks en liepen in stevigen pas door, evenwel niet meer op een drafje, zooals zij tot nu toe gedaan hadden.Sigbert droeg nu ook een zak en het was hem niet zwaar op den rug maar alsof hij iets liefelijks droeg, dat hem vroolijk maakte en licht te voet. Zoo had hij den kleinen Herebaeld vaak gedragen in de tijden, toen hij in stilte en zonder het ooit te durven uiten, hoopte dat zijn kind met de dubbele kruin eens koning zou worden van de Batouw.Het weer was omgeslagen. Daar zij door het harde loopen allen bezweet waren, hadden zij het niet gevoeld. Maar toen ze aan het eerste bosch kwamen zagen zij, dat de stammen der boomen grijzer werden en van een enkel twijgje drupte al onder de stralen van de morgenzon een spettertje sneeuwwater. Zij zagen elkaar aan zonder wat te zeggen, te goed wetend welke gedachten dat droppeltje wekte, beangst om door ’t uitspreken van hun hoop, ’t geluk te verstoren.Zij rukten den heelen morgen zoo voort, in gezwinden pas, weinig sprekend, de saks gereed in den gordel, hun vingers in ’t voorbijgaan grissend langs den grond of een laaghangenden tak om een balletje sneeuwijs te pakken om dat ter verfrissching in den mond te steken.De vier zwemmers, nog altijd in hun met vet besmeerde lichamen, waren sterk gaan zweeten en het vet begon langs hun leden te druipen. Sigbert beval, dat vier anderen hun pelzen zouden afgorden en ze om de schouders van de zwemmers slaan.Maar Reri en Baldei waren te groot en nog twee anderen moesten hun pelzen afstaan, die, altoos onder ’t voortloopen, met de hoeken aan elkaar werden geknoopt.[132]Het bosch werd dichter en de mannen moesten daar ’t pad smaller werd, achter elkaar loopen.Op een beschutte plek achter struikgewas, wel geschikt om bij een mogelijken overval verdedigd te worden, beval Sigbert rust. Het was al later op den morgen geworden en het gevaar reizigers te ontmoeten vooral omdat de dooi was ingevallen, werd groot. De mannen gingen op stronken zitten of wierpen zich, hun berenhuid uitspreidend op den grond.De geroofde zakken werden nu allen geopend. En de mannen, zich dicht om elken zak dringend, kregen glanzen in de oogen en kreunden in de baarden van bewondering. Slanke haver, dikke, zware gerst, wichtige weite, zak na zak.Reri drong zich naar voren.„Er zijn twee zakken bij met vreemd graan,” zeide hij. „In ’t donker voelend, heb ik het niet op den tast kunnen herkennen.”De twee laatste zakken werden geopend. In de eerste zak lagen kleine, platte schijfjes van een vreemde graansoort, die geen der mannen ooit gezien had. Sigbert gaf een handvol aan den man naast zich om door te geven met de vraag of ook iemand er kennis van had. Maar in den laatsten zak waren korrels, groot als een boon, zoo geel als amber met aan de punt een wit spikkeltje.„Wat ’s dat?” vroeg Sigbert.Hij nam een korrel op en stak deze in den mond, beet haar fijn, proefde haar.„Hoe smaakt het?” vroeg er een.„Als fijne weite, maar nog zoeter.”„Zit er honing in?” vroeg een ander, die getroffen was door de goudgele kleur en den vorm van de korrels, die wel eenigszins aan de cellen in een honingraat deed denken.„Proef zelf,” zei Sigbert, hem den zak voorhoudend.Maar nu een ander dan de saksvoerder een korrel opat, wilden de anderen ook proeven. En de mannen drongen[133]zich om den zak en als kinderen begeerig, staken ze de groote, grove, rasperige boerenhanden uit en kregen een korreltje van het barnsteenkleurige graan. Zij gingen terug als met een schat, bekeken het kleinood, wreven het in de holte van den handpalm met de vinger der andere hand om en om, het keurend met de oogen zooals een kenner een edelsteen zou schatten.En dan, het naar den mond brengend, hielden ze het zaadje er lang in zonder er op te bijten, het met zachte smakjes van de tong proevend, het omwoelend in de mondholte, om langer er ’t genot van te hebben.Onderwijl waren er al eenigen, die hout hadden gekapt en een vuur aangelegd en men wachtte op het woord van Sigbert, die zou bevelen wat heden gegeten zou worden. Zij hoopten in stilte, dat zij dit keer graan zouden krijgen, maar Sigbert liet de zakken weer sluiten en beval, dat men sporen zou zoeken van wild.De mannen waren ontevreden. Eén trad voor de anderen op en vroeg, maar met veel meer deemoed, dan hij zich voorgenomen had:„Sakshoofd, wilt di ons niet wat graan geven?”„Grendeldebliksem!” stoof Sigbert woedend op, zijn hand naar zijn saks brengend, „du, smuigerd. Wilt di ons zaaigraan vervreten?”De man trad beschaamd terug. Maar een ander, die den smaak van het barnsteengraan nog naproefde, trad naar voren.„Sakshoofd … wi hebben honger … En met wild zoeken gaat de tijd weg … Dat honinggraan is toch niet om te zaaien … Laat ons dat nu opeten …”„Ja, laat ons ’t honinggraan opeten,” riepen anderen.„Hier met het honinggraan!” riepen nog weer anderen, verlekkerd door den smaak.Sigbert trok zijn saks en stelde zich voor den zak.„Wie een korrel neemt, kloof ik den kop!” riep hij.[134]„Stemmen, stemmen!” riepen de mannen terug.Sigbertkeek naar Reri.„Ja vaêr, laten wij stemmen!”„Zult di dijn vader afstaan, snotjongen?” zeiSigbert, zijn zoon een stomp voor de borst gevend.„Is dat mijn loon, vaêr?” vroeg de reus, bedroefd ter zijde gaande.„Stemmen, stemmen!” riepen de anderen met meer onstuimigheid.Maar de ouderen onder de mannen, die zelf vaders waren en met bewondering zagen naar hun aanvoerder, die zoo zijn vaderlijk recht wist te bewaren, willende toonen, dat zij ook niet bevreesd waren voor hun zonen, gingen bij Sigbert staan, toonend dat zij voor hem partij namen. De vader van Hindar was de eerste, die naastSigbertstond. Maar Hindar, op hem toetredend zei:„Vaêr, ik moet eten … Du weet wel vaêr, de laatste bete heb ik gisteravond gehad … en toen heb ik met di gedeeld …”„Laat ze eten, Sigbert!” zei nu de vader van Hindar.„De zwemmers kunnen krijgen!” gaf Sigbert toe.„Stemmen, stemmen!” riepen de anderen dreigend.„Vooruit dan … wie ’t zaaigraan wil vervreten, steek op zijn saks …”Alle saksen werden opgestoken. Sigbert boog voor de overmacht. De zak werd weer geopend en een der Batouwers, die een kleinen helm droeg, gaf ze om als maat te dienen.En nu mocht elk man een halven helm vol van het zoete barnsteengraan uit den zak putten. Zij hielden hun pels als voorschoten op en liepen met hun schat naar het vuur of zetten zich wat verder alleen weg en begonnen het zoete graan rauw op te knabbelen.Alleen Sigbert at niet.„Vaêr!” zei Reri, „du eet niet?”„Dijnvaêrvreet zijn vrijheid niet op!” zei de Bataaf norsch.[135]Toen keek Reri even terzij naar Tjeerd, die al den mond vol had. En nog even wijfelend, wierp hij zijn deel weer in den zak terug.„Gaat di mee Tjeerd … sporen zoeken?”„Eerst eten …”Maar tegelijkertijd zag hij naar zijn vader op en boog het hoofd.Hij wilde nog een handvol graan naar den mond brengen. Maar hij dorst niet en schuin het hoofd afgewend, liep hij nu ook naar Sigbert toe en wierp de handvol graan, die hij nog slechts over had, ook in den zak.„Ik had honger,vaêr!” zei hij verontschuldigend, hoewel de oude niets gezegd had, alleen met de driehoekige oogen fél hem aanstaarde.„Het was di geraden, knaap. Du hattet dijn erfdeel opgevreten … Ga mee met dijn broeder …”De twee liepen ’t kreupelhout in, zwijgend, onderworpen, beschaamd, voelend het overwicht van den vader, die hongerend zooals zij en met de volle beschikking, deeenigevan allen was geweest, die sterker zich toonde dan het verlangen, dat als een pijn knaagde in de uitgehongerde maag.„Als ’t voorjaar wordt, moet-ie koning worden!” zei Reri tot Tjeerd. „Denk er wel aan jong, onze vaêr is de grootste Batouwer.… Hij moet koning worden.”Tjeerd spuwde de restjes van ’t graan uit zijn mond en rilde met ’t hoofd als walgde hij nu van dat heerlijke koningsgraan.Zij liepen beiden, de oogen naar den grond, zoekend of ook ergens den indruk van een dier merkbaar was. Doch zelfs hun geoefende oogen konden niets onderscheiden op den hard bevroren grond van sneeuwijs. Maar dichter in ’t hooge hout, waar de boomen zoo vast opeen stonden, dat de vorst eenigszins geweerd was, merkten zij gebroken takken, waar blijkbaar een dier doorgang had gezocht. Opeens hield Tjeerd stil.[136]„Wat is dat?”In ’t sneeuwijs stak een zwartige punt uit. Tjeerd rukte het voorwerp uit de aarde.„Een sandaal!”.… zei hij.„En geen oude.… daar zijn hier menschen.”„Wat voor menschen.…”„Roovers! Anderen zijn niet in den winter hier in den dikicht.”Zij liepen voort, volgend het spoor van de weggebroken takken en vonden weldra een klein offerblok en vandaar voortgaande vonden zij den ingang van ’t hol, dat met een zwaren steen was afgesloten, maar die de twee sterke kerels al spoedig hadden terzij geschoven.Beiden traden dadelijk terug.„Daar zijn lijken in!” meende Reri.„Aan den stank te zeggen, ja!”„Wij moeten vuur maken … ’t Is te donker.”Zij keken rond, maar zagen geen kienhout. Het was een bosch van beuken en eiken.„Wij moeten een lichtgat maken. Vooruit jong!”Reri begon al met zijn saks boven in de sneeuwaarde te woelen en Tjeerd van de andere zijde wierp de uitgewoelde aarde terzij. Toen zij op een armdiepte waren, kwamen zij al aan de laag bladeren en mest, die spoedig doorgestoken was. Uit het gat steeg dezelfde doordringende stank op.„Zooals ik di zei, lijken.”Hij maakte het gat nog wat grooter en nu weer, van de holterp afglijdend, gingen zij den ingang kruipend binnen.Bij ’t daglicht, dat door ’t lichtgat boven, nu binnenviel, zagen zij de lijken van drie mannen en een vrouw in ontbinding. Het hol was volgestapeld met zadels, schilden, huiden, kortzwaarden, bronzen bekkens, urnen met bronzen sluitspelden. Maar iets om te eten vonden ze niet.[137]„Wat denkt di, Reri?” vroeg Tjeerd.„Dat zijn roovers, die zichzelf gevangen hebben. Zij hebben zich in ’t winterhol opgesloten en vuur gestookt. Toen is ’t vuur ’s nachts, toen ze den steen al voor ’t gat hadden gewenteld, gaan aansmeulen en zij zijn gestikt … Wat zei ik di … hier ligt er nog een … die is bijgekomen en is nog naar den uitgang gekropen … maar hij was te zwak. Ga naar vaêr jong en roep hem. En laat de mannen kienhouten meenemen. Ze zullen wel graankuilen hebben gehad..”Tjeerd snelde terug en onderwijl begon Reri het lichtgat grooter te maken. Hoe meer licht er binnenviel, des te meer ook werd hij van de juistheid van zijn veronderstelling overtuigd. Roovers waren het zeker geweest. Dat zou een kind zien aan de soort van schatten, die zij verzameld hadden. Maar waren zij werkelijk gestikt? Of hadden zij geen leeftocht meer gehad?Die daar lagen, half vergaan, toen weder bevroren en nu weder ontdooid, zouden het niet meer zeggen. Reri keek naar de ontbindende lichamen en rilde. Het gezicht van een krijger, op ’t slagveld gedood of van een mensch, kalm in zijn hut gestorven, maakte op hem geen indruk. Zij voeren op naar Wotan en waren voortaan gelukkiger dan op aarde. Maar deze hier, wier lichamen niet verbrand waren geworden, en wier zielen dus eeuwig zouden rondzwerven in den poel van Grendel, tot straf voor hun euveldaden, boezemden hem afschrik in.Zijn honger dreef hem om in ’t stinkende hol rond te zoeken naar leeftocht. Zijn oogen waren nu gewend aan ’t schemerduister en tastend met de handen langs de met koemest en dorre bladeren bestreken wanden, vond hij achterin weder een grooten sluitsteen. Hij wilde hem wegrukken, maar de steen was te zwaar. Nog was hij bezig gebukt in het donker den steen weg te schuiven toen hij al het gele licht van de brandende kienhouten zag, waarmede Sigbert en andereBatouwersnaderden.[138]Nu konden zij in ’t hol goed zien, welk vreeselijk einde de roovers hadden gehad. In ’t midden stond op een vuur van houtskool een groote pot, waarin een weeke massa. Melksoep, die eerst tot bederf was overgegaan en toen weder bevroren. Er lagen wel tien lijken in ’t hol, mannen en vrouwen. Een vrouw lag dicht tegen een wand bij den toegangssluitsteen, de rechterhand met de magere, zwartige vingers nog gekromd uitgestrekt naar den steen, die hun noodlottig was geworden.Reri en Tjeerd samen slaagden er in den steen van het tweede hol weg te schuiven. Dat was de welvoorziene voorraadkamer. Er lagen eenige zakken met graan, stapels gebakken, harde winterbrooden. Er hingen aan touwen stukken gedroogd vleesch en een twaalftal zijden spek. Tegen de wanden stonden groote, met was afgesloten, aarden vaten. Sigbert opende ze met zijn saks. De vaten waren gevuld met honig, mee, gestoofde bessen, ongebrande molleboontjes, meel, gesmolten vet.Nu was er geen rede om niet te eten.„Vrèt jong, vrèt!” zei Sigbert tot Tjeerd. „’t Is je gegund!”voegdehij er tot Reri bij. En deze, niet langer wachtend, trok een reep gedroogd vleesch los en begon als met geeuwhonger te eten. En ook Tjeerd en de vijf andere mannen deden zich te goed aan wat zij maar ’t eerst grepen.Sigbert, met een reep spek in de hand, liep naar buiten en met zijn machtige kaak kauwend op de reep spek, snelde hij terug naar ’t kamp, vertelde van de ontdekking en geen der mannen wist van vermoeidheid. In een vaart liepen ze naar het roovershol, dat weldra zoo vol was, dat er geen mannen meer binnen konden. Maar die binnen waren reikten door ’t lichtgat, dat Reri gemaakt had, voedsel naar buiten. Heele zijden spek, groote potten met meel en honig werden naar buiten aangegeven en de mannen, bemerkend dat er overvloed was, sneden lange[139]repen uit het spek en begonnen als dieren te knagen, knorrend van genot, malkaar aanziend met verheugde blikken.Maar daar de stank binnen te sterk was, kwamen alle mannen spoedig naar buiten. Een paar, die al half voldaan waren, begonnen onder leiding van Sigbert het lichtgat grooter te maken. Anderen kwamen helpen en spoedig lag het roovershol bloot met zijn rijkdommen, zijn voedsel en zijn vergaande lijken.Een paar mannen, dankbaar voor ’t voedsel, spraken er over, de lijken te verbranden en in een paar der ledig gegeten vaten bij te zetten.Maar anderen waren er tegen, meenden dat menschen niet mochten ingrijpen in den wil van Wotan, die de roovers zeker had gestraft voor menige euveldaad en deze laatsten kregen gelijk.Nadat allen verzadigd waren, werd de voorraadkamer van de roovers leeg gehaald en onder de honderd door Sigbert verdeeld. Onderwijl trokken de aangewezen dragers terug naar ’t kamp om de vijf-en-twintig zakken graantehalen en toen deze terug waren, zette de saks van Sigbert den tocht naar de Batouw voort.Sigbert bleef bij het hol staan om bevelen te geven en voor de lucht te zorgen. Het bevreemdde hem, dat nog niets van een vervolging gemerkt werd en hij speurde rond of hij wellicht de vlam van een seinvuur zag of luisterde nauwlettend of ergens een horen toette. Maar ’t was doodstil en alleen het hem liefelijk geluid van de smiltende druppelen die in de twijgen patsten, vernam hij.Tot het laatste stukje vleesch was weggedragen uit het hol van de roovers. Toen wilde een man, die weinig te dragen had, een bronzen ketel medenemen.Sigbert riep hem terug.„Wat doet di daar?” vroeg hij streng.„Voor mijn moei!” antwoordde de man.[140]Sigbert pakte hem bij den schouder, rukte hem de ketel uit de hand en wierp hem met een vaart in ’t hol terug, waar hij met een helderen tink neerviel tusschen ’t andere brons.„Batouwers zijn geen dieven!” sprak hij dreigend. En zijn oogen vlamden. Toen, ziendedat de mannen gereed waren, liep hij zijn troep langs en zijn saks opstekend in de lucht, zetten zij hun vlucht voort.[141]

