HOOFDSTUK XIV.

[Inhoud]HOOFDSTUK XIV.Midden in het bosch, aan de grens van het Nervische gebied, was Sogol ’s morgens ontwaakt, door een snijdende pijn in de polsen. Hij had gedroomd, dat een kobold hem met een zwaard de handen afsloeg.Toen hij ontwaakte bemerkte hij, dat hij in een donker vertrek was en dat zijn polsen en enkels gebonden waren met dunne, snijdende riemen.„Harimona!” riep hij.Zijn stem klonk hol en daaruit leidde hij af, dat hij zich in een gewelf bevond.„Haun!” riep hij, „Haun! Haun!”Maar hij kreeg geen antwoord. Hij trachtte zich nu op te richten, maar hij ervoer, dat hij ook met een riem, die om de bovenarmen liep, ruggelings aan den grond was bevestigd.Hij rukte even met zacht geweld om de kracht zijner boeien te meten. Ze waren zoo sterk, dat hij er niet aan behoefde te denken, ze stuk te trekken.Het was zwart duister om hem heen, zonder zelfs een schemer licht. Sogol begreep, dat hij gevangen genomen moest zijn tijdens zijn slaap; dat men hem geboeid had en dat Harimona en Haun eveneensòfgevangen òf verjaagd waren. Meer kon hij niet te weten komen. Het beste was zich kalm te houden en af te wachten. Voorloopig overtuigde hij zich ervan of hij nog ’t gebruik van al zijn ledematen had.Ja, zijnknieënkon hij nog buigen, zijn vingers bewegen en behalve het schrijnen van de striemen der riemen om zijn polsen, voelde hij geen pijn. Maar wel was zijn keel droog en had hij een grooten dorst. Doch[179]zijn eigen lichamelijke kwalen telde hij weinig. Waar was Harimona? Lag ze ook zoo als hij, vastgebonden en versmachtend in een donker hol? Hij wilde weer roepen maar bedacht zich. Waarom zijn bewakers te wekken? De wijze, waarop zij hem gevangen hadden genomen en hier gevangen gezet bewees voldoende, dat zij hem kwaad wilden. Wie waren zijn gevangennemers? En hoe hadden ze hem zoo kunnen binden, zonder dat hij ontwaakt was?Het zware, doezelige gevoel in zijn hoofd, de dorst gaven hem een aanwijzing. Hij moest zeker te voren door kruidendamp bedwelmd zijn geworden.Sogol bracht zijn hoofd wat naar voren en berook zijn naakte, harige borst. En hij herkende den geur van ’t ginneblad, dat ook op feestdagen gebrand wordt in de heilige hagen, waar de priesters en priesteressen zich er door laten verhitten en dan tot zinneloozen lust worden geprikkeld. Maar wie te veel van den rook van ’t geroosterde ginneblad opsnuift, verliest het bewustzijn en valt in een diepen slaap, waaruit men niet altoos ontwaakt.Hij was dus gevangen genomen òf door priesters of door vrouwen. Want mannen, zelfs de meest schunnige roover, zou een vijand niet op deze wijze onschadelijk maken.Maar hoe lang had hij geslapen? En waren zijn gevangennemers wellicht overtuigd geweest, dat hij den doodslaap wel slapen zou en hadden zij hem hier zoo gebonden, levend in een graf gelegd?Weer wildehijschreeuwen, maar zijn instinct hield hem ervan terug. Neen, hij moest voorloopig zwijgen en stil onderzoeken. Hij was nu al zoo ver, dat hij wist, waardoor hij bedwelmd was en iets kon vermoeden van de persoonlijkheid zijner vijanden. Een poosje lag hij stil om tot rust te komen. Zoo hier te blijven liggen en te sterven … was dat wel zoo vreeselijk? Die korte tijd van honger en dorst zou niet eeuwig duren. Maar wat dan?[180]Hij strekte zich lang en recht uit, als een die gestorven is en sloot de oogen, die vermoeid werden van in ’t duister zien en peinsde over den dood.Hier lag hij nu, onverwrikbaar vastgebonden, in een levend graf. Zou de dood nu werkelijk een verlossing zijn? Wanneer zijn levensgeest was geweken, zou dit lichaam, dat nu nog ademde, welks zwaarte hij nu nog voelde, dat zijn levenskracht verraadde door ’t kloppen van ’t hart, het zware bonzen van de slapen, het zweeten van ’t voorhoofd, hier dan liggen, een gevoelloos stuk dood vleesch, dat stinkend zou vergaan, weggevreten door wormen en maden, opgelost in een afzichtelijke brei, waarvan de grond de vochten zou opzuigen. Maar dan, langzamerhand was al ’t vleesch vergaan en zijn beenderen zouden bloot komen, uitdrogen en op een dag, wellicht na eeuwen zou door een toeval een voorbijganger zijn geraamte hier vinden, zooals hij daar ginds bij ’t onderaardsche meer de geraamten der reuzen had gevonden. En die levende zou naar zijn doodshoofd kijken en beschouwend staren naar dat bolle voorhoofd, waarachter de gedachten gewoeld hadden en die holle, zwarte oogkassen, waaruit zijn zielsbewegen door de glanzende oogen naar buiten geschenen had, maar ook hij zou voor het geheim staan van het zwijgende graf en de mond, die nu nog kon roepen en spreken, zou dan eenafgrijselijken, breeden grijnslach vertoonen met de witte tanden dreigend als in den bek van een dier. Zou daarmede dan alles gedaan zijn?…En als de beenderen verbrand werden en een hoopje asch in een urn lei of de asch werd verstrooid door de winden … was dan hij Sogol ook voorgoed verstrooid en niet weer te vinden uit den baaierd …?Of was daar dan werkelijk een ander leven, een leven buiten dit, dat niet gebonden was aan aardsche banden, niet vastgeketend kon worden gelijk dit lichaam nu, dat hij op dit oogenblik voelde als iets vreemds, als iets dat[181]niet van hem was, iets pijnlijks en wreeds dat hem vastbond aan een aardsch bestaan, een andere keten maar inderdaad gelijk aan de riemen, die hem nu vasthielden aan den rotsigen grond.Waar gingen de gedachten heen uit zijn hoofd?Die waren vrij en niet gebonden aan zijn lichaam. Want zie, nu lag hij hier toch vastgeriemd zoo, dat hij zich zelfs niet geheel kon oprichten en alles om hem heen was zwartdonker en hij hoorde geen geluid en wist niet waar hij was noch hoe hij hier gekomen was. En toch, in zijn hoofd, daar achter zijn voorhoofd, woelden gedachten en voorstellingen, plannen, overleggingen, berekeningen. Hij kon zich verbeelden vrij te zijn en te zweven uit dit donkere hol ver naar de vrijheid en hoog boven de landen, steeds hooger, hooger, gelijk een arend, die naar de zon vliegt … o nog hooger, nog hooger …Neen, neen, neen … hooger niet … daar in de blauwe luchten begon het groote geheim weder en daar vond zijn vrije geest die andere riemen, die hem vastsnoerden in een ander gewelf, dat maar schijnbaar vrij en helder en doorzichtig en licht was, doch inderdaad al even donker als dit hier, waaronder hij nu vastgebonden lag …En in dat andere gewelf zou de geest ook verpulveren in den baaierd, zooals zijn lichaam hier in dit zwarte hol.. wellicht, wellicht, wellicht, want iets ontzwond zijn lichaam dan toch en was niet door de riemen hier gebonden, die hij voelde schrijnen … En iets wellicht zou ook weer den geest ontzwinden, wanneer die zichoplostein de ruimte van het hemelgewelf zooals een brandoffer-geur, weggewaaid door den wind … en uit dien geest, zwevend in hoogere ruimte zou eens weder een fijnere geest opstijgen en uit dien weder een eeuwig, eeuwig, eeuwig, in gestadige fijnere, hoogere ontwikkeling, verrijzend steeds schooner uit zichzelf.Hij lag zoo in het donker te peinzen. Nu hoorde hij een dof, klotsend geluid alsof er ver een paard liep.… Hij[182]legde zijn oor op den bodem.… luisterde aandachtig met zijn scherp gehoor.… Dat was zijn paard.… hij herkende het aan ’t rhythme van ’t geklakkel der hoeven.…Maar de gedachte aan het geheim van den dood nam zoo zijn denken in beslag, dat hij niet zich bezighield met dat geluid, dat wellicht bevrijding kon beteekenen, maar bleef zweven met zijn gedachten in de ijle ruimten ver boven de aarde, waar de zielen konden zweven en zich van trap tot trap ontwikkelen tot hoogere volmaking.Maar weer hoorde hij ’t geklikkeklak der paardehoeven en nu ook een zacht hinniken.…Ja … wèl was het zijn paard … Zijn paard … zijn trouw, goed, groot paard, dat zijn meester misschien kwam zoeken …Zou het hem vinden? Had het besef er van, dat hij hier in nood verkeerde? Hoe dikwijls nu al, gedurende de lange reis van de Renigo naar Nervië, had hij in gepeinzen gekeken naar dien grooten kop van zijn paard. En ook vaak had hij getuurd in de groote bruine oogen, zich afvragend wat die wilden zeggen, van welke ziel zij de spiegel waren. En welke gedachten huisden achter dat zware, groote been tusschen de twee ooren. In den haag van Lagdûn waren witte paarden, die voor heilig werden gehouden en uit hun brieschen voorspelden er de priesters de toekomst. Wanneer de groote koningen en zelfs de hertogen gestorven waren, doodde men in sommige streken hun hengsten en verbrandde de lijken van de paarden tegelijk met die van hun heeren, opdat deze in ’t Walhalla hun lievelingsros weder zouden kunnen bestijgen. Hadden de dieren ook een ziel? Steeg hun ziel ook op na den dood, bevrijd van aardsche slaafschheid? Ging hun ziel ook van trap tot trap hooger in een voortdurende ontwikkeling de hoogste volmaking tegemoet?Wat was de ziel? Leefde zij zonder lichaam.… als een wind of als een geur of als een zonnestraal?1En wanneer de dieren allen een ziel hadden, was dan[183]na den dood de ziel van een laffen haas gelijk aan die van een moedigen ever? Of kwam de ziel van den haas, na diens dood tot hoogere volmaaktheid gekomen, in een hooger dier wonen, in een dier met grooteren moed en kracht?Sogol bleef even geheel gedachteloos liggen. Het was hem of hier, in deze donkere krocht, waar hij machteloos en eenzaam te versmachten lag, opeens het groote licht des levens opging.Hij voelde een grootsche, een alomvattende gedachte komen, maar weifelde om haar toe te laten in zijn hoofd.. Het was vrees en genot tegelijkertijd, dat wachten op de groote openbaring van zijn rede.… Wellicht … wellicht … wellicht.… o, hoe durfde hij die gedachte aan.… wellicht was de ziel van al wat leefde één wezen, maar zooals de lucht één ding was en toch elk levend wezen naar zijn aard en behoefte zijn deel van die lucht inademde, zoo kon dan ook elk een deel van die àl-ziel in zich omvatten en stervend zijn deel weer teruggeven, zooals de ademtocht teruggegeven werd.… Het heele leven zou niet anders dan één lange ademtocht zijn, ingehaald bij de geboorte en uitgezucht bij den dood.… De ziel van elk dier, ook het geringste, ware het een luis of een vlooi, was een gedeelte van dezelfde alziel van den mensch.… En het deel der alziel, dat heden in een luis leefde, zou na lange tijden van uit- en inademing, door verschillende trappen eindelijk den edelsten mensch kunnen bewonen. Daarna … ging dan dat zielsdeel voort in ontwikkeling zich vervolmakend, zou het den goden gaan bewonen? Was er dus waarheid in de sagen, die van de oude helden goden maakten?…2Begon dan de hemel reeds op aarde? En bij[184]het kleinste, minst ontwikkelde dier? Wat zou het minst ontwikkelde dier wel zijn?De slak? De oorworm? De oester? De zeester? Ja.…[185]bij de zeester zouden de levende dieren zeker aanvangen … zonder kop, zonder oogen, zonder schelp.… Hij had ze dikwijls op het Nervische strand gezien, als jongen ze wel ’s morgens gezocht na den vloed, als ze nog leefden en de vijf punten bewogen. Ze hadden ze in de zon gedroogd, hij en de andere knapen en ze aan een draad geregen en op de borst gedragen. Lag er bedoeling in den vorm van dit dier, dat bijna op een plant geleek? Een ster was de aanvang van alle leven.… O, mocht ik bevrijd worden … De ster zou mijn zinnebeeld zijn en op mijn wapenschild zal ik haar afbeelden.…Bevrijd zijn, bevrijd zijn! Hij keerde weer uit zijn gedachtenrijk terug als uit een droom. Maar de riemen om armen en beenen, die striemden zoodra hij zich bewoog, de zwarte donkerte om zich heen, nu hij de oogen weder opende, herinnerde hem smartelijk aan zijn vreeselijken toestand van de stonde.Weer hoorde hij buiten het brieschen van zijn paard en het scheen of het dichtbij met den voorhoef in den grond groef. Sogol bleef ingespannen luisteren.… O, als zijn paard werkelijk zooveel verstand had om een gat te graven en zijn meester licht en lucht toe te voeren…Zou in dien grooten kop, achter die goedige, bruine oogen zooveel besef huizen? Wellicht…waarom niet?Hoe reusachtig was de afstand niet tusschen de zeester en zijn paard…beiden toch dieren. Hoeveel malen moest de levensziel zich niet door sterven en wederopstand verreinen om den afstand af te leggen tusschen de hulpelooze zeester en het al zoo redelijke paard.…En het bleef graven.… Hij hoorde het telkens brieschen en dan weer woelde de hoef in den grond. Het geluid van ’t woelen kwam van rechts en klonk alsof een dor blad, door den wind opgejaagd, langs een drogen grond schoof.Als hij ’t eens riep.… Maar zijn stem zou zijn bewakers kunnen wekken.… Neen, zwijgen moest hij.… een instinct zeide hem, dat hij zwijgen moest.[186]Stil, zachtjes ademend, lag hij te luisteren naar het brieschen en het graven.… Ja.… het gat moest dieper worden.… want hij hoorde den woelenden hoef steeds, steeds duidelijker en het brieschen nu al heel dichtbij.… Nu kòn hij zich niet langer weerhouden en zachtjes floot hij sissend tusschen de tanden, zooals hij dat deed, wanneer hij zijn paard tot zich riep. Even was ’t doodstil. Nogmaals floot Sogol.… toen hoorde hij een klagelijk gehinnik.… Ja.… dat was Hadoe, zijn trouwe hengst.… Nogmaals floot hij.… twee, driemaal achtereen.… De hoef begon weder te woelen.… En nu kwam opeens een blauw straaltje licht naar binnen, dat een klein licht plekje sloeg onder tegen den zijwand ver van Sogol. Even moest hij zijn oogen wennen aan dat licht.… en tot zijn ontzetting zag hij nu, dat het scheen op het gelaat van een ander mensch, een die nog toe in verdooving lag of dood was.Zachtjes floot hij weder. Het gat werd grooter, nog grooter.… en daar kwam het blauwe daglicht binnen. Het was Sogol of het door dat gat, links van hem, zachtjes binnengegoten werd, als water uit een drinkkan. En snel flitste de gedachte door zijn hoofd of het licht misschien ook een soort water was, dat uit de zon over de aarde werd uitgegoten. Maar de gedachte hield hem niet langer bezig op dit oogenblik. Vrij wilde hij zijn, weer loopen langs de wegen onder het hooge, blauwe koepeldak en rondom gebaad in de winden, streelend om zijn naakt lichaam.O, indien hij zich maar naar het gat had kunnen sleepen, vanwaar het blauwe licht binnenstroomde en scheen in het holle gewelf zijner gevangenis uit te vloeien, verschaduwend in de hoeken alsof het nog geen kracht genoeg had om zooveel duister weg te dringen.Nu dorst hij te roepen. Het licht gaf hem geestkracht en vertrouwen en moed.„Kom dan Hadoe.… kom dan zoet beest.… zoek[187]dan, zoek dan dijn heer.… zúúúúúút.… zsúúúúúúút … dijn heer is hier.… kom.… kom.…”Sogol wachtte en keek even weder naar den anderen gevangene.… Hij schrikte.… daar, tegen den wand boven het lichaam van den onbekenden man, die daar lag, zag hij eenvisioen.… een onverklaarbaar wonderverschijnsel. Iemand.… een geest.… een ziel.… een god.… wie dan ook.… had met toovermacht daar tegen den muur een wonderschoon tafereel geteekend.…Met oogen, star van ontzetting, zag Sogol tegen den muur een boschje van hooge boomen, die wuifden in den wind en daaronder bewegende gestalten … met lange, loshangende haren … vrouwen waren het, die druk, verward bezig waren om iets dat in hun midden lag, te dansen. Maar het grootste wonder was, dat alles omgekeerd op den muur geteekend stond, zoodat de boomen met de toppen naar beneden verschenen en de vrouwen met de hoofden … Dan, nu het gat nog grooter werd, was het opeens verdwenen.„Hadoe! Kom dan, mijn jongen … kom dan!” zei Sogol aanmoedigend. Het paard stak zijn snoet naar voren in ’t gat en snoof in de krocht naar zijn meester.Toen, zich overtuigd hebbend, begon het verder te graven.Sogol hoorde vrouwenstemmen en gillen en roepen, verstond de woorden. Zij spraken den zuiveren Nervischen tongval. Hij was dus door vrouwen van zijn eigen stam gevangen genomen. Waarom? En wanneer? En waar was Harimona en waar was Haun.Hij begon ongerust te worden over ’t lot der twee. Nu hij weder het daglicht zag en rondom zich de dingen kon onderscheiden, verlieten hem de gedachten aan den dood en zijn mysteriën en zijn jong lichaam verlangde naar de geneuchten van het leven.Waar was zijn geliefde? Lag zij wellicht zooals hij gebonden in een duister krocht? Was heur paard ook[188]zooals zijn trouwe Hadoe, zijn meesteres licht en lucht komen brengen. Of versmachtte zij? En de jonge horenblazer? Waar was de knaap?Hij hoorde het knallen van een zweep en daarna het geklikklak van de hoeven van Hadoe. Het paard werd weggevoerd … Zijn laatste vriend liet hem alleen … maar niet, dan nadat het hem zijn lot, zoover het in zijn zwak vermogen stond, verzacht had.Licht was er tenminste in het hol. Nu zijn oogen geheel gewend waren aan den blauwen schemer die binnenviel, bemerkte hij, dat de man, die tegen den anderen muur gebonden lag, nog leefde, want zijn borst bewoog zich zwak op en neder. Hij was niet zooals Sogol, bijna naakt, maar had een rood buis aan, zooals de zeelieden dat gewoonlijk droegen.„Schipper!” riep Sogol luide.Maar de man antwoordde niet en bleef in zijn diepen slaap verzonken.„Schipper!” riep Sogol nogmaals. „Schipper!”De man antwoordde niet.Zoo lag Sogol geruimen tijd, versmachtend van dorst, pijnlijk in al zijn leden door het gedwongen gestrekt liggen, zonder zich te kunnen verroeren. Hij voelde zijn hoofd zwaar worden, sloot de oogen, kreeg verwarde denkbeelden en verloor het bewustzijn.Toen hij weer ontwaakte was het vaal donker in het hol, hoewel het gat nog open was. Het scheen dus avond te zullen worden. Hij hoorde nu geen geluiden meer, niet meer het gieren en joelen van de verre vrouwenstemmen en niet meer het klakkelen van de paardehoeven.„Schipper!” riep hij nogmaals zwak.„Leeft di!” antwoordde de man nu, sprekende het Nervisch met een Scandischen tongval.„Ja, ik leef. Wie bent di en hoe bent di hier gekomen?”„Ik ben een Nerigoner, stuurman van een Noorschen[189]skig, die van het vreemde land kwam en in ’t Nervisch gebied met mijn kameraden wilde overwinteren. Toen, in dat vervloekte bosch, zijn wij door nixen overvallen. Mijn kameraden zijn ontkomen, maar ik, die een verwonden voet heb, kon niet vluchten en ben door de schoerhaaien gepakt en hier ingesmeten. Kunt di mi helpen … Ik heb zoo’n dorst …”„Ligt di hier lange?”„Van gistermorgen … En al dien tijd niets gegeten; geen droppel water en geen brok brood. En du vriend, wat is dijn wedervaren.”„Ik ben een prins der Nerviërs, op reis naar mijn land om mijn vader als koning op te volgen. Uit een bedwelming ontwakend, lag ik hier, vastgebonden, zonder te weten hoe ik hier ben gekomen. Mijn trouw paard heeft van morgen hier, zijn meester zoekend, een luchtgat gegraven. Maar ik weet niet hoe lang ik hier ben en helpen kan ik di niet, want ik lig hier ook vastgebonden.”Zoo bleven zij een tijd weer zwijgend liggen. De zeeman begon te kreunen en kreeg koortsen. Sogol voelde zich ook verzwakken maar hij onderdrukte zijn neiging om gedachteloos in te sluimeren door zijn wil, verwachtend dat er redding zou opdagen. Nu hij wist, door vrouwen gevangen genomen te zijn en nog wel, uit zijn gebied en die zijn taal spraken, vertrouwde hij dat zoodra hij in hare nabijheid gebracht zou zijn, ze wel zou weten onder zijn invloed te brengen.Hij begon ook weer te peinzen over de vreemde afbeelding, die tegen den wand was verschenen en nu niet meer zichtbaar was. Na ’t geen hij buiten gehoord had en na ’t geen zijn medegevangene hem had verteld kon hij nagaan, dat deze afbeelding niet een hersenschim was geweest, maar de voorstelling van een werkelijk tafereel. Maar waarom was het nu verdwenen? Hij beproefde zich de afbeelding voor te stellen, zooals hij ze gezien had.[190]Had hij ze gezien? Of was het een geestverschijning geweest? Of een droombeeld? Bestonden er dus werkelijk geheime krachten in den mensch? Zooals Harimona ze scheen te bezitten, die hem voor het binnengaan van de druipsteengrotten had gewaarschuwd? Hoe dieper hij doordacht, hoe grooter het aantal zijner ervaringen werd, des te moeilijker was het geheim van ’t leven te ontraadselen. Wellicht was dan toch niet alles door de gedachte te ontdekken.Van nixen had daar die zeeman gesproken … Waren het werkelijk nixen?… Had de priester, die in ’t onderaardsche meer verdronken was, dan niet gelogen? Er waren drie vrouwen uit het hol gevlucht, toen hij met Harimona en Haunnaderde.Nixen? Neen.. het waren gewone, aardsche wijven. Zij spraken den Nervischen tongval en hun geroep en gejoel en geschreeuw was niet geweest als van nixen maar als van beschonken, aardsche wijven.„Schipper!” riep hij nogmaals.De Nerigoner antwoordde alleen door luide te steunen.„Schipper, kunt di mi niet antwoorden.”„Heer … heer … ik kan niet meer …”„Kom, kom … du moet niet versagen … De redding is nabij …”„Neen heer, neen … nixen zijnkwajemachten … als nixen di pakken is het uit.. en ik heb het verdiend heer.. ik heb het verdiend … ik heb in de groote zee een nix met een harpoen gewond en dit is de wraak..”De Nerigoner zweeg en hield op met steunen. Sogol riep hem nogmaals maar hij antwoordde niet meer en scheen te slapen.Buiten was de zon ondergegaan en nu werd de krocht weder geheel donker.Sogol, hoewel doodmoede en tot slapen geneigd, dwong zichzelf om wakker te blijven, want indien Harimona en[191]Haun pogingen tot zijn redding zouden wagen, was het zeker dat zij van de duisternis gebruik zouden maken en hij moest oplettend luisteren blijven naar elk gerucht, opdat hij, zoo zij hem riepen, dadelijk zou kunnen antwoorden.Het werd nu koud in de krocht. Zoolang deze geheel gesloten was geweest, had de buitenlucht geen toegang gehad. Maar nu, door het luchtgat dat Hadoe had gegraven, kwam een ijzige tocht binnenwaaien. Sogol rilde, want zijn pels was terzijde gegleden, ’t geheele lichaam was naakt.Plotseling, in die stilte, begon de Nerigoon te spreken, verwarde woorden zonder zin of samenhang.Sogol had als knaap te vaak, als hij met Spûr mede ging, gewonden en zieken in koortsen zien liggen, dan dat hij niet dadelijk begreep, dat de man ijlde. Hij luisterde scherp toe, maar nu in zijn ijlkoortsen, sprak de man Nerigoonsch en hoewel die taal wel eenigszins geleek op het Nervisch, toch kon Sogol ze niet verstaan. Zoo lag hij, luisterend naar het gebrabbel van den ongelukkigen schipper. Maar tusschen de Nerigoonsche woorden hoorde hij anderen, van vreemden klank, alsof de schipper nog een andere taal sprak.Sogol toeluisterend, vergat zijn moeheid. Daar lag, vlak bij hem een man, die den weg naar ’t vreemde land kende, die er van teruggekomen was, zijn schip zwaarbevracht met de wondere schatten van dat land. En die man, in zijn koortswaan, sprak daar nu wellicht van, onthulde het groote geheim van den weg, dat de Nerigonen, zooals alle Scandiërs, zoo zorgvuldig voor andere volkeren verborgen, den menschen afschrikkend met vreesaanjagende verhalen.Deze hier had nog zooeven van een nix gesproken, die hij in de groote wereldzee met een harpoen had gedood. Nu had de Nerigoner toch geen noodzaak gehad om te liegen.Dus bestonden er dan toch nixen … waren de verhalen van de monsters en gedrochten niet alle slimbedachte[192]leugens om navolgers af te schrikken? Het groote geheim van den weg werd daar, op eenige passen afstands van hem, geopenbaard en hij kwam er niets van te weten, dan wat vreemdklinkende woorden, voor hem zonder beteekenis.Indien hij zich maar los kon werken. Hij zou den man te drinken kunnen geven, verplegen, de vrijheid hergeven en dan zeker zou hij hem uit dankbaarheid den weg naar het vreemde land wijzen.Nogmaals wrong Sogol aan zijn riemen. Maar de kluisters waren te vast aangelegd en sneden hem in ’t vleesch. Maar toch, eenigszins had hij ze verwrongen en de riem, die zijn linkerarm vastknelde, kon hij nu het hoofd zoover mogelijk ter zijde draaiend, met zijn tanden bereiken.Dat was een aanvang. Dien riem moest hij doorknagen.. dat was het begin der bevrijding. Het ging heel moeilijk. Maar zijn tanden waren jong en sterk en steeds maar doorbijtend zou hij zeker den riem, al ware ze ook driemaal sterker, kunnen vaneenknagen.Gestadig aan knaagde hij; het taaie leer werd week en glibberig door zijn speeksel. Toch bleef hij vezel na vezel doorbijten. Hij moest een poos rusten, misselijk wordend door den smaak van het leer. De stuurman kreunde nu weer.„Schipper!” riep Sogol.„Wat wil di, heer!” kreunde de zeeman.„Houd di stevig … Ik zal di bevrijden.”„Het is te laat heer; ik kan niet meer.”„Ik zal di bevrijden en di redden.. Nog dezen nacht..”En weer begon Sogol aan den riem te knagen, terwijl de Nerigoon bleef steunen. Telkens moest Sogol wachten, vermoeid rakend en misselijk wordend. Zijn tandvleesch begon te bloeden en het was hem, alsof hij geen tanden meer in den mond had. Maar toch bleef hij doorkauwen en knagen, vezel na vezel uit het leer losrukken. Toen eindelijk, nadat twee derde deel was doorgeknaagd, zette hij de spier van den bovenarm met kracht op. Het leer[193]van den riem gaf krakend iets mee. Sogol wachtte een oogenblik en opnieuw zijn armspier doende zwellen, gaf het murw gebeten leer mede.Dat was de bovenarm. Hij kon nu den linker elleboog en den linker schouder vrij bewegen enslechtshet linker polsgewricht was nog aan een bronzen ring in den rotsigen bodem vastgebonden. Gelukte het hem den pols los te wringen, dan was hij op ééne zijde vrij en de andere zijde zou weldra volgen.Doch hij kon den mond niet tot aan het polsgewricht brengen, daar zijn rechterschouder, bij den bovenarm vastgebonden, hem aan den grond ketende. Daarom moest hij eerst den bovenarm van den rechterarm losknagen, zooals hij dat bij den linkerarm gedaan had. Gelukkig dat hij nu niet meer gestadig denzelfden kant van den mond behoefde te gebruiken, maar afwisselend met de linker- en met de rechterhelft kon knagen.Als een dier, geduldig en onverzettelijk, beet en kauwde hij op het leer tot hij ook den rechter bovenarm ontboeid had. Zijn hart klopte heftiger van vreugde nu hij bemerkte, dat hij zich halverwege kon oprichten. Het bovenlichaam was dus bevrijd, nu de polsen en enkels … Maar hij behoefde niet meer te kauwen. Thans, nu hij over zijn geheele lichaamskracht beschikte, begon hij aan de polsriemen te wrikken. Het leer gaf iets mede, maar de polsen zwollen door de krachtsinspanning en daardoor verloor hij de gewonnen verwijding. De polsen moesten glad gemaakt worden, opdat ze door de riemen heen konden glijden. Hij peinsde even. Indien hij maar een paar druppels olie gehad had … Doch een denkbeeld kwam in hem op en een poosje later zich met geweld overwinnend, nam hij de eigen drek in den mond en spuwde ze op zijn rechterpols uit.En nu weer begon hij te trekken en te wringen … de riemen gaven mee, de nu gladde polsen gleden onder de riemen weg en zijn rechterarm was geheel bevrijd.