HOOFDSTUK VI.

[Inhoud]HOOFDSTUK VI.De herfst1was aangebroken in het land Renigo en bij de heilige haag maakte men zich gereed om het nieuwjaarsfeest te vieren. Van alle landen naderden de menschen om Harimona, de heilige maagd, offeranden en schatting te brengen en haar in ruil daarvoor te vragen, hoe het nieuwe jaar voor hen en de hunnen zou zijn. Vorsten kwamen om haar oordeel te vernemen over den afloop van krijgstochten, die zij hoopten te beginnen en anderen, die naar een ander land met hun volk wilden trekken, kwamen vragen in welke richting hun ’t geluk wachtte en in welke richting onheil broeide. Die uit streken kwamen waar slechte oogsten binnengehaald waren of misgewas heerschte, zouden haar om amuletten tegen de booze geesten van hun land smeeken. Zeevaarders, die groote reizen wilden ondernemen, kwamen te voren haar naar de te voeren koers vragen. Er waren zieken van alle hemelstreken, die bij haar genezing kwamen zoeken. Er waren moeders, die kinderloos bleven en vreesden door hun mannen verstooten te zullen worden. En misdadigers, die wroeging gevoelden en aflaat bij haar zochten; hebzuchtigen, die de plaatsen wilden weten waar groote schatten verborgen lagen; jonge krijgslieden, die hun zwaarden wilden doen zegenen en door haar doopen; lieden uit dorre streken kwamen haar de plaats vragen, waar onderaardsche wellen barnden; lieden uit landen, waar men door vloeden geteisterd werd, kwamen bij haar naar het middel om[45]droogte te krijgen, zoeken. Er kwamen kreupelen, lammen, gebochelden, blinden, dooven, lijders aan vallende ziekte. Maar die de zwarte ziekte hadden, mochten niet komen binnen de grens van Renigo, omdat zij verdoemden waren, wier kwaal alleen met den dood geboet kon worden.Van alle heerwegen, te water en te land, te voet en te paard, in huifwagens, op ezels en zelfs op kameelen en mammouths,2kwamen de menschen naar Renigo om hulp en voorlichting en troost. Maar ook waren er velen, die alleenlijk optrokken om met hun kunsten schatten te verdienen, dansers, zangers, lierelieden, acrobaten, vuistvechters, schildvechters, schermmeesters, die jonge krijgslieden kunsttrekken leerden met de saks of de bijl of het mes; en om hun kracht te toonen, staken zij hun wapen vóór de tent waarin zij woonden, in een stuk lindenhout en wie zijn wapen daarnaast stak nam een tweegevecht aan met den eigenaar van ’t wapen. Er kwamen jagers uit de bosschen, die vellen te ruil boden of mammouth-tanden, gevonden in holen; boeren met gelooide huiden, waarvan schilden, riemen en tuigen gemaakt konden worden; smeden, van den stam der Simnoten, die woonden in ’t verre land van de reuzen, ruilden zwaarden, bijlen en speren tegen barnsteen en hadden in de open lucht smidsen opgericht, waar zij voor de oogen van den kooper, de wapens smeedden uit staven ijzer, die ze op groote wagens, door krijgsgevangenen getrokken, hadden aangevoerd. En wel vaak, wanneer koopers de smeden wilden bedriegen of op de hoedanigheid hunner waar afdongen, ontstonden er gevechten en partijen werden gevormd, tot aan beide zijden dooden en gewonden waren gevallen. Er waren groote tenten opgericht, waar meê werd geschonken uit horens of aarden nappen en kroezen en[46]anderen waar eetwaren te ruil waren, hammen, gerookt paardevleesch, versch rundvleesch, visch, brood en honingkoek.Ook stroomden van alle zijden de mannen toe, die naar de hand van Harimona dongen en naar de huwelijksvoorwaarden kwamen vernemen. Er waren veel jongelieden van hooge geboorte, maar ook reeds mannen van middelbaren leeftijd en zelfs grijsaards, die kinds verlekkerd op de groote schatten van de priesteres, meenden met meer kans van slagen dan melkmuilen, den strijd met den draak, den hond en de geit te kunnen aanbinden. Er waren méér dan honderd aanbidders, velen in statie-gewaden, begeleid door groot gevolg van krijgers en ruiters en wagens volgeladen met geschenken. Anderen, heel arm en heel eenvoudig, met geen anderen uitzet, dan hun wapen, hun gespierd lichaam en hun jeugdigen moed. Ook wel slanke, kleine lieden van den stam der Sueven, die vaardig waren in ’t spreken op den Ding of beroemd wegens hun sproketalent of wegens hun fraaie stem en ’t blazen op den jachthoren of het tokkelen op den Keltischen lier.3Er waren minnaars, die knap waren in het kerven van runen in plankjes van lindehout en minnaars, die den Oceaan bevoeren en wachtend op de feestdagen, verhalen deden aan de lieden, die met hun mêde dronken van de verre landen, die zij gezien hadden en de monsters, die leefden in de verre zeeën, daar waar het dieplood schuinhangt, omdat de wereld er eindigt en de baaierd er aanvangt. Eerwaardige grijsaards kwamen om een uitspraak te hooren in vragen van meent-recht en grens-geschil.Al deze lieden legerden zich in een wijden kring rondom de heilige haag in afwachting van het Nieuwjaarsfeest en de verschijning van de groote priesteres, zoodat men, van de heuvels komend, zoover het oog reikte, beneden langs den oever van den stroom, welks naam door elken stam bijna anders uitgesproken werd (doch zelden zonder de[47]R-klank aan ’t begin, klank-nabootsing van ’t geluid, dat het stroomende water maakte,) tenten zag en nieuw-opgetrokken hutten en wagenparken en paarden-stallingen.Harimona had zich nog niet vertoond aan het volk doch Maresag, de hooge priester, deed elken dag, hoog op een wagen gezeten, die door hoorigen getrokken werd, een rondgang door de streek en gaf bevelen en verwelkomde bekenden en deelde zegeningen of vermaningen uit, troostte zieken en verminkten, die zich dicht nabij de wagen drongen, smeekend om spoedig toegelaten te worden. Onderwijl nam hij kennis van de geschenken, die men had medegebracht en noemde de dagen, waarop Harimona voor de schenkers te zien en te spreken zou zijn, degenen die de grootste offers en geschenken met zich voerden, den voorrang gevend boven de armen maar sluwlijk, opdat geen ontevredenheid zou ontstaan, enkele zéér armen, doende voorgaan aan prinsen en hertogen, die niet minder dan drie schepel barnsteen brachten. Zoo kwam de prins van Abalus, die twaalf stukken barnsteen ter groote van een mansvuist bracht, eerst na een aan moeraskoorts lijdende Kaninefaat, die niets dan een kleine koehuid had te schenken. En om vooral tot geven aan te moedigen en te toonen, hoe weinig ’t geen men schonk beteekende tegenover ’t geen reeds verzameld was in den haagschuren, verleende hij verlof tot het bezichtigen van de schatten van Harimona. En van den vroegen morgen tot zonsondergang schoof een breede rij van zich opdringende mannen en vrouwen langs de houten schutten, waarachter