[Inhoud]HOOFDSTUK X.Het ging den Velagers slecht, die achter de Bedekauwers aantrokken. Want de verwachting van koning Mise, dat de roovers den stoet van koning Gise wel zouden overrompelen en er dan voor hen genoeg zou afvallen, werd niet vervuld. Het was een bijster slechte tijd voor de roovers, want de faam van Harimona trok zoovele lieden naar de haag van Renigo, dat de wegen bij dag en bij nacht dicht bevolkt waren. De bedevaart-gangers sloten zich bij elkaar aan, vormden groote troepen en buitendien waren er ook veel krijgslieden op weg naar Renigo, die verlangend naar avontuur, zeer naar roovers speurden, want menig roover had in zijn hol groote schatten, die het veroveren wel waard waren. Enkele bruidegoms voor Harimona vooral, betoonden zich belust op gevechten met roovers, daar zij wel wisten, dat de faam van een verschen heldendaad hun werving meer kans zou verleenen. Zoo dan waren de wegen ongewoon veilig en met verbeten woede zag koning Mise met zijn gevolg, allen met hongerige oogen, hoe Gise en de zijnen in overdaad en vreugde leefden en overal, wegens den prachtigen staat, dien hij tentoonspreidde, als een machtig vorst met veel eerbetuiging werd begroet.Wanneer zij een kwartier betrokken en de tenten werden opgeslagen, de tent van koning Gise met scharlaken voorhang waarop zijn wapen, een zwemmende leeuw, halverwege boven de golven, met een zwaard in de klauw, in gouden stiksel was geborduurd, kwamen van alle zijden de bewoners toeloopen met geschenken en eetwaren. Koning Gise, naar zijn aard, ontving de lieden hoffelijk en waardig, liet de schatten der wagens uithaken en de[79]wielen van de assen nemen, zoodat de wagen-vloeren tafels vormden en dan gaf hij gastmalen, waarbij hij niet alleen de geschonken eetwaren, door de drie hofdichters heerlijk toebereid, ten disch liet brengen, maar van zijn grooten voorraad daarbij liet zetten. Tijdens den maaltijd werd op een der wagens een zachtgroen kleed uitgespreid en daar op gingen Hall, Hamm en Hann staan in kostbare kleurige gewaden, met vergulde lieren in de hand en kransen van gouden eikeblaren in ’t haar en zoo moesten zij voor de gasten hun schoonste sproken opzeggen, rijk aan alliteraties, de strophen streng in het rhythme als waren ze de was-cellen in een honingraat en de groote vorst werd niet moede, zijn gasten te wijzen op de schoonheden der sproken, soms zelfs met het been van een cotelet op zijn gouden bord de maat en de scandeering aangevend en zijn dischgenooten uitnoodigend zijn voorbeeld te volgen, wat iedereen gaarne deed, daar niemand voor een domoor gehouden wenschte te worden, die de schoonheid van de sproken niet begreep.De veertig strandschuimers, als magere duivels met van honger loenschende oogen uitgetrokken, waren als lijfgarde overbodig geworden. Gise, in een goeden luim, beval dat ze aan tafel de wacht zouden houden, opdat de gasten zich tijdens het maal rustig zouden gevoelen. De goede Koning, die de magere kerels gaarne een hap gunde, had er dan pret in, midden onder een sproke van zijn koks, de leden dezer wacht, die neiging gevoelden in slaap te vallen, plotseling op te schrikken door een gebraden speenvarken of een reebout of een kalfskop met een zwierigen vaart hun, welgemikt, naar het hoofd te werpen, roepend: „Let op, let op wachter. Het speentje rent weg!” of „Waak op, wachter, de ree vliedt!”Dan schrokken de kerels op, die als echte Velagers geen vermaak vonden in de Bedekauwsche poëzie en wierpen zich op het gebraad, dat de koning hun toegezwaaid had[80]en ze pikten het vaardig op met hun spietsen en zorgden er voor, dat het smeüge speentje of de malsche bout niet ontsnapte. Groot vermaak schepte de Koning en zijn gasten er in, wanneer dan de schuimers onderling ruzie kregen om het geschenk des Konings en met elkaar aan ’t bakkeleiën gingen. Zij grepen elkaar bij de keel en bij het schaamdeel of trachtten elkaar met de vingers de oogen uit te steken tot de koning zijn gasten uitnoodigde, zijn voorbeeld te volgen en aan de twist een einde te maken door van den disch zooveel eetwaren naar de vechtenden te werpen, dat deze, den overvloed bemerkende, van elkaar aflieten en begonnen te schrokken terwijl de gasten, onder groot gejuich, zelve oververzadigd, alles wat nog op de tafels stond naar de lijfgarde wierpen, gebraad, vruchten, klieken bier uit de kroezen en horens, gezoden piepkuikens, ballen gehakt, hambeenen, brooden en stukken honigkoek.Onderwijl bleven Hall, Hamm en Hann ongestoord doorgaan met het zeggen van hun sproken, hoewel helaas de schoonste stafrijmen verloren gingen en niemand lette op de maat, die zij zoo wonderlijk nauwkeurig hielden. Want de drie hofkoks, onderling op elkaar naijverig, controleerden elkaar scherp en wanneer een van hen het zou gewaagd hebben een silbe te smokkelen, zou hij onmiddellijk door den ander terecht gewezen en zelfs verbeterd geworden zijn.Daar bijna elken dag gasten kwamen en vaak zelfs dezelfde gasten uit hetzelfde oord, een bewijs er voor hoezeer het onthaal hun had bevallen, en Koning Gise niet kon lijden dat, waar allen zich verzadigden, zijn lijfwacht honger leed, herhaalden zich aan ’t eind van elk gastmaal dezelfde vroolijke stoeipartij, tengevolge waarvan de schuimers na eenige weken oververzadigd waren, ronde buikjes hadden gekregen en zich nog slechts bevochten, wanneer bijzondere lekkernijen werden toegeworpen. Doch, weldoorvoed, waren ze lui als ossen en vadsig als varkens tot wanhoop van Koning Mise, die op zijn eigen onderdanen geen invloed[81]meer had, terwijl de deerntjes, die hij had medegenomen, gevoed door de schuimers, zich niet lieten vinden om deze tot verraad over te halen van een vorst, die zoo mild was ten voordeele van een vorst, die haar honger en koude liet lijden.Maar nog grootere ellende wachtte Koning Mise en de zijnen. De weg, die de stoet nam, was in de eerste dagen bezaaid geweest met de overblijfselen van den disch van Koning Gise en de zijnen. Er lagen hambeenen, hompen kaas en brood, de gedeelten van het wild en gevogelte, die minder smaakvol zijn, zoo maar ter zijde van de kampen, waar de maaltijden waren gehouden. Doch thans was de faam der milddadigheid van Koning Gise zoo ver verbreid, dat van alle kanten toegestroomde hongerhalzen als een groote tros, den stoet van Gise volgden en de arme Koning Mise en de zijnen moest met dat bedelvolk een strijd om leven en dood volvoeren om de brokken en den afval machtig te worden en in stede dat de rijke Gise zich tegen roovers te weren had, moest de arme Mise zich met dat tuig inlaten.Ook zijn laatste troost en hoop, dat zijn sproke-sprekers meer waardeering zouden vinden dan die van Koning Gise, vervloog in rook. De geestigste satiren, de leutigste grollen, de vernuftigste zetten, werden door het grauw afgekeurd. Dezelfde menschen, die Hall, Hamm en Hann toejuichten, schudden het hoofd als zijn driemanschap sproken zei, ja erger, ze begonnen om te toonen, dat zij op ’t gebied der sproken-sprekerij niet gering te schatten waren, de maat na te gaan door met dorre takken en knuppels tegen de boomen te slaan en in stede naar den zin en de bedoeling van de zetten en grollen te hooren, letten zij alleen op de maat en de scandeering en riepen: Mis!.… Mis!.… Mis!.… bij de raakste zetten, omdat er geen alliteraties in waren.Toen Koning Gise dat vernam, werd hij nog guller en[82]opgewekter en om zijn drie koks te beloonen, vergunde hij hun een bijtitel te kiezen. Hall noemde zich de Gids, omdat hij de menschen naar den weg van ’t ware schoon leidde. Hamm noemde zich des Gidsen Gids, omdat hij dikwerf Hall verbeterde en Hann noemde zich de Gids der Gidsen, omdat hij volgens den Koning boven de twee andere koks uitblonk.Koning Mise, dit hoorende en bemerkende dat deze wijze van beloonen den vorsten niets kost en de dienaren bovenmate gelukkig maakt, stond zijn drie sproke-sprekers toe, eveneens eere-titels te nemen. Pill, Pimm en Pinn overlegde welke titels zij zouden kiezen en vroegen ten slotte hun vorst, hun liever zonder eere-titel te laten maar voor een vettere keuken te zorgen. Koning Mise liet zich hun lederen gordels geven, sneed er een stuk van af, gaf ze hun terug en zeide, dat nu zijn keuken vetter was, omdat ze hun gordels nauwer toe konden halen.Hierop zeide Pill:VetSmet.En Pimm:EetLeed.En Pinn:Maal,Schraal.Want zoo zwak waren de drie van honger, dorst en ontbering, dat zij nog maar heele kleine sproken konden spreken bij gebrek aan brood en bier.Koning Mise antwoordde wel:Boet,Moed,maar onderwijl overlegde hij, hoe hij zich en de zijnen van leeftocht kon voorzien. Hoe zouden zij ooit de heilige haag bereiken, wanneer zij zoo door moesten sjokken en welke hoop kon hij koesteren op de verwerving van de rijke[83]bruid, wanneer hij en zijn dichters bij aankomst te uitgeput zouden zijn om zelfs woorden ten geschenke te brengen.Ook de vernedering, die hij onderweg ondervond, drukte hem zeer. De rijke Gise werd niet alleen naar den stof maar ook naar den geest geprezen. Was het niet schande, dat de geest zijner sproke-sprekers zoo werd geminacht en misverstaan? Maar zoo zijn de menschen. Wie een purperen voorhang voor zijn tent heeft, is meteen geestig en wie kampeeren moet onder een ezelwagentje is meteen dom. Laffe groots hoop, die altoos hun aanbidt, die ze door schijnschoon verblindt en door geschenken en gastmalen vleit. Ellendig grauw, dat de geestigste werken miskent, omdat de dichter meer waarde legt op den inhoud, op de ziel, dan op den stijven vorm; de makkelijke kunstgrepen, die zijn genius minacht, verwaarloost en de onbenullige weetjes, die iedereen met wat vlijt kan verzamelen, verwerpt voor de heilige verbeelding, die het leven aller tijden uit het niet der vergetelheid weder opwekt.Zoo sprak koning Mise tot de drie dichters, wier keukenhijvetter had gemaakt door hun gordels te verkorten, zoodat zij hun maag konden insnoeren.Pill, Pimm en Pinn hoorden hem aan en Pill sprak:De kleinste koek,Verliest nog een hoek.Pimm sprak:Wie veel al heeft,Dien ieder geeft.Pinn sprak:Wie arm verrekt,Wordt nog begekt.Koning Mise, goedkeurend knikkend, sprak:Hoe grooter geest,Hoe meer verweesd.Waarop weder Pill:De ware kunst,Die heeft geen gunst.[84]En Pimm:Wie vleit en likt,Het beste bikt.En Pinn:Wien honger striemt,Wordt eng geriemd.Koning Mise, nadenkend, antwoordde:De grootste dief,Heeft ’t grootst gerief.En Pill:Het diefje klein,Lijdt grootste pijn.En Pimm:Steel,Maar veel!En Pinn:Steel een land,’t Is geen schand,Steel een touw,Gij hangt gauw!Nadenkend hoorde Koning Mise toe en antwoordde:Laat and’ren wagen,Neem zelf de buit,Zijkrijgen de slagen,Uwlijden is uit.Na deze beraadslaging bespraken de vier het schoone plan, dat zij wisten tegelijk in elks hoofd broeiend. In het woud van Gibick huisden gevaarlijke roovers, die wel wat aandorsten als er veel bij te winnen was. Hun weg voer nu door dat woud. Wanneer zij zich met de roovers in verbinding stelden, hun aanspoorden om Gise te overvallen en te dooden en zich met diens schatten te verrijken, dan zouden zij in den buit kunnen deelen en voortaan van alle vernedering bevrijd zijn.Koning Mise bleef opzettelijk met zijn karretje achter, doende alsof zijn ezeltje niet meer voortkon, hoewel het[85]dier deeenigedienaar van Koning Mise was, die ’t naar den vleesche ging, want hij vond langs de wegen rijkelijk distels. Toen de stoet van Koning Gise uit het gezicht was, snelde Koning Mise met de drie sproke-sprekers naar het hol van den rooverFridbolden vertelde hem van de schatten die Koning Gise in zijn vele wagens medevoerde en van de lafheid zijner wachten. Fridbold riep zijn gezellen bijeen, hield raad en besloten werd nog dien middag den overval te wagen.Koning Mise en zijn drie trawanten keerden nu terug naar hun karretje en reden zoo snel, dat het ezeltje meende, hij was in een paard omgetooverd. Zij waren weder spoedig bij Koning Gise, die juist bevel tot het avondmaal had gegeven.Koning Gise, die al gevreesd had, dat zijn mede-minnaar met zijn drie sproke-sprekers was achtergebleven, begroette den Koning met vriendschap en hun magere gelaten en holle oogen ziende, voelde hij medelijden en noodigde hen aan zijn disch.Koning Mise nam het aanbod aan en zei tot zijn sproke-sprekers:„Let op. Dat doet hij alleen om tegenover ons te pralen. Maar wij zullen ons niet ergeren en bedenken, dat wie ’t laatst lacht, de ware pret heeft.”Zoodra waren ze gezeten of de drie hofkoks van Koning Gise klommen op den dichtwagen en begonnen hun sproken te spreken. Pill, Pimm en Pinn hadden te grooten honger om niet aan den disch te blijven, maar naarmate hun honger gestild werd, kregen zij grootere lust om Hall, Hamm en Hann met grollen te bespotten en toen Hamm sprak:„Weet di, wanneer één zwijn drie hammen had?”kon Pimm zich niet weerhouden, den kok te onderbreken hem toeroepend:„Toen du op Koning Gise’s schouders zat!”[86]Koning Mise barstte in een hartelijk gelach uit, maar Koning Gise, zich richtend tot de dischgasten zeide:„Hebt di het gemerkt!”„Ja heer.… het is schande, heer!”„Ongeloofelijk!”„’t Is schaamteloos.… hij verdiende gehangen te worden.… het is bepaald grof.”„En dat tegenover zijn gastheer.…”Koning Gise knikte goedkeurend, toen hij de verontwaardiging der gasten uit deze uitroepen merkte en hij zeide triomfantelijk:„Ja.… zoo is het! Du.… op—is fout.… twee klinkers vormend een gaping.…”En zich tot Hamm richtend, riep hij:„Gids, geef dezen strompelenden sproke-spreker een spraakles!”Hamm keek verachtelijk naar Pimm en zeide:„Weet du, wanneer een zwijn drie hammen had?Toen Hamm op Koning Gise’s schouders zat.”Koning Gise sprong op van vreugde, toen hij deze nederlaag van Pimm bijwoonde. Alle gasten juichten den Gids toe, die door één woord te veranderen opeens de geheele sproke van den hiaat gezuiverd had.Koning Mise keek Pimm aan, Pimm keek Pill en Pill, Pinn aan en deze vier, in stede van beschaamd te zijn door zulk een nederlaag op sproke-gebied, verstoutten zich grollen te spreken, die nog meer aantoonden, dat zij geen maat wisten te houden.Pill zeide:Zoo zwijnig was een zwijn, dat toen men zwijn zei,Hij riep: Te weinig zwijn, en voegd’er nog een Hamm bij.Pimm zeide:Twee hammen en één Hamm,Alle drie aan één kram!Pinn sprak:Tel op, daar waren hammen vijfen,Eén op de schouders, vier aan de lijven.[87]Koning Mise besloot:Hamm op, Hamm onder, is ’t niet fijn,Dat heet ik toch een dubbel zwijn.Koning Gise wilde juist zijn koks opdragen te antwoorden, toen opeens onder een luid geschreeuw Fridbold en zijn gezellen kwamen aanstormen.Koning Mise gevolgd door zijn drie sproke-sprekers vluchtten en met groote schreden zich reddend, klommen zij in een hoogen eik en bleven, beschermd door het loover, toezien naar het bedrijf der roovers beneden.Deze waren gewapend met steenen bijlen en dreigden allen, die zich wilden verdedigen, neer te slaan. De gasten vluchtten naar alle zijden.Hall, Hamm en Hann waren de eersten, die door de roovers vastgebonden werden aan hun wagen en terwijl zij bedreigd door de bijlen der roovers om genade smeekten, riepen de drie boven uit den boom hun spotdichten toe.Koning Gise wilde zijn zwaard trekken, maar daar zijn hand nog vet was van een kluif, gleed deze van ’t gevest af, zoodat hij tegen Fridbold een zwaardstoot uitvoerde zonder een zwaard in de hand te hebben, waarop Fridbold in lachen uitbarstte. Uit den boom klonk:Wie trok zijn zwaard en stak temet,In andrer niet, in ’t eigen vet?Gise keek omhoog in den eik, maar daar de drie dichters hooger waren geklommen, geheel in ’t loover verscholen zaten en koning Mise door het rijke maal en de spanning van ’t oogenblik verrast, juist zijn overkleed had opgetrokken om aan een natuurlijke behoefte te voldoen, ontdekte koning Gise niet, wie hem deze grol toeriep.Fridbold wilde nu op koning Gise aanvallen, deed een stap voorwaarts maar net op dit oogenblik viel ’t gevoeg van koningMiseuit de takken naar beneden, juist op ’t gelaat van den roover, die ’t gezicht overstroomd en met de oogen verblind in woesten drift tegen den stam van den[88]eik opsprong en onder vreeselijke vloeken koning Mise bedreigde, meenende dat hier opzet in ’t spel was en verraad duchtend.Koning Mise riep zijn drie dichters te hulp en de vier verdedigden zich wanhopig tegen den roover, die zijn gelaat met een slip van zijn jachthemd afwisschend, bezwoer de verraders te zullen ophangen aan den eigensten drekboom.Koning Gise, zich buiten gevaar ziende, had nu na eenige moeite zijn zwaard toch nog uit de scheede gekregen en het manmoedig zwaaiend, liep hij statig naar den wagen, waar zijn drie koks waren vastgebonden, sneed ze met het zwaard los en beval hen, hem te volgen en wèl op te letten, opdat later hun heldendicht geen leemten zou aanwijzen. De vier stormden nu naar den wagen waar de kogelronde Alkmeersche kazen bewaard lagen en terwijl de roovers, in vereeniging met de zeeschuimers, die hoe ook weldoorvoed, hun ouden aard voelden bovenkomen nu er te rooven viel, en zich niet kunnend bedwingen en werkloos toezien, de andere wagens plunderden, juichend over zulk een rijken buit, om Fridbold riepen, die wanhopig vocht tegen de vier verraders in ’t eike-loover, gaf koning Gise waardig en koen zijn bevelen aan zijn drie trouwe koks, die hij de kazen met kracht liet werpen naar de roovers. Deze, zich eerst bedreigd meenend, maar nu den dikken koning ziende die met zijndriedikke koks de kazen uit den wagen wierp, zonder iemand te treffen, begonnen te lachen, werden overmoedig, bevalen de deerntjes van koning Mise nader te treden, zetten de wijnzakken aan den mond en begonnen een groot drinkgelag, daar Fridbold de hoofdman nog altijd niet verschenen was en hierdoor alle tucht bij zijn gezellen ontbrak. Maar toen de beschonken roovers zich aan de deerntjes wilden vergrijpen begonnen de schuimers, die ook braaf mede gedronken hadden, zich te verzetten en weldra waren de roovers en[89]de schuimers met elkaar aan ’t bakkelaaien, terwijl de deerntjes, gillend en ontdaan, naar den wagen van koning Gise kwamen loopen en hem smeekten om bescherming.De koning liet zich daaromopden kaaswagen hijschen en zijn zwaard met de punt in een kaas stekend, daarna met kracht het zwaard door de lucht zwierend naar de zijde van de bakkelaaiers, suisde de kaas met een vaart door de lucht, viel te midden van de troep neer en raakte een roover zoo op ’t achterhoofd, dat de man bewusteloos neerviel. Een tweede kaas, door den grooten koning Gise op dezelfde wijze weggeslingerd, trof een zeeschuimer voor den neus, zoodat de man een gil van pijn uitend, bloedend neerzeeg.Nu eerst bemerkten schuimers en roovers den nieuwen vijand en wilden vereenigd op koning Gise aanvallen, die zijn zwaard met een kaas op de punt vooruitgestoken, gereed om weder te slingeren, dapper stand hield. De drie koks echter, niet weinig verstoord dat de Alkmeersche kazen zoo maar werden weggeslingerd, ten prooi aan rooversgespuis, want eenige roovers, die achteraf stonden, hadden de twee door koning Gise geworpen kazen opgeraapt en sneden er met hun messen hompen van af, die zij opschrokten, smeekten hun koning aan de keuken te denken.„Zijn dat dichters, die zulks zeggen?” vroeg de koning verontwaardigd.„Neen—koks!” antwoordde Hamm.„Dan hebt du gelijk!” erkende de koning en de kaas van de punt zijns zwaards nemend, reikte hij haar Hamm over. Dit nu verbitterde de roovers, die toe kwamen stormen onder ’t geroep van: „Hier de kazen!—Wij moeten de kazen hebben!”Nu week koning Gise en zijn drie koks weer terug in den kaas-wagen. De roovers klommen ook op den wagen en wilden den koning te lijf, toen zij iets ontdekten, dat hun allen terug deed afdeinzen.[90]Op de bok van den wagen stond een gouden kooi en daarin zat een grooten vogel, maar zoo vreemd van pluim en veer als nog nooit gezien was. Hij had een grijzen kop, een purper lichaam en een blauwen staart.„Dat is een betooverde boschgeest!” riep koning Gise, toen een der roovers naderde. Deze, moediger dan de anderen, wilde zijn hand in de kooi steken om den vogel te grijpen. Doch de vogel gaf een flinke beet in de hand van den roover, zoodat deze terugweek. Maar een doodsschrik beving hem, toen de betooverde boschgeest zijn bek bewoog en duidelijk verneembaar zei: „Grendeldebliksem … hangen zal je!”De roover sprong met een zet van den wagen, zwikte zijn voet op een der kazen, die op den grond lagen en nu hinkend van pijn, zoo snel hij kon wegstrompelend, riep hij: „Vlucht, vlucht, vlucht! De boschgeest is los!…”De vogel, was door de geopende kooi ontsnapt en op den rand der wagen gaan zitten, gestadig herhalend: „Grendeldebliksem … hangen zal je!” De andere roovers op den wagen vluchtten nu ook en die beneden stonden en ver bij ’t bosch, ziende hoe hun spietsgezellen in wilden vlucht kwamen aanstormen, hun hoofdman nog steeds niet bemerkend, vermoedend dat alles verloren was, begonnen ’t ook op een loopen te zetten en de vlucht was nu algemeen.Koning Gise, met uitgetrokken zwaard gevolgd door de drie koks, die hem van zijn dolzinnig plan, alléén de roovers te vervolgen wilden weerhouden, stortte de vluchtenden na, die omkijkend, de vier mannen kloek op zich ziende aanstormen, in radeloozen vaart, voorwaarts renden. Een enkele, door ’t ongewone wijngenot, zwaar ter been, viel spoedig neer en koning Gise dezen naderend, hief zijn zwaard op en beval zijn drie koks, wel op deze houding te letten ter wille van de nauwkeurigheid van het heldendicht.