HOOFDSTUK VIII.

[Inhoud]HOOFDSTUK VIII.Toen Maresag ’s morgens in de hut van Harimona komend bemerkte, dat zijn dochter gevlucht was met den Nervischen prins was hij zeer verschrikt. Want met haar verdween de reuk van heiligheid, waarin de haag van Renigo stond en hij vreesde, dat de partij der priesters, die hem om zijn macht en schatten benijdden, opnieuw het nooit geheel gedempte verhaal van Harimona’s geboorte weder zoude opdelven en hem op zijn ouden dag doen boeten voor de zonden zijner jeugd.Hij riep een priesterding te samen en deelde de priesters mede, dat de gruwelijke Nervische prins, Harimona geschaakt had en zeker hare heiligheid en wonderkracht zou gebruiken, om gindsch in zijn rijk een haag den roep van heiligheid te bezorgen.De priesters, eerst ontzet, meenden dat de prins onmiddellijk vervolgd moest worden. Maresag deed twaalf der jongste priesters te paard stijgen en gaf ze bevel Sogol dood of levend hem terug te brengen. Maar Harimona moest gespaard blijven en met alle voorzorgen en eer weder naar de haag van Renigo worden begeleid.De twaalf priesters, op flinke paarden, gewapend met kortzwaard en fram, reden zoo snel zij konden in de richting der Nervische gouwen. Zij vermoedden niet dat Sogol zich geenszins had gehaast en zoo reden zij hem reeds op den derden dag voorbij, terwijl hij, Harimona en Haun in een boschje kampeerden. Onderweg aan de groote pleisterplaatsen vroegen zij of men de vluchtelingen ook gezien had en vertelden van het snoode bedrijf van den Nervischen prins, die de kuische priesteres uit de haag[101]had geschaakt. Maar nergens had men Sogol gezien, die niet de groote heerwegen volgde, doch onbekommerd om betooverde bosschen, spelonkgeesten of roovers, zijn richting houdend door naar de sterren te zien, ver van de heerwegen met lange, maar langzame dagreizen naar zijn rijk reed en juist daardoor den roovers ontging, die allen nabij de heerwegen rond zwierven, waar alleen hoop op buit voor hen te verwachten was.De twaalf priesters kwamen ten laatste lang voor Sogol en Harimona aan het Bellovaaksche woud, waarachter de Nervische gouwen liggen. Maar in dat woud stuitten zij op tegenstand.Himilrât met de strijdmaagden, die haar getrouw waren gebleven, huisde in dit woud, de gelegenheid afwachtend om een aanval in het dorp van Solbert te wagen en dezen om te brengen. De maagden, half naakt, alleen gekleed in de huiden van de beren, of van de vossen, die zij in ’t woud doodden, zich uitsluitend voedend met wildbraad, kruiden, noten en wilde vruchten, steeds bij elkander en zonder zelfs ooit een man te zien, gaven zich over aan de perverse instincten, die in haar door deze levenswijze, tot ontwikkeling kwamen. Himilrât had eerst gepoogd deze vreemde genegenheden tegen te gaan, doch op een avond, toen zij met een tiental maagden was uitgetrokken om te jagen was een der maagden, een groote, volle, blonde meid, toen zij een hert met een speer had geveld en toegeloopen was op de buit, door het dier, dat nog eenmaal opstond, met het gewei in de borst gestoken.Himilrât hoorde haar hulpgeroep en snelde toe. Het gevaar was reeds geweken, want het dier was gestorven. Maar de maagd zat neer op een bemosten boomstam, die eens ontworteld door den bliksem, was neergevallen en trachtte met heur hand het bloed te stuiten, dat uit de wonde in haar boezem langs haar maagholte nederdroop.Himilrât zette zich bij de maagd neder, die door bloedverlies[102]uitgeput, heur hoofd tegen Himilrât’s boezem deed rusten en zich door haar liet verbinden. De bloedende vrouweboezem deed in Himilrât plotseling een vreemde begeerte opkomen. Zij beefde over haar geheele lichaam, voelde haar bloed naar heur hoofd stijgen en drukte de maagd zacht tegen zich aan. Die sloeg haar moede oogen op en scheen dankbaar voor de koestering.Himilrât legde een paar groote, jonge bladeren op de wonde en het bloed stelpte. Maar zij stond niet op, gaf geen antwoord op het horengeschal der andere maagden, die heur zochten. Zij legde haar gespierden arm om den gebruinden hals der gewonde maagd en haar tegen zich aandrukkend, begon zij haar te vragen, met een liefelijke stem en zachte woordjes, terwijl heur borst beangst was van vreemden lust, of het haar nu beter ging en of zij nu geen pijn meer had.De gewonde maagd, gewend aan de harde stem en de strenge woorden van heur opperhoofd, drukte zich nog dichter tegen Himilrât aan en deze, nu haar op de schoot nemend, begon heur ruwe wang tegen die der maagd te houden, streek haar wang langs dier boezem en toen, bij de wonde, drukte zij opeens de maagd met onstuimige kracht tegen heur hoofd en begon de bebloede boezem wild en hartstochtelijk met kussen te bedekken.De gewonde maagd, in stede van te krijten, vond wellust in de pijn, die haar de wonde veroorzaakte, sloeg op hare beurt de armen om hare verzorgster en zoo bleven zij beiden bij elkaar tot den laten avond, zich verheugend, dat de andere maagden een tegenovergestelde richting hadden ingeslagen om haar te zoeken.Sedert bleven deze twee vrouwen bij elkaar enHimilrât, wel verre van de vreemde genegenheden voortaan bij heur maagden te bestrijden, bevorderde ze en beval ze ten laatste, zoodat de maagden nu allen paarsgewijze leefden, vriendin bij vriendin. Maar Babehild, de uitverkoren vriendin[103]van Himilrât, voelde een andere genegenheid in zich opkomen en eens op een avond, toen Himilrât ongewoon vroeg thuis kwam van een jachtrit, vond zij een andere maagd bij Babehild. Himilrât, verblind door naijver, begon de andere maagd dadelijk te slaan. Babehild verdedigde heur nieuwe vriendin en beide vrouwen grepen naar het kortzwaard en het schild en buiten in de schemer van het woud, vingen zij een tweegevecht aan. Beiden sloegen op elkaar in met woede, maar wisten langen tijd de slagen op het schild op te vangen, tot een slag van Babehild den beukel van ’t schild van Himilrât afsloeg. Hierdoor verloor Himilrât de zekerheid bij ’t verweer en eindelijk trof een slag haar in den nek. Zij viel neer en bloedde dood.De andere maagden verheugd, dat de strenge Himilrât gedood was, kozen Babehild tot hoofd.Babehild bekommerde zich alleen om hare genegenheden en velen der maagden, allen overgegeven aan hare natuurlijke instincten, verloren het verstand. Eene maagd liep rond met een stuk hout in den arm, meenende dat dit haar kind was, koesterde het in heur armen; gaf het de borst; zong het stuk hout ’s avonds met lange, treurige wijsjes in slaap en sprak het toe met kleine koosnaampjes. Een andere vertelde dat zij zwanger was en berekende den dag van de geboorte van ’t kind. En zoo sterk was hare verbeelding, dat werkelijk haar buik opzwol als van een vrouw die een kind onder ’t hart draagt, doch baren deed zij niet.Een derde maagd, die langen tijd zonder vriendin was gebleken omdat zij, met zweren overdekt, door dezen gesneden werd, sloot vriendschap met een hond en werd door dezen bevrucht.1Er waren maagden, die zich verbeeldden[104]elfen te zijn. Zij liepen naakt rond in het woud, loerden tusschen de boomen op kobolden en nikkers, vertelden de anderen door een nikker of een kobold[105]geschoffeerd te zijn en deden lange, uitvoerige verhalen van de schrikkelijke dingen die zij gezien en beleefd hadden in het hol van de kobolden. Soms kwam ééne harer, de haren golvend in den wind, de armen vooruitgestrekt, gillend en krijtend naar de holen snellen, bleek van ontzetting, kilbezweet en buiten adem en als zij wat tot rust was gekomen, verhaalde zij van een grooten kobold, die heur achterna was gerend, omgeven door een aantal boosaardige dwergen, die springend, buitelend over ’t hoofd en soms zelfs met groote, zwarte vlerken in de lucht vliegend, haar hadden willen pakken.En niet zelden toonde zoo’n maagd sporen van beten in de naakte kuiten, nog roode indrukken van tanden, die heetten toegebracht te zijn door de kwaadaardige kobolden.Toen de twaalf jonge priesters tegen den avond het Aarduwener woud betraden en hier halt hielden, werden zij in den nacht verschrikt door een vreemd hoog gillen, dat hun allen met schrik vervulde. Zij stookten het wachtvuur op en nu, bij den gloed van de vlammen, zagen zij naakte wezens, die in een verre kring hun beloerden.De priesters waren zeer angstig en keken de vreemde wezens oplettend aan. Zij geleken wel ’t meest op vrouwen, doch zij hadden slechts één borst. Ook droegen zij speren en schilden.Eenige der priesters, zonder zich te bezinnen, namen de vlucht uit het woud, hun wapens achterlatend, zoo snel zij konden hun paarden bestijgend en wegrennend uit het betooverde woud. Anderen begonnenbezwerings-formulesuit te spreken en trokken in der haast heilige kringen en zevenhoeken op den grond, Wotan aanroepend om hen tegen de kwade geesten te beschermen. Maar een viertal, moediger dan de anderen, grepen naar hun kortzwaarden, sloegen de beukelaars voor de borst en renden op het woudgetwaas af om het neer te houwen.Toen vluchtten de vreemde wezens diep in ’t woud,[106]waar ’t zwart en donker was en de vier priesters, in hun overmoed niet bij elkaar houdend, maar elk een ander pad volgend, ziende hoe de wezens paarsgewijze vluchtten, raakten in het woud verdwaald en toen zij, de horens blazend, elkaar signalen gaven, klonken van vele zijden dezelfde signalen terug, zoodat zij, nu wel overtuigd in een betooverd woud te zijn gekomen, hun moed voelden zinken en niet wetend naar welke zijde te vluchten, op de plaats bleven standhouden, het schild aan den arm en het zwaard in de vuist, gereed om hun leven te verdedigen.Zij wachtten langen tijd maar hoorden niets meer en hoopten op den morgen om hun makkers weder te kunnen vinden of in elk geval, zich uit het betooverde woud te kunnen redden. Doch de vermoeienis van de reis won het van hun angst en zij vielen in slaap.Toen kwamen de vreemde wezens nader sluipen en plotseling grepen vijf, zes van haar een priester vast en bonden hem de handen en de voeten met gevlochten tenen en brachten hem nu naar de holen.Daar lagen de vier gebonden priesters weerloos en in doodsangsten tot den morgen. Toen, bij het daglicht konden zij de vreemde wezens nauwkeuriger bezien en nog altijd konden zij zich niet verklaren, door wat voor getwaas zij waren gevangen genomen.Een der wezens, blijkbaar het opperhoofd, beval de anderen, dat zij de vier gevangenen geheel naakt zouden uitkleeden. Toen rukten de wezens hun de kleederen van ’t lijf en nu keken de wezens met groote bewondering naar hun lichamen. Zij betastten hen overal, gilden op zonderlinge wijze, vormden kringen en dansten liedjes zingend om hen heen.De priesters hoorend, dat de wezens hun taal spraken in den Nervischen tongval, begonnen nu moed te vatten en vroegen het opperhoofd te spreken.Het opperhoofd kwam en liet de vier mannen water te[107]drinken geven. Maar de priesters, vreezend dat zij vergiftigd zouden worden, zeiden geen dorst te hebben.„Wie zijt di en wat kwaamt di doen in ons woud?” vroeg het opperhoofd.„Wij zijn priesters uit den heiligen haag van Renigo. De Nervische prins Sogol heeft onze heilige jonkvrouw Harimona ontvoerd en de opperpriester Maresag zond ons uit om de jonkvrouw terug te voeren.”„Waar is de jonkvrouw?” vroeg het opperhoofd.„Wij zoeken haar sinds dagen. De prins kon slechts een korten voorsprong op ons hebben en nog dezen dag hoopten wij hem in te halen.”Een der maagden liep op den spreker toe en opeens gillend en hem spuwend, riep zij:„Dat is de zwarte kobold, dien ik heb zien vliegen. Dat is de kobold, die mij gebeten heeft.…”En zich op den gebonden man werpend, begon zij hem met de lange nagels het gezicht open te rijten. Een tweede maagd sprong nu toe, duwde de eerste weg en schreeuwde:„Du liegt, du liegt.… het is mijn nikker.… mijn nikker, waar ik alle nachten mee samen ben.… Laat het hem zelf zeggen.… Babehild, Babehild.… laat het hem zelf zeggen.