HOOFDSTUK VI.

[Inhoud]HOOFDSTUK VI.Bij de Dantubaren leden zij nu al drie weken honger. Zij hadden de geroofde leeftocht zuinig verbruikt, maar ’t reikte niet lang. Toen waren de sterkste mannen opnieuw op strooptochten uitgegaan en ’t weinige dat nog overbleef, hadden ze als voedsel voor onderweg medegenomen. De vrouwen, de kinderen, de zieke mannen en de grijsaards bleven achter zonder ander voedsel dan het gras, dat ze uit moesten hakken uit den ijsvloer, die de heele Torngou als met een reusachtig bronzen schild bedekte. Omdat ze te zwak waren om hout te kappen, hadden ze de hutten verlaten en woonden in groote diepe holen bij elkaar, die daar nog waren uit den tijd toen de wildemannen, die hier hadden gehuisd, waren verdreven. In die holen lagen ze bijeen, vrouwen, kinderen, grijsaards, zieken, dicht op elkaar gedrongen om warmte te zoeken en met doffe berusting wachtend op de terugkomst van de stroopers.Maar de vale schemer, die ’s daags door de holgaten kwam en ’s avonds verduisterde keerde weer, telkens weer en de mannen kwamen niet terug. Zij zaten tot hoopen bijeen, met doffe oogen en kleurlooze wangen, allen vermagerd tot op de beenderen zoodat de lichamen der jonge maagden niet waren te onderscheiden van die der grijsaards. Velen waren te zwak om zich op te richten en lieten hun uitwerpselen loopen, zoodat ze ook de anderen bevlekten. Die wat sterker nog waren, sleepten zich naar een hoek om hun gevoeg te doen maar vandaar walmde een zoele, dikke verpestende stank, die zwaar hing in ’t hol. Soms stierf er een tusschen de anderen in, maar de anderen waren te zwak om het lijk weg te dragen en zij[57]bleven dagen achtereen op den verstijfden doode liggen tot anderen, door hun kermen gestoord, ’t lijk wegtrokken en naar den hoek sleurden, waar ’t lag te vergaan.Ook kregen ze watergebrek. Want de enkelen die zich naar den ingang van ’t hol hadden gesleept om daar buiten klompen sneeuwijs los te bikken, kwamen niet terug en de anderen, die om de kameraden riepen zagen ze liggen, door koude bevangen, zwart bevroren met de klomp ijs, die zij hadden willen brengen nog in de houterige knuisten gekneld.Er waren moeders die waanzinnig waren geworden, ’t verhongerde kind in de armen nog drukkend als ’t al lang gestorven was. Dan stonden ze in waanzinswoede op en wankelden naar den uitgang en gilden onsamenhangende klanken, die dof in ’t hol echoden. Ook waren er koortsige zieken, die maar steeds ’t zelfde woord, zuchtend en kreunend herhaalden of anderen, die ijlden en spraken van honigkoeken en meê en kaas, zoo met herinneringen de anderen nog tergend. Er waren zoo twintig holen elk met drie tot vierhonderd menschen—tot zoo een klein aantal was de eens zoo groote en fiere stam der Dantubaren samengesmolten, sedert jaren gedecimeerd door honger en klimaatziekten. Want de Dantubaren waren uit ’t Zuiden gekomen, verdreven uit een warm, mild klimaat door aardbevingen, die dáár ’t verblijf langer onmogelijk hadden gemaakt. Steeds noordwaarts trekkend, hadden zij door geheel Gallië zich door de daar wonende stammen moeten doorslaan, omdat overal de streken reeds bewoond waren. Steeds verder noordwaarts opgedreven, verminderend in getal maar door de vele gevechten geoefend en onvervaard geworden, waren zij ten laatste in de vruchtbare Torngou gekomen, waar zij een bevolking van holbewoners aantroffen, die geheel naakt, behaard gelijk dieren, de kinderen tot den jongelingsleeftijd gelijk dieren nog kruipend op handen en voeten, leefden van rauw gras, kruiden en[58]boomvruchten. Want zij verstonden de kunst niet, vuur te maken. Zij hadden geen andere wapens dan hun tanden, steenen en hertengeweien, die zij in de bosschen vonden. Als de Dantubaren verschenen, schoolden de holbewoners bijeen en toen, op hen aanrennend, vielen ze hun aan gelijk honden of wolven, naar voren springend op handen en voeten, de monden grommend open en hun tegenstander den strot trachtend door te bijten.De Dantubaren met hun Etrurische zwaarden stietten de wildemannen als beesten neer en voor zooverre ze niet vluchtten werden ze uitgeroeid. Levend werden de wilde mannen die krijgsgevangen waren gemaakt begraven, naar de gewoonte der Dantubaren. In de Torngou waren zij blijven wonen en sloten verbonden met de Frisen, de Batouwers, en de andere stammen rondom. Zij waren knappe landbouwers, leerden de andere stammen het zaaien van goudgraan, het weven van driekleurige gewaden en het looien van runderhuiden. Ook namen veel stammen hun goden aan, daar deze grootere macht bezaten dan de zwarte steen en Thius. Zij waren het ook, die Wotan en Donar in de Batouw tot oppergoden deden uitroepen. Doch gewend aan een warm klimaat, verzwakte de stam der Dantubaren. De mannen, bij hun komst reeds kleiner dan de Batouwers en Kaninefaten en Frisen, werden nog kleiner van lichaamsbouw, zoodat zij in den strijd niet tegen hun buren opkonden. Hun zwaarden, van een vreemd metaal, versleten langzamerhand en nieuwen konden zij niet maken, daar zij het metaal niet vonden in deze streken. Toen de oogsten mislukten en zij door den honger gedwongen, eerst hun have moesten ruilen voor leeftocht en toen op rooftocht uitgaan, werden zij door de naburige stammen getuchtigd. Zoo was dan slechts deze kleine stam van de Dantubaren overgebleven, na zes geslachten reeds geheel ontaard en met half-vergeten tradities.Er was onder de hongerenden in één hol nog een enkele[59]grijsaard, die herinnering had aan de goede tijden van weleer. Hij vloekte op de goden, de ellende wijtend aan de vijandige oude goden, die van den zwarten steen en aan Thius, die door de nieuwe goden verdrongen waren. Hij bezwoer de jongelieden, wanneer ze in leven zouden blijven, Wotan en Donar weder af te zweren en de oude landsgoden te aanbidden, die in deze streken alleen de macht hadden. De holen hadden geen gemeenschap meer met elkaar, want niemand waagde zich naar buiten—vreezend te zullen bevriezen. Maar in één hol, waar veel jonge vrouwen waren opgehoopt, die vreezend voor het geweld van de grijsaards en de zieke mannen, bij elkaar waren gaan schuilen, hadden de hongerenden een gang gegraven onder den grond door, omdat zij zoo eetbare wortels vonden van diepgroeiende planten. En voortgravend waren zij toen aan het hol gekomen, waar de grijsaard lag. De vrouwen hadden de stamgenooten medegedeeld van de wortels en daar zij kleederen hadden, wikkelde eene zich in de gewaden aan veel anderen en zoo, tegen de koude beschut, kan zij naar buiten gaan om ijs te halen.Dat bracht eenige lafenis en nu wekte de priester de vrouwen op, den zwarten steen te gaan halen van de grens en die naar het hol te brengen. Zoo vurig en overtuigend had hij gesproken, dat ten slotte een twaalftal vrouwen besloten de oude godheid te gaan zoeken. Zij kleedden zich met alle gewaden, die in de holen waren en eens buiten, liepen zij naar de hutten, verzamelden de huiden en zoo, geheel in pelzen gebakend, reden zij met een wagen naar de grens, zich voedend met gras, wortels en moes van dorre bladeren. Maar aan de grens werden zij opgewacht door de gewapende Batouwers, die haar in heur pelzen voor mannen aanziende, te lijf gingen. Doch zij gilden met heur hooge stemmen, rukten zich de pelzen van ’t lichaam, toonden heur borsten en schaamdeelen en smeekten om deernis. De Batouwers, ziende dat zij vrouwen voor zich[60]hadden lieten af en meenend, dat zij om hun mannen kwamen, vertelden zij, dat zij de mannen allen hadden neergehouwen, omdat ze op roof waren uitgegaan.De vrouwen jammerden en enkele Batouwsche vrouwen brachten haar wat brood en kaas, hoewel ze zelve bijna nood hadden. Daarna hadden zij den zwarten steen op de kar geladen en toen trokken ze weder naar het hol terug. Dien nacht was het nieuwe maan en het weer sloeg om. Het ving aan te dooien en in het woud, waar zij doorheen trokken, begon het al zachtjes van de takken te druppen. De maagden meenden dat dit het begin der wonderkracht van den goddelijken steen was, en dat was haar een troost in haar groote droefenis om den dood van de sterkste mannen van den stam. Tegen den morgen kwamen zij doodelijk vermoeid met den steen voor het hol aan. Zij riepen die in ’t hol waren naar buiten, zeggende dat het dooide. Een zwak gejuich ging op en de menschen kropen naakt uit het hol en buiten gekomen, begonnen zij den vochtigen grond te lekken om hun dorst te stillen. Zij waren vaalbleek in ’t gelaat, het geheele lichaam groezelig besmeurd met aarde en drek en velen haddenontstokenoogen, etterende wonden. Toen de maagden vertelden, dat de mannen, die op roof waren uitgegaan, door de Batouwers waren doodgeslagen, gromden zij als dieren en daar velen zich uit zwakte niet meer konden oprichten, geleken zij op dit oogenblik op de wildemannen, die hun voorvaderen hadden verjaagd. De grijsaard liet den zwarten steen opstellen op de mede en toen waarschuwden de maagden ook de lieden in de andere holen. Die kwamen nu ook naar buiten kruipen, knipoogend met ontstoken oogen tegen het daglicht. Zij kropen als dieren langs den grond, zoo verzwakt waren zij en velen begrepen niet wat er gebeurde, verwezen geworden in de vele dagen dat zij hongerend in het half duister der muffe, broeierige holen hadden gelegen. Bij twee holen kregen de vrouwen geen antwoord. Een[61]harer wilde binnendringen door de luchtgang, maar zij tradt terug en begon te braken zoo walgelijk was de stank die haar tegensloeg. De maagden riepen nogmaals en nogmaals, dat het dooide, dat de heilige steen was opgesteld, maar zij kregen geen antwoord. Toen keken zij elkaar zwijgend aan en liepen treurig verder. In die holen waren alle menschen van honger en ellende