HOOFDSTUK IX.

Maar de honger begon ook te nijpen in de Batouw. De weinige kuilen met graan, die de Dantubaren niet hadden ontdekt, waren volgeloopen met smeltend sneeuwwater en later had de ongewoon strenge vorst water en graan tot een harde ijsklomp bevroren. Er was in de heele Batouw geen mensch, die heuchenis had van zulk een strengen winter.De zwarte ziekte begon slachtoffers te maken en van alle zijden kwamen maren van hongersnood, koude en vorst.Ook in de hut van Sigbert werd honger geleden. Zij hadden den grooten waakhond al moeten slachten en aten nu sedert dagen niets dan moes van dorre bladeren. Vergeefs liepen zij het woud af om wild te zoeken. Het wild was, instinctief den kouden winter voorvoelend, naar andere streken gevlucht en de weinige hazen, vossen, wolven en evers, die nog waren achtergebleven, ten buit geworden van de honderden hongerige Batouwers, die de bosschen afstroopten.Ook bij de Frisen was de oogst slecht geweest. Maar koningTjilbardhad wel veertig groote schepen naar ’t Paarden-eiland gezonden met barnsteen, albasten schijven, koehuiden en fraai besneden zetels, broodplanken, messenheften, sierframmen beladen, om graan te gaan ruilen op ’tPaarden-eiland.Daar zou dus geen gebrek zijn! MaarTjilbard, zou niet voor niets van zijn voorraad aan de Batouwers afstaan en veel om te ruilen hadden de Batouwers niet, want de Frisen waren rijk en kunstvaardig en hadden in hun rijk alles wat de Batouwers ook hadden.[115]Doch de geschenken, die Sigbert en zijn zonen van Maresag hadden gekregen, de mooie pels van marterbont van Sigbert zelf en het prachtige bronzen kortzwaard van Reri en zijn jachthemd met de koperen schakels en zijn bronzen helm, dat waren schatten, die ook de Frisenkoning wel gaarne zon willen bezitten en inruilen tegen graan.Daarom dan zouden Reri en Tjeerd naar der Frisen koning optrekken en hem bericht brengen van prins Istovar en hun kostbaarheden in ruil voor graan aanbieden.Zij trokken in snelle dagreizen naar Jelhiem, de hoofdstad van het land der dappere Frisen. Maar aan de grens van het Friesche gebied vernamen zij van de groote hongersnood, die ook in Frisenland heerschte en al zoude men graan tegen goud willen opwegen, dan nog zou geen graan aan vreemdelingen medegegeven worden, want het volk zou in dat geval zeker oproer maken.De skigge van koningTjilbardwaren wel teruggekeerd van het Paarden-eiland en blijkens de signalen waren ze volbeladen met graan. Doch de toegang tot de Aamshaven was bevroren en het ijs was te dun om er overheen te kunnen loopen tot aan de skigge, die ingevroren lagen.Dag aan dag stonden de hongerende Frisen aan de kust uitkijkend naar de zwaar beladen skigge maar alle pogingen van die van de schepen om aan land te komen of van die van het land om de schepen te bereiken, faalden.Een breede geul van stroomend water midden in ’t ijs maakte het onmogelijk de schepen te naderen noch te voet, noch met kleine scheepjes,nochmet groote vaartuigen.Enkele dappere mannen hadden het gewaagd zoover mogelijk over het ijs te loopen, dan het ijs stuk te hakken en zoo zich tot de geul door te werken. Maar in ’t ijskoude water waren zij door kramp bevangen en weggezonken. Reri ging naar koningTjilbard, en verhaalde hem ’t wedervaren van zijn zoon prins Istovar.De koning vloekte, zeide dat hij reeds van Melle de[116]tijding had ontvangen en vroeg waarom de Bataaf oude wonden kwam openrijten.Reri verontschuldigde zich en bood nu zijn schatten aan smeekend om één enkele zak graan.„Van wien hebt gij al dat moois?” vroeg de koning wantrouwig.„Van Maresag, den hoogepriester en Harimona, de heilige maagd!”„Dus du bent wel uitverkoren geweest, maar mijn dapperen zoon niet.…”„Ik was wachter heer, bij de schattenschuren! En de heilige maagd heeft vader een rijken oogst beloofd. Ik smeek di, geef ons één zak graan en wij zullen di dankbaar zijn en als de goede tijden voor de Batouw aanbreken gedenken, wie onze vriend in den rampspoed is geweest.”„De heilige maagd Harimona heeft dijn vader een goeden oogst voorspeld.… En daarop vertrouwt di?.… Zotskoppen zijt di.… bij elkaar. Door dijn zotskopperij is ook in ’t Frisenland den roep van de heilige maagd Harimona verbreid en mijneenigezoon heb ik daardoor verloren … Als du weder heilige maagden kent, moogt du di eerst beter vergewissen, want dijne Harimona is een veile deern, een liderlicke hure, die met een Nervischen prins gevlucht is.… De trouwe Melle heeft mi de kond gedaan.…”„Dat liegt di, koning”zeide Reri verontwaardigd.„Pak di weg met dijn schatten.… KoningTjilbardverlangt geen hurenloon … Pak di weg … Hurenknecht!”Met smaad waren Reri en Tjeerd weggezonden. Zij trokken eerst naar de kust om naar de graanschepen te zien. Daar lagen ze, veertig groote Frise skigge, met breede, hooge boegen en lange masten, waarvan de dunne lederen zeilen niet waren opgerold, maar stijf bevroren, strak uithingen aan de rondhouten.Reri, tegen een paal geleund, keek lang en aandachtig naar de schepen.[117]„Zou di niet durven?” vroeg Tjeerd.„Als ’t moest zijn!” zeide Reri kort.…„Du zou al di Frisen te schande maken.…”„Wat heb ik daaraan.… Als ik nu ’t graan van hun skigge haal, is ’t niet voorTjilbard.… Kom mee jong, eerst naar vaêr toe om raad te vragen.”Hoewel zij hongerden en zich met weinig anders voedden, dan met visch, die zij in stroobosschen ’s nachts op de Frise waters vingen en rauw opaten, liepen zij met snelle schreden terug naar de Batouw.Zij vertelden Sigbert van de ontnuchterende ontvangst bij KoningTjilbard.Sigbert wreef een traan uit zijn oog.„Grien jevaêr?” vroeg Reri ontzet.„Ja jong.… ja jong.… als dat waar is.… als die Harimona een hure is geweest, dan is ’t gedaan met de Batouw.… Dan moeten wij weg.… met de saks er op uit een nieuwe ouw zoeken.… En dan begint het moorden weer.… dan moeten wij anderen menschen vellen … en vrouwen en kinderen verjagen.… ’t Is hard hoor.… ’k Heb nooit graag de saks gezwaaid … Wat is dat voor bloedgierig werk?.… Achter den ploeg wil ik loopen.… dat wil ik, van den nuchteren morgen tot in den zwarten schemer. En met dijn moêr wil ik de sikkel slaan.… dat wil ik, naar Batouwschen aard … Dat ’s trouw werk en daar valt zweet bij maar geen bloed.… Grendeldebliksem … zouwen wij Batouwers van ons land afmoeten! Zouwen wij jong? Dat mooie land, dat je overgrootvaêr heeft gebouwd, en je grootvaêr … je moeders moer en je moer.… Wat zeiTjilbard? Is zij een hure! Wee, dien hure.… als zij mij bedrogen heeft … Den kop inhakken met den saks zal ik haar.… die kol, die dop … Grendeldebliksem.… d’r witte haren zal ik rood maken!… Grendeldebliksem hier.… met mijn saks!”Hij had de saks van den wand genomen en drilde ze[118]in zijn schorschige vuist.… Ontzet zag Reri hoe dun vaders polsen waren geworden.„Vaêr,” zei Reri, „er is wel raad.…”„Wat zou hier raad jong?… Zie di niet hoe dijn arme moeder afgeteerd is?… Hoelang vreten wij nu blaremoes? In Dantuba zijn ze allen verrekt van de kou en den honger.… Hoe lang zal ’t hier nog rekken?.… Hari, de bode is hier geweest.… Weet di wat hij vertelde?.…”Sigbert kwam dicht bij zijn zoons staan en Reri diep in de oogen ziende met zijn driehoekige groene oogen onder de schuin neerhangende oogleden.…„Aan de grens hebben Batouwers van den honger elkaar opgevreten.… Van den hònger.… van den hònger, van den hònger, jong!.…”Hij hief zijn saks dreigend op tegen een denkbeeldigen vijand, maar viel toen weer moedeloos neer op een hoop brandhout, zijn oud hoofd gebogen en snikkend hikkend met de borst zonder te weenen.„Ik weet een middelvaêr.…”„Wat zou di weten?.…”„Wij moeten de Frische skigge veroveren.…”„Wat zeg di jong.… Batouwers rooven niet.…”„Batouwers vretennuelkaar op van den honger,” waagde Tjeerd bitter te zeggen.„Hou dijn mond, du melkmuil …” toornde Sigbert op.„’t Is zoo vaêr … Tjeerd zegt ’t rechte woord … wij moeten.… Als ’t nou niet is, moeten wij in ’t voorjaar er op uit.…”„De Frisen zijn onze bondgenooten.…”„Stikken kunnen ze.… die bondgenooten. Geen zak graan ruilen ze voor een marterpels, die tien akkers groenland waard is … Als wij de skigge overvallen hebben wij graan zat … en ook om te zaaien in ’t voorjaar … Waar wil di ’t zaaigraan vandaan halen,vaêr?… En anders moeten wij weg uit Batouw … Op de schobberdebonk naar een[119]nieuw ouw.… Dat zal wat geven, met de Batouwers … Ze vechten tegenwoordig overal nieuwerwetsch met ’t kortzwaard.… Daar kunnen wij niet tegen op met de saks …”„Ik zou wel willen zien, wie mi de saks uit de hand sloeg …”Hij hief zijn gepunte bijl weder op en drilde hem heen en weer, dreigend tegen eendenkbeeldigenvijand.„Du vaêr ja … du wel … maar d’er is al veel volk onder de Batouwers, die al in geen jaren van achter den ploeg zijn weggeweest … Du moet ze zien, zooals ze tegenwoordig vechten bij de Kaninefaten en de Sfafen op de wijze, die van ’t Paarden-eiland is ingevoerd. Op lage wagensvaêr, met vier vlugge peerden er voor en dan twee kaerels er in, één met met kortzwaard en schild en één die stuurt … Daar kan di met een saks niet tegenop … De peerden rijen je omver, de kerel hakt van zijn wagen op je in en als du terug hakt, is-’t-ie weg met zijn kar …”„Grendeldebliksem, twee tegen een … Dat’s smuigerswerk!”„Ze doen ’t ’em maar, vaêr. En als de kop gekloven is, lig je … Als du nou wou vaêr … als du dijn saks opriep, en dan flink aangeloopen naar de kust en dan wij, als Batouwers, met ’t schild en de saks over ’t ijs tot aan de waterrand. En dan ik met nog een paar zwemmers flink ingesmeerd met berenvet, met een taai touw om ’t lijf. Dan bij de skigge het touw vastgelegd aan één skig en dan weer met het touw terug. Als dan de heele saks aan het trekken gaat, krijgen wij een heel skig over den stroom heen en wij kunnen dan de zeelui binden en de skig leeghalen …”Sigbert had aandachtig toegeluisterd.„Dat zou één skig zijn.”„Dat’s genoeg.”„En de wraak van de Frisen?”[120]„Bent-di bang vaêr?”„’t Zijn kwaje kaerels als ze beginnen.”„Honger is ook een kwaje kaerel.”„Als du ’t wilt, welnu dan jong … daar is dijn vaders hand …”Nog dienzelfden dag waren er op de heuvels vuren ontstoken, om de lieden van de streek te waarschuwen, dat er een saks gevormd moest worden en den volgenden morgen vroeg trok Sigbert met honderd Batouwers naar de Frise kust.Zes nachten zou de voetreis der honderd duren, vóór zij aan de kust kwamen, waar de skigge lagen. Zij moesten afzonderlijk optrekken, want een gewapende saks van honderd Batouwers zou door de Frisen spoedig bemerkt en gevangen genomen zijn.Bijna allen waren verzwakt door de lange tijden van schaarschte en maar een twintigtal, die vroeger tegen de Dantubaren gestreden hadden, waren vaardig met de saks. Reri was de grootste en sterkste van allen. De meesten, blondharig, breed van schouders, gedrongen van bouw, waren iets kleiner dan Sigbert. Doch moed hadden ze allen, wetende welke buit hun wachtte en ook welke waarde die buit voor hen had. Het was niet alleen graan, waarmede zij den nijpenden honger van zichzelf, vrouw en kinderen konden stillen. Maar graan, dat was voor hen ook zaaigraan, heteenigemiddel om ’t volgende jaar aan den hongersnood te ontkomen, heteenigemiddel wellicht om hun anders zoo vruchtbare ouw, in vrede te blijven bezitten. Want niets was vreeselijker dan op verovering van een nieuw gebied uit te gaan. De volksstammen waren talrijk en geheel Germanje was in de vruchtbare streken dicht bewoond. De voorbeelden waren niet zelden, dat stammen, die hun gebied verlaten hadden, overal waren verjaagd, opgedrongen, aangevallen, bestreden tot zij eindelijk weer het oude gebied opzochten, maar[121]daar reeds een nieuwen stam vonden. Dan moesten ze om het eerst verlaten land met de wapens in de vuist twisten en zoo waren wel gansche stammen uitgemoord of tot hoorigen en slaven gemaakt.Waar zouden de Batouwers heen? Aan het bezetten van de ouwen der Frisen was niet te denken. De Frisen, hoe vreedzaam ook wanneer zij niet aangevallen werden, waren onoverwinnelijk als zij tot verdediging genoodzaakt waren. En de Frisen waren een ras van krachtige, slanke lieden, vaardig óók al op het nieuwerwetsche kortzwaard en onstuimig in den stormloop.Naar de gebieden der Bellovaken en Nerviërs zouden zij evenmin kunnen trekken, want de Nerviërs waren uitstekende ruiters en de Bellovaken streden wel tegen die van ’t Paarden-eiland, zoodat een Batouwer hier op geen overwinning mocht hopen. Naar de zijde der Sigambers en Chatten was wel een uitweg te vinden, maar die te verjagen naar de Hermoendoeren zou niet gaan, want de Hermoendoeren waren vrienden van de Cherusken en die twee stammen konden niet door de Batouwers verslagen worden als zij de Hermoendoeren nog daarbij voor zich uit hadden te drijven.Zij moesten in hun ouw blijven en de honderd wisten wel, dat het van het gelukken hunner rooftocht afhing, of zij in ’t voorjaar zaaigraan zouden hebben.Er waren in deze koude dagen weinig lieden buitenshuis en vooral niet op de groote wegen. Want de honger had die wegen gevaarlijk gemaakt voor reizigers, die niet in groote troepen trokken. En daar in den winter geen groote reizen werden gemaakt, trok de Batouwsche saks onbemerkt het Frisenland binnen. Vooraf gingen straalsgewijze uitelkaar tien verspieders, die als zij twee gewenden geloopen hadden, weder straalsgewijze tot elkaar liepen. Waren zij bijeengekomen en had de weg niets verdachts opgeleverd, dan liepen twee van hen in twee richtingen in draf terug tot[122]zij in ’t gezicht van de volgende tien man kwamen, die zij door ’t opsteken van een grooten tak waarschuwden, dat zij voort konden loopen.Die tien deden door twee hunner op dezelfde wijze de tien volgende waarschuwen en zoo voort van hoede tot hoede.Was er onraad bespeurd, dan staken de voorloopende een tak op met een dwarstak bovenaan. Onmiddellijk liepen dan de tien mannen in stralen uiteen en kwamen, al naar afspraak na meer of minder gewenden afstands, weder straalsgewijze tot elkaar.De mate van ’t dreigende gevaar konden zij zien aan de wijze waarop de dwarsstok op de rechtstandigen was gestoken, meer of minder zuiver kruisvormig. Was de dwarsstok plat op de rechtstandige gelegd in een T vorm, dan was ’t gevaar ’t grootst.Reri was bij de voorste troep der tien mannen; hij kende den weg en wist de bewoonde streken, die voorzichtig gemeden werden. Daar rivieren en meren en poelen overal hard bevroren waren, kon hij een rechte korten weg volgen en zoo stonden de eerste tien, na zeven dagen van langen ingespannen marschen ’s avonds aan het strand en zagen heel in de verte in ’t maanlicht de donkere rompen van de graanvloot.De twee konders liepen terug om de andere tienmannen te waarschuwen en het laatste eind van den weg werd in den nacht in looppas afgelegd zoodat het nog donker was toen de honderd zwijgend, met de saks in de vuist, gereed voor tegenweer tot op den dood, bij elkaar waren.Onderwijl waren Reri, Hindar, de snelzwemmer, Freihals, die met Reri samen op een Scandischen skig had gevaren, en Baldei de jongere, bezig met de voorbereiding voor den zwemtocht. Het was windstil en hoewel de maan reeds onder was, toch nog licht door de heldere sterren aan den onbewolkten nachthemel. De vier Batouwers, de beste[123]zwemmers van den heelen stam, smeerden zich dik in met berenvet van het hoofd tot de voeten zoodat hun lichamen door een dikke laag hard vet waren bedekt. Nu werden de tien einden touw, die de tien mannen hadden gedragen, aan elkaar geknoopt en de vier zwemmers, onderling door touwen aan elkaar verbonden om bij ongeval elkaar te kunnen steunen, liepen vooruit over het ijs gevolgd door de overigen mannen van de saks van Sigbert. Toen zij daar kwamen waar het ijs geen mensch meer houden kon, omdat door de sterke strooming, die daar stond, het water niet dichtvroor, hielden de sakslieden stand elk met een gedeelte van het touw in de handen, dat zij langzaam lieten uitvieren.De vier zwemmers, de saks in den gordel, sprongen zacht in ’t ijswater en begonnen schuin op de rechter zijde zich werpend met kalme, slagen op de schepen toe te zwemmen. Reri, die merkte dat Baldei, de jonge, in zijn overmoed te snel zwom en zoo telkens een ruk vooruit aan het touw deed, waarmede hij aan de drie anderen was verbonden, waarschuwde hem.