HOOFDSTUK XII.

[Inhoud]HOOFDSTUK XII.De Frisen van de beroofde skig, zeer verwonderd wegens den overval, waren in de eerste uren niet in staat voor een vervolging der roovers te zorgen. Zij lagen met hun skig, die den vorigen dag met behulp van ijshamers ver naar de landzijde was gekomen, te veel van de andere skigge verwijderd om door roepen verstaan te kunnen worden. Daar ook de jol gestolen was, konden zij evenmin naar de andere skigge roeien. De morgennevel maakte het geven van teekens vruchteloos en ook het land was te ver verwijderd, dan dat daar hun roepen verstaan zou kunnen worden. Het duurde daardoor geruimen tijd voor zij de vloot konden onderrichten van den overval en nog veel langer voor men aan de kust begreep, wat er gaande was.Dadelijk werd toen een gezantschap naar koningTjilbardgezonden met de opdracht den koning een verhaal van ’t gebeurde te doen.Maar het gezantschap moest twee dagen wachten voor het tot den koning werd toegelaten en toen eerst hoorde de koning van den driesten overval.„Wie zijn de roovers?” vroeg de koning.Dat wisten de afgezanten niet.Tjilbardwierp woedend den drinkhoorn op den grond, dien hij juist aan den mond wilde brengen.„Wat? Du weet niet, wie de roovers zijn?”„Neen, koning,” zeide de woordvoerder. „De overval heeft in den nacht plaats gevonden. De wacht is aan ’t roer verrast en door een slag, die van achteren werd toegebracht, neergeveld. Eerst toen de wacht ter aflossing kwam, is de overval gemerkt.”„Waarom heeft men de sporen niet gevolgd.”„Toen de roof werd uitgevoerd, vroor het nog heer. Maar toen de skig teruggetrokken was door den ijsgeul naar de andere skigge en van die skigge een jol werd uitgezet,[164]begon het te dooien. En het ijs en de sneeuw smolt, zoodat de sporen werden weggewischt.”„Waarom hebben de skigge niet eer jollen naar land gezonden met graan?”„Heer, in den nacht was ’t weer omgeslagen en het getij gaan werken. Anders hadden de roovers nooit de skig kunnen bereiken … en dan juist de beroofde skig had zich al een heel eind naar de kust doorgeslagen … Het was de rijkstbeladen skig en de roovers hebben ook de twee zakken met zeldzaam honiggraan gestolen, die de koning der Picten had medegegeven …”KoningTjilbardliet den schipper van de skig tot zich roepen. De man kon weinig meer vertellen dan de afgezanten. Maar hij bracht de gebroken saks mede, die op de skig gevonden was.De koning bekeek de saks1en vroeg:„Is dat niet een saks, zooals de Batouwers die gewoonlijk dragen?”„Ja heer.”„Kunnen dan Batouwers de roovers zijn geweest?”„Ik weet het niet, heer. Niemand heeft ze gezien.”Nu zond koningTjilbardverspieders naar de Batouw. Maar zij konden niets ontdekken. De Batouwers hadden veel van honger en koude te lijden gehad en nu het dooide, leden zij nog veel van den honger. Maar van een rooftocht en van gestolen graan wist niemand.KoningTjilbard, hoewel in zijn hart overtuigd, dat de Batouwers den roof hadden gepleegd, kon niet tot een bestraffingstocht bevel geven.Maar hij wachtte vastbesloten om tegen het voorjaar nogmaals verspieders te zenden. Men kende het schoone[165]graan van het Paarden-eiland aan de korrel en wist heel goed te onderscheiden wat Batouwsche tarwe was en wat niet.Sigbert en zijn mannen, na de gelukkig volvoerde strooptocht, leefden met het geborgen graan nu in hoop en verwachting. Het graan was gelijkelijk verdeeld onder de honderd mannen van de saks en de zakken waren verbrand. Maar het gouden graan was behouden door de vier mannen, die door het ijswater naar de schepen gezwommen waren en zoo dan bezat Reri een halve zak van het goudgraan.Zij hadden het in een houten bak gestort, ’t zorgvuldig bedekt met lijnwaad, zorgend dat het niet bevriezen kon en ook niet te warm stond. En den heelen winter spraken ze over het zeldzame graan, Sigbert, Reri, Tjeerd en moeder. Zij berekenden hoe veel land ze er mede zouden kunnen bezaaien, zaten