[Inhoud]HOOFDSTUK VII.Koning Goës vond ten laatste een middel om zijn eiland onneembaar te maken, zonder dat hij zijn vadsige onderdanen tot een verdediging met het zwaard in de hand behoefde te dwingen.Hij liet een grooten dijk rondom het eiland aan de zeezijde opwerpen en deed daarin een sluis aanbrengen. Daardoor was hij in staat het geheele eiland, behalve de bergloh en de woningen op de terpen en op de palen, onder water te zetten, zoodat een vijand zeker verdrinken zou, wanneer hij een inval op ’t eiland had gedaan en de zeesluis werd opengezet. Hij hief nu opnieuw schatting en toen de zeevaarders, de riviervlotters en de Velagers weder met een inval dreigden, liet hij een horde krijgsknechten rustig naderen. Zoodra ze op ’t eiland waren en ze al, juichend om den geringen wederstand en hopend op de rijke buit, naar de bergloh wilden trekken, waar de geheele bevolking en de levende have was heengevlucht, deed hij de sluisdeur opentrekken, de golven bruischten binnen en binnen het kwartier stond geheel Bedekoog blank. De Velagers, die met hun kleine, armzalige schuiten in de buurt lagen en de overstrooming zagen, meenden dat een ramp geschied was en juichten over het ongeluk hunner rijke buren en weldoeners. Maar toen het eb werd en het zeewater liep weder weg van ’t eiland, in het dunne laagje slib de lijken van de verdronken krijgsknechten achterlatend, waar de krabben al met tastende schaartjes overheen kropen, werden ze angstig en waren doodsbevreesd voor de wraak van koning Goës. De zeevaarders en de houtvlotters waren verbaasd en vernederd tegelijkertijd, zonden gijzelaars, betreurden[52]hun opzet, deden van hun oprechte bewondering voor den Koning blijken en daar zij beloofden voortaan de schatting te betalen, werd spoedig de vrede gesloten.Thans stapelden zich fabelachtige rijkdommen op het eiland op. Uit vrees, dat de begeerte opgewekt zou worden van machtige vorsten, werden de rijkdommen deels op de bergloh verborgen, deels aan de burgers gelijkelijk verdeeld en het bezoeken van ’t eiland werd aan vreemdelingen verboden. Alleen de zeevaarders en de houtvlotters hadden verlof zich op een aangewezen gedeelte van ’t eiland op te houden. De Velagers werden tot dienstbaarheid verplicht en deze lieden gewenden zich er langzamerhand geheel aan, te leven van ’t geen ze op Bedekoog verdienden, stalen, kregen of bedelden.Na koning Goës, die op hoogen leeftijd stierf, regeerde de wijze, maar uiterst gierige Koning Tsierk en diens zoon en opvolger, Gise was het, die bekend is geworden als de groote Zeeuw.Hij begon met het verbod der toelating van vreemdelingen af te schaffen en schepte er integendeel een groot vermaak in, vreemdelingen zijn schatten te toonen en ze gastvrij te onthalen. Ook gebood hij den burgers hetzelfde te doen en weldra werd Bedekoog heinde en verre bekend als een gelukkig en welvarend rijk, waar ieder gastvrij en in vrede werd ontvangen. Wanneer dan de vreemdelingen kwamen, noodigde Koning Gise ze aan zijn tafel, waar zij bediend werden van gouden schalen, die zij na den maaltijd mochten medenemen. Hij deed keur van spijzen op tafel brengen en in zoo groote hoeveelheid, dat het scheen of elke gast honger had voor tien. Ook werd nevens elken gast een geheele twintig maatszak wijn van ’t vreemde land gezet en driederlei soort bier in drie kruiken, zoo groot als een vijfjarig kind, zuur geel bier, bitter zwart bier en zoet, geelgoud, koningsbier. De koning zelf gaf het voorbeeld en schrokte zoo, dat de gasten vreesden dat hij zou stikken. Maar het was[53]slechts om de gasten aan te moedigen. Om de vroolijkheid van het gastmaal te verhoogen, had hij zijn drie opperkoks gekozen uit den stand der Bedekoogsche geleerden. Het waren ernstige koks, die in gebonden spraak hun sproken zeiden. De koning was de beste kenner en wanneer een opperkok-dichter dan zijn sproke zei, sloeg de koning met een gouden kroes op zijn bord, de rhythmen scandeerend en wanneer een stafrijm werd gesproken, legde hij den sproke-spreker door een mes met de punt in de tafel te steken, het zwijgen op en hij maakte dan de gasten opmerkzaam op de verheven schoonheid van de sproke en het welgelukte stafrijm. De beste sprokespreker was Hall, die ook in ’t toebereiden van zeevisch zijn wedergade niet had. De tweede sprokespreker was Hamm, die behalve in de verskunst, uitmuntte in het bakken van eierkoeken. De derde sprokespreker was Hann, die belast was met het toebereiden van de sausen en het rhythmisch noemen van den prijs van elk gerecht, dat den gasten werd toegediend.De gasten, gewoonlijk na de derde ronde reeds beschonken, lachten luid en hartelijk om de sprokesprekers en koning Gise, zeer daarmede ingenomen, begon dan op zijn beurt de verdienste van zijn sproke-sprekers te roemen. Hoe zwaar Hall was en hoeveel eierkoeken Hamm reeds in zijn leven had gebakken en dat, wanneer men alle sauzen die Hann al had toebereid bij elkaar in één kom wierp, die kom zoo diep zou moeten zijn, dat een os er rechtop in zou kunnen staan en zoo wijd als den omvang van vier koningsbuiken. Als de gasten niet meer eten konden, begon de koning ze te tarten, loofde gouden bekers uit voor de gasten, die nog een hoentje, een duif, een speenvarkentje zouden verorberen. Hij gaf ook prijzen aan de gasten, die den diksten buikomvang hadden en was heerlijk-jolig wanneer dan bleek, dat de koning den diksten buik van allen had.Na het toonen der schatten werden de gasten naar[54]Veloog geleid en de Koning had dan groot genot, wanneer de gasten zich verwonderden over de armoede en de buikloozigheid der Velagers, die zich trachtten te wreken door geestige spot-verzen en schimpscheuten, waarbij de koning en zijn drie opperkoks de gasten wezen op het gebrek aan stafrijmen en de fouten in denrhythmusvan de armeluispoëzie.Op Veloog regeerde in deze tijden de Koning Mise, bekend wegens zijn rijkdom aan woorden en armoede aan stof. Hij verging van naijver op den Koning Gise en trachtte ondanks alles, diens roem te overschaduwen. Hij noodigde van heinde en verre vreemdelingen uit naar Veloog en gaf dan ook gastmalen. Doch het servies was van gebakken klei en de spijzen waren sober en mager, terwijl als drank slechts witbier werd toegediend en dan nog slechts in leege eierdoppen en mosselschelpen, zoodat men nooit meer dan één teug tegelijk kon nemen. Hij had eveneens drie hofdichters, armzalige, magere, uitgehongerde kerels, vernuftige, geestige schoeljes, die met elkaar wedijverden in ’t vinden van grollen en onuitputtelijk in ’t bespotten van den dikken Gise, die als men hem hun spotdichten overbracht, verachtelijk de schouders ophaalde, zeggend dat de rhythmus alles te wenschen overliet, en het stafrijm ontbrak.Koning Mise voerde zijn gasten na den karigen maaltijd naar een zaal, die met schelpen was versierd en daar liet hij de mooiste Veloogsche deerntjes naakt dansen, terwijl zijn drie hofdichters grollen maakten op de dansende meiskens en hare lichamelijke bekoorlijkheden. Tot slot noodigde de Koning zijn gasten uit tot een wedstrijd in het persifleeren en wie de grappigste grollen op den Koning zelf, zijn gastmaal, zijn hofdichters en zijn danseressen ten beste gaf, werd voor dien avond en nacht tot Koning van Veloog benoemd en mocht allen bevelen, tot den Koning zelf. Dit nu had tengevolge, dat de vreemdelingen niet wisten waar zij zich het best vermaakt hadden, bij den dikken of bij den[55]mageren Koning, en algemeen luidde het oordeel, dat wie slechts van één van beiden de gast was geweest, een onvolmaakt genot had gesmaakt. Koning Mise was met dezen triomf tevreden, maar Koning Gise beschouwde dit als een nederlaag en hij poogde, door steeds meer overdadige gastmalen en door steeds strenger gerhythmeerde sproken tenslotte de overwinning te behalen.Nu brachten de vreemdelingen naar beide eilanden het bericht van de wonderdaden van de groote priesteres Harimona en de voorwaarden, waarop men haar als bruid zou kunnen krijgen. Koning Gise en Koning Mise, beiden ongehuwd, besloten naar de hand van Harimona te gaan dingen. Maar er was nog een andere reden, waarom zij de priesteres wilden spreken. Er was een zeegeest in de buurt gekomen, die volgens Gise een slechten smaak en volgens Mise een goeden smaak had. Hij werkte namelijk den bodem voor de fioord van Bedekoog omhoog, waardoor deze dreigde te verzanden, zoodat vaak reeds schepen, die zwaarbeladen waren en daardoor grooten diepgang hadden, niet binnen konden vallen. Daarentegen diepte de zeegeest de haven van Veloog uit, zoodat daar reeds enkele lichtbeladen schepen ongehinderd waren binnengeloopen, wat bij menschenheugenis te voren nooit geschied was. De Bedekauwers vreesden voor ’t verloopen van hun zeehandel en de Velagers juichten over de toeneming van het verkeer. Koning Gise nu zou de priesteres gaan vragen, den zeegeest te bezweren, dat hij de fioord van Bedekoog weder op de noodige diepte bracht en Koning Mise zou smeeken, dat Harimona den zeegeest bezwoer, voort te gaan met de uitdieping van de haven van Veloog.Over en weer werden groote toebereidselen voor de reis naar de heilige haag van Renigo gemaakt en de sprokesprekers der beide eilanden, die de lijfwachten van hun Koningen zouden vormen, bestookten elkaar met sproken en grollen.[56]Koning Gise, die gehoord had, dat de opperpriester Maresag gevoelig was voor geschenken en offers, besloot groote schatten mede te nemen en met veel statie op te treden. Vijftig wagens liet hij bouwen, versierd met kunstig snijwerk, hoog op sierlijke, slanke wielen. In de grootste en schoonste wagen zat hijzelf op een troon van purper met een gouden kroon op ’t hoofd en een gouden schepter in de hand. Achter zijn zetel stonden, ook in kostbare hemelsblauwe gewaden Hall, Hamm en Hann, met in de rechterhand gouden spatels, braadspitten en sauskwirrels en in de linkerhand rotten met gouden snaren. De wagen werd getrokken door twaalf edele rossen van ’tPaarden-eiland, met purperen dekkleeden en gouden hoefijzers en in de wagen lagen heerlijke eetwaren als ronde, purper geverfde kazen, gerookte hammen, dikke worsten, korven vol honing en de beroemde gebrande molleboontjes van ’t eiland Fabarix (Burcanx, Borkum.)1De andere wagens waren eveneens gevuld met de heerlijkste eetwaren, geborgen in zilveren en gouden vaatwerk, overzeesche wijnen, dubbelgebrouwde bieren en honingkoeken. In een groote, gouden kooi werd op een statie-wagen de wereldberoemde sprekende vogel Lorre medegevoerd, die als bruidsgeschenk bestemd was.Hoe armzalig en ellendig zag tegenover dezen vorstelijken stoet het karretje van Koning Mise er uit. Het was een lage schelpenkar op twee massieve wielen zonder spaken waarvoor, daar de Velagers geen paarden mochten bezitten, een mager ezeltje was gespannen. Koning Mise zelf zat op de bok, zijn magere, naakte voet tegen den stuurboom en zijn drie hofdichters in grauwe lompenplunje, zaten achter in de hobbelige kar. Leeftocht namen zij niet mede, want het was juist een slechten tijd tegen den winter en eieren en visch bedierven te spoedig. Koning Mise had besloten,[57]dat hij achter den stoet van Koning Gise zou rijden niet uit nederigheid, maar in de welberekende overtuiging, dat er dan genoeg leeftocht zou afvallen.Koning Mise nam geen offers of geschenken mede. Hij hoopte mede te deelen van de buit, die onderweg roovers zeker zouden maken van de schatten van Koning Gise en in ’t uiterste geval vertrouwde hij op den geest van de drie schoeljes, die al bezig waren grollen op de magerheid van het ezeltje te maken, zeker dat zij den priester en de priesteres in een goede luim zouden brengen en op zijn eigen radde tong, waarmede hij meer schatten en offers zou kunnen beloven dan ooit in geheel Renigo waren bijeen te brengen.Koning Gise, wel wetend dat bij onderweg anders menige veer aan roovers zou moeten laten, riep zijn burgers op om een vrijwillige lijfwacht te vormen. Geen enkele burger verscheen. Daarna gaf hij verlof, dat de burgers plaatsvervangers mochten zenden. Maar daar alle burgers rijk waren, wilde geen voor schatten zijn leven in de waagschaal stellen. Tenslotte veroorloofde Koning Gise zijn burgers een lijfwacht te vormen uit bewoners van Veloog. Toen verschenen veertig uitgehongerde strandschuimers en Koning Gise beval dat de lieden onderweg gemest zouden worden, opdat bij de aankomst in Renigo de leden van zijn lijfwacht zoodanig in achtbaarheid van statuur zouden zijn toegenomen, dat hij ze het burgerrecht van Bedekoog zou kunnen verleenen.KoningMise, die geen vrees voor roovers behoefde te koesteren, peinsde erover op welke wijzehijde veertig strandschuimers, berucht wegens hun liederlijkheid en ongebondenheid en deswege zelfs op zijn eiland naar een duin verbannen, onder zijn invloed zou