[Inhoud]HOOFDSTUK XIII.Koning Solbert, die door vele boodschappers werd ingelicht, hoe groot de gisting was in zijn rijk, besloot zelf aan ’t hoofd van een schaar, Sogol en Harimona tegemoet te gaan om Sogol tot een zwaardgevecht te nooden. Maar eerst toen hij de schaar wilde vormen, ervoer hij hoe groot de invloed van den kroonpretendent was. Want de hertogen weigerden eensgezind op te komen. Daarentegen stroomden de arme vrijen toe, maar ook vele hoorigen, het gevaar van de gruwelijke straffen, die op ’t wegloopen gesteld waren, trotseerend, vluchtten van de gebieden, tot welks grond zij behoorden, en kwamen hun dienst aanbieden aan hun koning. Solbert deed toen door zijn herauten verkondigen, dat hij de hertogen wegens ontrouw en verraad bij het Groote Ding zou aanklagen en hun verbood, zich van hun haardsteden1te verwijderen. Daarentegen beloofde hij vrijdom aan elken hoorige, die zich trouw jegens den koning betoonde.Toen ontstond er groote verwarring in het land. Want de hoorigen vluchtten allen van de gronden, waarop zij behoorden naar de residentie en boden zich voor ’t leger van Solbert aan die, wel voorziende dat hij, wanneer hij er niet in slagen zou Sogol onschadelijk te maken voor hij het Nervische gebied had betreden, een oorlog zou te voeren hebben tegen de edelen van zijn eigen rijk, volgens zijn koningsrecht al de hoorigen vrij verklaarde en ze van wapens voorzag. Daar er echter niet genoeg kort- en langzwaarden aanwezig waren voor zoo’n groot leger,[172]want de wegen waren gevuld met dichte scharen hoorigen, die met vrouw en kinderen optrokken naar Waberloo, om hun vrijheid te verkrijgen, de hoorigen van de goederen aan de wegen onderwijl aansporend om mede op te trekken met hen, liet hij frammen, celten, saksen, goedendags, vuursteenbijlen, aaksten, slingers uitdeelen uit de arsenalen en toen er nog altijd te weinig wapens waren, stuurde hij de hoorigen naar zijn bosschen om knodsen te snijden.De hertogen op hun beurt vormden ook een leger. Wel waren zij aanzienlijk minder in aantal, maar zij rekenden op hun grootere bedrevenheid in den wapenhandel, hun lange slagzwaarden en hun paarden.Solbert trachtte in den korten tijd, die hem restte, zooveel mogelijk een ordelijk leger van de hoorigen te vormen. Hij stelde ze op in slagorde, regelde de afdeelingen naar de wapens, leerde ze de stormloopen, langzaam aan te vangen om niet bij aankomst aan de vijandelijke linie, amechtig te zijn. Nu eerst echter begon hij te begrijpen, waarom het grauw zoo hard door de heeren werd behandeld. Want hoewel zij voor de vrijheid, het hoogste goed, zouden strijden, was er onder hen geen eensgezindheid. Solbert had voor elke groep van vijftig, hoofdlieden aangesteld. Doch de hoorigen waren er niet toe te bewegen, de bevelen van deze hoofdlieden op te volgen, zeggend dat zij hun hooggeboren heeren niet waren ontloopen om zich onder ’t bevel van huns gelijken te stellen. De hoofdlieden daarentegen, overmoedig en opgeblazen, waren streng en harteloos en er ging geen dag voorbij of de afdeelingen vochten onder elkaar, sloegen hun hoofdmannen neer of de hoofdmannen straften hun onderhoorigen op dezelfde gruwelijke manier, die Solbert vroeger den heeren had verboden.De leeftocht werd karig. Hoewel er in Waberloo groote kuilen met graan waren, daar de wintertijd was aangebroken en Solbert altoos voorbereid was geweest op[173]aanvallen van vreemde stammen, nu in zoovele gouwen hongersnood heerschte, toch had Solbert er niet op gerekend, zulk een groot leger van schooiers te moeten onderhouden.De hoorigen nu, hun groote macht beseffend, stelden zich niet tevreden met de rantsoenen, hoewel zij op de goederen hunner heeren het nooit rijkelijker gehad hadden in den wintertijd, maar zij slopen ’s nachts naar de kuilen en voorraadschuren en stalen die leeg, bedronken zich aan de weggenomen meê en zongen spotliederen op de heeren.Zij hadden hun vrouwen en dochters vaak medegevoerd en de haastig opgeslagen tenten of hutten van twijgen met leem bestreken en spoedig ontstond er oneenigheid tusschen de mannen, die elkaars vrouwen tot echtbreuk dreven of jongelingen, die de maagden naar hun hutten sleepten, zeker van straffeloosheid.Koning Solbert, verontwaardigd en teleurgesteld, begon strenge straffen te stellen op ontucht en machtsmisbruik. Maar daar de vrijgelaten hoorigen wel wisten, dat de koning geen macht had om zijn straffen met geweld te doen uitvoeren, stoorden zij zich er niet aan en bespotten de straffen van den koning. Ook waren er velen onder de vrijgelatenen, die met elkaar er over spraken, dat zij niet alleen geen edelen maar ook geen koning noodig hadden. Zonder koning zouden zij eerst recht van hun vrijheid kunnen genieten en zij besloten stil te zijn, totdat de groote slag tegen de edelen geslagen was, dan na de overwinning ook hun koning te verdrijven en het land opnieuw te verdeelen onder de vrijgelatenen. Een Ding der oudsten zou het land besturen en recht spreken en voorts zou ieder siphoofd op zijn gebied onbeperkte rechten hebben.Verraders brachten die plannen aan koning Solbert over. Hij brak in woede uit, vervloekte zijn eigen bedrijf en begon een verlangen te gevoelen naar de vriendschap der edelen. Want wel waren zij gestreng geweest voor hun slaven en wèl hadden zij op hetDingde rechten van den[174]koning altoos trachten te beperken en hem hun wil op willen dringen, maar trouw waren ze geweest en nooit zouden zij beproefd hebben het koningschap aan te randen.De hertogen echter, die door boodschappers bericht ontvingen, dat koning Solbert een onderhoud met hen verlangden, vermoedden een krijgslist en lieten antwoorden, dat zij geen koning Solbert kenden maar alleen een koning Sogol, die elken dag verwacht werd en bij zijn aankomst door het Ding zou worden tot koning uitgeroepen.Solbert nu, ziende dat hij door de edelen voor goed verstooten was en op de vrijgelatenen geen invloed kon uitoefenen, peinsde er over zijn rijk te verlaten en ver, in ’t land der Galliërs, zich terug te trekken om daar vergeten te gaan leven. Maar hij dacht aan Harimona en zijn verlangen om de schoone, heilige vrouw te zien was zoo sterk, dat hij niet besluiten kon weg te trekken. Zooleefdehij dan in dagen vol onrust, hoofd van een bende vrijgelatenen, die elk oogenblik tot muiterij geneigd, hem alleen nog slechts tijdelijk een schijn van macht toestonden, omdat zij hem nog noodig hadden als aanvoerder in den aanstaanden strijd tegen de edelen. Maar zijn hart was al aan de zijde van degenen, die hij beoorlogen moest en hij zinde er op, de vrijgelatenen een smadelijken nederlaag te doen lijden, opdat zij opnieuw tot hoorigen zouden gemaakt worden, zoo zich wrekende wegens hun ondankbaarheid, ontrouw en verwatenheid.De hertogen onderwijl hadden zich gereed gemaakt voor den grooten slag. Zij hadden de aanvoerders der afdeelingen benoemd, rustingen en slagzwaarden in gereedheid gezet en de paarden geoefend.Doch het aantal der edelen was gering tegenover dat der vrijgelatenen en zij hadden zelfs geen dienstknechten, die de leeftocht-wagens zouden sturen en de nood-paarden gereed houden voor de strijders, wien ’t paard onder het lichaam werd gedood.[175]Toen kwam een edelvrouw, Vote genaamd, die vroeger tot de krijgsmaagden van koning Kundric behoord had, naar den Raad der Hertogen en bood zichzelve aan om een leeftocht-wagen te sturen, of een nood-paard gereed te houden.De hertogen beraadslaagden en zij kwamen op het denkbeeld de edelvrouwen allen op te roepen om hen te helpen in den strijd tegen het grauw onder aanvoering van koning Solbert. De edelvrouwen nu, allen verbitterd op koning Solbert, die haar van heur dienstmaagden had beroofd, zoodat zij met hare dochters moesten arbeiden als slavinnen, waren blijde, hun mans te kunnen bijstaan. Ook waren zij in heur hart den nieuwen koning, die met een heilige vrouw naderde toegedaan, wel beseffend, dat zij weder tot aanzien zouden geraken. De strijdmaagden, waarvan er nu velen getrouwd waren, begonnen zich weder in ’t paardrijden te oefenen en leerden ook de andere vrouwen het rijden en strijden te paard. Zoo dan was in korten tijd het leger van de edelen, dank zij het aanbod van vrouwe Vote, ruim verdriedubbeld en de edelen hadden nu wagenvoerders en noodpaarden.Maar hoewel het reeds was gaan vriezen, nog altijd kwamen Sogol en Harimona niet.De edelen begonnen ongerust te worden en enkele van de vroegere strijdmaagden zeiden te vreezen, dat Sogol en de heilige vrouw door de andere strijdmaagden van Kundric, die nog in het woud