[Inhoud]HOOFDSTUK VII.Zij waren samen ontvlucht, Harimona en Sogol en reden op groote paarden naar het land der Nerviërs en Bellovaken. Sogol wilde zich in zijn land tot koning doen uitroepen. Dan zou hij met Harimona trouwen en een nieuwen godsdienst instellen, die van het nadenken. Hij zou de priesters verdrijven, het geloof in Tiusco, Wotan, Donar, Frya, Grendel en al de andere goden en godinnen en ook in de kleinere geesten, de goeden en de slechten, verbieden in zijn rijk. En van uit zijn rijk zou hij trachten den nieuwen godsdienst te verbreiden naar de Renigo en Maresag te schand stellen, de tempels verbranden, de menschen moed inboezemen en hen er toe trachten te brengen, door nadenken tot de waarheid te komen. Harimona zou hem daarbij steunen. Zij zou openbaar verklaren, dat zij een gewone vrouw was, niet geboren uit den geest maar uit vleeschelijken omgang. De offers zouden afgeschaft worden en het bidden worden verboden. Al wie bad, zou als een lafaard gestraft worden.Sogol zou skiggen uitrusten, die het geheim van den oceaan hadden te doorgronden en dappere mannen zouden medegezonden worden met de Massiliaansche schippers, die aan de kusten purperlaken en wollen weefsels kwamen ruilen tegen barnsteen en zink.Zij moesten medevaren tot het land der Massilianen, daar den koning de hulde gaan brengen van Sogol en Harimona en terugkeeren verhalen van ’t geen zij gezien hadden. Maar alle overdrijving, alle leugen zou streng gestraft worden. De waarheid, de nuchtere, eenvoudige waarheid en werkelijkheid wilde Sogol weten.[68]Zij reden langzaam, omdat het paard van Haun, die op eenigen afstand volgde, kort na de vlucht op deknieënwas gevallen en nu gespaard moest worden, want de weg was ver en Sogol wist niet of hij een nieuw paard zou kunnen krijgen.En terwijl zij samen vooruit reden, met elkaar lange gesprekken voerend over de toekomst en over de goden en het mysterie, blies Haun wijsjes op zijn horen en vergat dan somtijds waar hij was, liet zijn paard met lossen teugel loopen naar de lust van ’t dier, zoodat wel soms Sogol terug moest rijden en den jongeling roepen en bestraffen wegens zijn onachtzaamheid. Dan was Haun bedroefd, beloofde oplettender te zullen zijn en reed wat sneller mede. Maar den volgenden dag als hij weer een nieuwe melodie gevonden had, en zijn horen blazend, zich voorstelde voor een schoone prinses te spelen, die wanneer zij door zijn spel verteederd was, met hem in ’t huwelijk zou treden, dan vergat hij weder dat zijn paard slecht voort kon en zijn heer snel voorwaarts wilde. Toen had Harimona Sogol gezegd, dat het beter was wanneer Haun vooruit reed en niet volgde, hoewel dat tegen den regel was. Zoo moest Haun dan vooraan rijden en als hij weer begon te droomen nam Sogol op zijn beurt zijn horen en blies een paar schrille tonen, zoodat de jonge muzikant opschrikte. Sedert bleef Haun niet meer toeven. De bestraffende woorden van Sogol hadden minder invloed gehad dan de vrees voor de schrille tonen.Zij reden in een sukkeldrafje en gaven de paarden veel rust omdat het mogelijk kon zijn, dat ze de snelheid en de kracht hunner paarden noodig konden hebben om roovers te ontkomen of vijandige lieden. Want Sogol was bang voor strijd met menschen. Dat had Harimona bevreemd, maar hij had haar gezegd, dat zijn leven hem te veel waard was om het te verliezen in een ongelijken strijd met onbeteekenende roovers. Hij verfoeide het zwaardgevecht[69]om der wille van ’t gevecht alleen. Het zwaard moest hoogere zaken dienen dan zichzelf, meende hij. Maar heur eerbied voor hem nam toe, toen zij zijn geestelijken moed leerde kennen. Zij wist hoe ook de dapperste mannen vreesden, wanneer in de toppen der boomen geheimzinnige geluiden klonken of wanneer eekhoorns dwars over den weg liepen, katuilen schreeuwden, dwaallichten glansten. Maar hij vermaakte zich er mede, de katuilen nà te schreeuwen, joeg eekhoorns opzettelijk op, opdat ze dwars voor Harimonas paard zouden wegsnellen. Wanneer zij ’s avonds de paarden hadden gekluisterd en de pelzen hadden neergespreid, waarin zij sliepen en zij hoorden in de toppen der boomen onbekende geluiden, dan stond Sogol weer op, maakte vuur, stak een dorre tak aan en riep Haun op, om hem te helpen. En hij klom in den boom, tot bovèn in den top en was niet tevreden voor hij Harimona den oorzaak van ’t geluid kon verklaren, beneden komend met een dikke, gebroken tak, die tegen den stam had geklapperd of met een grooten, dooden vogel, die met een poot in ’t loover verward geraakt, in doodsangst met de vleugels had geklepperd. En danlachteSogol met een vreemden, schrillen lach en vloekte op de asen en de elfen en de nikkers en de kobolden, ze uitdagend hem hier te komen bestrijden.„Dat zijn hun goden!” zeide hij dan, den tak of het doode dier trappend met drift onder den voet. „Het zijn allen vruchten van hun lafheid. Laf zijn ze— —alle Germanen bij elkaar— —sterk als stieren en met hun zwaarden elkaar bestokend zooals balgende herten elkaar met de geweien stooten. Maar moed.… echte moed.… moed om tegen de valsche goden op te treden.… die hebben ze niet.…”Hijbleef staan voor haar, breed de borst gezwollen en opziende naar den sterrenhemel, met uitdaging in zijn houding, als in verwachting, dat een der groote goden[70]op hem zou toetreden, Balder of Grendel of zelfs Thor of Wotan.… gereed om met hen den kamp op te nemen.Zij zelve geloofde niet meer aan het bestaan der kleine geesten. Maar diep in haar hart, geloofde zij wel aan de groote machten.… Wellicht waren Wotan en Donar maar verbeeldingen.… Zoo goed als de Thius der voorvaderen een verbeelding was geweest. Maar waarvan kwamen de sterren? En wie spande de hemel? En wanneer de mensch stierf, waarheen zweefde dan zijn geest?In den laten avond wierp Sogol dan nog weer dood hout op het smeulende vuur en in de stilte van den winternacht zaten zij voor het vuur, opziende naar het vurige geprikkel der sterren en samen peinzend over de groote geheimen, waarvan zij zich voelden omgeven.Dan werd Sogol dikwerf bedroefd, want hij kon haar niet op hare vragen antwoorden. Zeker, zij gaf toe, dat de sterren daar aan de lucht geen goden waren en ook geen zielen en die zeven daar, waren niet de naijverige minnaars van Nehalennia, zooals ze zeiden aan de kust. Maar wat waren het dan?„Zeg mij Sogol, wat zijn ze dan, de sterren?”Hij bleef zwijgend staren naar den winterhemel en zij zag hoe een traan uit zijn oogen welde en langs zijn wang biggelde.„Weent di, mijn meester?” vroeg zij zacht.„Ja, ik ween.… ik ween.… omdat ik weten wil en niet weten kan, geliefde. Lief heb ik di, Harimona, omdat du zooals ik, de waarheid liefhebt en oprecht zijt. Mijn koninkrijk zal ik di gaarne aan de voeten leggen. Maar toch, hoe klein is mijn liefde, dat ik di niet dat simpele antwoord op dijn vraag als bruidsgeschenk kan geven.… Want ik weet het niet, geliefde, ik weet het niet, ik weet het niet.… Ja, vraag het mi.… vraag het mi.… wat zijn de sterren?… Zijn het klompen vuur? Maar hoe komt het dan, dat hun vuurnietdooft.… Wie werpt hout op[71]dat vuur? En wat is achter die sterren?… En hoevelen, hoevelen zijn er niet.… Daar.… die heele breede zoom van einder tot einder.… en daar die met dat scherpe blauwe licht.… en daar die, die flakkert als een toorts … en daar die, in een orde geschaard als een saks?.…”„Als de zon opgaat dooven de sterren en als de zon ondergaat, vlammen ze weer op.… Wie steekt ze aan Sogol?… Moet daar geen groote macht zijn, die ze aansteekt, avond na avond en ze weer dooft, morgen na morgen?”Sogol peinsde en keek in ’t vuur. Eindelijk antwoordde hij:„De maan, gaat die ook ’s avonds aan en dooft die ook ’s morgens uit, Harimona?”„Niet altijd, meester.”„Neen, niet waar. Er zijn dagen waarop de maan heel vroeg opgaat, als de zon nog schijnt.… Zij is dan heel bleek, zoo wit als zilver en hoe later het wordt, des te rooder wordt zij. Dat is toch zoo, niet waar?”„Ja, mijn meester.”Hij sprong op, liep op haar toe, omhelsde haar,kustehaar op ’t witte haar, op de wangen, op de hals,op den mond. En juichend weer sprong hij recht, roepend.… „ik heb het gevonden, ik heb het gevonden.… ik zal alles, alles vinden.…”En zich weer neerzettend bij ’t vuur, wilde hij opnieuw spreken, maar de vreugde overweldigde hem opnieuw.… Hij sprong nogmaals op, hief zijn handen omhoog naar den sterrenhemel, bolde de vuisten en naar boven roepend:„Ik heb het gevonden.… o zaligheid.… o geluk.… ik heb het gevonden.… ik heb het gevonden.…”Zij keek hem bewonderend maar niet zonder angst aan, gespannen wachtend op zijn verklaring.„En alles, alles, alles zal ik ontdekken! Wacht du daar, wacht.… ik zal dijn geheim doorvorschen.… Wacht du daar, wacht du!”[72]En hij balde dreigend de vuist tegen den hemel. Daarna zich weer neerzettend, ging hij voort:„De sterren zijn niet anders dan de maan. De maan is een groote ster, veel grooter dan de anderen, maar er is geen ander verschil.„Wat met de maan gebeurt, gebeurt met de sterren. Maar omdat ze zoo klein zijn, kunnen wij het niet zien.…”„Maar wat gebeurt dan met de maan?” vroeg Harimona.„Zij wordt ’s avonds niet ontstoken en ’s morgens niet gedoofd. Zij brandt altoos.… altoos, altoos.… Zij staat ook aan den hemel als wij haar niet zien.… Geeft een toorts licht op den noen? Neen, niet waar? Maar naarmate het donkerder is, geeft de toorts meer licht. Zoo is het met de maan en zoo is het met de sterren.… zij hebben maar een zwak licht, zooals de toorts, dat men beter zien kan, naarmate het donkerder wordt.… Vandaar dat de maan op sommige avonden eerst bleek is gelijk zilver en hoe donkerder het wordt, des te heller schijnt haar vuur. In den morgen wordt zij weer bleeker.… tot zij onzichtbaar wordt … het licht van de zon maakt haar onzichtbaar …”„En wie steekt de zon aan?” vroeg Harimona.„Wat wijf? Ik doe di kond van een groote ontdekking en in stede van mede te juichen blijft du vragen? Is het al niet veel te weten, dat de maan en de sterren daags branden zoogoed als ’s nachts?”„Het is veel, maar de raadselen blijven raadselen, meester.”„Neen, ze blijven het niet, vrouw. Raadselen waren de kobolden en de elfen, tot ik ontdekte, wat hun eigenlijk wezen was. Raadsel was het schijnen der sterren en der maan alléén ’s nachts, totdat ik vond, dat zij ook overdag schijnen. Laat mij denken en ik zal ook vinden waar hun oorsprong was en waar de oorsprong dier oorsprong aanving. Maar ik moet tijd hebben om te denken. En du, geliefde, wees niet laf, als al die anderen maar durf óók door te[73]denken, altoos dieper, alsof dijn gedachte een donker woud ingaat. Dring er doorheen en aan de andere zijde vindt du het nieuwe land.”Eenige dagen later terwijl zij de Bellovaaksche gouwen al naderden, werden zij door een zwaar onweer verrast. Harimona was angstig en wilde onder een boom schuilen. Maar Sogol toornde op haar en ook op Haun, die in ’t bosch wilde blijven tot het onweer was voorbij getrokken. Hij dwong beiden hem te volgen op het groote, vlakke land, dat aan den zoom van ’t woud aanving en zoodra de eerste bliksemstraal knetterde begon Sogol te woeden tegen Donar. Hij daagde hem uit, vloekte hem met de vreeselijkste vloeken, wees hem smadelijk op zijn achterdeel.„Drekgod, drekgod, drekgod, kom op. Sla mij, drekgod met dijn bliksem, als du daar zijt.… Hier sta ik, een god zooals du, maar machtiger, want ik ben hier werkelijk en du, du, du, zijt niet, du zijt maar een schepping van lafhartigen en angstschijters.…”Harimona en Haun, in den regen staande midden op ’t land, staarden met onzetting naar Sogol, die slechts met een berehuid om zijn naakt lichaam, de machtige armen bloot, met opgeheven vuisten dreigende gebaren maakte tegen het blauwgrijze werk, waarin zij de bliksems zagen bersten en den donder rommelen. En bij elken bliksemstraal, bij elken donderslag vernieuwde Sogol zijn vloeken en bedreigingen. Hij liep soms op een drafje voorwaarts in de richting van den einder vanwaar de bliksem kwam aanlichten.„Tref mi nu … tref mi nu … speer van den drekgod … Du durft kunt, du kunt niet.… hier sta ik.… bereid om dijn speer op te vangen.… tref mi dan.… tref mi dan!.…”Hij sprong op van den grond, zijn borst naakt, en gezwollen, zijn armen wijd geopend als verwachtte hij den bliksemstraal. Het schuim stond hem op de lippen van[74]woede en Harimona, hem zoo ziende, voelde zich bevreesd terwijl Haun weende.Het onweer verminderde in kracht en trok weldra voorbij. De blauwgrijze hemel brak in wolkenbrokken en uit het diepblauw daartusschen kwam de zon schijnen.Sogol werd kalmer en nu omziende voor Harimona zeide hij trotsch:„Hebt di het nu gezien, dat ook de groote goden niet bestaan? Waar was Donar met zijn gouden speren? Waar was zijn rollenden donderwagen?.… Hebt du geweend knaap?…”„Ik vreesde zoo, dat de speer di zou treffen,” antwoordde Haun.„Du zult niet weenen als dijn meester de goden uitdaagt.… maar du zult weenen, als de anderen zich voor de goden verdeemoedigen.… Onthoud dat knaap.… en bindt de kluisters los van de paarden.”Zij stegen op en reden door de frissche lucht onwaaierd, stapvoets verder.„Waarom zegt di niets?” vroeg Sogol, bemerkend hoe zijn geliefde zwijgend naast hem reed en geen woord van bewondering had voor zijn moedig bestaan.Zij keek hem van terzijde aan en hij zag een schroomvollen eerbied in haar vreemde, roode oogen.„Ik heb een zonderlinge gedachte, Sogol!”„Gelooft di nog aan Donar?” vroeg hij haast angstig.„Neen.… maar mi kwam de gedachte in ’t hoofd, dat du wellicht zelf een god zijt.…”„Ik ben een mensch, een gewoon mensch.… zooals du, zooals Haun.… Of meent du nog, dat du ook een godin zijt?”„Neen … ik ben geen godin … maar du zijt een god … en du weet het zelf niet.… En misschien weten de andere goden evenmin, dat zij goden zijn.…”„Vrouw, du zegt zulke diepe gedachten, dat du zelve ze niet omvat.…”[75]Zij reden langen tijd zwijgend voort, Sogol zijn hoofd neerwaarts gebogen en zijn gefronste oogen naar den bodem gericht. Eindelijk zeide hij:„Dat kan het zijn, mijn lief. De goden weten zelve niet, dat zij goden zijn.… zooals dit paard onder mij, dat sterk is, daden van kracht doet en toch zijn eigen kracht niet kent … Wat zijn de goden dan?… Redelooze krachten, die hun daden doen zonder de macht over die daden.…”„Maar het paard heeft een berijder, die het stuurt meester.… Zoo heerscht dan Wotan over de goden als de mensch over de dieren.…”„Ik zou di kussen kunnen als du zoo spreekt, en toch weenen omdat du altoos weer tot Wotan dijn gedachte voert.… Maar Wotan kàn niet bestaan.… zoomin als Donar bestaat.… zoomin als de kleinere geesten.…”„Welke macht doet de zon dáár schijnen?” vroeg Harimona.En haar aanblikkend, zag hij uit haar roode oogen een straal gouden licht schijnen.„Wie doet, die wolk daar schuiven? En die daar? En die daar? Staat achter elke wolk een geest, die haar voortschuift? Of zit op elke wolk een ruiter, zooals op het paard, en stuurt haar en leidt haar met bit en teugel en spoor? Ziet ze ijlen en barsten en vluchten in hare vreemde gestalten.… Voelt du niet, dat het de wind is, die ze wegblaast, zooals het kind de kaarsjes wegblaast van de weidebloem.… Ik kan nog niet alles weten.… maar omdat ik iets weet, weet ik dat ik méér zal kunnen weten.… Het zijn alles krachten, redelooze krachten, die niet anders doen dan ze doen omdat ze niet anders kunnen.… De zon, de maan, de sterren, de bliksem, de donder, de wolken.… zij allen zijn redeloos en doen zooals ze moeten doen.…”„En wij dan?”„Wij vrouw.… wij.… wij zijn ook al niet anders dan[76]de zon en de sterren en de wolken.… wij zijn ook krachten, die onze eigen macht niet kennen.…”Hij reed een poos zwijgend voort. Toen weder, tot haar:„Waarom zouden wij iets anders zijn dan de dingen om ons heen. Zijn wij niet even dom als de natuurkrachten? Moeten wij niet eten, drinken, slapen als het tijd daarvoor is, zooals daarboven het onweer komt, als het de tijd voor het onweer is? Weten wij met zekerheid iets meer dan deze paarden? Weten wij meer van ons verleden? Meer van onze toekomst? Meer van wat boven de hemelen is en onder de aarde? Waarom val ik ter aarde wanneer ik van mijn paard stort en kan niet omhoog vallen, of in de lucht mij zwevende houden door mijn wil alleen? De mensch is een natuurkracht zoo goed als de bliksem en de donder, zoogoed als de zonnestraal een natuurkracht is.”„Maar waar komen die natuurkrachten vandaan?” vroeg Harimona weder.„Ik weet het niet.… ik weet het nog niet.… En moeten zij dan bepaald ergens vandaan komen? En moeten zij dan bepaald ergens heengaan? Waarom zouden zij er niet altijd geweest zijn en er altijd blijven?”„Ik kan dijn gedachtenvlucht niet volgen Sogol.… In mijn binnenste leeft gestadig het gevoel alsof er nog een ander leven is.… een leven, dat als de gedachte of de droom geen lichaam noodig heeft om te bestaan. Zoo dikwerf als Maresag mij met zijn kruiden in de verrukking bracht, ontsteeg ik mijn lichaam en zwierf langs onbekende velden en wegen en zweefde over oneindige wateren of steeg den sterren tegemoet.”„En hebt di dan wel eens andere dingen gezien dan hier?”„Ja.… ik heb de goden aanschouwd, Wotan het meest.… En hij was het, die mij de kracht gaf, wonderen te doen zooals du hebt kunnen zien.… toen ik de lammen genas en de blinden en die met etterende wonden neerlagen.”„Was dat geen bedrog, Harimona?”[77]Hij hield zijn paard in en zich over haar paard buigend en het ook tot stilstand dwingend, keek hij haar diep en ernstig in de oogen.Zij keek hem onverschrokken aan.„Dacht di, dat ik het liefste, dat ik ter wereld heb, zou bedriegen? Dan is het beter, dat ik terugkeer.”„Dus du kunt wonderen verrichten?”„Als ik in de verrukking ben.… ja.…”„En die kreupelen, die reeds genazen zonder dat zij di zagen?”„Kan niet mijn ziel uitgestraald zijn ook zonder dat ik het wist of wilde? Was niet al wat ik in mijn verrukking deed, iets waarover ik geen macht had en waaraan ik zonder mijn verrukking vreemd was?”Hij reed weer voort naast haar en dacht zwijgend na.„Het is droevig,” zeide hij eindelijk, „Wie het gedachtenwoud binnenrijdt komt niet tot licht, maar hij verwart zich hoe langer hoe meer in ’t donkere hout. In mij komt de vreemde lust op, dit leven te eindigen om te weten. En ik voel naijver op die anderen, die vroom gelooven kunnen in al de goden, de grooten en de kleinen. Maar ik kan niet … ik heb immers ervaren, dat de Nickelman een aal was en de grondgeest een geluidsschal.…”Na een poos vroeg hij plotseling:„En wat was er waar van Frango, den draak, Whridlo, den hond en Baza, de geit?”„Begreep di dat niet?”„Neen.… hoe zou ik.… Er bestaan geen draken!”„Het was een raadsel van Maresag om de vele minnaars te beproeven. Frango was de moed, Whridlo was de trouw, Baza was de soberheid. Wie dit raadsel zou begrijpen was mij waardig, meende Maresag honend.”„En du vondt dat goed?”„Wat Maresag wilde moest ik doen … ik kon hem niet weerstaan. Hij had een groote macht over mij, waaraan ik[78]mij niet kononttrekken… Eerst toen du kwam en ik door mijn geloof in dijn kracht overwon, kon ik met di medegaan.”„Ik dacht wel, dat de draak ’t een of ander groote onbekende dier zou zijn, dat de laffen zou verschrikken.”„Maar er bestaan zeker draken, Sogol. In mijn verrukkingen heb ik ze gezien. Zij hadden lange muilen met scherpe tanden en lage pooten gelijk een hagedis en lange staarten, met punten bezet …”„Ik wilde, dat ik met di naar dat gewest van dijn verrukkingen kon opstijgen.”Zij reden een eind voort tot zij aan een klein boschje kwamen, waar zij afstegen om te rusten en de paarden te voederen. Zij zagen om naar Haun, die een eind vooruit was gereden en nu uit het gezicht was.Sogol nam zijn horen en stiet een paar schrille tonen uit den horen. Toen na eenig wachten Haun niet terug kwam, kluisterde Sogol zelf de voorbeenen der paarden, nam ze het bit uit den mond en liet ze grazen. Daarna zocht hij met Harimona in ’t boschje naar paddestoelen, die hun als leeftocht dienden wanneer geen klein wild gevangen was of niet een ree of een hert door Sogol met de speer was neergedrild. Nog zochten zij, toen zij Haun’s horen in de verte drie korte stooten hoorden geven, het signaal, dat hij in gevaar verkeerde.Harimona verbleekte maar Sogol snelde naar zijn paard, ontkluisterde het en de hand aan ’t kortzwaard, reed hij in galop naar den kant, vanwaar nu voor de tweede keer het alarmsignaal klonk.Toen hij een eind gereden had, zag hij Haun staan nevens zijn paard. De jongeling kwam zijn heer te gemoet loopen.„Wat is er aan de hand?” riep Sogol.„Meester … Meester … er is hier wat vreemds …”„Wat, mijn jongen?”„Meester … het lijk van een draak ligt hier …”[79]Sogol steeg af en volgde Haun in ’t kleine boschje. Daar had het instroomende regenwater den grond onderwoeld en uit een kuil, half met water gevuld, stak de kop uit van een draak.Sogol groef met zijn zwaard de aarde rondom wat weg. Zij was vastgeslikt met het vleesch van den reusachtigen kop. Hij zette de zwaardpunt in den grooten muil van ’t dier en trachtte deze open te breken. De kop brak broos vaneen en de scherpe, spitse tanden rolden naar buiten.„Ga de meesteres halen en de paarden. Ik blijf hier Haun!” zeide Sogol en toen de jongen wegreed in de richting, die Sogol hem had aangewezen, begon deze nu voorzichtiger met zijn zwaard het tot zwartige klompen met den huid en ’t vleesch van den draak gesmijde veen, van den kop af te steken.Hij was nog bezig den kop vrij te steken, toen Harimona en Haun aangereden kwamen. Sogol voelde zich beschaamd, wist niet wat hij zou zeggen tot Harimona.Zij voelde zijn schaamte en om hem niet te kwetsen zeide zij:„Misschien is het toch geen draak maar een vreemd groot dier.”Hij zag haar aan met lichtjes van dankbaarheid en geluk in de oogen.„Gelooft di dat?”vroeg hij nogmaals.„Het kon toch zijn …”„Wij kunnen het ten minste onderzoeken … Als hij levend was geweest, zou ’t minder makkelijk zijn gegaan. Zie dien muil eens.’k Heber mijn zwaard tot aan den greep ingestoken en nog altijd was ik niet aan ’t keelgat.… Ga eens naast den kop staan Haun … ziet eens … De muil alleen is hooger dan Haun …”„En waar zijn zijn oogen?”„Ik heb al deze aarde rondom afgestoken, maar ben nog niet aan zijn oogen toe gekomen …”[80]„Ik denk, dat hij rechtstandig in den grond staat,” zeide Haun, bemerkend dat de muil spits opstond,„alsof het gat de uitgang van ’t hol van den draak was geweest.”„Wat denkt di te doen?” vroeg Harimona aan Sogol, ziende hoe hij vermoeid was van ’t graven.„Ik wilde wel gaarne hier blijven en den heelen draak uitgraven.… Dan kunnen wij zien hoe hij er uitziet.”„Maar dat kunt di alleen niet.…”„Haun zal helpen.… en.… en.… als du wilt.… du ook.…”„Met onze handen?”„Neen, ik zal spaden snijden.…”„En uw koninkrijk?” vroeg Harimona.Sogol dacht na.„Het was misschien beter, dat du eerst mannen haalde, die du hielpen?.…” vroeg Harimona.„Dat kan lang duren.… als ’t gaat vriezen is ’t graven onmogelijk.… en ik weet niet of ik mannen zal vinden, dapper genoeg om den draak uit te graven.… kom.… laten wij eerst eten, rusten en dan ten minste den kop van het monster uitgraven.…”Harimona maakte vuur en Haun, met een speer gewapend, ging in ’t boschje naar wild speuren. Al heel spoedig kwam hij terug met een haas,die hij den speer door den kop gedrild had, toen ’t dier voor zijn voeten opsprong. Harimona nam haar klein gordelmes en begon het dier te villen. Haun stond er bij en keek nauwlettend toe.„Heb di zoo’n honger vent?” vroeg Harimona.„Nee.… ik heb bessen gegeten en nootjes.… ik heb geen honger.…”Maar omdat hij toch bleef toekijken, vroeg zij weer:„Wat wil je Haun? Je kijkt zoo vragend.…”Hij kleurde, zag verlegen zijwaarts.„Er uit er mee, als du wat zeggen wilt!” zei Sogol gewild streng.[81]„Ik wou de meesteres wat vragen.… ik ben nu al zoo lang van huis.… en ik wou weten of ik vader of moeder en mijn broertje gezond en wel zal aantreffen.…”„Dat weet ik niet!” lachte Harimona.„Als du wilde.… en eens voor mij keek.… daar …”En hij wees, even bang naar Sogol opblikkend, op de darmen van de haas.„Vervloekt!” stoof Sogol op.„Ik wist wel, dat de meester het niet zou willen!” zei Haun, half schreiend.„De meester heeft gelijk Haun. Ik kan niet uit de darmen waarzeggen.…”„En niemand kan het, Haun. Hoe kom di aan die vraag.”„Ginds op ’t groote veld te Renigo was een vrouw, die uit ingewanden de toekomst kon lezen. Wie haar een geit bracht, die spelde zij de toekomst uit de darmen van de geit; en wie haar een ree bracht, die spelde zij de toekomst uit een ree. En er kwam zelfs éens een man, die een kalf bracht en zij liet het slachten en las uit de darmen.”„Dat is alles bedrog, Haun. Ze deed het om de dieren.”„Nee meester.… ’t was geen bedrog. Ik heb de vrouw een geitje gebracht en zij voorspelde mij, dat ik op reis zou gaan met een koningszoon en zijn bruid en die zullen tot hoog aanzien geraken: De koningszoon zal koning worden en de bruid, koningin! En ’t is tot nu toe uitgekomen.… och lieve meesteres.… ik smeek di.… zie toch even in de darmen en zeg mi of mijn broertje nog leeft.…”Harimona keek Sogol vragend aan, half besloten om den jongen zijn wil te geven. Maar Sogol keek somber.„Als wij zelf de domheid bevorderen.… wie zal ze dan bestrijden?” vroeg hij.En zich tot kalmte dwingend, zei hij tot Haun:„Mijn jongen, al kwam wat zij zeide ook uit, toch was ’t bedrog. Het gaat bij die voorspellingen zoo.… Komen[82]ze uit, dan gelooft men aan de buitengewone zienerskracht.… komen ze niet uit, dan vergeet men de voorspelling of meent bij een slechte waarzegster te zijn geweest. Maar ’t zijn alle slechte waarzegsters. Niemand weet iets van de toekomst.… niemand.… niemand.… de goden zelve niet.… zij zijn ook aan het lot onderworpen, zonder dat zij weten, hoe het zal loopen.… en het zal een slecht lot voor ze zijn, als de koningszoon, werkelijk koning wordt.”Sogol had de laatste zinnen meer tot zichzelf dan tot Haun gezegd, die teleurgesteld naar den haas bleef zien.Harimona, na den haas gestroopt te hebben en van de ingewanden ontdaan, stak hem aan een bronzenspit, dat op twee gevorkte takken rustte en nu moest Haun langzaam draaien.Sogol, zijn ongeduld niet kunnende bedwingen, was al weder naar den kop van den draak geloopen en begon deze verder met zijn zwaard te ontgraven. Maar bemerkend, hoe weinig hij hierdoor bereikte, liep hij een eindje ’t bosch in zoekend naar een boom, geschikt om er spaden van te snijden. Een zwarte stronk, die manshoog boven den grond uitstak, zeker ’t overblijfsel van een boom, die door den bliksem getroffen was en daardoor van buiten bruin gebrand, kwam hem geschikt voor en hij sloeg er zijn zwaard tegen. Maar ’t zwaard ging er diep in en stuitte toen op iets hards. Sogol keek verwonderd en nu, de stronk belastend, ervoer hij, dat hier weder het lijk van een draak was verborgen, nu met den staart opwaarts uit het hol. Hij zag de grove schubben van den staart, hoewel ’t vleesch verkoold was en ook nog de knoesten van de dorens van den rug.…Daar waren dus twee draken in dit boschje geweest. Beiden wellicht door den bliksem getroffen. Maar hoe deze vreemde houding te verklaren.… de één met den kop hoogopgestoken uit de krocht, de andere met den[83]staart opwaarts? Waren zij voor ’t onweder gevlucht?Hij mat den afstand tusschen de twee draken.… Een denkbeeld kwam in hem op.… maar hij weifelde om het aan te nemen.… Neen.… dat kon niet.… zoo groot was een draak niet.… dat overtrof alle verhalen van de sagen.… Het was wel de lengte van een wand1.… En toch.… als kop en staart eens tot denzelfden draak behoorden.… de ligging was zoo, dat de mogelijkheid kon bestaan?…Hij keek met scherpen blik in de richting van den kop en zijn geoefend oog bemerkte, dat de bodem over dien langen weg voor een deel bol stond, zoo de richting aangevend, waarin het lichaam van den draak kon liggen.Hij vergat het haasje, dat ginds aan het spit braadde, hoewel hij den heelen dag weinig anders dan wat bramen en hazelnoten gegeten had. Bij den drakenstaart zittend, de kin op den greep van zijn zwaard geleund, was hij in nadenken verzonken.Dat was dus een draak, een echte draak. Ditmaal behoefde hij geen wonderverhalen van anderen te gelooven. De sagen waren dus geen bedrog. Faffner en Kirgold en Frango bestonden.… Maar als de draken bestonden, dan konden ook de goden bestaan.… Hier lag het geheim ontraadseld voor hem.… hier aan zijn voeten, weinige vamen onder den grond.…Hij mocht niet verder reizen.… al verloor hij er zijn koninkrijk door.… wat beteekende een koninkrijk tegen de doorgronding van dit geheim. Wéten moest hij, voor alles wéten, wilde hij.Haun blies een paar tonen om hem tot het middagmaal te roepen. Hij blies een paar tonen ten antwoord en liep langs de gewelfde lijn van de grond gaande langzaam terug naar Harimona, tellend zijn schreden om den afstand te[84]meten. Twee honderd groote schreden was de draak lang. Veel hooger dan de hoogste boom hier in ’t boschje … veel hooger dan ooit een boom, waar ook, gegroeid was …Maar als dat dier zoo lang was en zoo hoog, hoe zou het dan hier in ’t nauwe boschje, dat zelfs een man nauw doorliet, zich hebben kunnen bewegen? Hij keek naar de boomen rondom … Zij waren allen minstens vijf-en-twintig jaren oud … dus de draak moest al jaren lang dood zijn. Nergens ook was een spoor van gebroken boomen en de schorsen waren nergens afgeschuurd …Peinzend als altoos, kwam hij terug bij Harimona en zij, gewoon aan zijn peinzerijen, vroeg niets, sneed den haas in deelen enreikteSogol een bout. Hij stak het geroosterde vleesch werktuigelijk in zijn mond, zijn donkere oogen starend voor zich uit zonder te zien, kouwend het vleesch zonder het te weten … altoos beziggehouden door zijn gedachten.„Rijden wij verder, meester?”waagde Haun ten laatste te vragen.Harimona zag hem bestraffend aan. Maar Sogol had de vraag niet gehoord en bleef turen, altoos door turen in denkgestaar.Haun sloop stilletjes weg van ’t vuur en den kop van den haas nemend, begon hij dezen een eind verder om en om te gooien, om zijn geluk te beproeven. Want als de schedel boven komt, wacht men goede tijding en als de kaak boven komt slechte.Harimona nam een berenhuid van het leger en legde deze zacht om de schouders van den peinzenden man. Daardoor uit zijn gepeins ontwakend, zag hij haar aan.„Kind,” vroeg hij, „zouden wij niet gaan eten?”„Wij hebben al gegeten, liefste!” zei ze met een zachten glimlach, „en du hebt medegegeten … waaraan dacht du zoo ingespannen?”„Ik denk aan den draak … Ik zou hem gaarne uitgraven…[85]Wilt du mi helpen?…Ik denk zoo … wanneer ’t vriestijd wordt, zal het te laat zijn en als de stormen komen wordt de draak onder ’t zand bedolven en als de bliksemspeer in ’t boschje zwiert, kan alles verbrand worden.”„De tijd dringt, Sogol. Du zult in dijn vaders koninkrijk een andere koning vinden, die di zal weerstaan …”„Ik zal mijn Nervieërs wel weten te herwinnen … en du zult mi helpen …”„En als de koude ons hier overvalt. Wij hebben nog wel vier nachtreizen2af te leggen, voor wij aan uws vaders gebied komen.”Hij keek treurig.„Als wij een gedeelte opgroeven?” vroeg hij. „Wanneer ik een gat groef in ’t midden van de gewelfde lijn, dan zeker zou ik den omvang van ’t dikste gedeelte van ’t lichaam kunnen opdelven. En den maag openen om te zien, wat de draak gegeten heeft.… menschen, kobolden of.… of.…”Hij weifelde, het woord uit te spreken.„Wat meent di?” vroeg zij.„Of gras.… gelijk een koe.…”„Dat hoopt di?” vroeg zij ondeugend.„Ja.… dat hoop ik.… want mij is een gedachte door ’t hoofd gevaren.”Hij zweeg en zij wachtte zonder te vragen op zijn antwoord.„Een doode draak,” ging hij voort, meer in zichzelf sprekend dan tot zijn geliefde, „is nog geen levende. Als hij levend was geweest, ja dan.… dan had ik kunnen zien in ’t licht van zijn oogen en ervaren of hij vuur kon spuwen en ontdekken of hij meer verstand had dan een redeloos dier.…”[86]„Twijfelt di nog altijd?”„Ja.… ik twijfel.… ik heb zoo getwijfeld voor ik den Nickelman in den gröhl dorst aan te randen … en ook heb ik zoo getwijfeld, toen ik den schalgeest bij de twee eiken aanviel.… durven moet men, altoos durven.… niet vreezen voor de eigen gedachte … er zit in het menschelijk hoofd een groote spin, die verbeelding heet. Hij weeft spinsels, altoos nieuwe spinsels, en als men die spin door laat weven, bedekt hij de rede ten laatste met webbe op webbe, tot die een dik, taai kleed vormen, waaronder de waarheid onherkenbaar bedekt ligt.… Weg spin! Weg webben in mijn hoofd.… de waarheid wil ik weten.… de waarheid.…”Hij stond op, liep naar de plaats, waar de kop van het monster uit het gat omhoog stak. Zij was hem gevolgd en wenkte Haun mede te komen. Toen Sogol, over de welvende lijn loopend aan een diepte kwam, stak hij daar diep zijn zwaard in en trok dan, een gat woelend, het zwaard weer terug.… Dat rook vreemd, een reuk die Sogol, die toch veel kruiden-aftreksels kende, onbekend was.… Hij streek met den vinger langs het zwaard; daarop kleefde een taai, dik, bruin, stinkend vocht. En in het gat, dat hij door ’t insteken van ’t zwaard gemaakt had, kwam nu ook traag een dikke, half-vloeibare, bruingore massa oprijzen.„Het drakenbloed!” kreet Harimona.Sogol keek haar even aan en knielde bij ’t gat, waar ’t trage vocht nu al over den rand sijpelde.„Haun, haal een brandenden tak van ’t vuur!” beval Sogol. En tot Harimona:„Als ’t drakenbloed is, moet het branden!”.…Haun, kwam met den brandenden tak.„Ga wat terug, meester!” waarschuwde Harimona, zelf eenige passen terugtredend.…„Zijt di bang?” vroeg Sogol, met toorn in ’t oog.[87]Hij stak de brandende fakkel, met een bitteren lach om den mond, in ’t gat. Meteen sloeg de vlam als een zuil van vuur omhoog uit het gat en de gewelfde lijn op den grond sloeg met een donderend geweld open, stukken aarde, oude boomwortels en steenen opwerpend.Haun was de eerste die wegrende, altoos maar rennend, niet omziende naar ’t vuur. Harimona was achterover geslagen en op haar viel de kroon van een boom, die door de ontploffing ontworteld was en schuin naar voren viel. De vuurzuil was opgestegen vlak in Sogols gezicht. Maar zijn lange baard, tot de wortels verzengd, had hem behoed voor brandwonden.…Hij zag Harimona liggen, sprong op haar toe.„Ben di gewond, liefste?” riep hij smartelijk.„Neen, neen … help mi … help mi …”Opnieuw volgde een ontploffing. Nu spoot een straal van ’t trage vocht uit den grond en een dikke rookwolk begon langs de geheele lengte van de lijn op te stuwen. De schok had Sogol een eind opgeworpen in de lucht, maar hij viel terug op de kroon van den boom waarop hij veerde, hoewel enkele takken in zijn lichaam drongen. Hij voelde de pijn niet, stond op, trok Harimona onder de takken weg en haar optillend, snelde hij met haar weg van de gevaarlijke plek. Achter zich hoorde hij nogmaals een knal en nogmaals en ’t geheele boschje stond in dikke en zwarte, stinkende rook, waartusschen het goud en rood der vlammen met vuursplinters oplaaide …Buiten den wind bleef Sogol staan en keek naar ’t brandende boschje.„Gelooft di nu?” vroeg Harimona, wier gelaat geheel zwart was geworden door den walm. „Nu heeft de doode draak nog vuur gespuwd … ziet di het nu … du ongeloovige!”In hare ontzetting zag zij hem met verschrikte oogen aan en haar stem klonk verwijtend.[88]„Verbrand mee, als du vreest!” antwoordde Sogol verachtelijk, de stukken tak, die in zijn linker arm en in zijn dij waren gedrongen er uittrekkend, waardoor het bloed naar voren kwam en begon langs zijn arm en zijn been te sijpelen.En haar de bloedende arm dicht voor ’t gelaat houdend, zeide hij:„Kom … genees deze wonden nu door dijn heiligheid … stelp dit bloed op dit oogenblik en ik zal gelooven …”Zij keek naar de wonden met blikken, waaruit de wil en het verlangen om te genezen spraken … Maar het bloed bleef vloeien en stremde zwartrood op de huid …„Ik kan niet!” zeide zij, „ik kan niet … Bind toch dijn kleed er om … du zult verbloeden …”„Zóó genezen kan ik ook … en die daar, den draak zal ik ook wel leeren kennen …”Hij keek om naar water en zag Haun, die doodsbleek en klappertandend naar zijn meester kwam.„Jongen, haal water voor dijn meester … gauw …” riep Harimona. „Dáár is een kreek …”En zij wees op een regenwelletje, waarbij de paarden stonden, die met vooruitgestoken kop, snuivend van angst, naar ’t brandende vuur zagen, door hun kluisters alleen verhinderd om er in te galoppeeren.Hij schepte water in zijn lederen jachtbuis en bracht het naar Harimona, die een stuk van haar lijnwaden onderkleed scheurend, de wonden bette en verbond.Sogol liet zich lijdzaam behandelen, zijn gedachten waren bij den brand in het boschje. Nog steeds stegen de vlammen op en van tijd tot tijd hoorde hij een zwakke ontploffing, waarop dan een nieuwe uitlaaiïng van ’t vuur volgde. Daar ’t nog helder dag was, wierpen de vlammen geen lichtschijnsel over de vlakte en de wind dreef de rook in roetige wadems weg.Nu hij verbonden was, dacht Harimona aan zich zelve.[89]Zij had, terwijl zij bij Sogol gebukt stond, heur los wit haar, dat langs haar gelaat viel, weggestreken en toen gemerkt, dat haar vingers zwart waren. Haun zeide haar nu, dat heur gelaat met roetwalm was bedekt. Daarom liep zij naar de kreek en wilde heur gelaat afwasschen. Maar het water liep van heur gelaat zooals van een zwanenrug, zoo vettig was het roet. Haun, die naderbij was getreden om zijn meesteres te helpen, zag het en liep snel zoekend langs den grond, speurend naar vogelmest. Toen bij op het hooge gras wat mest vond, bracht hij het haar. Maar zelfs nu ze ’t gelaat daarmede insmeerde, was het walm niet weg te wisschen.Haun liep naar Sogol en vroeg hem raad. Sogol trad naderbij en overtuigde zich van de vetheid van den roetwalm.„Het lijkt wel ievervet!” zei Haun.Sogol zag hem met een snellen blik vol erkentelijkheid aan.„Zoo, mijn jongen.… dat is beter dan bleek wegloopen.…” en zich tot Harimona richtend:„Het zal met koud water niet gaan.… ik zal roode zuring koken.… daarmede zal di ’t wel weg kunnen wasschen.”Hij plukte wilde zuringsteelen, legde ze in de holte van zijn bronzen schild, porde het vuur op, plaatste het schild op de gevorkte takken er boven, goot met Hauns jachthemd water in ’t schild en wachtte tot het water er in kookte. Toen bracht hij het schild aan Harimona en thans eerst kon zij ’t gelaat schoonwasschen.„Nu zijt di blanker dan weleer!” zei hij schertsend.„Maar du hebt dijn mooien baard verloren.… en het is of du jonger zijt geworden.… Hoe oud zijt di?”„Vijf en twintig jaren.… en du?”„Negentien jaren.…”„Dat zijt di nog bijna een kind.…”„Maar ik heb meer beleefd, dan menige oude vrouw … en dat heeft mi wijs gemaakt.… Ik heb di nooit gezegd,[90]waarom ik niet wilde, dat du Maresag zoudt ombrengen, vóór wij vluchtten.…”„Hij had het verdiend, de schurk, de vrek.…”„Haun,” zeide Harimona, „maak het schild van dijn heer schoon.”Haun nam het schild op en liep er mede naar de kreek.„Zeg geen booze woorden meer van Maresag, mijn geliefde.… Ik mag ze niet aanhooren.…”„Staat di nu nog onder zijn invloed?”„Neen.… maar weet, dat hij mijn vader is.…”Zij lette schijnbaar niet op de verbazing van Sogol, maar ging voort:„Mijn vader; niet alleen mijn wereldsche maar mijn bloed-vader is Maresag, de opperpriester. Mijn moeder was Anertha, deDruïdes, die met mijn vader in gemeenschap leefde. Toen ik geboren werd, gaf mijn vader mijn moeder bittere kruiden, zoodat haar borsten schrompelden en zij geen melk gaf. Want er waren vijanden van mijn vader, oude Druïden, die naar zijn plaats stonden. Zij beschuldigden Anertha van onkuischheid. Het Druïdending kwam bijeen en mijn moeder trad naakt voor de priesters, die haar ziende met de verschrompelde borsten, aan haar onschuld geloofden en over degenen, die den laster hadden verbreid werd gericht gehouden en men rukte ze de tongen uit, zoodat zij ellendig stierven, behalve een, die gevlucht was in ’t woud en zich wreken wilde. Hij wachtte mijn voedstermoeder op en doodde het kind in haar armen, meenende dat ik het was. Doch het was het kind van haarzelve. Mijne moeder was sedert zeer bevreesd voor mijn leven en zij besloot de bittere kruiden niet meer te gebruiken, opdat hare borsten weder zwellen zouden en zij mij zelve zou kunnen zoogen. Maresag merkte dat en wilde haar dwingen tot het gebruiken der bittere kruiden. Zij bleef weigeren, van moederliefde vervuld. Toen was mijn vader zeer bang,[91]want zoo het bedrog ontdekt werd wist hij, dat hem de marteldood wachtte.…”Zij zweeg enzatin gepeinzen, starend naar het brandende boschje, waar de vlammen zachtjes aan verminderden.„En toen?” vroeg Sogol.„Toen.… toen.… toen heeft men mijn arme moeder dood in ’t bosch gevonden.… en zij was geteekend met het bloedige kruis, dat de wilde mannen in de borst van hun slachtoffers kerven.… en de borsten waren haar afgesneden en zij was geschoffeerd.…”„Dat had Maresag gedaan.…”„Ik mag het niet zeggen en niet doen zeggen.… laat ik nu zwijgen.… Maresag is mijn vader, bedenk dat.… Maar di wilde ik dit zeggen, omdat ik er een ter wereld moet hebben, die met mij mijn geheim draagt.… Du weet, wat men omtrent mij in de Renigo vertelde.… Het verhaal van de drachtige ree met de lichtende ster tusschen de ooren, de sprekende maan, de berg Wittewa, waar de kroon bewaard wordt.… dat alles was leugen.