[91]Hall, vol geestdrift door dit dapper bedrijf sprak:Held Gise vocht er fier als vechtersbaas,Hij spaarde ’s vijands bloed en d’ eigen kaas.Waarop Hamm sprak:Toen koning Gise was in ’t grootst gevaar,Zag men de roovers rollen met elkaar,En Hann besloot:Reeds raakt ’s lands lot beslist, toen drâ het neemt een draai,Daar ’t rooversrot verschrikt, vlucht voor een papegaai.Koning Gise, in stede van den beschonken roover te doorsteken, sloeg met het plat van zijn zwaard de maat bij deze sproken, doch zoo manmoedig en van krijgsvuur bezield, dat de roover, zijn handen aan ’t murw geslagen achterdeel brengend, ontnuchterd door de pijn en de smart, om genade smeekte.„Genade schenk ik!” zei koning Gise grootmoedig, „maar behoud deze herinnering.” Zich nu keerend tot zijn koks, zeide de edele koning:„Alzoo moest de maat worden geslagen, op elken dichter, die geen maat weet te houden!” En de drie koks, keken beangst, wel wetend dat het heldendicht, dat zij zouden te maken hebben, streng door den koning zou worden beoordeeld en dat hun een zelfde straf wachtte, indien zij zondigden tegen de maat en de geboden van de alliteratie.De zeeschuimers, de overwinning van Koning Gise ziend, begonnen inderhaast al de uit de wagens geworpen schatten weder op te laden en de deerntjes legden onder leiding der drie koks de kazen weder op stapels zoo netjes, als men ze op de markt te Alkmeer aan ’t meer Flevo niet schooner en sierlijker gestapeld zou kunnen zien.Tijdens deze bedreven was er op den eik waar Koning Mise en zijn drie dichters zich tegen den aanval van Fridbold verdedigden, wat vreeselijks gebeurd. Mise en zijn[92]drie dichters, wijkend voor Fridbold, waren steeds hooger in den eik geklommen. Maar boven in den boom werden de takken fijner en dunner en ten laatste konden zij niet verder, zonder gevaar te loopen, dat de takken zouden breken en zij naar beneden zouden storten. Nu eerst leerden zij de voordeelen van de magere keuken huns heers waardeeren, want indien zij zoo verachtelijk dik waren geweest als de drie koks van Koning Gise, zouden zij zeker reeds veel vroeger uit den boom zijn gestort. Thans echter werden zij door hun licht gewicht gered, want Sigbold, hun steeds volgend, bedacht niet, dat dezelfde tak, die den mageren Koning en zijn magerder dichters nog droeg, zijn gewicht niet kon torschen. Zoo dan brak een tak boven in den top, de rooverhoofdman viel naar beneden en van tak op tak stortend, greep hij zich ten laatste eerst aan den ondersten vast en zeker zou hij zijn leven gered hebben, ware het niet, dat juist op dezen tak Koning Mise een deel van zijn gevoegsel had achtergelaten. De gladheid maakte den rooverhoofdman ’t onmogelijk zich vast te klemmen met zijn handen, die losgleden en met den kreet: „Verrader!” stortte hij nu op den grond en bleef dood liggen in een hoop drek.Dat was het einde van Fridbold, den rooverhoofdman, eens gevreesd als woudkoning, thans verlaten en ellendig, roemloos gestorven, overwonnen niet door den saks of de speer of den aakst maar door verradelijk gevoegsel.Toen nu Koning Gise bij het lijk stond en er geen gevaar meer te duchten was, kwam Koning Mise langzaam naar beneden gekropen, gevolgd door zijn drie dichters.„Hoe heb ik dien neergeveld?” vroeg Koning Mise, de slip van zijn grauw overkleed met een beweging niet zonder waardigheid, zoo om de heup slaande, dat een gele en kwalijk riekende vlek verborgen werd.„Hebt di dat gedaan?” vroeg Koning Gise.„Ik en mijn drie getrouwen.”[93]Koning Gise keek naar den eik, langs welks stam Pill, Pimm en Pinn zich onder elkaar langzaam lieten afglijden. Doch minder gevat dan hun heer en vreezend, dat nu de gerechte wraak hun zou treffen, begonnen zij, zoodra zij den voet op den vasten grond hadden, met zulk een vaart weg te rennen, dat zij zelfs den terugroep van Koning Gise niet hoorden, die in de meening, dat zij degevluchteroovers wilden achtervolgen, hun van het overbodige dezer heldhaftige poging meende te moeten overtuigen, door de verzekering, dat de roovers reeds te ver weg waren.Het was onderwijl laat geworden en na de veelbewogen stonden had Koning Gise honger. Dankbaar voor de hulp die Koning Mise hem verleend had, noodigde hij deze aan zijn tafel uit, tevens echter zich er op beroemend, dat zijn drie koks een heldendicht zoudenmaken, zoo lang en zoo schoon, zuiver in de maat en rijk aan alliteratie, dat tot in het verre nageslacht gesproken zou worden van den heldhaftigen strijd van Koning Gise tegen den vervaarlijken roover Fridbold en zijn gezellen.Pill, Pinn en Pimm, uit de verte bemerkend, dat de disschen aangerecht werden, slopen weder nader. Nu vernamen zij het kloekmoedig gedrag van Koning Gise en om niet voor de drie koks onder te doen, vroegen zij Koning Mise verlof een dierenfabel te mogen dichten op het manhaftig bedrijf van Koning Mise, den grooten held, die den gruwelijken roover Fridbold had in ’t zand doen bijten.„In ’t zand?” vroeg Koning Mise en keek naar het lijk van den roover aan zijn voeten en diens nog altijd besmeerd aangezicht.Dien avond eindigde vroolijk en Pill sprak ten slotte:Wie snoerden lang de gordels toe,Tot redding kwam door kaka-toe?[94]
[Inhoud]HOOFDSTUK X.Het ging den Velagers slecht, die achter de Bedekauwers aantrokken. Want de verwachting van koning Mise, dat de roovers den stoet van koning Gise wel zouden overrompelen en er dan voor hen genoeg zou afvallen, werd niet vervuld. Het was een bijster slechte tijd voor de roovers, want de faam van Harimona trok zoovele lieden naar de haag van Renigo, dat de wegen bij dag en bij nacht dicht bevolkt waren. De bedevaart-gangers sloten zich bij elkaar aan, vormden groote troepen en buitendien waren er ook veel krijgslieden op weg naar Renigo, die verlangend naar avontuur, zeer naar roovers speurden, want menig roover had in zijn hol groote schatten, die het veroveren wel waard waren. Enkele bruidegoms voor Harimona vooral, betoonden zich belust op gevechten met roovers, daar zij wel wisten, dat de faam van een verschen heldendaad hun werving meer kans zou verleenen. Zoo dan waren de wegen ongewoon veilig en met verbeten woede zag koning Mise met zijn gevolg, allen met hongerige oogen, hoe Gise en de zijnen in overdaad en vreugde leefden en overal, wegens den prachtigen staat, dien hij tentoonspreidde, als een machtig vorst met veel eerbetuiging werd begroet.Wanneer zij een kwartier betrokken en de tenten werden opgeslagen, de tent van koning Gise met scharlaken voorhang waarop zijn wapen, een zwemmende leeuw, halverwege boven de golven, met een zwaard in de klauw, in gouden stiksel was geborduurd, kwamen van alle zijden de bewoners toeloopen met geschenken en eetwaren. Koning Gise, naar zijn aard, ontving de lieden hoffelijk en waardig, liet de schatten der wagens uithaken en de[79]wielen van de assen nemen, zoodat de wagen-vloeren tafels vormden en dan gaf hij gastmalen, waarbij hij niet alleen de geschonken eetwaren, door de drie hofdichters heerlijk toebereid, ten disch liet brengen, maar van zijn grooten voorraad daarbij liet zetten. Tijdens den maaltijd werd op een der wagens een zachtgroen kleed uitgespreid en daar op gingen Hall, Hamm en Hann staan in kostbare kleurige gewaden, met vergulde lieren in de hand en kransen van gouden eikeblaren in ’t haar en zoo moesten zij voor de gasten hun schoonste sproken opzeggen, rijk aan alliteraties, de strophen streng in het rhythme als waren ze de was-cellen in een honingraat en de groote vorst werd niet moede, zijn gasten te wijzen op de schoonheden der sproken, soms zelfs met het been van een cotelet op zijn gouden bord de maat en de scandeering aangevend en zijn dischgenooten uitnoodigend zijn voorbeeld te volgen, wat iedereen gaarne deed, daar niemand voor een domoor gehouden wenschte te worden, die de schoonheid van de sproken niet begreep.De veertig strandschuimers, als magere duivels met van honger loenschende oogen uitgetrokken, waren als lijfgarde overbodig geworden. Gise, in een goeden luim, beval dat ze aan tafel de wacht zouden houden, opdat de gasten zich tijdens het maal rustig zouden gevoelen. De goede Koning, die de magere kerels gaarne een hap gunde, had er dan pret in, midden onder een sproke van zijn koks, de leden dezer wacht, die neiging gevoelden in slaap te vallen, plotseling op te schrikken door een gebraden speenvarken of een reebout of een kalfskop met een zwierigen vaart hun, welgemikt, naar het hoofd te werpen, roepend: „Let op, let op wachter. Het speentje rent weg!” of „Waak op, wachter, de ree vliedt!”Dan schrokken de kerels op, die als echte Velagers geen vermaak vonden in de Bedekauwsche poëzie en wierpen zich op het gebraad, dat de koning hun toegezwaaid had[80]en ze pikten het vaardig op met hun spietsen en zorgden er voor, dat het smeüge speentje of de malsche bout niet ontsnapte. Groot vermaak schepte de Koning en zijn gasten er in, wanneer dan de schuimers onderling ruzie kregen om het geschenk des Konings en met elkaar aan ’t bakkeleiën gingen. Zij grepen elkaar bij de keel en bij het schaamdeel of trachtten elkaar met de vingers de oogen uit te steken tot de koning zijn gasten uitnoodigde, zijn voorbeeld te volgen en aan de twist een einde te maken door van den disch zooveel eetwaren naar de vechtenden te werpen, dat deze, den overvloed bemerkende, van elkaar aflieten en begonnen te schrokken terwijl de gasten, onder groot gejuich, zelve oververzadigd, alles wat nog op de tafels stond naar de lijfgarde wierpen, gebraad, vruchten, klieken bier uit de kroezen en horens, gezoden piepkuikens, ballen gehakt, hambeenen, brooden en stukken honigkoek.Onderwijl bleven Hall, Hamm en Hann ongestoord doorgaan met het zeggen van hun sproken, hoewel helaas de schoonste stafrijmen verloren gingen en niemand lette op de maat, die zij zoo wonderlijk nauwkeurig hielden. Want de drie hofkoks, onderling op elkaar naijverig, controleerden elkaar scherp en wanneer een van hen het zou gewaagd hebben een silbe te smokkelen, zou hij onmiddellijk door den ander terecht gewezen en zelfs verbeterd geworden zijn.Daar bijna elken dag gasten kwamen en vaak zelfs dezelfde gasten uit hetzelfde oord, een bewijs er voor hoezeer het onthaal hun had bevallen, en Koning Gise niet kon lijden dat, waar allen zich verzadigden, zijn lijfwacht honger leed, herhaalden zich aan ’t eind van elk gastmaal dezelfde vroolijke stoeipartij, tengevolge waarvan de schuimers na eenige weken oververzadigd waren, ronde buikjes hadden gekregen en zich nog slechts bevochten, wanneer bijzondere lekkernijen werden toegeworpen. Doch, weldoorvoed, waren ze lui als ossen en vadsig als varkens tot wanhoop van Koning Mise, die op zijn eigen onderdanen geen invloed[81]meer had, terwijl de deerntjes, die hij had medegenomen, gevoed door de schuimers, zich niet lieten vinden om deze tot verraad over te halen van een vorst, die zoo mild was ten voordeele van een vorst, die haar honger en koude liet lijden.Maar nog grootere ellende wachtte Koning Mise en de zijnen. De weg, die de stoet nam, was in de eerste dagen bezaaid geweest met de overblijfselen van den disch van Koning Gise en de zijnen. Er lagen hambeenen, hompen kaas en brood, de gedeelten van het wild en gevogelte, die minder smaakvol zijn, zoo maar ter zijde van de kampen, waar de maaltijden waren gehouden. Doch thans was de faam der milddadigheid van Koning Gise zoo ver verbreid, dat van alle kanten toegestroomde hongerhalzen als een groote tros, den stoet van Gise volgden en de arme Koning Mise en de zijnen moest met dat bedelvolk een strijd om leven en dood volvoeren om de brokken en den afval machtig te worden en in stede dat de rijke Gise zich tegen roovers te weren had, moest de arme Mise zich met dat tuig inlaten.Ook zijn laatste troost en hoop, dat zijn sproke-sprekers meer waardeering zouden vinden dan die van Koning Gise, vervloog in rook. De geestigste satiren, de leutigste grollen, de vernuftigste zetten, werden door het grauw afgekeurd. Dezelfde menschen, die Hall, Hamm en Hann toejuichten, schudden het hoofd als zijn driemanschap sproken zei, ja erger, ze begonnen om te toonen, dat zij op ’t gebied der sproken-sprekerij niet gering te schatten waren, de maat na te gaan door met dorre takken en knuppels tegen de boomen te slaan en in stede naar den zin en de bedoeling van de zetten en grollen te hooren, letten zij alleen op de maat en de scandeering en riepen: Mis!.… Mis!.… Mis!.… bij de raakste zetten, omdat er geen alliteraties in waren.Toen Koning Gise dat vernam, werd hij nog guller en[82]opgewekter en om zijn drie koks te beloonen, vergunde hij hun een bijtitel te kiezen. Hall noemde zich de Gids, omdat hij de menschen naar den weg van ’t ware schoon leidde. Hamm noemde zich des Gidsen Gids, omdat hij dikwerf Hall verbeterde en Hann noemde zich de Gids der Gidsen, omdat hij volgens den Koning boven de twee andere koks uitblonk.Koning Mise, dit hoorende en bemerkende dat deze wijze van beloonen den vorsten niets kost en de dienaren bovenmate gelukkig maakt, stond zijn drie sproke-sprekers toe, eveneens eere-titels te nemen. Pill, Pimm en Pinn overlegde welke titels zij zouden kiezen en vroegen ten slotte hun vorst, hun liever zonder eere-titel te laten maar voor een vettere keuken te zorgen. Koning Mise liet zich hun lederen gordels geven, sneed er een stuk van af, gaf ze hun terug en zeide, dat nu zijn keuken vetter was, omdat ze hun gordels nauwer toe konden halen.Hierop zeide Pill:VetSmet.En Pimm:EetLeed.En Pinn:Maal,Schraal.Want zoo zwak waren de drie van honger, dorst en ontbering, dat zij nog maar heele kleine sproken konden spreken bij gebrek aan brood en bier.Koning Mise antwoordde wel:Boet,Moed,maar onderwijl overlegde hij, hoe hij zich en de zijnen van leeftocht kon voorzien. Hoe zouden zij ooit de heilige haag bereiken, wanneer zij zoo door moesten sjokken en welke hoop kon hij koesteren op de verwerving van de rijke[83]bruid, wanneer hij en zijn dichters bij aankomst te uitgeput zouden zijn om zelfs woorden ten geschenke te brengen.Ook de vernedering, die hij onderweg ondervond, drukte hem zeer. De rijke Gise werd niet alleen naar den stof maar ook naar den geest geprezen. Was het niet schande, dat de geest zijner sproke-sprekers zoo werd geminacht en misverstaan? Maar zoo zijn de menschen. Wie een purperen voorhang voor zijn tent heeft, is meteen geestig en wie kampeeren moet onder een ezelwagentje is meteen dom. Laffe groots hoop, die altoos hun aanbidt, die ze door schijnschoon verblindt en door geschenken en gastmalen vleit. Ellendig grauw, dat de geestigste werken miskent, omdat de dichter meer waarde legt op den inhoud, op de ziel, dan op den stijven vorm; de makkelijke kunstgrepen, die zijn genius minacht, verwaarloost en de onbenullige weetjes, die iedereen met wat vlijt kan verzamelen, verwerpt voor de heilige verbeelding, die het leven aller tijden uit het niet der vergetelheid weder opwekt.Zoo sprak koning Mise tot de drie dichters, wier keukenhijvetter had gemaakt door hun gordels te verkorten, zoodat zij hun maag konden insnoeren.Pill, Pimm en Pinn hoorden hem aan en Pill sprak:De kleinste koek,Verliest nog een hoek.Pimm sprak:Wie veel al heeft,Dien ieder geeft.Pinn sprak:Wie arm verrekt,Wordt nog begekt.Koning Mise, goedkeurend knikkend, sprak:Hoe grooter geest,Hoe meer verweesd.Waarop weder Pill:De ware kunst,Die heeft geen gunst.[84]En Pimm:Wie vleit en likt,Het beste bikt.En Pinn:Wien honger striemt,Wordt eng geriemd.Koning Mise, nadenkend, antwoordde:De grootste dief,Heeft ’t grootst gerief.En Pill:Het diefje klein,Lijdt grootste pijn.En Pimm:Steel,Maar veel!En Pinn:Steel een land,’t Is geen schand,Steel een touw,Gij hangt gauw!Nadenkend hoorde Koning Mise toe en antwoordde:Laat and’ren wagen,Neem zelf de buit,Zijkrijgen de slagen,Uwlijden is uit.Na deze beraadslaging bespraken de vier het schoone plan, dat zij wisten tegelijk in elks hoofd broeiend. In het woud van Gibick huisden gevaarlijke roovers, die wel wat aandorsten als er veel bij te winnen was. Hun weg voer nu door dat woud. Wanneer zij zich met de roovers in verbinding stelden, hun aanspoorden om Gise te overvallen en te dooden en zich met diens schatten te verrijken, dan zouden zij in den buit kunnen deelen en voortaan van alle vernedering bevrijd zijn.Koning Mise bleef opzettelijk met zijn karretje achter, doende alsof zijn ezeltje niet meer voortkon, hoewel het[85]dier deeenigedienaar van Koning Mise was, die ’t naar den vleesche ging, want hij vond langs de wegen rijkelijk distels. Toen de stoet van Koning Gise uit het gezicht was, snelde Koning Mise met de drie sproke-sprekers naar het hol van den rooverFridbolden vertelde hem van de schatten die Koning Gise in zijn vele wagens medevoerde en van de lafheid zijner wachten. Fridbold riep zijn gezellen bijeen, hield raad en besloten werd nog dien middag den overval te wagen.Koning Mise en zijn drie trawanten keerden nu terug naar hun karretje en reden zoo snel, dat het ezeltje meende, hij was in een paard omgetooverd. Zij waren weder spoedig bij Koning Gise, die juist bevel tot het avondmaal had gegeven.Koning Gise, die al gevreesd had, dat zijn mede-minnaar met zijn drie sproke-sprekers was achtergebleven, begroette den Koning met vriendschap en hun magere gelaten en holle oogen ziende, voelde hij medelijden en noodigde hen aan zijn disch.Koning Mise nam het aanbod aan en zei tot zijn sproke-sprekers:„Let op. Dat doet hij alleen om tegenover ons te pralen. Maar wij zullen ons niet ergeren en bedenken, dat wie ’t laatst lacht, de ware pret heeft.”Zoodra waren ze gezeten of de drie hofkoks van Koning Gise klommen op den dichtwagen en begonnen hun sproken te spreken. Pill, Pimm en Pinn hadden te grooten honger om niet aan den disch te blijven, maar naarmate hun honger gestild werd, kregen zij grootere lust om Hall, Hamm en Hann met grollen te bespotten en toen Hamm sprak:„Weet di, wanneer één zwijn drie hammen had?”kon Pimm zich niet weerhouden, den kok te onderbreken hem toeroepend:„Toen du op Koning Gise’s schouders zat!”[86]Koning Mise barstte in een hartelijk gelach uit, maar Koning Gise, zich richtend tot de dischgasten zeide:„Hebt di het gemerkt!”„Ja heer.… het is schande, heer!”„Ongeloofelijk!”„’t Is schaamteloos.… hij verdiende gehangen te worden.… het is bepaald grof.”„En dat tegenover zijn gastheer.…”Koning Gise knikte goedkeurend, toen hij de verontwaardiging der gasten uit deze uitroepen merkte en hij zeide triomfantelijk:„Ja.… zoo is het! Du.… op—is fout.… twee klinkers vormend een gaping.…”En zich tot Hamm richtend, riep hij:„Gids, geef dezen strompelenden sproke-spreker een spraakles!”Hamm keek verachtelijk naar Pimm en zeide:„Weet du, wanneer een zwijn drie hammen had?Toen Hamm op Koning Gise’s schouders zat.”Koning Gise sprong op van vreugde, toen hij deze nederlaag van Pimm bijwoonde. Alle gasten juichten den Gids toe, die door één woord te veranderen opeens de geheele sproke van den hiaat gezuiverd had.Koning Mise keek Pimm aan, Pimm keek Pill en Pill, Pinn aan en deze vier, in stede van beschaamd te zijn door zulk een nederlaag op sproke-gebied, verstoutten zich grollen te spreken, die nog meer aantoonden, dat zij geen maat wisten te houden.Pill zeide:Zoo zwijnig was een zwijn, dat toen men zwijn zei,Hij riep: Te weinig zwijn, en voegd’er nog een Hamm bij.Pimm zeide:Twee hammen en één Hamm,Alle drie aan één kram!Pinn sprak:Tel op, daar waren hammen vijfen,Eén op de schouders, vier aan de lijven.