…”Maar de eerste maagd greep de andere in de haren en deze twee elkaar stompend, bijtend, trappend, krabbend, geraakten in hysterische woede; andere maagden begonnen over de drie andere priesters te twisten en deze, gebruik makend aan de onoplettendheid der kijvende, gillende, krankzinnige vrouwen, wisten zich los te werken en tegelijk opspringend, vluchtten zij, geheel naakt nu, het bosch insnellend, zoo hard zij loopen konden. De maagden, dit ziende, snelden hen na. Drie priesters wisten te ontkomen en zich in ’t woud te verbergen. Maar de vierde, een korte, wat zwaarlijvige man, niet zoo vlug ter been, viel en werd door eenige maagden achterhaald. Zij stortten zich op hem,[108]beten hem in ’t lichaam, rukten hem de haren uit. Hij verweerde zich, trapte van zich af, sloeg met de vuisten. Eene, die haar vingers in zijn mond stak, beet hij de vingers af. Met de andere hand greep zij hem in de oogen en haar lange, scherpe nagels sneden het oogvlies door. De verblinde man, gierend, joelend van woede en pijn, beet, trapte, stompte in ’t wilde. Maar de vrouwen, in krankzinnige woede, wierpen zich op hem en één, een zwaren dorren tak nemend, sloeg hem daarmede op ’t hoofd zoodat hij bewusteloos neerviel, roepend: „Dat ’s voor di, zwarte kobold!”Toen, verschrikt over haar eigen bedrijf, stonden ze stil rond den zieltogenden man, verwonderd dat hij daar nu zoo stil lag en met kinderlijke belangstelling, schouwend naar zijn schaamdeel. Zij keken toen elkaar aan met vreemde blikken in de oogen en ééne begon op eens te schateren en een tweede, haar gelaat naar boven kêerend, sloeg de handen samen voor de borst en proestte het uit van lachen.… en een derde lachte en een vierde en opeens liepen de ze lachend, proestend, huppelend allen in een verwezen, hysterische vreugde weg van den verslagene, gillend de holen tegemoet om te zeggen, wat zij voor vreemds gezien hadden.De drie anderen, niet durvend roepen, vluchtten elk een eigen weg kiezend, in ’t woud. Geheel naakt, dorstig, oververmoeid, doodelijk bevreesd voor het getwaas, liepen ze toch voort, altoos door in één richting, om maar ver van de onheilvolle plaats weg te komen.Tot zij van vermoeidheid niet verder konden. Bevreesd voor roofdieren, zonder kleeding, zonder wapen, klommen zij in een boom enlegdenzich op het dichtineengestrengelde loover neder om te rusten.Een der priesters, Wahnfried genaamd, voelde zich bekruipen door de lust om méér van de zonderlinge wezens te weten te komen. Daarom verliet hij tegen de schemering[109]zijn schuilplaats en sloop weer terug naar de plaats waar de hutten en holen lagen. Daar brandden rondom vuren en bij den rooden gloed zag hij nu, dat de wezens in vrouwen en mannen onderscheiden moesten worden, hoewel uiterlijk tusschen de geslachten geen verschil was op te merken. Hij sloop zoo dichtbij, dat hij de woorden kon verstaan, die zij spraken. En nu vernam hij, dat een der wezens, door een nikker was nagerend. Deze had haar gegrepen en haar medegetrokken naar zijn burcht onder de aarde. Het was een groote burcht van zwarte steenen, die verlicht werd door sterren, die tegen de zolderingen der hallen hingen. De nikker had haar door lange, onafzienbare hallen gevoerd waar op zwarte banken witte gestalten met gesluierde gelaten zaten. „Wie zijn dat?” had het wezen gevraagd.„Dat zijn de geesten van gestorven maagden,” had de nikker geantwoord. „Zij blijven hier zoo zitten, onaandoenlijk voor alle gevoelens, tot een minnaar ze komt verlossen. Want daar zij boven de liefde niet hebben gekend, kunnen zij niet opstijgen naar Walhalla, om bij de feestmalen de helden te dienen en te vermaken.”„En waar zijn dan hun minnaars?”„Hun minnaars zijn de priesters, die de gelofte der kuischheid hebben gedaan. Wanneer zij waarachtig kuisch leven en onbevlekt sterven, zweven hun zielen mijn zwarte burcht binnen voor zij opstijgen naar Wotans heerlijk rijk en zij mogen zich onder de gesluierde maagden een eeuwige bruid kiezen.„De uitverkoren bruid stijgt dan mede opwaarts en krijgt van Wotan de gave der eeuwige jeugd en eeuwige wisseling. Zij kennen dan geen tijd meer en geen getijden en leven in durende gelukzaligheid van vervulde liefde.„Maar aan de hallen kwam geen eind en ik telde duizende en nogmaals duizende wachtende vrouwen.”„Zijn er reeds veel omhoog gevaren?” vroeg ik beangst.[110]De nikker begon te lachen en mij met een grim aanziende, vroeg hij:„Hebt di dan wel eens een priester ontmoet, die zijn gelofte gestand kon doen?”Ik wist niet wat te antwoorden. Toen begon de nikker te grijnzen en hij trok zijn gordel van loofbladeren los en begon ontuchtig te dansen. Ik vluchtte en hij liet mij stil gaan, maar door de hallen hoorde ik zijn ontuchtige woorden schallen en de witte gestalten trilden.„Morgen ga ik weer zien … gaat di mede?”„Ja, ik ga mede om den nikker te zien dansen.”Wahnfried verschool zich nu dicht bij de hutten, besloten om de twee den volgenden morgen te volgen om ook den burcht van den nikker-koning te ontdekken. Hij wilde alle maagden bevrijden.Maar toen hij ’s nachts lag te denken, begon hij zichzelf af te vragen, wat dit toch voor wezens waren, die in dit woud huisden. Deze van hedenavond had niet gesproken, zooals getwaas dat gewoon is te doen en zij had blijkbaar een afschrik gehad van den ontuchtigen nikker.Daarom kroop hij naar de hut en maakte voorzichtig een gat in het stroo van den wand. Maar binnen was het donker en hij hoorde alleen het ademhalen der twee.Hij zag echter dichtbij den vagen omtrek van een groote, aarden pot en daar zijn hand instekend, voelde hij beenderen en toen hij deze buiten het gat had getrokken, bemerkte hij, dat het een stuk wildbraad was. Daarmede stilde hij zijn honger en ging toen slapen.Tegen den morgen vonden de maagden den priester, maar dit keer bonden zij hem niet, maar wekten hem. Zoodra hij ontwaakte, wilde hij vluchten maar de maagd, die ’s avonds van den nikker had verteld, zeide tot hem:„Waarom wilt di vluchten?”En tot het andere wezen, zeide zij:„Dat is nu mijn nikker.”[111]De priester, bedacht op zijn redding, zeide dadelijk:„Ja, ik ben dijn nikker. Wilt di weder mede gaan naar mijn hollen, komt dan …,”Hij stond op en de twee volgden hem. Toen hij een langen tijd geloopen had en geen gevaar meer behoefde te duchten van de andere wezens, zei hij tot het eene wezen:„Du kent den weg.… Loop vooruit.”Zij gehoorzaamde en liep vooruit. Hij, met het andere wezen, volgde. Maar hij bemerkte wel aan het dwalen en zoeken van die voorging, dat het niet wist welken weg te zullen inslaan. Eindelijk riep hij het terug en zeide:„Kent di den weg niet meer?”„Ja heer nikker.… hier moet de ingang zijn.… bij deze berken.…”Wahnfried zocht en speurde en eindelijk zag hij sporen van menschenvoeten. Die sporen volgde hij en nu kwam hij werkelijk aan den ingang van een donker hol.„Ga voor!” zeide hij tot het wezen.Het wezen stapte over een steen, die voor den ingang lag, binnen.„Heer nikker,” zeide zij, „steek de sterren op. Het is zoo donker.”Wahnfried nam een dorren tak, zocht een stuk droog hout en wreef vuur. Toen de brandende tak opheffend, trad hij ook het hol binnen. Hij beefde van verrassing. Het was een groote hal, welke rondom, terzijde en boven met ijspegels was volgespikkeld, die nu de rossen vlam van den tak weerkaatsten. Hij streek zijn hand langs den wand. De pegels waren niet koud en smolten ook niet, toen hij de vlam er langs hield, maar waren hard en scherp, gelijk de stekels van een doornhaag.Hij trad weder naar buiten en zamelde veel dorre takken, en de twee wezens elk ook een brandenden tak gevend, trok hij eerst voor den ingang een vijfhoek opdat hij niet bij een mogelijke vlucht achtervolgd zou kunnen worden,[112]en nu stapte bij het hol weder binnen. Op de eerste grot volgde een tweede, lager van verdieping maar met dezelfde zilverige pegels langs de wanden en het dak.„Ga naar de gesluierde maagden,” zeide Wahnfried tot het wezen.Dit zocht langen tijd en eindelijk achter in de tweede grot vond zij een nieuwe opening, maar zoo smal, dat zij er met moeite zich doorheen wrong.„Zijn ze daar, de maagden?” vroeg Wahnfried.„Neen heer, ze zijn gevlucht.”„Wat ziet di dan?”„Een groot water en slapende reuzen.”Wahnfried kroop door de opening en een nieuwen tak aanstekend en hoog houdend zag hij een groot, donker, stilstaand meer en terzijde groote schimmen van uitgehouwen rotsen, die wel op reuzen geleken bij het wakkelende schijnsel der brandende takken, maar het niet waren.Langs het donkere water liep een breeden weg van gladgeslepen steenen.Wahnfried liep dien weg langs, de twee wezens elk met een vlammenden tak terzijde. Aan ’t eind van den weg waren breede trappen uitgehouwen. Moedig besteeg hij ze. Het was doodstil in de grootehal, die zoo hoog was, dat Wahnfried alleen bij benadering de hoogte van ’t dak kon schatten. De trappen voerden naar een vlak en hier lagen op een groote hoop bijeen de schedels en beenderen van honderden menschen. En zoekend rondom bij ’t rosse licht van zijn kienhouten toorts, zag hij daar veel oude wapens liggen, steenen aaksten, grof gebikte celten zooals de voorvaderen ze nog gebruikt hadden, aarden urnen met stoffig graan gevuld, kleine frammen van hertshoorn, vuursteenen mesjes. Ook lagen er grof geweven doeken, maar toen hij ze op wilde rapen, vielen zij tot grauw poeder te samen.Wahnfried wist niet wat hij hiervan denken moest.„Waren hier de gesluierde maagden?” vroeg hij het wezen.[113]„Ja hier.… en daar.… en daar.… en overal zaten ze in ’t rond,” antwoordde zij verwezen.De brandtakken begonnen ten einde te raken en daarom liep Wahnfried met de twee wezens terug. Toen hij weer buiten was gekomen, zag hij dat door het bosch Sogol, Harimona en Haun naderden. Hij wilde stil terugtreden in de grot, maar de twee wezens liepen gillend vooruit en vluchtten voor de drie reizigers op de groote paarden.Sogol, de twee half naakte, verwilderde vrouwen ziende vluchten en den naakten man bemerkend, die zich in het hol terugtrok, vermoedde een misdaad.Hij steeg af, en met het blanke kortzwaard in de hand, trad hij naar de opening van de grot, waarin de naakte man was verdwenen.[114]1De oude Germanen zijn hoogstwaarschijnlijk veel minder „kuisch” geweest, dan men, hoofdzakelijk op grond van de tendenzieuse „Germania” van Tacitus, aanneemt. Trouwens Tacitus zelf spreekt van straffen tegen[104]echtbreuk; het ongehuwd blijven van vrouwen, die vóór het huwelijk zich met mannen afgaven en van straffen gesteld op tegennatuurlijke ontucht. Het ligt voor de hand, dat bij een volk, waar de mannen zich voedden met wildbraad en zuivel, zich overgaven aan luiheid en doorloopend drankmisbruik en de vrouwen onderworpen arbeidsters waren; dikwerf het aantal mannen door den oorlog aanzienlijk minder dan dat der vrouwen moest zijn, geen zedelijkheid kon bestaan, volgens de tegenwoordige begrippen. De ontvankelijkheid der Barbaren voor de Romeinsche verdorvenheid is wel merkwaardig.Dertien eeuwen Christendom trouwens vermochten den Germanen nog niet de vroegere „kuischheid” weer te geven. In „Karls des fünfften und des heyligen Römischen Reichs peinlich gerichts ordnung” zijn o.m. straffen gesteld op: abort, schaking, verkrachting, tegennatuurlijke ontucht (eyn mensch mit eynem vihe, mann mit mann, weib mit weib), bloedschande … kortom tegen alle zonden van de twaalf caesars bij elkaar!Toestanden als hier beschreven, zijn geen fantasterijen doch reconstructie’s met grooten grond van waarschijnlijkheid. Overal waar de omstandigheden de geslachten scheiden en de natuurdrift, door onthouding of overmaat, wordt geprikkeld, ontstaan afwijkingen zooals in kazernes, gevangenissen, bagno’s, kloosters, weeshuizen, opvoedingsgestichten, kostscholen.Overmatige lichaamsoefening en onthouding van lichaamsoefening leiden eveneens tot afwijkingen. Asceten en athleten (ook reuzen) zijn vaak op geslachtelijk gebied abnormaal.De oude Germanen, drinkend, luierend, een cultus van ’t lichaam makend door warme baden en lichaamsoefening, kunnen wellicht als „kuisch” hebben gegolden voor iemand als Tacitus, die kennis had van het Rome van Tiberius, Caligula, Claudius en Nero, naar onze begrippen moeten zij barbaren in den vollen zin des woords zijn geweest.Deze noot meent de schrijver hier te moeten inlasschen om zijn eerlijke poging een reconstructie van een tijdperk te leveren, niet als een onzedelijk werk te zien beschouwd. Een recencent meende op zijn roman „Kalverstraat” te moeten afdingen, omdat daarin o.m. het ongelukkig lot der vrouwen in bordeelen wordt geschetst. Diezelfde recencent beklaagde zich echter tenslotte erover, dat de schrijver niet in dat boek wat verteld had van ’t geen na middernacht gebeurde in zekere oester-salons in de Kalverstraat. Dat zou dus niet onzedelijk zijn geweest!↑