waren gebleven, misschien waren overrompeld en gedood of gevangen gehouden.Deze veronderstelling vond veel geloof toen Scandische zeelieden, teruggekomen van een reis naar het verre land en naar het land der Nerviërs getrokken om daar den winter door te brengen, daar de tocht naar het verre Scandia in den winter niet te volvoeren was en hun skigge na de groote reis te wrak waren om de winterstormen te kunnen doorstaan, verklaarden in het woud door niksen te zijn[176]vervolgd, die hun te lijf waren gegaan en die zij met zeer veel moeite waren ontkomen. Een van hen, de stuurman, die door een werpspies van een duivel in het vreemde land in ’t been was getroffen en daarom niet goed had kunnen loopen, was door de niksen achterhaald en weggesleept. Zij hadden hem vreeselijk hooren schreeuwen, maar hoe onvervaard ook anders, zij hadden tegen de niksen niet opgedurfd, wel wetend dat tegen bovenaardsche machten alle menschelijke kracht vergeefs was.Toen de edelen hun vertelden, dat het geen niksen waren in ’t bosch maar verwilderde krijgsvrouwen van koning Kundric, die daar huisden, waren de Scandiërs zeer beschaamd, gevlucht te zijn voor vrouwen. En om hun aanzien te herwinnen, vertelden zij veel van het vreemde land, waar zij gestreden hadden tegen zwarte duivels met vogelkoppen en met den reuzenzeeslang, die onder de kiel van hun skig doorduikend, zijn kop opstekend uit het water, zich dwars rondom hun skig had gewonden en toen had getracht het tot een bundel wrakhout samen te wringen.Toen hadden zij fluks den mast gekapt en die was met zooveel kracht op het dek gevallen, dat de zeeslang een rib had gekneusd en zich niet meer bewegen kon. Zij waren met bijlen toegesneld om den slang middendoor te hakken. Toen was de slang gaan spreken en had hun beloofd, dat zij voortaan ongehinderd naar het vreemde land zouden kunnen varen, wanneer zij hem loslieten en dat hij elke skig, waarop geen Scandiërs voeren, naar de diepte zou halen.Tegen dien prijs hadden zij den mast weder opgelicht en de zeeslang had zich langzaam losgewonden en was in de diepte van de wereldzee verdwenen.Maar de edelen geloofden hun wonderverhalen niet en bespotten hen, dat zij, als Scandische zeelieden, die altoos in het vreemde land en in de wereldzee heetten met[177]reuzendieren, zwarte duivels, draken en reuzen te kampen, aan den haal waren gegaan voor een troepje naakte boschwijven.Toen vereenigden de twaalf Scandische matrozen zich en trokken opnieuw naar het gevaarlijke woud, de messen scherp gewet in de gordels en vastbesloten, ter wille van hun eer, de boschwijven op te gaan vangen en ze als gevangenen naar het Nervische gebied te brengen.[178]1De meening, dat de oude Germanen geen haardvuur kenden, deelt de schrijver, zooals de lezer reeds herhaaldelijk heeft kunnen merken, niet.↑
[Inhoud]HOOFDSTUK XIII.Koning Solbert, die door vele boodschappers werd ingelicht, hoe groot de gisting was in zijn rijk, besloot zelf aan ’t hoofd van een schaar, Sogol en Harimona tegemoet te gaan om Sogol tot een zwaardgevecht te nooden. Maar eerst toen hij de schaar wilde vormen, ervoer hij hoe groot de invloed van den kroonpretendent was. Want de hertogen weigerden eensgezind op te komen. Daarentegen stroomden de arme vrijen toe, maar ook vele hoorigen, het gevaar van de gruwelijke straffen, die op ’t wegloopen gesteld waren, trotseerend, vluchtten van de gebieden, tot welks grond zij behoorden, en kwamen hun dienst aanbieden aan hun koning. Solbert deed toen door zijn herauten verkondigen, dat hij de hertogen wegens ontrouw en verraad bij het Groote Ding zou aanklagen en hun verbood, zich van hun haardsteden1te verwijderen. Daarentegen beloofde hij vrijdom aan elken hoorige, die zich trouw jegens den koning betoonde.Toen ontstond er groote verwarring in het land. Want de hoorigen vluchtten allen van de gronden, waarop zij behoorden naar de residentie en boden zich voor ’t leger van Solbert aan die, wel voorziende dat hij, wanneer hij er niet in slagen zou Sogol onschadelijk te maken voor hij het Nervische gebied had betreden, een oorlog zou te voeren hebben tegen de edelen van zijn eigen rijk, volgens zijn koningsrecht al de hoorigen vrij verklaarde en ze van wapens voorzag. Daar er echter niet genoeg kort- en langzwaarden aanwezig waren voor zoo’n groot leger,[172]want de wegen waren gevuld met dichte scharen hoorigen, die met vrouw en kinderen optrokken naar Waberloo, om hun vrijheid te verkrijgen, de hoorigen van de goederen aan de wegen onderwijl aansporend om mede op te trekken met hen, liet hij frammen, celten, saksen, goedendags, vuursteenbijlen, aaksten, slingers uitdeelen uit de arsenalen en toen er nog altijd te weinig wapens waren, stuurde hij de hoorigen naar zijn bosschen om knodsen te snijden.De hertogen op hun beurt vormden ook een leger. Wel waren zij aanzienlijk minder in aantal, maar zij rekenden op hun grootere bedrevenheid in den wapenhandel, hun lange slagzwaarden en hun paarden.Solbert trachtte in den korten tijd, die hem restte, zooveel mogelijk een ordelijk leger van de hoorigen te vormen. Hij stelde ze op in slagorde, regelde de afdeelingen naar de wapens, leerde ze de stormloopen, langzaam aan te vangen om niet bij aankomst aan de vijandelijke linie, amechtig te zijn. Nu eerst echter begon hij te begrijpen, waarom het grauw zoo hard door de heeren werd behandeld. Want hoewel zij voor de vrijheid, het hoogste goed, zouden strijden, was er onder hen geen eensgezindheid. Solbert had voor elke groep van vijftig, hoofdlieden aangesteld. Doch de hoorigen waren er niet toe te bewegen, de bevelen van deze hoofdlieden op te volgen, zeggend dat zij hun hooggeboren heeren niet waren ontloopen om zich onder ’t bevel van huns gelijken te stellen. De hoofdlieden daarentegen, overmoedig en opgeblazen, waren streng en harteloos en er ging geen dag voorbij of de afdeelingen vochten onder elkaar, sloegen hun hoofdmannen neer of de hoofdmannen straften hun onderhoorigen op dezelfde gruwelijke manier, die Solbert vroeger den heeren had verboden.De leeftocht werd karig. Hoewel er in Waberloo groote kuilen met graan waren, daar de wintertijd was aangebroken en Solbert altoos voorbereid was geweest op[173]aanvallen van vreemde stammen, nu in zoovele gouwen hongersnood heerschte, toch had Solbert er niet op gerekend, zulk een groot leger van schooiers te moeten onderhouden.De hoorigen nu, hun groote macht beseffend, stelden zich niet tevreden met de rantsoenen, hoewel zij op de goederen hunner heeren het nooit rijkelijker gehad hadden in den wintertijd, maar zij slopen ’s nachts naar de kuilen en voorraadschuren en stalen die leeg, bedronken zich aan de weggenomen meê en zongen spotliederen op de heeren.Zij hadden hun vrouwen en dochters vaak medegevoerd en de haastig opgeslagen tenten of hutten van twijgen met leem bestreken en spoedig ontstond er oneenigheid tusschen de mannen, die elkaars vrouwen tot echtbreuk dreven of jongelingen, die de maagden naar hun hutten sleepten, zeker van straffeloosheid.Koning Solbert, verontwaardigd en teleurgesteld, begon strenge straffen te stellen op ontucht en machtsmisbruik. Maar daar de vrijgelaten hoorigen wel wisten, dat de koning geen macht had om zijn straffen met geweld te doen uitvoeren, stoorden zij zich er niet aan en bespotten de straffen van den koning. Ook waren er velen onder de vrijgelatenen, die met elkaar er over spraken, dat zij niet alleen geen edelen maar ook geen koning noodig hadden. Zonder koning zouden zij eerst recht van hun vrijheid kunnen genieten en zij besloten stil te zijn, totdat de groote slag tegen de edelen geslagen was, dan na de overwinning ook hun koning te verdrijven en het land opnieuw te verdeelen onder de vrijgelatenen. Een Ding der oudsten zou het land besturen en recht spreken en voorts zou ieder siphoofd op zijn gebied onbeperkte rechten hebben.Verraders brachten die plannen aan koning Solbert over. Hij brak in woede uit, vervloekte zijn eigen bedrijf en begon een verlangen te gevoelen naar de vriendschap der edelen. Want wel waren zij gestreng geweest voor hun slaven en wèl hadden zij op hetDingde rechten van den[174]koning altoos trachten te beperken en hem hun wil op willen dringen, maar trouw waren ze geweest en nooit zouden zij beproefd hebben het koningschap aan te randen.De hertogen echter, die door boodschappers bericht ontvingen, dat koning Solbert een onderhoud met hen verlangden, vermoedden een krijgslist en lieten antwoorden, dat zij geen koning Solbert kenden maar alleen een koning Sogol, die elken dag verwacht