[87]Koning Mise besloot:Hamm op, Hamm onder, is ’t niet fijn,Dat heet ik toch een dubbel zwijn.Koning Gise wilde juist zijn koks opdragen te antwoorden, toen opeens onder een luid geschreeuw Fridbold en zijn gezellen kwamen aanstormen.Koning Mise gevolgd door zijn drie sproke-sprekers vluchtten en met groote schreden zich reddend, klommen zij in een hoogen eik en bleven, beschermd door het loover, toezien naar het bedrijf der roovers beneden.Deze waren gewapend met steenen bijlen en dreigden allen, die zich wilden verdedigen, neer te slaan. De gasten vluchtten naar alle zijden.Hall, Hamm en Hann waren de eersten, die door de roovers vastgebonden werden aan hun wagen en terwijl zij bedreigd door de bijlen der roovers om genade smeekten, riepen de drie boven uit den boom hun spotdichten toe.Koning Gise wilde zijn zwaard trekken, maar daar zijn hand nog vet was van een kluif, gleed deze van ’t gevest af, zoodat hij tegen Fridbold een zwaardstoot uitvoerde zonder een zwaard in de hand te hebben, waarop Fridbold in lachen uitbarstte. Uit den boom klonk:Wie trok zijn zwaard en stak temet,In andrer niet, in ’t eigen vet?Gise keek omhoog in den eik, maar daar de drie dichters hooger waren geklommen, geheel in ’t loover verscholen zaten en koning Mise door het rijke maal en de spanning van ’t oogenblik verrast, juist zijn overkleed had opgetrokken om aan een natuurlijke behoefte te voldoen, ontdekte koning Gise niet, wie hem deze grol toeriep.Fridbold wilde nu op koning Gise aanvallen, deed een stap voorwaarts maar net op dit oogenblik viel ’t gevoeg van koningMiseuit de takken naar beneden, juist op ’t gelaat van den roover, die ’t gezicht overstroomd en met de oogen verblind in woesten drift tegen den stam van den[88]eik opsprong en onder vreeselijke vloeken koning Mise bedreigde, meenende dat hier opzet in ’t spel was en verraad duchtend.Koning Mise riep zijn drie dichters te hulp en de vier verdedigden zich wanhopig tegen den roover, die zijn gelaat met een slip van zijn jachthemd afwisschend, bezwoer de verraders te zullen ophangen aan den eigensten drekboom.Koning Gise, zich buiten gevaar ziende, had nu na eenige moeite zijn zwaard toch nog uit de scheede gekregen en het manmoedig zwaaiend, liep hij statig naar den wagen, waar zijn drie koks waren vastgebonden, sneed ze met het zwaard los en beval hen, hem te volgen en wèl op te letten, opdat later hun heldendicht geen leemten zou aanwijzen. De vier stormden nu naar den wagen waar de kogelronde Alkmeersche kazen bewaard lagen en terwijl de roovers, in vereeniging met de zeeschuimers, die hoe ook weldoorvoed, hun ouden aard voelden bovenkomen nu er te rooven viel, en zich niet kunnend bedwingen en werkloos toezien, de andere wagens plunderden, juichend over zulk een rijken buit, om Fridbold riepen, die wanhopig vocht tegen de vier verraders in ’t eike-loover, gaf koning Gise waardig en koen zijn bevelen aan zijn drie trouwe koks, die hij de kazen met kracht liet werpen naar de roovers. Deze, zich eerst bedreigd meenend, maar nu den dikken koning ziende die met zijndriedikke koks de kazen uit den wagen wierp, zonder iemand te treffen, begonnen te lachen, werden overmoedig, bevalen de deerntjes van koning Mise nader te treden, zetten de wijnzakken aan den mond en begonnen een groot drinkgelag, daar Fridbold de hoofdman nog altijd niet verschenen was en hierdoor alle tucht bij zijn gezellen ontbrak. Maar toen de beschonken roovers zich aan de deerntjes wilden vergrijpen begonnen de schuimers, die ook braaf mede gedronken hadden, zich te verzetten en weldra waren de roovers en[89]de schuimers met elkaar aan ’t bakkelaaien, terwijl de deerntjes, gillend en ontdaan, naar den wagen van koning Gise kwamen loopen en hem smeekten om bescherming.De koning liet zich daaromopden kaaswagen hijschen en zijn zwaard met de punt in een kaas stekend, daarna met kracht het zwaard door de lucht zwierend naar de zijde van de bakkelaaiers, suisde de kaas met een vaart door de lucht, viel te midden van de troep neer en raakte een roover zoo op ’t achterhoofd, dat de man bewusteloos neerviel. Een tweede kaas, door den grooten koning Gise op dezelfde wijze weggeslingerd, trof een zeeschuimer voor den neus, zoodat de man een gil van pijn uitend, bloedend neerzeeg.Nu eerst bemerkten schuimers en roovers den nieuwen vijand en wilden vereenigd op koning Gise aanvallen, die zijn zwaard met een kaas op de punt vooruitgestoken, gereed om weder te slingeren, dapper stand hield. De drie koks echter, niet weinig verstoord dat de Alkmeersche kazen zoo maar werden weggeslingerd, ten prooi aan rooversgespuis, want eenige roovers, die achteraf stonden, hadden de twee door koning Gise geworpen kazen opgeraapt en sneden er met hun messen hompen van af, die zij opschrokten, smeekten hun koning aan de keuken te denken.„Zijn dat dichters, die zulks zeggen?” vroeg de koning verontwaardigd.„Neen—koks!” antwoordde Hamm.„Dan hebt du gelijk!” erkende de koning en de kaas van de punt zijns zwaards nemend, reikte hij haar Hamm over. Dit nu verbitterde de roovers, die toe kwamen stormen onder ’t geroep van: „Hier de kazen!—Wij moeten de kazen hebben!”Nu week koning Gise en zijn drie koks weer terug in den kaas-wagen. De roovers klommen ook op den wagen en wilden den koning te lijf, toen zij iets ontdekten, dat hun allen terug deed afdeinzen.[90]Op de bok van den wagen stond een gouden kooi en daarin zat een grooten vogel, maar zoo vreemd van pluim en veer als nog nooit gezien was. Hij had een grijzen kop, een purper lichaam en een blauwen staart.„Dat is een betooverde boschgeest!” riep koning Gise, toen een der roovers naderde. Deze, moediger dan de anderen, wilde zijn hand in de kooi steken om den vogel te grijpen. Doch de vogel gaf een flinke beet in de hand van den roover, zoodat deze terugweek. Maar een doodsschrik beving hem, toen de betooverde boschgeest zijn bek bewoog en duidelijk verneembaar zei: „Grendeldebliksem … hangen zal je!”De roover sprong met een zet van den wagen, zwikte zijn voet op een der kazen, die op den grond lagen en nu hinkend van pijn, zoo snel hij kon wegstrompelend, riep hij: „Vlucht, vlucht, vlucht! De boschgeest is los!…”De vogel, was door de geopende kooi ontsnapt en op den rand der wagen gaan zitten, gestadig herhalend: „Grendeldebliksem … hangen zal je!” De andere roovers op den wagen vluchtten nu ook en die beneden stonden en ver bij ’t bosch, ziende hoe hun spietsgezellen in wilden vlucht kwamen aanstormen, hun hoofdman nog steeds niet bemerkend, vermoedend dat alles verloren was, begonnen ’t ook op een loopen te zetten en de vlucht was nu algemeen.Koning Gise, met uitgetrokken zwaard gevolgd door de drie koks, die hem van zijn dolzinnig plan, alléén de roovers te vervolgen wilden weerhouden, stortte de vluchtenden na, die omkijkend, de vier mannen kloek op zich ziende aanstormen, in radeloozen vaart, voorwaarts renden. Een enkele, door ’t ongewone wijngenot, zwaar ter been, viel spoedig neer en koning Gise dezen naderend, hief zijn zwaard op en beval zijn drie koks, wel op deze houding te letten ter wille van de nauwkeurigheid van het heldendicht.[91]Hall, vol geestdrift door dit dapper bedrijf sprak:Held Gise vocht er fier als vechtersbaas,Hij spaarde ’s vijands bloed en d’ eigen kaas.Waarop Hamm sprak:Toen koning Gise was in ’t grootst gevaar,Zag men de roovers rollen met elkaar,En Hann besloot:Reeds raakt ’s lands lot beslist, toen drâ het neemt een draai,Daar ’t rooversrot verschrikt, vlucht voor een papegaai.Koning Gise, in stede van den beschonken roover te doorsteken, sloeg met het plat van zijn zwaard de maat bij deze sproken, doch zoo manmoedig en van krijgsvuur bezield, dat de roover, zijn handen aan ’t murw geslagen achterdeel brengend, ontnuchterd door de pijn en de smart, om genade smeekte.„Genade schenk ik!” zei koning Gise grootmoedig, „maar behoud deze herinnering.” Zich nu keerend tot zijn koks, zeide de edele koning:„Alzoo moest de maat worden geslagen, op elken dichter, die geen maat weet te houden!” En de drie koks, keken beangst, wel wetend dat het heldendicht, dat zij zouden te maken hebben, streng door den koning zou worden beoordeeld en dat hun een zelfde straf wachtte, indien zij zondigden tegen de maat en de geboden van de alliteratie.De zeeschuimers, de overwinning van Koning Gise ziend, begonnen inderhaast al de uit de wagens geworpen schatten weder op te laden en de deerntjes legden onder leiding der drie koks de kazen weder op stapels zoo netjes, als men ze op de markt te Alkmeer aan ’t meer Flevo niet schooner en sierlijker gestapeld zou kunnen zien.Tijdens deze bedreven was er op den eik waar Koning Mise en zijn drie dichters zich tegen den aanval van Fridbold verdedigden, wat vreeselijks gebeurd. Mise en zijn[92]drie dichters, wijkend voor Fridbold, waren steeds hooger in den eik geklommen. Maar boven in den boom werden de takken fijner en dunner en ten laatste konden zij niet verder, zonder gevaar te loopen, dat de takken zouden breken en zij naar beneden zouden storten. Nu eerst leerden zij de voordeelen van de magere keuken huns heers waardeeren, want indien zij zoo verachtelijk dik waren geweest als de drie koks van Koning Gise, zouden zij zeker reeds veel vroeger uit den boom zijn gestort. Thans echter werden zij door hun licht gewicht gered, want Sigbold, hun steeds volgend, bedacht niet, dat dezelfde tak, die den mageren Koning en zijn magerder dichters nog droeg, zijn gewicht niet kon torschen. Zoo dan brak een tak boven in den top, de rooverhoofdman viel naar beneden en van tak op tak stortend, greep hij zich ten laatste eerst aan den ondersten vast en zeker zou hij zijn leven gered hebben, ware het niet, dat juist op dezen tak Koning Mise een deel van zijn gevoegsel had achtergelaten. De gladheid maakte den rooverhoofdman ’t onmogelijk zich vast te klemmen met zijn handen, die losgleden en met den kreet: „Verrader!” stortte hij nu op den grond en bleef dood liggen in een hoop drek.Dat was het einde van Fridbold, den rooverhoofdman, eens gevreesd als woudkoning, thans verlaten en ellendig, roemloos gestorven, overwonnen niet door den saks of de speer of den aakst maar door verradelijk gevoegsel.Toen nu Koning Gise bij het lijk stond en er geen gevaar meer te duchten was, kwam Koning Mise langzaam naar beneden gekropen, gevolgd door zijn drie dichters.„Hoe heb ik dien neergeveld?” vroeg Koning Mise, de slip van zijn grauw overkleed met een beweging niet zonder waardigheid, zoo om de heup slaande, dat een gele en kwalijk riekende vlek verborgen werd.„Hebt di dat gedaan?” vroeg Koning Gise.„Ik en mijn drie getrouwen.”[93]Koning Gise keek naar den eik, langs welks stam Pill, Pimm en Pinn zich onder elkaar langzaam lieten afglijden. Doch minder gevat dan hun heer en vreezend, dat nu de gerechte wraak hun zou treffen, begonnen zij, zoodra zij den voet op den vasten grond hadden, met zulk een vaart weg te rennen, dat zij zelfs den terugroep van Koning Gise niet hoorden, die in de meening, dat zij degevluchteroovers wilden achtervolgen, hun van het overbodige dezer heldhaftige poging meende te moeten overtuigen, door de verzekering, dat de roovers reeds te ver weg waren.Het was onderwijl laat geworden en na de veelbewogen stonden had Koning Gise honger. Dankbaar voor de hulp die Koning Mise hem verleend had, noodigde hij deze aan zijn tafel uit, tevens echter zich er op beroemend, dat zijn drie koks een heldendicht zoudenmaken, zoo lang en zoo schoon, zuiver in de maat en rijk aan alliteratie, dat tot in het verre nageslacht gesproken zou worden van den heldhaftigen strijd van Koning Gise tegen den vervaarlijken roover Fridbold en zijn gezellen.Pill, Pinn en Pimm, uit de verte bemerkend, dat de disschen aangerecht werden, slopen weder nader. Nu vernamen zij het kloekmoedig gedrag van Koning Gise en om niet voor de drie koks onder te doen, vroegen zij Koning Mise verlof een dierenfabel te mogen dichten op het manhaftig bedrijf van Koning Mise, den grooten held, die den gruwelijken roover Fridbold had in ’t zand doen bijten.„In ’t zand?” vroeg Koning Mise en keek naar het lijk van den roover aan zijn voeten en diens nog altijd besmeerd aangezicht.Dien avond eindigde vroolijk en Pill sprak ten slotte:Wie snoerden lang de gordels toe,Tot redding kwam door kaka-toe?[94]
[Inhoud]HOOFDSTUK X.Het ging den Velagers slecht, die achter de Bedekauwers aantrokken. Want de verwachting van koning Mise, dat de roovers den stoet van koning Gise wel zouden overrompelen en er dan voor hen genoeg zou afvallen, werd niet vervuld. Het was een bijster slechte tijd voor de roovers, want de faam van Harimona trok zoovele lieden naar de haag van Renigo, dat de wegen bij dag en bij nacht dicht bevolkt waren. De bedevaart-gangers sloten zich bij elkaar aan, vormden groote troepen en buitendien waren er ook veel krijgslieden op weg naar Renigo, die verlangend naar avontuur, zeer naar roovers speurden, want menig roover had in zijn hol groote schatten, die het veroveren wel waard waren. Enkele bruidegoms voor Harimona vooral, betoonden zich belust op gevechten met roovers, daar zij wel wisten, dat de faam van een verschen heldendaad hun werving meer kans zou verleenen. Zoo dan waren de wegen ongewoon veilig en met verbeten woede zag koning Mise met zijn gevolg, allen met hongerige oogen, hoe Gise en de zijnen in overdaad en vreugde leefden en overal, wegens den prachtigen staat, dien hij tentoonspreidde, als een machtig vorst met veel eerbetuiging werd begroet.Wanneer zij een kwartier betrokken en de tenten werden opgeslagen, de tent van koning Gise met scharlaken voorhang waarop zijn wapen, een zwemmende leeuw, halverwege boven de golven, met een zwaard in de klauw, in gouden stiksel was geborduurd, kwamen van alle zijden de bewoners toeloopen met geschenken en eetwaren. Koning Gise, naar zijn aard, ontving de lieden hoffelijk en waardig, liet de schatten der wagens uithaken en de[79]wielen van de assen nemen, zoodat de wagen-vloeren tafels vormden en dan gaf hij gastmalen, waarbij hij niet alleen de geschonken eetwaren, door de drie hofdichters heerlijk toebereid, ten disch liet brengen, maar van zijn grooten voorraad daarbij liet zetten. Tijdens den maaltijd werd op een der wagens een zachtgroen kleed uitgespreid en daar op gingen Hall, Hamm en Hann staan in kostbare kleurige gewaden, met vergulde lieren in de hand en kransen van gouden eikeblaren in ’t haar en zoo moesten zij voor de gasten hun schoonste sproken opzeggen, rijk aan alliteraties, de strophen streng in het rhythme als waren ze de was-cellen in een honingraat en de groote vorst werd niet moede, zijn gasten te wijzen op de schoonheden der sproken, soms zelfs met het been van een cotelet op zijn gouden bord de maat en de scandeering aangevend en zijn dischgenooten uitnoodigend zijn voorbeeld te volgen, wat iedereen gaarne deed, daar niemand voor een domoor gehouden wenschte te worden, die de schoonheid van de sproken niet begreep.De veertig strandschuimers, als magere duivels met van honger loenschende oogen uitgetrokken, waren als lijfgarde overbodig geworden. Gise, in een goeden luim, beval dat ze aan tafel de wacht zouden houden, opdat de gasten zich tijdens het maal rustig zouden gevoelen. De goede Koning, die de magere kerels gaarne een hap gunde, had er dan pret in, midden onder een sproke van zijn koks, de leden dezer wacht, die neiging gevoelden in slaap te vallen, plotseling op te schrikken door een gebraden speenvarken of een reebout of een kalfskop met een zwierigen vaart hun, welgemikt, naar het hoofd te werpen, roepend: „Let op, let op wachter. Het speentje rent weg!” of „Waak op, wachter, de ree vliedt!”Dan schrokken de kerels op, die als echte Velagers geen vermaak vonden in de Bedekauwsche poëzie en wierpen zich op het gebraad, dat de koning hun toegezwaaid had[80]en ze pikten het vaardig op met hun spietsen en zorgden er voor, dat het smeüge speentje of de malsche bout niet ontsnapte. Groot vermaak schepte de Koning en zijn gasten er in, wanneer dan de schuimers onderling ruzie kregen om het geschenk des Konings en met elkaar aan ’t bakkeleiën gingen. Zij grepen elkaar bij de keel en bij het schaamdeel of trachtten elkaar met de vingers de oogen uit te steken tot de koning zijn gasten uitnoodigde, zijn voorbeeld te volgen en aan de twist een einde te maken door van den disch zooveel eetwaren naar de vechtenden te werpen, dat deze, den overvloed bemerkende, van elkaar aflieten en begonnen te schrokken terwijl de gasten, onder groot gejuich, zelve oververzadigd, alles wat nog op de tafels stond naar de lijfgarde wierpen, gebraad, vruchten, klieken bier uit de kroezen en horens, gezoden piepkuikens, ballen gehakt, hambeenen, brooden en stukken honigkoek.Onderwijl bleven Hall, Hamm en Hann ongestoord doorgaan met het zeggen van hun sproken, hoewel helaas de schoonste stafrijmen verloren gingen en niemand lette op de maat, die zij zoo wonderlijk nauwkeurig hielden. Want de drie hofkoks, onderling op elkaar naijverig, controleerden elkaar scherp en wanneer een van hen het zou gewaagd hebben een silbe te smokkelen, zou hij onmiddellijk door den ander terecht gewezen en zelfs verbeterd geworden zijn.Daar bijna elken dag gasten kwamen en vaak zelfs dezelfde gasten uit hetzelfde oord, een bewijs er voor hoezeer het onthaal hun had bevallen, en Koning Gise niet kon lijden dat, waar allen zich verzadigden, zijn lijfwacht honger leed, herhaalden zich aan ’t eind van elk gastmaal dezelfde vroolijke stoeipartij, tengevolge waarvan de schuimers na eenige weken oververzadigd waren, ronde buikjes hadden gekregen en zich nog slechts bevochten, wanneer bijzondere lekkernijen werden toegeworpen. Doch, weldoorvoed, waren ze lui als ossen en vadsig als varkens tot wanhoop van Koning Mise, die op zijn eigen onderdanen geen invloed[81]meer had, terwijl de deerntjes, die hij had medegenomen, gevoed door de schuimers, zich niet lieten vinden om deze tot verraad over te halen van een vorst, die zoo mild was ten voordeele van een vorst, die haar honger en koude liet lijden.Maar nog grootere ellende wachtte Koning Mise en de zijnen. De weg, die de stoet nam, was in de eerste dagen bezaaid geweest met de overblijfselen van den disch van Koning Gise en de zijnen. Er lagen hambeenen, hompen kaas en brood, de gedeelten van het wild en gevogelte, die minder smaakvol zijn, zoo maar ter zijde van de kampen, waar de maaltijden waren gehouden. Doch thans was de faam der milddadigheid van Koning Gise zoo ver verbreid, dat van alle kanten toegestroomde hongerhalzen als een groote tros, den stoet van Gise volgden en de arme Koning Mise en de zijnen moest met dat bedelvolk een strijd om leven en dood volvoeren om de brokken en den afval machtig te worden en in stede dat de rijke Gise zich tegen roovers te weren had, moest de arme Mise zich met dat tuig inlaten.Ook zijn laatste troost en hoop, dat zijn sproke-sprekers meer waardeering zouden vinden dan die van Koning Gise, vervloog in rook. De geestigste satiren, de leutigste grollen, de vernuftigste zetten, werden door het grauw afgekeurd. Dezelfde menschen, die Hall, Hamm en Hann toejuichten, schudden het hoofd als zijn driemanschap sproken zei, ja erger, ze begonnen om te toonen, dat zij op ’t gebied der sproken-sprekerij niet gering te schatten waren, de maat na te gaan door met dorre takken en knuppels tegen de boomen te slaan en in stede naar den zin en de bedoeling van de zetten en grollen te hooren, letten zij alleen op de maat en de scandeering en riepen: Mis!.… Mis!.… Mis!.… bij de raakste zetten, omdat er geen alliteraties in waren.Toen Koning Gise dat vernam, werd hij nog guller en[82]opgewekter en om zijn drie koks te beloonen, vergunde hij hun een bijtitel te kiezen. Hall noemde zich de Gids, omdat hij de menschen naar den weg van ’t ware schoon leidde. Hamm noemde zich des Gidsen Gids, omdat hij dikwerf Hall verbeterde en Hann noemde zich de Gids der Gidsen, omdat hij volgens den Koning boven de twee andere koks uitblonk.Koning Mise, dit hoorende en bemerkende dat deze wijze van beloonen den vorsten niets kost en de dienaren bovenmate gelukkig maakt, stond zijn drie sproke-sprekers toe, eveneens eere-titels te nemen. Pill, Pimm en Pinn overlegde welke titels zij zouden kiezen en vroegen ten slotte hun vorst, hun liever zonder eere-titel te laten maar voor een vettere keuken te zorgen. Koning Mise liet zich hun lederen gordels geven, sneed er een stuk van af, gaf ze hun terug en zeide, dat nu zijn keuken vetter was, omdat ze hun gordels nauwer toe konden halen.Hierop zeide Pill:VetSmet.En Pimm:EetLeed.En Pinn:Maal,Schraal.Want zoo zwak waren de drie van honger, dorst en ontbering, dat zij nog maar heele kleine sproken konden spreken bij gebrek aan brood en bier.Koning Mise antwoordde wel:Boet,Moed,maar onderwijl overlegde hij, hoe hij zich en de zijnen van leeftocht kon voorzien. Hoe zouden zij ooit de heilige haag bereiken, wanneer zij zoo door moesten sjokken en welke hoop kon hij koesteren op de verwerving van de rijke[83]bruid, wanneer hij en zijn dichters bij aankomst te uitgeput zouden zijn om zelfs woorden ten geschenke te brengen.Ook de vernedering, die hij onderweg ondervond, drukte hem zeer. De rijke Gise werd niet alleen naar den stof maar ook naar den geest geprezen. Was het niet schande, dat de geest zijner sproke-sprekers zoo werd geminacht en misverstaan? Maar zoo zijn de menschen. Wie een purperen voorhang voor zijn tent heeft, is meteen geestig en wie kampeeren moet onder een ezelwagentje is meteen dom. Laffe groots hoop, die altoos hun aanbidt, die ze door schijnschoon verblindt en door geschenken en gastmalen vleit. Ellendig grauw, dat de geestigste werken miskent, omdat de dichter meer waarde legt op den inhoud, op de ziel, dan op den stijven vorm; de makkelijke kunstgrepen, die zijn genius minacht, verwaarloost en de onbenullige weetjes, die iedereen met wat vlijt kan verzamelen, verwerpt voor de heilige verbeelding, die het leven aller tijden uit het niet der vergetelheid weder opwekt.Zoo sprak koning Mise tot de drie dichters, wier keukenhijvetter had gemaakt door hun gordels te verkorten, zoodat zij hun maag konden insnoeren.Pill, Pimm en Pinn hoorden hem aan en Pill sprak:De kleinste koek,Verliest nog een hoek.Pimm sprak:Wie veel al heeft,Dien ieder geeft.Pinn sprak:Wie arm verrekt,Wordt nog begekt.Koning Mise, goedkeurend knikkend, sprak:Hoe grooter geest,Hoe meer verweesd.Waarop weder Pill:De ware kunst,Die heeft geen gunst.