„Zacht aanvangen Baldei.… anders houd di ’t niet vol …”Maar Baldei, trotsch op de jonge kracht van zijn prachtige leden en zijn stronkige spieren, wilde niet luisteren.Toen sloeg Reri even twee slagen sneller uit en gaf hem een slag met vuist op den schouder.„Grendeldebliksem, zal di hooren.… als du nogmaals aan het touw trekt verzuip ik di.…”De jonge man hief even boven ’t lijf op uit ’t water, maar verbeet de pijn en zwom nu kalmer door.Een geruimen tijd zwommen de vier zoo door ’t ijswater. Maar ’t berenvet in de koude stollend om hun lichamen, hield hen warm en eenmaal in de beweging was de bloedsomloop snel genoeg om hen voor krampen te bewaren.Eindelijk beval Reri dat zij drijven zouden zonder zich[124]te roeren. Hij had de wacht gezien op ’t eerste schip, dat zij nu al dicht genaderd hadden.„Wij moeten langs het roer op.… Anders kom je nooit op een Frise skig.…”Een ijsbergje dreef aan. Reri hield het met zijn schouder tegen.…„Hierachter aan mannen!” zei hij. Hij haalde zijn saks uit den gordel, sloeg het wapen met de scherpe punt van den bronzen bijl vast in den ijsberg en zachtjes met de voeten trappend, stuwde hij het ijsbergje met duwtjes naar het roer van het schip. Hij hief den vinger op, zijn lichaam steunend op het roer en de drie anderen, de handen klemmend om de stuurstaart, ’t hoofd half boven ’t water, wachtten.Reri maakte het touw los van zijn gordel en zijn saks in de hand nemend, hakte hij het hout rond een zwaren spijker boven zijnhoofd los, zoodat hij er zijn gordel aan kon binden.„Het ishoog tijd. ’t Weer slaat om” fluisterde hij tot zijn makkers. „Het ijs in de strooming is al gesmolten tot hier. Toen ik wegging lagen de skigge nog in ’t ijs en nu zijn ze al aan ’t water toe. Kom hier Baldei.… du bent de langste.… ga in de gordellus staan.… Dan klim ik langs dijn schouders en reik aan de verschansing … Dan hier wachten.… tot ik terug kom. Maar hoort di onraad of een plons, dan wegzwemmen.… Om mi is het dan toch gedaan en boven komt di toch niet zonder hulp.…”Baldei stond in de gordellus en zijn saks vastslaande in ’t hout, hield hij zich zoo rechtop. Reri klom langs hem op, voorzichtig en moeielijk, want beider lichamen, glad door het berenvet, gaven geen houvast. Maar Reri wreef zijn handpalmen droog tegen de ruwe kiel van de skig en vast de schouders van Baldei pakkend, heesch hij zich op diens rug, zette nu de voetzolen in de gleuven van de[125]schouderspieren, die Baldei opzette en nu zachtjes aan zich oprichtend, kon hij met de handen de rand van de borstwering van de skig grijpen, die aan de roerzijde ’t laagst gebouwd was.Nu, de saks bij den steel in den mond pakkend, heesch hij zich op het dek.De roerganger stond geleund tegen het vastgezette roer met den rug naar Reri toe. Reri deed drie schreden voorwaarts, hief zijn saks met de rechterhand op en sloeg met één slag den man schuin tegen den slaap tegelijk met de linkerarm hem opvangend en de hand tegen ’s mans mond houdend, opdat hij niet kon gillen.Toen de wacht neerviel, zonder een geluid, herkende Reri hem met ontzetting. Het was een oude kameraad, een Scandiër, die hem toen Reri nog scheepsjongen was, knoopen had leeren leggen en netten breien.Maar lang peinsde hij niet. Hij legde het lichaam van den gedoode zachtjes neer.… Op zijn vette linkerarm bleven wat roode pareltjes bloed hechten, dat was alles. Daarna sloop hij, welbekend met de inrichting der Frise skigge, naar het ruimluik. Toen hij zijn saks als koevoet gebruikend, den ijzeren sluitriggel over de kram heenzette, brak zijn saks. Hij nam den riggel met de handen vast, zette zich schrap en poogde den riggel te verbuigen. Doch zelfs zijn kracht reikte niet toe. Hij keek rond.… liep op ’t lijk van de wacht toe, haalde diens ijzeren mes uit de scheede en sneed het hout rond de kram weg. Toen gaf de riggel mede, en het luik kon opgetild worden. In ’t zwarte gat van ’t ruim zag hij niets. Maar dit behoefde niet. Hij kende de wijze waarop de skigge gestouwd werden, liet zich in ’t luik afzakken, de hand om den rand van ’t vierkante luikgat gekneld en even heen en weer zwaaiend voelde hij grond. Hij liet zich los en viel op de leeren zakken.„Jammer,” dacht hij „dat ik geen licht heb om te kiezen.”[126]Hij greep met zijn vingers tastend in de zakken. Dat was graan.… en dat was rogge.… en dat wat ronder, dat zoo stak, dat was gerst.… en dat.… dat.… hij voelde nogmaals en nogmaals.… het waren kleine ronde korreltjes, maar wàt voor graan ’t was kon hij niet goed op ’t gevoel onderscheiden. ’t Zal spelt zijn, dacht hij.En nu stapelde hij snel eenige zakken op elkaar, zoodat hij een soort trap vormend, makkelijk bij de opening van ’t luik kon komen. Met twee zakken gerst klom hij naar boven, sloop naar ’t roer.„Gauw, gauw,” zei Baldei.… „het water bevriest op mijn leden.…”„Volhouden!” riep Reri. Hij gaf hem den eersten zak, die Baldei overgaf aan de twee, die op de roerstaart zaten en wachtten. Toen de tweede.„Volhouden!” riep Reri.… „er komen er meer.”„Ik kan niet.… ik verstijf.…”Toen boog Reri zich over de verschansing, en een stuk touw latend afhangen gebood hij Baldei, dat vast te pakken.„Ik kan niet meer. Ik kan mijn leden niet meer bewegen.”„In je mond!” beval Reri.De jonge Batouwer pakte het eind van het touw vast met zijn tanden.Reri, kennend de sterkte van het gebit der jonge Batouwers, die al als knapen zich oefenen in het tillen met de tanden, trok Baldei op, die nu boven het water zweefde, stijf bevroren maar klemmend zijn tanden, sterk als het gebit van een roofdier om het touw, schuingebogen het hoofd. Toen hij hem tot aan de rand van de verschansing had, greep hij hem snel bij den gordel, die kraakte vanhet ijs. Dan haalde hij den verstijfden, jongen reus op het achterdek.Onmiddellijk begon hij hem krachtig te wrijven. Het waren niet zijn leden, die bevroren waren. Doch het vet[127]was door ’t schuren tegen het roer weggewreven en het warme lichaam, leunend tegen de dikbevroren kiel, was eerst vochtig geworden en toen was ’t water op ’t harige lichaam bevroren.Nu kwam Baldei weder bij en kon zijn leden weder bewegen. Met schrik zag Reri in de verte aan den einder de eerste paarsche schemer van het komende morgenlicht.„Kom mee,” beval hij.Weer daalde hij in ’t ruim af en gaf Baldei zakken aan, een, drie, zes, acht.… twaalf.… vijftien.… tot vijf en twintig. Toen droegen ze beiden de zakken naar de achterplecht.…„Dat krijgen we zoo nooit weg!” meende Baldei.„Neen.… wij moeten de jol kapen.… kom mee.…”Zij schreden naar ’t hooge voordek, sjorden de jol los … droegen haar dwars over het skig naar ’t achterdek en nu lieten de twee reuzen alleen de jol zachtjes met de punt vooruit langs het roer glijden. De twee beneden begrepen dadelijk waarom ’t ging, stutten het vaartuigje, zoodat het recht op ’t water kwam te liggen. Baldei liet zich weer af in de gordellus en nam de zakken een voor een aan, gaf ze aan de twee mannen beneden, die ze stouwden in de jol ….Toen de vijf en twintigleeren zakkenmet graan er in lagen, zakte het vaartuig tot den rand in ’t water.Reri liet zich langs Baldei afgleden, hielp Baldei bij ’t afzakken en nu wierpen de vier zich in ’t water, de jol voor zich uitduwend. Maar Baldei, niet meer beschut door ’t berenvet, voelde de krampen komen.De twee anderen wilden zooveel zakken graan overboord werpen, dat Baldei in de jol kon blijven zitten, zonder dat deze zonk. Maar Reri, die te goed wist wat een enkele zak graan beteekende voor de toekomst van den stam verbood dat. Steunen konden ze hem evenmin, want de drie waren ook vrij uitgeput en hadden de zware jol voort te duwen. Daarbij kwam dat het al begon te schemerlichten.[128]„Trek eens hard aan het touw,” riep Reri tot Freihals. Maar de afstand was nog te groot, dan dat de makkers op ’t ijs den ruk voelen konden.„Mannen,” zei Baldei, „ik mag di niet tot last zijn. Zorg voor mijn moeder. ’t Is een weduwvrouw.…”Hij hief zijn armen op en zonk weg in ’t koude water.Maar Reri greep hem vast, tilde hem hoog.„Volhouden!” beval hij.Doch de jonge reus was met open mond gezonken om snel weg te zullen zijn.Reri legde zich op de rug en haalde ’t hoofd van Baldei over zijn borst, hield den naar adem snakkende zoo boven.„Hindar, zwem vooruit.”„Ik ben òp!” zei Hindar.Op dit oogenblik weerklonk een signaal van de bestolen skig. Maar meteen begonnen de Batouwers op den wal, door ’t signaal gewaarschuwd dat er onraad broeide, het verbindingstouw snel intepalmen. De drie mannen klemden zich aan de jol en lieten zich meetrekken, Reri den machteloozen Baldei nu met één arm boven water houdend.De spanning van de drie mannen was zoo groot, dat zij de koude niet voelden en nu ook kwam Baldei weder bij.Op de bestolen skig was de man van de laatste wacht opgestaan om zijn kameraad te gaan aflossen. Maar niet vermoedend, dat er een luik openstond, was hij daarin gestort. Hoewel hij zich zwaar kneusde, begon hij toch te schreeuwen en riep de naam van den man, dien hij wilde aflossen. Maar ook die gaf geen antwoord. Toen kroop hij rond en voelde de zakken die Reri, als trap had gebezigd. Maar hij had beide beenen gebroken en kon zich niet tot aan den rand van het luik opheffen. Daarom schreeuwde hij, zoo hard hij kon, tot eindelijk een stuurman ontwaakt was, die op ’t dek komend uit het open luik het kreunen hoorde en bij ’t roer den dooden wacht vond en daarna bij ’t luik, de gebroken Batouwsche saks.[129]Hij liep naar de kajuit terug, nam een signaalhoorn en blies alarm.Doch dit duurde lang genoeg en voordat in de vale morgenschemering ontdekt was, waar de aanvallers waren, hadden de Batouwers de jol met de vijf-en-twintig zakken meel al weder op ’t ijs gehaald. En nu, vijf-en-twintig der mannen elk een zak graan op den rug dragend, begonnen de honderd weg te rennen, in den dreunenden, gelijkmatigen stap van krijgslieden, die een aanval doen.Zij vormden een driehoek met telkens één der mannen voorop als windbreker en de anderen, hun handen op de schouders van de voormannen leggend, vermeerderden dier kracht.Er was in al dien tijd geen woord gesproken.Zoodra de vier zwemmers uit het water waren, hadden zij slechts één woord gezegd: „Den barditus!”Dat was genoeg geweest. Sigbert, als de aanvoerder was ’t eerst voorop geloopen als spits van de wig. Maar naarmate de spits wisselde kwam hij, naar ’t oude gebruik, des te meer naar achteren, terwijl de vier zwemmers, als ’t meeste vermoeid, achteraan waren gaan loopen, opdat de voorsten den wind zouden breken. Zoo kwam het, dat na eenige gewenden, toen de achterste lieden vooraan kwamen te loopen, Sigbert met Tjeerd achteraan liep, terwijl Reri in de voorhoede was. Maar toen Baldei, die nog altijd niet geheel bekomen, in de achterhoede bleef loopen, de handen op de schouders van Tjeerd, die hem steun gaf, los liet en niet meer mede kon, floot Sigbert op zijn vingers en de saks hield stil.Zij waren, dank zij de snelle en ordelijke wijze waarop zij de vlucht hadden genomen nu zoo ver van de skigge, dat zij niet anders zouden kunnen worden ingehaald dan door paarden. Maar achterwaarts ziende bemerkten zij, dat het gevaar voor vervolging niet groot was. Want de beroofde skig lag vrij afgezonderd, ’t meest naar voren en[130]het was van de skig onmogelijk seinen naar den vasten wal te geven voor het goed licht was geworden. En dan nog … hoe zouden die van de skigge den menschen op den vasten wal op zoo’n verren afstand kunnen beduiden, dat men bestolen was en door wie. Om te verkondigen, dat zij een lading graan van ’t Paarden-eiland hadden medegebracht, was slechts noodig geweest een zak graan in de mast te hijschen en een vlag op te steken, zooveel keer als er zakken in de schepen waren. Maar die op het strand duidelijk te maken, dat Batouwers ’s nachts de skig hadden overrompeld en het ruim leeggeroofd, ging bezwaarlijker.Sigbert’s saks hield dus een oogenblik halt om te rusten en te overleggen. De mannen stonden bezweet en hijgend, leunend tegen elkaar zooals dit in den krijg gedaan wordt. De mannen, die de zakken droegen zetten ze af, omdat nu de beurt van het dragen aan een tweede vijf-en-twintigtal kwam.Sigbert opende een zak. Daar lag de dikgezwollen weite, het zeldzame, beroemde koningskoren van ’t Paarden-eiland. Sigbert woelde er met zijn hand in, liet een handvol in een stroompje weder neerglijden in den zak. De anderen drongen zich om den zak heen, zagen het prachtige koren begonnen te joelen van vreugde.„Geef mi, geef mi,” zeiden zij, de handen geopend uitstrekkend naar Sigbert, die hun handen vulde uit de zak. En zij liepen weg van den zak, de beide handen gegeuld bij elkaar, voorzichtig om niet een enkel korreltje te verliezen en toonden het verheugd den verder staanden, die naderbij drongen en met lichtende oogen keken naar dat mooie zaaigraan.Zij wreven de graantjes op de handpalm, rollend ze bewrijvend om de dikte te voelen en hoewel ze allen hongerig waren, was er niet één, die een graantje naar den mond bracht. Zij wierpen het graan weer in den zak, tot het laatste korreltje toe.