werd en bij zijn aankomst door het Ding zou worden tot koning uitgeroepen.Solbert nu, ziende dat hij door de edelen voor goed verstooten was en op de vrijgelatenen geen invloed kon uitoefenen, peinsde er over zijn rijk te verlaten en ver, in ’t land der Galliërs, zich terug te trekken om daar vergeten te gaan leven. Maar hij dacht aan Harimona en zijn verlangen om de schoone, heilige vrouw te zien was zoo sterk, dat hij niet besluiten kon weg te trekken. Zooleefdehij dan in dagen vol onrust, hoofd van een bende vrijgelatenen, die elk oogenblik tot muiterij geneigd, hem alleen nog slechts tijdelijk een schijn van macht toestonden, omdat zij hem nog noodig hadden als aanvoerder in den aanstaanden strijd tegen de edelen. Maar zijn hart was al aan de zijde van degenen, die hij beoorlogen moest en hij zinde er op, de vrijgelatenen een smadelijken nederlaag te doen lijden, opdat zij opnieuw tot hoorigen zouden gemaakt worden, zoo zich wrekende wegens hun ondankbaarheid, ontrouw en verwatenheid.De hertogen onderwijl hadden zich gereed gemaakt voor den grooten slag. Zij hadden de aanvoerders der afdeelingen benoemd, rustingen en slagzwaarden in gereedheid gezet en de paarden geoefend.Doch het aantal der edelen was gering tegenover dat der vrijgelatenen en zij hadden zelfs geen dienstknechten, die de leeftocht-wagens zouden sturen en de nood-paarden gereed houden voor de strijders, wien ’t paard onder het lichaam werd gedood.[175]Toen kwam een edelvrouw, Vote genaamd, die vroeger tot de krijgsmaagden van koning Kundric behoord had, naar den Raad der Hertogen en bood zichzelve aan om een leeftocht-wagen te sturen, of een nood-paard gereed te houden.De hertogen beraadslaagden en zij kwamen op het denkbeeld de edelvrouwen allen op te roepen om hen te helpen in den strijd tegen het grauw onder aanvoering van koning Solbert. De edelvrouwen nu, allen verbitterd op koning Solbert, die haar van heur dienstmaagden had beroofd, zoodat zij met hare dochters moesten arbeiden als slavinnen, waren blijde, hun mans te kunnen bijstaan. Ook waren zij in heur hart den nieuwen koning, die met een heilige vrouw naderde toegedaan, wel beseffend, dat zij weder tot aanzien zouden geraken. De strijdmaagden, waarvan er nu velen getrouwd waren, begonnen zich weder in ’t paardrijden te oefenen en leerden ook de andere vrouwen het rijden en strijden te paard. Zoo dan was in korten tijd het leger van de edelen, dank zij het aanbod van vrouwe Vote, ruim verdriedubbeld en de edelen hadden nu wagenvoerders en noodpaarden.Maar hoewel het reeds was gaan vriezen, nog altijd kwamen Sogol en Harimona niet.De edelen begonnen ongerust te worden en enkele van de vroegere strijdmaagden zeiden te vreezen, dat Sogol en de heilige vrouw door de andere strijdmaagden van Kundric, die nog in het woud waren gebleven, misschien waren overrompeld en gedood of gevangen gehouden.Deze veronderstelling vond veel geloof toen Scandische zeelieden, teruggekomen van een reis naar het verre land en naar het land der Nerviërs getrokken om daar den winter door te brengen, daar de tocht naar het verre Scandia in den winter niet te volvoeren was en hun skigge na de groote reis te wrak waren om de winterstormen te kunnen doorstaan, verklaarden in het woud door niksen te zijn[176]vervolgd, die hun te lijf waren gegaan en die zij met zeer veel moeite waren ontkomen. Een van hen, de stuurman, die door een werpspies van een duivel in het vreemde land in ’t been was getroffen en daarom niet goed had kunnen loopen, was door de niksen achterhaald en weggesleept. Zij hadden hem vreeselijk hooren schreeuwen, maar hoe onvervaard ook anders, zij hadden tegen de niksen niet opgedurfd, wel wetend dat tegen bovenaardsche machten alle menschelijke kracht vergeefs was.Toen de edelen hun vertelden, dat het geen niksen waren in ’t bosch maar verwilderde krijgsvrouwen van koning Kundric, die daar huisden, waren de Scandiërs zeer beschaamd, gevlucht te zijn voor vrouwen. En om hun aanzien te herwinnen, vertelden zij veel van het vreemde land, waar zij gestreden hadden tegen zwarte duivels met vogelkoppen en met den reuzenzeeslang, die onder de kiel van hun skig doorduikend, zijn kop opstekend uit het water, zich dwars rondom hun skig had gewonden en toen had getracht het tot een bundel wrakhout samen te wringen.Toen hadden zij fluks den mast gekapt en die was met zooveel kracht op het dek gevallen, dat de zeeslang een rib had gekneusd en zich niet meer bewegen kon. Zij waren met bijlen toegesneld om den slang middendoor te hakken. Toen was de slang gaan spreken en had hun beloofd, dat zij voortaan ongehinderd naar het vreemde land zouden kunnen varen, wanneer zij hem loslieten en dat hij elke skig, waarop geen Scandiërs voeren, naar de diepte zou halen.Tegen dien prijs hadden zij den mast weder opgelicht en de zeeslang had zich langzaam losgewonden en was in de diepte van de wereldzee verdwenen.Maar de edelen geloofden hun wonderverhalen niet en bespotten hen, dat zij, als Scandische zeelieden, die altoos in het vreemde land en in de wereldzee heetten met[177]reuzendieren, zwarte duivels, draken en reuzen te kampen, aan den haal waren gegaan voor een troepje naakte boschwijven.Toen vereenigden de twaalf Scandische matrozen zich en trokken opnieuw naar het gevaarlijke woud, de messen scherp gewet in de gordels en vastbesloten, ter wille van hun eer, de boschwijven op te gaan vangen en ze als gevangenen naar het Nervische gebied te brengen.[178]1De meening, dat de oude Germanen geen haardvuur kenden, deelt de schrijver, zooals de lezer reeds herhaaldelijk heeft kunnen merken, niet.↑
[Inhoud]HOOFDSTUK XIII.Koning Solbert, die door vele boodschappers werd ingelicht, hoe groot de gisting was in zijn rijk, besloot zelf aan ’t hoofd van een schaar, Sogol en Harimona tegemoet te gaan om Sogol tot een zwaardgevecht te nooden. Maar eerst toen hij de schaar wilde vormen, ervoer hij hoe groot de invloed van den kroonpretendent was. Want de hertogen weigerden eensgezind op te komen. Daarentegen stroomden de arme vrijen toe, maar ook vele hoorigen, het gevaar van de gruwelijke straffen, die op ’t wegloopen gesteld waren, trotseerend, vluchtten van de gebieden, tot welks grond zij behoorden, en kwamen hun dienst aanbieden aan hun koning. Solbert deed toen door zijn herauten verkondigen, dat hij de hertogen wegens ontrouw en verraad bij het Groote Ding zou aanklagen en hun verbood, zich van hun haardsteden1te verwijderen. Daarentegen beloofde hij vrijdom aan elken hoorige, die zich trouw jegens den koning betoonde.Toen ontstond er groote verwarring in het land. Want de hoorigen vluchtten allen van de gronden, waarop zij behoorden naar de residentie en boden zich voor ’t leger van Solbert aan die, wel voorziende dat hij, wanneer hij er niet in slagen zou Sogol onschadelijk te maken voor hij het Nervische gebied had betreden, een oorlog zou te voeren hebben tegen de edelen van zijn eigen rijk, volgens zijn koningsrecht al de hoorigen vrij verklaarde en ze van wapens voorzag. Daar er echter niet genoeg kort- en langzwaarden aanwezig waren voor zoo’n groot leger,[172]want de wegen waren gevuld met dichte scharen hoorigen, die met vrouw en kinderen optrokken naar Waberloo, om hun vrijheid te verkrijgen, de hoorigen van de goederen aan de wegen onderwijl aansporend om mede op te trekken met hen, liet hij frammen, celten, saksen, goedendags, vuursteenbijlen, aaksten, slingers uitdeelen uit de arsenalen en toen er nog altijd te weinig wapens waren, stuurde hij de hoorigen naar zijn bosschen om knodsen te snijden.De hertogen op hun beurt vormden ook een leger. Wel waren zij aanzienlijk minder in aantal, maar zij rekenden op hun grootere bedrevenheid in den wapenhandel, hun lange slagzwaarden en hun paarden.Solbert trachtte in den korten tijd, die hem restte, zooveel mogelijk een ordelijk leger van de hoorigen te vormen. Hij stelde ze op in slagorde, regelde de afdeelingen naar de wapens, leerde ze de stormloopen, langzaam aan te vangen om niet bij aankomst aan de vijandelijke linie, amechtig te zijn. Nu eerst echter begon hij te begrijpen, waarom het grauw zoo hard door de heeren werd behandeld. Want hoewel zij voor de vrijheid, het hoogste goed, zouden strijden, was er onder hen geen eensgezindheid. Solbert had voor elke groep van vijftig, hoofdlieden aangesteld. Doch de hoorigen waren er niet toe te bewegen, de bevelen van deze hoofdlieden op te volgen, zeggend dat zij hun hooggeboren heeren niet waren ontloopen om zich onder ’t bevel van huns gelijken te stellen. De