kunnen brengen ten einde de buit, die zij zouden maken, in zijn bezit te krijgen. Hij riep daarom twaalf van de heetbloedigste deerntjes van zijn eiland op als zijn lijfwacht en voorziende, dat zij onderweg wel iets van de purperen, groene en hemelsblauwe gewaden[58]zich zouden verwerven, die in een viertal wagens van Koning Gise opgestapeld lagen, liet hij ze geheel naakt, te voet zijn karretje volgen.Toen dan de twee stoeten vertrokken, deden de burgers der beide eilanden hun Koningen met de beste wenschen uitgeleide en langs de wegen geschaard, zongen ze de wederzijdsche schimpdichten, die de sproke-sprekers der beide rijken in omloop gebracht hadden. De Bedekoogers zeiden, zuiver scandeerend:Rul rólt de kár des kléinen ármen-vorst,Zij hébben wéinig wáter voor den dorst,Zij hébben voor den honger weinig worst,Een griéz’lig gráuwtje ’t géile góedje torscht.En Koning Gise sloeg met den steel van de zweep op den krommen stuurboom, scandeerend het rhythme en hield telkens de paarden in, knalde met de zweep om stilte te gebieden en riep luide tot zijn burgers: „Let op het stafrijm:Rul rolt, kar-klein, weinig water, hebben honger, weinig worst, griez’lig grauwtje, geile goedje!”Toen reed hij weder voort maar een eind verder wees hij opnieuw nog bij ’t allerlaatste afscheid zijn burgers op de schoonheden van de gebonden taal.Maar de drie hongerhalzen in ’t karretje van Koning Gise hadden den Velagers een grol geleerd, die luidde:Ken je wel de hollebollewagen,Waar die dikke Gijs op zat,Hij kon schrokken, groote brokken,Een koe en een kalf, een heel paard half,Een kar vol schapen,En nog kon Gijs van den honger niet slapen.De naakte deerntjes achter de kar, begonnen het in koor te zingen en elkaar de hand gevend en een kring vormend, dansten zij al zingend in de ronde, zoodat de lijfwachten van Koning Gise, die leutige deerntjes ziende, een gat in den bodem van een wagen sneden en daardoor nu vielen, terwijl de wagen voortrolde, getrokken door vier prachtige schimmels,[59]heerlijke oliebollen, zoete mikjes, goudbruine honigballetjes, ronde roomkaasjes en gezoden oesterpastijtjes, die de maagden onder gejuich opbeurden, terwijl de toekomstige burgers van Bedekoog met vervaarlijke lansen en strenge gezichten naast de kar liepen. Koning Gise zich omkeerend om de oorzaak van ’t gejuich te ontdekken, bemerkte hoe licht en fier de schimmels de van zijn last bevrijde wagen trokken. Hij knikte de leden zijner lijfwacht goedkeurend toe, waarop Hall dichtte:Zij trokken traag de last die wichtig woog,Tot licht de last werd onder ’s Konings oog.waarna de drie in ’t karretje, de wangen bol van mikjes, schimpten:Daar waren vier wielen,Bewaakt door vier zielen,Die droegen een buik,En een lollig luik,Lol had de Koning,Lol had de wacht,Lol hadden de deerns,Van de kar zonder vracht.Tot ver waar de weg een bocht maakt, zagen de menschen de twee stoeten met de koninklijke bruidegoms na en hoorden het zingen en zoo aanstekelijk was de pret van ’t afscheid, dat op de beide eilanden tot diep in den nacht gejoold en gefeest werd.[60]1Vd. D. Detlefsen,Die Entdeckung des germanischen Nordens im Alterthum, Weidmannsche Buchhandlung. Berlin 1904.↑
[Inhoud]HOOFDSTUK VII.Koning Goës vond ten laatste een middel om zijn eiland onneembaar te maken, zonder dat hij zijn vadsige onderdanen tot een verdediging met het zwaard in de hand behoefde te dwingen.Hij liet een grooten dijk rondom het eiland aan de zeezijde opwerpen en deed daarin een sluis aanbrengen. Daardoor was hij in staat het geheele eiland, behalve de bergloh en de woningen op de terpen en op de palen, onder water te zetten, zoodat een vijand zeker verdrinken zou, wanneer hij een inval op ’t eiland had gedaan en de zeesluis werd opengezet. Hij hief nu opnieuw schatting en toen de zeevaarders, de riviervlotters en de Velagers weder met een inval dreigden, liet hij een horde krijgsknechten rustig naderen. Zoodra ze op ’t eiland waren en ze al, juichend om den geringen wederstand en hopend op de rijke buit, naar de bergloh wilden trekken, waar de geheele bevolking en de levende have was heengevlucht, deed hij de sluisdeur opentrekken, de golven bruischten binnen en binnen het kwartier stond geheel Bedekoog blank. De Velagers, die met hun kleine, armzalige schuiten in de buurt lagen en de overstrooming zagen, meenden dat een ramp geschied was en juichten over het ongeluk hunner rijke buren en weldoeners. Maar toen het eb werd en het zeewater liep weder weg van ’t eiland, in het dunne laagje slib de lijken van de verdronken krijgsknechten achterlatend, waar de krabben al met tastende schaartjes overheen kropen, werden ze angstig en waren doodsbevreesd voor de wraak van koning Goës. De zeevaarders en de houtvlotters waren verbaasd en vernederd tegelijkertijd, zonden gijzelaars, betreurden[52]hun opzet, deden van hun oprechte bewondering voor den Koning blijken en daar zij beloofden voortaan de schatting te betalen, werd spoedig de vrede gesloten.Thans stapelden zich fabelachtige rijkdommen op het eiland op. Uit vrees, dat de begeerte opgewekt zou worden van machtige vorsten, werden de rijkdommen deels op de bergloh verborgen, deels aan de burgers gelijkelijk verdeeld en het bezoeken van ’t eiland werd aan vreemdelingen verboden. Alleen de zeevaarders en de houtvlotters hadden verlof zich op een aangewezen gedeelte van ’t eiland op te houden. De Velagers werden tot dienstbaarheid verplicht en deze lieden gewenden zich er langzamerhand geheel aan, te leven van ’t geen ze op Bedekoog verdienden, stalen, kregen of bedelden.Na koning Goës, die op hoogen leeftijd stierf, regeerde de wijze, maar uiterst gierige Koning Tsierk en diens zoon en opvolger, Gise was het, die bekend is geworden als de groote Zeeuw.Hij begon met het verbod der toelating van vreemdelingen af te schaffen en schepte er integendeel een groot vermaak in, vreemdelingen zijn schatten te toonen en ze gastvrij te onthalen. Ook gebood hij den burgers hetzelfde te doen en weldra werd Bedekoog heinde en verre bekend als een gelukkig en welvarend rijk, waar ieder gastvrij en in vrede werd ontvangen. Wanneer dan de vreemdelingen kwamen, noodigde Koning Gise ze aan zijn tafel, waar zij bediend werden van gouden schalen, die zij na den maaltijd mochten medenemen. Hij deed keur van spijzen op tafel brengen en in zoo groote hoeveelheid, dat het scheen of elke gast honger had voor tien. Ook werd nevens elken gast een geheele twintig maatszak wijn van ’t vreemde land gezet en driederlei soort bier in drie kruiken, zoo groot als een vijfjarig kind, zuur geel bier, bitter zwart bier en zoet, geelgoud, koningsbier. De koning zelf gaf het voorbeeld en schrokte zoo, dat de gasten vreesden dat hij zou stikken. Maar het was[53]slechts om de gasten aan te moedigen. Om de vroolijkheid van het gastmaal te verhoogen, had hij zijn drie opperkoks gekozen uit den stand der Bedekoogsche geleerden. Het waren ernstige koks, die in gebonden spraak hun sproken zeiden. De koning was de beste kenner en wanneer een opperkok-dichter dan zijn sproke zei, sloeg de koning met een gouden kroes op zijn bord, de rhythmen scandeerend en wanneer een stafrijm werd gesproken, legde hij den sproke-spreker door een mes met de punt in de tafel te steken, het zwijgen op en hij maakte dan de gasten opmerkzaam op de verheven schoonheid van de sproke en het welgelukte stafrijm. De beste sprokespreker was Hall, die ook in ’t toebereiden van zeevisch zijn wedergade niet had. De tweede sprokespreker was Hamm, die behalve in de verskunst, uitmuntte in het bakken van eierkoeken. De derde sprokespreker was Hann, die belast was met het toebereiden van de sausen en het rhythmisch noemen van den prijs van elk gerecht, dat den gasten werd toegediend.De gasten, gewoonlijk na de derde ronde reeds beschonken, lachten luid en hartelijk om de sprokesprekers en koning Gise, zeer daarmede ingenomen, begon dan op zijn beurt de verdienste van zijn sproke-sprekers te roemen. Hoe zwaar Hall was en hoeveel eierkoeken Hamm reeds in zijn leven had gebakken en dat, wanneer men alle sauzen die Hann al had toebereid bij elkaar in één kom wierp, die kom zoo diep zou moeten zijn, dat een os er rechtop in zou kunnen staan en zoo wijd als den omvang van vier koningsbuiken. Als de gasten niet meer eten konden, begon de koning ze te tarten, loofde gouden bekers uit voor de gasten, die nog een hoentje, een duif, een speenvarkentje zouden verorberen. Hij gaf ook prijzen aan de gasten, die den diksten buikomvang hadden en was heerlijk-jolig wanneer dan bleek, dat de koning den diksten buik van allen had.Na het toonen der schatten werden de gasten naar[54]Veloog geleid en de Koning had dan groot genot, wanneer de gasten zich verwonderden over de armoede en de buikloozigheid der Velagers, die zich trachtten te wreken door geestige spot-verzen en schimpscheuten, waarbij de koning en zijn drie opperkoks de gasten wezen op het gebrek aan stafrijmen en de fouten in denrhythmusvan de armeluispoëzie.Op Veloog regeerde in deze tijden de Koning Mise, bekend wegens zijn rijkdom aan woorden en armoede aan stof. Hij verging van naijver op den Koning Gise en trachtte ondanks alles, diens roem te overschaduwen. Hij noodigde van heinde en verre vreemdelingen uit naar Veloog en gaf dan ook gastmalen. Doch het servies was van gebakken klei en de spijzen waren sober en mager, terwijl als drank slechts witbier werd toegediend en dan nog slechts in leege eierdoppen en mosselschelpen, zoodat men nooit meer dan één teug tegelijk kon nemen. Hij had eveneens drie hofdichters, armzalige, magere, uitgehongerde kerels, vernuftige, geestige schoeljes, die met elkaar wedijverden in ’t vinden van grollen en onuitputtelijk in ’t bespotten van den dikken Gise, die als men hem hun spotdichten overbracht, verachtelijk de schouders ophaalde, zeggend dat de rhythmus alles te wenschen overliet, en het stafrijm ontbrak.Koning Mise voerde zijn gasten na den karigen maaltijd naar een zaal, die met schelpen was versierd en daar liet hij de mooiste Veloogsche deerntjes naakt dansen, terwijl zijn drie hofdichters grollen maakten op de dansende meiskens en hare lichamelijke bekoorlijkheden. Tot slot noodigde de Koning zijn gasten uit tot een wedstrijd in het persifleeren en wie de grappigste grollen op den Koning zelf, zijn gastmaal, zijn hofdichters en zijn danseressen ten beste gaf, werd voor dien avond en nacht tot Koning van Veloog benoemd en mocht allen bevelen, tot den Koning zelf. Dit nu had tengevolge, dat de vreemdelingen niet wisten waar zij zich het best vermaakt hadden, bij den dikken of bij den[55]mageren Koning, en algemeen luidde het oordeel, dat wie slechts van één van beiden de gast was geweest, een onvolmaakt genot had gesmaakt. Koning Mise was met dezen triomf tevreden, maar Koning Gise beschouwde dit als een nederlaag en hij poogde, door steeds meer overdadige gastmalen en door steeds strenger gerhythmeerde sproken tenslotte de overwinning te behalen.Nu brachten de vreemdelingen naar beide eilanden het bericht van de wonderdaden van de groote priesteres Harimona en de voorwaarden, waarop men haar als bruid zou kunnen krijgen. Koning Gise en Koning Mise, beiden ongehuwd, besloten naar de hand van Harimona te gaan dingen. Maar er was nog een andere reden, waarom zij de priesteres wilden spreken. Er was een zeegeest in de buurt gekomen, die volgens Gise een slechten smaak en volgens Mise een goeden smaak had. Hij werkte namelijk den bodem voor de fioord van Bedekoog omhoog, waardoor deze dreigde te verzanden, zoodat vaak reeds schepen, die zwaarbeladen waren en daardoor grooten diepgang hadden, niet binnen konden vallen. Daarentegen diepte de zeegeest de haven van Veloog uit, zoodat daar reeds enkele lichtbeladen schepen ongehinderd waren binnengeloopen, wat bij menschenheugenis te voren nooit geschied was. De Bedekauwers vreesden voor ’t verloopen van hun zeehandel en de Velagers juichten over de toeneming van het verkeer. Koning Gise nu zou de priesteres gaan vragen, den zeegeest te bezweren, dat hij de fioord van Bedekoog weder op de noodige diepte bracht en Koning Mise zou smeeken, dat Harimona den zeegeest bezwoer, voort te gaan met de uitdieping van de haven van Veloog.Over en weer werden groote toebereidselen voor de reis naar de heilige haag van Renigo gemaakt en de sprokesprekers der beide eilanden, die de lijfwachten van hun Koningen zouden vormen, bestookten elkaar met sproken en grollen.