[194]Hij zwaaide hem rond om de stijfheid te doen verdwijnen. Toen tastend langs den grond, zocht hij naar een paar ruwe steenen. Hij vond een stuk rotsscherf met een vrij scherpen kant. Dien scherpte hij aan tegen den grond en nu het als mes gebruikend, telkens in een kerf in de riemen insnijdend en dan weder den steen aanzettend op den grond, slaagde hij er in zich geheel te bevrijden.De moeilijke arbeid had hem zoo beziggehouden, dat hij niet op den schipper meer gelet had. En hij, zweetend van de inspanning, rekte zich uit en liep nu tastend naar den hoek waar de schipper lag.Deze was weder bewusteloos en Sogol, hem betastend, voelde hoe zijn beenen ijskoud waren. De riemen hadden den bloedsomloop gestremd.Geduldig en hardnekkig begon Sogol met zijn gescherpten steen de riemen door te snijden van den schipper. Doch de arbeid vorderde langzaam in ’t donker. Daarom kroop Sogol naar het luchtgat en het haastig met de handen uitgravend, stond hij weldra buiten.„Vrij!” zuchte hij.Buiten was het doodstil. De hooge avondlucht stond vol sterren en in ’t verschiet doemde vaag de zwarte schaduw van een bosch. Zijn gevangenis was een in rotsen uitgehouwen hol, dat met rulle aarde inderhaast was dichtgegooid.Hij ademde de nachtlucht met volle halen in en hij voelde zich vervuld van een dankbaarheid, die hem tot weenen bracht. Het leven was dan toch zoet en schoon, ondanks zijn raadsels. Daar, gebonden in ’t donkere krocht, had hij versmachtend den dood gewenscht. Maar nu rilde hij, denkend aan de doorgestane smarten en den dood. Leven wilde hij, het heerlijke, hooge leven bezitten, en zijn armen uitstrekkend, omarmde hij de nachtlucht als een bruid, die hij eindelijk weder omhelzen kon.Hij keek om zich heen. De streek was hem welbekend.[195]Daar gindsch begon het groote Nervische woud. Links daarvan, aan de tegengestelde zijde van de ster Brendel lag Beldun, de groote havenplaats.Hij was dorstig en hongerig en voor ’t oogenblik niets anders vindend, trok hij wilde zuringstelen uit den grond en begon er op te kauwen. Eerst nu kwam de gedachte aan den lijdensgenoot in de krocht weer in zijn hoofd, zoo was hij geheel ingenomen geweest door het zalige gevoel der herwonnen vrijheid.Hij keek rond om te zien of niet ergens een boschje in de nabijheid was, waar bij droog hout kon vinden. Dan had hij vuur en licht kunnen maken en met gloeiende houtspitsen de riemen van den schipper kunnen doorzengen. Maar het bosch in ’t verschiet was te ver. Hij blikte besluiteloos naar de krochtrots. Uit de wijze waarop deglooiingboven de krocht liep, in een langen, golvende lijn met inzinkingen, maakte hij op, dat hun krocht niet deeenigewas, maar dat de rotswand over een groote lengte in krochten was afgedeeld. Daarom liep hij nu langs den rotswand en voorbij de eerste inzinking vond hij een tweede krocht, maar geheel open, zoodat hij in ’t vale duister wel iets kon onderscheiden. De krocht was leeg, doch in ’t midden hing een bronzen pot boven een leemen haard. Het vuur in den haard was uit. Sogol nam den pot uit den kettinghaak en hem aan het hengsel zwaaiend, sloeg hij den pot met kracht tegen den rotsigen wand. De pot sloeg met een hollen metaalklank stuk. Sogol zocht twee groote scherven en begon ze haastig tegen den rots te wrijven tot ze scherp genoeg waren. Toen snelde hij terug naar de krocht waar de zeeman lag. Die was nog altijd buiten bewustzijn.Sogol kerfde nu de riemen van zijn armen en polsen los. Hij bevoelde de riemen waarmede de beenen van den zeeman waren vastgesnoerd aan den grond. Ook hier was een bronzen ring vastgegoten in den rots. Sogol rukte aan[196]den ring, maar deze was te vast in den rotsgrond bevestigd. Hij moest opnieuw de riemen doorkerven en eerst toen lag de man bevrijd.Sogol beurde hem op en droeg hem naar buiten. De koele nachtlucht hoopte hij, zou den man weder tot bezinning brengen. Hij wreef hem krachtig de beenen en nu in het nachtlicht bemerkte hij, dat de man een verkromden rechter voet had.Maar terwijl hij den man tot bewustzijn trachtte te brengen, dacht hij aan Harimona. Nu hij vrij was, moest hij aan hare bevrijding denken. Maar waar was zij? Gevlucht? Gedood? Teruggevoerd naar Renigo? Of wellicht in één van de krochten vastgebonden, zooals hij bewegeloos aan den grond gesnoerd was geweest.Daar de zeeman nog altijd bewusteloos bleef, nam Sogol hem op en liep met hem langs den rotswand, speurend rond met de oogen of hij niet ergens het glanzende vlak van een wel of een kreekje kon ontdekken. Maar het groote grasveld breidde zich tot aan den donkeren horizont uit, daar waar het woud begon zonder kreek of plas. Op de krocht waar de haard was, volgde een tweeden, geheel ledig. Een eind verder was er een derde.Daarvoor hing een zwaar, dichtgeweven zeil. Sogol legde den zeeman zacht op den grond, tuurde terzijde door een kier in de krocht. Daar zag hij, voor een sintelvuur twee menschen liggen, geheel naakt, een groote man en een vrouw in zijn arm, die het hoofd op zij, sliepen. Sogol sloop geruischloos binnen, nam een gloeienden sintel van het vuur. Met verwondering bemerkte hij, dat de andere mensch ook een vrouw was. Hij rilde nu van afgrijzen. Voorzichtig een aakst nemend, die dicht bij de hand van de grootste der vrouwen lag, hief hij deze reeds op om de twee met twee snelle slagen te dooden. Maar hij bedacht zich. De dooden spreken niet en deze vrouwen moesten spreken, hem zeggen waar Harimona en Haun zich bevonden.[197]Met de aakst gewapend, sloop hij weder uit het woonhol en liep verder langs den rotswand. Daar was opnieuw een woonhol en ook hier sliepen twee vrouwen, half naakt, op pelzen voor een vuur. Tegen den wand stonden aaksten, een kortzwaard, een langzwaard en kruiken en potten.Sogol, de aakst in zijn hand, sloop naar de potten. Maar bedenkend, dat een ontwaken hem veel last zou kunnen bezorgen, nam hij het langzwaard en sloeg met krachtigen slag de beide vrouwen in haar slaap tegelijk de hoofden van den romp. Zij uitten zelfs niet een korten gil, waren stom, zonder zucht of klacht van den eenen slaap in den anderen overgegaan.Nu, rustig, nam hij een stuk hout van ’t vuur en ’t boven de potten houdend, bevond hij dat deze eetwaren en water inhielden.Hij snelde naar buiten, tilde den schipper op, sleepte hem in de krocht en zonder zelf nog een teug waters genoten te hebben, bevochtigde hij de slapen en de borst van den bewustelooze, goot hem water in den mond, wreef hem krachtig langs de armen en beenen.Nu sloeg de schipper de oogen op. Sogol hield hem de hand voor den mond.„Zwijg schipper.… du bent gered. Maar zwijg.”Hij zette den man overeind, gaf hem te drinken en nu hem weder optillend en naar buiten brengend, zeide hij:„Stil en kloek, vriend. Ik heb dijn riemen losgesneden en di tot hier voortgeholpen. Wij zullen vluchten. Zeg mi, op welk wapen bent du geoefend?”„Den harpoen, de knods en het mes.”„En de aakst? Of het kortzwaard?”„De aakst!”Sogol snelde terug in de krocht, nam een aakst en een kortzwaard, liep weder naar buiten. Toen, nadat hij den schipper den aakst in de hand had geduwd, zei hij:„Wacht mi hier, vriend.”[198]Hij ging weer terug, haalde een kan drinkwater en een pot met eetwaar. Buiten zette hij de kan aan den mond en dronk, met voorzichtige, langzame teugen, als een man, die gewoon aan honger en dorst, weet dat men na lang versmachten kalm en niet overhaast moet drinken.Toen gaf hij de kan aan den zeeman, maar fluisterde:„Drink niet haastig.… met kleine teugen.… als dijn leven di waard is.”Sogol stopte zijn hand in den anderen pot. Hij voelde het taaie, kleverige van honig in raten. Gulzig bracht hij een stuk raat aan den mond. O, hoe zoet, hoe mild, smaakte ze, de honing, hoe koesterde zij den vlijmenden kramp van zijn hongerige maag. De zeeman tastte ook toe.Sogol liep een eind zijwaarts, wenkte den zeeman om mede te komen. Maar deze was te zwak nog om te loopen. Daarom sloeg hij hem den arm om den rug en hem zoo broederlijk steunend, liep hij met hem tot wat struikgewas.„Blijf hier, met den aakst in dijn hand en waak. Zoo du wat hoort, fluit dan. Er zijn nog meer gevangenen en ik heb ze te bevrijden.”„Vertrouw op mi, heer.”Nogmaals ging Sogol terug om zijn dorst te lesschen en stak weer een stuk honing in den mond. Toen, eenige zwaaien en houwen in de lucht met het kortzwaard doende, om zich te wennen aan ’t gewicht en om de dracht van den slag te meten, nu met zijn wapen in de hand te midden van wijven, wèl vertrouwend op zijn kracht en behendigheid, sloop hij langs de krochten. Hij telde er twintig. In elke krocht lagen twee vrouwen bij elkaar.„Ontuig, ontuig! Liederlijk getwaas!” zei hij vol afgrijzen.Maar waar waren Harimona en Haun?Opeens herinnerde hij zich, dat hij de vrouwen had zien dansen om iets.… Dat iets.… wat was dat geweest … Wellicht Harimona? Of Haun?Hij schreed terug tot voor de krocht, waar hij gelegen[199]had. Toen daarvoor staande, zocht hij in den helderen sterrennacht naar een boschje, dat gelijken kon op ’t geen hij omgekeerd in zijn visioen tegen den muur van de krocht had gezien. Recht voor ’t gat zag hij iets, dat er op gelijken kon. Hij snelde er met groote, haastige schreden op af, het kortzwaard gereed.Een boschje van tien boomen stond daar.… nu zag hij het duidelijk. En in ’t boschje glimde het schijnsel van een vuur.…Ondanks zijn spanning, verminderde Sogol zijn vaart, liep terzijde om tegenwinds het boschje te bereiken, opdat niet zoo de lieden daar waakhonden hadden, zijn nadering verraden zou kunnen worden.En nu, voorzichtig nader sluipend, zich plat op den grond leggend, kruipend langzaam voorwaarts ontwaarde hij vier mannen, eveneens met roode buizen.„Norigeenscheschippers, de makkers van den manken schipper,” dacht Sogol.Zij zaten om het vuur en dicht bij hen zat Harimona, met de handen vastgebonden aan een boom, starend in het vuur, maar overigens kalm.Sogol drong plotseling door tot voor het vuur en zich met het kortzwaard vooruitgestoken voor Harimona stellend, riep hij:„Dood dengeen, die zich beweegt.”De vier mannen, opschrikkend uit hun sluimer, sprongen naar achter. Twee namen de vlucht. Een derde zocht bescherming achter een boom, maar de vierde, dapperder dan de anderen, trok een kortmes uit zijn gordel en bleef kloek staan, gereed het tegen Sogol op te nemen.„Wie bent di, kaerel?” vroeg Sogol.„Een Nerigoonschen zeeman.… Pas op, voor de kol achter di. Zij heeft onzen makker gedood.”„Steek op dijn mes,” zeide Sogol tegelijk zijn zwaard met den punt in den grond voor zich stekend. „Wij zijn[200]vrienden. Dijn makker is vrij en leeft.… hij was een manke stuurman niet waar?…”De drie anderen kwamen nu ook toeloopen.Nu keerde Sogol zich om en omhelsde Harimona, kuste haar op mond en wangen, drukte haar aan zijn borst, reet met één snede van ’t kortzwaard den riem door, waarmede haar handen geketend waren.„Waar is Haun?” vroeg Sogol.„Ik weet het niet … Ik ben ’s nachts in een donker hol als uit een droom ontwaakt. Deze vier lieden, die hun makker zochten, hebben mij gepakt en naar hier gevoerd. Zij ondervroegen mij, hielden mij voor de aanvoerster van de vreeselijke wezens, die hier in ’t bosch schijnen te huizen. Zij bezweren mij, dat hier heksen en nixen in ’t woud wonen, die geheel naakt loopen en zich op reizigers werpen.”„Zij hebben gelijk …” „Mannen,” ging Sogol voort nu zich tot de vier zeelieden richtend, „ik ben Sogol, prins der Nerviërs en dit is Harimona, de heilige vrouw van Renigo, mijn bruid. Wij zijn, zooals du, door die vervloekte wijven aangevallen. Ik ontwaakte in een donker krocht en daar lag ook dijn makker, geboeid en versmachtend. Ik heb hem bevrijd en hij houdt hier dichtbij de wacht. Indien du moed hebt, zoo volgt mij, dan kunnen wij de bende dier wijven ketenen en opbrengen of dooden.”De vier mannen keken elkaar aan.„Heer,” zei een hunner, „tegen mannen willen wij vechten maar tegen nixen en kollen is alle strijd vergeefs.”„Wat? Bent di Norigener? Mannen, die de groote wereldzee bevaren en in ’t vreemde land tegen de monsters en gedrochten vecht.”De vier waren niet zoodra met een antwoord gereed en bleven zwijgen.„Als di niet durft, ga ik alleen. Bewaak hier de heilige vrouw.”[201]Een der mannen, dezelfde die tegenover Sogol stand had gehouden, een rijzige, breedgeschouderde kaerel, trad naast Sogol.„Heer, ik ben dijn man.…”En zich tot de drie andere richtend, zeide hij:„Bewaak de Bruid van den dapperen prins.”„Waar gaat di heen, liefste?” vroeg Harimona.„Haun bevrijden. Wacht mi hier, mijn kind.”Hij kuste haar op ’t voorhoofd en de twee mannen verdwenen in de duisternis.De manke stuurman lag nog altijd wachtend achter ’t kreupelhout. Toen hij zijn maat zag en nu zich eerst veilig voelde, begon hij te schreien van geluk.„Ik dacht, dat ik daar levend verhongeren zou, meester,” zei hij, na den anderen zeeman een kort verslag van zijn wedervaren te hebben gedaan.„Bent di de meester?” vroeg Sogol.„Ja heer, ik ben skigvoerder.”„Hoe is dijn naam?”„Rytzell de Svizjoon. Mijn mannen zijn allen Nerigonen.Tien zijn er op de skig gebleven ter bewaking, twintig hebben over land de reis naar Scandia aangedurfd. Wij wilden in Beldun overwinteren om tegen het voorjaar met een nieuwen skig een nieuwe reis naar ’t vreemde land te beginnen.”„Zend dijn stuurman weg. Wij samen zullen wel met dat vrouwsvolk ’t alleen klaren, Rytzell.”De skig-kapitein zond den manken stuurman naar ’t boschje, waar zijn makkers Harimona beschermden. De rust had den manke goed gedaan en hij kon nu weder loopen.„Rytzell,” zeide nu Sogol, „het hart is mij goed om al die wijven neer te slaan.”„Heer, ’t is kwaad vechten tegen nixen en kollen.”Sogol haalde de schouders op.[202]„Heb di nooit in ’t vreemde land tegen nixen en kollen gevochten?”„Neen heer … daar leven wel gruwelijke beesten, sterker dan de beer en woester dan de ever. Maargetwaasheb ik er nooit gezien.”„Heb di dan welgetwaasgezien, ginds in dijn vaderland?”„Ik zelf niet heer.… maar anderen hebben er velen gezien.…”„Zeg mi eens oprecht opperschipper, heb di ooit in de wereldzee zeewijven gezien met vischlijven?”„Neen heer … zelf niet. Maar anderen …”„Ik zal di wat zeggen,opperschipper. Wij zijn mannen, beiden onvervaard en geen kinderen, angstig voor een spook of een droombeeld. Ik ben een man, die lang in de bosschen heb geleefd en veel onderzocht heb. Dit zeg ik di: daar zijn geen andere geheime machten, dan die wij in ons hebben. En nu let op. Du zult zien, dat in de krochten geen nixen of kollen huizen, waarvoor koene manslui bang behoeven te zijn. Maar liederlijke boschwijven, de snee van een eerlijk zwaard schier niet waard. Nu volg mi …”Zij liepen langs de krochten. Sogol, nu vreezeloos, trok de voorhangen terzij en toonde de slapende wijven paar bij paar. Ook kwam hij weer bij de krocht, waar de twee vrouwen lagen, die hij met één houw de hoofden van de romp had geslagen. In den zwakken rossen schijn van ’t doovende haardvuur lagen daar de ontzielden lichamen in ’t bloed en de beide hoofden star en gelaten van uitdrukking hingen ter zij op de kussen der blonde, losse haren.„Die sloeg ik in den slaap neer!” zeide Sogol„om mijzelf en dijn maat te kunnen helpen.”Sogol bemerkte aan ’t zwijgen de ontzetting van Rytzell.„Zeg mi, opperschipper, hebt di ooit zoo iets schrikkelijks ginds in ’t overzeesche land gezien?”[203]„Neen heer … wel heb ik er levende vrouwen gezien, die verbrand werden met het lijk van haar man. Maar dat is om der wille van het geloof.”„Gelooven ze daar ook aan Wotan?”„Neen heer en niet aan Odin ook.”„Wat gelooven ze dan?” vroeg Sogol, vergetend de gruwelijke krocht waar de twee onthoofde vrouwen aan hun voeten lagen, voor de oplossing van het groote vraagstuk, dat hem meer belangstelling inboezemde dan de voorvallen van het heden.„Zouden wij niet eerst den gevangene redden?” vroeg Rytzell, naar de gewoonte der Scandiërs, ontwijkend het antwoord op alle vragen omtrent het vreemde land.Zij traden uit de krocht naar buiten en liepen langs den steilen rotswand.„De vrouwen, die ons vervolgden heer, geleken op deze.”„Dat zijn dijn nixen, schipper. Geloof mi, andere bestaan er niet. Wij zullen er nu twee in haar slaap wegvoeren en dan vragen waar mijn horensteker is.”Sogol liep een krocht binnen en een prop makend van een stuk lijnwaad en Rytzell beduidend hetzelfde te doen, nam hij een wijf bij ’t gelaat, rukte haar den mond open en voor ze gillen kon, duwde hij haar de prop in den mond. Daarna tilde hij haar op en droeg haar naar buiten. Rytzell, hield zijn hand voor den mond der andere vrouw en sleepte haar met de andere hand Sogol achterna.Zij liepen nu, elk een vrouw dragend, snel ver uit het bereik der krocht. De vrouwen, plotseling uit haar slaap gewekt, verweerden zich maar de twee mannen, beiden van groote lichaamskracht, sleurden heur voort. Doch de vrouw, die Rytzell droeg, van groote statuur en zwaargespierd, beet hem in den vinger.Even trok de zeeman zijn hand terug en zij, snel zich losrukkend, kreeg vasten voet op den grond en begon met haar ontvoerder te worstelen.[204]De zeeman, kortemettenmakend, trok zijn mes en stak haar dit in ’t hart. Als een blok viel ze neer, maar heur gegil tijdens de worstelpartij had de andere vrouwen gewekt en enkele kwamen al, met vlamhouten en met zwaarden gewapend toerennen. Het was echter duister genoeg om de twee mannen, nu geen gillen der vrouwen den weg aanwees waar zij haar aanvallers konden vinden, aan haar oog te onttrekken.Rytzell, de vrouw die Sogoltorschte, bij de beenen vattend, hielp Sogol haar zwaar lichaam dragen en beiden snelden naar het bosch, waar de andere zeelieden waakten.Toen zij daar kwamen, waren de zeelieden zeer verwonderd de gevange nix te zien. Zij durfden haar nog altoos niet naderen. Rytzell scheurde een deel van het overkleed van Harimona snel in reepen en boeide de vrouw de handen en de voeten, handig de knoopen leggend, zooals zeelieden dat verstaan.„Luister wel!” zeide nu Sogol tot haar. „Antwoord op mijn vragen naar waarheid en schreeuw niet; zoo du schreeuwt, werp ik di in dit vuur.…”Toen, met het mes van Rytzell voorzichtig de prop uit haar mond nemend, vroeg hij:„Wie bent di. Hoe komt di daar? Waarom hebt di mijn bruid, mijn knaap en mij gevangen genomen en waar is mijn knaap?”De groote vrouw, met lichtblauwe oogen, lang blond haar en zelfs niet gekleed met een schaamdoek, keek naar Harimona, maar antwoordde niet.„Zult di antwoorden?” vroeg Sogol.Zij bleef weigeren en staarde maar altoos Harimona aan.Sogol nam een vlammend hout van het vuur en duwde het even tegen haar arm. Zij sprong op en gilde.„Zult di antwoorden?”„Heer.… mijn naam is Koenegoend. Ik ben een krijgsvrouw van Koenderic, koning der Nerviërs geweest. Toen[205]Koenderic gestorven was zijn wij uitgetrokken, al de krijgsvrouwen bij elkaar en leven nu in de bosschen.”„Een fraai leven, dat di voert.”„Wij hadden veel van de mannen te lijden gehad en leefden nu zonder de mannen.”„Vervloektgetwaas!”Zij keek weder naar Harimona met droomerige blikken.Harimona wendde het hoofd af.Sogol nam nogmaals een brandend hout en bedreigde haar.„Waar is de knaap, die bij ons was.”Zij begon opeens schril te lachen.…„Waar is de knaap, wijf?”Zij lachte hoog op en opeens viel zij neer en begon de beenen krampachtig te trekken.Sogol stiet haar het gloeiende hout in de heup.„Zult di spreken, luizenwijf.”Maar zij bleef lachen, scheen genot te hebben in de smart van de brandwond.De vier Nerigonen traden angstig terug en Sogol zag, dat zij weer op ’t punt stonden aan den haal te gaan. Hijzelf voelde zich vermoeid met een onbedwingbaren drang om te gaan slapen.De vrouw, na eenigen tijd op den grond zich om en om gegooid te hebben, kwam weder tot kalmte.„Wilt di antwoorden, kol? Of ik steek di hier vast in den grond?”Sogol hief zijn zwaard op.„Ach heer, vergeef mi.… ach heer, dood mi niet.…” kermde het wijf.„Waar is de knaap?”„Ach heer … dood mi niet … ik heb het niet gedaan … De andere vrouwen.… Wij dooden alle mannen. Du en die daar, de manke zeeman, zouden morgen gedood worden.… en die daar.… die minneclîche maide, zou verlost worden.… want velen beminden haar.… maar[206]de horensteker is door Nilka en Ortrûd naar het kleine zand gebracht en zij hebben om hem gedanst en hem tot een maagd gesneden en nu is hij dood.…”„Waar is ’t kleine zand?”„Daar heer, daar.. bij de boompjes.. daar.. daar..”„Komt mee Rytzell … en du mannen, bewaak haar en vlucht niet.. het is geen nix maar een liderlicke hure..”Sogol en Rytzell liepen met een brandend hout in de aangewezen richting. Bij ’t kleine boschje op een open plek van hel geel zand, lag daar het naakte lijk van Haun.. zijn hand nog aan den horen, alsof hij in doodsstrijd hem nog aan den mond had willen brengen. Rytzell hield het brandende hout dicht bij ’t gelaat … bij de borst … Toen, in den rooden gloed, zag hij de gruwelijk wonde, waaraan de knaap verbloed was … Hij trad met een gil terug en steunend op den schouder van Rytzell begon hij te weenen.„Mijn arme, arme knaap. Mijn trouwe, kleine jongen …”Hij tilde het al koude, stijve lijk van den kleinen horensteker op en droeg het met Rytzell terug naar het woud.„Zij heeft de waarheid gesproken!” zei Sogol dof tot Harimona …Zacht legde hij ’t lijk neder op ’t boschmos en bedekte de vreeselijke wonde met het stuk lijnwaad, dat van Harimona’s overkleed was overgebleven.3Ook Harimona weende. De zeelieden, die met ontzetting het geschonden lichaam van den jongeling hadden gezien, stonden dicht bij elkaar, alleen door ’t oog van Rytzell in bedwang gehouden om niet te vluchten.In de verte zagen zij de andere wijven nog altijd met de vlammende toortshouten zoeken naar heur aanvallers.[207]Sogol, zijn eigen moeheid voelend, weinig vertrouwend op den moed der zeelieden, vreezend voor het leven van Harimona, beval op te breken en zoo snel mogelijk naar Beldûn te trekken. Maar voor de stoet zich in beweging zette, hakte hij van takken een baar, legde het lijk van den verminkten knaap er op en deed het zoo mededragen door twee der Nerigonen, opdat het verbrand zou kunnen worden en bijgezet met de eere, die een prinselijken horensteker toekwam.Doodmoede, tot schreiens toe bedroefd, liep hij naast Harimona achter de baar, met gebogen hoofd en zich steunend op den schouder van de heilige vrouw.[208]1Wind, geur, zonnestraal—wij weten nú dat zij aan de stof gebonden zijn. Sogol kon dit niet weten.↑2Het is waarschijnlijk, dat velen het voor onwaarschijnlijk zullen houden, dat deze gedachten een Germaan uit 150 v.Chr.bezielden en aan een zeker soort geestelijk anachronisme zullen denken. Men houde echter in ’t oog, dat de Germanen in hun oer-land, Indië, waarschijnlijk een hoogere beschaving hebben gekend en wellicht, in de eerste eeuwen[184]van hun verblijf in Europa, ontaard zijn in het noordelijke klimaat. Eerst thans, na zoovele eeuwen, schijnt de Germaansche ziel zich weder te openen voor de opneming van haar oer-droom. Uitstekende Germanen als Goethe en Schopenhauer hebben instinctmatig zich naar ’t oosten gewend. Het Christendom, dat veel heeft van eenBoeddhismenaar Joodschen karakteraard, door Christus van een individueel cachet voorzien, is juist door de Germanen het best begrepen.Het is, alsof de Germaansche ziel in het Christendom eindelijk weder den godsdienst naar heur waren aard vond, terwijl de Joden onontvankelijk blijken voor de leer van Christus, waarschijnlijk omdat hun oer-droom van leven en dood altoos een andere is geweest.Er is geen enkele reden om te bestrijden, dat ook het geestelijk leven onderworpen is aan vaste natuurwetten. De godsdiensten zijn m. i. een gevolg niet allereerst van het denken en voelen, maar van het klimaat.In dezen zin kunnen wij allen zon-aanbidders zijn. Het Christendom neemt onder onze oogen de nuanceering aan van het klimaat der streken, waarin het wordt uitgeoefend. Nergens duidelijker dan in Rénan’s „Vie de Jésus,” voelt men, hoe de omstandigheden van bodem en klimaat, dus eigenlijk van den stand der zon ten opzichte van het landschap Galilëa, de zachtaardige, vriendelijke en liefdevolle idée van den gevoeligste der Joodsche droomers, tot ontwikkeling brachten.Ons heele leven is een gestadige poging om ons iets te herinneren dat wij voelen, dat in onzen geest besloten ligt, maar dat wij niet geheel kunnen terugvinden. Onze grootste geesten zijn wellicht lieden, die de meeste kracht tot weder te binnenbrenging bezitten, niet alleen van de dingen uit dit, maar ook van de dingen uit onze vorige levens.Schopenhauer zegt, dat zijn hoofd gedachten opwierp en uitwerkte, zonder dat hij zelf het daartoe dwong. Het inspiratieve wezen van geniën is bekend. Het schijnt of zij werktuigen zijn van een geest buiten hen. Vandaar het dikwijls verbazende onderscheid bij geniën tusschen den mensch en zijn werken.Sogol, éénmaal zich bevrijd hebbend van den oud-Germaansche Wotandienst, komt gelijk elke vrij-geest d.i. vrije geest, tot de verheven twijfelingen, onderstellingen, vermoedens en dwalingen, waartoe elk naar zijn aard noodzakelijkerwijze moet vervallen, zoodra hij het als onwaar bevonden dogma verwerpt, en moed, denkkracht, fantasie, waarheidsliefde en bewustheid van hoogere machten bezit. Sogols gebrekkigekennisheb ik laten doorschemeren.↑3Atjehsche vrouwen, vertelde mij een geloofwaardig kolonist, wreekten zich soms op dergelijke wijze, wanneer Nederlandsche soldaten krijgsgevangen waren gemaakt.↑