gestorven. Ze lagen er in ’t half duister tegen elkaar, grijsaards, knapen, meisjes, moeders met zuigelingen en maagden, een dichte hoop stinkende lijken in plassen drek en vocht.De grijsaard riep allen om den heiligen steen bijeen, doch maar enkelen konden loopen. De meesten, op handen en knieën voortkruipend, sleepten zich naakt door het smeltende, grijze sneeuwwater. Sommigen bevangen door het licht en de buitenlucht vielen terzij en lagen liggend op de smeltende ijskorst, die grijszwart om hen heen dooide. Anderen konden niet voort wegens hun zwakte en wilden weer terugkruipen naar het warme hol. Maar ook daarvoor ontbrak hun de kracht en zoo bleven zij steunend en rillend zitten en keken naar den zwarten steen van den ouden god op de mede, waar de sterkeren nu al een donkeren kring omheen vormden op het vaalwitte vlak van ’t bevroren sneeuwveld-in-dooi.De grijsaard zeide zich te herinneren, dat rondom den steen een vuur moest worden gemaakt en keek naar de takken van ’t struikgewas alsof hij met zijn oude, slijmige oogen de takken van de struiken kon halen. Maar er was er onder allen geen, die nog genoeg kracht had om naar ’t struikgewas te gaan om hout te sprokkelen.De anderen keken ook naar ’t struikgewas en de twaalf maagden, hoewel vermoeid van de lange reis en het sleepen van den zwaren steen, den heelen nacht door, zochten over het veld tot den einder of niet ergens nog een houtstapel boven de sneeuw uitstak. En één harer wees den vinger naar een zwartig punt heel ver.… vragend of dat geen[62]houtmijt was? Een der zieke mannen, die vroeger zeeman was geweest maar door een buis de beenen had gebroken en sedert zich op krukken voortrukte, keek nu ook maar hij gaf een gil van schrik.„Dat zijn de wolven!” riep hij. En meteen, zijn krukken met een ruk neerzettend, begon hij zich daartusschen haastig naar het hol te slingeren. Anderen volgden hem, roepend: „De wolven! De wolven!” en zwakken, die niet tot den heiligen steen hadden kunnen kruipen, nu door den schrik aangevuurd, sleepten zich terug naar het hol. Ook waren er die, geen raad wetend om onder weg te komen, hun naakte lichamen languit op den grond legden en zoo zich om-en-omrollend het naaste hol trachtten tebereiken. Maar zij werden spoedig duizelig en bleven verdoofd liggen op het kleffe, kille sneeuwijs.„Vuur! Vuur! Wij moeten vuur maken om den god!” riep de grijsaard heesch. „Dan zal hij ons redden!” Daar waren enkele mannen uit een de verste holen, die nu naderden, die sterker waren dan de anderen. Zij hadden in het hol de vrouwen, de kinderen en de zwakken gedood en die rauw opgevreten.… en daarna hadden zij geloot en wie ’t lot trof was met een steen neergeslagen en dan in stukken gerukt en verzwolgen. Zeven mannen waren nog overgebleven, toen de maagden ze hadden geroepen en ze kwamen naar buiten, rechtop en niet vermagerd, maar hun lange haren en hun lange baarden en neerhangende knevels waren wit als die van grijsaards. Toen zij in de verte nu ook de wolven zagen naderen, een vaalroode driehoekige vlek die over ’t blauwgrijze veld scheen toe te komen glijden, deinsden zij niet terug maar gromden diep in de keel en zij staken de koppen vooruit en snoven de frissche lucht op.De maagden hadden met hun laatste krachten dor hout gezameld van de dichtbijzijnde struiken en de priester deed moeite omvuurte maken, door twee stukken hout tegen[63]elkaar te wrijven. Maar het smeltende sneeuwijs had de takken te vochtig gemaakt en de grijsaard was te uitgeput om hethoutdroog te wrijven. Hij keek vragend op, naar de zeven dikke mannen maar deze wilden hem niet helpen en hij, wel vermoedend waarmede zij zich gevoed hadden en hun onwil ziende schold:„Vervloekte lijkenazers!”Zij lachten en onder hun witte knevels schitterden hun lange tanden.De maagden, dit hoorende, begonnen van afschuw en ontzetting te gillen en een harer wilde een steen oprapen om dien naar de kerels te gooien, die maar bleven grijnzen. De steen zat nog vastgevroren aan ’t sneeuwijs en met dat zij nog gebukt stond, sprong een der kerels haar achter op den rug. Zij viel neer en hij wentelde haar om en volbracht zijn lust. De zes andere kerels, dat ziende, stortten zich nu ook op de maagden, die zich verweerden en eene haakte haar vinger in ’t oog van een der mannen en haalde het er uit. Hij kreet, gaf haar een trap voor de buik en toen zij kreunend neerviel, stortte hij zich op haar om zijn lust bot te vieren.De wolven kwamen nader.… en de grijsaard zag al de voorsten goed met de uitgerekte snoeten en de open muilen, waaruit damp stootte. Hij begon opnieuw een hout te draaien in de vork van een tak en nu vatte het hout vuur. Hij liet het even aanbranden en wierp er andere takjes op.… maar toen ’t hout begon te vlammen op den grond, ontdooide het sneeuwijs en zoo werd het weer nat en smeulde met dunne zwartige wolkjes, waarin de einden als vurige oogjes gloeiden. Hij blies met zijn korte, hijgende adem, maar hij kon ’t vuur niet doen oplaaien.De kerels, na aan hun lust voldaan te hebben, de wolven ziende naderen, vluchtten nu naar het naaste hol en kropen er diep in weg, voor ’t luchtgat de lijken duwend die zij daarbinnen vonden.[64]De maagden gilden en de wolven ziende naderenvluchtten zijook naar een ander hol.De zwakken, die niet meer weg konden schoolden saam, hopend zoo de wolven nog te kunnen weerstaan. Het was een troep van twintig uitgehongerde dieren, die van zeer verre kwamen, aangelokt door den reuk van menschenvleesch. Zoo verhongerd waren ze, dat onder de oogen van de Dantubaren, die ze ongewapend moesten afwachten er telkens achterbleven, op den rug rolden en de pooten in de hoogte stekend, dood bleven liggen van uitputting. De voorste wolf bereikte met een sprong den grijsaard maar deze bukte achter den heiligen steen en de wolf over hem heen springend viel neer en kon zich uit zwakte niet meer oprichten. Twee anderen wolven sprongen den voorsten wolf na. Telkenmale bukte zich de grijsaard en nu wierpen de twee wolven zich op den zieltogenden éérsten wolf en reten diens strot met de muilen open en begonnen aan ’t trekkende vleesch te eten. Het bloed sijpelde helderrood op de blauwgrijze sneeuw. De grijsaard nam een nog smeulenden tak en stak die naar de twee wolven uit, die de bebloede muilen oprichtend met vurige oogen naar den tak zagen maar de dwalmende rook opsnuivend deinsden zij terug en een kleinen jongen ziende, die bevroren voeten had gehad en daardoor zich slechts langzaam op de billen weg kon wippen, sprongen zij op den knaap toe en begonnen hem te verscheuren.De grijsaard nu zich bukkend, den smeulende tak vooruithoudend, wilde de beide dieren ook daar verjagen maar ziende, dat de knaap al zieltoogde, werd hem de lust te sterk en hij wierp zich op ’t half verscheurde, warme kreng van den eersten wolf en zijn tandelooze mond brengend aan de buikholte, begon hij gierig het warme bloed uit het dampende lichaam op te zuigen.De andere wolven hadden zich midden in de hoop der menschen geworpen. En nu waren menschen en wolven[65]één dikke, rollende, dampende, worstelende kluwen. Menschen en dieren beten zich aan elkaar vast en zogen het stroomende bloed op en kauwden op ’t krimpende vleesch, zoo uit het levende lichaam gebeten. En tusschen het krijten en gieren van de menschen en het janken van de wolven was geen onderscheid … Eén wolf werd een eind omhoog geworpen en smakte neer met gebroken pooten. Dadelijk vielen vier, vijf menschen op ’t gekneusde dier aan. Een greep den strot en worgde den wolf, terwijl de anderen al de tanden zetten in de pooten en met rukken van den nek, het harige vel afscheurden van ’t nog levende dier. En een man, die zijn tanden had gezet in den achterpoot en ’t bloed opzoog werd door een anderen wolf in ’t eigen been gepakt en nu, zich met een gil krimpend oprichtend en zich achterwaarts buigend, sprong een tweede wolf hem naar de keel en beet hem den strot door en bleef met zijn tanden in zijn keel hangend het bloed opslurpen uit ’t lichaam, terwijl de man zijn vingers, gekromd in doodsangst, haakte in de oogen van ’t dier.Zoo bleven de wolven en de menschen in een bloederige dichte hoop wentelen en kruipen op de vaalzwarte plek in de smeltende sneeuwkorst, die aan de randen roodaderde van wegstroomend bloed, tot de wolven verzadigd grommend wegslopen en bloederige, kreunende gestalten zich losmaakten uit den hoop, zich wegsleurden, een zwart spoor met roode strepen achter zich latend.Toen de wolven weg waren zag de grijsaard, gesterkt door ’t opgedronken lauwwarme wolvenbloed, uit het hol de lijken naar buiten duwen en de naakte kerels met de witte knevels en geelwitte baarden en lange witte haren kwamen voorzichtig en gebukt nader.… zij slopen naar de grauwwitte plek waar de krengen der opengescheurde wolven en de bloederige stukken der menschelijken lagen en grenzend met hun lange tanden, hurkten ze neer en begonnen hun maal te doen.… de stukken menschenvleesch[66]verkiezend boven de stukken dierenvleesch.… gulzig de monden wroetend in ’t blauwzwarte dampende vleesch, zoodat langs hun geelwitte baarden rood menschenbloed traag werd ingezogen en in zwarte, stollende droppels neerbiggelde langs hun bloote, behaarde borsten.…Toen richtte de grijsaard zich op en hun met de vuist dreigend, riep hij:„Vervloekt, vervloekt zullen de lijkenazers zijn, hier en bij Thius.… vervloekt, vervloekt tot in de eeuwigheid!”Toen liep hij naar de groote hut achter het bosch, terwijl de kerels, met de beide handen de brokken rauw menschenvleesch aan den mond brengend, met glinsteringen van genot elkaar toeknikten, knorrend schrapend met de groote, witte tanden in de rookende, bebloede hompen.[67]