…”„Dat is de oorsprong van onze mythen en sagen!” zei Sogol bitter.… „Alles misdaad, leugen en bedrog.… de waarheid is zwart, zwart als de nacht.… en het leven is leeg, bodemloos.… een vloek over het leven.…”„Daarom mijn geliefde, voelde ik zooveel eerbied en ontzag voor di, toen ik zag hoe dapper du waart en hoe helderziend.… En daarom ook, daar du twijfelt, wil ik twijfelen en daar du ontkent, wil ik ontkennen.… want ik heb di lief, lief met een ontzaggelijken eerbied.… want moedig zijt di.… moedig boven allen, allen.… Toen ik door den slag van het drakenvuur werd teruggeworpen en onder den boomkruin lag, zag ik Haun vluchten en toen zag ik dijn gezicht.… dijn baard smeulde weg, het vuur spoot rondom di op.… maar in dijn oogen zag ik geen schrik en dijn leden beefden niet.… maar met groote, vragende blikken staardet di naar den wel, waaruit[92]’t zengende vuur opspoot en ik zag hoe dijn wil om te weten sterker was dan te leven.… En toen zijt di, niet achtend op ’t eigen gevaar over den vuurpoel heen naar mi toegesprongen om mi te redden.… Du hebt de gouden lindenkroon gehaald van den berg Rodewa moet ik die heeten … en den draak en den hond en de geit verwonnen. En de zeven reuzen, zijn dat niet de boomen van ’t boschje, die daar afgebrand zijn.…”Zij wees naar ’t boschje. Zeven boomen hieven boven het smeulende boschje hun zwarte, verkoolde stammen op.„Het is vreemd mijn geliefde,” zeide Sogol, naast haar gaande zitten en zijn arm om haar leest slaande, „er schijnt in al deze leugensproken der priesters vaak diep een waarheid te zitten, zooals in de bittere schaal van de walnoot een zoete kern kronkelt … En toch, leugens zijn het, misleidende, slechte leugens.…”„En de zoete kern in die leugens mijn geliefde, dat is de waarheid van onszelf. De sagen en de mythen schijnen mij toe allen te gelijken op den boom uit het sprookje van de wonderfee … kent di het?”„Neen … vertel het mi …!”„Er was een wijzen koning in het verre land van Scandi, die oud was geworden en geen opvolger had. Toen was hij zeer bedroefd, want hij wist niet wien hij zijn kroon zou doen erven, zonder bevreesd behoeven te zijn, dat zijn rijk na zijn dood door een onwaardige zou worden bestuurd. Hij liep dag aan dag in het bosch te denken en vond geen middel om den waardigsten te kiezen. Toen ontmoette hij eindelijk een fee, die hem vroeg wat hem deerde.„Maagd,” zeide hij, „ik ben oud en dicht nabij den dood. Mijn zonen zijn allen gestorven in den strijd voor het vaderland. Nu weet ik niet wien ik als opvolger zal aanwijzen.”„Ik zal di helpen,” zeide de fee. „Hier in ’t bosch is[93]een wondervijver. Ieder, die er zich in spiegelt, ziet er zijn eigen beeld in, naar zijn eigen verbeelding. Zend degenen, die du meent, dat uw opvolgers zouden kunnen zijn, naar dien vijver en vraag hoe zij er zich in zien.”Toen ging de koning terug en liet verkondigen, dat in het woud een vijver was, waarin elk zichzelf zou kunnen spiegelen, zooals hij was. Tien mannen werden uitverkoren om in den vijver zich te spiegelen en wie de waardigste was, zou den troonopvolger zijn.De tien mannen gingen naar den wondervijver en de koning stond aan den oever en hoorde, wat elkeen zeide, die in den vijver had gekeken.De eerste, die zijn spiegelbeeld zag, zeide: „Koning, ik zie mij met een gouden kroon op ’t hoofd.” De tweede zeide: „Koning, ik zie mij met een purperen mantel aan.” De derde zeide:„Koning, ik zie mij zittende op een troon.” De vierde zeide: „Koning, ik zie mij met een schepter in de hand.” De vijfde zeide: „Koning, ik zie mij, met het koningszwaard voor den schouder.” De zesde zeide: „Koning, ik zie mij met een lichtkrans om ’t hoofd.” De zevende zeide: „Koning, ik zie mij, staande op uw schouderen.” De achtste zeide: „Koning, ik zie mij, staande aan uw sterfbed en uw vinger wijst mij aan.” De negende zeide: „Koning, ik zie de schimmen van uw zonen, die mij op het schild heffen …”De koning echter, die al deze negen mannen had aangehoord, voelde zich bedroefder dan ooit. Want hoe zou hij kiezen komen tusschen zooveel uitverkorenen. De tiende man nu, die de laatste was, die zich in den vijver zou spiegelen, omdat hij reeds van het begin nadenkend terzijde had gestaan, bleef wachten als schroomde bij, om zich te spiegelen.„Waarom spiegelt du di niet?” vroeg de koning verwonderd.„Koning,” antwoordde de tiende man, „is het wel noodig,[94]dat ik de keus nog verzware, waar er zoovelen uitverkoren zijn.”„Spiegel di,” gebood de Koning.Toen schreed de man nader en boog zich over den vijverrand. Maar hij bleef gebogen wachten en scheen beschaamd om zich weder op te richten.„Wat ziet di?” vroeg de koning eindelijk ongeduldig.Nu richtte de tiende man zich langzaam op en de koning zag, dat een traan langs zijn wangen biggelde en in den vijver dropte.„Sta op!” zeide nu de wijze koning, den tienden man met zijn schepter aanrakend, „du zijt uitverkoren!”„Hoe juist!” riep Sogol uit.…„Ik denk dikwijls aan dat sprookje, mijn geliefde. Is die wondervijver niet als het leven der oude tijden, zooals wij dat onthouden in onze mythen en sagen.… wij allen die er ons in spiegelen, zien onszelf zoo gaarne als waardig om de navolgers der grooten te zijn.… en maar een enkele beseft zijn eigen nietigheid.…”„Neen.… neen.… die vijver is het geheele leven.… en wie zich er in spiegelen zijn de menschen.… de menschen, die zich koningen wanen en alléén een heele, enkele wijze weent—want hij weet, dat hij het koningschap dezer wereld onwaardig is.… kom, wellieve, het vuur sintelt nog maar na.… wij zullen gaan onderzoeken, wat er met den draak gebeurd is.…”„Zij keek hem liefdevol aan en dan, met een zacht droevig, schertsend lachje, zei zij:„Ja, laten wij gaan.… wellicht dat de oude koning ook di met zijn schepter aanraakt …”„De oude koning Wod … hij daar?” spotte Sogol, wijzend in den hooge. „Hoe zou hij? Is al niet lang onttroond? Kom Haun! riep hij wat luider, tot den jongen, die ’t bronzen schild blank had gepoetst met fijn zand en ’t nu met een stuk vossevel opwreef, „wij gaan naar ’t vet van den iever zien!”[95]„Daar draagt hij den wondervijver aan!” schertste Harimona, toen ze zag hoe Haun, het blinkende schild hooghoudend om de vrucht van zijn arbeid te toonen, nader kwam.„En wel mag du di er in spiegelen, wellieve!” zeide Sogol. „Maar weenen moogt di niet, want zoo schoon als du bent, was nooit een koningsdochter!”„Du bent vol goeden moed, meester.”„Die kleine muzikant heeft mi de oplossing van ’t raadsel van ’t brandende drakenbloed gebracht.… komt mee.… ik zal ’t di zeggen.”De grond was nog warm in ’t boschje, dat geheel uitgebrand was. De zeven naakte boomstammen staken met hun verkoolde stampen meewârig op uit den zwartig-grauwe grond, waar nog sintels nagloorden.Sogol trad voorzichtig naar de kuil, waar de drakenkop uit opstak, nu omhoog gewerkt tot aan den nek, maar witblank doorgegloeid, een geraamtekop. Sogol zag de diepe gaten der oogkassen en de machtige kaak met de platte groote tanden met verwondering aan.„Hij heeft tanden als een groote bul,” meende Haun.Weer keek Sogol den jongen met innige erkentelijkheid in de oogen aan.„Du, schrandere vos, uit di zal wat goeds groeien.… Het zijn werkelijk groote bulletanden”… zei hij voortgaande tot Harimona … „en deze draak is geen roofdier geweest, anders zou hij tanden hebben als een beer of een wolf.… Dat zijn de tanden van een goedig vee.… die draak heeft gras gevreten.… of vruchten.… maar dan alleen bramen en appels.… want knagen zooals een eekhoorn heeft hij niet gekund.…”Hij liep terzij van de opengespleten gewelfde lijn.… stond stil bij het gat, waar hij de vlammende fakkel had ingestoken.… het was bruin uitgebrand, met korsten van een zwartige, vettige, nagloeiende massa. Maar er staken geen beenderen uit.…[96]„Ziet eens hier.… de draak was niet zoo lang als ik dacht.… hij was in ’t midden doorgebroken.… Daar lag zijn kop.… Daar lag zijn kop.… en hier zijn staart.… Ik zal eens peilen waar zijn achterdeel begint.”Maar toen hij zijn zwaard een eind verder in den grond stak, moest hij ’t ijlings terugtrekken en loslaten.… zoo warm werd het onder den grond. Daar borrelde de trage, dikke, zwarte massa nog op kookhitte.Sogol tornde een paar draden uit het onderkleed van Harimona, draaide ze tot een pit en doopte ze in de gloeiende massa. Toen liep hij een eind terzijde en hield de pit tegen een smeulende tak, die hij tot een vlam aanblies.De pit vatte vlam en brandde spoedig helder op. Sogol wierp haar op den grond en trapte haar uit.„Haun heeft gelijk gehad.… ievervet en tanden als een bul.… die draak is geen draak geweest.… dat was een groot dier.… een heel groot dier.… Maar waar is het vandaan gekomen? De kop zal wel ’t meest op dien van een reuzensalamander hebben geleken.… zie di wel Harimona.… denzelfden vooruitstekenden bek.… maar deze hier heeft tanden gehad, platte tanden gelijk het goedmoedige vee.… Het is zijn vet, dat gebrand heeft … die zwarte brei is zijn vet geweest.… zooals het varken in een vetlaag zit.…”„Waarvan zouden die knallen gekomen zijn?” vroeg Harimona. Nu zij dicht bij den kop stond, de reusachtige beenderen zag, zonder vrees thans nauwkeurig toekeek, begon ook zij aan de echtheid van den draak te twijfelen. Zeker, haar geliefde had gelijk. Wanneer Maresag den draak zou ontdekt hebben zou hij hem gebruikt hebben om het volk vrees en ontzag in te boezemen. Hoe eerlijk was haar geliefde. Indien hij den kop van den draak had medegenomen, gindsch in zijn rijk gestoft zou hebben op zijn gevecht met den draak en de verovering, zou hij zeker begroet zijn als de moedige prins, die den gruwelijken[97]draak had bevochten en overwonnen. Maar hij dacht zelfs niet aan die bedriegerijen. Hij was oprecht en waar.„Ik herinner mij,” zeide Sogol, „dat ik eens als jongen met kornuiten in ’t bosch spelend het kreng van een ever vond, die daar was gestorven.„Hij was zeer dik en gezwollen en wij, meenende, dat het dier drachtig was geweest, staken nieuwsgierig een fram in zijn vel.… Toen steeg uit het dier een stank op, zoo verpestend, dat wij allen wegliepen en één van de jongens bezwijmde. De stank volgde ons een heel eind en thuis kwamen de honden ons besnuffelen en blaften en zochten, alsof zij wild speurden. Ons was het, alsof wij dien stank nog altijd inademden en wij werden door onze ouders uit de hutten gezonden om ons te baden …„Die stank van dat ieverkreng kwam sissend door ’t vel naar buiten … Toen heb ik niet beproefd of ’t ieverbloed branden kon … maar het had heel goed kunnen zijn, dat die stank toen ook met een knal was ontvlamd …„Hoe lang ligt de draak hier?… Niemand heeft ooit zoo’n dier levend gezien … de regen heeft hier in ’t boschje den grond omgewoeld en misschien hebben stinkbronnen, juist als in de Ravenstroth opspuitend, hem uit de diepte omhoog gewerkt … Hoe lang is het geleden, sinds de draak hier verrekte? Wel vóór hier de eerste boom groeide, want in dit boschje had hij zich niet kunnen bewegen … kijk dien breeden kop … hoe zou hij tusschen de boomen doorgekomen zijn, zonder ze te breken …”Hij bleef een tijd zwijgen, in nadenken verzonken.„Wij kunnen nu naar mijn koninkrijk optrekken Harimona. Laten wij nog eens langs de gebogen linie loopen … Het vuur heeft voor ons de graversarbeid gedaan … Ziet eens die ribben … Ze zijn zoo hoog als een paard en zoo breed als mijn schild … Wat gruwelijk aanzien moet dat reuzenbeest gehad hebben … Maar gevaarlijk was hij toch niet, met zijn platte tanden en misschien wel even goedig als[98]een koe … Hier is ’t gat weer … ziet di … hij is doormidden gebroken … maar hoe komen de twee deelen zoo ver van elkaar? Hier in dit gat, waar de knal uitkwam, is uit beide deelen van ’t lichaam het vet heengesijpeld …”Zij liepen een eind voort en kwamen nu aan ’t andere deel van het dier.„Hier vangt het lichaam weer aan … tot dáár, waar de staart nog opsteekt …”Hij snelde vooruit, bemerkend dat de staart niet door ’t vuur was aangetast. En den staart nauwkeurig beschouwend, bevond hij, dat zijn veronderstellingen juist waren geweest. Een zwartige, vettige massa, die hij met den vinger kon indeuken, zat als klei om de beenderen gekleefd.„Schubben heeft hij ook gehad!” zei Sogol tot Harimona, wijzend op de schubvormige omtrekken van de zwarte massa.Hij sneed de punt van den staart van den draak af en nam die mede. Toen traden zij terug, ontkluisterden de paarden, stegen op en reden verder naar de Nervische gouwen.„De helden uit de sagen namen de koppen van de draken mede, die zij hadden gedood,” zeide Harimona. „Maar du neemt den staart mede!”„Ik wilde een herinnering hebben en de kop zou te zwaar voor mijn paard zijn geweest … Weet di, Harimona, du spreekt van de helden der sagen. Vroeger heb ik die sagen altoos voor leugenpraat gehouden, die de priesters hadden verzonnen om het volk te bedriegen. Maar nu ik dat dier heb gezien, ga ik twijfelen. De kern van de noot is weer zoet en alleen de schaal bitter en waardeloos. Waarom zouden de groote voorvaderen niet met deze dieren gestreden hebben? En later, toen de dieren waren gestorven en de voorvaderen ook, hebben de priesters goden gemaakt van de helden en draken van de groote hagedissen …”[99]„Hoe weet di toch alles.… alles.… alles.… mijn geliefde!”„Het is niet zoo moeielijk, wellieve.… Men moet maar durven.… altoos door durven.… ook de waarheid is een draak, die men het hol der verdichting moet uitdrijven!”[100]1Wand = Gewanne, Gewende = 450 voet, de afstand van een ploegwending. (Pfeiffers „Germania” dl. 17).↑2Nachtreizen. De oude Germanenrekendenbij nachten, dus dagreis kon hier niet gebruikt worden.↑
[Inhoud]HOOFDSTUK VII.Zij waren samen ontvlucht, Harimona en Sogol en reden op groote paarden naar het land der Nerviërs en Bellovaken. Sogol wilde zich in zijn land tot koning doen uitroepen. Dan zou hij met Harimona trouwen en een nieuwen godsdienst instellen, die van het nadenken. Hij zou de priesters verdrijven, het geloof in Tiusco, Wotan, Donar, Frya, Grendel en al de andere goden en godinnen en ook in de kleinere geesten, de goeden en de slechten, verbieden in zijn rijk. En van uit zijn rijk zou hij trachten den nieuwen godsdienst te verbreiden naar de Renigo en Maresag te schand stellen, de tempels verbranden, de menschen moed inboezemen en hen er toe trachten te brengen, door nadenken tot de waarheid te komen. Harimona zou hem daarbij steunen. Zij zou openbaar verklaren, dat zij een gewone vrouw was, niet geboren uit den geest maar uit vleeschelijken omgang. De offers zouden afgeschaft worden en het bidden worden verboden. Al wie bad, zou als een lafaard gestraft worden.Sogol zou skiggen uitrusten, die het geheim van den oceaan hadden te doorgronden en dappere mannen zouden medegezonden worden met de Massiliaansche schippers, die aan de kusten purperlaken en wollen weefsels kwamen ruilen tegen barnsteen en zink.Zij moesten medevaren tot het land der Massilianen, daar den koning de hulde gaan brengen van Sogol en Harimona en terugkeeren verhalen van ’t geen zij gezien hadden. Maar alle overdrijving, alle leugen zou streng gestraft worden. De waarheid, de nuchtere, eenvoudige waarheid en werkelijkheid wilde Sogol weten.[68]Zij reden langzaam, omdat het paard van Haun, die op eenigen afstand volgde, kort na de vlucht op deknieënwas gevallen en nu gespaard moest worden, want de weg was ver en Sogol wist niet of hij een nieuw paard zou kunnen krijgen.En terwijl zij samen vooruit reden, met elkaar lange gesprekken voerend over de toekomst en over de goden en het mysterie, blies Haun wijsjes op zijn horen en vergat dan somtijds waar hij was, liet zijn paard met lossen teugel loopen naar de lust van ’t dier, zoodat wel soms Sogol terug moest rijden en den jongeling roepen en bestraffen wegens zijn onachtzaamheid. Dan was Haun bedroefd, beloofde oplettender te zullen zijn en reed wat sneller mede. Maar den volgenden dag als hij weer een nieuwe melodie gevonden had, en zijn horen blazend, zich voorstelde voor een schoone prinses te spelen, die wanneer zij door zijn spel verteederd was, met hem in ’t huwelijk zou treden, dan vergat hij weder dat zijn paard slecht voort kon en zijn heer snel voorwaarts wilde. Toen had Harimona Sogol gezegd, dat het beter was wanneer Haun vooruit reed en niet volgde, hoewel dat tegen den regel was. Zoo moest Haun dan vooraan rijden en als hij weer begon te droomen nam Sogol op zijn beurt zijn horen en blies een paar schrille tonen, zoodat de jonge muzikant opschrikte. Sedert bleef Haun niet meer toeven. De bestraffende woorden van Sogol hadden minder invloed gehad dan de vrees voor de schrille tonen.Zij reden in een sukkeldrafje en gaven de paarden veel rust omdat het mogelijk kon zijn, dat ze de snelheid en de kracht hunner paarden noodig konden hebben om roovers te ontkomen of vijandige lieden. Want Sogol was bang voor strijd met menschen. Dat had Harimona bevreemd, maar hij had haar gezegd, dat zijn leven hem te veel waard was om het te verliezen in een ongelijken strijd met onbeteekenende roovers. Hij verfoeide het zwaardgevecht[69]om der wille van ’t gevecht alleen. Het zwaard moest hoogere zaken dienen dan zichzelf, meende hij. Maar heur eerbied voor hem nam toe, toen zij zijn geestelijken moed leerde kennen. Zij wist hoe ook de dapperste mannen vreesden, wanneer in de toppen der boomen geheimzinnige geluiden klonken of wanneer eekhoorns dwars over den weg liepen, katuilen schreeuwden, dwaallichten glansten. Maar hij vermaakte zich er mede, de katuilen nà te schreeuwen, joeg eekhoorns opzettelijk op, opdat ze dwars voor Harimonas paard zouden wegsnellen. Wanneer zij ’s avonds de paarden hadden gekluisterd en de pelzen hadden neergespreid, waarin zij sliepen en zij hoorden in de toppen der boomen onbekende geluiden, dan stond Sogol weer op, maakte vuur, stak een dorre tak aan en riep Haun op, om hem te helpen. En hij klom in den boom, tot bovèn in den top en was niet tevreden voor hij Harimona den oorzaak van ’t geluid kon verklaren, beneden komend met een dikke, gebroken tak, die tegen den stam had geklapperd of met een grooten, dooden vogel, die met een poot in ’t loover verward geraakt, in doodsangst met de vleugels had geklepperd. En danlachteSogol met een vreemden, schrillen lach en vloekte op de asen en de elfen en de nikkers en de kobolden, ze uitdagend hem hier te komen bestrijden.„Dat zijn hun goden!” zeide hij dan, den tak of het doode dier trappend met drift onder den voet. „Het zijn allen vruchten van hun lafheid. Laf zijn ze— —alle Germanen bij elkaar— —sterk als stieren en met hun zwaarden elkaar bestokend zooals balgende herten elkaar met de geweien stooten. Maar moed.… echte moed.… moed om tegen de valsche goden op te treden.… die hebben ze niet.…”Hijbleef staan voor haar, breed de borst gezwollen en opziende naar den sterrenhemel, met uitdaging in zijn houding, als in verwachting, dat een der groote goden[70]op hem zou toetreden, Balder of Grendel of zelfs Thor of Wotan.… gereed om met hen den kamp op te nemen.Zij zelve geloofde niet meer aan het bestaan der kleine geesten. Maar diep in haar hart, geloofde zij wel aan de groote machten.… Wellicht waren Wotan en Donar maar verbeeldingen.… Zoo goed als de Thius der voorvaderen een verbeelding was geweest. Maar waarvan kwamen de sterren? En wie spande de hemel? En wanneer de mensch stierf, waarheen zweefde dan zijn geest?In den laten avond wierp Sogol dan nog weer dood hout op het smeulende vuur en in de stilte van den winternacht zaten zij voor het vuur, opziende naar het vurige geprikkel der sterren en samen peinzend over de groote geheimen, waarvan zij zich voelden omgeven.Dan werd Sogol dikwerf bedroefd, want hij kon haar niet op hare vragen antwoorden. Zeker, zij gaf toe, dat de sterren daar aan de lucht geen goden waren en ook geen zielen en die zeven daar, waren niet de naijverige minnaars van Nehalennia, zooals ze zeiden aan de kust. Maar wat waren het dan?„Zeg mij Sogol, wat zijn ze dan, de sterren?”Hij bleef zwijgend staren naar den winterhemel en zij zag hoe een traan uit zijn oogen welde en langs zijn wang biggelde.„Weent di, mijn meester?” vroeg zij zacht.„Ja, ik ween.… ik ween.… omdat ik weten wil en niet weten kan, geliefde. Lief heb ik di, Harimona, omdat du zooals ik, de waarheid liefhebt en oprecht zijt. Mijn koninkrijk zal ik di gaarne aan de voeten leggen. Maar toch, hoe klein is mijn liefde, dat ik di niet dat simpele antwoord op dijn vraag als bruidsgeschenk kan geven.… Want ik weet het niet, geliefde, ik weet het niet, ik weet het niet.… Ja, vraag het mi.… vraag het mi.… wat zijn de sterren?… Zijn het klompen vuur? Maar hoe komt het dan, dat hun vuurnietdooft.… Wie werpt hout op[71]dat vuur? En wat is achter die sterren?… En hoevelen, hoevelen zijn er niet.… Daar.… die heele breede zoom van einder tot einder.… en daar die met dat scherpe blauwe licht.… en daar die, die flakkert als een toorts … en daar die, in een orde geschaard als een saks?.…”„Als de zon opgaat dooven de sterren en als de zon ondergaat, vlammen ze weer op.… Wie steekt ze aan Sogol?… Moet daar geen groote macht zijn, die ze aansteekt, avond na avond en ze weer dooft, morgen na morgen?”Sogol peinsde en keek in ’t vuur. Eindelijk antwoordde hij:„De maan, gaat die ook ’s avonds aan en dooft die ook ’s morgens uit, Harimona?”„Niet altijd, meester.”„Neen, niet waar. Er zijn dagen waarop de maan heel vroeg opgaat, als de zon nog schijnt.… Zij is dan heel bleek, zoo wit als zilver en hoe later het wordt, des te rooder wordt zij. Dat is toch zoo, niet waar?”„Ja, mijn meester.”Hij sprong op, liep op haar toe, omhelsde haar,kustehaar op ’t witte haar, op de wangen, op de hals,op den mond. En juichend weer sprong hij recht, roepend.… „ik heb het gevonden, ik heb het gevonden.… ik zal alles, alles vinden.…”En zich weer neerzettend bij ’t vuur, wilde hij opnieuw spreken, maar de vreugde overweldigde hem opnieuw.… Hij sprong nogmaals op, hief zijn handen omhoog naar den sterrenhemel, bolde de vuisten en naar boven roepend:„Ik heb het gevonden.… o zaligheid.… o geluk.… ik heb het gevonden.… ik heb het gevonden.…”Zij keek hem bewonderend maar niet zonder angst aan, gespannen wachtend op zijn verklaring.„En alles, alles, alles zal ik ontdekken! Wacht du daar, wacht.… ik zal dijn geheim doorvorschen.… Wacht du daar, wacht du!”[72]En hij balde dreigend de vuist tegen den hemel. Daarna zich weer neerzettend, ging hij voort:„De sterren zijn niet anders dan de maan. De maan is een groote ster, veel grooter dan de anderen, maar er is geen ander verschil.„Wat met de maan gebeurt, gebeurt met de sterren. Maar omdat ze zoo klein zijn, kunnen wij het niet zien.…”„Maar wat gebeurt dan met de maan?” vroeg Harimona.„Zij wordt ’s avonds niet ontstoken en ’s morgens niet gedoofd. Zij brandt altoos.… altoos, altoos.… Zij staat ook aan den hemel als wij haar niet zien.… Geeft een toorts licht op den noen? Neen, niet waar? Maar naarmate het donkerder is, geeft de toorts meer licht. Zoo is het met de maan en zoo is het met de sterren.… zij hebben maar een zwak licht, zooals de toorts, dat men beter zien kan, naarmate het donkerder wordt.… Vandaar dat de maan op sommige avonden eerst bleek is gelijk zilver en hoe donkerder het wordt, des te heller schijnt haar vuur. In den morgen wordt zij weer bleeker.… tot zij onzichtbaar wordt … het licht van de zon maakt haar onzichtbaar …”„En wie steekt de zon aan?” vroeg Harimona.„Wat wijf? Ik doe di kond van een groote ontdekking en in stede van mede te juichen blijft du vragen? Is het al niet veel te weten, dat de maan en de sterren daags branden zoogoed als ’s nachts?”„Het is veel, maar de raadselen blijven raadselen, meester.”„Neen, ze blijven het niet, vrouw. Raadselen waren de kobolden en de elfen, tot ik ontdekte, wat hun eigenlijk wezen was. Raadsel was het schijnen der sterren en der maan alléén ’s nachts, totdat ik vond, dat zij ook overdag schijnen. Laat mij denken en ik zal ook vinden waar hun oorsprong was en waar de oorsprong dier oorsprong aanving. Maar ik moet tijd hebben om te denken. En du, geliefde, wees niet laf, als al die anderen maar durf óók door te[73]denken, altoos dieper, alsof dijn gedachte een donker woud ingaat. Dring er doorheen en aan de andere zijde vindt du het nieuwe land.”Eenige dagen later terwijl zij de Bellovaaksche gouwen al naderden, werden zij door een zwaar onweer verrast. Harimona was angstig en wilde onder een boom schuilen. Maar Sogol toornde op haar en ook op Haun, die in ’t bosch wilde blijven tot het onweer was voorbij getrokken. Hij dwong beiden hem te volgen op het groote, vlakke land, dat aan den zoom van ’t woud aanving en zoodra de eerste bliksemstraal knetterde begon Sogol te woeden tegen Donar. Hij daagde hem uit, vloekte hem met de vreeselijkste vloeken, wees hem smadelijk op zijn achterdeel.„Drekgod, drekgod, drekgod, kom op. Sla mij, drekgod met dijn bliksem, als du daar zijt.… Hier sta ik, een god zooals du, maar machtiger, want ik ben hier werkelijk en du, du, du, zijt niet, du zijt maar een schepping van lafhartigen en angstschijters.…”Harimona en Haun, in den regen staande midden op ’t land, staarden met onzetting naar Sogol, die slechts met een berehuid om zijn naakt lichaam, de machtige armen bloot, met opgeheven vuisten dreigende gebaren maakte tegen het blauwgrijze werk, waarin zij de bliksems zagen bersten en den donder rommelen. En bij elken bliksemstraal, bij elken donderslag vernieuwde Sogol zijn vloeken en bedreigingen. Hij liep soms op een drafje voorwaarts in de richting van den einder vanwaar de bliksem kwam aanlichten.„Tref mi nu … tref mi nu … speer van den drekgod … Du durft kunt, du kunt niet.… hier sta ik.… bereid om dijn speer op te vangen.… tref mi dan.… tref mi dan!.…”Hij sprong op van den grond, zijn borst naakt, en gezwollen, zijn armen wijd geopend als verwachtte hij den bliksemstraal. Het schuim stond hem op de lippen van[74]woede en Harimona, hem zoo ziende, voelde zich bevreesd terwijl Haun weende.Het onweer verminderde in kracht en trok weldra voorbij. De blauwgrijze hemel brak in wolkenbrokken en uit het diepblauw daartusschen kwam de zon schijnen.Sogol werd kalmer en nu omziende voor Harimona zeide hij trotsch:„Hebt di het nu gezien, dat ook de groote goden niet bestaan? Waar was Donar met zijn gouden speren? Waar was zijn rollenden donderwagen?.… Hebt du geweend knaap?…”„Ik vreesde zoo, dat de speer di zou treffen,” antwoordde Haun.„Du zult niet weenen als dijn meester de goden uitdaagt.… maar du zult weenen, als de anderen zich voor de goden verdeemoedigen.… Onthoud dat knaap.… en bindt de kluisters los van de paarden.”Zij stegen op en reden door de frissche lucht onwaaierd, stapvoets verder.„Waarom zegt di niets?” vroeg Sogol, bemerkend hoe zijn geliefde zwijgend naast hem reed en geen woord van bewondering had voor zijn moedig bestaan.Zij keek hem van terzijde aan en hij zag een schroomvollen eerbied in haar vreemde, roode oogen.„Ik heb een zonderlinge gedachte, Sogol!”„Gelooft di nog aan Donar?” vroeg hij haast angstig.„Neen.… maar mi kwam de gedachte in ’t hoofd, dat du wellicht zelf een god zijt.…”„Ik ben een mensch, een gewoon mensch.… zooals du, zooals Haun.… Of meent du nog, dat du ook een godin zijt?”„Neen … ik ben geen godin … maar du zijt een god … en du weet het zelf niet.… En misschien weten de andere goden evenmin, dat zij goden zijn.…”„Vrouw, du zegt zulke diepe gedachten, dat du zelve ze niet omvat.…”[75]Zij reden langen tijd zwijgend voort, Sogol zijn hoofd neerwaarts gebogen en zijn gefronste oogen naar den bodem gericht. Eindelijk zeide hij:„Dat kan het zijn, mijn lief. De goden weten zelve niet, dat zij goden zijn.… zooals dit paard onder mij, dat sterk is, daden van kracht doet en toch zijn eigen kracht niet kent … Wat zijn de goden dan?… Redelooze krachten, die hun daden doen zonder de macht over die daden.…”„Maar het paard heeft een berijder, die het stuurt meester.… Zoo heerscht dan Wotan over de goden als de mensch over de dieren.…”„Ik zou di kussen kunnen als du zoo spreekt, en toch weenen omdat du altoos weer tot Wotan dijn gedachte voert.… Maar Wotan kàn niet bestaan.… zoomin als Donar bestaat.… zoomin als de kleinere geesten.…”„Welke macht doet de zon dáár schijnen?” vroeg Harimona.En haar aanblikkend, zag hij uit haar roode oogen een straal gouden licht schijnen.„Wie doet, die wolk daar schuiven? En die daar? En die daar? Staat achter elke wolk een geest, die haar voortschuift? Of zit op elke wolk een ruiter, zooals op het paard, en stuurt haar en leidt haar met bit en teugel en spoor? Ziet ze ijlen en barsten en vluchten in hare vreemde gestalten.… Voelt du niet, dat het de wind is, die ze wegblaast, zooals het kind de kaarsjes wegblaast van de weidebloem.… Ik kan nog niet alles weten.… maar omdat ik iets weet, weet ik dat ik méér zal kunnen weten.… Het zijn alles krachten, redelooze krachten, die niet anders doen dan ze doen omdat ze niet anders kunnen.… De zon, de maan, de sterren, de bliksem, de donder, de wolken.… zij allen zijn redeloos en doen zooals ze moeten doen.…”„En wij dan?”„Wij vrouw.… wij.… wij zijn ook al niet anders dan[76]de zon en de sterren en de wolken.… wij zijn ook krachten, die onze eigen macht niet kennen.…”Hij reed een poos zwijgend voort. Toen weder, tot haar:„Waarom zouden wij iets anders zijn dan de dingen om ons heen. Zijn wij niet even dom als de natuurkrachten? Moeten wij niet eten, drinken, slapen als het tijd daarvoor is, zooals daarboven het onweer komt, als het de tijd voor het onweer is? Weten wij met zekerheid iets meer dan deze paarden? Weten wij meer van ons verleden? Meer van onze toekomst? Meer van wat boven de hemelen is en onder de aarde? Waarom val ik ter aarde wanneer ik van mijn paard stort en kan niet omhoog vallen, of in de lucht mij zwevende houden door mijn wil alleen? De mensch is een natuurkracht zoo goed als de bliksem en de donder, zoogoed als de zonnestraal een natuurkracht is.”„Maar waar komen die natuurkrachten vandaan?” vroeg Harimona weder.„Ik weet het niet.… ik weet het nog niet.… En moeten zij dan bepaald ergens vandaan komen? En moeten zij dan bepaald ergens heengaan? Waarom zouden zij er niet altijd geweest zijn en er altijd blijven?”„Ik kan dijn gedachtenvlucht niet volgen Sogol.… In mijn binnenste leeft gestadig het gevoel alsof er nog een ander leven is.… een leven, dat als de gedachte of de droom geen lichaam noodig heeft om te bestaan. Zoo dikwerf als Maresag mij met zijn kruiden in de verrukking bracht, ontsteeg ik mijn lichaam en zwierf langs onbekende velden en wegen en zweefde over oneindige wateren of steeg den sterren tegemoet.”„En hebt di dan wel eens andere dingen gezien dan hier?”„Ja.… ik heb de goden aanschouwd, Wotan het meest.… En hij was het, die mij de kracht gaf, wonderen te doen zooals du hebt kunnen zien.… toen ik de lammen genas en de blinden en die met etterende wonden neerlagen.”„Was dat geen bedrog, Harimona?”[77]Hij hield zijn paard in en zich over haar paard buigend en het ook tot stilstand dwingend, keek hij haar diep en ernstig in de oogen.Zij keek hem onverschrokken aan.„Dacht di, dat ik het liefste, dat ik ter wereld heb, zou bedriegen? Dan is het beter, dat ik terugkeer.”„Dus du kunt wonderen verrichten?”„Als ik in de verrukking ben.… ja.…”„En die kreupelen, die reeds genazen zonder dat zij di zagen?”„Kan niet mijn ziel uitgestraald zijn ook zonder dat ik het wist of wilde? Was niet al wat ik in mijn verrukking deed, iets waarover ik geen macht had en waaraan ik zonder mijn verrukking vreemd was?”Hij reed weer voort naast haar en dacht zwijgend na.„Het is droevig,” zeide hij eindelijk, „Wie het gedachtenwoud binnenrijdt komt niet tot licht, maar hij verwart zich hoe langer hoe meer in ’t donkere hout. In mij komt de vreemde lust op, dit leven te eindigen om te weten. En ik voel naijver op die anderen, die vroom gelooven kunnen in al de goden, de grooten en de kleinen. Maar ik kan niet … ik heb immers ervaren, dat de Nickelman een aal was en de grondgeest een geluidsschal.…”Na een poos vroeg hij plotseling:„En wat was er waar van Frango, den draak, Whridlo, den hond en Baza, de geit?”„Begreep di dat niet?”„Neen.… hoe zou ik.… Er bestaan geen draken!”„Het was een raadsel van Maresag om de vele minnaars te beproeven. Frango was de moed, Whridlo was de trouw, Baza was de soberheid. Wie dit raadsel zou begrijpen was mij waardig, meende Maresag honend.”„En du vondt dat goed?”„Wat Maresag wilde moest ik doen … ik kon hem niet weerstaan. Hij had een groote macht over mij, waaraan ik[78]mij niet kononttrekken… Eerst toen du kwam en ik door mijn geloof in dijn kracht overwon, kon ik met di medegaan.”„Ik dacht wel, dat de draak ’t een of ander groote onbekende dier zou zijn, dat de laffen zou verschrikken.”„Maar er bestaan zeker draken, Sogol. In mijn verrukkingen heb ik ze gezien. Zij hadden lange muilen met scherpe tanden en lage pooten gelijk een hagedis en lange staarten, met punten bezet …”„Ik wilde, dat ik met di naar dat gewest van dijn verrukkingen kon opstijgen.”Zij reden een eind voort tot zij aan een klein boschje kwamen, waar zij afstegen om te rusten en de paarden te voederen. Zij zagen om naar Haun, die een eind vooruit was gereden en nu uit het gezicht was.Sogol nam zijn horen en stiet een paar schrille tonen uit den horen. Toen na eenig wachten Haun niet terug kwam, kluisterde Sogol zelf de voorbeenen der paarden, nam ze het bit uit den mond en liet ze grazen. Daarna zocht hij met Harimona in ’t boschje naar paddestoelen, die hun als leeftocht dienden wanneer geen klein wild gevangen was of niet een ree of een hert door Sogol met de speer was neergedrild. Nog zochten zij, toen zij Haun’s horen in de verte drie korte stooten hoorden geven, het signaal, dat hij in gevaar verkeerde.Harimona verbleekte maar Sogol snelde naar zijn paard, ontkluisterde het en de hand aan ’t kortzwaard, reed hij in galop naar den kant, vanwaar nu voor de tweede keer het alarmsignaal klonk.Toen hij een eind gereden had, zag hij Haun staan nevens zijn paard. De jongeling kwam zijn heer te gemoet loopen.„Wat is er aan de hand?” riep Sogol.„Meester … Meester … er is hier wat vreemds …”„Wat, mijn jongen?”„Meester … het lijk van een draak ligt hier …”[79]Sogol steeg af en volgde Haun in ’t kleine boschje. Daar had het instroomende regenwater den grond onderwoeld en uit een kuil, half met water gevuld, stak de kop uit van een draak.Sogol groef met zijn zwaard de aarde rondom wat weg. Zij was vastgeslikt met het vleesch van den reusachtigen kop. Hij zette de zwaardpunt in den grooten muil van ’t dier en trachtte deze open te breken. De kop brak broos vaneen en de scherpe, spitse tanden rolden naar buiten.„Ga de meesteres halen en de paarden. Ik blijf hier Haun!” zeide Sogol en toen de jongen wegreed in de richting, die Sogol hem had aangewezen, begon deze nu voorzichtiger met zijn zwaard het tot zwartige klompen met den huid en ’t vleesch van den draak gesmijde veen, van den kop af te steken.Hij was nog bezig den kop vrij te steken, toen Harimona en Haun aangereden kwamen. Sogol voelde zich beschaamd, wist niet wat hij zou zeggen tot Harimona.Zij voelde zijn schaamte en om hem niet te kwetsen zeide zij:„Misschien is het toch geen draak maar een vreemd groot dier.”Hij zag haar aan met lichtjes van dankbaarheid en geluk in de oogen.„Gelooft di dat?”vroeg hij nogmaals.„Het kon toch zijn …”„Wij kunnen het ten minste onderzoeken … Als hij levend was geweest, zou ’t minder makkelijk zijn gegaan. Zie dien muil eens.’k Heber mijn zwaard tot aan den greep ingestoken en nog altijd was ik niet aan ’t keelgat.… Ga eens naast den kop staan Haun … ziet eens … De muil alleen is hooger dan Haun …”„En waar zijn zijn oogen?”„Ik heb al deze aarde rondom afgestoken, maar ben nog niet aan zijn oogen toe gekomen …”[80]„Ik denk, dat hij rechtstandig in den grond staat,” zeide Haun, bemerkend dat de muil spits opstond,„alsof het gat de uitgang van ’t hol van den draak was geweest.”„Wat denkt di te doen?” vroeg Harimona aan Sogol, ziende hoe hij vermoeid was van ’t graven.„Ik wilde wel gaarne hier blijven en den heelen draak uitgraven.… Dan kunnen wij zien hoe hij er uitziet.”„Maar dat kunt di alleen niet.…”„Haun zal helpen.… en.… en.… als du wilt.… du ook.…”„Met onze handen?”„Neen, ik zal spaden snijden.…”„En uw koninkrijk?” vroeg Harimona.Sogol dacht na.„Het was misschien beter, dat du eerst mannen haalde, die du hielpen?.…” vroeg Harimona.„Dat kan lang duren.… als ’t gaat vriezen is ’t graven onmogelijk.… en ik weet niet of ik mannen zal vinden, dapper genoeg om den draak uit te graven.… kom.… laten wij eerst eten, rusten en dan ten minste den kop van het monster uitgraven.…”Harimona maakte vuur en Haun, met een speer gewapend, ging in ’t boschje naar wild speuren. Al heel spoedig kwam hij terug met een haas,die hij den speer door den kop gedrild had, toen ’t dier voor zijn voeten opsprong. Harimona nam haar klein gordelmes en begon het dier te villen. Haun stond er bij en keek nauwlettend toe.„Heb di zoo’n honger vent?” vroeg Harimona.„Nee.… ik heb bessen gegeten en nootjes.… ik heb geen honger.…”Maar omdat hij toch bleef toekijken, vroeg zij weer:„Wat wil je Haun? Je kijkt zoo vragend.…”Hij kleurde, zag verlegen zijwaarts.„Er uit er mee, als du wat zeggen wilt!” zei Sogol gewild streng.[81]„Ik wou de meesteres wat vragen.… ik ben nu al zoo lang van huis.… en ik wou weten of ik vader of moeder en mijn broertje gezond en wel zal aantreffen.…”„Dat weet ik niet!” lachte Harimona.„Als du wilde.… en eens voor mij keek.… daar …”En hij wees, even bang naar Sogol opblikkend, op de darmen van de haas.„Vervloekt!” stoof Sogol op.„Ik wist wel, dat de meester het niet zou willen!” zei Haun, half schreiend.„De meester heeft gelijk Haun. Ik kan niet uit de darmen waarzeggen.…”„En niemand kan het, Haun. Hoe kom di aan die vraag.”„Ginds op ’t groote veld te Renigo was een vrouw, die uit ingewanden de toekomst kon lezen. Wie haar een geit bracht, die spelde zij de toekomst uit de darmen van de geit; en wie haar een ree bracht, die spelde zij de toekomst uit een ree. En er kwam zelfs éens een man, die een kalf bracht en zij liet het slachten en las uit de darmen.”„Dat is alles bedrog, Haun. Ze deed het om de dieren.”„Nee meester.… ’t was geen bedrog. Ik heb de vrouw een geitje gebracht en zij voorspelde mij, dat ik op reis zou gaan met een koningszoon en zijn bruid en die zullen tot hoog aanzien geraken: De koningszoon zal koning worden en de bruid, koningin! En ’t is tot nu toe uitgekomen.… och lieve meesteres.… ik smeek di.… zie toch even in de darmen en zeg mi of mijn broertje nog leeft.…”Harimona keek Sogol vragend aan, half besloten om den jongen zijn wil te geven. Maar Sogol keek somber.„Als wij zelf de domheid bevorderen.… wie zal ze dan bestrijden?” vroeg hij.En zich tot kalmte dwingend, zei hij tot Haun:„Mijn jongen, al kwam wat zij zeide ook uit, toch was ’t bedrog. Het gaat bij die voorspellingen zoo.… Komen[82]ze uit, dan gelooft men aan de buitengewone zienerskracht.… komen ze niet uit, dan vergeet men de voorspelling of meent bij een slechte waarzegster te zijn geweest. Maar ’t zijn alle slechte waarzegsters. Niemand weet iets van de toekomst.… niemand.… niemand.… de goden zelve niet.… zij zijn ook aan het lot onderworpen, zonder dat zij weten, hoe het zal loopen.… en het zal een slecht lot voor ze zijn, als de koningszoon, werkelijk koning wordt.”Sogol had de laatste zinnen meer tot zichzelf dan tot Haun gezegd, die teleurgesteld naar den haas bleef zien.Harimona, na den haas gestroopt te hebben en van de ingewanden ontdaan, stak hem aan een bronzenspit, dat op twee gevorkte takken rustte en nu moest Haun langzaam draaien.Sogol, zijn ongeduld niet kunnende bedwingen, was al weder naar den kop van den draak geloopen en begon deze verder met zijn zwaard te ontgraven. Maar bemerkend, hoe weinig hij hierdoor bereikte, liep hij een eindje ’t bosch in zoekend naar een boom, geschikt om er spaden van te snijden. Een zwarte stronk, die manshoog boven den grond uitstak, zeker ’t overblijfsel van een boom, die door den bliksem getroffen was en daardoor van buiten bruin gebrand, kwam hem geschikt voor en hij sloeg er zijn zwaard tegen. Maar ’t zwaard ging er diep in en stuitte toen op iets hards. Sogol keek verwonderd en nu, de stronk belastend, ervoer hij, dat hier weder het lijk van een draak was verborgen, nu met den staart opwaarts uit het hol. Hij zag de grove schubben van den staart, hoewel ’t vleesch verkoold was en ook nog de knoesten van de dorens van den rug.…Daar waren dus twee draken in dit boschje geweest. Beiden wellicht door den bliksem getroffen. Maar hoe deze vreemde houding te verklaren.… de één met den kop hoogopgestoken uit de krocht, de andere met den[83]staart opwaarts? Waren zij voor ’t onweder gevlucht?Hij mat den afstand tusschen de twee draken.… Een denkbeeld kwam in hem op.… maar hij weifelde om het aan te nemen.… Neen.… dat kon niet.… zoo groot was een draak niet.… dat overtrof alle verhalen van de sagen.… Het was wel de lengte van een wand1.… En toch.… als kop en staart eens tot denzelfden draak behoorden.… de ligging was zoo, dat de mogelijkheid kon bestaan?