hoofdlieden daarentegen, overmoedig en opgeblazen, waren streng en harteloos en er ging geen dag voorbij of de afdeelingen vochten onder elkaar, sloegen hun hoofdmannen neer of de hoofdmannen straften hun onderhoorigen op dezelfde gruwelijke manier, die Solbert vroeger den heeren had verboden.De leeftocht werd karig. Hoewel er in Waberloo groote kuilen met graan waren, daar de wintertijd was aangebroken en Solbert altoos voorbereid was geweest op[173]aanvallen van vreemde stammen, nu in zoovele gouwen hongersnood heerschte, toch had Solbert er niet op gerekend, zulk een groot leger van schooiers te moeten onderhouden.De hoorigen nu, hun groote macht beseffend, stelden zich niet tevreden met de rantsoenen, hoewel zij op de goederen hunner heeren het nooit rijkelijker gehad hadden in den wintertijd, maar zij slopen ’s nachts naar de kuilen en voorraadschuren en stalen die leeg, bedronken zich aan de weggenomen meê en zongen spotliederen op de heeren.Zij hadden hun vrouwen en dochters vaak medegevoerd en de haastig opgeslagen tenten of hutten van twijgen met leem bestreken en spoedig ontstond er oneenigheid tusschen de mannen, die elkaars vrouwen tot echtbreuk dreven of jongelingen, die de maagden naar hun hutten sleepten, zeker van straffeloosheid.Koning Solbert, verontwaardigd en teleurgesteld, begon strenge straffen te stellen op ontucht en machtsmisbruik. Maar daar de vrijgelaten hoorigen wel wisten, dat de koning geen macht had om zijn straffen met geweld te doen uitvoeren, stoorden zij zich er niet aan en bespotten de straffen van den koning. Ook waren er velen onder de vrijgelatenen, die met elkaar er over spraken, dat zij niet alleen geen edelen maar ook geen koning noodig hadden. Zonder koning zouden zij eerst recht van hun vrijheid kunnen genieten en zij besloten stil te zijn, totdat de groote slag tegen de edelen geslagen was, dan na de overwinning ook hun koning te verdrijven en het land opnieuw te verdeelen onder de vrijgelatenen. Een Ding der oudsten zou het land besturen en recht spreken en voorts zou ieder siphoofd op zijn gebied onbeperkte rechten hebben.Verraders brachten die plannen aan koning Solbert over. Hij brak in woede uit, vervloekte zijn eigen bedrijf en begon een verlangen te gevoelen naar de vriendschap der edelen. Want wel waren zij gestreng geweest voor hun slaven en wèl hadden zij op hetDingde rechten van den[174]koning altoos trachten te beperken en hem hun wil op willen dringen, maar trouw waren ze geweest en nooit zouden zij beproefd hebben het koningschap aan te randen.De hertogen echter, die door boodschappers bericht ontvingen, dat koning Solbert een onderhoud met hen verlangden, vermoedden een krijgslist en lieten antwoorden, dat zij geen koning Solbert kenden maar alleen een koning Sogol, die elken dag verwacht werd en bij zijn aankomst door het Ding zou worden tot koning uitgeroepen.Solbert nu, ziende dat hij door de edelen voor goed verstooten was en op de vrijgelatenen geen invloed kon uitoefenen, peinsde er over zijn rijk te verlaten en ver, in ’t land der Galliërs, zich terug te trekken om daar vergeten te gaan leven. Maar hij dacht aan Harimona en zijn verlangen om de schoone, heilige vrouw te zien was zoo sterk, dat hij niet besluiten kon weg te trekken. Zooleefdehij dan in dagen vol onrust, hoofd van een bende vrijgelatenen, die elk oogenblik tot muiterij geneigd, hem alleen nog slechts tijdelijk een schijn van macht toestonden, omdat zij hem nog noodig hadden als aanvoerder in den aanstaanden strijd tegen de edelen. Maar zijn hart was al aan de zijde van degenen, die hij beoorlogen moest en hij zinde er op, de vrijgelatenen een smadelijken nederlaag te doen lijden, opdat zij opnieuw tot hoorigen zouden gemaakt worden, zoo zich wrekende wegens hun ondankbaarheid, ontrouw en verwatenheid.De hertogen onderwijl hadden zich gereed gemaakt voor den grooten slag. Zij hadden de aanvoerders der afdeelingen benoemd, rustingen en slagzwaarden in gereedheid gezet en de paarden geoefend.Doch het aantal der edelen was gering tegenover dat der vrijgelatenen en zij hadden zelfs geen dienstknechten, die de leeftocht-wagens zouden sturen en de nood-paarden gereed houden voor de strijders, wien ’t paard onder het lichaam werd gedood.[175]Toen kwam een edelvrouw, Vote genaamd, die vroeger tot de krijgsmaagden van koning Kundric behoord had, naar den Raad der Hertogen en bood zichzelve aan om een leeftocht-wagen te sturen, of een nood-paard gereed te houden.De hertogen beraadslaagden en zij kwamen op het denkbeeld de edelvrouwen allen op te roepen om hen te helpen in den strijd tegen het grauw onder aanvoering van koning Solbert. De edelvrouwen nu, allen verbitterd op koning Solbert, die haar van heur dienstmaagden had beroofd, zoodat zij met hare dochters moesten arbeiden als slavinnen, waren blijde, hun mans te kunnen bijstaan. Ook waren zij in heur hart den nieuwen koning, die met een heilige vrouw naderde toegedaan, wel beseffend, dat zij weder tot aanzien zouden geraken. De strijdmaagden, waarvan er nu velen getrouwd waren, begonnen zich weder in ’t paardrijden te oefenen en leerden ook de andere vrouwen het rijden en strijden te paard. Zoo dan was in korten tijd het leger van de edelen, dank zij het aanbod van vrouwe Vote, ruim verdriedubbeld en de edelen hadden nu wagenvoerders en noodpaarden.Maar hoewel het reeds was gaan vriezen, nog altijd kwamen Sogol en Harimona niet.De edelen begonnen ongerust te worden en enkele van de vroegere strijdmaagden zeiden te vreezen, dat Sogol en de heilige vrouw door de andere strijdmaagden van Kundric, die nog in het woud waren gebleven, misschien waren overrompeld en gedood of gevangen gehouden.Deze veronderstelling vond veel geloof toen Scandische zeelieden, teruggekomen van een reis naar het verre land en naar het land der Nerviërs getrokken om daar den winter door te brengen, daar de tocht naar het verre Scandia in den winter niet te volvoeren was en hun skigge na de groote reis te wrak waren om de winterstormen te kunnen doorstaan, verklaarden in het woud door niksen te zijn[176]vervolgd, die hun te lijf waren gegaan en die zij met zeer veel moeite waren ontkomen. Een van hen, de stuurman, die door een werpspies van een duivel in het vreemde land in ’t been was getroffen en daarom niet goed had kunnen loopen, was door de niksen achterhaald en weggesleept. Zij hadden hem vreeselijk hooren schreeuwen, maar hoe onvervaard ook anders, zij hadden tegen de niksen niet opgedurfd, wel wetend dat tegen bovenaardsche machten alle menschelijke kracht vergeefs was.Toen de edelen hun vertelden, dat het geen niksen waren in ’t bosch maar verwilderde krijgsvrouwen van koning Kundric, die daar huisden, waren de Scandiërs zeer beschaamd, gevlucht te zijn voor vrouwen. En om hun aanzien te herwinnen, vertelden zij veel van het vreemde land, waar zij gestreden hadden tegen zwarte duivels met vogelkoppen en met den reuzenzeeslang, die onder de kiel van hun skig doorduikend, zijn kop opstekend uit het water, zich dwars rondom hun skig had gewonden en toen had getracht het tot een bundel wrakhout samen te wringen.Toen hadden zij fluks den mast gekapt en die was met zooveel kracht op het dek gevallen, dat de zeeslang een rib had gekneusd en zich niet meer bewegen kon. Zij waren met bijlen toegesneld om den slang middendoor te hakken. Toen was de slang gaan spreken en had hun beloofd, dat zij voortaan ongehinderd naar het vreemde land zouden kunnen varen, wanneer zij hem loslieten en dat hij elke skig, waarop geen Scandiërs voeren, naar de diepte zou halen.Tegen dien prijs hadden zij den mast weder opgelicht en de zeeslang had zich langzaam losgewonden en was in de diepte van de wereldzee verdwenen.Maar de edelen geloofden hun wonderverhalen niet en bespotten hen, dat zij, als Scandische zeelieden, die altoos in het vreemde land en in de wereldzee heetten met[177]reuzendieren, zwarte duivels, draken en reuzen te kampen, aan den haal waren gegaan voor een troepje naakte boschwijven.Toen vereenigden de twaalf Scandische matrozen zich en trokken opnieuw naar het gevaarlijke woud, de messen scherp gewet in de gordels en vastbesloten, ter wille van hun eer, de boschwijven op te gaan vangen en ze als gevangenen naar het Nervische gebied te brengen.[178]1De meening, dat de oude Germanen geen haardvuur kenden, deelt de schrijver, zooals de lezer reeds herhaaldelijk heeft kunnen merken, niet.↑