[84]En Pimm:Wie vleit en likt,Het beste bikt.En Pinn:Wien honger striemt,Wordt eng geriemd.Koning Mise, nadenkend, antwoordde:De grootste dief,Heeft ’t grootst gerief.En Pill:Het diefje klein,Lijdt grootste pijn.En Pimm:Steel,Maar veel!En Pinn:Steel een land,’t Is geen schand,Steel een touw,Gij hangt gauw!Nadenkend hoorde Koning Mise toe en antwoordde:Laat and’ren wagen,Neem zelf de buit,Zijkrijgen de slagen,Uwlijden is uit.Na deze beraadslaging bespraken de vier het schoone plan, dat zij wisten tegelijk in elks hoofd broeiend. In het woud van Gibick huisden gevaarlijke roovers, die wel wat aandorsten als er veel bij te winnen was. Hun weg voer nu door dat woud. Wanneer zij zich met de roovers in verbinding stelden, hun aanspoorden om Gise te overvallen en te dooden en zich met diens schatten te verrijken, dan zouden zij in den buit kunnen deelen en voortaan van alle vernedering bevrijd zijn.Koning Mise bleef opzettelijk met zijn karretje achter, doende alsof zijn ezeltje niet meer voortkon, hoewel het[85]dier deeenigedienaar van Koning Mise was, die ’t naar den vleesche ging, want hij vond langs de wegen rijkelijk distels. Toen de stoet van Koning Gise uit het gezicht was, snelde Koning Mise met de drie sproke-sprekers naar het hol van den rooverFridbolden vertelde hem van de schatten die Koning Gise in zijn vele wagens medevoerde en van de lafheid zijner wachten. Fridbold riep zijn gezellen bijeen, hield raad en besloten werd nog dien middag den overval te wagen.Koning Mise en zijn drie trawanten keerden nu terug naar hun karretje en reden zoo snel, dat het ezeltje meende, hij was in een paard omgetooverd. Zij waren weder spoedig bij Koning Gise, die juist bevel tot het avondmaal had gegeven.Koning Gise, die al gevreesd had, dat zijn mede-minnaar met zijn drie sproke-sprekers was achtergebleven, begroette den Koning met vriendschap en hun magere gelaten en holle oogen ziende, voelde hij medelijden en noodigde hen aan zijn disch.Koning Mise nam het aanbod aan en zei tot zijn sproke-sprekers:„Let op. Dat doet hij alleen om tegenover ons te pralen. Maar wij zullen ons niet ergeren en bedenken, dat wie ’t laatst lacht, de ware pret heeft.”Zoodra waren ze gezeten of de drie hofkoks van Koning Gise klommen op den dichtwagen en begonnen hun sproken te spreken. Pill, Pimm en Pinn hadden te grooten honger om niet aan den disch te blijven, maar naarmate hun honger gestild werd, kregen zij grootere lust om Hall, Hamm en Hann met grollen te bespotten en toen Hamm sprak:„Weet di, wanneer één zwijn drie hammen had?”kon Pimm zich niet weerhouden, den kok te onderbreken hem toeroepend:„Toen du op Koning Gise’s schouders zat!”[86]Koning Mise barstte in een hartelijk gelach uit, maar Koning Gise, zich richtend tot de dischgasten zeide:„Hebt di het gemerkt!”„Ja heer.… het is schande, heer!”„Ongeloofelijk!”„’t Is schaamteloos.… hij verdiende gehangen te worden.… het is bepaald grof.”„En dat tegenover zijn gastheer.…”Koning Gise knikte goedkeurend, toen hij de verontwaardiging der gasten uit deze uitroepen merkte en hij zeide triomfantelijk:„Ja.… zoo is het! Du.… op—is fout.… twee klinkers vormend een gaping.…”En zich tot Hamm richtend, riep hij:„Gids, geef dezen strompelenden sproke-spreker een spraakles!”Hamm keek verachtelijk naar Pimm en zeide:„Weet du, wanneer een zwijn drie hammen had?Toen Hamm op Koning Gise’s schouders zat.”Koning Gise sprong op van vreugde, toen hij deze nederlaag van Pimm bijwoonde. Alle gasten juichten den Gids toe, die door één woord te veranderen opeens de geheele sproke van den hiaat gezuiverd had.Koning Mise keek Pimm aan, Pimm keek Pill en Pill, Pinn aan en deze vier, in stede van beschaamd te zijn door zulk een nederlaag op sproke-gebied, verstoutten zich grollen te spreken, die nog meer aantoonden, dat zij geen maat wisten te houden.Pill zeide:Zoo zwijnig was een zwijn, dat toen men zwijn zei,Hij riep: Te weinig zwijn, en voegd’er nog een Hamm bij.Pimm zeide:Twee hammen en één Hamm,Alle drie aan één kram!Pinn sprak:Tel op, daar waren hammen vijfen,Eén op de schouders, vier aan de lijven.[87]Koning Mise besloot:Hamm op, Hamm onder, is ’t niet fijn,Dat heet ik toch een dubbel zwijn.Koning Gise wilde juist zijn koks opdragen te antwoorden, toen opeens onder een luid geschreeuw Fridbold en zijn gezellen kwamen aanstormen.Koning Mise gevolgd door zijn drie sproke-sprekers vluchtten en met groote schreden zich reddend, klommen zij in een hoogen eik en bleven, beschermd door het loover, toezien naar het bedrijf der roovers beneden.Deze waren gewapend met steenen bijlen en dreigden allen, die zich wilden verdedigen, neer te slaan. De gasten vluchtten naar alle zijden.Hall, Hamm en Hann waren de eersten, die door de roovers vastgebonden werden aan hun wagen en terwijl zij bedreigd door de bijlen der roovers om genade smeekten, riepen de drie boven uit den boom hun spotdichten toe.Koning Gise wilde zijn zwaard trekken, maar daar zijn hand nog vet was van een kluif, gleed deze van ’t gevest af, zoodat hij tegen Fridbold een zwaardstoot uitvoerde zonder een zwaard in de hand te hebben, waarop Fridbold in lachen uitbarstte. Uit den boom klonk:Wie trok zijn zwaard en stak temet,In andrer niet, in ’t eigen vet?Gise keek omhoog in den eik, maar daar de drie dichters hooger waren geklommen, geheel in ’t loover verscholen zaten en koning Mise door het rijke maal en de spanning van ’t oogenblik verrast, juist zijn overkleed had opgetrokken om aan een natuurlijke behoefte te voldoen, ontdekte koning Gise niet, wie hem deze grol toeriep.Fridbold wilde nu op koning Gise aanvallen, deed een stap voorwaarts maar net op dit oogenblik viel ’t gevoeg van koningMiseuit de takken naar beneden, juist op ’t gelaat van den roover, die ’t gezicht overstroomd en met de oogen verblind in woesten drift tegen den stam van den[88]eik opsprong en onder vreeselijke vloeken koning Mise bedreigde, meenende dat hier opzet in ’t spel was en verraad duchtend.Koning Mise riep zijn drie dichters te hulp en de vier verdedigden zich wanhopig tegen den roover, die zijn gelaat met een slip van zijn jachthemd afwisschend, bezwoer de verraders te zullen ophangen aan den eigensten drekboom.Koning Gise, zich buiten gevaar ziende, had nu na eenige moeite zijn zwaard toch nog uit de scheede gekregen en het manmoedig zwaaiend, liep hij statig naar den wagen, waar zijn drie koks waren vastgebonden, sneed ze met het zwaard los en beval hen, hem te volgen en wèl op te letten, opdat later hun heldendicht geen leemten zou aanwijzen. De vier stormden nu naar den wagen waar de kogelronde Alkmeersche kazen bewaard lagen en terwijl de roovers, in vereeniging met de zeeschuimers, die hoe ook weldoorvoed, hun ouden aard voelden bovenkomen nu er te rooven viel, en zich niet kunnend bedwingen en werkloos toezien, de andere wagens plunderden, juichend over zulk een rijken buit, om Fridbold riepen, die wanhopig vocht tegen de vier verraders in ’t eike-loover, gaf koning Gise waardig en koen zijn bevelen aan zijn drie trouwe koks, die hij de kazen met kracht liet werpen naar de roovers. Deze, zich eerst bedreigd meenend, maar nu den dikken koning ziende die met zijndriedikke koks de kazen uit den wagen wierp, zonder iemand te treffen, begonnen te lachen, werden overmoedig, bevalen de deerntjes van koning Mise nader te treden, zetten de wijnzakken aan den mond en begonnen een groot drinkgelag, daar Fridbold de hoofdman nog altijd niet verschenen was en hierdoor alle tucht bij zijn gezellen ontbrak. Maar toen de beschonken roovers zich aan de deerntjes wilden vergrijpen begonnen de schuimers, die ook braaf mede gedronken hadden, zich te verzetten en weldra waren de roovers en[89]de schuimers met elkaar aan ’t bakkelaaien, terwijl de deerntjes, gillend en ontdaan, naar den wagen van koning Gise kwamen loopen en hem smeekten om bescherming.De koning liet zich daaromopden kaaswagen hijschen en zijn zwaard met de punt in een kaas stekend, daarna met kracht het zwaard door de lucht zwierend naar de zijde van de bakkelaaiers, suisde de kaas met een vaart door de lucht, viel te midden van de troep neer en raakte een roover zoo op ’t achterhoofd, dat de man bewusteloos neerviel. Een tweede kaas, door den grooten koning Gise op dezelfde wijze weggeslingerd, trof een zeeschuimer voor den neus, zoodat de man een gil van pijn uitend, bloedend neerzeeg.Nu eerst bemerkten schuimers en roovers den nieuwen vijand en wilden vereenigd op koning Gise aanvallen, die zijn zwaard met een kaas op de punt vooruitgestoken, gereed om weder te slingeren, dapper stand hield. De drie koks echter, niet weinig verstoord dat de Alkmeersche kazen zoo maar werden weggeslingerd, ten prooi aan rooversgespuis, want eenige roovers, die achteraf stonden, hadden de twee door koning Gise geworpen kazen opgeraapt en sneden er met hun messen hompen van af, die zij opschrokten, smeekten hun koning aan de keuken te denken.„Zijn dat dichters, die zulks zeggen?” vroeg de koning verontwaardigd.„Neen—koks!” antwoordde Hamm.„Dan hebt du gelijk!” erkende de koning en de kaas van de punt zijns zwaards nemend, reikte hij haar Hamm over. Dit nu verbitterde de roovers, die toe kwamen stormen onder ’t geroep van: „Hier de kazen!—Wij moeten de kazen hebben!”Nu week koning Gise en zijn drie koks weer terug in den kaas-wagen. De roovers klommen ook op den wagen en wilden den koning te lijf, toen zij iets ontdekten, dat hun allen terug deed afdeinzen.[90]Op de bok van den wagen stond een gouden kooi en daarin zat een grooten vogel, maar zoo vreemd van pluim en veer als nog nooit gezien was. Hij had een grijzen kop, een purper lichaam en een blauwen staart.„Dat is een betooverde boschgeest!” riep koning Gise, toen een der roovers naderde. Deze, moediger dan de anderen, wilde zijn hand in de kooi steken om den vogel te grijpen. Doch de vogel gaf een flinke beet in de hand van den roover, zoodat deze terugweek. Maar een doodsschrik beving hem, toen de betooverde boschgeest zijn bek bewoog en duidelijk verneembaar zei: „Grendeldebliksem … hangen zal je!”De roover sprong met een zet van den wagen, zwikte zijn voet op een der kazen, die op den grond lagen en nu hinkend van pijn, zoo snel hij kon wegstrompelend, riep hij: „Vlucht, vlucht, vlucht! De boschgeest is los!…”De vogel, was door de geopende kooi ontsnapt en op den rand der wagen gaan zitten, gestadig herhalend: „Grendeldebliksem … hangen zal je!” De andere roovers op den wagen vluchtten nu ook en die beneden stonden en ver bij ’t bosch, ziende hoe hun spietsgezellen in wilden vlucht kwamen aanstormen, hun hoofdman nog steeds niet bemerkend, vermoedend dat alles verloren was, begonnen ’t ook op een loopen te zetten en de vlucht was nu algemeen.Koning Gise, met uitgetrokken zwaard gevolgd door de drie koks, die hem van zijn dolzinnig plan, alléén de roovers te vervolgen wilden weerhouden, stortte de vluchtenden na, die omkijkend, de vier mannen kloek op zich ziende aanstormen, in radeloozen vaart, voorwaarts renden. Een enkele, door ’t ongewone wijngenot, zwaar ter been, viel spoedig neer en koning Gise dezen naderend, hief zijn zwaard op en beval zijn drie koks, wel op deze houding te letten ter wille van de nauwkeurigheid van het heldendicht.[91]Hall, vol geestdrift door dit dapper bedrijf sprak:Held Gise vocht er fier als vechtersbaas,Hij spaarde ’s vijands bloed en d’ eigen kaas.Waarop Hamm sprak:Toen koning Gise was in ’t grootst gevaar,Zag men de roovers rollen met elkaar,En Hann besloot:Reeds raakt ’s lands lot beslist, toen drâ het neemt een draai,Daar ’t rooversrot verschrikt, vlucht voor een papegaai.Koning Gise, in stede van den beschonken roover te doorsteken, sloeg met het plat van zijn zwaard de maat bij deze sproken, doch zoo manmoedig en van krijgsvuur bezield, dat de roover, zijn handen aan ’t murw geslagen achterdeel brengend, ontnuchterd door de pijn en de smart, om genade smeekte.„Genade schenk ik!” zei koning Gise grootmoedig, „maar behoud deze herinnering.” Zich nu keerend tot zijn koks, zeide de edele koning:„Alzoo moest de maat worden geslagen, op elken dichter, die geen maat weet te houden!” En de drie koks, keken beangst, wel wetend dat het heldendicht, dat zij zouden te maken hebben, streng door den koning zou worden beoordeeld en dat hun een zelfde straf wachtte, indien zij zondigden tegen de maat en de geboden van de alliteratie.De zeeschuimers, de overwinning van Koning Gise ziend, begonnen inderhaast al de uit de wagens geworpen schatten weder op te laden en de deerntjes legden onder leiding der drie koks de kazen weder op stapels zoo netjes, als men ze op de markt te Alkmeer aan ’t meer Flevo niet schooner en sierlijker gestapeld zou kunnen zien.Tijdens deze bedreven was er op den eik waar Koning Mise en zijn drie dichters zich tegen den aanval van Fridbold verdedigden, wat vreeselijks gebeurd. Mise en zijn[92]drie dichters, wijkend voor Fridbold, waren steeds hooger in den eik geklommen. Maar boven in den boom werden de takken fijner en dunner en ten laatste konden zij niet verder, zonder gevaar te loopen, dat de takken zouden breken en zij naar beneden zouden storten. Nu eerst leerden zij de voordeelen van de magere keuken huns heers waardeeren, want indien zij zoo verachtelijk dik waren geweest als de drie koks van Koning Gise, zouden zij zeker reeds veel vroeger uit den boom zijn gestort. Thans echter werden zij door hun licht gewicht gered, want Sigbold, hun steeds volgend, bedacht niet, dat dezelfde tak, die den mageren Koning en zijn magerder dichters nog droeg, zijn gewicht niet kon torschen. Zoo dan brak een tak boven in den top, de rooverhoofdman viel naar beneden en van tak op tak stortend, greep hij zich ten laatste eerst aan den ondersten vast en zeker zou hij zijn leven gered hebben, ware het niet, dat juist op dezen tak Koning Mise een deel van zijn gevoegsel had achtergelaten. De gladheid maakte den rooverhoofdman ’t onmogelijk zich vast te klemmen met zijn handen, die losgleden en met den kreet: „Verrader!” stortte hij nu op den grond en bleef dood liggen in een hoop drek.Dat was het einde van Fridbold, den rooverhoofdman, eens gevreesd als woudkoning, thans verlaten en ellendig, roemloos gestorven, overwonnen niet door den saks of de speer of den aakst maar door verradelijk gevoegsel.Toen nu Koning Gise bij het lijk stond en er geen gevaar meer te duchten was, kwam Koning Mise langzaam naar beneden gekropen, gevolgd door zijn drie dichters.„Hoe heb ik dien neergeveld?” vroeg Koning Mise, de slip van zijn grauw overkleed met een beweging niet zonder waardigheid, zoo om de heup slaande, dat een gele en kwalijk riekende vlek verborgen werd.„Hebt di dat gedaan?” vroeg Koning Gise.„Ik en mijn drie getrouwen.”[93]Koning Gise keek naar den eik, langs welks stam Pill, Pimm en Pinn zich onder elkaar langzaam lieten afglijden. Doch minder gevat dan hun heer en vreezend, dat nu de gerechte wraak hun zou treffen, begonnen zij, zoodra zij den voet op den vasten grond hadden, met zulk een vaart weg te rennen, dat zij zelfs den terugroep van Koning Gise niet hoorden, die in de meening, dat zij degevluchteroovers wilden achtervolgen, hun van het overbodige dezer heldhaftige poging meende te moeten overtuigen, door de verzekering, dat de roovers reeds te ver weg waren.Het was onderwijl laat geworden en na de veelbewogen stonden had Koning Gise honger. Dankbaar voor de hulp die Koning Mise hem verleend had, noodigde hij deze aan zijn tafel uit, tevens echter zich er op beroemend, dat zijn drie koks een heldendicht zoudenmaken, zoo lang en zoo schoon, zuiver in de maat en rijk aan alliteratie, dat tot in het verre nageslacht gesproken zou worden van den heldhaftigen strijd van Koning Gise tegen den vervaarlijken roover Fridbold en zijn gezellen.Pill, Pinn en Pimm, uit de verte bemerkend, dat de disschen aangerecht werden, slopen weder nader. Nu vernamen zij het kloekmoedig gedrag van Koning Gise en om niet voor de drie koks onder te doen, vroegen zij Koning Mise verlof een dierenfabel te mogen dichten op het manhaftig bedrijf van Koning Mise, den grooten held, die den gruwelijken roover Fridbold had in ’t zand doen bijten.„In ’t zand?” vroeg Koning Mise en keek naar het lijk van den roover aan zijn voeten en diens nog altijd besmeerd aangezicht.Dien avond eindigde vroolijk en Pill sprak ten slotte:Wie snoerden lang de gordels toe,Tot redding kwam door kaka-toe?[94]
[Inhoud]HOOFDSTUK X.Het ging den Velagers slecht, die achter de Bedekauwers aantrokken. Want de verwachting van koning Mise, dat de roovers den stoet van koning Gise wel zouden overrompelen en er dan voor hen genoeg zou afvallen, werd niet vervuld. Het was een bijster slechte tijd voor de roovers, want de faam van Harimona trok zoovele lieden naar de haag van Renigo, dat de wegen bij dag en bij nacht dicht bevolkt waren. De bedevaart-gangers sloten zich bij elkaar aan, vormden groote troepen en buitendien waren er ook veel krijgslieden op weg naar Renigo, die verlangend naar avontuur, zeer naar roovers speurden, want menig roover had in zijn hol groote schatten, die het veroveren wel waard waren. Enkele bruidegoms voor Harimona vooral, betoonden zich belust op gevechten met roovers, daar zij wel wisten, dat de faam van een verschen heldendaad hun werving meer kans zou verleenen. Zoo dan waren de wegen ongewoon veilig en met verbeten woede zag koning Mise met zijn gevolg, allen met hongerige oogen, hoe Gise en de zijnen in overdaad en vreugde leefden en overal, wegens den prachtigen staat, dien hij tentoonspreidde, als een machtig vorst met veel eerbetuiging werd begroet.Wanneer zij een kwartier betrokken en de tenten werden opgeslagen, de tent van koning Gise met scharlaken voorhang waarop zijn wapen, een zwemmende leeuw, halverwege boven de golven, met een zwaard in de klauw, in gouden stiksel was geborduurd, kwamen van alle zijden de bewoners toeloopen met geschenken en eetwaren. Koning Gise, naar zijn aard, ontving de lieden hoffelijk en waardig, liet de schatten der wagens uithaken en de[79]wielen van de assen nemen, zoodat de wagen-vloeren tafels vormden en dan gaf hij gastmalen, waarbij hij niet alleen de geschonken eetwaren, door de drie hofdichters heerlijk toebereid, ten disch liet brengen, maar van zijn grooten voorraad daarbij liet zetten. Tijdens den maaltijd werd op een der wagens een zachtgroen kleed uitgespreid en daar op gingen Hall, Hamm en Hann staan in kostbare kleurige gewaden, met vergulde lieren in de hand en kransen van gouden eikeblaren in ’t haar en zoo moesten zij voor de gasten hun schoonste sproken opzeggen, rijk aan alliteraties, de strophen streng in het rhythme als waren ze de was-cellen in een honingraat en de groote vorst werd niet moede, zijn gasten te wijzen op de schoonheden der sproken, soms zelfs met het been van een cotelet op zijn gouden bord de maat en de scandeering aangevend en zijn dischgenooten uitnoodigend zijn voorbeeld te volgen, wat iedereen gaarne deed, daar niemand voor een domoor gehouden wenschte te worden, die de schoonheid van de sproken niet begreep.De veertig strandschuimers, als magere duivels met van honger loenschende oogen uitgetrokken, waren als lijfgarde overbodig geworden. Gise, in een goeden luim, beval dat ze aan tafel de wacht zouden houden, opdat de gasten zich tijdens het maal rustig zouden gevoelen. De goede Koning, die de magere kerels gaarne een hap gunde, had er dan pret in, midden onder een sproke van zijn koks, de leden dezer wacht, die neiging gevoelden in slaap te vallen, plotseling op te schrikken door een gebraden speenvarken of een reebout of een kalfskop met een zwierigen vaart hun, welgemikt, naar het hoofd te werpen, roepend: „Let op, let op wachter. Het speentje rent weg!” of „Waak op, wachter, de ree vliedt!”Dan schrokken de kerels op, die als echte Velagers geen vermaak vonden in de Bedekauwsche poëzie en wierpen zich op het gebraad, dat de koning hun toegezwaaid had[80]en ze pikten het vaardig op met hun spietsen en zorgden er voor, dat het smeüge speentje of de malsche bout niet ontsnapte. Groot vermaak schepte de Koning en zijn gasten er in, wanneer dan de schuimers onderling ruzie kregen om het geschenk des Konings en met elkaar aan ’t bakkeleiën gingen. Zij grepen elkaar bij de keel en bij het schaamdeel of trachtten elkaar met de vingers de oogen uit te steken tot de koning zijn gasten uitnoodigde, zijn voorbeeld te volgen en aan de twist een einde te maken door van den disch zooveel eetwaren naar de vechtenden te werpen, dat deze, den overvloed bemerkende, van elkaar aflieten en begonnen te schrokken terwijl de gasten, onder groot gejuich, zelve oververzadigd, alles wat nog op de tafels stond naar de lijfgarde wierpen, gebraad, vruchten, klieken bier uit de kroezen en horens, gezoden piepkuikens, ballen gehakt, hambeenen, brooden en stukken honigkoek.Onderwijl bleven Hall, Hamm en Hann ongestoord doorgaan met het zeggen van hun sproken, hoewel helaas de schoonste stafrijmen verloren gingen en niemand lette op de maat, die zij zoo wonderlijk nauwkeurig hielden. Want de drie hofkoks, onderling op elkaar naijverig, controleerden elkaar scherp en wanneer een van hen het zou gewaagd hebben een silbe te smokkelen, zou hij onmiddellijk door den ander terecht gewezen en zelfs verbeterd geworden zijn.Daar bijna elken dag gasten kwamen en vaak zelfs dezelfde gasten uit hetzelfde oord, een bewijs er voor hoezeer het onthaal hun had bevallen, en Koning Gise niet kon lijden dat, waar allen zich verzadigden, zijn lijfwacht honger leed, herhaalden zich aan ’t eind van elk gastmaal dezelfde vroolijke stoeipartij, tengevolge waarvan de schuimers na eenige weken oververzadigd waren, ronde buikjes hadden gekregen en zich nog slechts bevochten, wanneer bijzondere lekkernijen werden toegeworpen. Doch, weldoorvoed, waren ze lui als ossen en vadsig als varkens tot wanhoop van Koning Mise, die op zijn eigen onderdanen geen invloed[81]meer had, terwijl de deerntjes, die hij had medegenomen, gevoed door de schuimers, zich niet lieten vinden om deze tot verraad over te halen van een vorst, die zoo mild was ten voordeele van een vorst, die haar honger en koude liet lijden.Maar nog grootere ellende wachtte Koning Mise en de zijnen. De weg, die de stoet nam, was in de eerste dagen bezaaid geweest met de overblijfselen van den disch van Koning Gise en de zijnen. Er lagen hambeenen, hompen kaas en brood, de gedeelten van het wild en gevogelte, die minder smaakvol zijn, zoo maar ter zijde van de kampen, waar de maaltijden waren gehouden. Doch thans was de faam der milddadigheid van Koning Gise zoo ver verbreid, dat van alle kanten toegestroomde hongerhalzen als een groote tros, den stoet van Gise volgden en de arme Koning Mise en de zijnen moest met dat bedelvolk een strijd om leven en dood volvoeren om de brokken en den afval machtig te worden en in stede dat de rijke Gise zich tegen roovers te weren had, moest de arme Mise zich met dat tuig inlaten.Ook zijn laatste troost en hoop, dat zijn sproke-sprekers meer waardeering zouden vinden dan die van Koning Gise, vervloog in rook. De geestigste satiren, de leutigste grollen, de vernuftigste zetten, werden door het grauw afgekeurd. Dezelfde menschen, die Hall, Hamm en Hann toejuichten, schudden het hoofd als zijn driemanschap sproken zei, ja erger, ze begonnen om te toonen, dat zij op ’t gebied der sproken-sprekerij niet gering te schatten waren, de maat na te gaan door met dorre takken en knuppels tegen de boomen te slaan en in stede naar den zin en de bedoeling van de zetten en grollen te hooren, letten zij alleen op de maat en de scandeering en riepen: Mis!.