…Hij keek met scherpen blik in de richting van den kop en zijn geoefend oog bemerkte, dat de bodem over dien langen weg voor een deel bol stond, zoo de richting aangevend, waarin het lichaam van den draak kon liggen.Hij vergat het haasje, dat ginds aan het spit braadde, hoewel hij den heelen dag weinig anders dan wat bramen en hazelnoten gegeten had. Bij den drakenstaart zittend, de kin op den greep van zijn zwaard geleund, was hij in nadenken verzonken.Dat was dus een draak, een echte draak. Ditmaal behoefde hij geen wonderverhalen van anderen te gelooven. De sagen waren dus geen bedrog. Faffner en Kirgold en Frango bestonden.… Maar als de draken bestonden, dan konden ook de goden bestaan.… Hier lag het geheim ontraadseld voor hem.… hier aan zijn voeten, weinige vamen onder den grond.…Hij mocht niet verder reizen.… al verloor hij er zijn koninkrijk door.… wat beteekende een koninkrijk tegen de doorgronding van dit geheim. Wéten moest hij, voor alles wéten, wilde hij.Haun blies een paar tonen om hem tot het middagmaal te roepen. Hij blies een paar tonen ten antwoord en liep langs de gewelfde lijn van de grond gaande langzaam terug naar Harimona, tellend zijn schreden om den afstand te[84]meten. Twee honderd groote schreden was de draak lang. Veel hooger dan de hoogste boom hier in ’t boschje … veel hooger dan ooit een boom, waar ook, gegroeid was …Maar als dat dier zoo lang was en zoo hoog, hoe zou het dan hier in ’t nauwe boschje, dat zelfs een man nauw doorliet, zich hebben kunnen bewegen? Hij keek naar de boomen rondom … Zij waren allen minstens vijf-en-twintig jaren oud … dus de draak moest al jaren lang dood zijn. Nergens ook was een spoor van gebroken boomen en de schorsen waren nergens afgeschuurd …Peinzend als altoos, kwam hij terug bij Harimona en zij, gewoon aan zijn peinzerijen, vroeg niets, sneed den haas in deelen enreikteSogol een bout. Hij stak het geroosterde vleesch werktuigelijk in zijn mond, zijn donkere oogen starend voor zich uit zonder te zien, kouwend het vleesch zonder het te weten … altoos beziggehouden door zijn gedachten.„Rijden wij verder, meester?”waagde Haun ten laatste te vragen.Harimona zag hem bestraffend aan. Maar Sogol had de vraag niet gehoord en bleef turen, altoos door turen in denkgestaar.Haun sloop stilletjes weg van ’t vuur en den kop van den haas nemend, begon hij dezen een eind verder om en om te gooien, om zijn geluk te beproeven. Want als de schedel boven komt, wacht men goede tijding en als de kaak boven komt slechte.Harimona nam een berenhuid van het leger en legde deze zacht om de schouders van den peinzenden man. Daardoor uit zijn gepeins ontwakend, zag hij haar aan.„Kind,” vroeg hij, „zouden wij niet gaan eten?”„Wij hebben al gegeten, liefste!” zei ze met een zachten glimlach, „en du hebt medegegeten … waaraan dacht du zoo ingespannen?”„Ik denk aan den draak … Ik zou hem gaarne uitgraven…[85]Wilt du mi helpen?…Ik denk zoo … wanneer ’t vriestijd wordt, zal het te laat zijn en als de stormen komen wordt de draak onder ’t zand bedolven en als de bliksemspeer in ’t boschje zwiert, kan alles verbrand worden.”„De tijd dringt, Sogol. Du zult in dijn vaders koninkrijk een andere koning vinden, die di zal weerstaan …”„Ik zal mijn Nervieërs wel weten te herwinnen … en du zult mi helpen …”„En als de koude ons hier overvalt. Wij hebben nog wel vier nachtreizen2af te leggen, voor wij aan uws vaders gebied komen.”Hij keek treurig.„Als wij een gedeelte opgroeven?” vroeg hij. „Wanneer ik een gat groef in ’t midden van de gewelfde lijn, dan zeker zou ik den omvang van ’t dikste gedeelte van ’t lichaam kunnen opdelven. En den maag openen om te zien, wat de draak gegeten heeft.… menschen, kobolden of.… of.…”Hij weifelde, het woord uit te spreken.„Wat meent di?” vroeg zij.„Of gras.… gelijk een koe.…”„Dat hoopt di?” vroeg zij ondeugend.„Ja.… dat hoop ik.… want mij is een gedachte door ’t hoofd gevaren.”Hij zweeg en zij wachtte zonder te vragen op zijn antwoord.„Een doode draak,” ging hij voort, meer in zichzelf sprekend dan tot zijn geliefde, „is nog geen levende. Als hij levend was geweest, ja dan.… dan had ik kunnen zien in ’t licht van zijn oogen en ervaren of hij vuur kon spuwen en ontdekken of hij meer verstand had dan een redeloos dier.…”[86]„Twijfelt di nog altijd?”„Ja.… ik twijfel.… ik heb zoo getwijfeld voor ik den Nickelman in den gröhl dorst aan te randen … en ook heb ik zoo getwijfeld, toen ik den schalgeest bij de twee eiken aanviel.… durven moet men, altoos durven.… niet vreezen voor de eigen gedachte … er zit in het menschelijk hoofd een groote spin, die verbeelding heet. Hij weeft spinsels, altoos nieuwe spinsels, en als men die spin door laat weven, bedekt hij de rede ten laatste met webbe op webbe, tot die een dik, taai kleed vormen, waaronder de waarheid onherkenbaar bedekt ligt.… Weg spin! Weg webben in mijn hoofd.… de waarheid wil ik weten.… de waarheid.…”Hij stond op, liep naar de plaats, waar de kop van het monster uit het gat omhoog stak. Zij was hem gevolgd en wenkte Haun mede te komen. Toen Sogol, over de welvende lijn loopend aan een diepte kwam, stak hij daar diep zijn zwaard in en trok dan, een gat woelend, het zwaard weer terug.… Dat rook vreemd, een reuk die Sogol, die toch veel kruiden-aftreksels kende, onbekend was.… Hij streek met den vinger langs het zwaard; daarop kleefde een taai, dik, bruin, stinkend vocht. En in het gat, dat hij door ’t insteken van ’t zwaard gemaakt had, kwam nu ook traag een dikke, half-vloeibare, bruingore massa oprijzen.„Het drakenbloed!” kreet Harimona.Sogol keek haar even aan en knielde bij ’t gat, waar ’t trage vocht nu al over den rand sijpelde.„Haun, haal een brandenden tak van ’t vuur!” beval Sogol. En tot Harimona:„Als ’t drakenbloed is, moet het branden!”.…Haun, kwam met den brandenden tak.„Ga wat terug, meester!” waarschuwde Harimona, zelf eenige passen terugtredend.…„Zijt di bang?” vroeg Sogol, met toorn in ’t oog.[87]Hij stak de brandende fakkel, met een bitteren lach om den mond, in ’t gat. Meteen sloeg de vlam als een zuil van vuur omhoog uit het gat en de gewelfde lijn op den grond sloeg met een donderend geweld open, stukken aarde, oude boomwortels en steenen opwerpend.Haun was de eerste die wegrende, altoos maar rennend, niet omziende naar ’t vuur. Harimona was achterover geslagen en op haar viel de kroon van een boom, die door de ontploffing ontworteld was en schuin naar voren viel. De vuurzuil was opgestegen vlak in Sogols gezicht. Maar zijn lange baard, tot de wortels verzengd, had hem behoed voor brandwonden.…Hij zag Harimona liggen, sprong op haar toe.„Ben di gewond, liefste?” riep hij smartelijk.„Neen, neen … help mi … help mi …”Opnieuw volgde een ontploffing. Nu spoot een straal van ’t trage vocht uit den grond en een dikke rookwolk begon langs de geheele lengte van de lijn op te stuwen. De schok had Sogol een eind opgeworpen in de lucht, maar hij viel terug op de kroon van den boom waarop hij veerde, hoewel enkele takken in zijn lichaam drongen. Hij voelde de pijn niet, stond op, trok Harimona onder de takken weg en haar optillend, snelde hij met haar weg van de gevaarlijke plek. Achter zich hoorde hij nogmaals een knal en nogmaals en ’t geheele boschje stond in dikke en zwarte, stinkende rook, waartusschen het goud en rood der vlammen met vuursplinters oplaaide …Buiten den wind bleef Sogol staan en keek naar ’t brandende boschje.„Gelooft di nu?” vroeg Harimona, wier gelaat geheel zwart was geworden door den walm. „Nu heeft de doode draak nog vuur gespuwd … ziet di het nu … du ongeloovige!”In hare ontzetting zag zij hem met verschrikte oogen aan en haar stem klonk verwijtend.[88]„Verbrand mee, als du vreest!” antwoordde Sogol verachtelijk, de stukken tak, die in zijn linker arm en in zijn dij waren gedrongen er uittrekkend, waardoor het bloed naar voren kwam en begon langs zijn arm en zijn been te sijpelen.En haar de bloedende arm dicht voor ’t gelaat houdend, zeide hij:„Kom … genees deze wonden nu door dijn heiligheid … stelp dit bloed op dit oogenblik en ik zal gelooven …”Zij keek naar de wonden met blikken, waaruit de wil en het verlangen om te genezen spraken … Maar het bloed bleef vloeien en stremde zwartrood op de huid …„Ik kan niet!” zeide zij, „ik kan niet … Bind toch dijn kleed er om … du zult verbloeden …”„Zóó genezen kan ik ook … en die daar, den draak zal ik ook wel leeren kennen …”Hij keek om naar water en zag Haun, die doodsbleek en klappertandend naar zijn meester kwam.„Jongen, haal water voor dijn meester … gauw …” riep Harimona. „Dáár is een kreek …”En zij wees op een regenwelletje, waarbij de paarden stonden, die met vooruitgestoken kop, snuivend van angst, naar ’t brandende vuur zagen, door hun kluisters alleen verhinderd om er in te galoppeeren.Hij schepte water in zijn lederen jachtbuis en bracht het naar Harimona, die een stuk van haar lijnwaden onderkleed scheurend, de wonden bette en verbond.Sogol liet zich lijdzaam behandelen, zijn gedachten waren bij den brand in het boschje. Nog steeds stegen de vlammen op en van tijd tot tijd hoorde hij een zwakke ontploffing, waarop dan een nieuwe uitlaaiïng van ’t vuur volgde. Daar ’t nog helder dag was, wierpen de vlammen geen lichtschijnsel over de vlakte en de wind dreef de rook in roetige wadems weg.Nu hij verbonden was, dacht Harimona aan zich zelve.[89]Zij had, terwijl zij bij Sogol gebukt stond, heur los wit haar, dat langs haar gelaat viel, weggestreken en toen gemerkt, dat haar vingers zwart waren. Haun zeide haar nu, dat heur gelaat met roetwalm was bedekt. Daarom liep zij naar de kreek en wilde heur gelaat afwasschen. Maar het water liep van heur gelaat zooals van een zwanenrug, zoo vettig was het roet. Haun, die naderbij was getreden om zijn meesteres te helpen, zag het en liep snel zoekend langs den grond, speurend naar vogelmest. Toen bij op het hooge gras wat mest vond, bracht hij het haar. Maar zelfs nu ze ’t gelaat daarmede insmeerde, was het walm niet weg te wisschen.Haun liep naar Sogol en vroeg hem raad. Sogol trad naderbij en overtuigde zich van de vetheid van den roetwalm.„Het lijkt wel ievervet!” zei Haun.Sogol zag hem met een snellen blik vol erkentelijkheid aan.„Zoo, mijn jongen.… dat is beter dan bleek wegloopen.…” en zich tot Harimona richtend:„Het zal met koud water niet gaan.… ik zal roode zuring koken.… daarmede zal di ’t wel weg kunnen wasschen.”Hij plukte wilde zuringsteelen, legde ze in de holte van zijn bronzen schild, porde het vuur op, plaatste het schild op de gevorkte takken er boven, goot met Hauns jachthemd water in ’t schild en wachtte tot het water er in kookte. Toen bracht hij het schild aan Harimona en thans eerst kon zij ’t gelaat schoonwasschen.„Nu zijt di blanker dan weleer!” zei hij schertsend.„Maar du hebt dijn mooien baard verloren.… en het is of du jonger zijt geworden.… Hoe oud zijt di?”„Vijf en twintig jaren.… en du?”„Negentien jaren.…”„Dat zijt di nog bijna een kind.…”„Maar ik heb meer beleefd, dan menige oude vrouw … en dat heeft mi wijs gemaakt.… Ik heb di nooit gezegd,[90]waarom ik niet wilde, dat du Maresag zoudt ombrengen, vóór wij vluchtten.…”„Hij had het verdiend, de schurk, de vrek.…”„Haun,” zeide Harimona, „maak het schild van dijn heer schoon.”Haun nam het schild op en liep er mede naar de kreek.„Zeg geen booze woorden meer van Maresag, mijn geliefde.… Ik mag ze niet aanhooren.…”„Staat di nu nog onder zijn invloed?”„Neen.… maar weet, dat hij mijn vader is.…”Zij lette schijnbaar niet op de verbazing van Sogol, maar ging voort:„Mijn vader; niet alleen mijn wereldsche maar mijn bloed-vader is Maresag, de opperpriester. Mijn moeder was Anertha, deDruïdes, die met mijn vader in gemeenschap leefde. Toen ik geboren werd, gaf mijn vader mijn moeder bittere kruiden, zoodat haar borsten schrompelden en zij geen melk gaf. Want er waren vijanden van mijn vader, oude Druïden, die naar zijn plaats stonden. Zij beschuldigden Anertha van onkuischheid. Het Druïdending kwam bijeen en mijn moeder trad naakt voor de priesters, die haar ziende met de verschrompelde borsten, aan haar onschuld geloofden en over degenen, die den laster hadden verbreid werd gericht gehouden en men rukte ze de tongen uit, zoodat zij ellendig stierven, behalve een, die gevlucht was in ’t woud en zich wreken wilde. Hij wachtte mijn voedstermoeder op en doodde het kind in haar armen, meenende dat ik het was. Doch het was het kind van haarzelve. Mijne moeder was sedert zeer bevreesd voor mijn leven en zij besloot de bittere kruiden niet meer te gebruiken, opdat hare borsten weder zwellen zouden en zij mij zelve zou kunnen zoogen. Maresag merkte dat en wilde haar dwingen tot het gebruiken der bittere kruiden. Zij bleef weigeren, van moederliefde vervuld. Toen was mijn vader zeer bang,[91]want zoo het bedrog ontdekt werd wist hij, dat hem de marteldood wachtte.…”Zij zweeg enzatin gepeinzen, starend naar het brandende boschje, waar de vlammen zachtjes aan verminderden.„En toen?” vroeg Sogol.„Toen.… toen.… toen heeft men mijn arme moeder dood in ’t bosch gevonden.… en zij was geteekend met het bloedige kruis, dat de wilde mannen in de borst van hun slachtoffers kerven.… en de borsten waren haar afgesneden en zij was geschoffeerd.…”„Dat had Maresag gedaan.…”„Ik mag het niet zeggen en niet doen zeggen.… laat ik nu zwijgen.… Maresag is mijn vader, bedenk dat.… Maar di wilde ik dit zeggen, omdat ik er een ter wereld moet hebben, die met mij mijn geheim draagt.… Du weet, wat men omtrent mij in de Renigo vertelde.… Het verhaal van de drachtige ree met de lichtende ster tusschen de ooren, de sprekende maan, de berg Wittewa, waar de kroon bewaard wordt.… dat alles was leugen.…”„Dat is de oorsprong van onze mythen en sagen!” zei Sogol bitter.… „Alles misdaad, leugen en bedrog.… de waarheid is zwart, zwart als de nacht.… en het leven is leeg, bodemloos.… een vloek over het leven.…”„Daarom mijn geliefde, voelde ik zooveel eerbied en ontzag voor di, toen ik zag hoe dapper du waart en hoe helderziend.… En daarom ook, daar du twijfelt, wil ik twijfelen en daar du ontkent, wil ik ontkennen.… want ik heb di lief, lief met een ontzaggelijken eerbied.… want moedig zijt di.… moedig boven allen, allen.… Toen ik door den slag van het drakenvuur werd teruggeworpen en onder den boomkruin lag, zag ik Haun vluchten en toen zag ik dijn gezicht.… dijn baard smeulde weg, het vuur spoot rondom di op.… maar in dijn oogen zag ik geen schrik en dijn leden beefden niet.… maar met groote, vragende blikken staardet di naar den wel, waaruit[92]’t zengende vuur opspoot en ik zag hoe dijn wil om te weten sterker was dan te leven.… En toen zijt di, niet achtend op ’t eigen gevaar over den vuurpoel heen naar mi toegesprongen om mi te redden.… Du hebt de gouden lindenkroon gehaald van den berg Rodewa moet ik die heeten … en den draak en den hond en de geit verwonnen. En de zeven reuzen, zijn dat niet de boomen van ’t boschje, die daar afgebrand zijn.…”Zij wees naar ’t boschje. Zeven boomen hieven boven het smeulende boschje hun zwarte, verkoolde stammen op.„Het is vreemd mijn geliefde,” zeide Sogol, naast haar gaande zitten en zijn arm om haar leest slaande, „er schijnt in al deze leugensproken der priesters vaak diep een waarheid te zitten, zooals in de bittere schaal van de walnoot een zoete kern kronkelt … En toch, leugens zijn het, misleidende, slechte leugens.…”„En de zoete kern in die leugens mijn geliefde, dat is de waarheid van onszelf. De sagen en de mythen schijnen mij toe allen te gelijken op den boom uit het sprookje van de wonderfee … kent di het?”„Neen … vertel het mi …!”„Er was een wijzen koning in het verre land van Scandi, die oud was geworden en geen opvolger had. Toen was hij zeer bedroefd, want hij wist niet wien hij zijn kroon zou doen erven, zonder bevreesd behoeven te zijn, dat zijn rijk na zijn dood door een onwaardige zou worden bestuurd. Hij liep dag aan dag in het bosch te denken en vond geen middel om den waardigsten te kiezen. Toen ontmoette hij eindelijk een fee, die hem vroeg wat hem deerde.„Maagd,” zeide hij, „ik ben oud en dicht nabij den dood. Mijn zonen zijn allen gestorven in den strijd voor het vaderland. Nu weet ik niet wien ik als opvolger zal aanwijzen.”„Ik zal di helpen,” zeide de fee. „Hier in ’t bosch is[93]een wondervijver. Ieder, die er zich in spiegelt, ziet er zijn eigen beeld in, naar zijn eigen verbeelding. Zend degenen, die du meent, dat uw opvolgers zouden kunnen zijn, naar dien vijver en vraag hoe zij er zich in zien.”Toen ging de koning terug en liet verkondigen, dat in het woud een vijver was, waarin elk zichzelf zou kunnen spiegelen, zooals hij was. Tien mannen werden uitverkoren om in den vijver zich te spiegelen en wie de waardigste was, zou den troonopvolger zijn.De tien mannen gingen naar den wondervijver en de koning stond aan den oever en hoorde, wat elkeen zeide, die in den vijver had gekeken.De eerste, die zijn spiegelbeeld zag, zeide: „Koning, ik zie mij met een gouden kroon op ’t hoofd.” De tweede zeide: „Koning, ik zie mij met een purperen mantel aan.” De derde zeide:„Koning, ik zie mij zittende op een troon.” De vierde zeide: „Koning, ik zie mij met een schepter in de hand.” De vijfde zeide: „Koning, ik zie mij, met het koningszwaard voor den schouder.” De zesde zeide: „Koning, ik zie mij met een lichtkrans om ’t hoofd.” De zevende zeide: „Koning, ik zie mij, staande op uw schouderen.” De achtste zeide: „Koning, ik zie mij, staande aan uw sterfbed en uw vinger wijst mij aan.” De negende zeide: „Koning, ik zie de schimmen van uw zonen, die mij op het schild heffen …”De koning echter, die al deze negen mannen had aangehoord, voelde zich bedroefder dan ooit. Want hoe zou hij kiezen komen tusschen zooveel uitverkorenen. De tiende man nu, die de laatste was, die zich in den vijver zou spiegelen, omdat hij reeds van het begin nadenkend terzijde had gestaan, bleef wachten als schroomde bij, om zich te spiegelen.„Waarom spiegelt du di niet?” vroeg de koning verwonderd.„Koning,” antwoordde de tiende man, „is het wel noodig,[94]dat ik de keus nog verzware, waar er zoovelen uitverkoren zijn.”„Spiegel di,” gebood de Koning.Toen schreed de man nader en boog zich over den vijverrand. Maar hij bleef gebogen wachten en scheen beschaamd om zich weder op te richten.„Wat ziet di?” vroeg de koning eindelijk ongeduldig.Nu richtte de tiende man zich langzaam op en de koning zag, dat een traan langs zijn wangen biggelde en in den vijver dropte.„Sta op!” zeide nu de wijze koning, den tienden man met zijn schepter aanrakend, „du zijt uitverkoren!”„Hoe juist!” riep Sogol uit.…„Ik denk dikwijls aan dat sprookje, mijn geliefde. Is die wondervijver niet als het leven der oude tijden, zooals wij dat onthouden in onze mythen en sagen.… wij allen die er ons in spiegelen, zien onszelf zoo gaarne als waardig om de navolgers der grooten te zijn.… en maar een enkele beseft zijn eigen nietigheid.…”„Neen.… neen.… die vijver is het geheele leven.… en wie zich er in spiegelen zijn de menschen.… de menschen, die zich koningen wanen en alléén een heele, enkele wijze weent—want hij weet, dat hij het koningschap dezer wereld onwaardig is.… kom, wellieve, het vuur sintelt nog maar na.… wij zullen gaan onderzoeken, wat er met den draak gebeurd is.…”„Zij keek hem liefdevol aan en dan, met een zacht droevig, schertsend lachje, zei zij:„Ja, laten wij gaan.… wellicht dat de oude koning ook di met zijn schepter aanraakt …”„De oude koning Wod … hij daar?” spotte Sogol, wijzend in den hooge. „Hoe zou hij? Is al niet lang onttroond? Kom Haun! riep hij wat luider, tot den jongen, die ’t bronzen schild blank had gepoetst met fijn zand en ’t nu met een stuk vossevel opwreef, „wij gaan naar ’t vet van den iever zien!”[95]„Daar draagt hij den wondervijver aan!” schertste Harimona, toen ze zag hoe Haun, het blinkende schild hooghoudend om de vrucht van zijn arbeid te toonen, nader kwam.„En wel mag du di er in spiegelen, wellieve!” zeide Sogol. „Maar weenen moogt di niet, want zoo schoon als du bent, was nooit een koningsdochter!”„Du bent vol goeden moed, meester.”„Die kleine muzikant heeft mi de oplossing van ’t raadsel van ’t brandende drakenbloed gebracht.… komt mee.… ik zal ’t di zeggen.”De grond was nog warm in ’t boschje, dat geheel uitgebrand was. De zeven naakte boomstammen staken met hun verkoolde stampen meewârig op uit den zwartig-grauwe grond, waar nog sintels nagloorden.Sogol trad voorzichtig naar de kuil, waar de drakenkop uit opstak, nu omhoog gewerkt tot aan den nek, maar witblank doorgegloeid, een geraamtekop. Sogol zag de diepe gaten der oogkassen en de machtige kaak met de platte groote tanden met verwondering aan.„Hij heeft tanden als een groote bul,” meende Haun.Weer keek Sogol den jongen met innige erkentelijkheid in de oogen aan.„Du, schrandere vos, uit di zal wat goeds groeien.… Het zijn werkelijk groote bulletanden”… zei hij voortgaande tot Harimona … „en deze draak is geen roofdier geweest, anders zou hij tanden hebben als een beer of een wolf.… Dat zijn de tanden van een goedig vee.… die draak heeft gras gevreten.… of vruchten.… maar dan alleen bramen en appels.… want knagen zooals een eekhoorn heeft hij niet gekund.…”Hij liep terzij van de opengespleten gewelfde lijn.… stond stil bij het gat, waar hij de vlammende fakkel had ingestoken.… het was bruin uitgebrand, met korsten van een zwartige, vettige, nagloeiende massa. Maar er staken geen beenderen uit.…[96]„Ziet eens hier.… de draak was niet zoo lang als ik dacht.… hij was in ’t midden doorgebroken.… Daar lag zijn kop.… Daar lag zijn kop.… en hier zijn staart.… Ik zal eens peilen waar zijn achterdeel begint.”Maar toen hij zijn zwaard een eind verder in den grond stak, moest hij ’t ijlings terugtrekken en loslaten.… zoo warm werd het onder den grond. Daar borrelde de trage, dikke, zwarte massa nog op kookhitte.Sogol tornde een paar draden uit het onderkleed van Harimona, draaide ze tot een pit en doopte ze in de gloeiende massa. Toen liep hij een eind terzijde en hield de pit tegen een smeulende tak, die hij tot een vlam aanblies.De pit vatte vlam en brandde spoedig helder op. Sogol wierp haar op den grond en trapte haar uit.„Haun heeft gelijk gehad.… ievervet en tanden als een bul.… die draak is geen draak geweest.… dat was een groot dier.… een heel groot dier.… Maar waar is het vandaan gekomen? De kop zal wel ’t meest op dien van een reuzensalamander hebben geleken.… zie di wel Harimona.… denzelfden vooruitstekenden bek.… maar deze hier heeft tanden gehad, platte tanden gelijk het goedmoedige vee.… Het is zijn vet, dat gebrand heeft … die zwarte brei is zijn vet geweest.… zooals het varken in een vetlaag zit.…”„Waarvan zouden die knallen gekomen zijn?” vroeg Harimona. Nu zij dicht bij den kop stond, de reusachtige beenderen zag, zonder vrees thans nauwkeurig toekeek, begon ook zij aan de echtheid van den draak te twijfelen. Zeker, haar geliefde had gelijk. Wanneer Maresag den draak zou ontdekt hebben zou hij hem gebruikt hebben om het volk vrees en ontzag in te boezemen. Hoe eerlijk was haar geliefde. Indien hij den kop van den draak had medegenomen, gindsch in zijn rijk gestoft zou hebben op zijn gevecht met den draak en de verovering, zou hij zeker begroet zijn als de moedige prins, die den gruwelijken[97]draak had bevochten en overwonnen. Maar hij dacht zelfs niet aan die bedriegerijen. Hij was oprecht en waar.„Ik herinner mij,” zeide Sogol, „dat ik eens als jongen met kornuiten in ’t bosch spelend het kreng van een ever vond, die daar was gestorven.„Hij was zeer dik en gezwollen en wij, meenende, dat het dier drachtig was geweest, staken nieuwsgierig een fram in zijn vel.… Toen steeg uit het dier een stank op, zoo verpestend, dat wij allen wegliepen en één van de jongens bezwijmde. De stank volgde ons een heel eind en thuis kwamen de honden ons besnuffelen en blaften en zochten, alsof zij wild speurden. Ons was het, alsof wij dien stank nog altijd inademden en wij werden door onze ouders uit de hutten gezonden om ons te baden …„Die stank van dat ieverkreng kwam sissend door ’t vel naar buiten … Toen heb ik niet beproefd of ’t ieverbloed branden kon … maar het had heel goed kunnen zijn, dat die stank toen ook met een knal was ontvlamd …„Hoe lang ligt de draak hier?… Niemand heeft ooit zoo’n dier levend gezien … de regen heeft hier in ’t boschje den grond omgewoeld en misschien hebben stinkbronnen, juist als in de Ravenstroth opspuitend, hem uit de diepte omhoog gewerkt … Hoe lang is het geleden, sinds de draak hier verrekte? Wel vóór hier de eerste boom groeide, want in dit boschje had hij zich niet kunnen bewegen … kijk dien breeden kop … hoe zou hij tusschen de boomen doorgekomen zijn, zonder ze te breken …”Hij bleef een tijd zwijgen, in nadenken verzonken.„Wij kunnen nu naar mijn koninkrijk optrekken Harimona. Laten wij nog eens langs de gebogen linie loopen … Het vuur heeft voor ons de graversarbeid gedaan … Ziet eens die ribben … Ze zijn zoo hoog als een paard en zoo breed als mijn schild … Wat gruwelijk aanzien moet dat reuzenbeest gehad hebben … Maar gevaarlijk was hij toch niet, met zijn platte tanden en misschien wel even goedig als[98]een koe … Hier is ’t gat weer … ziet di … hij is doormidden gebroken … maar hoe komen de twee deelen zoo ver van elkaar? Hier in dit gat, waar de knal uitkwam, is uit beide deelen van ’t lichaam het vet heengesijpeld …”Zij liepen een eind voort en kwamen nu aan ’t andere deel van het dier.„Hier vangt het lichaam weer aan … tot dáár, waar de staart nog opsteekt …”Hij snelde vooruit, bemerkend dat de staart niet door ’t vuur was aangetast. En den staart nauwkeurig beschouwend, bevond hij, dat zijn veronderstellingen juist waren geweest. Een zwartige, vettige massa, die hij met den vinger kon indeuken, zat als klei om de beenderen gekleefd.„Schubben heeft hij ook gehad!” zei Sogol tot Harimona, wijzend op de schubvormige omtrekken van de zwarte massa.Hij sneed de punt van den staart van den draak af en nam die mede. Toen traden zij terug, ontkluisterden de paarden, stegen op en reden verder naar de Nervische gouwen.„De helden uit de sagen namen de koppen van de draken mede, die zij hadden gedood,” zeide Harimona. „Maar du neemt den staart mede!”„Ik wilde een herinnering hebben en de kop zou te zwaar voor mijn paard zijn geweest … Weet di, Harimona, du spreekt van de helden der sagen. Vroeger heb ik die sagen altoos voor leugenpraat gehouden, die de priesters hadden verzonnen om het volk te bedriegen. Maar nu ik dat dier heb gezien, ga ik twijfelen. De kern van de noot is weer zoet en alleen de schaal bitter en waardeloos. Waarom zouden de groote voorvaderen niet met deze dieren gestreden hebben? En later, toen de dieren waren gestorven en de voorvaderen ook, hebben de priesters goden gemaakt van de helden en draken van de groote hagedissen …”[99]„Hoe weet di toch alles.… alles.… alles.… mijn geliefde!”„Het is niet zoo moeielijk, wellieve.… Men moet maar durven.… altoos door durven.… ook de waarheid is een draak, die men het hol der verdichting moet uitdrijven!”[100]1Wand = Gewanne, Gewende = 450 voet, de afstand van een ploegwending. (Pfeiffers „Germania” dl. 17).↑2Nachtreizen. De oude Germanenrekendenbij nachten, dus dagreis kon hier niet gebruikt worden.↑
[Inhoud]HOOFDSTUK VII.Zij waren samen ontvlucht, Harimona en Sogol en reden op groote paarden naar het land der Nerviërs en Bellovaken. Sogol wilde zich in zijn land tot koning doen uitroepen. Dan zou hij met Harimona trouwen en een nieuwen godsdienst instellen, die van het nadenken. Hij zou de priesters verdrijven, het geloof in Tiusco, Wotan, Donar, Frya, Grendel en al de andere goden en godinnen en ook in de kleinere geesten, de goeden en de slechten, verbieden in zijn rijk. En van uit zijn rijk zou hij trachten den nieuwen godsdienst te verbreiden naar de Renigo en Maresag te schand stellen, de tempels verbranden, de menschen moed inboezemen en hen er toe trachten te brengen, door nadenken tot de waarheid te komen. Harimona zou hem daarbij steunen. Zij zou openbaar verklaren, dat zij een gewone vrouw was, niet geboren uit den geest maar uit vleeschelijken omgang. De offers zouden afgeschaft worden en het bidden worden verboden. Al wie bad, zou als een lafaard gestraft worden.Sogol zou skiggen uitrusten, die het geheim van den oceaan hadden te doorgronden en dappere mannen zouden medegezonden worden met de Massiliaansche schippers, die aan de kusten purperlaken en wollen weefsels kwamen ruilen tegen barnsteen en zink.Zij moesten medevaren tot het land der Massilianen, daar den koning de hulde gaan brengen van Sogol en Harimona en terugkeeren verhalen van ’t geen zij gezien hadden. Maar alle overdrijving, alle leugen zou streng gestraft worden. De waarheid, de nuchtere, eenvoudige waarheid en werkelijkheid wilde Sogol weten.[68]Zij reden langzaam, omdat het paard van Haun, die op eenigen afstand volgde, kort na de vlucht op deknieënwas gevallen en nu gespaard moest worden, want de weg was ver en Sogol wist niet of hij een nieuw paard zou kunnen krijgen.En terwijl zij samen vooruit reden, met elkaar lange gesprekken voerend over de toekomst en over de goden en het mysterie, blies Haun wijsjes op zijn horen en vergat dan somtijds waar hij was, liet zijn paard met lossen teugel loopen naar de lust van ’t dier, zoodat wel soms Sogol terug moest rijden en den jongeling roepen en bestraffen wegens zijn onachtzaamheid. Dan was Haun bedroefd, beloofde oplettender te zullen zijn en reed wat sneller mede. Maar den volgenden dag als hij weer een nieuwe melodie gevonden had, en zijn horen blazend, zich voorstelde voor een schoone prinses te spelen, die wanneer zij door zijn spel verteederd was, met hem in ’t huwelijk zou treden, dan vergat hij weder dat zijn paard slecht voort kon en zijn heer snel voorwaarts wilde. Toen had Harimona Sogol gezegd, dat het beter was wanneer Haun vooruit reed en niet volgde, hoewel dat tegen den regel was. Zoo moest Haun dan vooraan rijden en als hij weer begon te droomen nam Sogol op zijn beurt zijn horen en blies een paar schrille tonen, zoodat de jonge muzikant opschrikte. Sedert bleef Haun niet meer toeven. De bestraffende woorden van Sogol hadden minder invloed gehad dan de vrees voor de schrille tonen.Zij reden in een sukkeldrafje en gaven de paarden veel rust omdat het mogelijk kon zijn, dat ze de snelheid en de kracht hunner paarden noodig konden hebben om roovers te ontkomen of vijandige lieden. Want Sogol was bang voor strijd met menschen. Dat had Harimona bevreemd, maar hij had haar gezegd, dat zijn leven hem te veel waard was om het te verliezen in een ongelijken strijd met onbeteekenende roovers. Hij verfoeide het zwaardgevecht[69]om der wille van ’t gevecht alleen. Het zwaard moest hoogere zaken dienen dan zichzelf, meende hij. Maar heur eerbied voor hem nam toe, toen zij zijn geestelijken moed leerde kennen. Zij wist hoe ook de dapperste mannen vreesden, wanneer in de toppen der boomen geheimzinnige geluiden klonken of wanneer eekhoorns dwars over den weg liepen, katuilen schreeuwden, dwaallichten glansten. Maar hij vermaakte zich er mede, de katuilen nà te schreeuwen, joeg eekhoorns opzettelijk op, opdat ze dwars voor Harimonas paard zouden wegsnellen. Wanneer zij ’s avonds de paarden hadden gekluisterd en de pelzen hadden neergespreid, waarin zij sliepen en zij hoorden in de toppen der boomen onbekende geluiden, dan stond Sogol weer op, maakte vuur, stak een dorre tak aan en riep Haun op, om hem te helpen. En hij klom in den boom, tot bovèn in den top en was niet tevreden voor hij Harimona den oorzaak van ’t geluid kon verklaren, beneden komend met een dikke, gebroken tak, die tegen den stam had geklapperd of met een grooten, dooden vogel, die met een poot in ’t loover verward geraakt, in doodsangst met de vleugels had geklepperd. En danlachteSogol met een vreemden, schrillen lach en vloekte op de asen en de elfen en de nikkers en de kobolden, ze uitdagend hem hier te komen bestrijden.„Dat zijn hun goden!” zeide hij dan, den tak of het doode dier trappend met drift onder den voet. „Het zijn allen vruchten van hun lafheid. Laf zijn ze— —alle Germanen bij elkaar— —sterk als stieren en met hun zwaarden elkaar bestokend zooals balgende herten elkaar met de geweien stooten. Maar moed.… echte moed.… moed om tegen de valsche goden op te treden.… die hebben ze niet.…”Hijbleef staan voor haar, breed de borst gezwollen en opziende naar den sterrenhemel, met uitdaging in zijn houding, als in verwachting, dat een der groote goden[70]op hem zou toetreden, Balder of Grendel of zelfs Thor of Wotan.… gereed om met hen den kamp op te nemen.Zij zelve geloofde niet meer aan het bestaan der kleine geesten. Maar diep in haar hart, geloofde zij wel aan de groote machten.… Wellicht waren Wotan en Donar maar verbeeldingen.… Zoo goed als de Thius der voorvaderen een verbeelding was geweest. Maar waarvan kwamen de sterren? En wie spande de hemel? En wanneer de mensch stierf, waarheen zweefde dan zijn geest?In den laten avond wierp Sogol dan nog weer dood hout op het smeulende vuur en in de stilte van den winternacht zaten zij voor het vuur, opziende naar het vurige geprikkel der sterren en samen peinzend over de groote geheimen, waarvan zij zich voelden omgeven.Dan werd Sogol dikwerf bedroefd, want hij kon haar niet op hare vragen antwoorden. Zeker, zij gaf toe, dat de sterren daar aan de lucht geen goden waren en ook geen zielen en die zeven daar, waren niet de naijverige minnaars van Nehalennia, zooals ze zeiden aan de kust. Maar wat waren het dan?„Zeg mij Sogol, wat zijn ze dan, de sterren?”Hij bleef zwijgend staren naar den winterhemel en zij zag hoe een traan uit zijn oogen welde en langs zijn wang biggelde.„Weent di, mijn meester?” vroeg zij zacht.„Ja, ik ween.… ik ween.… omdat ik weten wil en niet weten kan, geliefde. Lief heb ik di, Harimona, omdat du zooals ik, de waarheid liefhebt en oprecht zijt. Mijn koninkrijk zal ik di gaarne aan de voeten leggen. Maar toch, hoe klein is mijn liefde, dat ik di niet dat simpele antwoord op dijn vraag als bruidsgeschenk kan geven.… Want ik weet het niet, geliefde, ik weet het niet, ik weet het niet.… Ja, vraag het mi.… vraag het mi.… wat zijn de sterren?… Zijn het klompen vuur? Maar hoe komt het dan, dat hun vuurnietdooft.… Wie werpt hout op[71]dat vuur? En wat is achter die sterren?… En hoevelen, hoevelen zijn er niet.… Daar.… die heele breede zoom van einder tot einder.… en daar die met dat scherpe blauwe licht.… en daar die, die flakkert als een toorts … en daar die, in een orde geschaard als een saks?.…”„Als de zon opgaat dooven de sterren en als de zon ondergaat, vlammen ze weer op.… Wie steekt ze aan Sogol?… Moet daar geen groote macht zijn, die ze aansteekt, avond na avond en ze weer dooft, morgen na morgen?”Sogol peinsde en keek in ’t vuur. Eindelijk antwoordde hij:„De maan, gaat die ook ’s avonds aan en dooft die ook ’s morgens uit, Harimona?”„Niet altijd, meester.”„Neen, niet waar. Er zijn dagen waarop de maan heel vroeg opgaat, als de zon nog schijnt.… Zij is dan heel bleek, zoo wit als zilver en hoe later het wordt, des te rooder wordt zij. Dat is toch zoo, niet waar?”„Ja, mijn meester.”Hij sprong op, liep op haar toe, omhelsde haar,kustehaar op ’t witte haar, op de wangen, op de hals,op den mond. En juichend weer sprong hij recht, roepend.… „ik heb het gevonden, ik heb het gevonden.… ik zal alles, alles vinden.…”En zich weer neerzettend bij ’t vuur, wilde hij opnieuw spreken, maar de vreugde overweldigde hem opnieuw.… Hij sprong nogmaals op, hief zijn handen omhoog naar den sterrenhemel, bolde de vuisten en naar boven roepend:„Ik heb het gevonden.… o zaligheid.… o geluk.… ik heb het gevonden.… ik heb het gevonden.…”Zij keek hem bewonderend maar niet zonder angst aan, gespannen wachtend op zijn verklaring.„En alles, alles, alles zal ik ontdekken! Wacht du daar, wacht.… ik zal dijn geheim doorvorschen.… Wacht du daar, wacht du!”[72]En hij balde dreigend de vuist tegen den hemel. Daarna zich weer neerzettend, ging hij voort:„De sterren zijn niet anders dan de maan. De maan is een groote ster, veel grooter dan de anderen, maar er is geen ander verschil.„Wat met de maan gebeurt, gebeurt met de sterren. Maar omdat ze zoo klein zijn, kunnen wij het niet zien.…”„Maar wat gebeurt dan met de maan?” vroeg Harimona.„Zij wordt ’s avonds niet ontstoken en ’s morgens niet gedoofd. Zij brandt altoos.… altoos, altoos.… Zij staat ook aan den hemel als wij haar niet zien.… Geeft een toorts licht op den noen? Neen, niet waar? Maar naarmate het donkerder is, geeft de toorts meer licht. Zoo is het met de maan en zoo is het met de sterren.… zij hebben maar een zwak licht, zooals de toorts, dat men beter zien kan, naarmate het donkerder wordt.… Vandaar dat de maan op sommige avonden eerst bleek is gelijk zilver en hoe donkerder het wordt, des te heller schijnt haar vuur. In den morgen wordt zij weer bleeker.… tot zij onzichtbaar wordt … het licht van de zon maakt haar onzichtbaar …”„En wie steekt de zon aan?” vroeg Harimona.„Wat wijf? Ik doe di kond van een groote ontdekking en in stede van mede te juichen blijft du vragen? Is het al niet veel te weten, dat de maan en de sterren daags branden zoogoed als ’s nachts?”„Het is veel, maar de raadselen blijven raadselen, meester.”„Neen, ze blijven het niet, vrouw. Raadselen waren de kobolden en de elfen, tot ik ontdekte, wat hun eigenlijk wezen was. Raadsel was het schijnen der sterren en der maan alléén ’s nachts, totdat ik vond, dat zij ook overdag schijnen. Laat mij denken en ik zal ook vinden waar hun oorsprong was en waar de oorsprong dier oorsprong aanving. Maar ik moet tijd hebben om te denken. En du, geliefde, wees niet laf, als al die anderen maar durf óók door te[73]denken, altoos dieper, alsof dijn gedachte een donker woud ingaat. Dring er doorheen en aan de andere zijde vindt du het nieuwe land.”Eenige dagen later terwijl zij de Bellovaaksche gouwen al naderden, werden zij door een zwaar onweer verrast. Harimona was angstig en wilde onder een boom schuilen. Maar Sogol toornde op haar en ook op Haun, die in ’t bosch wilde blijven tot het onweer was voorbij getrokken. Hij dwong beiden hem te volgen op het groote, vlakke land, dat aan den zoom van ’t woud aanving en zoodra de eerste bliksemstraal knetterde begon Sogol te woeden tegen Donar. Hij daagde hem uit, vloekte hem met de vreeselijkste vloeken, wees hem smadelijk op zijn achterdeel.„Drekgod, drekgod, drekgod, kom op. Sla mij, drekgod met dijn bliksem, als du daar zijt.… Hier sta ik, een god zooals du, maar machtiger, want ik ben hier werkelijk en du, du, du, zijt niet, du zijt maar een schepping van lafhartigen en angstschijters.…”Harimona en Haun, in den regen staande midden op ’t land, staarden met onzetting naar Sogol, die slechts met een berehuid om zijn naakt lichaam, de machtige armen bloot, met opgeheven vuisten dreigende gebaren maakte tegen het blauwgrijze werk, waarin zij de bliksems zagen bersten en den donder rommelen. En bij elken bliksemstraal, bij elken donderslag vernieuwde Sogol zijn vloeken en bedreigingen. Hij liep soms op een drafje voorwaarts in de richting van den einder vanwaar de bliksem kwam aanlichten.„Tref mi nu … tref mi nu … speer van den drekgod … Du durft kunt, du kunt niet.… hier sta ik.… bereid om dijn speer op te vangen.… tref mi dan.… tref mi dan!.…”Hij sprong op van den grond, zijn borst naakt, en gezwollen, zijn armen wijd geopend als verwachtte hij den bliksemstraal. Het schuim stond hem op de lippen van[74]woede en Harimona, hem zoo ziende, voelde zich bevreesd terwijl Haun weende.Het onweer verminderde in kracht en trok weldra voorbij. De blauwgrijze hemel brak in wolkenbrokken en uit het diepblauw daartusschen kwam de zon schijnen.Sogol werd kalmer en nu omziende voor Harimona zeide hij trotsch:„Hebt di het nu gezien, dat ook de groote goden niet bestaan? Waar was Donar met zijn gouden speren? Waar was zijn rollenden donderwagen?.… Hebt du geweend knaap?…”„Ik vreesde zoo, dat de speer di zou treffen,” antwoordde Haun.„Du zult niet weenen als dijn meester de goden uitdaagt.… maar du zult weenen, als de anderen zich voor de goden verdeemoedigen.… Onthoud dat knaap.… en bindt de kluisters los van de paarden.”Zij stegen op en reden door de frissche lucht onwaaierd, stapvoets verder.„Waarom zegt di niets?” vroeg Sogol, bemerkend hoe zijn geliefde zwijgend naast hem reed en geen woord van bewondering had voor zijn moedig bestaan.Zij keek hem van terzijde aan en hij zag een schroomvollen eerbied in haar vreemde, roode oogen.„Ik heb een zonderlinge gedachte, Sogol!”„Gelooft di nog aan Donar?” vroeg hij haast angstig.„Neen.… maar mi kwam de gedachte in ’t hoofd, dat du wellicht zelf een god zijt.…”„Ik ben een mensch, een gewoon mensch.… zooals du, zooals Haun.… Of meent du nog, dat du ook een godin zijt?”„Neen … ik ben geen godin … maar du zijt een god … en du weet het zelf niet.… En misschien weten de andere goden evenmin, dat zij goden zijn.…”„Vrouw, du zegt zulke diepe gedachten, dat du zelve ze niet omvat.…”[75]Zij reden langen tijd zwijgend voort, Sogol zijn hoofd neerwaarts gebogen en zijn gefronste oogen naar den bodem gericht. Eindelijk zeide hij:„Dat kan het zijn, mijn lief. De goden weten zelve niet, dat zij goden zijn.