op kleurige doeken de schatten van den haag van Renigo lagen uitgestald; gouden vaatwerk, kannen, schotels, drinkbekers, zilveren platen, goudenen zilveren kleinoodiën als armringen, polsbanden, borsttooisels van gouddraad, gouden en zilveren oorringen, hoofd- en voorhoofdspangen, gewijde zwaarden van brons, bronzen en ijzeren helmen, lansen, speren,bogen van zeldzaam hout, pijlen met punten van gepolijst agaat, kettingen van gouden,[48]zilveren en bronzen schakels, schalen vol barnsteen. Er waren gouden kooien met vreemdkleurige vogels, geschenken van zeelieden, vellen van leeuwen en panters, gewaden van purper laken, van gevlochten kameelhaar, van roomblanke lamswol en ook reeds kleine bakjes met gouden en zilveren munten, die uit „het vreemde land” stamden. En in een tweede schuur zag men de zegeteekenen van Harimona. Daar hingen in grooten getale krukken van lieden, die door de priesteres waren genezen van lamheid en van voeteuvels en plankjes van lindenhout met ingekerfde runen en de weinigen, die deze lezen konden, stonden daarbij en lazen tegen loon met luider stemme de beteekenis. „Dank van Awjones, genezen van de koorts.” „Dank van Thietmar, bevrijd van den kwaden geest.” „Dank van Baduwini, dochter van den Fries Tsjick, opgewekt uit den doode.” „Dank van den stam der Nerviërs, door Harimona ten zegen gevoerd.” „Dank aan Harimona, voor den rijken oogst in Lekelau.”Het luide roepen van de runen-lezers klonk tot buiten de schuur, waar de zieken en gebrekkigen lagen, luisterend naar de hoopgevende klanken en—o wonderkracht der heilige maagd Harimona, geboren uit den heiligen geest,—het gebeurde al dat enkele, bezeten van een demon of lijdend aan een verstijfd been of een ongeneeselijke wond, plotseling opsprongen, juichend riepen, dat zij genezen waren door de nabijheid der priesteres alleen en men zag menschen, die zooeven nog strompelden, hun kruk wegwerpen en wegrennen dwars over den weg heen naar hun hut of anderen, die zooeven nog een etterende wond op den arm of de heup of den schouder getoond hadden, nu genezen, met niet anders dan een roode moet op de plaats, waar zooeven de wonde nog was en rondom hen drong zich de menigte om te zien en te bewonderen; men wierp geschenken toe aan den geheelde, sandalen, gespen, riemen, hoofddoeken, ja er waren er, die hun nieuw hemelsblauw statie-overkleed ruilden voor een stukje van het grauwe, vervuilde[49]overkleed van den geheelde of zelfs voor een stukje van de beëtterde wondlap, om een toonbaar bewijs te hebben van ’t wonder, dat onder hun oogen geschied was.Men begon, toen dit alles bekend werd, in ’t geheele reusachtige kamp met ongeduldig verlangen te zien naar de heilige haag, waar de groote priesteres woonde. Lange poozen achtereen stonden groepen te kijken naar het wuiven van het loover der hooge eiken, die de haag afsloten. Moedigen slopen ’s nachts tot heel dichtbij, legden hun oor op den grond om beter te kunnen hooren en dan vernamen zij vreemde geluiden als van heel vèr koorgezang of ook wel kreten of het sjirpen van een zwaard, dat gewet werd. Enkelen, die getracht hadden eikels te rapen van de heilige boomen, waren betrapt door de wachters of door de groote waakhonden, die zich woedend op hen wierpen en hun levend verscheurd zouden hebben, als de wachters ze niet hadden bevrijd. Dan kregen ze met het plat van de korte zwaarden slagen op den rug en op de handpalmen en zij bleven dagen lang verscholen in hun wagen of hun hut, zich schamend herkend te worden als betrapte dieven. Gelukte het echter een eikel te stelen, dan werd die als amulet gedragen of sommigen sneden ze in kleine stukjes, die ze ruilden door brood en vleesch en bier en de koopers aten de stukjes op, omdat ze voorbehoedmiddelen tegen de kwade geesten en ziekten waren. Harimona, in haar groote hut, versierd met loover, bloemen en vruchten, lag vermoeid en apathisch op haar leger van eiderdons. Haar priesteressen brachten haar bericht van den grooten toeloop buiten, zoo groot als nog nooit te voren en verhaalden van de vele bruidegoms, van de rijke geschenken, van de wonderdadige genezingen. En Maresag, na zijn dagelijksche rondgang, kwam bij haar, vertelde van de nieuwe geschenken en offers, roemde de rijke en voorname bruidegoms en vroeg dan angstig of zij zich al door den geest bezield voelde.Maar zij schudde moe het hoofd, en zei droevig, dat de[50]heilige geest uitbleef. Dan keef Maresag ongeduldig, bezwoer haar, dat zij een begin zou maken, wees haar op het rijzen van de nieuwe maan, die bloedrood en zwaar aan den hemel stond en die de laatste maan van dit jaar zou zijn. Vóór de winter aanbrak, moest het feest gevierd worden.Zij bleef lusteloos en treurig. Hij stak een vuur van twijgjes aan en brandde er kruiden en poeiers op, die de extase bevorderen. Doch zij hoestte, stiet een luik open, kreet dat de visioenen niet wilden komen.Als hij dan alleen met haar was, begon hij haar verwijten te doen, schold haar uit, spuwde haar in ’t gelaat, noemde haar een hure, een iverskind, stompte haar, trapte haar, dreigde haar met een zwaard, dat hij voor haar oogen aanzette, te onthoofden.Zij bleef hem lusteloos aanzien, verzette zich niet en hij trad dan naar buiten, opeens weder kalm, met waardigen tred en ’t hoofd met den langen, grijzenden baard opgeheven, deelde hij de op een afstand bij de offersteenen wachtendedruïdessenmede, dat de heilige geest gekomen was, maar door booze geesten was verdreven, doch morgennacht weer zou keeren. En als hij waardig en statig zijn donkere hut intrad, begonnen de druïdessen de zachte wijzen in koor te zingen, die den heiligen geest moesten bekoren en verleiden om in de haag te blijven toeven.Zij dan, Harimona, zat eenzaam op haar leger enluisterdedroevig naar dien zang en wierp zich plotseling neder en begon te weenen, snikte, kreet, trilde, griste met gekromde vingers door haar volle haren en na dien aanval van woede, viel ze weer moede neder en starend door het open luik naar de maan, die uit wazen van rossig parelmoeren wolkjes oprees, zuchtte ze: O, dat du min god waret.… Alles, alles is leugen!.…[51]1Eenigen meenen, dat de oude Germanen, den herfst niet kenden. Herfst worde dan hier als na-zomer opgevat. Het nieuwe jaar begon met den winter.↑2Mammouths, 200–150 j. v. Chr. is een zeer gewaagde onderstelling. Doch de mogelijkheid is niet uitgesloten. Welke sporen vindt men thans b.v. in Nederland nog van de beeren en wolven, die er voor 500 jaren zeker leefden?↑3Rotte, een snarenspeeltuig van Keltischen oorsprong. Vgl. „Rotten unde singen, des vlizzen sie sich sêre” inKudrun, vers 51.↑