… Mis!.… Mis!.… bij de raakste zetten, omdat er geen alliteraties in waren.Toen Koning Gise dat vernam, werd hij nog guller en[82]opgewekter en om zijn drie koks te beloonen, vergunde hij hun een bijtitel te kiezen. Hall noemde zich de Gids, omdat hij de menschen naar den weg van ’t ware schoon leidde. Hamm noemde zich des Gidsen Gids, omdat hij dikwerf Hall verbeterde en Hann noemde zich de Gids der Gidsen, omdat hij volgens den Koning boven de twee andere koks uitblonk.Koning Mise, dit hoorende en bemerkende dat deze wijze van beloonen den vorsten niets kost en de dienaren bovenmate gelukkig maakt, stond zijn drie sproke-sprekers toe, eveneens eere-titels te nemen. Pill, Pimm en Pinn overlegde welke titels zij zouden kiezen en vroegen ten slotte hun vorst, hun liever zonder eere-titel te laten maar voor een vettere keuken te zorgen. Koning Mise liet zich hun lederen gordels geven, sneed er een stuk van af, gaf ze hun terug en zeide, dat nu zijn keuken vetter was, omdat ze hun gordels nauwer toe konden halen.Hierop zeide Pill:VetSmet.En Pimm:EetLeed.En Pinn:Maal,Schraal.Want zoo zwak waren de drie van honger, dorst en ontbering, dat zij nog maar heele kleine sproken konden spreken bij gebrek aan brood en bier.Koning Mise antwoordde wel:Boet,Moed,maar onderwijl overlegde hij, hoe hij zich en de zijnen van leeftocht kon voorzien. Hoe zouden zij ooit de heilige haag bereiken, wanneer zij zoo door moesten sjokken en welke hoop kon hij koesteren op de verwerving van de rijke[83]bruid, wanneer hij en zijn dichters bij aankomst te uitgeput zouden zijn om zelfs woorden ten geschenke te brengen.Ook de vernedering, die hij onderweg ondervond, drukte hem zeer. De rijke Gise werd niet alleen naar den stof maar ook naar den geest geprezen. Was het niet schande, dat de geest zijner sproke-sprekers zoo werd geminacht en misverstaan? Maar zoo zijn de menschen. Wie een purperen voorhang voor zijn tent heeft, is meteen geestig en wie kampeeren moet onder een ezelwagentje is meteen dom. Laffe groots hoop, die altoos hun aanbidt, die ze door schijnschoon verblindt en door geschenken en gastmalen vleit. Ellendig grauw, dat de geestigste werken miskent, omdat de dichter meer waarde legt op den inhoud, op de ziel, dan op den stijven vorm; de makkelijke kunstgrepen, die zijn genius minacht, verwaarloost en de onbenullige weetjes, die iedereen met wat vlijt kan verzamelen, verwerpt voor de heilige verbeelding, die het leven aller tijden uit het niet der vergetelheid weder opwekt.Zoo sprak koning Mise tot de drie dichters, wier keukenhijvetter had gemaakt door hun gordels te verkorten, zoodat zij hun maag konden insnoeren.Pill, Pimm en Pinn hoorden hem aan en Pill sprak:De kleinste koek,Verliest nog een hoek.Pimm sprak:Wie veel al heeft,Dien ieder geeft.Pinn sprak:Wie arm verrekt,Wordt nog begekt.Koning Mise, goedkeurend knikkend, sprak:Hoe grooter geest,Hoe meer verweesd.Waarop weder Pill:De ware kunst,Die heeft geen gunst.[84]En Pimm:Wie vleit en likt,Het beste bikt.En Pinn:Wien honger striemt,Wordt eng geriemd.Koning Mise, nadenkend, antwoordde:De grootste dief,Heeft ’t grootst gerief.En Pill:Het diefje klein,Lijdt grootste pijn.En Pimm:Steel,Maar veel!En Pinn:Steel een land,’t Is geen schand,Steel een touw,Gij hangt gauw!Nadenkend hoorde Koning Mise toe en antwoordde:Laat and’ren wagen,Neem zelf de buit,Zijkrijgen de slagen,Uwlijden is uit.Na deze beraadslaging bespraken de vier het schoone plan, dat zij wisten tegelijk in elks hoofd broeiend. In het woud van Gibick huisden gevaarlijke roovers, die wel wat aandorsten als er veel bij te winnen was. Hun weg voer nu door dat woud. Wanneer zij zich met de roovers in verbinding stelden, hun aanspoorden om Gise te overvallen en te dooden en zich met diens schatten te verrijken, dan zouden zij in den buit kunnen deelen en voortaan van alle vernedering bevrijd zijn.Koning Mise bleef opzettelijk met zijn karretje achter, doende alsof zijn ezeltje niet meer voortkon, hoewel het[85]dier deeenigedienaar van Koning Mise was, die ’t naar den vleesche ging, want hij vond langs de wegen rijkelijk distels. Toen de stoet van Koning Gise uit het gezicht was, snelde Koning Mise met de drie sproke-sprekers naar het hol van den rooverFridbolden vertelde hem van de schatten die Koning Gise in zijn vele wagens medevoerde en van de lafheid zijner wachten. Fridbold riep zijn gezellen bijeen, hield raad en besloten werd nog dien middag den overval te wagen.Koning Mise en zijn drie trawanten keerden nu terug naar hun karretje en reden zoo snel, dat het ezeltje meende, hij was in een paard omgetooverd. Zij waren weder spoedig bij Koning Gise, die juist bevel tot het avondmaal had gegeven.Koning Gise, die al gevreesd had, dat zijn mede-minnaar met zijn drie sproke-sprekers was achtergebleven, begroette den Koning met vriendschap en hun magere gelaten en holle oogen ziende, voelde hij medelijden en noodigde hen aan zijn disch.Koning Mise nam het aanbod aan en zei tot zijn sproke-sprekers:„Let op. Dat doet hij alleen om tegenover ons te pralen. Maar wij zullen ons niet ergeren en bedenken, dat wie ’t laatst lacht, de ware pret heeft.”Zoodra waren ze gezeten of de drie hofkoks van Koning Gise klommen op den dichtwagen en begonnen hun sproken te spreken. Pill, Pimm en Pinn hadden te grooten honger om niet aan den disch te blijven, maar naarmate hun honger gestild werd, kregen zij grootere lust om Hall, Hamm en Hann met grollen te bespotten en toen Hamm sprak:„Weet di, wanneer één zwijn drie hammen had?”kon Pimm zich niet weerhouden, den kok te onderbreken hem toeroepend:„Toen du op Koning Gise’s schouders zat!”[86]Koning Mise barstte in een hartelijk gelach uit, maar Koning Gise, zich richtend tot de dischgasten zeide:„Hebt di het gemerkt!”„Ja heer.… het is schande, heer!”„Ongeloofelijk!”„’t Is schaamteloos.… hij verdiende gehangen te worden.… het is bepaald grof.”„En dat tegenover zijn gastheer.…”Koning Gise knikte goedkeurend, toen hij de verontwaardiging der gasten uit deze uitroepen merkte en hij zeide triomfantelijk:„Ja.… zoo is het! Du.… op—is fout.… twee klinkers vormend een gaping.…”En zich tot Hamm richtend, riep hij:„Gids, geef dezen strompelenden sproke-spreker een spraakles!”Hamm keek verachtelijk naar Pimm en zeide:„Weet du, wanneer een zwijn drie hammen had?Toen Hamm op Koning Gise’s schouders zat.”Koning Gise sprong op van vreugde, toen hij deze nederlaag van Pimm bijwoonde. Alle gasten juichten den Gids toe, die door één woord te veranderen opeens de geheele sproke van den hiaat gezuiverd had.Koning Mise keek Pimm aan, Pimm keek Pill en Pill, Pinn aan en deze vier, in stede van beschaamd te zijn door zulk een nederlaag op sproke-gebied, verstoutten zich grollen te spreken, die nog meer aantoonden, dat zij geen maat wisten te houden.Pill zeide:Zoo zwijnig was een zwijn, dat toen men zwijn zei,Hij riep: Te weinig zwijn, en voegd’er nog een Hamm bij.Pimm zeide:Twee hammen en één Hamm,Alle drie aan één kram!Pinn sprak:Tel op, daar waren hammen vijfen,Eén op de schouders, vier aan de lijven.[87]Koning Mise besloot:Hamm op, Hamm onder, is ’t niet fijn,Dat heet ik toch een dubbel zwijn.Koning Gise wilde juist zijn koks opdragen te antwoorden, toen opeens onder een luid geschreeuw Fridbold en zijn gezellen kwamen aanstormen.Koning Mise gevolgd door zijn drie sproke-sprekers vluchtten en met groote schreden zich reddend, klommen zij in een hoogen eik en bleven, beschermd door het loover, toezien naar het bedrijf der roovers beneden.Deze waren gewapend met steenen bijlen en dreigden allen, die zich wilden verdedigen, neer te slaan. De gasten vluchtten naar alle zijden.Hall, Hamm en Hann waren de eersten, die door de roovers vastgebonden werden aan hun wagen en terwijl zij bedreigd door de bijlen der roovers om genade smeekten, riepen de drie boven uit den boom hun spotdichten toe.Koning Gise wilde zijn zwaard trekken, maar daar zijn hand nog vet was van een kluif, gleed deze van ’t gevest af, zoodat hij tegen Fridbold een zwaardstoot uitvoerde zonder een zwaard in de hand te hebben, waarop Fridbold in lachen uitbarstte. Uit den boom klonk:Wie trok zijn zwaard en stak temet,In andrer niet, in ’t eigen vet?Gise keek omhoog in den eik, maar daar de drie dichters hooger waren geklommen, geheel in ’t loover verscholen zaten en koning Mise door het rijke maal en de spanning van ’t oogenblik verrast, juist zijn overkleed had opgetrokken om aan een natuurlijke behoefte te voldoen, ontdekte koning Gise niet, wie hem deze grol toeriep.Fridbold wilde nu op koning Gise aanvallen, deed een stap voorwaarts maar net op dit oogenblik viel ’t gevoeg van koningMiseuit de takken naar beneden, juist op ’t gelaat van den roover, die ’t gezicht overstroomd en met de oogen verblind in woesten drift tegen den stam van den[88]eik opsprong en onder vreeselijke vloeken koning Mise bedreigde, meenende dat hier opzet in ’t spel was en verraad duchtend.Koning Mise riep zijn drie dichters te hulp en de vier verdedigden zich wanhopig tegen den roover, die zijn gelaat met een slip van zijn jachthemd afwisschend, bezwoer de verraders te zullen ophangen aan den eigensten drekboom.Koning Gise, zich buiten gevaar ziende, had nu na eenige moeite zijn zwaard toch nog uit de scheede gekregen en het manmoedig zwaaiend, liep hij statig naar den wagen, waar zijn drie koks waren vastgebonden, sneed ze met het zwaard los en beval hen, hem te volgen en wèl op te letten, opdat later hun heldendicht geen leemten zou aanwijzen. De vier stormden nu naar den wagen waar de kogelronde Alkmeersche kazen bewaard lagen en terwijl de roovers, in vereeniging met de zeeschuimers, die hoe ook weldoorvoed, hun ouden aard voelden bovenkomen nu er te rooven viel, en zich niet kunnend bedwingen en werkloos toezien, de andere wagens plunderden, juichend over zulk een rijken buit, om Fridbold riepen, die wanhopig vocht tegen de vier verraders in ’t eike-loover, gaf koning Gise waardig en koen zijn bevelen aan zijn drie trouwe koks, die hij de kazen met kracht liet werpen naar de roovers. Deze, zich eerst bedreigd meenend, maar nu den dikken koning ziende die met zijndriedikke koks de kazen uit den wagen wierp, zonder iemand te treffen, begonnen te lachen, werden overmoedig, bevalen de deerntjes van koning Mise nader te treden, zetten de wijnzakken aan den mond en begonnen een groot drinkgelag, daar Fridbold de hoofdman nog altijd niet verschenen was en hierdoor alle tucht bij zijn gezellen ontbrak. Maar toen de beschonken roovers zich aan de deerntjes wilden vergrijpen begonnen de schuimers, die ook braaf mede gedronken hadden, zich te verzetten en weldra waren de roovers en[89]de schuimers met elkaar aan ’t bakkelaaien, terwijl de deerntjes, gillend en ontdaan, naar den wagen van koning Gise kwamen loopen en hem smeekten om bescherming.De koning liet zich daaromopden kaaswagen hijschen en zijn zwaard met de punt in een kaas stekend, daarna met kracht het zwaard door de lucht zwierend naar de zijde van de bakkelaaiers, suisde de kaas met een vaart door de lucht, viel te midden van de troep neer en raakte een roover zoo op ’t achterhoofd, dat de man bewusteloos neerviel. Een tweede kaas, door den grooten koning Gise op dezelfde wijze weggeslingerd, trof een zeeschuimer voor den neus, zoodat de man een gil van pijn uitend, bloedend neerzeeg.Nu eerst bemerkten schuimers en roovers den nieuwen vijand en wilden vereenigd op koning Gise aanvallen, die zijn zwaard met een kaas op de punt vooruitgestoken, gereed om weder te slingeren, dapper stand hield. De drie koks echter, niet weinig verstoord dat de Alkmeersche kazen zoo maar werden weggeslingerd, ten prooi aan rooversgespuis, want eenige roovers, die achteraf stonden, hadden de twee door koning Gise geworpen kazen opgeraapt en sneden er met hun messen hompen van af, die zij opschrokten, smeekten hun koning aan de keuken te denken.„Zijn dat dichters, die zulks zeggen?” vroeg de koning verontwaardigd.„Neen—koks!” antwoordde Hamm.„Dan hebt du gelijk!” erkende de koning en de kaas van de punt zijns zwaards nemend, reikte hij haar Hamm over. Dit nu verbitterde de roovers, die toe kwamen stormen onder ’t geroep van: „Hier de kazen!—Wij moeten de kazen hebben!”Nu week koning Gise en zijn drie koks weer terug in den kaas-wagen. De roovers klommen ook op den wagen en wilden den koning te lijf, toen zij iets ontdekten, dat hun allen terug deed afdeinzen.[90]Op de bok van den wagen stond een gouden kooi en daarin zat een grooten vogel, maar zoo vreemd van pluim en veer als nog nooit gezien was. Hij had een grijzen kop, een purper lichaam en een blauwen staart.„Dat is een betooverde boschgeest!” riep koning Gise, toen een der roovers naderde. Deze, moediger dan de anderen, wilde zijn hand in de kooi steken om den vogel te grijpen. Doch de vogel gaf een flinke beet in de hand van den roover, zoodat deze terugweek. Maar een doodsschrik beving hem, toen de betooverde boschgeest zijn bek bewoog en duidelijk verneembaar zei: „Grendeldebliksem … hangen zal je!”De roover sprong met een zet van den wagen, zwikte zijn voet op een der kazen, die op den grond lagen en nu hinkend van pijn, zoo snel hij kon wegstrompelend, riep hij: „Vlucht, vlucht, vlucht! De boschgeest is los!…”De vogel, was door de geopende kooi ontsnapt en op den rand der wagen gaan zitten, gestadig herhalend: „Grendeldebliksem … hangen zal je!” De andere roovers op den wagen vluchtten nu ook en die beneden stonden en ver bij ’t bosch, ziende hoe hun spietsgezellen in wilden vlucht kwamen aanstormen, hun hoofdman nog steeds niet bemerkend, vermoedend dat alles verloren was, begonnen ’t ook op een loopen te zetten en de vlucht was nu algemeen.Koning Gise, met uitgetrokken zwaard gevolgd door de drie koks, die hem van zijn dolzinnig plan, alléén de roovers te vervolgen wilden weerhouden, stortte de vluchtenden na, die omkijkend, de vier mannen kloek op zich ziende aanstormen, in radeloozen vaart, voorwaarts renden. Een enkele, door ’t ongewone wijngenot, zwaar ter been, viel spoedig neer en koning Gise dezen naderend, hief zijn zwaard op en beval zijn drie koks, wel op deze houding te letten ter wille van de nauwkeurigheid van het heldendicht.[91]Hall, vol geestdrift door dit dapper bedrijf sprak:Held Gise vocht er fier als vechtersbaas,Hij spaarde ’s vijands bloed en d’ eigen kaas.Waarop Hamm sprak:Toen koning Gise was in ’t grootst gevaar,Zag men de roovers rollen met elkaar,En Hann besloot:Reeds raakt ’s lands lot beslist, toen drâ het neemt een draai,Daar ’t rooversrot verschrikt, vlucht voor een papegaai.Koning Gise, in stede van den beschonken roover te doorsteken, sloeg met het plat van zijn zwaard de maat bij deze sproken, doch zoo manmoedig en van krijgsvuur bezield, dat de roover, zijn handen aan ’t murw geslagen achterdeel brengend, ontnuchterd door de pijn en de smart, om genade smeekte.„Genade schenk ik!” zei koning Gise grootmoedig, „maar behoud deze herinnering.” Zich nu keerend tot zijn koks, zeide de edele koning:„Alzoo moest de maat worden geslagen, op elken dichter, die geen maat weet te houden!” En de drie koks, keken beangst, wel wetend dat het heldendicht, dat zij zouden te maken hebben, streng door den koning zou worden beoordeeld en dat hun een zelfde straf wachtte, indien zij zondigden tegen de maat en de geboden van de alliteratie.De zeeschuimers, de overwinning van Koning Gise ziend, begonnen inderhaast al de uit de wagens geworpen schatten weder op te laden en de deerntjes legden onder leiding der drie koks de kazen weder op stapels zoo netjes, als men ze op de markt te Alkmeer aan ’t meer Flevo niet schooner en sierlijker gestapeld zou kunnen zien.Tijdens deze bedreven was er op den eik waar Koning Mise en zijn drie dichters zich tegen den aanval van Fridbold verdedigden, wat vreeselijks gebeurd. Mise en zijn[92]drie dichters, wijkend voor Fridbold, waren steeds hooger in den eik geklommen. Maar boven in den boom werden de takken fijner en dunner en ten laatste konden zij niet verder, zonder gevaar te loopen, dat de takken zouden breken en zij naar beneden zouden storten. Nu eerst leerden zij de voordeelen van de magere keuken huns heers waardeeren, want indien zij zoo verachtelijk dik waren geweest als de drie koks van Koning Gise, zouden zij zeker reeds veel vroeger uit den boom zijn gestort. Thans echter werden zij door hun licht gewicht gered, want Sigbold, hun steeds volgend, bedacht niet, dat dezelfde tak, die den mageren Koning en zijn magerder dichters nog droeg, zijn gewicht niet kon torschen. Zoo dan brak een tak boven in den top, de rooverhoofdman viel naar beneden en van tak op tak stortend, greep hij zich ten laatste eerst aan den ondersten vast en zeker zou hij zijn leven gered hebben, ware het niet, dat juist op dezen tak Koning Mise een deel van zijn gevoegsel had achtergelaten. De gladheid maakte den rooverhoofdman ’t onmogelijk zich vast te klemmen met zijn handen, die losgleden en met den kreet: „Verrader!” stortte hij nu op den grond en bleef dood liggen in een hoop drek.Dat was het einde van Fridbold, den rooverhoofdman, eens gevreesd als woudkoning, thans verlaten en ellendig, roemloos gestorven, overwonnen niet door den saks of de speer of den aakst maar door verradelijk gevoegsel.Toen nu Koning Gise bij het lijk stond en er geen gevaar meer te duchten was, kwam Koning Mise langzaam naar beneden gekropen, gevolgd door zijn drie dichters.„Hoe heb ik dien neergeveld?” vroeg Koning Mise, de slip van zijn grauw overkleed met een beweging niet zonder waardigheid, zoo om de heup slaande, dat een gele en kwalijk riekende vlek verborgen werd.„Hebt di dat gedaan?” vroeg Koning Gise.„Ik en mijn drie getrouwen.”[93]Koning Gise keek naar den eik, langs welks stam Pill, Pimm en Pinn zich onder elkaar langzaam lieten afglijden. Doch minder gevat dan hun heer en vreezend, dat nu de gerechte wraak hun zou treffen, begonnen zij, zoodra zij den voet op den vasten grond hadden, met zulk een vaart weg te rennen, dat zij zelfs den terugroep van Koning Gise niet hoorden, die in de meening, dat zij degevluchteroovers wilden achtervolgen, hun van het overbodige dezer heldhaftige poging meende te moeten overtuigen, door de verzekering, dat de roovers reeds te ver weg waren.Het was onderwijl laat geworden en na de veelbewogen stonden had Koning Gise honger. Dankbaar voor de hulp die Koning Mise hem verleend had, noodigde hij deze aan zijn tafel uit, tevens echter zich er op beroemend, dat zijn drie koks een heldendicht zoudenmaken, zoo lang en zoo schoon, zuiver in de maat en rijk aan alliteratie, dat tot in het verre nageslacht gesproken zou worden van den heldhaftigen strijd van Koning Gise tegen den vervaarlijken roover Fridbold en zijn gezellen.Pill, Pinn en Pimm, uit de verte bemerkend, dat de disschen aangerecht werden, slopen weder nader. Nu vernamen zij het kloekmoedig gedrag van Koning Gise en om niet voor de drie koks onder te doen, vroegen zij Koning Mise verlof een dierenfabel te mogen dichten op het manhaftig bedrijf van Koning Mise, den grooten held, die den gruwelijken roover Fridbold had in ’t zand doen bijten.„In ’t zand?” vroeg Koning Mise en keek naar het lijk van den roover aan zijn voeten en diens nog altijd besmeerd aangezicht.Dien avond eindigde vroolijk en Pill sprak ten slotte:Wie snoerden lang de gordels toe,Tot redding kwam door kaka-toe?[94]
HOOFDSTUK X.