[Inhoud]HOOFDSTUK XIV.Midden in het bosch, aan de grens van het Nervische gebied, was Sogol ’s morgens ontwaakt, door een snijdende pijn in de polsen. Hij had gedroomd, dat een kobold hem met een zwaard de handen afsloeg.Toen hij ontwaakte bemerkte hij, dat hij in een donker vertrek was en dat zijn polsen en enkels gebonden waren met dunne, snijdende riemen.„Harimona!” riep hij.Zijn stem klonk hol en daaruit leidde hij af, dat hij zich in een gewelf bevond.„Haun!” riep hij, „Haun! Haun!”Maar hij kreeg geen antwoord. Hij trachtte zich nu op te richten, maar hij ervoer, dat hij ook met een riem, die om de bovenarmen liep, ruggelings aan den grond was bevestigd.Hij rukte even met zacht geweld om de kracht zijner boeien te meten. Ze waren zoo sterk, dat hij er niet aan behoefde te denken, ze stuk te trekken.Het was zwart duister om hem heen, zonder zelfs een schemer licht. Sogol begreep, dat hij gevangen genomen moest zijn tijdens zijn slaap; dat men hem geboeid had en dat Harimona en Haun eveneensòfgevangen òf verjaagd waren. Meer kon hij niet te weten komen. Het beste was zich kalm te houden en af te wachten. Voorloopig overtuigde hij zich ervan of hij nog ’t gebruik van al zijn ledematen had.Ja, zijnknieënkon hij nog buigen, zijn vingers bewegen en behalve het schrijnen van de striemen der riemen om zijn polsen, voelde hij geen pijn. Maar wel was zijn keel droog en had hij een grooten dorst. Doch[179]zijn eigen lichamelijke kwalen telde hij weinig. Waar was Harimona? Lag ze ook zoo als hij, vastgebonden en versmachtend in een donker hol? Hij wilde weer roepen maar bedacht zich. Waarom zijn bewakers te wekken? De wijze, waarop zij hem gevangen hadden genomen en hier gevangen gezet bewees voldoende, dat zij hem kwaad wilden. Wie waren zijn gevangennemers? En hoe hadden ze hem zoo kunnen binden, zonder dat hij ontwaakt was?Het zware, doezelige gevoel in zijn hoofd, de dorst gaven hem een aanwijzing. Hij moest zeker te voren door kruidendamp bedwelmd zijn geworden.Sogol bracht zijn hoofd wat naar voren en berook zijn naakte, harige borst. En hij herkende den geur van ’t ginneblad, dat ook op feestdagen gebrand wordt in de heilige hagen, waar de priesters en priesteressen zich er door laten verhitten en dan tot zinneloozen lust worden geprikkeld. Maar wie te veel van den rook van ’t geroosterde ginneblad opsnuift, verliest het bewustzijn en valt in een diepen slaap, waaruit men niet altoos ontwaakt.Hij was dus gevangen genomen òf door priesters of door vrouwen. Want mannen, zelfs de meest schunnige roover, zou een vijand niet op deze wijze onschadelijk maken.Maar hoe lang had hij geslapen? En waren zijn gevangennemers wellicht overtuigd geweest, dat hij den doodslaap wel slapen zou en hadden zij hem hier zoo gebonden, levend in een graf gelegd?Weer wildehijschreeuwen, maar zijn instinct hield hem ervan terug. Neen, hij moest voorloopig zwijgen en stil onderzoeken. Hij was nu al zoo ver, dat hij wist, waardoor hij bedwelmd was en iets kon vermoeden van de persoonlijkheid zijner vijanden. Een poosje lag hij stil om tot rust te komen. Zoo hier te blijven liggen en te sterven … was dat wel zoo vreeselijk? Die korte tijd van honger en dorst zou niet eeuwig duren. Maar wat dan?[180]Hij strekte zich lang en recht uit, als een die gestorven is en sloot de oogen, die vermoeid werden van in ’t duister zien en peinsde over den dood.Hier lag hij nu, onverwrikbaar vastgebonden, in een levend graf. Zou de dood nu werkelijk een verlossing zijn? Wanneer zijn levensgeest was geweken, zou dit lichaam, dat nu nog ademde, welks zwaarte hij nu nog voelde, dat zijn levenskracht verraadde door ’t kloppen van ’t hart, het zware bonzen van de slapen, het zweeten van ’t voorhoofd, hier dan liggen, een gevoelloos stuk dood vleesch, dat stinkend zou vergaan, weggevreten door wormen en maden, opgelost in een afzichtelijke brei, waarvan de grond de vochten zou opzuigen. Maar dan, langzamerhand was al ’t vleesch vergaan en zijn beenderen zouden bloot komen, uitdrogen en op een dag, wellicht na eeuwen zou door een toeval een voorbijganger zijn geraamte hier vinden, zooals hij daar ginds bij ’t onderaardsche meer de geraamten der reuzen had gevonden. En die levende zou naar zijn doodshoofd kijken en beschouwend staren naar dat bolle voorhoofd, waarachter de gedachten gewoeld hadden en die holle, zwarte oogkassen, waaruit zijn zielsbewegen door de glanzende oogen naar buiten geschenen had, maar ook hij zou voor het geheim staan van het zwijgende graf en de mond, die nu nog kon roepen en spreken, zou dan eenafgrijselijken, breeden grijnslach vertoonen met de witte tanden dreigend als in den bek van een dier. Zou daarmede dan alles gedaan zijn?…En als de beenderen verbrand werden en een hoopje asch in een urn lei of de asch werd verstrooid door de winden … was dan hij Sogol ook voorgoed verstrooid en niet weer te vinden uit den baaierd …?Of was daar dan werkelijk een ander leven, een leven buiten dit, dat niet gebonden was aan aardsche banden, niet vastgeketend kon worden gelijk dit lichaam nu, dat hij op dit oogenblik voelde als iets vreemds, als iets dat[181]niet van hem was, iets pijnlijks en wreeds dat hem vastbond aan een aardsch bestaan, een andere keten maar inderdaad gelijk aan de riemen, die hem nu vasthielden aan den rotsigen grond.Waar gingen de gedachten heen uit zijn hoofd?Die waren vrij en niet gebonden aan zijn lichaam. Want zie, nu lag hij hier toch vastgeriemd zoo, dat hij zich zelfs niet geheel kon oprichten en alles om hem heen was zwartdonker en hij hoorde geen geluid en wist niet waar hij was noch hoe hij hier gekomen was. En toch, in zijn hoofd, daar achter zijn voorhoofd, woelden gedachten en voorstellingen, plannen, overleggingen, berekeningen. Hij kon zich verbeelden vrij te zijn en te zweven uit dit donkere hol ver naar de vrijheid en hoog boven de landen, steeds hooger, hooger, gelijk een arend, die naar de zon vliegt … o nog hooger, nog hooger …Neen, neen, neen … hooger niet … daar in de blauwe luchten begon het groote geheim weder en daar vond zijn vrije geest die andere riemen, die hem vastsnoerden in een ander gewelf, dat maar schijnbaar vrij en helder en doorzichtig en licht was, doch inderdaad al even donker als dit hier, waaronder hij nu vastgebonden lag …En in dat andere gewelf zou de geest ook verpulveren in den baaierd, zooals zijn lichaam hier in dit zwarte hol.. wellicht, wellicht, wellicht, want iets ontzwond zijn lichaam dan toch en was niet door de riemen hier gebonden, die hij voelde schrijnen … En iets wellicht zou ook weer den geest ontzwinden, wanneer die zichoplostein de ruimte van het hemelgewelf zooals een brandoffer-geur, weggewaaid door den wind … en uit dien geest, zwevend in hoogere ruimte zou eens weder een fijnere geest opstijgen en uit dien weder een eeuwig, eeuwig, eeuwig, in gestadige fijnere, hoogere ontwikkeling, verrijzend steeds schooner uit zichzelf.Hij lag zoo in het donker te peinzen. Nu hoorde hij een dof, klotsend geluid alsof er ver een paard liep.… Hij[182]legde zijn oor op den bodem.… luisterde aandachtig met zijn scherp gehoor.… Dat was zijn paard.… hij herkende het aan ’t rhythme van ’t geklakkel der hoeven.…Maar de gedachte aan het geheim van den dood nam zoo zijn denken in beslag, dat hij niet zich bezighield met dat geluid, dat wellicht bevrijding kon beteekenen, maar bleef zweven met zijn gedachten in de ijle ruimten ver boven de aarde, waar de zielen konden zweven en zich van trap tot trap ontwikkelen tot hoogere volmaking.Maar weer hoorde hij ’t geklikkeklak der paardehoeven en nu ook een zacht hinniken.…Ja … wèl was het zijn paard … Zijn paard … zijn trouw, goed, groot paard, dat zijn meester misschien kwam zoeken …Zou het hem vinden? Had het besef er van, dat hij hier in nood verkeerde? Hoe dikwijls nu al, gedurende de lange reis van de Renigo naar Nervië, had hij in gepeinzen gekeken naar dien grooten kop van zijn paard. En ook vaak had hij getuurd in de groote bruine oogen, zich afvragend wat die wilden zeggen, van welke ziel zij de spiegel waren. En welke gedachten huisden achter dat zware, groote been tusschen de twee ooren. In den haag van Lagdûn waren witte paarden, die voor heilig werden gehouden en uit hun brieschen voorspelden er de priesters de toekomst. Wanneer de groote koningen en zelfs de hertogen gestorven waren, doodde men in sommige streken hun hengsten en verbrandde de lijken van de paarden tegelijk met die van hun heeren, opdat deze in ’t Walhalla hun lievelingsros weder zouden kunnen bestijgen. Hadden de dieren ook een ziel? Steeg hun ziel ook op na den dood, bevrijd van aardsche slaafschheid? Ging hun ziel ook van trap tot trap hooger in een voortdurende ontwikkeling de hoogste volmaking tegemoet?Wat was de ziel? Leefde zij zonder lichaam.… als een wind of als een geur of als een zonnestraal?1En wanneer de dieren allen een ziel hadden, was dan[183]na den dood de ziel van een laffen haas gelijk aan die van een moedigen ever? Of kwam de ziel van den haas, na diens dood tot hoogere volmaaktheid gekomen, in een hooger dier wonen, in een dier met grooteren moed en kracht?Sogol bleef even geheel gedachteloos liggen. Het was hem of hier, in deze donkere krocht, waar hij machteloos en eenzaam te versmachten lag, opeens het groote licht des levens opging.Hij voelde een grootsche, een alomvattende gedachte komen, maar weifelde om haar toe te laten in zijn hoofd.. Het was vrees en genot tegelijkertijd, dat wachten op de groote openbaring van zijn rede.… Wellicht … wellicht … wellicht.… o, hoe durfde hij die gedachte aan.… wellicht was de ziel van al wat leefde één wezen, maar zooals de lucht één ding was en toch elk levend wezen naar zijn aard en behoefte zijn deel van die lucht inademde, zoo kon dan ook elk een deel van die àl-ziel in zich omvatten en stervend zijn deel weer teruggeven, zooals de ademtocht teruggegeven werd.… Het heele leven zou niet anders dan één lange ademtocht zijn, ingehaald bij de geboorte en uitgezucht bij den dood.… De ziel van elk dier, ook het geringste, ware het een luis of een vlooi, was een gedeelte van dezelfde alziel van den mensch.… En het deel der alziel, dat heden in een luis leefde, zou na lange tijden van uit- en inademing, door verschillende trappen eindelijk den edelsten mensch kunnen bewonen. Daarna … ging dan dat zielsdeel voort in ontwikkeling zich vervolmakend, zou het den goden gaan bewonen? Was er dus waarheid in de sagen, die van de oude helden goden maakten?…2Begon dan de hemel reeds op aarde? En bij[184]het kleinste, minst ontwikkelde dier? Wat zou het minst ontwikkelde dier wel zijn?De slak? De oorworm? De oester? De zeester? Ja.…[185]bij de zeester zouden de levende dieren zeker aanvangen … zonder kop, zonder oogen, zonder schelp.… Hij had ze dikwijls op het Nervische strand gezien, als jongen ze wel ’s morgens gezocht na den vloed, als ze nog leefden en de vijf punten bewogen. Ze hadden ze in de zon gedroogd, hij en de andere knapen en ze aan een draad geregen en op de borst gedragen. Lag er bedoeling in den vorm van dit dier, dat bijna op een plant geleek? Een ster was de aanvang van alle leven.… O, mocht ik bevrijd worden … De ster zou mijn zinnebeeld zijn en op mijn wapenschild zal ik haar afbeelden.…Bevrijd zijn, bevrijd zijn! Hij keerde weer uit zijn gedachtenrijk terug als uit een droom. Maar de riemen om armen en beenen, die striemden zoodra hij zich bewoog, de zwarte donkerte om zich heen, nu hij de oogen weder opende, herinnerde hem smartelijk aan zijn vreeselijken toestand van de stonde.Weer hoorde hij buiten het brieschen van zijn paard en het scheen of het dichtbij met den voorhoef in den grond groef. Sogol bleef ingespannen luisteren.… O, als zijn paard werkelijk zooveel verstand had om een gat te graven en zijn meester licht en lucht toe te voeren…Zou in dien grooten kop, achter die goedige, bruine oogen zooveel besef huizen? Wellicht…waarom niet?Hoe reusachtig was de afstand niet tusschen de zeester en zijn paard…beiden toch dieren. Hoeveel malen moest de levensziel zich niet door sterven en wederopstand verreinen om den afstand af te leggen tusschen de hulpelooze zeester en het al zoo redelijke paard.…En het bleef graven.… Hij hoorde het telkens brieschen en dan weer woelde de hoef in den grond. Het geluid van ’t woelen kwam van rechts en klonk alsof een dor blad, door den wind opgejaagd, langs een drogen grond schoof.Als hij ’t eens riep.… Maar zijn stem zou zijn bewakers kunnen wekken.… Neen, zwijgen moest hij.… een instinct zeide hem, dat hij zwijgen moest.[186]Stil, zachtjes ademend, lag hij te luisteren naar het brieschen en het graven.… Ja.… het gat moest dieper worden.… want hij hoorde den woelenden hoef steeds, steeds duidelijker en het brieschen nu al heel dichtbij.… Nu kòn hij zich niet langer weerhouden en zachtjes floot hij sissend tusschen de tanden, zooals hij dat deed, wanneer hij zijn paard tot zich riep. Even was ’t doodstil. Nogmaals floot Sogol.… toen hoorde hij een klagelijk gehinnik.… Ja.… dat was Hadoe, zijn trouwe hengst.… Nogmaals floot hij.… twee, driemaal achtereen.… De hoef begon weder te woelen.… En nu kwam opeens een blauw straaltje licht naar binnen, dat een klein licht plekje sloeg onder tegen den zijwand ver van Sogol. Even moest hij zijn oogen wennen aan dat licht.… en tot zijn ontzetting zag hij nu, dat het scheen op het gelaat van een ander mensch, een die nog toe in verdooving lag of dood was.Zachtjes floot hij weder. Het gat werd grooter, nog grooter.… en daar kwam het blauwe daglicht binnen. Het was Sogol of het door dat gat, links van hem, zachtjes binnengegoten werd, als water uit een drinkkan. En snel flitste de gedachte door zijn hoofd of het licht misschien ook een soort water was, dat uit de zon over de aarde werd uitgegoten. Maar de gedachte hield hem niet langer bezig op dit oogenblik. Vrij wilde hij zijn, weer loopen langs de wegen onder het hooge, blauwe koepeldak en rondom gebaad in de winden, streelend om zijn naakt lichaam.O, indien hij zich maar naar het gat had kunnen sleepen, vanwaar het blauwe licht binnenstroomde en scheen in het holle gewelf zijner gevangenis uit te vloeien, verschaduwend in de hoeken alsof het nog geen kracht genoeg had om zooveel duister weg te dringen.Nu dorst hij te roepen. Het licht gaf hem geestkracht en vertrouwen en moed.„Kom dan Hadoe.… kom dan zoet beest.… zoek[187]dan, zoek dan dijn heer.… zúúúúúút.… zsúúúúúúút … dijn heer is hier.… kom.… kom.…”Sogol wachtte en keek even weder naar den anderen gevangene.… Hij schrikte.… daar, tegen den wand boven het lichaam van den onbekenden man, die daar lag, zag hij eenvisioen.… een onverklaarbaar wonderverschijnsel. Iemand.… een geest.… een ziel.… een god.… wie dan ook.… had met toovermacht daar tegen den muur een wonderschoon tafereel geteekend.…Met oogen, star van ontzetting, zag Sogol tegen den muur een boschje van hooge boomen, die wuifden in den wind en daaronder bewegende gestalten … met lange, loshangende haren … vrouwen waren het, die druk, verward bezig waren om iets dat in hun midden lag, te dansen. Maar het grootste wonder was, dat alles omgekeerd op den muur geteekend stond, zoodat de boomen met de toppen naar beneden verschenen en de vrouwen met de hoofden … Dan, nu het gat nog grooter werd, was het opeens verdwenen.„Hadoe! Kom dan, mijn jongen … kom dan!” zei Sogol aanmoedigend. Het paard stak zijn snoet naar voren in ’t gat en snoof in de krocht naar zijn meester.Toen, zich overtuigd hebbend, begon het verder te graven.Sogol hoorde vrouwenstemmen en gillen en roepen, verstond de woorden. Zij spraken den zuiveren Nervischen tongval. Hij was dus door vrouwen van zijn eigen stam gevangen genomen. Waarom? En wanneer? En waar was Harimona en waar was Haun.Hij begon ongerust te worden over ’t lot der twee. Nu hij weder het daglicht zag en rondom zich de dingen kon onderscheiden, verlieten hem de gedachten aan den dood en zijn mysteriën en zijn jong lichaam verlangde naar de geneuchten van het leven.Waar was zijn geliefde? Lag zij wellicht zooals hij gebonden in een duister krocht? Was heur paard ook[188]zooals zijn trouwe Hadoe, zijn meesteres licht en lucht komen brengen. Of versmachtte zij? En de jonge horenblazer? Waar was de knaap?Hij hoorde het knallen van een zweep en daarna het geklikklak van de hoeven van Hadoe. Het paard werd weggevoerd … Zijn laatste vriend liet hem alleen … maar niet, dan nadat het hem zijn lot, zoover het in zijn zwak vermogen stond, verzacht had.Licht was er tenminste in het hol. Nu zijn oogen geheel gewend waren aan den blauwen schemer die binnenviel, bemerkte hij, dat de man, die tegen den anderen muur gebonden lag, nog leefde, want zijn borst bewoog zich zwak op en neder. Hij was niet zooals Sogol, bijna naakt, maar had een rood buis aan, zooals de zeelieden dat gewoonlijk droegen.„Schipper!” riep Sogol luide.Maar de man antwoordde niet en bleef in zijn diepen slaap verzonken.„Schipper!” riep Sogol nogmaals. „Schipper!”De man antwoordde niet.Zoo lag Sogol geruimen tijd, versmachtend van dorst, pijnlijk in al zijn leden door het gedwongen gestrekt liggen, zonder zich te kunnen verroeren. Hij voelde zijn hoofd zwaar worden, sloot de oogen, kreeg verwarde denkbeelden en verloor het bewustzijn.Toen hij weer ontwaakte was het vaal donker in het hol, hoewel het gat nog open was. Het scheen dus avond te zullen worden. Hij hoorde nu geen geluiden meer, niet meer het gieren en joelen van de verre vrouwenstemmen en niet meer het klakkelen van de paardehoeven.„Schipper!” riep hij nogmaals zwak.„Leeft di!” antwoordde de man nu, sprekende het Nervisch met een Scandischen tongval.„Ja, ik leef. Wie bent di en hoe bent di hier gekomen?”„Ik ben een Nerigoner, stuurman van een Noorschen[189]skig, die van het vreemde land kwam en in ’t Nervisch gebied met mijn kameraden wilde overwinteren. Toen, in dat vervloekte bosch, zijn wij door nixen overvallen. Mijn kameraden zijn ontkomen, maar ik, die een verwonden voet heb, kon niet vluchten en ben door de schoerhaaien gepakt en hier ingesmeten. Kunt di mi helpen … Ik heb zoo’n dorst …”„Ligt di hier lange?”„Van gistermorgen … En al dien tijd niets gegeten; geen droppel water en geen brok brood. En du vriend, wat is dijn wedervaren.”„Ik ben een prins der Nerviërs, op reis naar mijn land om mijn vader als koning op te volgen. Uit een bedwelming ontwakend, lag ik hier, vastgebonden, zonder te weten hoe ik hier ben gekomen. Mijn trouw paard heeft van morgen hier, zijn meester zoekend, een luchtgat gegraven. Maar ik weet niet hoe lang ik hier ben en helpen kan ik di niet, want ik lig hier ook vastgebonden.”Zoo bleven zij een tijd weer zwijgend liggen. De zeeman begon te kreunen en kreeg koortsen. Sogol voelde zich ook verzwakken maar hij onderdrukte zijn neiging om gedachteloos in te sluimeren door zijn wil, verwachtend dat er redding zou opdagen. Nu hij wist, door vrouwen gevangen genomen te zijn en nog wel, uit zijn gebied en die zijn taal spraken, vertrouwde hij dat zoodra hij in hare nabijheid gebracht zou zijn, ze wel zou weten onder zijn invloed te brengen.Hij begon ook weer te peinzen over de vreemde afbeelding, die tegen den wand was verschenen en nu niet meer zichtbaar was. Na ’t geen hij buiten gehoord had en na ’t geen zijn medegevangene hem had verteld kon hij nagaan, dat deze afbeelding niet een hersenschim was geweest, maar de voorstelling van een werkelijk tafereel. Maar waarom was het nu verdwenen? Hij beproefde zich de afbeelding voor te stellen, zooals hij ze gezien had.[190]Had hij ze gezien? Of was het een geestverschijning geweest? Of een droombeeld? Bestonden er dus werkelijk geheime krachten in den mensch? Zooals Harimona ze scheen te bezitten, die hem voor het binnengaan van de druipsteengrotten had gewaarschuwd? Hoe dieper hij doordacht, hoe grooter het aantal zijner ervaringen werd, des te moeilijker was het geheim van ’t leven te ontraadselen. Wellicht was dan toch niet alles door de gedachte te ontdekken.Van nixen had daar die zeeman gesproken … Waren het werkelijk nixen?… Had de priester, die in ’t onderaardsche meer verdronken was, dan niet gelogen? Er waren drie vrouwen uit het hol gevlucht, toen hij met Harimona en Haunnaderde.Nixen? Neen.. het waren gewone, aardsche wijven. Zij spraken den Nervischen tongval en hun geroep en gejoel en geschreeuw was niet geweest als van nixen maar als van beschonken, aardsche wijven.„Schipper!” riep hij nogmaals.De Nerigoner antwoordde alleen door luide te steunen.„Schipper, kunt di mi niet antwoorden.”„Heer … heer … ik kan niet meer …”„Kom, kom … du moet niet versagen … De redding is nabij …”„Neen heer, neen … nixen zijnkwajemachten … als nixen di pakken is het uit.. en ik heb het verdiend heer.. ik heb het verdiend … ik heb in de groote zee een nix met een harpoen gewond en dit is de wraak..”De Nerigoner zweeg en hield op met steunen. Sogol riep hem nogmaals maar hij antwoordde niet meer en scheen te slapen.Buiten was de zon ondergegaan en nu werd de krocht weder geheel donker.Sogol, hoewel doodmoede en tot slapen geneigd, dwong zichzelf om wakker te blijven, want indien Harimona en[191]Haun pogingen tot zijn redding zouden wagen, was het zeker dat zij van de duisternis gebruik zouden maken en hij moest oplettend luisteren blijven naar elk gerucht, opdat hij, zoo zij hem riepen, dadelijk zou kunnen antwoorden.Het werd nu koud in de krocht. Zoolang deze geheel gesloten was geweest, had de buitenlucht geen toegang gehad. Maar nu, door het luchtgat dat Hadoe had gegraven, kwam een ijzige tocht binnenwaaien. Sogol rilde, want zijn pels was terzijde gegleden, ’t geheele lichaam was naakt.Plotseling, in die stilte, begon de Nerigoon te spreken, verwarde woorden zonder zin of samenhang.Sogol had als knaap te vaak, als hij met Spûr mede ging, gewonden en zieken in koortsen zien liggen, dan dat hij niet dadelijk begreep, dat de man ijlde. Hij luisterde scherp toe, maar nu in zijn ijlkoortsen, sprak de man Nerigoonsch en hoewel die taal wel eenigszins geleek op het Nervisch, toch kon Sogol ze niet verstaan. Zoo lag hij, luisterend naar het gebrabbel van den ongelukkigen schipper. Maar tusschen de Nerigoonsche woorden hoorde hij anderen, van vreemden klank, alsof de schipper nog een andere taal sprak.Sogol toeluisterend, vergat zijn moeheid. Daar lag, vlak bij hem een man, die den weg naar ’t vreemde land kende, die er van teruggekomen was, zijn schip zwaarbevracht met de wondere schatten van dat land. En die man, in zijn koortswaan, sprak daar nu wellicht van, onthulde het groote geheim van den weg, dat de Nerigonen, zooals alle Scandiërs, zoo zorgvuldig voor andere volkeren verborgen, den menschen afschrikkend met vreesaanjagende verhalen.Deze hier had nog zooeven van een nix gesproken, die hij in de groote wereldzee met een harpoen had gedood. Nu had de Nerigoner toch geen noodzaak gehad om te liegen.Dus bestonden er dan toch nixen … waren de verhalen van de monsters en gedrochten niet alle slimbedachte[192]leugens om navolgers af te schrikken? Het groote geheim van den weg werd daar, op eenige passen afstands van hem, geopenbaard en hij kwam er niets van te weten, dan wat vreemdklinkende woorden, voor hem zonder beteekenis.Indien hij zich maar los kon werken. Hij zou den man te drinken kunnen geven, verplegen, de vrijheid hergeven en dan zeker zou hij hem uit dankbaarheid den weg naar het vreemde land wijzen.Nogmaals wrong Sogol aan zijn riemen. Maar de kluisters waren te vast aangelegd en sneden hem in ’t vleesch. Maar toch, eenigszins had hij ze verwrongen en de riem, die zijn linkerarm vastknelde, kon hij nu het hoofd zoover mogelijk ter zijde draaiend, met zijn tanden bereiken.Dat was een aanvang. Dien riem moest hij doorknagen.. dat was het begin der bevrijding. Het ging heel moeilijk. Maar zijn tanden waren jong en sterk en steeds maar doorbijtend zou hij zeker den riem, al ware ze ook driemaal sterker, kunnen vaneenknagen.Gestadig aan knaagde hij; het taaie leer werd week en glibberig door zijn speeksel. Toch bleef hij vezel na vezel doorbijten. Hij moest een poos rusten, misselijk wordend door den smaak van het leer. De stuurman kreunde nu weer.„Schipper!” riep Sogol.„Wat wil di, heer!” kreunde de zeeman.„Houd di stevig … Ik zal di bevrijden.”„Het is te laat heer; ik kan niet meer.”„Ik zal di bevrijden en di redden.. Nog dezen nacht..”En weer begon Sogol aan den riem te knagen, terwijl de Nerigoon bleef steunen. Telkens moest Sogol wachten, vermoeid rakend en misselijk wordend. Zijn tandvleesch begon te bloeden en het was hem, alsof hij geen tanden meer in den mond had. Maar toch bleef hij doorkauwen en knagen, vezel na vezel uit het leer losrukken. Toen eindelijk, nadat twee derde deel was doorgeknaagd, zette hij de spier van den bovenarm met kracht op. Het leer[193]van den riem gaf krakend iets mee. Sogol wachtte een oogenblik en opnieuw zijn armspier doende zwellen, gaf het murw gebeten leer mede.Dat was de bovenarm. Hij kon nu den linker elleboog en den linker schouder vrij bewegen enslechtshet linker polsgewricht was nog aan een bronzen ring in den rotsigen bodem vastgebonden. Gelukte het hem den pols los te wringen, dan was hij op ééne zijde vrij en de andere zijde zou weldra volgen.Doch hij kon den mond niet tot aan het polsgewricht brengen, daar zijn rechterschouder, bij den bovenarm vastgebonden, hem aan den grond ketende. Daarom moest hij eerst den bovenarm van den rechterarm losknagen, zooals hij dat bij den linkerarm gedaan had. Gelukkig dat hij nu niet meer gestadig denzelfden kant van den mond behoefde te gebruiken, maar afwisselend met de linker- en met de rechterhelft kon knagen.Als een dier, geduldig en onverzettelijk, beet en kauwde hij op het leer tot hij ook den rechter bovenarm ontboeid had. Zijn hart klopte heftiger van vreugde nu hij bemerkte, dat hij zich halverwege kon oprichten. Het bovenlichaam was dus bevrijd, nu de polsen en enkels … Maar hij behoefde niet meer te kauwen. Thans, nu hij over zijn geheele lichaamskracht beschikte, begon hij aan de polsriemen te wrikken. Het leer gaf iets mede, maar de polsen zwollen door de krachtsinspanning en daardoor verloor hij de gewonnen verwijding. De polsen moesten glad gemaakt worden, opdat ze door de riemen heen konden glijden. Hij peinsde even. Indien hij maar een paar druppels olie gehad had … Doch een denkbeeld kwam in hem op en een poosje later zich met geweld overwinnend, nam hij de eigen drek in den mond en spuwde ze op zijn rechterpols uit.En nu weer begon hij te trekken en te wringen … de riemen gaven mee, de nu gladde polsen gleden onder de riemen weg en zijn rechterarm was geheel bevrijd.[194]Hij zwaaide hem rond om de stijfheid te doen verdwijnen. Toen tastend langs den grond, zocht hij naar een paar ruwe steenen. Hij vond een stuk rotsscherf met een vrij scherpen kant. Dien scherpte hij aan tegen den grond en nu het als mes gebruikend, telkens in een kerf in de riemen insnijdend en dan weder den steen aanzettend op den grond, slaagde hij er in zich geheel te bevrijden.De moeilijke arbeid had hem zoo beziggehouden, dat hij niet op den schipper meer gelet had. En hij, zweetend van de inspanning, rekte zich uit en liep nu tastend naar den hoek waar de schipper lag.Deze was weder bewusteloos en Sogol, hem betastend, voelde hoe zijn beenen ijskoud waren. De riemen hadden den bloedsomloop gestremd.Geduldig en hardnekkig begon Sogol met zijn gescherpten steen de riemen door te snijden van den schipper. Doch de arbeid vorderde langzaam in ’t donker. Daarom kroop Sogol naar het luchtgat en het haastig met de handen uitgravend, stond hij weldra buiten.„Vrij!” zuchte hij.Buiten was het doodstil. De hooge avondlucht stond vol sterren en in ’t verschiet doemde vaag de zwarte schaduw van een bosch. Zijn gevangenis was een in rotsen uitgehouwen hol, dat met rulle aarde inderhaast was dichtgegooid.Hij ademde de nachtlucht met volle halen in en hij voelde zich vervuld van een dankbaarheid, die hem tot weenen bracht. Het leven was dan toch zoet en schoon, ondanks zijn raadsels. Daar, gebonden in ’t donkere krocht, had hij versmachtend den dood gewenscht. Maar nu rilde hij, denkend aan de doorgestane smarten en den dood. Leven wilde hij, het heerlijke, hooge leven bezitten, en zijn armen uitstrekkend, omarmde hij de nachtlucht als een bruid, die hij eindelijk weder omhelzen kon.Hij keek om zich heen. De streek was hem welbekend.[195]Daar gindsch begon het groote Nervische woud. Links daarvan, aan de tegengestelde zijde van de ster Brendel lag Beldun, de groote havenplaats.Hij was dorstig en hongerig en voor ’t oogenblik niets anders vindend, trok hij wilde zuringstelen uit den grond en begon er op te kauwen. Eerst nu kwam de gedachte aan den lijdensgenoot in de krocht weer in zijn hoofd, zoo was hij geheel ingenomen geweest door het zalige gevoel der herwonnen vrijheid.Hij keek rond om te zien of niet ergens een boschje in de nabijheid was, waar bij droog hout kon vinden. Dan had hij vuur en licht kunnen maken en met gloeiende houtspitsen de riemen van den schipper kunnen doorzengen. Maar het bosch in ’t verschiet was te ver. Hij blikte besluiteloos naar de krochtrots. Uit de wijze waarop deglooiingboven de krocht liep, in een langen, golvende lijn met inzinkingen, maakte hij op, dat hun krocht niet deeenigewas, maar dat de rotswand over een groote lengte in krochten was afgedeeld. Daarom liep hij nu langs den rotswand en voorbij de eerste inzinking vond hij een tweede krocht, maar geheel open, zoodat hij in ’t vale duister wel iets kon onderscheiden. De krocht was leeg, doch in ’t midden hing een bronzen pot boven een leemen haard. Het vuur in den haard was uit. Sogol nam den pot uit den kettinghaak en hem aan het hengsel zwaaiend, sloeg hij den pot met kracht tegen den rotsigen wand. De pot sloeg met een hollen metaalklank stuk. Sogol zocht twee groote scherven en begon ze haastig tegen den rots te wrijven tot ze scherp genoeg waren. Toen snelde hij terug naar de krocht waar de zeeman lag. Die was nog altijd buiten bewustzijn.Sogol kerfde nu de riemen van zijn armen en polsen los. Hij bevoelde de riemen waarmede de beenen van den zeeman waren vastgesnoerd aan den grond. Ook hier was een bronzen ring vastgegoten in den rots. Sogol rukte aan[196]den ring, maar deze was te vast in den rotsgrond bevestigd. Hij moest opnieuw de riemen doorkerven en eerst toen lag de man bevrijd.Sogol beurde hem op en droeg hem naar buiten. De koele nachtlucht hoopte hij, zou den man weder tot bezinning brengen. Hij wreef hem krachtig de beenen en nu in het nachtlicht bemerkte hij, dat de man een verkromden rechter voet had.Maar terwijl hij den man tot bewustzijn trachtte te brengen, dacht hij aan Harimona. Nu hij vrij was, moest hij aan hare bevrijding denken. Maar waar was zij? Gevlucht? Gedood? Teruggevoerd naar Renigo? Of wellicht in één van de krochten vastgebonden, zooals hij bewegeloos aan den grond gesnoerd was geweest.Daar de zeeman nog altijd bewusteloos bleef, nam Sogol hem op en liep met hem langs den rotswand, speurend rond met de oogen of hij niet ergens het glanzende vlak van een wel of een kreekje kon ontdekken. Maar het groote grasveld breidde zich tot aan den donkeren horizont uit, daar waar het woud begon zonder kreek of plas. Op de krocht waar de haard was, volgde een tweeden, geheel ledig. Een eind verder was er een derde.Daarvoor hing een zwaar, dichtgeweven zeil. Sogol legde den zeeman zacht op den grond, tuurde terzijde door een kier in de krocht. Daar zag hij, voor een sintelvuur twee menschen liggen, geheel naakt, een groote man en een vrouw in zijn arm, die het hoofd op zij, sliepen. Sogol sloop geruischloos binnen, nam een gloeienden sintel van het vuur. Met verwondering bemerkte hij, dat de andere mensch ook een vrouw was. Hij rilde nu van afgrijzen. Voorzichtig een aakst nemend, die dicht bij de hand van de grootste der vrouwen lag, hief hij deze reeds op om de twee met twee snelle slagen te dooden. Maar hij bedacht zich. De dooden spreken niet en deze vrouwen moesten spreken, hem zeggen waar Harimona en Haun zich bevonden.[197]Met de aakst gewapend, sloop hij weder uit het woonhol en liep verder langs den rotswand. Daar was opnieuw een woonhol en ook hier sliepen twee vrouwen, half naakt, op pelzen voor een vuur. Tegen den wand stonden aaksten, een kortzwaard, een langzwaard en kruiken en potten.Sogol, de aakst in zijn hand, sloop naar de potten. Maar bedenkend, dat een ontwaken hem veel last zou kunnen bezorgen, nam hij het langzwaard en sloeg met krachtigen slag de beide vrouwen in haar slaap tegelijk de hoofden van den romp. Zij uitten zelfs niet een korten gil, waren stom, zonder zucht of klacht van den eenen slaap in den anderen overgegaan.Nu, rustig, nam hij een stuk hout van ’t vuur en ’t boven de potten houdend, bevond hij dat deze eetwaren en water inhielden.Hij snelde naar buiten, tilde den schipper op, sleepte hem in de krocht en zonder zelf nog een teug waters genoten te hebben, bevochtigde hij de slapen en de borst van den bewustelooze, goot hem water in den mond, wreef hem krachtig langs de armen en beenen.Nu sloeg de schipper de oogen op. Sogol hield hem de hand voor den mond.„Zwijg schipper.… du bent gered. Maar zwijg.”Hij zette den man overeind, gaf hem te drinken en nu hem weder optillend en naar buiten brengend, zeide hij:„Stil en kloek, vriend. Ik heb dijn riemen losgesneden en di tot hier voortgeholpen. Wij zullen vluchten. Zeg mi, op welk wapen bent du geoefend?”„Den harpoen, de knods en het mes.”„En de aakst? Of het kortzwaard?”„De aakst!”Sogol snelde terug in de krocht, nam een aakst en een kortzwaard, liep weder naar buiten. Toen, nadat hij den schipper den aakst in de hand had geduwd, zei hij:„Wacht mi hier, vriend.”[198]Hij ging weer terug, haalde een kan drinkwater en een pot met eetwaar. Buiten zette hij de kan aan den mond en dronk, met voorzichtige, langzame teugen, als een man, die gewoon aan honger en dorst, weet dat men na lang versmachten kalm en niet overhaast moet drinken.Toen gaf hij de kan aan den zeeman, maar fluisterde:„Drink niet haastig.… met kleine teugen.… als dijn leven di waard is.”Sogol stopte zijn hand in den anderen pot. Hij voelde het taaie, kleverige van honig in raten. Gulzig bracht hij een stuk raat aan den mond. O, hoe zoet, hoe mild, smaakte ze, de honing, hoe koesterde zij den vlijmenden kramp van zijn hongerige maag. De zeeman tastte ook toe.Sogol liep een eind zijwaarts, wenkte den zeeman om mede te komen. Maar deze was te zwak nog om te loopen. Daarom sloeg hij hem den arm om den rug en hem zoo broederlijk steunend, liep hij met hem tot wat struikgewas.„Blijf hier, met den aakst in dijn hand en waak. Zoo du wat hoort, fluit dan. Er zijn nog meer gevangenen en ik heb ze te bevrijden.”„Vertrouw op mi, heer.”Nogmaals ging Sogol terug om zijn dorst te lesschen en stak weer een stuk honing in den mond. Toen, eenige zwaaien en houwen in de lucht met het kortzwaard doende, om zich te wennen aan ’t gewicht en om de dracht van den slag te meten, nu met zijn wapen in de hand te midden van wijven, wèl vertrouwend op zijn kracht en behendigheid, sloop hij langs de krochten. Hij telde er twintig. In elke krocht lagen twee vrouwen bij elkaar.„Ontuig, ontuig! Liederlijk getwaas!” zei hij vol afgrijzen.Maar waar waren Harimona en Haun?Opeens herinnerde hij zich, dat hij de vrouwen had zien dansen om iets.… Dat iets.… wat was dat geweest … Wellicht Harimona? Of Haun?Hij schreed terug tot voor de krocht, waar hij gelegen[199]had. Toen daarvoor staande, zocht hij in den helderen sterrennacht naar een boschje, dat gelijken kon op ’t geen hij omgekeerd in zijn visioen tegen den muur van de krocht had gezien. Recht voor ’t gat zag hij iets, dat er op gelijken kon. Hij snelde er met groote, haastige schreden op af, het kortzwaard gereed.Een boschje van tien boomen stond daar.… nu zag hij het duidelijk. En in ’t boschje glimde het schijnsel van een vuur.…Ondanks zijn spanning, verminderde Sogol zijn vaart, liep terzijde om tegenwinds het boschje te bereiken, opdat niet zoo de lieden daar waakhonden hadden, zijn nadering verraden zou kunnen worden.En nu, voorzichtig nader sluipend, zich plat op den grond leggend, kruipend langzaam voorwaarts ontwaarde hij vier mannen, eveneens met roode buizen.„Norigeenscheschippers, de makkers van den manken schipper,” dacht Sogol.Zij zaten om het vuur en dicht bij hen zat Harimona, met de handen vastgebonden aan een boom, starend in het vuur, maar overigens kalm.Sogol drong plotseling door tot voor het vuur en zich met het kortzwaard vooruitgestoken voor Harimona stellend, riep hij:„Dood dengeen, die zich beweegt.”De vier mannen, opschrikkend uit hun sluimer, sprongen naar achter. Twee namen de vlucht. Een derde zocht bescherming achter een boom, maar de vierde, dapperder dan de anderen, trok een kortmes uit zijn gordel en bleef kloek staan, gereed het tegen Sogol op te nemen.„Wie bent di, kaerel?” vroeg Sogol.„Een Nerigoonschen zeeman.… Pas op, voor de kol achter di. Zij heeft onzen makker gedood.”„Steek op dijn mes,” zeide Sogol tegelijk zijn zwaard met den punt in den grond voor zich stekend. „Wij zijn[200]vrienden. Dijn makker is vrij en leeft.… hij was een manke stuurman niet waar?…”De drie anderen kwamen nu ook toeloopen.Nu keerde Sogol zich om en omhelsde Harimona, kuste haar op mond en wangen, drukte haar aan zijn borst, reet met één snede van ’t kortzwaard den riem door, waarmede haar handen geketend waren.„Waar is Haun?” vroeg Sogol.„Ik weet het niet … Ik ben ’s nachts in een donker hol als uit een droom ontwaakt. Deze vier lieden, die hun makker zochten, hebben mij gepakt en naar hier gevoerd. Zij ondervroegen mij, hielden mij voor de aanvoerster van de vreeselijke wezens, die hier in ’t bosch schijnen te huizen. Zij bezweren mij, dat hier heksen en nixen in ’t woud wonen, die geheel naakt loopen en zich op reizigers werpen.”„Zij hebben gelijk …” „Mannen,” ging Sogol voort nu zich tot de vier zeelieden richtend, „ik ben Sogol, prins der Nerviërs en dit is Harimona, de heilige vrouw van Renigo, mijn bruid. Wij zijn, zooals du, door die vervloekte wijven aangevallen. Ik ontwaakte in een donker krocht en daar lag ook dijn makker, geboeid en versmachtend. Ik heb hem bevrijd en hij houdt hier dichtbij de wacht. Indien du moed hebt, zoo volgt mij, dan kunnen wij de bende dier wijven ketenen en opbrengen of dooden.”De vier mannen keken elkaar aan.„Heer,” zei een hunner, „tegen mannen willen wij vechten maar tegen nixen en kollen is alle strijd vergeefs.”„Wat? Bent di Norigener? Mannen, die de groote wereldzee bevaren en in ’t vreemde land tegen de monsters en gedrochten vecht.”De vier waren niet zoodra met een antwoord gereed en bleven zwijgen.„Als di niet durft, ga ik alleen. Bewaak hier de heilige vrouw.”[201]Een der mannen, dezelfde die tegenover Sogol stand had gehouden, een rijzige, breedgeschouderde kaerel, trad naast Sogol.„Heer, ik ben dijn man.…”En zich tot de drie andere richtend, zeide hij:„Bewaak de Bruid van den dapperen prins.”„Waar gaat di heen, liefste?” vroeg Harimona.„Haun bevrijden. Wacht mi hier, mijn kind.”Hij kuste haar op ’t voorhoofd en de twee mannen verdwenen in de duisternis.De manke stuurman lag nog altijd wachtend achter ’t kreupelhout. Toen hij zijn maat zag en nu zich eerst veilig voelde, begon hij te schreien van geluk.„Ik dacht, dat ik daar levend verhongeren zou, meester,” zei hij, na den anderen zeeman een kort verslag van zijn wedervaren te hebben gedaan.„Bent di de meester?” vroeg Sogol.„Ja heer, ik ben skigvoerder.”„Hoe is dijn naam?”„Rytzell de Svizjoon. Mijn mannen zijn allen Nerigonen.Tien zijn er op de skig gebleven ter bewaking, twintig hebben over land de reis naar Scandia aangedurfd. Wij wilden in Beldun overwinteren om tegen het voorjaar met een nieuwen skig een nieuwe reis naar ’t vreemde land te beginnen.”„Zend dijn stuurman weg. Wij samen zullen wel met dat vrouwsvolk ’t alleen klaren, Rytzell.”De skig-kapitein zond den manken stuurman naar ’t boschje, waar zijn makkers Harimona beschermden. De rust had den manke goed gedaan en hij kon nu weder loopen.„Rytzell,” zeide nu Sogol, „het hart is mij goed om al die wijven neer te slaan.”„Heer, ’t is kwaad vechten tegen nixen en kollen.”Sogol haalde de schouders op.[202]„Heb di nooit in ’t vreemde land tegen nixen en kollen gevochten?”„Neen heer … daar leven wel gruwelijke beesten, sterker dan de beer en woester dan de ever. Maargetwaasheb ik er nooit gezien.”„Heb di dan welgetwaasgezien, ginds in dijn vaderland?”„Ik zelf niet heer.… maar anderen hebben er velen gezien.…”„Zeg mi eens oprecht opperschipper, heb di ooit in de wereldzee zeewijven gezien met vischlijven?”„Neen heer … zelf niet. Maar anderen …”„Ik zal di wat zeggen,opperschipper. Wij zijn mannen, beiden onvervaard en geen kinderen, angstig voor een spook of een droombeeld. Ik ben een man, die lang in de bosschen heb geleefd en veel onderzocht heb. Dit zeg ik di: daar zijn geen andere geheime machten, dan die wij in ons hebben. En nu let op. Du zult zien, dat in de krochten geen nixen of kollen huizen, waarvoor koene manslui bang behoeven te zijn. Maar liederlijke boschwijven, de snee van een eerlijk zwaard schier niet waard. Nu volg mi …”Zij liepen langs de krochten. Sogol, nu vreezeloos, trok de voorhangen terzij en toonde de slapende wijven paar bij paar. Ook kwam hij weer bij de krocht, waar de twee vrouwen lagen, die hij met één houw de hoofden van de romp had geslagen. In den zwakken rossen schijn van ’t doovende haardvuur lagen daar de ontzielden lichamen in ’t bloed en de beide hoofden star en gelaten van uitdrukking hingen ter zij op de kussen der blonde, losse haren.„Die sloeg ik in den slaap neer!” zeide Sogol„om mijzelf en dijn maat te kunnen helpen.”Sogol bemerkte aan ’t zwijgen de ontzetting van Rytzell.„Zeg mi, opperschipper, hebt di ooit zoo iets schrikkelijks ginds in ’t overzeesche land gezien?”[203]„Neen heer … wel heb ik er levende vrouwen gezien, die verbrand werden met het lijk van haar man. Maar dat is om der wille van het geloof.”„Gelooven ze daar ook aan Wotan?”„Neen heer en niet aan Odin ook.”„Wat gelooven ze dan?” vroeg Sogol, vergetend de gruwelijke krocht waar de twee onthoofde vrouwen aan hun voeten lagen, voor de oplossing van het groote vraagstuk, dat hem meer belangstelling inboezemde dan de voorvallen van het heden.„Zouden wij niet eerst den gevangene redden?” vroeg Rytzell, naar de gewoonte der Scandiërs, ontwijkend het antwoord op alle vragen omtrent het vreemde land.Zij traden uit de krocht naar buiten en liepen langs den steilen rotswand.„De vrouwen, die ons vervolgden heer, geleken op deze.”„Dat zijn dijn nixen, schipper. Geloof mi, andere bestaan er niet. Wij zullen er nu twee in haar slaap wegvoeren en dan vragen waar mijn horensteker is.”Sogol liep een krocht binnen en een prop makend van een stuk lijnwaad en Rytzell beduidend hetzelfde te doen, nam hij een wijf bij ’t gelaat, rukte haar den mond open en voor ze gillen kon, duwde hij haar de prop in den mond. Daarna tilde hij haar op en droeg haar naar buiten. Rytzell, hield zijn hand voor den mond der andere vrouw en sleepte haar met de andere hand Sogol achterna.Zij liepen nu, elk een vrouw dragend, snel ver uit het bereik der krocht. De vrouwen, plotseling uit haar slaap gewekt, verweerden zich maar de twee mannen, beiden van groote lichaamskracht, sleurden heur voort. Doch de vrouw, die Rytzell droeg, van groote statuur en zwaargespierd, beet hem in den vinger.Even trok de zeeman zijn hand terug en zij, snel zich losrukkend, kreeg vasten voet op den grond en begon met haar ontvoerder te worstelen.[204]De zeeman, kortemettenmakend, trok zijn mes en stak haar dit in ’t hart. Als een blok viel ze neer, maar heur gegil tijdens de worstelpartij had de andere vrouwen gewekt en enkele kwamen al, met vlamhouten en met zwaarden gewapend toerennen. Het was echter duister genoeg om de twee mannen, nu geen gillen der vrouwen den weg aanwees waar zij haar aanvallers konden vinden, aan haar oog te onttrekken.Rytzell, de vrouw die Sogoltorschte, bij de beenen vattend, hielp Sogol haar zwaar lichaam dragen en beiden snelden naar het bosch, waar de andere zeelieden waakten.Toen zij daar kwamen, waren de zeelieden zeer verwonderd de gevange nix te zien. Zij durfden haar nog altoos niet naderen. Rytzell scheurde een deel van het overkleed van Harimona snel in reepen en boeide de vrouw de handen en de voeten, handig de knoopen leggend, zooals zeelieden dat verstaan.„Luister wel!” zeide nu Sogol tot haar. „Antwoord op mijn vragen naar waarheid en schreeuw niet; zoo du schreeuwt, werp ik di in dit vuur.…”Toen, met het mes van Rytzell voorzichtig de prop uit haar mond nemend, vroeg hij:„Wie bent di. Hoe komt di daar? Waarom hebt di mijn bruid, mijn knaap en mij gevangen genomen en waar is mijn knaap?”De groote vrouw, met lichtblauwe oogen, lang blond haar en zelfs niet gekleed met een schaamdoek, keek naar Harimona, maar antwoordde niet.„Zult di antwoorden?” vroeg Sogol.Zij bleef weigeren en staarde maar altoos Harimona aan.Sogol nam een vlammend hout van het vuur en duwde het even tegen haar arm. Zij sprong op en gilde.„Zult di antwoorden?”„Heer.… mijn naam is Koenegoend. Ik ben een krijgsvrouw van Koenderic, koning der Nerviërs geweest. Toen[205]Koenderic gestorven was zijn wij uitgetrokken, al de krijgsvrouwen bij elkaar en leven nu in de bosschen.”„Een fraai leven, dat di voert.”„Wij hadden veel van de mannen te lijden gehad en leefden nu zonder de mannen.”„Vervloektgetwaas!”Zij keek weder naar Harimona met droomerige blikken.Harimona wendde het hoofd af.Sogol nam nogmaals een brandend hout en bedreigde haar.„Waar is de knaap, die bij ons was.”Zij begon opeens schril te lachen.…„Waar is de knaap, wijf?”Zij lachte hoog op en opeens viel zij neer en begon de beenen krampachtig te trekken.Sogol stiet haar het gloeiende hout in de heup.„Zult di spreken, luizenwijf.”Maar zij bleef lachen, scheen genot te hebben in de smart van de brandwond.De vier Nerigonen traden angstig terug en Sogol zag, dat zij weer op ’t punt stonden aan den haal te gaan. Hijzelf voelde zich vermoeid met een onbedwingbaren drang om te gaan slapen.De vrouw, na eenigen tijd op den grond zich om en om gegooid te hebben, kwam weder tot kalmte.„Wilt di antwoorden, kol? Of ik steek di hier vast in den grond?”Sogol hief zijn zwaard op.„Ach heer, vergeef mi.… ach heer, dood mi niet.…” kermde het wijf.„Waar is de knaap?”„Ach heer … dood mi niet … ik heb het niet gedaan … De andere vrouwen.… Wij dooden alle mannen. Du en die daar, de manke zeeman, zouden morgen gedood worden.… en die daar.… die minneclîche maide, zou verlost worden.… want velen beminden haar.… maar[206]de horensteker is door Nilka en Ortrûd naar het kleine zand gebracht en zij hebben om hem gedanst en hem tot een maagd gesneden en nu is hij dood.…”„Waar is ’t kleine zand?”„Daar heer, daar.. bij de boompjes.. daar.. daar..”„Komt mee Rytzell … en du mannen, bewaak haar en vlucht niet.. het is geen nix maar een liderlicke hure..”Sogol en Rytzell liepen met een brandend hout in de aangewezen richting. Bij ’t kleine boschje op een open plek van hel geel zand, lag daar het naakte lijk van Haun.. zijn hand nog aan den horen, alsof hij in doodsstrijd hem nog aan den mond had willen brengen. Rytzell hield het brandende hout dicht bij ’t gelaat … bij de borst … Toen, in den rooden gloed, zag hij de gruwelijk wonde, waaraan de knaap verbloed was … Hij trad met een gil terug en steunend op den schouder van Rytzell begon hij te weenen.„Mijn arme, arme knaap. Mijn trouwe, kleine jongen …”Hij tilde het al koude, stijve lijk van den kleinen horensteker op en droeg het met Rytzell terug naar het woud.„Zij heeft de waarheid gesproken!” zei Sogol dof tot Harimona …Zacht legde hij ’t lijk neder op ’t boschmos en bedekte de vreeselijke wonde met het stuk lijnwaad, dat van Harimona’s overkleed was overgebleven.3Ook Harimona weende. De zeelieden, die met ontzetting het geschonden lichaam van den jongeling hadden gezien, stonden dicht bij elkaar, alleen door ’t oog van Rytzell in bedwang gehouden om niet te vluchten.In de verte zagen zij de andere wijven nog altijd met de vlammende toortshouten zoeken naar heur aanvallers.[207]Sogol, zijn eigen moeheid voelend, weinig vertrouwend op den moed der zeelieden, vreezend voor het leven van Harimona, beval op te breken en zoo snel mogelijk naar Beldûn te trekken. Maar voor de stoet zich in beweging zette, hakte hij van takken een baar, legde het lijk van den verminkten knaap er op en deed het zoo mededragen door twee der Nerigonen, opdat het verbrand zou kunnen worden en bijgezet met de eere, die een prinselijken horensteker toekwam.Doodmoede, tot schreiens toe bedroefd, liep hij naast Harimona achter de baar, met gebogen hoofd en zich steunend op den schouder van de heilige vrouw.[208]1Wind, geur, zonnestraal—wij weten nú dat zij aan de stof gebonden zijn. Sogol kon dit niet weten.↑2Het is waarschijnlijk, dat velen het voor onwaarschijnlijk zullen houden, dat deze gedachten een Germaan uit 150 v.Chr.bezielden en aan een zeker soort geestelijk anachronisme zullen denken. Men houde echter in ’t oog, dat de Germanen in hun oer-land, Indië, waarschijnlijk een hoogere beschaving hebben gekend en wellicht, in de eerste eeuwen[184]van hun verblijf in Europa, ontaard zijn in het noordelijke klimaat. Eerst thans, na zoovele eeuwen, schijnt de Germaansche ziel zich weder te openen voor de opneming van haar oer-droom. Uitstekende Germanen als Goethe en Schopenhauer hebben instinctmatig zich naar ’t oosten gewend. Het Christendom, dat veel heeft van eenBoeddhismenaar Joodschen karakteraard, door Christus van een individueel cachet voorzien, is juist door de Germanen het best begrepen.Het is, alsof de Germaansche ziel in het Christendom eindelijk weder den godsdienst naar heur waren aard vond, terwijl de Joden onontvankelijk blijken voor de leer van Christus, waarschijnlijk omdat hun oer-droom van leven en dood altoos een andere is geweest.Er is geen enkele reden om te bestrijden, dat ook het geestelijk leven onderworpen is aan vaste natuurwetten. De godsdiensten zijn m. i. een gevolg niet allereerst van het denken en voelen, maar van het klimaat.In dezen zin kunnen wij allen zon-aanbidders zijn. Het Christendom neemt onder onze oogen de nuanceering aan van het klimaat der streken, waarin het wordt uitgeoefend. Nergens duidelijker dan in Rénan’s „Vie de Jésus,” voelt men, hoe de omstandigheden van bodem en klimaat, dus eigenlijk van den stand der zon ten opzichte van het landschap Galilëa, de zachtaardige, vriendelijke en liefdevolle idée van den gevoeligste der Joodsche droomers, tot ontwikkeling brachten.Ons heele leven is een gestadige poging om ons iets te herinneren dat wij voelen, dat in onzen geest besloten ligt, maar dat wij niet geheel kunnen terugvinden. Onze grootste geesten zijn wellicht lieden, die de meeste kracht tot weder te binnenbrenging bezitten, niet alleen van de dingen uit dit, maar ook van de dingen uit onze vorige levens.Schopenhauer zegt, dat zijn hoofd gedachten opwierp en uitwerkte, zonder dat hij zelf het daartoe dwong. Het inspiratieve wezen van geniën is bekend. Het schijnt of zij werktuigen zijn van een geest buiten hen. Vandaar het dikwijls verbazende onderscheid bij geniën tusschen den mensch en zijn werken.Sogol, éénmaal zich bevrijd hebbend van den oud-Germaansche Wotandienst, komt gelijk elke vrij-geest d.i. vrije geest, tot de verheven twijfelingen, onderstellingen, vermoedens en dwalingen, waartoe elk naar zijn aard noodzakelijkerwijze moet vervallen, zoodra hij het als onwaar bevonden dogma verwerpt, en moed, denkkracht, fantasie, waarheidsliefde en bewustheid van hoogere machten bezit. Sogols gebrekkigekennisheb ik laten doorschemeren.↑3Atjehsche vrouwen, vertelde mij een geloofwaardig kolonist, wreekten zich soms op dergelijke wijze, wanneer Nederlandsche soldaten krijgsgevangen waren gemaakt.↑