[131]Het was nu geheel licht geworden. Sigbert keek nog eens in de richting van het strand. Maar de schepen waren reeds lang uit zicht en de verre velden waren eenzaam.De mannen vormden weder de saks en liepen in stevigen pas door, evenwel niet meer op een drafje, zooals zij tot nu toe gedaan hadden.Sigbert droeg nu ook een zak en het was hem niet zwaar op den rug maar alsof hij iets liefelijks droeg, dat hem vroolijk maakte en licht te voet. Zoo had hij den kleinen Herebaeld vaak gedragen in de tijden, toen hij in stilte en zonder het ooit te durven uiten, hoopte dat zijn kind met de dubbele kruin eens koning zou worden van de Batouw.Het weer was omgeslagen. Daar zij door het harde loopen allen bezweet waren, hadden zij het niet gevoeld. Maar toen ze aan het eerste bosch kwamen zagen zij, dat de stammen der boomen grijzer werden en van een enkel twijgje drupte al onder de stralen van de morgenzon een spettertje sneeuwwater. Zij zagen elkaar aan zonder wat te zeggen, te goed wetend welke gedachten dat droppeltje wekte, beangst om door ’t uitspreken van hun hoop, ’t geluk te verstoren.Zij rukten den heelen morgen zoo voort, in gezwinden pas, weinig sprekend, de saks gereed in den gordel, hun vingers in ’t voorbijgaan grissend langs den grond of een laaghangenden tak om een balletje sneeuwijs te pakken om dat ter verfrissching in den mond te steken.De vier zwemmers, nog altijd in hun met vet besmeerde lichamen, waren sterk gaan zweeten en het vet begon langs hun leden te druipen. Sigbert beval, dat vier anderen hun pelzen zouden afgorden en ze om de schouders van de zwemmers slaan.Maar Reri en Baldei waren te groot en nog twee anderen moesten hun pelzen afstaan, die, altoos onder ’t voortloopen, met de hoeken aan elkaar werden geknoopt.[132]Het bosch werd dichter en de mannen moesten daar ’t pad smaller werd, achter elkaar loopen.Op een beschutte plek achter struikgewas, wel geschikt om bij een mogelijken overval verdedigd te worden, beval Sigbert rust. Het was al later op den morgen geworden en het gevaar reizigers te ontmoeten vooral omdat de dooi was ingevallen, werd groot. De mannen gingen op stronken zitten of wierpen zich, hun berenhuid uitspreidend op den grond.De geroofde zakken werden nu allen geopend. En de mannen, zich dicht om elken zak dringend, kregen glanzen in de oogen en kreunden in de baarden van bewondering. Slanke haver, dikke, zware gerst, wichtige weite, zak na zak.Reri drong zich naar voren.„Er zijn twee zakken bij met vreemd graan,” zeide hij. „In ’t donker voelend, heb ik het niet op den tast kunnen herkennen.”De twee laatste zakken werden geopend. In de eerste zak lagen kleine, platte schijfjes van een vreemde graansoort, die geen der mannen ooit gezien had. Sigbert gaf een handvol aan den man naast zich om door te geven met de vraag of ook iemand er kennis van had. Maar in den laatsten zak waren korrels, groot als een boon, zoo geel als amber met aan de punt een wit spikkeltje.„Wat ’s dat?” vroeg Sigbert.Hij nam een korrel op en stak deze in den mond, beet haar fijn, proefde haar.„Hoe smaakt het?” vroeg er een.„Als fijne weite, maar nog zoeter.”„Zit er honing in?” vroeg een ander, die getroffen was door de goudgele kleur en den vorm van de korrels, die wel eenigszins aan de cellen in een honingraat deed denken.„Proef zelf,” zei Sigbert, hem den zak voorhoudend.Maar nu een ander dan de saksvoerder een korrel opat, wilden de anderen ook proeven. En de mannen drongen[133]zich om den zak en als kinderen begeerig, staken ze de groote, grove, rasperige boerenhanden uit en kregen een korreltje van het barnsteenkleurige graan. Zij gingen terug als met een schat, bekeken het kleinood, wreven het in de holte van den handpalm met de vinger der andere hand om en om, het keurend met de oogen zooals een kenner een edelsteen zou schatten.En dan, het naar den mond brengend, hielden ze het zaadje er lang in zonder er op te bijten, het met zachte smakjes van de tong proevend, het omwoelend in de mondholte, om langer er ’t genot van te hebben.Onderwijl waren er al eenigen, die hout hadden gekapt en een vuur aangelegd en men wachtte op het woord van Sigbert, die zou bevelen wat heden gegeten zou worden. Zij hoopten in stilte, dat zij dit keer graan zouden krijgen, maar Sigbert liet de zakken weer sluiten en beval, dat men sporen zou zoeken van wild.De mannen waren ontevreden. Eén trad voor de anderen op en vroeg, maar met veel meer deemoed, dan hij zich voorgenomen had:„Sakshoofd, wilt di ons niet wat graan geven?”„Grendeldebliksem!” stoof Sigbert woedend op, zijn hand naar zijn saks brengend, „du, smuigerd. Wilt di ons zaaigraan vervreten?”De man trad beschaamd terug. Maar een ander, die den smaak van het barnsteengraan nog naproefde, trad naar voren.„Sakshoofd … wi hebben honger … En met wild zoeken gaat de tijd weg … Dat honinggraan is toch niet om te zaaien … Laat ons dat nu opeten …”„Ja, laat ons ’t honinggraan opeten,” riepen anderen.„Hier met het honinggraan!” riepen nog weer anderen, verlekkerd door den smaak.Sigbert trok zijn saks en stelde zich voor den zak.„Wie een korrel neemt, kloof ik den kop!” riep hij.[134]„Stemmen, stemmen!” riepen de mannen terug.Sigbertkeek naar Reri.„Ja vaêr, laten wij stemmen!”„Zult di dijn vader afstaan, snotjongen?” zeiSigbert, zijn zoon een stomp voor de borst gevend.„Is dat mijn loon, vaêr?” vroeg de reus, bedroefd ter zijde gaande.„Stemmen, stemmen!” riepen de anderen met meer onstuimigheid.Maar de ouderen onder de mannen, die zelf vaders waren en met bewondering zagen naar hun aanvoerder, die zoo zijn vaderlijk recht wist te bewaren, willende toonen, dat zij ook niet bevreesd waren voor hun zonen, gingen bij Sigbert staan, toonend dat zij voor hem partij namen. De vader van Hindar was de eerste, die naastSigbertstond. Maar Hindar, op hem toetredend zei:„Vaêr, ik moet eten … Du weet wel vaêr, de laatste bete heb ik gisteravond gehad … en toen heb ik met di gedeeld …”„Laat ze eten, Sigbert!” zei nu de vader van Hindar.„De zwemmers kunnen krijgen!” gaf Sigbert toe.„Stemmen, stemmen!” riepen de anderen dreigend.„Vooruit dan … wie ’t zaaigraan wil vervreten, steek op zijn saks …”Alle saksen werden opgestoken. Sigbert boog voor de overmacht. De zak werd weer geopend en een der Batouwers, die een kleinen helm droeg, gaf ze om als maat te dienen.En nu mocht elk man een halven helm vol van het zoete barnsteengraan uit den zak putten. Zij hielden hun pels als voorschoten op en liepen met hun schat naar het vuur of zetten zich wat verder alleen weg en begonnen het zoete graan rauw op te knabbelen.Alleen Sigbert at niet.„Vaêr!” zei Reri, „du eet niet?”„Dijnvaêrvreet zijn vrijheid niet op!” zei de Bataaf norsch.[135]Toen keek Reri even terzij naar Tjeerd, die al den mond vol had. En nog even wijfelend, wierp hij zijn deel weer in den zak terug.„Gaat di mee Tjeerd … sporen zoeken?”„Eerst eten …”Maar tegelijkertijd zag hij naar zijn vader op en boog het hoofd.Hij wilde nog een handvol graan naar den mond brengen. Maar hij dorst niet en schuin het hoofd afgewend, liep hij nu ook naar Sigbert toe en wierp de handvol graan, die hij nog slechts over had, ook in den zak.„Ik had honger,vaêr!” zei hij verontschuldigend, hoewel de oude niets gezegd had, alleen met de driehoekige oogen fél hem aanstaarde.„Het was di geraden, knaap. Du hattet dijn erfdeel opgevreten … Ga mee met dijn broeder …”De twee liepen ’t kreupelhout in, zwijgend, onderworpen, beschaamd, voelend het overwicht van den vader, die hongerend zooals zij en met de volle beschikking, deeenigevan allen was geweest, die sterker zich toonde dan het verlangen, dat als een pijn knaagde in de uitgehongerde maag.„Als ’t voorjaar wordt, moet-ie koning worden!” zei Reri tot Tjeerd. „Denk er wel aan jong, onze vaêr is de grootste Batouwer.… Hij moet koning worden.”Tjeerd spuwde de restjes van ’t graan uit zijn mond en rilde met ’t hoofd als walgde hij nu van dat heerlijke koningsgraan.Zij liepen beiden, de oogen naar den grond, zoekend of ook ergens den indruk van een dier merkbaar was. Doch zelfs hun geoefende oogen konden niets onderscheiden op den hard bevroren grond van sneeuwijs. Maar dichter in ’t hooge hout, waar de boomen zoo vast opeen stonden, dat de vorst eenigszins geweerd was, merkten zij gebroken takken, waar blijkbaar een dier doorgang had gezocht. Opeens hield Tjeerd stil.[136]„Wat is dat?”In ’t sneeuwijs stak een zwartige punt uit. Tjeerd rukte het voorwerp uit de aarde.„Een sandaal!”.… zei hij.„En geen oude.… daar zijn hier menschen.”„Wat voor menschen.…”„Roovers! Anderen zijn niet in den winter hier in den dikicht.”Zij liepen voort, volgend het spoor van de weggebroken takken en vonden weldra een klein offerblok en vandaar voortgaande vonden zij den ingang van ’t hol, dat met een zwaren steen was afgesloten, maar die de twee sterke kerels al spoedig hadden terzij geschoven.Beiden traden dadelijk terug.„Daar zijn lijken in!” meende Reri.„Aan den stank te zeggen, ja!”„Wij moeten vuur maken … ’t Is te donker.”Zij keken rond, maar zagen geen kienhout. Het was een bosch van beuken en eiken.„Wij moeten een lichtgat maken. Vooruit jong!”Reri begon al met zijn saks boven in de sneeuwaarde te woelen en Tjeerd van de andere zijde wierp de uitgewoelde aarde terzij. Toen zij op een armdiepte waren, kwamen zij al aan de laag bladeren en mest, die spoedig doorgestoken was. Uit het gat steeg dezelfde doordringende stank op.„Zooals ik di zei, lijken.”Hij maakte het gat nog wat grooter en nu weer, van de holterp afglijdend, gingen zij den ingang kruipend binnen.Bij ’t daglicht, dat door ’t lichtgat boven, nu binnenviel, zagen zij de lijken van drie mannen en een vrouw in ontbinding. Het hol was volgestapeld met zadels, schilden, huiden, kortzwaarden, bronzen bekkens, urnen met bronzen sluitspelden. Maar iets om te eten vonden ze niet.[137]„Wat denkt di, Reri?” vroeg Tjeerd.„Dat zijn roovers, die zichzelf gevangen hebben. Zij hebben zich in ’t winterhol opgesloten en vuur gestookt. Toen is ’t vuur ’s nachts, toen ze den steen al voor ’t gat hadden gewenteld, gaan aansmeulen en zij zijn gestikt … Wat zei ik di … hier ligt er nog een … die is bijgekomen en is nog naar den uitgang gekropen … maar hij was te zwak. Ga naar vaêr jong en roep hem. En laat de mannen kienhouten meenemen. Ze zullen wel graankuilen hebben gehad..”Tjeerd snelde terug en onderwijl begon Reri het lichtgat grooter te maken. Hoe meer licht er binnenviel, des te meer ook werd hij van de juistheid van zijn veronderstelling overtuigd. Roovers waren het zeker geweest. Dat zou een kind zien aan de soort van schatten, die zij verzameld hadden. Maar waren zij werkelijk gestikt? Of hadden zij geen leeftocht meer gehad?Die daar lagen, half vergaan, toen weder bevroren en nu weder ontdooid, zouden het niet meer zeggen. Reri keek naar de ontbindende lichamen en rilde. Het gezicht van een krijger, op ’t slagveld gedood of van een mensch, kalm in zijn hut gestorven, maakte op hem geen indruk. Zij voeren op naar Wotan en waren voortaan gelukkiger dan op aarde. Maar deze hier, wier lichamen niet verbrand waren geworden, en wier zielen dus eeuwig zouden rondzwerven in den poel van Grendel, tot straf voor hun euveldaden, boezemden hem afschrik in.Zijn honger dreef hem om in ’t stinkende hol rond te zoeken naar leeftocht. Zijn oogen waren nu gewend aan ’t schemerduister en tastend met de handen langs de met koemest en dorre bladeren bestreken wanden, vond hij achterin weder een grooten sluitsteen. Hij wilde hem wegrukken, maar de steen was te zwaar. Nog was hij bezig gebukt in het donker den steen weg te schuiven toen hij al het gele licht van de brandende kienhouten zag, waarmede Sigbert en andereBatouwersnaderden.[138]Nu konden zij in ’t hol goed zien, welk vreeselijk einde de roovers hadden gehad. In ’t midden stond op een vuur van houtskool een groote pot, waarin een weeke massa. Melksoep, die eerst tot bederf was overgegaan en toen weder bevroren. Er lagen wel tien lijken in ’t hol, mannen en vrouwen. Een vrouw lag dicht tegen een wand bij den toegangssluitsteen, de rechterhand met de magere, zwartige vingers nog gekromd uitgestrekt naar den steen, die hun noodlottig was geworden.Reri en Tjeerd samen slaagden er in den steen van het tweede hol weg te schuiven. Dat was de welvoorziene voorraadkamer. Er lagen eenige zakken met graan, stapels gebakken, harde winterbrooden. Er hingen aan touwen stukken gedroogd vleesch en een twaalftal zijden spek. Tegen de wanden stonden groote, met was afgesloten, aarden vaten. Sigbert opende ze met zijn saks. De vaten waren gevuld met honig, mee, gestoofde bessen, ongebrande molleboontjes, meel, gesmolten vet.Nu was er geen rede om niet te eten.„Vrèt jong, vrèt!” zei Sigbert tot Tjeerd. „’t Is je gegund!”voegdehij er tot Reri bij. En deze, niet langer wachtend, trok een reep gedroogd vleesch los en begon als met geeuwhonger te eten. En ook Tjeerd en de vijf andere mannen deden zich te goed aan wat zij maar ’t eerst grepen.Sigbert, met een reep spek in de hand, liep naar buiten en met zijn machtige kaak kauwend op de reep spek, snelde hij terug naar ’t kamp, vertelde van de ontdekking en geen der mannen wist van vermoeidheid. In een vaart liepen ze naar het roovershol, dat weldra zoo vol was, dat er geen mannen meer binnen konden. Maar die binnen waren reikten door ’t lichtgat, dat Reri gemaakt had, voedsel naar buiten. Heele zijden spek, groote potten met meel en honig werden naar buiten aangegeven en de mannen, bemerkend dat er overvloed was, sneden lange[139]repen uit het spek en begonnen als dieren te knagen, knorrend van genot, malkaar aanziend met verheugde blikken.Maar daar de stank binnen te sterk was, kwamen alle mannen spoedig naar buiten. Een paar, die al half voldaan waren, begonnen onder leiding van Sigbert het lichtgat grooter te maken. Anderen kwamen helpen en spoedig lag het roovershol bloot met zijn rijkdommen, zijn voedsel en zijn vergaande lijken.Een paar mannen, dankbaar voor ’t voedsel, spraken er over, de lijken te verbranden en in een paar der ledig gegeten vaten bij te zetten.Maar anderen waren er tegen, meenden dat menschen niet mochten ingrijpen in den wil van Wotan, die de roovers zeker had gestraft voor menige euveldaad en deze laatsten kregen gelijk.Nadat allen verzadigd waren, werd de voorraadkamer van de roovers leeg gehaald en onder de honderd door Sigbert verdeeld. Onderwijl trokken de aangewezen dragers terug naar ’t kamp om de vijf-en-twintig zakken graantehalen en toen deze terug waren, zette de saks van Sigbert den tocht naar de Batouw voort.Sigbert bleef bij het hol staan om bevelen te geven en voor de lucht te zorgen. Het bevreemdde hem, dat nog niets van een vervolging gemerkt werd en hij speurde rond of hij wellicht de vlam van een seinvuur zag of luisterde nauwlettend of ergens een horen toette. Maar ’t was doodstil en alleen het hem liefelijk geluid van de smiltende druppelen die in de twijgen patsten, vernam hij.Tot het laatste stukje vleesch was weggedragen uit het hol van de roovers. Toen wilde een man, die weinig te dragen had, een bronzen ketel medenemen.Sigbert riep hem terug.„Wat doet di daar?” vroeg hij streng.„Voor mijn moei!” antwoordde de man.[140]Sigbert pakte hem bij den schouder, rukte hem de ketel uit de hand en wierp hem met een vaart in ’t hol terug, waar hij met een helderen tink neerviel tusschen ’t andere brons.„Batouwers zijn geen dieven!” sprak hij dreigend. En zijn oogen vlamden. Toen, ziendedat de mannen gereed waren, liep hij zijn troep langs en zijn saks opstekend in de lucht, zetten zij hun vlucht voort.[141]