[Inhoud]HOOFDSTUK XIII.Koning Solbert, die door vele boodschappers werd ingelicht, hoe groot de gisting was in zijn rijk, besloot zelf aan ’t hoofd van een schaar, Sogol en Harimona tegemoet te gaan om Sogol tot een zwaardgevecht te nooden. Maar eerst toen hij de schaar wilde vormen, ervoer hij hoe groot de invloed van den kroonpretendent was. Want de hertogen weigerden eensgezind op te komen. Daarentegen stroomden de arme vrijen toe, maar ook vele hoorigen, het gevaar van de gruwelijke straffen, die op ’t wegloopen gesteld waren, trotseerend, vluchtten van de gebieden, tot welks grond zij behoorden, en kwamen hun dienst aanbieden aan hun koning. Solbert deed toen door zijn herauten verkondigen, dat hij de hertogen wegens ontrouw en verraad bij het Groote Ding zou aanklagen en hun verbood, zich van hun haardsteden1te verwijderen. Daarentegen beloofde hij vrijdom aan elken hoorige, die zich trouw jegens den koning betoonde.Toen ontstond er groote verwarring in het land. Want de hoorigen vluchtten allen van de gronden, waarop zij behoorden naar de residentie en boden zich voor ’t leger van Solbert aan die, wel voorziende dat hij, wanneer hij er niet in slagen zou Sogol onschadelijk te maken voor hij het Nervische gebied had betreden, een oorlog zou te voeren hebben tegen de edelen van zijn eigen rijk, volgens zijn koningsrecht al de hoorigen vrij verklaarde en ze van wapens voorzag. Daar er echter niet genoeg kort- en langzwaarden aanwezig waren voor zoo’n groot leger,[172]want de wegen waren gevuld met dichte scharen hoorigen, die met vrouw en kinderen optrokken naar Waberloo, om hun vrijheid te verkrijgen, de hoorigen van de goederen aan de wegen onderwijl aansporend om mede op te trekken met hen, liet hij frammen, celten, saksen, goedendags, vuursteenbijlen, aaksten, slingers uitdeelen uit de arsenalen en toen er nog altijd te weinig wapens waren, stuurde hij de hoorigen naar zijn bosschen om knodsen te snijden.De hertogen op hun beurt vormden ook een leger. Wel waren zij aanzienlijk minder in aantal, maar zij rekenden op hun grootere bedrevenheid in den wapenhandel, hun lange slagzwaarden en hun paarden.Solbert trachtte in den korten tijd, die hem restte, zooveel mogelijk een ordelijk leger van de hoorigen te vormen. Hij stelde ze op in slagorde, regelde de afdeelingen naar de wapens, leerde ze de stormloopen, langzaam aan te vangen om niet bij aankomst aan de vijandelijke linie, amechtig te zijn. Nu eerst echter begon hij te begrijpen, waarom het grauw zoo hard door de heeren werd behandeld. Want hoewel zij voor de vrijheid, het hoogste goed, zouden strijden, was er onder hen geen eensgezindheid. Solbert had voor elke groep van vijftig, hoofdlieden aangesteld. Doch de hoorigen waren er niet toe te bewegen, de bevelen van deze hoofdlieden op te volgen, zeggend dat zij hun hooggeboren heeren niet waren ontloopen om zich onder ’t bevel van huns gelijken te stellen. De hoofdlieden daarentegen, overmoedig en opgeblazen, waren streng en harteloos en er ging geen dag voorbij of de afdeelingen vochten onder elkaar, sloegen hun hoofdmannen neer of de hoofdmannen straften hun onderhoorigen op dezelfde gruwelijke manier, die Solbert vroeger den heeren had verboden.De leeftocht werd karig. Hoewel er in Waberloo groote kuilen met graan waren, daar de wintertijd was aangebroken en Solbert altoos voorbereid was geweest op[173]aanvallen van vreemde stammen, nu in zoovele gouwen hongersnood heerschte, toch had Solbert er niet op gerekend, zulk een groot leger van schooiers te moeten onderhouden.De hoorigen nu, hun groote macht beseffend, stelden zich niet tevreden met de rantsoenen, hoewel zij op de goederen hunner heeren het nooit rijkelijker gehad hadden in den wintertijd, maar zij slopen ’s nachts naar de kuilen en voorraadschuren en stalen die leeg, bedronken zich aan de weggenomen meê en zongen spotliederen op de heeren.Zij hadden hun vrouwen en dochters vaak medegevoerd en de haastig opgeslagen tenten of hutten van twijgen met leem bestreken en spoedig ontstond er oneenigheid tusschen de mannen, die elkaars vrouwen tot echtbreuk dreven of jongelingen, die de maagden naar hun hutten sleepten, zeker van straffeloosheid.Koning Solbert, verontwaardigd en teleurgesteld, begon strenge straffen te stellen op ontucht en machtsmisbruik. Maar daar de vrijgelaten hoorigen wel wisten, dat de koning geen macht had om zijn straffen met geweld te doen uitvoeren, stoorden zij zich er niet aan en bespotten de straffen van den koning. Ook waren er velen onder de vrijgelatenen, die met elkaar er over spraken, dat zij niet alleen geen edelen maar ook geen koning noodig hadden. Zonder koning zouden zij eerst recht van hun vrijheid kunnen genieten en zij besloten stil te zijn, totdat de groote slag tegen de edelen geslagen was, dan na de overwinning ook hun koning te verdrijven en het land opnieuw te verdeelen onder de vrijgelatenen. Een Ding der oudsten zou het land besturen en recht spreken en voorts zou ieder siphoofd op zijn gebied onbeperkte rechten hebben.Verraders brachten die plannen aan koning Solbert over. Hij brak in woede uit, vervloekte zijn eigen bedrijf en begon een verlangen te gevoelen naar de vriendschap der edelen. Want wel waren zij gestreng geweest voor hun slaven en wèl hadden zij op hetDingde rechten van den[174]koning altoos trachten te beperken en hem hun wil op willen dringen, maar trouw waren ze geweest en nooit zouden zij beproefd hebben het koningschap aan te randen.De hertogen echter, die door boodschappers bericht ontvingen, dat koning Solbert een onderhoud met hen verlangden, vermoedden een krijgslist en lieten antwoorden, dat zij geen koning Solbert kenden maar alleen een koning Sogol, die elken dag verwacht werd en bij zijn aankomst door het Ding zou worden tot koning uitgeroepen.Solbert nu, ziende dat hij door de edelen voor goed verstooten was en op de vrijgelatenen geen invloed kon uitoefenen, peinsde er over zijn rijk te verlaten en ver, in ’t land der Galliërs, zich terug te trekken om daar vergeten te gaan leven. Maar hij dacht aan Harimona en zijn verlangen om de schoone, heilige vrouw te zien was zoo sterk, dat hij niet besluiten kon weg te trekken. Zooleefdehij dan in dagen vol onrust, hoofd van een bende vrijgelatenen, die elk oogenblik tot muiterij geneigd, hem alleen nog slechts tijdelijk een schijn van macht toestonden, omdat zij hem nog noodig hadden als aanvoerder in den aanstaanden strijd tegen de edelen. Maar zijn hart was al aan de zijde van degenen, die hij beoorlogen moest en hij zinde er op, de vrijgelatenen een smadelijken nederlaag te doen lijden, opdat zij opnieuw tot hoorigen zouden gemaakt worden, zoo zich wrekende wegens hun ondankbaarheid, ontrouw en verwatenheid.De hertogen onderwijl hadden zich gereed gemaakt voor den grooten slag. Zij hadden de aanvoerders der afdeelingen benoemd, rustingen en slagzwaarden in gereedheid gezet en de paarden geoefend.Doch het aantal der edelen was gering tegenover dat der vrijgelatenen en zij hadden zelfs geen dienstknechten, die de leeftocht-wagens zouden sturen en de nood-paarden gereed houden voor de strijders, wien ’t paard onder het lichaam werd gedood.[175]Toen kwam een edelvrouw, Vote genaamd, die vroeger tot de krijgsmaagden van koning Kundric behoord had, naar den Raad der Hertogen en bood zichzelve aan om een leeftocht-wagen te sturen, of een nood-paard gereed te houden.De hertogen beraadslaagden en zij kwamen op het denkbeeld de edelvrouwen allen op te roepen om hen te helpen in den strijd tegen het grauw onder aanvoering van koning Solbert. De edelvrouwen nu, allen verbitterd op koning Solbert, die haar van heur dienstmaagden had beroofd, zoodat zij met hare dochters moesten arbeiden als slavinnen, waren blijde, hun mans te kunnen bijstaan. Ook waren zij in heur hart den nieuwen koning, die met een heilige vrouw naderde toegedaan, wel beseffend, dat zij weder tot aanzien zouden geraken. De strijdmaagden, waarvan er nu velen getrouwd waren, begonnen zich weder in ’t paardrijden te oefenen en leerden ook de andere vrouwen het rijden en strijden te paard. Zoo dan was in korten tijd het leger van de edelen, dank zij het aanbod van vrouwe Vote, ruim verdriedubbeld en de edelen hadden nu wagenvoerders en noodpaarden.Maar hoewel het reeds was gaan vriezen, nog altijd kwamen Sogol en Harimona niet.De edelen begonnen ongerust te worden en enkele van de vroegere strijdmaagden zeiden te vreezen, dat Sogol en de heilige vrouw door de andere strijdmaagden van Kundric, die nog in het woud waren gebleven, misschien waren overrompeld en gedood of gevangen gehouden.Deze veronderstelling vond veel geloof toen Scandische