[56]Koning Gise, die gehoord had, dat de opperpriester Maresag gevoelig was voor geschenken en offers, besloot groote schatten mede te nemen en met veel statie op te treden. Vijftig wagens liet hij bouwen, versierd met kunstig snijwerk, hoog op sierlijke, slanke wielen. In de grootste en schoonste wagen zat hijzelf op een troon van purper met een gouden kroon op ’t hoofd en een gouden schepter in de hand. Achter zijn zetel stonden, ook in kostbare hemelsblauwe gewaden Hall, Hamm en Hann, met in de rechterhand gouden spatels, braadspitten en sauskwirrels en in de linkerhand rotten met gouden snaren. De wagen werd getrokken door twaalf edele rossen van ’tPaarden-eiland, met purperen dekkleeden en gouden hoefijzers en in de wagen lagen heerlijke eetwaren als ronde, purper geverfde kazen, gerookte hammen, dikke worsten, korven vol honing en de beroemde gebrande molleboontjes van ’t eiland Fabarix (Burcanx, Borkum.)1De andere wagens waren eveneens gevuld met de heerlijkste eetwaren, geborgen in zilveren en gouden vaatwerk, overzeesche wijnen, dubbelgebrouwde bieren en honingkoeken. In een groote, gouden kooi werd op een statie-wagen de wereldberoemde sprekende vogel Lorre medegevoerd, die als bruidsgeschenk bestemd was.Hoe armzalig en ellendig zag tegenover dezen vorstelijken stoet het karretje van Koning Mise er uit. Het was een lage schelpenkar op twee massieve wielen zonder spaken waarvoor, daar de Velagers geen paarden mochten bezitten, een mager ezeltje was gespannen. Koning Mise zelf zat op de bok, zijn magere, naakte voet tegen den stuurboom en zijn drie hofdichters in grauwe lompenplunje, zaten achter in de hobbelige kar. Leeftocht namen zij niet mede, want het was juist een slechten tijd tegen den winter en eieren en visch bedierven te spoedig. Koning Mise had besloten,[57]dat hij achter den stoet van Koning Gise zou rijden niet uit nederigheid, maar in de welberekende overtuiging, dat er dan genoeg leeftocht zou afvallen.Koning Mise nam geen offers of geschenken mede. Hij hoopte mede te deelen van de buit, die onderweg roovers zeker zouden maken van de schatten van Koning Gise en in ’t uiterste geval vertrouwde hij op den geest van de drie schoeljes, die al bezig waren grollen op de magerheid van het ezeltje te maken, zeker dat zij den priester en de priesteres in een goede luim zouden brengen en op zijn eigen radde tong, waarmede hij meer schatten en offers zou kunnen beloven dan ooit in geheel Renigo waren bijeen te brengen.Koning Gise, wel wetend dat bij onderweg anders menige veer aan roovers zou moeten laten, riep zijn burgers op om een vrijwillige lijfwacht te vormen. Geen enkele burger verscheen. Daarna gaf hij verlof, dat de burgers plaatsvervangers mochten zenden. Maar daar alle burgers rijk waren, wilde geen voor schatten zijn leven in de waagschaal stellen. Tenslotte veroorloofde Koning Gise zijn burgers een lijfwacht te vormen uit bewoners van Veloog. Toen verschenen veertig uitgehongerde strandschuimers en Koning Gise beval dat de lieden onderweg gemest zouden worden, opdat bij de aankomst in Renigo de leden van zijn lijfwacht zoodanig in achtbaarheid van statuur zouden zijn toegenomen, dat hij ze het burgerrecht van Bedekoog zou kunnen verleenen.KoningMise, die geen vrees voor roovers behoefde te koesteren, peinsde erover op welke wijzehijde veertig strandschuimers, berucht wegens hun liederlijkheid en ongebondenheid en deswege zelfs op zijn eiland naar een duin verbannen, onder zijn invloed zou kunnen brengen ten einde de buit, die zij zouden maken, in zijn bezit te krijgen. Hij riep daarom twaalf van de heetbloedigste deerntjes van zijn eiland op als zijn lijfwacht en voorziende, dat zij onderweg wel iets van de purperen, groene en hemelsblauwe gewaden[58]zich zouden verwerven, die in een viertal wagens van Koning Gise opgestapeld lagen, liet hij ze geheel naakt, te voet zijn karretje volgen.Toen dan de twee stoeten vertrokken, deden de burgers der beide eilanden hun Koningen met de beste wenschen uitgeleide en langs de wegen geschaard, zongen ze de wederzijdsche schimpdichten, die de sproke-sprekers der beide rijken in omloop gebracht hadden. De Bedekoogers zeiden, zuiver scandeerend:Rul rólt de kár des kléinen ármen-vorst,Zij hébben wéinig wáter voor den dorst,Zij hébben voor den honger weinig worst,Een griéz’lig gráuwtje ’t géile góedje torscht.En Koning Gise sloeg met den steel van de zweep op den krommen stuurboom, scandeerend het rhythme en hield telkens de paarden in, knalde met de zweep om stilte te gebieden en riep luide tot zijn burgers: „Let op het stafrijm:Rul rolt, kar-klein, weinig water, hebben honger, weinig worst, griez’lig grauwtje, geile goedje!”Toen reed hij weder voort maar een eind verder wees hij opnieuw nog bij ’t allerlaatste afscheid zijn burgers op de schoonheden van de gebonden taal.Maar de drie hongerhalzen in ’t karretje van Koning Gise hadden den Velagers een grol geleerd, die luidde:Ken je wel de hollebollewagen,Waar die dikke Gijs op zat,Hij kon schrokken, groote brokken,Een koe en een kalf, een heel paard half,Een kar vol schapen,En nog kon Gijs van den honger niet slapen.De naakte deerntjes achter de kar, begonnen het in koor te zingen en elkaar de hand gevend en een kring vormend, dansten zij al zingend in de ronde, zoodat de lijfwachten van Koning Gise, die leutige deerntjes ziende, een gat in den bodem van een wagen sneden en daardoor nu vielen, terwijl de wagen voortrolde, getrokken door vier prachtige schimmels,[59]heerlijke oliebollen, zoete mikjes, goudbruine honigballetjes, ronde roomkaasjes en gezoden oesterpastijtjes, die de maagden onder gejuich opbeurden, terwijl de toekomstige burgers van Bedekoog met vervaarlijke lansen en strenge gezichten naast de kar liepen. Koning Gise zich omkeerend om de oorzaak van ’t gejuich te ontdekken, bemerkte hoe licht en fier de schimmels de van zijn last bevrijde wagen trokken. Hij knikte de leden zijner lijfwacht goedkeurend toe, waarop Hall dichtte:Zij trokken traag de last die wichtig woog,Tot licht de last werd onder ’s Konings oog.waarna de drie in ’t karretje, de wangen bol van mikjes, schimpten:Daar waren vier wielen,Bewaakt door vier zielen,Die droegen een buik,En een lollig luik,Lol had de Koning,Lol had de wacht,Lol hadden de deerns,Van de kar zonder vracht.Tot ver waar de weg een bocht maakt, zagen de menschen de twee stoeten met de koninklijke bruidegoms na en hoorden het zingen en zoo aanstekelijk was de pret van ’t afscheid, dat op de beide eilanden tot diep in den nacht gejoold en gefeest werd.[60]1Vd. D. Detlefsen,Die Entdeckung des germanischen Nordens im Alterthum, Weidmannsche Buchhandlung. Berlin 1904.↑
[Inhoud]HOOFDSTUK VII.Koning Goës vond ten laatste een middel om zijn eiland onneembaar te maken, zonder dat hij zijn vadsige onderdanen tot een verdediging met het zwaard in de hand behoefde te dwingen.Hij liet een grooten dijk rondom het eiland aan de zeezijde opwerpen en deed daarin een sluis aanbrengen. Daardoor was hij in staat het geheele eiland, behalve de bergloh en de woningen op de terpen en op de palen, onder water te zetten, zoodat een vijand zeker verdrinken zou, wanneer hij een inval op ’t eiland had gedaan en de zeesluis werd opengezet. Hij hief nu opnieuw schatting en toen de zeevaarders, de riviervlotters en de Velagers weder met een inval dreigden, liet hij een horde krijgsknechten rustig naderen. Zoodra ze op ’t eiland waren en ze al, juichend om den geringen wederstand en hopend op de rijke buit, naar de bergloh wilden trekken, waar de geheele bevolking en de levende have was heengevlucht, deed hij de sluisdeur opentrekken, de golven bruischten binnen en binnen het kwartier stond geheel Bedekoog blank. De Velagers, die met hun kleine, armzalige schuiten in de buurt lagen en de overstrooming zagen, meenden dat een ramp geschied was en juichten over het ongeluk hunner rijke buren en weldoeners. Maar toen het eb werd en het zeewater liep weder weg van ’t eiland, in het dunne laagje slib de lijken van de verdronken krijgsknechten achterlatend, waar de krabben al met tastende schaartjes overheen kropen, werden ze angstig en waren doodsbevreesd voor de wraak van koning Goës. De zeevaarders en de houtvlotters waren verbaasd en vernederd tegelijkertijd, zonden gijzelaars, betreurden[52]hun opzet, deden van hun oprechte bewondering voor den Koning blijken en daar zij beloofden voortaan de schatting te betalen, werd spoedig de vrede gesloten.Thans stapelden zich fabelachtige rijkdommen op het eiland op. Uit vrees, dat de begeerte opgewekt zou worden van machtige vorsten, werden de rijkdommen deels op de bergloh verborgen, deels aan de burgers gelijkelijk verdeeld en het bezoeken van ’t eiland werd aan vreemdelingen verboden. Alleen de zeevaarders en de houtvlotters hadden verlof zich op een aangewezen gedeelte van ’t eiland op te houden. De Velagers werden tot dienstbaarheid verplicht en deze lieden gewenden zich er langzamerhand geheel aan, te leven van ’t geen ze op Bedekoog verdienden, stalen, kregen of bedelden.Na koning Goës, die op hoogen leeftijd stierf, regeerde de wijze, maar uiterst gierige Koning Tsierk en diens zoon en opvolger, Gise was het, die bekend is geworden als de groote Zeeuw.Hij begon met het verbod der toelating van vreemdelingen af te schaffen en schepte er integendeel een groot vermaak in, vreemdelingen zijn schatten te toonen en ze gastvrij te onthalen. Ook gebood hij den burgers hetzelfde te doen en weldra werd Bedekoog heinde en verre bekend als een gelukkig en welvarend rijk, waar ieder gastvrij en in vrede werd ontvangen. Wanneer dan de vreemdelingen kwamen, noodigde Koning Gise ze aan zijn tafel, waar zij bediend werden van gouden schalen, die zij na den maaltijd mochten medenemen. Hij deed keur van spijzen op tafel brengen en in zoo groote hoeveelheid, dat het scheen of elke gast honger had voor tien. Ook werd nevens elken gast een geheele twintig maatszak wijn van ’t vreemde land gezet en driederlei soort bier in drie kruiken, zoo groot als een vijfjarig kind, zuur geel bier, bitter zwart bier en zoet, geelgoud, koningsbier. De koning zelf gaf het voorbeeld en schrokte zoo, dat de gasten vreesden dat hij zou stikken. Maar het was[53]slechts om de gasten aan te moedigen. Om de vroolijkheid van het gastmaal te verhoogen, had hij zijn drie opperkoks gekozen uit den stand der Bedekoogsche geleerden. Het waren ernstige koks, die in gebonden spraak hun sproken zeiden. De koning was de beste kenner en wanneer een opperkok-dichter dan zijn sproke zei, sloeg de koning met een gouden kroes op zijn bord, de rhythmen scandeerend en wanneer een stafrijm werd gesproken, legde hij den sproke-spreker door een mes met de punt in de tafel te steken, het zwijgen op en hij maakte dan de gasten opmerkzaam op de verheven schoonheid van de sproke en het welgelukte stafrijm. De beste sprokespreker was Hall, die ook in ’t toebereiden van zeevisch zijn wedergade niet had. De tweede sprokespreker was Hamm, die behalve in de verskunst, uitmuntte in het bakken van eierkoeken. De derde sprokespreker was Hann, die belast was met het toebereiden van de sausen en het rhythmisch noemen van den prijs van elk gerecht, dat den gasten werd toegediend.De gasten, gewoonlijk na de derde ronde reeds beschonken, lachten luid en hartelijk om de sprokesprekers en koning Gise, zeer daarmede ingenomen, begon dan op zijn beurt de verdienste van zijn sproke-sprekers te roemen. Hoe zwaar Hall was en hoeveel eierkoeken Hamm reeds in zijn leven had gebakken en dat, wanneer men alle sauzen die Hann al had toebereid bij elkaar in één kom wierp, die kom zoo diep zou moeten zijn, dat een os er rechtop in zou kunnen staan en zoo wijd als den omvang van vier koningsbuiken. Als de gasten niet meer eten konden, begon de koning ze te tarten, loofde gouden bekers uit voor de gasten, die nog een hoentje, een duif, een speenvarkentje zouden verorberen. Hij gaf ook prijzen aan de gasten, die den diksten buikomvang hadden en was heerlijk-jolig wanneer dan bleek, dat de koning den diksten buik van allen had.Na het toonen der schatten werden de gasten naar[54]Veloog geleid en de Koning had dan groot genot, wanneer de gasten zich verwonderden over de armoede en de buikloozigheid der Velagers, die zich trachtten te wreken door geestige spot-verzen en schimpscheuten, waarbij de koning en zijn drie opperkoks de gasten wezen op het gebrek aan stafrijmen en de fouten in denrhythmusvan de armeluispoëzie.Op Veloog regeerde in deze tijden de Koning Mise, bekend wegens zijn rijkdom aan woorden en armoede aan stof. Hij verging van naijver op den Koning Gise en trachtte ondanks alles, diens roem te overschaduwen. Hij noodigde van heinde en verre vreemdelingen uit naar Veloog en gaf dan ook gastmalen. Doch het servies was van gebakken klei en de spijzen waren sober en mager, terwijl als drank slechts witbier werd toegediend en dan nog slechts in leege eierdoppen en mosselschelpen, zoodat men nooit meer dan één teug tegelijk kon nemen. Hij had eveneens drie