[Inhoud]HOOFDSTUK VIII.Toen Maresag ’s morgens in de hut van Harimona komend bemerkte, dat zijn dochter gevlucht was met den Nervischen prins was hij zeer verschrikt. Want met haar verdween de reuk van heiligheid, waarin de haag van Renigo stond en hij vreesde, dat de partij der priesters, die hem om zijn macht en schatten benijdden, opnieuw het nooit geheel gedempte verhaal van Harimona’s geboorte weder zoude opdelven en hem op zijn ouden dag doen boeten voor de zonden zijner jeugd.Hij riep een priesterding te samen en deelde de priesters mede, dat de gruwelijke Nervische prins, Harimona geschaakt had en zeker hare heiligheid en wonderkracht zou gebruiken, om gindsch in zijn rijk een haag den roep van heiligheid te bezorgen.De priesters, eerst ontzet, meenden dat de prins onmiddellijk vervolgd moest worden. Maresag deed twaalf der jongste priesters te paard stijgen en gaf ze bevel Sogol dood of levend hem terug te brengen. Maar Harimona moest gespaard blijven en met alle voorzorgen en eer weder naar de haag van Renigo worden begeleid.De twaalf priesters, op flinke paarden, gewapend met kortzwaard en fram, reden zoo snel zij konden in de richting der Nervische gouwen. Zij vermoedden niet dat Sogol zich geenszins had gehaast en zoo reden zij hem reeds op den derden dag voorbij, terwijl hij, Harimona en Haun in een boschje kampeerden. Onderweg aan de groote pleisterplaatsen vroegen zij of men de vluchtelingen ook gezien had en vertelden van het snoode bedrijf van den Nervischen prins, die de kuische priesteres uit de haag[101]had geschaakt. Maar nergens had men Sogol gezien, die niet de groote heerwegen volgde, doch onbekommerd om betooverde bosschen, spelonkgeesten of roovers, zijn richting houdend door naar de sterren te zien, ver van de heerwegen met lange, maar langzame dagreizen naar zijn rijk reed en juist daardoor den roovers ontging, die allen nabij de heerwegen rond zwierven, waar alleen hoop op buit voor hen te verwachten was.De twaalf priesters kwamen ten laatste lang voor Sogol en Harimona aan het Bellovaaksche woud, waarachter de Nervische gouwen liggen. Maar in dat woud stuitten zij op tegenstand.Himilrât met de strijdmaagden, die haar getrouw waren gebleven, huisde in dit woud, de gelegenheid afwachtend om een aanval in het dorp van Solbert te wagen en dezen om te brengen. De maagden, half naakt, alleen gekleed in de huiden van de beren, of van de vossen, die zij in ’t woud doodden, zich uitsluitend voedend met wildbraad, kruiden, noten en wilde vruchten, steeds bij elkander en zonder zelfs ooit een man te zien, gaven zich over aan de perverse instincten, die in haar door deze levenswijze, tot ontwikkeling kwamen. Himilrât had eerst gepoogd deze vreemde genegenheden tegen te gaan, doch op een avond, toen zij met een tiental maagden was uitgetrokken om te jagen was een der maagden, een groote, volle, blonde meid, toen zij een hert met een speer had geveld en toegeloopen was op de buit, door het dier, dat nog eenmaal opstond, met het gewei in de borst gestoken.Himilrât hoorde haar hulpgeroep en snelde toe. Het gevaar was reeds geweken, want het dier was gestorven. Maar de maagd zat neer op een bemosten boomstam, die eens ontworteld door den bliksem, was neergevallen en trachtte met heur hand het bloed te stuiten, dat uit de wonde in haar boezem langs haar maagholte nederdroop.Himilrât zette zich bij de maagd neder, die door bloedverlies[102]uitgeput, heur hoofd tegen Himilrât’s boezem deed rusten en zich door haar liet verbinden. De bloedende vrouweboezem deed in Himilrât plotseling een vreemde begeerte opkomen. Zij beefde over haar geheele lichaam, voelde haar bloed naar heur hoofd stijgen en drukte de maagd zacht tegen zich aan. Die sloeg haar moede oogen op en scheen dankbaar voor de koestering.Himilrât legde een paar groote, jonge bladeren op de wonde en het bloed stelpte. Maar zij stond niet op, gaf geen antwoord op het horengeschal der andere maagden, die heur zochten. Zij legde haar gespierden arm om den gebruinden hals der gewonde maagd en haar tegen zich aandrukkend, begon zij haar te vragen, met een liefelijke stem en zachte woordjes, terwijl heur borst beangst was van vreemden lust, of het haar nu beter ging en of zij nu geen pijn meer had.De gewonde maagd, gewend aan de harde stem en de strenge woorden van heur opperhoofd, drukte zich nog dichter tegen Himilrât aan en deze, nu haar op de schoot nemend, begon heur ruwe wang tegen die der maagd te houden, streek haar wang langs dier boezem en toen, bij de wonde, drukte zij opeens de maagd met onstuimige kracht tegen heur hoofd en begon de bebloede boezem wild en hartstochtelijk met kussen te bedekken.De gewonde maagd, in stede van te krijten, vond wellust in de pijn, die haar de wonde veroorzaakte, sloeg op hare beurt de armen om hare verzorgster en zoo bleven zij beiden bij elkaar tot den laten avond, zich verheugend, dat de andere maagden een tegenovergestelde richting hadden ingeslagen om haar te zoeken.Sedert bleven deze twee vrouwen bij elkaar enHimilrât, wel verre van de vreemde genegenheden voortaan bij heur maagden te bestrijden, bevorderde ze en beval ze ten laatste, zoodat de maagden nu allen paarsgewijze leefden, vriendin bij vriendin. Maar Babehild, de uitverkoren vriendin[103]van Himilrât, voelde een andere genegenheid in zich opkomen en eens op een avond, toen Himilrât ongewoon vroeg thuis kwam van een jachtrit, vond zij een andere maagd bij Babehild. Himilrât, verblind door naijver, begon de andere maagd dadelijk te slaan. Babehild verdedigde heur nieuwe vriendin en beide vrouwen grepen naar het kortzwaard en het schild en buiten in de schemer van het woud, vingen zij een tweegevecht aan. Beiden sloegen op elkaar in met woede, maar wisten langen tijd de slagen op het schild op te vangen, tot een slag van Babehild den beukel van ’t schild van Himilrât afsloeg. Hierdoor verloor Himilrât de zekerheid bij ’t verweer en eindelijk trof een slag haar in den nek. Zij viel neer en bloedde dood.De andere maagden verheugd, dat de strenge Himilrât gedood was, kozen Babehild tot hoofd.Babehild bekommerde zich alleen om hare genegenheden en velen der maagden, allen overgegeven aan hare natuurlijke instincten, verloren het verstand. Eene maagd liep rond met een stuk hout in den arm, meenende dat dit haar kind was, koesterde het in heur armen; gaf het de borst; zong het stuk hout ’s avonds met lange, treurige wijsjes in slaap en sprak het toe met kleine koosnaampjes. Een andere vertelde dat zij zwanger was en berekende den dag van de geboorte van ’t kind. En zoo sterk was hare verbeelding, dat werkelijk haar buik opzwol als van een vrouw die een kind onder ’t hart draagt, doch baren deed zij niet.Een derde maagd, die langen tijd zonder vriendin was gebleken omdat zij, met zweren overdekt, door dezen gesneden werd, sloot vriendschap met een hond en werd door dezen bevrucht.1Er waren maagden, die zich verbeeldden[104]elfen te zijn. Zij liepen naakt rond in het woud, loerden tusschen de boomen op kobolden en nikkers, vertelden de anderen door een nikker of een kobold[105]geschoffeerd te zijn en deden lange, uitvoerige verhalen van de schrikkelijke dingen die zij gezien en beleefd hadden in het hol van de kobolden. Soms kwam ééne harer, de haren golvend in den wind, de armen vooruitgestrekt, gillend en krijtend naar de holen snellen, bleek van ontzetting, kilbezweet en buiten adem en als zij wat tot rust was gekomen, verhaalde zij van een grooten kobold, die heur achterna was gerend, omgeven door een aantal boosaardige dwergen, die springend, buitelend over ’t hoofd en soms zelfs met groote, zwarte vlerken in de lucht vliegend, haar hadden willen pakken.En niet zelden toonde zoo’n maagd sporen van beten in de naakte kuiten, nog roode indrukken van tanden, die heetten toegebracht te zijn door de kwaadaardige kobolden.Toen de twaalf jonge priesters tegen den avond het Aarduwener woud betraden en hier halt hielden, werden zij in den nacht verschrikt door een vreemd hoog gillen, dat hun allen met schrik vervulde. Zij stookten het wachtvuur op en nu, bij den gloed van de vlammen, zagen zij naakte wezens, die in een verre kring hun beloerden.De priesters waren zeer angstig en keken de vreemde wezens oplettend aan. Zij geleken wel ’t meest op vrouwen, doch zij hadden slechts één borst. Ook droegen zij speren en schilden.Eenige der priesters, zonder zich te bezinnen, namen de vlucht uit het woud, hun wapens achterlatend, zoo snel zij konden hun paarden bestijgend en wegrennend uit het betooverde woud. Anderen begonnenbezwerings-formulesuit te spreken en trokken in der haast heilige kringen en zevenhoeken op den grond, Wotan aanroepend om hen tegen de kwade geesten te beschermen. Maar een viertal, moediger dan de anderen, grepen naar hun kortzwaarden, sloegen de beukelaars voor de borst en renden op het woudgetwaas af om het neer te houwen.Toen vluchtten de vreemde wezens diep in ’t woud,[106]waar ’t zwart en donker was en de vier priesters, in hun overmoed niet bij elkaar houdend, maar elk een ander pad volgend, ziende hoe de wezens paarsgewijze vluchtten, raakten in het woud verdwaald en toen zij, de horens blazend, elkaar signalen gaven, klonken van vele zijden dezelfde signalen terug, zoodat zij, nu wel overtuigd in een betooverd woud te zijn gekomen, hun moed voelden zinken en niet wetend naar welke zijde te vluchten, op de plaats bleven standhouden, het schild aan den arm en het zwaard in de vuist, gereed om hun leven te verdedigen.Zij wachtten langen tijd maar hoorden niets meer en hoopten op den morgen om hun makkers weder te kunnen vinden of in elk geval, zich uit het betooverde woud te kunnen redden. Doch de vermoeienis van de reis won het van hun angst en zij vielen in slaap.Toen kwamen de vreemde wezens nader sluipen en plotseling grepen vijf, zes van haar een priester vast en bonden hem de handen en de voeten met gevlochten tenen en brachten hem nu naar de holen.Daar lagen de vier gebonden priesters weerloos en in doodsangsten tot den morgen. Toen, bij het daglicht konden zij de vreemde wezens nauwkeuriger bezien en nog altijd konden zij zich niet verklaren, door wat voor getwaas zij waren gevangen genomen.Een der wezens, blijkbaar het opperhoofd, beval de anderen, dat zij de vier gevangenen geheel naakt zouden uitkleeden. Toen rukten de wezens hun de kleederen van ’t lijf en nu keken de wezens met groote bewondering naar hun lichamen. Zij betastten hen overal, gilden op zonderlinge wijze, vormden kringen en dansten liedjes zingend om hen heen.De priesters hoorend, dat de wezens hun taal spraken in den Nervischen tongval, begonnen nu moed te vatten en vroegen het opperhoofd te spreken.Het opperhoofd kwam en liet de vier mannen water te[107]drinken geven. Maar de priesters, vreezend dat zij vergiftigd zouden worden, zeiden geen dorst te hebben.„Wie zijt di en wat kwaamt di doen in ons woud?” vroeg het opperhoofd.„Wij zijn priesters uit den heiligen haag van Renigo. De Nervische prins Sogol heeft onze heilige jonkvrouw Harimona ontvoerd en de opperpriester Maresag zond ons uit om de jonkvrouw terug te voeren.”„Waar is de jonkvrouw?” vroeg het opperhoofd.„Wij zoeken haar sinds dagen. De prins kon slechts een korten voorsprong op ons hebben en nog dezen dag hoopten wij hem in te halen.”Een der maagden liep op den spreker toe en opeens gillend en hem spuwend, riep zij:„Dat is de zwarte kobold, dien ik heb zien vliegen. Dat is de kobold, die mij gebeten heeft.…”En zich op den gebonden man werpend, begon zij hem met de lange nagels het gezicht open te rijten. Een tweede maagd sprong nu toe, duwde de eerste weg en schreeuwde:„Du liegt, du liegt.… het is mijn nikker.… mijn nikker, waar ik alle nachten mee samen ben.… Laat het hem zelf zeggen.… Babehild, Babehild.… laat het hem zelf zeggen.…”Maar de eerste maagd greep de andere in de haren en deze twee elkaar stompend, bijtend, trappend, krabbend, geraakten in hysterische woede; andere maagden begonnen over de drie andere priesters te twisten en deze, gebruik makend aan de onoplettendheid der kijvende, gillende, krankzinnige vrouwen, wisten zich los te werken en tegelijk opspringend, vluchtten zij, geheel naakt nu, het bosch insnellend, zoo hard zij loopen konden. De maagden, dit ziende, snelden hen na. Drie priesters wisten te ontkomen en zich in ’t woud te verbergen. Maar de vierde, een korte, wat zwaarlijvige man, niet zoo vlug ter been, viel en werd door eenige maagden achterhaald. Zij stortten zich op hem,[108]beten hem in ’t lichaam, rukten hem de haren uit. Hij verweerde zich, trapte van zich af, sloeg met de vuisten. Eene, die haar vingers in zijn mond stak, beet hij de vingers af. Met de andere hand greep zij hem in de oogen en haar lange, scherpe nagels sneden het oogvlies door. De verblinde man, gierend, joelend van woede en pijn, beet, trapte, stompte in ’t wilde. Maar de vrouwen, in krankzinnige woede, wierpen zich op hem en één, een zwaren dorren tak nemend, sloeg hem daarmede op ’t hoofd zoodat hij bewusteloos neerviel, roepend: „Dat ’s voor di, zwarte kobold!”Toen, verschrikt over haar eigen bedrijf, stonden ze stil rond den zieltogenden man, verwonderd dat hij daar nu zoo stil lag en met kinderlijke belangstelling, schouwend naar zijn schaamdeel. Zij keken toen elkaar aan met vreemde blikken in de oogen en ééne begon op eens te schateren en een tweede, haar gelaat naar boven kêerend, sloeg de handen samen voor de borst en proestte het uit van lachen.… en een derde lachte en een vierde en opeens liepen de ze lachend, proestend, huppelend allen in een verwezen, hysterische vreugde weg van den verslagene, gillend de holen tegemoet om te zeggen, wat zij voor vreemds gezien hadden.De drie anderen, niet durvend roepen, vluchtten elk een eigen weg kiezend, in ’t woud. Geheel naakt, dorstig, oververmoeid, doodelijk bevreesd voor het getwaas, liepen ze toch voort, altoos door in één richting, om maar ver van de onheilvolle plaats weg te komen.Tot zij van vermoeidheid niet verder konden. Bevreesd voor roofdieren, zonder kleeding, zonder wapen, klommen zij in een boom enlegdenzich op het dichtineengestrengelde loover neder om te rusten.Een der priesters, Wahnfried genaamd, voelde zich bekruipen door de lust om méér van de zonderlinge wezens te weten te komen. Daarom verliet hij tegen de schemering[109]zijn schuilplaats en sloop weer terug naar de plaats waar de hutten en holen lagen. Daar brandden rondom vuren en bij den rooden gloed zag hij nu, dat de wezens in vrouwen en mannen onderscheiden moesten worden, hoewel uiterlijk tusschen de geslachten geen verschil was op te merken. Hij sloop zoo dichtbij, dat hij de woorden kon verstaan, die zij spraken. En nu vernam hij, dat een der wezens, door een nikker was nagerend. Deze had haar gegrepen en haar medegetrokken naar zijn burcht onder de aarde. Het was een groote burcht van zwarte steenen, die verlicht werd door sterren, die tegen de zolderingen der hallen hingen. De nikker had haar door lange, onafzienbare hallen gevoerd waar op zwarte banken witte gestalten met gesluierde gelaten zaten. „Wie zijn dat?” had het wezen gevraagd.„Dat zijn de geesten van gestorven maagden,” had de nikker geantwoord. „Zij blijven hier zoo zitten, onaandoenlijk voor alle gevoelens, tot een minnaar ze komt verlossen. Want daar zij boven de liefde niet hebben gekend, kunnen zij niet opstijgen naar Walhalla, om bij de feestmalen de helden te dienen en te vermaken.”„En waar zijn dan hun minnaars?”„Hun minnaars zijn de priesters, die de gelofte der kuischheid hebben gedaan. Wanneer zij waarachtig kuisch leven en onbevlekt sterven, zweven hun zielen mijn zwarte burcht binnen voor zij opstijgen naar Wotans heerlijk rijk en zij mogen zich onder de gesluierde maagden een eeuwige bruid kiezen.„De uitverkoren bruid stijgt dan mede opwaarts en krijgt van Wotan de gave der eeuwige jeugd en eeuwige wisseling. Zij kennen dan geen tijd meer en geen getijden en leven in durende gelukzaligheid van vervulde liefde.„Maar aan de hallen kwam geen eind en ik telde duizende en nogmaals duizende wachtende vrouwen.”„Zijn er reeds veel omhoog gevaren?” vroeg ik beangst.[110]De nikker begon te lachen en mij met een grim aanziende, vroeg hij:„Hebt di dan wel eens een priester ontmoet, die zijn gelofte gestand kon doen?”Ik wist niet wat te antwoorden. Toen begon de nikker te grijnzen en hij trok zijn gordel van loofbladeren los en begon ontuchtig te dansen. Ik vluchtte en hij liet mij stil gaan, maar door de hallen hoorde ik zijn ontuchtige woorden schallen en de witte gestalten trilden.„Morgen ga ik weer zien … gaat di mede?”„Ja, ik ga mede om den nikker te zien dansen.”Wahnfried verschool zich nu dicht bij de hutten, besloten om de twee den volgenden morgen te volgen om ook den burcht van den nikker-koning te ontdekken. Hij wilde alle maagden bevrijden.Maar toen hij ’s nachts lag te denken, begon hij zichzelf af te vragen, wat dit toch voor wezens waren, die in dit woud huisden. Deze van hedenavond had niet gesproken, zooals getwaas dat gewoon is te doen en zij had blijkbaar een afschrik gehad van den ontuchtigen nikker.Daarom kroop hij naar de hut en maakte voorzichtig een gat in het stroo van den wand. Maar binnen was het donker en hij hoorde alleen het ademhalen der twee.Hij zag echter dichtbij den vagen omtrek van een groote, aarden pot en daar zijn hand instekend, voelde hij beenderen en toen hij deze buiten het gat had getrokken, bemerkte hij, dat het een stuk wildbraad was. Daarmede stilde hij zijn honger en ging toen slapen.Tegen den morgen vonden de maagden den priester, maar dit keer bonden zij hem niet, maar wekten hem. Zoodra hij ontwaakte, wilde hij vluchten maar de maagd, die ’s avonds van den nikker had verteld, zeide tot hem:„Waarom wilt di vluchten?”En tot het andere wezen, zeide zij:„Dat is nu mijn nikker.”[111]De priester, bedacht op zijn redding, zeide dadelijk:„Ja, ik ben dijn nikker. Wilt di weder mede gaan naar mijn hollen, komt dan …,”Hij stond op en de twee volgden hem. Toen hij een langen tijd geloopen had en geen gevaar meer behoefde te duchten van de andere wezens, zei hij tot het eene wezen:„Du kent den weg.… Loop vooruit.”Zij gehoorzaamde en liep vooruit. Hij, met het andere wezen, volgde. Maar hij bemerkte wel aan het dwalen en zoeken van die voorging, dat het niet wist welken weg te zullen inslaan. Eindelijk riep hij het terug en zeide:„Kent di den weg niet meer?”„Ja heer nikker.… hier moet de ingang zijn.… bij deze berken.…”Wahnfried zocht en speurde en eindelijk zag hij sporen van menschenvoeten. Die sporen volgde hij en nu kwam hij werkelijk aan den ingang van een donker hol.„Ga voor!” zeide hij tot het wezen.Het wezen stapte over een steen, die voor den ingang lag, binnen.„Heer nikker,” zeide zij, „steek de sterren op. Het is zoo donker.”Wahnfried nam een dorren tak, zocht een stuk droog hout en wreef vuur. Toen de brandende tak opheffend, trad hij ook het hol binnen. Hij beefde van verrassing. Het was een groote hal, welke rondom, terzijde en boven met ijspegels was volgespikkeld, die nu de rossen vlam van den tak weerkaatsten. Hij streek zijn hand langs den wand. De pegels waren niet koud en smolten ook niet, toen hij de vlam er langs hield, maar waren hard en scherp, gelijk de stekels van een doornhaag.Hij trad weder naar buiten en zamelde veel dorre takken, en de twee wezens elk ook een brandenden tak gevend, trok hij eerst voor den ingang een vijfhoek opdat hij niet bij een mogelijke vlucht achtervolgd zou kunnen worden,[112]en nu stapte bij het hol weder binnen. Op de eerste grot volgde een tweede, lager van verdieping maar met dezelfde zilverige pegels langs de wanden en het dak.„Ga naar de gesluierde maagden,” zeide Wahnfried tot het wezen.Dit zocht langen tijd en eindelijk achter in de tweede grot vond zij een nieuwe opening, maar zoo smal, dat zij er met moeite zich doorheen wrong.„Zijn ze daar, de maagden?” vroeg Wahnfried.„Neen heer, ze zijn gevlucht.”„Wat ziet di dan?”„Een groot water en slapende reuzen.”Wahnfried kroop door de opening en een nieuwen tak aanstekend en hoog houdend zag hij een groot, donker, stilstaand meer en terzijde groote schimmen van uitgehouwen rotsen, die wel op reuzen geleken bij het wakkelende schijnsel der brandende takken, maar het niet waren.Langs het donkere water liep een breeden weg van gladgeslepen steenen.Wahnfried liep dien weg langs, de twee wezens elk met een vlammenden tak terzijde. Aan ’t eind van den weg waren breede trappen uitgehouwen. Moedig besteeg hij ze. Het was doodstil in de grootehal, die zoo hoog was, dat Wahnfried alleen bij benadering de hoogte van ’t dak kon schatten. De trappen voerden naar een vlak en hier lagen op een groote hoop bijeen de schedels en beenderen van honderden menschen. En zoekend rondom bij ’t rosse licht van zijn kienhouten toorts, zag hij daar veel oude wapens liggen, steenen aaksten, grof gebikte celten zooals de voorvaderen ze nog gebruikt hadden, aarden urnen met stoffig graan gevuld, kleine frammen van hertshoorn, vuursteenen mesjes. Ook lagen er grof geweven doeken, maar toen hij ze op wilde rapen, vielen zij tot grauw poeder te samen.Wahnfried wist niet wat hij hiervan denken moest.„Waren hier de gesluierde maagden?” vroeg hij het wezen.[113]„Ja hier.… en daar.… en daar.… en overal zaten ze in ’t rond,” antwoordde zij verwezen.De brandtakken begonnen ten einde te raken en daarom liep Wahnfried met de twee wezens terug. Toen hij weer buiten was gekomen, zag hij dat door het bosch Sogol, Harimona en Haun naderden. Hij wilde stil terugtreden in de grot, maar de twee wezens liepen gillend vooruit en vluchtten voor de drie reizigers op de groote paarden.Sogol, de twee half naakte, verwilderde vrouwen ziende vluchten en den naakten man bemerkend, die zich in het hol terugtrok, vermoedde een misdaad.Hij steeg af, en met het blanke kortzwaard in de hand, trad hij naar de opening van de grot, waarin de naakte man was verdwenen.[114]1De oude Germanen zijn hoogstwaarschijnlijk veel minder „kuisch” geweest, dan men, hoofdzakelijk op grond van de tendenzieuse „Germania” van Tacitus, aanneemt. Trouwens Tacitus zelf spreekt van straffen tegen[104]echtbreuk; het ongehuwd blijven van vrouwen, die vóór het huwelijk zich met mannen afgaven en van straffen gesteld op tegennatuurlijke ontucht. Het ligt voor de hand, dat bij een volk, waar de mannen zich voedden met wildbraad en zuivel, zich overgaven aan luiheid en doorloopend drankmisbruik en de vrouwen onderworpen arbeidsters waren; dikwerf het aantal mannen door den oorlog aanzienlijk minder dan dat der vrouwen moest zijn, geen zedelijkheid kon bestaan, volgens de tegenwoordige begrippen. De ontvankelijkheid der Barbaren voor de Romeinsche verdorvenheid is wel merkwaardig.Dertien eeuwen Christendom trouwens vermochten den Germanen nog niet de vroegere „kuischheid” weer te geven. In „Karls des fünfften und des heyligen Römischen Reichs peinlich gerichts ordnung” zijn o.m. straffen gesteld op: abort, schaking, verkrachting, tegennatuurlijke ontucht (eyn mensch mit eynem vihe, mann mit mann, weib mit weib), bloedschande … kortom tegen alle zonden van de twaalf caesars bij elkaar!Toestanden als hier beschreven, zijn geen fantasterijen doch reconstructie’s met grooten grond van waarschijnlijkheid. Overal waar de omstandigheden de geslachten scheiden en de natuurdrift, door onthouding of overmaat, wordt geprikkeld, ontstaan afwijkingen zooals in kazernes, gevangenissen, bagno’s, kloosters, weeshuizen, opvoedingsgestichten, kostscholen.Overmatige lichaamsoefening en onthouding van lichaamsoefening leiden eveneens tot afwijkingen. Asceten en athleten (ook reuzen) zijn vaak op geslachtelijk gebied abnormaal.De oude Germanen, drinkend, luierend, een cultus van ’t lichaam makend door warme baden en lichaamsoefening, kunnen wellicht als „kuisch” hebben gegolden voor iemand als Tacitus, die kennis had van het Rome van Tiberius, Caligula, Claudius en Nero, naar onze begrippen moeten zij barbaren in den vollen zin des woords zijn geweest.Deze noot meent de schrijver hier te moeten inlasschen om zijn eerlijke poging een reconstructie van een tijdperk te leveren, niet als een onzedelijk werk te zien beschouwd. Een recencent meende op zijn roman „Kalverstraat” te moeten afdingen, omdat daarin o.m. het ongelukkig lot der vrouwen in bordeelen wordt geschetst. Diezelfde recencent beklaagde zich echter tenslotte erover, dat de schrijver niet in dat boek wat verteld had van ’t geen na middernacht gebeurde in zekere oester-salons in de Kalverstraat. Dat zou dus niet onzedelijk zijn geweest!↑