[Inhoud]HOOFDSTUK VI.Bij de Dantubaren leden zij nu al drie weken honger. Zij hadden de geroofde leeftocht zuinig verbruikt, maar ’t reikte niet lang. Toen waren de sterkste mannen opnieuw op strooptochten uitgegaan en ’t weinige dat nog overbleef, hadden ze als voedsel voor onderweg medegenomen. De vrouwen, de kinderen, de zieke mannen en de grijsaards bleven achter zonder ander voedsel dan het gras, dat ze uit moesten hakken uit den ijsvloer, die de heele Torngou als met een reusachtig bronzen schild bedekte. Omdat ze te zwak waren om hout te kappen, hadden ze de hutten verlaten en woonden in groote diepe holen bij elkaar, die daar nog waren uit den tijd toen de wildemannen, die hier hadden gehuisd, waren verdreven. In die holen lagen ze bijeen, vrouwen, kinderen, grijsaards, zieken, dicht op elkaar gedrongen om warmte te zoeken en met doffe berusting wachtend op de terugkomst van de stroopers.Maar de vale schemer, die ’s daags door de holgaten kwam en ’s avonds verduisterde keerde weer, telkens weer en de mannen kwamen niet terug. Zij zaten tot hoopen bijeen, met doffe oogen en kleurlooze wangen, allen vermagerd tot op de beenderen zoodat de lichamen der jonge maagden niet waren te onderscheiden van die der grijsaards. Velen waren te zwak om zich op te richten en lieten hun uitwerpselen loopen, zoodat ze ook de anderen bevlekten. Die wat sterker nog waren, sleepten zich naar een hoek om hun gevoeg te doen maar vandaar walmde een zoele, dikke verpestende stank, die zwaar hing in ’t hol. Soms stierf er een tusschen de anderen in, maar de anderen waren te zwak om het lijk weg te dragen en zij[57]bleven dagen achtereen op den verstijfden doode liggen tot anderen, door hun kermen gestoord, ’t lijk wegtrokken en naar den hoek sleurden, waar ’t lag te vergaan.Ook kregen ze watergebrek. Want de enkelen die zich naar den ingang van ’t hol hadden gesleept om daar buiten klompen sneeuwijs los te bikken, kwamen niet terug en de anderen, die om de kameraden riepen zagen ze liggen, door koude bevangen, zwart bevroren met de klomp ijs, die zij hadden willen brengen nog in de houterige knuisten gekneld.Er waren moeders die waanzinnig waren geworden, ’t verhongerde kind in de armen nog drukkend als ’t al lang gestorven was. Dan stonden ze in waanzinswoede op en wankelden naar den uitgang en gilden onsamenhangende klanken, die dof in ’t hol echoden. Ook waren er koortsige zieken, die maar steeds ’t zelfde woord, zuchtend en kreunend herhaalden of anderen, die ijlden en spraken van honigkoeken en meê en kaas, zoo met herinneringen de anderen nog tergend. Er waren zoo twintig holen elk met drie tot vierhonderd menschen—tot zoo een klein aantal was de eens zoo groote en fiere stam der Dantubaren samengesmolten, sedert jaren gedecimeerd door honger en klimaatziekten. Want de Dantubaren waren uit ’t Zuiden gekomen, verdreven uit een warm, mild klimaat door aardbevingen, die dáár ’t verblijf langer onmogelijk hadden gemaakt. Steeds noordwaarts trekkend, hadden zij door geheel Gallië zich door de daar wonende stammen moeten doorslaan, omdat overal de streken reeds bewoond waren. Steeds verder noordwaarts opgedreven, verminderend in getal maar door de vele gevechten geoefend en onvervaard geworden, waren zij ten laatste in de vruchtbare Torngou gekomen, waar zij een bevolking van holbewoners aantroffen, die geheel naakt, behaard gelijk dieren, de kinderen tot den jongelingsleeftijd gelijk dieren nog kruipend op handen en voeten, leefden van rauw gras, kruiden en[58]boomvruchten. Want zij verstonden de kunst niet, vuur te maken. Zij hadden geen andere wapens dan hun tanden, steenen en hertengeweien, die zij in de bosschen vonden. Als de Dantubaren verschenen, schoolden de holbewoners bijeen en toen, op hen aanrennend, vielen ze hun aan gelijk honden of wolven, naar voren springend op handen en voeten, de monden grommend open en hun tegenstander den strot trachtend door te bijten.De Dantubaren met hun Etrurische zwaarden stietten de wildemannen als beesten neer en voor zooverre ze niet vluchtten werden ze uitgeroeid. Levend werden de wilde mannen die krijgsgevangen waren gemaakt begraven, naar de gewoonte der Dantubaren. In de Torngou waren zij blijven wonen en sloten verbonden met de Frisen, de Batouwers, en de andere stammen rondom. Zij waren knappe landbouwers, leerden de andere stammen het zaaien van goudgraan, het weven van driekleurige gewaden en het looien van runderhuiden. Ook namen veel stammen hun goden aan, daar deze grootere macht bezaten dan de zwarte steen en Thius. Zij waren het ook, die Wotan en Donar in de Batouw tot oppergoden deden uitroepen. Doch gewend aan een warm klimaat, verzwakte de stam der Dantubaren. De mannen, bij hun komst reeds kleiner dan de Batouwers en Kaninefaten en Frisen, werden nog kleiner van lichaamsbouw, zoodat zij in den strijd niet tegen hun buren opkonden. Hun zwaarden, van een vreemd metaal, versleten langzamerhand en nieuwen konden zij niet maken, daar zij het metaal niet vonden in deze streken. Toen de oogsten mislukten en zij door den honger gedwongen, eerst hun have moesten ruilen voor leeftocht en toen op rooftocht uitgaan, werden zij door de naburige stammen getuchtigd. Zoo was dan slechts deze kleine stam van de Dantubaren overgebleven, na zes geslachten reeds geheel ontaard en met half-vergeten tradities.Er was onder de hongerenden in één hol nog een enkele[59]grijsaard, die herinnering had aan de goede tijden van weleer. Hij vloekte op de goden, de ellende wijtend aan de vijandige oude goden, die van den zwarten steen en aan Thius, die door de nieuwe goden verdrongen waren. Hij bezwoer de jongelieden, wanneer ze in leven zouden blijven, Wotan en Donar weder af te zweren en de oude landsgoden te aanbidden, die in deze streken alleen de macht hadden. De holen hadden geen gemeenschap meer met elkaar, want niemand waagde zich naar buiten—vreezend te zullen bevriezen. Maar in één hol, waar veel jonge vrouwen waren opgehoopt, die vreezend voor het geweld van de grijsaards en de zieke mannen, bij elkaar waren gaan schuilen, hadden de hongerenden een gang gegraven onder den grond door, omdat zij zoo eetbare wortels vonden van diepgroeiende planten. En voortgravend waren zij toen aan het hol gekomen, waar de grijsaard lag. De vrouwen hadden de stamgenooten medegedeeld van de wortels en daar zij kleederen hadden, wikkelde eene zich in de gewaden aan veel anderen en zoo, tegen de koude beschut, kan zij naar buiten gaan om ijs te halen.Dat bracht eenige lafenis en nu wekte de priester de vrouwen op, den zwarten steen te gaan halen van de grens en die naar het hol te brengen. Zoo vurig en overtuigend had hij gesproken, dat ten slotte een twaalftal vrouwen besloten de oude godheid te gaan zoeken. Zij kleedden zich met alle gewaden, die in de holen waren en eens buiten, liepen zij naar de hutten, verzamelden de huiden en zoo, geheel in pelzen gebakend, reden zij met een wagen naar de grens, zich voedend met gras, wortels en moes van dorre bladeren. Maar aan de grens werden zij opgewacht door de gewapende Batouwers, die haar in heur pelzen voor mannen aanziende, te lijf gingen. Doch zij gilden met heur hooge stemmen, rukten zich de pelzen van ’t lichaam, toonden heur borsten en schaamdeelen en smeekten om deernis. De Batouwers, ziende dat zij vrouwen voor zich[60]hadden lieten af en meenend, dat zij om hun mannen kwamen, vertelden zij, dat zij de mannen allen hadden neergehouwen, omdat ze op roof waren uitgegaan.De vrouwen jammerden en enkele Batouwsche vrouwen brachten haar wat brood en kaas, hoewel ze zelve bijna nood hadden. Daarna hadden zij den zwarten steen op de kar geladen en toen trokken ze weder naar het hol terug. Dien nacht was het nieuwe maan en het weer sloeg om. Het ving aan te dooien en in het woud, waar zij doorheen trokken, begon het al zachtjes van de takken te druppen. De maagden meenden dat dit het begin der wonderkracht van den goddelijken steen was, en dat was haar een troost in haar groote droefenis om den dood van de sterkste mannen van den stam. Tegen den morgen kwamen zij doodelijk vermoeid met den steen voor het hol aan. Zij riepen die in ’t hol waren naar buiten, zeggende dat het dooide. Een zwak gejuich ging op en de menschen kropen naakt uit het hol en buiten gekomen, begonnen zij den vochtigen grond te lekken om hun dorst te stillen. Zij waren vaalbleek in ’t gelaat, het geheele lichaam groezelig besmeurd met aarde en drek en velen haddenontstokenoogen, etterende wonden. Toen de maagden vertelden, dat de mannen, die op roof waren uitgegaan, door de Batouwers waren doodgeslagen, gromden zij als dieren en daar velen zich uit zwakte niet meer konden oprichten, geleken zij op dit oogenblik op de wildemannen, die hun voorvaderen hadden verjaagd. De grijsaard liet den zwarten steen opstellen op de mede en toen waarschuwden de maagden ook de lieden in de andere holen. Die kwamen nu ook naar buiten kruipen, knipoogend met ontstoken oogen tegen het daglicht. Zij kropen als dieren langs den grond, zoo verzwakt waren zij en velen begrepen niet wat er gebeurde, verwezen geworden in de vele dagen dat zij hongerend in het half duister der muffe, broeierige holen hadden gelegen. Bij twee holen kregen de vrouwen geen antwoord. Een[61]harer wilde binnendringen door de luchtgang, maar zij tradt terug en begon te braken zoo walgelijk was de stank die haar tegensloeg. De maagden riepen nogmaals en nogmaals, dat het dooide, dat de heilige steen was opgesteld, maar zij kregen geen antwoord. Toen keken zij elkaar zwijgend aan en liepen treurig verder. In die holen waren alle menschen van honger en ellende gestorven. Ze lagen er in ’t half duister tegen elkaar, grijsaards, knapen, meisjes, moeders met zuigelingen en maagden, een dichte hoop stinkende lijken in plassen drek en vocht.De grijsaard riep allen om den heiligen steen bijeen, doch maar enkelen konden loopen. De meesten, op handen en knieën voortkruipend, sleepten zich naakt door het smeltende, grijze sneeuwwater. Sommigen bevangen door het licht en de buitenlucht vielen terzij en lagen liggend op de smeltende ijskorst, die grijszwart om hen heen dooide. Anderen konden niet voort wegens hun zwakte en wilden weer terugkruipen naar het warme hol. Maar ook daarvoor ontbrak hun de kracht en zoo bleven zij steunend en rillend zitten en keken naar den zwarten steen van den ouden god op de mede, waar de sterkeren nu al een donkeren kring omheen vormden op het vaalwitte vlak van ’t bevroren sneeuwveld-in-dooi.De grijsaard zeide zich te herinneren, dat rondom den steen een vuur moest worden gemaakt en keek naar de takken van ’t struikgewas alsof hij met zijn oude, slijmige oogen de takken van de struiken kon halen. Maar er was er onder allen geen, die nog genoeg kracht had om naar ’t struikgewas te gaan om hout te sprokkelen.De anderen keken ook naar ’t struikgewas en de twaalf maagden, hoewel vermoeid van de lange reis en het sleepen van den zwaren steen, den heelen nacht door, zochten over het veld tot den einder of niet ergens nog een houtstapel boven de sneeuw uitstak. En één harer wees den vinger naar een zwartig punt heel ver.… vragend of dat geen[62]houtmijt was? Een der zieke mannen, die vroeger zeeman was geweest maar door een buis de beenen had gebroken en sedert zich op krukken voortrukte, keek nu ook maar hij gaf een gil van schrik.„Dat zijn de wolven!” riep hij. En meteen, zijn krukken met een ruk neerzettend, begon hij zich daartusschen haastig naar het hol te slingeren. Anderen volgden hem, roepend: „De wolven! De wolven!” en zwakken, die niet tot den heiligen steen hadden kunnen kruipen, nu door den schrik aangevuurd, sleepten zich terug naar het hol. Ook waren er die, geen raad wetend om onder weg te komen, hun naakte lichamen languit op den grond legden en zoo zich om-en-omrollend het naaste hol trachtten tebereiken. Maar zij werden spoedig duizelig en bleven verdoofd liggen op het kleffe, kille sneeuwijs.„Vuur! Vuur! Wij moeten vuur maken om den god!” riep de grijsaard heesch. „Dan zal hij ons redden!” Daar waren enkele mannen uit een de verste holen, die nu naderden, die sterker waren dan de anderen. Zij hadden in het hol de vrouwen, de kinderen en de zwakken gedood en die rauw opgevreten.… en daarna hadden zij geloot en wie ’t lot trof was met een steen neergeslagen en dan in stukken gerukt en verzwolgen. Zeven mannen waren nog overgebleven, toen de maagden ze hadden geroepen en ze kwamen naar buiten, rechtop en niet vermagerd, maar hun lange haren en hun lange baarden en neerhangende knevels waren wit als die van grijsaards. Toen zij in de verte nu ook de wolven zagen naderen, een vaalroode driehoekige vlek die over ’t blauwgrijze veld scheen toe te komen glijden, deinsden zij niet terug maar gromden diep in de keel en zij staken de koppen vooruit en snoven de frissche lucht op.De maagden hadden met hun laatste krachten dor hout gezameld van de dichtbijzijnde struiken en de priester deed moeite omvuurte maken, door twee stukken hout tegen[63]elkaar te wrijven. Maar het smeltende sneeuwijs had de takken te vochtig gemaakt en de grijsaard was te uitgeput om hethoutdroog te wrijven. Hij keek vragend op, naar de zeven dikke mannen maar deze wilden hem niet helpen en hij, wel vermoedend waarmede zij zich gevoed hadden en hun onwil ziende schold:„Vervloekte lijkenazers!”Zij lachten en onder hun witte knevels schitterden hun lange tanden.De maagden, dit hoorende, begonnen van afschuw en ontzetting te gillen en een harer wilde een steen oprapen om dien naar de kerels te gooien, die maar bleven grijnzen. De steen zat nog vastgevroren aan ’t sneeuwijs en met dat zij nog gebukt stond, sprong een der kerels haar achter op den rug. Zij viel neer en hij wentelde haar om en volbracht zijn lust. De zes andere kerels, dat ziende, stortten zich nu ook op de maagden, die zich verweerden en eene haakte haar vinger in ’t oog van een der mannen en haalde het er uit. Hij kreet, gaf haar een trap voor de buik en toen zij kreunend neerviel, stortte hij zich op haar om zijn lust bot te vieren.De wolven kwamen nader.… en de grijsaard zag al de voorsten goed met de uitgerekte snoeten en de open muilen, waaruit damp stootte. Hij begon opnieuw een hout te draaien in de vork van een tak en nu vatte het hout vuur. Hij liet het even aanbranden en wierp er andere takjes op.… maar toen ’t hout begon te vlammen op den grond, ontdooide het sneeuwijs en zoo werd het weer nat en smeulde met dunne zwartige wolkjes, waarin de einden als vurige oogjes gloeiden. Hij blies met zijn korte, hijgende adem, maar hij kon ’t vuur niet doen oplaaien.De kerels, na aan hun lust voldaan te hebben, de wolven ziende naderen, vluchtten nu naar het naaste hol en kropen er diep in weg, voor ’t luchtgat de lijken duwend die zij daarbinnen vonden.[64]De maagden gilden en de wolven ziende naderenvluchtten zijook naar een ander hol.De zwakken, die niet meer weg konden schoolden saam, hopend zoo de wolven nog te kunnen weerstaan. Het was een troep van twintig uitgehongerde dieren, die van zeer verre kwamen, aangelokt door den reuk van menschenvleesch. Zoo verhongerd waren ze, dat onder de oogen van de Dantubaren, die ze ongewapend moesten afwachten er telkens achterbleven, op den rug rolden en de pooten in de hoogte stekend, dood bleven liggen van uitputting. De voorste wolf bereikte met een sprong den grijsaard maar deze bukte achter den heiligen steen en de wolf over hem heen springend viel neer en kon zich uit zwakte niet meer oprichten. Twee anderen wolven sprongen den voorsten wolf na. Telkenmale bukte zich de grijsaard en nu wierpen de twee wolven zich op den zieltogenden éérsten wolf en reten diens strot met de muilen open en begonnen aan ’t trekkende vleesch te eten. Het bloed sijpelde helderrood op de blauwgrijze sneeuw. De grijsaard nam een nog smeulenden tak en stak die naar de twee wolven uit, die de bebloede muilen oprichtend met vurige oogen naar den tak zagen maar de dwalmende rook opsnuivend deinsden zij terug en een kleinen jongen ziende, die bevroren voeten had gehad en daardoor zich slechts langzaam op de billen weg kon wippen, sprongen zij op den knaap toe en begonnen hem te verscheuren.De grijsaard nu zich bukkend, den smeulende tak vooruithoudend, wilde de beide dieren ook daar verjagen maar ziende, dat de knaap al zieltoogde, werd hem de lust te sterk en hij wierp zich op ’t half verscheurde, warme kreng van den eersten wolf en zijn tandelooze mond brengend aan de buikholte, begon hij gierig het warme bloed uit het dampende lichaam op te zuigen.De andere wolven hadden zich midden in de hoop der menschen geworpen. En nu waren menschen en wolven[65]één dikke, rollende, dampende, worstelende kluwen. Menschen en dieren beten zich aan elkaar vast en zogen het stroomende bloed op en kauwden op ’t krimpende vleesch, zoo uit het levende lichaam gebeten. En tusschen het krijten en gieren van de menschen en het janken van de wolven was geen onderscheid … Eén wolf werd een eind omhoog geworpen en smakte neer met gebroken pooten. Dadelijk vielen vier, vijf menschen op ’t gekneusde dier aan. Een greep den strot en worgde den wolf, terwijl de anderen al de tanden zetten in de pooten en met rukken van den nek, het harige vel afscheurden van ’t nog levende dier. En een man, die zijn tanden had gezet in den achterpoot en ’t bloed opzoog werd door een anderen wolf in ’t eigen been gepakt en nu, zich met een gil krimpend oprichtend en zich achterwaarts buigend, sprong een tweede wolf hem naar de keel en beet hem den strot door en bleef met zijn tanden in zijn keel hangend het bloed opslurpen uit ’t lichaam, terwijl de man zijn vingers, gekromd in doodsangst, haakte in de oogen van ’t dier.Zoo bleven de wolven en de menschen in een bloederige dichte hoop wentelen en kruipen op de vaalzwarte plek in de smeltende sneeuwkorst, die aan de randen roodaderde van wegstroomend bloed, tot de wolven verzadigd grommend wegslopen en bloederige, kreunende gestalten zich losmaakten uit den hoop, zich wegsleurden, een zwart spoor met roode strepen achter zich latend.Toen de wolven weg waren zag de grijsaard, gesterkt door ’t opgedronken lauwwarme wolvenbloed, uit het hol de lijken naar buiten duwen en de naakte kerels met de witte knevels en geelwitte baarden en lange witte haren kwamen voorzichtig en gebukt nader.… zij slopen naar de grauwwitte plek waar de krengen der opengescheurde wolven en de bloederige stukken der menschelijken lagen en grenzend met hun lange tanden, hurkten ze neer en begonnen hun maal te doen.… de stukken menschenvleesch[66]verkiezend boven de stukken dierenvleesch.… gulzig de monden wroetend in ’t blauwzwarte dampende vleesch, zoodat langs hun geelwitte baarden rood menschenbloed traag werd ingezogen en in zwarte, stollende droppels neerbiggelde langs hun bloote, behaarde borsten.…Toen richtte de grijsaard zich op en hun met de vuist dreigend, riep hij:„Vervloekt, vervloekt zullen de lijkenazers zijn, hier en bij Thius.… vervloekt, vervloekt tot in de eeuwigheid!”Toen liep hij naar de groote hut achter het bosch, terwijl de kerels, met de beide handen de brokken rauw menschenvleesch aan den mond brengend, met glinsteringen van genot elkaar toeknikten, knorrend schrapend met de groote, witte tanden in de rookende, bebloede hompen.[67]