[Inhoud]HOOFDSTUK XIV.Midden in het bosch, aan de grens van het Nervische gebied, was Sogol ’s morgens ontwaakt, door een snijdende pijn in de polsen. Hij had gedroomd, dat een kobold hem met een zwaard de handen afsloeg.Toen hij ontwaakte bemerkte hij, dat hij in een donker vertrek was en dat zijn polsen en enkels gebonden waren met dunne, snijdende riemen.„Harimona!” riep hij.Zijn stem klonk hol en daaruit leidde hij af, dat hij zich in een gewelf bevond.„Haun!” riep hij, „Haun! Haun!”Maar hij kreeg geen antwoord. Hij trachtte zich nu op te richten, maar hij ervoer, dat hij ook met een riem, die om de bovenarmen liep, ruggelings aan den grond was bevestigd.Hij rukte even met zacht geweld om de kracht zijner boeien te meten. Ze waren zoo sterk, dat hij er niet aan behoefde te denken, ze stuk te trekken.Het was zwart duister om hem heen, zonder zelfs een schemer licht. Sogol begreep, dat hij gevangen genomen moest zijn tijdens zijn slaap; dat men hem geboeid had en dat Harimona en Haun eveneensòfgevangen òf verjaagd waren. Meer kon hij niet te weten komen. Het beste was zich kalm te houden en af te wachten. Voorloopig overtuigde hij zich ervan of hij nog ’t gebruik van al zijn ledematen had.Ja, zijnknieënkon hij nog buigen, zijn vingers bewegen en behalve het schrijnen van de striemen der riemen om zijn polsen, voelde hij geen pijn. Maar wel was zijn keel droog en had hij een grooten dorst. Doch[179]zijn eigen lichamelijke kwalen telde hij weinig. Waar was Harimona? Lag ze ook zoo als hij, vastgebonden en versmachtend in een donker hol? Hij wilde weer roepen maar bedacht zich. Waarom zijn bewakers te wekken? De wijze, waarop zij hem gevangen hadden genomen en hier gevangen gezet bewees voldoende, dat zij hem kwaad wilden. Wie waren zijn gevangennemers? En hoe hadden ze hem zoo kunnen binden, zonder dat hij ontwaakt was?Het zware, doezelige gevoel in zijn hoofd, de dorst gaven hem een aanwijzing. Hij moest zeker te voren door kruidendamp bedwelmd zijn geworden.Sogol bracht zijn hoofd wat naar voren en berook zijn naakte, harige borst. En hij herkende den geur van ’t ginneblad, dat ook op feestdagen gebrand wordt in de heilige hagen, waar de priesters en priesteressen zich er door laten verhitten en dan tot zinneloozen lust worden geprikkeld. Maar wie te veel van den rook van ’t geroosterde ginneblad opsnuift, verliest het bewustzijn en valt in een diepen slaap, waaruit men niet altoos ontwaakt.Hij was dus gevangen genomen òf door priesters of door vrouwen. Want mannen, zelfs de meest schunnige roover, zou een vijand niet op deze wijze onschadelijk maken.Maar hoe lang had hij geslapen? En waren zijn gevangennemers wellicht overtuigd geweest, dat hij den doodslaap wel slapen zou en hadden zij hem hier zoo gebonden, levend in een graf gelegd?Weer wildehijschreeuwen, maar zijn instinct hield hem ervan terug. Neen, hij moest voorloopig zwijgen en stil onderzoeken. Hij was nu al zoo ver, dat hij wist, waardoor hij bedwelmd was en iets kon vermoeden van de persoonlijkheid zijner vijanden. Een poosje lag hij stil om tot rust te komen. Zoo hier te blijven liggen en te sterven … was dat wel zoo vreeselijk? Die korte tijd van honger en dorst zou niet eeuwig duren. Maar wat dan?[180]Hij strekte zich lang en recht uit, als een die gestorven is en sloot de oogen, die vermoeid werden van in ’t duister zien en peinsde over den dood.Hier lag hij nu, onverwrikbaar vastgebonden, in een levend graf. Zou de dood nu werkelijk een verlossing zijn? Wanneer zijn levensgeest was geweken, zou dit lichaam, dat nu nog ademde, welks zwaarte hij nu nog voelde, dat zijn levenskracht verraadde door ’t kloppen van ’t hart, het zware bonzen van de slapen, het zweeten van ’t voorhoofd, hier dan liggen, een gevoelloos stuk dood vleesch, dat stinkend zou vergaan, weggevreten door wormen en maden, opgelost in een afzichtelijke brei, waarvan de grond de vochten zou opzuigen. Maar dan, langzamerhand was al ’t vleesch vergaan en zijn beenderen zouden bloot komen, uitdrogen en op een dag, wellicht na eeuwen zou door een toeval een voorbijganger zijn geraamte hier vinden, zooals hij daar ginds bij ’t onderaardsche meer de geraamten der reuzen had gevonden. En die levende zou naar zijn doodshoofd kijken en beschouwend staren naar dat bolle voorhoofd, waarachter de gedachten gewoeld hadden en die holle, zwarte oogkassen, waaruit zijn zielsbewegen door de glanzende oogen naar buiten geschenen had, maar ook hij zou voor het geheim staan van het zwijgende graf en de mond, die nu nog kon roepen en spreken, zou dan eenafgrijselijken, breeden grijnslach vertoonen met de witte tanden dreigend als in den bek van een dier. Zou daarmede dan alles gedaan zijn?…En als de beenderen verbrand werden en een hoopje asch in een urn lei of de asch werd verstrooid door de winden … was dan hij Sogol ook voorgoed verstrooid en niet weer te vinden uit den baaierd …?Of was daar dan werkelijk een ander leven, een leven buiten dit, dat niet gebonden was aan aardsche banden, niet vastgeketend kon worden gelijk dit lichaam nu, dat hij op dit oogenblik voelde als iets vreemds, als iets dat[181]niet van hem was, iets pijnlijks en wreeds dat hem vastbond aan een aardsch bestaan, een andere keten maar inderdaad gelijk aan de riemen, die hem nu vasthielden aan den rotsigen grond.Waar gingen de gedachten heen uit zijn hoofd?Die waren vrij en niet gebonden aan zijn lichaam. Want zie, nu lag hij hier toch vastgeriemd zoo, dat hij zich zelfs niet geheel kon oprichten en alles om hem heen was zwartdonker en hij hoorde geen geluid en wist niet waar hij was noch hoe hij hier gekomen was. En toch, in zijn hoofd, daar achter zijn voorhoofd, woelden gedachten en voorstellingen, plannen, overleggingen, berekeningen. Hij kon zich verbeelden vrij te zijn en te zweven uit dit donkere hol ver naar de vrijheid en hoog boven de landen, steeds hooger, hooger, gelijk een arend, die naar de zon vliegt … o nog hooger, nog hooger …Neen, neen, neen … hooger niet … daar in de blauwe luchten begon het groote geheim weder en daar vond zijn vrije geest die andere riemen, die hem vastsnoerden in een ander gewelf, dat maar schijnbaar vrij en helder en doorzichtig en licht was, doch inderdaad al even donker als dit hier, waaronder hij nu vastgebonden lag …En in dat andere gewelf zou de geest ook verpulveren in den baaierd, zooals zijn lichaam hier in dit zwarte hol.. wellicht, wellicht, wellicht, want iets ontzwond zijn lichaam dan toch en was niet door de riemen hier gebonden, die hij voelde schrijnen … En iets wellicht zou ook weer den geest ontzwinden, wanneer die zichoplostein de ruimte van het hemelgewelf zooals een brandoffer-geur, weggewaaid door den wind … en uit dien geest, zwevend in hoogere ruimte zou eens weder een fijnere geest opstijgen en uit dien weder een eeuwig, eeuwig, eeuwig, in gestadige fijnere, hoogere ontwikkeling, verrijzend steeds schooner uit zichzelf.Hij lag zoo in het donker te peinzen. Nu hoorde hij een dof, klotsend geluid alsof er ver een paard liep.… Hij[182]legde zijn oor op den bodem.… luisterde aandachtig met zijn scherp gehoor.… Dat was zijn paard.… hij herkende het aan ’t rhythme van ’t geklakkel der hoeven.…Maar de gedachte aan het geheim van den dood nam zoo zijn denken in beslag, dat hij niet zich bezighield met dat geluid, dat wellicht bevrijding kon beteekenen, maar bleef zweven met zijn gedachten in de ijle ruimten ver boven de aarde, waar de zielen konden zweven en zich van trap tot trap ontwikkelen tot hoogere volmaking.Maar weer hoorde hij ’t geklikkeklak der paardehoeven en nu ook een zacht hinniken.…Ja … wèl was het zijn paard … Zijn paard … zijn trouw, goed, groot paard, dat zijn meester misschien kwam zoeken …Zou het hem vinden? Had het besef er van, dat hij hier in nood verkeerde? Hoe dikwijls nu al, gedurende de lange reis van de Renigo naar Nervië, had hij in gepeinzen gekeken naar dien grooten kop van zijn paard. En ook vaak had hij getuurd in de groote bruine oogen, zich afvragend wat die wilden zeggen, van welke ziel zij de spiegel waren. En welke gedachten huisden achter dat zware, groote been tusschen de twee ooren. In den haag van Lagdûn waren witte paarden, die voor heilig werden gehouden en uit hun brieschen voorspelden er de priesters de toekomst. Wanneer de groote koningen en zelfs de hertogen gestorven waren, doodde men in sommige streken hun hengsten en verbrandde de lijken van de paarden tegelijk met die van hun heeren, opdat deze in ’t Walhalla hun lievelingsros weder zouden kunnen bestijgen. Hadden de dieren ook een ziel? Steeg hun ziel ook op na den dood, bevrijd van aardsche slaafschheid? Ging hun ziel ook van trap tot trap hooger in een voortdurende ontwikkeling de hoogste volmaking tegemoet?Wat was de ziel? Leefde zij zonder lichaam.… als een wind of als een geur of als een zonnestraal?1En wanneer de dieren allen een ziel hadden, was dan[183]na den dood de ziel van een laffen haas gelijk aan die van een moedigen ever? Of kwam de ziel van den haas, na diens dood tot hoogere volmaaktheid gekomen, in een hooger dier wonen, in een dier met grooteren moed en kracht?Sogol bleef even geheel gedachteloos liggen. Het was hem of hier, in deze donkere krocht, waar hij machteloos en eenzaam te versmachten lag, opeens het groote licht des levens opging.Hij voelde een grootsche, een alomvattende gedachte komen, maar weifelde om haar toe te laten in zijn hoofd.. Het was vrees en genot tegelijkertijd, dat wachten op de groote openbaring van zijn rede.… Wellicht … wellicht … wellicht.… o, hoe durfde hij die gedachte aan.… wellicht was de ziel van al wat leefde één wezen, maar zooals de lucht één ding was en toch elk levend wezen naar zijn aard en behoefte zijn deel van die lucht inademde, zoo kon dan ook elk een deel van die àl-ziel in zich omvatten en stervend zijn deel weer teruggeven, zooals de ademtocht teruggegeven werd.… Het heele leven zou niet anders dan één lange ademtocht zijn, ingehaald bij de geboorte en uitgezucht bij den dood.… De ziel van elk dier, ook het geringste, ware het een luis of een vlooi, was een gedeelte van dezelfde alziel van den mensch.… En het deel der alziel, dat heden in een luis leefde, zou na lange tijden van uit- en inademing, door verschillende trappen eindelijk den edelsten mensch kunnen bewonen. Daarna … ging dan dat zielsdeel voort in ontwikkeling zich vervolmakend, zou het den goden gaan bewonen? Was er dus waarheid in de sagen, die van de oude helden goden maakten?…2Begon dan de hemel reeds op aarde? En bij[184]het kleinste, minst ontwikkelde dier? Wat zou het minst ontwikkelde dier wel zijn?De slak? De oorworm? De oester? De zeester? Ja.…[185]bij de zeester zouden de levende dieren zeker aanvangen … zonder kop, zonder oogen, zonder schelp.… Hij had ze dikwijls op het Nervische strand gezien, als jongen ze wel ’s morgens gezocht na den vloed, als ze nog leefden en de vijf punten bewogen. Ze hadden ze in de zon gedroogd, hij en de andere knapen en ze aan een draad geregen en op de borst gedragen. Lag er bedoeling in den vorm van dit dier, dat bijna op een plant geleek? Een ster was de aanvang van alle leven.… O, mocht ik bevrijd worden … De ster zou mijn zinnebeeld zijn en op mijn wapenschild zal ik haar afbeelden.…Bevrijd zijn, bevrijd zijn! Hij keerde weer uit zijn gedachtenrijk terug als uit een droom. Maar de riemen om armen en beenen, die striemden zoodra hij zich bewoog, de zwarte donkerte om zich heen, nu hij de oogen weder opende, herinnerde hem smartelijk aan zijn vreeselijken toestand van de stonde.Weer hoorde hij buiten het brieschen van zijn paard en het scheen of het dichtbij met den voorhoef in den grond groef. Sogol bleef ingespannen luisteren.… O, als zijn paard werkelijk zooveel verstand had om een gat te graven en zijn meester licht en lucht toe te voeren…Zou in dien grooten kop, achter die goedige, bruine oogen zooveel besef huizen? Wellicht…waarom niet?Hoe reusachtig was de afstand niet tusschen de zeester en zijn paard…beiden toch dieren. Hoeveel malen moest de levensziel zich niet door sterven en wederopstand verreinen om den afstand af te leggen tusschen de hulpelooze zeester en het al zoo redelijke paard.…En het bleef graven.… Hij hoorde het telkens brieschen en dan weer woelde de hoef in den grond. Het geluid van ’t woelen kwam van rechts en klonk alsof een dor blad, door den wind opgejaagd, langs een drogen grond schoof.Als hij ’t eens riep.… Maar zijn stem zou zijn bewakers kunnen wekken.… Neen, zwijgen moest hij.… een instinct zeide hem, dat hij zwijgen moest.[186]Stil, zachtjes ademend, lag hij te luisteren naar het brieschen en het graven.… Ja.… het gat moest dieper worden.… want hij hoorde den woelenden hoef steeds, steeds duidelijker en het brieschen nu al heel dichtbij.… Nu kòn hij zich niet langer weerhouden en zachtjes floot hij sissend tusschen de tanden, zooals hij dat deed, wanneer hij zijn paard tot zich riep. Even was ’t doodstil. Nogmaals floot Sogol.… toen hoorde hij een klagelijk gehinnik.… Ja.… dat was Hadoe, zijn trouwe hengst.… Nogmaals floot hij.… twee, driemaal achtereen.… De hoef begon weder te woelen.… En nu kwam opeens een blauw straaltje licht naar binnen, dat een klein licht plekje sloeg onder tegen den zijwand ver van Sogol. Even moest hij zijn oogen wennen aan dat licht.… en tot zijn ontzetting zag hij nu, dat het scheen op het gelaat van een ander mensch, een die nog toe in verdooving lag of dood was.Zachtjes floot hij weder. Het gat werd grooter, nog grooter.… en daar kwam het blauwe daglicht binnen. Het was Sogol of het door dat gat, links van hem, zachtjes binnengegoten werd, als water uit een drinkkan. En snel flitste de gedachte door zijn hoofd of het licht misschien ook een soort water was, dat uit de zon over de aarde werd uitgegoten. Maar de gedachte hield hem niet langer bezig op dit oogenblik. Vrij wilde hij zijn, weer loopen langs de wegen onder het hooge, blauwe koepeldak en rondom gebaad in de winden, streelend om zijn naakt lichaam.O, indien hij zich maar naar het gat had kunnen sleepen, vanwaar het blauwe licht binnenstroomde en scheen in het holle gewelf zijner gevangenis uit te vloeien, verschaduwend in de hoeken alsof het nog geen kracht genoeg had om zooveel duister weg te dringen.Nu dorst hij te roepen. Het licht gaf hem geestkracht en vertrouwen en moed.„Kom dan Hadoe.… kom dan zoet beest.… zoek[187]dan, zoek dan dijn heer.… zúúúúúút.… zsúúúúúúút … dijn heer is hier.… kom.… kom.…”Sogol wachtte en keek even weder naar den anderen gevangene.… Hij schrikte.… daar, tegen den wand boven het lichaam van den onbekenden man, die daar lag, zag hij eenvisioen.… een onverklaarbaar wonderverschijnsel. Iemand.… een geest.… een ziel.… een god.… wie dan ook.… had met toovermacht daar tegen den muur een wonderschoon tafereel geteekend.…Met oogen, star van ontzetting, zag Sogol tegen den muur een boschje van hooge boomen, die wuifden in den wind en daaronder bewegende gestalten … met lange, loshangende haren … vrouwen waren het, die druk, verward bezig waren om iets dat in hun midden lag, te dansen. Maar het grootste wonder was, dat alles omgekeerd op den muur geteekend stond, zoodat de boomen met de toppen naar beneden verschenen en de vrouwen met de hoofden … Dan, nu het gat nog grooter werd, was het opeens verdwenen.„Hadoe! Kom dan, mijn jongen … kom dan!” zei Sogol aanmoedigend. Het paard stak zijn snoet naar voren in ’t gat en snoof in de krocht naar zijn meester.Toen, zich overtuigd hebbend, begon het verder te graven.Sogol hoorde vrouwenstemmen en gillen en roepen, verstond de woorden. Zij spraken den zuiveren Nervischen tongval. Hij was dus door vrouwen van zijn eigen stam gevangen genomen. Waarom? En wanneer? En waar was Harimona en waar was Haun.Hij begon ongerust te worden over ’t lot der twee. Nu hij weder het daglicht zag en rondom zich de dingen kon onderscheiden, verlieten hem de gedachten aan den dood en zijn mysteriën en zijn jong lichaam verlangde naar de geneuchten van het leven.Waar was zijn geliefde? Lag zij wellicht zooals hij gebonden in een duister krocht? Was heur paard ook[188]zooals zijn trouwe Hadoe, zijn meesteres licht en lucht komen brengen. Of versmachtte zij? En de jonge horenblazer? Waar was de knaap?Hij hoorde het knallen van een zweep en daarna het geklikklak van de hoeven van Hadoe. Het paard werd weggevoerd … Zijn laatste vriend liet hem alleen … maar niet, dan nadat het hem zijn lot, zoover het in zijn zwak vermogen stond, verzacht had.Licht was er tenminste in het hol. Nu zijn oogen geheel gewend waren aan den blauwen schemer die binnenviel, bemerkte hij, dat de man, die tegen den anderen muur gebonden lag, nog leefde, want zijn borst bewoog zich zwak op en neder. Hij was niet zooals Sogol, bijna naakt, maar had een rood buis aan, zooals de zeelieden dat gewoonlijk droegen.„Schipper!” riep Sogol luide.Maar de man antwoordde niet en bleef in zijn diepen slaap verzonken.„Schipper!” riep Sogol nogmaals. „Schipper!”De man antwoordde niet.Zoo lag Sogol geruimen tijd, versmachtend van dorst, pijnlijk in al zijn leden door het gedwongen gestrekt liggen, zonder zich te kunnen verroeren. Hij voelde zijn hoofd zwaar worden, sloot de oogen, kreeg verwarde denkbeelden en verloor het bewustzijn.Toen hij weer ontwaakte was het vaal donker in het hol, hoewel het gat nog open was. Het scheen dus avond te zullen worden. Hij hoorde nu geen geluiden meer, niet meer het gieren en joelen van de verre vrouwenstemmen en niet meer het klakkelen van de paardehoeven.„Schipper!” riep hij nogmaals zwak.„Leeft di!” antwoordde de man nu, sprekende het Nervisch met een Scandischen tongval.„Ja, ik leef. Wie bent di en hoe bent di hier gekomen?”„Ik ben een Nerigoner, stuurman van een Noorschen[189]skig, die van het vreemde land kwam en in ’t Nervisch gebied met mijn kameraden wilde overwinteren. Toen, in dat vervloekte bosch, zijn wij door nixen overvallen. Mijn kameraden zijn ontkomen, maar ik, die een verwonden voet heb, kon niet vluchten en ben door de schoerhaaien gepakt en hier ingesmeten. Kunt di mi helpen … Ik heb zoo’n dorst …”„Ligt di hier lange?”„Van gistermorgen … En al dien tijd niets gegeten; geen droppel water en geen brok brood. En du vriend, wat is dijn wedervaren.”„Ik ben een prins der Nerviërs, op reis naar mijn land om mijn vader als koning op te volgen. Uit een bedwelming ontwakend, lag ik hier, vastgebonden, zonder te weten hoe ik hier ben gekomen. Mijn trouw paard heeft van morgen hier, zijn meester zoekend, een luchtgat gegraven. Maar ik weet niet hoe lang ik hier ben en helpen kan ik di niet, want ik lig hier ook vastgebonden.”Zoo bleven zij een tijd weer zwijgend liggen. De zeeman begon te kreunen en kreeg koortsen. Sogol voelde zich ook verzwakken maar hij onderdrukte zijn neiging om gedachteloos in te sluimeren door zijn wil, verwachtend dat er redding zou opdagen. Nu hij wist, door vrouwen gevangen genomen te zijn en nog wel, uit zijn gebied en die zijn taal spraken, vertrouwde hij dat zoodra hij in hare nabijheid gebracht zou zijn, ze wel zou weten onder zijn invloed te brengen.Hij begon ook weer te peinzen over de vreemde afbeelding, die tegen den wand was verschenen en nu niet meer zichtbaar was. Na ’t geen hij buiten gehoord had en na ’t geen zijn medegevangene hem had verteld kon hij nagaan, dat deze afbeelding niet een hersenschim was geweest, maar de voorstelling van een werkelijk tafereel. Maar waarom was het nu verdwenen? Hij beproefde zich de afbeelding voor te stellen, zooals hij ze gezien had.[190]Had hij ze gezien? Of was het een geestverschijning geweest? Of een droombeeld? Bestonden er dus werkelijk geheime krachten in den mensch? Zooals Harimona ze scheen te bezitten, die hem voor het binnengaan van de druipsteengrotten had gewaarschuwd? Hoe dieper hij doordacht, hoe grooter het aantal zijner ervaringen werd, des te moeilijker was het geheim van ’t leven te ontraadselen. Wellicht was dan toch niet alles door de gedachte te ontdekken.Van nixen had daar die zeeman gesproken … Waren het werkelijk nixen?… Had de priester, die in ’t onderaardsche meer verdronken was, dan niet gelogen? Er waren drie vrouwen uit het hol gevlucht, toen hij met Harimona en Haunnaderde.Nixen? Neen.. het waren gewone, aardsche wijven. Zij spraken den Nervischen tongval en hun geroep en gejoel en geschreeuw was niet geweest als van nixen maar als van beschonken, aardsche wijven.„Schipper!” riep hij nogmaals.De Nerigoner antwoordde alleen door luide te steunen.„Schipper, kunt di mi niet antwoorden.”„Heer … heer … ik kan niet meer …”„Kom, kom … du moet niet versagen … De redding is nabij …”„Neen heer, neen … nixen zijnkwajemachten … als nixen di pakken is het uit.. en ik heb het verdiend heer.. ik heb het verdiend … ik heb in de groote zee een nix met een harpoen gewond en dit is de wraak..”De Nerigoner zweeg en hield op met steunen. Sogol riep hem nogmaals maar hij antwoordde niet meer en scheen te slapen.Buiten was de zon ondergegaan en nu werd de krocht weder geheel donker.Sogol, hoewel doodmoede en tot slapen geneigd, dwong zichzelf om wakker te blijven, want indien Harimona en[191]Haun pogingen tot zijn redding zouden wagen, was het zeker dat zij van de duisternis gebruik zouden maken en hij moest oplettend luisteren blijven naar elk gerucht, opdat hij, zoo zij hem riepen, dadelijk zou kunnen antwoorden.Het werd nu koud in de krocht. Zoolang deze geheel gesloten was geweest, had de buitenlucht geen toegang gehad. Maar nu, door het luchtgat dat Hadoe had gegraven, kwam een ijzige tocht binnenwaaien. Sogol rilde, want zijn pels was terzijde gegleden, ’t geheele lichaam was naakt.Plotseling, in die stilte, begon de Nerigoon te spreken, verwarde woorden zonder zin of samenhang.Sogol had als knaap te vaak, als hij met Spûr mede ging, gewonden en zieken in koortsen zien liggen, dan dat hij niet dadelijk begreep, dat de man ijlde. Hij luisterde scherp toe, maar nu in zijn ijlkoortsen, sprak de man Nerigoonsch en hoewel die taal wel eenigszins geleek op het Nervisch, toch kon Sogol ze niet verstaan. Zoo lag hij, luisterend naar het gebrabbel van den ongelukkigen schipper. Maar tusschen de Nerigoonsche woorden hoorde hij anderen, van vreemden klank, alsof de schipper nog een andere taal sprak.Sogol toeluisterend, vergat zijn moeheid. Daar lag, vlak bij hem een man, die den weg naar ’t vreemde land kende, die er van teruggekomen was, zijn schip zwaarbevracht met de wondere schatten van dat land. En die man, in zijn koortswaan, sprak daar nu wellicht van, onthulde het groote geheim van den weg, dat de Nerigonen, zooals alle Scandiërs, zoo zorgvuldig voor andere volkeren verborgen, den menschen afschrikkend met vreesaanjagende verhalen.Deze hier had nog zooeven van een nix gesproken, die hij in de groote wereldzee met een harpoen had gedood. Nu had de Nerigoner toch geen noodzaak gehad om te liegen.Dus bestonden er dan toch nixen … waren de verhalen van de monsters en gedrochten niet alle slimbedachte[192]leugens om navolgers af te schrikken? Het groote geheim van den weg werd daar, op eenige passen afstands van hem, geopenbaard en hij kwam er niets van te weten, dan wat vreemdklinkende woorden, voor hem zonder beteekenis.Indien hij zich maar los kon werken. Hij zou den man te drinken kunnen geven, verplegen, de vrijheid hergeven en dan zeker zou hij hem uit dankbaarheid den weg naar het vreemde land wijzen.Nogmaals wrong Sogol aan zijn riemen. Maar de kluisters waren te vast aangelegd en sneden hem in ’t vleesch. Maar toch, eenigszins had hij ze verwrongen en de riem, die zijn linkerarm vastknelde, kon hij nu het hoofd zoover mogelijk ter zijde draaiend, met zijn tanden bereiken.Dat was een aanvang. Dien riem moest hij doorknagen.. dat was het begin der bevrijding. Het ging heel moeilijk. Maar zijn tanden waren jong en sterk en steeds maar doorbijtend zou hij zeker den riem, al ware ze ook driemaal sterker, kunnen vaneenknagen.Gestadig aan knaagde hij; het taaie leer werd week en glibberig door zijn speeksel. Toch bleef hij vezel na vezel doorbijten. Hij moest een poos rusten, misselijk wordend door den smaak van het leer. De stuurman kreunde nu weer.„Schipper!” riep Sogol.„Wat wil di, heer!” kreunde de zeeman.„Houd di stevig … Ik zal di bevrijden.”„Het is te laat heer; ik kan niet meer.”„Ik zal di bevrijden en di redden.. Nog dezen nacht..”En weer begon Sogol aan den riem te knagen, terwijl de Nerigoon bleef steunen. Telkens moest Sogol wachten, vermoeid rakend en misselijk wordend. Zijn tandvleesch begon te bloeden en het was hem, alsof hij geen tanden meer in den mond had. Maar toch bleef hij doorkauwen en knagen, vezel na vezel uit het leer losrukken. Toen eindelijk, nadat twee derde deel was doorgeknaagd, zette hij de spier van den bovenarm met kracht op. Het leer[193]van den riem gaf krakend iets mee. Sogol wachtte een oogenblik en opnieuw zijn armspier doende zwellen, gaf het murw gebeten leer mede.Dat was de bovenarm. Hij kon nu den linker elleboog en den linker schouder vrij bewegen enslechtshet linker polsgewricht was nog aan een bronzen ring in den rotsigen bodem vastgebonden. Gelukte het hem den pols los te wringen, dan was hij op ééne zijde vrij en de andere zijde zou weldra volgen.Doch hij kon den mond niet tot aan het polsgewricht brengen, daar zijn rechterschouder, bij den bovenarm vastgebonden, hem aan den grond ketende. Daarom moest hij eerst den bovenarm van den rechterarm losknagen, zooals hij dat bij den linkerarm gedaan had. Gelukkig dat hij nu niet meer gestadig denzelfden kant van den mond behoefde te gebruiken, maar afwisselend met de linker- en met de rechterhelft kon knagen.Als een dier, geduldig en onverzettelijk, beet en kauwde hij op het leer tot hij ook den rechter bovenarm ontboeid had. Zijn hart klopte heftiger van vreugde nu hij bemerkte, dat hij zich halverwege kon oprichten. Het bovenlichaam was dus bevrijd, nu de polsen en enkels … Maar hij behoefde niet meer te kauwen. Thans, nu hij over zijn geheele lichaamskracht beschikte, begon hij aan de polsriemen te wrikken. Het leer gaf iets mede, maar de polsen zwollen door de krachtsinspanning en daardoor verloor hij de gewonnen verwijding. De polsen moesten glad gemaakt worden, opdat ze door de riemen heen konden glijden. Hij peinsde even. Indien hij maar een paar druppels olie gehad had … Doch een denkbeeld kwam in hem op en een poosje later zich met geweld overwinnend, nam hij de eigen drek in den mond en spuwde ze op zijn rechterpols uit.En nu weer begon hij te trekken en te wringen … de riemen gaven mee, de nu gladde polsen gleden onder de riemen weg en zijn rechterarm was geheel bevrijd.[194]Hij zwaaide hem rond om de stijfheid te doen verdwijnen. Toen tastend langs den grond, zocht hij naar een paar ruwe steenen. Hij vond een stuk rotsscherf met een vrij scherpen kant. Dien scherpte hij aan tegen den grond en nu het als mes gebruikend, telkens in een kerf in de riemen insnijdend en dan weder den steen aanzettend op den grond, slaagde hij er in zich geheel te bevrijden.De moeilijke arbeid had hem zoo beziggehouden, dat hij niet op den schipper meer gelet had. En hij, zweetend van de inspanning, rekte zich uit en liep nu tastend naar den hoek waar de schipper lag.Deze was weder bewusteloos en Sogol, hem betastend, voelde hoe zijn beenen ijskoud waren. De riemen hadden den bloedsomloop gestremd.Geduldig en hardnekkig begon Sogol met zijn gescherpten steen de riemen door te snijden van den schipper. Doch de arbeid vorderde langzaam in ’t donker. Daarom kroop Sogol naar het luchtgat en het haastig met de handen uitgravend, stond hij weldra buiten.„Vrij!” zuchte hij.Buiten was het doodstil. De hooge avondlucht stond vol sterren en in ’t verschiet doemde vaag de zwarte schaduw van een bosch. Zijn gevangenis was een in rotsen uitgehouwen hol, dat met rulle aarde inderhaast was dichtgegooid.Hij ademde de nachtlucht met volle halen in en hij voelde zich vervuld van een dankbaarheid, die hem tot weenen bracht. Het leven was dan toch zoet en schoon, ondanks zijn raadsels. Daar, gebonden in ’t donkere krocht, had hij versmachtend den dood gewenscht. Maar nu rilde hij, denkend aan de doorgestane smarten en den dood. Leven wilde hij, het heerlijke, hooge leven bezitten, en zijn armen uitstrekkend, omarmde hij de nachtlucht als een bruid, die hij eindelijk weder omhelzen kon.Hij keek om zich heen. De streek was hem welbekend.[195]Daar gindsch begon het groote Nervische woud. Links daarvan, aan de tegengestelde zijde van de ster Brendel lag Beldun, de groote havenplaats.Hij was dorstig en hongerig en voor ’t oogenblik niets anders vindend, trok hij wilde zuringstelen uit den grond en begon er op te kauwen. Eerst nu kwam de gedachte aan den lijdensgenoot in de krocht weer in zijn hoofd, zoo was hij geheel ingenomen geweest door het zalige gevoel der herwonnen vrijheid.Hij keek rond om te zien of niet ergens een boschje in de nabijheid was, waar bij droog hout kon vinden. Dan had hij vuur en licht kunnen maken en met gloeiende houtspitsen de riemen van den schipper kunnen doorzengen. Maar het bosch in ’t verschiet was te ver. Hij blikte besluiteloos naar de krochtrots. Uit de wijze waarop deglooiingboven de krocht liep, in een langen, golvende lijn met inzinkingen, maakte hij op, dat hun krocht niet deeenigewas, maar dat de rotswand over een groote lengte in krochten was afgedeeld. Daarom liep hij nu langs den rotswand en voorbij de eerste inzinking vond hij een tweede krocht, maar geheel open, zoodat hij in ’t vale duister wel iets kon onderscheiden. De krocht was leeg, doch in ’t midden hing een bronzen pot boven een leemen haard. Het vuur in den haard was uit. Sogol nam den pot uit den kettinghaak en hem aan het hengsel zwaaiend, sloeg hij den pot met kracht tegen den rotsigen wand. De pot sloeg met een hollen metaalklank stuk. Sogol zocht twee groote scherven en begon ze haastig tegen den rots te wrijven tot ze scherp genoeg waren. Toen snelde hij terug naar de krocht waar de zeeman lag. Die was nog altijd buiten bewustzijn.Sogol kerfde nu de riemen van zijn armen en polsen los. Hij bevoelde de riemen waarmede de beenen van den zeeman waren vastgesnoerd aan den grond. Ook hier was een bronzen ring vastgegoten in den rots. Sogol rukte aan[196]den ring, maar deze was te vast in den rotsgrond bevestigd. Hij moest opnieuw de riemen doorkerven en eerst toen lag de man bevrijd.Sogol beurde hem op en droeg hem naar buiten. De koele nachtlucht hoopte hij, zou den man weder tot bezinning brengen. Hij wreef hem krachtig de beenen en nu in het nachtlicht bemerkte hij, dat de man een verkromden rechter voet had.Maar terwijl hij den man tot bewustzijn trachtte te brengen, dacht hij aan Harimona. Nu hij vrij was, moest hij aan hare bevrijding denken. Maar waar was zij? Gevlucht? Gedood? Teruggevoerd naar Renigo? Of wellicht in één van de krochten vastgebonden, zooals hij bewegeloos aan den grond gesnoerd was geweest.Daar de zeeman nog altijd bewusteloos bleef, nam Sogol hem op en liep met hem langs den rotswand, speurend rond met de oogen of hij niet ergens het glanzende vlak van een wel of een kreekje kon ontdekken. Maar het groote grasveld breidde zich tot aan den donkeren horizont uit, daar waar het woud begon zonder kreek of plas. Op de krocht waar de haard was, volgde een tweeden, geheel ledig. Een eind verder was er een derde.Daarvoor hing een zwaar, dichtgeweven zeil. Sogol legde den zeeman zacht op den grond, tuurde terzijde door een kier in de krocht. Daar zag hij, voor een sintelvuur twee menschen liggen, geheel naakt, een groote man en een vrouw in zijn arm, die het hoofd op zij, sliepen. Sogol sloop geruischloos binnen, nam een gloeienden sintel van het vuur. Met verwondering bemerkte hij, dat de andere mensch ook een vrouw was. Hij rilde nu van afgrijzen. Voorzichtig een aakst nemend, die dicht bij de hand van de grootste der vrouwen lag, hief hij deze reeds op om de twee met twee snelle slagen te dooden. Maar hij bedacht zich. De dooden spreken niet en deze vrouwen moesten spreken, hem zeggen waar Harimona en Haun zich bevonden.[197]Met de aakst gewapend, sloop hij weder uit het woonhol en liep verder langs den rotswand. Daar was opnieuw een woonhol en ook hier sliepen twee vrouwen, half naakt, op pelzen voor een vuur. Tegen den wand stonden aaksten, een kortzwaard, een langzwaard en kruiken en potten.Sogol, de aakst in zijn hand, sloop naar de potten. Maar bedenkend, dat een ontwaken hem veel last zou kunnen bezorgen, nam hij het langzwaard en sloeg met krachtigen slag de beide vrouwen in haar slaap tegelijk de hoofden van den romp. Zij uitten zelfs niet een korten gil, waren stom, zonder zucht of klacht van den eenen slaap in den anderen overgegaan.Nu, rustig, nam hij een stuk hout van ’t vuur en ’t boven de potten houdend, bevond hij dat deze eetwaren en water inhielden.Hij snelde naar buiten, tilde den schipper op, sleepte hem in de krocht en zonder zelf nog een teug waters genoten te hebben, bevochtigde hij de slapen en de borst van den bewustelooze, goot hem water in den mond, wreef hem krachtig langs de armen en beenen.Nu sloeg de schipper de oogen op. Sogol hield hem de hand voor den mond.„Zwijg schipper.… du bent gered. Maar zwijg.”Hij zette den man overeind, gaf hem te drinken en nu hem weder optillend en naar buiten brengend, zeide hij:„Stil en kloek, vriend. Ik heb dijn riemen losgesneden en di tot hier voortgeholpen. Wij zullen vluchten. Zeg mi, op welk wapen bent du geoefend?”„Den harpoen, de knods en het mes.”„En de aakst? Of het kortzwaard?”„De aakst!”Sogol snelde terug in de krocht, nam een aakst en een kortzwaard, liep weder naar buiten. Toen, nadat hij den schipper den aakst in de hand had geduwd, zei hij:„Wacht mi hier, vriend.”[198]Hij ging weer terug, haalde een kan drinkwater en een pot met eetwaar. Buiten zette hij de kan aan den mond en dronk, met voorzichtige, langzame teugen, als een man, die gewoon aan honger en dorst, weet dat men na lang versmachten kalm en niet overhaast moet drinken.Toen gaf hij de kan aan den zeeman, maar fluisterde:„Drink niet haastig.… met kleine teugen.… als dijn leven di waard is.”Sogol stopte zijn hand in den anderen pot. Hij voelde het taaie, kleverige van honig in raten. Gulzig bracht hij een stuk raat aan den mond. O, hoe zoet, hoe mild, smaakte ze, de honing, hoe koesterde zij den vlijmenden kramp van zijn hongerige maag. De zeeman tastte ook toe.Sogol liep een eind zijwaarts, wenkte den zeeman om mede te komen. Maar deze was te zwak nog om te loopen. Daarom sloeg hij hem den arm om den rug en hem zoo broederlijk steunend, liep hij met hem tot wat struikgewas.„Blijf hier, met den aakst in dijn hand en waak. Zoo du wat hoort, fluit dan. Er zijn nog meer gevangenen en ik heb ze te bevrijden.”„Vertrouw op mi, heer.”Nogmaals ging Sogol terug om zijn dorst te lesschen en stak weer een stuk honing in den mond. Toen, eenige zwaaien en houwen in de lucht met het kortzwaard doende, om zich te wennen aan ’t gewicht en om de dracht van den slag te meten, nu met zijn wapen in de hand te midden van wijven, wèl vertrouwend op zijn kracht en behendigheid, sloop hij langs de krochten. Hij telde er twintig. In elke krocht lagen twee vrouwen bij elkaar.„Ontuig, ontuig! Liederlijk getwaas!” zei hij vol afgrijzen.Maar waar waren Harimona en Haun?Opeens herinnerde hij zich, dat hij de vrouwen had zien dansen om iets.… Dat iets.… wat was dat geweest … Wellicht Harimona? Of Haun?Hij schreed terug tot voor de krocht, waar hij gelegen[199]had. Toen daarvoor staande, zocht hij in den helderen sterrennacht naar een boschje, dat gelijken kon op ’t geen hij omgekeerd in zijn visioen tegen den muur van de krocht had gezien. Recht voor ’t gat zag hij iets, dat er op gelijken kon. Hij snelde er met groote, haastige schreden op af, het kortzwaard gereed.Een boschje van tien boomen stond daar.… nu zag hij het duidelijk. En in ’t boschje glimde het schijnsel van een vuur.…Ondanks zijn spanning, verminderde Sogol zijn vaart, liep terzijde om tegenwinds het boschje te bereiken, opdat niet zoo de lieden daar waakhonden hadden, zijn nadering verraden zou kunnen worden.En nu, voorzichtig nader sluipend, zich plat op den grond leggend, kruipend langzaam voorwaarts ontwaarde hij vier mannen, eveneens met roode buizen.„Norigeenscheschippers, de makkers van den manken schipper,” dacht Sogol.Zij zaten om het vuur en dicht bij hen zat Harimona, met de handen vastgebonden aan een boom, starend in het vuur, maar overigens kalm.Sogol drong plotseling door tot voor het vuur en zich met het kortzwaard vooruitgestoken voor Harimona stellend, riep hij:„Dood dengeen, die zich beweegt.”De vier mannen, opschrikkend uit hun sluimer, sprongen naar achter. Twee namen de vlucht. Een derde zocht bescherming achter een boom, maar de vierde, dapperder dan de anderen, trok een kortmes uit zijn gordel en bleef kloek staan, gereed het tegen Sogol op te nemen.„Wie bent di, kaerel?” vroeg Sogol.„Een Nerigoonschen zeeman.… Pas op, voor de kol achter di. Zij heeft onzen makker gedood.”„Steek op dijn mes,” zeide Sogol tegelijk zijn zwaard met den punt in den grond voor zich stekend. „Wij zijn[200]vrienden. Dijn makker is vrij en leeft.… hij was een manke stuurman niet waar?…”De drie anderen kwamen nu ook toeloopen.Nu keerde Sogol zich om en omhelsde Harimona, kuste haar op mond en wangen, drukte haar aan zijn borst, reet met één snede van ’t kortzwaard den riem door, waarmede haar handen geketend waren.„Waar is Haun?” vroeg Sogol.„Ik weet het niet … Ik ben ’s nachts in een donker hol als uit een droom ontwaakt. Deze vier lieden, die hun makker zochten, hebben mij gepakt en naar hier gevoerd. Zij ondervroegen mij, hielden mij voor de aanvoerster van de vreeselijke wezens, die hier in ’t bosch schijnen te huizen. Zij bezweren mij, dat hier heksen en nixen in ’t woud wonen, die geheel naakt loopen en zich op reizigers werpen.”„Zij hebben gelijk …” „Mannen,” ging Sogol voort nu zich tot de vier zeelieden richtend, „ik ben Sogol, prins der Nerviërs en dit is Harimona, de heilige vrouw van Renigo, mijn bruid. Wij zijn, zooals du, door die vervloekte wijven aangevallen. Ik ontwaakte in een donker krocht en daar lag ook dijn makker, geboeid en versmachtend. Ik heb hem bevrijd en hij houdt hier dichtbij de wacht. Indien du moed hebt, zoo volgt mij, dan kunnen wij de bende dier wijven ketenen en opbrengen of dooden.”De vier mannen keken elkaar aan.„Heer,” zei een hunner, „tegen mannen willen wij vechten maar tegen nixen en kollen is alle strijd vergeefs.”„Wat? Bent di Norigener? Mannen, die de groote wereldzee bevaren en in ’t vreemde land tegen de monsters en gedrochten vecht.”De vier waren niet zoodra met een antwoord gereed en bleven zwijgen.„Als di niet durft, ga ik alleen. Bewaak hier de heilige vrouw.”[201]Een der mannen, dezelfde die tegenover Sogol stand had gehouden, een rijzige, breedgeschouderde kaerel, trad naast Sogol.„Heer, ik ben dijn man.…”En zich tot de drie andere richtend, zeide hij:„Bewaak de Bruid van den dapperen prins.”„Waar gaat di heen, liefste?” vroeg Harimona.„Haun bevrijden. Wacht mi hier, mijn kind.”Hij kuste haar op ’t voorhoofd en de twee mannen verdwenen in de duisternis.De manke stuurman lag nog altijd wachtend achter ’t kreupelhout. Toen hij zijn maat zag en nu zich eerst veilig voelde, begon hij te schreien van geluk.„Ik dacht, dat ik daar levend verhongeren zou, meester,” zei hij, na den anderen zeeman een kort verslag van zijn wedervaren te hebben gedaan.„Bent di de meester?” vroeg Sogol.„Ja heer, ik ben skigvoerder.”„Hoe is dijn naam?”„Rytzell de Svizjoon. Mijn mannen zijn allen Nerigonen.Tien zijn er op de skig gebleven ter bewaking, twintig hebben over land de reis naar Scandia aangedurfd. Wij wilden in Beldun overwinteren om tegen het voorjaar met een nieuwen skig een nieuwe reis naar ’t vreemde land te beginnen.”„Zend dijn stuurman weg. Wij samen zullen wel met dat vrouwsvolk ’t alleen klaren, Rytzell.”De skig-kapitein zond den manken stuurman naar ’t boschje, waar zijn makkers Harimona beschermden. De rust had den manke goed gedaan en hij kon nu weder loopen.„Rytzell,” zeide nu Sogol, „het hart is mij goed om al die wijven neer te slaan.”„Heer, ’t is kwaad vechten tegen nixen en kollen.”Sogol haalde de schouders op.[202]„Heb di nooit in ’t vreemde land tegen nixen en kollen gevochten?”„Neen heer … daar leven wel gruwelijke beesten, sterker dan de beer en woester dan de ever. Maargetwaasheb ik er nooit gezien.”„Heb di dan welgetwaasgezien, ginds in dijn vaderland?”„Ik zelf niet heer.… maar anderen hebben er velen gezien.…”„Zeg mi eens oprecht opperschipper, heb di ooit in de wereldzee zeewijven gezien met vischlijven?”„Neen heer … zelf niet. Maar anderen …”„Ik zal di wat zeggen,opperschipper. Wij zijn mannen, beiden onvervaard en geen kinderen, angstig voor een spook of een droombeeld. Ik ben een man, die lang in de bosschen heb geleefd en veel onderzocht heb. Dit zeg ik di: daar zijn geen andere geheime machten, dan die wij in ons hebben. En nu let op. Du zult zien, dat in de krochten geen nixen of kollen huizen, waarvoor koene manslui bang behoeven te zijn. Maar liederlijke boschwijven, de snee van een eerlijk zwaard schier niet waard. Nu volg mi …”Zij liepen langs de krochten. Sogol, nu vreezeloos, trok de voorhangen terzij en toonde de slapende wijven paar bij paar. Ook kwam hij weer bij de krocht, waar de twee vrouwen lagen, die hij met één houw de hoofden van de romp had geslagen. In den zwakken rossen schijn van ’t doovende haardvuur lagen daar de ontzielden lichamen in ’t bloed en de beide hoofden star en gelaten van uitdrukking hingen ter zij op de kussen der blonde, losse haren.„Die sloeg ik in den slaap neer!” zeide Sogol„om mijzelf en dijn maat te kunnen helpen.”Sogol bemerkte aan ’t zwijgen de ontzetting van Rytzell.„Zeg mi, opperschipper, hebt di ooit zoo iets schrikkelijks ginds in ’t overzeesche land gezien?”[203]„Neen heer … wel heb ik er levende vrouwen gezien, die verbrand werden met het lijk van haar man. Maar dat is om der wille van het geloof.”„Gelooven ze daar ook aan Wotan?”„Neen heer en niet aan Odin ook.”„Wat gelooven ze dan?” vroeg Sogol, vergetend de gruwelijke krocht waar de twee onthoofde vrouwen aan hun voeten lagen, voor de oplossing van het groote vraagstuk, dat hem meer belangstelling inboezemde dan de voorvallen van het heden.„Zouden wij niet eerst den gevangene redden?” vroeg Rytzell, naar de gewoonte der Scandiërs, ontwijkend het antwoord op alle vragen omtrent het vreemde land.Zij traden uit de krocht naar buiten en liepen langs den steilen rotswand.„De vrouwen, die ons vervolgden heer, geleken op deze.”„Dat zijn dijn nixen, schipper. Geloof mi, andere bestaan er niet. Wij zullen er nu twee in haar slaap wegvoeren en dan vragen waar mijn horensteker is.”Sogol liep een krocht binnen en een prop makend van een stuk lijnwaad en Rytzell beduidend hetzelfde te doen, nam hij een wijf bij ’t gelaat, rukte haar den mond open en voor ze gillen kon, duwde hij haar de prop in den mond. Daarna tilde hij haar op en droeg haar naar buiten. Rytzell, hield zijn hand voor den mond der andere vrouw en sleepte haar met de andere hand Sogol achterna.Zij liepen nu, elk een vrouw dragend, snel ver uit het bereik der krocht. De vrouwen, plotseling uit haar slaap gewekt, verweerden zich maar de twee mannen, beiden van groote lichaamskracht, sleurden heur voort. Doch de vrouw, die Rytzell droeg, van groote statuur en zwaargespierd, beet hem in den vinger.Even trok de zeeman zijn hand terug en zij, snel zich losrukkend, kreeg vasten voet op den grond en begon met haar ontvoerder te worstelen.[204]De zeeman, kortemettenmakend, trok zijn mes en stak haar dit in ’t hart. Als een blok viel ze neer, maar heur gegil tijdens de worstelpartij had de andere vrouwen gewekt en enkele kwamen al, met vlamhouten en met zwaarden gewapend toerennen. Het was echter duister genoeg om de twee mannen, nu geen gillen der vrouwen den weg aanwees waar zij haar aanvallers konden vinden, aan haar oog te onttrekken.Rytzell, de vrouw die Sogoltorschte, bij de beenen vattend, hielp Sogol haar zwaar lichaam dragen en beiden snelden naar het bosch, waar de andere zeelieden waakten.Toen zij daar kwamen, waren de zeelieden zeer verwonderd de gevange nix te zien. Zij durfden haar nog altoos niet naderen. Rytzell scheurde een deel van het overkleed van Harimona snel in reepen en boeide de vrouw de handen en de voeten, handig de knoopen leggend, zooals zeelieden dat verstaan.„Luister wel!” zeide nu Sogol tot haar. „Antwoord op mijn vragen naar waarheid en schreeuw niet; zoo du schreeuwt, werp ik di in dit vuur.…”Toen, met het mes van Rytzell voorzichtig de prop uit haar mond nemend, vroeg hij:„Wie bent di. Hoe komt di daar? Waarom hebt di mijn bruid, mijn knaap en mij gevangen genomen en waar is mijn knaap?”De groote vrouw, met lichtblauwe oogen, lang blond haar en zelfs niet gekleed met een schaamdoek, keek naar Harimona, maar antwoordde niet.„Zult di antwoorden?” vroeg Sogol.Zij bleef weigeren en staarde maar altoos Harimona aan.Sogol nam een vlammend hout van het vuur en duwde het even tegen haar arm. Zij sprong op en gilde.„Zult di antwoorden?”„Heer.… mijn naam is Koenegoend. Ik ben een krijgsvrouw van Koenderic, koning der Nerviërs geweest. Toen[205]Koenderic gestorven was zijn wij uitgetrokken, al de krijgsvrouwen bij elkaar en leven nu in de bosschen.”„Een fraai leven, dat di voert.”„Wij hadden veel van de mannen te lijden gehad en leefden nu zonder de mannen.”„Vervloektgetwaas!”Zij keek weder naar Harimona met droomerige blikken.Harimona wendde het hoofd af.Sogol nam nogmaals een brandend hout en bedreigde haar.„Waar is de knaap, die bij ons was.”Zij begon opeens schril te lachen.…„Waar is de knaap, wijf?”Zij lachte hoog op en opeens viel zij neer en begon de beenen krampachtig te trekken.Sogol stiet haar het gloeiende hout in de heup.„Zult di spreken, luizenwijf.”Maar zij bleef lachen, scheen genot te hebben in de smart van de brandwond.De vier Nerigonen traden angstig terug en Sogol zag, dat zij weer op ’t punt stonden aan den haal te gaan. Hijzelf voelde zich vermoeid met een onbedwingbaren drang om te gaan slapen.De vrouw, na eenigen tijd op den grond zich om en om gegooid te hebben, kwam weder tot kalmte.„Wilt di antwoorden, kol? Of ik steek di hier vast in den grond?”Sogol hief zijn zwaard op.„Ach heer, vergeef mi.… ach heer, dood mi niet.…” kermde het wijf.„Waar is de knaap?”„Ach heer … dood mi niet … ik heb het niet gedaan … De andere vrouwen.… Wij dooden alle mannen. Du en die daar, de manke zeeman, zouden morgen gedood worden.… en die daar.… die minneclîche maide, zou verlost worden.… want velen beminden haar.… maar[206]de horensteker is door Nilka en Ortrûd naar het kleine zand gebracht en zij hebben om hem gedanst en hem tot een maagd gesneden en nu is hij dood.…”„Waar is ’t kleine zand?”„Daar heer, daar.. bij de boompjes.. daar.. daar..”„Komt mee Rytzell … en du mannen, bewaak haar en vlucht niet.. het is geen nix maar een liderlicke hure..”Sogol en Rytzell liepen met een brandend hout in de aangewezen richting. Bij ’t kleine boschje op een open plek van hel geel zand, lag daar het naakte lijk van Haun.. zijn hand nog aan den horen, alsof hij in doodsstrijd hem nog aan den mond had willen brengen. Rytzell hield het brandende hout dicht bij ’t gelaat … bij de borst … Toen, in den rooden gloed, zag hij de gruwelijk wonde, waaraan de knaap verbloed was … Hij trad met een gil terug en steunend op den schouder van Rytzell begon hij te weenen.„Mijn arme, arme knaap. Mijn trouwe, kleine jongen …”Hij tilde het al koude, stijve lijk van den kleinen horensteker op en droeg het met Rytzell terug naar het woud.„Zij heeft de waarheid gesproken!” zei Sogol dof tot Harimona …Zacht legde hij ’t lijk neder op ’t boschmos en bedekte de vreeselijke wonde met het stuk lijnwaad, dat van Harimona’s overkleed was overgebleven.3Ook Harimona weende. De zeelieden, die met ontzetting het geschonden lichaam van den jongeling hadden gezien, stonden dicht bij elkaar, alleen door ’t oog van Rytzell in bedwang gehouden om niet te vluchten.In de verte zagen zij de andere wijven nog altijd met de vlammende toortshouten zoeken naar heur aanvallers.[207]Sogol, zijn eigen moeheid voelend, weinig vertrouwend op den moed der zeelieden, vreezend voor het leven van Harimona, beval op te breken en zoo snel mogelijk naar Beldûn te trekken. Maar voor de stoet zich in beweging zette, hakte hij van takken een baar, legde het lijk van den verminkten knaap er op en deed het zoo mededragen door twee der Nerigonen, opdat het verbrand zou kunnen worden en bijgezet met de eere, die een prinselijken horensteker toekwam.Doodmoede, tot schreiens toe bedroefd, liep hij naast Harimona achter de baar, met gebogen hoofd en zich steunend op den schouder van de heilige vrouw.[208]1Wind, geur, zonnestraal—wij weten nú dat zij aan de stof gebonden zijn. Sogol kon dit niet weten.↑2Het is waarschijnlijk, dat velen het voor onwaarschijnlijk zullen houden, dat deze gedachten een Germaan uit 150 v.Chr.bezielden en aan een zeker soort geestelijk anachronisme zullen denken. Men houde echter in ’t oog, dat de Germanen in hun oer-land, Indië, waarschijnlijk een hoogere beschaving hebben gekend en wellicht, in de eerste eeuwen[184]van hun verblijf in Europa, ontaard zijn in het noordelijke klimaat. Eerst thans, na zoovele eeuwen, schijnt de Germaansche ziel zich weder te openen voor de opneming van haar oer-droom. Uitstekende Germanen als Goethe en Schopenhauer hebben instinctmatig zich naar ’t oosten gewend. Het Christendom, dat veel heeft van eenBoeddhismenaar Joodschen karakteraard, door Christus van een individueel cachet voorzien, is juist door de Germanen het best begrepen.Het is, alsof de Germaansche ziel in het Christendom eindelijk weder den godsdienst naar heur waren aard vond, terwijl de Joden onontvankelijk blijken voor de leer van Christus, waarschijnlijk omdat hun oer-droom van leven en dood altoos een andere is geweest.Er is geen enkele reden om te bestrijden, dat ook het geestelijk leven onderworpen is aan vaste natuurwetten. De godsdiensten zijn m. i. een gevolg niet allereerst van het denken en voelen, maar van het klimaat.In dezen zin kunnen wij allen zon-aanbidders zijn. Het Christendom neemt onder onze oogen de nuanceering aan van het klimaat der streken, waarin het wordt uitgeoefend. Nergens duidelijker dan in Rénan’s „Vie de Jésus,” voelt men, hoe de omstandigheden van bodem en klimaat, dus eigenlijk van den stand der zon ten opzichte van het landschap Galilëa, de zachtaardige, vriendelijke en liefdevolle idée van den gevoeligste der Joodsche droomers, tot ontwikkeling brachten.Ons heele leven is een gestadige poging om ons iets te herinneren dat wij voelen, dat in onzen geest besloten ligt, maar dat wij niet geheel kunnen terugvinden. Onze grootste geesten zijn wellicht lieden, die de meeste kracht tot weder te binnenbrenging bezitten, niet alleen van de dingen uit dit, maar ook van de dingen uit onze vorige levens.Schopenhauer zegt, dat zijn hoofd gedachten opwierp en uitwerkte, zonder dat hij zelf het daartoe dwong. Het inspiratieve wezen van geniën is bekend. Het schijnt of zij werktuigen zijn van een geest buiten hen. Vandaar het dikwijls verbazende onderscheid bij geniën tusschen den mensch en zijn werken.Sogol, éénmaal zich bevrijd hebbend van den oud-Germaansche Wotandienst, komt gelijk elke vrij-geest d.i. vrije geest, tot de verheven twijfelingen, onderstellingen, vermoedens en dwalingen, waartoe elk naar zijn aard noodzakelijkerwijze moet vervallen, zoodra hij het als onwaar bevonden dogma verwerpt, en moed, denkkracht, fantasie, waarheidsliefde en bewustheid van hoogere machten bezit. Sogols gebrekkigekennisheb ik laten doorschemeren.↑3Atjehsche vrouwen, vertelde mij een geloofwaardig kolonist, wreekten zich soms op dergelijke wijze, wanneer Nederlandsche soldaten krijgsgevangen waren gemaakt.↑