hofdichters, armzalige, magere, uitgehongerde kerels, vernuftige, geestige schoeljes, die met elkaar wedijverden in ’t vinden van grollen en onuitputtelijk in ’t bespotten van den dikken Gise, die als men hem hun spotdichten overbracht, verachtelijk de schouders ophaalde, zeggend dat de rhythmus alles te wenschen overliet, en het stafrijm ontbrak.Koning Mise voerde zijn gasten na den karigen maaltijd naar een zaal, die met schelpen was versierd en daar liet hij de mooiste Veloogsche deerntjes naakt dansen, terwijl zijn drie hofdichters grollen maakten op de dansende meiskens en hare lichamelijke bekoorlijkheden. Tot slot noodigde de Koning zijn gasten uit tot een wedstrijd in het persifleeren en wie de grappigste grollen op den Koning zelf, zijn gastmaal, zijn hofdichters en zijn danseressen ten beste gaf, werd voor dien avond en nacht tot Koning van Veloog benoemd en mocht allen bevelen, tot den Koning zelf. Dit nu had tengevolge, dat de vreemdelingen niet wisten waar zij zich het best vermaakt hadden, bij den dikken of bij den[55]mageren Koning, en algemeen luidde het oordeel, dat wie slechts van één van beiden de gast was geweest, een onvolmaakt genot had gesmaakt. Koning Mise was met dezen triomf tevreden, maar Koning Gise beschouwde dit als een nederlaag en hij poogde, door steeds meer overdadige gastmalen en door steeds strenger gerhythmeerde sproken tenslotte de overwinning te behalen.Nu brachten de vreemdelingen naar beide eilanden het bericht van de wonderdaden van de groote priesteres Harimona en de voorwaarden, waarop men haar als bruid zou kunnen krijgen. Koning Gise en Koning Mise, beiden ongehuwd, besloten naar de hand van Harimona te gaan dingen. Maar er was nog een andere reden, waarom zij de priesteres wilden spreken. Er was een zeegeest in de buurt gekomen, die volgens Gise een slechten smaak en volgens Mise een goeden smaak had. Hij werkte namelijk den bodem voor de fioord van Bedekoog omhoog, waardoor deze dreigde te verzanden, zoodat vaak reeds schepen, die zwaarbeladen waren en daardoor grooten diepgang hadden, niet binnen konden vallen. Daarentegen diepte de zeegeest de haven van Veloog uit, zoodat daar reeds enkele lichtbeladen schepen ongehinderd waren binnengeloopen, wat bij menschenheugenis te voren nooit geschied was. De Bedekauwers vreesden voor ’t verloopen van hun zeehandel en de Velagers juichten over de toeneming van het verkeer. Koning Gise nu zou de priesteres gaan vragen, den zeegeest te bezweren, dat hij de fioord van Bedekoog weder op de noodige diepte bracht en Koning Mise zou smeeken, dat Harimona den zeegeest bezwoer, voort te gaan met de uitdieping van de haven van Veloog.Over en weer werden groote toebereidselen voor de reis naar de heilige haag van Renigo gemaakt en de sprokesprekers der beide eilanden, die de lijfwachten van hun Koningen zouden vormen, bestookten elkaar met sproken en grollen.[56]Koning Gise, die gehoord had, dat de opperpriester Maresag gevoelig was voor geschenken en offers, besloot groote schatten mede te nemen en met veel statie op te treden. Vijftig wagens liet hij bouwen, versierd met kunstig snijwerk, hoog op sierlijke, slanke wielen. In de grootste en schoonste wagen zat hijzelf op een troon van purper met een gouden kroon op ’t hoofd en een gouden schepter in de hand. Achter zijn zetel stonden, ook in kostbare hemelsblauwe gewaden Hall, Hamm en Hann, met in de rechterhand gouden spatels, braadspitten en sauskwirrels en in de linkerhand rotten met gouden snaren. De wagen werd getrokken door twaalf edele rossen van ’tPaarden-eiland, met purperen dekkleeden en gouden hoefijzers en in de wagen lagen heerlijke eetwaren als ronde, purper geverfde kazen, gerookte hammen, dikke worsten, korven vol honing en de beroemde gebrande molleboontjes van ’t eiland Fabarix (Burcanx, Borkum.)1De andere wagens waren eveneens gevuld met de heerlijkste eetwaren, geborgen in zilveren en gouden vaatwerk, overzeesche wijnen, dubbelgebrouwde bieren en honingkoeken. In een groote, gouden kooi werd op een statie-wagen de wereldberoemde sprekende vogel Lorre medegevoerd, die als bruidsgeschenk bestemd was.Hoe armzalig en ellendig zag tegenover dezen vorstelijken stoet het karretje van Koning Mise er uit. Het was een lage schelpenkar op twee massieve wielen zonder spaken waarvoor, daar de Velagers geen paarden mochten bezitten, een mager ezeltje was gespannen. Koning Mise zelf zat op de bok, zijn magere, naakte voet tegen den stuurboom en zijn drie hofdichters in grauwe lompenplunje, zaten achter in de hobbelige kar. Leeftocht namen zij niet mede, want het was juist een slechten tijd tegen den winter en eieren en visch bedierven te spoedig. Koning Mise had besloten,[57]dat hij achter den stoet van Koning Gise zou rijden niet uit nederigheid, maar in de welberekende overtuiging, dat er dan genoeg leeftocht zou afvallen.Koning Mise nam geen offers of geschenken mede. Hij hoopte mede te deelen van de buit, die onderweg roovers zeker zouden maken van de schatten van Koning Gise en in ’t uiterste geval vertrouwde hij op den geest van de drie schoeljes, die al bezig waren grollen op de magerheid van het ezeltje te maken, zeker dat zij den priester en de priesteres in een goede luim zouden brengen en op zijn eigen radde tong, waarmede hij meer schatten en offers zou kunnen beloven dan ooit in geheel Renigo waren bijeen te brengen.Koning Gise, wel wetend dat bij onderweg anders menige veer aan roovers zou moeten laten, riep zijn burgers op om een vrijwillige lijfwacht te vormen. Geen enkele burger verscheen. Daarna gaf hij verlof, dat de burgers plaatsvervangers mochten zenden. Maar daar alle burgers rijk waren, wilde geen voor schatten zijn leven in de waagschaal stellen. Tenslotte veroorloofde Koning Gise zijn burgers een lijfwacht te vormen uit bewoners van Veloog. Toen verschenen veertig uitgehongerde strandschuimers en Koning Gise beval dat de lieden onderweg gemest zouden worden, opdat bij de aankomst in Renigo de leden van zijn lijfwacht zoodanig in achtbaarheid van statuur zouden zijn toegenomen, dat hij ze het burgerrecht van Bedekoog zou kunnen verleenen.KoningMise, die geen vrees voor roovers behoefde te koesteren, peinsde erover op welke wijzehijde veertig strandschuimers, berucht wegens hun liederlijkheid en ongebondenheid en deswege zelfs op zijn eiland naar een duin verbannen, onder zijn invloed zou kunnen brengen ten einde de buit, die zij zouden maken, in zijn bezit te krijgen. Hij riep daarom twaalf van de heetbloedigste deerntjes van zijn eiland op als zijn lijfwacht en voorziende, dat zij onderweg wel iets van de purperen, groene en hemelsblauwe gewaden[58]zich zouden verwerven, die in een viertal wagens van Koning Gise opgestapeld lagen, liet hij ze geheel naakt, te voet zijn karretje volgen.Toen dan de twee stoeten vertrokken, deden de burgers der beide eilanden hun Koningen met de beste wenschen uitgeleide en langs de wegen geschaard, zongen ze de wederzijdsche schimpdichten, die de sproke-sprekers der beide rijken in omloop gebracht hadden. De Bedekoogers zeiden, zuiver scandeerend:Rul rólt de kár des kléinen ármen-vorst,Zij hébben wéinig wáter voor den dorst,Zij hébben voor den honger weinig worst,Een griéz’lig gráuwtje ’t géile góedje torscht.En Koning Gise sloeg met den steel van de zweep op den krommen stuurboom, scandeerend het rhythme en hield telkens de paarden in, knalde met de zweep om stilte te gebieden en riep luide tot zijn burgers: „Let op het stafrijm:Rul rolt, kar-klein, weinig water, hebben honger, weinig worst, griez’lig grauwtje, geile goedje!”Toen reed hij weder voort maar een eind verder wees hij opnieuw nog bij ’t allerlaatste afscheid zijn burgers op de schoonheden van de gebonden taal.Maar de drie hongerhalzen in ’t karretje van Koning Gise hadden den Velagers een grol geleerd, die luidde:Ken je wel de hollebollewagen,Waar die dikke Gijs op zat,Hij kon schrokken, groote brokken,Een koe en een kalf, een heel paard half,Een kar vol schapen,En nog kon Gijs van den honger niet slapen.De naakte deerntjes achter de kar, begonnen het in koor te zingen en elkaar de hand gevend en een kring vormend, dansten zij al zingend in de ronde, zoodat de lijfwachten van Koning Gise, die leutige deerntjes ziende, een gat in den bodem van een wagen sneden en daardoor nu vielen, terwijl de wagen voortrolde, getrokken door vier prachtige schimmels,[59]heerlijke oliebollen, zoete mikjes, goudbruine honigballetjes, ronde roomkaasjes en gezoden oesterpastijtjes, die de maagden onder gejuich opbeurden, terwijl de toekomstige burgers van Bedekoog met vervaarlijke lansen en strenge gezichten naast de kar liepen. Koning Gise zich omkeerend om de oorzaak van ’t gejuich te ontdekken, bemerkte hoe licht en fier de schimmels de van zijn last bevrijde wagen trokken. Hij knikte de leden zijner lijfwacht goedkeurend toe, waarop Hall dichtte:Zij trokken traag de last die wichtig woog,Tot licht de last werd onder ’s Konings oog.waarna de drie in ’t karretje, de wangen bol van mikjes, schimpten:Daar waren vier wielen,Bewaakt door vier zielen,Die droegen een buik,En een lollig luik,Lol had de Koning,Lol had de wacht,Lol hadden de deerns,Van de kar zonder vracht.Tot ver waar de weg een bocht maakt, zagen de menschen de twee stoeten met de koninklijke bruidegoms na en hoorden het zingen en zoo aanstekelijk was de pret van ’t afscheid, dat op de beide eilanden tot diep in den nacht gejoold en gefeest werd.[60]1Vd. D. Detlefsen,Die Entdeckung des germanischen Nordens im Alterthum, Weidmannsche Buchhandlung. Berlin 1904.↑
[Inhoud]HOOFDSTUK VII.Koning Goës vond ten laatste een middel om zijn eiland onneembaar te maken, zonder dat hij zijn vadsige onderdanen tot een verdediging met het zwaard in de hand behoefde te dwingen.Hij liet een grooten dijk rondom het eiland aan de zeezijde opwerpen en deed daarin een sluis aanbrengen. Daardoor was hij in staat het geheele eiland, behalve de bergloh en de woningen op de terpen en op de palen, onder water te zetten, zoodat een vijand zeker verdrinken zou, wanneer hij een inval op ’t eiland had gedaan en de zeesluis werd opengezet. Hij hief nu opnieuw schatting en toen de zeevaarders, de riviervlotters en de Velagers weder met een inval dreigden, liet hij een horde krijgsknechten rustig naderen. Zoodra ze op ’t eiland waren en ze al, juichend om den geringen wederstand en hopend op de rijke buit, naar de bergloh wilden trekken, waar de geheele bevolking en de levende have was heengevlucht, deed hij de sluisdeur opentrekken, de golven bruischten binnen en binnen het kwartier stond geheel Bedekoog blank. De Velagers, die met hun kleine, armzalige schuiten in de buurt lagen en de overstrooming zagen, meenden dat een ramp geschied was en juichten over het ongeluk hunner rijke buren en weldoeners. Maar toen het eb werd en het zeewater liep weder weg van ’t eiland, in het dunne laagje slib de lijken van de verdronken krijgsknechten achterlatend, waar de krabben al met tastende schaartjes overheen kropen, werden ze angstig en waren doodsbevreesd voor de wraak van koning Goës. De zeevaarders en de houtvlotters waren verbaasd en vernederd tegelijkertijd, zonden gijzelaars, betreurden[52]hun opzet, deden van hun oprechte bewondering voor den Koning blijken en daar zij beloofden voortaan de schatting te betalen, werd spoedig de vrede gesloten.Thans stapelden zich fabelachtige rijkdommen op het eiland op. Uit vrees, dat de begeerte opgewekt zou worden van machtige vorsten, werden de rijkdommen deels op de bergloh verborgen, deels aan de burgers gelijkelijk verdeeld en het bezoeken van ’t eiland werd aan vreemdelingen verboden. Alleen de zeevaarders en de houtvlotters hadden verlof zich op een aangewezen gedeelte van ’t eiland op te houden. De Velagers werden tot dienstbaarheid verplicht en deze lieden gewenden zich er langzamerhand geheel aan, te leven van ’t geen ze op Bedekoog verdienden, stalen, kregen of bedelden.Na koning Goës, die op hoogen leeftijd stierf, regeerde de wijze, maar uiterst gierige Koning Tsierk en diens zoon en opvolger, Gise was het, die bekend is geworden als de groote Zeeuw.Hij begon met het verbod der toelating van vreemdelingen af te schaffen en schepte er integendeel een groot vermaak in, vreemdelingen zijn schatten te toonen en ze gastvrij te onthalen. Ook gebood hij den burgers hetzelfde te doen en weldra werd Bedekoog heinde en verre bekend als een gelukkig en welvarend rijk, waar ieder gastvrij en in vrede werd ontvangen. Wanneer dan de vreemdelingen kwamen, noodigde Koning Gise ze aan zijn tafel, waar zij bediend werden van gouden schalen, die zij na den maaltijd mochten medenemen. Hij deed keur van spijzen op tafel brengen en in zoo groote hoeveelheid, dat het scheen of elke gast honger