… zooals dit paard onder mij, dat sterk is, daden van kracht doet en toch zijn eigen kracht niet kent … Wat zijn de goden dan?… Redelooze krachten, die hun daden doen zonder de macht over die daden.…”„Maar het paard heeft een berijder, die het stuurt meester.… Zoo heerscht dan Wotan over de goden als de mensch over de dieren.…”„Ik zou di kussen kunnen als du zoo spreekt, en toch weenen omdat du altoos weer tot Wotan dijn gedachte voert.… Maar Wotan kàn niet bestaan.… zoomin als Donar bestaat.… zoomin als de kleinere geesten.…”„Welke macht doet de zon dáár schijnen?” vroeg Harimona.En haar aanblikkend, zag hij uit haar roode oogen een straal gouden licht schijnen.„Wie doet, die wolk daar schuiven? En die daar? En die daar? Staat achter elke wolk een geest, die haar voortschuift? Of zit op elke wolk een ruiter, zooals op het paard, en stuurt haar en leidt haar met bit en teugel en spoor? Ziet ze ijlen en barsten en vluchten in hare vreemde gestalten.… Voelt du niet, dat het de wind is, die ze wegblaast, zooals het kind de kaarsjes wegblaast van de weidebloem.… Ik kan nog niet alles weten.… maar omdat ik iets weet, weet ik dat ik méér zal kunnen weten.… Het zijn alles krachten, redelooze krachten, die niet anders doen dan ze doen omdat ze niet anders kunnen.… De zon, de maan, de sterren, de bliksem, de donder, de wolken.… zij allen zijn redeloos en doen zooals ze moeten doen.…”„En wij dan?”„Wij vrouw.… wij.… wij zijn ook al niet anders dan[76]de zon en de sterren en de wolken.… wij zijn ook krachten, die onze eigen macht niet kennen.…”Hij reed een poos zwijgend voort. Toen weder, tot haar:„Waarom zouden wij iets anders zijn dan de dingen om ons heen. Zijn wij niet even dom als de natuurkrachten? Moeten wij niet eten, drinken, slapen als het tijd daarvoor is, zooals daarboven het onweer komt, als het de tijd voor het onweer is? Weten wij met zekerheid iets meer dan deze paarden? Weten wij meer van ons verleden? Meer van onze toekomst? Meer van wat boven de hemelen is en onder de aarde? Waarom val ik ter aarde wanneer ik van mijn paard stort en kan niet omhoog vallen, of in de lucht mij zwevende houden door mijn wil alleen? De mensch is een natuurkracht zoo goed als de bliksem en de donder, zoogoed als de zonnestraal een natuurkracht is.”„Maar waar komen die natuurkrachten vandaan?” vroeg Harimona weder.„Ik weet het niet.… ik weet het nog niet.… En moeten zij dan bepaald ergens vandaan komen? En moeten zij dan bepaald ergens heengaan? Waarom zouden zij er niet altijd geweest zijn en er altijd blijven?”„Ik kan dijn gedachtenvlucht niet volgen Sogol.… In mijn binnenste leeft gestadig het gevoel alsof er nog een ander leven is.… een leven, dat als de gedachte of de droom geen lichaam noodig heeft om te bestaan. Zoo dikwerf als Maresag mij met zijn kruiden in de verrukking bracht, ontsteeg ik mijn lichaam en zwierf langs onbekende velden en wegen en zweefde over oneindige wateren of steeg den sterren tegemoet.”„En hebt di dan wel eens andere dingen gezien dan hier?”„Ja.… ik heb de goden aanschouwd, Wotan het meest.… En hij was het, die mij de kracht gaf, wonderen te doen zooals du hebt kunnen zien.… toen ik de lammen genas en de blinden en die met etterende wonden neerlagen.”„Was dat geen bedrog, Harimona?”[77]Hij hield zijn paard in en zich over haar paard buigend en het ook tot stilstand dwingend, keek hij haar diep en ernstig in de oogen.Zij keek hem onverschrokken aan.„Dacht di, dat ik het liefste, dat ik ter wereld heb, zou bedriegen? Dan is het beter, dat ik terugkeer.”„Dus du kunt wonderen verrichten?”„Als ik in de verrukking ben.… ja.…”„En die kreupelen, die reeds genazen zonder dat zij di zagen?”„Kan niet mijn ziel uitgestraald zijn ook zonder dat ik het wist of wilde? Was niet al wat ik in mijn verrukking deed, iets waarover ik geen macht had en waaraan ik zonder mijn verrukking vreemd was?”Hij reed weer voort naast haar en dacht zwijgend na.„Het is droevig,” zeide hij eindelijk, „Wie het gedachtenwoud binnenrijdt komt niet tot licht, maar hij verwart zich hoe langer hoe meer in ’t donkere hout. In mij komt de vreemde lust op, dit leven te eindigen om te weten. En ik voel naijver op die anderen, die vroom gelooven kunnen in al de goden, de grooten en de kleinen. Maar ik kan niet … ik heb immers ervaren, dat de Nickelman een aal was en de grondgeest een geluidsschal.…”Na een poos vroeg hij plotseling:„En wat was er waar van Frango, den draak, Whridlo, den hond en Baza, de geit?”„Begreep di dat niet?”„Neen.… hoe zou ik.… Er bestaan geen draken!”„Het was een raadsel van Maresag om de vele minnaars te beproeven. Frango was de moed, Whridlo was de trouw, Baza was de soberheid. Wie dit raadsel zou begrijpen was mij waardig, meende Maresag honend.”„En du vondt dat goed?”„Wat Maresag wilde moest ik doen … ik kon hem niet weerstaan. Hij had een groote macht over mij, waaraan ik[78]mij niet kononttrekken… Eerst toen du kwam en ik door mijn geloof in dijn kracht overwon, kon ik met di medegaan.”„Ik dacht wel, dat de draak ’t een of ander groote onbekende dier zou zijn, dat de laffen zou verschrikken.”„Maar er bestaan zeker draken, Sogol. In mijn verrukkingen heb ik ze gezien. Zij hadden lange muilen met scherpe tanden en lage pooten gelijk een hagedis en lange staarten, met punten bezet …”„Ik wilde, dat ik met di naar dat gewest van dijn verrukkingen kon opstijgen.”Zij reden een eind voort tot zij aan een klein boschje kwamen, waar zij afstegen om te rusten en de paarden te voederen. Zij zagen om naar Haun, die een eind vooruit was gereden en nu uit het gezicht was.Sogol nam zijn horen en stiet een paar schrille tonen uit den horen. Toen na eenig wachten Haun niet terug kwam, kluisterde Sogol zelf de voorbeenen der paarden, nam ze het bit uit den mond en liet ze grazen. Daarna zocht hij met Harimona in ’t boschje naar paddestoelen, die hun als leeftocht dienden wanneer geen klein wild gevangen was of niet een ree of een hert door Sogol met de speer was neergedrild. Nog zochten zij, toen zij Haun’s horen in de verte drie korte stooten hoorden geven, het signaal, dat hij in gevaar verkeerde.Harimona verbleekte maar Sogol snelde naar zijn paard, ontkluisterde het en de hand aan ’t kortzwaard, reed hij in galop naar den kant, vanwaar nu voor de tweede keer het alarmsignaal klonk.Toen hij een eind gereden had, zag hij Haun staan nevens zijn paard. De jongeling kwam zijn heer te gemoet loopen.„Wat is er aan de hand?” riep Sogol.„Meester … Meester … er is hier wat vreemds …”„Wat, mijn jongen?”„Meester … het lijk van een draak ligt hier …”[79]Sogol steeg af en volgde Haun in ’t kleine boschje. Daar had het instroomende regenwater den grond onderwoeld en uit een kuil, half met water gevuld, stak de kop uit van een draak.Sogol groef met zijn zwaard de aarde rondom wat weg. Zij was vastgeslikt met het vleesch van den reusachtigen kop. Hij zette de zwaardpunt in den grooten muil van ’t dier en trachtte deze open te breken. De kop brak broos vaneen en de scherpe, spitse tanden rolden naar buiten.„Ga de meesteres halen en de paarden. Ik blijf hier Haun!” zeide Sogol en toen de jongen wegreed in de richting, die Sogol hem had aangewezen, begon deze nu voorzichtiger met zijn zwaard het tot zwartige klompen met den huid en ’t vleesch van den draak gesmijde veen, van den kop af te steken.Hij was nog bezig den kop vrij te steken, toen Harimona en Haun aangereden kwamen. Sogol voelde zich beschaamd, wist niet wat hij zou zeggen tot Harimona.Zij voelde zijn schaamte en om hem niet te kwetsen zeide zij:„Misschien is het toch geen draak maar een vreemd groot dier.”Hij zag haar aan met lichtjes van dankbaarheid en geluk in de oogen.„Gelooft di dat?”vroeg hij nogmaals.„Het kon toch zijn …”„Wij kunnen het ten minste onderzoeken … Als hij levend was geweest, zou ’t minder makkelijk zijn gegaan. Zie dien muil eens.’k Heber mijn zwaard tot aan den greep ingestoken en nog altijd was ik niet aan ’t keelgat.… Ga eens naast den kop staan Haun … ziet eens … De muil alleen is hooger dan Haun …”„En waar zijn zijn oogen?”„Ik heb al deze aarde rondom afgestoken, maar ben nog niet aan zijn oogen toe gekomen …”[80]„Ik denk, dat hij rechtstandig in den grond staat,” zeide Haun, bemerkend dat de muil spits opstond,„alsof het gat de uitgang van ’t hol van den draak was geweest.”„Wat denkt di te doen?” vroeg Harimona aan Sogol, ziende hoe hij vermoeid was van ’t graven.„Ik wilde wel gaarne hier blijven en den heelen draak uitgraven.… Dan kunnen wij zien hoe hij er uitziet.”„Maar dat kunt di alleen niet.…”„Haun zal helpen.… en.… en.… als du wilt.… du ook.…”„Met onze handen?”„Neen, ik zal spaden snijden.…”„En uw koninkrijk?” vroeg Harimona.Sogol dacht na.„Het was misschien beter, dat du eerst mannen haalde, die du hielpen?.…” vroeg Harimona.„Dat kan lang duren.… als ’t gaat vriezen is ’t graven onmogelijk.… en ik weet niet of ik mannen zal vinden, dapper genoeg om den draak uit te graven.… kom.… laten wij eerst eten, rusten en dan ten minste den kop van het monster uitgraven.…”Harimona maakte vuur en Haun, met een speer gewapend, ging in ’t boschje naar wild speuren. Al heel spoedig kwam hij terug met een haas,die hij den speer door den kop gedrild had, toen ’t dier voor zijn voeten opsprong. Harimona nam haar klein gordelmes en begon het dier te villen. Haun stond er bij en keek nauwlettend toe.„Heb di zoo’n honger vent?” vroeg Harimona.„Nee.… ik heb bessen gegeten en nootjes.… ik heb geen honger.…”Maar omdat hij toch bleef toekijken, vroeg zij weer:„Wat wil je Haun? Je kijkt zoo vragend.…”Hij kleurde, zag verlegen zijwaarts.„Er uit er mee, als du wat zeggen wilt!” zei Sogol gewild streng.[81]„Ik wou de meesteres wat vragen.… ik ben nu al zoo lang van huis.… en ik wou weten of ik vader of moeder en mijn broertje gezond en wel zal aantreffen.…”„Dat weet ik niet!” lachte Harimona.„Als du wilde.… en eens voor mij keek.… daar …”En hij wees, even bang naar Sogol opblikkend, op de darmen van de haas.„Vervloekt!” stoof Sogol op.„Ik wist wel, dat de meester het niet zou willen!” zei Haun, half schreiend.„De meester heeft gelijk Haun. Ik kan niet uit de darmen waarzeggen.…”„En niemand kan het, Haun. Hoe kom di aan die vraag.”„Ginds op ’t groote veld te Renigo was een vrouw, die uit ingewanden de toekomst kon lezen. Wie haar een geit bracht, die spelde zij de toekomst uit de darmen van de geit; en wie haar een ree bracht, die spelde zij de toekomst uit een ree. En er kwam zelfs éens een man, die een kalf bracht en zij liet het slachten en las uit de darmen.”„Dat is alles bedrog, Haun. Ze deed het om de dieren.”„Nee meester.… ’t was geen bedrog. Ik heb de vrouw een geitje gebracht en zij voorspelde mij, dat ik op reis zou gaan met een koningszoon en zijn bruid en die zullen tot hoog aanzien geraken: De koningszoon zal koning worden en de bruid, koningin! En ’t is tot nu toe uitgekomen.… och lieve meesteres.… ik smeek di.… zie toch even in de darmen en zeg mi of mijn broertje nog leeft.…”Harimona keek Sogol vragend aan, half besloten om den jongen zijn wil te geven. Maar Sogol keek somber.„Als wij zelf de domheid bevorderen.… wie zal ze dan bestrijden?” vroeg hij.En zich tot kalmte dwingend, zei hij tot Haun:„Mijn jongen, al kwam wat zij zeide ook uit, toch was ’t bedrog. Het gaat bij die voorspellingen zoo.… Komen[82]ze uit, dan gelooft men aan de buitengewone zienerskracht.… komen ze niet uit, dan vergeet men de voorspelling of meent bij een slechte waarzegster te zijn geweest. Maar ’t zijn alle slechte waarzegsters. Niemand weet iets van de toekomst.… niemand.… niemand.… de goden zelve niet.… zij zijn ook aan het lot onderworpen, zonder dat zij weten, hoe het zal loopen.… en het zal een slecht lot voor ze zijn, als de koningszoon, werkelijk koning wordt.”Sogol had de laatste zinnen meer tot zichzelf dan tot Haun gezegd, die teleurgesteld naar den haas bleef zien.Harimona, na den haas gestroopt te hebben en van de ingewanden ontdaan, stak hem aan een bronzenspit, dat op twee gevorkte takken rustte en nu moest Haun langzaam draaien.Sogol, zijn ongeduld niet kunnende bedwingen, was al weder naar den kop van den draak geloopen en begon deze verder met zijn zwaard te ontgraven. Maar bemerkend, hoe weinig hij hierdoor bereikte, liep hij een eindje ’t bosch in zoekend naar een boom, geschikt om er spaden van te snijden. Een zwarte stronk, die manshoog boven den grond uitstak, zeker ’t overblijfsel van een boom, die door den bliksem getroffen was en daardoor van buiten bruin gebrand, kwam hem geschikt voor en hij sloeg er zijn zwaard tegen. Maar ’t zwaard ging er diep in en stuitte toen op iets hards. Sogol keek verwonderd en nu, de stronk belastend, ervoer hij, dat hier weder het lijk van een draak was verborgen, nu met den staart opwaarts uit het hol. Hij zag de grove schubben van den staart, hoewel ’t vleesch verkoold was en ook nog de knoesten van de dorens van den rug.…Daar waren dus twee draken in dit boschje geweest. Beiden wellicht door den bliksem getroffen. Maar hoe deze vreemde houding te verklaren.… de één met den kop hoogopgestoken uit de krocht, de andere met den[83]staart opwaarts? Waren zij voor ’t onweder gevlucht?Hij mat den afstand tusschen de twee draken.… Een denkbeeld kwam in hem op.… maar hij weifelde om het aan te nemen.… Neen.… dat kon niet.… zoo groot was een draak niet.… dat overtrof alle verhalen van de sagen.… Het was wel de lengte van een wand1.… En toch.… als kop en staart eens tot denzelfden draak behoorden.… de ligging was zoo, dat de mogelijkheid kon bestaan?…Hij keek met scherpen blik in de richting van den kop en zijn geoefend oog bemerkte, dat de bodem over dien langen weg voor een deel bol stond, zoo de richting aangevend, waarin het lichaam van den draak kon liggen.Hij vergat het haasje, dat ginds aan het spit braadde, hoewel hij den heelen dag weinig anders dan wat bramen en hazelnoten gegeten had. Bij den drakenstaart zittend, de kin op den greep van zijn zwaard geleund, was hij in nadenken verzonken.Dat was dus een draak, een echte draak. Ditmaal behoefde hij geen wonderverhalen van anderen te gelooven. De sagen waren dus geen bedrog. Faffner en Kirgold en Frango bestonden.… Maar als de draken bestonden, dan konden ook de goden bestaan.… Hier lag het geheim ontraadseld voor hem.… hier aan zijn voeten, weinige vamen onder den grond.…Hij mocht niet verder reizen.… al verloor hij er zijn koninkrijk door.… wat beteekende een koninkrijk tegen de doorgronding van dit geheim. Wéten moest hij, voor alles wéten, wilde hij.Haun blies een paar tonen om hem tot het middagmaal te roepen. Hij blies een paar tonen ten antwoord en liep langs de gewelfde lijn van de grond gaande langzaam terug naar Harimona, tellend zijn schreden om den afstand te[84]meten. Twee honderd groote schreden was de draak lang. Veel hooger dan de hoogste boom hier in ’t boschje … veel hooger dan ooit een boom, waar ook, gegroeid was …Maar als dat dier zoo lang was en zoo hoog, hoe zou het dan hier in ’t nauwe boschje, dat zelfs een man nauw doorliet, zich hebben kunnen bewegen? Hij keek naar de boomen rondom … Zij waren allen minstens vijf-en-twintig jaren oud … dus de draak moest al jaren lang dood zijn. Nergens ook was een spoor van gebroken boomen en de schorsen waren nergens afgeschuurd …Peinzend als altoos, kwam hij terug bij Harimona en zij, gewoon aan zijn peinzerijen, vroeg niets, sneed den haas in deelen enreikteSogol een bout. Hij stak het geroosterde vleesch werktuigelijk in zijn mond, zijn donkere oogen starend voor zich uit zonder te zien, kouwend het vleesch zonder het te weten … altoos beziggehouden door zijn gedachten.„Rijden wij verder, meester?”waagde Haun ten laatste te vragen.Harimona zag hem bestraffend aan. Maar Sogol had de vraag niet gehoord en bleef turen, altoos door turen in denkgestaar.Haun sloop stilletjes weg van ’t vuur en den kop van den haas nemend, begon hij dezen een eind verder om en om te gooien, om zijn geluk te beproeven. Want als de schedel boven komt, wacht men goede tijding en als de kaak boven komt slechte.Harimona nam een berenhuid van het leger en legde deze zacht om de schouders van den peinzenden man. Daardoor uit zijn gepeins ontwakend, zag hij haar aan.„Kind,” vroeg hij, „zouden wij niet gaan eten?”„Wij hebben al gegeten, liefste!” zei ze met een zachten glimlach, „en du hebt medegegeten … waaraan dacht du zoo ingespannen?”„Ik denk aan den draak … Ik zou hem gaarne uitgraven…[85]Wilt du mi helpen?…Ik denk zoo … wanneer ’t vriestijd wordt, zal het te laat zijn en als de stormen komen wordt de draak onder ’t zand bedolven en als de bliksemspeer in ’t boschje zwiert, kan alles verbrand worden.”„De tijd dringt, Sogol. Du zult in dijn vaders koninkrijk een andere koning vinden, die di zal weerstaan …”„Ik zal mijn Nervieërs wel weten te herwinnen … en du zult mi helpen …”„En als de koude ons hier overvalt. Wij hebben nog wel vier nachtreizen2af te leggen, voor wij aan uws vaders gebied komen.”Hij keek treurig.„Als wij een gedeelte opgroeven?” vroeg hij. „Wanneer ik een gat groef in ’t midden van de gewelfde lijn, dan zeker zou ik den omvang van ’t dikste gedeelte van ’t lichaam kunnen opdelven. En den maag openen om te zien, wat de draak gegeten heeft.… menschen, kobolden of.… of.…”Hij weifelde, het woord uit te spreken.„Wat meent di?” vroeg zij.„Of gras.… gelijk een koe.…”„Dat hoopt di?” vroeg zij ondeugend.„Ja.… dat hoop ik.… want mij is een gedachte door ’t hoofd gevaren.”Hij zweeg en zij wachtte zonder te vragen op zijn antwoord.„Een doode draak,” ging hij voort, meer in zichzelf sprekend dan tot zijn geliefde, „is nog geen levende. Als hij levend was geweest, ja dan.… dan had ik kunnen zien in ’t licht van zijn oogen en ervaren of hij vuur kon spuwen en ontdekken of hij meer verstand had dan een redeloos dier.…”[86]„Twijfelt di nog altijd?”„Ja.… ik twijfel.… ik heb zoo getwijfeld voor ik den Nickelman in den gröhl dorst aan te randen … en ook heb ik zoo getwijfeld, toen ik den schalgeest bij de twee eiken aanviel.… durven moet men, altoos durven.… niet vreezen voor de eigen gedachte … er zit in het menschelijk hoofd een groote spin, die verbeelding heet. Hij weeft spinsels, altoos nieuwe spinsels, en als men die spin door laat weven, bedekt hij de rede ten laatste met webbe op webbe, tot die een dik, taai kleed vormen, waaronder de waarheid onherkenbaar bedekt ligt.… Weg spin! Weg webben in mijn hoofd.… de waarheid wil ik weten.… de waarheid.…”Hij stond op, liep naar de plaats, waar de kop van het monster uit het gat omhoog stak. Zij was hem gevolgd en wenkte Haun mede te komen. Toen Sogol, over de welvende lijn loopend aan een diepte kwam, stak hij daar diep zijn zwaard in en trok dan, een gat woelend, het zwaard weer terug.… Dat rook vreemd, een reuk die Sogol, die toch veel kruiden-aftreksels kende, onbekend was.… Hij streek met den vinger langs het zwaard; daarop kleefde een taai, dik, bruin, stinkend vocht. En in het gat, dat hij door ’t insteken van ’t zwaard gemaakt had, kwam nu ook traag een dikke, half-vloeibare, bruingore massa oprijzen.„Het drakenbloed!” kreet Harimona.Sogol keek haar even aan en knielde bij ’t gat, waar ’t trage vocht nu al over den rand sijpelde.„Haun, haal een brandenden tak van ’t vuur!” beval Sogol. En tot Harimona:„Als ’t drakenbloed is, moet het branden!”.…Haun, kwam met den brandenden tak.„Ga wat terug, meester!” waarschuwde Harimona, zelf eenige passen terugtredend.…„Zijt di bang?” vroeg Sogol, met toorn in ’t oog.[87]Hij stak de brandende fakkel, met een bitteren lach om den mond, in ’t gat. Meteen sloeg de vlam als een zuil van vuur omhoog uit het gat en de gewelfde lijn op den grond sloeg met een donderend geweld open, stukken aarde, oude boomwortels en steenen opwerpend.Haun was de eerste die wegrende, altoos maar rennend, niet omziende naar ’t vuur. Harimona was achterover geslagen en op haar viel de kroon van een boom, die door de ontploffing ontworteld was en schuin naar voren viel. De vuurzuil was opgestegen vlak in Sogols gezicht. Maar zijn lange baard, tot de wortels verzengd, had hem behoed voor brandwonden.…Hij zag Harimona liggen, sprong op haar toe.„Ben di gewond, liefste?” riep hij smartelijk.„Neen, neen … help mi … help mi …”Opnieuw volgde een ontploffing. Nu spoot een straal van ’t trage vocht uit den grond en een dikke rookwolk begon langs de geheele lengte van de lijn op te stuwen. De schok had Sogol een eind opgeworpen in de lucht, maar hij viel terug op de kroon van den boom waarop hij veerde, hoewel enkele takken in zijn lichaam drongen. Hij voelde de pijn niet, stond op, trok Harimona onder de takken weg en haar optillend, snelde hij met haar weg van de gevaarlijke plek. Achter zich hoorde hij nogmaals een knal en nogmaals en ’t geheele boschje stond in dikke en zwarte, stinkende rook, waartusschen het goud en rood der vlammen met vuursplinters oplaaide …Buiten den wind bleef Sogol staan en keek naar ’t brandende boschje.„Gelooft di nu?” vroeg Harimona, wier gelaat geheel zwart was geworden door den walm. „Nu heeft de doode draak nog vuur gespuwd … ziet di het nu … du ongeloovige!”In hare ontzetting zag zij hem met verschrikte oogen aan en haar stem klonk verwijtend.[88]„Verbrand mee, als du vreest!” antwoordde Sogol verachtelijk, de stukken tak, die in zijn linker arm en in zijn dij waren gedrongen er uittrekkend, waardoor het bloed naar voren kwam en begon langs zijn arm en zijn been te sijpelen.En haar de bloedende arm dicht voor ’t gelaat houdend, zeide hij:„Kom … genees deze wonden nu door dijn heiligheid … stelp dit bloed op dit oogenblik en ik zal gelooven …”Zij keek naar de wonden met blikken, waaruit de wil en het verlangen om te genezen spraken … Maar het bloed bleef vloeien en stremde zwartrood op de huid …„Ik kan niet!” zeide zij, „ik kan niet … Bind toch dijn kleed er om … du zult verbloeden …”„Zóó genezen kan ik ook … en die daar, den draak zal ik ook wel leeren kennen …”Hij keek om naar water en zag Haun, die doodsbleek en klappertandend naar zijn meester kwam.„Jongen, haal water voor dijn meester … gauw …” riep Harimona. „Dáár is een kreek …”En zij wees op een regenwelletje, waarbij de paarden stonden, die met vooruitgestoken kop, snuivend van angst, naar ’t brandende vuur zagen, door hun kluisters alleen verhinderd om er in te galoppeeren.Hij schepte water in zijn lederen jachtbuis en bracht het naar Harimona, die een stuk van haar lijnwaden onderkleed scheurend, de wonden bette en verbond.Sogol liet zich lijdzaam behandelen, zijn gedachten waren bij den brand in het boschje. Nog steeds stegen de vlammen op en van tijd tot tijd hoorde hij een zwakke ontploffing, waarop dan een nieuwe uitlaaiïng van ’t vuur volgde. Daar ’t nog helder dag was, wierpen de vlammen geen lichtschijnsel over de vlakte en de wind dreef de rook in roetige wadems weg.Nu hij verbonden was, dacht Harimona aan zich zelve.[89]Zij had, terwijl zij bij Sogol gebukt stond, heur los wit haar, dat langs haar gelaat viel, weggestreken en toen gemerkt, dat haar vingers zwart waren. Haun zeide haar nu, dat heur gelaat met roetwalm was bedekt. Daarom liep zij naar de kreek en wilde heur gelaat afwasschen. Maar het water liep van heur gelaat zooals van een zwanenrug, zoo vettig was het roet. Haun, die naderbij was getreden om zijn meesteres te helpen, zag het en liep snel zoekend langs den grond, speurend naar vogelmest. Toen bij op het hooge gras wat mest vond, bracht hij het haar. Maar zelfs nu ze ’t gelaat daarmede insmeerde, was het walm niet weg te wisschen.Haun liep naar Sogol en vroeg hem raad. Sogol trad naderbij en overtuigde zich van de vetheid van den roetwalm.„Het lijkt wel ievervet!” zei Haun.Sogol zag hem met een snellen blik vol erkentelijkheid aan.„Zoo, mijn jongen.… dat is beter dan bleek wegloopen.…” en zich tot Harimona richtend:„Het zal met koud water niet gaan.… ik zal roode zuring koken.… daarmede zal di ’t wel weg kunnen wasschen.”Hij plukte wilde zuringsteelen, legde ze in de holte van zijn bronzen schild, porde het vuur op, plaatste het schild op de gevorkte takken er boven, goot met Hauns jachthemd water in ’t schild en wachtte tot het water er in kookte. Toen bracht hij het schild aan Harimona en thans eerst kon zij ’t gelaat schoonwasschen.„Nu zijt di blanker dan weleer!” zei hij schertsend.„Maar du hebt dijn mooien baard verloren.… en het is of du jonger zijt geworden.… Hoe oud zijt di?”„Vijf en twintig jaren.… en du?”„Negentien jaren.…”„Dat zijt di nog bijna een kind.…”„Maar ik heb meer beleefd, dan menige oude vrouw … en dat heeft mi wijs gemaakt.… Ik heb di nooit gezegd,[90]waarom ik niet wilde, dat du Maresag zoudt ombrengen, vóór wij vluchtten.…”„Hij had het verdiend, de schurk, de vrek.…”„Haun,” zeide Harimona, „maak het schild van dijn heer schoon.”Haun nam het schild op en liep er mede naar de kreek.„Zeg geen booze woorden meer van Maresag, mijn geliefde.… Ik mag ze niet aanhooren.…”„Staat di nu nog onder zijn invloed?”„Neen.… maar weet, dat hij mijn vader is.…”Zij lette schijnbaar niet op de verbazing van Sogol, maar ging voort:„Mijn vader; niet alleen mijn wereldsche maar mijn bloed-vader is Maresag, de opperpriester. Mijn moeder was Anertha, deDruïdes, die met mijn vader in gemeenschap leefde. Toen ik geboren werd, gaf mijn vader mijn moeder bittere kruiden, zoodat haar borsten schrompelden en zij geen melk gaf. Want er waren vijanden van mijn vader, oude Druïden, die naar zijn plaats stonden. Zij beschuldigden Anertha van onkuischheid. Het Druïdending kwam bijeen en mijn moeder trad naakt voor de priesters, die haar ziende met de verschrompelde borsten, aan haar onschuld geloofden en over degenen, die den laster hadden verbreid werd gericht gehouden en men rukte ze de tongen uit, zoodat zij ellendig stierven, behalve een, die gevlucht was in ’t woud en zich wreken wilde. Hij wachtte mijn voedstermoeder op en doodde het kind in haar armen, meenende dat ik het was. Doch het was het kind van haarzelve. Mijne moeder was sedert zeer bevreesd voor mijn leven en zij besloot de bittere kruiden niet meer te gebruiken, opdat hare borsten weder zwellen zouden en zij mij zelve zou kunnen zoogen. Maresag merkte dat en wilde haar dwingen tot het gebruiken der bittere kruiden. Zij bleef weigeren, van moederliefde vervuld. Toen was mijn vader zeer bang,[91]want zoo het bedrog ontdekt werd wist hij, dat hem de marteldood wachtte.…”Zij zweeg enzatin gepeinzen, starend naar het brandende boschje, waar de vlammen zachtjes aan verminderden.„En toen?” vroeg Sogol.„Toen.… toen.… toen heeft men mijn arme moeder dood in ’t bosch gevonden.… en zij was geteekend met het bloedige kruis, dat de wilde mannen in de borst van hun slachtoffers kerven.… en de borsten waren haar afgesneden en zij was geschoffeerd.…”„Dat had Maresag gedaan.…”„Ik mag het niet zeggen en niet doen zeggen.… laat ik nu zwijgen.… Maresag is mijn vader, bedenk dat.… Maar di wilde ik dit zeggen, omdat ik er een ter wereld moet hebben, die met mij mijn geheim draagt.… Du weet, wat men omtrent mij in de Renigo vertelde.… Het verhaal van de drachtige ree met de lichtende ster tusschen de ooren, de sprekende maan, de berg Wittewa, waar de kroon bewaard wordt.… dat alles was leugen.…”„Dat is de oorsprong van onze mythen en sagen!” zei Sogol bitter.… „Alles misdaad, leugen en bedrog.… de waarheid is zwart, zwart als de nacht.… en het leven is leeg, bodemloos.… een vloek over het leven.…”„Daarom mijn geliefde, voelde ik zooveel eerbied en ontzag voor di, toen ik zag hoe dapper du waart en hoe helderziend.… En daarom ook, daar du twijfelt, wil ik twijfelen en daar du ontkent, wil ik ontkennen.… want ik heb di lief, lief met een ontzaggelijken eerbied.… want moedig zijt di.… moedig boven allen, allen.… Toen ik door den slag van het drakenvuur werd teruggeworpen en onder den boomkruin lag, zag ik Haun vluchten en toen zag ik dijn gezicht.… dijn baard smeulde weg, het vuur spoot rondom di op.… maar in dijn oogen zag ik geen schrik en dijn leden beefden niet.… maar met groote, vragende blikken staardet di naar den wel, waaruit[92]’t zengende vuur opspoot en ik zag hoe dijn wil om te weten sterker was dan te leven.… En toen zijt di, niet achtend op ’t eigen gevaar over den vuurpoel heen naar mi toegesprongen om mi te redden.… Du hebt de gouden lindenkroon gehaald van den berg Rodewa moet ik die heeten … en den draak en den hond en de geit verwonnen. En de zeven reuzen, zijn dat niet de boomen van ’t boschje, die daar afgebrand zijn.…”Zij wees naar ’t boschje. Zeven boomen hieven boven het smeulende boschje hun zwarte, verkoolde stammen op.„Het is vreemd mijn geliefde,” zeide Sogol, naast haar gaande zitten en zijn arm om haar leest slaande, „er schijnt in al deze leugensproken der priesters vaak diep een waarheid te zitten, zooals in de bittere schaal van de walnoot een zoete kern kronkelt … En toch, leugens zijn het, misleidende, slechte leugens.…”„En de zoete kern in die leugens mijn geliefde, dat is de waarheid van onszelf. De sagen en de mythen schijnen mij toe allen te gelijken op den boom uit het sprookje van de wonderfee … kent di het?”„Neen … vertel het mi …!”„Er was een wijzen koning in het verre land van Scandi, die oud was geworden en geen opvolger had. Toen was hij zeer bedroefd, want hij wist niet wien hij zijn kroon zou doen erven, zonder bevreesd behoeven te zijn, dat zijn rijk na zijn dood door een onwaardige zou worden bestuurd. Hij liep dag aan dag in het bosch te denken en vond geen middel om den waardigsten te kiezen. Toen ontmoette hij eindelijk een fee, die hem vroeg wat hem deerde.„Maagd,” zeide hij, „ik ben oud en dicht nabij den dood. Mijn zonen zijn allen gestorven in den strijd voor het vaderland. Nu weet ik niet wien ik als opvolger zal aanwijzen.”„Ik zal di helpen,” zeide de fee. „Hier in ’t bosch is[93]een wondervijver. Ieder, die er zich in spiegelt, ziet er zijn eigen beeld in, naar zijn eigen verbeelding. Zend degenen, die du meent, dat uw opvolgers zouden kunnen zijn, naar dien vijver en vraag hoe zij er zich in zien.”Toen ging de koning terug en liet verkondigen, dat in het woud een vijver was, waarin elk zichzelf zou kunnen spiegelen, zooals hij was. Tien mannen werden uitverkoren om in den vijver zich te spiegelen en wie de waardigste was, zou den troonopvolger zijn.De tien mannen gingen naar den wondervijver en de koning stond aan den oever en hoorde, wat elkeen zeide, die in den vijver had gekeken.De eerste, die zijn spiegelbeeld zag, zeide: „Koning, ik zie mij met een gouden kroon op ’t hoofd.” De tweede zeide: „Koning, ik zie mij met een purperen mantel aan.” De derde zeide:„Koning, ik zie mij zittende op een troon.” De vierde zeide: „Koning, ik zie mij met een schepter in de hand.” De vijfde zeide: „Koning, ik zie mij, met het koningszwaard voor den schouder.” De zesde zeide: „Koning, ik zie mij met een lichtkrans om ’t hoofd.” De zevende zeide: „Koning, ik zie mij, staande op uw schouderen.” De achtste zeide: „Koning, ik zie mij, staande aan uw sterfbed en uw vinger wijst mij aan.” De negende zeide: „Koning, ik zie de schimmen van uw zonen, die mij op het schild heffen …”De koning echter, die al deze negen mannen had aangehoord, voelde zich bedroefder dan ooit. Want hoe zou hij kiezen komen tusschen zooveel uitverkorenen. De tiende man nu, die de laatste was, die zich in den vijver zou spiegelen, omdat hij reeds van het begin nadenkend terzijde had gestaan, bleef wachten als schroomde bij, om zich te spiegelen.„Waarom spiegelt du di niet?” vroeg de koning verwonderd.„Koning,” antwoordde de tiende man, „is het wel noodig,[94]dat ik de keus nog verzware, waar er zoovelen uitverkoren zijn.”„Spiegel di,” gebood de Koning.Toen schreed de man nader en boog zich over den vijverrand. Maar hij bleef gebogen wachten en scheen beschaamd om zich weder op te richten.„Wat ziet di?” vroeg de koning eindelijk ongeduldig.Nu richtte de tiende man zich langzaam op en de koning zag, dat een traan langs zijn wangen biggelde en in den vijver dropte.„Sta op!” zeide nu de wijze koning, den tienden man met zijn schepter aanrakend, „du zijt uitverkoren!”„Hoe juist!” riep Sogol uit.…„Ik denk dikwijls aan dat sprookje, mijn geliefde. Is die wondervijver niet als het leven der oude tijden, zooals wij dat onthouden in onze mythen en sagen.… wij allen die er ons in spiegelen, zien onszelf zoo gaarne als waardig om de navolgers der grooten te zijn.… en maar een enkele beseft zijn eigen nietigheid.…”„Neen.… neen.… die vijver is het geheele leven.… en wie zich er in spiegelen zijn de menschen.… de menschen, die zich koningen wanen en alléén een heele, enkele wijze weent—want hij weet, dat hij het koningschap dezer wereld onwaardig is.… kom, wellieve, het vuur sintelt nog maar na.… wij zullen gaan onderzoeken, wat er met den draak gebeurd is.…”„Zij keek hem liefdevol aan en dan, met een zacht droevig, schertsend lachje, zei zij:„Ja, laten wij gaan.… wellicht dat de oude koning ook di met zijn schepter aanraakt …”„De oude koning Wod … hij daar?” spotte Sogol, wijzend in den hooge. „Hoe zou hij? Is al niet lang onttroond? Kom Haun! riep hij wat luider, tot den jongen, die ’t bronzen schild blank had gepoetst met fijn zand en ’t nu met een stuk vossevel opwreef, „wij gaan naar ’t vet van den iever zien!”[95]„Daar draagt hij den wondervijver aan!” schertste Harimona, toen ze zag hoe Haun, het blinkende schild hooghoudend om de vrucht van zijn arbeid te toonen, nader kwam.„En wel mag du di er in spiegelen, wellieve!” zeide Sogol. „Maar weenen moogt di niet, want zoo schoon als du bent, was nooit een koningsdochter!”„Du bent vol goeden moed, meester.”„Die kleine muzikant heeft mi de oplossing van ’t raadsel van ’t brandende drakenbloed gebracht.… komt mee.… ik zal ’t di zeggen.”De grond was nog warm in ’t boschje, dat geheel uitgebrand was. De zeven naakte boomstammen staken met hun verkoolde stampen meewârig op uit den zwartig-grauwe grond, waar nog sintels nagloorden.Sogol trad voorzichtig naar de kuil, waar de drakenkop uit opstak, nu omhoog gewerkt tot aan den nek, maar witblank doorgegloeid, een geraamtekop. Sogol zag de diepe gaten der oogkassen en de machtige kaak met de platte groote tanden met verwondering aan.„Hij heeft tanden als een groote bul,” meende Haun.Weer keek Sogol den jongen met innige erkentelijkheid in de oogen aan.„Du, schrandere vos, uit di zal wat goeds groeien.… Het zijn werkelijk groote bulletanden”… zei hij voortgaande tot Harimona … „en deze draak is geen roofdier geweest, anders zou hij tanden hebben als een beer of een wolf.… Dat zijn de tanden van een goedig vee.… die draak heeft gras gevreten.… of vruchten.… maar dan alleen bramen en appels.… want knagen zooals een eekhoorn heeft hij niet gekund.…”Hij liep terzij van de opengespleten gewelfde lijn.… stond stil bij het gat, waar hij de vlammende fakkel had ingestoken.… het was bruin uitgebrand, met korsten van een zwartige, vettige, nagloeiende massa. Maar er staken geen beenderen uit.…[96]„Ziet eens hier.… de draak was niet zoo lang als ik dacht.… hij was in ’t midden doorgebroken.… Daar lag zijn kop.… Daar lag zijn kop.… en hier zijn staart.… Ik zal eens peilen waar zijn achterdeel begint.”Maar toen hij zijn zwaard een eind verder in den grond stak, moest hij ’t ijlings terugtrekken en loslaten.… zoo warm werd het onder den grond. Daar borrelde de trage, dikke, zwarte massa nog op kookhitte.Sogol tornde een paar draden uit het onderkleed van Harimona, draaide ze tot een pit en doopte ze in de gloeiende massa. Toen liep hij een eind terzijde en hield de pit tegen een smeulende tak, die hij tot een vlam aanblies.De pit vatte vlam en brandde spoedig helder op. Sogol wierp haar op den grond en trapte haar uit.„Haun heeft gelijk gehad.… ievervet en tanden als een bul.… die draak is geen draak geweest.… dat was een groot dier.… een heel groot dier.… Maar waar is het vandaan gekomen? De kop zal wel ’t meest op dien van een reuzensalamander hebben geleken.… zie di wel Harimona.… denzelfden vooruitstekenden bek.… maar deze hier heeft tanden gehad, platte tanden gelijk het goedmoedige vee.… Het is zijn vet, dat gebrand heeft … die zwarte brei is zijn vet geweest.… zooals het varken in een vetlaag zit.…”„Waarvan zouden die knallen gekomen zijn?” vroeg Harimona. Nu zij dicht bij den kop stond, de reusachtige beenderen zag, zonder vrees thans nauwkeurig toekeek, begon ook zij aan de echtheid van den draak te twijfelen. Zeker, haar geliefde had gelijk. Wanneer Maresag den draak zou ontdekt hebben zou hij hem gebruikt hebben om het volk vrees en ontzag in te boezemen. Hoe eerlijk was haar geliefde. Indien hij den kop van den draak had medegenomen, gindsch in zijn rijk gestoft zou hebben op zijn gevecht met den draak en de verovering, zou hij zeker begroet zijn als de moedige prins, die den gruwelijken[97]draak had bevochten en overwonnen. Maar hij dacht zelfs niet aan die bedriegerijen. Hij was oprecht en waar.„Ik herinner mij,” zeide Sogol, „dat ik eens als jongen met kornuiten in ’t bosch spelend het kreng van een ever vond, die daar was gestorven.„Hij was zeer dik en gezwollen en wij, meenende, dat het dier drachtig was geweest, staken nieuwsgierig een fram in zijn vel.… Toen steeg uit het dier een stank op, zoo verpestend, dat wij allen wegliepen en één van de jongens bezwijmde. De stank volgde ons een heel eind en thuis kwamen de honden ons besnuffelen en blaften en zochten, alsof zij wild speurden. Ons was het, alsof wij dien stank nog altijd inademden en wij werden door onze ouders uit de hutten gezonden om ons te baden …„Die stank van dat ieverkreng kwam sissend door ’t vel naar buiten … Toen heb ik niet beproefd of ’t ieverbloed branden kon … maar het had heel goed kunnen zijn, dat die stank toen ook met een knal was ontvlamd …„Hoe lang ligt de draak hier?… Niemand heeft ooit zoo’n dier levend gezien … de regen heeft hier in ’t boschje den grond omgewoeld en misschien hebben stinkbronnen, juist als in de Ravenstroth opspuitend, hem uit de diepte omhoog gewerkt … Hoe lang is het geleden, sinds de draak hier verrekte? Wel vóór hier de eerste boom groeide, want in dit boschje had hij zich niet kunnen bewegen … kijk dien breeden kop … hoe zou hij tusschen de boomen doorgekomen zijn, zonder ze te breken …”Hij bleef een tijd zwijgen, in nadenken verzonken.„Wij kunnen nu naar mijn koninkrijk optrekken Harimona. Laten wij nog eens langs de gebogen linie loopen … Het vuur heeft voor ons de graversarbeid gedaan … Ziet eens die ribben … Ze zijn zoo hoog als een paard en zoo breed als mijn schild … Wat gruwelijk aanzien moet dat reuzenbeest gehad hebben … Maar gevaarlijk was hij toch niet, met zijn platte tanden en misschien wel even goedig als[98]een koe … Hier is ’t gat weer … ziet di … hij is doormidden gebroken … maar hoe komen de twee deelen zoo ver van elkaar? Hier in dit gat, waar de knal uitkwam, is uit beide deelen van ’t lichaam het vet heengesijpeld …”Zij liepen een eind voort en kwamen nu aan ’t andere deel van het dier.„Hier vangt het lichaam weer aan … tot dáár, waar de staart nog opsteekt …”Hij snelde vooruit, bemerkend dat de staart niet door ’t vuur was aangetast. En den staart nauwkeurig beschouwend, bevond hij, dat zijn veronderstellingen juist waren geweest. Een zwartige, vettige massa, die hij met den vinger kon indeuken, zat als klei om de beenderen gekleefd.„Schubben heeft hij ook gehad!” zei Sogol tot Harimona, wijzend op de schubvormige omtrekken van de zwarte massa.Hij sneed de punt van den staart van den draak af en nam die mede. Toen traden zij terug, ontkluisterden de paarden, stegen op en reden verder naar de Nervische gouwen.„De helden uit de sagen namen de koppen van de draken mede, die zij hadden gedood,” zeide Harimona. „Maar du neemt den staart mede!”„Ik wilde een herinnering hebben en de kop zou te zwaar voor mijn paard zijn geweest … Weet di, Harimona, du spreekt van de helden der sagen. Vroeger heb ik die sagen altoos voor leugenpraat gehouden, die de priesters hadden verzonnen om het volk te bedriegen. Maar nu ik dat dier heb gezien, ga ik twijfelen. De kern van de noot is weer zoet en alleen de schaal bitter en waardeloos. Waarom zouden de groote voorvaderen niet met deze dieren gestreden hebben? En later, toen de dieren waren gestorven en de voorvaderen ook, hebben de priesters goden gemaakt van de helden en draken van de groote hagedissen …”[99]„Hoe weet di toch alles.… alles.… alles.… mijn geliefde!”„Het is niet zoo moeielijk, wellieve.… Men moet maar durven.… altoos door durven.… ook de waarheid is een draak, die men het hol der verdichting moet uitdrijven!”[100]1Wand = Gewanne, Gewende = 450 voet, de afstand van een ploegwending. (Pfeiffers „Germania” dl. 17).↑2Nachtreizen. De oude Germanenrekendenbij nachten, dus dagreis kon hier niet gebruikt worden.↑