te redeneeren over de opbrengst. Of het groote aren zouden worden of kleine. Of het stroo ook zoo geelgoud zou zijn?Sigbert vooral had veel hoop op ’t gewas. Hij kon lange poozen voor ’t haardvuur zitten met de zaadjes in zijn holle band, ze zachtjes, als streelend, bevoelend met zijn wijsvinger, ze met de hand hoog en neder bewegend, zoo de zwaarte keurend. Hij had al de korrels geteld, maar daar zijn kennis der getalnamen niet zoo ver reikte, had hij bij elk honderdtal een bekenden naam genoemd. Het eerste honderdtal heette, de saks; het tweede, de Batouwer; het derde, de meent; het vierde, de made; het vijfde, Thius; het zesde, Wotan; het zevende, Donar en zoo maar voort. Soms was hij ’s nachts opgestaan, beangst door een droom, dat muizen of ratten aan het graan knaagden of dat Grendel het bezijkte of dat Tjilbard op het ros Zeven kwam aangereden en de geroofde zakken terughaalde, geholpen door Istovar en Herebaeld. Dan rakelde hij in ’t haardvuur, tot het hout opvlamde en de hut in een goudrossen lichtgloed zette en hij begon het honinggraan na te tellen, zachtjes bij elk hoopje van honderd prevelend: de saks, de[166]Batouwer, de meent, de made, Thius, Wotan, Donar.…Tot den morgen grauwde zat hij bij de hoopjes honinggraan, dankbaar dat de zon al weder vroeger opkwam, naar buiten loopend om de morgenlucht op te snuiven en speurend met zijn neus in den wind naar zwoelte en geur van lente gelijk een hond naar een jachtbuit. Hij zag de zon opgaan in de violette wolken van den einder en de nevels wegsmilten van het glooiende land en onder de versmolten sneeuw uit kwam nu al de donkerblauwe grond met groote, zwartige plekken uit. Zoo stond hij, geleund tegen zijn hut, vele ochtenden wachtend op de lente en als de zon dan geheel boven den einder stond, zilverwit en glanzend blank, trachtte hij nog met zijn driehoekige, groene oogen nog meer ingetrokken onder de zware, blonde borstels der wenkbrauwen er in te kijken, tot hij ’t hoofd moest afwenden en voor zijn gesloten oogen blauwe en groene en oranje brokken lichtschijn schemerden. Hij wischte met de pols een traan naar den ooghoek en keek naar zijn handen, zijn zware, groote, schorschige eelt-knuisten met de gebulte, stronkige vingers. Hij sloot ze bevend dicht, in gedachte den boom van zijn ploeg hanteerend. Droefenis kwam in hem als hij bedacht, dat zijn mooi span trekossen nu weg was, opgegeten uit honger maar toch, hij mocht nog niet klagen met twee zulke sterke kerels van zonen als Reri en Tjeerd, die wèl tegen een span ossen zouden optrekken als ’t moest zijn en moeder zou ook nog wel een handje trekken.Met zijn oogen mat hij de streken, die de ploeg zou voren. Van hoog de delling langs, tot aan den loorand.… dat was alles zijn made.… mooie, zuivere, blauwe grond, vaste aarde zonder een steentje er in.Naar ’t schuurtje gaande, liep hij al met de vaste, moeielijke stappen van den ploegvoerder, en in ’t schuurtje ging hij naar zijn ploeg zien, streelde met zijn vingers langs de boomen, nam eventjes het handvat vast in bevend[167]verlangen om er al achter te kunnen loopen. En het met harige koehuid bespannen ossejuk ziende, dat nu nutteloos zou zijn in dit voorjaar, streek hij even de pols langs zijn oogen. Maar buiten was weer zijn droefenis weg, hij hield zijn pols tegen de zoele bries in, die was beginnen te waaien om te voelen of er al dracht in de lucht zat en hem was het of de wind zachtjes langs den grond streelend, den slapenden geest van Nerthus in den akker opwekte uit zijn winterverdooving.Maar soms ook, als hij dacht aan de rooftocht, kwam een kille angst in hem op. Het was waar, zij hadden nog niets gehoord van een vervolging en bewijzen waren er niet. Maar koning Tjilbard was rijk en machtig en als hij kwaad wilde, kòn hij kwaad! Wat zou hij doen, als ’t honinggraan opwies, een made vol geelgouden aren met halmen neerhangend van zwaarte, vol nieuwe, gouden honingkorrels.