had voor tien. Ook werd nevens elken gast een geheele twintig maatszak wijn van ’t vreemde land gezet en driederlei soort bier in drie kruiken, zoo groot als een vijfjarig kind, zuur geel bier, bitter zwart bier en zoet, geelgoud, koningsbier. De koning zelf gaf het voorbeeld en schrokte zoo, dat de gasten vreesden dat hij zou stikken. Maar het was[53]slechts om de gasten aan te moedigen. Om de vroolijkheid van het gastmaal te verhoogen, had hij zijn drie opperkoks gekozen uit den stand der Bedekoogsche geleerden. Het waren ernstige koks, die in gebonden spraak hun sproken zeiden. De koning was de beste kenner en wanneer een opperkok-dichter dan zijn sproke zei, sloeg de koning met een gouden kroes op zijn bord, de rhythmen scandeerend en wanneer een stafrijm werd gesproken, legde hij den sproke-spreker door een mes met de punt in de tafel te steken, het zwijgen op en hij maakte dan de gasten opmerkzaam op de verheven schoonheid van de sproke en het welgelukte stafrijm. De beste sprokespreker was Hall, die ook in ’t toebereiden van zeevisch zijn wedergade niet had. De tweede sprokespreker was Hamm, die behalve in de verskunst, uitmuntte in het bakken van eierkoeken. De derde sprokespreker was Hann, die belast was met het toebereiden van de sausen en het rhythmisch noemen van den prijs van elk gerecht, dat den gasten werd toegediend.De gasten, gewoonlijk na de derde ronde reeds beschonken, lachten luid en hartelijk om de sprokesprekers en koning Gise, zeer daarmede ingenomen, begon dan op zijn beurt de verdienste van zijn sproke-sprekers te roemen. Hoe zwaar Hall was en hoeveel eierkoeken Hamm reeds in zijn leven had gebakken en dat, wanneer men alle sauzen die Hann al had toebereid bij elkaar in één kom wierp, die kom zoo diep zou moeten zijn, dat een os er rechtop in zou kunnen staan en zoo wijd als den omvang van vier koningsbuiken. Als de gasten niet meer eten konden, begon de koning ze te tarten, loofde gouden bekers uit voor de gasten, die nog een hoentje, een duif, een speenvarkentje zouden verorberen. Hij gaf ook prijzen aan de gasten, die den diksten buikomvang hadden en was heerlijk-jolig wanneer dan bleek, dat de koning den diksten buik van allen had.Na het toonen der schatten werden de gasten naar[54]Veloog geleid en de Koning had dan groot genot, wanneer de gasten zich verwonderden over de armoede en de buikloozigheid der Velagers, die zich trachtten te wreken door geestige spot-verzen en schimpscheuten, waarbij de koning en zijn drie opperkoks de gasten wezen op het gebrek aan stafrijmen en de fouten in denrhythmusvan de armeluispoëzie.Op Veloog regeerde in deze tijden de Koning Mise, bekend wegens zijn rijkdom aan woorden en armoede aan stof. Hij verging van naijver op den Koning Gise en trachtte ondanks alles, diens roem te overschaduwen. Hij noodigde van heinde en verre vreemdelingen uit naar Veloog en gaf dan ook gastmalen. Doch het servies was van gebakken klei en de spijzen waren sober en mager, terwijl als drank slechts witbier werd toegediend en dan nog slechts in leege eierdoppen en mosselschelpen, zoodat men nooit meer dan één teug tegelijk kon nemen. Hij had eveneens drie hofdichters, armzalige, magere, uitgehongerde kerels, vernuftige, geestige schoeljes, die met elkaar wedijverden in ’t vinden van grollen en onuitputtelijk in ’t bespotten van den dikken Gise, die als men hem hun spotdichten overbracht, verachtelijk de schouders ophaalde, zeggend dat de rhythmus alles te wenschen overliet, en het stafrijm ontbrak.Koning Mise voerde zijn gasten na den karigen maaltijd naar een zaal, die met schelpen was versierd en daar liet hij de mooiste Veloogsche deerntjes naakt dansen, terwijl zijn drie hofdichters grollen maakten op de dansende meiskens en hare lichamelijke bekoorlijkheden. Tot slot noodigde de Koning zijn gasten uit tot een wedstrijd in het persifleeren en wie de grappigste grollen op den Koning zelf, zijn gastmaal, zijn hofdichters en zijn danseressen ten beste gaf, werd voor dien avond en nacht tot Koning van Veloog benoemd en mocht allen bevelen, tot den Koning zelf. Dit nu had tengevolge, dat de vreemdelingen niet wisten waar zij zich het best vermaakt hadden, bij den dikken of bij den[55]mageren Koning, en algemeen luidde het oordeel, dat wie slechts van één van beiden de gast was geweest, een onvolmaakt genot had gesmaakt. Koning Mise was met dezen triomf tevreden, maar Koning Gise beschouwde dit als een nederlaag en hij poogde, door steeds meer overdadige gastmalen en door steeds strenger gerhythmeerde sproken tenslotte de overwinning te behalen.Nu brachten de vreemdelingen naar beide eilanden het bericht van de wonderdaden van de groote priesteres Harimona en de voorwaarden, waarop men haar als bruid zou kunnen krijgen. Koning Gise en Koning Mise, beiden ongehuwd, besloten naar de hand van Harimona te gaan dingen. Maar er was nog een andere reden, waarom zij de priesteres wilden spreken. Er was een zeegeest in de buurt gekomen, die volgens Gise een slechten smaak en volgens Mise een goeden smaak had. Hij werkte namelijk den bodem voor de fioord van Bedekoog omhoog, waardoor deze dreigde te verzanden, zoodat vaak reeds schepen, die zwaarbeladen waren en daardoor grooten diepgang hadden, niet binnen konden vallen. Daarentegen diepte de zeegeest de haven van Veloog uit, zoodat daar reeds enkele lichtbeladen schepen ongehinderd waren binnengeloopen, wat bij menschenheugenis te voren nooit geschied was. De Bedekauwers vreesden voor ’t verloopen van hun zeehandel en de Velagers juichten over de toeneming van het verkeer. Koning Gise nu zou de priesteres gaan vragen, den zeegeest te bezweren, dat hij de fioord van Bedekoog weder op de noodige diepte bracht en Koning Mise zou smeeken, dat Harimona den zeegeest bezwoer, voort te gaan met de uitdieping van de haven van Veloog.Over en weer werden groote toebereidselen voor de reis naar de heilige haag van Renigo gemaakt en de sprokesprekers der beide eilanden, die de lijfwachten van hun Koningen zouden vormen, bestookten elkaar met sproken en grollen.[56]Koning Gise, die gehoord had, dat de opperpriester Maresag gevoelig was voor geschenken en offers, besloot groote schatten mede te nemen en met veel statie op te treden. Vijftig wagens liet hij bouwen, versierd met kunstig snijwerk, hoog op sierlijke, slanke wielen. In de grootste en schoonste wagen zat hijzelf op een troon van purper met een gouden kroon op ’t hoofd en een gouden schepter in de hand. Achter zijn zetel stonden, ook in kostbare hemelsblauwe gewaden Hall, Hamm en Hann, met in de rechterhand gouden spatels, braadspitten en sauskwirrels en in de linkerhand rotten met gouden snaren. De wagen werd getrokken door twaalf edele rossen van ’tPaarden-eiland, met purperen dekkleeden en gouden hoefijzers en in de wagen lagen heerlijke eetwaren als ronde, purper geverfde kazen, gerookte hammen, dikke worsten, korven vol honing en de beroemde gebrande molleboontjes van ’t eiland Fabarix (Burcanx, Borkum.)1De andere wagens waren eveneens gevuld met de heerlijkste eetwaren, geborgen in zilveren en gouden vaatwerk, overzeesche wijnen, dubbelgebrouwde bieren en honingkoeken. In een groote, gouden kooi werd op een statie-wagen de wereldberoemde sprekende vogel Lorre medegevoerd, die als bruidsgeschenk bestemd was.Hoe armzalig en ellendig zag tegenover dezen vorstelijken stoet het karretje van Koning Mise er uit. Het was een lage schelpenkar op twee massieve wielen zonder spaken waarvoor, daar de Velagers geen paarden mochten bezitten, een mager ezeltje was gespannen. Koning Mise zelf zat op de bok, zijn magere, naakte voet tegen den stuurboom en zijn drie hofdichters in grauwe lompenplunje, zaten achter in de hobbelige kar. Leeftocht namen zij niet mede, want het was juist een slechten tijd tegen den winter en eieren en visch bedierven te spoedig. Koning Mise had besloten,[57]dat hij achter den stoet van Koning Gise zou rijden niet uit nederigheid, maar in de welberekende overtuiging, dat er dan genoeg leeftocht zou afvallen.Koning Mise nam geen offers of geschenken mede. Hij hoopte mede te deelen van de buit, die onderweg roovers zeker zouden maken van de schatten van Koning Gise en in ’t uiterste geval vertrouwde hij op den geest van de drie schoeljes, die al bezig waren grollen op de magerheid van het ezeltje te maken, zeker dat zij den priester en de priesteres in een goede luim zouden brengen en op zijn eigen radde tong, waarmede hij meer schatten en offers zou kunnen beloven dan ooit in geheel Renigo waren bijeen te brengen.Koning Gise, wel wetend dat bij onderweg anders menige veer aan roovers zou moeten laten, riep zijn burgers op om een vrijwillige lijfwacht te vormen. Geen enkele burger verscheen. Daarna gaf hij verlof, dat de burgers plaatsvervangers mochten zenden. Maar daar alle burgers rijk waren, wilde geen voor schatten zijn leven in de waagschaal stellen. Tenslotte veroorloofde Koning Gise zijn burgers een lijfwacht te vormen uit bewoners van Veloog. Toen verschenen veertig uitgehongerde strandschuimers en Koning Gise beval dat de lieden onderweg gemest zouden worden, opdat bij de aankomst in Renigo de leden van zijn lijfwacht zoodanig in achtbaarheid van statuur zouden zijn toegenomen, dat hij ze het burgerrecht van Bedekoog zou kunnen verleenen.KoningMise, die geen vrees voor roovers behoefde te koesteren, peinsde erover op welke wijzehijde veertig strandschuimers, berucht wegens hun liederlijkheid en ongebondenheid en deswege zelfs op zijn eiland naar een duin verbannen, onder zijn invloed zou kunnen brengen ten einde de buit, die zij zouden maken, in zijn bezit te krijgen. Hij riep daarom twaalf van de heetbloedigste deerntjes van zijn eiland op als zijn lijfwacht en voorziende, dat zij onderweg wel iets van de purperen, groene en hemelsblauwe gewaden[58]zich zouden verwerven, die in een viertal wagens van Koning Gise opgestapeld lagen, liet hij ze geheel naakt, te voet zijn karretje volgen.Toen dan de twee stoeten vertrokken, deden de burgers der beide eilanden hun Koningen met de beste wenschen uitgeleide en langs de wegen geschaard, zongen ze de wederzijdsche schimpdichten, die de sproke-sprekers der beide rijken in omloop gebracht hadden. De Bedekoogers zeiden, zuiver scandeerend:Rul rólt de kár des kléinen ármen-vorst,Zij hébben wéinig wáter voor den dorst,Zij hébben voor den honger weinig worst,Een griéz’lig gráuwtje ’t géile góedje torscht.En Koning Gise sloeg met den steel van de zweep op den krommen stuurboom, scandeerend het rhythme en hield telkens de paarden in, knalde met de zweep om stilte te gebieden en riep luide tot zijn burgers: „Let op het stafrijm:Rul rolt, kar-klein, weinig water, hebben honger, weinig worst, griez’lig grauwtje, geile goedje!”Toen reed hij weder voort maar een eind verder wees hij opnieuw nog bij ’t allerlaatste afscheid zijn burgers op de schoonheden van de gebonden taal.Maar de drie hongerhalzen in ’t karretje van Koning Gise hadden den Velagers een grol geleerd, die luidde:Ken je wel de hollebollewagen,Waar die dikke Gijs op zat,Hij kon schrokken, groote brokken,Een koe en een kalf, een heel paard half,Een kar vol schapen,En nog kon Gijs van den honger niet slapen.De naakte deerntjes achter de kar, begonnen het in koor te zingen en elkaar de hand gevend en een kring vormend, dansten zij al zingend in de ronde, zoodat de lijfwachten van Koning Gise, die leutige deerntjes ziende, een gat in den bodem van een wagen sneden en daardoor nu vielen, terwijl de wagen voortrolde, getrokken door vier prachtige schimmels,[59]heerlijke oliebollen, zoete mikjes, goudbruine honigballetjes, ronde roomkaasjes en gezoden oesterpastijtjes, die de maagden onder gejuich opbeurden, terwijl de toekomstige burgers van Bedekoog met vervaarlijke lansen en strenge gezichten naast de kar liepen. Koning Gise zich omkeerend om de oorzaak van ’t gejuich te ontdekken, bemerkte hoe licht en fier de schimmels de van zijn last bevrijde wagen trokken. Hij knikte de leden zijner lijfwacht goedkeurend toe, waarop Hall dichtte:Zij trokken traag de last die wichtig woog,Tot licht de last werd onder ’s Konings oog.waarna de drie in ’t karretje, de wangen bol van mikjes, schimpten:Daar waren vier wielen,Bewaakt door vier zielen,Die droegen een buik,En een lollig luik,Lol had de Koning,Lol had de wacht,Lol hadden de deerns,Van de kar zonder vracht.Tot ver waar de weg een bocht maakt, zagen de menschen de twee stoeten met de koninklijke bruidegoms na en hoorden het zingen en zoo aanstekelijk was de pret van ’t afscheid, dat op de beide eilanden tot diep in den nacht gejoold en gefeest werd.[60]1Vd. D. Detlefsen,Die Entdeckung des germanischen Nordens im Alterthum, Weidmannsche Buchhandlung. Berlin 1904.↑
HOOFDSTUK VII.