[Inhoud]HOOFDSTUK VIII.Toen Maresag ’s morgens in de hut van Harimona komend bemerkte, dat zijn dochter gevlucht was met den Nervischen prins was hij zeer verschrikt. Want met haar verdween de reuk van heiligheid, waarin de haag van Renigo stond en hij vreesde, dat de partij der priesters, die hem om zijn macht en schatten benijdden, opnieuw het nooit geheel gedempte verhaal van Harimona’s geboorte weder zoude opdelven en hem op zijn ouden dag doen boeten voor de zonden zijner jeugd.Hij riep een priesterding te samen en deelde de priesters mede, dat de gruwelijke Nervische prins, Harimona geschaakt had en zeker hare heiligheid en wonderkracht zou gebruiken, om gindsch in zijn rijk een haag den roep van heiligheid te bezorgen.De priesters, eerst ontzet, meenden dat de prins onmiddellijk vervolgd moest worden. Maresag deed twaalf der jongste priesters te paard stijgen en gaf ze bevel Sogol dood of levend hem terug te brengen. Maar Harimona moest gespaard blijven en met alle voorzorgen en eer weder naar de haag van Renigo worden begeleid.De twaalf priesters, op flinke paarden, gewapend met kortzwaard en fram, reden zoo snel zij konden in de richting der Nervische gouwen. Zij vermoedden niet dat Sogol zich geenszins had gehaast en zoo reden zij hem reeds op den derden dag voorbij, terwijl hij, Harimona en Haun in een boschje kampeerden. Onderweg aan de groote pleisterplaatsen vroegen zij of men de vluchtelingen ook gezien had en vertelden van het snoode bedrijf van den Nervischen prins, die de kuische priesteres uit de haag[101]had geschaakt. Maar nergens had men Sogol gezien, die niet de groote heerwegen volgde, doch onbekommerd om betooverde bosschen, spelonkgeesten of roovers, zijn richting houdend door naar de sterren te zien, ver van de heerwegen met lange, maar langzame dagreizen naar zijn rijk reed en juist daardoor den roovers ontging, die allen nabij de heerwegen rond zwierven, waar alleen hoop op buit voor hen te verwachten was.De twaalf priesters kwamen ten laatste lang voor Sogol en Harimona aan het Bellovaaksche woud, waarachter de Nervische gouwen liggen. Maar in dat woud stuitten zij op tegenstand.Himilrât met de strijdmaagden, die haar getrouw waren gebleven, huisde in dit woud, de gelegenheid afwachtend om een aanval in het dorp van Solbert te wagen en dezen om te brengen. De maagden, half naakt, alleen gekleed in de huiden van de beren, of van de vossen, die zij in ’t woud doodden, zich uitsluitend voedend met wildbraad, kruiden, noten en wilde vruchten, steeds bij elkander en zonder zelfs ooit een man te zien, gaven zich over aan de perverse instincten, die in haar door deze levenswijze, tot ontwikkeling kwamen. Himilrât had eerst gepoogd deze vreemde genegenheden tegen te gaan, doch op een avond, toen zij met een tiental maagden was uitgetrokken om te jagen was een der maagden, een groote, volle, blonde meid, toen zij een hert met een speer had geveld en toegeloopen was op de buit, door het dier, dat nog eenmaal opstond, met het gewei in de borst gestoken.Himilrât hoorde haar hulpgeroep en snelde toe. Het gevaar was reeds geweken, want het dier was gestorven. Maar de maagd zat neer op een bemosten boomstam, die eens ontworteld door den bliksem, was neergevallen en trachtte met heur hand het bloed te stuiten, dat uit de wonde in haar boezem langs haar maagholte nederdroop.Himilrât zette zich bij de maagd neder, die door bloedverlies[102]uitgeput, heur hoofd tegen Himilrât’s boezem deed rusten en zich door haar liet verbinden. De bloedende vrouweboezem deed in Himilrât plotseling een vreemde begeerte opkomen. Zij beefde over haar geheele lichaam, voelde haar bloed naar heur hoofd stijgen en drukte de maagd zacht tegen zich aan. Die sloeg haar moede oogen op en scheen dankbaar voor de koestering.Himilrât legde een paar groote, jonge bladeren op de wonde en het bloed stelpte. Maar zij stond niet op, gaf geen antwoord op het horengeschal der andere maagden, die heur zochten. Zij legde haar gespierden arm om den gebruinden hals der gewonde maagd en haar tegen zich aandrukkend, begon zij haar te vragen, met een liefelijke stem en zachte woordjes, terwijl heur borst beangst was van vreemden lust, of het haar nu beter ging en of zij nu geen pijn meer had.De gewonde maagd, gewend aan de harde stem en de strenge woorden van heur opperhoofd, drukte zich nog dichter tegen Himilrât aan en deze, nu haar op de schoot nemend, begon heur ruwe wang tegen die der maagd te houden, streek haar wang langs dier boezem en toen, bij de wonde, drukte zij opeens de maagd met onstuimige kracht tegen heur hoofd en begon de bebloede boezem wild en hartstochtelijk met kussen te bedekken.De gewonde maagd, in stede van te krijten, vond wellust in de pijn, die haar de wonde veroorzaakte, sloeg op hare beurt de armen om hare verzorgster en zoo bleven zij beiden bij elkaar tot den laten avond, zich verheugend, dat de andere maagden een tegenovergestelde richting hadden ingeslagen om haar te zoeken.Sedert bleven deze twee vrouwen bij elkaar enHimilrât, wel verre van de vreemde genegenheden voortaan bij heur maagden te bestrijden, bevorderde ze en beval ze ten laatste, zoodat de maagden nu allen paarsgewijze leefden, vriendin bij vriendin. Maar Babehild, de uitverkoren vriendin[103]van Himilrât, voelde een andere genegenheid in zich opkomen en eens op een avond, toen Himilrât ongewoon vroeg thuis kwam van een jachtrit, vond zij een andere maagd bij Babehild. Himilrât, verblind door naijver, begon de andere maagd dadelijk te slaan. Babehild verdedigde heur nieuwe vriendin en beide vrouwen grepen naar het kortzwaard en het schild en buiten in de schemer van het woud, vingen zij een tweegevecht aan. Beiden sloegen op elkaar in met woede, maar wisten langen tijd de slagen op het schild op te vangen, tot een slag van Babehild den beukel van ’t schild van Himilrât afsloeg. Hierdoor verloor Himilrât de zekerheid bij ’t verweer en eindelijk trof een slag haar in den nek. Zij viel neer en bloedde dood.De andere maagden verheugd, dat de strenge Himilrât gedood was, kozen Babehild tot hoofd.Babehild bekommerde zich alleen om hare genegenheden en velen der maagden, allen overgegeven aan hare natuurlijke instincten, verloren het verstand. Eene maagd liep rond met een stuk hout in den arm, meenende dat dit haar kind was, koesterde het in heur armen; gaf het de borst; zong het stuk hout ’s avonds met lange, treurige wijsjes in slaap en sprak het toe met kleine koosnaampjes. Een andere vertelde dat zij zwanger was en berekende den dag van de geboorte van ’t kind. En zoo sterk was hare verbeelding, dat werkelijk haar buik opzwol als van een vrouw die een kind onder ’t hart draagt, doch baren deed zij niet.Een derde maagd, die langen tijd zonder vriendin was gebleken omdat zij, met zweren overdekt, door dezen gesneden werd, sloot vriendschap met een hond en werd door dezen bevrucht.1Er waren maagden, die zich verbeeldden[104]elfen te zijn. Zij liepen naakt rond in het woud, loerden tusschen de boomen op kobolden en nikkers, vertelden de anderen door een nikker of een kobold[105]geschoffeerd te zijn en deden lange, uitvoerige verhalen van de schrikkelijke dingen die zij gezien en beleefd hadden in het hol van de kobolden. Soms kwam ééne harer, de haren golvend in den wind, de armen vooruitgestrekt, gillend en krijtend naar de holen snellen, bleek van ontzetting, kilbezweet en buiten adem en als zij wat tot rust was gekomen, verhaalde zij van een grooten kobold, die heur achterna was gerend, omgeven door een aantal boosaardige dwergen, die springend, buitelend over ’t hoofd en soms zelfs met groote, zwarte vlerken in de lucht vliegend, haar hadden willen pakken.En niet zelden toonde zoo’n maagd sporen van beten in de naakte kuiten, nog roode indrukken van tanden, die heetten toegebracht te zijn door de kwaadaardige kobolden.Toen de twaalf jonge priesters tegen den avond het Aarduwener woud betraden en hier halt hielden, werden zij in den nacht verschrikt door een vreemd hoog gillen, dat hun allen met schrik vervulde. Zij stookten het wachtvuur op en nu, bij den gloed van de vlammen, zagen zij naakte wezens, die in een verre kring hun beloerden.De priesters waren zeer angstig en keken de vreemde wezens oplettend aan. Zij geleken wel ’t meest op vrouwen, doch zij hadden slechts één borst. Ook droegen zij speren en schilden.Eenige der priesters, zonder zich te bezinnen, namen de vlucht uit het woud, hun wapens achterlatend, zoo snel zij konden hun paarden bestijgend en wegrennend uit het betooverde woud. Anderen begonnenbezwerings-formulesuit te spreken en trokken in der haast heilige kringen en zevenhoeken op den grond, Wotan aanroepend om hen tegen de kwade geesten te beschermen. Maar een viertal, moediger dan de anderen, grepen naar hun kortzwaarden, sloegen de beukelaars voor de borst en renden op het woudgetwaas af om het neer te houwen.Toen vluchtten de vreemde wezens diep in ’t woud,[106]waar ’t zwart en donker was en de vier priesters, in hun overmoed niet bij elkaar houdend, maar elk een ander pad volgend, ziende hoe de wezens paarsgewijze vluchtten, raakten in het woud verdwaald en toen zij, de horens blazend, elkaar signalen gaven, klonken van vele zijden dezelfde signalen terug, zoodat zij, nu wel overtuigd in een betooverd woud te zijn gekomen, hun moed voelden zinken en niet wetend naar welke zijde te vluchten, op de plaats bleven standhouden, het schild aan den arm en het zwaard in de vuist, gereed om hun leven te verdedigen.Zij wachtten langen tijd maar hoorden niets meer en hoopten op den morgen om hun makkers weder te kunnen vinden of in elk geval, zich uit het betooverde woud te kunnen redden. Doch de vermoeienis van de reis won het van hun angst en zij vielen in slaap.Toen kwamen de vreemde wezens nader sluipen en plotseling grepen vijf, zes van haar een priester vast en bonden hem de handen en de voeten met gevlochten tenen en brachten hem nu naar de holen.Daar lagen de vier gebonden priesters weerloos en in doodsangsten tot den morgen. Toen, bij het daglicht konden zij de vreemde wezens nauwkeuriger bezien en nog altijd konden zij zich niet verklaren, door wat voor getwaas zij waren gevangen genomen.Een der wezens, blijkbaar het opperhoofd, beval de anderen, dat zij de vier gevangenen geheel naakt zouden uitkleeden. Toen rukten de wezens hun de kleederen van ’t lijf en nu keken de wezens met groote bewondering naar hun lichamen. Zij betastten hen overal, gilden op zonderlinge wijze, vormden kringen en dansten liedjes zingend om hen heen.De priesters hoorend, dat de wezens hun taal spraken in den Nervischen tongval, begonnen nu moed te vatten en vroegen het opperhoofd te spreken.Het opperhoofd kwam en liet de vier mannen water te[107]drinken geven. Maar de priesters, vreezend dat zij vergiftigd zouden worden, zeiden geen dorst te hebben.„Wie zijt di en wat kwaamt di doen in ons woud?” vroeg het opperhoofd.„Wij zijn priesters uit den heiligen haag van Renigo. De Nervische prins Sogol heeft onze heilige jonkvrouw Harimona ontvoerd en de opperpriester Maresag zond ons uit om de jonkvrouw terug te voeren.”„Waar is de jonkvrouw?” vroeg het opperhoofd.„Wij zoeken haar sinds dagen. De prins kon slechts een korten voorsprong op ons hebben en nog dezen dag hoopten wij hem in te halen.”Een der maagden liep op den spreker toe en opeens gillend en hem spuwend, riep zij:„Dat is de zwarte kobold, dien ik heb zien vliegen. Dat is de kobold, die mij gebeten heeft.…”En zich op den gebonden man werpend, begon zij hem met de lange nagels het gezicht open te rijten. Een tweede maagd sprong nu toe, duwde de eerste weg en schreeuwde:„Du liegt, du liegt.… het is mijn nikker.… mijn nikker, waar ik alle nachten mee samen ben.… Laat het hem zelf zeggen.… Babehild, Babehild.… laat het hem zelf zeggen.…”Maar de eerste maagd greep de andere in de haren en deze twee elkaar stompend, bijtend, trappend, krabbend, geraakten in hysterische woede; andere maagden begonnen over de drie andere priesters te twisten en deze, gebruik makend aan de onoplettendheid der kijvende, gillende, krankzinnige vrouwen, wisten zich los te werken en tegelijk opspringend, vluchtten zij, geheel naakt nu, het bosch insnellend, zoo hard zij loopen konden. De maagden, dit ziende, snelden hen na. Drie priesters wisten te ontkomen en zich in ’t woud te verbergen. Maar de vierde, een korte, wat zwaarlijvige man, niet zoo vlug ter been, viel en werd door eenige maagden achterhaald. Zij stortten zich op hem,[108]beten hem in ’t lichaam, rukten hem de haren uit. Hij verweerde zich, trapte van zich af, sloeg met de vuisten. Eene, die haar vingers in zijn mond stak, beet hij de vingers af. Met de andere hand greep zij hem in de oogen en haar lange, scherpe nagels sneden het oogvlies door. De verblinde man, gierend, joelend van woede en pijn, beet, trapte, stompte in ’t wilde. Maar de vrouwen, in krankzinnige woede, wierpen zich op hem en één, een zwaren dorren tak nemend, sloeg hem daarmede op ’t hoofd zoodat hij bewusteloos neerviel, roepend: „Dat ’s voor di, zwarte kobold!”Toen, verschrikt over haar eigen bedrijf, stonden ze stil rond den zieltogenden man, verwonderd dat hij daar nu zoo stil lag en met kinderlijke belangstelling, schouwend naar zijn schaamdeel. Zij keken toen elkaar aan met vreemde blikken in de oogen en ééne begon op eens te schateren en een tweede, haar gelaat naar boven kêerend, sloeg de handen samen voor de borst en proestte het uit van lachen.… en een derde lachte en een vierde en opeens liepen de ze lachend, proestend, huppelend allen in een verwezen, hysterische vreugde weg van den verslagene, gillend de holen tegemoet om te zeggen, wat zij voor vreemds gezien hadden.De drie anderen, niet durvend roepen, vluchtten elk een eigen weg kiezend, in ’t woud. Geheel naakt, dorstig, oververmoeid, doodelijk bevreesd voor het getwaas, liepen ze toch voort, altoos door in één richting, om maar ver van de onheilvolle plaats weg te komen.Tot zij van vermoeidheid niet verder konden. Bevreesd voor roofdieren, zonder kleeding, zonder wapen, klommen zij in een boom enlegdenzich op het dichtineengestrengelde loover neder om te rusten.Een der priesters, Wahnfried genaamd, voelde zich bekruipen door de lust om méér van de zonderlinge wezens te weten te komen. Daarom verliet hij tegen de schemering[109]zijn schuilplaats en sloop weer terug naar de plaats waar de hutten en holen lagen. Daar brandden rondom vuren en bij den rooden gloed zag hij nu, dat de wezens in vrouwen en mannen onderscheiden moesten worden, hoewel uiterlijk tusschen de geslachten geen verschil was op te merken. Hij sloop zoo dichtbij, dat hij de woorden kon verstaan, die zij spraken. En nu vernam hij, dat een der wezens, door een nikker was nagerend. Deze had haar gegrepen en haar medegetrokken naar zijn burcht onder de aarde. Het was een groote burcht van zwarte steenen, die verlicht werd door sterren, die tegen de zolderingen der hallen hingen. De nikker had haar door lange, onafzienbare hallen gevoerd waar op zwarte banken witte gestalten met gesluierde gelaten zaten. „Wie zijn dat?” had het wezen gevraagd.„Dat zijn de geesten van gestorven maagden,” had de nikker geantwoord. „Zij blijven hier zoo zitten, onaandoenlijk voor alle gevoelens, tot een minnaar ze komt verlossen. Want daar zij boven de liefde niet hebben gekend, kunnen zij niet opstijgen naar Walhalla, om bij de feestmalen de helden te dienen en te vermaken.”„En waar zijn dan hun minnaars?”„Hun minnaars zijn de priesters, die de gelofte der kuischheid hebben gedaan. Wanneer zij waarachtig kuisch leven en onbevlekt sterven, zweven hun zielen mijn zwarte burcht binnen voor zij opstijgen naar Wotans heerlijk rijk en zij mogen zich onder de gesluierde maagden een eeuwige bruid kiezen.„De uitverkoren bruid stijgt dan mede opwaarts en krijgt van Wotan de gave der eeuwige jeugd en eeuwige wisseling. Zij kennen dan geen tijd meer en geen getijden en leven in durende gelukzaligheid van vervulde liefde.„Maar aan de hallen kwam geen eind en ik telde duizende en nogmaals duizende wachtende vrouwen.”„Zijn er reeds veel omhoog gevaren?” vroeg ik beangst.[110]De nikker begon te lachen en mij met een grim aanziende, vroeg hij:„Hebt di dan wel eens een priester ontmoet, die zijn gelofte gestand kon doen?”Ik wist niet wat te antwoorden. Toen begon de nikker te grijnzen en hij trok zijn gordel van loofbladeren los en begon ontuchtig te dansen. Ik vluchtte en hij liet mij stil gaan, maar door de hallen hoorde ik zijn ontuchtige woorden schallen en de witte gestalten trilden.„Morgen ga ik weer zien … gaat di mede?”„Ja, ik ga mede om den nikker te zien dansen.”Wahnfried verschool zich nu dicht bij de hutten, besloten om de twee den volgenden morgen te volgen om ook den burcht van den nikker-koning te ontdekken. Hij wilde alle maagden bevrijden.Maar toen hij ’s nachts lag te denken, begon hij zichzelf af te vragen, wat dit toch voor wezens waren, die in dit woud huisden. Deze van hedenavond had niet gesproken, zooals getwaas dat gewoon is te doen en zij had blijkbaar een afschrik gehad van den ontuchtigen nikker.Daarom kroop hij naar de hut en maakte voorzichtig een gat in het stroo van den wand. Maar binnen was het donker en hij hoorde alleen het ademhalen der twee.Hij zag echter dichtbij den vagen omtrek van een groote, aarden pot en daar zijn hand instekend, voelde hij beenderen en toen hij deze buiten het gat had getrokken, bemerkte hij, dat het een stuk wildbraad was. Daarmede stilde hij zijn honger en ging toen slapen.Tegen den morgen vonden de maagden den priester, maar dit keer bonden zij hem niet, maar wekten hem. Zoodra hij ontwaakte, wilde hij vluchten maar de maagd, die ’s avonds van den nikker had verteld, zeide tot hem:„Waarom wilt di vluchten?”En tot het andere wezen, zeide zij:„Dat is nu mijn nikker.”[111]De priester, bedacht op zijn redding, zeide dadelijk:„Ja, ik ben dijn nikker. Wilt di weder mede gaan naar mijn hollen, komt dan …,”Hij stond op en de twee volgden hem. Toen hij een langen tijd geloopen had en geen gevaar meer behoefde te duchten van de andere wezens, zei hij tot het eene wezen:„Du kent den weg.… Loop vooruit.”Zij gehoorzaamde en liep vooruit. Hij, met het andere wezen, volgde. Maar hij bemerkte wel aan het dwalen en zoeken van die voorging, dat het niet wist welken weg te zullen inslaan. Eindelijk riep hij het terug en zeide:„Kent di den weg niet meer?”„Ja heer nikker.… hier moet de ingang zijn.… bij deze berken.…”Wahnfried zocht en speurde en eindelijk zag hij sporen van menschenvoeten. Die sporen volgde hij en nu kwam hij werkelijk aan den ingang van een donker hol.„Ga voor!” zeide hij tot het wezen.Het wezen stapte over een steen, die voor den ingang lag, binnen.„Heer nikker,” zeide zij, „steek de sterren op. Het is zoo donker.”Wahnfried nam een dorren tak, zocht een stuk droog hout en wreef vuur. Toen de brandende tak opheffend, trad hij ook het hol binnen. Hij beefde van verrassing. Het was een groote hal, welke rondom, terzijde en boven met ijspegels was volgespikkeld, die nu de rossen vlam van den tak weerkaatsten. Hij streek zijn hand langs den wand. De pegels waren niet koud en smolten ook niet, toen hij de vlam er langs hield, maar waren hard en scherp, gelijk de stekels van een doornhaag.Hij trad weder naar buiten en zamelde veel dorre takken, en de twee wezens elk ook een brandenden tak gevend, trok hij eerst voor den ingang een vijfhoek opdat hij niet bij een mogelijke vlucht achtervolgd zou kunnen worden,[112]en nu stapte bij het hol weder binnen. Op de eerste grot volgde een tweede, lager van verdieping maar met dezelfde zilverige pegels langs de wanden en het dak.„Ga naar de gesluierde maagden,” zeide Wahnfried tot het wezen.Dit zocht langen tijd en eindelijk achter in de tweede grot vond zij een nieuwe opening, maar zoo smal, dat zij er met moeite zich doorheen wrong.„Zijn ze daar, de maagden?” vroeg Wahnfried.„Neen heer, ze zijn gevlucht.”„Wat ziet di dan?”„Een groot water en slapende reuzen.”Wahnfried kroop door de opening en een nieuwen tak aanstekend en hoog houdend zag hij een groot, donker, stilstaand meer en terzijde groote schimmen van uitgehouwen rotsen, die wel op reuzen geleken bij het wakkelende schijnsel der brandende takken, maar het niet waren.Langs het donkere water liep een breeden weg van gladgeslepen steenen.Wahnfried liep dien weg langs, de twee wezens elk met een vlammenden tak terzijde. Aan ’t eind van den weg waren breede trappen uitgehouwen. Moedig besteeg hij ze. Het was doodstil in de grootehal, die zoo hoog was, dat Wahnfried alleen bij benadering de hoogte van ’t dak kon schatten. De trappen voerden naar een vlak en hier lagen op een groote hoop bijeen de schedels en beenderen van honderden menschen. En zoekend rondom bij ’t rosse licht van zijn kienhouten toorts, zag hij daar veel oude wapens liggen, steenen aaksten, grof gebikte celten zooals de voorvaderen ze nog gebruikt hadden, aarden urnen met stoffig graan gevuld, kleine frammen van hertshoorn, vuursteenen mesjes. Ook lagen er grof geweven doeken, maar toen hij ze op wilde rapen, vielen zij tot grauw poeder te samen.Wahnfried wist niet wat hij hiervan denken moest.„Waren hier de gesluierde maagden?” vroeg hij het wezen.[113]„Ja hier.… en daar.… en daar.… en overal zaten ze in ’t rond,” antwoordde zij verwezen.De brandtakken begonnen ten einde te raken en daarom liep Wahnfried met de twee wezens terug. Toen hij weer buiten was gekomen, zag hij dat door het bosch Sogol, Harimona en Haun naderden. Hij wilde stil terugtreden in de grot, maar de twee wezens liepen gillend vooruit en vluchtten voor de drie reizigers op de groote paarden.Sogol, de twee half naakte, verwilderde vrouwen ziende vluchten en den naakten man bemerkend, die zich in het hol terugtrok, vermoedde een misdaad.Hij steeg af, en met het blanke kortzwaard in de hand, trad hij naar de opening van de grot, waarin de naakte man was verdwenen.[114]1De oude Germanen zijn hoogstwaarschijnlijk veel minder „kuisch” geweest, dan men, hoofdzakelijk op grond van de tendenzieuse „Germania” van Tacitus, aanneemt. Trouwens Tacitus zelf spreekt van straffen tegen[104]echtbreuk; het ongehuwd blijven van vrouwen, die vóór het huwelijk zich met mannen afgaven en van straffen gesteld op tegennatuurlijke ontucht. Het ligt voor de hand, dat bij een volk, waar de mannen zich voedden met wildbraad en zuivel, zich overgaven aan luiheid en doorloopend drankmisbruik en de vrouwen onderworpen arbeidsters waren; dikwerf het aantal mannen door den oorlog aanzienlijk minder dan dat der vrouwen moest zijn, geen zedelijkheid kon bestaan, volgens de tegenwoordige begrippen. De ontvankelijkheid der Barbaren voor de Romeinsche verdorvenheid is wel merkwaardig.Dertien eeuwen Christendom trouwens vermochten den Germanen nog niet de vroegere „kuischheid” weer te geven. In „Karls des fünfften und des heyligen Römischen Reichs peinlich gerichts ordnung” zijn o.m. straffen gesteld op: abort, schaking, verkrachting, tegennatuurlijke ontucht (eyn mensch mit eynem vihe, mann mit mann, weib mit weib), bloedschande … kortom tegen alle zonden van de twaalf caesars bij elkaar!Toestanden als hier beschreven, zijn geen fantasterijen doch reconstructie’s met grooten grond van waarschijnlijkheid. Overal waar de omstandigheden de geslachten scheiden en de natuurdrift, door onthouding of overmaat, wordt geprikkeld, ontstaan afwijkingen zooals in kazernes, gevangenissen, bagno’s, kloosters, weeshuizen, opvoedingsgestichten, kostscholen.Overmatige lichaamsoefening en onthouding van lichaamsoefening leiden eveneens tot afwijkingen. Asceten en athleten (ook reuzen) zijn vaak op geslachtelijk gebied abnormaal.De oude Germanen, drinkend, luierend, een cultus van ’t lichaam makend door warme baden en lichaamsoefening, kunnen wellicht als „kuisch” hebben gegolden voor iemand als Tacitus, die kennis had van het Rome van Tiberius, Caligula, Claudius en Nero, naar onze begrippen moeten zij barbaren in den vollen zin des woords zijn geweest.Deze noot meent de schrijver hier te moeten inlasschen om zijn eerlijke poging een reconstructie van een tijdperk te leveren, niet als een onzedelijk werk te zien beschouwd. Een recencent meende op zijn roman „Kalverstraat” te moeten afdingen, omdat daarin o.m. het ongelukkig lot der vrouwen in bordeelen wordt geschetst. Diezelfde recencent beklaagde zich echter tenslotte erover, dat de schrijver niet in dat boek wat verteld had van ’t geen na middernacht gebeurde in zekere oester-salons in de Kalverstraat. Dat zou dus niet onzedelijk zijn geweest!↑