[Inhoud]HOOFDSTUK VI.Bij de Dantubaren leden zij nu al drie weken honger. Zij hadden de geroofde leeftocht zuinig verbruikt, maar ’t reikte niet lang. Toen waren de sterkste mannen opnieuw op strooptochten uitgegaan en ’t weinige dat nog overbleef, hadden ze als voedsel voor onderweg medegenomen. De vrouwen, de kinderen, de zieke mannen en de grijsaards bleven achter zonder ander voedsel dan het gras, dat ze uit moesten hakken uit den ijsvloer, die de heele Torngou als met een reusachtig bronzen schild bedekte. Omdat ze te zwak waren om hout te kappen, hadden ze de hutten verlaten en woonden in groote diepe holen bij elkaar, die daar nog waren uit den tijd toen de wildemannen, die hier hadden gehuisd, waren verdreven. In die holen lagen ze bijeen, vrouwen, kinderen, grijsaards, zieken, dicht op elkaar gedrongen om warmte te zoeken en met doffe berusting wachtend op de terugkomst van de stroopers.Maar de vale schemer, die ’s daags door de holgaten kwam en ’s avonds verduisterde keerde weer, telkens weer en de mannen kwamen niet terug. Zij zaten tot hoopen bijeen, met doffe oogen en kleurlooze wangen, allen vermagerd tot op de beenderen zoodat de lichamen der jonge maagden niet waren te onderscheiden van die der grijsaards. Velen waren te zwak om zich op te richten en lieten hun uitwerpselen loopen, zoodat ze ook de anderen bevlekten. Die wat sterker nog waren, sleepten zich naar een hoek om hun gevoeg te doen maar vandaar walmde een zoele, dikke verpestende stank, die zwaar hing in ’t hol. Soms stierf er een tusschen de anderen in, maar de anderen waren te zwak om het lijk weg te dragen en zij[57]bleven dagen achtereen op den verstijfden doode liggen tot anderen, door hun kermen gestoord, ’t lijk wegtrokken en naar den hoek sleurden, waar ’t lag te vergaan.Ook kregen ze watergebrek. Want de enkelen die zich naar den ingang van ’t hol hadden gesleept om daar buiten klompen sneeuwijs los te bikken, kwamen niet terug en de anderen, die om de kameraden riepen zagen ze liggen, door koude bevangen, zwart bevroren met de klomp ijs, die zij hadden willen brengen nog in de houterige knuisten gekneld.Er waren moeders die waanzinnig waren geworden, ’t verhongerde kind in de armen nog drukkend als ’t al lang gestorven was. Dan stonden ze in waanzinswoede op en wankelden naar den uitgang en gilden onsamenhangende klanken, die dof in ’t hol echoden. Ook waren er koortsige zieken, die maar steeds ’t zelfde woord, zuchtend en kreunend herhaalden of anderen, die ijlden en spraken van honigkoeken en meê en kaas, zoo met herinneringen de anderen nog tergend. Er waren zoo twintig holen elk met drie tot vierhonderd menschen—tot zoo een klein aantal was de eens zoo groote en fiere stam der Dantubaren samengesmolten, sedert jaren gedecimeerd door honger en klimaatziekten. Want de Dantubaren waren uit ’t Zuiden gekomen, verdreven uit een warm, mild klimaat door aardbevingen, die dáár ’t verblijf langer onmogelijk hadden gemaakt. Steeds noordwaarts trekkend, hadden zij door geheel Gallië zich door de daar wonende stammen moeten doorslaan, omdat overal de streken reeds bewoond waren. Steeds verder noordwaarts opgedreven, verminderend in getal maar door de vele gevechten geoefend en onvervaard geworden, waren zij ten laatste in de vruchtbare Torngou gekomen, waar zij een bevolking van holbewoners aantroffen, die geheel naakt, behaard gelijk dieren, de kinderen tot den jongelingsleeftijd gelijk dieren nog kruipend op handen en voeten, leefden van rauw gras, kruiden en[58]boomvruchten. Want zij verstonden de kunst niet, vuur te maken. Zij hadden geen andere wapens dan hun tanden, steenen en hertengeweien, die zij in de bosschen vonden. Als de Dantubaren verschenen, schoolden de holbewoners bijeen en toen, op hen aanrennend, vielen ze hun aan gelijk honden of wolven, naar voren springend op handen en voeten, de monden grommend open en hun tegenstander den strot trachtend door te bijten.De Dantubaren met hun Etrurische zwaarden stietten de wildemannen als beesten neer en voor zooverre ze niet vluchtten werden ze uitgeroeid. Levend werden de wilde mannen die krijgsgevangen waren gemaakt begraven, naar de gewoonte der Dantubaren. In de Torngou waren zij blijven wonen en sloten verbonden met de Frisen, de Batouwers, en de andere stammen rondom. Zij waren knappe landbouwers, leerden de andere stammen het zaaien van goudgraan, het weven van driekleurige gewaden en het looien van runderhuiden. Ook namen veel stammen hun goden aan, daar deze grootere macht bezaten dan de zwarte steen en Thius. Zij waren het ook, die Wotan en Donar in de Batouw tot oppergoden deden uitroepen. Doch gewend aan een warm klimaat, verzwakte de stam der Dantubaren. De mannen, bij hun komst reeds kleiner dan de Batouwers en Kaninefaten en Frisen, werden nog kleiner van lichaamsbouw, zoodat zij in den strijd niet tegen hun buren opkonden. Hun zwaarden, van een vreemd metaal, versleten langzamerhand en nieuwen konden zij niet maken, daar zij het metaal niet vonden in deze streken. Toen de oogsten mislukten en zij door den honger gedwongen, eerst hun have moesten ruilen voor leeftocht en toen op rooftocht uitgaan, werden zij door de naburige stammen getuchtigd. Zoo was dan slechts deze kleine stam van de Dantubaren overgebleven, na zes geslachten reeds geheel ontaard en met half-vergeten tradities.Er was onder de hongerenden in één hol nog een enkele[59]grijsaard, die herinnering had aan de goede tijden van weleer. Hij vloekte op de goden, de ellende wijtend aan de vijandige oude goden, die van den zwarten steen en aan Thius, die door de nieuwe goden verdrongen waren. Hij bezwoer de jongelieden, wanneer ze in leven zouden blijven, Wotan en Donar weder af te zweren en de oude landsgoden te aanbidden, die in deze streken alleen de macht hadden. De holen hadden geen gemeenschap meer met elkaar, want niemand waagde zich naar buiten—vreezend te zullen bevriezen. Maar in één hol, waar veel jonge vrouwen waren opgehoopt, die vreezend voor het geweld van de grijsaards en de zieke mannen, bij elkaar waren gaan schuilen, hadden de hongerenden een gang gegraven onder den grond door, omdat zij zoo eetbare wortels vonden van diepgroeiende planten. En voortgravend waren zij toen aan het hol gekomen, waar de grijsaard lag. De vrouwen hadden de stamgenooten medegedeeld van de wortels en daar zij kleederen hadden, wikkelde eene zich in de gewaden aan veel anderen en zoo, tegen de koude beschut, kan zij naar buiten gaan om ijs te halen.Dat bracht eenige lafenis en nu wekte de priester de vrouwen op, den zwarten steen te gaan halen van de grens en die naar het hol te brengen. Zoo vurig en overtuigend had hij gesproken, dat ten slotte een twaalftal vrouwen besloten de oude godheid te gaan zoeken. Zij kleedden zich met alle gewaden, die in de holen waren en eens buiten, liepen zij naar de hutten, verzamelden de huiden en zoo, geheel in pelzen gebakend, reden zij met een wagen naar de grens, zich voedend met gras, wortels en moes van dorre bladeren. Maar aan de grens werden zij opgewacht door de gewapende Batouwers, die haar in heur pelzen voor mannen aanziende, te lijf gingen. Doch zij gilden met heur hooge stemmen, rukten zich de pelzen van ’t lichaam, toonden heur borsten en schaamdeelen en smeekten om deernis. De Batouwers, ziende dat zij vrouwen voor zich[60]hadden lieten af en meenend, dat zij om hun mannen kwamen, vertelden zij, dat zij de mannen allen hadden neergehouwen, omdat ze op roof waren uitgegaan.De vrouwen jammerden en enkele Batouwsche vrouwen brachten haar wat brood en kaas, hoewel ze zelve bijna nood hadden. Daarna hadden zij den zwarten steen op de kar geladen en toen trokken ze weder naar het hol terug. Dien nacht was het nieuwe maan en het weer sloeg om. Het ving aan te dooien en in het woud, waar zij doorheen trokken, begon het al zachtjes van de takken te druppen. De maagden meenden dat dit het begin der wonderkracht van den goddelijken steen was, en dat was haar een troost in haar groote droefenis om den dood van de sterkste mannen van den stam. Tegen den morgen kwamen zij doodelijk vermoeid met den steen voor het hol aan. Zij riepen die in ’t hol waren naar buiten, zeggende dat het dooide. Een zwak gejuich ging op en de menschen kropen naakt uit het hol en buiten gekomen, begonnen zij den vochtigen grond te lekken om hun dorst te stillen. Zij waren vaalbleek in ’t gelaat, het geheele lichaam groezelig besmeurd met aarde en drek en velen haddenontstokenoogen, etterende wonden. Toen de maagden vertelden, dat de mannen, die op roof waren uitgegaan, door de Batouwers waren doodgeslagen, gromden zij als dieren en daar velen zich uit zwakte niet meer konden oprichten, geleken zij op dit oogenblik op de wildemannen, die hun voorvaderen hadden verjaagd. De grijsaard liet den zwarten steen opstellen op de mede en toen waarschuwden de maagden ook de lieden in de andere holen. Die kwamen nu ook naar buiten kruipen, knipoogend met ontstoken oogen tegen het daglicht. Zij kropen als dieren langs den grond, zoo verzwakt waren zij en velen begrepen niet wat er gebeurde, verwezen geworden in de vele dagen dat zij hongerend in het half duister der muffe, broeierige holen hadden gelegen. Bij twee holen kregen de vrouwen geen antwoord. Een[61]harer wilde binnendringen door de luchtgang, maar zij tradt terug en begon te braken zoo walgelijk was de stank die haar tegensloeg. De maagden riepen nogmaals en nogmaals, dat het dooide, dat de heilige steen was opgesteld, maar zij kregen geen antwoord. Toen keken zij elkaar zwijgend aan en liepen treurig verder. In die holen waren alle menschen van honger en ellende gestorven. Ze lagen er in ’t half duister tegen elkaar, grijsaards, knapen, meisjes, moeders met zuigelingen en maagden, een dichte hoop stinkende lijken in plassen drek en vocht.De grijsaard riep allen om den heiligen steen bijeen, doch maar enkelen konden loopen. De meesten, op handen en knieën voortkruipend, sleepten zich naakt door het smeltende, grijze sneeuwwater. Sommigen bevangen door het licht en de buitenlucht vielen terzij en lagen liggend op de smeltende ijskorst, die grijszwart om hen heen dooide. Anderen konden niet voort wegens hun zwakte en wilden weer terugkruipen naar het warme hol. Maar ook daarvoor ontbrak hun de kracht en zoo bleven zij steunend en rillend zitten en keken naar den zwarten steen van den ouden god op de mede, waar de sterkeren nu al een donkeren kring omheen vormden op het vaalwitte vlak van ’t bevroren sneeuwveld-in-dooi.De grijsaard zeide zich te herinneren, dat rondom den steen een vuur moest worden gemaakt en keek naar de takken van ’t struikgewas alsof hij met zijn oude, slijmige oogen de takken van de struiken kon halen. Maar er was er onder allen geen, die nog genoeg kracht had om naar ’t struikgewas te gaan om hout te sprokkelen.De anderen keken ook naar ’t struikgewas en de twaalf maagden, hoewel vermoeid van de lange reis en het sleepen van den zwaren steen, den heelen nacht door, zochten over het veld tot den einder of niet ergens nog een houtstapel boven de sneeuw uitstak. En één harer wees den vinger naar een zwartig punt heel ver.… vragend of dat geen[62]houtmijt was? Een der zieke mannen, die vroeger zeeman was geweest maar door een buis de beenen had gebroken en sedert zich op krukken voortrukte, keek nu ook maar hij gaf een gil van schrik.„Dat zijn de wolven!” riep hij. En meteen, zijn krukken met een ruk neerzettend, begon hij zich daartusschen haastig naar het hol te slingeren. Anderen volgden hem, roepend: „De wolven! De wolven!” en zwakken, die niet tot den heiligen steen hadden kunnen kruipen, nu door den schrik aangevuurd, sleepten zich terug naar het hol. Ook waren er die, geen raad wetend om onder weg te komen, hun naakte lichamen languit op den grond legden en zoo zich om-en-omrollend het naaste hol trachtten tebereiken. Maar zij werden spoedig duizelig en bleven verdoofd liggen op het kleffe, kille sneeuwijs.„Vuur! Vuur! Wij moeten vuur maken om den god!” riep de grijsaard heesch. „Dan zal hij ons redden!” Daar waren enkele mannen uit een de verste holen, die nu naderden, die sterker waren dan de anderen. Zij hadden in het hol de vrouwen, de kinderen en de zwakken gedood en die rauw opgevreten.… en daarna hadden zij geloot en wie ’t lot trof was met een steen neergeslagen en dan in stukken gerukt en verzwolgen. Zeven mannen waren nog overgebleven, toen de maagden ze hadden geroepen en ze kwamen naar buiten, rechtop en niet vermagerd, maar hun lange haren en hun lange baarden en neerhangende knevels waren wit als die van grijsaards. Toen zij in de verte nu ook de wolven zagen naderen, een vaalroode driehoekige vlek die over ’t blauwgrijze veld scheen toe te komen glijden, deinsden zij niet terug maar gromden diep in de keel en zij staken de koppen vooruit en snoven de frissche lucht op.De maagden hadden met hun laatste krachten dor hout gezameld van de dichtbijzijnde struiken en de priester deed moeite omvuurte maken, door twee stukken hout tegen[63]elkaar te wrijven. Maar het smeltende sneeuwijs had de takken te vochtig gemaakt en de grijsaard was te uitgeput om hethoutdroog te wrijven. Hij keek vragend op, naar de zeven dikke mannen maar deze wilden hem niet helpen en hij, wel vermoedend waarmede zij zich gevoed hadden en hun onwil ziende schold:„Vervloekte lijkenazers!”Zij lachten en onder hun witte knevels schitterden hun lange tanden.De maagden, dit hoorende, begonnen van afschuw en ontzetting te gillen en een harer wilde een steen oprapen om dien naar de kerels te gooien, die maar bleven grijnzen. De steen zat nog vastgevroren aan ’t sneeuwijs en met dat zij nog gebukt stond, sprong een der kerels haar achter op den rug. Zij viel neer en hij wentelde haar om en volbracht zijn lust. De zes andere kerels, dat ziende, stortten zich nu ook op de maagden, die zich verweerden en eene haakte haar vinger in ’t oog van een der mannen en haalde het er uit. Hij kreet, gaf haar een trap voor de buik en toen zij kreunend neerviel, stortte hij zich op haar om zijn lust bot te vieren.De wolven kwamen nader.… en de grijsaard zag al de voorsten goed met de uitgerekte snoeten en de open muilen, waaruit damp stootte. Hij begon opnieuw een hout te draaien in de vork van een tak en nu vatte het hout vuur. Hij liet het even aanbranden en wierp er andere takjes op.… maar toen ’t hout begon te vlammen op den grond, ontdooide het sneeuwijs en zoo werd het weer nat en smeulde met dunne zwartige wolkjes, waarin de einden als vurige oogjes gloeiden. Hij blies met zijn korte, hijgende adem, maar hij kon ’t vuur niet doen oplaaien.De kerels, na aan hun lust voldaan te hebben, de wolven ziende naderen, vluchtten nu naar het naaste hol en kropen er diep in weg, voor ’t luchtgat de lijken duwend die zij daarbinnen vonden.[64]De maagden gilden en de wolven ziende naderenvluchtten zijook naar een ander hol.De zwakken, die niet meer weg konden schoolden saam, hopend zoo de wolven nog te kunnen weerstaan. Het was een troep van twintig uitgehongerde dieren, die van zeer verre kwamen, aangelokt door den reuk van menschenvleesch. Zoo verhongerd waren ze, dat onder de oogen van de Dantubaren, die ze ongewapend moesten afwachten er telkens achterbleven, op den rug rolden en de pooten in de hoogte stekend, dood bleven liggen van uitputting. De voorste wolf bereikte met een sprong den grijsaard maar deze bukte achter den heiligen steen en de wolf over hem heen springend viel neer en kon zich uit zwakte niet meer oprichten. Twee anderen wolven sprongen den voorsten wolf na. Telkenmale bukte zich de grijsaard en nu wierpen de twee wolven zich op den zieltogenden éérsten wolf en reten diens strot met de muilen open en begonnen aan ’t trekkende vleesch te eten. Het bloed sijpelde helderrood op de blauwgrijze sneeuw. De grijsaard nam een nog smeulenden tak en stak die naar de twee wolven uit, die de bebloede muilen oprichtend met vurige oogen naar den tak zagen maar de dwalmende rook opsnuivend deinsden zij terug en een kleinen jongen ziende, die bevroren voeten had gehad en daardoor zich slechts langzaam op de billen weg kon wippen, sprongen zij op den knaap toe en begonnen hem te verscheuren.De grijsaard nu zich bukkend, den smeulende tak vooruithoudend, wilde de beide dieren ook daar verjagen maar ziende, dat de knaap al zieltoogde, werd hem de lust te sterk en hij wierp zich op ’t half verscheurde, warme kreng van den eersten wolf en zijn tandelooze mond brengend aan de buikholte, begon hij gierig het warme bloed uit het dampende lichaam op te zuigen.De andere wolven hadden zich midden in de hoop der menschen geworpen. En nu waren menschen en wolven[65]één dikke, rollende, dampende, worstelende kluwen. Menschen en dieren beten zich aan elkaar vast en zogen het stroomende bloed op en kauwden op ’t krimpende vleesch, zoo uit het levende lichaam gebeten. En tusschen het krijten en gieren van de menschen en het janken van de wolven was geen onderscheid … Eén wolf werd een eind omhoog geworpen en smakte neer met gebroken pooten. Dadelijk vielen vier, vijf menschen op ’t gekneusde dier aan. Een greep den strot en worgde den wolf, terwijl de anderen al de tanden zetten in de pooten en met rukken van den nek, het harige vel afscheurden van ’t nog levende dier. En een man, die zijn tanden had gezet in den achterpoot en ’t bloed opzoog werd door een anderen wolf in ’t eigen been gepakt en nu, zich met een gil krimpend oprichtend en zich achterwaarts buigend, sprong een tweede wolf hem naar de keel en beet hem den strot door en bleef met zijn tanden in zijn keel hangend het bloed opslurpen uit ’t lichaam, terwijl de man zijn vingers, gekromd in doodsangst, haakte in de oogen van ’t dier.Zoo bleven de wolven en de menschen in een bloederige dichte hoop wentelen en kruipen op de vaalzwarte plek in de smeltende sneeuwkorst, die aan de randen roodaderde van wegstroomend bloed, tot de wolven verzadigd grommend wegslopen en bloederige, kreunende gestalten zich losmaakten uit den hoop, zich wegsleurden, een zwart spoor met roode strepen achter zich latend.Toen de wolven weg waren zag de grijsaard, gesterkt door ’t opgedronken lauwwarme wolvenbloed, uit het hol de lijken naar buiten duwen en de naakte kerels met de witte knevels en geelwitte baarden en lange witte haren kwamen voorzichtig en gebukt nader.… zij slopen naar de grauwwitte plek waar de krengen der opengescheurde wolven en de bloederige stukken der menschelijken lagen en grenzend met hun lange tanden, hurkten ze neer en begonnen hun maal te doen.… de stukken menschenvleesch[66]verkiezend boven de stukken dierenvleesch.… gulzig de monden wroetend in ’t blauwzwarte dampende vleesch, zoodat langs hun geelwitte baarden rood menschenbloed traag werd ingezogen en in zwarte, stollende droppels neerbiggelde langs hun bloote, behaarde borsten.…Toen richtte de grijsaard zich op en hun met de vuist dreigend, riep hij:„Vervloekt, vervloekt zullen de lijkenazers zijn, hier en bij Thius.… vervloekt, vervloekt tot in de eeuwigheid!”Toen liep hij naar de groote hut achter het bosch, terwijl de kerels, met de beide handen de brokken rauw menschenvleesch aan den mond brengend, met glinsteringen van genot elkaar toeknikten, knorrend schrapend met de groote, witte tanden in de rookende, bebloede hompen.[67]