Het ging den Velagers slecht, die achter de Bedekauwers aantrokken. Want de verwachting van koning Mise, dat de roovers den stoet van koning Gise wel zouden overrompelen en er dan voor hen genoeg zou afvallen, werd niet vervuld. Het was een bijster slechte tijd voor de roovers, want de faam van Harimona trok zoovele lieden naar de haag van Renigo, dat de wegen bij dag en bij nacht dicht bevolkt waren. De bedevaart-gangers sloten zich bij elkaar aan, vormden groote troepen en buitendien waren er ook veel krijgslieden op weg naar Renigo, die verlangend naar avontuur, zeer naar roovers speurden, want menig roover had in zijn hol groote schatten, die het veroveren wel waard waren. Enkele bruidegoms voor Harimona vooral, betoonden zich belust op gevechten met roovers, daar zij wel wisten, dat de faam van een verschen heldendaad hun werving meer kans zou verleenen. Zoo dan waren de wegen ongewoon veilig en met verbeten woede zag koning Mise met zijn gevolg, allen met hongerige oogen, hoe Gise en de zijnen in overdaad en vreugde leefden en overal, wegens den prachtigen staat, dien hij tentoonspreidde, als een machtig vorst met veel eerbetuiging werd begroet.Wanneer zij een kwartier betrokken en de tenten werden opgeslagen, de tent van koning Gise met scharlaken voorhang waarop zijn wapen, een zwemmende leeuw, halverwege boven de golven, met een zwaard in de klauw, in gouden stiksel was geborduurd, kwamen van alle zijden de bewoners toeloopen met geschenken en eetwaren. Koning Gise, naar zijn aard, ontving de lieden hoffelijk en waardig, liet de schatten der wagens uithaken en de[79]wielen van de assen nemen, zoodat de wagen-vloeren tafels vormden en dan gaf hij gastmalen, waarbij hij niet alleen de geschonken eetwaren, door de drie hofdichters heerlijk toebereid, ten disch liet brengen, maar van zijn grooten voorraad daarbij liet zetten. Tijdens den maaltijd werd op een der wagens een zachtgroen kleed uitgespreid en daar op gingen Hall, Hamm en Hann staan in kostbare kleurige gewaden, met vergulde lieren in de hand en kransen van gouden eikeblaren in ’t haar en zoo moesten zij voor de gasten hun schoonste sproken opzeggen, rijk aan alliteraties, de strophen streng in het rhythme als waren ze de was-cellen in een honingraat en de groote vorst werd niet moede, zijn gasten te wijzen op de schoonheden der sproken, soms zelfs met het been van een cotelet op zijn gouden bord de maat en de scandeering aangevend en zijn dischgenooten uitnoodigend zijn voorbeeld te volgen, wat iedereen gaarne deed, daar niemand voor een domoor gehouden wenschte te worden, die de schoonheid van de sproken niet begreep.De veertig strandschuimers, als magere duivels met van honger loenschende oogen uitgetrokken, waren als lijfgarde overbodig geworden. Gise, in een goeden luim, beval dat ze aan tafel de wacht zouden houden, opdat de gasten zich tijdens het maal rustig zouden gevoelen. De goede Koning, die de magere kerels gaarne een hap gunde, had er dan pret in, midden onder een sproke van zijn koks, de leden dezer wacht, die neiging gevoelden in slaap te vallen, plotseling op te schrikken door een gebraden speenvarken of een reebout of een kalfskop met een zwierigen vaart hun, welgemikt, naar het hoofd te werpen, roepend: „Let op, let op wachter. Het speentje rent weg!” of „Waak op, wachter, de ree vliedt!”Dan schrokken de kerels op, die als echte Velagers geen vermaak vonden in de Bedekauwsche poëzie en wierpen zich op het gebraad, dat de koning hun toegezwaaid had[80]en ze pikten het vaardig op met hun spietsen en zorgden er voor, dat het smeüge speentje of de malsche bout niet ontsnapte. Groot vermaak schepte de Koning en zijn gasten er in, wanneer dan de schuimers onderling ruzie kregen om het geschenk des Konings en met elkaar aan ’t bakkeleiën gingen. Zij grepen elkaar bij de keel en bij het schaamdeel of trachtten elkaar met de vingers de oogen uit te steken tot de koning zijn gasten uitnoodigde, zijn voorbeeld te volgen en aan de twist een einde te maken door van den disch zooveel eetwaren naar de vechtenden te werpen, dat deze, den overvloed bemerkende, van elkaar aflieten en begonnen te schrokken terwijl de gasten, onder groot gejuich, zelve oververzadigd, alles wat nog op de tafels stond naar de lijfgarde wierpen, gebraad, vruchten, klieken bier uit de kroezen en horens, gezoden piepkuikens, ballen gehakt, hambeenen, brooden en stukken honigkoek.Onderwijl bleven Hall, Hamm en Hann ongestoord doorgaan met het zeggen van hun sproken, hoewel helaas de schoonste stafrijmen verloren gingen en niemand lette op de maat, die zij zoo wonderlijk nauwkeurig hielden. Want de drie hofkoks, onderling op elkaar naijverig, controleerden elkaar scherp en wanneer een van hen het zou gewaagd hebben een silbe te smokkelen, zou hij onmiddellijk door den ander terecht gewezen en zelfs verbeterd geworden zijn.Daar bijna elken dag gasten kwamen en vaak zelfs dezelfde gasten uit hetzelfde oord, een bewijs er voor hoezeer het onthaal hun had bevallen, en Koning Gise niet kon lijden dat, waar allen zich verzadigden, zijn lijfwacht honger leed, herhaalden zich aan ’t eind van elk gastmaal dezelfde vroolijke stoeipartij, tengevolge waarvan de schuimers na eenige weken oververzadigd waren, ronde buikjes hadden gekregen en zich nog slechts bevochten, wanneer bijzondere lekkernijen werden toegeworpen. Doch, weldoorvoed, waren ze lui als ossen en vadsig als varkens tot wanhoop van Koning Mise, die op zijn eigen onderdanen geen invloed[81]meer had, terwijl de deerntjes, die hij had medegenomen, gevoed door de schuimers, zich niet lieten vinden om deze tot verraad over te halen van een vorst, die zoo mild was ten voordeele van een vorst, die haar honger en koude liet lijden.Maar nog grootere ellende wachtte Koning Mise en de zijnen. De weg, die de stoet nam, was in de eerste dagen bezaaid geweest met de overblijfselen van den disch van Koning Gise en de zijnen. Er lagen hambeenen, hompen kaas en brood, de gedeelten van het wild en gevogelte, die minder smaakvol zijn, zoo maar ter zijde van de kampen, waar de maaltijden waren gehouden. Doch thans was de faam der milddadigheid van Koning Gise zoo ver verbreid, dat van alle kanten toegestroomde hongerhalzen als een groote tros, den stoet van Gise volgden en de arme Koning Mise en de zijnen moest met dat bedelvolk een strijd om leven en dood volvoeren om de brokken en den afval machtig te worden en in stede dat de rijke Gise zich tegen roovers te weren had, moest de arme Mise zich met dat tuig inlaten.Ook zijn laatste troost en hoop, dat zijn sproke-sprekers meer waardeering zouden vinden dan die van Koning Gise, vervloog in rook. De geestigste satiren, de leutigste grollen, de vernuftigste zetten, werden door het grauw afgekeurd. Dezelfde menschen, die Hall, Hamm en Hann toejuichten, schudden het hoofd als zijn driemanschap sproken zei, ja erger, ze begonnen om te toonen, dat zij op ’t gebied der sproken-sprekerij niet gering te schatten waren, de maat na te gaan door met dorre takken en knuppels tegen de boomen te slaan en in stede naar den zin en de bedoeling van de zetten en grollen te hooren, letten zij alleen op de maat en de scandeering en riepen: Mis!.… Mis!.… Mis!.… bij de raakste zetten, omdat er geen alliteraties in waren.Toen Koning Gise dat vernam, werd hij nog guller en[82]opgewekter en om zijn drie koks te beloonen, vergunde hij hun een bijtitel te kiezen. Hall noemde zich de Gids, omdat hij de menschen naar den weg van ’t ware schoon leidde. Hamm noemde zich des Gidsen Gids, omdat hij dikwerf Hall verbeterde en Hann noemde zich de Gids der Gidsen, omdat hij volgens den Koning boven de twee andere koks uitblonk.Koning Mise, dit hoorende en bemerkende dat deze wijze van beloonen den vorsten niets kost en de dienaren bovenmate gelukkig maakt, stond zijn drie sproke-sprekers toe, eveneens eere-titels te nemen. Pill, Pimm en Pinn overlegde welke titels zij zouden kiezen en vroegen ten slotte hun vorst, hun liever zonder eere-titel te laten maar voor een vettere keuken te zorgen. Koning Mise liet zich hun lederen gordels geven, sneed er een stuk van af, gaf ze hun terug en zeide, dat nu zijn keuken vetter was, omdat ze hun gordels nauwer toe konden halen.Hierop zeide Pill:VetSmet.En Pimm:EetLeed.En Pinn:Maal,Schraal.Want zoo zwak waren de drie van honger, dorst en ontbering, dat zij nog maar heele kleine sproken konden spreken bij gebrek aan brood en bier.Koning Mise antwoordde wel:Boet,Moed,maar onderwijl overlegde hij, hoe hij zich en de zijnen van leeftocht kon voorzien. Hoe zouden zij ooit de heilige haag bereiken, wanneer zij zoo door moesten sjokken en welke hoop kon hij koesteren op de verwerving van de rijke[83]bruid, wanneer hij en zijn dichters bij aankomst te uitgeput zouden zijn om zelfs woorden ten geschenke te brengen.Ook de vernedering, die hij onderweg ondervond, drukte hem zeer. De rijke Gise werd niet alleen naar den stof maar ook naar den geest geprezen. Was het niet schande, dat de geest zijner sproke-sprekers zoo werd geminacht en misverstaan? Maar zoo zijn de menschen. Wie een purperen voorhang voor zijn tent heeft, is meteen geestig en wie kampeeren moet onder een ezelwagentje is meteen dom. Laffe groots hoop, die altoos hun aanbidt, die ze door schijnschoon verblindt en door geschenken en gastmalen vleit. Ellendig grauw, dat de geestigste werken miskent, omdat de dichter meer waarde legt op den inhoud, op de ziel, dan op den stijven vorm; de makkelijke kunstgrepen, die zijn genius minacht, verwaarloost en de onbenullige weetjes, die iedereen met wat vlijt kan verzamelen, verwerpt voor de heilige verbeelding, die het leven aller tijden uit het niet der vergetelheid weder opwekt.Zoo sprak koning Mise tot de drie dichters, wier keukenhijvetter had gemaakt door hun gordels te verkorten, zoodat zij hun maag konden insnoeren.Pill, Pimm en Pinn hoorden hem aan en Pill sprak:De kleinste koek,Verliest nog een hoek.Pimm sprak:Wie veel al heeft,Dien ieder geeft.Pinn sprak:Wie arm verrekt,Wordt nog begekt.Koning Mise, goedkeurend knikkend, sprak:Hoe grooter geest,Hoe meer verweesd.Waarop weder Pill:De ware kunst,Die heeft geen gunst.[84]En Pimm:Wie vleit en likt,Het beste bikt.En Pinn:Wien honger striemt,Wordt eng geriemd.Koning Mise, nadenkend, antwoordde:De grootste dief,Heeft ’t grootst gerief.En Pill:Het diefje klein,Lijdt grootste pijn.En Pimm:Steel,Maar veel!En Pinn:Steel een land,’t Is geen schand,Steel een touw,Gij hangt gauw!Nadenkend hoorde Koning Mise toe en antwoordde:Laat and’ren wagen,Neem zelf de buit,Zijkrijgen de slagen,Uwlijden is uit.Na deze beraadslaging bespraken de vier het schoone plan, dat zij wisten tegelijk in elks hoofd broeiend. In het woud van Gibick huisden gevaarlijke roovers, die wel wat aandorsten als er veel bij te winnen was. Hun weg voer nu door dat woud. Wanneer zij zich met de roovers in verbinding stelden, hun aanspoorden om Gise te overvallen en te dooden en zich met diens schatten te verrijken, dan zouden zij in den buit kunnen deelen en voortaan van alle vernedering bevrijd zijn.Koning Mise bleef opzettelijk met zijn karretje achter, doende alsof zijn ezeltje niet meer voortkon, hoewel het[85]dier deeenigedienaar van Koning Mise was, die ’t naar den vleesche ging, want hij vond langs de wegen rijkelijk distels. Toen de stoet van Koning Gise uit het gezicht was, snelde Koning Mise met de drie sproke-sprekers naar het hol van den rooverFridbolden vertelde hem van de schatten die Koning Gise in zijn vele wagens medevoerde en van de lafheid zijner wachten. Fridbold riep zijn gezellen bijeen, hield raad en besloten werd nog dien middag den overval te wagen.Koning Mise en zijn drie trawanten keerden nu terug naar hun karretje en reden zoo snel, dat het ezeltje meende, hij was in een paard omgetooverd. Zij waren weder spoedig bij Koning Gise, die juist bevel tot het avondmaal had gegeven.Koning Gise, die al gevreesd had, dat zijn mede-minnaar met zijn drie sproke-sprekers was achtergebleven, begroette den Koning met vriendschap en hun magere gelaten en holle oogen ziende, voelde hij medelijden en noodigde hen aan zijn disch.Koning Mise nam het aanbod aan en zei tot zijn sproke-sprekers:„Let op. Dat doet hij alleen om tegenover ons te pralen. Maar wij zullen ons niet ergeren en bedenken, dat wie ’t laatst lacht, de ware pret heeft.”Zoodra waren ze gezeten of de drie hofkoks van Koning Gise klommen op den dichtwagen en begonnen hun sproken te spreken. Pill, Pimm en Pinn hadden te grooten honger om niet aan den disch te blijven, maar naarmate hun honger gestild werd, kregen zij grootere lust om Hall, Hamm en Hann met grollen te bespotten en toen Hamm sprak:„Weet di, wanneer één zwijn drie hammen had?”kon Pimm zich niet weerhouden, den kok te onderbreken hem toeroepend:„Toen du op Koning Gise’s schouders zat!”[86]Koning Mise barstte in een hartelijk gelach uit, maar Koning Gise, zich richtend tot de dischgasten zeide:„Hebt di het gemerkt!”„Ja heer.… het is schande, heer!”„Ongeloofelijk!”„’t Is schaamteloos.… hij verdiende gehangen te worden.… het is bepaald grof.”„En dat tegenover zijn gastheer.…”Koning Gise knikte goedkeurend, toen hij de verontwaardiging der gasten uit deze uitroepen merkte en hij zeide triomfantelijk:„Ja.… zoo is het! Du.… op—is fout.… twee klinkers vormend een gaping.…”En zich tot Hamm richtend, riep hij:„Gids, geef dezen strompelenden sproke-spreker een spraakles!”Hamm keek verachtelijk naar Pimm en zeide:„Weet du, wanneer een zwijn drie hammen had?Toen Hamm op Koning Gise’s schouders zat.”Koning Gise sprong op van vreugde, toen hij deze nederlaag van Pimm bijwoonde. Alle gasten juichten den Gids toe, die door één woord te veranderen opeens de geheele sproke van den hiaat gezuiverd had.Koning Mise keek Pimm aan, Pimm keek Pill en Pill, Pinn aan en deze vier, in stede van beschaamd te zijn door zulk een nederlaag op sproke-gebied, verstoutten zich grollen te spreken, die nog meer aantoonden, dat zij geen maat wisten te houden.Pill zeide:Zoo zwijnig was een zwijn, dat toen men zwijn zei,Hij riep: Te weinig zwijn, en voegd’er nog een Hamm bij.Pimm zeide:Twee hammen en één Hamm,Alle drie aan één kram!Pinn sprak:Tel op, daar waren hammen vijfen,Eén op de schouders, vier aan de lijven.[87]Koning Mise besloot:Hamm op, Hamm onder, is ’t niet fijn,Dat heet ik toch een dubbel zwijn.Koning Gise wilde juist zijn koks opdragen te antwoorden, toen opeens onder een luid geschreeuw Fridbold en zijn gezellen kwamen aanstormen.Koning Mise gevolgd door zijn drie sproke-sprekers vluchtten en met groote schreden zich reddend, klommen zij in een hoogen eik en bleven, beschermd door het loover, toezien naar het bedrijf der roovers beneden.Deze waren gewapend met steenen bijlen en dreigden allen, die zich wilden verdedigen, neer te slaan. De gasten vluchtten naar alle zijden.Hall, Hamm en Hann waren de eersten, die door de roovers vastgebonden werden aan hun wagen en terwijl zij bedreigd door de bijlen der roovers om genade smeekten, riepen de drie boven uit den boom hun spotdichten toe.Koning Gise wilde zijn zwaard trekken, maar daar zijn hand nog vet was van een kluif, gleed deze van ’t gevest af, zoodat hij tegen Fridbold een zwaardstoot uitvoerde zonder een zwaard in de hand te hebben, waarop Fridbold in lachen uitbarstte. Uit den boom klonk:Wie trok zijn zwaard en stak temet,In andrer niet, in ’t eigen vet?Gise keek omhoog in den eik, maar daar de drie dichters hooger waren geklommen, geheel in ’t loover verscholen zaten en koning Mise door het rijke maal en de spanning van ’t oogenblik verrast, juist zijn overkleed had opgetrokken om aan een natuurlijke behoefte te voldoen, ontdekte koning Gise niet, wie hem deze grol toeriep.Fridbold wilde nu op koning Gise aanvallen, deed een stap voorwaarts maar net op dit oogenblik viel ’t gevoeg van koningMiseuit de takken naar beneden, juist op ’t gelaat van den roover, die ’t gezicht overstroomd en met de oogen verblind in woesten drift tegen den stam van den[88]eik opsprong en onder vreeselijke vloeken koning Mise bedreigde, meenende dat hier opzet in ’t spel was en verraad duchtend.Koning Mise riep zijn drie dichters te hulp en de vier verdedigden zich wanhopig tegen den roover, die zijn gelaat met een slip van zijn jachthemd afwisschend, bezwoer de verraders te zullen ophangen aan den eigensten drekboom.Koning Gise, zich buiten gevaar ziende, had nu na eenige moeite zijn zwaard toch nog uit de scheede gekregen en het manmoedig zwaaiend, liep hij statig naar den wagen, waar zijn drie koks waren vastgebonden, sneed ze met het zwaard los en beval hen, hem te volgen en wèl op te letten, opdat later hun heldendicht geen leemten zou aanwijzen. De vier stormden nu naar den wagen waar de kogelronde Alkmeersche kazen bewaard lagen en terwijl de roovers, in vereeniging met de zeeschuimers, die hoe ook weldoorvoed, hun ouden aard voelden bovenkomen nu er te rooven viel, en zich niet kunnend bedwingen en werkloos toezien, de andere wagens plunderden, juichend over zulk een rijken buit, om Fridbold riepen, die wanhopig vocht tegen de vier verraders in ’t eike-loover, gaf koning Gise waardig en koen zijn bevelen aan zijn drie trouwe koks, die hij de kazen met kracht liet werpen naar de roovers. Deze, zich eerst bedreigd meenend, maar nu den dikken koning ziende die met zijndriedikke koks de kazen uit den wagen wierp, zonder iemand te treffen, begonnen te lachen, werden overmoedig, bevalen de deerntjes van koning Mise nader te treden, zetten de wijnzakken aan den mond en begonnen een groot drinkgelag, daar Fridbold de hoofdman nog altijd niet verschenen was en hierdoor alle tucht bij zijn gezellen ontbrak. Maar toen de beschonken roovers zich aan de deerntjes wilden vergrijpen begonnen de schuimers, die ook braaf mede gedronken hadden, zich te verzetten en weldra waren de roovers en[89]de schuimers met elkaar aan ’t bakkelaaien, terwijl de deerntjes, gillend en ontdaan, naar den wagen van koning Gise kwamen loopen en hem smeekten om bescherming.De koning liet zich daaromopden kaaswagen hijschen en zijn zwaard met de punt in een kaas stekend, daarna met kracht het zwaard door de lucht zwierend naar de zijde van de bakkelaaiers, suisde de kaas met een vaart door de lucht, viel te midden van de troep neer en raakte een roover zoo op ’t achterhoofd, dat de man bewusteloos neerviel. Een tweede kaas, door den grooten koning Gise op dezelfde wijze weggeslingerd, trof een zeeschuimer voor den neus, zoodat de man een gil van pijn uitend, bloedend neerzeeg.Nu eerst bemerkten schuimers en roovers den nieuwen vijand en wilden vereenigd op koning Gise aanvallen, die zijn zwaard met een kaas op de punt vooruitgestoken, gereed om weder te slingeren, dapper stand hield. De drie koks echter, niet weinig verstoord dat de Alkmeersche kazen zoo maar werden weggeslingerd, ten prooi aan rooversgespuis, want eenige roovers, die achteraf stonden, hadden de twee door koning Gise geworpen kazen opgeraapt en sneden er met hun messen hompen van af, die zij opschrokten, smeekten hun koning aan de keuken te denken.