[Inhoud]HOOFDSTUK VII.Zij waren samen ontvlucht, Harimona en Sogol en reden op groote paarden naar het land der Nerviërs en Bellovaken. Sogol wilde zich in zijn land tot koning doen uitroepen. Dan zou hij met Harimona trouwen en een nieuwen godsdienst instellen, die van het nadenken. Hij zou de priesters verdrijven, het geloof in Tiusco, Wotan, Donar, Frya, Grendel en al de andere goden en godinnen en ook in de kleinere geesten, de goeden en de slechten, verbieden in zijn rijk. En van uit zijn rijk zou hij trachten den nieuwen godsdienst te verbreiden naar de Renigo en Maresag te schand stellen, de tempels verbranden, de menschen moed inboezemen en hen er toe trachten te brengen, door nadenken tot de waarheid te komen. Harimona zou hem daarbij steunen. Zij zou openbaar verklaren, dat zij een gewone vrouw was, niet geboren uit den geest maar uit vleeschelijken omgang. De offers zouden afgeschaft worden en het bidden worden verboden. Al wie bad, zou als een lafaard gestraft worden.Sogol zou skiggen uitrusten, die het geheim van den oceaan hadden te doorgronden en dappere mannen zouden medegezonden worden met de Massiliaansche schippers, die aan de kusten purperlaken en wollen weefsels kwamen ruilen tegen barnsteen en zink.Zij moesten medevaren tot het land der Massilianen, daar den koning de hulde gaan brengen van Sogol en Harimona en terugkeeren verhalen van ’t geen zij gezien hadden. Maar alle overdrijving, alle leugen zou streng gestraft worden. De waarheid, de nuchtere, eenvoudige waarheid en werkelijkheid wilde Sogol weten.[68]Zij reden langzaam, omdat het paard van Haun, die op eenigen afstand volgde, kort na de vlucht op deknieënwas gevallen en nu gespaard moest worden, want de weg was ver en Sogol wist niet of hij een nieuw paard zou kunnen krijgen.En terwijl zij samen vooruit reden, met elkaar lange gesprekken voerend over de toekomst en over de goden en het mysterie, blies Haun wijsjes op zijn horen en vergat dan somtijds waar hij was, liet zijn paard met lossen teugel loopen naar de lust van ’t dier, zoodat wel soms Sogol terug moest rijden en den jongeling roepen en bestraffen wegens zijn onachtzaamheid. Dan was Haun bedroefd, beloofde oplettender te zullen zijn en reed wat sneller mede. Maar den volgenden dag als hij weer een nieuwe melodie gevonden had, en zijn horen blazend, zich voorstelde voor een schoone prinses te spelen, die wanneer zij door zijn spel verteederd was, met hem in ’t huwelijk zou treden, dan vergat hij weder dat zijn paard slecht voort kon en zijn heer snel voorwaarts wilde. Toen had Harimona Sogol gezegd, dat het beter was wanneer Haun vooruit reed en niet volgde, hoewel dat tegen den regel was. Zoo moest Haun dan vooraan rijden en als hij weer begon te droomen nam Sogol op zijn beurt zijn horen en blies een paar schrille tonen, zoodat de jonge muzikant opschrikte. Sedert bleef Haun niet meer toeven. De bestraffende woorden van Sogol hadden minder invloed gehad dan de vrees voor de schrille tonen.Zij reden in een sukkeldrafje en gaven de paarden veel rust omdat het mogelijk kon zijn, dat ze de snelheid en de kracht hunner paarden noodig konden hebben om roovers te ontkomen of vijandige lieden. Want Sogol was bang voor strijd met menschen. Dat had Harimona bevreemd, maar hij had haar gezegd, dat zijn leven hem te veel waard was om het te verliezen in een ongelijken strijd met onbeteekenende roovers. Hij verfoeide het zwaardgevecht[69]om der wille van ’t gevecht alleen. Het zwaard moest hoogere zaken dienen dan zichzelf, meende hij. Maar heur eerbied voor hem nam toe, toen zij zijn geestelijken moed leerde kennen. Zij wist hoe ook de dapperste mannen vreesden, wanneer in de toppen der boomen geheimzinnige geluiden klonken of wanneer eekhoorns dwars over den weg liepen, katuilen schreeuwden, dwaallichten glansten. Maar hij vermaakte zich er mede, de katuilen nà te schreeuwen, joeg eekhoorns opzettelijk op, opdat ze dwars voor Harimonas paard zouden wegsnellen. Wanneer zij ’s avonds de paarden hadden gekluisterd en de pelzen hadden neergespreid, waarin zij sliepen en zij hoorden in de toppen der boomen onbekende geluiden, dan stond Sogol weer op, maakte vuur, stak een dorre tak aan en riep Haun op, om hem te helpen. En hij klom in den boom, tot bovèn in den top en was niet tevreden voor hij Harimona den oorzaak van ’t geluid kon verklaren, beneden komend met een dikke, gebroken tak, die tegen den stam had geklapperd of met een grooten, dooden vogel, die met een poot in ’t loover verward geraakt, in doodsangst met de vleugels had geklepperd. En danlachteSogol met een vreemden, schrillen lach en vloekte op de asen en de elfen en de nikkers en de kobolden, ze uitdagend hem hier te komen bestrijden.„Dat zijn hun goden!” zeide hij dan, den tak of het doode dier trappend met drift onder den voet. „Het zijn allen vruchten van hun lafheid. Laf zijn ze— —alle Germanen bij elkaar— —sterk als stieren en met hun zwaarden elkaar bestokend zooals balgende herten elkaar met de geweien stooten. Maar moed.… echte moed.… moed om tegen de valsche goden op te treden.… die hebben ze niet.…”Hijbleef staan voor haar, breed de borst gezwollen en opziende naar den sterrenhemel, met uitdaging in zijn houding, als in verwachting, dat een der groote goden[70]op hem zou toetreden, Balder of Grendel of zelfs Thor of Wotan.… gereed om met hen den kamp op te nemen.Zij zelve geloofde niet meer aan het bestaan der kleine geesten. Maar diep in haar hart, geloofde zij wel aan de groote machten.… Wellicht waren Wotan en Donar maar verbeeldingen.… Zoo goed als de Thius der voorvaderen een verbeelding was geweest. Maar waarvan kwamen de sterren? En wie spande de hemel? En wanneer de mensch stierf, waarheen zweefde dan zijn geest?In den laten avond wierp Sogol dan nog weer dood hout op het smeulende vuur en in de stilte van den winternacht zaten zij voor het vuur, opziende naar het vurige geprikkel der sterren en samen peinzend over de groote geheimen, waarvan zij zich voelden omgeven.Dan werd Sogol dikwerf bedroefd, want hij kon haar niet op hare vragen antwoorden. Zeker, zij gaf toe, dat de sterren daar aan de lucht geen goden waren en ook geen zielen en die zeven daar, waren niet de naijverige minnaars van Nehalennia, zooals ze zeiden aan de kust. Maar wat waren het dan?„Zeg mij Sogol, wat zijn ze dan, de sterren?”Hij bleef zwijgend staren naar den winterhemel en zij zag hoe een traan uit zijn oogen welde en langs zijn wang biggelde.„Weent di, mijn meester?” vroeg zij zacht.„Ja, ik ween.… ik ween.… omdat ik weten wil en niet weten kan, geliefde. Lief heb ik di, Harimona, omdat du zooals ik, de waarheid liefhebt en oprecht zijt. Mijn koninkrijk zal ik di gaarne aan de voeten leggen. Maar toch, hoe klein is mijn liefde, dat ik di niet dat simpele antwoord op dijn vraag als bruidsgeschenk kan geven.… Want ik weet het niet, geliefde, ik weet het niet, ik weet het niet.… Ja, vraag het mi.… vraag het mi.… wat zijn de sterren?… Zijn het klompen vuur? Maar hoe komt het dan, dat hun vuurnietdooft.… Wie werpt hout op[71]dat vuur? En wat is achter die sterren?… En hoevelen, hoevelen zijn er niet.… Daar.… die heele breede zoom van einder tot einder.… en daar die met dat scherpe blauwe licht.… en daar die, die flakkert als een toorts … en daar die, in een orde geschaard als een saks?.…”„Als de zon opgaat dooven de sterren en als de zon ondergaat, vlammen ze weer op.… Wie steekt ze aan Sogol?… Moet daar geen groote macht zijn, die ze aansteekt, avond na avond en ze weer dooft, morgen na morgen?”Sogol peinsde en keek in ’t vuur. Eindelijk antwoordde hij:„De maan, gaat die ook ’s avonds aan en dooft die ook ’s morgens uit, Harimona?”„Niet altijd, meester.”„Neen, niet waar. Er zijn dagen waarop de maan heel vroeg opgaat, als de zon nog schijnt.… Zij is dan heel bleek, zoo wit als zilver en hoe later het wordt, des te rooder wordt zij. Dat is toch zoo, niet waar?”„Ja, mijn meester.”Hij sprong op, liep op haar toe, omhelsde haar,kustehaar op ’t witte haar, op de wangen, op de hals,op den mond. En juichend weer sprong hij recht, roepend.… „ik heb het gevonden, ik heb het gevonden.… ik zal alles, alles vinden.…”En zich weer neerzettend bij ’t vuur, wilde hij opnieuw spreken, maar de vreugde overweldigde hem opnieuw.… Hij sprong nogmaals op, hief zijn handen omhoog naar den sterrenhemel, bolde de vuisten en naar boven roepend:„Ik heb het gevonden.… o zaligheid.… o geluk.… ik heb het gevonden.… ik heb het gevonden.…”Zij keek hem bewonderend maar niet zonder angst aan, gespannen wachtend op zijn verklaring.„En alles, alles, alles zal ik ontdekken! Wacht du daar, wacht.… ik zal dijn geheim doorvorschen.… Wacht du daar, wacht du!”[72]En hij balde dreigend de vuist tegen den hemel. Daarna zich weer neerzettend, ging hij voort:„De sterren zijn niet anders dan de maan. De maan is een groote ster, veel grooter dan de anderen, maar er is geen ander verschil.„Wat met de maan gebeurt, gebeurt met de sterren. Maar omdat ze zoo klein zijn, kunnen wij het niet zien.…”„Maar wat gebeurt dan met de maan?” vroeg Harimona.„Zij wordt ’s avonds niet ontstoken en ’s morgens niet gedoofd. Zij brandt altoos.… altoos, altoos.… Zij staat ook aan den hemel als wij haar niet zien.… Geeft een toorts licht op den noen? Neen, niet waar? Maar naarmate het donkerder is, geeft de toorts meer licht. Zoo is het met de maan en zoo is het met de sterren.… zij hebben maar een zwak licht, zooals de toorts, dat men beter zien kan, naarmate het donkerder wordt.… Vandaar dat de maan op sommige avonden eerst bleek is gelijk zilver en hoe donkerder het wordt, des te heller schijnt haar vuur. In den morgen wordt zij weer bleeker.… tot zij onzichtbaar wordt … het licht van de zon maakt haar onzichtbaar …”„En wie steekt de zon aan?” vroeg Harimona.„Wat wijf? Ik doe di kond van een groote ontdekking en in stede van mede te juichen blijft du vragen? Is het al niet veel te weten, dat de maan en de sterren daags branden zoogoed als ’s nachts?”„Het is veel, maar de raadselen blijven raadselen, meester.”„Neen, ze blijven het niet, vrouw. Raadselen waren de kobolden en de elfen, tot ik ontdekte, wat hun eigenlijk wezen was. Raadsel was het schijnen der sterren en der maan alléén ’s nachts, totdat ik vond, dat zij ook overdag schijnen. Laat mij denken en ik zal ook vinden waar hun oorsprong was en waar de oorsprong dier oorsprong aanving. Maar ik moet tijd hebben om te denken. En du, geliefde, wees niet laf, als al die anderen maar durf óók door te[73]denken, altoos dieper, alsof dijn gedachte een donker woud ingaat. Dring er doorheen en aan de andere zijde vindt du het nieuwe land.”Eenige dagen later terwijl zij de Bellovaaksche gouwen al naderden, werden zij door een zwaar onweer verrast. Harimona was angstig en wilde onder een boom schuilen. Maar Sogol toornde op haar en ook op Haun, die in ’t bosch wilde blijven tot het onweer was voorbij getrokken. Hij dwong beiden hem te volgen op het groote, vlakke land, dat aan den zoom van ’t woud aanving en zoodra de eerste bliksemstraal knetterde begon Sogol te woeden tegen Donar. Hij daagde hem uit, vloekte hem met de vreeselijkste vloeken, wees hem smadelijk op zijn achterdeel.„Drekgod, drekgod, drekgod, kom op. Sla mij, drekgod met dijn bliksem, als du daar zijt.… Hier sta ik, een god zooals du, maar machtiger, want ik ben hier werkelijk en du, du, du, zijt niet, du zijt maar een schepping van lafhartigen en angstschijters.…”Harimona en Haun, in den regen staande midden op ’t land, staarden met onzetting naar Sogol, die slechts met een berehuid om zijn naakt lichaam, de machtige armen bloot, met opgeheven vuisten dreigende gebaren maakte tegen het blauwgrijze werk, waarin zij de bliksems zagen bersten en den donder rommelen. En bij elken bliksemstraal, bij elken donderslag vernieuwde Sogol zijn vloeken en bedreigingen. Hij liep soms op een drafje voorwaarts in de richting van den einder vanwaar de bliksem kwam aanlichten.„Tref mi nu … tref mi nu … speer van den drekgod … Du durft kunt, du kunt niet.… hier sta ik.… bereid om dijn speer op te vangen.… tref mi dan.… tref mi dan!.…”Hij sprong op van den grond, zijn borst naakt, en gezwollen, zijn armen wijd geopend als verwachtte hij den bliksemstraal. Het schuim stond hem op de lippen van[74]woede en Harimona, hem zoo ziende, voelde zich bevreesd terwijl Haun weende.Het onweer verminderde in kracht en trok weldra voorbij. De blauwgrijze hemel brak in wolkenbrokken en uit het diepblauw daartusschen kwam de zon schijnen.Sogol werd kalmer en nu omziende voor Harimona zeide hij trotsch:„Hebt di het nu gezien, dat ook de groote goden niet bestaan? Waar was Donar met zijn gouden speren? Waar was zijn rollenden donderwagen?.… Hebt du geweend knaap?…”„Ik vreesde zoo, dat de speer di zou treffen,” antwoordde Haun.„Du zult niet weenen als dijn meester de goden uitdaagt.… maar du zult weenen, als de anderen zich voor de goden verdeemoedigen.… Onthoud dat knaap.… en bindt de kluisters los van de paarden.”Zij stegen op en reden door de frissche lucht onwaaierd, stapvoets verder.„Waarom zegt di niets?” vroeg Sogol, bemerkend hoe zijn geliefde zwijgend naast hem reed en geen woord van bewondering had voor zijn moedig bestaan.Zij keek hem van terzijde aan en hij zag een schroomvollen eerbied in haar vreemde, roode oogen.„Ik heb een zonderlinge gedachte, Sogol!”„Gelooft di nog aan Donar?” vroeg hij haast angstig.„Neen.… maar mi kwam de gedachte in ’t hoofd, dat du wellicht zelf een god zijt.…”„Ik ben een mensch, een gewoon mensch.… zooals du, zooals Haun.… Of meent du nog, dat du ook een godin zijt?”„Neen … ik ben geen godin … maar du zijt een god … en du weet het zelf niet.… En misschien weten de andere goden evenmin, dat zij goden zijn.…”„Vrouw, du zegt zulke diepe gedachten, dat du zelve ze niet omvat.…”[75]Zij reden langen tijd zwijgend voort, Sogol zijn hoofd neerwaarts gebogen en zijn gefronste oogen naar den bodem gericht. Eindelijk zeide hij:„Dat kan het zijn, mijn lief. De goden weten zelve niet, dat zij goden zijn.… zooals dit paard onder mij, dat sterk is, daden van kracht doet en toch zijn eigen kracht niet kent … Wat zijn de goden dan?… Redelooze krachten, die hun daden doen zonder de macht over die daden.…”„Maar het paard heeft een berijder, die het stuurt meester.… Zoo heerscht dan Wotan over de goden als de mensch over de dieren.…”„Ik zou di kussen kunnen als du zoo spreekt, en toch weenen omdat du altoos weer tot Wotan dijn gedachte voert.… Maar Wotan kàn niet bestaan.… zoomin als Donar bestaat.… zoomin als de kleinere geesten.…”„Welke macht doet de zon dáár schijnen?” vroeg Harimona.En haar aanblikkend, zag hij uit haar roode oogen een straal gouden licht schijnen.„Wie doet, die wolk daar schuiven? En die daar? En die daar? Staat achter elke wolk een geest, die haar voortschuift? Of zit op elke wolk een ruiter, zooals op het paard, en stuurt haar en leidt haar met bit en teugel en spoor? Ziet ze ijlen en barsten en vluchten in hare vreemde gestalten.… Voelt du niet, dat het de wind is, die ze wegblaast, zooals het kind de kaarsjes wegblaast van de weidebloem.… Ik kan nog niet alles weten.… maar omdat ik iets weet, weet ik dat ik méér zal kunnen weten.… Het zijn alles krachten, redelooze krachten, die niet anders doen dan ze doen omdat ze niet anders kunnen.… De zon, de maan, de sterren, de bliksem, de donder, de wolken.… zij allen zijn redeloos en doen zooals ze moeten doen.…”„En wij dan?”„Wij vrouw.… wij.… wij zijn ook al niet anders dan[76]de zon en de sterren en de wolken.… wij zijn ook krachten, die onze eigen macht niet kennen.…”Hij reed een poos zwijgend voort. Toen weder, tot haar:„Waarom zouden wij iets anders zijn dan de dingen om ons heen. Zijn wij niet even dom als de natuurkrachten? Moeten wij niet eten, drinken, slapen als het tijd daarvoor is, zooals daarboven het onweer komt, als het de tijd voor het onweer is? Weten wij met zekerheid iets meer dan deze paarden? Weten wij meer van ons verleden? Meer van onze toekomst? Meer van wat boven de hemelen is en onder de aarde? Waarom val ik ter aarde wanneer ik van mijn paard stort en kan niet omhoog vallen, of in de lucht mij zwevende houden door mijn wil alleen? De mensch is een natuurkracht zoo goed als de bliksem en de donder, zoogoed als de zonnestraal een natuurkracht is.”„Maar waar komen die natuurkrachten vandaan?” vroeg Harimona weder.„Ik weet het niet.… ik weet het nog niet.… En moeten zij dan bepaald ergens vandaan komen? En moeten zij dan bepaald ergens heengaan? Waarom zouden zij er niet altijd geweest zijn en er altijd blijven?”„Ik kan dijn gedachtenvlucht niet volgen Sogol.… In mijn binnenste leeft gestadig het gevoel alsof er nog een ander leven is.… een leven, dat als de gedachte of de droom geen lichaam noodig heeft om te bestaan. Zoo dikwerf als Maresag mij met zijn kruiden in de verrukking bracht, ontsteeg ik mijn lichaam en zwierf langs onbekende velden en wegen en zweefde over oneindige wateren of steeg den sterren tegemoet.”„En hebt di dan wel eens andere dingen gezien dan hier?”„Ja.… ik heb de goden aanschouwd, Wotan het meest.… En hij was het, die mij de kracht gaf, wonderen te doen zooals du hebt kunnen zien.… toen ik de lammen genas en de blinden en die met etterende wonden neerlagen.”„Was dat geen bedrog, Harimona?”[77]Hij hield zijn paard in en zich over haar paard buigend en het ook tot stilstand dwingend, keek hij haar diep en ernstig in de oogen.Zij keek hem onverschrokken aan.„Dacht di, dat ik het liefste, dat ik ter wereld heb, zou bedriegen? Dan is het beter, dat ik terugkeer.”„Dus du kunt wonderen verrichten?”„Als ik in de verrukking ben.… ja.…”„En die kreupelen, die reeds genazen zonder dat zij di zagen?”„Kan niet mijn ziel uitgestraald zijn ook zonder dat ik het wist of wilde? Was niet al wat ik in mijn verrukking deed, iets waarover ik geen macht had en waaraan ik zonder mijn verrukking vreemd was?”Hij reed weer voort naast haar en dacht zwijgend na.„Het is droevig,” zeide hij eindelijk, „Wie het gedachtenwoud binnenrijdt komt niet tot licht, maar hij verwart zich hoe langer hoe meer in ’t donkere hout. In mij komt de vreemde lust op, dit leven te eindigen om te weten. En ik voel naijver op die anderen, die vroom gelooven kunnen in al de goden, de grooten en de kleinen. Maar ik kan niet … ik heb immers ervaren, dat de Nickelman een aal was en de grondgeest een geluidsschal.…”Na een poos vroeg hij plotseling:„En wat was er waar van Frango, den draak, Whridlo, den hond en Baza, de geit?”„Begreep di dat niet?”„Neen.… hoe zou ik.… Er bestaan geen draken!”„Het was een raadsel van Maresag om de vele minnaars te beproeven. Frango was de moed, Whridlo was de trouw, Baza was de soberheid. Wie dit raadsel zou begrijpen was mij waardig, meende Maresag honend.”„En du vondt dat goed?”„Wat Maresag wilde moest ik doen … ik kon hem niet weerstaan. Hij had een groote macht over mij, waaraan ik[78]mij niet kononttrekken… Eerst toen du kwam en ik door mijn geloof in dijn kracht overwon, kon ik met di medegaan.”„Ik dacht wel, dat de draak ’t een of ander groote onbekende dier zou zijn, dat de laffen zou verschrikken.”„Maar er bestaan zeker draken, Sogol. In mijn verrukkingen heb ik ze gezien. Zij hadden lange muilen met scherpe tanden en lage pooten gelijk een hagedis en lange staarten, met punten bezet …”„Ik wilde, dat ik met di naar dat gewest van dijn verrukkingen kon opstijgen.”Zij reden een eind voort tot zij aan een klein boschje kwamen, waar zij afstegen om te rusten en de paarden te voederen. Zij zagen om naar Haun, die een eind vooruit was gereden en nu uit het gezicht was.Sogol nam zijn horen en stiet een paar schrille tonen uit den horen. Toen na eenig wachten Haun niet terug kwam, kluisterde Sogol zelf de voorbeenen der paarden, nam ze het bit uit den mond en liet ze grazen. Daarna zocht hij met Harimona in ’t boschje naar paddestoelen, die hun als leeftocht dienden wanneer geen klein wild gevangen was of niet een ree of een hert door Sogol met de speer was neergedrild. Nog zochten zij, toen zij Haun’s horen in de verte drie korte stooten hoorden geven, het signaal, dat hij in gevaar verkeerde.Harimona verbleekte maar Sogol snelde naar zijn paard, ontkluisterde het en de hand aan ’t kortzwaard, reed hij in galop naar den kant, vanwaar nu voor de tweede keer het alarmsignaal klonk.Toen hij een eind gereden had, zag hij Haun staan nevens zijn paard. De jongeling kwam zijn heer te gemoet loopen.„Wat is er aan de hand?” riep Sogol.„Meester … Meester … er is hier wat vreemds …”„Wat, mijn jongen?”„Meester … het lijk van een draak ligt hier …”[79]Sogol steeg af en volgde Haun in ’t kleine boschje. Daar had het instroomende regenwater den grond onderwoeld en uit een kuil, half met water gevuld, stak de kop uit van een draak.Sogol groef met zijn zwaard de aarde rondom wat weg. Zij was vastgeslikt met het vleesch van den reusachtigen kop. Hij zette de zwaardpunt in den grooten muil van ’t dier en trachtte deze open te breken. De kop brak broos vaneen en de scherpe, spitse tanden rolden naar buiten.„Ga de meesteres halen en de paarden. Ik blijf hier Haun!” zeide Sogol en toen de jongen wegreed in de richting, die Sogol hem had aangewezen, begon deze nu voorzichtiger met zijn zwaard het tot zwartige klompen met den huid en ’t vleesch van den draak gesmijde veen, van den kop af te steken.Hij was nog bezig den kop vrij te steken, toen Harimona en Haun aangereden kwamen. Sogol voelde zich beschaamd, wist niet wat hij zou zeggen tot Harimona.Zij voelde zijn schaamte en om hem niet te kwetsen zeide zij:„Misschien is het toch geen draak maar een vreemd groot dier.”Hij zag haar aan met lichtjes van dankbaarheid en geluk in de oogen.„Gelooft di dat?”vroeg hij nogmaals.„Het kon toch zijn …”„Wij kunnen het ten minste onderzoeken … Als hij levend was geweest, zou ’t minder makkelijk zijn gegaan. Zie dien muil eens.’k Heber mijn zwaard tot aan den greep ingestoken en nog altijd was ik niet aan ’t keelgat.… Ga eens naast den kop staan Haun … ziet eens … De muil alleen is hooger dan Haun …”„En waar zijn zijn oogen?”„Ik heb al deze aarde rondom afgestoken, maar ben nog niet aan zijn oogen toe gekomen …”[80]„Ik denk, dat hij rechtstandig in den grond staat,” zeide Haun, bemerkend dat de muil spits opstond,„alsof het gat de uitgang van ’t hol van den draak was geweest.”„Wat denkt di te doen?” vroeg Harimona aan Sogol, ziende hoe hij vermoeid was van ’t graven.„Ik wilde wel gaarne hier blijven en den heelen draak uitgraven.… Dan kunnen wij zien hoe hij er uitziet.”„Maar dat kunt di alleen niet.…”„Haun zal helpen.… en.… en.… als du wilt.… du ook.…”„Met onze handen?”„Neen, ik zal spaden snijden.…”„En uw koninkrijk?” vroeg Harimona.Sogol dacht na.„Het was misschien beter, dat du eerst mannen haalde, die du hielpen?.…” vroeg Harimona.„Dat kan lang duren.… als ’t gaat vriezen is ’t graven onmogelijk.… en ik weet niet of ik mannen zal vinden, dapper genoeg om den draak uit te graven.… kom.… laten wij eerst eten, rusten en dan ten minste den kop van het monster uitgraven.…”Harimona maakte vuur en Haun, met een speer gewapend, ging in ’t boschje naar wild speuren. Al heel spoedig kwam hij terug met een haas,die hij den speer door den kop gedrild had, toen ’t dier voor zijn voeten opsprong. Harimona nam haar klein gordelmes en begon het dier te villen. Haun stond er bij en keek nauwlettend toe.„Heb di zoo’n honger vent?” vroeg Harimona.„Nee.… ik heb bessen gegeten en nootjes.… ik heb geen honger.…”Maar omdat hij toch bleef toekijken, vroeg zij weer:„Wat wil je Haun? Je kijkt zoo vragend.…”Hij kleurde, zag verlegen zijwaarts.„Er uit er mee, als du wat zeggen wilt!” zei Sogol gewild streng.[81]„Ik wou de meesteres wat vragen.… ik ben nu al zoo lang van huis.… en ik wou weten of ik vader of moeder en mijn broertje gezond en wel zal aantreffen.…”„Dat weet ik niet!” lachte Harimona.„Als du wilde.… en eens voor mij keek.… daar …”En hij wees, even bang naar Sogol opblikkend, op de darmen van de haas.„Vervloekt!” stoof Sogol op.„Ik wist wel, dat de meester het niet zou willen!” zei Haun, half schreiend.„De meester heeft gelijk Haun. Ik kan niet uit de darmen waarzeggen.…”„En niemand kan het, Haun. Hoe kom di aan die vraag.”„Ginds op ’t groote veld te Renigo was een vrouw, die uit ingewanden de toekomst kon lezen. Wie haar een geit bracht, die spelde zij de toekomst uit de darmen van de geit; en wie haar een ree bracht, die spelde zij de toekomst uit een ree. En er kwam zelfs éens een man, die een kalf bracht en zij liet het slachten en las uit de darmen.”„Dat is alles bedrog, Haun. Ze deed het om de dieren.”„Nee meester.… ’t was geen bedrog. Ik heb de vrouw een geitje gebracht en zij voorspelde mij, dat ik op reis zou gaan met een koningszoon en zijn bruid en die zullen tot hoog aanzien geraken: De koningszoon zal koning worden en de bruid, koningin! En ’t is tot nu toe uitgekomen.… och lieve meesteres.… ik smeek di.… zie toch even in de darmen en zeg mi of mijn broertje nog leeft.…”Harimona keek Sogol vragend aan, half besloten om den jongen zijn wil te geven. Maar Sogol keek somber.„Als wij zelf de domheid bevorderen.… wie zal ze dan bestrijden?” vroeg hij.En zich tot kalmte dwingend, zei hij tot Haun:„Mijn jongen, al kwam wat zij zeide ook uit, toch was ’t bedrog. Het gaat bij die voorspellingen zoo.… Komen[82]ze uit, dan gelooft men aan de buitengewone zienerskracht.… komen ze niet uit, dan vergeet men de voorspelling of meent bij een slechte waarzegster te zijn geweest. Maar ’t zijn alle slechte waarzegsters. Niemand weet iets van de toekomst.… niemand.… niemand.… de goden zelve niet.… zij zijn ook aan het lot onderworpen, zonder dat zij weten, hoe het zal loopen.… en het zal een slecht lot voor ze zijn, als de koningszoon, werkelijk koning wordt.”Sogol had de laatste zinnen meer tot zichzelf dan tot Haun gezegd, die teleurgesteld naar den haas bleef zien.Harimona, na den haas gestroopt te hebben en van de ingewanden ontdaan, stak hem aan een bronzenspit, dat op twee gevorkte takken rustte en nu moest Haun langzaam draaien.Sogol, zijn ongeduld niet kunnende bedwingen, was al weder naar den kop van den draak geloopen en begon deze verder met zijn zwaard te ontgraven. Maar bemerkend, hoe weinig hij hierdoor bereikte, liep hij een eindje ’t bosch in zoekend naar een boom, geschikt om er spaden van te snijden. Een zwarte stronk, die manshoog boven den grond uitstak, zeker ’t overblijfsel van een boom, die door den bliksem getroffen was en daardoor van buiten bruin gebrand, kwam hem geschikt voor en hij sloeg er zijn zwaard tegen. Maar ’t zwaard ging er diep in en stuitte toen op iets hards. Sogol keek verwonderd en nu, de stronk belastend, ervoer hij, dat hier weder het lijk van een draak was verborgen, nu met den staart opwaarts uit het hol. Hij zag de grove schubben van den staart, hoewel ’t vleesch verkoold was en ook nog de knoesten van de dorens van den rug.…Daar waren dus twee draken in dit boschje geweest. Beiden wellicht door den bliksem getroffen. Maar hoe deze vreemde houding te verklaren.… de één met den kop hoogopgestoken uit de krocht, de andere met den[83]staart opwaarts? Waren zij voor ’t onweder gevlucht?Hij mat den afstand tusschen de twee draken.… Een denkbeeld kwam in hem op.… maar hij weifelde om het aan te nemen.… Neen.… dat kon niet.… zoo groot was een draak niet.… dat overtrof alle verhalen van de sagen.… Het was wel de lengte van een wand1.… En toch.… als kop en staart eens tot denzelfden draak behoorden.… de ligging was zoo, dat de mogelijkheid kon bestaan?…Hij keek met scherpen blik in de richting van den kop en zijn geoefend oog bemerkte, dat de bodem over dien langen weg voor een deel bol stond, zoo de richting aangevend, waarin het lichaam van den draak kon liggen.Hij vergat het haasje, dat ginds aan het spit braadde, hoewel hij den heelen dag weinig anders dan wat bramen en hazelnoten gegeten had. Bij den drakenstaart zittend, de kin op den greep van zijn zwaard geleund, was hij in nadenken verzonken.Dat was dus een draak, een echte draak. Ditmaal behoefde hij geen wonderverhalen van anderen te gelooven. De sagen waren dus geen bedrog. Faffner en Kirgold en Frango bestonden.… Maar als de draken bestonden, dan konden ook de goden bestaan.… Hier lag het geheim ontraadseld voor hem.… hier aan zijn voeten, weinige vamen onder den grond.…Hij mocht niet verder reizen.… al verloor hij er zijn koninkrijk door.… wat beteekende een koninkrijk tegen de doorgronding van dit geheim. Wéten moest hij, voor alles wéten, wilde hij.Haun blies een paar tonen om hem tot het middagmaal te roepen. Hij blies een paar tonen ten antwoord en liep langs de gewelfde lijn van de grond gaande langzaam terug naar Harimona, tellend zijn schreden om den afstand te[84]meten. Twee honderd groote schreden was de draak lang. Veel hooger dan de hoogste boom hier in ’t boschje … veel hooger dan ooit een boom, waar ook, gegroeid was …Maar als dat dier zoo lang was en zoo hoog, hoe zou het dan hier in ’t nauwe boschje, dat zelfs een man nauw doorliet, zich hebben kunnen bewegen? Hij keek naar de boomen rondom … Zij waren allen minstens vijf-en-twintig jaren oud … dus de draak moest al jaren lang dood zijn. Nergens ook was een spoor van gebroken boomen en de schorsen waren nergens afgeschuurd …Peinzend als altoos, kwam hij terug bij Harimona en zij, gewoon aan zijn peinzerijen, vroeg niets, sneed den haas in deelen enreikteSogol een bout. Hij stak het geroosterde vleesch werktuigelijk in zijn mond, zijn donkere oogen starend voor zich uit zonder te zien, kouwend het vleesch zonder het te weten … altoos beziggehouden door zijn gedachten.„Rijden wij verder, meester?”waagde Haun ten laatste te vragen.Harimona zag hem bestraffend aan. Maar Sogol had de vraag niet gehoord en bleef turen, altoos door turen in denkgestaar.Haun sloop stilletjes weg van ’t vuur en den kop van den haas nemend, begon hij dezen een eind verder om en om te gooien, om zijn geluk te beproeven. Want als de schedel boven komt, wacht men goede tijding en als de kaak boven komt slechte.Harimona nam een berenhuid van het leger en legde deze zacht om de schouders van den peinzenden man. Daardoor uit zijn gepeins ontwakend, zag hij haar aan.„Kind,” vroeg hij, „zouden wij niet gaan eten?”„Wij hebben al gegeten, liefste!” zei ze met een zachten glimlach, „en du hebt medegegeten … waaraan dacht du zoo ingespannen?”„Ik denk aan den draak … Ik zou hem gaarne uitgraven…[85]Wilt du mi helpen?…Ik denk zoo … wanneer ’t vriestijd wordt, zal het te laat zijn en als de stormen komen wordt de draak onder ’t zand bedolven en als de bliksemspeer in ’t boschje zwiert, kan alles verbrand worden.”„De tijd dringt, Sogol. Du zult in dijn vaders koninkrijk een andere koning vinden, die di zal weerstaan …”„Ik zal mijn Nervieërs wel weten te herwinnen … en du zult mi helpen …”„En als de koude ons hier overvalt. Wij hebben nog wel vier nachtreizen2af te leggen, voor wij aan uws vaders gebied komen.”Hij keek treurig.„Als wij een gedeelte opgroeven?” vroeg hij. „Wanneer ik een gat groef in ’t midden van de gewelfde lijn, dan zeker zou ik den omvang van ’t dikste gedeelte van ’t lichaam kunnen opdelven. En den maag openen om te zien, wat de draak gegeten heeft.… menschen, kobolden of.… of.…”Hij weifelde, het woord uit te spreken.„Wat meent di?” vroeg zij.„Of gras.… gelijk een koe.…”„Dat hoopt di?” vroeg zij ondeugend.„Ja.… dat hoop ik.… want mij is een gedachte door ’t hoofd gevaren.”Hij zweeg en zij wachtte zonder te vragen op zijn antwoord.„Een doode draak,” ging hij voort, meer in zichzelf sprekend dan tot zijn geliefde, „is nog geen levende. Als hij levend was geweest, ja dan.… dan had ik kunnen zien in ’t licht van zijn oogen en ervaren of hij vuur kon spuwen en ontdekken of hij meer verstand had dan een redeloos dier.…”[86]„Twijfelt di nog altijd?”„Ja.… ik twijfel.… ik heb zoo getwijfeld voor ik den Nickelman in den gröhl dorst aan te randen … en ook heb ik zoo getwijfeld, toen ik den schalgeest bij de twee eiken aanviel.… durven moet men, altoos durven.… niet vreezen voor de eigen gedachte … er zit in het menschelijk hoofd een groote spin, die verbeelding heet. Hij weeft spinsels, altoos nieuwe spinsels, en als men die spin door laat weven, bedekt hij de rede ten laatste met webbe op webbe, tot die een dik, taai kleed vormen, waaronder de waarheid onherkenbaar bedekt ligt.… Weg spin! Weg webben in mijn hoofd.… de waarheid wil ik weten.… de waarheid.…”Hij stond op, liep naar de plaats, waar de kop van het monster uit het gat omhoog stak. Zij was hem gevolgd en wenkte Haun mede te komen. Toen Sogol, over de welvende lijn loopend aan een diepte kwam, stak hij daar diep zijn zwaard in en trok dan, een gat woelend, het zwaard weer terug.… Dat rook vreemd, een reuk die Sogol, die toch veel kruiden-aftreksels kende, onbekend was.… Hij streek met den vinger langs het zwaard; daarop kleefde een taai, dik, bruin, stinkend vocht. En in het gat, dat hij door ’t insteken van ’t zwaard gemaakt had, kwam nu ook traag een dikke, half-vloeibare, bruingore massa oprijzen.„Het drakenbloed!” kreet Harimona.Sogol keek haar even aan en knielde bij ’t gat, waar ’t trage vocht nu al over den rand sijpelde.„Haun, haal een brandenden tak van ’t vuur!” beval Sogol. En tot Harimona:„Als ’t drakenbloed is, moet het branden!”.…Haun, kwam met den brandenden tak.„Ga wat terug, meester!” waarschuwde Harimona, zelf eenige passen terugtredend.…„Zijt di bang?” vroeg Sogol, met toorn in ’t oog.[87]Hij stak de brandende fakkel, met een bitteren lach om den mond, in ’t gat. Meteen sloeg de vlam als een zuil van vuur omhoog uit het gat en de gewelfde lijn op den grond sloeg met een donderend geweld open, stukken aarde, oude boomwortels en steenen opwerpend.Haun was de eerste die wegrende, altoos maar rennend, niet omziende naar ’t vuur. Harimona was achterover geslagen en op haar viel de kroon van een boom, die door de ontploffing ontworteld was en schuin naar voren viel. De vuurzuil was opgestegen vlak in Sogols gezicht. Maar zijn lange baard, tot de wortels verzengd, had hem behoed voor brandwonden.…Hij zag Harimona liggen, sprong op haar toe.„Ben di gewond, liefste?” riep hij smartelijk.„Neen, neen … help mi … help mi …”Opnieuw volgde een ontploffing. Nu spoot een straal van ’t trage vocht uit den grond en een dikke rookwolk begon langs de geheele lengte van de lijn op te stuwen. De schok had Sogol een eind opgeworpen in de lucht, maar hij viel terug op de kroon van den boom waarop hij veerde, hoewel enkele takken in zijn lichaam drongen. Hij voelde de pijn niet, stond op, trok Harimona onder de takken weg en haar optillend, snelde hij met haar weg van de gevaarlijke plek. Achter zich hoorde hij nogmaals een knal en nogmaals en ’t geheele boschje stond in dikke en zwarte, stinkende rook, waartusschen het goud en rood der vlammen met vuursplinters oplaaide …Buiten den wind bleef Sogol staan en keek naar ’t brandende boschje.„Gelooft di nu?” vroeg Harimona, wier gelaat geheel zwart was geworden door den walm. „Nu heeft de doode draak nog vuur gespuwd … ziet di het nu … du ongeloovige!”In hare ontzetting zag zij hem met verschrikte oogen aan en haar stem klonk verwijtend.[88]„Verbrand mee, als du vreest!” antwoordde Sogol verachtelijk, de stukken tak, die in zijn linker arm en in zijn dij waren gedrongen er uittrekkend, waardoor het bloed naar voren kwam en begon langs zijn arm en zijn been te sijpelen.En haar de bloedende arm dicht voor ’t gelaat houdend, zeide hij:„Kom … genees deze wonden nu door dijn heiligheid … stelp dit bloed op dit oogenblik en ik zal gelooven …”Zij keek naar de wonden met blikken, waaruit de wil en het verlangen om te genezen spraken … Maar het bloed bleef vloeien en stremde zwartrood op de huid …„Ik kan niet!” zeide zij, „ik kan niet … Bind toch dijn kleed er om … du zult verbloeden …”„Zóó genezen kan ik ook … en die daar, den draak zal ik ook wel leeren kennen …”Hij keek om naar water en zag Haun, die doodsbleek en klappertandend naar zijn meester kwam.„Jongen, haal water voor dijn meester … gauw …” riep Harimona. „Dáár is een kreek …”En zij wees op een regenwelletje, waarbij de paarden stonden, die met vooruitgestoken kop, snuivend van angst, naar ’t brandende vuur zagen, door hun kluisters alleen verhinderd om er in te galoppeeren.Hij schepte water in zijn lederen jachtbuis en bracht het naar Harimona, die een stuk van haar lijnwaden onderkleed scheurend, de wonden bette en verbond.Sogol liet zich lijdzaam behandelen, zijn gedachten waren bij den brand in het boschje. Nog steeds stegen de vlammen op en van tijd tot tijd hoorde hij een zwakke ontploffing, waarop dan een nieuwe uitlaaiïng van ’t vuur volgde. Daar ’t nog helder dag was, wierpen de vlammen geen lichtschijnsel over de vlakte en de wind dreef de rook in roetige wadems weg.Nu hij verbonden was, dacht Harimona aan zich zelve.[89]Zij had, terwijl zij bij Sogol gebukt stond, heur los wit haar, dat langs haar gelaat viel, weggestreken en toen gemerkt, dat haar vingers zwart waren. Haun zeide haar nu, dat heur gelaat met roetwalm was bedekt. Daarom liep zij naar de kreek en wilde heur gelaat afwasschen. Maar het water liep van heur gelaat zooals van een zwanenrug, zoo vettig was het roet. Haun, die naderbij was getreden om zijn meesteres te helpen, zag het en liep snel zoekend langs den grond, speurend naar vogelmest. Toen bij op het hooge gras wat mest vond, bracht hij het haar. Maar zelfs nu ze ’t gelaat daarmede insmeerde, was het walm niet weg te wisschen.Haun liep naar Sogol en vroeg hem raad. Sogol trad naderbij en overtuigde zich van de vetheid van den roetwalm.„Het lijkt wel ievervet!” zei Haun.Sogol zag hem met een snellen blik vol erkentelijkheid aan.„Zoo, mijn jongen.… dat is beter dan bleek wegloopen.…” en zich tot Harimona richtend:„Het zal met koud water niet gaan.… ik zal roode zuring koken.… daarmede zal di ’t wel weg kunnen wasschen.”Hij plukte wilde zuringsteelen, legde ze in de holte van zijn bronzen schild, porde het vuur op, plaatste het schild op de gevorkte takken er boven, goot met Hauns jachthemd water in ’t schild en wachtte tot het water er in kookte. Toen bracht hij het schild aan Harimona en thans eerst kon zij ’t gelaat schoonwasschen.„Nu zijt di blanker dan weleer!” zei hij schertsend.„Maar du hebt dijn mooien baard verloren.… en het is of du jonger zijt geworden.… Hoe oud zijt di?”„Vijf en twintig jaren.… en du?”„Negentien jaren.…”„Dat zijt di nog bijna een kind.…”„Maar ik heb meer beleefd, dan menige oude vrouw … en dat heeft mi wijs gemaakt.… Ik heb di nooit gezegd,[90]waarom ik niet wilde, dat du Maresag zoudt ombrengen, vóór wij vluchtten.…”„Hij had het verdiend, de schurk, de vrek.…”„Haun,” zeide Harimona, „maak het schild van dijn heer schoon.”Haun nam het schild op en liep er mede naar de kreek.„Zeg geen booze woorden meer van Maresag, mijn geliefde.… Ik mag ze niet aanhooren.…”„Staat di nu nog onder zijn invloed?”„Neen.… maar weet, dat hij mijn vader is.…”Zij lette schijnbaar niet op de verbazing van Sogol, maar ging voort:„Mijn vader; niet alleen mijn wereldsche maar mijn bloed-vader is Maresag, de opperpriester. Mijn moeder was Anertha, deDruïdes, die met mijn vader in gemeenschap leefde. Toen ik geboren werd, gaf mijn vader mijn moeder bittere kruiden, zoodat haar borsten schrompelden en zij geen melk gaf. Want er waren vijanden van mijn vader, oude Druïden, die naar zijn plaats stonden. Zij beschuldigden Anertha van onkuischheid. Het Druïdending kwam bijeen en mijn moeder trad naakt voor de priesters, die haar ziende met de verschrompelde borsten, aan haar onschuld geloofden en over degenen, die den laster hadden verbreid werd gericht gehouden en men rukte ze de tongen uit, zoodat zij ellendig stierven, behalve een, die gevlucht was in ’t woud en zich wreken wilde. Hij wachtte mijn voedstermoeder op en doodde het kind in haar armen, meenende dat ik het was. Doch het was het kind van haarzelve. Mijne moeder was sedert zeer bevreesd voor mijn leven en zij besloot de bittere kruiden niet meer te gebruiken, opdat hare borsten weder zwellen zouden en zij mij zelve zou kunnen zoogen. Maresag merkte dat en wilde haar dwingen tot het gebruiken der bittere kruiden. Zij bleef weigeren, van moederliefde vervuld. Toen was mijn vader zeer bang,[91]want zoo het bedrog ontdekt werd wist hij, dat hem de marteldood wachtte.…”Zij zweeg enzatin gepeinzen, starend naar het brandende boschje, waar de vlammen zachtjes aan verminderden.„En toen?” vroeg Sogol.„Toen.… toen.… toen heeft men mijn arme moeder dood in ’t bosch gevonden.… en zij was geteekend met het bloedige kruis, dat de wilde mannen in de borst van hun slachtoffers kerven.… en de borsten waren haar afgesneden en zij was geschoffeerd.…”„Dat had Maresag gedaan.…”„Ik mag het niet zeggen en niet doen zeggen.… laat ik nu zwijgen.… Maresag is mijn vader, bedenk dat.… Maar di wilde ik dit zeggen, omdat ik er een ter wereld moet hebben, die met mij mijn geheim draagt.… Du weet, wat men omtrent mij in de Renigo vertelde.… Het verhaal van de drachtige ree met de lichtende ster tusschen de ooren, de sprekende maan, de berg Wittewa, waar de kroon bewaard wordt.… dat alles was leugen.…”„Dat is de oorsprong van onze mythen en sagen!” zei Sogol bitter.… „Alles misdaad, leugen en bedrog.… de waarheid is zwart, zwart als de nacht.… en het leven is leeg, bodemloos.… een vloek over het leven.…”„Daarom mijn geliefde, voelde ik zooveel eerbied en ontzag voor di, toen ik zag hoe dapper du waart en hoe helderziend.… En daarom ook, daar du twijfelt, wil ik twijfelen en daar du ontkent, wil ik ontkennen.… want ik heb di lief, lief met een ontzaggelijken eerbied.