[Inhoud]HOOFDSTUK VI.De herfst1was aangebroken in het land Renigo en bij de heilige haag maakte men zich gereed om het nieuwjaarsfeest te vieren. Van alle landen naderden de menschen om Harimona, de heilige maagd, offeranden en schatting te brengen en haar in ruil daarvoor te vragen, hoe het nieuwe jaar voor hen en de hunnen zou zijn. Vorsten kwamen om haar oordeel te vernemen over den afloop van krijgstochten, die zij hoopten te beginnen en anderen, die naar een ander land met hun volk wilden trekken, kwamen vragen in welke richting hun ’t geluk wachtte en in welke richting onheil broeide. Die uit streken kwamen waar slechte oogsten binnengehaald waren of misgewas heerschte, zouden haar om amuletten tegen de booze geesten van hun land smeeken. Zeevaarders, die groote reizen wilden ondernemen, kwamen te voren haar naar de te voeren koers vragen. Er waren zieken van alle hemelstreken, die bij haar genezing kwamen zoeken. Er waren moeders, die kinderloos bleven en vreesden door hun mannen verstooten te zullen worden. En misdadigers, die wroeging gevoelden en aflaat bij haar zochten; hebzuchtigen, die de plaatsen wilden weten waar groote schatten verborgen lagen; jonge krijgslieden, die hun zwaarden wilden doen zegenen en door haar doopen; lieden uit dorre streken kwamen haar de plaats vragen, waar onderaardsche wellen barnden; lieden uit landen, waar men door vloeden geteisterd werd, kwamen bij haar naar het middel om[45]droogte te krijgen, zoeken. Er kwamen kreupelen, lammen, gebochelden, blinden, dooven, lijders aan vallende ziekte. Maar die de zwarte ziekte hadden, mochten niet komen binnen de grens van Renigo, omdat zij verdoemden waren, wier kwaal alleen met den dood geboet kon worden.Van alle heerwegen, te water en te land, te voet en te paard, in huifwagens, op ezels en zelfs op kameelen en mammouths,2kwamen de menschen naar Renigo om hulp en voorlichting en troost. Maar ook waren er velen, die alleenlijk optrokken om met hun kunsten schatten te verdienen, dansers, zangers, lierelieden, acrobaten, vuistvechters, schildvechters, schermmeesters, die jonge krijgslieden kunsttrekken leerden met de saks of de bijl of het mes; en om hun kracht te toonen, staken zij hun wapen vóór de tent waarin zij woonden, in een stuk lindenhout en wie zijn wapen daarnaast stak nam een tweegevecht aan met den eigenaar van ’t wapen. Er kwamen jagers uit de bosschen, die vellen te ruil boden of mammouth-tanden, gevonden in holen; boeren met gelooide huiden, waarvan schilden, riemen en tuigen gemaakt konden worden; smeden, van den stam der Simnoten, die woonden in ’t verre land van de reuzen, ruilden zwaarden, bijlen en speren tegen barnsteen en hadden in de open lucht smidsen opgericht, waar zij voor de oogen van den kooper, de wapens smeedden uit staven ijzer, die ze op groote wagens, door krijgsgevangenen getrokken, hadden aangevoerd. En wel vaak, wanneer koopers de smeden wilden bedriegen of op de hoedanigheid hunner waar afdongen, ontstonden er gevechten en partijen werden gevormd, tot aan beide zijden dooden en gewonden waren gevallen. Er waren groote tenten opgericht, waar meê werd geschonken uit horens of aarden nappen en kroezen en[46]anderen waar eetwaren te ruil waren, hammen, gerookt paardevleesch, versch rundvleesch, visch, brood en honingkoek.Ook stroomden van alle zijden de mannen toe, die naar de hand van Harimona dongen en naar de huwelijksvoorwaarden kwamen vernemen. Er waren veel jongelieden van hooge geboorte, maar ook reeds mannen van middelbaren leeftijd en zelfs grijsaards, die kinds verlekkerd op de groote schatten van de priesteres, meenden met meer kans van slagen dan melkmuilen, den strijd met den draak, den hond en de geit te kunnen aanbinden. Er waren méér dan honderd aanbidders, velen in statie-gewaden, begeleid door groot gevolg van krijgers en ruiters en wagens volgeladen met geschenken. Anderen, heel arm en heel eenvoudig, met geen anderen uitzet, dan hun wapen, hun gespierd lichaam en hun jeugdigen moed. Ook wel slanke, kleine lieden van den stam der Sueven, die vaardig waren in ’t spreken op den Ding of beroemd wegens hun sproketalent of wegens hun fraaie stem en ’t blazen op den jachthoren of het tokkelen op den Keltischen lier.3Er waren minnaars, die knap waren in het kerven van runen in plankjes van lindehout en minnaars, die den Oceaan bevoeren en wachtend op de feestdagen, verhalen deden aan de lieden, die met hun mêde dronken van de verre landen, die zij gezien hadden en de monsters, die leefden in de verre zeeën, daar waar het dieplood schuinhangt, omdat de wereld er eindigt en de baaierd er aanvangt. Eerwaardige grijsaards kwamen om een uitspraak te hooren in vragen van meent-recht en grens-geschil.Al deze lieden legerden zich in een wijden kring rondom de heilige haag in afwachting van het Nieuwjaarsfeest en de verschijning van de groote priesteres, zoodat men, van de heuvels komend, zoover het oog reikte, beneden langs den oever van den stroom, welks naam door elken stam bijna anders uitgesproken werd (doch zelden zonder de[47]R-klank aan ’t begin, klank-nabootsing van ’t geluid, dat het stroomende water maakte,) tenten zag en nieuw-opgetrokken hutten en wagenparken en paarden-stallingen.Harimona had zich nog niet vertoond aan het volk doch Maresag, de hooge priester, deed elken dag, hoog op een wagen gezeten, die door hoorigen getrokken werd, een rondgang door de streek en gaf bevelen en verwelkomde bekenden en deelde zegeningen of vermaningen uit, troostte zieken en verminkten, die zich dicht nabij de wagen drongen, smeekend om spoedig toegelaten te worden. Onderwijl nam hij kennis van de geschenken, die men had medegebracht en noemde de dagen, waarop Harimona voor de schenkers te zien en te spreken zou zijn, degenen die de grootste offers en geschenken met zich voerden, den voorrang gevend boven de armen maar sluwlijk, opdat geen ontevredenheid zou ontstaan, enkele zéér armen, doende voorgaan aan prinsen en hertogen, die niet minder dan drie schepel barnsteen brachten. Zoo kwam de prins van Abalus, die twaalf stukken barnsteen ter groote van een mansvuist bracht, eerst na een aan moeraskoorts lijdende Kaninefaat, die niets dan een kleine koehuid had te schenken. En om vooral tot geven aan te moedigen en te toonen, hoe weinig ’t geen men schonk beteekende tegenover ’t geen reeds verzameld was in den haagschuren, verleende hij verlof tot het bezichtigen van de schatten van Harimona. En van den vroegen morgen tot zonsondergang schoof een breede rij van zich opdringende mannen en vrouwen langs de houten schutten, waarachter op kleurige doeken de schatten van den haag van Renigo lagen uitgestald; gouden vaatwerk, kannen, schotels, drinkbekers, zilveren platen, goudenen zilveren kleinoodiën als armringen, polsbanden, borsttooisels van gouddraad, gouden en zilveren oorringen, hoofd- en voorhoofdspangen, gewijde zwaarden van brons, bronzen en ijzeren helmen, lansen, speren,bogen van zeldzaam hout, pijlen met punten van gepolijst agaat, kettingen van gouden,[48]zilveren en bronzen schakels, schalen vol barnsteen. Er waren gouden kooien met vreemdkleurige vogels, geschenken van zeelieden, vellen van leeuwen en panters, gewaden van purper laken, van gevlochten kameelhaar, van roomblanke lamswol en ook reeds kleine bakjes met gouden en zilveren munten, die uit „het vreemde land” stamden. En in een tweede schuur zag men de zegeteekenen van Harimona. Daar hingen in grooten getale krukken van lieden, die door de priesteres waren genezen van lamheid en van voeteuvels en plankjes van lindenhout met ingekerfde runen en de weinigen, die deze lezen konden, stonden daarbij en lazen tegen loon met luider stemme de beteekenis. „Dank van Awjones, genezen van de koorts.” „Dank van Thietmar, bevrijd van den kwaden geest.” „Dank van Baduwini, dochter van den Fries Tsjick, opgewekt uit den doode.” „Dank van den stam der Nerviërs, door Harimona ten zegen gevoerd.” „Dank aan Harimona, voor den rijken oogst in Lekelau.”Het luide roepen van de runen-lezers klonk tot buiten de schuur, waar de zieken en gebrekkigen lagen, luisterend naar de hoopgevende klanken en—o wonderkracht der heilige maagd Harimona, geboren uit den heiligen geest,—het gebeurde al dat enkele, bezeten van een demon of lijdend aan een verstijfd been of een ongeneeselijke wond, plotseling opsprongen, juichend riepen, dat zij genezen waren door de nabijheid der priesteres alleen en men zag menschen, die zooeven nog strompelden, hun kruk wegwerpen en wegrennen dwars over den weg heen naar hun hut of anderen, die zooeven nog een etterende wond op den arm of de heup of den schouder getoond hadden, nu genezen, met niet anders dan een roode moet op de plaats, waar zooeven de wonde nog was en rondom hen drong zich de menigte om te zien en te bewonderen; men wierp geschenken toe aan den geheelde, sandalen, gespen, riemen, hoofddoeken, ja er waren er, die hun nieuw hemelsblauw statie-overkleed ruilden voor een stukje van het grauwe, vervuilde[49]overkleed van den geheelde of zelfs voor een stukje van de beëtterde wondlap, om een toonbaar bewijs te hebben van ’t wonder, dat onder hun oogen geschied was.Men begon, toen dit alles bekend werd, in ’t geheele reusachtige kamp met ongeduldig verlangen te zien naar de heilige haag, waar de groote priesteres woonde. Lange poozen achtereen stonden groepen te kijken naar het wuiven van het loover der hooge eiken, die de haag afsloten. Moedigen slopen ’s nachts tot heel dichtbij, legden hun oor op den grond om beter te kunnen hooren en dan vernamen zij vreemde geluiden als van heel vèr koorgezang of ook wel kreten of het sjirpen van een zwaard, dat gewet werd. Enkelen, die getracht hadden eikels te rapen van de heilige boomen, waren betrapt door de wachters of door de groote waakhonden, die zich woedend op hen wierpen en hun levend verscheurd zouden hebben, als de wachters ze niet hadden bevrijd. Dan kregen ze met het plat van de korte zwaarden slagen op den rug en op de handpalmen en zij bleven dagen lang verscholen in hun wagen of hun hut, zich schamend herkend te worden als betrapte dieven. Gelukte het echter een eikel te stelen, dan werd die als amulet gedragen of sommigen sneden ze in kleine stukjes, die ze ruilden door brood en vleesch en bier en de koopers aten de stukjes op, omdat ze voorbehoedmiddelen tegen de kwade geesten en ziekten waren. Harimona, in haar groote hut, versierd met loover, bloemen en vruchten, lag vermoeid en apathisch op haar leger van eiderdons. Haar priesteressen brachten haar bericht van den grooten toeloop buiten, zoo groot als nog nooit te voren en verhaalden van de vele bruidegoms, van de rijke geschenken, van de wonderdadige genezingen. En Maresag, na zijn dagelijksche rondgang, kwam bij haar, vertelde van de nieuwe geschenken en offers, roemde de rijke en voorname bruidegoms en vroeg dan angstig of zij zich al door den geest bezield voelde.Maar zij schudde moe het hoofd, en zei droevig, dat de[50]heilige geest uitbleef. Dan keef Maresag ongeduldig, bezwoer haar, dat zij een begin zou maken, wees haar op het rijzen van de nieuwe maan, die bloedrood en zwaar aan den hemel stond en die de laatste maan van dit jaar zou zijn. Vóór de winter aanbrak, moest het feest gevierd worden.Zij bleef lusteloos en treurig. Hij stak een vuur van twijgjes aan en brandde er kruiden en poeiers op, die de extase bevorderen. Doch zij hoestte, stiet een luik open, kreet dat de visioenen niet wilden komen.Als hij dan alleen met haar was, begon hij haar verwijten te doen, schold haar uit, spuwde haar in ’t gelaat, noemde haar een hure, een iverskind, stompte haar, trapte haar, dreigde haar met een zwaard, dat hij voor haar oogen aanzette, te onthoofden.Zij bleef hem lusteloos aanzien, verzette zich niet en hij trad dan naar buiten, opeens weder kalm, met waardigen tred en ’t hoofd met den langen, grijzenden baard opgeheven, deelde hij de op een afstand bij de offersteenen wachtendedruïdessenmede, dat de heilige geest gekomen was, maar door booze geesten was verdreven, doch morgennacht weer zou keeren. En als hij waardig en statig zijn donkere hut intrad, begonnen de druïdessen de zachte wijzen in koor te zingen, die den heiligen geest moesten bekoren en verleiden om in de haag te blijven toeven.Zij dan, Harimona, zat eenzaam op haar leger enluisterdedroevig naar dien zang en wierp zich plotseling neder en begon te weenen, snikte, kreet, trilde, griste met gekromde vingers door haar volle haren en na dien aanval van woede, viel ze weer moede neder en starend door het open luik naar de maan, die uit wazen van rossig parelmoeren wolkjes oprees, zuchtte ze: O, dat du min god waret.… Alles, alles is leugen!.…[51]1Eenigen meenen, dat de oude Germanen, den herfst niet kenden. Herfst worde dan hier als na-zomer opgevat. Het nieuwe jaar begon met den winter.↑2Mammouths, 200–150 j. v. Chr. is een zeer gewaagde onderstelling. Doch de mogelijkheid is niet uitgesloten. Welke sporen vindt men thans b.v. in Nederland nog van de beeren en wolven, die er voor 500 jaren zeker leefden?↑3Rotte, een snarenspeeltuig van Keltischen oorsprong. Vgl. „Rotten unde singen, des vlizzen sie sich sêre” inKudrun, vers 51.↑