zeelieden, teruggekomen van een reis naar het verre land en naar het land der Nerviërs getrokken om daar den winter door te brengen, daar de tocht naar het verre Scandia in den winter niet te volvoeren was en hun skigge na de groote reis te wrak waren om de winterstormen te kunnen doorstaan, verklaarden in het woud door niksen te zijn[176]vervolgd, die hun te lijf waren gegaan en die zij met zeer veel moeite waren ontkomen. Een van hen, de stuurman, die door een werpspies van een duivel in het vreemde land in ’t been was getroffen en daarom niet goed had kunnen loopen, was door de niksen achterhaald en weggesleept. Zij hadden hem vreeselijk hooren schreeuwen, maar hoe onvervaard ook anders, zij hadden tegen de niksen niet opgedurfd, wel wetend dat tegen bovenaardsche machten alle menschelijke kracht vergeefs was.Toen de edelen hun vertelden, dat het geen niksen waren in ’t bosch maar verwilderde krijgsvrouwen van koning Kundric, die daar huisden, waren de Scandiërs zeer beschaamd, gevlucht te zijn voor vrouwen. En om hun aanzien te herwinnen, vertelden zij veel van het vreemde land, waar zij gestreden hadden tegen zwarte duivels met vogelkoppen en met den reuzenzeeslang, die onder de kiel van hun skig doorduikend, zijn kop opstekend uit het water, zich dwars rondom hun skig had gewonden en toen had getracht het tot een bundel wrakhout samen te wringen.Toen hadden zij fluks den mast gekapt en die was met zooveel kracht op het dek gevallen, dat de zeeslang een rib had gekneusd en zich niet meer bewegen kon. Zij waren met bijlen toegesneld om den slang middendoor te hakken. Toen was de slang gaan spreken en had hun beloofd, dat zij voortaan ongehinderd naar het vreemde land zouden kunnen varen, wanneer zij hem loslieten en dat hij elke skig, waarop geen Scandiërs voeren, naar de diepte zou halen.Tegen dien prijs hadden zij den mast weder opgelicht en de zeeslang had zich langzaam losgewonden en was in de diepte van de wereldzee verdwenen.Maar de edelen geloofden hun wonderverhalen niet en bespotten hen, dat zij, als Scandische zeelieden, die altoos in het vreemde land en in de wereldzee heetten met[177]reuzendieren, zwarte duivels, draken en reuzen te kampen, aan den haal waren gegaan voor een troepje naakte boschwijven.Toen vereenigden de twaalf Scandische matrozen zich en trokken opnieuw naar het gevaarlijke woud, de messen scherp gewet in de gordels en vastbesloten, ter wille van hun eer, de boschwijven op te gaan vangen en ze als gevangenen naar het Nervische gebied te brengen.[178]1De meening, dat de oude Germanen geen haardvuur kenden, deelt de schrijver, zooals de lezer reeds herhaaldelijk heeft kunnen merken, niet.↑
HOOFDSTUK XIII.
Koning Solbert, die door vele boodschappers werd ingelicht, hoe groot de gisting was in zijn rijk, besloot zelf aan ’t hoofd van een schaar, Sogol en Harimona tegemoet te gaan om Sogol tot een zwaardgevecht te nooden. Maar eerst toen hij de schaar wilde vormen, ervoer hij hoe groot de invloed van den kroonpretendent was. Want de hertogen weigerden eensgezind op te komen. Daarentegen stroomden de arme vrijen toe, maar ook vele hoorigen, het gevaar van de gruwelijke straffen, die op ’t wegloopen gesteld waren, trotseerend, vluchtten van de gebieden, tot welks grond zij behoorden, en kwamen hun dienst aanbieden aan hun koning. Solbert deed toen door zijn herauten verkondigen, dat hij de hertogen wegens ontrouw en verraad bij het Groote Ding zou aanklagen en hun verbood, zich van hun haardsteden1te verwijderen. Daarentegen beloofde hij vrijdom aan elken hoorige, die zich trouw jegens den koning betoonde.Toen ontstond er groote verwarring in het land. Want de hoorigen vluchtten allen van de gronden, waarop zij behoorden naar de residentie en boden zich voor ’t leger van Solbert aan die, wel voorziende dat hij, wanneer hij er niet in slagen zou Sogol onschadelijk te maken voor hij het Nervische gebied had betreden, een oorlog zou te voeren hebben tegen de edelen van zijn eigen rijk, volgens zijn koningsrecht al de hoorigen vrij verklaarde en ze van wapens voorzag. Daar er echter niet genoeg kort- en langzwaarden aanwezig waren voor zoo’n groot leger,[172]want de wegen waren gevuld met dichte scharen hoorigen, die met vrouw en kinderen optrokken naar Waberloo, om hun vrijheid te verkrijgen, de hoorigen van de goederen aan de wegen onderwijl aansporend om mede op te trekken met hen, liet hij frammen, celten, saksen, goedendags, vuursteenbijlen, aaksten, slingers uitdeelen uit de arsenalen en toen er nog altijd te weinig wapens waren, stuurde hij de hoorigen naar zijn bosschen om knodsen te snijden.De hertogen op hun beurt vormden ook een leger. Wel waren zij aanzienlijk minder in aantal, maar zij rekenden op hun grootere bedrevenheid in den wapenhandel, hun lange slagzwaarden en hun paarden.Solbert trachtte in den korten tijd, die hem restte, zooveel mogelijk een ordelijk leger van de hoorigen te vormen. Hij stelde ze op in slagorde, regelde de afdeelingen naar de wapens, leerde ze de stormloopen, langzaam aan te vangen om niet bij aankomst aan de vijandelijke linie, amechtig te zijn. Nu eerst echter begon hij te begrijpen, waarom het grauw zoo hard door de heeren werd behandeld. Want hoewel zij voor de vrijheid, het hoogste goed, zouden strijden, was er onder hen geen eensgezindheid. Solbert had voor elke groep van vijftig, hoofdlieden aangesteld. Doch de hoorigen waren er niet toe te bewegen, de bevelen van deze hoofdlieden op te volgen, zeggend dat zij hun hooggeboren heeren niet waren ontloopen om zich onder ’t bevel van huns gelijken te stellen. De hoofdlieden daarentegen, overmoedig en opgeblazen, waren streng en harteloos en er ging geen dag voorbij of de afdeelingen vochten onder elkaar, sloegen hun hoofdmannen neer of de hoofdmannen straften hun onderhoorigen op dezelfde gruwelijke manier, die Solbert vroeger den heeren had verboden.De leeftocht werd karig. Hoewel er in Waberloo groote kuilen met graan waren, daar de wintertijd was aangebroken en Solbert altoos voorbereid was geweest op[173]aanvallen van vreemde stammen, nu in zoovele gouwen hongersnood heerschte, toch had Solbert er niet op gerekend, zulk een groot leger van schooiers te moeten onderhouden.De hoorigen nu, hun groote macht beseffend, stelden zich niet tevreden met de rantsoenen, hoewel zij op de goederen hunner heeren het nooit rijkelijker gehad hadden in den wintertijd, maar zij slopen ’s nachts naar de kuilen en voorraadschuren en stalen die leeg, bedronken zich aan de weggenomen meê en zongen spotliederen op de heeren.Zij hadden hun vrouwen en dochters vaak medegevoerd en de haastig opgeslagen tenten of hutten van twijgen met leem bestreken en spoedig ontstond er oneenigheid tusschen de mannen, die elkaars vrouwen tot echtbreuk dreven of jongelingen, die de maagden naar hun hutten sleepten, zeker van straffeloosheid.Koning Solbert, verontwaardigd en teleurgesteld, begon strenge straffen te stellen op ontucht en machtsmisbruik. Maar daar de vrijgelaten hoorigen wel wisten, dat de koning geen macht had om zijn straffen met geweld te doen uitvoeren, stoorden zij zich er niet aan en bespotten de straffen van den koning. Ook waren er velen onder de vrijgelatenen, die met elkaar er over spraken, dat zij niet alleen geen edelen maar ook geen koning noodig hadden. Zonder koning zouden zij eerst recht van hun vrijheid kunnen genieten en zij besloten stil te zijn, totdat de groote slag tegen de edelen geslagen was, dan na de overwinning ook hun koning te verdrijven en het land opnieuw te verdeelen onder de vrijgelatenen. Een Ding der oudsten zou het land besturen en recht spreken en voorts zou ieder siphoofd op zijn gebied onbeperkte rechten hebben.Verraders brachten die plannen aan koning Solbert over. Hij brak in woede uit, vervloekte zijn eigen bedrijf en begon een verlangen te gevoelen naar de vriendschap der edelen. Want wel waren zij gestreng geweest voor hun slaven en wèl hadden zij op hetDingde rechten van den[174]koning altoos trachten te beperken en hem hun wil op willen dringen, maar trouw waren ze geweest en nooit zouden zij beproefd hebben het koningschap aan te randen.De hertogen echter, die door boodschappers bericht ontvingen, dat koning Solbert een onderhoud met hen verlangden, vermoedden een krijgslist en lieten antwoorden, dat zij geen koning Solbert kenden maar alleen een koning Sogol, die elken dag verwacht werd en bij zijn aankomst door het Ding zou worden tot koning uitgeroepen.Solbert nu, ziende dat hij door de edelen voor goed verstooten