[Inhoud]HOOFDSTUK VIII.Toen Maresag ’s morgens in de hut van Harimona komend bemerkte, dat zijn dochter gevlucht was met den Nervischen prins was hij zeer verschrikt. Want met haar verdween de reuk van heiligheid, waarin de haag van Renigo stond en hij vreesde, dat de partij der priesters, die hem om zijn macht en schatten benijdden, opnieuw het nooit geheel gedempte verhaal van Harimona’s geboorte weder zoude opdelven en hem op zijn ouden dag doen boeten voor de zonden zijner jeugd.Hij riep een priesterding te samen en deelde de priesters mede, dat de gruwelijke Nervische prins, Harimona geschaakt had en zeker hare heiligheid en wonderkracht zou gebruiken, om gindsch in zijn rijk een haag den roep van heiligheid te bezorgen.De priesters, eerst ontzet, meenden dat de prins onmiddellijk vervolgd moest worden. Maresag deed twaalf der jongste priesters te paard stijgen en gaf ze bevel Sogol dood of levend hem terug te brengen. Maar Harimona moest gespaard blijven en met alle voorzorgen en eer weder naar de haag van Renigo worden begeleid.De twaalf priesters, op flinke paarden, gewapend met kortzwaard en fram, reden zoo snel zij konden in de richting der Nervische gouwen. Zij vermoedden niet dat Sogol zich geenszins had gehaast en zoo reden zij hem reeds op den derden dag voorbij, terwijl hij, Harimona en Haun in een boschje kampeerden. Onderweg aan de groote pleisterplaatsen vroegen zij of men de vluchtelingen ook gezien had en vertelden van het snoode bedrijf van den Nervischen prins, die de kuische priesteres uit de haag[101]had geschaakt. Maar nergens had men Sogol gezien, die niet de groote heerwegen volgde, doch onbekommerd om betooverde bosschen, spelonkgeesten of roovers, zijn richting houdend door naar de sterren te zien, ver van de heerwegen met lange, maar langzame dagreizen naar zijn rijk reed en juist daardoor den roovers ontging, die allen nabij de heerwegen rond zwierven, waar alleen hoop op buit voor hen te verwachten was.De twaalf priesters kwamen ten laatste lang voor Sogol en Harimona aan het Bellovaaksche woud, waarachter de Nervische gouwen liggen. Maar in dat woud stuitten zij op tegenstand.Himilrât met de strijdmaagden, die haar getrouw waren gebleven, huisde in dit woud, de gelegenheid afwachtend om een aanval in het dorp van Solbert te wagen en dezen om te brengen. De maagden, half naakt, alleen gekleed in de huiden van de beren, of van de vossen, die zij in ’t woud doodden, zich uitsluitend voedend met wildbraad, kruiden, noten en wilde vruchten, steeds bij elkander en zonder zelfs ooit een man te zien, gaven zich over aan de perverse instincten, die in haar door deze levenswijze, tot ontwikkeling kwamen. Himilrât had eerst gepoogd deze vreemde genegenheden tegen te gaan, doch op een avond, toen zij met een tiental maagden was uitgetrokken om te jagen was een der maagden, een groote, volle, blonde meid, toen zij een hert met een speer had geveld en toegeloopen was op de buit, door het dier, dat nog eenmaal opstond, met het gewei in de borst gestoken.Himilrât hoorde haar hulpgeroep en snelde toe. Het gevaar was reeds geweken, want het dier was gestorven. Maar de maagd zat neer op een bemosten boomstam, die eens ontworteld door den bliksem, was neergevallen en trachtte met heur hand het bloed te stuiten, dat uit de wonde in haar boezem langs haar maagholte nederdroop.Himilrât zette zich bij de maagd neder, die door bloedverlies[102]uitgeput, heur hoofd tegen Himilrât’s boezem deed rusten en zich door haar liet verbinden. De bloedende vrouweboezem deed in Himilrât plotseling een vreemde begeerte opkomen. Zij beefde over haar geheele lichaam, voelde haar bloed naar heur hoofd stijgen en drukte de maagd zacht tegen zich aan. Die sloeg haar moede oogen op en scheen dankbaar voor de koestering.Himilrât legde een paar groote, jonge bladeren op de wonde en het bloed stelpte. Maar zij stond niet op, gaf geen antwoord op het horengeschal der andere maagden, die heur zochten. Zij legde haar gespierden arm om den gebruinden hals der gewonde maagd en haar tegen zich aandrukkend, begon zij haar te vragen, met een liefelijke stem en zachte woordjes, terwijl heur borst beangst was van vreemden lust, of het haar nu beter ging en of zij nu geen pijn meer had.De gewonde maagd, gewend aan de harde stem en de strenge woorden van heur opperhoofd, drukte zich nog dichter tegen Himilrât aan en deze, nu haar op de schoot nemend, begon heur ruwe wang tegen die der maagd te houden, streek haar wang langs dier boezem en toen, bij de wonde, drukte zij opeens de maagd met onstuimige kracht tegen heur hoofd en begon de bebloede boezem wild en hartstochtelijk met kussen te bedekken.De gewonde maagd, in stede van te krijten, vond wellust in de pijn, die haar de wonde veroorzaakte, sloeg op hare beurt de armen om hare verzorgster en zoo bleven zij beiden bij elkaar tot den laten avond, zich verheugend, dat de andere maagden een tegenovergestelde richting hadden ingeslagen om haar te zoeken.Sedert bleven deze twee vrouwen bij elkaar enHimilrât, wel verre van de vreemde genegenheden voortaan bij heur maagden te bestrijden, bevorderde ze en beval ze ten laatste, zoodat de maagden nu allen paarsgewijze leefden, vriendin bij vriendin. Maar Babehild, de uitverkoren vriendin[103]van Himilrât, voelde een andere genegenheid in zich opkomen en eens op een avond, toen Himilrât ongewoon vroeg thuis kwam van een jachtrit, vond zij een andere maagd bij Babehild. Himilrât, verblind door naijver, begon de andere maagd dadelijk te slaan. Babehild verdedigde heur nieuwe vriendin en beide vrouwen grepen naar het kortzwaard en het schild en buiten in de schemer van het woud, vingen zij een tweegevecht aan. Beiden sloegen op elkaar in met woede, maar wisten langen tijd de slagen op het schild op te vangen, tot een slag van Babehild den beukel van ’t schild van Himilrât afsloeg. Hierdoor verloor Himilrât de zekerheid bij ’t verweer en eindelijk trof een slag haar in den nek. Zij viel neer en bloedde dood.De andere maagden verheugd, dat de strenge Himilrât gedood was, kozen Babehild tot hoofd.Babehild bekommerde zich alleen om hare genegenheden en velen der maagden, allen overgegeven aan hare natuurlijke instincten, verloren het verstand. Eene maagd liep rond met een stuk hout in den arm, meenende dat dit haar kind was, koesterde het in heur armen; gaf het de borst; zong het stuk hout ’s avonds met lange, treurige wijsjes in slaap en sprak het toe met kleine koosnaampjes. Een andere vertelde dat zij zwanger was en berekende den dag van de geboorte van ’t kind. En zoo sterk was hare verbeelding, dat werkelijk haar buik opzwol als van een vrouw die een kind onder ’t hart draagt, doch baren deed zij niet.Een derde maagd, die langen tijd zonder vriendin was gebleken omdat zij, met zweren overdekt, door dezen gesneden werd, sloot vriendschap met een hond en werd door dezen bevrucht.1Er waren maagden, die zich verbeeldden[104]elfen te zijn. Zij liepen naakt rond in het woud, loerden tusschen de boomen op kobolden en nikkers, vertelden de anderen door een nikker of een kobold[105]geschoffeerd te zijn en deden lange, uitvoerige verhalen van de schrikkelijke dingen die zij gezien en beleefd hadden in het hol van de kobolden. Soms kwam ééne harer, de haren golvend in den wind, de armen vooruitgestrekt, gillend en krijtend naar de holen snellen, bleek van ontzetting, kilbezweet en buiten adem en als zij wat tot rust was gekomen, verhaalde zij van een grooten kobold, die heur achterna was gerend, omgeven door een aantal boosaardige dwergen, die springend, buitelend over ’t hoofd en soms zelfs met groote, zwarte vlerken in de lucht vliegend, haar hadden willen pakken.En niet zelden toonde zoo’n maagd sporen van beten in de naakte kuiten, nog roode indrukken van tanden, die heetten toegebracht te zijn door de kwaadaardige kobolden.Toen de twaalf jonge priesters tegen den avond het Aarduwener woud betraden en hier halt hielden, werden zij in den nacht verschrikt door een vreemd hoog gillen, dat hun allen met schrik vervulde. Zij stookten het wachtvuur op en nu, bij den gloed van de vlammen, zagen zij naakte wezens, die in een verre kring hun beloerden.De priesters waren zeer angstig en keken de vreemde wezens oplettend aan. Zij geleken wel ’t meest op vrouwen, doch zij hadden slechts één borst. Ook droegen zij speren en schilden.Eenige der priesters, zonder zich te bezinnen, namen de vlucht uit het woud, hun wapens achterlatend, zoo snel zij konden hun paarden bestijgend en wegrennend uit het betooverde woud. Anderen begonnenbezwerings-formulesuit te spreken en trokken in der haast heilige kringen en zevenhoeken op den grond, Wotan aanroepend om hen tegen de kwade geesten te beschermen. Maar een viertal, moediger dan de anderen, grepen naar hun kortzwaarden, sloegen de beukelaars voor de borst en renden op het woudgetwaas af om het neer te houwen.Toen vluchtten de vreemde wezens diep in ’t woud,[106]waar ’t zwart en donker was en de vier priesters, in hun overmoed niet bij elkaar houdend, maar elk een ander pad volgend, ziende hoe de wezens paarsgewijze vluchtten, raakten in het woud verdwaald en toen zij, de horens blazend, elkaar signalen gaven, klonken van vele zijden dezelfde signalen terug, zoodat zij, nu wel overtuigd in een betooverd woud te zijn gekomen, hun moed voelden zinken en niet wetend naar welke zijde te vluchten, op de plaats bleven standhouden, het schild aan den arm en het zwaard in de vuist, gereed om hun leven te verdedigen.Zij wachtten langen tijd maar hoorden niets meer en hoopten op den morgen om hun makkers weder te kunnen vinden of in elk geval, zich uit het betooverde woud te kunnen redden. Doch de vermoeienis van de reis won het van hun angst en zij vielen in slaap.Toen kwamen de vreemde wezens nader sluipen en plotseling grepen vijf, zes van haar een priester vast en bonden hem de handen en de voeten met gevlochten tenen en brachten hem nu naar de holen.Daar lagen de vier gebonden priesters weerloos en in doodsangsten tot den morgen. Toen, bij het daglicht konden zij de vreemde wezens nauwkeuriger bezien en nog altijd konden zij zich niet verklaren, door wat voor getwaas zij waren gevangen genomen.Een der wezens, blijkbaar het opperhoofd, beval de anderen, dat zij de vier gevangenen geheel naakt zouden uitkleeden. Toen rukten de wezens hun de kleederen van ’t lijf en nu keken de wezens met groote bewondering naar hun lichamen. Zij betastten hen overal, gilden op zonderlinge wijze, vormden kringen en dansten liedjes zingend om hen heen.De priesters hoorend, dat de wezens hun taal spraken in den Nervischen tongval, begonnen nu moed te vatten en vroegen het opperhoofd te spreken.Het opperhoofd kwam en liet de vier mannen water te[107]drinken geven. Maar de priesters, vreezend dat zij vergiftigd zouden worden, zeiden geen dorst te hebben.„Wie zijt di en wat kwaamt di doen in ons woud?” vroeg het opperhoofd.„Wij zijn priesters uit den heiligen haag van Renigo. De Nervische prins Sogol heeft onze heilige jonkvrouw Harimona ontvoerd en de opperpriester Maresag zond ons uit om de jonkvrouw terug te voeren.”„Waar is de jonkvrouw?” vroeg het opperhoofd.„Wij zoeken haar sinds dagen. De prins kon slechts een korten voorsprong op ons hebben en nog dezen dag hoopten wij hem in te halen.”Een der maagden liep op den spreker toe en opeens gillend en hem spuwend, riep zij:„Dat is de zwarte kobold, dien ik heb zien vliegen. Dat is de kobold, die mij gebeten heeft.…”En zich op den gebonden man werpend, begon zij hem met de lange nagels het gezicht open te rijten. Een tweede maagd sprong nu toe, duwde de eerste weg en schreeuwde:„Du liegt, du liegt.… het is mijn nikker.… mijn nikker, waar ik alle nachten mee samen ben.… Laat het hem zelf zeggen.… Babehild, Babehild.… laat het hem zelf zeggen.…”Maar de eerste maagd greep de andere in de haren en deze twee elkaar stompend, bijtend, trappend, krabbend, geraakten in hysterische woede; andere maagden begonnen over de drie andere priesters te twisten en deze, gebruik makend aan de onoplettendheid der kijvende, gillende, krankzinnige vrouwen, wisten zich los te werken en tegelijk opspringend, vluchtten zij, geheel naakt nu, het bosch insnellend, zoo hard zij loopen konden. De maagden, dit ziende, snelden hen na. Drie priesters wisten te ontkomen en zich in ’t woud te verbergen. Maar de vierde, een korte, wat zwaarlijvige man, niet zoo vlug ter been, viel en werd door eenige maagden achterhaald. Zij stortten zich op hem,[108]beten hem in ’t lichaam, rukten hem de haren uit. Hij verweerde zich, trapte van zich af, sloeg met de vuisten. Eene, die haar vingers in zijn mond stak, beet hij de vingers af. Met de andere hand greep zij hem in de oogen en haar lange, scherpe nagels sneden het oogvlies door. De verblinde man, gierend, joelend van woede en pijn, beet, trapte, stompte in ’t wilde. Maar de vrouwen, in krankzinnige woede, wierpen zich op hem en één, een zwaren dorren tak nemend, sloeg hem daarmede op ’t hoofd zoodat hij bewusteloos neerviel, roepend: „Dat ’s voor di, zwarte kobold!”Toen, verschrikt over haar eigen bedrijf, stonden ze stil rond den zieltogenden man, verwonderd dat hij daar nu zoo stil lag en met kinderlijke belangstelling, schouwend naar zijn schaamdeel. Zij keken toen elkaar aan met vreemde blikken in de oogen en ééne begon op eens te schateren en een tweede, haar gelaat naar boven kêerend, sloeg de handen samen voor de borst en proestte het uit van lachen.… en een derde lachte en een vierde en opeens liepen de ze lachend, proestend, huppelend allen in een verwezen, hysterische vreugde weg van den verslagene, gillend de holen tegemoet om te zeggen, wat zij voor vreemds gezien hadden.De drie anderen, niet durvend roepen, vluchtten elk een eigen weg kiezend, in ’t woud. Geheel naakt, dorstig, oververmoeid, doodelijk bevreesd voor het getwaas, liepen ze toch voort, altoos door in één richting, om maar ver van de onheilvolle plaats weg te komen.Tot zij van vermoeidheid niet verder konden. Bevreesd voor roofdieren, zonder kleeding, zonder wapen, klommen zij in een boom enlegdenzich op het dichtineengestrengelde loover neder om te rusten.Een der priesters, Wahnfried genaamd, voelde zich bekruipen door de lust om méér van de zonderlinge wezens te weten te komen. Daarom verliet hij tegen de schemering[109]zijn schuilplaats en sloop weer terug naar de plaats waar de hutten en holen lagen. Daar brandden rondom vuren en bij den rooden gloed zag hij nu, dat de wezens in vrouwen en mannen onderscheiden moesten worden, hoewel uiterlijk tusschen de geslachten geen verschil was op te merken. Hij sloop zoo dichtbij, dat hij de woorden kon verstaan, die zij spraken. En nu vernam hij, dat een der wezens, door een nikker was nagerend. Deze had haar gegrepen en haar medegetrokken naar zijn burcht onder de aarde. Het was een groote burcht van zwarte steenen, die verlicht werd door sterren, die tegen de zolderingen der hallen hingen. De nikker had haar door lange, onafzienbare hallen gevoerd waar op zwarte banken witte gestalten met gesluierde gelaten zaten. „Wie zijn dat?” had het wezen gevraagd.„Dat zijn de geesten van gestorven maagden,” had de nikker geantwoord. „Zij blijven hier zoo zitten, onaandoenlijk voor alle gevoelens, tot een minnaar ze komt verlossen. Want daar zij boven de liefde niet hebben gekend, kunnen zij niet opstijgen naar Walhalla, om bij de feestmalen de helden te dienen en te vermaken.”„En waar zijn dan hun minnaars?”„Hun minnaars zijn de priesters, die de gelofte der kuischheid hebben gedaan. Wanneer zij waarachtig kuisch leven en onbevlekt sterven, zweven hun zielen mijn zwarte burcht binnen voor zij opstijgen naar Wotans heerlijk rijk en zij mogen zich onder de gesluierde maagden een eeuwige bruid kiezen.„De uitverkoren bruid stijgt dan mede opwaarts en krijgt van Wotan de gave der eeuwige jeugd en eeuwige wisseling. Zij kennen dan geen tijd meer en geen getijden en leven in durende gelukzaligheid van vervulde liefde.„Maar aan de hallen kwam geen eind en ik telde duizende en nogmaals duizende wachtende vrouwen.”„Zijn er reeds veel omhoog gevaren?” vroeg ik beangst.[110]De nikker begon te lachen en mij met een grim aanziende, vroeg hij:„Hebt di dan wel eens een priester ontmoet, die zijn gelofte gestand kon doen?”Ik wist niet wat te antwoorden. Toen begon de nikker te grijnzen en hij trok zijn gordel van loofbladeren los en begon ontuchtig te dansen. Ik vluchtte en hij liet mij stil gaan, maar door de hallen hoorde ik zijn ontuchtige woorden schallen en de witte gestalten trilden.„Morgen ga ik weer zien … gaat di mede?”„Ja, ik ga mede om den nikker te zien dansen.”Wahnfried verschool zich nu dicht bij de hutten, besloten om de twee den volgenden morgen te volgen om ook den burcht van den nikker-koning te ontdekken. Hij wilde alle maagden bevrijden.Maar toen hij ’s nachts lag te denken, begon hij zichzelf af te vragen, wat dit toch voor wezens waren, die in dit woud huisden. Deze van hedenavond had niet gesproken, zooals getwaas dat gewoon is te doen en zij had blijkbaar een afschrik gehad van den ontuchtigen nikker.Daarom kroop hij naar de hut en maakte voorzichtig een gat in het stroo van den wand. Maar binnen was het donker en hij hoorde alleen het ademhalen der twee.Hij zag echter dichtbij den vagen omtrek van een groote, aarden pot en daar zijn hand instekend, voelde hij beenderen en toen hij deze buiten het gat had getrokken, bemerkte hij, dat het een stuk wildbraad was. Daarmede stilde hij zijn honger en ging toen slapen.Tegen den morgen vonden de maagden den priester, maar dit keer bonden zij hem niet, maar wekten hem. Zoodra hij ontwaakte, wilde hij vluchten maar de maagd, die ’s avonds van den nikker had verteld, zeide tot hem:„Waarom wilt di vluchten?”En tot het andere wezen, zeide zij:„Dat is nu mijn nikker.”[111]De priester, bedacht op zijn redding, zeide dadelijk:„Ja, ik ben dijn nikker. Wilt di weder mede gaan naar mijn hollen, komt dan …,”Hij stond op en de twee volgden hem. Toen hij een langen tijd geloopen had en geen gevaar meer behoefde te duchten van de andere wezens, zei hij tot het eene wezen:„Du kent den weg.… Loop vooruit.”Zij gehoorzaamde en liep vooruit. Hij, met het andere wezen, volgde. Maar hij bemerkte wel aan het dwalen en zoeken van die voorging, dat het niet wist welken weg te zullen inslaan. Eindelijk riep hij het terug en zeide:„Kent di den weg niet meer?”„Ja heer nikker.… hier moet de ingang zijn.… bij deze berken.…”Wahnfried zocht en speurde en eindelijk zag hij sporen van menschenvoeten. Die sporen volgde hij en nu kwam hij werkelijk aan den ingang van een donker hol.„Ga voor!” zeide hij tot het wezen.Het wezen stapte over een steen, die voor den ingang lag, binnen.„Heer nikker,” zeide zij, „steek de sterren op. Het is zoo donker.”Wahnfried nam een dorren tak, zocht een stuk droog hout en wreef vuur. Toen de brandende tak opheffend, trad hij ook het hol binnen. Hij beefde van verrassing. Het was een groote hal, welke rondom, terzijde en boven met ijspegels was volgespikkeld, die nu de rossen vlam van den tak weerkaatsten. Hij streek zijn hand langs den wand. De pegels waren niet koud en smolten ook niet, toen hij de vlam er langs hield, maar waren hard en scherp, gelijk de stekels van een doornhaag.Hij trad weder naar buiten en zamelde veel dorre takken, en de twee wezens elk ook een brandenden tak gevend, trok hij eerst voor den ingang een vijfhoek opdat hij niet bij een mogelijke vlucht achtervolgd zou kunnen worden,[112]en nu stapte bij het hol weder binnen. Op de eerste grot volgde een tweede, lager van verdieping maar met dezelfde zilverige pegels langs de wanden en het dak.„Ga naar de gesluierde maagden,” zeide Wahnfried tot het wezen.Dit zocht langen tijd en eindelijk achter in de tweede grot vond zij een nieuwe opening, maar zoo smal, dat zij er met moeite zich doorheen wrong.„Zijn ze daar, de maagden?” vroeg Wahnfried.„Neen heer, ze zijn gevlucht.”„Wat ziet di dan?”„Een groot water en slapende reuzen.”Wahnfried kroop door de opening en een nieuwen tak aanstekend en hoog houdend zag hij een groot, donker, stilstaand meer en terzijde groote schimmen van uitgehouwen rotsen, die wel op reuzen geleken bij het wakkelende schijnsel der brandende takken, maar het niet waren.Langs het donkere water liep een breeden weg van gladgeslepen steenen.Wahnfried liep dien weg langs, de twee wezens elk met een vlammenden tak terzijde. Aan ’t eind van den weg waren breede trappen uitgehouwen. Moedig besteeg hij ze. Het was doodstil in de grootehal, die zoo hoog was, dat Wahnfried alleen bij benadering de hoogte van ’t dak kon schatten. De trappen voerden naar een vlak en hier lagen op een groote hoop bijeen de schedels en beenderen van honderden menschen. En zoekend rondom bij ’t rosse licht van zijn kienhouten toorts, zag hij daar veel oude wapens liggen, steenen aaksten, grof gebikte celten zooals de voorvaderen ze nog gebruikt hadden, aarden urnen met stoffig graan gevuld, kleine frammen van hertshoorn, vuursteenen mesjes. Ook lagen er grof geweven doeken, maar toen hij ze op wilde rapen, vielen zij tot grauw poeder te samen.Wahnfried wist niet wat hij hiervan denken moest.„Waren hier de gesluierde maagden?” vroeg hij het wezen.[113]„Ja hier.… en daar.… en daar.… en overal zaten ze in ’t rond,” antwoordde zij verwezen.De brandtakken begonnen ten einde te raken en daarom liep Wahnfried met de twee wezens terug. Toen hij weer buiten was gekomen, zag hij dat door het bosch Sogol, Harimona en Haun naderden. Hij wilde stil terugtreden in de grot, maar de twee wezens liepen gillend vooruit en vluchtten voor de drie reizigers op de groote paarden.Sogol, de twee half naakte, verwilderde vrouwen ziende vluchten en den naakten man bemerkend, die zich in het hol terugtrok, vermoedde een misdaad.Hij steeg af, en met het blanke kortzwaard in de hand, trad hij naar de opening van de grot, waarin de naakte man was verdwenen.[114]1De oude Germanen zijn hoogstwaarschijnlijk veel minder „kuisch” geweest, dan men, hoofdzakelijk op grond van de tendenzieuse „Germania” van Tacitus, aanneemt. Trouwens Tacitus zelf spreekt van straffen tegen[104]echtbreuk; het ongehuwd blijven van vrouwen, die vóór het huwelijk zich met mannen afgaven en van straffen gesteld op tegennatuurlijke ontucht. Het ligt voor de hand, dat bij een volk, waar de mannen zich voedden met wildbraad en zuivel, zich overgaven aan luiheid en doorloopend drankmisbruik en de vrouwen onderworpen arbeidsters waren; dikwerf het aantal mannen door den oorlog aanzienlijk minder dan dat der vrouwen moest zijn, geen zedelijkheid kon bestaan, volgens de tegenwoordige begrippen. De ontvankelijkheid der Barbaren voor de Romeinsche verdorvenheid is wel merkwaardig.Dertien eeuwen Christendom trouwens vermochten den Germanen nog niet de vroegere „kuischheid” weer te geven. In „Karls des fünfften und des heyligen Römischen Reichs peinlich gerichts ordnung” zijn o.m. straffen gesteld op: abort, schaking, verkrachting, tegennatuurlijke ontucht (eyn mensch mit eynem vihe, mann mit mann, weib mit weib), bloedschande … kortom tegen alle zonden van de twaalf caesars bij elkaar!Toestanden als hier beschreven, zijn geen fantasterijen doch reconstructie’s met grooten grond van waarschijnlijkheid. Overal waar de omstandigheden de geslachten scheiden en de natuurdrift, door onthouding of overmaat, wordt geprikkeld, ontstaan afwijkingen zooals in kazernes, gevangenissen, bagno’s, kloosters, weeshuizen, opvoedingsgestichten, kostscholen.Overmatige lichaamsoefening en onthouding van lichaamsoefening leiden eveneens tot afwijkingen. Asceten en athleten (ook reuzen) zijn vaak op geslachtelijk gebied abnormaal.De oude Germanen, drinkend, luierend, een cultus van ’t lichaam makend door warme baden en lichaamsoefening, kunnen wellicht als „kuisch” hebben gegolden voor iemand als Tacitus, die kennis had van het Rome van Tiberius, Caligula, Claudius en Nero, naar onze begrippen moeten zij barbaren in den vollen zin des woords zijn geweest.Deze noot meent de schrijver hier te moeten inlasschen om zijn eerlijke poging een reconstructie van een tijdperk te leveren, niet als een onzedelijk werk te zien beschouwd. Een recencent meende op zijn roman „Kalverstraat” te moeten afdingen, omdat daarin o.m. het ongelukkig lot der vrouwen in bordeelen wordt geschetst. Diezelfde recencent beklaagde zich echter tenslotte erover, dat de schrijver niet in dat boek wat verteld had van ’t geen na middernacht gebeurde in zekere oester-salons in de Kalverstraat. Dat zou dus niet onzedelijk zijn geweest!↑