„Zijn dat dichters, die zulks zeggen?” vroeg de koning verontwaardigd.„Neen—koks!” antwoordde Hamm.„Dan hebt du gelijk!” erkende de koning en de kaas van de punt zijns zwaards nemend, reikte hij haar Hamm over. Dit nu verbitterde de roovers, die toe kwamen stormen onder ’t geroep van: „Hier de kazen!—Wij moeten de kazen hebben!”Nu week koning Gise en zijn drie koks weer terug in den kaas-wagen. De roovers klommen ook op den wagen en wilden den koning te lijf, toen zij iets ontdekten, dat hun allen terug deed afdeinzen.[90]Op de bok van den wagen stond een gouden kooi en daarin zat een grooten vogel, maar zoo vreemd van pluim en veer als nog nooit gezien was. Hij had een grijzen kop, een purper lichaam en een blauwen staart.„Dat is een betooverde boschgeest!” riep koning Gise, toen een der roovers naderde. Deze, moediger dan de anderen, wilde zijn hand in de kooi steken om den vogel te grijpen. Doch de vogel gaf een flinke beet in de hand van den roover, zoodat deze terugweek. Maar een doodsschrik beving hem, toen de betooverde boschgeest zijn bek bewoog en duidelijk verneembaar zei: „Grendeldebliksem … hangen zal je!”De roover sprong met een zet van den wagen, zwikte zijn voet op een der kazen, die op den grond lagen en nu hinkend van pijn, zoo snel hij kon wegstrompelend, riep hij: „Vlucht, vlucht, vlucht! De boschgeest is los!…”De vogel, was door de geopende kooi ontsnapt en op den rand der wagen gaan zitten, gestadig herhalend: „Grendeldebliksem … hangen zal je!” De andere roovers op den wagen vluchtten nu ook en die beneden stonden en ver bij ’t bosch, ziende hoe hun spietsgezellen in wilden vlucht kwamen aanstormen, hun hoofdman nog steeds niet bemerkend, vermoedend dat alles verloren was, begonnen ’t ook op een loopen te zetten en de vlucht was nu algemeen.Koning Gise, met uitgetrokken zwaard gevolgd door de drie koks, die hem van zijn dolzinnig plan, alléén de roovers te vervolgen wilden weerhouden, stortte de vluchtenden na, die omkijkend, de vier mannen kloek op zich ziende aanstormen, in radeloozen vaart, voorwaarts renden. Een enkele, door ’t ongewone wijngenot, zwaar ter been, viel spoedig neer en koning Gise dezen naderend, hief zijn zwaard op en beval zijn drie koks, wel op deze houding te letten ter wille van de nauwkeurigheid van het heldendicht.[91]Hall, vol geestdrift door dit dapper bedrijf sprak:Held Gise vocht er fier als vechtersbaas,Hij spaarde ’s vijands bloed en d’ eigen kaas.Waarop Hamm sprak:Toen koning Gise was in ’t grootst gevaar,Zag men de roovers rollen met elkaar,En Hann besloot:Reeds raakt ’s lands lot beslist, toen drâ het neemt een draai,Daar ’t rooversrot verschrikt, vlucht voor een papegaai.Koning Gise, in stede van den beschonken roover te doorsteken, sloeg met het plat van zijn zwaard de maat bij deze sproken, doch zoo manmoedig en van krijgsvuur bezield, dat de roover, zijn handen aan ’t murw geslagen achterdeel brengend, ontnuchterd door de pijn en de smart, om genade smeekte.„Genade schenk ik!” zei koning Gise grootmoedig, „maar behoud deze herinnering.” Zich nu keerend tot zijn koks, zeide de edele koning:„Alzoo moest de maat worden geslagen, op elken dichter, die geen maat weet te houden!” En de drie koks, keken beangst, wel wetend dat het heldendicht, dat zij zouden te maken hebben, streng door den koning zou worden beoordeeld en dat hun een zelfde straf wachtte, indien zij zondigden tegen de maat en de geboden van de alliteratie.De zeeschuimers, de overwinning van Koning Gise ziend, begonnen inderhaast al de uit de wagens geworpen schatten weder op te laden en de deerntjes legden onder leiding der drie koks de kazen weder op stapels zoo netjes, als men ze op de markt te Alkmeer aan ’t meer Flevo niet schooner en sierlijker gestapeld zou kunnen zien.Tijdens deze bedreven was er op den eik waar Koning Mise en zijn drie dichters zich tegen den aanval van Fridbold verdedigden, wat vreeselijks gebeurd. Mise en zijn[92]drie dichters, wijkend voor Fridbold, waren steeds hooger in den eik geklommen. Maar boven in den boom werden de takken fijner en dunner en ten laatste konden zij niet verder, zonder gevaar te loopen, dat de takken zouden breken en zij naar beneden zouden storten. Nu eerst leerden zij de voordeelen van de magere keuken huns heers waardeeren, want indien zij zoo verachtelijk dik waren geweest als de drie koks van Koning Gise, zouden zij zeker reeds veel vroeger uit den boom zijn gestort. Thans echter werden zij door hun licht gewicht gered, want Sigbold, hun steeds volgend, bedacht niet, dat dezelfde tak, die den mageren Koning en zijn magerder dichters nog droeg, zijn gewicht niet kon torschen. Zoo dan brak een tak boven in den top, de rooverhoofdman viel naar beneden en van tak op tak stortend, greep hij zich ten laatste eerst aan den ondersten vast en zeker zou hij zijn leven gered hebben, ware het niet, dat juist op dezen tak Koning Mise een deel van zijn gevoegsel had achtergelaten. De gladheid maakte den rooverhoofdman ’t onmogelijk zich vast te klemmen met zijn handen, die losgleden en met den kreet: „Verrader!” stortte hij nu op den grond en bleef dood liggen in een hoop drek.Dat was het einde van Fridbold, den rooverhoofdman, eens gevreesd als woudkoning, thans verlaten en ellendig, roemloos gestorven, overwonnen niet door den saks of de speer of den aakst maar door verradelijk gevoegsel.Toen nu Koning Gise bij het lijk stond en er geen gevaar meer te duchten was, kwam Koning Mise langzaam naar beneden gekropen, gevolgd door zijn drie dichters.„Hoe heb ik dien neergeveld?” vroeg Koning Mise, de slip van zijn grauw overkleed met een beweging niet zonder waardigheid, zoo om de heup slaande, dat een gele en kwalijk riekende vlek verborgen werd.„Hebt di dat gedaan?” vroeg Koning Gise.„Ik en mijn drie getrouwen.”[93]Koning Gise keek naar den eik, langs welks stam Pill, Pimm en Pinn zich onder elkaar langzaam lieten afglijden. Doch minder gevat dan hun heer en vreezend, dat nu de gerechte wraak hun zou treffen, begonnen zij, zoodra zij den voet op den vasten grond hadden, met zulk een vaart weg te rennen, dat zij zelfs den terugroep van Koning Gise niet hoorden, die in de meening, dat zij degevluchteroovers wilden achtervolgen, hun van het overbodige dezer heldhaftige poging meende te moeten overtuigen, door de verzekering, dat de roovers reeds te ver weg waren.Het was onderwijl laat geworden en na de veelbewogen stonden had Koning Gise honger. Dankbaar voor de hulp die Koning Mise hem verleend had, noodigde hij deze aan zijn tafel uit, tevens echter zich er op beroemend, dat zijn drie koks een heldendicht zoudenmaken, zoo lang en zoo schoon, zuiver in de maat en rijk aan alliteratie, dat tot in het verre nageslacht gesproken zou worden van den heldhaftigen strijd van Koning Gise tegen den vervaarlijken roover Fridbold en zijn gezellen.Pill, Pinn en Pimm, uit de verte bemerkend, dat de disschen aangerecht werden, slopen weder nader. Nu vernamen zij het kloekmoedig gedrag van Koning Gise en om niet voor de drie koks onder te doen, vroegen zij Koning Mise verlof een dierenfabel te mogen dichten op het manhaftig bedrijf van Koning Mise, den grooten held, die den gruwelijken roover Fridbold had in ’t zand doen bijten.„In ’t zand?” vroeg Koning Mise en keek naar het lijk van den roover aan zijn voeten en diens nog altijd besmeerd aangezicht.Dien avond eindigde vroolijk en Pill sprak ten slotte:Wie snoerden lang de gordels toe,Tot redding kwam door kaka-toe?[94]
Het ging den Velagers slecht, die achter de Bedekauwers aantrokken. Want de verwachting van koning Mise, dat de roovers den stoet van koning Gise wel zouden overrompelen en er dan voor hen genoeg zou afvallen, werd niet vervuld. Het was een bijster slechte tijd voor de roovers, want de faam van Harimona trok zoovele lieden naar de haag van Renigo, dat de wegen bij dag en bij nacht dicht bevolkt waren. De bedevaart-gangers sloten zich bij elkaar aan, vormden groote troepen en buitendien waren er ook veel krijgslieden op weg naar Renigo, die verlangend naar avontuur, zeer naar roovers speurden, want menig roover had in zijn hol groote schatten, die het veroveren wel waard waren. Enkele bruidegoms voor Harimona vooral, betoonden zich belust op gevechten met roovers, daar zij wel wisten, dat de faam van een verschen heldendaad hun werving meer kans zou verleenen. Zoo dan waren de wegen ongewoon veilig en met verbeten woede zag koning Mise met zijn gevolg, allen met hongerige oogen, hoe Gise en de zijnen in overdaad en vreugde leefden en overal, wegens den prachtigen staat, dien hij tentoonspreidde, als een machtig vorst met veel eerbetuiging werd begroet.
Wanneer zij een kwartier betrokken en de tenten werden opgeslagen, de tent van koning Gise met scharlaken voorhang waarop zijn wapen, een zwemmende leeuw, halverwege boven de golven, met een zwaard in de klauw, in gouden stiksel was geborduurd, kwamen van alle zijden de bewoners toeloopen met geschenken en eetwaren. Koning Gise, naar zijn aard, ontving de lieden hoffelijk en waardig, liet de schatten der wagens uithaken en de[79]wielen van de assen nemen, zoodat de wagen-vloeren tafels vormden en dan gaf hij gastmalen, waarbij hij niet alleen de geschonken eetwaren, door de drie hofdichters heerlijk toebereid, ten disch liet brengen, maar van zijn grooten voorraad daarbij liet zetten. Tijdens den maaltijd werd op een der wagens een zachtgroen kleed uitgespreid en daar op gingen Hall, Hamm en Hann staan in kostbare kleurige gewaden, met vergulde lieren in de hand en kransen van gouden eikeblaren in ’t haar en zoo moesten zij voor de gasten hun schoonste sproken opzeggen, rijk aan alliteraties, de strophen streng in het rhythme als waren ze de was-cellen in een honingraat en de groote vorst werd niet moede, zijn gasten te wijzen op de schoonheden der sproken, soms zelfs met het been van een cotelet op zijn gouden bord de maat en de scandeering aangevend en zijn dischgenooten uitnoodigend zijn voorbeeld te volgen, wat iedereen gaarne deed, daar niemand voor een domoor gehouden wenschte te worden, die de schoonheid van de sproken niet begreep.
De veertig strandschuimers, als magere duivels met van honger loenschende oogen uitgetrokken, waren als lijfgarde overbodig geworden. Gise, in een goeden luim, beval dat ze aan tafel de wacht zouden houden, opdat de gasten zich tijdens het maal rustig zouden gevoelen. De goede Koning, die de magere kerels gaarne een hap gunde, had er dan pret in, midden onder een sproke van zijn koks, de leden dezer wacht, die neiging gevoelden in slaap te vallen, plotseling op te schrikken door een gebraden speenvarken of een reebout of een kalfskop met een zwierigen vaart hun, welgemikt, naar het hoofd te werpen, roepend: „Let op, let op wachter. Het speentje rent weg!” of „Waak op, wachter, de ree vliedt!”
Dan schrokken de kerels op, die als echte Velagers geen vermaak vonden in de Bedekauwsche poëzie en wierpen zich op het gebraad, dat de koning hun toegezwaaid had[80]en ze pikten het vaardig op met hun spietsen en zorgden er voor, dat het smeüge speentje of de malsche bout niet ontsnapte. Groot vermaak schepte de Koning en zijn gasten er in, wanneer dan de schuimers onderling ruzie kregen om het geschenk des Konings en met elkaar aan ’t bakkeleiën gingen. Zij grepen elkaar bij de keel en bij het schaamdeel of trachtten elkaar met de vingers de oogen uit te steken tot de koning zijn gasten uitnoodigde, zijn voorbeeld te volgen en aan de twist een einde te maken door van den disch zooveel eetwaren naar de vechtenden te werpen, dat deze, den overvloed bemerkende, van elkaar aflieten en begonnen te schrokken terwijl de gasten, onder groot gejuich, zelve oververzadigd, alles wat nog op de tafels stond naar de lijfgarde wierpen, gebraad, vruchten, klieken bier uit de kroezen en horens, gezoden piepkuikens, ballen gehakt, hambeenen, brooden en stukken honigkoek.
Onderwijl bleven Hall, Hamm en Hann ongestoord doorgaan met het zeggen van hun sproken, hoewel helaas de schoonste stafrijmen verloren gingen en niemand lette op de maat, die zij zoo wonderlijk nauwkeurig hielden. Want de drie hofkoks, onderling op elkaar naijverig, controleerden elkaar scherp en wanneer een van hen het zou gewaagd hebben een silbe te smokkelen, zou hij onmiddellijk door den ander terecht gewezen en zelfs verbeterd geworden zijn.
Daar bijna elken dag gasten kwamen en vaak zelfs dezelfde gasten uit hetzelfde oord, een bewijs er voor hoezeer het onthaal hun had bevallen, en Koning Gise niet kon lijden dat, waar allen zich verzadigden, zijn lijfwacht honger leed, herhaalden zich aan ’t eind van elk gastmaal dezelfde vroolijke stoeipartij, tengevolge waarvan de schuimers na eenige weken oververzadigd waren, ronde buikjes hadden gekregen en zich nog slechts bevochten, wanneer bijzondere lekkernijen werden toegeworpen. Doch, weldoorvoed, waren ze lui als ossen en vadsig als varkens tot wanhoop van Koning Mise, die op zijn eigen onderdanen geen invloed[81]meer had, terwijl de deerntjes, die hij had medegenomen, gevoed door de schuimers, zich niet lieten vinden om deze tot verraad over te halen van een vorst, die zoo mild was ten voordeele van een vorst, die haar honger en koude liet lijden.
Maar nog grootere ellende wachtte Koning Mise en de zijnen. De weg, die de stoet nam, was in de eerste dagen bezaaid geweest met de overblijfselen van den disch van Koning Gise en de zijnen. Er lagen hambeenen, hompen kaas en brood, de gedeelten van het wild en gevogelte, die minder smaakvol zijn, zoo maar ter zijde van de kampen, waar de maaltijden waren gehouden. Doch thans was de faam der milddadigheid van Koning Gise zoo ver verbreid, dat van alle kanten toegestroomde hongerhalzen als een groote tros, den stoet van Gise volgden en de arme Koning Mise en de zijnen moest met dat bedelvolk een strijd om leven en dood volvoeren om de brokken en den afval machtig te worden en in stede dat de rijke Gise zich tegen roovers te weren had, moest de arme Mise zich met dat tuig inlaten.
Ook zijn laatste troost en hoop, dat zijn sproke-sprekers meer waardeering zouden vinden dan die van Koning Gise, vervloog in rook. De geestigste satiren, de leutigste grollen, de vernuftigste zetten, werden door het grauw afgekeurd. Dezelfde menschen, die Hall, Hamm en Hann toejuichten, schudden het hoofd als zijn driemanschap sproken zei, ja erger, ze begonnen om te toonen, dat zij op ’t gebied der sproken-sprekerij niet gering te schatten waren, de maat na te gaan door met dorre takken en knuppels tegen de boomen te slaan en in stede naar den zin en de bedoeling van de zetten en grollen te hooren, letten zij alleen op de maat en de scandeering en riepen: Mis!.… Mis!.… Mis!.… bij de raakste zetten, omdat er geen alliteraties in waren.
Toen Koning Gise dat vernam, werd hij nog guller en[82]opgewekter en om zijn drie koks te beloonen, vergunde hij hun een bijtitel te kiezen. Hall noemde zich de Gids, omdat hij de menschen naar den weg van ’t ware schoon leidde. Hamm noemde zich des Gidsen Gids, omdat hij dikwerf Hall verbeterde en Hann noemde zich de Gids der Gidsen, omdat hij volgens den Koning boven de twee andere koks uitblonk.
Koning Mise, dit hoorende en bemerkende dat deze wijze van beloonen den vorsten niets kost en de dienaren bovenmate gelukkig maakt, stond zijn drie sproke-sprekers toe, eveneens eere-titels te nemen. Pill, Pimm en Pinn overlegde welke titels zij zouden kiezen en vroegen ten slotte hun vorst, hun liever zonder eere-titel te laten maar voor een vettere keuken te zorgen. Koning Mise liet zich hun lederen gordels geven, sneed er een stuk van af, gaf ze hun terug en zeide, dat nu zijn keuken vetter was, omdat ze hun gordels nauwer toe konden halen.
Hierop zeide Pill:
VetSmet.
Vet
Smet.
En Pimm:
EetLeed.
Eet
Leed.
En Pinn:
Maal,Schraal.
Maal,
Schraal.
Want zoo zwak waren de drie van honger, dorst en ontbering, dat zij nog maar heele kleine sproken konden spreken bij gebrek aan brood en bier.