[Inhoud]HOOFDSTUK VI.De herfst1was aangebroken in het land Renigo en bij de heilige haag maakte men zich gereed om het nieuwjaarsfeest te vieren. Van alle landen naderden de menschen om Harimona, de heilige maagd, offeranden en schatting te brengen en haar in ruil daarvoor te vragen, hoe het nieuwe jaar voor hen en de hunnen zou zijn. Vorsten kwamen om haar oordeel te vernemen over den afloop van krijgstochten, die zij hoopten te beginnen en anderen, die naar een ander land met hun volk wilden trekken, kwamen vragen in welke richting hun ’t geluk wachtte en in welke richting onheil broeide. Die uit streken kwamen waar slechte oogsten binnengehaald waren of misgewas heerschte, zouden haar om amuletten tegen de booze geesten van hun land smeeken. Zeevaarders, die groote reizen wilden ondernemen, kwamen te voren haar naar de te voeren koers vragen. Er waren zieken van alle hemelstreken, die bij haar genezing kwamen zoeken. Er waren moeders, die kinderloos bleven en vreesden door hun mannen verstooten te zullen worden. En misdadigers, die wroeging gevoelden en aflaat bij haar zochten; hebzuchtigen, die de plaatsen wilden weten waar groote schatten verborgen lagen; jonge krijgslieden, die hun zwaarden wilden doen zegenen en door haar doopen; lieden uit dorre streken kwamen haar de plaats vragen, waar onderaardsche wellen barnden; lieden uit landen, waar men door vloeden geteisterd werd, kwamen bij haar naar het middel om[45]droogte te krijgen, zoeken. Er kwamen kreupelen, lammen, gebochelden, blinden, dooven, lijders aan vallende ziekte. Maar die de zwarte ziekte hadden, mochten niet komen binnen de grens van Renigo, omdat zij verdoemden waren, wier kwaal alleen met den dood geboet kon worden.Van alle heerwegen, te water en te land, te voet en te paard, in huifwagens, op ezels en zelfs op kameelen en mammouths,2kwamen de menschen naar Renigo om hulp en voorlichting en troost. Maar ook waren er velen, die alleenlijk optrokken om met hun kunsten schatten te verdienen, dansers, zangers, lierelieden, acrobaten, vuistvechters, schildvechters, schermmeesters, die jonge krijgslieden kunsttrekken leerden met de saks of de bijl of het mes; en om hun kracht te toonen, staken zij hun wapen vóór de tent waarin zij woonden, in een stuk lindenhout en wie zijn wapen daarnaast stak nam een tweegevecht aan met den eigenaar van ’t wapen. Er kwamen jagers uit de bosschen, die vellen te ruil boden of mammouth-tanden, gevonden in holen; boeren met gelooide huiden, waarvan schilden, riemen en tuigen gemaakt konden worden; smeden, van den stam der Simnoten, die woonden in ’t verre land van de reuzen, ruilden zwaarden, bijlen en speren tegen barnsteen en hadden in de open lucht smidsen opgericht, waar zij voor de oogen van den kooper, de wapens smeedden uit staven ijzer, die ze op groote wagens, door krijgsgevangenen getrokken, hadden aangevoerd. En wel vaak, wanneer koopers de smeden wilden bedriegen of op de hoedanigheid hunner waar afdongen, ontstonden er gevechten en partijen werden gevormd, tot aan beide zijden dooden en gewonden waren gevallen. Er waren groote tenten opgericht, waar meê werd geschonken uit horens of aarden nappen en kroezen en[46]anderen waar eetwaren te ruil waren, hammen, gerookt paardevleesch, versch rundvleesch, visch, brood en honingkoek.Ook stroomden van alle zijden de mannen toe, die naar de hand van Harimona dongen en naar de huwelijksvoorwaarden kwamen vernemen. Er waren veel jongelieden van hooge geboorte, maar ook reeds mannen van middelbaren leeftijd en zelfs grijsaards, die kinds verlekkerd op de groote schatten van de priesteres, meenden met meer kans van slagen dan melkmuilen, den strijd met den draak, den hond en de geit te kunnen aanbinden. Er waren méér dan honderd aanbidders, velen in statie-gewaden, begeleid door groot gevolg van krijgers en ruiters en wagens volgeladen met geschenken. Anderen, heel arm en heel eenvoudig, met geen anderen uitzet, dan hun wapen, hun gespierd lichaam en hun jeugdigen moed. Ook wel slanke, kleine lieden van den stam der Sueven, die vaardig waren in ’t spreken op den Ding of beroemd wegens hun sproketalent of wegens hun fraaie stem en ’t blazen op den jachthoren of het tokkelen op den Keltischen lier.3Er waren minnaars, die knap waren in het kerven van runen in plankjes van lindehout en minnaars, die den Oceaan bevoeren en wachtend op de feestdagen, verhalen deden aan de lieden, die met hun mêde dronken van de verre landen, die zij gezien hadden en de monsters, die leefden in de verre zeeën, daar waar het dieplood schuinhangt, omdat de wereld er eindigt en de baaierd er aanvangt. Eerwaardige grijsaards kwamen om een uitspraak te hooren in vragen van meent-recht en grens-geschil.Al deze lieden legerden zich in een wijden kring rondom de heilige haag in afwachting van het Nieuwjaarsfeest en de verschijning van de groote priesteres, zoodat men, van de heuvels komend, zoover het oog reikte, beneden langs den oever van den stroom, welks naam door elken stam bijna anders uitgesproken werd (doch zelden zonder de[47]R-klank aan ’t begin, klank-nabootsing van ’t geluid, dat het stroomende water maakte,) tenten zag en nieuw-opgetrokken hutten en wagenparken en paarden-stallingen.Harimona had zich nog niet vertoond aan het volk doch Maresag, de hooge priester, deed elken dag, hoog op een wagen gezeten, die door hoorigen getrokken werd, een rondgang door de streek en gaf bevelen en verwelkomde bekenden en deelde zegeningen of vermaningen uit, troostte zieken en verminkten, die zich dicht nabij de wagen drongen, smeekend om spoedig toegelaten te worden. Onderwijl nam hij kennis van de geschenken, die men had medegebracht en noemde de dagen, waarop Harimona voor de schenkers te zien en te spreken zou zijn, degenen die de grootste offers en geschenken met zich voerden, den voorrang gevend boven de armen maar sluwlijk, opdat geen ontevredenheid zou ontstaan, enkele zéér armen, doende voorgaan aan prinsen en hertogen, die niet minder dan drie schepel barnsteen brachten. Zoo kwam de prins van Abalus, die twaalf stukken barnsteen ter groote van een mansvuist bracht, eerst na een aan moeraskoorts lijdende Kaninefaat, die niets dan een kleine koehuid had te schenken. En om vooral tot geven aan te moedigen en te toonen, hoe weinig ’t geen men schonk beteekende tegenover ’t geen reeds verzameld was in den haagschuren, verleende hij verlof tot het bezichtigen van de schatten van Harimona. En van den vroegen morgen tot zonsondergang schoof een breede rij van zich opdringende mannen en vrouwen langs de houten schutten, waarachter op kleurige doeken de schatten van den haag van Renigo lagen uitgestald; gouden vaatwerk, kannen, schotels, drinkbekers, zilveren platen, goudenen zilveren kleinoodiën als armringen, polsbanden, borsttooisels van gouddraad, gouden en zilveren oorringen, hoofd- en voorhoofdspangen, gewijde zwaarden van brons, bronzen en ijzeren helmen, lansen, speren,bogen van zeldzaam hout, pijlen met punten van gepolijst agaat, kettingen van gouden,[48]zilveren en bronzen schakels, schalen vol barnsteen. Er waren gouden kooien met vreemdkleurige vogels, geschenken van zeelieden, vellen van leeuwen en panters, gewaden van purper laken, van gevlochten kameelhaar, van roomblanke lamswol en ook reeds kleine bakjes met gouden en zilveren munten, die uit „het vreemde land” stamden. En in een tweede schuur zag men de zegeteekenen van Harimona. Daar hingen in grooten getale krukken van lieden, die door de priesteres waren genezen van lamheid en van voeteuvels en plankjes van lindenhout met ingekerfde runen en de weinigen, die deze lezen konden, stonden daarbij en lazen tegen loon met luider stemme de beteekenis. „Dank van Awjones, genezen van de koorts.” „Dank van Thietmar, bevrijd van den kwaden geest.” „Dank van Baduwini, dochter van den Fries Tsjick, opgewekt uit den doode.” „Dank van den stam der Nerviërs, door Harimona ten zegen gevoerd.” „Dank aan Harimona, voor den rijken oogst in Lekelau.”Het luide roepen van de runen-lezers klonk tot buiten de schuur, waar de zieken en gebrekkigen lagen, luisterend naar de hoopgevende klanken en—o wonderkracht der heilige maagd Harimona, geboren uit den heiligen geest,—het gebeurde al dat enkele, bezeten van een demon of lijdend aan een verstijfd been of een ongeneeselijke wond, plotseling opsprongen, juichend riepen, dat zij genezen waren door de nabijheid der priesteres alleen en men zag menschen, die zooeven nog strompelden, hun kruk wegwerpen en wegrennen dwars over den weg heen naar hun hut of anderen, die zooeven nog een etterende wond op den arm of de heup of den schouder getoond hadden, nu genezen, met niet anders dan een roode moet op de plaats, waar zooeven de wonde nog was en rondom hen drong zich de menigte om te zien en te bewonderen; men wierp geschenken toe aan den geheelde, sandalen, gespen, riemen, hoofddoeken, ja er waren er, die hun nieuw hemelsblauw statie-overkleed ruilden voor een stukje van het grauwe, vervuilde[49]overkleed van den geheelde of zelfs voor een stukje van de beëtterde wondlap, om een toonbaar bewijs te hebben van ’t wonder, dat onder hun oogen geschied was.Men begon, toen dit alles bekend werd, in ’t geheele reusachtige kamp met ongeduldig verlangen te zien naar de heilige haag, waar de groote priesteres woonde. Lange poozen achtereen stonden groepen te kijken naar het wuiven van het loover der hooge eiken, die de haag afsloten. Moedigen slopen ’s nachts tot heel dichtbij, legden hun oor op den grond om beter te kunnen hooren en dan vernamen zij vreemde geluiden als van heel vèr koorgezang of ook wel kreten of het sjirpen van een zwaard, dat gewet werd. Enkelen, die getracht hadden eikels te rapen van de heilige boomen, waren betrapt door de wachters of door de groote waakhonden, die zich woedend op hen wierpen en hun levend verscheurd zouden hebben, als de wachters ze niet hadden bevrijd. Dan kregen ze met het plat van de korte zwaarden slagen op den rug en op de handpalmen en zij bleven dagen lang verscholen in hun wagen of hun hut, zich schamend herkend te worden als betrapte dieven. Gelukte het echter een eikel te stelen, dan werd die als amulet gedragen of sommigen sneden ze in kleine stukjes, die ze ruilden door brood en vleesch en bier en de koopers aten de stukjes op, omdat ze voorbehoedmiddelen tegen de kwade geesten en ziekten waren. Harimona, in haar groote hut, versierd met loover, bloemen en vruchten, lag vermoeid en apathisch op haar leger van eiderdons. Haar priesteressen brachten haar bericht van den grooten toeloop buiten, zoo groot als nog nooit te voren en verhaalden van de vele bruidegoms, van de rijke geschenken, van de wonderdadige genezingen. En Maresag, na zijn dagelijksche rondgang, kwam bij haar, vertelde van de nieuwe geschenken en offers, roemde de rijke en voorname bruidegoms en vroeg dan angstig of zij zich al door den geest bezield voelde.Maar zij schudde moe het hoofd, en zei droevig, dat de[50]heilige geest uitbleef. Dan keef Maresag ongeduldig, bezwoer haar, dat zij een begin zou maken, wees haar op het rijzen van de nieuwe maan, die bloedrood en zwaar aan den hemel stond en die de laatste maan van dit jaar zou zijn. Vóór de winter aanbrak, moest het feest gevierd worden.Zij bleef lusteloos en treurig. Hij stak een vuur van twijgjes aan en brandde er kruiden en poeiers op, die de extase bevorderen. Doch zij hoestte, stiet een luik open, kreet dat de visioenen niet wilden komen.Als hij dan alleen met haar was, begon hij haar verwijten te doen, schold haar uit, spuwde haar in ’t gelaat, noemde haar een hure, een iverskind, stompte haar, trapte haar, dreigde haar met een zwaard, dat hij voor haar oogen aanzette, te onthoofden.Zij bleef hem lusteloos aanzien, verzette zich niet en hij trad dan naar buiten, opeens weder kalm, met waardigen tred en ’t hoofd met den langen, grijzenden baard opgeheven, deelde hij de op een afstand bij de offersteenen wachtendedruïdessenmede, dat de heilige geest gekomen was, maar door booze geesten was verdreven, doch morgennacht weer zou keeren. En als hij waardig en statig zijn donkere hut intrad, begonnen de druïdessen de zachte wijzen in koor te zingen, die den heiligen geest moesten bekoren en verleiden om in de haag te blijven toeven.Zij dan, Harimona, zat eenzaam op haar leger enluisterdedroevig naar dien zang en wierp zich plotseling neder en begon te weenen, snikte, kreet, trilde, griste met gekromde vingers door haar volle haren en na dien aanval van woede, viel ze weer moede neder en starend door het open luik naar de maan, die uit wazen van rossig parelmoeren wolkjes oprees, zuchtte ze: O, dat du min god waret.… Alles, alles is leugen!.…[51]1Eenigen meenen, dat de oude Germanen, den herfst niet kenden. Herfst worde dan hier als na-zomer opgevat. Het nieuwe jaar begon met den winter.↑2Mammouths, 200–150 j. v. Chr. is een zeer gewaagde onderstelling. Doch de mogelijkheid is niet uitgesloten. Welke sporen vindt men thans b.v. in Nederland nog van de beeren en wolven, die er voor 500 jaren zeker leefden?↑3Rotte, een snarenspeeltuig van Keltischen oorsprong. Vgl. „Rotten unde singen, des vlizzen sie sich sêre” inKudrun, vers 51.↑