[Inhoud]HOOFDSTUK VI.Bij de Dantubaren leden zij nu al drie weken honger. Zij hadden de geroofde leeftocht zuinig verbruikt, maar ’t reikte niet lang. Toen waren de sterkste mannen opnieuw op strooptochten uitgegaan en ’t weinige dat nog overbleef, hadden ze als voedsel voor onderweg medegenomen. De vrouwen, de kinderen, de zieke mannen en de grijsaards bleven achter zonder ander voedsel dan het gras, dat ze uit moesten hakken uit den ijsvloer, die de heele Torngou als met een reusachtig bronzen schild bedekte. Omdat ze te zwak waren om hout te kappen, hadden ze de hutten verlaten en woonden in groote diepe holen bij elkaar, die daar nog waren uit den tijd toen de wildemannen, die hier hadden gehuisd, waren verdreven. In die holen lagen ze bijeen, vrouwen, kinderen, grijsaards, zieken, dicht op elkaar gedrongen om warmte te zoeken en met doffe berusting wachtend op de terugkomst van de stroopers.Maar de vale schemer, die ’s daags door de holgaten kwam en ’s avonds verduisterde keerde weer, telkens weer en de mannen kwamen niet terug. Zij zaten tot hoopen bijeen, met doffe oogen en kleurlooze wangen, allen vermagerd tot op de beenderen zoodat de lichamen der jonge maagden niet waren te onderscheiden van die der grijsaards. Velen waren te zwak om zich op te richten en lieten hun uitwerpselen loopen, zoodat ze ook de anderen bevlekten. Die wat sterker nog waren, sleepten zich naar een hoek om hun gevoeg te doen maar vandaar walmde een zoele, dikke verpestende stank, die zwaar hing in ’t hol. Soms stierf er een tusschen de anderen in, maar de anderen waren te zwak om het lijk weg te dragen en zij[57]bleven dagen achtereen op den verstijfden doode liggen tot anderen, door hun kermen gestoord, ’t lijk wegtrokken en naar den hoek sleurden, waar ’t lag te vergaan.Ook kregen ze watergebrek. Want de enkelen die zich naar den ingang van ’t hol hadden gesleept om daar buiten klompen sneeuwijs los te bikken, kwamen niet terug en de anderen, die om de kameraden riepen zagen ze liggen, door koude bevangen, zwart bevroren met de klomp ijs, die zij hadden willen brengen nog in de houterige knuisten gekneld.Er waren moeders die waanzinnig waren geworden, ’t verhongerde kind in de armen nog drukkend als ’t al lang gestorven was. Dan stonden ze in waanzinswoede op en wankelden naar den uitgang en gilden onsamenhangende klanken, die dof in ’t hol echoden. Ook waren er koortsige zieken, die maar steeds ’t zelfde woord, zuchtend en kreunend herhaalden of anderen, die ijlden en spraken van honigkoeken en meê en kaas, zoo met herinneringen de anderen nog tergend. Er waren zoo twintig holen elk met drie tot vierhonderd menschen—tot zoo een klein aantal was de eens zoo groote en fiere stam der Dantubaren samengesmolten, sedert jaren gedecimeerd door honger en klimaatziekten. Want de Dantubaren waren uit ’t Zuiden gekomen, verdreven uit een warm, mild klimaat door aardbevingen, die dáár ’t verblijf langer onmogelijk hadden gemaakt. Steeds noordwaarts trekkend, hadden zij door geheel Gallië zich door de daar wonende stammen moeten doorslaan, omdat overal de streken reeds bewoond waren. Steeds verder noordwaarts opgedreven, verminderend in getal maar door de vele gevechten geoefend en onvervaard geworden, waren zij ten laatste in de vruchtbare Torngou gekomen, waar zij een bevolking van holbewoners aantroffen, die geheel naakt, behaard gelijk dieren, de kinderen tot den jongelingsleeftijd gelijk dieren nog kruipend op handen en voeten, leefden van rauw gras, kruiden en[58]boomvruchten. Want zij verstonden de kunst niet, vuur te maken. Zij hadden geen andere wapens dan hun tanden, steenen en hertengeweien, die zij in de bosschen vonden. Als de Dantubaren verschenen, schoolden de holbewoners bijeen en toen, op hen aanrennend, vielen ze hun aan gelijk honden of wolven, naar voren springend op handen en voeten, de monden grommend open en hun tegenstander den strot trachtend door te bijten.De Dantubaren met hun Etrurische zwaarden stietten de wildemannen als beesten neer en voor zooverre ze niet vluchtten werden ze uitgeroeid. Levend werden de wilde mannen die krijgsgevangen waren gemaakt begraven, naar de gewoonte der Dantubaren. In de Torngou waren zij blijven wonen en sloten verbonden met de Frisen, de Batouwers, en de andere stammen rondom. Zij waren knappe landbouwers, leerden de andere stammen het zaaien van goudgraan, het weven van driekleurige gewaden en het looien van runderhuiden. Ook namen veel stammen hun goden aan, daar deze grootere macht bezaten dan de zwarte steen en Thius. Zij waren het ook, die Wotan en Donar in de Batouw tot oppergoden deden uitroepen. Doch gewend aan een warm klimaat, verzwakte de stam der Dantubaren. De mannen, bij hun komst reeds kleiner dan de Batouwers en Kaninefaten en Frisen, werden nog kleiner van lichaamsbouw, zoodat zij in den strijd niet tegen hun buren opkonden. Hun zwaarden, van een vreemd metaal, versleten langzamerhand en nieuwen konden zij niet maken, daar zij het metaal niet vonden in deze streken. Toen de oogsten mislukten en zij door den honger gedwongen, eerst hun have moesten ruilen voor leeftocht en toen op rooftocht uitgaan, werden zij door de naburige stammen getuchtigd. Zoo was dan slechts deze kleine stam van de Dantubaren overgebleven, na zes geslachten reeds geheel ontaard en met half-vergeten tradities.Er was onder de hongerenden in één hol nog een enkele[59]grijsaard, die herinnering had aan de goede tijden van weleer. Hij vloekte op de goden, de ellende wijtend aan de vijandige oude goden, die van den zwarten steen en aan Thius, die door de nieuwe goden verdrongen waren. Hij bezwoer de jongelieden, wanneer ze in leven zouden blijven, Wotan en Donar weder af te zweren en de oude landsgoden te aanbidden, die in deze streken alleen de macht hadden. De holen hadden geen gemeenschap meer met elkaar, want niemand waagde zich naar buiten—vreezend te zullen bevriezen. Maar in één hol, waar veel jonge vrouwen waren opgehoopt, die vreezend voor het geweld van de grijsaards en de zieke mannen, bij elkaar waren gaan schuilen, hadden de hongerenden een gang gegraven onder den grond door, omdat zij zoo eetbare wortels vonden van diepgroeiende planten. En voortgravend waren zij toen aan het hol gekomen, waar de grijsaard lag. De vrouwen hadden de stamgenooten medegedeeld van de wortels en daar zij kleederen hadden, wikkelde eene zich in de gewaden aan veel anderen en zoo, tegen de koude beschut, kan zij naar buiten gaan om ijs te halen.Dat bracht eenige lafenis en nu wekte de priester de vrouwen op, den zwarten steen te gaan halen van de grens en die naar het hol te brengen. Zoo vurig en overtuigend had hij gesproken, dat ten slotte een twaalftal vrouwen besloten de oude godheid te gaan zoeken. Zij kleedden zich met alle gewaden, die in de holen waren en eens buiten, liepen zij naar de hutten, verzamelden de huiden en zoo, geheel in pelzen gebakend, reden zij met een wagen naar de grens, zich voedend met gras, wortels en moes van dorre bladeren. Maar aan de grens werden zij opgewacht door de gewapende Batouwers, die haar in heur pelzen voor mannen aanziende, te lijf gingen. Doch zij gilden met heur hooge stemmen, rukten zich de pelzen van ’t lichaam, toonden heur borsten en schaamdeelen en smeekten om deernis. De Batouwers, ziende dat zij vrouwen voor zich[60]hadden lieten af en meenend, dat zij om hun mannen kwamen, vertelden zij, dat zij de mannen allen hadden neergehouwen, omdat ze op roof waren uitgegaan.De vrouwen jammerden en enkele Batouwsche vrouwen brachten haar wat brood en kaas, hoewel ze zelve bijna nood hadden. Daarna hadden zij den zwarten steen op de kar geladen en toen trokken ze weder naar het hol terug. Dien nacht was het nieuwe maan en het weer sloeg om. Het ving aan te dooien en in het woud, waar zij doorheen trokken, begon het al zachtjes van de takken te druppen. De maagden meenden dat dit het begin der wonderkracht van den goddelijken steen was, en dat was haar een troost in haar groote droefenis om den dood van de sterkste mannen van den stam. Tegen den morgen kwamen zij doodelijk vermoeid met den steen voor het hol aan. Zij riepen die in ’t hol waren naar buiten, zeggende dat het dooide. Een zwak gejuich ging op en de menschen kropen naakt uit het hol en buiten gekomen, begonnen zij den vochtigen grond te lekken om hun dorst te stillen. Zij waren vaalbleek in ’t gelaat, het geheele lichaam groezelig besmeurd met aarde en drek en velen haddenontstokenoogen, etterende wonden. Toen de maagden vertelden, dat de mannen, die op roof waren uitgegaan, door de Batouwers waren doodgeslagen, gromden zij als dieren en daar velen zich uit zwakte niet meer konden oprichten, geleken zij op dit oogenblik op de wildemannen, die hun voorvaderen hadden verjaagd. De grijsaard liet den zwarten steen opstellen op de mede en toen waarschuwden de maagden ook de lieden in de andere holen. Die kwamen nu ook naar buiten kruipen, knipoogend met ontstoken oogen tegen het daglicht. Zij kropen als dieren langs den grond, zoo verzwakt waren zij en velen begrepen niet wat er gebeurde, verwezen geworden in de vele dagen dat zij hongerend in het half duister der muffe, broeierige holen hadden gelegen. Bij twee holen kregen de vrouwen geen antwoord. Een[61]harer wilde binnendringen door de luchtgang, maar zij tradt terug en begon te braken zoo walgelijk was de stank die haar tegensloeg. De maagden riepen nogmaals en nogmaals, dat het dooide, dat de heilige steen was opgesteld, maar zij kregen geen antwoord. Toen keken zij elkaar zwijgend aan en liepen treurig verder. In die holen waren alle menschen van honger en ellende gestorven. Ze lagen er in ’t half duister tegen elkaar, grijsaards, knapen, meisjes, moeders met zuigelingen en maagden, een dichte hoop stinkende lijken in plassen drek en vocht.De grijsaard riep allen om den heiligen steen bijeen, doch maar enkelen konden loopen. De meesten, op handen en knieën voortkruipend, sleepten zich naakt door het smeltende, grijze sneeuwwater. Sommigen bevangen door het licht en de buitenlucht vielen terzij en lagen liggend op de smeltende ijskorst, die grijszwart om hen heen dooide. Anderen konden niet voort wegens hun zwakte en wilden weer terugkruipen naar het warme hol. Maar ook daarvoor ontbrak hun de kracht en zoo bleven zij steunend en rillend zitten en keken naar den zwarten steen van den ouden god op de mede, waar de sterkeren nu al een donkeren kring omheen vormden op het vaalwitte vlak van ’t bevroren sneeuwveld-in-dooi.De grijsaard zeide zich te herinneren, dat rondom den steen een vuur moest worden gemaakt en keek naar de takken van ’t struikgewas alsof hij met zijn oude, slijmige oogen de takken van de struiken kon halen. Maar er was er onder allen geen, die nog genoeg kracht had om naar ’t struikgewas te gaan om hout te sprokkelen.De anderen keken ook naar ’t struikgewas en de twaalf maagden, hoewel vermoeid van de lange reis en het sleepen van den zwaren steen, den heelen nacht door, zochten over het veld tot den einder of niet ergens nog een houtstapel boven de sneeuw uitstak. En één harer wees den vinger naar een zwartig punt heel ver.… vragend of dat geen[62]houtmijt was? Een der zieke mannen, die vroeger zeeman was geweest maar door een buis de beenen had gebroken en sedert zich op krukken voortrukte, keek nu ook maar hij gaf een gil van schrik.„Dat zijn de wolven!” riep hij. En meteen, zijn krukken met een ruk neerzettend, begon hij zich daartusschen haastig naar het hol te slingeren. Anderen volgden hem, roepend: „De wolven! De wolven!” en zwakken, die niet tot den heiligen steen hadden kunnen kruipen, nu door den schrik aangevuurd, sleepten zich terug naar het hol. Ook waren er die, geen raad wetend om onder weg te komen, hun naakte lichamen languit op den grond legden en zoo zich om-en-omrollend het naaste hol trachtten tebereiken. Maar zij werden spoedig duizelig en bleven verdoofd liggen op het kleffe, kille sneeuwijs.„Vuur! Vuur! Wij moeten vuur maken om den god!” riep de grijsaard heesch. „Dan zal hij ons redden!” Daar waren enkele mannen uit een de verste holen, die nu naderden, die sterker waren dan de anderen. Zij hadden in het hol de vrouwen, de kinderen en de zwakken gedood en die rauw opgevreten.… en daarna hadden zij geloot en wie ’t lot trof was met een steen neergeslagen en dan in stukken gerukt en verzwolgen. Zeven mannen waren nog overgebleven, toen de maagden ze hadden geroepen en ze kwamen naar buiten, rechtop en niet vermagerd, maar hun lange haren en hun lange baarden en neerhangende knevels waren wit als die van grijsaards. Toen zij in de verte nu ook de wolven zagen naderen, een vaalroode driehoekige vlek die over ’t blauwgrijze veld scheen toe te komen glijden, deinsden zij niet terug maar gromden diep in de keel en zij staken de koppen vooruit en snoven de frissche lucht op.De maagden hadden met hun laatste krachten dor hout gezameld van de dichtbijzijnde struiken en de priester deed moeite omvuurte maken, door twee stukken hout tegen[63]elkaar te wrijven. Maar het smeltende sneeuwijs had de takken te vochtig gemaakt en de grijsaard was te uitgeput om hethoutdroog te wrijven. Hij keek vragend op, naar de zeven dikke mannen maar deze wilden hem niet helpen en hij, wel vermoedend waarmede zij zich gevoed hadden en hun onwil ziende schold:„Vervloekte lijkenazers!”Zij lachten en onder hun witte knevels schitterden hun lange tanden.De maagden, dit hoorende, begonnen van afschuw en ontzetting te gillen en een harer wilde een steen oprapen om dien naar de kerels te gooien, die maar bleven grijnzen. De steen zat nog vastgevroren aan ’t sneeuwijs en met dat zij nog gebukt stond, sprong een der kerels haar achter op den rug. Zij viel neer en hij wentelde haar om en volbracht zijn lust. De zes andere kerels, dat ziende, stortten zich nu ook op de maagden, die zich verweerden en eene haakte haar vinger in ’t oog van een der mannen en haalde het er uit. Hij kreet, gaf haar een trap voor de buik en toen zij kreunend neerviel, stortte hij zich op haar om zijn lust bot te vieren.De wolven kwamen nader.… en de grijsaard zag al de voorsten goed met de uitgerekte snoeten en de open muilen, waaruit damp stootte. Hij begon opnieuw een hout te draaien in de vork van een tak en nu vatte het hout vuur. Hij liet het even aanbranden en wierp er andere takjes op.… maar toen ’t hout begon te vlammen op den grond, ontdooide het sneeuwijs en zoo werd het weer nat en smeulde met dunne zwartige wolkjes, waarin de einden als vurige oogjes gloeiden. Hij blies met zijn korte, hijgende adem, maar hij kon ’t vuur niet doen oplaaien.De kerels, na aan hun lust voldaan te hebben, de wolven ziende naderen, vluchtten nu naar het naaste hol en kropen er diep in weg, voor ’t luchtgat de lijken duwend die zij daarbinnen vonden.[64]De maagden gilden en de wolven ziende naderenvluchtten zijook naar een ander hol.De zwakken, die niet meer weg konden schoolden saam, hopend zoo de wolven nog te kunnen weerstaan. Het was een troep van twintig uitgehongerde dieren, die van zeer verre kwamen, aangelokt door den reuk van menschenvleesch. Zoo verhongerd waren ze, dat onder de oogen van de Dantubaren, die ze ongewapend moesten afwachten er telkens achterbleven, op den rug rolden en de pooten in de hoogte stekend, dood bleven liggen van uitputting. De voorste wolf bereikte met een sprong den grijsaard maar deze bukte achter den heiligen steen en de wolf over hem heen springend viel neer en kon zich uit zwakte niet meer oprichten. Twee anderen wolven sprongen den voorsten wolf na. Telkenmale bukte zich de grijsaard en nu wierpen de twee wolven zich op den zieltogenden éérsten wolf en reten diens strot met de muilen open en begonnen aan ’t trekkende vleesch te eten. Het bloed sijpelde helderrood op de blauwgrijze sneeuw. De grijsaard nam een nog smeulenden tak en stak die naar de twee wolven uit, die de bebloede muilen oprichtend met vurige oogen naar den tak zagen maar de dwalmende rook opsnuivend deinsden zij terug en een kleinen jongen ziende, die bevroren voeten had gehad en daardoor zich slechts langzaam op de billen weg kon wippen, sprongen zij op den knaap toe en begonnen hem te verscheuren.De grijsaard nu zich bukkend, den smeulende tak vooruithoudend, wilde de beide dieren ook daar verjagen maar ziende, dat de knaap al zieltoogde, werd hem de lust te sterk en hij wierp zich op ’t half verscheurde, warme kreng van den eersten wolf en zijn tandelooze mond brengend aan de buikholte, begon hij gierig het warme bloed uit het dampende lichaam op te zuigen.De andere wolven hadden zich midden in de hoop der menschen geworpen. En nu waren menschen en wolven[65]één dikke, rollende, dampende, worstelende kluwen. Menschen en dieren beten zich aan elkaar vast en zogen het stroomende bloed op en kauwden op ’t krimpende vleesch, zoo uit het levende lichaam gebeten. En tusschen het krijten en gieren van de menschen en het janken van de wolven was geen onderscheid … Eén wolf werd een eind omhoog geworpen en smakte neer met gebroken pooten. Dadelijk vielen vier, vijf menschen op ’t gekneusde dier aan. Een greep den strot en worgde den wolf, terwijl de anderen al de tanden zetten in de pooten en met rukken van den nek, het harige vel afscheurden van ’t nog levende dier. En een man, die zijn tanden had gezet in den achterpoot en ’t bloed opzoog werd door een anderen wolf in ’t eigen been gepakt en nu, zich met een gil krimpend oprichtend en zich achterwaarts buigend, sprong een tweede wolf hem naar de keel en beet hem den strot door en bleef met zijn tanden in zijn keel hangend het bloed opslurpen uit ’t lichaam, terwijl de man zijn vingers, gekromd in doodsangst, haakte in de oogen van ’t dier.Zoo bleven de wolven en de menschen in een bloederige dichte hoop wentelen en kruipen op de vaalzwarte plek in de smeltende sneeuwkorst, die aan de randen roodaderde van wegstroomend bloed, tot de wolven verzadigd grommend wegslopen en bloederige, kreunende gestalten zich losmaakten uit den hoop, zich wegsleurden, een zwart spoor met roode strepen achter zich latend.Toen de wolven weg waren zag de grijsaard, gesterkt door ’t opgedronken lauwwarme wolvenbloed, uit het hol de lijken naar buiten duwen en de naakte kerels met de witte knevels en geelwitte baarden en lange witte haren kwamen voorzichtig en gebukt nader.… zij slopen naar de grauwwitte plek waar de krengen der opengescheurde wolven en de bloederige stukken der menschelijken lagen en grenzend met hun lange tanden, hurkten ze neer en begonnen hun maal te doen.… de stukken menschenvleesch[66]verkiezend boven de stukken dierenvleesch.… gulzig de monden wroetend in ’t blauwzwarte dampende vleesch, zoodat langs hun geelwitte baarden rood menschenbloed traag werd ingezogen en in zwarte, stollende droppels neerbiggelde langs hun bloote, behaarde borsten.…Toen richtte de grijsaard zich op en hun met de vuist dreigend, riep hij:„Vervloekt, vervloekt zullen de lijkenazers zijn, hier en bij Thius.… vervloekt, vervloekt tot in de eeuwigheid!”Toen liep hij naar de groote hut achter het bosch, terwijl de kerels, met de beide handen de brokken rauw menschenvleesch aan den mond brengend, met glinsteringen van genot elkaar toeknikten, knorrend schrapend met de groote, witte tanden in de rookende, bebloede hompen.[67]