Koning Mise antwoordde wel:
Boet,Moed,
Boet,
Moed,
maar onderwijl overlegde hij, hoe hij zich en de zijnen van leeftocht kon voorzien. Hoe zouden zij ooit de heilige haag bereiken, wanneer zij zoo door moesten sjokken en welke hoop kon hij koesteren op de verwerving van de rijke[83]bruid, wanneer hij en zijn dichters bij aankomst te uitgeput zouden zijn om zelfs woorden ten geschenke te brengen.
Ook de vernedering, die hij onderweg ondervond, drukte hem zeer. De rijke Gise werd niet alleen naar den stof maar ook naar den geest geprezen. Was het niet schande, dat de geest zijner sproke-sprekers zoo werd geminacht en misverstaan? Maar zoo zijn de menschen. Wie een purperen voorhang voor zijn tent heeft, is meteen geestig en wie kampeeren moet onder een ezelwagentje is meteen dom. Laffe groots hoop, die altoos hun aanbidt, die ze door schijnschoon verblindt en door geschenken en gastmalen vleit. Ellendig grauw, dat de geestigste werken miskent, omdat de dichter meer waarde legt op den inhoud, op de ziel, dan op den stijven vorm; de makkelijke kunstgrepen, die zijn genius minacht, verwaarloost en de onbenullige weetjes, die iedereen met wat vlijt kan verzamelen, verwerpt voor de heilige verbeelding, die het leven aller tijden uit het niet der vergetelheid weder opwekt.
Zoo sprak koning Mise tot de drie dichters, wier keukenhijvetter had gemaakt door hun gordels te verkorten, zoodat zij hun maag konden insnoeren.
Pill, Pimm en Pinn hoorden hem aan en Pill sprak:
De kleinste koek,Verliest nog een hoek.
De kleinste koek,
Verliest nog een hoek.
Pimm sprak:
Wie veel al heeft,Dien ieder geeft.
Wie veel al heeft,
Dien ieder geeft.
Pinn sprak:
Wie arm verrekt,Wordt nog begekt.
Wie arm verrekt,
Wordt nog begekt.
Koning Mise, goedkeurend knikkend, sprak:
Hoe grooter geest,Hoe meer verweesd.
Hoe grooter geest,
Hoe meer verweesd.
Waarop weder Pill:
De ware kunst,Die heeft geen gunst.
De ware kunst,
Die heeft geen gunst.
[84]
En Pimm:
Wie vleit en likt,Het beste bikt.
Wie vleit en likt,
Het beste bikt.
En Pinn:
Wien honger striemt,Wordt eng geriemd.
Wien honger striemt,
Wordt eng geriemd.
Koning Mise, nadenkend, antwoordde:
De grootste dief,Heeft ’t grootst gerief.
De grootste dief,
Heeft ’t grootst gerief.
En Pill:
Het diefje klein,Lijdt grootste pijn.
Het diefje klein,
Lijdt grootste pijn.
En Pimm:
Steel,Maar veel!
Steel,
Maar veel!
En Pinn:
Steel een land,’t Is geen schand,Steel een touw,Gij hangt gauw!
Steel een land,
’t Is geen schand,
Steel een touw,
Gij hangt gauw!
Nadenkend hoorde Koning Mise toe en antwoordde:
Laat and’ren wagen,Neem zelf de buit,Zijkrijgen de slagen,Uwlijden is uit.
Laat and’ren wagen,
Neem zelf de buit,
Zijkrijgen de slagen,
Uwlijden is uit.
Na deze beraadslaging bespraken de vier het schoone plan, dat zij wisten tegelijk in elks hoofd broeiend. In het woud van Gibick huisden gevaarlijke roovers, die wel wat aandorsten als er veel bij te winnen was. Hun weg voer nu door dat woud. Wanneer zij zich met de roovers in verbinding stelden, hun aanspoorden om Gise te overvallen en te dooden en zich met diens schatten te verrijken, dan zouden zij in den buit kunnen deelen en voortaan van alle vernedering bevrijd zijn.
Koning Mise bleef opzettelijk met zijn karretje achter, doende alsof zijn ezeltje niet meer voortkon, hoewel het[85]dier deeenigedienaar van Koning Mise was, die ’t naar den vleesche ging, want hij vond langs de wegen rijkelijk distels. Toen de stoet van Koning Gise uit het gezicht was, snelde Koning Mise met de drie sproke-sprekers naar het hol van den rooverFridbolden vertelde hem van de schatten die Koning Gise in zijn vele wagens medevoerde en van de lafheid zijner wachten. Fridbold riep zijn gezellen bijeen, hield raad en besloten werd nog dien middag den overval te wagen.
Koning Mise en zijn drie trawanten keerden nu terug naar hun karretje en reden zoo snel, dat het ezeltje meende, hij was in een paard omgetooverd. Zij waren weder spoedig bij Koning Gise, die juist bevel tot het avondmaal had gegeven.
Koning Gise, die al gevreesd had, dat zijn mede-minnaar met zijn drie sproke-sprekers was achtergebleven, begroette den Koning met vriendschap en hun magere gelaten en holle oogen ziende, voelde hij medelijden en noodigde hen aan zijn disch.
Koning Mise nam het aanbod aan en zei tot zijn sproke-sprekers:
„Let op. Dat doet hij alleen om tegenover ons te pralen. Maar wij zullen ons niet ergeren en bedenken, dat wie ’t laatst lacht, de ware pret heeft.”
Zoodra waren ze gezeten of de drie hofkoks van Koning Gise klommen op den dichtwagen en begonnen hun sproken te spreken. Pill, Pimm en Pinn hadden te grooten honger om niet aan den disch te blijven, maar naarmate hun honger gestild werd, kregen zij grootere lust om Hall, Hamm en Hann met grollen te bespotten en toen Hamm sprak:
„Weet di, wanneer één zwijn drie hammen had?”
„Weet di, wanneer één zwijn drie hammen had?”
kon Pimm zich niet weerhouden, den kok te onderbreken hem toeroepend:
„Toen du op Koning Gise’s schouders zat!”
„Toen du op Koning Gise’s schouders zat!”
[86]
Koning Mise barstte in een hartelijk gelach uit, maar Koning Gise, zich richtend tot de dischgasten zeide:
„Hebt di het gemerkt!”
„Ja heer.… het is schande, heer!”
„Ongeloofelijk!”
„’t Is schaamteloos.… hij verdiende gehangen te worden.… het is bepaald grof.”
„En dat tegenover zijn gastheer.…”
Koning Gise knikte goedkeurend, toen hij de verontwaardiging der gasten uit deze uitroepen merkte en hij zeide triomfantelijk:
„Ja.… zoo is het! Du.… op—is fout.… twee klinkers vormend een gaping.…”
En zich tot Hamm richtend, riep hij:
„Gids, geef dezen strompelenden sproke-spreker een spraakles!”
Hamm keek verachtelijk naar Pimm en zeide:
„Weet du, wanneer een zwijn drie hammen had?Toen Hamm op Koning Gise’s schouders zat.”
„Weet du, wanneer een zwijn drie hammen had?
Toen Hamm op Koning Gise’s schouders zat.”
Koning Gise sprong op van vreugde, toen hij deze nederlaag van Pimm bijwoonde. Alle gasten juichten den Gids toe, die door één woord te veranderen opeens de geheele sproke van den hiaat gezuiverd had.
Koning Mise keek Pimm aan, Pimm keek Pill en Pill, Pinn aan en deze vier, in stede van beschaamd te zijn door zulk een nederlaag op sproke-gebied, verstoutten zich grollen te spreken, die nog meer aantoonden, dat zij geen maat wisten te houden.
Pill zeide:
Zoo zwijnig was een zwijn, dat toen men zwijn zei,Hij riep: Te weinig zwijn, en voegd’er nog een Hamm bij.
Zoo zwijnig was een zwijn, dat toen men zwijn zei,
Hij riep: Te weinig zwijn, en voegd’er nog een Hamm bij.
Pimm zeide:
Twee hammen en één Hamm,Alle drie aan één kram!
Twee hammen en één Hamm,
Alle drie aan één kram!
Pinn sprak:
Tel op, daar waren hammen vijfen,Eén op de schouders, vier aan de lijven.
Tel op, daar waren hammen vijfen,
Eén op de schouders, vier aan de lijven.
[87]
Koning Mise besloot:
Hamm op, Hamm onder, is ’t niet fijn,Dat heet ik toch een dubbel zwijn.
Hamm op, Hamm onder, is ’t niet fijn,
Dat heet ik toch een dubbel zwijn.
Koning Gise wilde juist zijn koks opdragen te antwoorden, toen opeens onder een luid geschreeuw Fridbold en zijn gezellen kwamen aanstormen.
Koning Mise gevolgd door zijn drie sproke-sprekers vluchtten en met groote schreden zich reddend, klommen zij in een hoogen eik en bleven, beschermd door het loover, toezien naar het bedrijf der roovers beneden.
Deze waren gewapend met steenen bijlen en dreigden allen, die zich wilden verdedigen, neer te slaan. De gasten vluchtten naar alle zijden.Hall, Hamm en Hann waren de eersten, die door de roovers vastgebonden werden aan hun wagen en terwijl zij bedreigd door de bijlen der roovers om genade smeekten, riepen de drie boven uit den boom hun spotdichten toe.
Koning Gise wilde zijn zwaard trekken, maar daar zijn hand nog vet was van een kluif, gleed deze van ’t gevest af, zoodat hij tegen Fridbold een zwaardstoot uitvoerde zonder een zwaard in de hand te hebben, waarop Fridbold in lachen uitbarstte. Uit den boom klonk:
Wie trok zijn zwaard en stak temet,In andrer niet, in ’t eigen vet?
Wie trok zijn zwaard en stak temet,
In andrer niet, in ’t eigen vet?
Gise keek omhoog in den eik, maar daar de drie dichters hooger waren geklommen, geheel in ’t loover verscholen zaten en koning Mise door het rijke maal en de spanning van ’t oogenblik verrast, juist zijn overkleed had opgetrokken om aan een natuurlijke behoefte te voldoen, ontdekte koning Gise niet, wie hem deze grol toeriep.
Fridbold wilde nu op koning Gise aanvallen, deed een stap voorwaarts maar net op dit oogenblik viel ’t gevoeg van koningMiseuit de takken naar beneden, juist op ’t gelaat van den roover, die ’t gezicht overstroomd en met de oogen verblind in woesten drift tegen den stam van den[88]eik opsprong en onder vreeselijke vloeken koning Mise bedreigde, meenende dat hier opzet in ’t spel was en verraad duchtend.
Koning Mise riep zijn drie dichters te hulp en de vier verdedigden zich wanhopig tegen den roover, die zijn gelaat met een slip van zijn jachthemd afwisschend, bezwoer de verraders te zullen ophangen aan den eigensten drekboom.
Koning Gise, zich buiten gevaar ziende, had nu na eenige moeite zijn zwaard toch nog uit de scheede gekregen en het manmoedig zwaaiend, liep hij statig naar den wagen, waar zijn drie koks waren vastgebonden, sneed ze met het zwaard los en beval hen, hem te volgen en wèl op te letten, opdat later hun heldendicht geen leemten zou aanwijzen. De vier stormden nu naar den wagen waar de kogelronde Alkmeersche kazen bewaard lagen en terwijl de roovers, in vereeniging met de zeeschuimers, die hoe ook weldoorvoed, hun ouden aard voelden bovenkomen nu er te rooven viel, en zich niet kunnend bedwingen en werkloos toezien, de andere wagens plunderden, juichend over zulk een rijken buit, om Fridbold riepen, die wanhopig vocht tegen de vier verraders in ’t eike-loover, gaf koning Gise waardig en koen zijn bevelen aan zijn drie trouwe koks, die hij de kazen met kracht liet werpen naar de roovers. Deze, zich eerst bedreigd meenend, maar nu den dikken koning ziende die met zijndriedikke koks de kazen uit den wagen wierp, zonder iemand te treffen, begonnen te lachen, werden overmoedig, bevalen de deerntjes van koning Mise nader te treden, zetten de wijnzakken aan den mond en begonnen een groot drinkgelag, daar Fridbold de hoofdman nog altijd niet verschenen was en hierdoor alle tucht bij zijn gezellen ontbrak. Maar toen de beschonken roovers zich aan de deerntjes wilden vergrijpen begonnen de schuimers, die ook braaf mede gedronken hadden, zich te verzetten en weldra waren de roovers en[89]de schuimers met elkaar aan ’t bakkelaaien, terwijl de deerntjes, gillend en ontdaan, naar den wagen van koning Gise kwamen loopen en hem smeekten om bescherming.
De koning liet zich daaromopden kaaswagen hijschen en zijn zwaard met de punt in een kaas stekend, daarna met kracht het zwaard door de lucht zwierend naar de zijde van de bakkelaaiers, suisde de kaas met een vaart door de lucht, viel te midden van de troep neer en raakte een roover zoo op ’t achterhoofd, dat de man bewusteloos neerviel. Een tweede kaas, door den grooten koning Gise op dezelfde wijze weggeslingerd, trof een zeeschuimer voor den neus, zoodat de man een gil van pijn uitend, bloedend neerzeeg.
Nu eerst bemerkten schuimers en roovers den nieuwen vijand en wilden vereenigd op koning Gise aanvallen, die zijn zwaard met een kaas op de punt vooruitgestoken, gereed om weder te slingeren, dapper stand hield. De drie koks echter, niet weinig verstoord dat de Alkmeersche kazen zoo maar werden weggeslingerd, ten prooi aan rooversgespuis, want eenige roovers, die achteraf stonden, hadden de twee door koning Gise geworpen kazen opgeraapt en sneden er met hun messen hompen van af, die zij opschrokten, smeekten hun koning aan de keuken te denken.
„Zijn dat dichters, die zulks zeggen?” vroeg de koning verontwaardigd.
„Neen—koks!” antwoordde Hamm.
„Dan hebt du gelijk!” erkende de koning en de kaas van de punt zijns zwaards nemend, reikte hij haar Hamm over. Dit nu verbitterde de roovers, die toe kwamen stormen onder ’t geroep van: „Hier de kazen!—Wij moeten de kazen hebben!”
Nu week koning Gise en zijn drie koks weer terug in den kaas-wagen. De roovers klommen ook op den wagen en wilden den koning te lijf, toen zij iets ontdekten, dat hun allen terug deed afdeinzen.[90]
Op de bok van den wagen stond een gouden kooi en daarin zat een grooten vogel, maar zoo vreemd van pluim en veer als nog nooit gezien was. Hij had een grijzen kop, een purper lichaam en een blauwen staart.
„Dat is een betooverde boschgeest!” riep koning Gise, toen een der roovers naderde. Deze, moediger dan de anderen, wilde zijn hand in de kooi steken om den vogel te grijpen. Doch de vogel gaf een flinke beet in de hand van den roover, zoodat deze terugweek. Maar een doodsschrik beving hem, toen de betooverde boschgeest zijn bek bewoog en duidelijk verneembaar zei: „Grendeldebliksem … hangen zal je!”
De roover sprong met een zet van den wagen, zwikte zijn voet op een der kazen, die op den grond lagen en nu hinkend van pijn, zoo snel hij kon wegstrompelend, riep hij: „Vlucht, vlucht, vlucht! De boschgeest is los!…”
De vogel, was door de geopende kooi ontsnapt en op den rand der wagen gaan zitten, gestadig herhalend: „Grendeldebliksem … hangen zal je!” De andere roovers op den wagen vluchtten nu ook en die beneden stonden en ver bij ’t bosch, ziende hoe hun spietsgezellen in wilden vlucht kwamen aanstormen, hun hoofdman nog steeds niet bemerkend, vermoedend dat alles verloren was, begonnen ’t ook op een loopen te zetten en de vlucht was nu algemeen.
Koning Gise, met uitgetrokken zwaard gevolgd door de drie koks, die hem van zijn dolzinnig plan, alléén de roovers te vervolgen wilden weerhouden, stortte de vluchtenden na, die omkijkend, de vier mannen kloek op zich ziende aanstormen, in radeloozen vaart, voorwaarts renden. Een enkele, door ’t ongewone wijngenot, zwaar ter been, viel spoedig neer en koning Gise dezen naderend, hief zijn zwaard op en beval zijn drie koks, wel op deze houding te letten ter wille van de nauwkeurigheid van het heldendicht.[91]
Hall, vol geestdrift door dit dapper bedrijf sprak:
Held Gise vocht er fier als vechtersbaas,Hij spaarde ’s vijands bloed en d’ eigen kaas.
Held Gise vocht er fier als vechtersbaas,
Hij spaarde ’s vijands bloed en d’ eigen kaas.
Waarop Hamm sprak:
Toen koning Gise was in ’t grootst gevaar,Zag men de roovers rollen met elkaar,
Toen koning Gise was in ’t grootst gevaar,
Zag men de roovers rollen met elkaar,
En Hann besloot:
Reeds raakt ’s lands lot beslist, toen drâ het neemt een draai,Daar ’t rooversrot verschrikt, vlucht voor een papegaai.
Reeds raakt ’s lands lot beslist, toen drâ het neemt een draai,
Daar ’t rooversrot verschrikt, vlucht voor een papegaai.
Koning Gise, in stede van den beschonken roover te doorsteken, sloeg met het plat van zijn zwaard de maat bij deze sproken, doch zoo manmoedig en van krijgsvuur bezield, dat de roover, zijn handen aan ’t murw geslagen achterdeel brengend, ontnuchterd door de pijn en de smart, om genade smeekte.
„Genade schenk ik!” zei koning Gise grootmoedig, „maar behoud deze herinnering.” Zich nu keerend tot zijn koks, zeide de edele koning:
„Alzoo moest de maat worden geslagen, op elken dichter, die geen maat weet te houden!” En de drie koks, keken beangst, wel wetend dat het heldendicht, dat zij zouden te maken hebben, streng door den koning zou worden beoordeeld en dat hun een zelfde straf wachtte, indien zij zondigden tegen de maat en de geboden van de alliteratie.
De zeeschuimers, de overwinning van Koning Gise ziend, begonnen inderhaast al de uit de wagens geworpen schatten weder op te laden en de deerntjes legden onder leiding der drie koks de kazen weder op stapels zoo netjes, als men ze op de markt te Alkmeer aan ’t meer Flevo niet schooner en sierlijker gestapeld zou kunnen zien.
Tijdens deze bedreven was er op den eik waar Koning Mise en zijn drie dichters zich tegen den aanval van Fridbold verdedigden, wat vreeselijks gebeurd. Mise en zijn[92]drie dichters, wijkend voor Fridbold, waren steeds hooger in den eik geklommen. Maar boven in den boom werden de takken fijner en dunner en ten laatste konden zij niet verder, zonder gevaar te loopen, dat de takken zouden breken en zij naar beneden zouden storten. Nu eerst leerden zij de voordeelen van de magere keuken huns heers waardeeren, want indien zij zoo verachtelijk dik waren geweest als de drie koks van Koning Gise, zouden zij zeker reeds veel vroeger uit den boom zijn gestort. Thans echter werden zij door hun licht gewicht gered, want Sigbold, hun steeds volgend, bedacht niet, dat dezelfde tak, die den mageren Koning en zijn magerder dichters nog droeg, zijn gewicht niet kon torschen. Zoo dan brak een tak boven in den top, de rooverhoofdman viel naar beneden en van tak op tak stortend, greep hij zich ten laatste eerst aan den ondersten vast en zeker zou hij zijn leven gered hebben, ware het niet, dat juist op dezen tak Koning Mise een deel van zijn gevoegsel had achtergelaten. De gladheid maakte den rooverhoofdman ’t onmogelijk zich vast te klemmen met zijn handen, die losgleden en met den kreet: „Verrader!” stortte hij nu op den grond en bleef dood liggen in een hoop drek.
Dat was het einde van Fridbold, den rooverhoofdman, eens gevreesd als woudkoning, thans verlaten en ellendig, roemloos gestorven, overwonnen niet door den saks of de speer of den aakst maar door verradelijk gevoegsel.
Toen nu Koning Gise bij het lijk stond en er geen gevaar meer te duchten was, kwam Koning Mise langzaam naar beneden gekropen, gevolgd door zijn drie dichters.
„Hoe heb ik dien neergeveld?” vroeg Koning Mise, de slip van zijn grauw overkleed met een beweging niet zonder waardigheid, zoo om de heup slaande, dat een gele en kwalijk riekende vlek verborgen werd.
„Hebt di dat gedaan?” vroeg Koning Gise.
„Ik en mijn drie getrouwen.”[93]
Koning Gise keek naar den eik, langs welks stam Pill, Pimm en Pinn zich onder elkaar langzaam lieten afglijden. Doch minder gevat dan hun heer en vreezend, dat nu de gerechte wraak hun zou treffen, begonnen zij, zoodra zij den voet op den vasten grond hadden, met zulk een vaart weg te rennen, dat zij zelfs den terugroep van Koning Gise niet hoorden, die in de meening, dat zij degevluchteroovers wilden achtervolgen, hun van het overbodige dezer heldhaftige poging meende te moeten overtuigen, door de verzekering, dat de roovers reeds te ver weg waren.
Het was onderwijl laat geworden en na de veelbewogen stonden had Koning Gise honger. Dankbaar voor de hulp die Koning Mise hem verleend had, noodigde hij deze aan zijn tafel uit, tevens echter zich er op beroemend, dat zijn drie koks een heldendicht zoudenmaken, zoo lang en zoo schoon, zuiver in de maat en rijk aan alliteratie, dat tot in het verre nageslacht gesproken zou worden van den heldhaftigen strijd van Koning Gise tegen den vervaarlijken roover Fridbold en zijn gezellen.
Pill, Pinn en Pimm, uit de verte bemerkend, dat de disschen aangerecht werden, slopen weder nader. Nu vernamen zij het kloekmoedig gedrag van Koning Gise en om niet voor de drie koks onder te doen, vroegen zij Koning Mise verlof een dierenfabel te mogen dichten op het manhaftig bedrijf van Koning Mise, den grooten held, die den gruwelijken roover Fridbold had in ’t zand doen bijten.
„In ’t zand?” vroeg Koning Mise en keek naar het lijk van den roover aan zijn voeten en diens nog altijd besmeerd aangezicht.
Dien avond eindigde vroolijk en Pill sprak ten slotte:
Wie snoerden lang de gordels toe,Tot redding kwam door kaka-toe?
Wie snoerden lang de gordels toe,
Tot redding kwam door kaka-toe?
[94]