[Inhoud]HOOFDSTUK VI.De herfst1was aangebroken in het land Renigo en bij de heilige haag maakte men zich gereed om het nieuwjaarsfeest te vieren. Van alle landen naderden de menschen om Harimona, de heilige maagd, offeranden en schatting te brengen en haar in ruil daarvoor te vragen, hoe het nieuwe jaar voor hen en de hunnen zou zijn. Vorsten kwamen om haar oordeel te vernemen over den afloop van krijgstochten, die zij hoopten te beginnen en anderen, die naar een ander land met hun volk wilden trekken, kwamen vragen in welke richting hun ’t geluk wachtte en in welke richting onheil broeide. Die uit streken kwamen waar slechte oogsten binnengehaald waren of misgewas heerschte, zouden haar om amuletten tegen de booze geesten van hun land smeeken. Zeevaarders, die groote reizen wilden ondernemen, kwamen te voren haar naar de te voeren koers vragen. Er waren zieken van alle hemelstreken, die bij haar genezing kwamen zoeken. Er waren moeders, die kinderloos bleven en vreesden door hun mannen verstooten te zullen worden. En misdadigers, die wroeging gevoelden en aflaat bij haar zochten; hebzuchtigen, die de plaatsen wilden weten waar groote schatten verborgen lagen; jonge krijgslieden, die hun zwaarden wilden doen zegenen en door haar doopen; lieden uit dorre streken kwamen haar de plaats vragen, waar onderaardsche wellen barnden; lieden uit landen, waar men door vloeden geteisterd werd, kwamen bij haar naar het middel om[45]droogte te krijgen, zoeken. Er kwamen kreupelen, lammen, gebochelden, blinden, dooven, lijders aan vallende ziekte. Maar die de zwarte ziekte hadden, mochten niet komen binnen de grens van Renigo, omdat zij verdoemden waren, wier kwaal alleen met den dood geboet kon worden.Van alle heerwegen, te water en te land, te voet en te paard, in huifwagens, op ezels en zelfs op kameelen en mammouths,2kwamen de menschen naar Renigo om hulp en voorlichting en troost. Maar ook waren er velen, die alleenlijk optrokken om met hun kunsten schatten te verdienen, dansers, zangers, lierelieden, acrobaten, vuistvechters, schildvechters, schermmeesters, die jonge krijgslieden kunsttrekken leerden met de saks of de bijl of het mes; en om hun kracht te toonen, staken zij hun wapen vóór de tent waarin zij woonden, in een stuk lindenhout en wie zijn wapen daarnaast stak nam een tweegevecht aan met den eigenaar van ’t wapen. Er kwamen jagers uit de bosschen, die vellen te ruil boden of mammouth-tanden, gevonden in holen; boeren met gelooide huiden, waarvan schilden, riemen en tuigen gemaakt konden worden; smeden, van den stam der Simnoten, die woonden in ’t verre land van de reuzen, ruilden zwaarden, bijlen en speren tegen barnsteen en hadden in de open lucht smidsen opgericht, waar zij voor de oogen van den kooper, de wapens smeedden uit staven ijzer, die ze op groote wagens, door krijgsgevangenen getrokken, hadden aangevoerd. En wel vaak, wanneer koopers de smeden wilden bedriegen of op de hoedanigheid hunner waar afdongen, ontstonden er gevechten en partijen werden gevormd, tot aan beide zijden dooden en gewonden waren gevallen. Er waren groote tenten opgericht, waar meê werd geschonken uit horens of aarden nappen en kroezen en[46]anderen waar eetwaren te ruil waren, hammen, gerookt paardevleesch, versch rundvleesch, visch, brood en honingkoek.Ook stroomden van alle zijden de mannen toe, die naar de hand van Harimona dongen en naar de huwelijksvoorwaarden kwamen vernemen. Er waren veel jongelieden van hooge geboorte, maar ook reeds mannen van middelbaren leeftijd en zelfs grijsaards, die kinds verlekkerd op de groote schatten van de priesteres, meenden met meer kans van slagen dan melkmuilen, den strijd met den draak, den hond en de geit te kunnen aanbinden. Er waren méér dan honderd aanbidders, velen in statie-gewaden, begeleid door groot gevolg van krijgers en ruiters en wagens volgeladen met geschenken. Anderen, heel arm en heel eenvoudig, met geen anderen uitzet, dan hun wapen, hun gespierd lichaam en hun jeugdigen moed. Ook wel slanke, kleine lieden van den stam der Sueven, die vaardig waren in ’t spreken op den Ding of beroemd wegens hun sproketalent of wegens hun fraaie stem en ’t blazen op den jachthoren of het tokkelen op den Keltischen lier.3Er waren minnaars, die knap waren in het kerven van runen in plankjes van lindehout en minnaars, die den Oceaan bevoeren en wachtend op de feestdagen, verhalen deden aan de lieden, die met hun mêde dronken van de verre landen, die zij gezien hadden en de monsters, die leefden in de verre zeeën, daar waar het dieplood schuinhangt, omdat de wereld er eindigt en de baaierd er aanvangt. Eerwaardige grijsaards kwamen om een uitspraak te hooren in vragen van meent-recht en grens-geschil.Al deze lieden legerden zich in een wijden kring rondom de heilige haag in afwachting van het Nieuwjaarsfeest en de verschijning van de groote priesteres, zoodat men, van de heuvels komend, zoover het oog reikte, beneden langs den oever van den stroom, welks naam door elken stam bijna anders uitgesproken werd (doch zelden zonder de[47]R-klank aan ’t begin, klank-nabootsing van ’t geluid, dat het stroomende water maakte,) tenten zag en nieuw-opgetrokken hutten en wagenparken en paarden-stallingen.Harimona had zich nog niet vertoond aan het volk doch Maresag, de hooge priester, deed elken dag, hoog op een wagen gezeten, die door hoorigen getrokken werd, een rondgang door de streek en gaf bevelen en verwelkomde bekenden en deelde zegeningen of vermaningen uit, troostte zieken en verminkten, die zich dicht nabij de wagen drongen, smeekend om spoedig toegelaten te worden. Onderwijl nam hij kennis van de geschenken, die men had medegebracht en noemde de dagen, waarop Harimona voor de schenkers te zien en te spreken zou zijn, degenen die de grootste offers en geschenken met zich voerden, den voorrang gevend boven de armen maar sluwlijk, opdat geen ontevredenheid zou ontstaan, enkele zéér armen, doende voorgaan aan prinsen en hertogen, die niet minder dan drie schepel barnsteen brachten. Zoo kwam de prins van Abalus, die twaalf stukken barnsteen ter groote van een mansvuist bracht, eerst na een aan moeraskoorts lijdende Kaninefaat, die niets dan een kleine koehuid had te schenken. En om vooral tot geven aan te moedigen en te toonen, hoe weinig ’t geen men schonk beteekende tegenover ’t geen reeds verzameld was in den haagschuren, verleende hij verlof tot het bezichtigen van de schatten van Harimona. En van den vroegen morgen tot zonsondergang schoof een breede rij van zich opdringende mannen en vrouwen langs de houten schutten, waarachter op kleurige doeken de schatten van den haag van Renigo lagen uitgestald; gouden vaatwerk, kannen, schotels, drinkbekers, zilveren platen, goudenen zilveren kleinoodiën als armringen, polsbanden, borsttooisels van gouddraad, gouden en zilveren oorringen, hoofd- en voorhoofdspangen, gewijde zwaarden van brons, bronzen en ijzeren helmen, lansen, speren,bogen van zeldzaam hout, pijlen met punten van gepolijst agaat, kettingen van gouden,[48]zilveren en bronzen schakels, schalen vol barnsteen. Er waren gouden kooien met vreemdkleurige vogels, geschenken van zeelieden, vellen van leeuwen en panters, gewaden van purper laken, van gevlochten kameelhaar, van roomblanke lamswol en ook reeds kleine bakjes met gouden en zilveren munten, die uit „het vreemde land” stamden. En in een tweede schuur zag men de zegeteekenen van Harimona. Daar hingen in grooten getale krukken van lieden, die door de priesteres waren genezen van lamheid en van voeteuvels en plankjes van lindenhout met ingekerfde runen en de weinigen, die deze lezen konden, stonden daarbij en lazen tegen loon met luider stemme de beteekenis. „Dank van Awjones, genezen van de koorts.” „Dank van Thietmar, bevrijd van den kwaden geest.” „Dank van Baduwini, dochter van den Fries Tsjick, opgewekt uit den doode.” „Dank van den stam der Nerviërs, door Harimona ten zegen gevoerd.” „Dank aan Harimona, voor den rijken oogst in Lekelau.”Het luide roepen van de runen-lezers klonk tot buiten de schuur, waar de zieken en gebrekkigen lagen, luisterend naar de hoopgevende klanken en—o wonderkracht der heilige maagd Harimona, geboren uit den heiligen geest,—het gebeurde al dat enkele, bezeten van een demon of lijdend aan een verstijfd been of een ongeneeselijke wond, plotseling opsprongen, juichend riepen, dat zij genezen waren door de nabijheid der priesteres alleen en men zag menschen, die zooeven nog strompelden, hun kruk wegwerpen en wegrennen dwars over den weg heen naar hun hut of anderen, die zooeven nog een etterende wond op den arm of de heup of den schouder getoond hadden, nu genezen, met niet anders dan een roode moet op de plaats, waar zooeven de wonde nog was en rondom hen drong zich de menigte om te zien en te bewonderen; men wierp geschenken toe aan den geheelde, sandalen, gespen, riemen, hoofddoeken, ja er waren er, die hun nieuw hemelsblauw statie-overkleed ruilden voor een stukje van het grauwe, vervuilde[49]overkleed van den geheelde of zelfs voor een stukje van de beëtterde wondlap, om een toonbaar bewijs te hebben van ’t wonder, dat onder hun oogen geschied was.Men begon, toen dit alles bekend werd, in ’t geheele reusachtige kamp met ongeduldig verlangen te zien naar de heilige haag, waar de groote priesteres woonde. Lange poozen achtereen stonden groepen te kijken naar het wuiven van het loover der hooge eiken, die de haag afsloten. Moedigen slopen ’s nachts tot heel dichtbij, legden hun oor op den grond om beter te kunnen hooren en dan vernamen zij vreemde geluiden als van heel vèr koorgezang of ook wel kreten of het sjirpen van een zwaard, dat gewet werd. Enkelen, die getracht hadden eikels te rapen van de heilige boomen, waren betrapt door de wachters of door de groote waakhonden, die zich woedend op hen wierpen en hun levend verscheurd zouden hebben, als de wachters ze niet hadden bevrijd. Dan kregen ze met het plat van de korte zwaarden slagen op den rug en op de handpalmen en zij bleven dagen lang verscholen in hun wagen of hun hut, zich schamend herkend te worden als betrapte dieven. Gelukte het echter een eikel te stelen, dan werd die als amulet gedragen of sommigen sneden ze in kleine stukjes, die ze ruilden door brood en vleesch en bier en de koopers aten de stukjes op, omdat ze voorbehoedmiddelen tegen de kwade geesten en ziekten waren. Harimona, in haar groote hut, versierd met loover, bloemen en vruchten, lag vermoeid en apathisch op haar leger van eiderdons. Haar priesteressen brachten haar bericht van den grooten toeloop buiten, zoo groot als nog nooit te voren en verhaalden van de vele bruidegoms, van de rijke geschenken, van de wonderdadige genezingen. En Maresag, na zijn dagelijksche rondgang, kwam bij haar, vertelde van de nieuwe geschenken en offers, roemde de rijke en voorname bruidegoms en vroeg dan angstig of zij zich al door den geest bezield voelde.Maar zij schudde moe het hoofd, en zei droevig, dat de[50]heilige geest uitbleef. Dan keef Maresag ongeduldig, bezwoer haar, dat zij een begin zou maken, wees haar op het rijzen van de nieuwe maan, die bloedrood en zwaar aan den hemel stond en die de laatste maan van dit jaar zou zijn. Vóór de winter aanbrak, moest het feest gevierd worden.Zij bleef lusteloos en treurig. Hij stak een vuur van twijgjes aan en brandde er kruiden en poeiers op, die de extase bevorderen. Doch zij hoestte, stiet een luik open, kreet dat de visioenen niet wilden komen.Als hij dan alleen met haar was, begon hij haar verwijten te doen, schold haar uit, spuwde haar in ’t gelaat, noemde haar een hure, een iverskind, stompte haar, trapte haar, dreigde haar met een zwaard, dat hij voor haar oogen aanzette, te onthoofden.Zij bleef hem lusteloos aanzien, verzette zich niet en hij trad dan naar buiten, opeens weder kalm, met waardigen tred en ’t hoofd met den langen, grijzenden baard opgeheven, deelde hij de op een afstand bij de offersteenen wachtendedruïdessenmede, dat de heilige geest gekomen was, maar door booze geesten was verdreven, doch morgennacht weer zou keeren. En als hij waardig en statig zijn donkere hut intrad, begonnen de druïdessen de zachte wijzen in koor te zingen, die den heiligen geest moesten bekoren en verleiden om in de haag te blijven toeven.Zij dan, Harimona, zat eenzaam op haar leger enluisterdedroevig naar dien zang en wierp zich plotseling neder en begon te weenen, snikte, kreet, trilde, griste met gekromde vingers door haar volle haren en na dien aanval van woede, viel ze weer moede neder en starend door het open luik naar de maan, die uit wazen van rossig parelmoeren wolkjes oprees, zuchtte ze: O, dat du min god waret.… Alles, alles is leugen!.…[51]1Eenigen meenen, dat de oude Germanen, den herfst niet kenden. Herfst worde dan hier als na-zomer opgevat. Het nieuwe jaar begon met den winter.↑2Mammouths, 200–150 j. v. Chr. is een zeer gewaagde onderstelling. Doch de mogelijkheid is niet uitgesloten. Welke sporen vindt men thans b.v. in Nederland nog van de beeren en wolven, die er voor 500 jaren zeker leefden?↑3Rotte, een snarenspeeltuig van Keltischen oorsprong. Vgl. „Rotten unde singen, des vlizzen sie sich sêre” inKudrun, vers 51.↑