… want moedig zijt di.… moedig boven allen, allen.… Toen ik door den slag van het drakenvuur werd teruggeworpen en onder den boomkruin lag, zag ik Haun vluchten en toen zag ik dijn gezicht.… dijn baard smeulde weg, het vuur spoot rondom di op.… maar in dijn oogen zag ik geen schrik en dijn leden beefden niet.… maar met groote, vragende blikken staardet di naar den wel, waaruit[92]’t zengende vuur opspoot en ik zag hoe dijn wil om te weten sterker was dan te leven.… En toen zijt di, niet achtend op ’t eigen gevaar over den vuurpoel heen naar mi toegesprongen om mi te redden.… Du hebt de gouden lindenkroon gehaald van den berg Rodewa moet ik die heeten … en den draak en den hond en de geit verwonnen. En de zeven reuzen, zijn dat niet de boomen van ’t boschje, die daar afgebrand zijn.…”Zij wees naar ’t boschje. Zeven boomen hieven boven het smeulende boschje hun zwarte, verkoolde stammen op.„Het is vreemd mijn geliefde,” zeide Sogol, naast haar gaande zitten en zijn arm om haar leest slaande, „er schijnt in al deze leugensproken der priesters vaak diep een waarheid te zitten, zooals in de bittere schaal van de walnoot een zoete kern kronkelt … En toch, leugens zijn het, misleidende, slechte leugens.…”„En de zoete kern in die leugens mijn geliefde, dat is de waarheid van onszelf. De sagen en de mythen schijnen mij toe allen te gelijken op den boom uit het sprookje van de wonderfee … kent di het?”„Neen … vertel het mi …!”„Er was een wijzen koning in het verre land van Scandi, die oud was geworden en geen opvolger had. Toen was hij zeer bedroefd, want hij wist niet wien hij zijn kroon zou doen erven, zonder bevreesd behoeven te zijn, dat zijn rijk na zijn dood door een onwaardige zou worden bestuurd. Hij liep dag aan dag in het bosch te denken en vond geen middel om den waardigsten te kiezen. Toen ontmoette hij eindelijk een fee, die hem vroeg wat hem deerde.„Maagd,” zeide hij, „ik ben oud en dicht nabij den dood. Mijn zonen zijn allen gestorven in den strijd voor het vaderland. Nu weet ik niet wien ik als opvolger zal aanwijzen.”„Ik zal di helpen,” zeide de fee. „Hier in ’t bosch is[93]een wondervijver. Ieder, die er zich in spiegelt, ziet er zijn eigen beeld in, naar zijn eigen verbeelding. Zend degenen, die du meent, dat uw opvolgers zouden kunnen zijn, naar dien vijver en vraag hoe zij er zich in zien.”Toen ging de koning terug en liet verkondigen, dat in het woud een vijver was, waarin elk zichzelf zou kunnen spiegelen, zooals hij was. Tien mannen werden uitverkoren om in den vijver zich te spiegelen en wie de waardigste was, zou den troonopvolger zijn.De tien mannen gingen naar den wondervijver en de koning stond aan den oever en hoorde, wat elkeen zeide, die in den vijver had gekeken.De eerste, die zijn spiegelbeeld zag, zeide: „Koning, ik zie mij met een gouden kroon op ’t hoofd.” De tweede zeide: „Koning, ik zie mij met een purperen mantel aan.” De derde zeide:„Koning, ik zie mij zittende op een troon.” De vierde zeide: „Koning, ik zie mij met een schepter in de hand.” De vijfde zeide: „Koning, ik zie mij, met het koningszwaard voor den schouder.” De zesde zeide: „Koning, ik zie mij met een lichtkrans om ’t hoofd.” De zevende zeide: „Koning, ik zie mij, staande op uw schouderen.” De achtste zeide: „Koning, ik zie mij, staande aan uw sterfbed en uw vinger wijst mij aan.” De negende zeide: „Koning, ik zie de schimmen van uw zonen, die mij op het schild heffen …”De koning echter, die al deze negen mannen had aangehoord, voelde zich bedroefder dan ooit. Want hoe zou hij kiezen komen tusschen zooveel uitverkorenen. De tiende man nu, die de laatste was, die zich in den vijver zou spiegelen, omdat hij reeds van het begin nadenkend terzijde had gestaan, bleef wachten als schroomde bij, om zich te spiegelen.„Waarom spiegelt du di niet?” vroeg de koning verwonderd.„Koning,” antwoordde de tiende man, „is het wel noodig,[94]dat ik de keus nog verzware, waar er zoovelen uitverkoren zijn.”„Spiegel di,” gebood de Koning.Toen schreed de man nader en boog zich over den vijverrand. Maar hij bleef gebogen wachten en scheen beschaamd om zich weder op te richten.„Wat ziet di?” vroeg de koning eindelijk ongeduldig.Nu richtte de tiende man zich langzaam op en de koning zag, dat een traan langs zijn wangen biggelde en in den vijver dropte.„Sta op!” zeide nu de wijze koning, den tienden man met zijn schepter aanrakend, „du zijt uitverkoren!”„Hoe juist!” riep Sogol uit.…„Ik denk dikwijls aan dat sprookje, mijn geliefde. Is die wondervijver niet als het leven der oude tijden, zooals wij dat onthouden in onze mythen en sagen.… wij allen die er ons in spiegelen, zien onszelf zoo gaarne als waardig om de navolgers der grooten te zijn.… en maar een enkele beseft zijn eigen nietigheid.…”„Neen.… neen.… die vijver is het geheele leven.… en wie zich er in spiegelen zijn de menschen.… de menschen, die zich koningen wanen en alléén een heele, enkele wijze weent—want hij weet, dat hij het koningschap dezer wereld onwaardig is.… kom, wellieve, het vuur sintelt nog maar na.… wij zullen gaan onderzoeken, wat er met den draak gebeurd is.…”„Zij keek hem liefdevol aan en dan, met een zacht droevig, schertsend lachje, zei zij:„Ja, laten wij gaan.… wellicht dat de oude koning ook di met zijn schepter aanraakt …”„De oude koning Wod … hij daar?” spotte Sogol, wijzend in den hooge. „Hoe zou hij? Is al niet lang onttroond? Kom Haun! riep hij wat luider, tot den jongen, die ’t bronzen schild blank had gepoetst met fijn zand en ’t nu met een stuk vossevel opwreef, „wij gaan naar ’t vet van den iever zien!”[95]„Daar draagt hij den wondervijver aan!” schertste Harimona, toen ze zag hoe Haun, het blinkende schild hooghoudend om de vrucht van zijn arbeid te toonen, nader kwam.„En wel mag du di er in spiegelen, wellieve!” zeide Sogol. „Maar weenen moogt di niet, want zoo schoon als du bent, was nooit een koningsdochter!”„Du bent vol goeden moed, meester.”„Die kleine muzikant heeft mi de oplossing van ’t raadsel van ’t brandende drakenbloed gebracht.… komt mee.… ik zal ’t di zeggen.”De grond was nog warm in ’t boschje, dat geheel uitgebrand was. De zeven naakte boomstammen staken met hun verkoolde stampen meewârig op uit den zwartig-grauwe grond, waar nog sintels nagloorden.Sogol trad voorzichtig naar de kuil, waar de drakenkop uit opstak, nu omhoog gewerkt tot aan den nek, maar witblank doorgegloeid, een geraamtekop. Sogol zag de diepe gaten der oogkassen en de machtige kaak met de platte groote tanden met verwondering aan.„Hij heeft tanden als een groote bul,” meende Haun.Weer keek Sogol den jongen met innige erkentelijkheid in de oogen aan.„Du, schrandere vos, uit di zal wat goeds groeien.… Het zijn werkelijk groote bulletanden”… zei hij voortgaande tot Harimona … „en deze draak is geen roofdier geweest, anders zou hij tanden hebben als een beer of een wolf.… Dat zijn de tanden van een goedig vee.… die draak heeft gras gevreten.… of vruchten.… maar dan alleen bramen en appels.… want knagen zooals een eekhoorn heeft hij niet gekund.…”Hij liep terzij van de opengespleten gewelfde lijn.… stond stil bij het gat, waar hij de vlammende fakkel had ingestoken.… het was bruin uitgebrand, met korsten van een zwartige, vettige, nagloeiende massa. Maar er staken geen beenderen uit.…[96]„Ziet eens hier.… de draak was niet zoo lang als ik dacht.… hij was in ’t midden doorgebroken.… Daar lag zijn kop.… Daar lag zijn kop.… en hier zijn staart.… Ik zal eens peilen waar zijn achterdeel begint.”Maar toen hij zijn zwaard een eind verder in den grond stak, moest hij ’t ijlings terugtrekken en loslaten.… zoo warm werd het onder den grond. Daar borrelde de trage, dikke, zwarte massa nog op kookhitte.Sogol tornde een paar draden uit het onderkleed van Harimona, draaide ze tot een pit en doopte ze in de gloeiende massa. Toen liep hij een eind terzijde en hield de pit tegen een smeulende tak, die hij tot een vlam aanblies.De pit vatte vlam en brandde spoedig helder op. Sogol wierp haar op den grond en trapte haar uit.„Haun heeft gelijk gehad.… ievervet en tanden als een bul.… die draak is geen draak geweest.… dat was een groot dier.… een heel groot dier.… Maar waar is het vandaan gekomen? De kop zal wel ’t meest op dien van een reuzensalamander hebben geleken.… zie di wel Harimona.… denzelfden vooruitstekenden bek.… maar deze hier heeft tanden gehad, platte tanden gelijk het goedmoedige vee.… Het is zijn vet, dat gebrand heeft … die zwarte brei is zijn vet geweest.… zooals het varken in een vetlaag zit.…”„Waarvan zouden die knallen gekomen zijn?” vroeg Harimona. Nu zij dicht bij den kop stond, de reusachtige beenderen zag, zonder vrees thans nauwkeurig toekeek, begon ook zij aan de echtheid van den draak te twijfelen. Zeker, haar geliefde had gelijk. Wanneer Maresag den draak zou ontdekt hebben zou hij hem gebruikt hebben om het volk vrees en ontzag in te boezemen. Hoe eerlijk was haar geliefde. Indien hij den kop van den draak had medegenomen, gindsch in zijn rijk gestoft zou hebben op zijn gevecht met den draak en de verovering, zou hij zeker begroet zijn als de moedige prins, die den gruwelijken[97]draak had bevochten en overwonnen. Maar hij dacht zelfs niet aan die bedriegerijen. Hij was oprecht en waar.„Ik herinner mij,” zeide Sogol, „dat ik eens als jongen met kornuiten in ’t bosch spelend het kreng van een ever vond, die daar was gestorven.„Hij was zeer dik en gezwollen en wij, meenende, dat het dier drachtig was geweest, staken nieuwsgierig een fram in zijn vel.… Toen steeg uit het dier een stank op, zoo verpestend, dat wij allen wegliepen en één van de jongens bezwijmde. De stank volgde ons een heel eind en thuis kwamen de honden ons besnuffelen en blaften en zochten, alsof zij wild speurden. Ons was het, alsof wij dien stank nog altijd inademden en wij werden door onze ouders uit de hutten gezonden om ons te baden …„Die stank van dat ieverkreng kwam sissend door ’t vel naar buiten … Toen heb ik niet beproefd of ’t ieverbloed branden kon … maar het had heel goed kunnen zijn, dat die stank toen ook met een knal was ontvlamd …„Hoe lang ligt de draak hier?… Niemand heeft ooit zoo’n dier levend gezien … de regen heeft hier in ’t boschje den grond omgewoeld en misschien hebben stinkbronnen, juist als in de Ravenstroth opspuitend, hem uit de diepte omhoog gewerkt … Hoe lang is het geleden, sinds de draak hier verrekte? Wel vóór hier de eerste boom groeide, want in dit boschje had hij zich niet kunnen bewegen … kijk dien breeden kop … hoe zou hij tusschen de boomen doorgekomen zijn, zonder ze te breken …”Hij bleef een tijd zwijgen, in nadenken verzonken.„Wij kunnen nu naar mijn koninkrijk optrekken Harimona. Laten wij nog eens langs de gebogen linie loopen … Het vuur heeft voor ons de graversarbeid gedaan … Ziet eens die ribben … Ze zijn zoo hoog als een paard en zoo breed als mijn schild … Wat gruwelijk aanzien moet dat reuzenbeest gehad hebben … Maar gevaarlijk was hij toch niet, met zijn platte tanden en misschien wel even goedig als[98]een koe … Hier is ’t gat weer … ziet di … hij is doormidden gebroken … maar hoe komen de twee deelen zoo ver van elkaar? Hier in dit gat, waar de knal uitkwam, is uit beide deelen van ’t lichaam het vet heengesijpeld …”Zij liepen een eind voort en kwamen nu aan ’t andere deel van het dier.„Hier vangt het lichaam weer aan … tot dáár, waar de staart nog opsteekt …”Hij snelde vooruit, bemerkend dat de staart niet door ’t vuur was aangetast. En den staart nauwkeurig beschouwend, bevond hij, dat zijn veronderstellingen juist waren geweest. Een zwartige, vettige massa, die hij met den vinger kon indeuken, zat als klei om de beenderen gekleefd.„Schubben heeft hij ook gehad!” zei Sogol tot Harimona, wijzend op de schubvormige omtrekken van de zwarte massa.Hij sneed de punt van den staart van den draak af en nam die mede. Toen traden zij terug, ontkluisterden de paarden, stegen op en reden verder naar de Nervische gouwen.„De helden uit de sagen namen de koppen van de draken mede, die zij hadden gedood,” zeide Harimona. „Maar du neemt den staart mede!”„Ik wilde een herinnering hebben en de kop zou te zwaar voor mijn paard zijn geweest … Weet di, Harimona, du spreekt van de helden der sagen. Vroeger heb ik die sagen altoos voor leugenpraat gehouden, die de priesters hadden verzonnen om het volk te bedriegen. Maar nu ik dat dier heb gezien, ga ik twijfelen. De kern van de noot is weer zoet en alleen de schaal bitter en waardeloos. Waarom zouden de groote voorvaderen niet met deze dieren gestreden hebben? En later, toen de dieren waren gestorven en de voorvaderen ook, hebben de priesters goden gemaakt van de helden en draken van de groote hagedissen …”[99]„Hoe weet di toch alles.… alles.… alles.… mijn geliefde!”„Het is niet zoo moeielijk, wellieve.… Men moet maar durven.… altoos door durven.… ook de waarheid is een draak, die men het hol der verdichting moet uitdrijven!”[100]1Wand = Gewanne, Gewende = 450 voet, de afstand van een ploegwending. (Pfeiffers „Germania” dl. 17).↑2Nachtreizen. De oude Germanenrekendenbij nachten, dus dagreis kon hier niet gebruikt worden.↑
HOOFDSTUK VII.
Zij waren samen ontvlucht, Harimona en Sogol en reden op groote paarden naar het land der Nerviërs en Bellovaken. Sogol wilde zich in zijn land tot koning doen uitroepen. Dan zou hij met Harimona trouwen en een nieuwen godsdienst instellen, die van het nadenken. Hij zou de priesters verdrijven, het geloof in Tiusco, Wotan, Donar, Frya, Grendel en al de andere goden en godinnen en ook in de kleinere geesten, de goeden en de slechten, verbieden in zijn rijk. En van uit zijn rijk zou hij trachten den nieuwen godsdienst te verbreiden naar de Renigo en Maresag te schand stellen, de tempels verbranden, de menschen moed inboezemen en hen er toe trachten te brengen, door nadenken tot de waarheid te komen. Harimona zou hem daarbij steunen. Zij zou openbaar verklaren, dat zij een gewone vrouw was, niet geboren uit den geest maar uit vleeschelijken omgang. De offers zouden afgeschaft worden en het bidden worden verboden. Al wie bad, zou als een lafaard gestraft worden.Sogol zou skiggen uitrusten, die het geheim van den oceaan hadden te doorgronden en dappere mannen zouden medegezonden worden met de Massiliaansche schippers, die aan de kusten purperlaken en wollen weefsels kwamen ruilen tegen barnsteen en zink.Zij moesten medevaren tot het land der Massilianen, daar den koning de hulde gaan brengen van Sogol en Harimona en terugkeeren verhalen van ’t geen zij gezien hadden. Maar alle overdrijving, alle leugen zou streng gestraft worden. De waarheid, de nuchtere, eenvoudige waarheid en werkelijkheid wilde Sogol weten.[68]Zij reden langzaam, omdat het paard van Haun, die op eenigen afstand volgde, kort na de vlucht op deknieënwas gevallen en nu gespaard moest worden, want de weg was ver en Sogol wist niet of hij een nieuw paard zou kunnen krijgen.En terwijl zij samen vooruit reden, met elkaar lange gesprekken voerend over de toekomst en over de goden en het mysterie, blies Haun wijsjes op zijn horen en vergat dan somtijds waar hij was, liet zijn paard met lossen teugel loopen naar de lust van ’t dier, zoodat wel soms Sogol terug moest rijden en den jongeling roepen en bestraffen wegens zijn onachtzaamheid. Dan was Haun bedroefd, beloofde oplettender te zullen zijn en reed wat sneller mede. Maar den volgenden dag als hij weer een nieuwe melodie gevonden had, en zijn horen blazend, zich voorstelde voor een schoone prinses te spelen, die wanneer zij door zijn spel verteederd was, met hem in ’t huwelijk zou treden, dan vergat hij weder dat zijn paard slecht voort kon en zijn heer snel voorwaarts wilde. Toen had Harimona Sogol gezegd, dat het beter was wanneer Haun vooruit reed en niet volgde, hoewel dat tegen den regel was. Zoo moest Haun dan vooraan rijden en als hij weer begon te droomen nam Sogol op zijn beurt zijn horen en blies een paar schrille tonen, zoodat de jonge muzikant opschrikte. Sedert bleef Haun niet meer toeven. De bestraffende woorden van Sogol hadden minder invloed gehad dan de vrees voor de schrille tonen.Zij reden in een sukkeldrafje en gaven de paarden veel rust omdat het mogelijk kon zijn, dat ze de snelheid en de kracht hunner paarden noodig konden hebben om roovers te ontkomen of vijandige lieden. Want Sogol was bang voor strijd met menschen. Dat had Harimona bevreemd, maar hij had haar gezegd, dat zijn leven hem te veel waard was om het te verliezen in een ongelijken strijd met onbeteekenende roovers. Hij verfoeide het zwaardgevecht[69]om der wille van ’t gevecht alleen. Het zwaard moest hoogere zaken dienen dan zichzelf, meende hij. Maar heur eerbied voor hem nam toe, toen zij zijn geestelijken moed leerde kennen. Zij wist hoe ook de dapperste mannen vreesden, wanneer in de toppen der boomen geheimzinnige geluiden klonken of wanneer eekhoorns dwars over den weg liepen, katuilen schreeuwden, dwaallichten glansten. Maar hij vermaakte zich er mede, de katuilen nà te schreeuwen, joeg eekhoorns opzettelijk op, opdat ze dwars voor Harimonas paard zouden wegsnellen. Wanneer zij ’s avonds de paarden hadden gekluisterd en de pelzen hadden neergespreid, waarin zij sliepen en zij hoorden in de toppen der boomen onbekende geluiden, dan stond Sogol weer op, maakte vuur, stak een dorre tak aan en riep Haun op, om hem te helpen. En hij klom in den boom, tot bovèn in den top en was niet tevreden voor hij Harimona den oorzaak van ’t geluid kon verklaren, beneden komend met een dikke, gebroken tak, die tegen den stam had geklapperd of met een grooten, dooden vogel, die met een poot in ’t loover verward geraakt, in doodsangst met de vleugels had geklepperd. En danlachteSogol met een vreemden, schrillen lach en vloekte op de asen en de elfen en de nikkers en de kobolden, ze uitdagend hem hier te komen bestrijden.„Dat zijn hun goden!” zeide hij dan, den tak of het doode dier trappend met drift onder den voet. „Het zijn allen vruchten van hun lafheid. Laf zijn ze— —alle Germanen bij elkaar— —sterk als stieren en met hun zwaarden elkaar bestokend zooals balgende herten elkaar met de geweien stooten. Maar moed.… echte moed.… moed om tegen de valsche goden op te treden.… die hebben ze niet.…”Hijbleef staan voor haar, breed de borst gezwollen en opziende naar den sterrenhemel, met uitdaging in zijn houding, als in verwachting, dat een der groote goden[70]op hem zou toetreden, Balder of Grendel of zelfs Thor of Wotan.… gereed om met hen den kamp op te nemen.Zij zelve geloofde niet meer aan het bestaan der kleine geesten. Maar diep in haar hart, geloofde zij wel aan de groote machten.… Wellicht waren Wotan en Donar maar verbeeldingen.… Zoo goed als de Thius der voorvaderen een verbeelding was geweest. Maar waarvan kwamen de sterren? En wie spande de hemel? En wanneer de mensch stierf, waarheen zweefde dan zijn geest?In den laten avond wierp Sogol dan nog weer dood hout op het smeulende vuur en in de stilte van den winternacht zaten zij voor het vuur, opziende naar het vurige geprikkel der sterren en samen peinzend over de groote geheimen, waarvan zij zich voelden omgeven.Dan werd Sogol dikwerf bedroefd, want hij kon haar niet op hare vragen antwoorden. Zeker, zij gaf toe, dat de sterren daar aan de lucht geen goden waren en ook geen zielen en die zeven daar, waren niet de naijverige minnaars van Nehalennia, zooals ze zeiden aan de kust. Maar wat waren het dan?„Zeg mij Sogol, wat zijn ze dan, de sterren?”Hij bleef zwijgend staren naar den winterhemel en zij zag hoe een traan uit zijn oogen welde en langs zijn wang biggelde.„Weent di, mijn meester?” vroeg zij zacht.„Ja, ik ween.… ik ween.… omdat ik weten wil en niet weten kan, geliefde. Lief heb ik di, Harimona, omdat du zooals ik, de waarheid liefhebt en oprecht zijt. Mijn koninkrijk zal ik di gaarne aan de voeten leggen. Maar toch, hoe klein is mijn liefde, dat ik di niet dat simpele antwoord op dijn vraag als bruidsgeschenk kan geven.… Want ik weet het niet, geliefde, ik weet het niet, ik weet het niet.… Ja, vraag het mi.… vraag het mi.… wat zijn de sterren?… Zijn het klompen vuur? Maar hoe komt het dan, dat hun vuurnietdooft.… Wie werpt hout op[71]dat vuur? En wat is achter die sterren?… En hoevelen, hoevelen zijn er niet.… Daar.… die heele breede zoom van einder tot einder.… en daar die met dat scherpe blauwe licht.… en daar die, die flakkert als een toorts … en daar die, in een orde geschaard als een saks?.…”„Als de zon opgaat dooven de sterren en als de zon ondergaat, vlammen ze weer op.… Wie steekt ze aan Sogol?… Moet daar geen groote macht zijn, die ze aansteekt, avond na avond en ze weer dooft, morgen na morgen?”Sogol peinsde en keek in ’t vuur. Eindelijk antwoordde hij:„De maan, gaat die ook ’s avonds aan en dooft die ook ’s morgens uit, Harimona?”„Niet altijd, meester.”„Neen, niet waar. Er zijn dagen waarop de maan heel vroeg opgaat, als de zon nog schijnt.… Zij is dan heel bleek, zoo wit als zilver en hoe later het wordt, des te rooder wordt zij. Dat is toch zoo, niet waar?”„Ja, mijn meester.”Hij sprong op, liep op haar toe, omhelsde haar,kustehaar op ’t witte haar, op de wangen, op de hals,op den mond. En juichend weer sprong hij recht, roepend.… „ik heb het gevonden, ik heb het gevonden.… ik zal alles, alles vinden.…”En zich weer neerzettend bij ’t vuur, wilde hij opnieuw spreken, maar de vreugde overweldigde hem opnieuw.… Hij sprong nogmaals op, hief zijn handen omhoog naar den sterrenhemel, bolde de vuisten en naar boven roepend:„Ik heb het gevonden.… o zaligheid.… o geluk.… ik heb het gevonden.… ik heb het gevonden.…”Zij keek hem bewonderend maar niet zonder angst aan, gespannen wachtend op zijn verklaring.„En alles, alles, alles zal ik ontdekken! Wacht du daar, wacht.… ik zal dijn geheim doorvorschen.… Wacht du daar, wacht du!”[72]En hij balde dreigend de vuist tegen den hemel. Daarna zich weer neerzettend, ging hij voort:„De sterren zijn niet anders dan de maan. De maan is een groote ster, veel grooter dan de anderen, maar er is geen ander verschil.„Wat met de maan gebeurt, gebeurt met de sterren. Maar omdat ze zoo klein zijn, kunnen wij het niet zien.…”„Maar wat gebeurt dan met de maan?” vroeg Harimona.„Zij wordt ’s avonds niet ontstoken en ’s morgens niet gedoofd. Zij brandt altoos.… altoos, altoos.… Zij staat ook aan den hemel als wij haar niet zien.… Geeft een toorts licht op den noen? Neen, niet waar? Maar naarmate het donkerder is, geeft de toorts meer licht. Zoo is het met de maan en zoo is het met de sterren.… zij hebben maar een zwak licht, zooals de toorts, dat men beter zien kan, naarmate het donkerder wordt.… Vandaar dat de maan op sommige avonden eerst bleek is gelijk zilver en hoe donkerder het wordt, des te heller schijnt haar vuur. In den morgen wordt zij weer bleeker.… tot zij onzichtbaar wordt … het licht van de zon maakt haar onzichtbaar …”„En wie steekt de zon aan?” vroeg Harimona.„Wat wijf? Ik doe di kond van een groote ontdekking en in stede van mede te juichen blijft du vragen? Is het al niet veel te weten, dat de maan en de sterren daags branden zoogoed als ’s nachts?”„Het is veel, maar de raadselen blijven raadselen, meester.”„Neen, ze blijven het niet, vrouw. Raadselen waren de kobolden en de elfen, tot ik ontdekte, wat hun eigenlijk wezen was. Raadsel was het schijnen der sterren en der maan alléén ’s nachts, totdat ik vond, dat zij ook overdag schijnen. Laat mij denken en ik zal ook vinden waar hun oorsprong was en waar de oorsprong dier oorsprong aanving. Maar ik moet tijd hebben om te denken. En du, geliefde, wees niet laf, als al die anderen maar durf óók door te[73]denken, altoos dieper, alsof dijn gedachte een donker woud ingaat. Dring er doorheen en aan de andere zijde vindt du het nieuwe land.”Eenige dagen later terwijl zij de Bellovaaksche gouwen al naderden, werden zij door een zwaar onweer verrast. Harimona was angstig en wilde onder een boom schuilen. Maar Sogol toornde op haar en ook op Haun, die in ’t bosch wilde blijven tot het onweer was voorbij getrokken. Hij dwong beiden hem te volgen op het groote, vlakke land, dat aan den zoom van ’t woud aanving en zoodra de eerste bliksemstraal knetterde begon Sogol te woeden tegen Donar. Hij daagde hem uit, vloekte hem met de vreeselijkste vloeken, wees hem smadelijk op zijn achterdeel.„Drekgod, drekgod, drekgod, kom op. Sla mij, drekgod met dijn bliksem, als du daar zijt.… Hier sta ik, een god zooals du, maar machtiger, want ik ben hier werkelijk en du, du, du, zijt niet, du zijt maar een schepping van lafhartigen en angstschijters.…”Harimona en Haun, in den regen staande midden op ’t land, staarden met onzetting naar Sogol, die slechts met een berehuid om zijn naakt lichaam, de machtige armen bloot, met opgeheven vuisten dreigende gebaren maakte tegen het blauwgrijze werk, waarin zij de bliksems zagen bersten en den donder rommelen. En bij elken bliksemstraal, bij elken donderslag vernieuwde Sogol zijn vloeken en bedreigingen. Hij liep soms op een drafje voorwaarts in de richting van den einder vanwaar de bliksem kwam aanlichten.„Tref mi nu … tref mi nu … speer van den drekgod … Du durft kunt, du kunt niet.… hier sta ik.… bereid om dijn speer op te vangen.… tref mi dan.… tref mi dan!.…”Hij sprong op van den grond, zijn borst naakt, en gezwollen, zijn armen wijd geopend als verwachtte hij den bliksemstraal. Het schuim stond hem op de lippen van[74]woede en Harimona, hem zoo ziende, voelde zich bevreesd terwijl Haun weende.Het onweer verminderde in kracht en trok weldra voorbij. De blauwgrijze hemel brak in wolkenbrokken en uit het diepblauw daartusschen kwam de zon schijnen.Sogol werd kalmer en nu omziende voor Harimona zeide hij trotsch:„Hebt di het nu gezien, dat ook de groote goden niet bestaan? Waar was Donar met zijn gouden speren? Waar was zijn rollenden donderwagen?.… Hebt du geweend knaap?…”„Ik vreesde zoo, dat de speer di zou treffen,” antwoordde Haun.„Du zult niet weenen als dijn meester de goden uitdaagt.… maar du zult weenen, als de anderen zich voor de goden verdeemoedigen.… Onthoud dat knaap.… en bindt de kluisters los van de paarden.”Zij stegen op en reden door de frissche lucht onwaaierd, stapvoets verder.„Waarom zegt di niets?” vroeg Sogol, bemerkend hoe zijn geliefde zwijgend naast hem reed en geen woord van bewondering had voor zijn moedig bestaan.Zij keek hem van terzijde aan en hij zag een schroomvollen eerbied in haar vreemde, roode oogen.„Ik heb een zonderlinge gedachte, Sogol!”„Gelooft di nog aan Donar?” vroeg hij haast angstig.„Neen.… maar mi kwam de gedachte in ’t hoofd, dat du wellicht zelf een god zijt.…”„Ik ben een mensch, een gewoon mensch.… zooals du, zooals Haun.… Of meent du nog, dat du ook een godin zijt?”„Neen … ik ben geen godin … maar du zijt een god … en du weet het zelf niet.… En misschien weten de andere goden evenmin, dat zij goden zijn.…”„Vrouw, du zegt zulke diepe gedachten, dat du zelve ze niet omvat.…”[75]Zij reden langen tijd zwijgend voort, Sogol zijn hoofd neerwaarts gebogen en zijn gefronste oogen naar den bodem gericht. Eindelijk zeide hij:„Dat kan het zijn, mijn lief. De goden weten zelve niet, dat zij goden zijn.… zooals dit paard onder mij, dat sterk is, daden van kracht doet en toch zijn eigen kracht niet kent … Wat zijn de goden dan?… Redelooze krachten, die hun daden doen zonder de macht over die daden.…”„Maar het paard heeft een berijder, die het stuurt meester.… Zoo heerscht dan Wotan over de goden als de mensch over de dieren.…”„Ik zou di kussen kunnen als du zoo spreekt, en toch weenen omdat du altoos weer tot Wotan dijn gedachte voert.… Maar Wotan kàn niet bestaan.… zoomin als Donar bestaat.… zoomin als de kleinere geesten.…”„Welke macht doet de zon dáár schijnen?” vroeg Harimona.En haar aanblikkend, zag hij uit haar roode oogen een straal gouden licht schijnen.„Wie doet, die wolk daar schuiven? En die daar? En die daar? Staat achter elke wolk een geest, die haar voortschuift? Of zit op elke wolk een ruiter, zooals op het paard, en stuurt haar en leidt haar met bit en teugel en spoor? Ziet ze ijlen en barsten en vluchten in hare vreemde gestalten.… Voelt du niet, dat het de wind is, die ze wegblaast, zooals het kind de kaarsjes wegblaast van de weidebloem.… Ik kan nog niet alles weten.… maar omdat ik iets weet, weet ik dat ik méér zal kunnen weten.… Het zijn alles krachten, redelooze krachten, die niet anders doen dan ze doen omdat ze niet anders kunnen.… De zon, de maan, de sterren, de bliksem, de donder, de wolken.… zij allen zijn redeloos en doen zooals ze moeten doen.…”„En wij dan?”„Wij vrouw.… wij.… wij zijn ook al niet anders dan[76]de zon en de sterren en de wolken.… wij zijn ook krachten, die onze eigen macht niet kennen.…”Hij reed een poos zwijgend voort. Toen weder, tot haar:„Waarom zouden wij iets anders zijn dan de dingen om ons heen. Zijn wij niet even dom als de natuurkrachten? Moeten wij niet eten, drinken, slapen als het tijd daarvoor is, zooals daarboven het onweer komt, als het de tijd voor het onweer is? Weten wij met zekerheid iets meer dan deze paarden? Weten wij meer van ons verleden? Meer van onze toekomst? Meer van wat boven de hemelen is en onder de aarde? Waarom val ik ter aarde wanneer ik van mijn paard stort en kan niet omhoog vallen, of in de lucht mij zwevende houden door mijn wil alleen? De mensch is een natuurkracht zoo goed als de bliksem en de donder, zoogoed als de zonnestraal een natuurkracht is.”„Maar waar komen die natuurkrachten vandaan?” vroeg Harimona weder.„Ik weet het niet.… ik weet het nog niet.… En moeten zij dan bepaald ergens vandaan komen? En moeten zij dan bepaald ergens heengaan? Waarom zouden zij er niet altijd geweest zijn en er altijd blijven?”„Ik kan dijn gedachtenvlucht niet volgen Sogol.… In mijn binnenste leeft gestadig het gevoel alsof er nog een ander leven is.… een leven, dat als de gedachte of de droom geen lichaam noodig heeft om te bestaan. Zoo dikwerf als Maresag mij met zijn kruiden in de verrukking bracht, ontsteeg ik mijn lichaam en zwierf langs onbekende velden en wegen en zweefde over oneindige wateren of steeg den sterren tegemoet.”„En hebt di dan wel eens andere dingen gezien dan hier?”„Ja.… ik heb de goden aanschouwd, Wotan het meest.… En hij was het, die mij de kracht gaf, wonderen te doen zooals du hebt kunnen zien.… toen ik de lammen genas en de blinden en die met etterende wonden neerlagen.”„Was dat geen bedrog, Harimona?”[77]Hij hield zijn paard in en zich over haar paard buigend en het ook tot stilstand dwingend, keek hij haar diep en ernstig in de oogen.Zij keek hem onverschrokken aan.„Dacht di, dat ik het liefste, dat ik ter wereld heb, zou bedriegen? Dan is het beter, dat ik terugkeer.”„Dus du kunt wonderen verrichten?”„Als ik in de verrukking ben.… ja.…”„En die kreupelen, die reeds genazen zonder dat zij di zagen?”„Kan niet mijn ziel uitgestraald zijn ook zonder dat ik het wist of wilde? Was niet al wat ik in mijn verrukking deed, iets waarover ik geen macht had en waaraan ik zonder mijn verrukking vreemd was?”Hij reed weer voort naast haar en dacht zwijgend na.„Het is droevig,” zeide hij eindelijk, „Wie het gedachtenwoud binnenrijdt komt niet tot licht, maar hij verwart zich hoe langer hoe meer in ’t donkere hout. In mij komt de vreemde lust op, dit leven te eindigen om te weten. En ik voel naijver op die anderen, die vroom gelooven kunnen in al de goden, de grooten en de kleinen. Maar ik kan niet … ik heb immers ervaren, dat de Nickelman een aal was en de grondgeest een geluidsschal.…”Na een poos vroeg hij plotseling:„En wat was er waar van Frango, den draak, Whridlo, den hond en Baza, de geit?”„Begreep di dat niet?”„Neen.… hoe zou ik.… Er bestaan geen draken!”„Het was een raadsel van Maresag om de vele minnaars te beproeven. Frango was de moed, Whridlo was de trouw, Baza was de soberheid. Wie dit raadsel zou begrijpen was mij waardig, meende Maresag honend.”„En du vondt dat goed?”„Wat Maresag wilde moest ik doen … ik kon hem niet weerstaan. Hij had een groote macht over mij, waaraan ik[78]mij niet kononttrekken… Eerst toen du kwam en ik door mijn geloof in dijn kracht overwon, kon ik met di medegaan.”„Ik dacht wel, dat de draak ’t een of ander groote onbekende dier zou zijn, dat de laffen zou verschrikken.”„Maar er bestaan zeker draken, Sogol. In mijn verrukkingen heb ik ze gezien. Zij hadden lange muilen met scherpe tanden en lage pooten gelijk een hagedis en lange staarten, met punten bezet …”„Ik wilde, dat ik met di naar dat gewest van dijn verrukkingen kon opstijgen.”Zij reden een eind voort tot zij aan een klein boschje kwamen, waar zij afstegen om te rusten en de paarden te voederen. Zij zagen om naar Haun, die een eind vooruit was gereden en nu uit het gezicht was.Sogol nam zijn horen en stiet een paar schrille tonen uit den horen. Toen na eenig wachten Haun niet terug kwam, kluisterde Sogol zelf de voorbeenen der paarden, nam ze het bit uit den mond en liet ze grazen. Daarna zocht hij met Harimona in ’t boschje naar paddestoelen, die hun als leeftocht dienden wanneer geen klein wild gevangen was of niet een ree of een hert door Sogol met de speer was neergedrild. Nog zochten zij, toen zij Haun’s horen in de verte drie korte stooten hoorden geven, het signaal, dat hij in gevaar verkeerde.Harimona verbleekte maar Sogol snelde naar zijn paard, ontkluisterde het en de hand aan ’t kortzwaard, reed hij in galop naar den kant, vanwaar nu voor de tweede keer het alarmsignaal klonk.Toen hij een eind gereden had, zag hij Haun staan nevens zijn paard. De jongeling kwam zijn heer te gemoet loopen.„Wat is er aan de hand?” riep Sogol.„Meester … Meester … er is hier wat vreemds …”„Wat, mijn jongen?”„Meester … het lijk van een draak ligt hier …”[79]Sogol steeg af en volgde Haun in ’t kleine boschje. Daar had het instroomende regenwater den grond onderwoeld en uit een kuil, half met water gevuld, stak de kop uit van een draak.Sogol groef met zijn zwaard de aarde rondom wat weg. Zij was vastgeslikt met het vleesch van den reusachtigen kop. Hij zette de zwaardpunt in den grooten muil van ’t dier en trachtte deze open te breken. De kop brak broos vaneen en de scherpe, spitse tanden rolden naar buiten.„Ga de meesteres halen en de paarden. Ik blijf hier Haun!” zeide Sogol en toen de jongen wegreed in de richting, die Sogol hem had aangewezen, begon deze nu voorzichtiger met zijn zwaard het tot zwartige klompen met den huid en ’t vleesch van den draak gesmijde veen, van den kop af te steken.Hij was nog bezig den kop vrij te steken, toen Harimona en Haun aangereden kwamen. Sogol voelde zich beschaamd, wist niet wat hij zou zeggen tot Harimona.Zij voelde zijn schaamte en om hem niet te kwetsen zeide zij:„Misschien is het toch geen draak maar een vreemd groot dier.”Hij zag haar aan met lichtjes van dankbaarheid en geluk in de oogen.„Gelooft di dat?”vroeg hij nogmaals.„Het kon toch zijn …”„Wij kunnen het ten minste onderzoeken … Als hij levend was geweest, zou ’t minder makkelijk zijn gegaan. Zie dien muil eens.’k Heber mijn zwaard tot aan den greep ingestoken en nog altijd was ik niet aan ’t keelgat.… Ga eens naast den kop staan Haun … ziet eens … De muil alleen is hooger dan Haun …”„En waar zijn zijn oogen?”„Ik heb al deze aarde rondom afgestoken, maar ben nog niet aan zijn oogen toe gekomen …”[80]„Ik denk, dat hij rechtstandig in den grond staat,” zeide Haun, bemerkend dat de muil spits opstond,„alsof het gat de uitgang van ’t hol van den draak was geweest.”„Wat denkt di te doen?” vroeg Harimona aan Sogol, ziende hoe hij vermoeid was van ’t graven.„Ik wilde wel gaarne hier blijven en den heelen draak uitgraven.… Dan kunnen wij zien hoe hij er uitziet.”„Maar dat kunt di alleen niet.…”„Haun zal helpen.… en.… en.… als du wilt.… du ook.…”„Met onze handen?”„Neen, ik zal spaden snijden.…”„En uw koninkrijk?” vroeg Harimona.Sogol dacht na.„Het was misschien beter, dat du eerst mannen haalde, die du hielpen?.…” vroeg Harimona.„Dat kan lang duren.… als ’t gaat vriezen is ’t graven onmogelijk.… en ik weet niet of ik mannen zal vinden, dapper genoeg om den draak uit te graven.… kom.… laten wij eerst eten, rusten en dan ten minste den kop van het monster uitgraven.…”Harimona maakte vuur en Haun, met een speer gewapend, ging in ’t boschje naar wild speuren. Al heel spoedig kwam hij terug met een haas,die hij den speer door den kop gedrild had, toen ’t dier voor zijn voeten opsprong. Harimona nam haar klein gordelmes en begon het dier te villen. Haun stond er bij en keek nauwlettend toe.„Heb di zoo’n honger vent?” vroeg Harimona.„Nee.… ik heb bessen gegeten en nootjes.… ik heb geen honger.…”Maar omdat hij toch bleef toekijken, vroeg zij weer:„Wat wil je Haun? Je kijkt zoo vragend.…”Hij kleurde, zag verlegen zijwaarts.„Er uit er mee, als du wat zeggen wilt!” zei Sogol gewild streng.[81]„Ik wou de meesteres wat vragen.… ik ben nu al zoo lang van huis.… en ik wou weten of ik vader of moeder en mijn broertje gezond en wel zal aantreffen.…”„Dat weet ik niet!” lachte Harimona.„Als du wilde.… en eens voor mij keek.… daar …”En hij wees, even bang naar Sogol opblikkend, op de darmen van de haas.„Vervloekt!” stoof Sogol op.„Ik wist wel, dat de meester het niet zou willen!” zei Haun, half schreiend.„De meester heeft gelijk Haun. Ik kan niet uit de darmen waarzeggen.…”„En niemand kan het, Haun. Hoe kom di aan die vraag.”„Ginds op ’t groote veld te Renigo was een vrouw, die uit ingewanden de toekomst kon lezen. Wie haar een geit bracht, die spelde zij de toekomst uit de darmen van de geit; en wie haar een ree bracht, die spelde zij de toekomst uit een ree. En er kwam zelfs éens een man, die een kalf bracht en zij liet het slachten en las uit de darmen.”„Dat is alles bedrog, Haun. Ze deed het om de dieren.”„Nee meester.… ’t was geen bedrog. Ik heb de vrouw een geitje gebracht en zij voorspelde mij, dat ik op reis zou gaan met een koningszoon en zijn bruid en die zullen tot hoog aanzien geraken: De koningszoon zal koning worden en de bruid, koningin! En ’t is tot nu toe uitgekomen.… och lieve meesteres.… ik smeek di.… zie toch even in de darmen en zeg mi of mijn broertje nog leeft.…”Harimona keek Sogol vragend aan, half besloten om den jongen zijn wil te geven. Maar Sogol keek somber.„Als wij zelf de domheid bevorderen.… wie zal ze dan bestrijden?” vroeg hij.En zich tot kalmte dwingend, zei hij tot Haun:„Mijn jongen, al kwam wat zij zeide ook uit, toch was ’t bedrog. Het gaat bij die voorspellingen zoo.… Komen[82]ze uit, dan gelooft men aan de buitengewone zienerskracht.… komen ze niet uit, dan vergeet men de voorspelling of meent bij een slechte waarzegster te zijn geweest. Maar ’t zijn alle slechte waarzegsters. Niemand weet iets van de toekomst.… niemand.… niemand.… de goden zelve niet.… zij zijn ook aan het lot onderworpen, zonder dat zij weten, hoe het zal loopen.… en het zal een slecht lot voor ze zijn, als de koningszoon, werkelijk koning wordt.”Sogol had de laatste zinnen meer tot zichzelf dan tot Haun gezegd, die teleurgesteld naar den haas bleef zien.Harimona, na den haas gestroopt te hebben en van de ingewanden ontdaan, stak hem aan een bronzenspit, dat op twee gevorkte takken rustte en nu moest Haun langzaam draaien.Sogol, zijn ongeduld niet kunnende bedwingen, was al weder naar den kop van den draak geloopen en begon deze verder met zijn zwaard te ontgraven. Maar bemerkend, hoe weinig hij hierdoor bereikte, liep hij een eindje ’t bosch in zoekend naar een boom, geschikt om er spaden van te snijden. Een zwarte stronk, die manshoog boven den grond uitstak, zeker ’t overblijfsel van een boom, die door den bliksem getroffen was en daardoor van buiten bruin gebrand, kwam hem geschikt voor en hij sloeg er zijn zwaard tegen. Maar ’t zwaard ging er diep in en stuitte toen op iets hards. Sogol keek verwonderd en nu, de stronk belastend, ervoer hij, dat hier weder het lijk van een draak was verborgen, nu met den staart opwaarts uit het hol. Hij zag de grove schubben van den staart, hoewel ’t vleesch verkoold was en ook nog de knoesten van de dorens van den rug.…Daar waren dus twee draken in dit boschje geweest. Beiden wellicht door den bliksem getroffen. Maar hoe deze vreemde houding te verklaren.… de één met den kop hoogopgestoken uit de krocht, de andere met den[83]staart opwaarts? Waren zij voor ’t onweder gevlucht?Hij mat den afstand tusschen de twee draken.… Een denkbeeld kwam in hem op.… maar hij weifelde om het aan te nemen.… Neen.… dat kon niet.… zoo groot was een draak niet.… dat overtrof alle verhalen van de sagen.… Het was wel de lengte van een wand1.… En toch.… als kop en staart eens tot denzelfden draak behoorden.… de ligging was zoo, dat de mogelijkheid kon bestaan?…Hij keek met scherpen blik in de richting van den kop en zijn geoefend oog bemerkte, dat de bodem over dien langen weg voor een deel bol stond, zoo de richting aangevend, waarin het lichaam van den draak kon liggen.Hij vergat het haasje, dat ginds aan het spit braadde, hoewel hij den heelen dag weinig anders dan wat bramen en hazelnoten gegeten had. Bij den drakenstaart zittend, de kin op den greep van zijn zwaard geleund, was hij in nadenken verzonken.Dat was dus een draak, een echte draak. Ditmaal behoefde hij geen wonderverhalen van anderen te gelooven. De sagen waren dus geen bedrog. Faffner en Kirgold en Frango bestonden.