[Inhoud]HOOFDSTUK XIV.Midden in het bosch, aan de grens van het Nervische gebied, was Sogol ’s morgens ontwaakt, door een snijdende pijn in de polsen. Hij had gedroomd, dat een kobold hem met een zwaard de handen afsloeg.Toen hij ontwaakte bemerkte hij, dat hij in een donker vertrek was en dat zijn polsen en enkels gebonden waren met dunne, snijdende riemen.„Harimona!” riep hij.Zijn stem klonk hol en daaruit leidde hij af, dat hij zich in een gewelf bevond.„Haun!” riep hij, „Haun! Haun!”Maar hij kreeg geen antwoord. Hij trachtte zich nu op te richten, maar hij ervoer, dat hij ook met een riem, die om de bovenarmen liep, ruggelings aan den grond was bevestigd.Hij rukte even met zacht geweld om de kracht zijner boeien te meten. Ze waren zoo sterk, dat hij er niet aan behoefde te denken, ze stuk te trekken.Het was zwart duister om hem heen, zonder zelfs een schemer licht. Sogol begreep, dat hij gevangen genomen moest zijn tijdens zijn slaap; dat men hem geboeid had en dat Harimona en Haun eveneensòfgevangen òf verjaagd waren. Meer kon hij niet te weten komen. Het beste was zich kalm te houden en af te wachten. Voorloopig overtuigde hij zich ervan of hij nog ’t gebruik van al zijn ledematen had.Ja, zijnknieënkon hij nog buigen, zijn vingers bewegen en behalve het schrijnen van de striemen der riemen om zijn polsen, voelde hij geen pijn. Maar wel was zijn keel droog en had hij een grooten dorst. Doch[179]zijn eigen lichamelijke kwalen telde hij weinig. Waar was Harimona? Lag ze ook zoo als hij, vastgebonden en versmachtend in een donker hol? Hij wilde weer roepen maar bedacht zich. Waarom zijn bewakers te wekken? De wijze, waarop zij hem gevangen hadden genomen en hier gevangen gezet bewees voldoende, dat zij hem kwaad wilden. Wie waren zijn gevangennemers? En hoe hadden ze hem zoo kunnen binden, zonder dat hij ontwaakt was?Het zware, doezelige gevoel in zijn hoofd, de dorst gaven hem een aanwijzing. Hij moest zeker te voren door kruidendamp bedwelmd zijn geworden.Sogol bracht zijn hoofd wat naar voren en berook zijn naakte, harige borst. En hij herkende den geur van ’t ginneblad, dat ook op feestdagen gebrand wordt in de heilige hagen, waar de priesters en priesteressen zich er door laten verhitten en dan tot zinneloozen lust worden geprikkeld. Maar wie te veel van den rook van ’t geroosterde ginneblad opsnuift, verliest het bewustzijn en valt in een diepen slaap, waaruit men niet altoos ontwaakt.Hij was dus gevangen genomen òf door priesters of door vrouwen. Want mannen, zelfs de meest schunnige roover, zou een vijand niet op deze wijze onschadelijk maken.Maar hoe lang had hij geslapen? En waren zijn gevangennemers wellicht overtuigd geweest, dat hij den doodslaap wel slapen zou en hadden zij hem hier zoo gebonden, levend in een graf gelegd?Weer wildehijschreeuwen, maar zijn instinct hield hem ervan terug. Neen, hij moest voorloopig zwijgen en stil onderzoeken. Hij was nu al zoo ver, dat hij wist, waardoor hij bedwelmd was en iets kon vermoeden van de persoonlijkheid zijner vijanden. Een poosje lag hij stil om tot rust te komen. Zoo hier te blijven liggen en te sterven … was dat wel zoo vreeselijk? Die korte tijd van honger en dorst zou niet eeuwig duren. Maar wat dan?[180]Hij strekte zich lang en recht uit, als een die gestorven is en sloot de oogen, die vermoeid werden van in ’t duister zien en peinsde over den dood.Hier lag hij nu, onverwrikbaar vastgebonden, in een levend graf. Zou de dood nu werkelijk een verlossing zijn? Wanneer zijn levensgeest was geweken, zou dit lichaam, dat nu nog ademde, welks zwaarte hij nu nog voelde, dat zijn levenskracht verraadde door ’t kloppen van ’t hart, het zware bonzen van de slapen, het zweeten van ’t voorhoofd, hier dan liggen, een gevoelloos stuk dood vleesch, dat stinkend zou vergaan, weggevreten door wormen en maden, opgelost in een afzichtelijke brei, waarvan de grond de vochten zou opzuigen. Maar dan, langzamerhand was al ’t vleesch vergaan en zijn beenderen zouden bloot komen, uitdrogen en op een dag, wellicht na eeuwen zou door een toeval een voorbijganger zijn geraamte hier vinden, zooals hij daar ginds bij ’t onderaardsche meer de geraamten der reuzen had gevonden. En die levende zou naar zijn doodshoofd kijken en beschouwend staren naar dat bolle voorhoofd, waarachter de gedachten gewoeld hadden en die holle, zwarte oogkassen, waaruit zijn zielsbewegen door de glanzende oogen naar buiten geschenen had, maar ook hij zou voor het geheim staan van het zwijgende graf en de mond, die nu nog kon roepen en spreken, zou dan eenafgrijselijken, breeden grijnslach vertoonen met de witte tanden dreigend als in den bek van een dier. Zou daarmede dan alles gedaan zijn?…En als de beenderen verbrand werden en een hoopje asch in een urn lei of de asch werd verstrooid door de winden … was dan hij Sogol ook voorgoed verstrooid en niet weer te vinden uit den baaierd …?Of was daar dan werkelijk een ander leven, een leven buiten dit, dat niet gebonden was aan aardsche banden, niet vastgeketend kon worden gelijk dit lichaam nu, dat hij op dit oogenblik voelde als iets vreemds, als iets dat[181]niet van hem was, iets pijnlijks en wreeds dat hem vastbond aan een aardsch bestaan, een andere keten maar inderdaad gelijk aan de riemen, die hem nu vasthielden aan den rotsigen grond.Waar gingen de gedachten heen uit zijn hoofd?Die waren vrij en niet gebonden aan zijn lichaam. Want zie, nu lag hij hier toch vastgeriemd zoo, dat hij zich zelfs niet geheel kon oprichten en alles om hem heen was zwartdonker en hij hoorde geen geluid en wist niet waar hij was noch hoe hij hier gekomen was. En toch, in zijn hoofd, daar achter zijn voorhoofd, woelden gedachten en voorstellingen, plannen, overleggingen, berekeningen. Hij kon zich verbeelden vrij te zijn en te zweven uit dit donkere hol ver naar de vrijheid en hoog boven de landen, steeds hooger, hooger, gelijk een arend, die naar de zon vliegt … o nog hooger, nog hooger …Neen, neen, neen … hooger niet … daar in de blauwe luchten begon het groote geheim weder en daar vond zijn vrije geest die andere riemen, die hem vastsnoerden in een ander gewelf, dat maar schijnbaar vrij en helder en doorzichtig en licht was, doch inderdaad al even donker als dit hier, waaronder hij nu vastgebonden lag …En in dat andere gewelf zou de geest ook verpulveren in den baaierd, zooals zijn lichaam hier in dit zwarte hol.. wellicht, wellicht, wellicht, want iets ontzwond zijn lichaam dan toch en was niet door de riemen hier gebonden, die hij voelde schrijnen … En iets wellicht zou ook weer den geest ontzwinden, wanneer die zichoplostein de ruimte van het hemelgewelf zooals een brandoffer-geur, weggewaaid door den wind … en uit dien geest, zwevend in hoogere ruimte zou eens weder een fijnere geest opstijgen en uit dien weder een eeuwig, eeuwig, eeuwig, in gestadige fijnere, hoogere ontwikkeling, verrijzend steeds schooner uit zichzelf.Hij lag zoo in het donker te peinzen. Nu hoorde hij een dof, klotsend geluid alsof er ver een paard liep.… Hij[182]legde zijn oor op den bodem.… luisterde aandachtig met zijn scherp gehoor.… Dat was zijn paard.… hij herkende het aan ’t rhythme van ’t geklakkel der hoeven.…Maar de gedachte aan het geheim van den dood nam zoo zijn denken in beslag, dat hij niet zich bezighield met dat geluid, dat wellicht bevrijding kon beteekenen, maar bleef zweven met zijn gedachten in de ijle ruimten ver boven de aarde, waar de zielen konden zweven en zich van trap tot trap ontwikkelen tot hoogere volmaking.Maar weer hoorde hij ’t geklikkeklak der paardehoeven en nu ook een zacht hinniken.…Ja … wèl was het zijn paard … Zijn paard … zijn trouw, goed, groot paard, dat zijn meester misschien kwam zoeken …Zou het hem vinden? Had het besef er van, dat hij hier in nood verkeerde? Hoe dikwijls nu al, gedurende de lange reis van de Renigo naar Nervië, had hij in gepeinzen gekeken naar dien grooten kop van zijn paard. En ook vaak had hij getuurd in de groote bruine oogen, zich afvragend wat die wilden zeggen, van welke ziel zij de spiegel waren. En welke gedachten huisden achter dat zware, groote been tusschen de twee ooren. In den haag van Lagdûn waren witte paarden, die voor heilig werden gehouden en uit hun brieschen voorspelden er de priesters de toekomst. Wanneer de groote koningen en zelfs de hertogen gestorven waren, doodde men in sommige streken hun hengsten en verbrandde de lijken van de paarden tegelijk met die van hun heeren, opdat deze in ’t Walhalla hun lievelingsros weder zouden kunnen bestijgen. Hadden de dieren ook een ziel? Steeg hun ziel ook op na den dood, bevrijd van aardsche slaafschheid? Ging hun ziel ook van trap tot trap hooger in een voortdurende ontwikkeling de hoogste volmaking tegemoet?Wat was de ziel? Leefde zij zonder lichaam.… als een wind of als een geur of als een zonnestraal?1En wanneer de dieren allen een ziel hadden, was dan[183]na den dood de ziel van een laffen haas gelijk aan die van een moedigen ever? Of kwam de ziel van den haas, na diens dood tot hoogere volmaaktheid gekomen, in een hooger dier wonen, in een dier met grooteren moed en kracht?Sogol bleef even geheel gedachteloos liggen. Het was hem of hier, in deze donkere krocht, waar hij machteloos en eenzaam te versmachten lag, opeens het groote licht des levens opging.Hij voelde een grootsche, een alomvattende gedachte komen, maar weifelde om haar toe te laten in zijn hoofd.. Het was vrees en genot tegelijkertijd, dat wachten op de groote openbaring van zijn rede.… Wellicht … wellicht … wellicht.… o, hoe durfde hij die gedachte aan.… wellicht was de ziel van al wat leefde één wezen, maar zooals de lucht één ding was en toch elk levend wezen naar zijn aard en behoefte zijn deel van die lucht inademde, zoo kon dan ook elk een deel van die àl-ziel in zich omvatten en stervend zijn deel weer teruggeven, zooals de ademtocht teruggegeven werd.… Het heele leven zou niet anders dan één lange ademtocht zijn, ingehaald bij de geboorte en uitgezucht bij den dood.… De ziel van elk dier, ook het geringste, ware het een luis of een vlooi, was een gedeelte van dezelfde alziel van den mensch.… En het deel der alziel, dat heden in een luis leefde, zou na lange tijden van uit- en inademing, door verschillende trappen eindelijk den edelsten mensch kunnen bewonen. Daarna … ging dan dat zielsdeel voort in ontwikkeling zich vervolmakend, zou het den goden gaan bewonen? Was er dus waarheid in de sagen, die van de oude helden goden maakten?…2Begon dan de hemel reeds op aarde? En bij[184]het kleinste, minst ontwikkelde dier? Wat zou het minst ontwikkelde dier wel zijn?De slak? De oorworm? De oester? De zeester? Ja.…[185]bij de zeester zouden de levende dieren zeker aanvangen … zonder kop, zonder oogen, zonder schelp.… Hij had ze dikwijls op het Nervische strand gezien, als jongen ze wel ’s morgens gezocht na den vloed, als ze nog leefden en de vijf punten bewogen. Ze hadden ze in de zon gedroogd, hij en de andere knapen en ze aan een draad geregen en op de borst gedragen. Lag er bedoeling in den vorm van dit dier, dat bijna op een plant geleek? Een ster was de aanvang van alle leven.… O, mocht ik bevrijd worden … De ster zou mijn zinnebeeld zijn en op mijn wapenschild zal ik haar afbeelden.…Bevrijd zijn, bevrijd zijn! Hij keerde weer uit zijn gedachtenrijk terug als uit een droom. Maar de riemen om armen en beenen, die striemden zoodra hij zich bewoog, de zwarte donkerte om zich heen, nu hij de oogen weder opende, herinnerde hem smartelijk aan zijn vreeselijken toestand van de stonde.Weer hoorde hij buiten het brieschen van zijn paard en het scheen of het dichtbij met den voorhoef in den grond groef. Sogol bleef ingespannen luisteren.… O, als zijn paard werkelijk zooveel verstand had om een gat te graven en zijn meester licht en lucht toe te voeren…Zou in dien grooten kop, achter die goedige, bruine oogen zooveel besef huizen? Wellicht…waarom niet?Hoe reusachtig was de afstand niet tusschen de zeester en zijn paard…beiden toch dieren. Hoeveel malen moest de levensziel zich niet door sterven en wederopstand verreinen om den afstand af te leggen tusschen de hulpelooze zeester en het al zoo redelijke paard.…En het bleef graven.… Hij hoorde het telkens brieschen en dan weer woelde de hoef in den grond. Het geluid van ’t woelen kwam van rechts en klonk alsof een dor blad, door den wind opgejaagd, langs een drogen grond schoof.Als hij ’t eens riep.… Maar zijn stem zou zijn bewakers kunnen wekken.… Neen, zwijgen moest hij.… een instinct zeide hem, dat hij zwijgen moest.[186]Stil, zachtjes ademend, lag hij te luisteren naar het brieschen en het graven.… Ja.… het gat moest dieper worden.… want hij hoorde den woelenden hoef steeds, steeds duidelijker en het brieschen nu al heel dichtbij.… Nu kòn hij zich niet langer weerhouden en zachtjes floot hij sissend tusschen de tanden, zooals hij dat deed, wanneer hij zijn paard tot zich riep. Even was ’t doodstil. Nogmaals floot Sogol.… toen hoorde hij een klagelijk gehinnik.… Ja.… dat was Hadoe, zijn trouwe hengst.… Nogmaals floot hij.… twee, driemaal achtereen.… De hoef begon weder te woelen.… En nu kwam opeens een blauw straaltje licht naar binnen, dat een klein licht plekje sloeg onder tegen den zijwand ver van Sogol. Even moest hij zijn oogen wennen aan dat licht.… en tot zijn ontzetting zag hij nu, dat het scheen op het gelaat van een ander mensch, een die nog toe in verdooving lag of dood was.Zachtjes floot hij weder. Het gat werd grooter, nog grooter.… en daar kwam het blauwe daglicht binnen. Het was Sogol of het door dat gat, links van hem, zachtjes binnengegoten werd, als water uit een drinkkan. En snel flitste de gedachte door zijn hoofd of het licht misschien ook een soort water was, dat uit de zon over de aarde werd uitgegoten. Maar de gedachte hield hem niet langer bezig op dit oogenblik. Vrij wilde hij zijn, weer loopen langs de wegen onder het hooge, blauwe koepeldak en rondom gebaad in de winden, streelend om zijn naakt lichaam.O, indien hij zich maar naar het gat had kunnen sleepen, vanwaar het blauwe licht binnenstroomde en scheen in het holle gewelf zijner gevangenis uit te vloeien, verschaduwend in de hoeken alsof het nog geen kracht genoeg had om zooveel duister weg te dringen.Nu dorst hij te roepen. Het licht gaf hem geestkracht en vertrouwen en moed.„Kom dan Hadoe.… kom dan zoet beest.… zoek[187]dan, zoek dan dijn heer.… zúúúúúút.… zsúúúúúúút … dijn heer is hier.… kom.… kom.…”Sogol wachtte en keek even weder naar den anderen gevangene.… Hij schrikte.… daar, tegen den wand boven het lichaam van den onbekenden man, die daar lag, zag hij eenvisioen.… een onverklaarbaar wonderverschijnsel. Iemand.… een geest.… een ziel.… een god.… wie dan ook.… had met toovermacht daar tegen den muur een wonderschoon tafereel geteekend.…Met oogen, star van ontzetting, zag Sogol tegen den muur een boschje van hooge boomen, die wuifden in den wind en daaronder bewegende gestalten … met lange, loshangende haren … vrouwen waren het, die druk, verward bezig waren om iets dat in hun midden lag, te dansen. Maar het grootste wonder was, dat alles omgekeerd op den muur geteekend stond, zoodat de boomen met de toppen naar beneden verschenen en de vrouwen met de hoofden … Dan, nu het gat nog grooter werd, was het opeens verdwenen.„Hadoe! Kom dan, mijn jongen … kom dan!” zei Sogol aanmoedigend. Het paard stak zijn snoet naar voren in ’t gat en snoof in de krocht naar zijn meester.Toen, zich overtuigd hebbend, begon het verder te graven.Sogol hoorde vrouwenstemmen en gillen en roepen, verstond de woorden. Zij spraken den zuiveren Nervischen tongval. Hij was dus door vrouwen van zijn eigen stam gevangen genomen. Waarom? En wanneer? En waar was Harimona en waar was Haun.Hij begon ongerust te worden over ’t lot der twee. Nu hij weder het daglicht zag en rondom zich de dingen kon onderscheiden, verlieten hem de gedachten aan den dood en zijn mysteriën en zijn jong lichaam verlangde naar de geneuchten van het leven.Waar was zijn geliefde? Lag zij wellicht zooals hij gebonden in een duister krocht? Was heur paard ook[188]zooals zijn trouwe Hadoe, zijn meesteres licht en lucht komen brengen. Of versmachtte zij? En de jonge horenblazer? Waar was de knaap?Hij hoorde het knallen van een zweep en daarna het geklikklak van de hoeven van Hadoe. Het paard werd weggevoerd … Zijn laatste vriend liet hem alleen … maar niet, dan nadat het hem zijn lot, zoover het in zijn zwak vermogen stond, verzacht had.Licht was er tenminste in het hol. Nu zijn oogen geheel gewend waren aan den blauwen schemer die binnenviel, bemerkte hij, dat de man, die tegen den anderen muur gebonden lag, nog leefde, want zijn borst bewoog zich zwak op en neder. Hij was niet zooals Sogol, bijna naakt, maar had een rood buis aan, zooals de zeelieden dat gewoonlijk droegen.„Schipper!” riep Sogol luide.Maar de man antwoordde niet en bleef in zijn diepen slaap verzonken.„Schipper!” riep Sogol nogmaals. „Schipper!”De man antwoordde niet.Zoo lag Sogol geruimen tijd, versmachtend van dorst, pijnlijk in al zijn leden door het gedwongen gestrekt liggen, zonder zich te kunnen verroeren. Hij voelde zijn hoofd zwaar worden, sloot de oogen, kreeg verwarde denkbeelden en verloor het bewustzijn.Toen hij weer ontwaakte was het vaal donker in het hol, hoewel het gat nog open was. Het scheen dus avond te zullen worden. Hij hoorde nu geen geluiden meer, niet meer het gieren en joelen van de verre vrouwenstemmen en niet meer het klakkelen van de paardehoeven.„Schipper!” riep hij nogmaals zwak.„Leeft di!” antwoordde de man nu, sprekende het Nervisch met een Scandischen tongval.„Ja, ik leef. Wie bent di en hoe bent di hier gekomen?”„Ik ben een Nerigoner, stuurman van een Noorschen[189]skig, die van het vreemde land kwam en in ’t Nervisch gebied met mijn kameraden wilde overwinteren. Toen, in dat vervloekte bosch, zijn wij door nixen overvallen. Mijn kameraden zijn ontkomen, maar ik, die een verwonden voet heb, kon niet vluchten en ben door de schoerhaaien gepakt en hier ingesmeten. Kunt di mi helpen … Ik heb zoo’n dorst …”„Ligt di hier lange?”„Van gistermorgen … En al dien tijd niets gegeten; geen droppel water en geen brok brood. En du vriend, wat is dijn wedervaren.”„Ik ben een prins der Nerviërs, op reis naar mijn land om mijn vader als koning op te volgen. Uit een bedwelming ontwakend, lag ik hier, vastgebonden, zonder te weten hoe ik hier ben gekomen. Mijn trouw paard heeft van morgen hier, zijn meester zoekend, een luchtgat gegraven. Maar ik weet niet hoe lang ik hier ben en helpen kan ik di niet, want ik lig hier ook vastgebonden.”Zoo bleven zij een tijd weer zwijgend liggen. De zeeman begon te kreunen en kreeg koortsen. Sogol voelde zich ook verzwakken maar hij onderdrukte zijn neiging om gedachteloos in te sluimeren door zijn wil, verwachtend dat er redding zou opdagen. Nu hij wist, door vrouwen gevangen genomen te zijn en nog wel, uit zijn gebied en die zijn taal spraken, vertrouwde hij dat zoodra hij in hare nabijheid gebracht zou zijn, ze wel zou weten onder zijn invloed te brengen.Hij begon ook weer te peinzen over de vreemde afbeelding, die tegen den wand was verschenen en nu niet meer zichtbaar was. Na ’t geen hij buiten gehoord had en na ’t geen zijn medegevangene hem had verteld kon hij nagaan, dat deze afbeelding niet een hersenschim was geweest, maar de voorstelling van een werkelijk tafereel. Maar waarom was het nu verdwenen? Hij beproefde zich de afbeelding voor te stellen, zooals hij ze gezien had.[190]Had hij ze gezien? Of was het een geestverschijning geweest? Of een droombeeld? Bestonden er dus werkelijk geheime krachten in den mensch? Zooals Harimona ze scheen te bezitten, die hem voor het binnengaan van de druipsteengrotten had gewaarschuwd? Hoe dieper hij doordacht, hoe grooter het aantal zijner ervaringen werd, des te moeilijker was het geheim van ’t leven te ontraadselen. Wellicht was dan toch niet alles door de gedachte te ontdekken.Van nixen had daar die zeeman gesproken … Waren het werkelijk nixen?… Had de priester, die in ’t onderaardsche meer verdronken was, dan niet gelogen? Er waren drie vrouwen uit het hol gevlucht, toen hij met Harimona en Haunnaderde.Nixen? Neen.. het waren gewone, aardsche wijven. Zij spraken den Nervischen tongval en hun geroep en gejoel en geschreeuw was niet geweest als van nixen maar als van beschonken, aardsche wijven.„Schipper!” riep hij nogmaals.De Nerigoner antwoordde alleen door luide te steunen.„Schipper, kunt di mi niet antwoorden.”„Heer … heer … ik kan niet meer …”„Kom, kom … du moet niet versagen … De redding is nabij …”„Neen heer, neen … nixen zijnkwajemachten … als nixen di pakken is het uit.. en ik heb het verdiend heer.. ik heb het verdiend … ik heb in de groote zee een nix met een harpoen gewond en dit is de wraak..”De Nerigoner zweeg en hield op met steunen. Sogol riep hem nogmaals maar hij antwoordde niet meer en scheen te slapen.Buiten was de zon ondergegaan en nu werd de krocht weder geheel donker.Sogol, hoewel doodmoede en tot slapen geneigd, dwong zichzelf om wakker te blijven, want indien Harimona en[191]Haun pogingen tot zijn redding zouden wagen, was het zeker dat zij van de duisternis gebruik zouden maken en hij moest oplettend luisteren blijven naar elk gerucht, opdat hij, zoo zij hem riepen, dadelijk zou kunnen antwoorden.Het werd nu koud in de krocht. Zoolang deze geheel gesloten was geweest, had de buitenlucht geen toegang gehad. Maar nu, door het luchtgat dat Hadoe had gegraven, kwam een ijzige tocht binnenwaaien. Sogol rilde, want zijn pels was terzijde gegleden, ’t geheele lichaam was naakt.Plotseling, in die stilte, begon de Nerigoon te spreken, verwarde woorden zonder zin of samenhang.Sogol had als knaap te vaak, als hij met Spûr mede ging, gewonden en zieken in koortsen zien liggen, dan dat hij niet dadelijk begreep, dat de man ijlde. Hij luisterde scherp toe, maar nu in zijn ijlkoortsen, sprak de man Nerigoonsch en hoewel die taal wel eenigszins geleek op het Nervisch, toch kon Sogol ze niet verstaan. Zoo lag hij, luisterend naar het gebrabbel van den ongelukkigen schipper. Maar tusschen de Nerigoonsche woorden hoorde hij anderen, van vreemden klank, alsof de schipper nog een andere taal sprak.Sogol toeluisterend, vergat zijn moeheid. Daar lag, vlak bij hem een man, die den weg naar ’t vreemde land kende, die er van teruggekomen was, zijn schip zwaarbevracht met de wondere schatten van dat land. En die man, in zijn koortswaan, sprak daar nu wellicht van, onthulde het groote geheim van den weg, dat de Nerigonen, zooals alle Scandiërs, zoo zorgvuldig voor andere volkeren verborgen, den menschen afschrikkend met vreesaanjagende verhalen.Deze hier had nog zooeven van een nix gesproken, die hij in de groote wereldzee met een harpoen had gedood. Nu had de Nerigoner toch geen noodzaak gehad om te liegen.Dus bestonden er dan toch nixen … waren de verhalen van de monsters en gedrochten niet alle slimbedachte[192]leugens om navolgers af te schrikken? Het groote geheim van den weg werd daar, op eenige passen afstands van hem, geopenbaard en hij kwam er niets van te weten, dan wat vreemdklinkende woorden, voor hem zonder beteekenis.Indien hij zich maar los kon werken. Hij zou den man te drinken kunnen geven, verplegen, de vrijheid hergeven en dan zeker zou hij hem uit dankbaarheid den weg naar het vreemde land wijzen.Nogmaals wrong Sogol aan zijn riemen. Maar de kluisters waren te vast aangelegd en sneden hem in ’t vleesch. Maar toch, eenigszins had hij ze verwrongen en de riem, die zijn linkerarm vastknelde, kon hij nu het hoofd zoover mogelijk ter zijde draaiend, met zijn tanden bereiken.Dat was een aanvang. Dien riem moest hij doorknagen.. dat was het begin der bevrijding. Het ging heel moeilijk. Maar zijn tanden waren jong en sterk en steeds maar doorbijtend zou hij zeker den riem, al ware ze ook driemaal sterker, kunnen vaneenknagen.Gestadig aan knaagde hij; het taaie leer werd week en glibberig door zijn speeksel. Toch bleef hij vezel na vezel doorbijten. Hij moest een poos rusten, misselijk wordend door den smaak van het leer. De stuurman kreunde nu weer.„Schipper!” riep Sogol.„Wat wil di, heer!” kreunde de zeeman.„Houd di stevig … Ik zal di bevrijden.”„Het is te laat heer; ik kan niet meer.”„Ik zal di bevrijden en di redden.. Nog dezen nacht..”En weer begon Sogol aan den riem te knagen, terwijl de Nerigoon bleef steunen. Telkens moest Sogol wachten, vermoeid rakend en misselijk wordend. Zijn tandvleesch begon te bloeden en het was hem, alsof hij geen tanden meer in den mond had. Maar toch bleef hij doorkauwen en knagen, vezel na vezel uit het leer losrukken. Toen eindelijk, nadat twee derde deel was doorgeknaagd, zette hij de spier van den bovenarm met kracht op. Het leer[193]van den riem gaf krakend iets mee. Sogol wachtte een oogenblik en opnieuw zijn armspier doende zwellen, gaf het murw gebeten leer mede.Dat was de bovenarm. Hij kon nu den linker elleboog en den linker schouder vrij bewegen enslechtshet linker polsgewricht was nog aan een bronzen ring in den rotsigen bodem vastgebonden. Gelukte het hem den pols los te wringen, dan was hij op ééne zijde vrij en de andere zijde zou weldra volgen.Doch hij kon den mond niet tot aan het polsgewricht brengen, daar zijn rechterschouder, bij den bovenarm vastgebonden, hem aan den grond ketende. Daarom moest hij eerst den bovenarm van den rechterarm losknagen, zooals hij dat bij den linkerarm gedaan had. Gelukkig dat hij nu niet meer gestadig denzelfden kant van den mond behoefde te gebruiken, maar afwisselend met de linker- en met de rechterhelft kon knagen.Als een dier, geduldig en onverzettelijk, beet en kauwde hij op het leer tot hij ook den rechter bovenarm ontboeid had. Zijn hart klopte heftiger van vreugde nu hij bemerkte, dat hij zich halverwege kon oprichten. Het bovenlichaam was dus bevrijd, nu de polsen en enkels … Maar hij behoefde niet meer te kauwen. Thans, nu hij over zijn geheele lichaamskracht beschikte, begon hij aan de polsriemen te wrikken. Het leer gaf iets mede, maar de polsen zwollen door de krachtsinspanning en daardoor verloor hij de gewonnen verwijding. De polsen moesten glad gemaakt worden, opdat ze door de riemen heen konden glijden. Hij peinsde even. Indien hij maar een paar druppels olie gehad had … Doch een denkbeeld kwam in hem op en een poosje later zich met geweld overwinnend, nam hij de eigen drek in den mond en spuwde ze op zijn rechterpols uit.En nu weer begon hij te trekken en te wringen … de riemen gaven mee, de nu gladde polsen gleden onder de riemen weg en zijn rechterarm was geheel bevrijd.[194]Hij zwaaide hem rond om de stijfheid te doen verdwijnen. Toen tastend langs den grond, zocht hij naar een paar ruwe steenen. Hij vond een stuk rotsscherf met een vrij scherpen kant. Dien scherpte hij aan tegen den grond en nu het als mes gebruikend, telkens in een kerf in de riemen insnijdend en dan weder den steen aanzettend op den grond, slaagde hij er in zich geheel te bevrijden.De moeilijke arbeid had hem zoo beziggehouden, dat hij niet op den schipper meer gelet had. En hij, zweetend van de inspanning, rekte zich uit en liep nu tastend naar den hoek waar de schipper lag.Deze was weder bewusteloos en Sogol, hem betastend, voelde hoe zijn beenen ijskoud waren. De riemen hadden den bloedsomloop gestremd.Geduldig en hardnekkig begon Sogol met zijn gescherpten steen de riemen door te snijden van den schipper. Doch de arbeid vorderde langzaam in ’t donker. Daarom kroop Sogol naar het luchtgat en het haastig met de handen uitgravend, stond hij weldra buiten.„Vrij!” zuchte hij.Buiten was het doodstil. De hooge avondlucht stond vol sterren en in ’t verschiet doemde vaag de zwarte schaduw van een bosch. Zijn gevangenis was een in rotsen uitgehouwen hol, dat met rulle aarde inderhaast was dichtgegooid.Hij ademde de nachtlucht met volle halen in en hij voelde zich vervuld van een dankbaarheid, die hem tot weenen bracht. Het leven was dan toch zoet en schoon, ondanks zijn raadsels. Daar, gebonden in ’t donkere krocht, had hij versmachtend den dood gewenscht. Maar nu rilde hij, denkend aan de doorgestane smarten en den dood. Leven wilde hij, het heerlijke, hooge leven bezitten, en zijn armen uitstrekkend, omarmde hij de nachtlucht als een bruid, die hij eindelijk weder omhelzen kon.Hij keek om zich heen. De streek was hem welbekend.[195]Daar gindsch begon het groote Nervische woud. Links daarvan, aan de tegengestelde zijde van de ster Brendel lag Beldun, de groote havenplaats.Hij was dorstig en hongerig en voor ’t oogenblik niets anders vindend, trok hij wilde zuringstelen uit den grond en begon er op te kauwen. Eerst nu kwam de gedachte aan den lijdensgenoot in de krocht weer in zijn hoofd, zoo was hij geheel ingenomen geweest door het zalige gevoel der herwonnen vrijheid.Hij keek rond om te zien of niet ergens een boschje in de nabijheid was, waar bij droog hout kon vinden. Dan had hij vuur en licht kunnen maken en met gloeiende houtspitsen de riemen van den schipper kunnen doorzengen. Maar het bosch in ’t verschiet was te ver. Hij blikte besluiteloos naar de krochtrots. Uit de wijze waarop deglooiingboven de krocht liep, in een langen, golvende lijn met inzinkingen, maakte hij op, dat hun krocht niet deeenigewas, maar dat de rotswand over een groote lengte in krochten was afgedeeld. Daarom liep hij nu langs den rotswand en voorbij de eerste inzinking vond hij een tweede krocht, maar geheel open, zoodat hij in ’t vale duister wel iets kon onderscheiden. De krocht was leeg, doch in ’t midden hing een bronzen pot boven een leemen haard. Het vuur in den haard was uit. Sogol nam den pot uit den kettinghaak en hem aan het hengsel zwaaiend, sloeg hij den pot met kracht tegen den rotsigen wand. De pot sloeg met een hollen metaalklank stuk. Sogol zocht twee groote scherven en begon ze haastig tegen den rots te wrijven tot ze scherp genoeg waren. Toen snelde hij terug naar de krocht waar de zeeman lag. Die was nog altijd buiten bewustzijn.Sogol kerfde nu de riemen van zijn armen en polsen los. Hij bevoelde de riemen waarmede de beenen van den zeeman waren vastgesnoerd aan den grond. Ook hier was een bronzen ring vastgegoten in den rots. Sogol rukte aan[196]den ring, maar deze was te vast in den rotsgrond bevestigd. Hij moest opnieuw de riemen doorkerven en eerst toen lag de man bevrijd.Sogol beurde hem op en droeg hem naar buiten. De koele nachtlucht hoopte hij, zou den man weder tot bezinning brengen. Hij wreef hem krachtig de beenen en nu in het nachtlicht bemerkte hij, dat de man een verkromden rechter voet had.Maar terwijl hij den man tot bewustzijn trachtte te brengen, dacht hij aan Harimona. Nu hij vrij was, moest hij aan hare bevrijding denken. Maar waar was zij? Gevlucht? Gedood? Teruggevoerd naar Renigo? Of wellicht in één van de krochten vastgebonden, zooals hij bewegeloos aan den grond gesnoerd was geweest.Daar de zeeman nog altijd bewusteloos bleef, nam Sogol hem op en liep met hem langs den rotswand, speurend rond met de oogen of hij niet ergens het glanzende vlak van een wel of een kreekje kon ontdekken. Maar het groote grasveld breidde zich tot aan den donkeren horizont uit, daar waar het woud begon zonder kreek of plas. Op de krocht waar de haard was, volgde een tweeden, geheel ledig. Een eind verder was er een derde.Daarvoor hing een zwaar, dichtgeweven zeil. Sogol legde den zeeman zacht op den grond, tuurde terzijde door een kier in de krocht. Daar zag hij, voor een sintelvuur twee menschen liggen, geheel naakt, een groote man en een vrouw in zijn arm, die het hoofd op zij, sliepen. Sogol sloop geruischloos binnen, nam een gloeienden sintel van het vuur. Met verwondering bemerkte hij, dat de andere mensch ook een vrouw was. Hij rilde nu van afgrijzen. Voorzichtig een aakst nemend, die dicht bij de hand van de grootste der vrouwen lag, hief hij deze reeds op om de twee met twee snelle slagen te dooden. Maar hij bedacht zich. De dooden spreken niet en deze vrouwen moesten spreken, hem zeggen waar Harimona en Haun zich bevonden.[197]Met de aakst gewapend, sloop hij weder uit het woonhol en liep verder langs den rotswand. Daar was opnieuw een woonhol en ook hier sliepen twee vrouwen, half naakt, op pelzen voor een vuur. Tegen den wand stonden aaksten, een kortzwaard, een langzwaard en kruiken en potten.Sogol, de aakst in zijn hand, sloop naar de potten. Maar bedenkend, dat een ontwaken hem veel last zou kunnen bezorgen, nam hij het langzwaard en sloeg met krachtigen slag de beide vrouwen in haar slaap tegelijk de hoofden van den romp. Zij uitten zelfs niet een korten gil, waren stom, zonder zucht of klacht van den eenen slaap in den anderen overgegaan.Nu, rustig, nam hij een stuk hout van ’t vuur en ’t boven de potten houdend, bevond hij dat deze eetwaren en water inhielden.Hij snelde naar buiten, tilde den schipper op, sleepte hem in de krocht en zonder zelf nog een teug waters genoten te hebben, bevochtigde hij de slapen en de borst van den bewustelooze, goot hem water in den mond, wreef hem krachtig langs de armen en beenen.Nu sloeg de schipper de oogen op. Sogol hield hem de hand voor den mond.„Zwijg schipper.… du bent gered. Maar zwijg.”Hij zette den man overeind, gaf hem te drinken en nu hem weder optillend en naar buiten brengend, zeide hij:„Stil en kloek, vriend. Ik heb dijn riemen losgesneden en di tot hier voortgeholpen. Wij zullen vluchten. Zeg mi, op welk wapen bent du geoefend?”„Den harpoen, de knods en het mes.”„En de aakst? Of het kortzwaard?”„De aakst!”Sogol snelde terug in de krocht, nam een aakst en een kortzwaard, liep weder naar buiten. Toen, nadat hij den schipper den aakst in de hand had geduwd, zei hij:„Wacht mi hier, vriend.”[198]Hij ging weer terug, haalde een kan drinkwater en een pot met eetwaar. Buiten zette hij de kan aan den mond en dronk, met voorzichtige, langzame teugen, als een man, die gewoon aan honger en dorst, weet dat men na lang versmachten kalm en niet overhaast moet drinken.Toen gaf hij de kan aan den zeeman, maar fluisterde:„Drink niet haastig.… met kleine teugen.… als dijn leven di waard is.”Sogol stopte zijn hand in den anderen pot. Hij voelde het taaie, kleverige van honig in raten. Gulzig bracht hij een stuk raat aan den mond. O, hoe zoet, hoe mild, smaakte ze, de honing, hoe koesterde zij den vlijmenden kramp van zijn hongerige maag. De zeeman tastte ook toe.Sogol liep een eind zijwaarts, wenkte den zeeman om mede te komen. Maar deze was te zwak nog om te loopen. Daarom sloeg hij hem den arm om den rug en hem zoo broederlijk steunend, liep hij met hem tot wat struikgewas.„Blijf hier, met den aakst in dijn hand en waak. Zoo du wat hoort, fluit dan. Er zijn nog meer gevangenen en ik heb ze te bevrijden.”„Vertrouw op mi, heer.”Nogmaals ging Sogol terug om zijn dorst te lesschen en stak weer een stuk honing in den mond. Toen, eenige zwaaien en houwen in de lucht met het kortzwaard doende, om zich te wennen aan ’t gewicht en om de dracht van den slag te meten, nu met zijn wapen in de hand te midden van wijven, wèl vertrouwend op zijn kracht en behendigheid, sloop hij langs de krochten. Hij telde er twintig. In elke krocht lagen twee vrouwen bij elkaar.„Ontuig, ontuig! Liederlijk getwaas!” zei hij vol afgrijzen.Maar waar waren Harimona en Haun?Opeens herinnerde hij zich, dat hij de vrouwen had zien dansen om iets.… Dat iets.… wat was dat geweest … Wellicht Harimona? Of Haun?Hij schreed terug tot voor de krocht, waar hij gelegen[199]had. Toen daarvoor staande, zocht hij in den helderen sterrennacht naar een boschje, dat gelijken kon op ’t geen hij omgekeerd in zijn visioen tegen den muur van de krocht had gezien. Recht voor ’t gat zag hij iets, dat er op gelijken kon. Hij snelde er met groote, haastige schreden op af, het kortzwaard gereed.Een boschje van tien boomen stond daar.… nu zag hij het duidelijk. En in ’t boschje glimde het schijnsel van een vuur.…Ondanks zijn spanning, verminderde Sogol zijn vaart, liep terzijde om tegenwinds het boschje te bereiken, opdat niet zoo de lieden daar waakhonden hadden, zijn nadering verraden zou kunnen worden.En nu, voorzichtig nader sluipend, zich plat op den grond leggend, kruipend langzaam voorwaarts ontwaarde hij vier mannen, eveneens met roode buizen.„Norigeenscheschippers, de makkers van den manken schipper,” dacht Sogol.Zij zaten om het vuur en dicht bij hen zat Harimona, met de handen vastgebonden aan een boom, starend in het vuur, maar overigens kalm.Sogol drong plotseling door tot voor het vuur en zich met het kortzwaard vooruitgestoken voor Harimona stellend, riep hij:„Dood dengeen, die zich beweegt.”De vier mannen, opschrikkend uit hun sluimer, sprongen naar achter. Twee namen de vlucht. Een derde zocht bescherming achter een boom, maar de vierde, dapperder dan de anderen, trok een kortmes uit zijn gordel en bleef kloek staan, gereed het tegen Sogol op te nemen.„Wie bent di, kaerel?” vroeg Sogol.„Een Nerigoonschen zeeman.… Pas op, voor de kol achter di. Zij heeft onzen makker gedood.”„Steek op dijn mes,” zeide Sogol tegelijk zijn zwaard met den punt in den grond voor zich stekend. „Wij zijn[200]vrienden. Dijn makker is vrij en leeft.… hij was een manke stuurman niet waar?…”De drie anderen kwamen nu ook toeloopen.Nu keerde Sogol zich om en omhelsde Harimona, kuste haar op mond en wangen, drukte haar aan zijn borst, reet met één snede van ’t kortzwaard den riem door, waarmede haar handen geketend waren.„Waar is Haun?” vroeg Sogol.„Ik weet het niet … Ik ben ’s nachts in een donker hol als uit een droom ontwaakt. Deze vier lieden, die hun makker zochten, hebben mij gepakt en naar hier gevoerd. Zij ondervroegen mij, hielden mij voor de aanvoerster van de vreeselijke wezens, die hier in ’t bosch schijnen te huizen. Zij bezweren mij, dat hier heksen en nixen in ’t woud wonen, die geheel naakt loopen en zich op reizigers werpen.”„Zij hebben gelijk …” „Mannen,” ging Sogol voort nu zich tot de vier zeelieden richtend, „ik ben Sogol, prins der Nerviërs en dit is Harimona, de heilige vrouw van Renigo, mijn bruid. Wij zijn, zooals du, door die vervloekte wijven aangevallen. Ik ontwaakte in een donker krocht en daar lag ook dijn makker, geboeid en versmachtend. Ik heb hem bevrijd en hij houdt hier dichtbij de wacht. Indien du moed hebt, zoo volgt mij, dan kunnen wij de bende dier wijven ketenen en opbrengen of dooden.”De vier mannen keken elkaar aan.„Heer,” zei een hunner, „tegen mannen willen wij vechten maar tegen nixen en kollen is alle strijd vergeefs.”„Wat? Bent di Norigener? Mannen, die de groote wereldzee bevaren en in ’t vreemde land tegen de monsters en gedrochten vecht.”De vier waren niet zoodra met een antwoord gereed en bleven zwijgen.„Als di niet durft, ga ik alleen. Bewaak hier de heilige vrouw.”[201]Een der mannen, dezelfde die tegenover Sogol stand had gehouden, een rijzige, breedgeschouderde kaerel, trad naast Sogol.„Heer, ik ben dijn man.…”En zich tot de drie andere richtend, zeide hij:„Bewaak de Bruid van den dapperen prins.”„Waar gaat di heen, liefste?” vroeg Harimona.„Haun bevrijden. Wacht mi hier, mijn kind.”Hij kuste haar op ’t voorhoofd en de twee mannen verdwenen in de duisternis.De manke stuurman lag nog altijd wachtend achter ’t kreupelhout. Toen hij zijn maat zag en nu zich eerst veilig voelde, begon hij te schreien van geluk.„Ik dacht, dat ik daar levend verhongeren zou, meester,” zei hij, na den anderen zeeman een kort verslag van zijn wedervaren te hebben gedaan.„Bent di de meester?” vroeg Sogol.„Ja heer, ik ben skigvoerder.”„Hoe is dijn naam?”„Rytzell de Svizjoon. Mijn mannen zijn allen Nerigonen.Tien zijn er op de skig gebleven ter bewaking, twintig hebben over land de reis naar Scandia aangedurfd. Wij wilden in Beldun overwinteren om tegen het voorjaar met een nieuwen skig een nieuwe reis naar ’t vreemde land te beginnen.”„Zend dijn stuurman weg. Wij samen zullen wel met dat vrouwsvolk ’t alleen klaren, Rytzell.”De skig-kapitein zond den manken stuurman naar ’t boschje, waar zijn makkers Harimona beschermden. De rust had den manke goed gedaan en hij kon nu weder loopen.„Rytzell,” zeide nu Sogol, „het hart is mij goed om al die wijven neer te slaan.”„Heer, ’t is kwaad vechten tegen nixen en kollen.”Sogol haalde de schouders op.[202]„Heb di nooit in ’t vreemde land tegen nixen en kollen gevochten?”„Neen heer … daar leven wel gruwelijke beesten, sterker dan de beer en woester dan de ever. Maargetwaasheb ik er nooit gezien.”„Heb di dan welgetwaasgezien, ginds in dijn vaderland?”„Ik zelf niet heer.… maar anderen hebben er velen gezien.…”„Zeg mi eens oprecht opperschipper, heb di ooit in de wereldzee zeewijven gezien met vischlijven?”„Neen heer … zelf niet. Maar anderen …”„Ik zal di wat zeggen,opperschipper. Wij zijn mannen, beiden onvervaard en geen kinderen, angstig voor een spook of een droombeeld. Ik ben een man, die lang in de bosschen heb geleefd en veel onderzocht heb. Dit zeg ik di: daar zijn geen andere geheime machten, dan die wij in ons hebben. En nu let op. Du zult zien, dat in de krochten geen nixen of kollen huizen, waarvoor koene manslui bang behoeven te zijn. Maar liederlijke boschwijven, de snee van een eerlijk zwaard schier niet waard. Nu volg mi …”Zij liepen langs de krochten. Sogol, nu vreezeloos, trok de voorhangen terzij en toonde de slapende wijven paar bij paar. Ook kwam hij weer bij de krocht, waar de twee vrouwen lagen, die hij met één houw de hoofden van de romp had geslagen. In den zwakken rossen schijn van ’t doovende haardvuur lagen daar de ontzielden lichamen in ’t bloed en de beide hoofden star en gelaten van uitdrukking hingen ter zij op de kussen der blonde, losse haren.„Die sloeg ik in den slaap neer!” zeide Sogol„om mijzelf en dijn maat te kunnen helpen.”Sogol bemerkte aan ’t zwijgen de ontzetting van Rytzell.„Zeg mi, opperschipper, hebt di ooit zoo iets schrikkelijks ginds in ’t overzeesche land gezien?”[203]„Neen heer … wel heb ik er levende vrouwen gezien, die verbrand werden met het lijk van haar man. Maar dat is om der wille van het geloof.”„Gelooven ze daar ook aan Wotan?”„Neen heer en niet aan Odin ook.”„Wat gelooven ze dan?” vroeg Sogol, vergetend de gruwelijke krocht waar de twee onthoofde vrouwen aan hun voeten lagen, voor de oplossing van het groote vraagstuk, dat hem meer belangstelling inboezemde dan de voorvallen van het heden.„Zouden wij niet eerst den gevangene redden?” vroeg Rytzell, naar de gewoonte der Scandiërs, ontwijkend het antwoord op alle vragen omtrent het vreemde land.Zij traden uit de krocht naar buiten en liepen langs den steilen rotswand.„De vrouwen, die ons vervolgden heer, geleken op deze.”„Dat zijn dijn nixen, schipper. Geloof mi, andere bestaan er niet. Wij zullen er nu twee in haar slaap wegvoeren en dan vragen waar mijn horensteker is.”Sogol liep een krocht binnen en een prop makend van een stuk lijnwaad en Rytzell beduidend hetzelfde te doen, nam hij een wijf bij ’t gelaat, rukte haar den mond open en voor ze gillen kon, duwde hij haar de prop in den mond. Daarna tilde hij haar op en droeg haar naar buiten. Rytzell, hield zijn hand voor den mond der andere vrouw en sleepte haar met de andere hand Sogol achterna.Zij liepen nu, elk een vrouw dragend, snel ver uit het bereik der krocht. De vrouwen, plotseling uit haar slaap gewekt, verweerden zich maar de twee mannen, beiden van groote lichaamskracht, sleurden heur voort. Doch de vrouw, die Rytzell droeg, van groote statuur en zwaargespierd, beet hem in den vinger.Even trok de zeeman zijn hand terug en zij, snel zich losrukkend, kreeg vasten voet op den grond en begon met haar ontvoerder te worstelen.[204]De zeeman, kortemettenmakend, trok zijn mes en stak haar dit in ’t hart. Als een blok viel ze neer, maar heur gegil tijdens de worstelpartij had de andere vrouwen gewekt en enkele kwamen al, met vlamhouten en met zwaarden gewapend toerennen. Het was echter duister genoeg om de twee mannen, nu geen gillen der vrouwen den weg aanwees waar zij haar aanvallers konden vinden, aan haar oog te onttrekken.Rytzell, de vrouw die Sogoltorschte, bij de beenen vattend, hielp Sogol haar zwaar lichaam dragen en beiden snelden naar het bosch, waar de andere zeelieden waakten.Toen zij daar kwamen, waren de zeelieden zeer verwonderd de gevange nix te zien. Zij durfden haar nog altoos niet naderen. Rytzell scheurde een deel van het overkleed van Harimona snel in reepen en boeide de vrouw de handen en de voeten, handig de knoopen leggend, zooals zeelieden dat verstaan.„Luister wel!” zeide nu Sogol tot haar. „Antwoord op mijn vragen naar waarheid en schreeuw niet; zoo du schreeuwt, werp ik di in dit vuur.…”Toen, met het mes van Rytzell voorzichtig de prop uit haar mond nemend, vroeg hij:„Wie bent di. Hoe komt di daar? Waarom hebt di mijn bruid, mijn knaap en mij gevangen genomen en waar is mijn knaap?”De groote vrouw, met lichtblauwe oogen, lang blond haar en zelfs niet gekleed met een schaamdoek, keek naar Harimona, maar antwoordde niet.„Zult di antwoorden?” vroeg Sogol.Zij bleef weigeren en staarde maar altoos Harimona aan.Sogol nam een vlammend hout van het vuur en duwde het even tegen haar arm. Zij sprong op en gilde.„Zult di antwoorden?”„Heer.… mijn naam is Koenegoend. Ik ben een krijgsvrouw van Koenderic, koning der Nerviërs geweest. Toen[205]Koenderic gestorven was zijn wij uitgetrokken, al de krijgsvrouwen bij elkaar en leven nu in de bosschen.”„Een fraai leven, dat di voert.”„Wij hadden veel van de mannen te lijden gehad en leefden nu zonder de mannen.”„Vervloektgetwaas!”Zij keek weder naar Harimona met droomerige blikken.Harimona wendde het hoofd af.Sogol nam nogmaals een brandend hout en bedreigde haar.„Waar is de knaap, die bij ons was.”Zij begon opeens schril te lachen.…„Waar is de knaap, wijf?”Zij lachte hoog op en opeens viel zij neer en begon de beenen krampachtig te trekken.Sogol stiet haar het gloeiende hout in de heup.„Zult di spreken, luizenwijf.”Maar zij bleef lachen, scheen genot te hebben in de smart van de brandwond.De vier Nerigonen traden angstig terug en Sogol zag, dat zij weer op ’t punt stonden aan den haal te gaan. Hijzelf voelde zich vermoeid met een onbedwingbaren drang om te gaan slapen.De vrouw, na eenigen tijd op den grond zich om en om gegooid te hebben, kwam weder tot kalmte.„Wilt di antwoorden, kol? Of ik steek di hier vast in den grond?”Sogol hief zijn zwaard op.„Ach heer, vergeef mi.… ach heer, dood mi niet.…” kermde het wijf.„Waar is de knaap?”„Ach heer … dood mi niet … ik heb het niet gedaan … De andere vrouwen.… Wij dooden alle mannen. Du en die daar, de manke zeeman, zouden morgen gedood worden.… en die daar.… die minneclîche maide, zou verlost worden.… want velen beminden haar.… maar[206]de horensteker is door Nilka en Ortrûd naar het kleine zand gebracht en zij hebben om hem gedanst en hem tot een maagd gesneden en nu is hij dood.…”„Waar is ’t kleine zand?”„Daar heer, daar.. bij de boompjes.. daar.. daar..”„Komt mee Rytzell … en du mannen, bewaak haar en vlucht niet.. het is geen nix maar een liderlicke hure..”Sogol en Rytzell liepen met een brandend hout in de aangewezen richting. Bij ’t kleine boschje op een open plek van hel geel zand, lag daar het naakte lijk van Haun.. zijn hand nog aan den horen, alsof hij in doodsstrijd hem nog aan den mond had willen brengen. Rytzell hield het brandende hout dicht bij ’t gelaat … bij de borst … Toen, in den rooden gloed, zag hij de gruwelijk wonde, waaraan de knaap verbloed was … Hij trad met een gil terug en steunend op den schouder van Rytzell begon hij te weenen.„Mijn arme, arme knaap. Mijn trouwe, kleine jongen …”Hij tilde het al koude, stijve lijk van den kleinen horensteker op en droeg het met Rytzell terug naar het woud.„Zij heeft de waarheid gesproken!” zei Sogol dof tot Harimona …Zacht legde hij ’t lijk neder op ’t boschmos en bedekte de vreeselijke wonde met het stuk lijnwaad, dat van Harimona’s overkleed was overgebleven.3Ook Harimona weende. De zeelieden, die met ontzetting het geschonden lichaam van den jongeling hadden gezien, stonden dicht bij elkaar, alleen door ’t oog van Rytzell in bedwang gehouden om niet te vluchten.In de verte zagen zij de andere wijven nog altijd met de vlammende toortshouten zoeken naar heur aanvallers.[207]Sogol, zijn eigen moeheid voelend, weinig vertrouwend op den moed der zeelieden, vreezend voor het leven van Harimona, beval op te breken en zoo snel mogelijk naar Beldûn te trekken. Maar voor de stoet zich in beweging zette, hakte hij van takken een baar, legde het lijk van den verminkten knaap er op en deed het zoo mededragen door twee der Nerigonen, opdat het verbrand zou kunnen worden en bijgezet met de eere, die een prinselijken horensteker toekwam.Doodmoede, tot schreiens toe bedroefd, liep hij naast Harimona achter de baar, met gebogen hoofd en zich steunend op den schouder van de heilige vrouw.[208]1Wind, geur, zonnestraal—wij weten nú dat zij aan de stof gebonden zijn. Sogol kon dit niet weten.↑2Het is waarschijnlijk, dat velen het voor onwaarschijnlijk zullen houden, dat deze gedachten een Germaan uit 150 v.Chr.bezielden en aan een zeker soort geestelijk anachronisme zullen denken. Men houde echter in ’t oog, dat de Germanen in hun oer-land, Indië, waarschijnlijk een hoogere beschaving hebben gekend en wellicht, in de eerste eeuwen[184]van hun verblijf in Europa, ontaard zijn in het noordelijke klimaat. Eerst thans, na zoovele eeuwen, schijnt de Germaansche ziel zich weder te openen voor de opneming van haar oer-droom. Uitstekende Germanen als Goethe en Schopenhauer hebben instinctmatig zich naar ’t oosten gewend. Het Christendom, dat veel heeft van eenBoeddhismenaar Joodschen karakteraard, door Christus van een individueel cachet voorzien, is juist door de Germanen het best begrepen.Het is, alsof de Germaansche ziel in het Christendom eindelijk weder den godsdienst naar heur waren aard vond, terwijl de Joden onontvankelijk blijken voor de leer van Christus, waarschijnlijk omdat hun oer-droom van leven en dood altoos een andere is geweest.Er is geen enkele reden om te bestrijden, dat ook het geestelijk leven onderworpen is aan vaste natuurwetten. De godsdiensten zijn m. i. een gevolg niet allereerst van het denken en voelen, maar van het klimaat.In dezen zin kunnen wij allen zon-aanbidders zijn. Het Christendom neemt onder onze oogen de nuanceering aan van het klimaat der streken, waarin het wordt uitgeoefend. Nergens duidelijker dan in Rénan’s „Vie de Jésus,” voelt men, hoe de omstandigheden van bodem en klimaat, dus eigenlijk van den stand der zon ten opzichte van het landschap Galilëa, de zachtaardige, vriendelijke en liefdevolle idée van den gevoeligste der Joodsche droomers, tot ontwikkeling brachten.Ons heele leven is een gestadige poging om ons iets te herinneren dat wij voelen, dat in onzen geest besloten ligt, maar dat wij niet geheel kunnen terugvinden. Onze grootste geesten zijn wellicht lieden, die de meeste kracht tot weder te binnenbrenging bezitten, niet alleen van de dingen uit dit, maar ook van de dingen uit onze vorige levens.Schopenhauer zegt, dat zijn hoofd gedachten opwierp en uitwerkte, zonder dat hij zelf het daartoe dwong. Het inspiratieve wezen van geniën is bekend. Het schijnt of zij werktuigen zijn van een geest buiten hen. Vandaar het dikwijls verbazende onderscheid bij geniën tusschen den mensch en zijn werken.Sogol, éénmaal zich bevrijd hebbend van den oud-Germaansche Wotandienst, komt gelijk elke vrij-geest d.i. vrije geest, tot de verheven twijfelingen, onderstellingen, vermoedens en dwalingen, waartoe elk naar zijn aard noodzakelijkerwijze moet vervallen, zoodra hij het als onwaar bevonden dogma verwerpt, en moed, denkkracht, fantasie, waarheidsliefde en bewustheid van hoogere machten bezit. Sogols gebrekkigekennisheb ik laten doorschemeren.↑3Atjehsche vrouwen, vertelde mij een geloofwaardig kolonist, wreekten zich soms op dergelijke wijze, wanneer Nederlandsche soldaten krijgsgevangen waren gemaakt.↑