HOOFDSTUK VI.

De herfst1was aangebroken in het land Renigo en bij de heilige haag maakte men zich gereed om het nieuwjaarsfeest te vieren. Van alle landen naderden de menschen om Harimona, de heilige maagd, offeranden en schatting te brengen en haar in ruil daarvoor te vragen, hoe het nieuwe jaar voor hen en de hunnen zou zijn. Vorsten kwamen om haar oordeel te vernemen over den afloop van krijgstochten, die zij hoopten te beginnen en anderen, die naar een ander land met hun volk wilden trekken, kwamen vragen in welke richting hun ’t geluk wachtte en in welke richting onheil broeide. Die uit streken kwamen waar slechte oogsten binnengehaald waren of misgewas heerschte, zouden haar om amuletten tegen de booze geesten van hun land smeeken. Zeevaarders, die groote reizen wilden ondernemen, kwamen te voren haar naar de te voeren koers vragen. Er waren zieken van alle hemelstreken, die bij haar genezing kwamen zoeken. Er waren moeders, die kinderloos bleven en vreesden door hun mannen verstooten te zullen worden. En misdadigers, die wroeging gevoelden en aflaat bij haar zochten; hebzuchtigen, die de plaatsen wilden weten waar groote schatten verborgen lagen; jonge krijgslieden, die hun zwaarden wilden doen zegenen en door haar doopen; lieden uit dorre streken kwamen haar de plaats vragen, waar onderaardsche wellen barnden; lieden uit landen, waar men door vloeden geteisterd werd, kwamen bij haar naar het middel om[45]droogte te krijgen, zoeken. Er kwamen kreupelen, lammen, gebochelden, blinden, dooven, lijders aan vallende ziekte. Maar die de zwarte ziekte hadden, mochten niet komen binnen de grens van Renigo, omdat zij verdoemden waren, wier kwaal alleen met den dood geboet kon worden.Van alle heerwegen, te water en te land, te voet en te paard, in huifwagens, op ezels en zelfs op kameelen en mammouths,2kwamen de menschen naar Renigo om hulp en voorlichting en troost. Maar ook waren er velen, die alleenlijk optrokken om met hun kunsten schatten te verdienen, dansers, zangers, lierelieden, acrobaten, vuistvechters, schildvechters, schermmeesters, die jonge krijgslieden kunsttrekken leerden met de saks of de bijl of het mes; en om hun kracht te toonen, staken zij hun wapen vóór de tent waarin zij woonden, in een stuk lindenhout en wie zijn wapen daarnaast stak nam een tweegevecht aan met den eigenaar van ’t wapen. Er kwamen jagers uit de bosschen, die vellen te ruil boden of mammouth-tanden, gevonden in holen; boeren met gelooide huiden, waarvan schilden, riemen en tuigen gemaakt konden worden; smeden, van den stam der Simnoten, die woonden in ’t verre land van de reuzen, ruilden zwaarden, bijlen en speren tegen barnsteen en hadden in de open lucht smidsen opgericht, waar zij voor de oogen van den kooper, de wapens smeedden uit staven ijzer, die ze op groote wagens, door krijgsgevangenen getrokken, hadden aangevoerd. En wel vaak, wanneer koopers de smeden wilden bedriegen of op de hoedanigheid hunner waar afdongen, ontstonden er gevechten en partijen werden gevormd, tot aan beide zijden dooden en gewonden waren gevallen. Er waren groote tenten opgericht, waar meê werd geschonken uit horens of aarden nappen en kroezen en[46]anderen waar eetwaren te ruil waren, hammen, gerookt paardevleesch, versch rundvleesch, visch, brood en honingkoek.Ook stroomden van alle zijden de mannen toe, die naar de hand van Harimona dongen en naar de huwelijksvoorwaarden kwamen vernemen. Er waren veel jongelieden van hooge geboorte, maar ook reeds mannen van middelbaren leeftijd en zelfs grijsaards, die kinds verlekkerd op de groote schatten van de priesteres, meenden met meer kans van slagen dan melkmuilen, den strijd met den draak, den hond en de geit te kunnen aanbinden. Er waren méér dan honderd aanbidders, velen in statie-gewaden, begeleid door groot gevolg van krijgers en ruiters en wagens volgeladen met geschenken. Anderen, heel arm en heel eenvoudig, met geen anderen uitzet, dan hun wapen, hun gespierd lichaam en hun jeugdigen moed. Ook wel slanke, kleine lieden van den stam der Sueven, die vaardig waren in ’t spreken op den Ding of beroemd wegens hun sproketalent of wegens hun fraaie stem en ’t blazen op den jachthoren of het tokkelen op den Keltischen lier.3Er waren minnaars, die knap waren in het kerven van runen in plankjes van lindehout en minnaars, die den Oceaan bevoeren en wachtend op de feestdagen, verhalen deden aan de lieden, die met hun mêde dronken van de verre landen, die zij gezien hadden en de monsters, die leefden in de verre zeeën, daar waar het dieplood schuinhangt, omdat de wereld er eindigt en de baaierd er aanvangt. Eerwaardige grijsaards kwamen om een uitspraak te hooren in vragen van meent-recht en grens-geschil.Al deze lieden legerden zich in een wijden kring rondom de heilige haag in afwachting van het Nieuwjaarsfeest en de verschijning van de groote priesteres, zoodat men, van de heuvels komend, zoover het oog reikte, beneden langs den oever van den stroom, welks naam door elken stam bijna anders uitgesproken werd (doch zelden zonder de[47]R-klank aan ’t begin, klank-nabootsing van ’t geluid, dat het stroomende water maakte,) tenten zag en nieuw-opgetrokken hutten en wagenparken en paarden-stallingen.Harimona had zich nog niet vertoond aan het volk doch Maresag, de hooge priester, deed elken dag, hoog op een wagen gezeten, die door hoorigen getrokken werd, een rondgang door de streek en gaf bevelen en verwelkomde bekenden en deelde zegeningen of vermaningen uit, troostte zieken en verminkten, die zich dicht nabij de wagen drongen, smeekend om spoedig toegelaten te worden. Onderwijl nam hij kennis van de geschenken, die men had medegebracht en noemde de dagen, waarop Harimona voor de schenkers te zien en te spreken zou zijn, degenen die de grootste offers en geschenken met zich voerden, den voorrang gevend boven de armen maar sluwlijk, opdat geen ontevredenheid zou ontstaan, enkele zéér armen, doende voorgaan aan prinsen en hertogen, die niet minder dan drie schepel barnsteen brachten. Zoo kwam de prins van Abalus, die twaalf stukken barnsteen ter groote van een mansvuist bracht, eerst na een aan moeraskoorts lijdende Kaninefaat, die niets dan een kleine koehuid had te schenken. En om vooral tot geven aan te moedigen en te toonen, hoe weinig ’t geen men schonk beteekende tegenover ’t geen reeds verzameld was in den haagschuren, verleende hij verlof tot het bezichtigen van de schatten van Harimona. En van den vroegen morgen tot zonsondergang schoof een breede rij van zich opdringende mannen en vrouwen langs de houten schutten, waarachter op kleurige doeken de schatten van den haag van Renigo lagen uitgestald; gouden vaatwerk, kannen, schotels, drinkbekers, zilveren platen, goudenen zilveren kleinoodiën als armringen, polsbanden, borsttooisels van gouddraad, gouden en zilveren oorringen, hoofd- en voorhoofdspangen, gewijde zwaarden van brons, bronzen en ijzeren helmen, lansen, speren,bogen van zeldzaam hout, pijlen met punten van gepolijst agaat, kettingen van gouden,[48]zilveren en bronzen schakels, schalen vol barnsteen. Er waren gouden kooien met vreemdkleurige vogels, geschenken van zeelieden, vellen van leeuwen en panters, gewaden van purper laken, van gevlochten kameelhaar, van roomblanke lamswol en ook reeds kleine bakjes met gouden en zilveren munten, die uit „het vreemde land” stamden. En in een tweede schuur zag men de zegeteekenen van Harimona. Daar hingen in grooten getale krukken van lieden, die door de priesteres waren genezen van lamheid en van voeteuvels en plankjes van lindenhout met ingekerfde runen en de weinigen, die deze lezen konden, stonden daarbij en lazen tegen loon met luider stemme de beteekenis. „Dank van Awjones, genezen van de koorts.” „Dank van Thietmar, bevrijd van den kwaden geest.” „Dank van Baduwini, dochter van den Fries Tsjick, opgewekt uit den doode.” „Dank van den stam der Nerviërs, door Harimona ten zegen gevoerd.” „Dank aan Harimona, voor den rijken oogst in Lekelau.”Het luide roepen van de runen-lezers klonk tot buiten de schuur, waar de zieken en gebrekkigen lagen, luisterend naar de hoopgevende klanken en—o wonderkracht der heilige maagd Harimona, geboren uit den heiligen geest,—het gebeurde al dat enkele, bezeten van een demon of lijdend aan een verstijfd been of een ongeneeselijke wond, plotseling opsprongen, juichend riepen, dat zij genezen waren door de nabijheid der priesteres alleen en men zag menschen, die zooeven nog strompelden, hun kruk wegwerpen en wegrennen dwars over den weg heen naar hun hut of anderen, die zooeven nog een etterende wond op den arm of de heup of den schouder getoond hadden, nu genezen, met niet anders dan een roode moet op de plaats, waar zooeven de wonde nog was en rondom hen drong zich de menigte om te zien en te bewonderen; men wierp geschenken toe aan den geheelde, sandalen, gespen, riemen, hoofddoeken, ja er waren er, die hun nieuw hemelsblauw statie-overkleed ruilden voor een stukje van het grauwe, vervuilde[49]overkleed van den geheelde of zelfs voor een stukje van de beëtterde wondlap, om een toonbaar bewijs te hebben van ’t wonder, dat onder hun oogen geschied was.Men begon, toen dit alles bekend werd, in ’t geheele reusachtige kamp met ongeduldig verlangen te zien naar de heilige haag, waar de groote priesteres woonde. Lange poozen achtereen stonden groepen te kijken naar het wuiven van het loover der hooge eiken, die de haag afsloten. Moedigen slopen ’s nachts tot heel dichtbij, legden hun oor op den grond om beter te kunnen hooren en dan vernamen zij vreemde geluiden als van heel vèr koorgezang of ook wel kreten of het sjirpen van een zwaard, dat gewet werd. Enkelen, die getracht hadden eikels te rapen van de heilige boomen, waren betrapt door de wachters of door de groote waakhonden, die zich woedend op hen wierpen en hun levend verscheurd zouden hebben, als de wachters ze niet hadden bevrijd. Dan kregen ze met het plat van de korte zwaarden slagen op den rug en op de handpalmen en zij bleven dagen lang verscholen in hun wagen of hun hut, zich schamend herkend te worden als betrapte dieven. Gelukte het echter een eikel te stelen, dan werd die als amulet gedragen of sommigen sneden ze in kleine stukjes, die ze ruilden door brood en vleesch en bier en de koopers aten de stukjes op, omdat ze voorbehoedmiddelen tegen de kwade geesten en ziekten waren. Harimona, in haar groote hut, versierd met loover, bloemen en vruchten, lag vermoeid en apathisch op haar leger van eiderdons. Haar priesteressen brachten haar bericht van den grooten toeloop buiten, zoo groot als nog nooit te voren en verhaalden van de vele bruidegoms, van de rijke geschenken, van de wonderdadige genezingen. En Maresag, na zijn dagelijksche rondgang, kwam bij haar, vertelde van de nieuwe geschenken en offers, roemde de rijke en voorname bruidegoms en vroeg dan angstig of zij zich al door den geest bezield voelde.Maar zij schudde moe het hoofd, en zei droevig, dat de[50]heilige geest uitbleef. Dan keef Maresag ongeduldig, bezwoer haar, dat zij een begin zou maken, wees haar op het rijzen van de nieuwe maan, die bloedrood en zwaar aan den hemel stond en die de laatste maan van dit jaar zou zijn. Vóór de winter aanbrak, moest het feest gevierd worden.Zij bleef lusteloos en treurig. Hij stak een vuur van twijgjes aan en brandde er kruiden en poeiers op, die de extase bevorderen. Doch zij hoestte, stiet een luik open, kreet dat de visioenen niet wilden komen.Als hij dan alleen met haar was, begon hij haar verwijten te doen, schold haar uit, spuwde haar in ’t gelaat, noemde haar een hure, een iverskind, stompte haar, trapte haar, dreigde haar met een zwaard, dat hij voor haar oogen aanzette, te onthoofden.Zij bleef hem lusteloos aanzien, verzette zich niet en hij trad dan naar buiten, opeens weder kalm, met waardigen tred en ’t hoofd met den langen, grijzenden baard opgeheven, deelde hij de op een afstand bij de offersteenen wachtendedruïdessenmede, dat de heilige geest gekomen was, maar door booze geesten was verdreven, doch morgennacht weer zou keeren. En als hij waardig en statig zijn donkere hut intrad, begonnen de druïdessen de zachte wijzen in koor te zingen, die den heiligen geest moesten bekoren en verleiden om in de haag te blijven toeven.Zij dan, Harimona, zat eenzaam op haar leger enluisterdedroevig naar dien zang en wierp zich plotseling neder en begon te weenen, snikte, kreet, trilde, griste met gekromde vingers door haar volle haren en na dien aanval van woede, viel ze weer moede neder en starend door het open luik naar de maan, die uit wazen van rossig parelmoeren wolkjes oprees, zuchtte ze: O, dat du min god waret.… Alles, alles is leugen!.…[51]