Maar de honger begon ook te nijpen in de Batouw. De weinige kuilen met graan, die de Dantubaren niet hadden ontdekt, waren volgeloopen met smeltend sneeuwwater en later had de ongewoon strenge vorst water en graan tot een harde ijsklomp bevroren. Er was in de heele Batouw geen mensch, die heuchenis had van zulk een strengen winter.

De zwarte ziekte begon slachtoffers te maken en van alle zijden kwamen maren van hongersnood, koude en vorst.

Ook in de hut van Sigbert werd honger geleden. Zij hadden den grooten waakhond al moeten slachten en aten nu sedert dagen niets dan moes van dorre bladeren. Vergeefs liepen zij het woud af om wild te zoeken. Het wild was, instinctief den kouden winter voorvoelend, naar andere streken gevlucht en de weinige hazen, vossen, wolven en evers, die nog waren achtergebleven, ten buit geworden van de honderden hongerige Batouwers, die de bosschen afstroopten.

Ook bij de Frisen was de oogst slecht geweest. Maar koningTjilbardhad wel veertig groote schepen naar ’t Paarden-eiland gezonden met barnsteen, albasten schijven, koehuiden en fraai besneden zetels, broodplanken, messenheften, sierframmen beladen, om graan te gaan ruilen op ’tPaarden-eiland.

Daar zou dus geen gebrek zijn! MaarTjilbard, zou niet voor niets van zijn voorraad aan de Batouwers afstaan en veel om te ruilen hadden de Batouwers niet, want de Frisen waren rijk en kunstvaardig en hadden in hun rijk alles wat de Batouwers ook hadden.[115]

Doch de geschenken, die Sigbert en zijn zonen van Maresag hadden gekregen, de mooie pels van marterbont van Sigbert zelf en het prachtige bronzen kortzwaard van Reri en zijn jachthemd met de koperen schakels en zijn bronzen helm, dat waren schatten, die ook de Frisenkoning wel gaarne zon willen bezitten en inruilen tegen graan.

Daarom dan zouden Reri en Tjeerd naar der Frisen koning optrekken en hem bericht brengen van prins Istovar en hun kostbaarheden in ruil voor graan aanbieden.

Zij trokken in snelle dagreizen naar Jelhiem, de hoofdstad van het land der dappere Frisen. Maar aan de grens van het Friesche gebied vernamen zij van de groote hongersnood, die ook in Frisenland heerschte en al zoude men graan tegen goud willen opwegen, dan nog zou geen graan aan vreemdelingen medegegeven worden, want het volk zou in dat geval zeker oproer maken.

De skigge van koningTjilbardwaren wel teruggekeerd van het Paarden-eiland en blijkens de signalen waren ze volbeladen met graan. Doch de toegang tot de Aamshaven was bevroren en het ijs was te dun om er overheen te kunnen loopen tot aan de skigge, die ingevroren lagen.

Dag aan dag stonden de hongerende Frisen aan de kust uitkijkend naar de zwaar beladen skigge maar alle pogingen van die van de schepen om aan land te komen of van die van het land om de schepen te bereiken, faalden.

Een breede geul van stroomend water midden in ’t ijs maakte het onmogelijk de schepen te naderen noch te voet, noch met kleine scheepjes,nochmet groote vaartuigen.

Enkele dappere mannen hadden het gewaagd zoover mogelijk over het ijs te loopen, dan het ijs stuk te hakken en zoo zich tot de geul door te werken. Maar in ’t ijskoude water waren zij door kramp bevangen en weggezonken. Reri ging naar koningTjilbard, en verhaalde hem ’t wedervaren van zijn zoon prins Istovar.

De koning vloekte, zeide dat hij reeds van Melle de[116]tijding had ontvangen en vroeg waarom de Bataaf oude wonden kwam openrijten.

Reri verontschuldigde zich en bood nu zijn schatten aan smeekend om één enkele zak graan.

„Van wien hebt gij al dat moois?” vroeg de koning wantrouwig.

„Van Maresag, den hoogepriester en Harimona, de heilige maagd!”

„Dus du bent wel uitverkoren geweest, maar mijn dapperen zoon niet.…”

„Ik was wachter heer, bij de schattenschuren! En de heilige maagd heeft vader een rijken oogst beloofd. Ik smeek di, geef ons één zak graan en wij zullen di dankbaar zijn en als de goede tijden voor de Batouw aanbreken gedenken, wie onze vriend in den rampspoed is geweest.”

„De heilige maagd Harimona heeft dijn vader een goeden oogst voorspeld.… En daarop vertrouwt di?.… Zotskoppen zijt di.… bij elkaar. Door dijn zotskopperij is ook in ’t Frisenland den roep van de heilige maagd Harimona verbreid en mijneenigezoon heb ik daardoor verloren … Als du weder heilige maagden kent, moogt du di eerst beter vergewissen, want dijne Harimona is een veile deern, een liderlicke hure, die met een Nervischen prins gevlucht is.… De trouwe Melle heeft mi de kond gedaan.…”

„Dat liegt di, koning”zeide Reri verontwaardigd.

„Pak di weg met dijn schatten.… KoningTjilbardverlangt geen hurenloon … Pak di weg … Hurenknecht!”

Met smaad waren Reri en Tjeerd weggezonden. Zij trokken eerst naar de kust om naar de graanschepen te zien. Daar lagen ze, veertig groote Frise skigge, met breede, hooge boegen en lange masten, waarvan de dunne lederen zeilen niet waren opgerold, maar stijf bevroren, strak uithingen aan de rondhouten.

Reri, tegen een paal geleund, keek lang en aandachtig naar de schepen.[117]

„Zou di niet durven?” vroeg Tjeerd.

„Als ’t moest zijn!” zeide Reri kort.…

„Du zou al di Frisen te schande maken.…”

„Wat heb ik daaraan.… Als ik nu ’t graan van hun skigge haal, is ’t niet voorTjilbard.… Kom mee jong, eerst naar vaêr toe om raad te vragen.”

Hoewel zij hongerden en zich met weinig anders voedden, dan met visch, die zij in stroobosschen ’s nachts op de Frise waters vingen en rauw opaten, liepen zij met snelle schreden terug naar de Batouw.

Zij vertelden Sigbert van de ontnuchterende ontvangst bij KoningTjilbard.

Sigbert wreef een traan uit zijn oog.

„Grien jevaêr?” vroeg Reri ontzet.