HOOFDSTUK VI.

Bij de Dantubaren leden zij nu al drie weken honger. Zij hadden de geroofde leeftocht zuinig verbruikt, maar ’t reikte niet lang. Toen waren de sterkste mannen opnieuw op strooptochten uitgegaan en ’t weinige dat nog overbleef, hadden ze als voedsel voor onderweg medegenomen. De vrouwen, de kinderen, de zieke mannen en de grijsaards bleven achter zonder ander voedsel dan het gras, dat ze uit moesten hakken uit den ijsvloer, die de heele Torngou als met een reusachtig bronzen schild bedekte. Omdat ze te zwak waren om hout te kappen, hadden ze de hutten verlaten en woonden in groote diepe holen bij elkaar, die daar nog waren uit den tijd toen de wildemannen, die hier hadden gehuisd, waren verdreven. In die holen lagen ze bijeen, vrouwen, kinderen, grijsaards, zieken, dicht op elkaar gedrongen om warmte te zoeken en met doffe berusting wachtend op de terugkomst van de stroopers.Maar de vale schemer, die ’s daags door de holgaten kwam en ’s avonds verduisterde keerde weer, telkens weer en de mannen kwamen niet terug. Zij zaten tot hoopen bijeen, met doffe oogen en kleurlooze wangen, allen vermagerd tot op de beenderen zoodat de lichamen der jonge maagden niet waren te onderscheiden van die der grijsaards. Velen waren te zwak om zich op te richten en lieten hun uitwerpselen loopen, zoodat ze ook de anderen bevlekten. Die wat sterker nog waren, sleepten zich naar een hoek om hun gevoeg te doen maar vandaar walmde een zoele, dikke verpestende stank, die zwaar hing in ’t hol. Soms stierf er een tusschen de anderen in, maar de anderen waren te zwak om het lijk weg te dragen en zij[57]bleven dagen achtereen op den verstijfden doode liggen tot anderen, door hun kermen gestoord, ’t lijk wegtrokken en naar den hoek sleurden, waar ’t lag te vergaan.Ook kregen ze watergebrek. Want de enkelen die zich naar den ingang van ’t hol hadden gesleept om daar buiten klompen sneeuwijs los te bikken, kwamen niet terug en de anderen, die om de kameraden riepen zagen ze liggen, door koude bevangen, zwart bevroren met de klomp ijs, die zij hadden willen brengen nog in de houterige knuisten gekneld.Er waren moeders die waanzinnig waren geworden, ’t verhongerde kind in de armen nog drukkend als ’t al lang gestorven was. Dan stonden ze in waanzinswoede op en wankelden naar den uitgang en gilden onsamenhangende klanken, die dof in ’t hol echoden. Ook waren er koortsige zieken, die maar steeds ’t zelfde woord, zuchtend en kreunend herhaalden of anderen, die ijlden en spraken van honigkoeken en meê en kaas, zoo met herinneringen de anderen nog tergend. Er waren zoo twintig holen elk met drie tot vierhonderd menschen—tot zoo een klein aantal was de eens zoo groote en fiere stam der Dantubaren samengesmolten, sedert jaren gedecimeerd door honger en klimaatziekten. Want de Dantubaren waren uit ’t Zuiden gekomen, verdreven uit een warm, mild klimaat door aardbevingen, die dáár ’t verblijf langer onmogelijk hadden gemaakt. Steeds noordwaarts trekkend, hadden zij door geheel Gallië zich door de daar wonende stammen moeten doorslaan, omdat overal de streken reeds bewoond waren. Steeds verder noordwaarts opgedreven, verminderend in getal maar door de vele gevechten geoefend en onvervaard geworden, waren zij ten laatste in de vruchtbare Torngou gekomen, waar zij een bevolking van holbewoners aantroffen, die geheel naakt, behaard gelijk dieren, de kinderen tot den jongelingsleeftijd gelijk dieren nog kruipend op handen en voeten, leefden van rauw gras, kruiden en[58]boomvruchten. Want zij verstonden de kunst niet, vuur te maken. Zij hadden geen andere wapens dan hun tanden, steenen en hertengeweien, die zij in de bosschen vonden. Als de Dantubaren verschenen, schoolden de holbewoners bijeen en toen, op hen aanrennend, vielen ze hun aan gelijk honden of wolven, naar voren springend op handen en voeten, de monden grommend open en hun tegenstander den strot trachtend door te bijten.De Dantubaren met hun Etrurische zwaarden stietten de wildemannen als beesten neer en voor zooverre ze niet vluchtten werden ze uitgeroeid. Levend werden de wilde mannen die krijgsgevangen waren gemaakt begraven, naar de gewoonte der Dantubaren. In de Torngou waren zij blijven wonen en sloten verbonden met de Frisen, de Batouwers, en de andere stammen rondom. Zij waren knappe landbouwers, leerden de andere stammen het zaaien van goudgraan, het weven van driekleurige gewaden en het looien van runderhuiden. Ook namen veel stammen hun goden aan, daar deze grootere macht bezaten dan de zwarte steen en Thius. Zij waren het ook, die Wotan en Donar in de Batouw tot oppergoden deden uitroepen. Doch gewend aan een warm klimaat, verzwakte de stam der Dantubaren. De mannen, bij hun komst reeds kleiner dan de Batouwers en Kaninefaten en Frisen, werden nog kleiner van lichaamsbouw, zoodat zij in den strijd niet tegen hun buren opkonden. Hun zwaarden, van een vreemd metaal, versleten langzamerhand en nieuwen konden zij niet maken, daar zij het metaal niet vonden in deze streken. Toen de oogsten mislukten en zij door den honger gedwongen, eerst hun have moesten ruilen voor leeftocht en toen op rooftocht uitgaan, werden zij door de naburige stammen getuchtigd. Zoo was dan slechts deze kleine stam van de Dantubaren overgebleven, na zes geslachten reeds geheel ontaard en met half-vergeten tradities.Er was onder de hongerenden in één hol nog een enkele[59]grijsaard, die herinnering had aan de goede tijden van weleer. Hij vloekte op de goden, de ellende wijtend aan de vijandige oude goden, die van den zwarten steen en aan Thius, die door de nieuwe goden verdrongen waren. Hij bezwoer de jongelieden, wanneer ze in leven zouden blijven, Wotan en Donar weder af te zweren en de oude landsgoden te aanbidden, die in deze streken alleen de macht hadden. De holen hadden geen gemeenschap meer met elkaar, want niemand waagde zich naar buiten—vreezend te zullen bevriezen. Maar in één hol, waar veel jonge vrouwen waren opgehoopt, die vreezend voor het geweld van de grijsaards en de zieke mannen, bij elkaar waren gaan schuilen, hadden de hongerenden een gang gegraven onder den grond door, omdat zij zoo eetbare wortels vonden van diepgroeiende planten. En voortgravend waren zij toen aan het hol gekomen, waar de grijsaard lag. De vrouwen hadden de stamgenooten medegedeeld van de wortels en daar zij kleederen hadden, wikkelde eene zich in de gewaden aan veel anderen en zoo, tegen de koude beschut, kan zij naar buiten gaan om ijs te halen.Dat bracht eenige lafenis en nu wekte de priester de vrouwen op, den zwarten steen te gaan halen van de grens en die naar het hol te brengen. Zoo vurig en overtuigend had hij gesproken, dat ten slotte een twaalftal vrouwen besloten de oude godheid te gaan zoeken. Zij kleedden zich met alle gewaden, die in de holen waren en eens buiten, liepen zij naar de hutten, verzamelden de huiden en zoo, geheel in pelzen gebakend, reden zij met een wagen naar de grens, zich voedend met gras, wortels en moes van dorre bladeren. Maar aan de grens werden zij opgewacht door de gewapende Batouwers, die haar in heur pelzen voor mannen aanziende, te lijf gingen. Doch zij gilden met heur hooge stemmen, rukten zich de pelzen van ’t lichaam, toonden heur borsten en schaamdeelen en smeekten om deernis. De Batouwers, ziende dat zij vrouwen voor zich[60]hadden lieten af en meenend, dat zij om hun mannen kwamen, vertelden zij, dat zij de mannen allen hadden neergehouwen, omdat ze op roof waren uitgegaan.De vrouwen jammerden en enkele Batouwsche vrouwen brachten haar wat brood en kaas, hoewel ze zelve bijna nood hadden. Daarna hadden zij den zwarten steen op de kar geladen en toen trokken ze weder naar het hol terug. Dien nacht was het nieuwe maan en het weer sloeg om. Het ving aan te dooien en in het woud, waar zij doorheen trokken, begon het al zachtjes van de takken te druppen. De maagden meenden dat dit het begin der wonderkracht van den goddelijken steen was, en dat was haar een troost in haar groote droefenis om den dood van de sterkste mannen van den stam. Tegen den morgen kwamen zij doodelijk vermoeid met den steen voor het hol aan. Zij riepen die in ’t hol waren naar buiten, zeggende dat het dooide. Een zwak gejuich ging op en de menschen kropen naakt uit het hol en buiten gekomen, begonnen zij den vochtigen grond te lekken om hun dorst te stillen. Zij waren vaalbleek in ’t gelaat, het geheele lichaam groezelig besmeurd met aarde en drek en velen haddenontstokenoogen, etterende wonden. Toen de maagden vertelden, dat de mannen, die op roof waren uitgegaan, door de Batouwers waren doodgeslagen, gromden zij als dieren en daar velen zich uit zwakte niet meer konden oprichten, geleken zij op dit oogenblik op de wildemannen, die hun voorvaderen hadden verjaagd. De grijsaard liet den zwarten steen opstellen op de mede en toen waarschuwden de maagden ook de lieden in de andere holen. Die kwamen nu ook naar buiten kruipen, knipoogend met ontstoken oogen tegen het daglicht. Zij kropen als dieren langs den grond, zoo verzwakt waren zij en velen begrepen niet wat er gebeurde, verwezen geworden in de vele dagen dat zij hongerend in het half duister der muffe, broeierige holen hadden gelegen. Bij twee holen kregen de vrouwen geen antwoord. Een[61]harer wilde binnendringen door de luchtgang, maar zij tradt terug en begon te braken zoo walgelijk was de stank die haar tegensloeg. De maagden riepen nogmaals en nogmaals, dat het dooide, dat de heilige steen was opgesteld, maar zij kregen geen antwoord. Toen keken zij elkaar zwijgend aan en liepen treurig verder. In die holen waren alle menschen van honger en ellende gestorven. Ze lagen er in ’t half duister tegen elkaar, grijsaards, knapen, meisjes, moeders met zuigelingen en maagden, een dichte hoop stinkende lijken in plassen drek en vocht.De grijsaard riep allen om den heiligen steen bijeen, doch maar enkelen konden loopen. De meesten, op handen en knieën voortkruipend, sleepten zich naakt door het smeltende, grijze sneeuwwater. Sommigen bevangen door het licht en de buitenlucht vielen terzij en lagen liggend op de smeltende ijskorst, die grijszwart om hen heen dooide. Anderen konden niet voort wegens hun zwakte en wilden weer terugkruipen naar het warme hol. Maar ook daarvoor ontbrak hun de kracht en zoo bleven zij steunend en rillend zitten en keken naar den zwarten steen van den ouden god op de mede, waar de sterkeren nu al een donkeren kring omheen vormden op het vaalwitte vlak van ’t bevroren sneeuwveld-in-dooi.De grijsaard zeide zich te herinneren, dat rondom den steen een vuur moest worden gemaakt en keek naar de takken van ’t struikgewas alsof hij met zijn oude, slijmige oogen de takken van de struiken kon halen. Maar er was er onder allen geen, die nog genoeg kracht had om naar ’t struikgewas te gaan om hout te sprokkelen.De anderen keken ook naar ’t struikgewas en de twaalf maagden, hoewel vermoeid van de lange reis en het sleepen van den zwaren steen, den heelen nacht door, zochten over het veld tot den einder of niet ergens nog een houtstapel boven de sneeuw uitstak. En één harer wees den vinger naar een zwartig punt heel ver.… vragend of dat geen[62]houtmijt was? Een der zieke mannen, die vroeger zeeman was geweest maar door een buis de beenen had gebroken en sedert zich op krukken voortrukte, keek nu ook maar hij gaf een gil van schrik.„Dat zijn de wolven!” riep hij. En meteen, zijn krukken met een ruk neerzettend, begon hij zich daartusschen haastig naar het hol te slingeren. Anderen volgden hem, roepend: „De wolven! De wolven!” en zwakken, die niet tot den heiligen steen hadden kunnen kruipen, nu door den schrik aangevuurd, sleepten zich terug naar het hol. Ook waren er die, geen raad wetend om onder weg te komen, hun naakte lichamen languit op den grond legden en zoo zich om-en-omrollend het naaste hol trachtten tebereiken. Maar zij werden spoedig duizelig en bleven verdoofd liggen op het kleffe, kille sneeuwijs.„Vuur! Vuur! Wij moeten vuur maken om den god!” riep de grijsaard heesch. „Dan zal hij ons redden!” Daar waren enkele mannen uit een de verste holen, die nu naderden, die sterker waren dan de anderen. Zij hadden in het hol de vrouwen, de kinderen en de zwakken gedood en die rauw opgevreten.… en daarna hadden zij geloot en wie ’t lot trof was met een steen neergeslagen en dan in stukken gerukt en verzwolgen. Zeven mannen waren nog overgebleven, toen de maagden ze hadden geroepen en ze kwamen naar buiten, rechtop en niet vermagerd, maar hun lange haren en hun lange baarden en neerhangende knevels waren wit als die van grijsaards. Toen zij in de verte nu ook de wolven zagen naderen, een vaalroode driehoekige vlek die over ’t blauwgrijze veld scheen toe te komen glijden, deinsden zij niet terug maar gromden diep in de keel en zij staken de koppen vooruit en snoven de frissche lucht op.De maagden hadden met hun laatste krachten dor hout gezameld van de dichtbijzijnde struiken en de priester deed moeite omvuurte maken, door twee stukken hout tegen[63]elkaar te wrijven. Maar het smeltende sneeuwijs had de takken te vochtig gemaakt en de grijsaard was te uitgeput om hethoutdroog te wrijven. Hij keek vragend op, naar de zeven dikke mannen maar deze wilden hem niet helpen en hij, wel vermoedend waarmede zij zich gevoed hadden en hun onwil ziende schold:„Vervloekte lijkenazers!”Zij lachten en onder hun witte knevels schitterden hun lange tanden.De maagden, dit hoorende, begonnen van afschuw en ontzetting te gillen en een harer wilde een steen oprapen om dien naar de kerels te gooien, die maar bleven grijnzen. De steen zat nog vastgevroren aan ’t sneeuwijs en met dat zij nog gebukt stond, sprong een der kerels haar achter op den rug. Zij viel neer en hij wentelde haar om en volbracht zijn lust. De zes andere kerels, dat ziende, stortten zich nu ook op de maagden, die zich verweerden en eene haakte haar vinger in ’t oog van een der mannen en haalde het er uit. Hij kreet, gaf haar een trap voor de buik en toen zij kreunend neerviel, stortte hij zich op haar om zijn lust bot te vieren.De wolven kwamen nader.… en de grijsaard zag al de voorsten goed met de uitgerekte snoeten en de open muilen, waaruit damp stootte. Hij begon opnieuw een hout te draaien in de vork van een tak en nu vatte het hout vuur. Hij liet het even aanbranden en wierp er andere takjes op.… maar toen ’t hout begon te vlammen op den grond, ontdooide het sneeuwijs en zoo werd het weer nat en smeulde met dunne zwartige wolkjes, waarin de einden als vurige oogjes gloeiden. Hij blies met zijn korte, hijgende adem, maar hij kon ’t vuur niet doen oplaaien.De kerels, na aan hun lust voldaan te hebben, de wolven ziende naderen, vluchtten nu naar het naaste hol en kropen er diep in weg, voor ’t luchtgat de lijken duwend die zij daarbinnen vonden.[64]De maagden gilden en de wolven ziende naderenvluchtten zijook naar een ander hol.De zwakken, die niet meer weg konden schoolden saam, hopend zoo de wolven nog te kunnen weerstaan. Het was een troep van twintig uitgehongerde dieren, die van zeer verre kwamen, aangelokt door den reuk van menschenvleesch. Zoo verhongerd waren ze, dat onder de oogen van de Dantubaren, die ze ongewapend moesten afwachten er telkens achterbleven, op den rug rolden en de pooten in de hoogte stekend, dood bleven liggen van uitputting. De voorste wolf bereikte met een sprong den grijsaard maar deze bukte achter den heiligen steen en de wolf over hem heen springend viel neer en kon zich uit zwakte niet meer oprichten. Twee anderen wolven sprongen den voorsten wolf na. Telkenmale bukte zich de grijsaard en nu wierpen de twee wolven zich op den zieltogenden éérsten wolf en reten diens strot met de muilen open en begonnen aan ’t trekkende vleesch te eten. Het bloed sijpelde helderrood op de blauwgrijze sneeuw. De grijsaard nam een nog smeulenden tak en stak die naar de twee wolven uit, die de bebloede muilen oprichtend met vurige oogen naar den tak zagen maar de dwalmende rook opsnuivend deinsden zij terug en een kleinen jongen ziende, die bevroren voeten had gehad en daardoor zich slechts langzaam op de billen weg kon wippen, sprongen zij op den knaap toe en begonnen hem te verscheuren.De grijsaard nu zich bukkend, den smeulende tak vooruithoudend, wilde de beide dieren ook daar verjagen maar ziende, dat de knaap al zieltoogde, werd hem de lust te sterk en hij wierp zich op ’t half verscheurde, warme kreng van den eersten wolf en zijn tandelooze mond brengend aan de buikholte, begon hij gierig het warme bloed uit het dampende lichaam op te zuigen.De andere wolven hadden zich midden in de hoop der menschen geworpen. En nu waren menschen en wolven[65]één dikke, rollende, dampende, worstelende kluwen. Menschen en dieren beten zich aan elkaar vast en zogen het stroomende bloed op en kauwden op ’t krimpende vleesch, zoo uit het levende lichaam gebeten. En tusschen het krijten en gieren van de menschen en het janken van de wolven was geen onderscheid … Eén wolf werd een eind omhoog geworpen en smakte neer met gebroken pooten. Dadelijk vielen vier, vijf menschen op ’t gekneusde dier aan. Een greep den strot en worgde den wolf, terwijl de anderen al de tanden zetten in de pooten en met rukken van den nek, het harige vel afscheurden van ’t nog levende dier. En een man, die zijn tanden had gezet in den achterpoot en ’t bloed opzoog werd door een anderen wolf in ’t eigen been gepakt en nu, zich met een gil krimpend oprichtend en zich achterwaarts buigend, sprong een tweede wolf hem naar de keel en beet hem den strot door en bleef met zijn tanden in zijn keel hangend het bloed opslurpen uit ’t lichaam, terwijl de man zijn vingers, gekromd in doodsangst, haakte in de oogen van ’t dier.Zoo bleven de wolven en de menschen in een bloederige dichte hoop wentelen en kruipen op de vaalzwarte plek in de smeltende sneeuwkorst, die aan de randen roodaderde van wegstroomend bloed, tot de wolven verzadigd grommend wegslopen en bloederige, kreunende gestalten zich losmaakten uit den hoop, zich wegsleurden, een zwart spoor met roode strepen achter zich latend.Toen de wolven weg waren zag de grijsaard, gesterkt door ’t opgedronken lauwwarme wolvenbloed, uit het hol de lijken naar buiten duwen en de naakte kerels met de witte knevels en geelwitte baarden en lange witte haren kwamen voorzichtig en gebukt nader.… zij slopen naar de grauwwitte plek waar de krengen der opengescheurde wolven en de bloederige stukken der menschelijken lagen en grenzend met hun lange tanden, hurkten ze neer en begonnen hun maal te doen.… de stukken menschenvleesch[66]verkiezend boven de stukken dierenvleesch.… gulzig de monden wroetend in ’t blauwzwarte dampende vleesch, zoodat langs hun geelwitte baarden rood menschenbloed traag werd ingezogen en in zwarte, stollende droppels neerbiggelde langs hun bloote, behaarde borsten.…Toen richtte de grijsaard zich op en hun met de vuist dreigend, riep hij:„Vervloekt, vervloekt zullen de lijkenazers zijn, hier en bij Thius.… vervloekt, vervloekt tot in de eeuwigheid!”Toen liep hij naar de groote hut achter het bosch, terwijl de kerels, met de beide handen de brokken rauw menschenvleesch aan den mond brengend, met glinsteringen van genot elkaar toeknikten, knorrend schrapend met de groote, witte tanden in de rookende, bebloede hompen.[67]