HOOFDSTUK VIII.

Toen Maresag ’s morgens in de hut van Harimona komend bemerkte, dat zijn dochter gevlucht was met den Nervischen prins was hij zeer verschrikt. Want met haar verdween de reuk van heiligheid, waarin de haag van Renigo stond en hij vreesde, dat de partij der priesters, die hem om zijn macht en schatten benijdden, opnieuw het nooit geheel gedempte verhaal van Harimona’s geboorte weder zoude opdelven en hem op zijn ouden dag doen boeten voor de zonden zijner jeugd.Hij riep een priesterding te samen en deelde de priesters mede, dat de gruwelijke Nervische prins, Harimona geschaakt had en zeker hare heiligheid en wonderkracht zou gebruiken, om gindsch in zijn rijk een haag den roep van heiligheid te bezorgen.De priesters, eerst ontzet, meenden dat de prins onmiddellijk vervolgd moest worden. Maresag deed twaalf der jongste priesters te paard stijgen en gaf ze bevel Sogol dood of levend hem terug te brengen. Maar Harimona moest gespaard blijven en met alle voorzorgen en eer weder naar de haag van Renigo worden begeleid.De twaalf priesters, op flinke paarden, gewapend met kortzwaard en fram, reden zoo snel zij konden in de richting der Nervische gouwen. Zij vermoedden niet dat Sogol zich geenszins had gehaast en zoo reden zij hem reeds op den derden dag voorbij, terwijl hij, Harimona en Haun in een boschje kampeerden. Onderweg aan de groote pleisterplaatsen vroegen zij of men de vluchtelingen ook gezien had en vertelden van het snoode bedrijf van den Nervischen prins, die de kuische priesteres uit de haag[101]had geschaakt. Maar nergens had men Sogol gezien, die niet de groote heerwegen volgde, doch onbekommerd om betooverde bosschen, spelonkgeesten of roovers, zijn richting houdend door naar de sterren te zien, ver van de heerwegen met lange, maar langzame dagreizen naar zijn rijk reed en juist daardoor den roovers ontging, die allen nabij de heerwegen rond zwierven, waar alleen hoop op buit voor hen te verwachten was.De twaalf priesters kwamen ten laatste lang voor Sogol en Harimona aan het Bellovaaksche woud, waarachter de Nervische gouwen liggen. Maar in dat woud stuitten zij op tegenstand.Himilrât met de strijdmaagden, die haar getrouw waren gebleven, huisde in dit woud, de gelegenheid afwachtend om een aanval in het dorp van Solbert te wagen en dezen om te brengen. De maagden, half naakt, alleen gekleed in de huiden van de beren, of van de vossen, die zij in ’t woud doodden, zich uitsluitend voedend met wildbraad, kruiden, noten en wilde vruchten, steeds bij elkander en zonder zelfs ooit een man te zien, gaven zich over aan de perverse instincten, die in haar door deze levenswijze, tot ontwikkeling kwamen. Himilrât had eerst gepoogd deze vreemde genegenheden tegen te gaan, doch op een avond, toen zij met een tiental maagden was uitgetrokken om te jagen was een der maagden, een groote, volle, blonde meid, toen zij een hert met een speer had geveld en toegeloopen was op de buit, door het dier, dat nog eenmaal opstond, met het gewei in de borst gestoken.Himilrât hoorde haar hulpgeroep en snelde toe. Het gevaar was reeds geweken, want het dier was gestorven. Maar de maagd zat neer op een bemosten boomstam, die eens ontworteld door den bliksem, was neergevallen en trachtte met heur hand het bloed te stuiten, dat uit de wonde in haar boezem langs haar maagholte nederdroop.Himilrât zette zich bij de maagd neder, die door bloedverlies[102]uitgeput, heur hoofd tegen Himilrât’s boezem deed rusten en zich door haar liet verbinden. De bloedende vrouweboezem deed in Himilrât plotseling een vreemde begeerte opkomen. Zij beefde over haar geheele lichaam, voelde haar bloed naar heur hoofd stijgen en drukte de maagd zacht tegen zich aan. Die sloeg haar moede oogen op en scheen dankbaar voor de koestering.Himilrât legde een paar groote, jonge bladeren op de wonde en het bloed stelpte. Maar zij stond niet op, gaf geen antwoord op het horengeschal der andere maagden, die heur zochten. Zij legde haar gespierden arm om den gebruinden hals der gewonde maagd en haar tegen zich aandrukkend, begon zij haar te vragen, met een liefelijke stem en zachte woordjes, terwijl heur borst beangst was van vreemden lust, of het haar nu beter ging en of zij nu geen pijn meer had.De gewonde maagd, gewend aan de harde stem en de strenge woorden van heur opperhoofd, drukte zich nog dichter tegen Himilrât aan en deze, nu haar op de schoot nemend, begon heur ruwe wang tegen die der maagd te houden, streek haar wang langs dier boezem en toen, bij de wonde, drukte zij opeens de maagd met onstuimige kracht tegen heur hoofd en begon de bebloede boezem wild en hartstochtelijk met kussen te bedekken.De gewonde maagd, in stede van te krijten, vond wellust in de pijn, die haar de wonde veroorzaakte, sloeg op hare beurt de armen om hare verzorgster en zoo bleven zij beiden bij elkaar tot den laten avond, zich verheugend, dat de andere maagden een tegenovergestelde richting hadden ingeslagen om haar te zoeken.Sedert bleven deze twee vrouwen bij elkaar enHimilrât, wel verre van de vreemde genegenheden voortaan bij heur maagden te bestrijden, bevorderde ze en beval ze ten laatste, zoodat de maagden nu allen paarsgewijze leefden, vriendin bij vriendin. Maar Babehild, de uitverkoren vriendin[103]van Himilrât, voelde een andere genegenheid in zich opkomen en eens op een avond, toen Himilrât ongewoon vroeg thuis kwam van een jachtrit, vond zij een andere maagd bij Babehild. Himilrât, verblind door naijver, begon de andere maagd dadelijk te slaan. Babehild verdedigde heur nieuwe vriendin en beide vrouwen grepen naar het kortzwaard en het schild en buiten in de schemer van het woud, vingen zij een tweegevecht aan. Beiden sloegen op elkaar in met woede, maar wisten langen tijd de slagen op het schild op te vangen, tot een slag van Babehild den beukel van ’t schild van Himilrât afsloeg. Hierdoor verloor Himilrât de zekerheid bij ’t verweer en eindelijk trof een slag haar in den nek. Zij viel neer en bloedde dood.De andere maagden verheugd, dat de strenge Himilrât gedood was, kozen Babehild tot hoofd.Babehild bekommerde zich alleen om hare genegenheden en velen der maagden, allen overgegeven aan hare natuurlijke instincten, verloren het verstand. Eene maagd liep rond met een stuk hout in den arm, meenende dat dit haar kind was, koesterde het in heur armen; gaf het de borst; zong het stuk hout ’s avonds met lange, treurige wijsjes in slaap en sprak het toe met kleine koosnaampjes. Een andere vertelde dat zij zwanger was en berekende den dag van de geboorte van ’t kind. En zoo sterk was hare verbeelding, dat werkelijk haar buik opzwol als van een vrouw die een kind onder ’t hart draagt, doch baren deed zij niet.Een derde maagd, die langen tijd zonder vriendin was gebleken omdat zij, met zweren overdekt, door dezen gesneden werd, sloot vriendschap met een hond en werd door dezen bevrucht.1Er waren maagden, die zich verbeeldden[104]elfen te zijn. Zij liepen naakt rond in het woud, loerden tusschen de boomen op kobolden en nikkers, vertelden de anderen door een nikker of een kobold[105]geschoffeerd te zijn en deden lange, uitvoerige verhalen van de schrikkelijke dingen die zij gezien en beleefd hadden in het hol van de kobolden. Soms kwam ééne harer, de haren golvend in den wind, de armen vooruitgestrekt, gillend en krijtend naar de holen snellen, bleek van ontzetting, kilbezweet en buiten adem en als zij wat tot rust was gekomen, verhaalde zij van een grooten kobold, die heur achterna was gerend, omgeven door een aantal boosaardige dwergen, die springend, buitelend over ’t hoofd en soms zelfs met groote, zwarte vlerken in de lucht vliegend, haar hadden willen pakken.En niet zelden toonde zoo’n maagd sporen van beten in de naakte kuiten, nog roode indrukken van tanden, die heetten toegebracht te zijn door de kwaadaardige kobolden.Toen de twaalf jonge priesters tegen den avond het Aarduwener woud betraden en hier halt hielden, werden zij in den nacht verschrikt door een vreemd hoog gillen, dat hun allen met schrik vervulde. Zij stookten het wachtvuur op en nu, bij den gloed van de vlammen, zagen zij naakte wezens, die in een verre kring hun beloerden.De priesters waren zeer angstig en keken de vreemde wezens oplettend aan. Zij geleken wel ’t meest op vrouwen, doch zij hadden slechts één borst. Ook droegen zij speren en schilden.Eenige der priesters, zonder zich te bezinnen, namen de vlucht uit het woud, hun wapens achterlatend, zoo snel zij konden hun paarden bestijgend en wegrennend uit het betooverde woud. Anderen begonnenbezwerings-formulesuit te spreken en trokken in der haast heilige kringen en zevenhoeken op den grond, Wotan aanroepend om hen tegen de kwade geesten te beschermen. Maar een viertal, moediger dan de anderen, grepen naar hun kortzwaarden, sloegen de beukelaars voor de borst en renden op het woudgetwaas af om het neer te houwen.Toen vluchtten de vreemde wezens diep in ’t woud,[106]waar ’t zwart en donker was en de vier priesters, in hun overmoed niet bij elkaar houdend, maar elk een ander pad volgend, ziende hoe de wezens paarsgewijze vluchtten, raakten in het woud verdwaald en toen zij, de horens blazend, elkaar signalen gaven, klonken van vele zijden dezelfde signalen terug, zoodat zij, nu wel overtuigd in een betooverd woud te zijn gekomen, hun moed voelden zinken en niet wetend naar welke zijde te vluchten, op de plaats bleven standhouden, het schild aan den arm en het zwaard in de vuist, gereed om hun leven te verdedigen.Zij wachtten langen tijd maar hoorden niets meer en hoopten op den morgen om hun makkers weder te kunnen vinden of in elk geval, zich uit het betooverde woud te kunnen redden. Doch de vermoeienis van de reis won het van hun angst en zij vielen in slaap.Toen kwamen de vreemde wezens nader sluipen en plotseling grepen vijf, zes van haar een priester vast en bonden hem de handen en de voeten met gevlochten tenen en brachten hem nu naar de holen.Daar lagen de vier gebonden priesters weerloos en in doodsangsten tot den morgen. Toen, bij het daglicht konden zij de vreemde wezens nauwkeuriger bezien en nog altijd konden zij zich niet verklaren, door wat voor getwaas zij waren gevangen genomen.Een der wezens, blijkbaar het opperhoofd, beval de anderen, dat zij de vier gevangenen geheel naakt zouden uitkleeden. Toen rukten de wezens hun de kleederen van ’t lijf en nu keken de wezens met groote bewondering naar hun lichamen. Zij betastten hen overal, gilden op zonderlinge wijze, vormden kringen en dansten liedjes zingend om hen heen.De priesters hoorend, dat de wezens hun taal spraken in den Nervischen tongval, begonnen nu moed te vatten en vroegen het opperhoofd te spreken.Het opperhoofd kwam en liet de vier mannen water te[107]drinken geven. Maar de priesters, vreezend dat zij vergiftigd zouden worden, zeiden geen dorst te hebben.„Wie zijt di en wat kwaamt di doen in ons woud?” vroeg het opperhoofd.„Wij zijn priesters uit den heiligen haag van Renigo. De Nervische prins Sogol heeft onze heilige jonkvrouw Harimona ontvoerd en de opperpriester Maresag zond ons uit om de jonkvrouw terug te voeren.”„Waar is de jonkvrouw?” vroeg het opperhoofd.„Wij zoeken haar sinds dagen. De prins kon slechts een korten voorsprong op ons hebben en nog dezen dag hoopten wij hem in te halen.”Een der maagden liep op den spreker toe en opeens gillend en hem spuwend, riep zij:„Dat is de zwarte kobold, dien ik heb zien vliegen. Dat is de kobold, die mij gebeten heeft.…”En zich op den gebonden man werpend, begon zij hem met de lange nagels het gezicht open te rijten. Een tweede maagd sprong nu toe, duwde de eerste weg en schreeuwde:„Du liegt, du liegt.… het is mijn nikker.… mijn nikker, waar ik alle nachten mee samen ben.… Laat het hem zelf zeggen.… Babehild, Babehild.… laat het hem zelf zeggen.…”Maar de eerste maagd greep de andere in de haren en deze twee elkaar stompend, bijtend, trappend, krabbend, geraakten in hysterische woede; andere maagden begonnen over de drie andere priesters te twisten en deze, gebruik makend aan de onoplettendheid der kijvende, gillende, krankzinnige vrouwen, wisten zich los te werken en tegelijk opspringend, vluchtten zij, geheel naakt nu, het bosch insnellend, zoo hard zij loopen konden. De maagden, dit ziende, snelden hen na. Drie priesters wisten te ontkomen en zich in ’t woud te verbergen. Maar de vierde, een korte, wat zwaarlijvige man, niet zoo vlug ter been, viel en werd door eenige maagden achterhaald. Zij stortten zich op hem,[108]beten hem in ’t lichaam, rukten hem de haren uit. Hij verweerde zich, trapte van zich af, sloeg met de vuisten. Eene, die haar vingers in zijn mond stak, beet hij de vingers af. Met de andere hand greep zij hem in de oogen en haar lange, scherpe nagels sneden het oogvlies door. De verblinde man, gierend, joelend van woede en pijn, beet, trapte, stompte in ’t wilde. Maar de vrouwen, in krankzinnige woede, wierpen zich op hem en één, een zwaren dorren tak nemend, sloeg hem daarmede op ’t hoofd zoodat hij bewusteloos neerviel, roepend: „Dat ’s voor di, zwarte kobold!”Toen, verschrikt over haar eigen bedrijf, stonden ze stil rond den zieltogenden man, verwonderd dat hij daar nu zoo stil lag en met kinderlijke belangstelling, schouwend naar zijn schaamdeel. Zij keken toen elkaar aan met vreemde blikken in de oogen en ééne begon op eens te schateren en een tweede, haar gelaat naar boven kêerend, sloeg de handen samen voor de borst en proestte het uit van lachen.… en een derde lachte en een vierde en opeens liepen de ze lachend, proestend, huppelend allen in een verwezen, hysterische vreugde weg van den verslagene, gillend de holen tegemoet om te zeggen, wat zij voor vreemds gezien hadden.De drie anderen, niet durvend roepen, vluchtten elk een eigen weg kiezend, in ’t woud. Geheel naakt, dorstig, oververmoeid, doodelijk bevreesd voor het getwaas, liepen ze toch voort, altoos door in één richting, om maar ver van de onheilvolle plaats weg te komen.Tot zij van vermoeidheid niet verder konden. Bevreesd voor roofdieren, zonder kleeding, zonder wapen, klommen zij in een boom enlegdenzich op het dichtineengestrengelde loover neder om te rusten.Een der priesters, Wahnfried genaamd, voelde zich bekruipen door de lust om méér van de zonderlinge wezens te weten te komen. Daarom verliet hij tegen de schemering[109]zijn schuilplaats en sloop weer terug naar de plaats waar de hutten en holen lagen. Daar brandden rondom vuren en bij den rooden gloed zag hij nu, dat de wezens in vrouwen en mannen onderscheiden moesten worden, hoewel uiterlijk tusschen de geslachten geen verschil was op te merken. Hij sloop zoo dichtbij, dat hij de woorden kon verstaan, die zij spraken. En nu vernam hij, dat een der wezens, door een nikker was nagerend. Deze had haar gegrepen en haar medegetrokken naar zijn burcht onder de aarde. Het was een groote burcht van zwarte steenen, die verlicht werd door sterren, die tegen de zolderingen der hallen hingen. De nikker had haar door lange, onafzienbare hallen gevoerd waar op zwarte banken witte gestalten met gesluierde gelaten zaten. „Wie zijn dat?” had het wezen gevraagd.„Dat zijn de geesten van gestorven maagden,” had de nikker geantwoord. „Zij blijven hier zoo zitten, onaandoenlijk voor alle gevoelens, tot een minnaar ze komt verlossen. Want daar zij boven de liefde niet hebben gekend, kunnen zij niet opstijgen naar Walhalla, om bij de feestmalen de helden te dienen en te vermaken.”„En waar zijn dan hun minnaars?”„Hun minnaars zijn de priesters, die de gelofte der kuischheid hebben gedaan. Wanneer zij waarachtig kuisch leven en onbevlekt sterven, zweven hun zielen mijn zwarte burcht binnen voor zij opstijgen naar Wotans heerlijk rijk en zij mogen zich onder de gesluierde maagden een eeuwige bruid kiezen.„De uitverkoren bruid stijgt dan mede opwaarts en krijgt van Wotan de gave der eeuwige jeugd en eeuwige wisseling. Zij kennen dan geen tijd meer en geen getijden en leven in durende gelukzaligheid van vervulde liefde.„Maar aan de hallen kwam geen eind en ik telde duizende en nogmaals duizende wachtende vrouwen.”„Zijn er reeds veel omhoog gevaren?” vroeg ik beangst.[110]De nikker begon te lachen en mij met een grim aanziende, vroeg hij:„Hebt di dan wel eens een priester ontmoet, die zijn gelofte gestand kon doen?”Ik wist niet wat te antwoorden. Toen begon de nikker te grijnzen en hij trok zijn gordel van loofbladeren los en begon ontuchtig te dansen. Ik vluchtte en hij liet mij stil gaan, maar door de hallen hoorde ik zijn ontuchtige woorden schallen en de witte gestalten trilden.„Morgen ga ik weer zien … gaat di mede?”„Ja, ik ga mede om den nikker te zien dansen.”Wahnfried verschool zich nu dicht bij de hutten, besloten om de twee den volgenden morgen te volgen om ook den burcht van den nikker-koning te ontdekken. Hij wilde alle maagden bevrijden.Maar toen hij ’s nachts lag te denken, begon hij zichzelf af te vragen, wat dit toch voor wezens waren, die in dit woud huisden. Deze van hedenavond had niet gesproken, zooals getwaas dat gewoon is te doen en zij had blijkbaar een afschrik gehad van den ontuchtigen nikker.Daarom kroop hij naar de hut en maakte voorzichtig een gat in het stroo van den wand. Maar binnen was het donker en hij hoorde alleen het ademhalen der twee.Hij zag echter dichtbij den vagen omtrek van een groote, aarden pot en daar zijn hand instekend, voelde hij beenderen en toen hij deze buiten het gat had getrokken, bemerkte hij, dat het een stuk wildbraad was. Daarmede stilde hij zijn honger en ging toen slapen.Tegen den morgen vonden de maagden den priester, maar dit keer bonden zij hem niet, maar wekten hem. Zoodra hij ontwaakte, wilde hij vluchten maar de maagd, die ’s avonds van den nikker had verteld, zeide tot hem:„Waarom wilt di vluchten?”En tot het andere wezen, zeide zij:„Dat is nu mijn nikker.”[111]De priester, bedacht op zijn redding, zeide dadelijk:„Ja, ik ben dijn nikker. Wilt di weder mede gaan naar mijn hollen, komt dan …,”Hij stond op en de twee volgden hem. Toen hij een langen tijd geloopen had en geen gevaar meer behoefde te duchten van de andere wezens, zei hij tot het eene wezen:„Du kent den weg.… Loop vooruit.”Zij gehoorzaamde en liep vooruit. Hij, met het andere wezen, volgde. Maar hij bemerkte wel aan het dwalen en zoeken van die voorging, dat het niet wist welken weg te zullen inslaan. Eindelijk riep hij het terug en zeide:„Kent di den weg niet meer?”„Ja heer nikker.… hier moet de ingang zijn.… bij deze berken.…”Wahnfried zocht en speurde en eindelijk zag hij sporen van menschenvoeten. Die sporen volgde hij en nu kwam hij werkelijk aan den ingang van een donker hol.„Ga voor!” zeide hij tot het wezen.Het wezen stapte over een steen, die voor den ingang lag, binnen.„Heer nikker,” zeide zij, „steek de sterren op. Het is zoo donker.”Wahnfried nam een dorren tak, zocht een stuk droog hout en wreef vuur. Toen de brandende tak opheffend, trad hij ook het hol binnen. Hij beefde van verrassing. Het was een groote hal, welke rondom, terzijde en boven met ijspegels was volgespikkeld, die nu de rossen vlam van den tak weerkaatsten. Hij streek zijn hand langs den wand. De pegels waren niet koud en smolten ook niet, toen hij de vlam er langs hield, maar waren hard en scherp, gelijk de stekels van een doornhaag.Hij trad weder naar buiten en zamelde veel dorre takken, en de twee wezens elk ook een brandenden tak gevend, trok hij eerst voor den ingang een vijfhoek opdat hij niet bij een mogelijke vlucht achtervolgd zou kunnen worden,[112]en nu stapte bij het hol weder binnen. Op de eerste grot volgde een tweede, lager van verdieping maar met dezelfde zilverige pegels langs de wanden en het dak.„Ga naar de gesluierde maagden,” zeide Wahnfried tot het wezen.Dit zocht langen tijd en eindelijk achter in de tweede grot vond zij een nieuwe opening, maar zoo smal, dat zij er met moeite zich doorheen wrong.„Zijn ze daar, de maagden?” vroeg Wahnfried.„Neen heer, ze zijn gevlucht.”„Wat ziet di dan?”„Een groot water en slapende reuzen.”Wahnfried kroop door de opening en een nieuwen tak aanstekend en hoog houdend zag hij een groot, donker, stilstaand meer en terzijde groote schimmen van uitgehouwen rotsen, die wel op reuzen geleken bij het wakkelende schijnsel der brandende takken, maar het niet waren.Langs het donkere water liep een breeden weg van gladgeslepen steenen.Wahnfried liep dien weg langs, de twee wezens elk met een vlammenden tak terzijde. Aan ’t eind van den weg waren breede trappen uitgehouwen. Moedig besteeg hij ze. Het was doodstil in de grootehal, die zoo hoog was, dat Wahnfried alleen bij benadering de hoogte van ’t dak kon schatten. De trappen voerden naar een vlak en hier lagen op een groote hoop bijeen de schedels en beenderen van honderden menschen. En zoekend rondom bij ’t rosse licht van zijn kienhouten toorts, zag hij daar veel oude wapens liggen, steenen aaksten, grof gebikte celten zooals de voorvaderen ze nog gebruikt hadden, aarden urnen met stoffig graan gevuld, kleine frammen van hertshoorn, vuursteenen mesjes. Ook lagen er grof geweven doeken, maar toen hij ze op wilde rapen, vielen zij tot grauw poeder te samen.Wahnfried wist niet wat hij hiervan denken moest.„Waren hier de gesluierde maagden?” vroeg hij het wezen.[113]„Ja hier.… en daar.… en daar.… en overal zaten ze in ’t rond,” antwoordde zij verwezen.De brandtakken begonnen ten einde te raken en daarom liep Wahnfried met de twee wezens terug. Toen hij weer buiten was gekomen, zag hij dat door het bosch Sogol, Harimona en Haun naderden. Hij wilde stil terugtreden in de grot, maar de twee wezens liepen gillend vooruit en vluchtten voor de drie reizigers op de groote paarden.Sogol, de twee half naakte, verwilderde vrouwen ziende vluchten en den naakten man bemerkend, die zich in het hol terugtrok, vermoedde een misdaad.Hij steeg af, en met het blanke kortzwaard in de hand, trad hij naar de opening van de grot, waarin de naakte man was verdwenen.[114]