… Maar als de draken bestonden, dan konden ook de goden bestaan.… Hier lag het geheim ontraadseld voor hem.… hier aan zijn voeten, weinige vamen onder den grond.…Hij mocht niet verder reizen.… al verloor hij er zijn koninkrijk door.… wat beteekende een koninkrijk tegen de doorgronding van dit geheim. Wéten moest hij, voor alles wéten, wilde hij.Haun blies een paar tonen om hem tot het middagmaal te roepen. Hij blies een paar tonen ten antwoord en liep langs de gewelfde lijn van de grond gaande langzaam terug naar Harimona, tellend zijn schreden om den afstand te[84]meten. Twee honderd groote schreden was de draak lang. Veel hooger dan de hoogste boom hier in ’t boschje … veel hooger dan ooit een boom, waar ook, gegroeid was …Maar als dat dier zoo lang was en zoo hoog, hoe zou het dan hier in ’t nauwe boschje, dat zelfs een man nauw doorliet, zich hebben kunnen bewegen? Hij keek naar de boomen rondom … Zij waren allen minstens vijf-en-twintig jaren oud … dus de draak moest al jaren lang dood zijn. Nergens ook was een spoor van gebroken boomen en de schorsen waren nergens afgeschuurd …Peinzend als altoos, kwam hij terug bij Harimona en zij, gewoon aan zijn peinzerijen, vroeg niets, sneed den haas in deelen enreikteSogol een bout. Hij stak het geroosterde vleesch werktuigelijk in zijn mond, zijn donkere oogen starend voor zich uit zonder te zien, kouwend het vleesch zonder het te weten … altoos beziggehouden door zijn gedachten.„Rijden wij verder, meester?”waagde Haun ten laatste te vragen.Harimona zag hem bestraffend aan. Maar Sogol had de vraag niet gehoord en bleef turen, altoos door turen in denkgestaar.Haun sloop stilletjes weg van ’t vuur en den kop van den haas nemend, begon hij dezen een eind verder om en om te gooien, om zijn geluk te beproeven. Want als de schedel boven komt, wacht men goede tijding en als de kaak boven komt slechte.Harimona nam een berenhuid van het leger en legde deze zacht om de schouders van den peinzenden man. Daardoor uit zijn gepeins ontwakend, zag hij haar aan.„Kind,” vroeg hij, „zouden wij niet gaan eten?”„Wij hebben al gegeten, liefste!” zei ze met een zachten glimlach, „en du hebt medegegeten … waaraan dacht du zoo ingespannen?”„Ik denk aan den draak … Ik zou hem gaarne uitgraven…[85]Wilt du mi helpen?…Ik denk zoo … wanneer ’t vriestijd wordt, zal het te laat zijn en als de stormen komen wordt de draak onder ’t zand bedolven en als de bliksemspeer in ’t boschje zwiert, kan alles verbrand worden.”„De tijd dringt, Sogol. Du zult in dijn vaders koninkrijk een andere koning vinden, die di zal weerstaan …”„Ik zal mijn Nervieërs wel weten te herwinnen … en du zult mi helpen …”„En als de koude ons hier overvalt. Wij hebben nog wel vier nachtreizen2af te leggen, voor wij aan uws vaders gebied komen.”Hij keek treurig.„Als wij een gedeelte opgroeven?” vroeg hij. „Wanneer ik een gat groef in ’t midden van de gewelfde lijn, dan zeker zou ik den omvang van ’t dikste gedeelte van ’t lichaam kunnen opdelven. En den maag openen om te zien, wat de draak gegeten heeft.… menschen, kobolden of.… of.…”Hij weifelde, het woord uit te spreken.„Wat meent di?” vroeg zij.„Of gras.… gelijk een koe.…”„Dat hoopt di?” vroeg zij ondeugend.„Ja.… dat hoop ik.… want mij is een gedachte door ’t hoofd gevaren.”Hij zweeg en zij wachtte zonder te vragen op zijn antwoord.„Een doode draak,” ging hij voort, meer in zichzelf sprekend dan tot zijn geliefde, „is nog geen levende. Als hij levend was geweest, ja dan.… dan had ik kunnen zien in ’t licht van zijn oogen en ervaren of hij vuur kon spuwen en ontdekken of hij meer verstand had dan een redeloos dier.…”[86]„Twijfelt di nog altijd?”„Ja.… ik twijfel.… ik heb zoo getwijfeld voor ik den Nickelman in den gröhl dorst aan te randen … en ook heb ik zoo getwijfeld, toen ik den schalgeest bij de twee eiken aanviel.… durven moet men, altoos durven.… niet vreezen voor de eigen gedachte … er zit in het menschelijk hoofd een groote spin, die verbeelding heet. Hij weeft spinsels, altoos nieuwe spinsels, en als men die spin door laat weven, bedekt hij de rede ten laatste met webbe op webbe, tot die een dik, taai kleed vormen, waaronder de waarheid onherkenbaar bedekt ligt.… Weg spin! Weg webben in mijn hoofd.… de waarheid wil ik weten.… de waarheid.…”Hij stond op, liep naar de plaats, waar de kop van het monster uit het gat omhoog stak. Zij was hem gevolgd en wenkte Haun mede te komen. Toen Sogol, over de welvende lijn loopend aan een diepte kwam, stak hij daar diep zijn zwaard in en trok dan, een gat woelend, het zwaard weer terug.… Dat rook vreemd, een reuk die Sogol, die toch veel kruiden-aftreksels kende, onbekend was.… Hij streek met den vinger langs het zwaard; daarop kleefde een taai, dik, bruin, stinkend vocht. En in het gat, dat hij door ’t insteken van ’t zwaard gemaakt had, kwam nu ook traag een dikke, half-vloeibare, bruingore massa oprijzen.„Het drakenbloed!” kreet Harimona.Sogol keek haar even aan en knielde bij ’t gat, waar ’t trage vocht nu al over den rand sijpelde.„Haun, haal een brandenden tak van ’t vuur!” beval Sogol. En tot Harimona:„Als ’t drakenbloed is, moet het branden!”.…Haun, kwam met den brandenden tak.„Ga wat terug, meester!” waarschuwde Harimona, zelf eenige passen terugtredend.…„Zijt di bang?” vroeg Sogol, met toorn in ’t oog.[87]Hij stak de brandende fakkel, met een bitteren lach om den mond, in ’t gat. Meteen sloeg de vlam als een zuil van vuur omhoog uit het gat en de gewelfde lijn op den grond sloeg met een donderend geweld open, stukken aarde, oude boomwortels en steenen opwerpend.Haun was de eerste die wegrende, altoos maar rennend, niet omziende naar ’t vuur. Harimona was achterover geslagen en op haar viel de kroon van een boom, die door de ontploffing ontworteld was en schuin naar voren viel. De vuurzuil was opgestegen vlak in Sogols gezicht. Maar zijn lange baard, tot de wortels verzengd, had hem behoed voor brandwonden.…Hij zag Harimona liggen, sprong op haar toe.„Ben di gewond, liefste?” riep hij smartelijk.„Neen, neen … help mi … help mi …”Opnieuw volgde een ontploffing. Nu spoot een straal van ’t trage vocht uit den grond en een dikke rookwolk begon langs de geheele lengte van de lijn op te stuwen. De schok had Sogol een eind opgeworpen in de lucht, maar hij viel terug op de kroon van den boom waarop hij veerde, hoewel enkele takken in zijn lichaam drongen. Hij voelde de pijn niet, stond op, trok Harimona onder de takken weg en haar optillend, snelde hij met haar weg van de gevaarlijke plek. Achter zich hoorde hij nogmaals een knal en nogmaals en ’t geheele boschje stond in dikke en zwarte, stinkende rook, waartusschen het goud en rood der vlammen met vuursplinters oplaaide …Buiten den wind bleef Sogol staan en keek naar ’t brandende boschje.„Gelooft di nu?” vroeg Harimona, wier gelaat geheel zwart was geworden door den walm. „Nu heeft de doode draak nog vuur gespuwd … ziet di het nu … du ongeloovige!”In hare ontzetting zag zij hem met verschrikte oogen aan en haar stem klonk verwijtend.[88]„Verbrand mee, als du vreest!” antwoordde Sogol verachtelijk, de stukken tak, die in zijn linker arm en in zijn dij waren gedrongen er uittrekkend, waardoor het bloed naar voren kwam en begon langs zijn arm en zijn been te sijpelen.En haar de bloedende arm dicht voor ’t gelaat houdend, zeide hij:„Kom … genees deze wonden nu door dijn heiligheid … stelp dit bloed op dit oogenblik en ik zal gelooven …”Zij keek naar de wonden met blikken, waaruit de wil en het verlangen om te genezen spraken … Maar het bloed bleef vloeien en stremde zwartrood op de huid …„Ik kan niet!” zeide zij, „ik kan niet … Bind toch dijn kleed er om … du zult verbloeden …”„Zóó genezen kan ik ook … en die daar, den draak zal ik ook wel leeren kennen …”Hij keek om naar water en zag Haun, die doodsbleek en klappertandend naar zijn meester kwam.„Jongen, haal water voor dijn meester … gauw …” riep Harimona. „Dáár is een kreek …”En zij wees op een regenwelletje, waarbij de paarden stonden, die met vooruitgestoken kop, snuivend van angst, naar ’t brandende vuur zagen, door hun kluisters alleen verhinderd om er in te galoppeeren.Hij schepte water in zijn lederen jachtbuis en bracht het naar Harimona, die een stuk van haar lijnwaden onderkleed scheurend, de wonden bette en verbond.Sogol liet zich lijdzaam behandelen, zijn gedachten waren bij den brand in het boschje. Nog steeds stegen de vlammen op en van tijd tot tijd hoorde hij een zwakke ontploffing, waarop dan een nieuwe uitlaaiïng van ’t vuur volgde. Daar ’t nog helder dag was, wierpen de vlammen geen lichtschijnsel over de vlakte en de wind dreef de rook in roetige wadems weg.Nu hij verbonden was, dacht Harimona aan zich zelve.[89]Zij had, terwijl zij bij Sogol gebukt stond, heur los wit haar, dat langs haar gelaat viel, weggestreken en toen gemerkt, dat haar vingers zwart waren. Haun zeide haar nu, dat heur gelaat met roetwalm was bedekt. Daarom liep zij naar de kreek en wilde heur gelaat afwasschen. Maar het water liep van heur gelaat zooals van een zwanenrug, zoo vettig was het roet. Haun, die naderbij was getreden om zijn meesteres te helpen, zag het en liep snel zoekend langs den grond, speurend naar vogelmest. Toen bij op het hooge gras wat mest vond, bracht hij het haar. Maar zelfs nu ze ’t gelaat daarmede insmeerde, was het walm niet weg te wisschen.Haun liep naar Sogol en vroeg hem raad. Sogol trad naderbij en overtuigde zich van de vetheid van den roetwalm.„Het lijkt wel ievervet!” zei Haun.Sogol zag hem met een snellen blik vol erkentelijkheid aan.„Zoo, mijn jongen.… dat is beter dan bleek wegloopen.…” en zich tot Harimona richtend:„Het zal met koud water niet gaan.… ik zal roode zuring koken.… daarmede zal di ’t wel weg kunnen wasschen.”Hij plukte wilde zuringsteelen, legde ze in de holte van zijn bronzen schild, porde het vuur op, plaatste het schild op de gevorkte takken er boven, goot met Hauns jachthemd water in ’t schild en wachtte tot het water er in kookte. Toen bracht hij het schild aan Harimona en thans eerst kon zij ’t gelaat schoonwasschen.„Nu zijt di blanker dan weleer!” zei hij schertsend.„Maar du hebt dijn mooien baard verloren.… en het is of du jonger zijt geworden.… Hoe oud zijt di?”„Vijf en twintig jaren.… en du?”„Negentien jaren.…”„Dat zijt di nog bijna een kind.…”„Maar ik heb meer beleefd, dan menige oude vrouw … en dat heeft mi wijs gemaakt.… Ik heb di nooit gezegd,[90]waarom ik niet wilde, dat du Maresag zoudt ombrengen, vóór wij vluchtten.…”„Hij had het verdiend, de schurk, de vrek.…”„Haun,” zeide Harimona, „maak het schild van dijn heer schoon.”Haun nam het schild op en liep er mede naar de kreek.„Zeg geen booze woorden meer van Maresag, mijn geliefde.… Ik mag ze niet aanhooren.…”„Staat di nu nog onder zijn invloed?”„Neen.… maar weet, dat hij mijn vader is.…”Zij lette schijnbaar niet op de verbazing van Sogol, maar ging voort:„Mijn vader; niet alleen mijn wereldsche maar mijn bloed-vader is Maresag, de opperpriester. Mijn moeder was Anertha, deDruïdes, die met mijn vader in gemeenschap leefde. Toen ik geboren werd, gaf mijn vader mijn moeder bittere kruiden, zoodat haar borsten schrompelden en zij geen melk gaf. Want er waren vijanden van mijn vader, oude Druïden, die naar zijn plaats stonden. Zij beschuldigden Anertha van onkuischheid. Het Druïdending kwam bijeen en mijn moeder trad naakt voor de priesters, die haar ziende met de verschrompelde borsten, aan haar onschuld geloofden en over degenen, die den laster hadden verbreid werd gericht gehouden en men rukte ze de tongen uit, zoodat zij ellendig stierven, behalve een, die gevlucht was in ’t woud en zich wreken wilde. Hij wachtte mijn voedstermoeder op en doodde het kind in haar armen, meenende dat ik het was. Doch het was het kind van haarzelve. Mijne moeder was sedert zeer bevreesd voor mijn leven en zij besloot de bittere kruiden niet meer te gebruiken, opdat hare borsten weder zwellen zouden en zij mij zelve zou kunnen zoogen. Maresag merkte dat en wilde haar dwingen tot het gebruiken der bittere kruiden. Zij bleef weigeren, van moederliefde vervuld. Toen was mijn vader zeer bang,[91]want zoo het bedrog ontdekt werd wist hij, dat hem de marteldood wachtte.…”Zij zweeg enzatin gepeinzen, starend naar het brandende boschje, waar de vlammen zachtjes aan verminderden.„En toen?” vroeg Sogol.„Toen.… toen.… toen heeft men mijn arme moeder dood in ’t bosch gevonden.… en zij was geteekend met het bloedige kruis, dat de wilde mannen in de borst van hun slachtoffers kerven.… en de borsten waren haar afgesneden en zij was geschoffeerd.…”„Dat had Maresag gedaan.…”„Ik mag het niet zeggen en niet doen zeggen.… laat ik nu zwijgen.… Maresag is mijn vader, bedenk dat.… Maar di wilde ik dit zeggen, omdat ik er een ter wereld moet hebben, die met mij mijn geheim draagt.… Du weet, wat men omtrent mij in de Renigo vertelde.… Het verhaal van de drachtige ree met de lichtende ster tusschen de ooren, de sprekende maan, de berg Wittewa, waar de kroon bewaard wordt.… dat alles was leugen.…”„Dat is de oorsprong van onze mythen en sagen!” zei Sogol bitter.… „Alles misdaad, leugen en bedrog.… de waarheid is zwart, zwart als de nacht.… en het leven is leeg, bodemloos.… een vloek over het leven.…”„Daarom mijn geliefde, voelde ik zooveel eerbied en ontzag voor di, toen ik zag hoe dapper du waart en hoe helderziend.… En daarom ook, daar du twijfelt, wil ik twijfelen en daar du ontkent, wil ik ontkennen.… want ik heb di lief, lief met een ontzaggelijken eerbied.… want moedig zijt di.… moedig boven allen, allen.… Toen ik door den slag van het drakenvuur werd teruggeworpen en onder den boomkruin lag, zag ik Haun vluchten en toen zag ik dijn gezicht.… dijn baard smeulde weg, het vuur spoot rondom di op.… maar in dijn oogen zag ik geen schrik en dijn leden beefden niet.… maar met groote, vragende blikken staardet di naar den wel, waaruit[92]’t zengende vuur opspoot en ik zag hoe dijn wil om te weten sterker was dan te leven.… En toen zijt di, niet achtend op ’t eigen gevaar over den vuurpoel heen naar mi toegesprongen om mi te redden.… Du hebt de gouden lindenkroon gehaald van den berg Rodewa moet ik die heeten … en den draak en den hond en de geit verwonnen. En de zeven reuzen, zijn dat niet de boomen van ’t boschje, die daar afgebrand zijn.…”Zij wees naar ’t boschje. Zeven boomen hieven boven het smeulende boschje hun zwarte, verkoolde stammen op.„Het is vreemd mijn geliefde,” zeide Sogol, naast haar gaande zitten en zijn arm om haar leest slaande, „er schijnt in al deze leugensproken der priesters vaak diep een waarheid te zitten, zooals in de bittere schaal van de walnoot een zoete kern kronkelt … En toch, leugens zijn het, misleidende, slechte leugens.…”„En de zoete kern in die leugens mijn geliefde, dat is de waarheid van onszelf. De sagen en de mythen schijnen mij toe allen te gelijken op den boom uit het sprookje van de wonderfee … kent di het?”„Neen … vertel het mi …!”„Er was een wijzen koning in het verre land van Scandi, die oud was geworden en geen opvolger had. Toen was hij zeer bedroefd, want hij wist niet wien hij zijn kroon zou doen erven, zonder bevreesd behoeven te zijn, dat zijn rijk na zijn dood door een onwaardige zou worden bestuurd. Hij liep dag aan dag in het bosch te denken en vond geen middel om den waardigsten te kiezen. Toen ontmoette hij eindelijk een fee, die hem vroeg wat hem deerde.„Maagd,” zeide hij, „ik ben oud en dicht nabij den dood. Mijn zonen zijn allen gestorven in den strijd voor het vaderland. Nu weet ik niet wien ik als opvolger zal aanwijzen.”„Ik zal di helpen,” zeide de fee. „Hier in ’t bosch is[93]een wondervijver. Ieder, die er zich in spiegelt, ziet er zijn eigen beeld in, naar zijn eigen verbeelding. Zend degenen, die du meent, dat uw opvolgers zouden kunnen zijn, naar dien vijver en vraag hoe zij er zich in zien.”Toen ging de koning terug en liet verkondigen, dat in het woud een vijver was, waarin elk zichzelf zou kunnen spiegelen, zooals hij was. Tien mannen werden uitverkoren om in den vijver zich te spiegelen en wie de waardigste was, zou den troonopvolger zijn.De tien mannen gingen naar den wondervijver en de koning stond aan den oever en hoorde, wat elkeen zeide, die in den vijver had gekeken.De eerste, die zijn spiegelbeeld zag, zeide: „Koning, ik zie mij met een gouden kroon op ’t hoofd.” De tweede zeide: „Koning, ik zie mij met een purperen mantel aan.” De derde zeide:„Koning, ik zie mij zittende op een troon.” De vierde zeide: „Koning, ik zie mij met een schepter in de hand.” De vijfde zeide: „Koning, ik zie mij, met het koningszwaard voor den schouder.” De zesde zeide: „Koning, ik zie mij met een lichtkrans om ’t hoofd.” De zevende zeide: „Koning, ik zie mij, staande op uw schouderen.” De achtste zeide: „Koning, ik zie mij, staande aan uw sterfbed en uw vinger wijst mij aan.” De negende zeide: „Koning, ik zie de schimmen van uw zonen, die mij op het schild heffen …”De koning echter, die al deze negen mannen had aangehoord, voelde zich bedroefder dan ooit. Want hoe zou hij kiezen komen tusschen zooveel uitverkorenen. De tiende man nu, die de laatste was, die zich in den vijver zou spiegelen, omdat hij reeds van het begin nadenkend terzijde had gestaan, bleef wachten als schroomde bij, om zich te spiegelen.„Waarom spiegelt du di niet?” vroeg de koning verwonderd.„Koning,” antwoordde de tiende man, „is het wel noodig,[94]dat ik de keus nog verzware, waar er zoovelen uitverkoren zijn.”„Spiegel di,” gebood de Koning.Toen schreed de man nader en boog zich over den vijverrand. Maar hij bleef gebogen wachten en scheen beschaamd om zich weder op te richten.„Wat ziet di?” vroeg de koning eindelijk ongeduldig.Nu richtte de tiende man zich langzaam op en de koning zag, dat een traan langs zijn wangen biggelde en in den vijver dropte.„Sta op!” zeide nu de wijze koning, den tienden man met zijn schepter aanrakend, „du zijt uitverkoren!”„Hoe juist!” riep Sogol uit.…„Ik denk dikwijls aan dat sprookje, mijn geliefde. Is die wondervijver niet als het leven der oude tijden, zooals wij dat onthouden in onze mythen en sagen.… wij allen die er ons in spiegelen, zien onszelf zoo gaarne als waardig om de navolgers der grooten te zijn.… en maar een enkele beseft zijn eigen nietigheid.…”„Neen.… neen.… die vijver is het geheele leven.… en wie zich er in spiegelen zijn de menschen.… de menschen, die zich koningen wanen en alléén een heele, enkele wijze weent—want hij weet, dat hij het koningschap dezer wereld onwaardig is.… kom, wellieve, het vuur sintelt nog maar na.… wij zullen gaan onderzoeken, wat er met den draak gebeurd is.…”„Zij keek hem liefdevol aan en dan, met een zacht droevig, schertsend lachje, zei zij:„Ja, laten wij gaan.… wellicht dat de oude koning ook di met zijn schepter aanraakt …”„De oude koning Wod … hij daar?” spotte Sogol, wijzend in den hooge. „Hoe zou hij? Is al niet lang onttroond? Kom Haun! riep hij wat luider, tot den jongen, die ’t bronzen schild blank had gepoetst met fijn zand en ’t nu met een stuk vossevel opwreef, „wij gaan naar ’t vet van den iever zien!”[95]„Daar draagt hij den wondervijver aan!” schertste Harimona, toen ze zag hoe Haun, het blinkende schild hooghoudend om de vrucht van zijn arbeid te toonen, nader kwam.„En wel mag du di er in spiegelen, wellieve!” zeide Sogol. „Maar weenen moogt di niet, want zoo schoon als du bent, was nooit een koningsdochter!”„Du bent vol goeden moed, meester.”„Die kleine muzikant heeft mi de oplossing van ’t raadsel van ’t brandende drakenbloed gebracht.… komt mee.… ik zal ’t di zeggen.”De grond was nog warm in ’t boschje, dat geheel uitgebrand was. De zeven naakte boomstammen staken met hun verkoolde stampen meewârig op uit den zwartig-grauwe grond, waar nog sintels nagloorden.Sogol trad voorzichtig naar de kuil, waar de drakenkop uit opstak, nu omhoog gewerkt tot aan den nek, maar witblank doorgegloeid, een geraamtekop. Sogol zag de diepe gaten der oogkassen en de machtige kaak met de platte groote tanden met verwondering aan.„Hij heeft tanden als een groote bul,” meende Haun.Weer keek Sogol den jongen met innige erkentelijkheid in de oogen aan.„Du, schrandere vos, uit di zal wat goeds groeien.… Het zijn werkelijk groote bulletanden”… zei hij voortgaande tot Harimona … „en deze draak is geen roofdier geweest, anders zou hij tanden hebben als een beer of een wolf.… Dat zijn de tanden van een goedig vee.… die draak heeft gras gevreten.… of vruchten.… maar dan alleen bramen en appels.… want knagen zooals een eekhoorn heeft hij niet gekund.…”Hij liep terzij van de opengespleten gewelfde lijn.… stond stil bij het gat, waar hij de vlammende fakkel had ingestoken.… het was bruin uitgebrand, met korsten van een zwartige, vettige, nagloeiende massa. Maar er staken geen beenderen uit.…[96]„Ziet eens hier.… de draak was niet zoo lang als ik dacht.… hij was in ’t midden doorgebroken.… Daar lag zijn kop.… Daar lag zijn kop.… en hier zijn staart.… Ik zal eens peilen waar zijn achterdeel begint.”Maar toen hij zijn zwaard een eind verder in den grond stak, moest hij ’t ijlings terugtrekken en loslaten.… zoo warm werd het onder den grond. Daar borrelde de trage, dikke, zwarte massa nog op kookhitte.Sogol tornde een paar draden uit het onderkleed van Harimona, draaide ze tot een pit en doopte ze in de gloeiende massa. Toen liep hij een eind terzijde en hield de pit tegen een smeulende tak, die hij tot een vlam aanblies.De pit vatte vlam en brandde spoedig helder op. Sogol wierp haar op den grond en trapte haar uit.„Haun heeft gelijk gehad.… ievervet en tanden als een bul.… die draak is geen draak geweest.… dat was een groot dier.… een heel groot dier.… Maar waar is het vandaan gekomen? De kop zal wel ’t meest op dien van een reuzensalamander hebben geleken.… zie di wel Harimona.… denzelfden vooruitstekenden bek.… maar deze hier heeft tanden gehad, platte tanden gelijk het goedmoedige vee.… Het is zijn vet, dat gebrand heeft … die zwarte brei is zijn vet geweest.… zooals het varken in een vetlaag zit.…”„Waarvan zouden die knallen gekomen zijn?” vroeg Harimona. Nu zij dicht bij den kop stond, de reusachtige beenderen zag, zonder vrees thans nauwkeurig toekeek, begon ook zij aan de echtheid van den draak te twijfelen. Zeker, haar geliefde had gelijk. Wanneer Maresag den draak zou ontdekt hebben zou hij hem gebruikt hebben om het volk vrees en ontzag in te boezemen. Hoe eerlijk was haar geliefde. Indien hij den kop van den draak had medegenomen, gindsch in zijn rijk gestoft zou hebben op zijn gevecht met den draak en de verovering, zou hij zeker begroet zijn als de moedige prins, die den gruwelijken[97]draak had bevochten en overwonnen. Maar hij dacht zelfs niet aan die bedriegerijen. Hij was oprecht en waar.„Ik herinner mij,” zeide Sogol, „dat ik eens als jongen met kornuiten in ’t bosch spelend het kreng van een ever vond, die daar was gestorven.„Hij was zeer dik en gezwollen en wij, meenende, dat het dier drachtig was geweest, staken nieuwsgierig een fram in zijn vel.… Toen steeg uit het dier een stank op, zoo verpestend, dat wij allen wegliepen en één van de jongens bezwijmde. De stank volgde ons een heel eind en thuis kwamen de honden ons besnuffelen en blaften en zochten, alsof zij wild speurden. Ons was het, alsof wij dien stank nog altijd inademden en wij werden door onze ouders uit de hutten gezonden om ons te baden …„Die stank van dat ieverkreng kwam sissend door ’t vel naar buiten … Toen heb ik niet beproefd of ’t ieverbloed branden kon … maar het had heel goed kunnen zijn, dat die stank toen ook met een knal was ontvlamd …„Hoe lang ligt de draak hier?… Niemand heeft ooit zoo’n dier levend gezien … de regen heeft hier in ’t boschje den grond omgewoeld en misschien hebben stinkbronnen, juist als in de Ravenstroth opspuitend, hem uit de diepte omhoog gewerkt … Hoe lang is het geleden, sinds de draak hier verrekte? Wel vóór hier de eerste boom groeide, want in dit boschje had hij zich niet kunnen bewegen … kijk dien breeden kop … hoe zou hij tusschen de boomen doorgekomen zijn, zonder ze te breken …”Hij bleef een tijd zwijgen, in nadenken verzonken.„Wij kunnen nu naar mijn koninkrijk optrekken Harimona. Laten wij nog eens langs de gebogen linie loopen … Het vuur heeft voor ons de graversarbeid gedaan … Ziet eens die ribben … Ze zijn zoo hoog als een paard en zoo breed als mijn schild … Wat gruwelijk aanzien moet dat reuzenbeest gehad hebben … Maar gevaarlijk was hij toch niet, met zijn platte tanden en misschien wel even goedig als[98]een koe … Hier is ’t gat weer … ziet di … hij is doormidden gebroken … maar hoe komen de twee deelen zoo ver van elkaar? Hier in dit gat, waar de knal uitkwam, is uit beide deelen van ’t lichaam het vet heengesijpeld …”Zij liepen een eind voort en kwamen nu aan ’t andere deel van het dier.„Hier vangt het lichaam weer aan … tot dáár, waar de staart nog opsteekt …”Hij snelde vooruit, bemerkend dat de staart niet door ’t vuur was aangetast. En den staart nauwkeurig beschouwend, bevond hij, dat zijn veronderstellingen juist waren geweest. Een zwartige, vettige massa, die hij met den vinger kon indeuken, zat als klei om de beenderen gekleefd.„Schubben heeft hij ook gehad!” zei Sogol tot Harimona, wijzend op de schubvormige omtrekken van de zwarte massa.Hij sneed de punt van den staart van den draak af en nam die mede. Toen traden zij terug, ontkluisterden de paarden, stegen op en reden verder naar de Nervische gouwen.„De helden uit de sagen namen de koppen van de draken mede, die zij hadden gedood,” zeide Harimona. „Maar du neemt den staart mede!”„Ik wilde een herinnering hebben en de kop zou te zwaar voor mijn paard zijn geweest … Weet di, Harimona, du spreekt van de helden der sagen. Vroeger heb ik die sagen altoos voor leugenpraat gehouden, die de priesters hadden verzonnen om het volk te bedriegen. Maar nu ik dat dier heb gezien, ga ik twijfelen. De kern van de noot is weer zoet en alleen de schaal bitter en waardeloos. Waarom zouden de groote voorvaderen niet met deze dieren gestreden hebben? En later, toen de dieren waren gestorven en de voorvaderen ook, hebben de priesters goden gemaakt van de helden en draken van de groote hagedissen …”[99]„Hoe weet di toch alles.… alles.… alles.… mijn geliefde!”„Het is niet zoo moeielijk, wellieve.… Men moet maar durven.… altoos door durven.… ook de waarheid is een draak, die men het hol der verdichting moet uitdrijven!”[100]
Zij waren samen ontvlucht, Harimona en Sogol en reden op groote paarden naar het land der Nerviërs en Bellovaken. Sogol wilde zich in zijn land tot koning doen uitroepen. Dan zou hij met Harimona trouwen en een nieuwen godsdienst instellen, die van het nadenken. Hij zou de priesters verdrijven, het geloof in Tiusco, Wotan, Donar, Frya, Grendel en al de andere goden en godinnen en ook in de kleinere geesten, de goeden en de slechten, verbieden in zijn rijk. En van uit zijn rijk zou hij trachten den nieuwen godsdienst te verbreiden naar de Renigo en Maresag te schand stellen, de tempels verbranden, de menschen moed inboezemen en hen er toe trachten te brengen, door nadenken tot de waarheid te komen. Harimona zou hem daarbij steunen. Zij zou openbaar verklaren, dat zij een gewone vrouw was, niet geboren uit den geest maar uit vleeschelijken omgang. De offers zouden afgeschaft worden en het bidden worden verboden. Al wie bad, zou als een lafaard gestraft worden.
Sogol zou skiggen uitrusten, die het geheim van den oceaan hadden te doorgronden en dappere mannen zouden medegezonden worden met de Massiliaansche schippers, die aan de kusten purperlaken en wollen weefsels kwamen ruilen tegen barnsteen en zink.
Zij moesten medevaren tot het land der Massilianen, daar den koning de hulde gaan brengen van Sogol en Harimona en terugkeeren verhalen van ’t geen zij gezien hadden. Maar alle overdrijving, alle leugen zou streng gestraft worden. De waarheid, de nuchtere, eenvoudige waarheid en werkelijkheid wilde Sogol weten.[68]
Zij reden langzaam, omdat het paard van Haun, die op eenigen afstand volgde, kort na de vlucht op deknieënwas gevallen en nu gespaard moest worden, want de weg was ver en Sogol wist niet of hij een nieuw paard zou kunnen krijgen.
En terwijl zij samen vooruit reden, met elkaar lange gesprekken voerend over de toekomst en over de goden en het mysterie, blies Haun wijsjes op zijn horen en vergat dan somtijds waar hij was, liet zijn paard met lossen teugel loopen naar de lust van ’t dier, zoodat wel soms Sogol terug moest rijden en den jongeling roepen en bestraffen wegens zijn onachtzaamheid. Dan was Haun bedroefd, beloofde oplettender te zullen zijn en reed wat sneller mede. Maar den volgenden dag als hij weer een nieuwe melodie gevonden had, en zijn horen blazend, zich voorstelde voor een schoone prinses te spelen, die wanneer zij door zijn spel verteederd was, met hem in ’t huwelijk zou treden, dan vergat hij weder dat zijn paard slecht voort kon en zijn heer snel voorwaarts wilde. Toen had Harimona Sogol gezegd, dat het beter was wanneer Haun vooruit reed en niet volgde, hoewel dat tegen den regel was. Zoo moest Haun dan vooraan rijden en als hij weer begon te droomen nam Sogol op zijn beurt zijn horen en blies een paar schrille tonen, zoodat de jonge muzikant opschrikte. Sedert bleef Haun niet meer toeven. De bestraffende woorden van Sogol hadden minder invloed gehad dan de vrees voor de schrille tonen.
Zij reden in een sukkeldrafje en gaven de paarden veel rust omdat het mogelijk kon zijn, dat ze de snelheid en de kracht hunner paarden noodig konden hebben om roovers te ontkomen of vijandige lieden. Want Sogol was bang voor strijd met menschen. Dat had Harimona bevreemd, maar hij had haar gezegd, dat zijn leven hem te veel waard was om het te verliezen in een ongelijken strijd met onbeteekenende roovers. Hij verfoeide het zwaardgevecht[69]om der wille van ’t gevecht alleen. Het zwaard moest hoogere zaken dienen dan zichzelf, meende hij. Maar heur eerbied voor hem nam toe, toen zij zijn geestelijken moed leerde kennen. Zij wist hoe ook de dapperste mannen vreesden, wanneer in de toppen der boomen geheimzinnige geluiden klonken of wanneer eekhoorns dwars over den weg liepen, katuilen schreeuwden, dwaallichten glansten. Maar hij vermaakte zich er mede, de katuilen nà te schreeuwen, joeg eekhoorns opzettelijk op, opdat ze dwars voor Harimonas paard zouden wegsnellen. Wanneer zij ’s avonds de paarden hadden gekluisterd en de pelzen hadden neergespreid, waarin zij sliepen en zij hoorden in de toppen der boomen onbekende geluiden, dan stond Sogol weer op, maakte vuur, stak een dorre tak aan en riep Haun op, om hem te helpen. En hij klom in den boom, tot bovèn in den top en was niet tevreden voor hij Harimona den oorzaak van ’t geluid kon verklaren, beneden komend met een dikke, gebroken tak, die tegen den stam had geklapperd of met een grooten, dooden vogel, die met een poot in ’t loover verward geraakt, in doodsangst met de vleugels had geklepperd. En danlachteSogol met een vreemden, schrillen lach en vloekte op de asen en de elfen en de nikkers en de kobolden, ze uitdagend hem hier te komen bestrijden.
„Dat zijn hun goden!” zeide hij dan, den tak of het doode dier trappend met drift onder den voet. „Het zijn allen vruchten van hun lafheid. Laf zijn ze— —alle Germanen bij elkaar— —sterk als stieren en met hun zwaarden elkaar bestokend zooals balgende herten elkaar met de geweien stooten. Maar moed.… echte moed.… moed om tegen de valsche goden op te treden.… die hebben ze niet.…”
Hijbleef staan voor haar, breed de borst gezwollen en opziende naar den sterrenhemel, met uitdaging in zijn houding, als in verwachting, dat een der groote goden[70]op hem zou toetreden, Balder of Grendel of zelfs Thor of Wotan.… gereed om met hen den kamp op te nemen.
Zij zelve geloofde niet meer aan het bestaan der kleine geesten. Maar diep in haar hart, geloofde zij wel aan de groote machten.… Wellicht waren Wotan en Donar maar verbeeldingen.… Zoo goed als de Thius der voorvaderen een verbeelding was geweest. Maar waarvan kwamen de sterren? En wie spande de hemel? En wanneer de mensch stierf, waarheen zweefde dan zijn geest?
In den laten avond wierp Sogol dan nog weer dood hout op het smeulende vuur en in de stilte van den winternacht zaten zij voor het vuur, opziende naar het vurige geprikkel der sterren en samen peinzend over de groote geheimen, waarvan zij zich voelden omgeven.
Dan werd Sogol dikwerf bedroefd, want hij kon haar niet op hare vragen antwoorden. Zeker, zij gaf toe, dat de sterren daar aan de lucht geen goden waren en ook geen zielen en die zeven daar, waren niet de naijverige minnaars van Nehalennia, zooals ze zeiden aan de kust. Maar wat waren het dan?
„Zeg mij Sogol, wat zijn ze dan, de sterren?”
Hij bleef zwijgend staren naar den winterhemel en zij zag hoe een traan uit zijn oogen welde en langs zijn wang biggelde.
„Weent di, mijn meester?” vroeg zij zacht.
„Ja, ik ween.… ik ween.… omdat ik weten wil en niet weten kan, geliefde. Lief heb ik di, Harimona, omdat du zooals ik, de waarheid liefhebt en oprecht zijt. Mijn koninkrijk zal ik di gaarne aan de voeten leggen. Maar toch, hoe klein is mijn liefde, dat ik di niet dat simpele antwoord op dijn vraag als bruidsgeschenk kan geven.… Want ik weet het niet, geliefde, ik weet het niet, ik weet het niet.… Ja, vraag het mi.… vraag het mi.… wat zijn de sterren?… Zijn het klompen vuur? Maar hoe komt het dan, dat hun vuurnietdooft.… Wie werpt hout op[71]dat vuur? En wat is achter die sterren?… En hoevelen, hoevelen zijn er niet.… Daar.… die heele breede zoom van einder tot einder.… en daar die met dat scherpe blauwe licht.… en daar die, die flakkert als een toorts … en daar die, in een orde geschaard als een saks?.…”
„Als de zon opgaat dooven de sterren en als de zon ondergaat, vlammen ze weer op.… Wie steekt ze aan Sogol?… Moet daar geen groote macht zijn, die ze aansteekt, avond na avond en ze weer dooft, morgen na morgen?”
Sogol peinsde en keek in ’t vuur. Eindelijk antwoordde hij:
„De maan, gaat die ook ’s avonds aan en dooft die ook ’s morgens uit, Harimona?”
„Niet altijd, meester.”
„Neen, niet waar. Er zijn dagen waarop de maan heel vroeg opgaat, als de zon nog schijnt.… Zij is dan heel bleek, zoo wit als zilver en hoe later het wordt, des te rooder wordt zij. Dat is toch zoo, niet waar?”
„Ja, mijn meester.”
Hij sprong op, liep op haar toe, omhelsde haar,kustehaar op ’t witte haar, op de wangen, op de hals,op den mond. En juichend weer sprong hij recht, roepend.… „ik heb het gevonden, ik heb het gevonden.… ik zal alles, alles vinden.…”
En zich weer neerzettend bij ’t vuur, wilde hij opnieuw spreken, maar de vreugde overweldigde hem opnieuw.… Hij sprong nogmaals op, hief zijn handen omhoog naar den sterrenhemel, bolde de vuisten en naar boven roepend:
„Ik heb het gevonden.… o zaligheid.… o geluk.… ik heb het gevonden.… ik heb het gevonden.…”
Zij keek hem bewonderend maar niet zonder angst aan, gespannen wachtend op zijn verklaring.
„En alles, alles, alles zal ik ontdekken! Wacht du daar, wacht.… ik zal dijn geheim doorvorschen.… Wacht du daar, wacht du!”[72]
En hij balde dreigend de vuist tegen den hemel. Daarna zich weer neerzettend, ging hij voort:
„De sterren zijn niet anders dan de maan. De maan is een groote ster, veel grooter dan de anderen, maar er is geen ander verschil.
„Wat met de maan gebeurt, gebeurt met de sterren. Maar omdat ze zoo klein zijn, kunnen wij het niet zien.…”
„Maar wat gebeurt dan met de maan?” vroeg Harimona.
„Zij wordt ’s avonds niet ontstoken en ’s morgens niet gedoofd. Zij brandt altoos.… altoos, altoos.… Zij staat ook aan den hemel als wij haar niet zien.… Geeft een toorts licht op den noen? Neen, niet waar? Maar naarmate het donkerder is, geeft de toorts meer licht. Zoo is het met de maan en zoo is het met de sterren.… zij hebben maar een zwak licht, zooals de toorts, dat men beter zien kan, naarmate het donkerder wordt.… Vandaar dat de maan op sommige avonden eerst bleek is gelijk zilver en hoe donkerder het wordt, des te heller schijnt haar vuur. In den morgen wordt zij weer bleeker.… tot zij onzichtbaar wordt … het licht van de zon maakt haar onzichtbaar …”
„En wie steekt de zon aan?” vroeg Harimona.
„Wat wijf? Ik doe di kond van een groote ontdekking en in stede van mede te juichen blijft du vragen? Is het al niet veel te weten, dat de maan en de sterren daags branden zoogoed als ’s nachts?”
„Het is veel, maar de raadselen blijven raadselen, meester.”
„Neen, ze blijven het niet, vrouw. Raadselen waren de kobolden en de elfen, tot ik ontdekte, wat hun eigenlijk wezen was. Raadsel was het schijnen der sterren en der maan alléén ’s nachts, totdat ik vond, dat zij ook overdag schijnen. Laat mij denken en ik zal ook vinden waar hun oorsprong was en waar de oorsprong dier oorsprong aanving. Maar ik moet tijd hebben om te denken. En du, geliefde, wees niet laf, als al die anderen maar durf óók door te[73]denken, altoos dieper, alsof dijn gedachte een donker woud ingaat. Dring er doorheen en aan de andere zijde vindt du het nieuwe land.”
Eenige dagen later terwijl zij de Bellovaaksche gouwen al naderden, werden zij door een zwaar onweer verrast. Harimona was angstig en wilde onder een boom schuilen. Maar Sogol toornde op haar en ook op Haun, die in ’t bosch wilde blijven tot het onweer was voorbij getrokken. Hij dwong beiden hem te volgen op het groote, vlakke land, dat aan den zoom van ’t woud aanving en zoodra de eerste bliksemstraal knetterde begon Sogol te woeden tegen Donar. Hij daagde hem uit, vloekte hem met de vreeselijkste vloeken, wees hem smadelijk op zijn achterdeel.
„Drekgod, drekgod, drekgod, kom op. Sla mij, drekgod met dijn bliksem, als du daar zijt.… Hier sta ik, een god zooals du, maar machtiger, want ik ben hier werkelijk en du, du, du, zijt niet, du zijt maar een schepping van lafhartigen en angstschijters.…”
Harimona en Haun, in den regen staande midden op ’t land, staarden met onzetting naar Sogol, die slechts met een berehuid om zijn naakt lichaam, de machtige armen bloot, met opgeheven vuisten dreigende gebaren maakte tegen het blauwgrijze werk, waarin zij de bliksems zagen bersten en den donder rommelen. En bij elken bliksemstraal, bij elken donderslag vernieuwde Sogol zijn vloeken en bedreigingen. Hij liep soms op een drafje voorwaarts in de richting van den einder vanwaar de bliksem kwam aanlichten.
„Tref mi nu … tref mi nu … speer van den drekgod … Du durft kunt, du kunt niet.… hier sta ik.… bereid om dijn speer op te vangen.… tref mi dan.… tref mi dan!.…”
Hij sprong op van den grond, zijn borst naakt, en gezwollen, zijn armen wijd geopend als verwachtte hij den bliksemstraal. Het schuim stond hem op de lippen van[74]woede en Harimona, hem zoo ziende, voelde zich bevreesd terwijl Haun weende.
Het onweer verminderde in kracht en trok weldra voorbij. De blauwgrijze hemel brak in wolkenbrokken en uit het diepblauw daartusschen kwam de zon schijnen.
Sogol werd kalmer en nu omziende voor Harimona zeide hij trotsch:
„Hebt di het nu gezien, dat ook de groote goden niet bestaan? Waar was Donar met zijn gouden speren? Waar was zijn rollenden donderwagen?.… Hebt du geweend knaap?…”
„Ik vreesde zoo, dat de speer di zou treffen,” antwoordde Haun.
„Du zult niet weenen als dijn meester de goden uitdaagt.… maar du zult weenen, als de anderen zich voor de goden verdeemoedigen.… Onthoud dat knaap.… en bindt de kluisters los van de paarden.”
Zij stegen op en reden door de frissche lucht onwaaierd, stapvoets verder.
„Waarom zegt di niets?” vroeg Sogol, bemerkend hoe zijn geliefde zwijgend naast hem reed en geen woord van bewondering had voor zijn moedig bestaan.
Zij keek hem van terzijde aan en hij zag een schroomvollen eerbied in haar vreemde, roode oogen.
„Ik heb een zonderlinge gedachte, Sogol!”
„Gelooft di nog aan Donar?” vroeg hij haast angstig.
„Neen.… maar mi kwam de gedachte in ’t hoofd, dat du wellicht zelf een god zijt.…”
„Ik ben een mensch, een gewoon mensch.… zooals du, zooals Haun.… Of meent du nog, dat du ook een godin zijt?”
„Neen … ik ben geen godin … maar du zijt een god … en du weet het zelf niet.… En misschien weten de andere goden evenmin, dat zij goden zijn.…”
„Vrouw, du zegt zulke diepe gedachten, dat du zelve ze niet omvat.…”[75]
Zij reden langen tijd zwijgend voort, Sogol zijn hoofd neerwaarts gebogen en zijn gefronste oogen naar den bodem gericht. Eindelijk zeide hij:
„Dat kan het zijn, mijn lief. De goden weten zelve niet, dat zij goden zijn.… zooals dit paard onder mij, dat sterk is, daden van kracht doet en toch zijn eigen kracht niet kent … Wat zijn de goden dan?… Redelooze krachten, die hun daden doen zonder de macht over die daden.…”
„Maar het paard heeft een berijder, die het stuurt meester.… Zoo heerscht dan Wotan over de goden als de mensch over de dieren.…”
„Ik zou di kussen kunnen als du zoo spreekt, en toch weenen omdat du altoos weer tot Wotan dijn gedachte voert.… Maar Wotan kàn niet bestaan.… zoomin als Donar bestaat.… zoomin als de kleinere geesten.…”
„Welke macht doet de zon dáár schijnen?” vroeg Harimona.
En haar aanblikkend, zag hij uit haar roode oogen een straal gouden licht schijnen.