Bij de Dantubaren leden zij nu al drie weken honger. Zij hadden de geroofde leeftocht zuinig verbruikt, maar ’t reikte niet lang. Toen waren de sterkste mannen opnieuw op strooptochten uitgegaan en ’t weinige dat nog overbleef, hadden ze als voedsel voor onderweg medegenomen. De vrouwen, de kinderen, de zieke mannen en de grijsaards bleven achter zonder ander voedsel dan het gras, dat ze uit moesten hakken uit den ijsvloer, die de heele Torngou als met een reusachtig bronzen schild bedekte. Omdat ze te zwak waren om hout te kappen, hadden ze de hutten verlaten en woonden in groote diepe holen bij elkaar, die daar nog waren uit den tijd toen de wildemannen, die hier hadden gehuisd, waren verdreven. In die holen lagen ze bijeen, vrouwen, kinderen, grijsaards, zieken, dicht op elkaar gedrongen om warmte te zoeken en met doffe berusting wachtend op de terugkomst van de stroopers.

Maar de vale schemer, die ’s daags door de holgaten kwam en ’s avonds verduisterde keerde weer, telkens weer en de mannen kwamen niet terug. Zij zaten tot hoopen bijeen, met doffe oogen en kleurlooze wangen, allen vermagerd tot op de beenderen zoodat de lichamen der jonge maagden niet waren te onderscheiden van die der grijsaards. Velen waren te zwak om zich op te richten en lieten hun uitwerpselen loopen, zoodat ze ook de anderen bevlekten. Die wat sterker nog waren, sleepten zich naar een hoek om hun gevoeg te doen maar vandaar walmde een zoele, dikke verpestende stank, die zwaar hing in ’t hol. Soms stierf er een tusschen de anderen in, maar de anderen waren te zwak om het lijk weg te dragen en zij[57]bleven dagen achtereen op den verstijfden doode liggen tot anderen, door hun kermen gestoord, ’t lijk wegtrokken en naar den hoek sleurden, waar ’t lag te vergaan.

Ook kregen ze watergebrek. Want de enkelen die zich naar den ingang van ’t hol hadden gesleept om daar buiten klompen sneeuwijs los te bikken, kwamen niet terug en de anderen, die om de kameraden riepen zagen ze liggen, door koude bevangen, zwart bevroren met de klomp ijs, die zij hadden willen brengen nog in de houterige knuisten gekneld.

Er waren moeders die waanzinnig waren geworden, ’t verhongerde kind in de armen nog drukkend als ’t al lang gestorven was. Dan stonden ze in waanzinswoede op en wankelden naar den uitgang en gilden onsamenhangende klanken, die dof in ’t hol echoden. Ook waren er koortsige zieken, die maar steeds ’t zelfde woord, zuchtend en kreunend herhaalden of anderen, die ijlden en spraken van honigkoeken en meê en kaas, zoo met herinneringen de anderen nog tergend. Er waren zoo twintig holen elk met drie tot vierhonderd menschen—tot zoo een klein aantal was de eens zoo groote en fiere stam der Dantubaren samengesmolten, sedert jaren gedecimeerd door honger en klimaatziekten. Want de Dantubaren waren uit ’t Zuiden gekomen, verdreven uit een warm, mild klimaat door aardbevingen, die dáár ’t verblijf langer onmogelijk hadden gemaakt. Steeds noordwaarts trekkend, hadden zij door geheel Gallië zich door de daar wonende stammen moeten doorslaan, omdat overal de streken reeds bewoond waren. Steeds verder noordwaarts opgedreven, verminderend in getal maar door de vele gevechten geoefend en onvervaard geworden, waren zij ten laatste in de vruchtbare Torngou gekomen, waar zij een bevolking van holbewoners aantroffen, die geheel naakt, behaard gelijk dieren, de kinderen tot den jongelingsleeftijd gelijk dieren nog kruipend op handen en voeten, leefden van rauw gras, kruiden en[58]boomvruchten. Want zij verstonden de kunst niet, vuur te maken. Zij hadden geen andere wapens dan hun tanden, steenen en hertengeweien, die zij in de bosschen vonden. Als de Dantubaren verschenen, schoolden de holbewoners bijeen en toen, op hen aanrennend, vielen ze hun aan gelijk honden of wolven, naar voren springend op handen en voeten, de monden grommend open en hun tegenstander den strot trachtend door te bijten.

De Dantubaren met hun Etrurische zwaarden stietten de wildemannen als beesten neer en voor zooverre ze niet vluchtten werden ze uitgeroeid. Levend werden de wilde mannen die krijgsgevangen waren gemaakt begraven, naar de gewoonte der Dantubaren. In de Torngou waren zij blijven wonen en sloten verbonden met de Frisen, de Batouwers, en de andere stammen rondom. Zij waren knappe landbouwers, leerden de andere stammen het zaaien van goudgraan, het weven van driekleurige gewaden en het looien van runderhuiden. Ook namen veel stammen hun goden aan, daar deze grootere macht bezaten dan de zwarte steen en Thius. Zij waren het ook, die Wotan en Donar in de Batouw tot oppergoden deden uitroepen. Doch gewend aan een warm klimaat, verzwakte de stam der Dantubaren. De mannen, bij hun komst reeds kleiner dan de Batouwers en Kaninefaten en Frisen, werden nog kleiner van lichaamsbouw, zoodat zij in den strijd niet tegen hun buren opkonden. Hun zwaarden, van een vreemd metaal, versleten langzamerhand en nieuwen konden zij niet maken, daar zij het metaal niet vonden in deze streken. Toen de oogsten mislukten en zij door den honger gedwongen, eerst hun have moesten ruilen voor leeftocht en toen op rooftocht uitgaan, werden zij door de naburige stammen getuchtigd. Zoo was dan slechts deze kleine stam van de Dantubaren overgebleven, na zes geslachten reeds geheel ontaard en met half-vergeten tradities.