De herfst1was aangebroken in het land Renigo en bij de heilige haag maakte men zich gereed om het nieuwjaarsfeest te vieren. Van alle landen naderden de menschen om Harimona, de heilige maagd, offeranden en schatting te brengen en haar in ruil daarvoor te vragen, hoe het nieuwe jaar voor hen en de hunnen zou zijn. Vorsten kwamen om haar oordeel te vernemen over den afloop van krijgstochten, die zij hoopten te beginnen en anderen, die naar een ander land met hun volk wilden trekken, kwamen vragen in welke richting hun ’t geluk wachtte en in welke richting onheil broeide. Die uit streken kwamen waar slechte oogsten binnengehaald waren of misgewas heerschte, zouden haar om amuletten tegen de booze geesten van hun land smeeken. Zeevaarders, die groote reizen wilden ondernemen, kwamen te voren haar naar de te voeren koers vragen. Er waren zieken van alle hemelstreken, die bij haar genezing kwamen zoeken. Er waren moeders, die kinderloos bleven en vreesden door hun mannen verstooten te zullen worden. En misdadigers, die wroeging gevoelden en aflaat bij haar zochten; hebzuchtigen, die de plaatsen wilden weten waar groote schatten verborgen lagen; jonge krijgslieden, die hun zwaarden wilden doen zegenen en door haar doopen; lieden uit dorre streken kwamen haar de plaats vragen, waar onderaardsche wellen barnden; lieden uit landen, waar men door vloeden geteisterd werd, kwamen bij haar naar het middel om[45]droogte te krijgen, zoeken. Er kwamen kreupelen, lammen, gebochelden, blinden, dooven, lijders aan vallende ziekte. Maar die de zwarte ziekte hadden, mochten niet komen binnen de grens van Renigo, omdat zij verdoemden waren, wier kwaal alleen met den dood geboet kon worden.

Van alle heerwegen, te water en te land, te voet en te paard, in huifwagens, op ezels en zelfs op kameelen en mammouths,2kwamen de menschen naar Renigo om hulp en voorlichting en troost. Maar ook waren er velen, die alleenlijk optrokken om met hun kunsten schatten te verdienen, dansers, zangers, lierelieden, acrobaten, vuistvechters, schildvechters, schermmeesters, die jonge krijgslieden kunsttrekken leerden met de saks of de bijl of het mes; en om hun kracht te toonen, staken zij hun wapen vóór de tent waarin zij woonden, in een stuk lindenhout en wie zijn wapen daarnaast stak nam een tweegevecht aan met den eigenaar van ’t wapen. Er kwamen jagers uit de bosschen, die vellen te ruil boden of mammouth-tanden, gevonden in holen; boeren met gelooide huiden, waarvan schilden, riemen en tuigen gemaakt konden worden; smeden, van den stam der Simnoten, die woonden in ’t verre land van de reuzen, ruilden zwaarden, bijlen en speren tegen barnsteen en hadden in de open lucht smidsen opgericht, waar zij voor de oogen van den kooper, de wapens smeedden uit staven ijzer, die ze op groote wagens, door krijgsgevangenen getrokken, hadden aangevoerd. En wel vaak, wanneer koopers de smeden wilden bedriegen of op de hoedanigheid hunner waar afdongen, ontstonden er gevechten en partijen werden gevormd, tot aan beide zijden dooden en gewonden waren gevallen. Er waren groote tenten opgericht, waar meê werd geschonken uit horens of aarden nappen en kroezen en[46]anderen waar eetwaren te ruil waren, hammen, gerookt paardevleesch, versch rundvleesch, visch, brood en honingkoek.

Ook stroomden van alle zijden de mannen toe, die naar de hand van Harimona dongen en naar de huwelijksvoorwaarden kwamen vernemen. Er waren veel jongelieden van hooge geboorte, maar ook reeds mannen van middelbaren leeftijd en zelfs grijsaards, die kinds verlekkerd op de groote schatten van de priesteres, meenden met meer kans van slagen dan melkmuilen, den strijd met den draak, den hond en de geit te kunnen aanbinden. Er waren méér dan honderd aanbidders, velen in statie-gewaden, begeleid door groot gevolg van krijgers en ruiters en wagens volgeladen met geschenken. Anderen, heel arm en heel eenvoudig, met geen anderen uitzet, dan hun wapen, hun gespierd lichaam en hun jeugdigen moed. Ook wel slanke, kleine lieden van den stam der Sueven, die vaardig waren in ’t spreken op den Ding of beroemd wegens hun sproketalent of wegens hun fraaie stem en ’t blazen op den jachthoren of het tokkelen op den Keltischen lier.3Er waren minnaars, die knap waren in het kerven van runen in plankjes van lindehout en minnaars, die den Oceaan bevoeren en wachtend op de feestdagen, verhalen deden aan de lieden, die met hun mêde dronken van de verre landen, die zij gezien hadden en de monsters, die leefden in de verre zeeën, daar waar het dieplood schuinhangt, omdat de wereld er eindigt en de baaierd er aanvangt. Eerwaardige grijsaards kwamen om een uitspraak te hooren in vragen van meent-recht en grens-geschil.