„Ja jong.… ja jong.… als dat waar is.… als die Harimona een hure is geweest, dan is ’t gedaan met de Batouw.… Dan moeten wij weg.… met de saks er op uit een nieuwe ouw zoeken.… En dan begint het moorden weer.… dan moeten wij anderen menschen vellen … en vrouwen en kinderen verjagen.… ’t Is hard hoor.… ’k Heb nooit graag de saks gezwaaid … Wat is dat voor bloedgierig werk?.… Achter den ploeg wil ik loopen.… dat wil ik, van den nuchteren morgen tot in den zwarten schemer. En met dijn moêr wil ik de sikkel slaan.… dat wil ik, naar Batouwschen aard … Dat ’s trouw werk en daar valt zweet bij maar geen bloed.… Grendeldebliksem … zouwen wij Batouwers van ons land afmoeten! Zouwen wij jong? Dat mooie land, dat je overgrootvaêr heeft gebouwd, en je grootvaêr … je moeders moer en je moer.… Wat zeiTjilbard? Is zij een hure! Wee, dien hure.… als zij mij bedrogen heeft … Den kop inhakken met den saks zal ik haar.… die kol, die dop … Grendeldebliksem.… d’r witte haren zal ik rood maken!… Grendeldebliksem hier.… met mijn saks!”

Hij had de saks van den wand genomen en drilde ze[118]in zijn schorschige vuist.… Ontzet zag Reri hoe dun vaders polsen waren geworden.

„Vaêr,” zei Reri, „er is wel raad.…”

„Wat zou hier raad jong?… Zie di niet hoe dijn arme moeder afgeteerd is?… Hoelang vreten wij nu blaremoes? In Dantuba zijn ze allen verrekt van de kou en den honger.… Hoe lang zal ’t hier nog rekken?.… Hari, de bode is hier geweest.… Weet di wat hij vertelde?.…”

Sigbert kwam dicht bij zijn zoons staan en Reri diep in de oogen ziende met zijn driehoekige groene oogen onder de schuin neerhangende oogleden.…

„Aan de grens hebben Batouwers van den honger elkaar opgevreten.… Van den hònger.… van den hònger, van den hònger, jong!.…”

Hij hief zijn saks dreigend op tegen een denkbeeldigen vijand, maar viel toen weer moedeloos neer op een hoop brandhout, zijn oud hoofd gebogen en snikkend hikkend met de borst zonder te weenen.

„Ik weet een middelvaêr.…”

„Wat zou di weten?.…”

„Wij moeten de Frische skigge veroveren.…”

„Wat zeg di jong.… Batouwers rooven niet.…”

„Batouwers vretennuelkaar op van den honger,” waagde Tjeerd bitter te zeggen.

„Hou dijn mond, du melkmuil …” toornde Sigbert op.

„’t Is zoo vaêr … Tjeerd zegt ’t rechte woord … wij moeten.… Als ’t nou niet is, moeten wij in ’t voorjaar er op uit.…”

„De Frisen zijn onze bondgenooten.…”

„Stikken kunnen ze.… die bondgenooten. Geen zak graan ruilen ze voor een marterpels, die tien akkers groenland waard is … Als wij de skigge overvallen hebben wij graan zat … en ook om te zaaien in ’t voorjaar … Waar wil di ’t zaaigraan vandaan halen,vaêr?… En anders moeten wij weg uit Batouw … Op de schobberdebonk naar een[119]nieuw ouw.… Dat zal wat geven, met de Batouwers … Ze vechten tegenwoordig overal nieuwerwetsch met ’t kortzwaard.… Daar kunnen wij niet tegen op met de saks …”

„Ik zou wel willen zien, wie mi de saks uit de hand sloeg …”

Hij hief zijn gepunte bijl weder op en drilde hem heen en weer, dreigend tegen eendenkbeeldigenvijand.

„Du vaêr ja … du wel … maar d’er is al veel volk onder de Batouwers, die al in geen jaren van achter den ploeg zijn weggeweest … Du moet ze zien, zooals ze tegenwoordig vechten bij de Kaninefaten en de Sfafen op de wijze, die van ’t Paarden-eiland is ingevoerd. Op lage wagensvaêr, met vier vlugge peerden er voor en dan twee kaerels er in, één met met kortzwaard en schild en één die stuurt … Daar kan di met een saks niet tegenop … De peerden rijen je omver, de kerel hakt van zijn wagen op je in en als du terug hakt, is-’t-ie weg met zijn kar …”

„Grendeldebliksem, twee tegen een … Dat’s smuigerswerk!”

„Ze doen ’t ’em maar, vaêr. En als de kop gekloven is, lig je … Als du nou wou vaêr … als du dijn saks opriep, en dan flink aangeloopen naar de kust en dan wij, als Batouwers, met ’t schild en de saks over ’t ijs tot aan de waterrand. En dan ik met nog een paar zwemmers flink ingesmeerd met berenvet, met een taai touw om ’t lijf. Dan bij de skigge het touw vastgelegd aan één skig en dan weer met het touw terug. Als dan de heele saks aan het trekken gaat, krijgen wij een heel skig over den stroom heen en wij kunnen dan de zeelui binden en de skig leeghalen …”

Sigbert had aandachtig toegeluisterd.

„Dat zou één skig zijn.”

„Dat’s genoeg.”

„En de wraak van de Frisen?”[120]

„Bent-di bang vaêr?”

„’t Zijn kwaje kaerels als ze beginnen.”

„Honger is ook een kwaje kaerel.”

„Als du ’t wilt, welnu dan jong … daar is dijn vaders hand …”

Nog dienzelfden dag waren er op de heuvels vuren ontstoken, om de lieden van de streek te waarschuwen, dat er een saks gevormd moest worden en den volgenden morgen vroeg trok Sigbert met honderd Batouwers naar de Frise kust.

Zes nachten zou de voetreis der honderd duren, vóór zij aan de kust kwamen, waar de skigge lagen. Zij moesten afzonderlijk optrekken, want een gewapende saks van honderd Batouwers zou door de Frisen spoedig bemerkt en gevangen genomen zijn.

Bijna allen waren verzwakt door de lange tijden van schaarschte en maar een twintigtal, die vroeger tegen de Dantubaren gestreden hadden, waren vaardig met de saks. Reri was de grootste en sterkste van allen. De meesten, blondharig, breed van schouders, gedrongen van bouw, waren iets kleiner dan Sigbert. Doch moed hadden ze allen, wetende welke buit hun wachtte en ook welke waarde die buit voor hen had. Het was niet alleen graan, waarmede zij den nijpenden honger van zichzelf, vrouw en kinderen konden stillen. Maar graan, dat was voor hen ook zaaigraan, heteenigemiddel om ’t volgende jaar aan den hongersnood te ontkomen, heteenigemiddel wellicht om hun anders zoo vruchtbare ouw, in vrede te blijven bezitten. Want niets was vreeselijker dan op verovering van een nieuw gebied uit te gaan. De volksstammen waren talrijk en geheel Germanje was in de vruchtbare streken dicht bewoond. De voorbeelden waren niet zelden, dat stammen, die hun gebied verlaten hadden, overal waren verjaagd, opgedrongen, aangevallen, bestreden tot zij eindelijk weer het oude gebied opzochten, maar[121]daar reeds een nieuwen stam vonden. Dan moesten ze om het eerst verlaten land met de wapens in de vuist twisten en zoo waren wel gansche stammen uitgemoord of tot hoorigen en slaven gemaakt.

Waar zouden de Batouwers heen? Aan het bezetten van de ouwen der Frisen was niet te denken. De Frisen, hoe vreedzaam ook wanneer zij niet aangevallen werden, waren onoverwinnelijk als zij tot verdediging genoodzaakt waren. En de Frisen waren een ras van krachtige, slanke lieden, vaardig óók al op het nieuwerwetsche kortzwaard en onstuimig in den stormloop.

Naar de gebieden der Bellovaken en Nerviërs zouden zij evenmin kunnen trekken, want de Nerviërs waren uitstekende ruiters en de Bellovaken streden wel tegen die van ’t Paarden-eiland, zoodat een Batouwer hier op geen overwinning mocht hopen. Naar de zijde der Sigambers en Chatten was wel een uitweg te vinden, maar die te verjagen naar de Hermoendoeren zou niet gaan, want de Hermoendoeren waren vrienden van de Cherusken en die twee stammen konden niet door de Batouwers verslagen worden als zij de Hermoendoeren nog daarbij voor zich uit hadden te drijven.

Zij moesten in hun ouw blijven en de honderd wisten wel, dat het van het gelukken hunner rooftocht afhing, of zij in ’t voorjaar zaaigraan zouden hebben.

Er waren in deze koude dagen weinig lieden buitenshuis en vooral niet op de groote wegen. Want de honger had die wegen gevaarlijk gemaakt voor reizigers, die niet in groote troepen trokken. En daar in den winter geen groote reizen werden gemaakt, trok de Batouwsche saks onbemerkt het Frisenland binnen. Vooraf gingen straalsgewijze uitelkaar tien verspieders, die als zij twee gewenden geloopen hadden, weder straalsgewijze tot elkaar liepen. Waren zij bijeengekomen en had de weg niets verdachts opgeleverd, dan liepen twee van hen in twee richtingen in draf terug tot[122]zij in ’t gezicht van de volgende tien man kwamen, die zij door ’t opsteken van een grooten tak waarschuwden, dat zij voort konden loopen.

Die tien deden door twee hunner op dezelfde wijze de tien volgende waarschuwen en zoo voort van hoede tot hoede.

Was er onraad bespeurd, dan staken de voorloopende een tak op met een dwarstak bovenaan. Onmiddellijk liepen dan de tien mannen in stralen uiteen en kwamen, al naar afspraak na meer of minder gewenden afstands, weder straalsgewijze tot elkaar.

De mate van ’t dreigende gevaar konden zij zien aan de wijze waarop de dwarsstok op de rechtstandigen was gestoken, meer of minder zuiver kruisvormig. Was de dwarsstok plat op de rechtstandige gelegd in een T vorm, dan was ’t gevaar ’t grootst.

Reri was bij de voorste troep der tien mannen; hij kende den weg en wist de bewoonde streken, die voorzichtig gemeden werden. Daar rivieren en meren en poelen overal hard bevroren waren, kon hij een rechte korten weg volgen en zoo stonden de eerste tien, na zeven dagen van langen ingespannen marschen ’s avonds aan het strand en zagen heel in de verte in ’t maanlicht de donkere rompen van de graanvloot.

De twee konders liepen terug om de andere tienmannen te waarschuwen en het laatste eind van den weg werd in den nacht in looppas afgelegd zoodat het nog donker was toen de honderd zwijgend, met de saks in de vuist, gereed voor tegenweer tot op den dood, bij elkaar waren.

Onderwijl waren Reri, Hindar, de snelzwemmer, Freihals, die met Reri samen op een Scandischen skig had gevaren, en Baldei de jongere, bezig met de voorbereiding voor den zwemtocht. Het was windstil en hoewel de maan reeds onder was, toch nog licht door de heldere sterren aan den onbewolkten nachthemel. De vier Batouwers, de beste[123]zwemmers van den heelen stam, smeerden zich dik in met berenvet van het hoofd tot de voeten zoodat hun lichamen door een dikke laag hard vet waren bedekt. Nu werden de tien einden touw, die de tien mannen hadden gedragen, aan elkaar geknoopt en de vier zwemmers, onderling door touwen aan elkaar verbonden om bij ongeval elkaar te kunnen steunen, liepen vooruit over het ijs gevolgd door de overigen mannen van de saks van Sigbert. Toen zij daar kwamen waar het ijs geen mensch meer houden kon, omdat door de sterke strooming, die daar stond, het water niet dichtvroor, hielden de sakslieden stand elk met een gedeelte van het touw in de handen, dat zij langzaam lieten uitvieren.

De vier zwemmers, de saks in den gordel, sprongen zacht in ’t ijswater en begonnen schuin op de rechter zijde zich werpend met kalme, slagen op de schepen toe te zwemmen. Reri, die merkte dat Baldei, de jonge, in zijn overmoed te snel zwom en zoo telkens een ruk vooruit aan het touw deed, waarmede hij aan de drie anderen was verbonden, waarschuwde hem.

„Zacht aanvangen Baldei.… anders houd di ’t niet vol …”

Maar Baldei, trotsch op de jonge kracht van zijn prachtige leden en zijn stronkige spieren, wilde niet luisteren.

Toen sloeg Reri even twee slagen sneller uit en gaf hem een slag met vuist op den schouder.

„Grendeldebliksem, zal di hooren.… als du nogmaals aan het touw trekt verzuip ik di.…”

De jonge man hief even boven ’t lijf op uit ’t water, maar verbeet de pijn en zwom nu kalmer door.

Een geruimen tijd zwommen de vier zoo door ’t ijswater. Maar ’t berenvet in de koude stollend om hun lichamen, hield hen warm en eenmaal in de beweging was de bloedsomloop snel genoeg om hen voor krampen te bewaren.

Eindelijk beval Reri dat zij drijven zouden zonder zich[124]te roeren. Hij had de wacht gezien op ’t eerste schip, dat zij nu al dicht genaderd hadden.

„Wij moeten langs het roer op.… Anders kom je nooit op een Frise skig.…”

Een ijsbergje dreef aan. Reri hield het met zijn schouder tegen.…

„Hierachter aan mannen!” zei hij. Hij haalde zijn saks uit den gordel, sloeg het wapen met de scherpe punt van den bronzen bijl vast in den ijsberg en zachtjes met de voeten trappend, stuwde hij het ijsbergje met duwtjes naar het roer van het schip. Hij hief den vinger op, zijn lichaam steunend op het roer en de drie anderen, de handen klemmend om de stuurstaart, ’t hoofd half boven ’t water, wachtten.

Reri maakte het touw los van zijn gordel en zijn saks in de hand nemend, hakte hij het hout rond een zwaren spijker boven zijnhoofd los, zoodat hij er zijn gordel aan kon binden.

„Het ishoog tijd. ’t Weer slaat om” fluisterde hij tot zijn makkers. „Het ijs in de strooming is al gesmolten tot hier. Toen ik wegging lagen de skigge nog in ’t ijs en nu zijn ze al aan ’t water toe. Kom hier Baldei.… du bent de langste.… ga in de gordellus staan.… Dan klim ik langs dijn schouders en reik aan de verschansing … Dan hier wachten.… tot ik terug kom. Maar hoort di onraad of een plons, dan wegzwemmen.… Om mi is het dan toch gedaan en boven komt di toch niet zonder hulp.…”

Baldei stond in de gordellus en zijn saks vastslaande in ’t hout, hield hij zich zoo rechtop. Reri klom langs hem op, voorzichtig en moeielijk, want beider lichamen, glad door het berenvet, gaven geen houvast. Maar Reri wreef zijn handpalmen droog tegen de ruwe kiel van de skig en vast de schouders van Baldei pakkend, heesch hij zich op diens rug, zette nu de voetzolen in de gleuven van de[125]schouderspieren, die Baldei opzette en nu zachtjes aan zich oprichtend, kon hij met de handen de rand van de borstwering van de skig grijpen, die aan de roerzijde ’t laagst gebouwd was.