was en op de vrijgelatenen geen invloed kon uitoefenen, peinsde er over zijn rijk te verlaten en ver, in ’t land der Galliërs, zich terug te trekken om daar vergeten te gaan leven. Maar hij dacht aan Harimona en zijn verlangen om de schoone, heilige vrouw te zien was zoo sterk, dat hij niet besluiten kon weg te trekken. Zooleefdehij dan in dagen vol onrust, hoofd van een bende vrijgelatenen, die elk oogenblik tot muiterij geneigd, hem alleen nog slechts tijdelijk een schijn van macht toestonden, omdat zij hem nog noodig hadden als aanvoerder in den aanstaanden strijd tegen de edelen. Maar zijn hart was al aan de zijde van degenen, die hij beoorlogen moest en hij zinde er op, de vrijgelatenen een smadelijken nederlaag te doen lijden, opdat zij opnieuw tot hoorigen zouden gemaakt worden, zoo zich wrekende wegens hun ondankbaarheid, ontrouw en verwatenheid.De hertogen onderwijl hadden zich gereed gemaakt voor den grooten slag. Zij hadden de aanvoerders der afdeelingen benoemd, rustingen en slagzwaarden in gereedheid gezet en de paarden geoefend.Doch het aantal der edelen was gering tegenover dat der vrijgelatenen en zij hadden zelfs geen dienstknechten, die de leeftocht-wagens zouden sturen en de nood-paarden gereed houden voor de strijders, wien ’t paard onder het lichaam werd gedood.[175]Toen kwam een edelvrouw, Vote genaamd, die vroeger tot de krijgsmaagden van koning Kundric behoord had, naar den Raad der Hertogen en bood zichzelve aan om een leeftocht-wagen te sturen, of een nood-paard gereed te houden.De hertogen beraadslaagden en zij kwamen op het denkbeeld de edelvrouwen allen op te roepen om hen te helpen in den strijd tegen het grauw onder aanvoering van koning Solbert. De edelvrouwen nu, allen verbitterd op koning Solbert, die haar van heur dienstmaagden had beroofd, zoodat zij met hare dochters moesten arbeiden als slavinnen, waren blijde, hun mans te kunnen bijstaan. Ook waren zij in heur hart den nieuwen koning, die met een heilige vrouw naderde toegedaan, wel beseffend, dat zij weder tot aanzien zouden geraken. De strijdmaagden, waarvan er nu velen getrouwd waren, begonnen zich weder in ’t paardrijden te oefenen en leerden ook de andere vrouwen het rijden en strijden te paard. Zoo dan was in korten tijd het leger van de edelen, dank zij het aanbod van vrouwe Vote, ruim verdriedubbeld en de edelen hadden nu wagenvoerders en noodpaarden.Maar hoewel het reeds was gaan vriezen, nog altijd kwamen Sogol en Harimona niet.De edelen begonnen ongerust te worden en enkele van de vroegere strijdmaagden zeiden te vreezen, dat Sogol en de heilige vrouw door de andere strijdmaagden van Kundric, die nog in het woud waren gebleven, misschien waren overrompeld en gedood of gevangen gehouden.Deze veronderstelling vond veel geloof toen Scandische zeelieden, teruggekomen van een reis naar het verre land en naar het land der Nerviërs getrokken om daar den winter door te brengen, daar de tocht naar het verre Scandia in den winter niet te volvoeren was en hun skigge na de groote reis te wrak waren om de winterstormen te kunnen doorstaan, verklaarden in het woud door niksen te zijn[176]vervolgd, die hun te lijf waren gegaan en die zij met zeer veel moeite waren ontkomen. Een van hen, de stuurman, die door een werpspies van een duivel in het vreemde land in ’t been was getroffen en daarom niet goed had kunnen loopen, was door de niksen achterhaald en weggesleept. Zij hadden hem vreeselijk hooren schreeuwen, maar hoe onvervaard ook anders, zij hadden tegen de niksen niet opgedurfd, wel wetend dat tegen bovenaardsche machten alle menschelijke kracht vergeefs was.Toen de edelen hun vertelden, dat het geen niksen waren in ’t bosch maar verwilderde krijgsvrouwen van koning Kundric, die daar huisden, waren de Scandiërs zeer beschaamd, gevlucht te zijn voor vrouwen. En om hun aanzien te herwinnen, vertelden zij veel van het vreemde land, waar zij gestreden hadden tegen zwarte duivels met vogelkoppen en met den reuzenzeeslang, die onder de kiel van hun skig doorduikend, zijn kop opstekend uit het water, zich dwars rondom hun skig had gewonden en toen had getracht het tot een bundel wrakhout samen te wringen.Toen hadden zij fluks den mast gekapt en die was met zooveel kracht op het dek gevallen, dat de zeeslang een rib had gekneusd en zich niet meer bewegen kon. Zij waren met bijlen toegesneld om den slang middendoor te hakken. Toen was de slang gaan spreken en had hun beloofd, dat zij voortaan ongehinderd naar het vreemde land zouden kunnen varen, wanneer zij hem loslieten en dat hij elke skig, waarop geen Scandiërs voeren, naar de diepte zou halen.Tegen dien prijs hadden zij den mast weder opgelicht en de zeeslang had zich langzaam losgewonden en was in de diepte van de wereldzee verdwenen.Maar de edelen geloofden hun wonderverhalen niet en bespotten hen, dat zij, als Scandische zeelieden, die altoos in het vreemde land en in de wereldzee heetten met[177]reuzendieren, zwarte duivels, draken en reuzen te kampen, aan den haal waren gegaan voor een troepje naakte boschwijven.Toen vereenigden de twaalf Scandische matrozen zich en trokken opnieuw naar het gevaarlijke woud, de messen scherp gewet in de gordels en vastbesloten, ter wille van hun eer, de boschwijven op te gaan vangen en ze als gevangenen naar het Nervische gebied te brengen.[178]
Koning Solbert, die door vele boodschappers werd ingelicht, hoe groot de gisting was in zijn rijk, besloot zelf aan ’t hoofd van een schaar, Sogol en Harimona tegemoet te gaan om Sogol tot een zwaardgevecht te nooden. Maar eerst toen hij de schaar wilde vormen, ervoer hij hoe groot de invloed van den kroonpretendent was. Want de hertogen weigerden eensgezind op te komen. Daarentegen stroomden de arme vrijen toe, maar ook vele hoorigen, het gevaar van de gruwelijke straffen, die op ’t wegloopen gesteld waren, trotseerend, vluchtten van de gebieden, tot welks grond zij behoorden, en kwamen hun dienst aanbieden aan hun koning. Solbert deed toen door zijn herauten verkondigen, dat hij de hertogen wegens ontrouw en verraad bij het Groote Ding zou aanklagen en hun verbood, zich van hun haardsteden1te verwijderen. Daarentegen beloofde hij vrijdom aan elken hoorige, die zich trouw jegens den koning betoonde.
Toen ontstond er groote verwarring in het land. Want de hoorigen vluchtten allen van de gronden, waarop zij behoorden naar de residentie en boden zich voor ’t leger van Solbert aan die, wel voorziende dat hij, wanneer hij er niet in slagen zou Sogol onschadelijk te maken voor hij het Nervische gebied had betreden, een oorlog zou te voeren hebben tegen de edelen van zijn eigen rijk, volgens zijn koningsrecht al de hoorigen vrij verklaarde en ze van wapens voorzag. Daar er echter niet genoeg kort- en langzwaarden aanwezig waren voor zoo’n groot leger,[172]want de wegen waren gevuld met dichte scharen hoorigen, die met vrouw en kinderen optrokken naar Waberloo, om hun vrijheid te verkrijgen, de hoorigen van de goederen aan de wegen onderwijl aansporend om mede op te trekken met hen, liet hij frammen, celten, saksen, goedendags, vuursteenbijlen, aaksten, slingers uitdeelen uit de arsenalen en toen er nog altijd te weinig wapens waren, stuurde hij de hoorigen naar zijn bosschen om knodsen te snijden.
De hertogen op hun beurt vormden ook een leger. Wel waren zij aanzienlijk minder in aantal, maar zij rekenden op hun grootere bedrevenheid in den wapenhandel, hun lange slagzwaarden en hun paarden.
Solbert trachtte in den korten tijd, die hem restte, zooveel mogelijk een ordelijk leger van de hoorigen te vormen. Hij stelde ze op in slagorde, regelde de afdeelingen naar de wapens, leerde ze de stormloopen, langzaam aan te vangen om niet bij aankomst aan de vijandelijke linie, amechtig te zijn. Nu eerst echter begon hij te begrijpen, waarom het grauw zoo hard door de heeren werd behandeld. Want hoewel zij voor de vrijheid, het hoogste goed, zouden strijden, was er onder hen geen eensgezindheid. Solbert had voor elke groep van vijftig, hoofdlieden aangesteld. Doch de hoorigen waren er niet toe te bewegen, de bevelen van deze hoofdlieden op te volgen, zeggend dat zij hun hooggeboren heeren niet waren ontloopen om zich onder ’t bevel van huns gelijken te stellen. De hoofdlieden daarentegen, overmoedig en opgeblazen, waren streng en harteloos en er ging geen dag voorbij of de afdeelingen vochten onder elkaar, sloegen hun hoofdmannen neer of de hoofdmannen straften hun onderhoorigen op dezelfde gruwelijke manier, die Solbert vroeger den heeren had verboden.