Koning Goës vond ten laatste een middel om zijn eiland onneembaar te maken, zonder dat hij zijn vadsige onderdanen tot een verdediging met het zwaard in de hand behoefde te dwingen.Hij liet een grooten dijk rondom het eiland aan de zeezijde opwerpen en deed daarin een sluis aanbrengen. Daardoor was hij in staat het geheele eiland, behalve de bergloh en de woningen op de terpen en op de palen, onder water te zetten, zoodat een vijand zeker verdrinken zou, wanneer hij een inval op ’t eiland had gedaan en de zeesluis werd opengezet. Hij hief nu opnieuw schatting en toen de zeevaarders, de riviervlotters en de Velagers weder met een inval dreigden, liet hij een horde krijgsknechten rustig naderen. Zoodra ze op ’t eiland waren en ze al, juichend om den geringen wederstand en hopend op de rijke buit, naar de bergloh wilden trekken, waar de geheele bevolking en de levende have was heengevlucht, deed hij de sluisdeur opentrekken, de golven bruischten binnen en binnen het kwartier stond geheel Bedekoog blank. De Velagers, die met hun kleine, armzalige schuiten in de buurt lagen en de overstrooming zagen, meenden dat een ramp geschied was en juichten over het ongeluk hunner rijke buren en weldoeners. Maar toen het eb werd en het zeewater liep weder weg van ’t eiland, in het dunne laagje slib de lijken van de verdronken krijgsknechten achterlatend, waar de krabben al met tastende schaartjes overheen kropen, werden ze angstig en waren doodsbevreesd voor de wraak van koning Goës. De zeevaarders en de houtvlotters waren verbaasd en vernederd tegelijkertijd, zonden gijzelaars, betreurden[52]hun opzet, deden van hun oprechte bewondering voor den Koning blijken en daar zij beloofden voortaan de schatting te betalen, werd spoedig de vrede gesloten.Thans stapelden zich fabelachtige rijkdommen op het eiland op. Uit vrees, dat de begeerte opgewekt zou worden van machtige vorsten, werden de rijkdommen deels op de bergloh verborgen, deels aan de burgers gelijkelijk verdeeld en het bezoeken van ’t eiland werd aan vreemdelingen verboden. Alleen de zeevaarders en de houtvlotters hadden verlof zich op een aangewezen gedeelte van ’t eiland op te houden. De Velagers werden tot dienstbaarheid verplicht en deze lieden gewenden zich er langzamerhand geheel aan, te leven van ’t geen ze op Bedekoog verdienden, stalen, kregen of bedelden.Na koning Goës, die op hoogen leeftijd stierf, regeerde de wijze, maar uiterst gierige Koning Tsierk en diens zoon en opvolger, Gise was het, die bekend is geworden als de groote Zeeuw.Hij begon met het verbod der toelating van vreemdelingen af te schaffen en schepte er integendeel een groot vermaak in, vreemdelingen zijn schatten te toonen en ze gastvrij te onthalen. Ook gebood hij den burgers hetzelfde te doen en weldra werd Bedekoog heinde en verre bekend als een gelukkig en welvarend rijk, waar ieder gastvrij en in vrede werd ontvangen. Wanneer dan de vreemdelingen kwamen, noodigde Koning Gise ze aan zijn tafel, waar zij bediend werden van gouden schalen, die zij na den maaltijd mochten medenemen. Hij deed keur van spijzen op tafel brengen en in zoo groote hoeveelheid, dat het scheen of elke gast honger had voor tien. Ook werd nevens elken gast een geheele twintig maatszak wijn van ’t vreemde land gezet en driederlei soort bier in drie kruiken, zoo groot als een vijfjarig kind, zuur geel bier, bitter zwart bier en zoet, geelgoud, koningsbier. De koning zelf gaf het voorbeeld en schrokte zoo, dat de gasten vreesden dat hij zou stikken. Maar het was[53]slechts om de gasten aan te moedigen. Om de vroolijkheid van het gastmaal te verhoogen, had hij zijn drie opperkoks gekozen uit den stand der Bedekoogsche geleerden. Het waren ernstige koks, die in gebonden spraak hun sproken zeiden. De koning was de beste kenner en wanneer een opperkok-dichter dan zijn sproke zei, sloeg de koning met een gouden kroes op zijn bord, de rhythmen scandeerend en wanneer een stafrijm werd gesproken, legde hij den sproke-spreker door een mes met de punt in de tafel te steken, het zwijgen op en hij maakte dan de gasten opmerkzaam op de verheven schoonheid van de sproke en het welgelukte stafrijm. De beste sprokespreker was Hall, die ook in ’t toebereiden van zeevisch zijn wedergade niet had. De tweede sprokespreker was Hamm, die behalve in de verskunst, uitmuntte in het bakken van eierkoeken. De derde sprokespreker was Hann, die belast was met het toebereiden van de sausen en het rhythmisch noemen van den prijs van elk gerecht, dat den gasten werd toegediend.De gasten, gewoonlijk na de derde ronde reeds beschonken, lachten luid en hartelijk om de sprokesprekers en koning Gise, zeer daarmede ingenomen, begon dan op zijn beurt de verdienste van zijn sproke-sprekers te roemen. Hoe zwaar Hall was en hoeveel eierkoeken Hamm reeds in zijn leven had gebakken en dat, wanneer men alle sauzen die Hann al had toebereid bij elkaar in één kom wierp, die kom zoo diep zou moeten zijn, dat een os er rechtop in zou kunnen staan en zoo wijd als den omvang van vier koningsbuiken. Als de gasten niet meer eten konden, begon de koning ze te tarten, loofde gouden bekers uit voor de gasten, die nog een hoentje, een duif, een speenvarkentje zouden verorberen. Hij gaf ook prijzen aan de gasten, die den diksten buikomvang hadden en was heerlijk-jolig wanneer dan bleek, dat de koning den diksten buik van allen had.Na het toonen der schatten werden de gasten naar[54]Veloog geleid en de Koning had dan groot genot, wanneer de gasten zich verwonderden over de armoede en de buikloozigheid der Velagers, die zich trachtten te wreken door geestige spot-verzen en schimpscheuten, waarbij de koning en zijn drie opperkoks de gasten wezen op het gebrek aan stafrijmen en de fouten in denrhythmusvan de armeluispoëzie.Op Veloog regeerde in deze tijden de Koning Mise, bekend wegens zijn rijkdom aan woorden en armoede aan stof. Hij verging van naijver op den Koning Gise en trachtte ondanks alles, diens roem te overschaduwen. Hij noodigde van heinde en verre vreemdelingen uit naar Veloog en gaf dan ook gastmalen. Doch het servies was van gebakken klei en de spijzen waren sober en mager, terwijl als drank slechts witbier werd toegediend en dan nog slechts in leege eierdoppen en mosselschelpen, zoodat men nooit meer dan één teug tegelijk kon nemen. Hij had eveneens drie hofdichters, armzalige, magere, uitgehongerde kerels, vernuftige, geestige schoeljes, die met elkaar wedijverden in ’t vinden van grollen en onuitputtelijk in ’t bespotten van den dikken Gise, die als men hem hun spotdichten overbracht, verachtelijk de schouders ophaalde, zeggend dat de rhythmus alles te wenschen overliet, en het stafrijm ontbrak.Koning Mise voerde zijn gasten na den karigen maaltijd naar een zaal, die met schelpen was versierd en daar liet hij de mooiste Veloogsche deerntjes naakt dansen, terwijl zijn drie hofdichters grollen maakten op de dansende meiskens en hare lichamelijke bekoorlijkheden. Tot slot noodigde de Koning zijn gasten uit tot een wedstrijd in het persifleeren en wie de grappigste grollen op den Koning zelf, zijn gastmaal, zijn hofdichters en zijn danseressen ten beste gaf, werd voor dien avond en nacht tot Koning van Veloog benoemd en mocht allen bevelen, tot den Koning zelf. Dit nu had tengevolge, dat de vreemdelingen niet wisten waar zij zich het best vermaakt hadden, bij den dikken of bij den[55]mageren Koning, en algemeen luidde het oordeel, dat wie slechts van één van beiden de gast was geweest, een onvolmaakt genot had gesmaakt. Koning Mise was met dezen triomf tevreden, maar Koning Gise beschouwde dit als een nederlaag en hij poogde, door steeds meer overdadige gastmalen en door steeds strenger gerhythmeerde sproken tenslotte de overwinning te behalen.Nu brachten de vreemdelingen naar beide eilanden het bericht van de wonderdaden van de groote priesteres Harimona en de voorwaarden, waarop men haar als bruid zou kunnen krijgen. Koning Gise en Koning Mise, beiden ongehuwd, besloten naar de hand van Harimona te gaan dingen. Maar er was nog een andere reden, waarom zij de priesteres wilden spreken. Er was een zeegeest in de buurt gekomen, die volgens Gise een slechten smaak en volgens Mise een goeden smaak had. Hij werkte namelijk den bodem voor de fioord van Bedekoog omhoog, waardoor deze dreigde te verzanden, zoodat vaak reeds schepen, die zwaarbeladen waren en daardoor grooten diepgang hadden, niet binnen konden vallen. Daarentegen diepte de zeegeest de haven van Veloog uit, zoodat daar reeds enkele lichtbeladen schepen ongehinderd waren binnengeloopen, wat bij menschenheugenis te voren nooit geschied was. De Bedekauwers vreesden voor ’t verloopen van hun zeehandel en de Velagers juichten over de toeneming van het verkeer. Koning Gise nu zou de priesteres gaan vragen, den zeegeest te bezweren, dat hij de fioord van Bedekoog weder op de noodige diepte bracht en Koning Mise zou smeeken, dat Harimona den zeegeest bezwoer, voort te gaan met de uitdieping van de haven van Veloog.Over en weer werden groote toebereidselen voor de reis naar de heilige haag van Renigo gemaakt en de sprokesprekers der beide eilanden, die de lijfwachten van hun Koningen zouden vormen, bestookten elkaar met sproken en grollen.