HOOFDSTUK XIV.

Midden in het bosch, aan de grens van het Nervische gebied, was Sogol ’s morgens ontwaakt, door een snijdende pijn in de polsen. Hij had gedroomd, dat een kobold hem met een zwaard de handen afsloeg.Toen hij ontwaakte bemerkte hij, dat hij in een donker vertrek was en dat zijn polsen en enkels gebonden waren met dunne, snijdende riemen.„Harimona!” riep hij.Zijn stem klonk hol en daaruit leidde hij af, dat hij zich in een gewelf bevond.„Haun!” riep hij, „Haun! Haun!”Maar hij kreeg geen antwoord. Hij trachtte zich nu op te richten, maar hij ervoer, dat hij ook met een riem, die om de bovenarmen liep, ruggelings aan den grond was bevestigd.Hij rukte even met zacht geweld om de kracht zijner boeien te meten. Ze waren zoo sterk, dat hij er niet aan behoefde te denken, ze stuk te trekken.Het was zwart duister om hem heen, zonder zelfs een schemer licht. Sogol begreep, dat hij gevangen genomen moest zijn tijdens zijn slaap; dat men hem geboeid had en dat Harimona en Haun eveneensòfgevangen òf verjaagd waren. Meer kon hij niet te weten komen. Het beste was zich kalm te houden en af te wachten. Voorloopig overtuigde hij zich ervan of hij nog ’t gebruik van al zijn ledematen had.Ja, zijnknieënkon hij nog buigen, zijn vingers bewegen en behalve het schrijnen van de striemen der riemen om zijn polsen, voelde hij geen pijn. Maar wel was zijn keel droog en had hij een grooten dorst. Doch[179]zijn eigen lichamelijke kwalen telde hij weinig. Waar was Harimona? Lag ze ook zoo als hij, vastgebonden en versmachtend in een donker hol? Hij wilde weer roepen maar bedacht zich. Waarom zijn bewakers te wekken? De wijze, waarop zij hem gevangen hadden genomen en hier gevangen gezet bewees voldoende, dat zij hem kwaad wilden. Wie waren zijn gevangennemers? En hoe hadden ze hem zoo kunnen binden, zonder dat hij ontwaakt was?Het zware, doezelige gevoel in zijn hoofd, de dorst gaven hem een aanwijzing. Hij moest zeker te voren door kruidendamp bedwelmd zijn geworden.Sogol bracht zijn hoofd wat naar voren en berook zijn naakte, harige borst. En hij herkende den geur van ’t ginneblad, dat ook op feestdagen gebrand wordt in de heilige hagen, waar de priesters en priesteressen zich er door laten verhitten en dan tot zinneloozen lust worden geprikkeld. Maar wie te veel van den rook van ’t geroosterde ginneblad opsnuift, verliest het bewustzijn en valt in een diepen slaap, waaruit men niet altoos ontwaakt.Hij was dus gevangen genomen òf door priesters of door vrouwen. Want mannen, zelfs de meest schunnige roover, zou een vijand niet op deze wijze onschadelijk maken.Maar hoe lang had hij geslapen? En waren zijn gevangennemers wellicht overtuigd geweest, dat hij den doodslaap wel slapen zou en hadden zij hem hier zoo gebonden, levend in een graf gelegd?Weer wildehijschreeuwen, maar zijn instinct hield hem ervan terug. Neen, hij moest voorloopig zwijgen en stil onderzoeken. Hij was nu al zoo ver, dat hij wist, waardoor hij bedwelmd was en iets kon vermoeden van de persoonlijkheid zijner vijanden. Een poosje lag hij stil om tot rust te komen. Zoo hier te blijven liggen en te sterven … was dat wel zoo vreeselijk? Die korte tijd van honger en dorst zou niet eeuwig duren. Maar wat dan?[180]Hij strekte zich lang en recht uit, als een die gestorven is en sloot de oogen, die vermoeid werden van in ’t duister zien en peinsde over den dood.Hier lag hij nu, onverwrikbaar vastgebonden, in een levend graf. Zou de dood nu werkelijk een verlossing zijn? Wanneer zijn levensgeest was geweken, zou dit lichaam, dat nu nog ademde, welks zwaarte hij nu nog voelde, dat zijn levenskracht verraadde door ’t kloppen van ’t hart, het zware bonzen van de slapen, het zweeten van ’t voorhoofd, hier dan liggen, een gevoelloos stuk dood vleesch, dat stinkend zou vergaan, weggevreten door wormen en maden, opgelost in een afzichtelijke brei, waarvan de grond de vochten zou opzuigen. Maar dan, langzamerhand was al ’t vleesch vergaan en zijn beenderen zouden bloot komen, uitdrogen en op een dag, wellicht na eeuwen zou door een toeval een voorbijganger zijn geraamte hier vinden, zooals hij daar ginds bij ’t onderaardsche meer de geraamten der reuzen had gevonden. En die levende zou naar zijn doodshoofd kijken en beschouwend staren naar dat bolle voorhoofd, waarachter de gedachten gewoeld hadden en die holle, zwarte oogkassen, waaruit zijn zielsbewegen door de glanzende oogen naar buiten geschenen had, maar ook hij zou voor het geheim staan van het zwijgende graf en de mond, die nu nog kon roepen en spreken, zou dan eenafgrijselijken, breeden grijnslach vertoonen met de witte tanden dreigend als in den bek van een dier. Zou daarmede dan alles gedaan zijn?…En als de beenderen verbrand werden en een hoopje asch in een urn lei of de asch werd verstrooid door de winden … was dan hij Sogol ook voorgoed verstrooid en niet weer te vinden uit den baaierd …?Of was daar dan werkelijk een ander leven, een leven buiten dit, dat niet gebonden was aan aardsche banden, niet vastgeketend kon worden gelijk dit lichaam nu, dat hij op dit oogenblik voelde als iets vreemds, als iets dat[181]niet van hem was, iets pijnlijks en wreeds dat hem vastbond aan een aardsch bestaan, een andere keten maar inderdaad gelijk aan de riemen, die hem nu vasthielden aan den rotsigen grond.Waar gingen de gedachten heen uit zijn hoofd?Die waren vrij en niet gebonden aan zijn lichaam. Want zie, nu lag hij hier toch vastgeriemd zoo, dat hij zich zelfs niet geheel kon oprichten en alles om hem heen was zwartdonker en hij hoorde geen geluid en wist niet waar hij was noch hoe hij hier gekomen was. En toch, in zijn hoofd, daar achter zijn voorhoofd, woelden gedachten en voorstellingen, plannen, overleggingen, berekeningen. Hij kon zich verbeelden vrij te zijn en te zweven uit dit donkere hol ver naar de vrijheid en hoog boven de landen, steeds hooger, hooger, gelijk een arend, die naar de zon vliegt … o nog hooger, nog hooger …Neen, neen, neen … hooger niet … daar in de blauwe luchten begon het groote geheim weder en daar vond zijn vrije geest die andere riemen, die hem vastsnoerden in een ander gewelf, dat maar schijnbaar vrij en helder en doorzichtig en licht was, doch inderdaad al even donker als dit hier, waaronder hij nu vastgebonden lag …En in dat andere gewelf zou de geest ook verpulveren in den baaierd, zooals zijn lichaam hier in dit zwarte hol.. wellicht, wellicht, wellicht, want iets ontzwond zijn lichaam dan toch en was niet door de riemen hier gebonden, die hij voelde schrijnen … En iets wellicht zou ook weer den geest ontzwinden, wanneer die zichoplostein de ruimte van het hemelgewelf zooals een brandoffer-geur, weggewaaid door den wind … en uit dien geest, zwevend in hoogere ruimte zou eens weder een fijnere geest opstijgen en uit dien weder een eeuwig, eeuwig, eeuwig, in gestadige fijnere, hoogere ontwikkeling, verrijzend steeds schooner uit zichzelf.Hij lag zoo in het donker te peinzen. Nu hoorde hij een dof, klotsend geluid alsof er ver een paard liep.… Hij[182]legde zijn oor op den bodem.… luisterde aandachtig met zijn scherp gehoor.… Dat was zijn paard.… hij herkende het aan ’t rhythme van ’t geklakkel der hoeven.…Maar de gedachte aan het geheim van den dood nam zoo zijn denken in beslag, dat hij niet zich bezighield met dat geluid, dat wellicht bevrijding kon beteekenen, maar bleef zweven met zijn gedachten in de ijle ruimten ver boven de aarde, waar de zielen konden zweven en zich van trap tot trap ontwikkelen tot hoogere volmaking.Maar weer hoorde hij ’t geklikkeklak der paardehoeven en nu ook een zacht hinniken.…Ja … wèl was het zijn paard … Zijn paard … zijn trouw, goed, groot paard, dat zijn meester misschien kwam zoeken …Zou het hem vinden? Had het besef er van, dat hij hier in nood verkeerde? Hoe dikwijls nu al, gedurende de lange reis van de Renigo naar Nervië, had hij in gepeinzen gekeken naar dien grooten kop van zijn paard. En ook vaak had hij getuurd in de groote bruine oogen, zich afvragend wat die wilden zeggen, van welke ziel zij de spiegel waren. En welke gedachten huisden achter dat zware, groote been tusschen de twee ooren. In den haag van Lagdûn waren witte paarden, die voor heilig werden gehouden en uit hun brieschen voorspelden er de priesters de toekomst. Wanneer de groote koningen en zelfs de hertogen gestorven waren, doodde men in sommige streken hun hengsten en verbrandde de lijken van de paarden tegelijk met die van hun heeren, opdat deze in ’t Walhalla hun lievelingsros weder zouden kunnen bestijgen. Hadden de dieren ook een ziel? Steeg hun ziel ook op na den dood, bevrijd van aardsche slaafschheid? Ging hun ziel ook van trap tot trap hooger in een voortdurende ontwikkeling de hoogste volmaking tegemoet?Wat was de ziel? Leefde zij zonder lichaam.… als een wind of als een geur of als een zonnestraal?1En wanneer de dieren allen een ziel hadden, was dan[183]na den dood de ziel van een laffen haas gelijk aan die van een moedigen ever? Of kwam de ziel van den haas, na diens dood tot hoogere volmaaktheid gekomen, in een hooger dier wonen, in een dier met grooteren moed en kracht?Sogol bleef even geheel gedachteloos liggen. Het was hem of hier, in deze donkere krocht, waar hij machteloos en eenzaam te versmachten lag, opeens het groote licht des levens opging.Hij voelde een grootsche, een alomvattende gedachte komen, maar weifelde om haar toe te laten in zijn hoofd.. Het was vrees en genot tegelijkertijd, dat wachten op de groote openbaring van zijn rede.… Wellicht … wellicht … wellicht.… o, hoe durfde hij die gedachte aan.… wellicht was de ziel van al wat leefde één wezen, maar zooals de lucht één ding was en toch elk levend wezen naar zijn aard en behoefte zijn deel van die lucht inademde, zoo kon dan ook elk een deel van die àl-ziel in zich omvatten en stervend zijn deel weer teruggeven, zooals de ademtocht teruggegeven werd.… Het heele leven zou niet anders dan één lange ademtocht zijn, ingehaald bij de geboorte en uitgezucht bij den dood.… De ziel van elk dier, ook het geringste, ware het een luis of een vlooi, was een gedeelte van dezelfde alziel van den mensch.… En het deel der alziel, dat heden in een luis leefde, zou na lange tijden van uit- en inademing, door verschillende trappen eindelijk den edelsten mensch kunnen bewonen. Daarna … ging dan dat zielsdeel voort in ontwikkeling zich vervolmakend, zou het den goden gaan bewonen? Was er dus waarheid in de sagen, die van de oude helden goden maakten?…2Begon dan de hemel reeds op aarde? En bij[184]het kleinste, minst ontwikkelde dier? Wat zou het minst ontwikkelde dier wel zijn?De slak? De oorworm? De oester? De zeester? Ja.…[185]bij de zeester zouden de levende dieren zeker aanvangen … zonder kop, zonder oogen, zonder schelp.… Hij had ze dikwijls op het Nervische strand gezien, als jongen ze wel ’s morgens gezocht na den vloed, als ze nog leefden en de vijf punten bewogen. Ze hadden ze in de zon gedroogd, hij en de andere knapen en ze aan een draad geregen en op de borst gedragen. Lag er bedoeling in den vorm van dit dier, dat bijna op een plant geleek? Een ster was de aanvang van alle leven.… O, mocht ik bevrijd worden … De ster zou mijn zinnebeeld zijn en op mijn wapenschild zal ik haar afbeelden.…Bevrijd zijn, bevrijd zijn! Hij keerde weer uit zijn gedachtenrijk terug als uit een droom. Maar de riemen om armen en beenen, die striemden zoodra hij zich bewoog, de zwarte donkerte om zich heen, nu hij de oogen weder opende, herinnerde hem smartelijk aan zijn vreeselijken toestand van de stonde.Weer hoorde hij buiten het brieschen van zijn paard en het scheen of het dichtbij met den voorhoef in den grond groef. Sogol bleef ingespannen luisteren.… O, als zijn paard werkelijk zooveel verstand had om een gat te graven en zijn meester licht en lucht toe te voeren…Zou in dien grooten kop, achter die goedige, bruine oogen zooveel besef huizen? Wellicht…waarom niet?Hoe reusachtig was de afstand niet tusschen de zeester en zijn paard…beiden toch dieren. Hoeveel malen moest de levensziel zich niet door sterven en wederopstand verreinen om den afstand af te leggen tusschen de hulpelooze zeester en het al zoo redelijke paard.…En het bleef graven.… Hij hoorde het telkens brieschen en dan weer woelde de hoef in den grond. Het geluid van ’t woelen kwam van rechts en klonk alsof een dor blad, door den wind opgejaagd, langs een drogen grond schoof.Als hij ’t eens riep.… Maar zijn stem zou zijn bewakers kunnen wekken.… Neen, zwijgen moest hij.… een instinct zeide hem, dat hij zwijgen moest.[186]Stil, zachtjes ademend, lag hij te luisteren naar het brieschen en het graven.… Ja.… het gat moest dieper worden.… want hij hoorde den woelenden hoef steeds, steeds duidelijker en het brieschen nu al heel dichtbij.… Nu kòn hij zich niet langer weerhouden en zachtjes floot hij sissend tusschen de tanden, zooals hij dat deed, wanneer hij zijn paard tot zich riep. Even was ’t doodstil. Nogmaals floot Sogol.… toen hoorde hij een klagelijk gehinnik.… Ja.… dat was Hadoe, zijn trouwe hengst.… Nogmaals floot hij.… twee, driemaal achtereen.… De hoef begon weder te woelen.… En nu kwam opeens een blauw straaltje licht naar binnen, dat een klein licht plekje sloeg onder tegen den zijwand ver van Sogol. Even moest hij zijn oogen wennen aan dat licht.… en tot zijn ontzetting zag hij nu, dat het scheen op het gelaat van een ander mensch, een die nog toe in verdooving lag of dood was.Zachtjes floot hij weder. Het gat werd grooter, nog grooter.… en daar kwam het blauwe daglicht binnen. Het was Sogol of het door dat gat, links van hem, zachtjes binnengegoten werd, als water uit een drinkkan. En snel flitste de gedachte door zijn hoofd of het licht misschien ook een soort water was, dat uit de zon over de aarde werd uitgegoten. Maar de gedachte hield hem niet langer bezig op dit oogenblik. Vrij wilde hij zijn, weer loopen langs de wegen onder het hooge, blauwe koepeldak en rondom gebaad in de winden, streelend om zijn naakt lichaam.O, indien hij zich maar naar het gat had kunnen sleepen, vanwaar het blauwe licht binnenstroomde en scheen in het holle gewelf zijner gevangenis uit te vloeien, verschaduwend in de hoeken alsof het nog geen kracht genoeg had om zooveel duister weg te dringen.Nu dorst hij te roepen. Het licht gaf hem geestkracht en vertrouwen en moed.„Kom dan Hadoe.… kom dan zoet beest.… zoek[187]dan, zoek dan dijn heer.… zúúúúúút.… zsúúúúúúút … dijn heer is hier.… kom.… kom.…”Sogol wachtte en keek even weder naar den anderen gevangene.… Hij schrikte.… daar, tegen den wand boven het lichaam van den onbekenden man, die daar lag, zag hij eenvisioen.… een onverklaarbaar wonderverschijnsel. Iemand.… een geest.… een ziel.… een god.… wie dan ook.… had met toovermacht daar tegen den muur een wonderschoon tafereel geteekend.…Met oogen, star van ontzetting, zag Sogol tegen den muur een boschje van hooge boomen, die wuifden in den wind en daaronder bewegende gestalten … met lange, loshangende haren … vrouwen waren het, die druk, verward bezig waren om iets dat in hun midden lag, te dansen. Maar het grootste wonder was, dat alles omgekeerd op den muur geteekend stond, zoodat de boomen met de toppen naar beneden verschenen en de vrouwen met de hoofden … Dan, nu het gat nog grooter werd, was het opeens verdwenen.„Hadoe! Kom dan, mijn jongen … kom dan!” zei Sogol aanmoedigend. Het paard stak zijn snoet naar voren in ’t gat en snoof in de krocht naar zijn meester.Toen, zich overtuigd hebbend, begon het verder te graven.Sogol hoorde vrouwenstemmen en gillen en roepen, verstond de woorden. Zij spraken den zuiveren Nervischen tongval. Hij was dus door vrouwen van zijn eigen stam gevangen genomen. Waarom? En wanneer? En waar was Harimona en waar was Haun.Hij begon ongerust te worden over ’t lot der twee. Nu hij weder het daglicht zag en rondom zich de dingen kon onderscheiden, verlieten hem de gedachten aan den dood en zijn mysteriën en zijn jong lichaam verlangde naar de geneuchten van het leven.Waar was zijn geliefde? Lag zij wellicht zooals hij gebonden in een duister krocht? Was heur paard ook[188]zooals zijn trouwe Hadoe, zijn meesteres licht en lucht komen brengen. Of versmachtte zij? En de jonge horenblazer? Waar was de knaap?Hij hoorde het knallen van een zweep en daarna het geklikklak van de hoeven van Hadoe. Het paard werd weggevoerd … Zijn laatste vriend liet hem alleen … maar niet, dan nadat het hem zijn lot, zoover het in zijn zwak vermogen stond, verzacht had.Licht was er tenminste in het hol. Nu zijn oogen geheel gewend waren aan den blauwen schemer die binnenviel, bemerkte hij, dat de man, die tegen den anderen muur gebonden lag, nog leefde, want zijn borst bewoog zich zwak op en neder. Hij was niet zooals Sogol, bijna naakt, maar had een rood buis aan, zooals de zeelieden dat gewoonlijk droegen.„Schipper!” riep Sogol luide.Maar de man antwoordde niet en bleef in zijn diepen slaap verzonken.„Schipper!” riep Sogol nogmaals. „Schipper!”De man antwoordde niet.Zoo lag Sogol geruimen tijd, versmachtend van dorst, pijnlijk in al zijn leden door het gedwongen gestrekt liggen, zonder zich te kunnen verroeren. Hij voelde zijn hoofd zwaar worden, sloot de oogen, kreeg verwarde denkbeelden en verloor het bewustzijn.Toen hij weer ontwaakte was het vaal donker in het hol, hoewel het gat nog open was. Het scheen dus avond te zullen worden. Hij hoorde nu geen geluiden meer, niet meer het gieren en joelen van de verre vrouwenstemmen en niet meer het klakkelen van de paardehoeven.„Schipper!” riep hij nogmaals zwak.„Leeft di!” antwoordde de man nu, sprekende het Nervisch met een Scandischen tongval.„Ja, ik leef. Wie bent di en hoe bent di hier gekomen?”„Ik ben een Nerigoner, stuurman van een Noorschen[189]skig, die van het vreemde land kwam en in ’t Nervisch gebied met mijn kameraden wilde overwinteren. Toen, in dat vervloekte bosch, zijn wij door nixen overvallen. Mijn kameraden zijn ontkomen, maar ik, die een verwonden voet heb, kon niet vluchten en ben door de schoerhaaien gepakt en hier ingesmeten. Kunt di mi helpen … Ik heb zoo’n dorst …”„Ligt di hier lange?”„Van gistermorgen … En al dien tijd niets gegeten; geen droppel water en geen brok brood. En du vriend, wat is dijn wedervaren.”„Ik ben een prins der Nerviërs, op reis naar mijn land om mijn vader als koning op te volgen. Uit een bedwelming ontwakend, lag ik hier, vastgebonden, zonder te weten hoe ik hier ben gekomen. Mijn trouw paard heeft van morgen hier, zijn meester zoekend, een luchtgat gegraven. Maar ik weet niet hoe lang ik hier ben en helpen kan ik di niet, want ik lig hier ook vastgebonden.”Zoo bleven zij een tijd weer zwijgend liggen. De zeeman begon te kreunen en kreeg koortsen. Sogol voelde zich ook verzwakken maar hij onderdrukte zijn neiging om gedachteloos in te sluimeren door zijn wil, verwachtend dat er redding zou opdagen. Nu hij wist, door vrouwen gevangen genomen te zijn en nog wel, uit zijn gebied en die zijn taal spraken, vertrouwde hij dat zoodra hij in hare nabijheid gebracht zou zijn, ze wel zou weten onder zijn invloed te brengen.Hij begon ook weer te peinzen over de vreemde afbeelding, die tegen den wand was verschenen en nu niet meer zichtbaar was. Na ’t geen hij buiten gehoord had en na ’t geen zijn medegevangene hem had verteld kon hij nagaan, dat deze afbeelding niet een hersenschim was geweest, maar de voorstelling van een werkelijk tafereel. Maar waarom was het nu verdwenen? Hij beproefde zich de afbeelding voor te stellen, zooals hij ze gezien had.[190]Had hij ze gezien? Of was het een geestverschijning geweest? Of een droombeeld? Bestonden er dus werkelijk geheime krachten in den mensch? Zooals Harimona ze scheen te bezitten, die hem voor het binnengaan van de druipsteengrotten had gewaarschuwd? Hoe dieper hij doordacht, hoe grooter het aantal zijner ervaringen werd, des te moeilijker was het geheim van ’t leven te ontraadselen. Wellicht was dan toch niet alles door de gedachte te ontdekken.Van nixen had daar die zeeman gesproken … Waren het werkelijk nixen?… Had de priester, die in ’t onderaardsche meer verdronken was, dan niet gelogen? Er waren drie vrouwen uit het hol gevlucht, toen hij met Harimona en Haunnaderde.Nixen? Neen.. het waren gewone, aardsche wijven. Zij spraken den Nervischen tongval en hun geroep en gejoel en geschreeuw was niet geweest als van nixen maar als van beschonken, aardsche wijven.„Schipper!” riep hij nogmaals.De Nerigoner antwoordde alleen door luide te steunen.„Schipper, kunt di mi niet antwoorden.”„Heer … heer … ik kan niet meer …”„Kom, kom … du moet niet versagen … De redding is nabij …”„Neen heer, neen … nixen zijnkwajemachten … als nixen di pakken is het uit.. en ik heb het verdiend heer.. ik heb het verdiend … ik heb in de groote zee een nix met een harpoen gewond en dit is de wraak..”De Nerigoner zweeg en hield op met steunen. Sogol riep hem nogmaals maar hij antwoordde niet meer en scheen te slapen.Buiten was de zon ondergegaan en nu werd de krocht weder geheel donker.Sogol, hoewel doodmoede en tot slapen geneigd, dwong zichzelf om wakker te blijven, want indien Harimona en[191]Haun pogingen tot zijn redding zouden wagen, was het zeker dat zij van de duisternis gebruik zouden maken en hij moest oplettend luisteren blijven naar elk gerucht, opdat hij, zoo zij hem riepen, dadelijk zou kunnen antwoorden.Het werd nu koud in de krocht. Zoolang deze geheel gesloten was geweest, had de buitenlucht geen toegang gehad. Maar nu, door het luchtgat dat Hadoe had gegraven, kwam een ijzige tocht binnenwaaien. Sogol rilde, want zijn pels was terzijde gegleden, ’t geheele lichaam was naakt.Plotseling, in die stilte, begon de Nerigoon te spreken, verwarde woorden zonder zin of samenhang.Sogol had als knaap te vaak, als hij met Spûr mede ging, gewonden en zieken in koortsen zien liggen, dan dat hij niet dadelijk begreep, dat de man ijlde. Hij luisterde scherp toe, maar nu in zijn ijlkoortsen, sprak de man Nerigoonsch en hoewel die taal wel eenigszins geleek op het Nervisch, toch kon Sogol ze niet verstaan. Zoo lag hij, luisterend naar het gebrabbel van den ongelukkigen schipper. Maar tusschen de Nerigoonsche woorden hoorde hij anderen, van vreemden klank, alsof de schipper nog een andere taal sprak.Sogol toeluisterend, vergat zijn moeheid. Daar lag, vlak bij hem een man, die den weg naar ’t vreemde land kende, die er van teruggekomen was, zijn schip zwaarbevracht met de wondere schatten van dat land. En die man, in zijn koortswaan, sprak daar nu wellicht van, onthulde het groote geheim van den weg, dat de Nerigonen, zooals alle Scandiërs, zoo zorgvuldig voor andere volkeren verborgen, den menschen afschrikkend met vreesaanjagende verhalen.Deze hier had nog zooeven van een nix gesproken, die hij in de groote wereldzee met een harpoen had gedood. Nu had de Nerigoner toch geen noodzaak gehad om te liegen.Dus bestonden er dan toch nixen … waren de verhalen van de monsters en gedrochten niet alle slimbedachte[192]leugens om navolgers af te schrikken? Het groote geheim van den weg werd daar, op eenige passen afstands van hem, geopenbaard en hij kwam er niets van te weten, dan wat vreemdklinkende woorden, voor hem zonder beteekenis.Indien hij zich maar los kon werken. Hij zou den man te drinken kunnen geven, verplegen, de vrijheid hergeven en dan zeker zou hij hem uit dankbaarheid den weg naar het vreemde land wijzen.Nogmaals wrong Sogol aan zijn riemen. Maar de kluisters waren te vast aangelegd en sneden hem in ’t vleesch. Maar toch, eenigszins had hij ze verwrongen en de riem, die zijn linkerarm vastknelde, kon hij nu het hoofd zoover mogelijk ter zijde draaiend, met zijn tanden bereiken.Dat was een aanvang. Dien riem moest hij doorknagen.. dat was het begin der bevrijding. Het ging heel moeilijk. Maar zijn tanden waren jong en sterk en steeds maar doorbijtend zou hij zeker den riem, al ware ze ook driemaal sterker, kunnen vaneenknagen.Gestadig aan knaagde hij; het taaie leer werd week en glibberig door zijn speeksel. Toch bleef hij vezel na vezel doorbijten. Hij moest een poos rusten, misselijk wordend door den smaak van het leer. De stuurman kreunde nu weer.„Schipper!” riep Sogol.„Wat wil di, heer!” kreunde de zeeman.„Houd di stevig … Ik zal di bevrijden.”„Het is te laat heer; ik kan niet meer.”„Ik zal di bevrijden en di redden.. Nog dezen nacht..”En weer begon Sogol aan den riem te knagen, terwijl de Nerigoon bleef steunen. Telkens moest Sogol wachten, vermoeid rakend en misselijk wordend. Zijn tandvleesch begon te bloeden en het was hem, alsof hij geen tanden meer in den mond had. Maar toch bleef hij doorkauwen en knagen, vezel na vezel uit het leer losrukken. Toen eindelijk, nadat twee derde deel was doorgeknaagd, zette hij de spier van den bovenarm met kracht op. Het leer[193]van den riem gaf krakend iets mee. Sogol wachtte een oogenblik en opnieuw zijn armspier doende zwellen, gaf het murw gebeten leer mede.Dat was de bovenarm. Hij kon nu den linker elleboog en den linker schouder vrij bewegen enslechtshet linker polsgewricht was nog aan een bronzen ring in den rotsigen bodem vastgebonden. Gelukte het hem den pols los te wringen, dan was hij op ééne zijde vrij en de andere zijde zou weldra volgen.Doch hij kon den mond niet tot aan het polsgewricht brengen, daar zijn rechterschouder, bij den bovenarm vastgebonden, hem aan den grond ketende. Daarom moest hij eerst den bovenarm van den rechterarm losknagen, zooals hij dat bij den linkerarm gedaan had. Gelukkig dat hij nu niet meer gestadig denzelfden kant van den mond behoefde te gebruiken, maar afwisselend met de linker- en met de rechterhelft kon knagen.Als een dier, geduldig en onverzettelijk, beet en kauwde hij op het leer tot hij ook den rechter bovenarm ontboeid had. Zijn hart klopte heftiger van vreugde nu hij bemerkte, dat hij zich halverwege kon oprichten. Het bovenlichaam was dus bevrijd, nu de polsen en enkels … Maar hij behoefde niet meer te kauwen. Thans, nu hij over zijn geheele lichaamskracht beschikte, begon hij aan de polsriemen te wrikken. Het leer gaf iets mede, maar de polsen zwollen door de krachtsinspanning en daardoor verloor hij de gewonnen verwijding. De polsen moesten glad gemaakt worden, opdat ze door de riemen heen konden glijden. Hij peinsde even. Indien hij maar een paar druppels olie gehad had … Doch een denkbeeld kwam in hem op en een poosje later zich met geweld overwinnend, nam hij de eigen drek in den mond en spuwde ze op zijn rechterpols uit.En nu weer begon hij te trekken en te wringen … de riemen gaven mee, de nu gladde polsen gleden onder de riemen weg en zijn rechterarm was geheel bevrijd.[194]Hij zwaaide hem rond om de stijfheid te doen verdwijnen. Toen tastend langs den grond, zocht hij naar een paar ruwe steenen. Hij vond een stuk rotsscherf met een vrij scherpen kant. Dien scherpte hij aan tegen den grond en nu het als mes gebruikend, telkens in een kerf in de riemen insnijdend en dan weder den steen aanzettend op den grond, slaagde hij er in zich geheel te bevrijden.De moeilijke arbeid had hem zoo beziggehouden, dat hij niet op den schipper meer gelet had. En hij, zweetend van de inspanning, rekte zich uit en liep nu tastend naar den hoek waar de schipper lag.Deze was weder bewusteloos en Sogol, hem betastend, voelde hoe zijn beenen ijskoud waren. De riemen hadden den bloedsomloop gestremd.Geduldig en hardnekkig begon Sogol met zijn gescherpten steen de riemen door te snijden van den schipper. Doch de arbeid vorderde langzaam in ’t donker. Daarom kroop Sogol naar het luchtgat en het haastig met de handen uitgravend, stond hij weldra buiten.„Vrij!” zuchte hij.Buiten was het doodstil. De hooge avondlucht stond vol sterren en in ’t verschiet doemde vaag de zwarte schaduw van een bosch. Zijn gevangenis was een in rotsen uitgehouwen hol, dat met rulle aarde inderhaast was dichtgegooid.Hij ademde de nachtlucht met volle halen in en hij voelde zich vervuld van een dankbaarheid, die hem tot weenen bracht. Het leven was dan toch zoet en schoon, ondanks zijn raadsels. Daar, gebonden in ’t donkere krocht, had hij versmachtend den dood gewenscht. Maar nu rilde hij, denkend aan de doorgestane smarten en den dood. Leven wilde hij, het heerlijke, hooge leven bezitten, en zijn armen uitstrekkend, omarmde hij de nachtlucht als een bruid, die hij eindelijk weder omhelzen kon.Hij keek om zich heen. De streek was hem welbekend.[195]Daar gindsch begon het groote Nervische woud. Links daarvan, aan de tegengestelde zijde van de ster Brendel lag Beldun, de groote havenplaats.Hij was dorstig en hongerig en voor ’t oogenblik niets anders vindend, trok hij wilde zuringstelen uit den grond en begon er op te kauwen. Eerst nu kwam de gedachte aan den lijdensgenoot in de krocht weer in zijn hoofd, zoo was hij geheel ingenomen geweest door het zalige gevoel der herwonnen vrijheid.Hij keek rond om te zien of niet ergens een boschje in de nabijheid was, waar bij droog hout kon vinden. Dan had hij vuur en licht kunnen maken en met gloeiende houtspitsen de riemen van den schipper kunnen doorzengen. Maar het bosch in ’t verschiet was te ver. Hij blikte besluiteloos naar de krochtrots. Uit de wijze waarop deglooiingboven de krocht liep, in een langen, golvende lijn met inzinkingen, maakte hij op, dat hun krocht niet deeenigewas, maar dat de rotswand over een groote lengte in krochten was afgedeeld. Daarom liep hij nu langs den rotswand en voorbij de eerste inzinking vond hij een tweede krocht, maar geheel open, zoodat hij in ’t vale duister wel iets kon onderscheiden. De krocht was leeg, doch in ’t midden hing een bronzen pot boven een leemen haard. Het vuur in den haard was uit. Sogol nam den pot uit den kettinghaak en hem aan het hengsel zwaaiend, sloeg hij den pot met kracht tegen den rotsigen wand. De pot sloeg met een hollen metaalklank stuk. Sogol zocht twee groote scherven en begon ze haastig tegen den rots te wrijven tot ze scherp genoeg waren. Toen snelde hij terug naar de krocht waar de zeeman lag. Die was nog altijd buiten bewustzijn.Sogol kerfde nu de riemen van zijn armen en polsen los. Hij bevoelde de riemen waarmede de beenen van den zeeman waren vastgesnoerd aan den grond. Ook hier was een bronzen ring vastgegoten in den rots. Sogol rukte aan[196]den ring, maar deze was te vast in den rotsgrond bevestigd. Hij moest opnieuw de riemen doorkerven en eerst toen lag de man bevrijd.Sogol beurde hem op en droeg hem naar buiten. De koele nachtlucht hoopte hij, zou den man weder tot bezinning brengen. Hij wreef hem krachtig de beenen en nu in het nachtlicht bemerkte hij, dat de man een verkromden rechter voet had.Maar terwijl hij den man tot bewustzijn trachtte te brengen, dacht hij aan Harimona. Nu hij vrij was, moest hij aan hare bevrijding denken. Maar waar was zij? Gevlucht? Gedood? Teruggevoerd naar Renigo? Of wellicht in één van de krochten vastgebonden, zooals hij bewegeloos aan den grond gesnoerd was geweest.Daar de zeeman nog altijd bewusteloos bleef, nam Sogol hem op en liep met hem langs den rotswand, speurend rond met de oogen of hij niet ergens het glanzende vlak van een wel of een kreekje kon ontdekken. Maar het groote grasveld breidde zich tot aan den donkeren horizont uit, daar waar het woud begon zonder kreek of plas. Op de krocht waar de haard was, volgde een tweeden, geheel ledig. Een eind verder was er een derde.Daarvoor hing een zwaar, dichtgeweven zeil. Sogol legde den zeeman zacht op den grond, tuurde terzijde door een kier in de krocht. Daar zag hij, voor een sintelvuur twee menschen liggen, geheel naakt, een groote man en een vrouw in zijn arm, die het hoofd op zij, sliepen. Sogol sloop geruischloos binnen, nam een gloeienden sintel van het vuur. Met verwondering bemerkte hij, dat de andere mensch ook een vrouw was. Hij rilde nu van afgrijzen. Voorzichtig een aakst nemend, die dicht bij de hand van de grootste der vrouwen lag, hief hij deze reeds op om de twee met twee snelle slagen te dooden. Maar hij bedacht zich. De dooden spreken niet en deze vrouwen moesten spreken, hem zeggen waar Harimona en Haun zich bevonden.[197]Met de aakst gewapend, sloop hij weder uit het woonhol en liep verder langs den rotswand. Daar was opnieuw een woonhol en ook hier sliepen twee vrouwen, half naakt, op pelzen voor een vuur. Tegen den wand stonden aaksten, een kortzwaard, een langzwaard en kruiken en potten.Sogol, de aakst in zijn hand, sloop naar de potten. Maar bedenkend, dat een ontwaken hem veel last zou kunnen bezorgen, nam hij het langzwaard en sloeg met krachtigen slag de beide vrouwen in haar slaap tegelijk de hoofden van den romp. Zij uitten zelfs niet een korten gil, waren stom, zonder zucht of klacht van den eenen slaap in den anderen overgegaan.Nu, rustig, nam hij een stuk hout van ’t vuur en ’t boven de potten houdend, bevond hij dat deze eetwaren en water inhielden.Hij snelde naar buiten, tilde den schipper op, sleepte hem in de krocht en zonder zelf nog een teug waters genoten te hebben, bevochtigde hij de slapen en de borst van den bewustelooze, goot hem water in den mond, wreef hem krachtig langs de armen en beenen.Nu sloeg de schipper de oogen op. Sogol hield hem de hand voor den mond.„Zwijg schipper.… du bent gered. Maar zwijg.”Hij zette den man overeind, gaf hem te drinken en nu hem weder optillend en naar buiten brengend, zeide hij:„Stil en kloek, vriend. Ik heb dijn riemen losgesneden en di tot hier voortgeholpen. Wij zullen vluchten. Zeg mi, op welk wapen bent du geoefend?”„Den harpoen, de knods en het mes.”„En de aakst? Of het kortzwaard?”„De aakst!”Sogol snelde terug in de krocht, nam een aakst en een kortzwaard, liep weder naar buiten. Toen, nadat hij den schipper den aakst in de hand had geduwd, zei hij:„Wacht mi hier, vriend.”[198]Hij ging weer terug, haalde een kan drinkwater en een pot met eetwaar. Buiten zette hij de kan aan den mond en dronk, met voorzichtige, langzame teugen, als een man, die gewoon aan honger en dorst, weet dat men na lang versmachten kalm en niet overhaast moet drinken.Toen gaf hij de kan aan den zeeman, maar fluisterde:„Drink niet haastig.… met kleine teugen.… als dijn leven di waard is.”Sogol stopte zijn hand in den anderen pot. Hij voelde het taaie, kleverige van honig in raten. Gulzig bracht hij een stuk raat aan den mond. O, hoe zoet, hoe mild, smaakte ze, de honing, hoe koesterde zij den vlijmenden kramp van zijn hongerige maag. De zeeman tastte ook toe.Sogol liep een eind zijwaarts, wenkte den zeeman om mede te komen. Maar deze was te zwak nog om te loopen. Daarom sloeg hij hem den arm om den rug en hem zoo broederlijk steunend, liep hij met hem tot wat struikgewas.„Blijf hier, met den aakst in dijn hand en waak. Zoo du wat hoort, fluit dan. Er zijn nog meer gevangenen en ik heb ze te bevrijden.”„Vertrouw op mi, heer.”Nogmaals ging Sogol terug om zijn dorst te lesschen en stak weer een stuk honing in den mond. Toen, eenige zwaaien en houwen in de lucht met het kortzwaard doende, om zich te wennen aan ’t gewicht en om de dracht van den slag te meten, nu met zijn wapen in de hand te midden van wijven, wèl vertrouwend op zijn kracht en behendigheid, sloop hij langs de krochten. Hij telde er twintig. In elke krocht lagen twee vrouwen bij elkaar.„Ontuig, ontuig! Liederlijk getwaas!” zei hij vol afgrijzen.Maar waar waren Harimona en Haun?Opeens herinnerde hij zich, dat hij de vrouwen had zien dansen om iets.… Dat iets.… wat was dat geweest … Wellicht Harimona? Of Haun?Hij schreed terug tot voor de krocht, waar hij gelegen[199]had. Toen daarvoor staande, zocht hij in den helderen sterrennacht naar een boschje, dat gelijken kon op ’t geen hij omgekeerd in zijn visioen tegen den muur van de krocht had gezien. Recht voor ’t gat zag hij iets, dat er op gelijken kon. Hij snelde er met groote, haastige schreden op af, het kortzwaard gereed.Een boschje van tien boomen stond daar.… nu zag hij het duidelijk. En in ’t boschje glimde het schijnsel van een vuur.…Ondanks zijn spanning, verminderde Sogol zijn vaart, liep terzijde om tegenwinds het boschje te bereiken, opdat niet zoo de lieden daar waakhonden hadden, zijn nadering verraden zou kunnen worden.En nu, voorzichtig nader sluipend, zich plat op den grond leggend, kruipend langzaam voorwaarts ontwaarde hij vier mannen, eveneens met roode buizen.„Norigeenscheschippers, de makkers van den manken schipper,” dacht Sogol.Zij zaten om het vuur en dicht bij hen zat Harimona, met de handen vastgebonden aan een boom, starend in het vuur, maar overigens kalm.Sogol drong plotseling door tot voor het vuur en zich met het kortzwaard vooruitgestoken voor Harimona stellend, riep hij:„Dood dengeen, die zich beweegt.”De vier mannen, opschrikkend uit hun sluimer, sprongen naar achter. Twee namen de vlucht. Een derde zocht bescherming achter een boom, maar de vierde, dapperder dan de anderen, trok een kortmes uit zijn gordel en bleef kloek staan, gereed het tegen Sogol op te nemen.„Wie bent di, kaerel?” vroeg Sogol.„Een Nerigoonschen zeeman.… Pas op, voor de kol achter di. Zij heeft onzen makker gedood.”„Steek op dijn mes,” zeide Sogol tegelijk zijn zwaard met den punt in den grond voor zich stekend. „Wij zijn[200]vrienden. Dijn makker is vrij en leeft.… hij was een manke stuurman niet waar?…”De drie anderen kwamen nu ook toeloopen.Nu keerde Sogol zich om en omhelsde Harimona, kuste haar op mond en wangen, drukte haar aan zijn borst, reet met één snede van ’t kortzwaard den riem door, waarmede haar handen geketend waren.„Waar is Haun?” vroeg Sogol.„Ik weet het niet … Ik ben ’s nachts in een donker hol als uit een droom ontwaakt. Deze vier lieden, die hun makker zochten, hebben mij gepakt en naar hier gevoerd. Zij ondervroegen mij, hielden mij voor de aanvoerster van de vreeselijke wezens, die hier in ’t bosch schijnen te huizen. Zij bezweren mij, dat hier heksen en nixen in ’t woud wonen, die geheel naakt loopen en zich op reizigers werpen.”„Zij hebben gelijk …” „Mannen,” ging Sogol voort nu zich tot de vier zeelieden richtend, „ik ben Sogol, prins der Nerviërs en dit is Harimona, de heilige vrouw van Renigo, mijn bruid. Wij zijn, zooals du, door die vervloekte wijven aangevallen. Ik ontwaakte in een donker krocht en daar lag ook dijn makker, geboeid en versmachtend. Ik heb hem bevrijd en hij houdt hier dichtbij de wacht. Indien du moed hebt, zoo volgt mij, dan kunnen wij de bende dier wijven ketenen en opbrengen of dooden.”De vier mannen keken elkaar aan.„Heer,” zei een hunner, „tegen mannen willen wij vechten maar tegen nixen en kollen is alle strijd vergeefs.”„Wat? Bent di Norigener? Mannen, die de groote wereldzee bevaren en in ’t vreemde land tegen de monsters en gedrochten vecht.”De vier waren niet zoodra met een antwoord gereed en bleven zwijgen.„Als di niet durft, ga ik alleen. Bewaak hier de heilige vrouw.”[201]Een der mannen, dezelfde die tegenover Sogol stand had gehouden, een rijzige, breedgeschouderde kaerel, trad naast Sogol.„Heer, ik ben dijn man.…”En zich tot de drie andere richtend, zeide hij:„Bewaak de Bruid van den dapperen prins.”„Waar gaat di heen, liefste?” vroeg Harimona.„Haun bevrijden. Wacht mi hier, mijn kind.”Hij kuste haar op ’t voorhoofd en de twee mannen verdwenen in de duisternis.De manke stuurman lag nog altijd wachtend achter ’t kreupelhout. Toen hij zijn maat zag en nu zich eerst veilig voelde, begon hij te schreien van geluk.„Ik dacht, dat ik daar levend verhongeren zou, meester,” zei hij, na den anderen zeeman een kort verslag van zijn wedervaren te hebben gedaan.„Bent di de meester?” vroeg Sogol.„Ja heer, ik ben skigvoerder.”„Hoe is dijn naam?”„Rytzell de Svizjoon. Mijn mannen zijn allen Nerigonen.Tien zijn er op de skig gebleven ter bewaking, twintig hebben over land de reis naar Scandia aangedurfd. Wij wilden in Beldun overwinteren om tegen het voorjaar met een nieuwen skig een nieuwe reis naar ’t vreemde land te beginnen.”„Zend dijn stuurman weg. Wij samen zullen wel met dat vrouwsvolk ’t alleen klaren, Rytzell.”De skig-kapitein zond den manken stuurman naar ’t boschje, waar zijn makkers Harimona beschermden. De rust had den manke goed gedaan en hij kon nu weder loopen.„Rytzell,” zeide nu Sogol, „het hart is mij goed om al die wijven neer te slaan.”„Heer, ’t is kwaad vechten tegen nixen en kollen.”Sogol haalde de schouders op.[202]„Heb di nooit in ’t vreemde land tegen nixen en kollen gevochten?”„Neen heer … daar leven wel gruwelijke beesten, sterker dan de beer en woester dan de ever. Maargetwaasheb ik er nooit gezien.”„Heb di dan welgetwaasgezien, ginds in dijn vaderland?”„Ik zelf niet heer.… maar anderen hebben er velen gezien.…”„Zeg mi eens oprecht opperschipper, heb di ooit in de wereldzee zeewijven gezien met vischlijven?”„Neen heer … zelf niet. Maar anderen …”„Ik zal di wat zeggen,opperschipper. Wij zijn mannen, beiden onvervaard en geen kinderen, angstig voor een spook of een droombeeld. Ik ben een man, die lang in de bosschen heb geleefd en veel onderzocht heb. Dit zeg ik di: daar zijn geen andere geheime machten, dan die wij in ons hebben. En nu let op. Du zult zien, dat in de krochten geen nixen of kollen huizen, waarvoor koene manslui bang behoeven te zijn. Maar liederlijke boschwijven, de snee van een eerlijk zwaard schier niet waard. Nu volg mi …”Zij liepen langs de krochten. Sogol, nu vreezeloos, trok de voorhangen terzij en toonde de slapende wijven paar bij paar. Ook kwam hij weer bij de krocht, waar de twee vrouwen lagen, die hij met één houw de hoofden van de romp had geslagen. In den zwakken rossen schijn van ’t doovende haardvuur lagen daar de ontzielden lichamen in ’t bloed en de beide hoofden star en gelaten van uitdrukking hingen ter zij op de kussen der blonde, losse haren.„Die sloeg ik in den slaap neer!” zeide Sogol„om mijzelf en dijn maat te kunnen helpen.”Sogol bemerkte aan ’t zwijgen de ontzetting van Rytzell.„Zeg mi, opperschipper, hebt di ooit zoo iets schrikkelijks ginds in ’t overzeesche land gezien?”[203]„Neen heer … wel heb ik er levende vrouwen gezien, die verbrand werden met het lijk van haar man. Maar dat is om der wille van het geloof.”„Gelooven ze daar ook aan Wotan?”„Neen heer en niet aan Odin ook.”„Wat gelooven ze dan?” vroeg Sogol, vergetend de gruwelijke krocht waar de twee onthoofde vrouwen aan hun voeten lagen, voor de oplossing van het groote vraagstuk, dat hem meer belangstelling inboezemde dan de voorvallen van het heden.„Zouden wij niet eerst den gevangene redden?” vroeg Rytzell, naar de gewoonte der Scandiërs, ontwijkend het antwoord op alle vragen omtrent het vreemde land.Zij traden uit de krocht naar buiten en liepen langs den steilen rotswand.„De vrouwen, die ons vervolgden heer, geleken op deze.”„Dat zijn dijn nixen, schipper. Geloof mi, andere bestaan er niet. Wij zullen er nu twee in haar slaap wegvoeren en dan vragen waar mijn horensteker is.”Sogol liep een krocht binnen en een prop makend van een stuk lijnwaad en Rytzell beduidend hetzelfde te doen, nam hij een wijf bij ’t gelaat, rukte haar den mond open en voor ze gillen kon, duwde hij haar de prop in den mond. Daarna tilde hij haar op en droeg haar naar buiten. Rytzell, hield zijn hand voor den mond der andere vrouw en sleepte haar met de andere hand Sogol achterna.Zij liepen nu, elk een vrouw dragend, snel ver uit het bereik der krocht. De vrouwen, plotseling uit haar slaap gewekt, verweerden zich maar de twee mannen, beiden van groote lichaamskracht, sleurden heur voort. Doch de vrouw, die Rytzell droeg, van groote statuur en zwaargespierd, beet hem in den vinger.Even trok de zeeman zijn hand terug en zij, snel zich losrukkend, kreeg vasten voet op den grond en begon met haar ontvoerder te worstelen.[204]De zeeman, kortemettenmakend, trok zijn mes en stak haar dit in ’t hart. Als een blok viel ze neer, maar heur gegil tijdens de worstelpartij had de andere vrouwen gewekt en enkele kwamen al, met vlamhouten en met zwaarden gewapend toerennen. Het was echter duister genoeg om de twee mannen, nu geen gillen der vrouwen den weg aanwees waar zij haar aanvallers konden vinden, aan haar oog te onttrekken.Rytzell, de vrouw die Sogoltorschte, bij de beenen vattend, hielp Sogol haar zwaar lichaam dragen en beiden snelden naar het bosch, waar de andere zeelieden waakten.Toen zij daar kwamen, waren de zeelieden zeer verwonderd de gevange nix te zien. Zij durfden haar nog altoos niet naderen. Rytzell scheurde een deel van het overkleed van Harimona snel in reepen en boeide de vrouw de handen en de voeten, handig de knoopen leggend, zooals zeelieden dat verstaan.„Luister wel!” zeide nu Sogol tot haar. „Antwoord op mijn vragen naar waarheid en schreeuw niet; zoo du schreeuwt, werp ik di in dit vuur.…”Toen, met het mes van Rytzell voorzichtig de prop uit haar mond nemend, vroeg hij:„Wie bent di. Hoe komt di daar? Waarom hebt di mijn bruid, mijn knaap en mij gevangen genomen en waar is mijn knaap?”De groote vrouw, met lichtblauwe oogen, lang blond haar en zelfs niet gekleed met een schaamdoek, keek naar Harimona, maar antwoordde niet.„Zult di antwoorden?” vroeg Sogol.Zij bleef weigeren en staarde maar altoos Harimona aan.Sogol nam een vlammend hout van het vuur en duwde het even tegen haar arm. Zij sprong op en gilde.„Zult di antwoorden?”„Heer.… mijn naam is Koenegoend. Ik ben een krijgsvrouw van Koenderic, koning der Nerviërs geweest. Toen[205]Koenderic gestorven was zijn wij uitgetrokken, al de krijgsvrouwen bij elkaar en leven nu in de bosschen.”„Een fraai leven, dat di voert.”„Wij hadden veel van de mannen te lijden gehad en leefden nu zonder de mannen.”„Vervloektgetwaas!”Zij keek weder naar Harimona met droomerige blikken.Harimona wendde het hoofd af.Sogol nam nogmaals een brandend hout en bedreigde haar.„Waar is de knaap, die bij ons was.”Zij begon opeens schril te lachen.…„Waar is de knaap, wijf?”Zij lachte hoog op en opeens viel zij neer en begon de beenen krampachtig te trekken.Sogol stiet haar het gloeiende hout in de heup.„Zult di spreken, luizenwijf.”Maar zij bleef lachen, scheen genot te hebben in de smart van de brandwond.De vier Nerigonen traden angstig terug en Sogol zag, dat zij weer op ’t punt stonden aan den haal te gaan. Hijzelf voelde zich vermoeid met een onbedwingbaren drang om te gaan slapen.De vrouw, na eenigen tijd op den grond zich om en om gegooid te hebben, kwam weder tot kalmte.„Wilt di antwoorden, kol? Of ik steek di hier vast in den grond?”Sogol hief zijn zwaard op.„Ach heer, vergeef mi.… ach heer, dood mi niet.…” kermde het wijf.„Waar is de knaap?”„Ach heer … dood mi niet … ik heb het niet gedaan … De andere vrouwen.… Wij dooden alle mannen. Du en die daar, de manke zeeman, zouden morgen gedood worden.… en die daar.… die minneclîche maide, zou verlost worden.… want velen beminden haar.… maar[206]de horensteker is door Nilka en Ortrûd naar het kleine zand gebracht en zij hebben om hem gedanst en hem tot een maagd gesneden en nu is hij dood.…”„Waar is ’t kleine zand?”„Daar heer, daar.. bij de boompjes.. daar.. daar..”„Komt mee Rytzell … en du mannen, bewaak haar en vlucht niet.. het is geen nix maar een liderlicke hure..”Sogol en Rytzell liepen met een brandend hout in de aangewezen richting. Bij ’t kleine boschje op een open plek van hel geel zand, lag daar het naakte lijk van Haun.. zijn hand nog aan den horen, alsof hij in doodsstrijd hem nog aan den mond had willen brengen. Rytzell hield het brandende hout dicht bij ’t gelaat … bij de borst … Toen, in den rooden gloed, zag hij de gruwelijk wonde, waaraan de knaap verbloed was … Hij trad met een gil terug en steunend op den schouder van Rytzell begon hij te weenen.„Mijn arme, arme knaap. Mijn trouwe, kleine jongen …”Hij tilde het al koude, stijve lijk van den kleinen horensteker op en droeg het met Rytzell terug naar het woud.„Zij heeft de waarheid gesproken!” zei Sogol dof tot Harimona …Zacht legde hij ’t lijk neder op ’t boschmos en bedekte de vreeselijke wonde met het stuk lijnwaad, dat van Harimona’s overkleed was overgebleven.3Ook Harimona weende. De zeelieden, die met ontzetting het geschonden lichaam van den jongeling hadden gezien, stonden dicht bij elkaar, alleen door ’t oog van Rytzell in bedwang gehouden om niet te vluchten.In de verte zagen zij de andere wijven nog altijd met de vlammende toortshouten zoeken naar heur aanvallers.[207]Sogol, zijn eigen moeheid voelend, weinig vertrouwend op den moed der zeelieden, vreezend voor het leven van Harimona, beval op te breken en zoo snel mogelijk naar Beldûn te trekken. Maar voor de stoet zich in beweging zette, hakte hij van takken een baar, legde het lijk van den verminkten knaap er op en deed het zoo mededragen door twee der Nerigonen, opdat het verbrand zou kunnen worden en bijgezet met de eere, die een prinselijken horensteker toekwam.Doodmoede, tot schreiens toe bedroefd, liep hij naast Harimona achter de baar, met gebogen hoofd en zich steunend op den schouder van de heilige vrouw.[208]