Toen Maresag ’s morgens in de hut van Harimona komend bemerkte, dat zijn dochter gevlucht was met den Nervischen prins was hij zeer verschrikt. Want met haar verdween de reuk van heiligheid, waarin de haag van Renigo stond en hij vreesde, dat de partij der priesters, die hem om zijn macht en schatten benijdden, opnieuw het nooit geheel gedempte verhaal van Harimona’s geboorte weder zoude opdelven en hem op zijn ouden dag doen boeten voor de zonden zijner jeugd.

Hij riep een priesterding te samen en deelde de priesters mede, dat de gruwelijke Nervische prins, Harimona geschaakt had en zeker hare heiligheid en wonderkracht zou gebruiken, om gindsch in zijn rijk een haag den roep van heiligheid te bezorgen.

De priesters, eerst ontzet, meenden dat de prins onmiddellijk vervolgd moest worden. Maresag deed twaalf der jongste priesters te paard stijgen en gaf ze bevel Sogol dood of levend hem terug te brengen. Maar Harimona moest gespaard blijven en met alle voorzorgen en eer weder naar de haag van Renigo worden begeleid.

De twaalf priesters, op flinke paarden, gewapend met kortzwaard en fram, reden zoo snel zij konden in de richting der Nervische gouwen. Zij vermoedden niet dat Sogol zich geenszins had gehaast en zoo reden zij hem reeds op den derden dag voorbij, terwijl hij, Harimona en Haun in een boschje kampeerden. Onderweg aan de groote pleisterplaatsen vroegen zij of men de vluchtelingen ook gezien had en vertelden van het snoode bedrijf van den Nervischen prins, die de kuische priesteres uit de haag[101]had geschaakt. Maar nergens had men Sogol gezien, die niet de groote heerwegen volgde, doch onbekommerd om betooverde bosschen, spelonkgeesten of roovers, zijn richting houdend door naar de sterren te zien, ver van de heerwegen met lange, maar langzame dagreizen naar zijn rijk reed en juist daardoor den roovers ontging, die allen nabij de heerwegen rond zwierven, waar alleen hoop op buit voor hen te verwachten was.

De twaalf priesters kwamen ten laatste lang voor Sogol en Harimona aan het Bellovaaksche woud, waarachter de Nervische gouwen liggen. Maar in dat woud stuitten zij op tegenstand.

Himilrât met de strijdmaagden, die haar getrouw waren gebleven, huisde in dit woud, de gelegenheid afwachtend om een aanval in het dorp van Solbert te wagen en dezen om te brengen. De maagden, half naakt, alleen gekleed in de huiden van de beren, of van de vossen, die zij in ’t woud doodden, zich uitsluitend voedend met wildbraad, kruiden, noten en wilde vruchten, steeds bij elkander en zonder zelfs ooit een man te zien, gaven zich over aan de perverse instincten, die in haar door deze levenswijze, tot ontwikkeling kwamen. Himilrât had eerst gepoogd deze vreemde genegenheden tegen te gaan, doch op een avond, toen zij met een tiental maagden was uitgetrokken om te jagen was een der maagden, een groote, volle, blonde meid, toen zij een hert met een speer had geveld en toegeloopen was op de buit, door het dier, dat nog eenmaal opstond, met het gewei in de borst gestoken.

Himilrât hoorde haar hulpgeroep en snelde toe. Het gevaar was reeds geweken, want het dier was gestorven. Maar de maagd zat neer op een bemosten boomstam, die eens ontworteld door den bliksem, was neergevallen en trachtte met heur hand het bloed te stuiten, dat uit de wonde in haar boezem langs haar maagholte nederdroop.

Himilrât zette zich bij de maagd neder, die door bloedverlies[102]uitgeput, heur hoofd tegen Himilrât’s boezem deed rusten en zich door haar liet verbinden. De bloedende vrouweboezem deed in Himilrât plotseling een vreemde begeerte opkomen. Zij beefde over haar geheele lichaam, voelde haar bloed naar heur hoofd stijgen en drukte de maagd zacht tegen zich aan. Die sloeg haar moede oogen op en scheen dankbaar voor de koestering.

Himilrât legde een paar groote, jonge bladeren op de wonde en het bloed stelpte. Maar zij stond niet op, gaf geen antwoord op het horengeschal der andere maagden, die heur zochten. Zij legde haar gespierden arm om den gebruinden hals der gewonde maagd en haar tegen zich aandrukkend, begon zij haar te vragen, met een liefelijke stem en zachte woordjes, terwijl heur borst beangst was van vreemden lust, of het haar nu beter ging en of zij nu geen pijn meer had.

De gewonde maagd, gewend aan de harde stem en de strenge woorden van heur opperhoofd, drukte zich nog dichter tegen Himilrât aan en deze, nu haar op de schoot nemend, begon heur ruwe wang tegen die der maagd te houden, streek haar wang langs dier boezem en toen, bij de wonde, drukte zij opeens de maagd met onstuimige kracht tegen heur hoofd en begon de bebloede boezem wild en hartstochtelijk met kussen te bedekken.

De gewonde maagd, in stede van te krijten, vond wellust in de pijn, die haar de wonde veroorzaakte, sloeg op hare beurt de armen om hare verzorgster en zoo bleven zij beiden bij elkaar tot den laten avond, zich verheugend, dat de andere maagden een tegenovergestelde richting hadden ingeslagen om haar te zoeken.

Sedert bleven deze twee vrouwen bij elkaar enHimilrât, wel verre van de vreemde genegenheden voortaan bij heur maagden te bestrijden, bevorderde ze en beval ze ten laatste, zoodat de maagden nu allen paarsgewijze leefden, vriendin bij vriendin. Maar Babehild, de uitverkoren vriendin[103]van Himilrât, voelde een andere genegenheid in zich opkomen en eens op een avond, toen Himilrât ongewoon vroeg thuis kwam van een jachtrit, vond zij een andere maagd bij Babehild. Himilrât, verblind door naijver, begon de andere maagd dadelijk te slaan. Babehild verdedigde heur nieuwe vriendin en beide vrouwen grepen naar het kortzwaard en het schild en buiten in de schemer van het woud, vingen zij een tweegevecht aan. Beiden sloegen op elkaar in met woede, maar wisten langen tijd de slagen op het schild op te vangen, tot een slag van Babehild den beukel van ’t schild van Himilrât afsloeg. Hierdoor verloor Himilrât de zekerheid bij ’t verweer en eindelijk trof een slag haar in den nek. Zij viel neer en bloedde dood.

De andere maagden verheugd, dat de strenge Himilrât gedood was, kozen Babehild tot hoofd.

Babehild bekommerde zich alleen om hare genegenheden en velen der maagden, allen overgegeven aan hare natuurlijke instincten, verloren het verstand. Eene maagd liep rond met een stuk hout in den arm, meenende dat dit haar kind was, koesterde het in heur armen; gaf het de borst; zong het stuk hout ’s avonds met lange, treurige wijsjes in slaap en sprak het toe met kleine koosnaampjes. Een andere vertelde dat zij zwanger was en berekende den dag van de geboorte van ’t kind. En zoo sterk was hare verbeelding, dat werkelijk haar buik opzwol als van een vrouw die een kind onder ’t hart draagt, doch baren deed zij niet.

Een derde maagd, die langen tijd zonder vriendin was gebleken omdat zij, met zweren overdekt, door dezen gesneden werd, sloot vriendschap met een hond en werd door dezen bevrucht.1Er waren maagden, die zich verbeeldden[104]elfen te zijn. Zij liepen naakt rond in het woud, loerden tusschen de boomen op kobolden en nikkers, vertelden de anderen door een nikker of een kobold[105]geschoffeerd te zijn en deden lange, uitvoerige verhalen van de schrikkelijke dingen die zij gezien en beleefd hadden in het hol van de kobolden. Soms kwam ééne harer, de haren golvend in den wind, de armen vooruitgestrekt, gillend en krijtend naar de holen snellen, bleek van ontzetting, kilbezweet en buiten adem en als zij wat tot rust was gekomen, verhaalde zij van een grooten kobold, die heur achterna was gerend, omgeven door een aantal boosaardige dwergen, die springend, buitelend over ’t hoofd en soms zelfs met groote, zwarte vlerken in de lucht vliegend, haar hadden willen pakken.

En niet zelden toonde zoo’n maagd sporen van beten in de naakte kuiten, nog roode indrukken van tanden, die heetten toegebracht te zijn door de kwaadaardige kobolden.

Toen de twaalf jonge priesters tegen den avond het Aarduwener woud betraden en hier halt hielden, werden zij in den nacht verschrikt door een vreemd hoog gillen, dat hun allen met schrik vervulde. Zij stookten het wachtvuur op en nu, bij den gloed van de vlammen, zagen zij naakte wezens, die in een verre kring hun beloerden.

De priesters waren zeer angstig en keken de vreemde wezens oplettend aan. Zij geleken wel ’t meest op vrouwen, doch zij hadden slechts één borst. Ook droegen zij speren en schilden.

Eenige der priesters, zonder zich te bezinnen, namen de vlucht uit het woud, hun wapens achterlatend, zoo snel zij konden hun paarden bestijgend en wegrennend uit het betooverde woud. Anderen begonnenbezwerings-formulesuit te spreken en trokken in der haast heilige kringen en zevenhoeken op den grond, Wotan aanroepend om hen tegen de kwade geesten te beschermen. Maar een viertal, moediger dan de anderen, grepen naar hun kortzwaarden, sloegen de beukelaars voor de borst en renden op het woudgetwaas af om het neer te houwen.

Toen vluchtten de vreemde wezens diep in ’t woud,[106]waar ’t zwart en donker was en de vier priesters, in hun overmoed niet bij elkaar houdend, maar elk een ander pad volgend, ziende hoe de wezens paarsgewijze vluchtten, raakten in het woud verdwaald en toen zij, de horens blazend, elkaar signalen gaven, klonken van vele zijden dezelfde signalen terug, zoodat zij, nu wel overtuigd in een betooverd woud te zijn gekomen, hun moed voelden zinken en niet wetend naar welke zijde te vluchten, op de plaats bleven standhouden, het schild aan den arm en het zwaard in de vuist, gereed om hun leven te verdedigen.

Zij wachtten langen tijd maar hoorden niets meer en hoopten op den morgen om hun makkers weder te kunnen vinden of in elk geval, zich uit het betooverde woud te kunnen redden. Doch de vermoeienis van de reis won het van hun angst en zij vielen in slaap.

Toen kwamen de vreemde wezens nader sluipen en plotseling grepen vijf, zes van haar een priester vast en bonden hem de handen en de voeten met gevlochten tenen en brachten hem nu naar de holen.

Daar lagen de vier gebonden priesters weerloos en in doodsangsten tot den morgen. Toen, bij het daglicht konden zij de vreemde wezens nauwkeuriger bezien en nog altijd konden zij zich niet verklaren, door wat voor getwaas zij waren gevangen genomen.

Een der wezens, blijkbaar het opperhoofd, beval de anderen, dat zij de vier gevangenen geheel naakt zouden uitkleeden. Toen rukten de wezens hun de kleederen van ’t lijf en nu keken de wezens met groote bewondering naar hun lichamen. Zij betastten hen overal, gilden op zonderlinge wijze, vormden kringen en dansten liedjes zingend om hen heen.

De priesters hoorend, dat de wezens hun taal spraken in den Nervischen tongval, begonnen nu moed te vatten en vroegen het opperhoofd te spreken.

Het opperhoofd kwam en liet de vier mannen water te[107]drinken geven. Maar de priesters, vreezend dat zij vergiftigd zouden worden, zeiden geen dorst te hebben.

„Wie zijt di en wat kwaamt di doen in ons woud?” vroeg het opperhoofd.

„Wij zijn priesters uit den heiligen haag van Renigo. De Nervische prins Sogol heeft onze heilige jonkvrouw Harimona ontvoerd en de opperpriester Maresag zond ons uit om de jonkvrouw terug te voeren.”

„Waar is de jonkvrouw?” vroeg het opperhoofd.

„Wij zoeken haar sinds dagen. De prins kon slechts een korten voorsprong op ons hebben en nog dezen dag hoopten wij hem in te halen.”

Een der maagden liep op den spreker toe en opeens gillend en hem spuwend, riep zij:

„Dat is de zwarte kobold, dien ik heb zien vliegen. Dat is de kobold, die mij gebeten heeft.…”

En zich op den gebonden man werpend, begon zij hem met de lange nagels het gezicht open te rijten. Een tweede maagd sprong nu toe, duwde de eerste weg en schreeuwde:

„Du liegt, du liegt.… het is mijn nikker.… mijn nikker, waar ik alle nachten mee samen ben.… Laat het hem zelf zeggen.… Babehild, Babehild.… laat het hem zelf zeggen.…”

Maar de eerste maagd greep de andere in de haren en deze twee elkaar stompend, bijtend, trappend, krabbend, geraakten in hysterische woede; andere maagden begonnen over de drie andere priesters te twisten en deze, gebruik makend aan de onoplettendheid der kijvende, gillende, krankzinnige vrouwen, wisten zich los te werken en tegelijk opspringend, vluchtten zij, geheel naakt nu, het bosch insnellend, zoo hard zij loopen konden. De maagden, dit ziende, snelden hen na. Drie priesters wisten te ontkomen en zich in ’t woud te verbergen. Maar de vierde, een korte, wat zwaarlijvige man, niet zoo vlug ter been, viel en werd door eenige maagden achterhaald. Zij stortten zich op hem,[108]beten hem in ’t lichaam, rukten hem de haren uit. Hij verweerde zich, trapte van zich af, sloeg met de vuisten. Eene, die haar vingers in zijn mond stak, beet hij de vingers af. Met de andere hand greep zij hem in de oogen en haar lange, scherpe nagels sneden het oogvlies door. De verblinde man, gierend, joelend van woede en pijn, beet, trapte, stompte in ’t wilde. Maar de vrouwen, in krankzinnige woede, wierpen zich op hem en één, een zwaren dorren tak nemend, sloeg hem daarmede op ’t hoofd zoodat hij bewusteloos neerviel, roepend: „Dat ’s voor di, zwarte kobold!”

Toen, verschrikt over haar eigen bedrijf, stonden ze stil rond den zieltogenden man, verwonderd dat hij daar nu zoo stil lag en met kinderlijke belangstelling, schouwend naar zijn schaamdeel. Zij keken toen elkaar aan met vreemde blikken in de oogen en ééne begon op eens te schateren en een tweede, haar gelaat naar boven kêerend, sloeg de handen samen voor de borst en proestte het uit van lachen.… en een derde lachte en een vierde en opeens liepen de ze lachend, proestend, huppelend allen in een verwezen, hysterische vreugde weg van den verslagene, gillend de holen tegemoet om te zeggen, wat zij voor vreemds gezien hadden.

De drie anderen, niet durvend roepen, vluchtten elk een eigen weg kiezend, in ’t woud. Geheel naakt, dorstig, oververmoeid, doodelijk bevreesd voor het getwaas, liepen ze toch voort, altoos door in één richting, om maar ver van de onheilvolle plaats weg te komen.