Er was onder de hongerenden in één hol nog een enkele[59]grijsaard, die herinnering had aan de goede tijden van weleer. Hij vloekte op de goden, de ellende wijtend aan de vijandige oude goden, die van den zwarten steen en aan Thius, die door de nieuwe goden verdrongen waren. Hij bezwoer de jongelieden, wanneer ze in leven zouden blijven, Wotan en Donar weder af te zweren en de oude landsgoden te aanbidden, die in deze streken alleen de macht hadden. De holen hadden geen gemeenschap meer met elkaar, want niemand waagde zich naar buiten—vreezend te zullen bevriezen. Maar in één hol, waar veel jonge vrouwen waren opgehoopt, die vreezend voor het geweld van de grijsaards en de zieke mannen, bij elkaar waren gaan schuilen, hadden de hongerenden een gang gegraven onder den grond door, omdat zij zoo eetbare wortels vonden van diepgroeiende planten. En voortgravend waren zij toen aan het hol gekomen, waar de grijsaard lag. De vrouwen hadden de stamgenooten medegedeeld van de wortels en daar zij kleederen hadden, wikkelde eene zich in de gewaden aan veel anderen en zoo, tegen de koude beschut, kan zij naar buiten gaan om ijs te halen.

Dat bracht eenige lafenis en nu wekte de priester de vrouwen op, den zwarten steen te gaan halen van de grens en die naar het hol te brengen. Zoo vurig en overtuigend had hij gesproken, dat ten slotte een twaalftal vrouwen besloten de oude godheid te gaan zoeken. Zij kleedden zich met alle gewaden, die in de holen waren en eens buiten, liepen zij naar de hutten, verzamelden de huiden en zoo, geheel in pelzen gebakend, reden zij met een wagen naar de grens, zich voedend met gras, wortels en moes van dorre bladeren. Maar aan de grens werden zij opgewacht door de gewapende Batouwers, die haar in heur pelzen voor mannen aanziende, te lijf gingen. Doch zij gilden met heur hooge stemmen, rukten zich de pelzen van ’t lichaam, toonden heur borsten en schaamdeelen en smeekten om deernis. De Batouwers, ziende dat zij vrouwen voor zich[60]hadden lieten af en meenend, dat zij om hun mannen kwamen, vertelden zij, dat zij de mannen allen hadden neergehouwen, omdat ze op roof waren uitgegaan.

De vrouwen jammerden en enkele Batouwsche vrouwen brachten haar wat brood en kaas, hoewel ze zelve bijna nood hadden. Daarna hadden zij den zwarten steen op de kar geladen en toen trokken ze weder naar het hol terug. Dien nacht was het nieuwe maan en het weer sloeg om. Het ving aan te dooien en in het woud, waar zij doorheen trokken, begon het al zachtjes van de takken te druppen. De maagden meenden dat dit het begin der wonderkracht van den goddelijken steen was, en dat was haar een troost in haar groote droefenis om den dood van de sterkste mannen van den stam. Tegen den morgen kwamen zij doodelijk vermoeid met den steen voor het hol aan. Zij riepen die in ’t hol waren naar buiten, zeggende dat het dooide. Een zwak gejuich ging op en de menschen kropen naakt uit het hol en buiten gekomen, begonnen zij den vochtigen grond te lekken om hun dorst te stillen. Zij waren vaalbleek in ’t gelaat, het geheele lichaam groezelig besmeurd met aarde en drek en velen haddenontstokenoogen, etterende wonden. Toen de maagden vertelden, dat de mannen, die op roof waren uitgegaan, door de Batouwers waren doodgeslagen, gromden zij als dieren en daar velen zich uit zwakte niet meer konden oprichten, geleken zij op dit oogenblik op de wildemannen, die hun voorvaderen hadden verjaagd. De grijsaard liet den zwarten steen opstellen op de mede en toen waarschuwden de maagden ook de lieden in de andere holen. Die kwamen nu ook naar buiten kruipen, knipoogend met ontstoken oogen tegen het daglicht. Zij kropen als dieren langs den grond, zoo verzwakt waren zij en velen begrepen niet wat er gebeurde, verwezen geworden in de vele dagen dat zij hongerend in het half duister der muffe, broeierige holen hadden gelegen. Bij twee holen kregen de vrouwen geen antwoord. Een[61]harer wilde binnendringen door de luchtgang, maar zij tradt terug en begon te braken zoo walgelijk was de stank die haar tegensloeg. De maagden riepen nogmaals en nogmaals, dat het dooide, dat de heilige steen was opgesteld, maar zij kregen geen antwoord. Toen keken zij elkaar zwijgend aan en liepen treurig verder. In die holen waren alle menschen van honger en ellende gestorven. Ze lagen er in ’t half duister tegen elkaar, grijsaards, knapen, meisjes, moeders met zuigelingen en maagden, een dichte hoop stinkende lijken in plassen drek en vocht.

De grijsaard riep allen om den heiligen steen bijeen, doch maar enkelen konden loopen. De meesten, op handen en knieën voortkruipend, sleepten zich naakt door het smeltende, grijze sneeuwwater. Sommigen bevangen door het licht en de buitenlucht vielen terzij en lagen liggend op de smeltende ijskorst, die grijszwart om hen heen dooide. Anderen konden niet voort wegens hun zwakte en wilden weer terugkruipen naar het warme hol. Maar ook daarvoor ontbrak hun de kracht en zoo bleven zij steunend en rillend zitten en keken naar den zwarten steen van den ouden god op de mede, waar de sterkeren nu al een donkeren kring omheen vormden op het vaalwitte vlak van ’t bevroren sneeuwveld-in-dooi.

De grijsaard zeide zich te herinneren, dat rondom den steen een vuur moest worden gemaakt en keek naar de takken van ’t struikgewas alsof hij met zijn oude, slijmige oogen de takken van de struiken kon halen. Maar er was er onder allen geen, die nog genoeg kracht had om naar ’t struikgewas te gaan om hout te sprokkelen.

De anderen keken ook naar ’t struikgewas en de twaalf maagden, hoewel vermoeid van de lange reis en het sleepen van den zwaren steen, den heelen nacht door, zochten over het veld tot den einder of niet ergens nog een houtstapel boven de sneeuw uitstak. En één harer wees den vinger naar een zwartig punt heel ver.… vragend of dat geen[62]houtmijt was? Een der zieke mannen, die vroeger zeeman was geweest maar door een buis de beenen had gebroken en sedert zich op krukken voortrukte, keek nu ook maar hij gaf een gil van schrik.

„Dat zijn de wolven!” riep hij. En meteen, zijn krukken met een ruk neerzettend, begon hij zich daartusschen haastig naar het hol te slingeren. Anderen volgden hem, roepend: „De wolven! De wolven!” en zwakken, die niet tot den heiligen steen hadden kunnen kruipen, nu door den schrik aangevuurd, sleepten zich terug naar het hol. Ook waren er die, geen raad wetend om onder weg te komen, hun naakte lichamen languit op den grond legden en zoo zich om-en-omrollend het naaste hol trachtten tebereiken. Maar zij werden spoedig duizelig en bleven verdoofd liggen op het kleffe, kille sneeuwijs.

„Vuur! Vuur! Wij moeten vuur maken om den god!” riep de grijsaard heesch. „Dan zal hij ons redden!” Daar waren enkele mannen uit een de verste holen, die nu naderden, die sterker waren dan de anderen. Zij hadden in het hol de vrouwen, de kinderen en de zwakken gedood en die rauw opgevreten.… en daarna hadden zij geloot en wie ’t lot trof was met een steen neergeslagen en dan in stukken gerukt en verzwolgen. Zeven mannen waren nog overgebleven, toen de maagden ze hadden geroepen en ze kwamen naar buiten, rechtop en niet vermagerd, maar hun lange haren en hun lange baarden en neerhangende knevels waren wit als die van grijsaards. Toen zij in de verte nu ook de wolven zagen naderen, een vaalroode driehoekige vlek die over ’t blauwgrijze veld scheen toe te komen glijden, deinsden zij niet terug maar gromden diep in de keel en zij staken de koppen vooruit en snoven de frissche lucht op.

De maagden hadden met hun laatste krachten dor hout gezameld van de dichtbijzijnde struiken en de priester deed moeite omvuurte maken, door twee stukken hout tegen[63]elkaar te wrijven. Maar het smeltende sneeuwijs had de takken te vochtig gemaakt en de grijsaard was te uitgeput om hethoutdroog te wrijven. Hij keek vragend op, naar de zeven dikke mannen maar deze wilden hem niet helpen en hij, wel vermoedend waarmede zij zich gevoed hadden en hun onwil ziende schold:

„Vervloekte lijkenazers!”

Zij lachten en onder hun witte knevels schitterden hun lange tanden.

De maagden, dit hoorende, begonnen van afschuw en ontzetting te gillen en een harer wilde een steen oprapen om dien naar de kerels te gooien, die maar bleven grijnzen. De steen zat nog vastgevroren aan ’t sneeuwijs en met dat zij nog gebukt stond, sprong een der kerels haar achter op den rug. Zij viel neer en hij wentelde haar om en volbracht zijn lust. De zes andere kerels, dat ziende, stortten zich nu ook op de maagden, die zich verweerden en eene haakte haar vinger in ’t oog van een der mannen en haalde het er uit. Hij kreet, gaf haar een trap voor de buik en toen zij kreunend neerviel, stortte hij zich op haar om zijn lust bot te vieren.

De wolven kwamen nader.… en de grijsaard zag al de voorsten goed met de uitgerekte snoeten en de open muilen, waaruit damp stootte. Hij begon opnieuw een hout te draaien in de vork van een tak en nu vatte het hout vuur. Hij liet het even aanbranden en wierp er andere takjes op.… maar toen ’t hout begon te vlammen op den grond, ontdooide het sneeuwijs en zoo werd het weer nat en smeulde met dunne zwartige wolkjes, waarin de einden als vurige oogjes gloeiden. Hij blies met zijn korte, hijgende adem, maar hij kon ’t vuur niet doen oplaaien.

De kerels, na aan hun lust voldaan te hebben, de wolven ziende naderen, vluchtten nu naar het naaste hol en kropen er diep in weg, voor ’t luchtgat de lijken duwend die zij daarbinnen vonden.[64]

De maagden gilden en de wolven ziende naderenvluchtten zijook naar een ander hol.

De zwakken, die niet meer weg konden schoolden saam, hopend zoo de wolven nog te kunnen weerstaan. Het was een troep van twintig uitgehongerde dieren, die van zeer verre kwamen, aangelokt door den reuk van menschenvleesch. Zoo verhongerd waren ze, dat onder de oogen van de Dantubaren, die ze ongewapend moesten afwachten er telkens achterbleven, op den rug rolden en de pooten in de hoogte stekend, dood bleven liggen van uitputting. De voorste wolf bereikte met een sprong den grijsaard maar deze bukte achter den heiligen steen en de wolf over hem heen springend viel neer en kon zich uit zwakte niet meer oprichten. Twee anderen wolven sprongen den voorsten wolf na. Telkenmale bukte zich de grijsaard en nu wierpen de twee wolven zich op den zieltogenden éérsten wolf en reten diens strot met de muilen open en begonnen aan ’t trekkende vleesch te eten. Het bloed sijpelde helderrood op de blauwgrijze sneeuw. De grijsaard nam een nog smeulenden tak en stak die naar de twee wolven uit, die de bebloede muilen oprichtend met vurige oogen naar den tak zagen maar de dwalmende rook opsnuivend deinsden zij terug en een kleinen jongen ziende, die bevroren voeten had gehad en daardoor zich slechts langzaam op de billen weg kon wippen, sprongen zij op den knaap toe en begonnen hem te verscheuren.

De grijsaard nu zich bukkend, den smeulende tak vooruithoudend, wilde de beide dieren ook daar verjagen maar ziende, dat de knaap al zieltoogde, werd hem de lust te sterk en hij wierp zich op ’t half verscheurde, warme kreng van den eersten wolf en zijn tandelooze mond brengend aan de buikholte, begon hij gierig het warme bloed uit het dampende lichaam op te zuigen.

De andere wolven hadden zich midden in de hoop der menschen geworpen. En nu waren menschen en wolven[65]één dikke, rollende, dampende, worstelende kluwen. Menschen en dieren beten zich aan elkaar vast en zogen het stroomende bloed op en kauwden op ’t krimpende vleesch, zoo uit het levende lichaam gebeten. En tusschen het krijten en gieren van de menschen en het janken van de wolven was geen onderscheid … Eén wolf werd een eind omhoog geworpen en smakte neer met gebroken pooten. Dadelijk vielen vier, vijf menschen op ’t gekneusde dier aan. Een greep den strot en worgde den wolf, terwijl de anderen al de tanden zetten in de pooten en met rukken van den nek, het harige vel afscheurden van ’t nog levende dier. En een man, die zijn tanden had gezet in den achterpoot en ’t bloed opzoog werd door een anderen wolf in ’t eigen been gepakt en nu, zich met een gil krimpend oprichtend en zich achterwaarts buigend, sprong een tweede wolf hem naar de keel en beet hem den strot door en bleef met zijn tanden in zijn keel hangend het bloed opslurpen uit ’t lichaam, terwijl de man zijn vingers, gekromd in doodsangst, haakte in de oogen van ’t dier.

Zoo bleven de wolven en de menschen in een bloederige dichte hoop wentelen en kruipen op de vaalzwarte plek in de smeltende sneeuwkorst, die aan de randen roodaderde van wegstroomend bloed, tot de wolven verzadigd grommend wegslopen en bloederige, kreunende gestalten zich losmaakten uit den hoop, zich wegsleurden, een zwart spoor met roode strepen achter zich latend.

Toen de wolven weg waren zag de grijsaard, gesterkt door ’t opgedronken lauwwarme wolvenbloed, uit het hol de lijken naar buiten duwen en de naakte kerels met de witte knevels en geelwitte baarden en lange witte haren kwamen voorzichtig en gebukt nader.… zij slopen naar de grauwwitte plek waar de krengen der opengescheurde wolven en de bloederige stukken der menschelijken lagen en grenzend met hun lange tanden, hurkten ze neer en begonnen hun maal te doen.… de stukken menschenvleesch[66]verkiezend boven de stukken dierenvleesch.… gulzig de monden wroetend in ’t blauwzwarte dampende vleesch, zoodat langs hun geelwitte baarden rood menschenbloed traag werd ingezogen en in zwarte, stollende droppels neerbiggelde langs hun bloote, behaarde borsten.…

Toen richtte de grijsaard zich op en hun met de vuist dreigend, riep hij:

„Vervloekt, vervloekt zullen de lijkenazers zijn, hier en bij Thius.… vervloekt, vervloekt tot in de eeuwigheid!”

Toen liep hij naar de groote hut achter het bosch, terwijl de kerels, met de beide handen de brokken rauw menschenvleesch aan den mond brengend, met glinsteringen van genot elkaar toeknikten, knorrend schrapend met de groote, witte tanden in de rookende, bebloede hompen.[67]


Back to IndexNext