… en een Fries zou voorbijkomen en zien het nieuwe graan en de mare konden aan zijn koning?…Dan voelde Sigbert zijn maag inkrimpen en hij hoestte met dorre kuchen als een, die zieke longen heeft. Hij zag de scharen van de Frisen, de slanke, rijzige, koene kerels, die stormliepen als paarden bij een boschbrand.…Dan schrap zette de zwaar geschouderde boer zich en zijn hand klemde vast om den aakstgreep.…„Bij Grendel, zij zouden de saks van Sigbert niet over den kop loopen; de saks van Sigbert was er ook nog.… laten ze dan maar opkomen, de Frisen.… Batouwers waren ook hun man weerd.… Hij en Reri en Tjeerd.… Ze moesten niet aan hun akkers komen.… al waren ze duizend maal Frisen.… Grendeldebliksem.… Batouwers waren geen kerels, die van vechten hielden.… dat was bekend.… zij hadden vredige harten.… maar van hun land moesten ze afblijven.… dat wisten de Chauken en de Chamaven en de Chasuaren en deBrukterenen de Kaninefaten en de Dantubaren.… die allen waren al[168]slaags geweest om ’t bezit van die vette Batouw, maar de Batouwer was geen haas en geen eekhoorn.… de Batouwer was als zijn vee.… harde koppen hadden ze met scherpe horens en wie er tegen aanliep, werd opgespitst.…”Maar geheel gerust was hij nooit. Want de Frisen bleven de Frisen, óók koppige kaerels met harde hoofden en niet bang uitgevallen.… hij had ze zien vechten in zijn jeugd, toen de Chauken kwamen opdringen omdat zij te veel mannen hadden en in hun landen gebrek kwam. Grendeldebliksem, wat was dat mooi werk geweest van de Frisen. In een zwerm kwamen de Chauken opzetten, met wel duizend wagens en peerden en hun vrouwen en kinderen, kinderen, kinderen.… als de mieren zooveel. En vooraan de kaerels met hun slingers en hun werplansen en hun celten.… niet groot van stuk maar zooveel, zooveel, dat ’t land er zwart van was, zooveel. En toen de Frisen, met kleine saksen van vijftig, Grendeldebliksem, met de aakst in de vuist, die op de horde in, met een vaart als vluchtende herten en toen, als een aakst in een blok, zoo spleten de saksvoerders in de horde van de Chauken en toen spreidden zij zich er in uiteen en de aaksten gingen maar al op-neer, op-neer, van boven neer op de koppen, tot de Chauken de honden loslieten. Grendeldebliksem, dat was een gezicht, die groote, gore beesten met blanke tanden en open muilen op de Frisen in. Maar de Frisen bleven slaan met de aaksten, altoos maar op-neer, op-neer, ook op de koppen van de honden en altoos maar weer de kleine saksen met nieuw volk aanvullende, tot de Chauken begonnen te wijken en gevlucht waren, de vrouwen en de kinderen bij de wagens achterlatend.En toen had hij ze gezien de Frisen, opdringend naar de wagens, waar de waakhonden opnieuw op hen kwamen aangevlogen, opgehitst door de wijven. Zij hadden rondom ’t wagenpark rijshout aangedragen en toen de vlam er in gestoken.… Gegild hadden de wijven en geschreid de[169]kinderen boven dien gloeienden ring uit en gehuild en gejankt en dof klagend gebast hadden de honden.…Maar wie er uit kwam, was teruggeslagen door de Frisen, die tot blakerens toe om den vuurring stonden.…Toen ’t vuur gedoofd was, had Sigbert gezien waar de verbrande lijken lagen van de vrouwen en de kinderen en de honden.… Met zijn grootvader was hij er langs geloopen, hij was nog een knaap geweest, maar hij had ’t gruwelijke te dieper gevoeld.… omdat daar zooveel knapen en oude mannen lagen, met vertrokken gezichten, zwartberookt of bloederig bruin gebrand en de armen stijf opgestoken met de vuist verkoold omhoog.…Grendeldebliksem.… wee wanneer de Fries de Batouw zou binnenvallen.… Ja, du kan dijn man staan en di verweren, maar toch, neergeslagen zouden er velen worden.…En diep-in begon hij spijt te gevoelen over de rooftocht en te bidden tot Wotan.… „Groote Wot, spaar ons voor den oorlog.… drie vaarzen zal ik di offeren.… drie beste vaarzen zonder gebrek en zonder vlek.