„Wie doet, die wolk daar schuiven? En die daar? En die daar? Staat achter elke wolk een geest, die haar voortschuift? Of zit op elke wolk een ruiter, zooals op het paard, en stuurt haar en leidt haar met bit en teugel en spoor? Ziet ze ijlen en barsten en vluchten in hare vreemde gestalten.… Voelt du niet, dat het de wind is, die ze wegblaast, zooals het kind de kaarsjes wegblaast van de weidebloem.… Ik kan nog niet alles weten.… maar omdat ik iets weet, weet ik dat ik méér zal kunnen weten.… Het zijn alles krachten, redelooze krachten, die niet anders doen dan ze doen omdat ze niet anders kunnen.… De zon, de maan, de sterren, de bliksem, de donder, de wolken.… zij allen zijn redeloos en doen zooals ze moeten doen.…”
„En wij dan?”
„Wij vrouw.… wij.… wij zijn ook al niet anders dan[76]de zon en de sterren en de wolken.… wij zijn ook krachten, die onze eigen macht niet kennen.…”
Hij reed een poos zwijgend voort. Toen weder, tot haar:
„Waarom zouden wij iets anders zijn dan de dingen om ons heen. Zijn wij niet even dom als de natuurkrachten? Moeten wij niet eten, drinken, slapen als het tijd daarvoor is, zooals daarboven het onweer komt, als het de tijd voor het onweer is? Weten wij met zekerheid iets meer dan deze paarden? Weten wij meer van ons verleden? Meer van onze toekomst? Meer van wat boven de hemelen is en onder de aarde? Waarom val ik ter aarde wanneer ik van mijn paard stort en kan niet omhoog vallen, of in de lucht mij zwevende houden door mijn wil alleen? De mensch is een natuurkracht zoo goed als de bliksem en de donder, zoogoed als de zonnestraal een natuurkracht is.”
„Maar waar komen die natuurkrachten vandaan?” vroeg Harimona weder.
„Ik weet het niet.… ik weet het nog niet.… En moeten zij dan bepaald ergens vandaan komen? En moeten zij dan bepaald ergens heengaan? Waarom zouden zij er niet altijd geweest zijn en er altijd blijven?”
„Ik kan dijn gedachtenvlucht niet volgen Sogol.… In mijn binnenste leeft gestadig het gevoel alsof er nog een ander leven is.… een leven, dat als de gedachte of de droom geen lichaam noodig heeft om te bestaan. Zoo dikwerf als Maresag mij met zijn kruiden in de verrukking bracht, ontsteeg ik mijn lichaam en zwierf langs onbekende velden en wegen en zweefde over oneindige wateren of steeg den sterren tegemoet.”
„En hebt di dan wel eens andere dingen gezien dan hier?”
„Ja.… ik heb de goden aanschouwd, Wotan het meest.… En hij was het, die mij de kracht gaf, wonderen te doen zooals du hebt kunnen zien.… toen ik de lammen genas en de blinden en die met etterende wonden neerlagen.”
„Was dat geen bedrog, Harimona?”[77]
Hij hield zijn paard in en zich over haar paard buigend en het ook tot stilstand dwingend, keek hij haar diep en ernstig in de oogen.
Zij keek hem onverschrokken aan.
„Dacht di, dat ik het liefste, dat ik ter wereld heb, zou bedriegen? Dan is het beter, dat ik terugkeer.”
„Dus du kunt wonderen verrichten?”
„Als ik in de verrukking ben.… ja.…”
„En die kreupelen, die reeds genazen zonder dat zij di zagen?”
„Kan niet mijn ziel uitgestraald zijn ook zonder dat ik het wist of wilde? Was niet al wat ik in mijn verrukking deed, iets waarover ik geen macht had en waaraan ik zonder mijn verrukking vreemd was?”
Hij reed weer voort naast haar en dacht zwijgend na.
„Het is droevig,” zeide hij eindelijk, „Wie het gedachtenwoud binnenrijdt komt niet tot licht, maar hij verwart zich hoe langer hoe meer in ’t donkere hout. In mij komt de vreemde lust op, dit leven te eindigen om te weten. En ik voel naijver op die anderen, die vroom gelooven kunnen in al de goden, de grooten en de kleinen. Maar ik kan niet … ik heb immers ervaren, dat de Nickelman een aal was en de grondgeest een geluidsschal.…”
Na een poos vroeg hij plotseling:
„En wat was er waar van Frango, den draak, Whridlo, den hond en Baza, de geit?”
„Begreep di dat niet?”
„Neen.… hoe zou ik.… Er bestaan geen draken!”
„Het was een raadsel van Maresag om de vele minnaars te beproeven. Frango was de moed, Whridlo was de trouw, Baza was de soberheid. Wie dit raadsel zou begrijpen was mij waardig, meende Maresag honend.”
„En du vondt dat goed?”
„Wat Maresag wilde moest ik doen … ik kon hem niet weerstaan. Hij had een groote macht over mij, waaraan ik[78]mij niet kononttrekken… Eerst toen du kwam en ik door mijn geloof in dijn kracht overwon, kon ik met di medegaan.”
„Ik dacht wel, dat de draak ’t een of ander groote onbekende dier zou zijn, dat de laffen zou verschrikken.”
„Maar er bestaan zeker draken, Sogol. In mijn verrukkingen heb ik ze gezien. Zij hadden lange muilen met scherpe tanden en lage pooten gelijk een hagedis en lange staarten, met punten bezet …”
„Ik wilde, dat ik met di naar dat gewest van dijn verrukkingen kon opstijgen.”
Zij reden een eind voort tot zij aan een klein boschje kwamen, waar zij afstegen om te rusten en de paarden te voederen. Zij zagen om naar Haun, die een eind vooruit was gereden en nu uit het gezicht was.
Sogol nam zijn horen en stiet een paar schrille tonen uit den horen. Toen na eenig wachten Haun niet terug kwam, kluisterde Sogol zelf de voorbeenen der paarden, nam ze het bit uit den mond en liet ze grazen. Daarna zocht hij met Harimona in ’t boschje naar paddestoelen, die hun als leeftocht dienden wanneer geen klein wild gevangen was of niet een ree of een hert door Sogol met de speer was neergedrild. Nog zochten zij, toen zij Haun’s horen in de verte drie korte stooten hoorden geven, het signaal, dat hij in gevaar verkeerde.
Harimona verbleekte maar Sogol snelde naar zijn paard, ontkluisterde het en de hand aan ’t kortzwaard, reed hij in galop naar den kant, vanwaar nu voor de tweede keer het alarmsignaal klonk.
Toen hij een eind gereden had, zag hij Haun staan nevens zijn paard. De jongeling kwam zijn heer te gemoet loopen.
„Wat is er aan de hand?” riep Sogol.
„Meester … Meester … er is hier wat vreemds …”
„Wat, mijn jongen?”
„Meester … het lijk van een draak ligt hier …”[79]
Sogol steeg af en volgde Haun in ’t kleine boschje. Daar had het instroomende regenwater den grond onderwoeld en uit een kuil, half met water gevuld, stak de kop uit van een draak.
Sogol groef met zijn zwaard de aarde rondom wat weg. Zij was vastgeslikt met het vleesch van den reusachtigen kop. Hij zette de zwaardpunt in den grooten muil van ’t dier en trachtte deze open te breken. De kop brak broos vaneen en de scherpe, spitse tanden rolden naar buiten.
„Ga de meesteres halen en de paarden. Ik blijf hier Haun!” zeide Sogol en toen de jongen wegreed in de richting, die Sogol hem had aangewezen, begon deze nu voorzichtiger met zijn zwaard het tot zwartige klompen met den huid en ’t vleesch van den draak gesmijde veen, van den kop af te steken.
Hij was nog bezig den kop vrij te steken, toen Harimona en Haun aangereden kwamen. Sogol voelde zich beschaamd, wist niet wat hij zou zeggen tot Harimona.
Zij voelde zijn schaamte en om hem niet te kwetsen zeide zij:
„Misschien is het toch geen draak maar een vreemd groot dier.”
Hij zag haar aan met lichtjes van dankbaarheid en geluk in de oogen.
„Gelooft di dat?”vroeg hij nogmaals.
„Het kon toch zijn …”
„Wij kunnen het ten minste onderzoeken … Als hij levend was geweest, zou ’t minder makkelijk zijn gegaan. Zie dien muil eens.’k Heber mijn zwaard tot aan den greep ingestoken en nog altijd was ik niet aan ’t keelgat.… Ga eens naast den kop staan Haun … ziet eens … De muil alleen is hooger dan Haun …”
„En waar zijn zijn oogen?”
„Ik heb al deze aarde rondom afgestoken, maar ben nog niet aan zijn oogen toe gekomen …”[80]
„Ik denk, dat hij rechtstandig in den grond staat,” zeide Haun, bemerkend dat de muil spits opstond,„alsof het gat de uitgang van ’t hol van den draak was geweest.”
„Wat denkt di te doen?” vroeg Harimona aan Sogol, ziende hoe hij vermoeid was van ’t graven.
„Ik wilde wel gaarne hier blijven en den heelen draak uitgraven.… Dan kunnen wij zien hoe hij er uitziet.”
„Maar dat kunt di alleen niet.…”
„Haun zal helpen.… en.… en.… als du wilt.… du ook.…”
„Met onze handen?”
„Neen, ik zal spaden snijden.…”
„En uw koninkrijk?” vroeg Harimona.
Sogol dacht na.
„Het was misschien beter, dat du eerst mannen haalde, die du hielpen?.…” vroeg Harimona.
„Dat kan lang duren.… als ’t gaat vriezen is ’t graven onmogelijk.… en ik weet niet of ik mannen zal vinden, dapper genoeg om den draak uit te graven.… kom.… laten wij eerst eten, rusten en dan ten minste den kop van het monster uitgraven.…”
Harimona maakte vuur en Haun, met een speer gewapend, ging in ’t boschje naar wild speuren. Al heel spoedig kwam hij terug met een haas,die hij den speer door den kop gedrild had, toen ’t dier voor zijn voeten opsprong. Harimona nam haar klein gordelmes en begon het dier te villen. Haun stond er bij en keek nauwlettend toe.
„Heb di zoo’n honger vent?” vroeg Harimona.
„Nee.… ik heb bessen gegeten en nootjes.… ik heb geen honger.…”
Maar omdat hij toch bleef toekijken, vroeg zij weer:
„Wat wil je Haun? Je kijkt zoo vragend.…”
Hij kleurde, zag verlegen zijwaarts.
„Er uit er mee, als du wat zeggen wilt!” zei Sogol gewild streng.[81]
„Ik wou de meesteres wat vragen.… ik ben nu al zoo lang van huis.… en ik wou weten of ik vader of moeder en mijn broertje gezond en wel zal aantreffen.…”
„Dat weet ik niet!” lachte Harimona.
„Als du wilde.… en eens voor mij keek.… daar …”
En hij wees, even bang naar Sogol opblikkend, op de darmen van de haas.
„Vervloekt!” stoof Sogol op.
„Ik wist wel, dat de meester het niet zou willen!” zei Haun, half schreiend.
„De meester heeft gelijk Haun. Ik kan niet uit de darmen waarzeggen.…”
„En niemand kan het, Haun. Hoe kom di aan die vraag.”
„Ginds op ’t groote veld te Renigo was een vrouw, die uit ingewanden de toekomst kon lezen. Wie haar een geit bracht, die spelde zij de toekomst uit de darmen van de geit; en wie haar een ree bracht, die spelde zij de toekomst uit een ree. En er kwam zelfs éens een man, die een kalf bracht en zij liet het slachten en las uit de darmen.”
„Dat is alles bedrog, Haun. Ze deed het om de dieren.”
„Nee meester.… ’t was geen bedrog. Ik heb de vrouw een geitje gebracht en zij voorspelde mij, dat ik op reis zou gaan met een koningszoon en zijn bruid en die zullen tot hoog aanzien geraken: De koningszoon zal koning worden en de bruid, koningin! En ’t is tot nu toe uitgekomen.… och lieve meesteres.… ik smeek di.… zie toch even in de darmen en zeg mi of mijn broertje nog leeft.…”
Harimona keek Sogol vragend aan, half besloten om den jongen zijn wil te geven. Maar Sogol keek somber.
„Als wij zelf de domheid bevorderen.… wie zal ze dan bestrijden?” vroeg hij.
En zich tot kalmte dwingend, zei hij tot Haun:
„Mijn jongen, al kwam wat zij zeide ook uit, toch was ’t bedrog. Het gaat bij die voorspellingen zoo.… Komen[82]ze uit, dan gelooft men aan de buitengewone zienerskracht.… komen ze niet uit, dan vergeet men de voorspelling of meent bij een slechte waarzegster te zijn geweest. Maar ’t zijn alle slechte waarzegsters. Niemand weet iets van de toekomst.… niemand.… niemand.… de goden zelve niet.… zij zijn ook aan het lot onderworpen, zonder dat zij weten, hoe het zal loopen.… en het zal een slecht lot voor ze zijn, als de koningszoon, werkelijk koning wordt.”
Sogol had de laatste zinnen meer tot zichzelf dan tot Haun gezegd, die teleurgesteld naar den haas bleef zien.
Harimona, na den haas gestroopt te hebben en van de ingewanden ontdaan, stak hem aan een bronzenspit, dat op twee gevorkte takken rustte en nu moest Haun langzaam draaien.
Sogol, zijn ongeduld niet kunnende bedwingen, was al weder naar den kop van den draak geloopen en begon deze verder met zijn zwaard te ontgraven. Maar bemerkend, hoe weinig hij hierdoor bereikte, liep hij een eindje ’t bosch in zoekend naar een boom, geschikt om er spaden van te snijden. Een zwarte stronk, die manshoog boven den grond uitstak, zeker ’t overblijfsel van een boom, die door den bliksem getroffen was en daardoor van buiten bruin gebrand, kwam hem geschikt voor en hij sloeg er zijn zwaard tegen. Maar ’t zwaard ging er diep in en stuitte toen op iets hards. Sogol keek verwonderd en nu, de stronk belastend, ervoer hij, dat hier weder het lijk van een draak was verborgen, nu met den staart opwaarts uit het hol. Hij zag de grove schubben van den staart, hoewel ’t vleesch verkoold was en ook nog de knoesten van de dorens van den rug.…
Daar waren dus twee draken in dit boschje geweest. Beiden wellicht door den bliksem getroffen. Maar hoe deze vreemde houding te verklaren.… de één met den kop hoogopgestoken uit de krocht, de andere met den[83]staart opwaarts? Waren zij voor ’t onweder gevlucht?
Hij mat den afstand tusschen de twee draken.… Een denkbeeld kwam in hem op.… maar hij weifelde om het aan te nemen.… Neen.… dat kon niet.… zoo groot was een draak niet.… dat overtrof alle verhalen van de sagen.… Het was wel de lengte van een wand1.… En toch.… als kop en staart eens tot denzelfden draak behoorden.… de ligging was zoo, dat de mogelijkheid kon bestaan?…
Hij keek met scherpen blik in de richting van den kop en zijn geoefend oog bemerkte, dat de bodem over dien langen weg voor een deel bol stond, zoo de richting aangevend, waarin het lichaam van den draak kon liggen.
Hij vergat het haasje, dat ginds aan het spit braadde, hoewel hij den heelen dag weinig anders dan wat bramen en hazelnoten gegeten had. Bij den drakenstaart zittend, de kin op den greep van zijn zwaard geleund, was hij in nadenken verzonken.
Dat was dus een draak, een echte draak. Ditmaal behoefde hij geen wonderverhalen van anderen te gelooven. De sagen waren dus geen bedrog. Faffner en Kirgold en Frango bestonden.… Maar als de draken bestonden, dan konden ook de goden bestaan.… Hier lag het geheim ontraadseld voor hem.… hier aan zijn voeten, weinige vamen onder den grond.…
Hij mocht niet verder reizen.… al verloor hij er zijn koninkrijk door.… wat beteekende een koninkrijk tegen de doorgronding van dit geheim. Wéten moest hij, voor alles wéten, wilde hij.
Haun blies een paar tonen om hem tot het middagmaal te roepen. Hij blies een paar tonen ten antwoord en liep langs de gewelfde lijn van de grond gaande langzaam terug naar Harimona, tellend zijn schreden om den afstand te[84]meten. Twee honderd groote schreden was de draak lang. Veel hooger dan de hoogste boom hier in ’t boschje … veel hooger dan ooit een boom, waar ook, gegroeid was …
Maar als dat dier zoo lang was en zoo hoog, hoe zou het dan hier in ’t nauwe boschje, dat zelfs een man nauw doorliet, zich hebben kunnen bewegen? Hij keek naar de boomen rondom … Zij waren allen minstens vijf-en-twintig jaren oud … dus de draak moest al jaren lang dood zijn. Nergens ook was een spoor van gebroken boomen en de schorsen waren nergens afgeschuurd …
Peinzend als altoos, kwam hij terug bij Harimona en zij, gewoon aan zijn peinzerijen, vroeg niets, sneed den haas in deelen enreikteSogol een bout. Hij stak het geroosterde vleesch werktuigelijk in zijn mond, zijn donkere oogen starend voor zich uit zonder te zien, kouwend het vleesch zonder het te weten … altoos beziggehouden door zijn gedachten.
„Rijden wij verder, meester?”waagde Haun ten laatste te vragen.
Harimona zag hem bestraffend aan. Maar Sogol had de vraag niet gehoord en bleef turen, altoos door turen in denkgestaar.
Haun sloop stilletjes weg van ’t vuur en den kop van den haas nemend, begon hij dezen een eind verder om en om te gooien, om zijn geluk te beproeven. Want als de schedel boven komt, wacht men goede tijding en als de kaak boven komt slechte.
Harimona nam een berenhuid van het leger en legde deze zacht om de schouders van den peinzenden man. Daardoor uit zijn gepeins ontwakend, zag hij haar aan.
„Kind,” vroeg hij, „zouden wij niet gaan eten?”
„Wij hebben al gegeten, liefste!” zei ze met een zachten glimlach, „en du hebt medegegeten … waaraan dacht du zoo ingespannen?”
„Ik denk aan den draak … Ik zou hem gaarne uitgraven…[85]Wilt du mi helpen?…Ik denk zoo … wanneer ’t vriestijd wordt, zal het te laat zijn en als de stormen komen wordt de draak onder ’t zand bedolven en als de bliksemspeer in ’t boschje zwiert, kan alles verbrand worden.”
„De tijd dringt, Sogol. Du zult in dijn vaders koninkrijk een andere koning vinden, die di zal weerstaan …”
„Ik zal mijn Nervieërs wel weten te herwinnen … en du zult mi helpen …”
„En als de koude ons hier overvalt. Wij hebben nog wel vier nachtreizen2af te leggen, voor wij aan uws vaders gebied komen.”
Hij keek treurig.
„Als wij een gedeelte opgroeven?” vroeg hij. „Wanneer ik een gat groef in ’t midden van de gewelfde lijn, dan zeker zou ik den omvang van ’t dikste gedeelte van ’t lichaam kunnen opdelven. En den maag openen om te zien, wat de draak gegeten heeft.… menschen, kobolden of.… of.…”
Hij weifelde, het woord uit te spreken.
„Wat meent di?” vroeg zij.
„Of gras.… gelijk een koe.…”
„Dat hoopt di?” vroeg zij ondeugend.
„Ja.… dat hoop ik.… want mij is een gedachte door ’t hoofd gevaren.”
Hij zweeg en zij wachtte zonder te vragen op zijn antwoord.
„Een doode draak,” ging hij voort, meer in zichzelf sprekend dan tot zijn geliefde, „is nog geen levende. Als hij levend was geweest, ja dan.… dan had ik kunnen zien in ’t licht van zijn oogen en ervaren of hij vuur kon spuwen en ontdekken of hij meer verstand had dan een redeloos dier.…”[86]
„Twijfelt di nog altijd?”
„Ja.… ik twijfel.… ik heb zoo getwijfeld voor ik den Nickelman in den gröhl dorst aan te randen … en ook heb ik zoo getwijfeld, toen ik den schalgeest bij de twee eiken aanviel.… durven moet men, altoos durven.… niet vreezen voor de eigen gedachte … er zit in het menschelijk hoofd een groote spin, die verbeelding heet. Hij weeft spinsels, altoos nieuwe spinsels, en als men die spin door laat weven, bedekt hij de rede ten laatste met webbe op webbe, tot die een dik, taai kleed vormen, waaronder de waarheid onherkenbaar bedekt ligt.… Weg spin! Weg webben in mijn hoofd.… de waarheid wil ik weten.… de waarheid.…”
Hij stond op, liep naar de plaats, waar de kop van het monster uit het gat omhoog stak. Zij was hem gevolgd en wenkte Haun mede te komen. Toen Sogol, over de welvende lijn loopend aan een diepte kwam, stak hij daar diep zijn zwaard in en trok dan, een gat woelend, het zwaard weer terug.… Dat rook vreemd, een reuk die Sogol, die toch veel kruiden-aftreksels kende, onbekend was.… Hij streek met den vinger langs het zwaard; daarop kleefde een taai, dik, bruin, stinkend vocht. En in het gat, dat hij door ’t insteken van ’t zwaard gemaakt had, kwam nu ook traag een dikke, half-vloeibare, bruingore massa oprijzen.
„Het drakenbloed!” kreet Harimona.
Sogol keek haar even aan en knielde bij ’t gat, waar ’t trage vocht nu al over den rand sijpelde.
„Haun, haal een brandenden tak van ’t vuur!” beval Sogol. En tot Harimona:
„Als ’t drakenbloed is, moet het branden!”.…
Haun, kwam met den brandenden tak.
„Ga wat terug, meester!” waarschuwde Harimona, zelf eenige passen terugtredend.…
„Zijt di bang?” vroeg Sogol, met toorn in ’t oog.[87]
Hij stak de brandende fakkel, met een bitteren lach om den mond, in ’t gat. Meteen sloeg de vlam als een zuil van vuur omhoog uit het gat en de gewelfde lijn op den grond sloeg met een donderend geweld open, stukken aarde, oude boomwortels en steenen opwerpend.
Haun was de eerste die wegrende, altoos maar rennend, niet omziende naar ’t vuur. Harimona was achterover geslagen en op haar viel de kroon van een boom, die door de ontploffing ontworteld was en schuin naar voren viel. De vuurzuil was opgestegen vlak in Sogols gezicht. Maar zijn lange baard, tot de wortels verzengd, had hem behoed voor brandwonden.…
Hij zag Harimona liggen, sprong op haar toe.
„Ben di gewond, liefste?” riep hij smartelijk.
„Neen, neen … help mi … help mi …”
Opnieuw volgde een ontploffing. Nu spoot een straal van ’t trage vocht uit den grond en een dikke rookwolk begon langs de geheele lengte van de lijn op te stuwen. De schok had Sogol een eind opgeworpen in de lucht, maar hij viel terug op de kroon van den boom waarop hij veerde, hoewel enkele takken in zijn lichaam drongen. Hij voelde de pijn niet, stond op, trok Harimona onder de takken weg en haar optillend, snelde hij met haar weg van de gevaarlijke plek. Achter zich hoorde hij nogmaals een knal en nogmaals en ’t geheele boschje stond in dikke en zwarte, stinkende rook, waartusschen het goud en rood der vlammen met vuursplinters oplaaide …
Buiten den wind bleef Sogol staan en keek naar ’t brandende boschje.
„Gelooft di nu?” vroeg Harimona, wier gelaat geheel zwart was geworden door den walm. „Nu heeft de doode draak nog vuur gespuwd … ziet di het nu … du ongeloovige!”
In hare ontzetting zag zij hem met verschrikte oogen aan en haar stem klonk verwijtend.[88]
„Verbrand mee, als du vreest!” antwoordde Sogol verachtelijk, de stukken tak, die in zijn linker arm en in zijn dij waren gedrongen er uittrekkend, waardoor het bloed naar voren kwam en begon langs zijn arm en zijn been te sijpelen.
En haar de bloedende arm dicht voor ’t gelaat houdend, zeide hij:
„Kom … genees deze wonden nu door dijn heiligheid … stelp dit bloed op dit oogenblik en ik zal gelooven …”
Zij keek naar de wonden met blikken, waaruit de wil en het verlangen om te genezen spraken … Maar het bloed bleef vloeien en stremde zwartrood op de huid …
„Ik kan niet!” zeide zij, „ik kan niet … Bind toch dijn kleed er om … du zult verbloeden …”
„Zóó genezen kan ik ook … en die daar, den draak zal ik ook wel leeren kennen …”
Hij keek om naar water en zag Haun, die doodsbleek en klappertandend naar zijn meester kwam.
„Jongen, haal water voor dijn meester … gauw …” riep Harimona. „Dáár is een kreek …”
En zij wees op een regenwelletje, waarbij de paarden stonden, die met vooruitgestoken kop, snuivend van angst, naar ’t brandende vuur zagen, door hun kluisters alleen verhinderd om er in te galoppeeren.
Hij schepte water in zijn lederen jachtbuis en bracht het naar Harimona, die een stuk van haar lijnwaden onderkleed scheurend, de wonden bette en verbond.
Sogol liet zich lijdzaam behandelen, zijn gedachten waren bij den brand in het boschje. Nog steeds stegen de vlammen op en van tijd tot tijd hoorde hij een zwakke ontploffing, waarop dan een nieuwe uitlaaiïng van ’t vuur volgde. Daar ’t nog helder dag was, wierpen de vlammen geen lichtschijnsel over de vlakte en de wind dreef de rook in roetige wadems weg.
Nu hij verbonden was, dacht Harimona aan zich zelve.[89]Zij had, terwijl zij bij Sogol gebukt stond, heur los wit haar, dat langs haar gelaat viel, weggestreken en toen gemerkt, dat haar vingers zwart waren. Haun zeide haar nu, dat heur gelaat met roetwalm was bedekt. Daarom liep zij naar de kreek en wilde heur gelaat afwasschen. Maar het water liep van heur gelaat zooals van een zwanenrug, zoo vettig was het roet. Haun, die naderbij was getreden om zijn meesteres te helpen, zag het en liep snel zoekend langs den grond, speurend naar vogelmest. Toen bij op het hooge gras wat mest vond, bracht hij het haar. Maar zelfs nu ze ’t gelaat daarmede insmeerde, was het walm niet weg te wisschen.
Haun liep naar Sogol en vroeg hem raad. Sogol trad naderbij en overtuigde zich van de vetheid van den roetwalm.
„Het lijkt wel ievervet!” zei Haun.
Sogol zag hem met een snellen blik vol erkentelijkheid aan.
„Zoo, mijn jongen.… dat is beter dan bleek wegloopen.…” en zich tot Harimona richtend:
„Het zal met koud water niet gaan.… ik zal roode zuring koken.… daarmede zal di ’t wel weg kunnen wasschen.”
Hij plukte wilde zuringsteelen, legde ze in de holte van zijn bronzen schild, porde het vuur op, plaatste het schild op de gevorkte takken er boven, goot met Hauns jachthemd water in ’t schild en wachtte tot het water er in kookte. Toen bracht hij het schild aan Harimona en thans eerst kon zij ’t gelaat schoonwasschen.
„Nu zijt di blanker dan weleer!” zei hij schertsend.
„Maar du hebt dijn mooien baard verloren.… en het is of du jonger zijt geworden.… Hoe oud zijt di?”
„Vijf en twintig jaren.… en du?”
„Negentien jaren.…”
„Dat zijt di nog bijna een kind.…”
„Maar ik heb meer beleefd, dan menige oude vrouw … en dat heeft mi wijs gemaakt.… Ik heb di nooit gezegd,[90]waarom ik niet wilde, dat du Maresag zoudt ombrengen, vóór wij vluchtten.…”
„Hij had het verdiend, de schurk, de vrek.…”
„Haun,” zeide Harimona, „maak het schild van dijn heer schoon.”
Haun nam het schild op en liep er mede naar de kreek.
„Zeg geen booze woorden meer van Maresag, mijn geliefde.… Ik mag ze niet aanhooren.…”
„Staat di nu nog onder zijn invloed?”
„Neen.… maar weet, dat hij mijn vader is.…”
Zij lette schijnbaar niet op de verbazing van Sogol, maar ging voort:
„Mijn vader; niet alleen mijn wereldsche maar mijn bloed-vader is Maresag, de opperpriester. Mijn moeder was Anertha, deDruïdes, die met mijn vader in gemeenschap leefde. Toen ik geboren werd, gaf mijn vader mijn moeder bittere kruiden, zoodat haar borsten schrompelden en zij geen melk gaf. Want er waren vijanden van mijn vader, oude Druïden, die naar zijn plaats stonden. Zij beschuldigden Anertha van onkuischheid. Het Druïdending kwam bijeen en mijn moeder trad naakt voor de priesters, die haar ziende met de verschrompelde borsten, aan haar onschuld geloofden en over degenen, die den laster hadden verbreid werd gericht gehouden en men rukte ze de tongen uit, zoodat zij ellendig stierven, behalve een, die gevlucht was in ’t woud en zich wreken wilde. Hij wachtte mijn voedstermoeder op en doodde het kind in haar armen, meenende dat ik het was. Doch het was het kind van haarzelve. Mijne moeder was sedert zeer bevreesd voor mijn leven en zij besloot de bittere kruiden niet meer te gebruiken, opdat hare borsten weder zwellen zouden en zij mij zelve zou kunnen zoogen. Maresag merkte dat en wilde haar dwingen tot het gebruiken der bittere kruiden. Zij bleef weigeren, van moederliefde vervuld. Toen was mijn vader zeer bang,[91]want zoo het bedrog ontdekt werd wist hij, dat hem de marteldood wachtte.…”
Zij zweeg enzatin gepeinzen, starend naar het brandende boschje, waar de vlammen zachtjes aan verminderden.
„En toen?” vroeg Sogol.
„Toen.… toen.… toen heeft men mijn arme moeder dood in ’t bosch gevonden.… en zij was geteekend met het bloedige kruis, dat de wilde mannen in de borst van hun slachtoffers kerven.… en de borsten waren haar afgesneden en zij was geschoffeerd.…”
„Dat had Maresag gedaan.…”
„Ik mag het niet zeggen en niet doen zeggen.… laat ik nu zwijgen.… Maresag is mijn vader, bedenk dat.… Maar di wilde ik dit zeggen, omdat ik er een ter wereld moet hebben, die met mij mijn geheim draagt.… Du weet, wat men omtrent mij in de Renigo vertelde.… Het verhaal van de drachtige ree met de lichtende ster tusschen de ooren, de sprekende maan, de berg Wittewa, waar de kroon bewaard wordt.… dat alles was leugen.…”
„Dat is de oorsprong van onze mythen en sagen!” zei Sogol bitter.… „Alles misdaad, leugen en bedrog.… de waarheid is zwart, zwart als de nacht.… en het leven is leeg, bodemloos.… een vloek over het leven.…”
„Daarom mijn geliefde, voelde ik zooveel eerbied en ontzag voor di, toen ik zag hoe dapper du waart en hoe helderziend.… En daarom ook, daar du twijfelt, wil ik twijfelen en daar du ontkent, wil ik ontkennen.… want ik heb di lief, lief met een ontzaggelijken eerbied.… want moedig zijt di.… moedig boven allen, allen.… Toen ik door den slag van het drakenvuur werd teruggeworpen en onder den boomkruin lag, zag ik Haun vluchten en toen zag ik dijn gezicht.… dijn baard smeulde weg, het vuur spoot rondom di op.… maar in dijn oogen zag ik geen schrik en dijn leden beefden niet.… maar met groote, vragende blikken staardet di naar den wel, waaruit[92]’t zengende vuur opspoot en ik zag hoe dijn wil om te weten sterker was dan te leven.… En toen zijt di, niet achtend op ’t eigen gevaar over den vuurpoel heen naar mi toegesprongen om mi te redden.… Du hebt de gouden lindenkroon gehaald van den berg Rodewa moet ik die heeten … en den draak en den hond en de geit verwonnen. En de zeven reuzen, zijn dat niet de boomen van ’t boschje, die daar afgebrand zijn.…”
Zij wees naar ’t boschje. Zeven boomen hieven boven het smeulende boschje hun zwarte, verkoolde stammen op.
„Het is vreemd mijn geliefde,” zeide Sogol, naast haar gaande zitten en zijn arm om haar leest slaande, „er schijnt in al deze leugensproken der priesters vaak diep een waarheid te zitten, zooals in de bittere schaal van de walnoot een zoete kern kronkelt … En toch, leugens zijn het, misleidende, slechte leugens.…”
„En de zoete kern in die leugens mijn geliefde, dat is de waarheid van onszelf. De sagen en de mythen schijnen mij toe allen te gelijken op den boom uit het sprookje van de wonderfee … kent di het?”
„Neen … vertel het mi …!”
„Er was een wijzen koning in het verre land van Scandi, die oud was geworden en geen opvolger had. Toen was hij zeer bedroefd, want hij wist niet wien hij zijn kroon zou doen erven, zonder bevreesd behoeven te zijn, dat zijn rijk na zijn dood door een onwaardige zou worden bestuurd. Hij liep dag aan dag in het bosch te denken en vond geen middel om den waardigsten te kiezen. Toen ontmoette hij eindelijk een fee, die hem vroeg wat hem deerde.
„Maagd,” zeide hij, „ik ben oud en dicht nabij den dood. Mijn zonen zijn allen gestorven in den strijd voor het vaderland. Nu weet ik niet wien ik als opvolger zal aanwijzen.”
„Ik zal di helpen,” zeide de fee. „Hier in ’t bosch is[93]een wondervijver. Ieder, die er zich in spiegelt, ziet er zijn eigen beeld in, naar zijn eigen verbeelding. Zend degenen, die du meent, dat uw opvolgers zouden kunnen zijn, naar dien vijver en vraag hoe zij er zich in zien.”
Toen ging de koning terug en liet verkondigen, dat in het woud een vijver was, waarin elk zichzelf zou kunnen spiegelen, zooals hij was. Tien mannen werden uitverkoren om in den vijver zich te spiegelen en wie de waardigste was, zou den troonopvolger zijn.
De tien mannen gingen naar den wondervijver en de koning stond aan den oever en hoorde, wat elkeen zeide, die in den vijver had gekeken.
De eerste, die zijn spiegelbeeld zag, zeide: „Koning, ik zie mij met een gouden kroon op ’t hoofd.” De tweede zeide: „Koning, ik zie mij met een purperen mantel aan.” De derde zeide:„Koning, ik zie mij zittende op een troon.” De vierde zeide: „Koning, ik zie mij met een schepter in de hand.” De vijfde zeide: „Koning, ik zie mij, met het koningszwaard voor den schouder.” De zesde zeide: „Koning, ik zie mij met een lichtkrans om ’t hoofd.” De zevende zeide: „Koning, ik zie mij, staande op uw schouderen.” De achtste zeide: „Koning, ik zie mij, staande aan uw sterfbed en uw vinger wijst mij aan.” De negende zeide: „Koning, ik zie de schimmen van uw zonen, die mij op het schild heffen …”
De koning echter, die al deze negen mannen had aangehoord, voelde zich bedroefder dan ooit. Want hoe zou hij kiezen komen tusschen zooveel uitverkorenen. De tiende man nu, die de laatste was, die zich in den vijver zou spiegelen, omdat hij reeds van het begin nadenkend terzijde had gestaan, bleef wachten als schroomde bij, om zich te spiegelen.
„Waarom spiegelt du di niet?” vroeg de koning verwonderd.
„Koning,” antwoordde de tiende man, „is het wel noodig,[94]dat ik de keus nog verzware, waar er zoovelen uitverkoren zijn.”
„Spiegel di,” gebood de Koning.
Toen schreed de man nader en boog zich over den vijverrand. Maar hij bleef gebogen wachten en scheen beschaamd om zich weder op te richten.
„Wat ziet di?” vroeg de koning eindelijk ongeduldig.
Nu richtte de tiende man zich langzaam op en de koning zag, dat een traan langs zijn wangen biggelde en in den vijver dropte.
„Sta op!” zeide nu de wijze koning, den tienden man met zijn schepter aanrakend, „du zijt uitverkoren!”
„Hoe juist!” riep Sogol uit.…
„Ik denk dikwijls aan dat sprookje, mijn geliefde. Is die wondervijver niet als het leven der oude tijden, zooals wij dat onthouden in onze mythen en sagen.… wij allen die er ons in spiegelen, zien onszelf zoo gaarne als waardig om de navolgers der grooten te zijn.… en maar een enkele beseft zijn eigen nietigheid.…”
„Neen.… neen.… die vijver is het geheele leven.… en wie zich er in spiegelen zijn de menschen.… de menschen, die zich koningen wanen en alléén een heele, enkele wijze weent—want hij weet, dat hij het koningschap dezer wereld onwaardig is.… kom, wellieve, het vuur sintelt nog maar na.… wij zullen gaan onderzoeken, wat er met den draak gebeurd is.…”
„Zij keek hem liefdevol aan en dan, met een zacht droevig, schertsend lachje, zei zij:
„Ja, laten wij gaan.… wellicht dat de oude koning ook di met zijn schepter aanraakt …”
„De oude koning Wod … hij daar?” spotte Sogol, wijzend in den hooge. „Hoe zou hij? Is al niet lang onttroond? Kom Haun! riep hij wat luider, tot den jongen, die ’t bronzen schild blank had gepoetst met fijn zand en ’t nu met een stuk vossevel opwreef, „wij gaan naar ’t vet van den iever zien!”[95]
„Daar draagt hij den wondervijver aan!” schertste Harimona, toen ze zag hoe Haun, het blinkende schild hooghoudend om de vrucht van zijn arbeid te toonen, nader kwam.
„En wel mag du di er in spiegelen, wellieve!” zeide Sogol. „Maar weenen moogt di niet, want zoo schoon als du bent, was nooit een koningsdochter!”
„Du bent vol goeden moed, meester.”
„Die kleine muzikant heeft mi de oplossing van ’t raadsel van ’t brandende drakenbloed gebracht.… komt mee.… ik zal ’t di zeggen.”
De grond was nog warm in ’t boschje, dat geheel uitgebrand was. De zeven naakte boomstammen staken met hun verkoolde stampen meewârig op uit den zwartig-grauwe grond, waar nog sintels nagloorden.
Sogol trad voorzichtig naar de kuil, waar de drakenkop uit opstak, nu omhoog gewerkt tot aan den nek, maar witblank doorgegloeid, een geraamtekop. Sogol zag de diepe gaten der oogkassen en de machtige kaak met de platte groote tanden met verwondering aan.
„Hij heeft tanden als een groote bul,” meende Haun.
Weer keek Sogol den jongen met innige erkentelijkheid in de oogen aan.
„Du, schrandere vos, uit di zal wat goeds groeien.… Het zijn werkelijk groote bulletanden”… zei hij voortgaande tot Harimona … „en deze draak is geen roofdier geweest, anders zou hij tanden hebben als een beer of een wolf.… Dat zijn de tanden van een goedig vee.… die draak heeft gras gevreten.… of vruchten.… maar dan alleen bramen en appels.… want knagen zooals een eekhoorn heeft hij niet gekund.…”
Hij liep terzij van de opengespleten gewelfde lijn.… stond stil bij het gat, waar hij de vlammende fakkel had ingestoken.… het was bruin uitgebrand, met korsten van een zwartige, vettige, nagloeiende massa. Maar er staken geen beenderen uit.…[96]
„Ziet eens hier.… de draak was niet zoo lang als ik dacht.… hij was in ’t midden doorgebroken.… Daar lag zijn kop.… Daar lag zijn kop.… en hier zijn staart.… Ik zal eens peilen waar zijn achterdeel begint.”Maar toen hij zijn zwaard een eind verder in den grond stak, moest hij ’t ijlings terugtrekken en loslaten.… zoo warm werd het onder den grond. Daar borrelde de trage, dikke, zwarte massa nog op kookhitte.
Sogol tornde een paar draden uit het onderkleed van Harimona, draaide ze tot een pit en doopte ze in de gloeiende massa. Toen liep hij een eind terzijde en hield de pit tegen een smeulende tak, die hij tot een vlam aanblies.
De pit vatte vlam en brandde spoedig helder op. Sogol wierp haar op den grond en trapte haar uit.
„Haun heeft gelijk gehad.… ievervet en tanden als een bul.… die draak is geen draak geweest.… dat was een groot dier.… een heel groot dier.… Maar waar is het vandaan gekomen? De kop zal wel ’t meest op dien van een reuzensalamander hebben geleken.… zie di wel Harimona.… denzelfden vooruitstekenden bek.… maar deze hier heeft tanden gehad, platte tanden gelijk het goedmoedige vee.… Het is zijn vet, dat gebrand heeft … die zwarte brei is zijn vet geweest.… zooals het varken in een vetlaag zit.…”
„Waarvan zouden die knallen gekomen zijn?” vroeg Harimona. Nu zij dicht bij den kop stond, de reusachtige beenderen zag, zonder vrees thans nauwkeurig toekeek, begon ook zij aan de echtheid van den draak te twijfelen. Zeker, haar geliefde had gelijk. Wanneer Maresag den draak zou ontdekt hebben zou hij hem gebruikt hebben om het volk vrees en ontzag in te boezemen. Hoe eerlijk was haar geliefde. Indien hij den kop van den draak had medegenomen, gindsch in zijn rijk gestoft zou hebben op zijn gevecht met den draak en de verovering, zou hij zeker begroet zijn als de moedige prins, die den gruwelijken[97]draak had bevochten en overwonnen. Maar hij dacht zelfs niet aan die bedriegerijen. Hij was oprecht en waar.
„Ik herinner mij,” zeide Sogol, „dat ik eens als jongen met kornuiten in ’t bosch spelend het kreng van een ever vond, die daar was gestorven.
„Hij was zeer dik en gezwollen en wij, meenende, dat het dier drachtig was geweest, staken nieuwsgierig een fram in zijn vel.… Toen steeg uit het dier een stank op, zoo verpestend, dat wij allen wegliepen en één van de jongens bezwijmde. De stank volgde ons een heel eind en thuis kwamen de honden ons besnuffelen en blaften en zochten, alsof zij wild speurden. Ons was het, alsof wij dien stank nog altijd inademden en wij werden door onze ouders uit de hutten gezonden om ons te baden …
„Die stank van dat ieverkreng kwam sissend door ’t vel naar buiten … Toen heb ik niet beproefd of ’t ieverbloed branden kon … maar het had heel goed kunnen zijn, dat die stank toen ook met een knal was ontvlamd …
„Hoe lang ligt de draak hier?… Niemand heeft ooit zoo’n dier levend gezien … de regen heeft hier in ’t boschje den grond omgewoeld en misschien hebben stinkbronnen, juist als in de Ravenstroth opspuitend, hem uit de diepte omhoog gewerkt … Hoe lang is het geleden, sinds de draak hier verrekte? Wel vóór hier de eerste boom groeide, want in dit boschje had hij zich niet kunnen bewegen … kijk dien breeden kop … hoe zou hij tusschen de boomen doorgekomen zijn, zonder ze te breken …”
Hij bleef een tijd zwijgen, in nadenken verzonken.
„Wij kunnen nu naar mijn koninkrijk optrekken Harimona. Laten wij nog eens langs de gebogen linie loopen … Het vuur heeft voor ons de graversarbeid gedaan … Ziet eens die ribben … Ze zijn zoo hoog als een paard en zoo breed als mijn schild … Wat gruwelijk aanzien moet dat reuzenbeest gehad hebben … Maar gevaarlijk was hij toch niet, met zijn platte tanden en misschien wel even goedig als[98]een koe … Hier is ’t gat weer … ziet di … hij is doormidden gebroken … maar hoe komen de twee deelen zoo ver van elkaar? Hier in dit gat, waar de knal uitkwam, is uit beide deelen van ’t lichaam het vet heengesijpeld …”
Zij liepen een eind voort en kwamen nu aan ’t andere deel van het dier.
„Hier vangt het lichaam weer aan … tot dáár, waar de staart nog opsteekt …”
Hij snelde vooruit, bemerkend dat de staart niet door ’t vuur was aangetast. En den staart nauwkeurig beschouwend, bevond hij, dat zijn veronderstellingen juist waren geweest. Een zwartige, vettige massa, die hij met den vinger kon indeuken, zat als klei om de beenderen gekleefd.
„Schubben heeft hij ook gehad!” zei Sogol tot Harimona, wijzend op de schubvormige omtrekken van de zwarte massa.
Hij sneed de punt van den staart van den draak af en nam die mede. Toen traden zij terug, ontkluisterden de paarden, stegen op en reden verder naar de Nervische gouwen.
„De helden uit de sagen namen de koppen van de draken mede, die zij hadden gedood,” zeide Harimona. „Maar du neemt den staart mede!”
„Ik wilde een herinnering hebben en de kop zou te zwaar voor mijn paard zijn geweest … Weet di, Harimona, du spreekt van de helden der sagen. Vroeger heb ik die sagen altoos voor leugenpraat gehouden, die de priesters hadden verzonnen om het volk te bedriegen. Maar nu ik dat dier heb gezien, ga ik twijfelen. De kern van de noot is weer zoet en alleen de schaal bitter en waardeloos. Waarom zouden de groote voorvaderen niet met deze dieren gestreden hebben? En later, toen de dieren waren gestorven en de voorvaderen ook, hebben de priesters goden gemaakt van de helden en draken van de groote hagedissen …”[99]
„Hoe weet di toch alles.… alles.… alles.… mijn geliefde!”
„Het is niet zoo moeielijk, wellieve.… Men moet maar durven.… altoos door durven.… ook de waarheid is een draak, die men het hol der verdichting moet uitdrijven!”[100]
1Wand = Gewanne, Gewende = 450 voet, de afstand van een ploegwending. (Pfeiffers „Germania” dl. 17).↑2Nachtreizen. De oude Germanenrekendenbij nachten, dus dagreis kon hier niet gebruikt worden.↑
1Wand = Gewanne, Gewende = 450 voet, de afstand van een ploegwending. (Pfeiffers „Germania” dl. 17).↑2Nachtreizen. De oude Germanenrekendenbij nachten, dus dagreis kon hier niet gebruikt worden.↑
1Wand = Gewanne, Gewende = 450 voet, de afstand van een ploegwending. (Pfeiffers „Germania” dl. 17).↑
1Wand = Gewanne, Gewende = 450 voet, de afstand van een ploegwending. (Pfeiffers „Germania” dl. 17).↑
2Nachtreizen. De oude Germanenrekendenbij nachten, dus dagreis kon hier niet gebruikt worden.↑
2Nachtreizen. De oude Germanenrekendenbij nachten, dus dagreis kon hier niet gebruikt worden.↑