[56]Koning Gise, die gehoord had, dat de opperpriester Maresag gevoelig was voor geschenken en offers, besloot groote schatten mede te nemen en met veel statie op te treden. Vijftig wagens liet hij bouwen, versierd met kunstig snijwerk, hoog op sierlijke, slanke wielen. In de grootste en schoonste wagen zat hijzelf op een troon van purper met een gouden kroon op ’t hoofd en een gouden schepter in de hand. Achter zijn zetel stonden, ook in kostbare hemelsblauwe gewaden Hall, Hamm en Hann, met in de rechterhand gouden spatels, braadspitten en sauskwirrels en in de linkerhand rotten met gouden snaren. De wagen werd getrokken door twaalf edele rossen van ’tPaarden-eiland, met purperen dekkleeden en gouden hoefijzers en in de wagen lagen heerlijke eetwaren als ronde, purper geverfde kazen, gerookte hammen, dikke worsten, korven vol honing en de beroemde gebrande molleboontjes van ’t eiland Fabarix (Burcanx, Borkum.)1De andere wagens waren eveneens gevuld met de heerlijkste eetwaren, geborgen in zilveren en gouden vaatwerk, overzeesche wijnen, dubbelgebrouwde bieren en honingkoeken. In een groote, gouden kooi werd op een statie-wagen de wereldberoemde sprekende vogel Lorre medegevoerd, die als bruidsgeschenk bestemd was.Hoe armzalig en ellendig zag tegenover dezen vorstelijken stoet het karretje van Koning Mise er uit. Het was een lage schelpenkar op twee massieve wielen zonder spaken waarvoor, daar de Velagers geen paarden mochten bezitten, een mager ezeltje was gespannen. Koning Mise zelf zat op de bok, zijn magere, naakte voet tegen den stuurboom en zijn drie hofdichters in grauwe lompenplunje, zaten achter in de hobbelige kar. Leeftocht namen zij niet mede, want het was juist een slechten tijd tegen den winter en eieren en visch bedierven te spoedig. Koning Mise had besloten,[57]dat hij achter den stoet van Koning Gise zou rijden niet uit nederigheid, maar in de welberekende overtuiging, dat er dan genoeg leeftocht zou afvallen.Koning Mise nam geen offers of geschenken mede. Hij hoopte mede te deelen van de buit, die onderweg roovers zeker zouden maken van de schatten van Koning Gise en in ’t uiterste geval vertrouwde hij op den geest van de drie schoeljes, die al bezig waren grollen op de magerheid van het ezeltje te maken, zeker dat zij den priester en de priesteres in een goede luim zouden brengen en op zijn eigen radde tong, waarmede hij meer schatten en offers zou kunnen beloven dan ooit in geheel Renigo waren bijeen te brengen.Koning Gise, wel wetend dat bij onderweg anders menige veer aan roovers zou moeten laten, riep zijn burgers op om een vrijwillige lijfwacht te vormen. Geen enkele burger verscheen. Daarna gaf hij verlof, dat de burgers plaatsvervangers mochten zenden. Maar daar alle burgers rijk waren, wilde geen voor schatten zijn leven in de waagschaal stellen. Tenslotte veroorloofde Koning Gise zijn burgers een lijfwacht te vormen uit bewoners van Veloog. Toen verschenen veertig uitgehongerde strandschuimers en Koning Gise beval dat de lieden onderweg gemest zouden worden, opdat bij de aankomst in Renigo de leden van zijn lijfwacht zoodanig in achtbaarheid van statuur zouden zijn toegenomen, dat hij ze het burgerrecht van Bedekoog zou kunnen verleenen.KoningMise, die geen vrees voor roovers behoefde te koesteren, peinsde erover op welke wijzehijde veertig strandschuimers, berucht wegens hun liederlijkheid en ongebondenheid en deswege zelfs op zijn eiland naar een duin verbannen, onder zijn invloed zou kunnen brengen ten einde de buit, die zij zouden maken, in zijn bezit te krijgen. Hij riep daarom twaalf van de heetbloedigste deerntjes van zijn eiland op als zijn lijfwacht en voorziende, dat zij onderweg wel iets van de purperen, groene en hemelsblauwe gewaden[58]zich zouden verwerven, die in een viertal wagens van Koning Gise opgestapeld lagen, liet hij ze geheel naakt, te voet zijn karretje volgen.Toen dan de twee stoeten vertrokken, deden de burgers der beide eilanden hun Koningen met de beste wenschen uitgeleide en langs de wegen geschaard, zongen ze de wederzijdsche schimpdichten, die de sproke-sprekers der beide rijken in omloop gebracht hadden. De Bedekoogers zeiden, zuiver scandeerend:Rul rólt de kár des kléinen ármen-vorst,Zij hébben wéinig wáter voor den dorst,Zij hébben voor den honger weinig worst,Een griéz’lig gráuwtje ’t géile góedje torscht.En Koning Gise sloeg met den steel van de zweep op den krommen stuurboom, scandeerend het rhythme en hield telkens de paarden in, knalde met de zweep om stilte te gebieden en riep luide tot zijn burgers: „Let op het stafrijm:Rul rolt, kar-klein, weinig water, hebben honger, weinig worst, griez’lig grauwtje, geile goedje!”Toen reed hij weder voort maar een eind verder wees hij opnieuw nog bij ’t allerlaatste afscheid zijn burgers op de schoonheden van de gebonden taal.Maar de drie hongerhalzen in ’t karretje van Koning Gise hadden den Velagers een grol geleerd, die luidde:Ken je wel de hollebollewagen,Waar die dikke Gijs op zat,Hij kon schrokken, groote brokken,Een koe en een kalf, een heel paard half,Een kar vol schapen,En nog kon Gijs van den honger niet slapen.De naakte deerntjes achter de kar, begonnen het in koor te zingen en elkaar de hand gevend en een kring vormend, dansten zij al zingend in de ronde, zoodat de lijfwachten van Koning Gise, die leutige deerntjes ziende, een gat in den bodem van een wagen sneden en daardoor nu vielen, terwijl de wagen voortrolde, getrokken door vier prachtige schimmels,[59]heerlijke oliebollen, zoete mikjes, goudbruine honigballetjes, ronde roomkaasjes en gezoden oesterpastijtjes, die de maagden onder gejuich opbeurden, terwijl de toekomstige burgers van Bedekoog met vervaarlijke lansen en strenge gezichten naast de kar liepen. Koning Gise zich omkeerend om de oorzaak van ’t gejuich te ontdekken, bemerkte hoe licht en fier de schimmels de van zijn last bevrijde wagen trokken. Hij knikte de leden zijner lijfwacht goedkeurend toe, waarop Hall dichtte:Zij trokken traag de last die wichtig woog,Tot licht de last werd onder ’s Konings oog.waarna de drie in ’t karretje, de wangen bol van mikjes, schimpten:Daar waren vier wielen,Bewaakt door vier zielen,Die droegen een buik,En een lollig luik,Lol had de Koning,Lol had de wacht,Lol hadden de deerns,Van de kar zonder vracht.Tot ver waar de weg een bocht maakt, zagen de menschen de twee stoeten met de koninklijke bruidegoms na en hoorden het zingen en zoo aanstekelijk was de pret van ’t afscheid, dat op de beide eilanden tot diep in den nacht gejoold en gefeest werd.[60]
Koning Goës vond ten laatste een middel om zijn eiland onneembaar te maken, zonder dat hij zijn vadsige onderdanen tot een verdediging met het zwaard in de hand behoefde te dwingen.
Hij liet een grooten dijk rondom het eiland aan de zeezijde opwerpen en deed daarin een sluis aanbrengen. Daardoor was hij in staat het geheele eiland, behalve de bergloh en de woningen op de terpen en op de palen, onder water te zetten, zoodat een vijand zeker verdrinken zou, wanneer hij een inval op ’t eiland had gedaan en de zeesluis werd opengezet. Hij hief nu opnieuw schatting en toen de zeevaarders, de riviervlotters en de Velagers weder met een inval dreigden, liet hij een horde krijgsknechten rustig naderen. Zoodra ze op ’t eiland waren en ze al, juichend om den geringen wederstand en hopend op de rijke buit, naar de bergloh wilden trekken, waar de geheele bevolking en de levende have was heengevlucht, deed hij de sluisdeur opentrekken, de golven bruischten binnen en binnen het kwartier stond geheel Bedekoog blank. De Velagers, die met hun kleine, armzalige schuiten in de buurt lagen en de overstrooming zagen, meenden dat een ramp geschied was en juichten over het ongeluk hunner rijke buren en weldoeners. Maar toen het eb werd en het zeewater liep weder weg van ’t eiland, in het dunne laagje slib de lijken van de verdronken krijgsknechten achterlatend, waar de krabben al met tastende schaartjes overheen kropen, werden ze angstig en waren doodsbevreesd voor de wraak van koning Goës. De zeevaarders en de houtvlotters waren verbaasd en vernederd tegelijkertijd, zonden gijzelaars, betreurden[52]hun opzet, deden van hun oprechte bewondering voor den Koning blijken en daar zij beloofden voortaan de schatting te betalen, werd spoedig de vrede gesloten.
Thans stapelden zich fabelachtige rijkdommen op het eiland op. Uit vrees, dat de begeerte opgewekt zou worden van machtige vorsten, werden de rijkdommen deels op de bergloh verborgen, deels aan de burgers gelijkelijk verdeeld en het bezoeken van ’t eiland werd aan vreemdelingen verboden. Alleen de zeevaarders en de houtvlotters hadden verlof zich op een aangewezen gedeelte van ’t eiland op te houden. De Velagers werden tot dienstbaarheid verplicht en deze lieden gewenden zich er langzamerhand geheel aan, te leven van ’t geen ze op Bedekoog verdienden, stalen, kregen of bedelden.
Na koning Goës, die op hoogen leeftijd stierf, regeerde de wijze, maar uiterst gierige Koning Tsierk en diens zoon en opvolger, Gise was het, die bekend is geworden als de groote Zeeuw.
Hij begon met het verbod der toelating van vreemdelingen af te schaffen en schepte er integendeel een groot vermaak in, vreemdelingen zijn schatten te toonen en ze gastvrij te onthalen. Ook gebood hij den burgers hetzelfde te doen en weldra werd Bedekoog heinde en verre bekend als een gelukkig en welvarend rijk, waar ieder gastvrij en in vrede werd ontvangen. Wanneer dan de vreemdelingen kwamen, noodigde Koning Gise ze aan zijn tafel, waar zij bediend werden van gouden schalen, die zij na den maaltijd mochten medenemen. Hij deed keur van spijzen op tafel brengen en in zoo groote hoeveelheid, dat het scheen of elke gast honger had voor tien. Ook werd nevens elken gast een geheele twintig maatszak wijn van ’t vreemde land gezet en driederlei soort bier in drie kruiken, zoo groot als een vijfjarig kind, zuur geel bier, bitter zwart bier en zoet, geelgoud, koningsbier. De koning zelf gaf het voorbeeld en schrokte zoo, dat de gasten vreesden dat hij zou stikken. Maar het was[53]slechts om de gasten aan te moedigen. Om de vroolijkheid van het gastmaal te verhoogen, had hij zijn drie opperkoks gekozen uit den stand der Bedekoogsche geleerden. Het waren ernstige koks, die in gebonden spraak hun sproken zeiden. De koning was de beste kenner en wanneer een opperkok-dichter dan zijn sproke zei, sloeg de koning met een gouden kroes op zijn bord, de rhythmen scandeerend en wanneer een stafrijm werd gesproken, legde hij den sproke-spreker door een mes met de punt in de tafel te steken, het zwijgen op en hij maakte dan de gasten opmerkzaam op de verheven schoonheid van de sproke en het welgelukte stafrijm. De beste sprokespreker was Hall, die ook in ’t toebereiden van zeevisch zijn wedergade niet had. De tweede sprokespreker was Hamm, die behalve in de verskunst, uitmuntte in het bakken van eierkoeken. De derde sprokespreker was Hann, die belast was met het toebereiden van de sausen en het rhythmisch noemen van den prijs van elk gerecht, dat den gasten werd toegediend.
De gasten, gewoonlijk na de derde ronde reeds beschonken, lachten luid en hartelijk om de sprokesprekers en koning Gise, zeer daarmede ingenomen, begon dan op zijn beurt de verdienste van zijn sproke-sprekers te roemen. Hoe zwaar Hall was en hoeveel eierkoeken Hamm reeds in zijn leven had gebakken en dat, wanneer men alle sauzen die Hann al had toebereid bij elkaar in één kom wierp, die kom zoo diep zou moeten zijn, dat een os er rechtop in zou kunnen staan en zoo wijd als den omvang van vier koningsbuiken. Als de gasten niet meer eten konden, begon de koning ze te tarten, loofde gouden bekers uit voor de gasten, die nog een hoentje, een duif, een speenvarkentje zouden verorberen. Hij gaf ook prijzen aan de gasten, die den diksten buikomvang hadden en was heerlijk-jolig wanneer dan bleek, dat de koning den diksten buik van allen had.