Midden in het bosch, aan de grens van het Nervische gebied, was Sogol ’s morgens ontwaakt, door een snijdende pijn in de polsen. Hij had gedroomd, dat een kobold hem met een zwaard de handen afsloeg.

Toen hij ontwaakte bemerkte hij, dat hij in een donker vertrek was en dat zijn polsen en enkels gebonden waren met dunne, snijdende riemen.

„Harimona!” riep hij.

Zijn stem klonk hol en daaruit leidde hij af, dat hij zich in een gewelf bevond.

„Haun!” riep hij, „Haun! Haun!”

Maar hij kreeg geen antwoord. Hij trachtte zich nu op te richten, maar hij ervoer, dat hij ook met een riem, die om de bovenarmen liep, ruggelings aan den grond was bevestigd.

Hij rukte even met zacht geweld om de kracht zijner boeien te meten. Ze waren zoo sterk, dat hij er niet aan behoefde te denken, ze stuk te trekken.

Het was zwart duister om hem heen, zonder zelfs een schemer licht. Sogol begreep, dat hij gevangen genomen moest zijn tijdens zijn slaap; dat men hem geboeid had en dat Harimona en Haun eveneensòfgevangen òf verjaagd waren. Meer kon hij niet te weten komen. Het beste was zich kalm te houden en af te wachten. Voorloopig overtuigde hij zich ervan of hij nog ’t gebruik van al zijn ledematen had.Ja, zijnknieënkon hij nog buigen, zijn vingers bewegen en behalve het schrijnen van de striemen der riemen om zijn polsen, voelde hij geen pijn. Maar wel was zijn keel droog en had hij een grooten dorst. Doch[179]zijn eigen lichamelijke kwalen telde hij weinig. Waar was Harimona? Lag ze ook zoo als hij, vastgebonden en versmachtend in een donker hol? Hij wilde weer roepen maar bedacht zich. Waarom zijn bewakers te wekken? De wijze, waarop zij hem gevangen hadden genomen en hier gevangen gezet bewees voldoende, dat zij hem kwaad wilden. Wie waren zijn gevangennemers? En hoe hadden ze hem zoo kunnen binden, zonder dat hij ontwaakt was?

Het zware, doezelige gevoel in zijn hoofd, de dorst gaven hem een aanwijzing. Hij moest zeker te voren door kruidendamp bedwelmd zijn geworden.

Sogol bracht zijn hoofd wat naar voren en berook zijn naakte, harige borst. En hij herkende den geur van ’t ginneblad, dat ook op feestdagen gebrand wordt in de heilige hagen, waar de priesters en priesteressen zich er door laten verhitten en dan tot zinneloozen lust worden geprikkeld. Maar wie te veel van den rook van ’t geroosterde ginneblad opsnuift, verliest het bewustzijn en valt in een diepen slaap, waaruit men niet altoos ontwaakt.

Hij was dus gevangen genomen òf door priesters of door vrouwen. Want mannen, zelfs de meest schunnige roover, zou een vijand niet op deze wijze onschadelijk maken.

Maar hoe lang had hij geslapen? En waren zijn gevangennemers wellicht overtuigd geweest, dat hij den doodslaap wel slapen zou en hadden zij hem hier zoo gebonden, levend in een graf gelegd?

Weer wildehijschreeuwen, maar zijn instinct hield hem ervan terug. Neen, hij moest voorloopig zwijgen en stil onderzoeken. Hij was nu al zoo ver, dat hij wist, waardoor hij bedwelmd was en iets kon vermoeden van de persoonlijkheid zijner vijanden. Een poosje lag hij stil om tot rust te komen. Zoo hier te blijven liggen en te sterven … was dat wel zoo vreeselijk? Die korte tijd van honger en dorst zou niet eeuwig duren. Maar wat dan?[180]

Hij strekte zich lang en recht uit, als een die gestorven is en sloot de oogen, die vermoeid werden van in ’t duister zien en peinsde over den dood.

Hier lag hij nu, onverwrikbaar vastgebonden, in een levend graf. Zou de dood nu werkelijk een verlossing zijn? Wanneer zijn levensgeest was geweken, zou dit lichaam, dat nu nog ademde, welks zwaarte hij nu nog voelde, dat zijn levenskracht verraadde door ’t kloppen van ’t hart, het zware bonzen van de slapen, het zweeten van ’t voorhoofd, hier dan liggen, een gevoelloos stuk dood vleesch, dat stinkend zou vergaan, weggevreten door wormen en maden, opgelost in een afzichtelijke brei, waarvan de grond de vochten zou opzuigen. Maar dan, langzamerhand was al ’t vleesch vergaan en zijn beenderen zouden bloot komen, uitdrogen en op een dag, wellicht na eeuwen zou door een toeval een voorbijganger zijn geraamte hier vinden, zooals hij daar ginds bij ’t onderaardsche meer de geraamten der reuzen had gevonden. En die levende zou naar zijn doodshoofd kijken en beschouwend staren naar dat bolle voorhoofd, waarachter de gedachten gewoeld hadden en die holle, zwarte oogkassen, waaruit zijn zielsbewegen door de glanzende oogen naar buiten geschenen had, maar ook hij zou voor het geheim staan van het zwijgende graf en de mond, die nu nog kon roepen en spreken, zou dan eenafgrijselijken, breeden grijnslach vertoonen met de witte tanden dreigend als in den bek van een dier. Zou daarmede dan alles gedaan zijn?…En als de beenderen verbrand werden en een hoopje asch in een urn lei of de asch werd verstrooid door de winden … was dan hij Sogol ook voorgoed verstrooid en niet weer te vinden uit den baaierd …?

Of was daar dan werkelijk een ander leven, een leven buiten dit, dat niet gebonden was aan aardsche banden, niet vastgeketend kon worden gelijk dit lichaam nu, dat hij op dit oogenblik voelde als iets vreemds, als iets dat[181]niet van hem was, iets pijnlijks en wreeds dat hem vastbond aan een aardsch bestaan, een andere keten maar inderdaad gelijk aan de riemen, die hem nu vasthielden aan den rotsigen grond.

Waar gingen de gedachten heen uit zijn hoofd?

Die waren vrij en niet gebonden aan zijn lichaam. Want zie, nu lag hij hier toch vastgeriemd zoo, dat hij zich zelfs niet geheel kon oprichten en alles om hem heen was zwartdonker en hij hoorde geen geluid en wist niet waar hij was noch hoe hij hier gekomen was. En toch, in zijn hoofd, daar achter zijn voorhoofd, woelden gedachten en voorstellingen, plannen, overleggingen, berekeningen. Hij kon zich verbeelden vrij te zijn en te zweven uit dit donkere hol ver naar de vrijheid en hoog boven de landen, steeds hooger, hooger, gelijk een arend, die naar de zon vliegt … o nog hooger, nog hooger …

Neen, neen, neen … hooger niet … daar in de blauwe luchten begon het groote geheim weder en daar vond zijn vrije geest die andere riemen, die hem vastsnoerden in een ander gewelf, dat maar schijnbaar vrij en helder en doorzichtig en licht was, doch inderdaad al even donker als dit hier, waaronder hij nu vastgebonden lag …

En in dat andere gewelf zou de geest ook verpulveren in den baaierd, zooals zijn lichaam hier in dit zwarte hol.. wellicht, wellicht, wellicht, want iets ontzwond zijn lichaam dan toch en was niet door de riemen hier gebonden, die hij voelde schrijnen … En iets wellicht zou ook weer den geest ontzwinden, wanneer die zichoplostein de ruimte van het hemelgewelf zooals een brandoffer-geur, weggewaaid door den wind … en uit dien geest, zwevend in hoogere ruimte zou eens weder een fijnere geest opstijgen en uit dien weder een eeuwig, eeuwig, eeuwig, in gestadige fijnere, hoogere ontwikkeling, verrijzend steeds schooner uit zichzelf.

Hij lag zoo in het donker te peinzen. Nu hoorde hij een dof, klotsend geluid alsof er ver een paard liep.… Hij[182]legde zijn oor op den bodem.… luisterde aandachtig met zijn scherp gehoor.… Dat was zijn paard.… hij herkende het aan ’t rhythme van ’t geklakkel der hoeven.…

Maar de gedachte aan het geheim van den dood nam zoo zijn denken in beslag, dat hij niet zich bezighield met dat geluid, dat wellicht bevrijding kon beteekenen, maar bleef zweven met zijn gedachten in de ijle ruimten ver boven de aarde, waar de zielen konden zweven en zich van trap tot trap ontwikkelen tot hoogere volmaking.

Maar weer hoorde hij ’t geklikkeklak der paardehoeven en nu ook een zacht hinniken.…

Ja … wèl was het zijn paard … Zijn paard … zijn trouw, goed, groot paard, dat zijn meester misschien kwam zoeken …

Zou het hem vinden? Had het besef er van, dat hij hier in nood verkeerde? Hoe dikwijls nu al, gedurende de lange reis van de Renigo naar Nervië, had hij in gepeinzen gekeken naar dien grooten kop van zijn paard. En ook vaak had hij getuurd in de groote bruine oogen, zich afvragend wat die wilden zeggen, van welke ziel zij de spiegel waren. En welke gedachten huisden achter dat zware, groote been tusschen de twee ooren. In den haag van Lagdûn waren witte paarden, die voor heilig werden gehouden en uit hun brieschen voorspelden er de priesters de toekomst. Wanneer de groote koningen en zelfs de hertogen gestorven waren, doodde men in sommige streken hun hengsten en verbrandde de lijken van de paarden tegelijk met die van hun heeren, opdat deze in ’t Walhalla hun lievelingsros weder zouden kunnen bestijgen. Hadden de dieren ook een ziel? Steeg hun ziel ook op na den dood, bevrijd van aardsche slaafschheid? Ging hun ziel ook van trap tot trap hooger in een voortdurende ontwikkeling de hoogste volmaking tegemoet?

Wat was de ziel? Leefde zij zonder lichaam.… als een wind of als een geur of als een zonnestraal?1

En wanneer de dieren allen een ziel hadden, was dan[183]na den dood de ziel van een laffen haas gelijk aan die van een moedigen ever? Of kwam de ziel van den haas, na diens dood tot hoogere volmaaktheid gekomen, in een hooger dier wonen, in een dier met grooteren moed en kracht?

Sogol bleef even geheel gedachteloos liggen. Het was hem of hier, in deze donkere krocht, waar hij machteloos en eenzaam te versmachten lag, opeens het groote licht des levens opging.

Hij voelde een grootsche, een alomvattende gedachte komen, maar weifelde om haar toe te laten in zijn hoofd.. Het was vrees en genot tegelijkertijd, dat wachten op de groote openbaring van zijn rede.… Wellicht … wellicht … wellicht.… o, hoe durfde hij die gedachte aan.… wellicht was de ziel van al wat leefde één wezen, maar zooals de lucht één ding was en toch elk levend wezen naar zijn aard en behoefte zijn deel van die lucht inademde, zoo kon dan ook elk een deel van die àl-ziel in zich omvatten en stervend zijn deel weer teruggeven, zooals de ademtocht teruggegeven werd.… Het heele leven zou niet anders dan één lange ademtocht zijn, ingehaald bij de geboorte en uitgezucht bij den dood.… De ziel van elk dier, ook het geringste, ware het een luis of een vlooi, was een gedeelte van dezelfde alziel van den mensch.… En het deel der alziel, dat heden in een luis leefde, zou na lange tijden van uit- en inademing, door verschillende trappen eindelijk den edelsten mensch kunnen bewonen. Daarna … ging dan dat zielsdeel voort in ontwikkeling zich vervolmakend, zou het den goden gaan bewonen? Was er dus waarheid in de sagen, die van de oude helden goden maakten?…2Begon dan de hemel reeds op aarde? En bij[184]het kleinste, minst ontwikkelde dier? Wat zou het minst ontwikkelde dier wel zijn?

De slak? De oorworm? De oester? De zeester? Ja.…[185]bij de zeester zouden de levende dieren zeker aanvangen … zonder kop, zonder oogen, zonder schelp.… Hij had ze dikwijls op het Nervische strand gezien, als jongen ze wel ’s morgens gezocht na den vloed, als ze nog leefden en de vijf punten bewogen. Ze hadden ze in de zon gedroogd, hij en de andere knapen en ze aan een draad geregen en op de borst gedragen. Lag er bedoeling in den vorm van dit dier, dat bijna op een plant geleek? Een ster was de aanvang van alle leven.… O, mocht ik bevrijd worden … De ster zou mijn zinnebeeld zijn en op mijn wapenschild zal ik haar afbeelden.…

Bevrijd zijn, bevrijd zijn! Hij keerde weer uit zijn gedachtenrijk terug als uit een droom. Maar de riemen om armen en beenen, die striemden zoodra hij zich bewoog, de zwarte donkerte om zich heen, nu hij de oogen weder opende, herinnerde hem smartelijk aan zijn vreeselijken toestand van de stonde.

Weer hoorde hij buiten het brieschen van zijn paard en het scheen of het dichtbij met den voorhoef in den grond groef. Sogol bleef ingespannen luisteren.… O, als zijn paard werkelijk zooveel verstand had om een gat te graven en zijn meester licht en lucht toe te voeren…Zou in dien grooten kop, achter die goedige, bruine oogen zooveel besef huizen? Wellicht…waarom niet?Hoe reusachtig was de afstand niet tusschen de zeester en zijn paard…beiden toch dieren. Hoeveel malen moest de levensziel zich niet door sterven en wederopstand verreinen om den afstand af te leggen tusschen de hulpelooze zeester en het al zoo redelijke paard.…

En het bleef graven.… Hij hoorde het telkens brieschen en dan weer woelde de hoef in den grond. Het geluid van ’t woelen kwam van rechts en klonk alsof een dor blad, door den wind opgejaagd, langs een drogen grond schoof.

Als hij ’t eens riep.… Maar zijn stem zou zijn bewakers kunnen wekken.… Neen, zwijgen moest hij.… een instinct zeide hem, dat hij zwijgen moest.[186]

Stil, zachtjes ademend, lag hij te luisteren naar het brieschen en het graven.… Ja.… het gat moest dieper worden.… want hij hoorde den woelenden hoef steeds, steeds duidelijker en het brieschen nu al heel dichtbij.… Nu kòn hij zich niet langer weerhouden en zachtjes floot hij sissend tusschen de tanden, zooals hij dat deed, wanneer hij zijn paard tot zich riep. Even was ’t doodstil. Nogmaals floot Sogol.… toen hoorde hij een klagelijk gehinnik.… Ja.… dat was Hadoe, zijn trouwe hengst.… Nogmaals floot hij.… twee, driemaal achtereen.… De hoef begon weder te woelen.… En nu kwam opeens een blauw straaltje licht naar binnen, dat een klein licht plekje sloeg onder tegen den zijwand ver van Sogol. Even moest hij zijn oogen wennen aan dat licht.… en tot zijn ontzetting zag hij nu, dat het scheen op het gelaat van een ander mensch, een die nog toe in verdooving lag of dood was.

Zachtjes floot hij weder. Het gat werd grooter, nog grooter.… en daar kwam het blauwe daglicht binnen. Het was Sogol of het door dat gat, links van hem, zachtjes binnengegoten werd, als water uit een drinkkan. En snel flitste de gedachte door zijn hoofd of het licht misschien ook een soort water was, dat uit de zon over de aarde werd uitgegoten. Maar de gedachte hield hem niet langer bezig op dit oogenblik. Vrij wilde hij zijn, weer loopen langs de wegen onder het hooge, blauwe koepeldak en rondom gebaad in de winden, streelend om zijn naakt lichaam.

O, indien hij zich maar naar het gat had kunnen sleepen, vanwaar het blauwe licht binnenstroomde en scheen in het holle gewelf zijner gevangenis uit te vloeien, verschaduwend in de hoeken alsof het nog geen kracht genoeg had om zooveel duister weg te dringen.

Nu dorst hij te roepen. Het licht gaf hem geestkracht en vertrouwen en moed.

„Kom dan Hadoe.… kom dan zoet beest.… zoek[187]dan, zoek dan dijn heer.… zúúúúúút.… zsúúúúúúút … dijn heer is hier.… kom.… kom.…”

Sogol wachtte en keek even weder naar den anderen gevangene.… Hij schrikte.… daar, tegen den wand boven het lichaam van den onbekenden man, die daar lag, zag hij eenvisioen.… een onverklaarbaar wonderverschijnsel. Iemand.… een geest.… een ziel.… een god.… wie dan ook.… had met toovermacht daar tegen den muur een wonderschoon tafereel geteekend.…

Met oogen, star van ontzetting, zag Sogol tegen den muur een boschje van hooge boomen, die wuifden in den wind en daaronder bewegende gestalten … met lange, loshangende haren … vrouwen waren het, die druk, verward bezig waren om iets dat in hun midden lag, te dansen. Maar het grootste wonder was, dat alles omgekeerd op den muur geteekend stond, zoodat de boomen met de toppen naar beneden verschenen en de vrouwen met de hoofden … Dan, nu het gat nog grooter werd, was het opeens verdwenen.

„Hadoe! Kom dan, mijn jongen … kom dan!” zei Sogol aanmoedigend. Het paard stak zijn snoet naar voren in ’t gat en snoof in de krocht naar zijn meester.

Toen, zich overtuigd hebbend, begon het verder te graven.

Sogol hoorde vrouwenstemmen en gillen en roepen, verstond de woorden. Zij spraken den zuiveren Nervischen tongval. Hij was dus door vrouwen van zijn eigen stam gevangen genomen. Waarom? En wanneer? En waar was Harimona en waar was Haun.

Hij begon ongerust te worden over ’t lot der twee. Nu hij weder het daglicht zag en rondom zich de dingen kon onderscheiden, verlieten hem de gedachten aan den dood en zijn mysteriën en zijn jong lichaam verlangde naar de geneuchten van het leven.

Waar was zijn geliefde? Lag zij wellicht zooals hij gebonden in een duister krocht? Was heur paard ook[188]zooals zijn trouwe Hadoe, zijn meesteres licht en lucht komen brengen. Of versmachtte zij? En de jonge horenblazer? Waar was de knaap?

Hij hoorde het knallen van een zweep en daarna het geklikklak van de hoeven van Hadoe. Het paard werd weggevoerd … Zijn laatste vriend liet hem alleen … maar niet, dan nadat het hem zijn lot, zoover het in zijn zwak vermogen stond, verzacht had.

Licht was er tenminste in het hol. Nu zijn oogen geheel gewend waren aan den blauwen schemer die binnenviel, bemerkte hij, dat de man, die tegen den anderen muur gebonden lag, nog leefde, want zijn borst bewoog zich zwak op en neder. Hij was niet zooals Sogol, bijna naakt, maar had een rood buis aan, zooals de zeelieden dat gewoonlijk droegen.

„Schipper!” riep Sogol luide.

Maar de man antwoordde niet en bleef in zijn diepen slaap verzonken.

„Schipper!” riep Sogol nogmaals. „Schipper!”

De man antwoordde niet.

Zoo lag Sogol geruimen tijd, versmachtend van dorst, pijnlijk in al zijn leden door het gedwongen gestrekt liggen, zonder zich te kunnen verroeren. Hij voelde zijn hoofd zwaar worden, sloot de oogen, kreeg verwarde denkbeelden en verloor het bewustzijn.

Toen hij weer ontwaakte was het vaal donker in het hol, hoewel het gat nog open was. Het scheen dus avond te zullen worden. Hij hoorde nu geen geluiden meer, niet meer het gieren en joelen van de verre vrouwenstemmen en niet meer het klakkelen van de paardehoeven.

„Schipper!” riep hij nogmaals zwak.

„Leeft di!” antwoordde de man nu, sprekende het Nervisch met een Scandischen tongval.

„Ja, ik leef. Wie bent di en hoe bent di hier gekomen?”

„Ik ben een Nerigoner, stuurman van een Noorschen[189]skig, die van het vreemde land kwam en in ’t Nervisch gebied met mijn kameraden wilde overwinteren. Toen, in dat vervloekte bosch, zijn wij door nixen overvallen. Mijn kameraden zijn ontkomen, maar ik, die een verwonden voet heb, kon niet vluchten en ben door de schoerhaaien gepakt en hier ingesmeten. Kunt di mi helpen … Ik heb zoo’n dorst …”

„Ligt di hier lange?”

„Van gistermorgen … En al dien tijd niets gegeten; geen droppel water en geen brok brood. En du vriend, wat is dijn wedervaren.”

„Ik ben een prins der Nerviërs, op reis naar mijn land om mijn vader als koning op te volgen. Uit een bedwelming ontwakend, lag ik hier, vastgebonden, zonder te weten hoe ik hier ben gekomen. Mijn trouw paard heeft van morgen hier, zijn meester zoekend, een luchtgat gegraven. Maar ik weet niet hoe lang ik hier ben en helpen kan ik di niet, want ik lig hier ook vastgebonden.”

Zoo bleven zij een tijd weer zwijgend liggen. De zeeman begon te kreunen en kreeg koortsen. Sogol voelde zich ook verzwakken maar hij onderdrukte zijn neiging om gedachteloos in te sluimeren door zijn wil, verwachtend dat er redding zou opdagen. Nu hij wist, door vrouwen gevangen genomen te zijn en nog wel, uit zijn gebied en die zijn taal spraken, vertrouwde hij dat zoodra hij in hare nabijheid gebracht zou zijn, ze wel zou weten onder zijn invloed te brengen.

Hij begon ook weer te peinzen over de vreemde afbeelding, die tegen den wand was verschenen en nu niet meer zichtbaar was. Na ’t geen hij buiten gehoord had en na ’t geen zijn medegevangene hem had verteld kon hij nagaan, dat deze afbeelding niet een hersenschim was geweest, maar de voorstelling van een werkelijk tafereel. Maar waarom was het nu verdwenen? Hij beproefde zich de afbeelding voor te stellen, zooals hij ze gezien had.[190]Had hij ze gezien? Of was het een geestverschijning geweest? Of een droombeeld? Bestonden er dus werkelijk geheime krachten in den mensch? Zooals Harimona ze scheen te bezitten, die hem voor het binnengaan van de druipsteengrotten had gewaarschuwd? Hoe dieper hij doordacht, hoe grooter het aantal zijner ervaringen werd, des te moeilijker was het geheim van ’t leven te ontraadselen. Wellicht was dan toch niet alles door de gedachte te ontdekken.

Van nixen had daar die zeeman gesproken … Waren het werkelijk nixen?… Had de priester, die in ’t onderaardsche meer verdronken was, dan niet gelogen? Er waren drie vrouwen uit het hol gevlucht, toen hij met Harimona en Haunnaderde.

Nixen? Neen.. het waren gewone, aardsche wijven. Zij spraken den Nervischen tongval en hun geroep en gejoel en geschreeuw was niet geweest als van nixen maar als van beschonken, aardsche wijven.

„Schipper!” riep hij nogmaals.

De Nerigoner antwoordde alleen door luide te steunen.

„Schipper, kunt di mi niet antwoorden.”

„Heer … heer … ik kan niet meer …”

„Kom, kom … du moet niet versagen … De redding is nabij …”

„Neen heer, neen … nixen zijnkwajemachten … als nixen di pakken is het uit.. en ik heb het verdiend heer.. ik heb het verdiend … ik heb in de groote zee een nix met een harpoen gewond en dit is de wraak..”

De Nerigoner zweeg en hield op met steunen. Sogol riep hem nogmaals maar hij antwoordde niet meer en scheen te slapen.

Buiten was de zon ondergegaan en nu werd de krocht weder geheel donker.

Sogol, hoewel doodmoede en tot slapen geneigd, dwong zichzelf om wakker te blijven, want indien Harimona en[191]Haun pogingen tot zijn redding zouden wagen, was het zeker dat zij van de duisternis gebruik zouden maken en hij moest oplettend luisteren blijven naar elk gerucht, opdat hij, zoo zij hem riepen, dadelijk zou kunnen antwoorden.

Het werd nu koud in de krocht. Zoolang deze geheel gesloten was geweest, had de buitenlucht geen toegang gehad. Maar nu, door het luchtgat dat Hadoe had gegraven, kwam een ijzige tocht binnenwaaien. Sogol rilde, want zijn pels was terzijde gegleden, ’t geheele lichaam was naakt.

Plotseling, in die stilte, begon de Nerigoon te spreken, verwarde woorden zonder zin of samenhang.