Nu, de saks bij den steel in den mond pakkend, heesch hij zich op het dek.

De roerganger stond geleund tegen het vastgezette roer met den rug naar Reri toe. Reri deed drie schreden voorwaarts, hief zijn saks met de rechterhand op en sloeg met één slag den man schuin tegen den slaap tegelijk met de linkerarm hem opvangend en de hand tegen ’s mans mond houdend, opdat hij niet kon gillen.

Toen de wacht neerviel, zonder een geluid, herkende Reri hem met ontzetting. Het was een oude kameraad, een Scandiër, die hem toen Reri nog scheepsjongen was, knoopen had leeren leggen en netten breien.

Maar lang peinsde hij niet. Hij legde het lichaam van den gedoode zachtjes neer.… Op zijn vette linkerarm bleven wat roode pareltjes bloed hechten, dat was alles. Daarna sloop hij, welbekend met de inrichting der Frise skigge, naar het ruimluik. Toen hij zijn saks als koevoet gebruikend, den ijzeren sluitriggel over de kram heenzette, brak zijn saks. Hij nam den riggel met de handen vast, zette zich schrap en poogde den riggel te verbuigen. Doch zelfs zijn kracht reikte niet toe. Hij keek rond.… liep op ’t lijk van de wacht toe, haalde diens ijzeren mes uit de scheede en sneed het hout rond de kram weg. Toen gaf de riggel mede, en het luik kon opgetild worden. In ’t zwarte gat van ’t ruim zag hij niets. Maar dit behoefde niet. Hij kende de wijze waarop de skigge gestouwd werden, liet zich in ’t luik afzakken, de hand om den rand van ’t vierkante luikgat gekneld en even heen en weer zwaaiend voelde hij grond. Hij liet zich los en viel op de leeren zakken.

„Jammer,” dacht hij „dat ik geen licht heb om te kiezen.”[126]

Hij greep met zijn vingers tastend in de zakken. Dat was graan.… en dat was rogge.… en dat wat ronder, dat zoo stak, dat was gerst.… en dat.… dat.… hij voelde nogmaals en nogmaals.… het waren kleine ronde korreltjes, maar wàt voor graan ’t was kon hij niet goed op ’t gevoel onderscheiden. ’t Zal spelt zijn, dacht hij.

En nu stapelde hij snel eenige zakken op elkaar, zoodat hij een soort trap vormend, makkelijk bij de opening van ’t luik kon komen. Met twee zakken gerst klom hij naar boven, sloop naar ’t roer.

„Gauw, gauw,” zei Baldei.… „het water bevriest op mijn leden.…”

„Volhouden!” riep Reri. Hij gaf hem den eersten zak, die Baldei overgaf aan de twee, die op de roerstaart zaten en wachtten. Toen de tweede.

„Volhouden!” riep Reri.… „er komen er meer.”

„Ik kan niet.… ik verstijf.…”

Toen boog Reri zich over de verschansing, en een stuk touw latend afhangen gebood hij Baldei, dat vast te pakken.

„Ik kan niet meer. Ik kan mijn leden niet meer bewegen.”

„In je mond!” beval Reri.

De jonge Batouwer pakte het eind van het touw vast met zijn tanden.

Reri, kennend de sterkte van het gebit der jonge Batouwers, die al als knapen zich oefenen in het tillen met de tanden, trok Baldei op, die nu boven het water zweefde, stijf bevroren maar klemmend zijn tanden, sterk als het gebit van een roofdier om het touw, schuingebogen het hoofd. Toen hij hem tot aan de rand van de verschansing had, greep hij hem snel bij den gordel, die kraakte vanhet ijs. Dan haalde hij den verstijfden, jongen reus op het achterdek.

Onmiddellijk begon hij hem krachtig te wrijven. Het waren niet zijn leden, die bevroren waren. Doch het vet[127]was door ’t schuren tegen het roer weggewreven en het warme lichaam, leunend tegen de dikbevroren kiel, was eerst vochtig geworden en toen was ’t water op ’t harige lichaam bevroren.

Nu kwam Baldei weder bij en kon zijn leden weder bewegen. Met schrik zag Reri in de verte aan den einder de eerste paarsche schemer van het komende morgenlicht.

„Kom mee,” beval hij.

Weer daalde hij in ’t ruim af en gaf Baldei zakken aan, een, drie, zes, acht.… twaalf.… vijftien.… tot vijf en twintig. Toen droegen ze beiden de zakken naar de achterplecht.…

„Dat krijgen we zoo nooit weg!” meende Baldei.

„Neen.… wij moeten de jol kapen.… kom mee.…”

Zij schreden naar ’t hooge voordek, sjorden de jol los … droegen haar dwars over het skig naar ’t achterdek en nu lieten de twee reuzen alleen de jol zachtjes met de punt vooruit langs het roer glijden. De twee beneden begrepen dadelijk waarom ’t ging, stutten het vaartuigje, zoodat het recht op ’t water kwam te liggen. Baldei liet zich weer af in de gordellus en nam de zakken een voor een aan, gaf ze aan de twee mannen beneden, die ze stouwden in de jol ….

Toen de vijf en twintigleeren zakkenmet graan er in lagen, zakte het vaartuig tot den rand in ’t water.

Reri liet zich langs Baldei afgleden, hielp Baldei bij ’t afzakken en nu wierpen de vier zich in ’t water, de jol voor zich uitduwend. Maar Baldei, niet meer beschut door ’t berenvet, voelde de krampen komen.

De twee anderen wilden zooveel zakken graan overboord werpen, dat Baldei in de jol kon blijven zitten, zonder dat deze zonk. Maar Reri, die te goed wist wat een enkele zak graan beteekende voor de toekomst van den stam verbood dat. Steunen konden ze hem evenmin, want de drie waren ook vrij uitgeput en hadden de zware jol voort te duwen. Daarbij kwam dat het al begon te schemerlichten.[128]

„Trek eens hard aan het touw,” riep Reri tot Freihals. Maar de afstand was nog te groot, dan dat de makkers op ’t ijs den ruk voelen konden.

„Mannen,” zei Baldei, „ik mag di niet tot last zijn. Zorg voor mijn moeder. ’t Is een weduwvrouw.…”

Hij hief zijn armen op en zonk weg in ’t koude water.

Maar Reri greep hem vast, tilde hem hoog.

„Volhouden!” beval hij.

Doch de jonge reus was met open mond gezonken om snel weg te zullen zijn.

Reri legde zich op de rug en haalde ’t hoofd van Baldei over zijn borst, hield den naar adem snakkende zoo boven.

„Hindar, zwem vooruit.”

„Ik ben òp!” zei Hindar.

Op dit oogenblik weerklonk een signaal van de bestolen skig. Maar meteen begonnen de Batouwers op den wal, door ’t signaal gewaarschuwd dat er onraad broeide, het verbindingstouw snel intepalmen. De drie mannen klemden zich aan de jol en lieten zich meetrekken, Reri den machteloozen Baldei nu met één arm boven water houdend.

De spanning van de drie mannen was zoo groot, dat zij de koude niet voelden en nu ook kwam Baldei weder bij.

Op de bestolen skig was de man van de laatste wacht opgestaan om zijn kameraad te gaan aflossen. Maar niet vermoedend, dat er een luik openstond, was hij daarin gestort. Hoewel hij zich zwaar kneusde, begon hij toch te schreeuwen en riep de naam van den man, dien hij wilde aflossen. Maar ook die gaf geen antwoord. Toen kroop hij rond en voelde de zakken die Reri, als trap had gebezigd. Maar hij had beide beenen gebroken en kon zich niet tot aan den rand van het luik opheffen. Daarom schreeuwde hij, zoo hard hij kon, tot eindelijk een stuurman ontwaakt was, die op ’t dek komend uit het open luik het kreunen hoorde en bij ’t roer den dooden wacht vond en daarna bij ’t luik, de gebroken Batouwsche saks.[129]

Hij liep naar de kajuit terug, nam een signaalhoorn en blies alarm.

Doch dit duurde lang genoeg en voordat in de vale morgenschemering ontdekt was, waar de aanvallers waren, hadden de Batouwers de jol met de vijf-en-twintig zakken meel al weder op ’t ijs gehaald. En nu, vijf-en-twintig der mannen elk een zak graan op den rug dragend, begonnen de honderd weg te rennen, in den dreunenden, gelijkmatigen stap van krijgslieden, die een aanval doen.

Zij vormden een driehoek met telkens één der mannen voorop als windbreker en de anderen, hun handen op de schouders van de voormannen leggend, vermeerderden dier kracht.

Er was in al dien tijd geen woord gesproken.

Zoodra de vier zwemmers uit het water waren, hadden zij slechts één woord gezegd: „Den barditus!”

Dat was genoeg geweest. Sigbert, als de aanvoerder was ’t eerst voorop geloopen als spits van de wig. Maar naarmate de spits wisselde kwam hij, naar ’t oude gebruik, des te meer naar achteren, terwijl de vier zwemmers, als ’t meeste vermoeid, achteraan waren gaan loopen, opdat de voorsten den wind zouden breken. Zoo kwam het, dat na eenige gewenden, toen de achterste lieden vooraan kwamen te loopen, Sigbert met Tjeerd achteraan liep, terwijl Reri in de voorhoede was. Maar toen Baldei, die nog altijd niet geheel bekomen, in de achterhoede bleef loopen, de handen op de schouders van Tjeerd, die hem steun gaf, los liet en niet meer mede kon, floot Sigbert op zijn vingers en de saks hield stil.

Zij waren, dank zij de snelle en ordelijke wijze waarop zij de vlucht hadden genomen nu zoo ver van de skigge, dat zij niet anders zouden kunnen worden ingehaald dan door paarden. Maar achterwaarts ziende bemerkten zij, dat het gevaar voor vervolging niet groot was. Want de beroofde skig lag vrij afgezonderd, ’t meest naar voren en[130]het was van de skig onmogelijk seinen naar den vasten wal te geven voor het goed licht was geworden. En dan nog … hoe zouden die van de skigge den menschen op den vasten wal op zoo’n verren afstand kunnen beduiden, dat men bestolen was en door wie. Om te verkondigen, dat zij een lading graan van ’t Paarden-eiland hadden medegebracht, was slechts noodig geweest een zak graan in de mast te hijschen en een vlag op te steken, zooveel keer als er zakken in de schepen waren. Maar die op het strand duidelijk te maken, dat Batouwers ’s nachts de skig hadden overrompeld en het ruim leeggeroofd, ging bezwaarlijker.

Sigbert’s saks hield dus een oogenblik halt om te rusten en te overleggen. De mannen stonden bezweet en hijgend, leunend tegen elkaar zooals dit in den krijg gedaan wordt. De mannen, die de zakken droegen zetten ze af, omdat nu de beurt van het dragen aan een tweede vijf-en-twintigtal kwam.

Sigbert opende een zak. Daar lag de dikgezwollen weite, het zeldzame, beroemde koningskoren van ’t Paarden-eiland. Sigbert woelde er met zijn hand in, liet een handvol in een stroompje weder neerglijden in den zak. De anderen drongen zich om den zak heen, zagen het prachtige koren begonnen te joelen van vreugde.

„Geef mi, geef mi,” zeiden zij, de handen geopend uitstrekkend naar Sigbert, die hun handen vulde uit de zak. En zij liepen weg van den zak, de beide handen gegeuld bij elkaar, voorzichtig om niet een enkel korreltje te verliezen en toonden het verheugd den verder staanden, die naderbij drongen en met lichtende oogen keken naar dat mooie zaaigraan.

Zij wreven de graantjes op de handpalm, rollend ze bewrijvend om de dikte te voelen en hoewel ze allen hongerig waren, was er niet één, die een graantje naar den mond bracht. Zij wierpen het graan weer in den zak, tot het laatste korreltje toe.[131]

Het was nu geheel licht geworden. Sigbert keek nog eens in de richting van het strand. Maar de schepen waren reeds lang uit zicht en de verre velden waren eenzaam.

De mannen vormden weder de saks en liepen in stevigen pas door, evenwel niet meer op een drafje, zooals zij tot nu toe gedaan hadden.

Sigbert droeg nu ook een zak en het was hem niet zwaar op den rug maar alsof hij iets liefelijks droeg, dat hem vroolijk maakte en licht te voet. Zoo had hij den kleinen Herebaeld vaak gedragen in de tijden, toen hij in stilte en zonder het ooit te durven uiten, hoopte dat zijn kind met de dubbele kruin eens koning zou worden van de Batouw.

Het weer was omgeslagen. Daar zij door het harde loopen allen bezweet waren, hadden zij het niet gevoeld. Maar toen ze aan het eerste bosch kwamen zagen zij, dat de stammen der boomen grijzer werden en van een enkel twijgje drupte al onder de stralen van de morgenzon een spettertje sneeuwwater. Zij zagen elkaar aan zonder wat te zeggen, te goed wetend welke gedachten dat droppeltje wekte, beangst om door ’t uitspreken van hun hoop, ’t geluk te verstoren.

Zij rukten den heelen morgen zoo voort, in gezwinden pas, weinig sprekend, de saks gereed in den gordel, hun vingers in ’t voorbijgaan grissend langs den grond of een laaghangenden tak om een balletje sneeuwijs te pakken om dat ter verfrissching in den mond te steken.

De vier zwemmers, nog altijd in hun met vet besmeerde lichamen, waren sterk gaan zweeten en het vet begon langs hun leden te druipen. Sigbert beval, dat vier anderen hun pelzen zouden afgorden en ze om de schouders van de zwemmers slaan.

Maar Reri en Baldei waren te groot en nog twee anderen moesten hun pelzen afstaan, die, altoos onder ’t voortloopen, met de hoeken aan elkaar werden geknoopt.[132]

Het bosch werd dichter en de mannen moesten daar ’t pad smaller werd, achter elkaar loopen.

Op een beschutte plek achter struikgewas, wel geschikt om bij een mogelijken overval verdedigd te worden, beval Sigbert rust. Het was al later op den morgen geworden en het gevaar reizigers te ontmoeten vooral omdat de dooi was ingevallen, werd groot. De mannen gingen op stronken zitten of wierpen zich, hun berenhuid uitspreidend op den grond.

De geroofde zakken werden nu allen geopend. En de mannen, zich dicht om elken zak dringend, kregen glanzen in de oogen en kreunden in de baarden van bewondering. Slanke haver, dikke, zware gerst, wichtige weite, zak na zak.

Reri drong zich naar voren.

„Er zijn twee zakken bij met vreemd graan,” zeide hij. „In ’t donker voelend, heb ik het niet op den tast kunnen herkennen.”