Tot zij van vermoeidheid niet verder konden. Bevreesd voor roofdieren, zonder kleeding, zonder wapen, klommen zij in een boom enlegdenzich op het dichtineengestrengelde loover neder om te rusten.

Een der priesters, Wahnfried genaamd, voelde zich bekruipen door de lust om méér van de zonderlinge wezens te weten te komen. Daarom verliet hij tegen de schemering[109]zijn schuilplaats en sloop weer terug naar de plaats waar de hutten en holen lagen. Daar brandden rondom vuren en bij den rooden gloed zag hij nu, dat de wezens in vrouwen en mannen onderscheiden moesten worden, hoewel uiterlijk tusschen de geslachten geen verschil was op te merken. Hij sloop zoo dichtbij, dat hij de woorden kon verstaan, die zij spraken. En nu vernam hij, dat een der wezens, door een nikker was nagerend. Deze had haar gegrepen en haar medegetrokken naar zijn burcht onder de aarde. Het was een groote burcht van zwarte steenen, die verlicht werd door sterren, die tegen de zolderingen der hallen hingen. De nikker had haar door lange, onafzienbare hallen gevoerd waar op zwarte banken witte gestalten met gesluierde gelaten zaten. „Wie zijn dat?” had het wezen gevraagd.

„Dat zijn de geesten van gestorven maagden,” had de nikker geantwoord. „Zij blijven hier zoo zitten, onaandoenlijk voor alle gevoelens, tot een minnaar ze komt verlossen. Want daar zij boven de liefde niet hebben gekend, kunnen zij niet opstijgen naar Walhalla, om bij de feestmalen de helden te dienen en te vermaken.”

„En waar zijn dan hun minnaars?”

„Hun minnaars zijn de priesters, die de gelofte der kuischheid hebben gedaan. Wanneer zij waarachtig kuisch leven en onbevlekt sterven, zweven hun zielen mijn zwarte burcht binnen voor zij opstijgen naar Wotans heerlijk rijk en zij mogen zich onder de gesluierde maagden een eeuwige bruid kiezen.

„De uitverkoren bruid stijgt dan mede opwaarts en krijgt van Wotan de gave der eeuwige jeugd en eeuwige wisseling. Zij kennen dan geen tijd meer en geen getijden en leven in durende gelukzaligheid van vervulde liefde.

„Maar aan de hallen kwam geen eind en ik telde duizende en nogmaals duizende wachtende vrouwen.”

„Zijn er reeds veel omhoog gevaren?” vroeg ik beangst.[110]

De nikker begon te lachen en mij met een grim aanziende, vroeg hij:

„Hebt di dan wel eens een priester ontmoet, die zijn gelofte gestand kon doen?”

Ik wist niet wat te antwoorden. Toen begon de nikker te grijnzen en hij trok zijn gordel van loofbladeren los en begon ontuchtig te dansen. Ik vluchtte en hij liet mij stil gaan, maar door de hallen hoorde ik zijn ontuchtige woorden schallen en de witte gestalten trilden.„Morgen ga ik weer zien … gaat di mede?”

„Ja, ik ga mede om den nikker te zien dansen.”

Wahnfried verschool zich nu dicht bij de hutten, besloten om de twee den volgenden morgen te volgen om ook den burcht van den nikker-koning te ontdekken. Hij wilde alle maagden bevrijden.

Maar toen hij ’s nachts lag te denken, begon hij zichzelf af te vragen, wat dit toch voor wezens waren, die in dit woud huisden. Deze van hedenavond had niet gesproken, zooals getwaas dat gewoon is te doen en zij had blijkbaar een afschrik gehad van den ontuchtigen nikker.

Daarom kroop hij naar de hut en maakte voorzichtig een gat in het stroo van den wand. Maar binnen was het donker en hij hoorde alleen het ademhalen der twee.

Hij zag echter dichtbij den vagen omtrek van een groote, aarden pot en daar zijn hand instekend, voelde hij beenderen en toen hij deze buiten het gat had getrokken, bemerkte hij, dat het een stuk wildbraad was. Daarmede stilde hij zijn honger en ging toen slapen.

Tegen den morgen vonden de maagden den priester, maar dit keer bonden zij hem niet, maar wekten hem. Zoodra hij ontwaakte, wilde hij vluchten maar de maagd, die ’s avonds van den nikker had verteld, zeide tot hem:

„Waarom wilt di vluchten?”

En tot het andere wezen, zeide zij:

„Dat is nu mijn nikker.”[111]

De priester, bedacht op zijn redding, zeide dadelijk:

„Ja, ik ben dijn nikker. Wilt di weder mede gaan naar mijn hollen, komt dan …,”

Hij stond op en de twee volgden hem. Toen hij een langen tijd geloopen had en geen gevaar meer behoefde te duchten van de andere wezens, zei hij tot het eene wezen:

„Du kent den weg.… Loop vooruit.”

Zij gehoorzaamde en liep vooruit. Hij, met het andere wezen, volgde. Maar hij bemerkte wel aan het dwalen en zoeken van die voorging, dat het niet wist welken weg te zullen inslaan. Eindelijk riep hij het terug en zeide:

„Kent di den weg niet meer?”

„Ja heer nikker.… hier moet de ingang zijn.… bij deze berken.…”

Wahnfried zocht en speurde en eindelijk zag hij sporen van menschenvoeten. Die sporen volgde hij en nu kwam hij werkelijk aan den ingang van een donker hol.

„Ga voor!” zeide hij tot het wezen.

Het wezen stapte over een steen, die voor den ingang lag, binnen.

„Heer nikker,” zeide zij, „steek de sterren op. Het is zoo donker.”

Wahnfried nam een dorren tak, zocht een stuk droog hout en wreef vuur. Toen de brandende tak opheffend, trad hij ook het hol binnen. Hij beefde van verrassing. Het was een groote hal, welke rondom, terzijde en boven met ijspegels was volgespikkeld, die nu de rossen vlam van den tak weerkaatsten. Hij streek zijn hand langs den wand. De pegels waren niet koud en smolten ook niet, toen hij de vlam er langs hield, maar waren hard en scherp, gelijk de stekels van een doornhaag.

Hij trad weder naar buiten en zamelde veel dorre takken, en de twee wezens elk ook een brandenden tak gevend, trok hij eerst voor den ingang een vijfhoek opdat hij niet bij een mogelijke vlucht achtervolgd zou kunnen worden,[112]en nu stapte bij het hol weder binnen. Op de eerste grot volgde een tweede, lager van verdieping maar met dezelfde zilverige pegels langs de wanden en het dak.

„Ga naar de gesluierde maagden,” zeide Wahnfried tot het wezen.

Dit zocht langen tijd en eindelijk achter in de tweede grot vond zij een nieuwe opening, maar zoo smal, dat zij er met moeite zich doorheen wrong.

„Zijn ze daar, de maagden?” vroeg Wahnfried.

„Neen heer, ze zijn gevlucht.”

„Wat ziet di dan?”

„Een groot water en slapende reuzen.”

Wahnfried kroop door de opening en een nieuwen tak aanstekend en hoog houdend zag hij een groot, donker, stilstaand meer en terzijde groote schimmen van uitgehouwen rotsen, die wel op reuzen geleken bij het wakkelende schijnsel der brandende takken, maar het niet waren.

Langs het donkere water liep een breeden weg van gladgeslepen steenen.

Wahnfried liep dien weg langs, de twee wezens elk met een vlammenden tak terzijde. Aan ’t eind van den weg waren breede trappen uitgehouwen. Moedig besteeg hij ze. Het was doodstil in de grootehal, die zoo hoog was, dat Wahnfried alleen bij benadering de hoogte van ’t dak kon schatten. De trappen voerden naar een vlak en hier lagen op een groote hoop bijeen de schedels en beenderen van honderden menschen. En zoekend rondom bij ’t rosse licht van zijn kienhouten toorts, zag hij daar veel oude wapens liggen, steenen aaksten, grof gebikte celten zooals de voorvaderen ze nog gebruikt hadden, aarden urnen met stoffig graan gevuld, kleine frammen van hertshoorn, vuursteenen mesjes. Ook lagen er grof geweven doeken, maar toen hij ze op wilde rapen, vielen zij tot grauw poeder te samen.

Wahnfried wist niet wat hij hiervan denken moest.

„Waren hier de gesluierde maagden?” vroeg hij het wezen.[113]

„Ja hier.… en daar.… en daar.… en overal zaten ze in ’t rond,” antwoordde zij verwezen.

De brandtakken begonnen ten einde te raken en daarom liep Wahnfried met de twee wezens terug. Toen hij weer buiten was gekomen, zag hij dat door het bosch Sogol, Harimona en Haun naderden. Hij wilde stil terugtreden in de grot, maar de twee wezens liepen gillend vooruit en vluchtten voor de drie reizigers op de groote paarden.

Sogol, de twee half naakte, verwilderde vrouwen ziende vluchten en den naakten man bemerkend, die zich in het hol terugtrok, vermoedde een misdaad.

Hij steeg af, en met het blanke kortzwaard in de hand, trad hij naar de opening van de grot, waarin de naakte man was verdwenen.[114]

1De oude Germanen zijn hoogstwaarschijnlijk veel minder „kuisch” geweest, dan men, hoofdzakelijk op grond van de tendenzieuse „Germania” van Tacitus, aanneemt. Trouwens Tacitus zelf spreekt van straffen tegen[104]echtbreuk; het ongehuwd blijven van vrouwen, die vóór het huwelijk zich met mannen afgaven en van straffen gesteld op tegennatuurlijke ontucht. Het ligt voor de hand, dat bij een volk, waar de mannen zich voedden met wildbraad en zuivel, zich overgaven aan luiheid en doorloopend drankmisbruik en de vrouwen onderworpen arbeidsters waren; dikwerf het aantal mannen door den oorlog aanzienlijk minder dan dat der vrouwen moest zijn, geen zedelijkheid kon bestaan, volgens de tegenwoordige begrippen. De ontvankelijkheid der Barbaren voor de Romeinsche verdorvenheid is wel merkwaardig.Dertien eeuwen Christendom trouwens vermochten den Germanen nog niet de vroegere „kuischheid” weer te geven. In „Karls des fünfften und des heyligen Römischen Reichs peinlich gerichts ordnung” zijn o.m. straffen gesteld op: abort, schaking, verkrachting, tegennatuurlijke ontucht (eyn mensch mit eynem vihe, mann mit mann, weib mit weib), bloedschande … kortom tegen alle zonden van de twaalf caesars bij elkaar!Toestanden als hier beschreven, zijn geen fantasterijen doch reconstructie’s met grooten grond van waarschijnlijkheid. Overal waar de omstandigheden de geslachten scheiden en de natuurdrift, door onthouding of overmaat, wordt geprikkeld, ontstaan afwijkingen zooals in kazernes, gevangenissen, bagno’s, kloosters, weeshuizen, opvoedingsgestichten, kostscholen.Overmatige lichaamsoefening en onthouding van lichaamsoefening leiden eveneens tot afwijkingen. Asceten en athleten (ook reuzen) zijn vaak op geslachtelijk gebied abnormaal.De oude Germanen, drinkend, luierend, een cultus van ’t lichaam makend door warme baden en lichaamsoefening, kunnen wellicht als „kuisch” hebben gegolden voor iemand als Tacitus, die kennis had van het Rome van Tiberius, Caligula, Claudius en Nero, naar onze begrippen moeten zij barbaren in den vollen zin des woords zijn geweest.Deze noot meent de schrijver hier te moeten inlasschen om zijn eerlijke poging een reconstructie van een tijdperk te leveren, niet als een onzedelijk werk te zien beschouwd. Een recencent meende op zijn roman „Kalverstraat” te moeten afdingen, omdat daarin o.m. het ongelukkig lot der vrouwen in bordeelen wordt geschetst. Diezelfde recencent beklaagde zich echter tenslotte erover, dat de schrijver niet in dat boek wat verteld had van ’t geen na middernacht gebeurde in zekere oester-salons in de Kalverstraat. Dat zou dus niet onzedelijk zijn geweest!↑

1De oude Germanen zijn hoogstwaarschijnlijk veel minder „kuisch” geweest, dan men, hoofdzakelijk op grond van de tendenzieuse „Germania” van Tacitus, aanneemt. Trouwens Tacitus zelf spreekt van straffen tegen[104]echtbreuk; het ongehuwd blijven van vrouwen, die vóór het huwelijk zich met mannen afgaven en van straffen gesteld op tegennatuurlijke ontucht. Het ligt voor de hand, dat bij een volk, waar de mannen zich voedden met wildbraad en zuivel, zich overgaven aan luiheid en doorloopend drankmisbruik en de vrouwen onderworpen arbeidsters waren; dikwerf het aantal mannen door den oorlog aanzienlijk minder dan dat der vrouwen moest zijn, geen zedelijkheid kon bestaan, volgens de tegenwoordige begrippen. De ontvankelijkheid der Barbaren voor de Romeinsche verdorvenheid is wel merkwaardig.Dertien eeuwen Christendom trouwens vermochten den Germanen nog niet de vroegere „kuischheid” weer te geven. In „Karls des fünfften und des heyligen Römischen Reichs peinlich gerichts ordnung” zijn o.m. straffen gesteld op: abort, schaking, verkrachting, tegennatuurlijke ontucht (eyn mensch mit eynem vihe, mann mit mann, weib mit weib), bloedschande … kortom tegen alle zonden van de twaalf caesars bij elkaar!Toestanden als hier beschreven, zijn geen fantasterijen doch reconstructie’s met grooten grond van waarschijnlijkheid. Overal waar de omstandigheden de geslachten scheiden en de natuurdrift, door onthouding of overmaat, wordt geprikkeld, ontstaan afwijkingen zooals in kazernes, gevangenissen, bagno’s, kloosters, weeshuizen, opvoedingsgestichten, kostscholen.Overmatige lichaamsoefening en onthouding van lichaamsoefening leiden eveneens tot afwijkingen. Asceten en athleten (ook reuzen) zijn vaak op geslachtelijk gebied abnormaal.De oude Germanen, drinkend, luierend, een cultus van ’t lichaam makend door warme baden en lichaamsoefening, kunnen wellicht als „kuisch” hebben gegolden voor iemand als Tacitus, die kennis had van het Rome van Tiberius, Caligula, Claudius en Nero, naar onze begrippen moeten zij barbaren in den vollen zin des woords zijn geweest.Deze noot meent de schrijver hier te moeten inlasschen om zijn eerlijke poging een reconstructie van een tijdperk te leveren, niet als een onzedelijk werk te zien beschouwd. Een recencent meende op zijn roman „Kalverstraat” te moeten afdingen, omdat daarin o.m. het ongelukkig lot der vrouwen in bordeelen wordt geschetst. Diezelfde recencent beklaagde zich echter tenslotte erover, dat de schrijver niet in dat boek wat verteld had van ’t geen na middernacht gebeurde in zekere oester-salons in de Kalverstraat. Dat zou dus niet onzedelijk zijn geweest!↑

1De oude Germanen zijn hoogstwaarschijnlijk veel minder „kuisch” geweest, dan men, hoofdzakelijk op grond van de tendenzieuse „Germania” van Tacitus, aanneemt. Trouwens Tacitus zelf spreekt van straffen tegen[104]echtbreuk; het ongehuwd blijven van vrouwen, die vóór het huwelijk zich met mannen afgaven en van straffen gesteld op tegennatuurlijke ontucht. Het ligt voor de hand, dat bij een volk, waar de mannen zich voedden met wildbraad en zuivel, zich overgaven aan luiheid en doorloopend drankmisbruik en de vrouwen onderworpen arbeidsters waren; dikwerf het aantal mannen door den oorlog aanzienlijk minder dan dat der vrouwen moest zijn, geen zedelijkheid kon bestaan, volgens de tegenwoordige begrippen. De ontvankelijkheid der Barbaren voor de Romeinsche verdorvenheid is wel merkwaardig.Dertien eeuwen Christendom trouwens vermochten den Germanen nog niet de vroegere „kuischheid” weer te geven. In „Karls des fünfften und des heyligen Römischen Reichs peinlich gerichts ordnung” zijn o.m. straffen gesteld op: abort, schaking, verkrachting, tegennatuurlijke ontucht (eyn mensch mit eynem vihe, mann mit mann, weib mit weib), bloedschande … kortom tegen alle zonden van de twaalf caesars bij elkaar!Toestanden als hier beschreven, zijn geen fantasterijen doch reconstructie’s met grooten grond van waarschijnlijkheid. Overal waar de omstandigheden de geslachten scheiden en de natuurdrift, door onthouding of overmaat, wordt geprikkeld, ontstaan afwijkingen zooals in kazernes, gevangenissen, bagno’s, kloosters, weeshuizen, opvoedingsgestichten, kostscholen.Overmatige lichaamsoefening en onthouding van lichaamsoefening leiden eveneens tot afwijkingen. Asceten en athleten (ook reuzen) zijn vaak op geslachtelijk gebied abnormaal.De oude Germanen, drinkend, luierend, een cultus van ’t lichaam makend door warme baden en lichaamsoefening, kunnen wellicht als „kuisch” hebben gegolden voor iemand als Tacitus, die kennis had van het Rome van Tiberius, Caligula, Claudius en Nero, naar onze begrippen moeten zij barbaren in den vollen zin des woords zijn geweest.Deze noot meent de schrijver hier te moeten inlasschen om zijn eerlijke poging een reconstructie van een tijdperk te leveren, niet als een onzedelijk werk te zien beschouwd. Een recencent meende op zijn roman „Kalverstraat” te moeten afdingen, omdat daarin o.m. het ongelukkig lot der vrouwen in bordeelen wordt geschetst. Diezelfde recencent beklaagde zich echter tenslotte erover, dat de schrijver niet in dat boek wat verteld had van ’t geen na middernacht gebeurde in zekere oester-salons in de Kalverstraat. Dat zou dus niet onzedelijk zijn geweest!↑

1De oude Germanen zijn hoogstwaarschijnlijk veel minder „kuisch” geweest, dan men, hoofdzakelijk op grond van de tendenzieuse „Germania” van Tacitus, aanneemt. Trouwens Tacitus zelf spreekt van straffen tegen[104]echtbreuk; het ongehuwd blijven van vrouwen, die vóór het huwelijk zich met mannen afgaven en van straffen gesteld op tegennatuurlijke ontucht. Het ligt voor de hand, dat bij een volk, waar de mannen zich voedden met wildbraad en zuivel, zich overgaven aan luiheid en doorloopend drankmisbruik en de vrouwen onderworpen arbeidsters waren; dikwerf het aantal mannen door den oorlog aanzienlijk minder dan dat der vrouwen moest zijn, geen zedelijkheid kon bestaan, volgens de tegenwoordige begrippen. De ontvankelijkheid der Barbaren voor de Romeinsche verdorvenheid is wel merkwaardig.Dertien eeuwen Christendom trouwens vermochten den Germanen nog niet de vroegere „kuischheid” weer te geven. In „Karls des fünfften und des heyligen Römischen Reichs peinlich gerichts ordnung” zijn o.m. straffen gesteld op: abort, schaking, verkrachting, tegennatuurlijke ontucht (eyn mensch mit eynem vihe, mann mit mann, weib mit weib), bloedschande … kortom tegen alle zonden van de twaalf caesars bij elkaar!

Toestanden als hier beschreven, zijn geen fantasterijen doch reconstructie’s met grooten grond van waarschijnlijkheid. Overal waar de omstandigheden de geslachten scheiden en de natuurdrift, door onthouding of overmaat, wordt geprikkeld, ontstaan afwijkingen zooals in kazernes, gevangenissen, bagno’s, kloosters, weeshuizen, opvoedingsgestichten, kostscholen.

Overmatige lichaamsoefening en onthouding van lichaamsoefening leiden eveneens tot afwijkingen. Asceten en athleten (ook reuzen) zijn vaak op geslachtelijk gebied abnormaal.

De oude Germanen, drinkend, luierend, een cultus van ’t lichaam makend door warme baden en lichaamsoefening, kunnen wellicht als „kuisch” hebben gegolden voor iemand als Tacitus, die kennis had van het Rome van Tiberius, Caligula, Claudius en Nero, naar onze begrippen moeten zij barbaren in den vollen zin des woords zijn geweest.

Deze noot meent de schrijver hier te moeten inlasschen om zijn eerlijke poging een reconstructie van een tijdperk te leveren, niet als een onzedelijk werk te zien beschouwd. Een recencent meende op zijn roman „Kalverstraat” te moeten afdingen, omdat daarin o.m. het ongelukkig lot der vrouwen in bordeelen wordt geschetst. Diezelfde recencent beklaagde zich echter tenslotte erover, dat de schrijver niet in dat boek wat verteld had van ’t geen na middernacht gebeurde in zekere oester-salons in de Kalverstraat. Dat zou dus niet onzedelijk zijn geweest!↑


Back to IndexNext