Na het toonen der schatten werden de gasten naar[54]Veloog geleid en de Koning had dan groot genot, wanneer de gasten zich verwonderden over de armoede en de buikloozigheid der Velagers, die zich trachtten te wreken door geestige spot-verzen en schimpscheuten, waarbij de koning en zijn drie opperkoks de gasten wezen op het gebrek aan stafrijmen en de fouten in denrhythmusvan de armeluispoëzie.
Op Veloog regeerde in deze tijden de Koning Mise, bekend wegens zijn rijkdom aan woorden en armoede aan stof. Hij verging van naijver op den Koning Gise en trachtte ondanks alles, diens roem te overschaduwen. Hij noodigde van heinde en verre vreemdelingen uit naar Veloog en gaf dan ook gastmalen. Doch het servies was van gebakken klei en de spijzen waren sober en mager, terwijl als drank slechts witbier werd toegediend en dan nog slechts in leege eierdoppen en mosselschelpen, zoodat men nooit meer dan één teug tegelijk kon nemen. Hij had eveneens drie hofdichters, armzalige, magere, uitgehongerde kerels, vernuftige, geestige schoeljes, die met elkaar wedijverden in ’t vinden van grollen en onuitputtelijk in ’t bespotten van den dikken Gise, die als men hem hun spotdichten overbracht, verachtelijk de schouders ophaalde, zeggend dat de rhythmus alles te wenschen overliet, en het stafrijm ontbrak.
Koning Mise voerde zijn gasten na den karigen maaltijd naar een zaal, die met schelpen was versierd en daar liet hij de mooiste Veloogsche deerntjes naakt dansen, terwijl zijn drie hofdichters grollen maakten op de dansende meiskens en hare lichamelijke bekoorlijkheden. Tot slot noodigde de Koning zijn gasten uit tot een wedstrijd in het persifleeren en wie de grappigste grollen op den Koning zelf, zijn gastmaal, zijn hofdichters en zijn danseressen ten beste gaf, werd voor dien avond en nacht tot Koning van Veloog benoemd en mocht allen bevelen, tot den Koning zelf. Dit nu had tengevolge, dat de vreemdelingen niet wisten waar zij zich het best vermaakt hadden, bij den dikken of bij den[55]mageren Koning, en algemeen luidde het oordeel, dat wie slechts van één van beiden de gast was geweest, een onvolmaakt genot had gesmaakt. Koning Mise was met dezen triomf tevreden, maar Koning Gise beschouwde dit als een nederlaag en hij poogde, door steeds meer overdadige gastmalen en door steeds strenger gerhythmeerde sproken tenslotte de overwinning te behalen.
Nu brachten de vreemdelingen naar beide eilanden het bericht van de wonderdaden van de groote priesteres Harimona en de voorwaarden, waarop men haar als bruid zou kunnen krijgen. Koning Gise en Koning Mise, beiden ongehuwd, besloten naar de hand van Harimona te gaan dingen. Maar er was nog een andere reden, waarom zij de priesteres wilden spreken. Er was een zeegeest in de buurt gekomen, die volgens Gise een slechten smaak en volgens Mise een goeden smaak had. Hij werkte namelijk den bodem voor de fioord van Bedekoog omhoog, waardoor deze dreigde te verzanden, zoodat vaak reeds schepen, die zwaarbeladen waren en daardoor grooten diepgang hadden, niet binnen konden vallen. Daarentegen diepte de zeegeest de haven van Veloog uit, zoodat daar reeds enkele lichtbeladen schepen ongehinderd waren binnengeloopen, wat bij menschenheugenis te voren nooit geschied was. De Bedekauwers vreesden voor ’t verloopen van hun zeehandel en de Velagers juichten over de toeneming van het verkeer. Koning Gise nu zou de priesteres gaan vragen, den zeegeest te bezweren, dat hij de fioord van Bedekoog weder op de noodige diepte bracht en Koning Mise zou smeeken, dat Harimona den zeegeest bezwoer, voort te gaan met de uitdieping van de haven van Veloog.
Over en weer werden groote toebereidselen voor de reis naar de heilige haag van Renigo gemaakt en de sprokesprekers der beide eilanden, die de lijfwachten van hun Koningen zouden vormen, bestookten elkaar met sproken en grollen.[56]
Koning Gise, die gehoord had, dat de opperpriester Maresag gevoelig was voor geschenken en offers, besloot groote schatten mede te nemen en met veel statie op te treden. Vijftig wagens liet hij bouwen, versierd met kunstig snijwerk, hoog op sierlijke, slanke wielen. In de grootste en schoonste wagen zat hijzelf op een troon van purper met een gouden kroon op ’t hoofd en een gouden schepter in de hand. Achter zijn zetel stonden, ook in kostbare hemelsblauwe gewaden Hall, Hamm en Hann, met in de rechterhand gouden spatels, braadspitten en sauskwirrels en in de linkerhand rotten met gouden snaren. De wagen werd getrokken door twaalf edele rossen van ’tPaarden-eiland, met purperen dekkleeden en gouden hoefijzers en in de wagen lagen heerlijke eetwaren als ronde, purper geverfde kazen, gerookte hammen, dikke worsten, korven vol honing en de beroemde gebrande molleboontjes van ’t eiland Fabarix (Burcanx, Borkum.)1
De andere wagens waren eveneens gevuld met de heerlijkste eetwaren, geborgen in zilveren en gouden vaatwerk, overzeesche wijnen, dubbelgebrouwde bieren en honingkoeken. In een groote, gouden kooi werd op een statie-wagen de wereldberoemde sprekende vogel Lorre medegevoerd, die als bruidsgeschenk bestemd was.
Hoe armzalig en ellendig zag tegenover dezen vorstelijken stoet het karretje van Koning Mise er uit. Het was een lage schelpenkar op twee massieve wielen zonder spaken waarvoor, daar de Velagers geen paarden mochten bezitten, een mager ezeltje was gespannen. Koning Mise zelf zat op de bok, zijn magere, naakte voet tegen den stuurboom en zijn drie hofdichters in grauwe lompenplunje, zaten achter in de hobbelige kar. Leeftocht namen zij niet mede, want het was juist een slechten tijd tegen den winter en eieren en visch bedierven te spoedig. Koning Mise had besloten,[57]dat hij achter den stoet van Koning Gise zou rijden niet uit nederigheid, maar in de welberekende overtuiging, dat er dan genoeg leeftocht zou afvallen.
Koning Mise nam geen offers of geschenken mede. Hij hoopte mede te deelen van de buit, die onderweg roovers zeker zouden maken van de schatten van Koning Gise en in ’t uiterste geval vertrouwde hij op den geest van de drie schoeljes, die al bezig waren grollen op de magerheid van het ezeltje te maken, zeker dat zij den priester en de priesteres in een goede luim zouden brengen en op zijn eigen radde tong, waarmede hij meer schatten en offers zou kunnen beloven dan ooit in geheel Renigo waren bijeen te brengen.
Koning Gise, wel wetend dat bij onderweg anders menige veer aan roovers zou moeten laten, riep zijn burgers op om een vrijwillige lijfwacht te vormen. Geen enkele burger verscheen. Daarna gaf hij verlof, dat de burgers plaatsvervangers mochten zenden. Maar daar alle burgers rijk waren, wilde geen voor schatten zijn leven in de waagschaal stellen. Tenslotte veroorloofde Koning Gise zijn burgers een lijfwacht te vormen uit bewoners van Veloog. Toen verschenen veertig uitgehongerde strandschuimers en Koning Gise beval dat de lieden onderweg gemest zouden worden, opdat bij de aankomst in Renigo de leden van zijn lijfwacht zoodanig in achtbaarheid van statuur zouden zijn toegenomen, dat hij ze het burgerrecht van Bedekoog zou kunnen verleenen.
KoningMise, die geen vrees voor roovers behoefde te koesteren, peinsde erover op welke wijzehijde veertig strandschuimers, berucht wegens hun liederlijkheid en ongebondenheid en deswege zelfs op zijn eiland naar een duin verbannen, onder zijn invloed zou kunnen brengen ten einde de buit, die zij zouden maken, in zijn bezit te krijgen. Hij riep daarom twaalf van de heetbloedigste deerntjes van zijn eiland op als zijn lijfwacht en voorziende, dat zij onderweg wel iets van de purperen, groene en hemelsblauwe gewaden[58]zich zouden verwerven, die in een viertal wagens van Koning Gise opgestapeld lagen, liet hij ze geheel naakt, te voet zijn karretje volgen.
Toen dan de twee stoeten vertrokken, deden de burgers der beide eilanden hun Koningen met de beste wenschen uitgeleide en langs de wegen geschaard, zongen ze de wederzijdsche schimpdichten, die de sproke-sprekers der beide rijken in omloop gebracht hadden. De Bedekoogers zeiden, zuiver scandeerend:
Rul rólt de kár des kléinen ármen-vorst,Zij hébben wéinig wáter voor den dorst,Zij hébben voor den honger weinig worst,Een griéz’lig gráuwtje ’t géile góedje torscht.
Rul rólt de kár des kléinen ármen-vorst,
Zij hébben wéinig wáter voor den dorst,
Zij hébben voor den honger weinig worst,
Een griéz’lig gráuwtje ’t géile góedje torscht.
En Koning Gise sloeg met den steel van de zweep op den krommen stuurboom, scandeerend het rhythme en hield telkens de paarden in, knalde met de zweep om stilte te gebieden en riep luide tot zijn burgers: „Let op het stafrijm:Rul rolt, kar-klein, weinig water, hebben honger, weinig worst, griez’lig grauwtje, geile goedje!”
Toen reed hij weder voort maar een eind verder wees hij opnieuw nog bij ’t allerlaatste afscheid zijn burgers op de schoonheden van de gebonden taal.
Maar de drie hongerhalzen in ’t karretje van Koning Gise hadden den Velagers een grol geleerd, die luidde:
Ken je wel de hollebollewagen,Waar die dikke Gijs op zat,Hij kon schrokken, groote brokken,Een koe en een kalf, een heel paard half,Een kar vol schapen,En nog kon Gijs van den honger niet slapen.
Ken je wel de hollebollewagen,
Waar die dikke Gijs op zat,
Hij kon schrokken, groote brokken,
Een koe en een kalf, een heel paard half,
Een kar vol schapen,
En nog kon Gijs van den honger niet slapen.
De naakte deerntjes achter de kar, begonnen het in koor te zingen en elkaar de hand gevend en een kring vormend, dansten zij al zingend in de ronde, zoodat de lijfwachten van Koning Gise, die leutige deerntjes ziende, een gat in den bodem van een wagen sneden en daardoor nu vielen, terwijl de wagen voortrolde, getrokken door vier prachtige schimmels,[59]heerlijke oliebollen, zoete mikjes, goudbruine honigballetjes, ronde roomkaasjes en gezoden oesterpastijtjes, die de maagden onder gejuich opbeurden, terwijl de toekomstige burgers van Bedekoog met vervaarlijke lansen en strenge gezichten naast de kar liepen. Koning Gise zich omkeerend om de oorzaak van ’t gejuich te ontdekken, bemerkte hoe licht en fier de schimmels de van zijn last bevrijde wagen trokken. Hij knikte de leden zijner lijfwacht goedkeurend toe, waarop Hall dichtte:
Zij trokken traag de last die wichtig woog,Tot licht de last werd onder ’s Konings oog.
Zij trokken traag de last die wichtig woog,
Tot licht de last werd onder ’s Konings oog.
waarna de drie in ’t karretje, de wangen bol van mikjes, schimpten:
Daar waren vier wielen,Bewaakt door vier zielen,Die droegen een buik,En een lollig luik,Lol had de Koning,Lol had de wacht,Lol hadden de deerns,Van de kar zonder vracht.
Daar waren vier wielen,
Bewaakt door vier zielen,
Die droegen een buik,
En een lollig luik,
Lol had de Koning,
Lol had de wacht,
Lol hadden de deerns,
Van de kar zonder vracht.
Tot ver waar de weg een bocht maakt, zagen de menschen de twee stoeten met de koninklijke bruidegoms na en hoorden het zingen en zoo aanstekelijk was de pret van ’t afscheid, dat op de beide eilanden tot diep in den nacht gejoold en gefeest werd.[60]
1Vd. D. Detlefsen,Die Entdeckung des germanischen Nordens im Alterthum, Weidmannsche Buchhandlung. Berlin 1904.↑
1Vd. D. Detlefsen,Die Entdeckung des germanischen Nordens im Alterthum, Weidmannsche Buchhandlung. Berlin 1904.↑
1Vd. D. Detlefsen,Die Entdeckung des germanischen Nordens im Alterthum, Weidmannsche Buchhandlung. Berlin 1904.↑
1Vd. D. Detlefsen,Die Entdeckung des germanischen Nordens im Alterthum, Weidmannsche Buchhandlung. Berlin 1904.↑