De leeftocht werd karig. Hoewel er in Waberloo groote kuilen met graan waren, daar de wintertijd was aangebroken en Solbert altoos voorbereid was geweest op[173]aanvallen van vreemde stammen, nu in zoovele gouwen hongersnood heerschte, toch had Solbert er niet op gerekend, zulk een groot leger van schooiers te moeten onderhouden.
De hoorigen nu, hun groote macht beseffend, stelden zich niet tevreden met de rantsoenen, hoewel zij op de goederen hunner heeren het nooit rijkelijker gehad hadden in den wintertijd, maar zij slopen ’s nachts naar de kuilen en voorraadschuren en stalen die leeg, bedronken zich aan de weggenomen meê en zongen spotliederen op de heeren.
Zij hadden hun vrouwen en dochters vaak medegevoerd en de haastig opgeslagen tenten of hutten van twijgen met leem bestreken en spoedig ontstond er oneenigheid tusschen de mannen, die elkaars vrouwen tot echtbreuk dreven of jongelingen, die de maagden naar hun hutten sleepten, zeker van straffeloosheid.
Koning Solbert, verontwaardigd en teleurgesteld, begon strenge straffen te stellen op ontucht en machtsmisbruik. Maar daar de vrijgelaten hoorigen wel wisten, dat de koning geen macht had om zijn straffen met geweld te doen uitvoeren, stoorden zij zich er niet aan en bespotten de straffen van den koning. Ook waren er velen onder de vrijgelatenen, die met elkaar er over spraken, dat zij niet alleen geen edelen maar ook geen koning noodig hadden. Zonder koning zouden zij eerst recht van hun vrijheid kunnen genieten en zij besloten stil te zijn, totdat de groote slag tegen de edelen geslagen was, dan na de overwinning ook hun koning te verdrijven en het land opnieuw te verdeelen onder de vrijgelatenen. Een Ding der oudsten zou het land besturen en recht spreken en voorts zou ieder siphoofd op zijn gebied onbeperkte rechten hebben.
Verraders brachten die plannen aan koning Solbert over. Hij brak in woede uit, vervloekte zijn eigen bedrijf en begon een verlangen te gevoelen naar de vriendschap der edelen. Want wel waren zij gestreng geweest voor hun slaven en wèl hadden zij op hetDingde rechten van den[174]koning altoos trachten te beperken en hem hun wil op willen dringen, maar trouw waren ze geweest en nooit zouden zij beproefd hebben het koningschap aan te randen.
De hertogen echter, die door boodschappers bericht ontvingen, dat koning Solbert een onderhoud met hen verlangden, vermoedden een krijgslist en lieten antwoorden, dat zij geen koning Solbert kenden maar alleen een koning Sogol, die elken dag verwacht werd en bij zijn aankomst door het Ding zou worden tot koning uitgeroepen.
Solbert nu, ziende dat hij door de edelen voor goed verstooten was en op de vrijgelatenen geen invloed kon uitoefenen, peinsde er over zijn rijk te verlaten en ver, in ’t land der Galliërs, zich terug te trekken om daar vergeten te gaan leven. Maar hij dacht aan Harimona en zijn verlangen om de schoone, heilige vrouw te zien was zoo sterk, dat hij niet besluiten kon weg te trekken. Zooleefdehij dan in dagen vol onrust, hoofd van een bende vrijgelatenen, die elk oogenblik tot muiterij geneigd, hem alleen nog slechts tijdelijk een schijn van macht toestonden, omdat zij hem nog noodig hadden als aanvoerder in den aanstaanden strijd tegen de edelen. Maar zijn hart was al aan de zijde van degenen, die hij beoorlogen moest en hij zinde er op, de vrijgelatenen een smadelijken nederlaag te doen lijden, opdat zij opnieuw tot hoorigen zouden gemaakt worden, zoo zich wrekende wegens hun ondankbaarheid, ontrouw en verwatenheid.
De hertogen onderwijl hadden zich gereed gemaakt voor den grooten slag. Zij hadden de aanvoerders der afdeelingen benoemd, rustingen en slagzwaarden in gereedheid gezet en de paarden geoefend.
Doch het aantal der edelen was gering tegenover dat der vrijgelatenen en zij hadden zelfs geen dienstknechten, die de leeftocht-wagens zouden sturen en de nood-paarden gereed houden voor de strijders, wien ’t paard onder het lichaam werd gedood.[175]
Toen kwam een edelvrouw, Vote genaamd, die vroeger tot de krijgsmaagden van koning Kundric behoord had, naar den Raad der Hertogen en bood zichzelve aan om een leeftocht-wagen te sturen, of een nood-paard gereed te houden.
De hertogen beraadslaagden en zij kwamen op het denkbeeld de edelvrouwen allen op te roepen om hen te helpen in den strijd tegen het grauw onder aanvoering van koning Solbert. De edelvrouwen nu, allen verbitterd op koning Solbert, die haar van heur dienstmaagden had beroofd, zoodat zij met hare dochters moesten arbeiden als slavinnen, waren blijde, hun mans te kunnen bijstaan. Ook waren zij in heur hart den nieuwen koning, die met een heilige vrouw naderde toegedaan, wel beseffend, dat zij weder tot aanzien zouden geraken. De strijdmaagden, waarvan er nu velen getrouwd waren, begonnen zich weder in ’t paardrijden te oefenen en leerden ook de andere vrouwen het rijden en strijden te paard. Zoo dan was in korten tijd het leger van de edelen, dank zij het aanbod van vrouwe Vote, ruim verdriedubbeld en de edelen hadden nu wagenvoerders en noodpaarden.
Maar hoewel het reeds was gaan vriezen, nog altijd kwamen Sogol en Harimona niet.
De edelen begonnen ongerust te worden en enkele van de vroegere strijdmaagden zeiden te vreezen, dat Sogol en de heilige vrouw door de andere strijdmaagden van Kundric, die nog in het woud waren gebleven, misschien waren overrompeld en gedood of gevangen gehouden.
Deze veronderstelling vond veel geloof toen Scandische zeelieden, teruggekomen van een reis naar het verre land en naar het land der Nerviërs getrokken om daar den winter door te brengen, daar de tocht naar het verre Scandia in den winter niet te volvoeren was en hun skigge na de groote reis te wrak waren om de winterstormen te kunnen doorstaan, verklaarden in het woud door niksen te zijn[176]vervolgd, die hun te lijf waren gegaan en die zij met zeer veel moeite waren ontkomen. Een van hen, de stuurman, die door een werpspies van een duivel in het vreemde land in ’t been was getroffen en daarom niet goed had kunnen loopen, was door de niksen achterhaald en weggesleept. Zij hadden hem vreeselijk hooren schreeuwen, maar hoe onvervaard ook anders, zij hadden tegen de niksen niet opgedurfd, wel wetend dat tegen bovenaardsche machten alle menschelijke kracht vergeefs was.
Toen de edelen hun vertelden, dat het geen niksen waren in ’t bosch maar verwilderde krijgsvrouwen van koning Kundric, die daar huisden, waren de Scandiërs zeer beschaamd, gevlucht te zijn voor vrouwen. En om hun aanzien te herwinnen, vertelden zij veel van het vreemde land, waar zij gestreden hadden tegen zwarte duivels met vogelkoppen en met den reuzenzeeslang, die onder de kiel van hun skig doorduikend, zijn kop opstekend uit het water, zich dwars rondom hun skig had gewonden en toen had getracht het tot een bundel wrakhout samen te wringen.
Toen hadden zij fluks den mast gekapt en die was met zooveel kracht op het dek gevallen, dat de zeeslang een rib had gekneusd en zich niet meer bewegen kon. Zij waren met bijlen toegesneld om den slang middendoor te hakken. Toen was de slang gaan spreken en had hun beloofd, dat zij voortaan ongehinderd naar het vreemde land zouden kunnen varen, wanneer zij hem loslieten en dat hij elke skig, waarop geen Scandiërs voeren, naar de diepte zou halen.
Tegen dien prijs hadden zij den mast weder opgelicht en de zeeslang had zich langzaam losgewonden en was in de diepte van de wereldzee verdwenen.
Maar de edelen geloofden hun wonderverhalen niet en bespotten hen, dat zij, als Scandische zeelieden, die altoos in het vreemde land en in de wereldzee heetten met[177]reuzendieren, zwarte duivels, draken en reuzen te kampen, aan den haal waren gegaan voor een troepje naakte boschwijven.
Toen vereenigden de twaalf Scandische matrozen zich en trokken opnieuw naar het gevaarlijke woud, de messen scherp gewet in de gordels en vastbesloten, ter wille van hun eer, de boschwijven op te gaan vangen en ze als gevangenen naar het Nervische gebied te brengen.[178]
1De meening, dat de oude Germanen geen haardvuur kenden, deelt de schrijver, zooals de lezer reeds herhaaldelijk heeft kunnen merken, niet.↑
1De meening, dat de oude Germanen geen haardvuur kenden, deelt de schrijver, zooals de lezer reeds herhaaldelijk heeft kunnen merken, niet.↑
1De meening, dat de oude Germanen geen haardvuur kenden, deelt de schrijver, zooals de lezer reeds herhaaldelijk heeft kunnen merken, niet.↑
1De meening, dat de oude Germanen geen haardvuur kenden, deelt de schrijver, zooals de lezer reeds herhaaldelijk heeft kunnen merken, niet.↑