De twee laatste zakken werden geopend. In de eerste zak lagen kleine, platte schijfjes van een vreemde graansoort, die geen der mannen ooit gezien had. Sigbert gaf een handvol aan den man naast zich om door te geven met de vraag of ook iemand er kennis van had. Maar in den laatsten zak waren korrels, groot als een boon, zoo geel als amber met aan de punt een wit spikkeltje.

„Wat ’s dat?” vroeg Sigbert.

Hij nam een korrel op en stak deze in den mond, beet haar fijn, proefde haar.

„Hoe smaakt het?” vroeg er een.

„Als fijne weite, maar nog zoeter.”

„Zit er honing in?” vroeg een ander, die getroffen was door de goudgele kleur en den vorm van de korrels, die wel eenigszins aan de cellen in een honingraat deed denken.

„Proef zelf,” zei Sigbert, hem den zak voorhoudend.

Maar nu een ander dan de saksvoerder een korrel opat, wilden de anderen ook proeven. En de mannen drongen[133]zich om den zak en als kinderen begeerig, staken ze de groote, grove, rasperige boerenhanden uit en kregen een korreltje van het barnsteenkleurige graan. Zij gingen terug als met een schat, bekeken het kleinood, wreven het in de holte van den handpalm met de vinger der andere hand om en om, het keurend met de oogen zooals een kenner een edelsteen zou schatten.

En dan, het naar den mond brengend, hielden ze het zaadje er lang in zonder er op te bijten, het met zachte smakjes van de tong proevend, het omwoelend in de mondholte, om langer er ’t genot van te hebben.

Onderwijl waren er al eenigen, die hout hadden gekapt en een vuur aangelegd en men wachtte op het woord van Sigbert, die zou bevelen wat heden gegeten zou worden. Zij hoopten in stilte, dat zij dit keer graan zouden krijgen, maar Sigbert liet de zakken weer sluiten en beval, dat men sporen zou zoeken van wild.

De mannen waren ontevreden. Eén trad voor de anderen op en vroeg, maar met veel meer deemoed, dan hij zich voorgenomen had:

„Sakshoofd, wilt di ons niet wat graan geven?”

„Grendeldebliksem!” stoof Sigbert woedend op, zijn hand naar zijn saks brengend, „du, smuigerd. Wilt di ons zaaigraan vervreten?”

De man trad beschaamd terug. Maar een ander, die den smaak van het barnsteengraan nog naproefde, trad naar voren.

„Sakshoofd … wi hebben honger … En met wild zoeken gaat de tijd weg … Dat honinggraan is toch niet om te zaaien … Laat ons dat nu opeten …”

„Ja, laat ons ’t honinggraan opeten,” riepen anderen.

„Hier met het honinggraan!” riepen nog weer anderen, verlekkerd door den smaak.

Sigbert trok zijn saks en stelde zich voor den zak.

„Wie een korrel neemt, kloof ik den kop!” riep hij.[134]

„Stemmen, stemmen!” riepen de mannen terug.

Sigbertkeek naar Reri.

„Ja vaêr, laten wij stemmen!”

„Zult di dijn vader afstaan, snotjongen?” zeiSigbert, zijn zoon een stomp voor de borst gevend.

„Is dat mijn loon, vaêr?” vroeg de reus, bedroefd ter zijde gaande.

„Stemmen, stemmen!” riepen de anderen met meer onstuimigheid.

Maar de ouderen onder de mannen, die zelf vaders waren en met bewondering zagen naar hun aanvoerder, die zoo zijn vaderlijk recht wist te bewaren, willende toonen, dat zij ook niet bevreesd waren voor hun zonen, gingen bij Sigbert staan, toonend dat zij voor hem partij namen. De vader van Hindar was de eerste, die naastSigbertstond. Maar Hindar, op hem toetredend zei:

„Vaêr, ik moet eten … Du weet wel vaêr, de laatste bete heb ik gisteravond gehad … en toen heb ik met di gedeeld …”

„Laat ze eten, Sigbert!” zei nu de vader van Hindar.

„De zwemmers kunnen krijgen!” gaf Sigbert toe.

„Stemmen, stemmen!” riepen de anderen dreigend.

„Vooruit dan … wie ’t zaaigraan wil vervreten, steek op zijn saks …”

Alle saksen werden opgestoken. Sigbert boog voor de overmacht. De zak werd weer geopend en een der Batouwers, die een kleinen helm droeg, gaf ze om als maat te dienen.

En nu mocht elk man een halven helm vol van het zoete barnsteengraan uit den zak putten. Zij hielden hun pels als voorschoten op en liepen met hun schat naar het vuur of zetten zich wat verder alleen weg en begonnen het zoete graan rauw op te knabbelen.

Alleen Sigbert at niet.

„Vaêr!” zei Reri, „du eet niet?”

„Dijnvaêrvreet zijn vrijheid niet op!” zei de Bataaf norsch.[135]

Toen keek Reri even terzij naar Tjeerd, die al den mond vol had. En nog even wijfelend, wierp hij zijn deel weer in den zak terug.

„Gaat di mee Tjeerd … sporen zoeken?”

„Eerst eten …”

Maar tegelijkertijd zag hij naar zijn vader op en boog het hoofd.

Hij wilde nog een handvol graan naar den mond brengen. Maar hij dorst niet en schuin het hoofd afgewend, liep hij nu ook naar Sigbert toe en wierp de handvol graan, die hij nog slechts over had, ook in den zak.

„Ik had honger,vaêr!” zei hij verontschuldigend, hoewel de oude niets gezegd had, alleen met de driehoekige oogen fél hem aanstaarde.

„Het was di geraden, knaap. Du hattet dijn erfdeel opgevreten … Ga mee met dijn broeder …”

De twee liepen ’t kreupelhout in, zwijgend, onderworpen, beschaamd, voelend het overwicht van den vader, die hongerend zooals zij en met de volle beschikking, deeenigevan allen was geweest, die sterker zich toonde dan het verlangen, dat als een pijn knaagde in de uitgehongerde maag.

„Als ’t voorjaar wordt, moet-ie koning worden!” zei Reri tot Tjeerd. „Denk er wel aan jong, onze vaêr is de grootste Batouwer.… Hij moet koning worden.”

Tjeerd spuwde de restjes van ’t graan uit zijn mond en rilde met ’t hoofd als walgde hij nu van dat heerlijke koningsgraan.

Zij liepen beiden, de oogen naar den grond, zoekend of ook ergens den indruk van een dier merkbaar was. Doch zelfs hun geoefende oogen konden niets onderscheiden op den hard bevroren grond van sneeuwijs. Maar dichter in ’t hooge hout, waar de boomen zoo vast opeen stonden, dat de vorst eenigszins geweerd was, merkten zij gebroken takken, waar blijkbaar een dier doorgang had gezocht. Opeens hield Tjeerd stil.[136]

„Wat is dat?”

In ’t sneeuwijs stak een zwartige punt uit. Tjeerd rukte het voorwerp uit de aarde.

„Een sandaal!”.… zei hij.

„En geen oude.… daar zijn hier menschen.”

„Wat voor menschen.…”

„Roovers! Anderen zijn niet in den winter hier in den dikicht.”

Zij liepen voort, volgend het spoor van de weggebroken takken en vonden weldra een klein offerblok en vandaar voortgaande vonden zij den ingang van ’t hol, dat met een zwaren steen was afgesloten, maar die de twee sterke kerels al spoedig hadden terzij geschoven.

Beiden traden dadelijk terug.

„Daar zijn lijken in!” meende Reri.

„Aan den stank te zeggen, ja!”

„Wij moeten vuur maken … ’t Is te donker.”

Zij keken rond, maar zagen geen kienhout. Het was een bosch van beuken en eiken.

„Wij moeten een lichtgat maken. Vooruit jong!”

Reri begon al met zijn saks boven in de sneeuwaarde te woelen en Tjeerd van de andere zijde wierp de uitgewoelde aarde terzij. Toen zij op een armdiepte waren, kwamen zij al aan de laag bladeren en mest, die spoedig doorgestoken was. Uit het gat steeg dezelfde doordringende stank op.

„Zooals ik di zei, lijken.”

Hij maakte het gat nog wat grooter en nu weer, van de holterp afglijdend, gingen zij den ingang kruipend binnen.

Bij ’t daglicht, dat door ’t lichtgat boven, nu binnenviel, zagen zij de lijken van drie mannen en een vrouw in ontbinding. Het hol was volgestapeld met zadels, schilden, huiden, kortzwaarden, bronzen bekkens, urnen met bronzen sluitspelden. Maar iets om te eten vonden ze niet.[137]

„Wat denkt di, Reri?” vroeg Tjeerd.

„Dat zijn roovers, die zichzelf gevangen hebben. Zij hebben zich in ’t winterhol opgesloten en vuur gestookt. Toen is ’t vuur ’s nachts, toen ze den steen al voor ’t gat hadden gewenteld, gaan aansmeulen en zij zijn gestikt … Wat zei ik di … hier ligt er nog een … die is bijgekomen en is nog naar den uitgang gekropen … maar hij was te zwak. Ga naar vaêr jong en roep hem. En laat de mannen kienhouten meenemen. Ze zullen wel graankuilen hebben gehad..”

Tjeerd snelde terug en onderwijl begon Reri het lichtgat grooter te maken. Hoe meer licht er binnenviel, des te meer ook werd hij van de juistheid van zijn veronderstelling overtuigd. Roovers waren het zeker geweest. Dat zou een kind zien aan de soort van schatten, die zij verzameld hadden. Maar waren zij werkelijk gestikt? Of hadden zij geen leeftocht meer gehad?

Die daar lagen, half vergaan, toen weder bevroren en nu weder ontdooid, zouden het niet meer zeggen. Reri keek naar de ontbindende lichamen en rilde. Het gezicht van een krijger, op ’t slagveld gedood of van een mensch, kalm in zijn hut gestorven, maakte op hem geen indruk. Zij voeren op naar Wotan en waren voortaan gelukkiger dan op aarde. Maar deze hier, wier lichamen niet verbrand waren geworden, en wier zielen dus eeuwig zouden rondzwerven in den poel van Grendel, tot straf voor hun euveldaden, boezemden hem afschrik in.

Zijn honger dreef hem om in ’t stinkende hol rond te zoeken naar leeftocht. Zijn oogen waren nu gewend aan ’t schemerduister en tastend met de handen langs de met koemest en dorre bladeren bestreken wanden, vond hij achterin weder een grooten sluitsteen. Hij wilde hem wegrukken, maar de steen was te zwaar. Nog was hij bezig gebukt in het donker den steen weg te schuiven toen hij al het gele licht van de brandende kienhouten zag, waarmede Sigbert en andereBatouwersnaderden.[138]

Nu konden zij in ’t hol goed zien, welk vreeselijk einde de roovers hadden gehad. In ’t midden stond op een vuur van houtskool een groote pot, waarin een weeke massa. Melksoep, die eerst tot bederf was overgegaan en toen weder bevroren. Er lagen wel tien lijken in ’t hol, mannen en vrouwen. Een vrouw lag dicht tegen een wand bij den toegangssluitsteen, de rechterhand met de magere, zwartige vingers nog gekromd uitgestrekt naar den steen, die hun noodlottig was geworden.

Reri en Tjeerd samen slaagden er in den steen van het tweede hol weg te schuiven. Dat was de welvoorziene voorraadkamer. Er lagen eenige zakken met graan, stapels gebakken, harde winterbrooden. Er hingen aan touwen stukken gedroogd vleesch en een twaalftal zijden spek. Tegen de wanden stonden groote, met was afgesloten, aarden vaten. Sigbert opende ze met zijn saks. De vaten waren gevuld met honig, mee, gestoofde bessen, ongebrande molleboontjes, meel, gesmolten vet.

Nu was er geen rede om niet te eten.

„Vrèt jong, vrèt!” zei Sigbert tot Tjeerd. „’t Is je gegund!”voegdehij er tot Reri bij. En deze, niet langer wachtend, trok een reep gedroogd vleesch los en begon als met geeuwhonger te eten. En ook Tjeerd en de vijf andere mannen deden zich te goed aan wat zij maar ’t eerst grepen.

Sigbert, met een reep spek in de hand, liep naar buiten en met zijn machtige kaak kauwend op de reep spek, snelde hij terug naar ’t kamp, vertelde van de ontdekking en geen der mannen wist van vermoeidheid. In een vaart liepen ze naar het roovershol, dat weldra zoo vol was, dat er geen mannen meer binnen konden. Maar die binnen waren reikten door ’t lichtgat, dat Reri gemaakt had, voedsel naar buiten. Heele zijden spek, groote potten met meel en honig werden naar buiten aangegeven en de mannen, bemerkend dat er overvloed was, sneden lange[139]repen uit het spek en begonnen als dieren te knagen, knorrend van genot, malkaar aanziend met verheugde blikken.

Maar daar de stank binnen te sterk was, kwamen alle mannen spoedig naar buiten. Een paar, die al half voldaan waren, begonnen onder leiding van Sigbert het lichtgat grooter te maken. Anderen kwamen helpen en spoedig lag het roovershol bloot met zijn rijkdommen, zijn voedsel en zijn vergaande lijken.

Een paar mannen, dankbaar voor ’t voedsel, spraken er over, de lijken te verbranden en in een paar der ledig gegeten vaten bij te zetten.

Maar anderen waren er tegen, meenden dat menschen niet mochten ingrijpen in den wil van Wotan, die de roovers zeker had gestraft voor menige euveldaad en deze laatsten kregen gelijk.

Nadat allen verzadigd waren, werd de voorraadkamer van de roovers leeg gehaald en onder de honderd door Sigbert verdeeld. Onderwijl trokken de aangewezen dragers terug naar ’t kamp om de vijf-en-twintig zakken graantehalen en toen deze terug waren, zette de saks van Sigbert den tocht naar de Batouw voort.

Sigbert bleef bij het hol staan om bevelen te geven en voor de lucht te zorgen. Het bevreemdde hem, dat nog niets van een vervolging gemerkt werd en hij speurde rond of hij wellicht de vlam van een seinvuur zag of luisterde nauwlettend of ergens een horen toette. Maar ’t was doodstil en alleen het hem liefelijk geluid van de smiltende druppelen die in de twijgen patsten, vernam hij.

Tot het laatste stukje vleesch was weggedragen uit het hol van de roovers. Toen wilde een man, die weinig te dragen had, een bronzen ketel medenemen.

Sigbert riep hem terug.

„Wat doet di daar?” vroeg hij streng.

„Voor mijn moei!” antwoordde de man.[140]

Sigbert pakte hem bij den schouder, rukte hem de ketel uit de hand en wierp hem met een vaart in ’t hol terug, waar hij met een helderen tink neerviel tusschen ’t andere brons.

„Batouwers zijn geen dieven!” sprak hij dreigend. En zijn oogen vlamden. Toen, ziendedat de mannen gereed waren, liep hij zijn troep langs en zijn saks opstekend in de lucht, zetten zij hun vlucht voort.[141]


Back to IndexNext