Sogol had als knaap te vaak, als hij met Spûr mede ging, gewonden en zieken in koortsen zien liggen, dan dat hij niet dadelijk begreep, dat de man ijlde. Hij luisterde scherp toe, maar nu in zijn ijlkoortsen, sprak de man Nerigoonsch en hoewel die taal wel eenigszins geleek op het Nervisch, toch kon Sogol ze niet verstaan. Zoo lag hij, luisterend naar het gebrabbel van den ongelukkigen schipper. Maar tusschen de Nerigoonsche woorden hoorde hij anderen, van vreemden klank, alsof de schipper nog een andere taal sprak.

Sogol toeluisterend, vergat zijn moeheid. Daar lag, vlak bij hem een man, die den weg naar ’t vreemde land kende, die er van teruggekomen was, zijn schip zwaarbevracht met de wondere schatten van dat land. En die man, in zijn koortswaan, sprak daar nu wellicht van, onthulde het groote geheim van den weg, dat de Nerigonen, zooals alle Scandiërs, zoo zorgvuldig voor andere volkeren verborgen, den menschen afschrikkend met vreesaanjagende verhalen.

Deze hier had nog zooeven van een nix gesproken, die hij in de groote wereldzee met een harpoen had gedood. Nu had de Nerigoner toch geen noodzaak gehad om te liegen.

Dus bestonden er dan toch nixen … waren de verhalen van de monsters en gedrochten niet alle slimbedachte[192]leugens om navolgers af te schrikken? Het groote geheim van den weg werd daar, op eenige passen afstands van hem, geopenbaard en hij kwam er niets van te weten, dan wat vreemdklinkende woorden, voor hem zonder beteekenis.

Indien hij zich maar los kon werken. Hij zou den man te drinken kunnen geven, verplegen, de vrijheid hergeven en dan zeker zou hij hem uit dankbaarheid den weg naar het vreemde land wijzen.

Nogmaals wrong Sogol aan zijn riemen. Maar de kluisters waren te vast aangelegd en sneden hem in ’t vleesch. Maar toch, eenigszins had hij ze verwrongen en de riem, die zijn linkerarm vastknelde, kon hij nu het hoofd zoover mogelijk ter zijde draaiend, met zijn tanden bereiken.

Dat was een aanvang. Dien riem moest hij doorknagen.. dat was het begin der bevrijding. Het ging heel moeilijk. Maar zijn tanden waren jong en sterk en steeds maar doorbijtend zou hij zeker den riem, al ware ze ook driemaal sterker, kunnen vaneenknagen.

Gestadig aan knaagde hij; het taaie leer werd week en glibberig door zijn speeksel. Toch bleef hij vezel na vezel doorbijten. Hij moest een poos rusten, misselijk wordend door den smaak van het leer. De stuurman kreunde nu weer.

„Schipper!” riep Sogol.

„Wat wil di, heer!” kreunde de zeeman.

„Houd di stevig … Ik zal di bevrijden.”

„Het is te laat heer; ik kan niet meer.”

„Ik zal di bevrijden en di redden.. Nog dezen nacht..”

En weer begon Sogol aan den riem te knagen, terwijl de Nerigoon bleef steunen. Telkens moest Sogol wachten, vermoeid rakend en misselijk wordend. Zijn tandvleesch begon te bloeden en het was hem, alsof hij geen tanden meer in den mond had. Maar toch bleef hij doorkauwen en knagen, vezel na vezel uit het leer losrukken. Toen eindelijk, nadat twee derde deel was doorgeknaagd, zette hij de spier van den bovenarm met kracht op. Het leer[193]van den riem gaf krakend iets mee. Sogol wachtte een oogenblik en opnieuw zijn armspier doende zwellen, gaf het murw gebeten leer mede.

Dat was de bovenarm. Hij kon nu den linker elleboog en den linker schouder vrij bewegen enslechtshet linker polsgewricht was nog aan een bronzen ring in den rotsigen bodem vastgebonden. Gelukte het hem den pols los te wringen, dan was hij op ééne zijde vrij en de andere zijde zou weldra volgen.

Doch hij kon den mond niet tot aan het polsgewricht brengen, daar zijn rechterschouder, bij den bovenarm vastgebonden, hem aan den grond ketende. Daarom moest hij eerst den bovenarm van den rechterarm losknagen, zooals hij dat bij den linkerarm gedaan had. Gelukkig dat hij nu niet meer gestadig denzelfden kant van den mond behoefde te gebruiken, maar afwisselend met de linker- en met de rechterhelft kon knagen.

Als een dier, geduldig en onverzettelijk, beet en kauwde hij op het leer tot hij ook den rechter bovenarm ontboeid had. Zijn hart klopte heftiger van vreugde nu hij bemerkte, dat hij zich halverwege kon oprichten. Het bovenlichaam was dus bevrijd, nu de polsen en enkels … Maar hij behoefde niet meer te kauwen. Thans, nu hij over zijn geheele lichaamskracht beschikte, begon hij aan de polsriemen te wrikken. Het leer gaf iets mede, maar de polsen zwollen door de krachtsinspanning en daardoor verloor hij de gewonnen verwijding. De polsen moesten glad gemaakt worden, opdat ze door de riemen heen konden glijden. Hij peinsde even. Indien hij maar een paar druppels olie gehad had … Doch een denkbeeld kwam in hem op en een poosje later zich met geweld overwinnend, nam hij de eigen drek in den mond en spuwde ze op zijn rechterpols uit.

En nu weer begon hij te trekken en te wringen … de riemen gaven mee, de nu gladde polsen gleden onder de riemen weg en zijn rechterarm was geheel bevrijd.[194]

Hij zwaaide hem rond om de stijfheid te doen verdwijnen. Toen tastend langs den grond, zocht hij naar een paar ruwe steenen. Hij vond een stuk rotsscherf met een vrij scherpen kant. Dien scherpte hij aan tegen den grond en nu het als mes gebruikend, telkens in een kerf in de riemen insnijdend en dan weder den steen aanzettend op den grond, slaagde hij er in zich geheel te bevrijden.

De moeilijke arbeid had hem zoo beziggehouden, dat hij niet op den schipper meer gelet had. En hij, zweetend van de inspanning, rekte zich uit en liep nu tastend naar den hoek waar de schipper lag.

Deze was weder bewusteloos en Sogol, hem betastend, voelde hoe zijn beenen ijskoud waren. De riemen hadden den bloedsomloop gestremd.

Geduldig en hardnekkig begon Sogol met zijn gescherpten steen de riemen door te snijden van den schipper. Doch de arbeid vorderde langzaam in ’t donker. Daarom kroop Sogol naar het luchtgat en het haastig met de handen uitgravend, stond hij weldra buiten.

„Vrij!” zuchte hij.

Buiten was het doodstil. De hooge avondlucht stond vol sterren en in ’t verschiet doemde vaag de zwarte schaduw van een bosch. Zijn gevangenis was een in rotsen uitgehouwen hol, dat met rulle aarde inderhaast was dichtgegooid.

Hij ademde de nachtlucht met volle halen in en hij voelde zich vervuld van een dankbaarheid, die hem tot weenen bracht. Het leven was dan toch zoet en schoon, ondanks zijn raadsels. Daar, gebonden in ’t donkere krocht, had hij versmachtend den dood gewenscht. Maar nu rilde hij, denkend aan de doorgestane smarten en den dood. Leven wilde hij, het heerlijke, hooge leven bezitten, en zijn armen uitstrekkend, omarmde hij de nachtlucht als een bruid, die hij eindelijk weder omhelzen kon.

Hij keek om zich heen. De streek was hem welbekend.[195]Daar gindsch begon het groote Nervische woud. Links daarvan, aan de tegengestelde zijde van de ster Brendel lag Beldun, de groote havenplaats.

Hij was dorstig en hongerig en voor ’t oogenblik niets anders vindend, trok hij wilde zuringstelen uit den grond en begon er op te kauwen. Eerst nu kwam de gedachte aan den lijdensgenoot in de krocht weer in zijn hoofd, zoo was hij geheel ingenomen geweest door het zalige gevoel der herwonnen vrijheid.

Hij keek rond om te zien of niet ergens een boschje in de nabijheid was, waar bij droog hout kon vinden. Dan had hij vuur en licht kunnen maken en met gloeiende houtspitsen de riemen van den schipper kunnen doorzengen. Maar het bosch in ’t verschiet was te ver. Hij blikte besluiteloos naar de krochtrots. Uit de wijze waarop deglooiingboven de krocht liep, in een langen, golvende lijn met inzinkingen, maakte hij op, dat hun krocht niet deeenigewas, maar dat de rotswand over een groote lengte in krochten was afgedeeld. Daarom liep hij nu langs den rotswand en voorbij de eerste inzinking vond hij een tweede krocht, maar geheel open, zoodat hij in ’t vale duister wel iets kon onderscheiden. De krocht was leeg, doch in ’t midden hing een bronzen pot boven een leemen haard. Het vuur in den haard was uit. Sogol nam den pot uit den kettinghaak en hem aan het hengsel zwaaiend, sloeg hij den pot met kracht tegen den rotsigen wand. De pot sloeg met een hollen metaalklank stuk. Sogol zocht twee groote scherven en begon ze haastig tegen den rots te wrijven tot ze scherp genoeg waren. Toen snelde hij terug naar de krocht waar de zeeman lag. Die was nog altijd buiten bewustzijn.

Sogol kerfde nu de riemen van zijn armen en polsen los. Hij bevoelde de riemen waarmede de beenen van den zeeman waren vastgesnoerd aan den grond. Ook hier was een bronzen ring vastgegoten in den rots. Sogol rukte aan[196]den ring, maar deze was te vast in den rotsgrond bevestigd. Hij moest opnieuw de riemen doorkerven en eerst toen lag de man bevrijd.

Sogol beurde hem op en droeg hem naar buiten. De koele nachtlucht hoopte hij, zou den man weder tot bezinning brengen. Hij wreef hem krachtig de beenen en nu in het nachtlicht bemerkte hij, dat de man een verkromden rechter voet had.

Maar terwijl hij den man tot bewustzijn trachtte te brengen, dacht hij aan Harimona. Nu hij vrij was, moest hij aan hare bevrijding denken. Maar waar was zij? Gevlucht? Gedood? Teruggevoerd naar Renigo? Of wellicht in één van de krochten vastgebonden, zooals hij bewegeloos aan den grond gesnoerd was geweest.

Daar de zeeman nog altijd bewusteloos bleef, nam Sogol hem op en liep met hem langs den rotswand, speurend rond met de oogen of hij niet ergens het glanzende vlak van een wel of een kreekje kon ontdekken. Maar het groote grasveld breidde zich tot aan den donkeren horizont uit, daar waar het woud begon zonder kreek of plas. Op de krocht waar de haard was, volgde een tweeden, geheel ledig. Een eind verder was er een derde.

Daarvoor hing een zwaar, dichtgeweven zeil. Sogol legde den zeeman zacht op den grond, tuurde terzijde door een kier in de krocht. Daar zag hij, voor een sintelvuur twee menschen liggen, geheel naakt, een groote man en een vrouw in zijn arm, die het hoofd op zij, sliepen. Sogol sloop geruischloos binnen, nam een gloeienden sintel van het vuur. Met verwondering bemerkte hij, dat de andere mensch ook een vrouw was. Hij rilde nu van afgrijzen. Voorzichtig een aakst nemend, die dicht bij de hand van de grootste der vrouwen lag, hief hij deze reeds op om de twee met twee snelle slagen te dooden. Maar hij bedacht zich. De dooden spreken niet en deze vrouwen moesten spreken, hem zeggen waar Harimona en Haun zich bevonden.[197]

Met de aakst gewapend, sloop hij weder uit het woonhol en liep verder langs den rotswand. Daar was opnieuw een woonhol en ook hier sliepen twee vrouwen, half naakt, op pelzen voor een vuur. Tegen den wand stonden aaksten, een kortzwaard, een langzwaard en kruiken en potten.

Sogol, de aakst in zijn hand, sloop naar de potten. Maar bedenkend, dat een ontwaken hem veel last zou kunnen bezorgen, nam hij het langzwaard en sloeg met krachtigen slag de beide vrouwen in haar slaap tegelijk de hoofden van den romp. Zij uitten zelfs niet een korten gil, waren stom, zonder zucht of klacht van den eenen slaap in den anderen overgegaan.

Nu, rustig, nam hij een stuk hout van ’t vuur en ’t boven de potten houdend, bevond hij dat deze eetwaren en water inhielden.

Hij snelde naar buiten, tilde den schipper op, sleepte hem in de krocht en zonder zelf nog een teug waters genoten te hebben, bevochtigde hij de slapen en de borst van den bewustelooze, goot hem water in den mond, wreef hem krachtig langs de armen en beenen.

Nu sloeg de schipper de oogen op. Sogol hield hem de hand voor den mond.

„Zwijg schipper.… du bent gered. Maar zwijg.”

Hij zette den man overeind, gaf hem te drinken en nu hem weder optillend en naar buiten brengend, zeide hij:

„Stil en kloek, vriend. Ik heb dijn riemen losgesneden en di tot hier voortgeholpen. Wij zullen vluchten. Zeg mi, op welk wapen bent du geoefend?”

„Den harpoen, de knods en het mes.”

„En de aakst? Of het kortzwaard?”

„De aakst!”

Sogol snelde terug in de krocht, nam een aakst en een kortzwaard, liep weder naar buiten. Toen, nadat hij den schipper den aakst in de hand had geduwd, zei hij:

„Wacht mi hier, vriend.”[198]

Hij ging weer terug, haalde een kan drinkwater en een pot met eetwaar. Buiten zette hij de kan aan den mond en dronk, met voorzichtige, langzame teugen, als een man, die gewoon aan honger en dorst, weet dat men na lang versmachten kalm en niet overhaast moet drinken.

Toen gaf hij de kan aan den zeeman, maar fluisterde:

„Drink niet haastig.… met kleine teugen.… als dijn leven di waard is.”

Sogol stopte zijn hand in den anderen pot. Hij voelde het taaie, kleverige van honig in raten. Gulzig bracht hij een stuk raat aan den mond. O, hoe zoet, hoe mild, smaakte ze, de honing, hoe koesterde zij den vlijmenden kramp van zijn hongerige maag. De zeeman tastte ook toe.

Sogol liep een eind zijwaarts, wenkte den zeeman om mede te komen. Maar deze was te zwak nog om te loopen. Daarom sloeg hij hem den arm om den rug en hem zoo broederlijk steunend, liep hij met hem tot wat struikgewas.

„Blijf hier, met den aakst in dijn hand en waak. Zoo du wat hoort, fluit dan. Er zijn nog meer gevangenen en ik heb ze te bevrijden.”

„Vertrouw op mi, heer.”

Nogmaals ging Sogol terug om zijn dorst te lesschen en stak weer een stuk honing in den mond. Toen, eenige zwaaien en houwen in de lucht met het kortzwaard doende, om zich te wennen aan ’t gewicht en om de dracht van den slag te meten, nu met zijn wapen in de hand te midden van wijven, wèl vertrouwend op zijn kracht en behendigheid, sloop hij langs de krochten. Hij telde er twintig. In elke krocht lagen twee vrouwen bij elkaar.

„Ontuig, ontuig! Liederlijk getwaas!” zei hij vol afgrijzen.

Maar waar waren Harimona en Haun?

Opeens herinnerde hij zich, dat hij de vrouwen had zien dansen om iets.… Dat iets.… wat was dat geweest … Wellicht Harimona? Of Haun?

Hij schreed terug tot voor de krocht, waar hij gelegen[199]had. Toen daarvoor staande, zocht hij in den helderen sterrennacht naar een boschje, dat gelijken kon op ’t geen hij omgekeerd in zijn visioen tegen den muur van de krocht had gezien. Recht voor ’t gat zag hij iets, dat er op gelijken kon. Hij snelde er met groote, haastige schreden op af, het kortzwaard gereed.

Een boschje van tien boomen stond daar.… nu zag hij het duidelijk. En in ’t boschje glimde het schijnsel van een vuur.…

Ondanks zijn spanning, verminderde Sogol zijn vaart, liep terzijde om tegenwinds het boschje te bereiken, opdat niet zoo de lieden daar waakhonden hadden, zijn nadering verraden zou kunnen worden.

En nu, voorzichtig nader sluipend, zich plat op den grond leggend, kruipend langzaam voorwaarts ontwaarde hij vier mannen, eveneens met roode buizen.

„Norigeenscheschippers, de makkers van den manken schipper,” dacht Sogol.

Zij zaten om het vuur en dicht bij hen zat Harimona, met de handen vastgebonden aan een boom, starend in het vuur, maar overigens kalm.

Sogol drong plotseling door tot voor het vuur en zich met het kortzwaard vooruitgestoken voor Harimona stellend, riep hij:

„Dood dengeen, die zich beweegt.”

De vier mannen, opschrikkend uit hun sluimer, sprongen naar achter. Twee namen de vlucht. Een derde zocht bescherming achter een boom, maar de vierde, dapperder dan de anderen, trok een kortmes uit zijn gordel en bleef kloek staan, gereed het tegen Sogol op te nemen.

„Wie bent di, kaerel?” vroeg Sogol.

„Een Nerigoonschen zeeman.… Pas op, voor de kol achter di. Zij heeft onzen makker gedood.”

„Steek op dijn mes,” zeide Sogol tegelijk zijn zwaard met den punt in den grond voor zich stekend. „Wij zijn[200]vrienden. Dijn makker is vrij en leeft.… hij was een manke stuurman niet waar?…”

De drie anderen kwamen nu ook toeloopen.

Nu keerde Sogol zich om en omhelsde Harimona, kuste haar op mond en wangen, drukte haar aan zijn borst, reet met één snede van ’t kortzwaard den riem door, waarmede haar handen geketend waren.

„Waar is Haun?” vroeg Sogol.

„Ik weet het niet … Ik ben ’s nachts in een donker hol als uit een droom ontwaakt. Deze vier lieden, die hun makker zochten, hebben mij gepakt en naar hier gevoerd. Zij ondervroegen mij, hielden mij voor de aanvoerster van de vreeselijke wezens, die hier in ’t bosch schijnen te huizen. Zij bezweren mij, dat hier heksen en nixen in ’t woud wonen, die geheel naakt loopen en zich op reizigers werpen.”

„Zij hebben gelijk …” „Mannen,” ging Sogol voort nu zich tot de vier zeelieden richtend, „ik ben Sogol, prins der Nerviërs en dit is Harimona, de heilige vrouw van Renigo, mijn bruid. Wij zijn, zooals du, door die vervloekte wijven aangevallen. Ik ontwaakte in een donker krocht en daar lag ook dijn makker, geboeid en versmachtend. Ik heb hem bevrijd en hij houdt hier dichtbij de wacht. Indien du moed hebt, zoo volgt mij, dan kunnen wij de bende dier wijven ketenen en opbrengen of dooden.”

De vier mannen keken elkaar aan.

„Heer,” zei een hunner, „tegen mannen willen wij vechten maar tegen nixen en kollen is alle strijd vergeefs.”

„Wat? Bent di Norigener? Mannen, die de groote wereldzee bevaren en in ’t vreemde land tegen de monsters en gedrochten vecht.”

De vier waren niet zoodra met een antwoord gereed en bleven zwijgen.

„Als di niet durft, ga ik alleen. Bewaak hier de heilige vrouw.”[201]

Een der mannen, dezelfde die tegenover Sogol stand had gehouden, een rijzige, breedgeschouderde kaerel, trad naast Sogol.

„Heer, ik ben dijn man.…”

En zich tot de drie andere richtend, zeide hij:

„Bewaak de Bruid van den dapperen prins.”

„Waar gaat di heen, liefste?” vroeg Harimona.

„Haun bevrijden. Wacht mi hier, mijn kind.”

Hij kuste haar op ’t voorhoofd en de twee mannen verdwenen in de duisternis.

De manke stuurman lag nog altijd wachtend achter ’t kreupelhout. Toen hij zijn maat zag en nu zich eerst veilig voelde, begon hij te schreien van geluk.

„Ik dacht, dat ik daar levend verhongeren zou, meester,” zei hij, na den anderen zeeman een kort verslag van zijn wedervaren te hebben gedaan.

„Bent di de meester?” vroeg Sogol.

„Ja heer, ik ben skigvoerder.”

„Hoe is dijn naam?”

„Rytzell de Svizjoon. Mijn mannen zijn allen Nerigonen.Tien zijn er op de skig gebleven ter bewaking, twintig hebben over land de reis naar Scandia aangedurfd. Wij wilden in Beldun overwinteren om tegen het voorjaar met een nieuwen skig een nieuwe reis naar ’t vreemde land te beginnen.”

„Zend dijn stuurman weg. Wij samen zullen wel met dat vrouwsvolk ’t alleen klaren, Rytzell.”

De skig-kapitein zond den manken stuurman naar ’t boschje, waar zijn makkers Harimona beschermden. De rust had den manke goed gedaan en hij kon nu weder loopen.

„Rytzell,” zeide nu Sogol, „het hart is mij goed om al die wijven neer te slaan.”

„Heer, ’t is kwaad vechten tegen nixen en kollen.”

Sogol haalde de schouders op.[202]

„Heb di nooit in ’t vreemde land tegen nixen en kollen gevochten?”

„Neen heer … daar leven wel gruwelijke beesten, sterker dan de beer en woester dan de ever. Maargetwaasheb ik er nooit gezien.”

„Heb di dan welgetwaasgezien, ginds in dijn vaderland?”

„Ik zelf niet heer.… maar anderen hebben er velen gezien.…”

„Zeg mi eens oprecht opperschipper, heb di ooit in de wereldzee zeewijven gezien met vischlijven?”

„Neen heer … zelf niet. Maar anderen …”

„Ik zal di wat zeggen,opperschipper. Wij zijn mannen, beiden onvervaard en geen kinderen, angstig voor een spook of een droombeeld. Ik ben een man, die lang in de bosschen heb geleefd en veel onderzocht heb. Dit zeg ik di: daar zijn geen andere geheime machten, dan die wij in ons hebben. En nu let op. Du zult zien, dat in de krochten geen nixen of kollen huizen, waarvoor koene manslui bang behoeven te zijn. Maar liederlijke boschwijven, de snee van een eerlijk zwaard schier niet waard. Nu volg mi …”

Zij liepen langs de krochten. Sogol, nu vreezeloos, trok de voorhangen terzij en toonde de slapende wijven paar bij paar. Ook kwam hij weer bij de krocht, waar de twee vrouwen lagen, die hij met één houw de hoofden van de romp had geslagen. In den zwakken rossen schijn van ’t doovende haardvuur lagen daar de ontzielden lichamen in ’t bloed en de beide hoofden star en gelaten van uitdrukking hingen ter zij op de kussen der blonde, losse haren.

„Die sloeg ik in den slaap neer!” zeide Sogol„om mijzelf en dijn maat te kunnen helpen.”

Sogol bemerkte aan ’t zwijgen de ontzetting van Rytzell.

„Zeg mi, opperschipper, hebt di ooit zoo iets schrikkelijks ginds in ’t overzeesche land gezien?”[203]

„Neen heer … wel heb ik er levende vrouwen gezien, die verbrand werden met het lijk van haar man. Maar dat is om der wille van het geloof.”

„Gelooven ze daar ook aan Wotan?”

„Neen heer en niet aan Odin ook.”

„Wat gelooven ze dan?” vroeg Sogol, vergetend de gruwelijke krocht waar de twee onthoofde vrouwen aan hun voeten lagen, voor de oplossing van het groote vraagstuk, dat hem meer belangstelling inboezemde dan de voorvallen van het heden.

„Zouden wij niet eerst den gevangene redden?” vroeg Rytzell, naar de gewoonte der Scandiërs, ontwijkend het antwoord op alle vragen omtrent het vreemde land.

Zij traden uit de krocht naar buiten en liepen langs den steilen rotswand.

„De vrouwen, die ons vervolgden heer, geleken op deze.”

„Dat zijn dijn nixen, schipper. Geloof mi, andere bestaan er niet. Wij zullen er nu twee in haar slaap wegvoeren en dan vragen waar mijn horensteker is.”

Sogol liep een krocht binnen en een prop makend van een stuk lijnwaad en Rytzell beduidend hetzelfde te doen, nam hij een wijf bij ’t gelaat, rukte haar den mond open en voor ze gillen kon, duwde hij haar de prop in den mond. Daarna tilde hij haar op en droeg haar naar buiten. Rytzell, hield zijn hand voor den mond der andere vrouw en sleepte haar met de andere hand Sogol achterna.

Zij liepen nu, elk een vrouw dragend, snel ver uit het bereik der krocht. De vrouwen, plotseling uit haar slaap gewekt, verweerden zich maar de twee mannen, beiden van groote lichaamskracht, sleurden heur voort. Doch de vrouw, die Rytzell droeg, van groote statuur en zwaargespierd, beet hem in den vinger.Even trok de zeeman zijn hand terug en zij, snel zich losrukkend, kreeg vasten voet op den grond en begon met haar ontvoerder te worstelen.[204]

De zeeman, kortemettenmakend, trok zijn mes en stak haar dit in ’t hart. Als een blok viel ze neer, maar heur gegil tijdens de worstelpartij had de andere vrouwen gewekt en enkele kwamen al, met vlamhouten en met zwaarden gewapend toerennen. Het was echter duister genoeg om de twee mannen, nu geen gillen der vrouwen den weg aanwees waar zij haar aanvallers konden vinden, aan haar oog te onttrekken.

Rytzell, de vrouw die Sogoltorschte, bij de beenen vattend, hielp Sogol haar zwaar lichaam dragen en beiden snelden naar het bosch, waar de andere zeelieden waakten.

Toen zij daar kwamen, waren de zeelieden zeer verwonderd de gevange nix te zien. Zij durfden haar nog altoos niet naderen. Rytzell scheurde een deel van het overkleed van Harimona snel in reepen en boeide de vrouw de handen en de voeten, handig de knoopen leggend, zooals zeelieden dat verstaan.

„Luister wel!” zeide nu Sogol tot haar. „Antwoord op mijn vragen naar waarheid en schreeuw niet; zoo du schreeuwt, werp ik di in dit vuur.…”

Toen, met het mes van Rytzell voorzichtig de prop uit haar mond nemend, vroeg hij:

„Wie bent di. Hoe komt di daar? Waarom hebt di mijn bruid, mijn knaap en mij gevangen genomen en waar is mijn knaap?”

De groote vrouw, met lichtblauwe oogen, lang blond haar en zelfs niet gekleed met een schaamdoek, keek naar Harimona, maar antwoordde niet.

„Zult di antwoorden?” vroeg Sogol.

Zij bleef weigeren en staarde maar altoos Harimona aan.

Sogol nam een vlammend hout van het vuur en duwde het even tegen haar arm. Zij sprong op en gilde.

„Zult di antwoorden?”

„Heer.… mijn naam is Koenegoend. Ik ben een krijgsvrouw van Koenderic, koning der Nerviërs geweest. Toen[205]Koenderic gestorven was zijn wij uitgetrokken, al de krijgsvrouwen bij elkaar en leven nu in de bosschen.”

„Een fraai leven, dat di voert.”

„Wij hadden veel van de mannen te lijden gehad en leefden nu zonder de mannen.”

„Vervloektgetwaas!”

Zij keek weder naar Harimona met droomerige blikken.

Harimona wendde het hoofd af.

Sogol nam nogmaals een brandend hout en bedreigde haar.

„Waar is de knaap, die bij ons was.”

Zij begon opeens schril te lachen.…

„Waar is de knaap, wijf?”

Zij lachte hoog op en opeens viel zij neer en begon de beenen krampachtig te trekken.

Sogol stiet haar het gloeiende hout in de heup.

„Zult di spreken, luizenwijf.”

Maar zij bleef lachen, scheen genot te hebben in de smart van de brandwond.

De vier Nerigonen traden angstig terug en Sogol zag, dat zij weer op ’t punt stonden aan den haal te gaan. Hijzelf voelde zich vermoeid met een onbedwingbaren drang om te gaan slapen.

De vrouw, na eenigen tijd op den grond zich om en om gegooid te hebben, kwam weder tot kalmte.

„Wilt di antwoorden, kol? Of ik steek di hier vast in den grond?”

Sogol hief zijn zwaard op.

„Ach heer, vergeef mi.… ach heer, dood mi niet.…” kermde het wijf.

„Waar is de knaap?”

„Ach heer … dood mi niet … ik heb het niet gedaan … De andere vrouwen.… Wij dooden alle mannen. Du en die daar, de manke zeeman, zouden morgen gedood worden.… en die daar.… die minneclîche maide, zou verlost worden.… want velen beminden haar.… maar[206]de horensteker is door Nilka en Ortrûd naar het kleine zand gebracht en zij hebben om hem gedanst en hem tot een maagd gesneden en nu is hij dood.…”

„Waar is ’t kleine zand?”

„Daar heer, daar.. bij de boompjes.. daar.. daar..”

„Komt mee Rytzell … en du mannen, bewaak haar en vlucht niet.. het is geen nix maar een liderlicke hure..”

Sogol en Rytzell liepen met een brandend hout in de aangewezen richting. Bij ’t kleine boschje op een open plek van hel geel zand, lag daar het naakte lijk van Haun.. zijn hand nog aan den horen, alsof hij in doodsstrijd hem nog aan den mond had willen brengen. Rytzell hield het brandende hout dicht bij ’t gelaat … bij de borst … Toen, in den rooden gloed, zag hij de gruwelijk wonde, waaraan de knaap verbloed was … Hij trad met een gil terug en steunend op den schouder van Rytzell begon hij te weenen.

„Mijn arme, arme knaap. Mijn trouwe, kleine jongen …”

Hij tilde het al koude, stijve lijk van den kleinen horensteker op en droeg het met Rytzell terug naar het woud.

„Zij heeft de waarheid gesproken!” zei Sogol dof tot Harimona …

Zacht legde hij ’t lijk neder op ’t boschmos en bedekte de vreeselijke wonde met het stuk lijnwaad, dat van Harimona’s overkleed was overgebleven.3Ook Harimona weende. De zeelieden, die met ontzetting het geschonden lichaam van den jongeling hadden gezien, stonden dicht bij elkaar, alleen door ’t oog van Rytzell in bedwang gehouden om niet te vluchten.

In de verte zagen zij de andere wijven nog altijd met de vlammende toortshouten zoeken naar heur aanvallers.[207]Sogol, zijn eigen moeheid voelend, weinig vertrouwend op den moed der zeelieden, vreezend voor het leven van Harimona, beval op te breken en zoo snel mogelijk naar Beldûn te trekken. Maar voor de stoet zich in beweging zette, hakte hij van takken een baar, legde het lijk van den verminkten knaap er op en deed het zoo mededragen door twee der Nerigonen, opdat het verbrand zou kunnen worden en bijgezet met de eere, die een prinselijken horensteker toekwam.

Doodmoede, tot schreiens toe bedroefd, liep hij naast Harimona achter de baar, met gebogen hoofd en zich steunend op den schouder van de heilige vrouw.[208]

1Wind, geur, zonnestraal—wij weten nú dat zij aan de stof gebonden zijn. Sogol kon dit niet weten.↑2Het is waarschijnlijk, dat velen het voor onwaarschijnlijk zullen houden, dat deze gedachten een Germaan uit 150 v.Chr.bezielden en aan een zeker soort geestelijk anachronisme zullen denken. Men houde echter in ’t oog, dat de Germanen in hun oer-land, Indië, waarschijnlijk een hoogere beschaving hebben gekend en wellicht, in de eerste eeuwen[184]van hun verblijf in Europa, ontaard zijn in het noordelijke klimaat. Eerst thans, na zoovele eeuwen, schijnt de Germaansche ziel zich weder te openen voor de opneming van haar oer-droom. Uitstekende Germanen als Goethe en Schopenhauer hebben instinctmatig zich naar ’t oosten gewend. Het Christendom, dat veel heeft van eenBoeddhismenaar Joodschen karakteraard, door Christus van een individueel cachet voorzien, is juist door de Germanen het best begrepen.Het is, alsof de Germaansche ziel in het Christendom eindelijk weder den godsdienst naar heur waren aard vond, terwijl de Joden onontvankelijk blijken voor de leer van Christus, waarschijnlijk omdat hun oer-droom van leven en dood altoos een andere is geweest.Er is geen enkele reden om te bestrijden, dat ook het geestelijk leven onderworpen is aan vaste natuurwetten. De godsdiensten zijn m. i. een gevolg niet allereerst van het denken en voelen, maar van het klimaat.In dezen zin kunnen wij allen zon-aanbidders zijn. Het Christendom neemt onder onze oogen de nuanceering aan van het klimaat der streken, waarin het wordt uitgeoefend. Nergens duidelijker dan in Rénan’s „Vie de Jésus,” voelt men, hoe de omstandigheden van bodem en klimaat, dus eigenlijk van den stand der zon ten opzichte van het landschap Galilëa, de zachtaardige, vriendelijke en liefdevolle idée van den gevoeligste der Joodsche droomers, tot ontwikkeling brachten.Ons heele leven is een gestadige poging om ons iets te herinneren dat wij voelen, dat in onzen geest besloten ligt, maar dat wij niet geheel kunnen terugvinden. Onze grootste geesten zijn wellicht lieden, die de meeste kracht tot weder te binnenbrenging bezitten, niet alleen van de dingen uit dit, maar ook van de dingen uit onze vorige levens.Schopenhauer zegt, dat zijn hoofd gedachten opwierp en uitwerkte, zonder dat hij zelf het daartoe dwong. Het inspiratieve wezen van geniën is bekend. Het schijnt of zij werktuigen zijn van een geest buiten hen. Vandaar het dikwijls verbazende onderscheid bij geniën tusschen den mensch en zijn werken.Sogol, éénmaal zich bevrijd hebbend van den oud-Germaansche Wotandienst, komt gelijk elke vrij-geest d.i. vrije geest, tot de verheven twijfelingen, onderstellingen, vermoedens en dwalingen, waartoe elk naar zijn aard noodzakelijkerwijze moet vervallen, zoodra hij het als onwaar bevonden dogma verwerpt, en moed, denkkracht, fantasie, waarheidsliefde en bewustheid van hoogere machten bezit. Sogols gebrekkigekennisheb ik laten doorschemeren.↑3Atjehsche vrouwen, vertelde mij een geloofwaardig kolonist, wreekten zich soms op dergelijke wijze, wanneer Nederlandsche soldaten krijgsgevangen waren gemaakt.↑

1Wind, geur, zonnestraal—wij weten nú dat zij aan de stof gebonden zijn. Sogol kon dit niet weten.↑2Het is waarschijnlijk, dat velen het voor onwaarschijnlijk zullen houden, dat deze gedachten een Germaan uit 150 v.Chr.bezielden en aan een zeker soort geestelijk anachronisme zullen denken. Men houde echter in ’t oog, dat de Germanen in hun oer-land, Indië, waarschijnlijk een hoogere beschaving hebben gekend en wellicht, in de eerste eeuwen[184]van hun verblijf in Europa, ontaard zijn in het noordelijke klimaat. Eerst thans, na zoovele eeuwen, schijnt de Germaansche ziel zich weder te openen voor de opneming van haar oer-droom. Uitstekende Germanen als Goethe en Schopenhauer hebben instinctmatig zich naar ’t oosten gewend. Het Christendom, dat veel heeft van eenBoeddhismenaar Joodschen karakteraard, door Christus van een individueel cachet voorzien, is juist door de Germanen het best begrepen.Het is, alsof de Germaansche ziel in het Christendom eindelijk weder den godsdienst naar heur waren aard vond, terwijl de Joden onontvankelijk blijken voor de leer van Christus, waarschijnlijk omdat hun oer-droom van leven en dood altoos een andere is geweest.Er is geen enkele reden om te bestrijden, dat ook het geestelijk leven onderworpen is aan vaste natuurwetten. De godsdiensten zijn m. i. een gevolg niet allereerst van het denken en voelen, maar van het klimaat.In dezen zin kunnen wij allen zon-aanbidders zijn. Het Christendom neemt onder onze oogen de nuanceering aan van het klimaat der streken, waarin het wordt uitgeoefend. Nergens duidelijker dan in Rénan’s „Vie de Jésus,” voelt men, hoe de omstandigheden van bodem en klimaat, dus eigenlijk van den stand der zon ten opzichte van het landschap Galilëa, de zachtaardige, vriendelijke en liefdevolle idée van den gevoeligste der Joodsche droomers, tot ontwikkeling brachten.Ons heele leven is een gestadige poging om ons iets te herinneren dat wij voelen, dat in onzen geest besloten ligt, maar dat wij niet geheel kunnen terugvinden. Onze grootste geesten zijn wellicht lieden, die de meeste kracht tot weder te binnenbrenging bezitten, niet alleen van de dingen uit dit, maar ook van de dingen uit onze vorige levens.Schopenhauer zegt, dat zijn hoofd gedachten opwierp en uitwerkte, zonder dat hij zelf het daartoe dwong. Het inspiratieve wezen van geniën is bekend. Het schijnt of zij werktuigen zijn van een geest buiten hen. Vandaar het dikwijls verbazende onderscheid bij geniën tusschen den mensch en zijn werken.Sogol, éénmaal zich bevrijd hebbend van den oud-Germaansche Wotandienst, komt gelijk elke vrij-geest d.i. vrije geest, tot de verheven twijfelingen, onderstellingen, vermoedens en dwalingen, waartoe elk naar zijn aard noodzakelijkerwijze moet vervallen, zoodra hij het als onwaar bevonden dogma verwerpt, en moed, denkkracht, fantasie, waarheidsliefde en bewustheid van hoogere machten bezit. Sogols gebrekkigekennisheb ik laten doorschemeren.↑3Atjehsche vrouwen, vertelde mij een geloofwaardig kolonist, wreekten zich soms op dergelijke wijze, wanneer Nederlandsche soldaten krijgsgevangen waren gemaakt.↑

1Wind, geur, zonnestraal—wij weten nú dat zij aan de stof gebonden zijn. Sogol kon dit niet weten.↑

1Wind, geur, zonnestraal—wij weten nú dat zij aan de stof gebonden zijn. Sogol kon dit niet weten.↑

2Het is waarschijnlijk, dat velen het voor onwaarschijnlijk zullen houden, dat deze gedachten een Germaan uit 150 v.Chr.bezielden en aan een zeker soort geestelijk anachronisme zullen denken. Men houde echter in ’t oog, dat de Germanen in hun oer-land, Indië, waarschijnlijk een hoogere beschaving hebben gekend en wellicht, in de eerste eeuwen[184]van hun verblijf in Europa, ontaard zijn in het noordelijke klimaat. Eerst thans, na zoovele eeuwen, schijnt de Germaansche ziel zich weder te openen voor de opneming van haar oer-droom. Uitstekende Germanen als Goethe en Schopenhauer hebben instinctmatig zich naar ’t oosten gewend. Het Christendom, dat veel heeft van eenBoeddhismenaar Joodschen karakteraard, door Christus van een individueel cachet voorzien, is juist door de Germanen het best begrepen.Het is, alsof de Germaansche ziel in het Christendom eindelijk weder den godsdienst naar heur waren aard vond, terwijl de Joden onontvankelijk blijken voor de leer van Christus, waarschijnlijk omdat hun oer-droom van leven en dood altoos een andere is geweest.Er is geen enkele reden om te bestrijden, dat ook het geestelijk leven onderworpen is aan vaste natuurwetten. De godsdiensten zijn m. i. een gevolg niet allereerst van het denken en voelen, maar van het klimaat.In dezen zin kunnen wij allen zon-aanbidders zijn. Het Christendom neemt onder onze oogen de nuanceering aan van het klimaat der streken, waarin het wordt uitgeoefend. Nergens duidelijker dan in Rénan’s „Vie de Jésus,” voelt men, hoe de omstandigheden van bodem en klimaat, dus eigenlijk van den stand der zon ten opzichte van het landschap Galilëa, de zachtaardige, vriendelijke en liefdevolle idée van den gevoeligste der Joodsche droomers, tot ontwikkeling brachten.Ons heele leven is een gestadige poging om ons iets te herinneren dat wij voelen, dat in onzen geest besloten ligt, maar dat wij niet geheel kunnen terugvinden. Onze grootste geesten zijn wellicht lieden, die de meeste kracht tot weder te binnenbrenging bezitten, niet alleen van de dingen uit dit, maar ook van de dingen uit onze vorige levens.Schopenhauer zegt, dat zijn hoofd gedachten opwierp en uitwerkte, zonder dat hij zelf het daartoe dwong. Het inspiratieve wezen van geniën is bekend. Het schijnt of zij werktuigen zijn van een geest buiten hen. Vandaar het dikwijls verbazende onderscheid bij geniën tusschen den mensch en zijn werken.Sogol, éénmaal zich bevrijd hebbend van den oud-Germaansche Wotandienst, komt gelijk elke vrij-geest d.i. vrije geest, tot de verheven twijfelingen, onderstellingen, vermoedens en dwalingen, waartoe elk naar zijn aard noodzakelijkerwijze moet vervallen, zoodra hij het als onwaar bevonden dogma verwerpt, en moed, denkkracht, fantasie, waarheidsliefde en bewustheid van hoogere machten bezit. Sogols gebrekkigekennisheb ik laten doorschemeren.↑

2Het is waarschijnlijk, dat velen het voor onwaarschijnlijk zullen houden, dat deze gedachten een Germaan uit 150 v.Chr.bezielden en aan een zeker soort geestelijk anachronisme zullen denken. Men houde echter in ’t oog, dat de Germanen in hun oer-land, Indië, waarschijnlijk een hoogere beschaving hebben gekend en wellicht, in de eerste eeuwen[184]van hun verblijf in Europa, ontaard zijn in het noordelijke klimaat. Eerst thans, na zoovele eeuwen, schijnt de Germaansche ziel zich weder te openen voor de opneming van haar oer-droom. Uitstekende Germanen als Goethe en Schopenhauer hebben instinctmatig zich naar ’t oosten gewend. Het Christendom, dat veel heeft van eenBoeddhismenaar Joodschen karakteraard, door Christus van een individueel cachet voorzien, is juist door de Germanen het best begrepen.

Het is, alsof de Germaansche ziel in het Christendom eindelijk weder den godsdienst naar heur waren aard vond, terwijl de Joden onontvankelijk blijken voor de leer van Christus, waarschijnlijk omdat hun oer-droom van leven en dood altoos een andere is geweest.

Er is geen enkele reden om te bestrijden, dat ook het geestelijk leven onderworpen is aan vaste natuurwetten. De godsdiensten zijn m. i. een gevolg niet allereerst van het denken en voelen, maar van het klimaat.

In dezen zin kunnen wij allen zon-aanbidders zijn. Het Christendom neemt onder onze oogen de nuanceering aan van het klimaat der streken, waarin het wordt uitgeoefend. Nergens duidelijker dan in Rénan’s „Vie de Jésus,” voelt men, hoe de omstandigheden van bodem en klimaat, dus eigenlijk van den stand der zon ten opzichte van het landschap Galilëa, de zachtaardige, vriendelijke en liefdevolle idée van den gevoeligste der Joodsche droomers, tot ontwikkeling brachten.

Ons heele leven is een gestadige poging om ons iets te herinneren dat wij voelen, dat in onzen geest besloten ligt, maar dat wij niet geheel kunnen terugvinden. Onze grootste geesten zijn wellicht lieden, die de meeste kracht tot weder te binnenbrenging bezitten, niet alleen van de dingen uit dit, maar ook van de dingen uit onze vorige levens.

Schopenhauer zegt, dat zijn hoofd gedachten opwierp en uitwerkte, zonder dat hij zelf het daartoe dwong. Het inspiratieve wezen van geniën is bekend. Het schijnt of zij werktuigen zijn van een geest buiten hen. Vandaar het dikwijls verbazende onderscheid bij geniën tusschen den mensch en zijn werken.

Sogol, éénmaal zich bevrijd hebbend van den oud-Germaansche Wotandienst, komt gelijk elke vrij-geest d.i. vrije geest, tot de verheven twijfelingen, onderstellingen, vermoedens en dwalingen, waartoe elk naar zijn aard noodzakelijkerwijze moet vervallen, zoodra hij het als onwaar bevonden dogma verwerpt, en moed, denkkracht, fantasie, waarheidsliefde en bewustheid van hoogere machten bezit. Sogols gebrekkigekennisheb ik laten doorschemeren.↑

3Atjehsche vrouwen, vertelde mij een geloofwaardig kolonist, wreekten zich soms op dergelijke wijze, wanneer Nederlandsche soldaten krijgsgevangen waren gemaakt.↑

3Atjehsche vrouwen, vertelde mij een geloofwaardig kolonist, wreekten zich soms op dergelijke wijze, wanneer Nederlandsche soldaten krijgsgevangen waren gemaakt.↑


Back to IndexNext