Al deze lieden legerden zich in een wijden kring rondom de heilige haag in afwachting van het Nieuwjaarsfeest en de verschijning van de groote priesteres, zoodat men, van de heuvels komend, zoover het oog reikte, beneden langs den oever van den stroom, welks naam door elken stam bijna anders uitgesproken werd (doch zelden zonder de[47]R-klank aan ’t begin, klank-nabootsing van ’t geluid, dat het stroomende water maakte,) tenten zag en nieuw-opgetrokken hutten en wagenparken en paarden-stallingen.

Harimona had zich nog niet vertoond aan het volk doch Maresag, de hooge priester, deed elken dag, hoog op een wagen gezeten, die door hoorigen getrokken werd, een rondgang door de streek en gaf bevelen en verwelkomde bekenden en deelde zegeningen of vermaningen uit, troostte zieken en verminkten, die zich dicht nabij de wagen drongen, smeekend om spoedig toegelaten te worden. Onderwijl nam hij kennis van de geschenken, die men had medegebracht en noemde de dagen, waarop Harimona voor de schenkers te zien en te spreken zou zijn, degenen die de grootste offers en geschenken met zich voerden, den voorrang gevend boven de armen maar sluwlijk, opdat geen ontevredenheid zou ontstaan, enkele zéér armen, doende voorgaan aan prinsen en hertogen, die niet minder dan drie schepel barnsteen brachten. Zoo kwam de prins van Abalus, die twaalf stukken barnsteen ter groote van een mansvuist bracht, eerst na een aan moeraskoorts lijdende Kaninefaat, die niets dan een kleine koehuid had te schenken. En om vooral tot geven aan te moedigen en te toonen, hoe weinig ’t geen men schonk beteekende tegenover ’t geen reeds verzameld was in den haagschuren, verleende hij verlof tot het bezichtigen van de schatten van Harimona. En van den vroegen morgen tot zonsondergang schoof een breede rij van zich opdringende mannen en vrouwen langs de houten schutten, waarachter op kleurige doeken de schatten van den haag van Renigo lagen uitgestald; gouden vaatwerk, kannen, schotels, drinkbekers, zilveren platen, goudenen zilveren kleinoodiën als armringen, polsbanden, borsttooisels van gouddraad, gouden en zilveren oorringen, hoofd- en voorhoofdspangen, gewijde zwaarden van brons, bronzen en ijzeren helmen, lansen, speren,bogen van zeldzaam hout, pijlen met punten van gepolijst agaat, kettingen van gouden,[48]zilveren en bronzen schakels, schalen vol barnsteen. Er waren gouden kooien met vreemdkleurige vogels, geschenken van zeelieden, vellen van leeuwen en panters, gewaden van purper laken, van gevlochten kameelhaar, van roomblanke lamswol en ook reeds kleine bakjes met gouden en zilveren munten, die uit „het vreemde land” stamden. En in een tweede schuur zag men de zegeteekenen van Harimona. Daar hingen in grooten getale krukken van lieden, die door de priesteres waren genezen van lamheid en van voeteuvels en plankjes van lindenhout met ingekerfde runen en de weinigen, die deze lezen konden, stonden daarbij en lazen tegen loon met luider stemme de beteekenis. „Dank van Awjones, genezen van de koorts.” „Dank van Thietmar, bevrijd van den kwaden geest.” „Dank van Baduwini, dochter van den Fries Tsjick, opgewekt uit den doode.” „Dank van den stam der Nerviërs, door Harimona ten zegen gevoerd.” „Dank aan Harimona, voor den rijken oogst in Lekelau.”

Het luide roepen van de runen-lezers klonk tot buiten de schuur, waar de zieken en gebrekkigen lagen, luisterend naar de hoopgevende klanken en—o wonderkracht der heilige maagd Harimona, geboren uit den heiligen geest,—het gebeurde al dat enkele, bezeten van een demon of lijdend aan een verstijfd been of een ongeneeselijke wond, plotseling opsprongen, juichend riepen, dat zij genezen waren door de nabijheid der priesteres alleen en men zag menschen, die zooeven nog strompelden, hun kruk wegwerpen en wegrennen dwars over den weg heen naar hun hut of anderen, die zooeven nog een etterende wond op den arm of de heup of den schouder getoond hadden, nu genezen, met niet anders dan een roode moet op de plaats, waar zooeven de wonde nog was en rondom hen drong zich de menigte om te zien en te bewonderen; men wierp geschenken toe aan den geheelde, sandalen, gespen, riemen, hoofddoeken, ja er waren er, die hun nieuw hemelsblauw statie-overkleed ruilden voor een stukje van het grauwe, vervuilde[49]overkleed van den geheelde of zelfs voor een stukje van de beëtterde wondlap, om een toonbaar bewijs te hebben van ’t wonder, dat onder hun oogen geschied was.

Men begon, toen dit alles bekend werd, in ’t geheele reusachtige kamp met ongeduldig verlangen te zien naar de heilige haag, waar de groote priesteres woonde. Lange poozen achtereen stonden groepen te kijken naar het wuiven van het loover der hooge eiken, die de haag afsloten. Moedigen slopen ’s nachts tot heel dichtbij, legden hun oor op den grond om beter te kunnen hooren en dan vernamen zij vreemde geluiden als van heel vèr koorgezang of ook wel kreten of het sjirpen van een zwaard, dat gewet werd. Enkelen, die getracht hadden eikels te rapen van de heilige boomen, waren betrapt door de wachters of door de groote waakhonden, die zich woedend op hen wierpen en hun levend verscheurd zouden hebben, als de wachters ze niet hadden bevrijd. Dan kregen ze met het plat van de korte zwaarden slagen op den rug en op de handpalmen en zij bleven dagen lang verscholen in hun wagen of hun hut, zich schamend herkend te worden als betrapte dieven. Gelukte het echter een eikel te stelen, dan werd die als amulet gedragen of sommigen sneden ze in kleine stukjes, die ze ruilden door brood en vleesch en bier en de koopers aten de stukjes op, omdat ze voorbehoedmiddelen tegen de kwade geesten en ziekten waren. Harimona, in haar groote hut, versierd met loover, bloemen en vruchten, lag vermoeid en apathisch op haar leger van eiderdons. Haar priesteressen brachten haar bericht van den grooten toeloop buiten, zoo groot als nog nooit te voren en verhaalden van de vele bruidegoms, van de rijke geschenken, van de wonderdadige genezingen. En Maresag, na zijn dagelijksche rondgang, kwam bij haar, vertelde van de nieuwe geschenken en offers, roemde de rijke en voorname bruidegoms en vroeg dan angstig of zij zich al door den geest bezield voelde.

Maar zij schudde moe het hoofd, en zei droevig, dat de[50]heilige geest uitbleef. Dan keef Maresag ongeduldig, bezwoer haar, dat zij een begin zou maken, wees haar op het rijzen van de nieuwe maan, die bloedrood en zwaar aan den hemel stond en die de laatste maan van dit jaar zou zijn. Vóór de winter aanbrak, moest het feest gevierd worden.

Zij bleef lusteloos en treurig. Hij stak een vuur van twijgjes aan en brandde er kruiden en poeiers op, die de extase bevorderen. Doch zij hoestte, stiet een luik open, kreet dat de visioenen niet wilden komen.

Als hij dan alleen met haar was, begon hij haar verwijten te doen, schold haar uit, spuwde haar in ’t gelaat, noemde haar een hure, een iverskind, stompte haar, trapte haar, dreigde haar met een zwaard, dat hij voor haar oogen aanzette, te onthoofden.

Zij bleef hem lusteloos aanzien, verzette zich niet en hij trad dan naar buiten, opeens weder kalm, met waardigen tred en ’t hoofd met den langen, grijzenden baard opgeheven, deelde hij de op een afstand bij de offersteenen wachtendedruïdessenmede, dat de heilige geest gekomen was, maar door booze geesten was verdreven, doch morgennacht weer zou keeren. En als hij waardig en statig zijn donkere hut intrad, begonnen de druïdessen de zachte wijzen in koor te zingen, die den heiligen geest moesten bekoren en verleiden om in de haag te blijven toeven.

Zij dan, Harimona, zat eenzaam op haar leger enluisterdedroevig naar dien zang en wierp zich plotseling neder en begon te weenen, snikte, kreet, trilde, griste met gekromde vingers door haar volle haren en na dien aanval van woede, viel ze weer moede neder en starend door het open luik naar de maan, die uit wazen van rossig parelmoeren wolkjes oprees, zuchtte ze: O, dat du min god waret.… Alles, alles is leugen!.…[51]

1Eenigen meenen, dat de oude Germanen, den herfst niet kenden. Herfst worde dan hier als na-zomer opgevat. Het nieuwe jaar begon met den winter.↑2Mammouths, 200–150 j. v. Chr. is een zeer gewaagde onderstelling. Doch de mogelijkheid is niet uitgesloten. Welke sporen vindt men thans b.v. in Nederland nog van de beeren en wolven, die er voor 500 jaren zeker leefden?↑3Rotte, een snarenspeeltuig van Keltischen oorsprong. Vgl. „Rotten unde singen, des vlizzen sie sich sêre” inKudrun, vers 51.↑

1Eenigen meenen, dat de oude Germanen, den herfst niet kenden. Herfst worde dan hier als na-zomer opgevat. Het nieuwe jaar begon met den winter.↑2Mammouths, 200–150 j. v. Chr. is een zeer gewaagde onderstelling. Doch de mogelijkheid is niet uitgesloten. Welke sporen vindt men thans b.v. in Nederland nog van de beeren en wolven, die er voor 500 jaren zeker leefden?↑3Rotte, een snarenspeeltuig van Keltischen oorsprong. Vgl. „Rotten unde singen, des vlizzen sie sich sêre” inKudrun, vers 51.↑

1Eenigen meenen, dat de oude Germanen, den herfst niet kenden. Herfst worde dan hier als na-zomer opgevat. Het nieuwe jaar begon met den winter.↑

1Eenigen meenen, dat de oude Germanen, den herfst niet kenden. Herfst worde dan hier als na-zomer opgevat. Het nieuwe jaar begon met den winter.↑

2Mammouths, 200–150 j. v. Chr. is een zeer gewaagde onderstelling. Doch de mogelijkheid is niet uitgesloten. Welke sporen vindt men thans b.v. in Nederland nog van de beeren en wolven, die er voor 500 jaren zeker leefden?↑

2Mammouths, 200–150 j. v. Chr. is een zeer gewaagde onderstelling. Doch de mogelijkheid is niet uitgesloten. Welke sporen vindt men thans b.v. in Nederland nog van de beeren en wolven, die er voor 500 jaren zeker leefden?↑

3Rotte, een snarenspeeltuig van Keltischen oorsprong. Vgl. „Rotten unde singen, des vlizzen sie sich sêre” inKudrun, vers 51.↑

3Rotte, een snarenspeeltuig van Keltischen oorsprong. Vgl. „Rotten unde singen, des vlizzen sie sich sêre” inKudrun, vers 51.↑


Back to IndexNext