… geen zwart haartje zullen ze hebben groote Wot, niet op de schoften en niet op de borst.… Groote Wot, spaar ons voor de Frisen.…”Maar als hij na die eenzame morgentochten weer de hut was binnengegaan en zijn handen stak in de graanzakken en met uitgespreide vingers graaide door de wulle korrels, dan werd hij weer rustiger, voelde de korreltjes rul langs zijn handen glijden en hij nam er een handjevol uit en bracht het aan zijn mond en kuste het graan. Dan weer wierp hij de korreltjes zorgvuldig terug in den zak, bond dezen dicht met een heiligen knoop, knoopend tegelijk een zegespreuk sprekend:Nerthus zal di garen,Nerthus zal di baren,en hij, vermoeid van den doorwaakten nacht en de bewogen[170]ochtend, sleepte een berenvel bij de zakken en strekte zich op ’t vel uit en sliep in, het groote, grofgehouwen hoofd schuin tegen den graanzak geleund en de al grijzende, roodblonde baard, beschermend er voor.…En nog in zijn slaap, kneep soms plots de rechterhand zich ballend samen, alsof hij den boom van den ploeg omknelde of den steel van de saks.[171]1De saks was gewoonlijk een soort wigvormig kortzwaard. Ons woord zeis schijnt er van af te stammen. De wapens waren echter voor elke streek anders. De saks der Batouwers van 150 v. Chr. heb ik mij gedacht als een soort speerbijl, in saks een stamakofhakzoekend en deze weder verbindend met haaks of hoeks.↑

[Inhoud]HOOFDSTUK XII.De Frisen van de beroofde skig, zeer verwonderd wegens den overval, waren in de eerste uren niet in staat voor een vervolging der roovers te zorgen. Zij lagen met hun skig, die den vorigen dag met behulp van ijshamers ver naar de landzijde was gekomen, te veel van de andere skigge verwijderd om door roepen verstaan te kunnen worden. Daar ook de jol gestolen was, konden zij evenmin naar de andere skigge roeien. De morgennevel maakte het geven van teekens vruchteloos en ook het land was te ver verwijderd, dan dat daar hun roepen verstaan zou kunnen worden. Het duurde daardoor geruimen tijd voor zij de vloot konden onderrichten van den overval en nog veel langer voor men aan de kust begreep, wat er gaande was.Dadelijk werd toen een gezantschap naar koningTjilbardgezonden met de opdracht den koning een verhaal van ’t gebeurde te doen.Maar het gezantschap moest twee dagen wachten voor het tot den koning werd toegelaten en toen eerst hoorde de koning van den driesten overval.„Wie zijn de roovers?” vroeg de koning.Dat wisten de afgezanten niet.Tjilbardwierp woedend den drinkhoorn op den grond, dien hij juist aan den mond wilde brengen.„Wat? Du weet niet, wie de roovers zijn?”„Neen, koning,” zeide de woordvoerder. „De overval heeft in den nacht plaats gevonden. De wacht is aan ’t roer verrast en door een slag, die van achteren werd toegebracht, neergeveld. Eerst toen de wacht ter aflossing kwam, is de overval gemerkt.”„Waarom heeft men de sporen niet gevolgd.”„Toen de roof werd uitgevoerd, vroor het nog heer. Maar toen de skig teruggetrokken was door den ijsgeul naar de andere skigge en van die skigge een jol werd uitgezet,[164]begon het te dooien. En het ijs en de sneeuw smolt, zoodat de sporen werden weggewischt.”„Waarom hebben de skigge niet eer jollen naar land gezonden met graan?”„Heer, in den nacht was ’t weer omgeslagen en het getij gaan werken. Anders hadden de roovers nooit de skig kunnen bereiken … en dan juist de beroofde skig had zich al een heel eind naar de kust doorgeslagen … Het was de rijkstbeladen skig en de roovers hebben ook de twee zakken met zeldzaam honiggraan gestolen, die de koning der Picten had medegegeven …”KoningTjilbardliet den schipper van de skig tot zich roepen. De man kon weinig meer vertellen dan de afgezanten. Maar hij bracht de gebroken saks mede, die op de skig gevonden was.De koning bekeek de saks1en vroeg:„Is dat niet een saks, zooals de Batouwers die gewoonlijk dragen?”„Ja heer.”„Kunnen dan Batouwers de roovers zijn geweest?”„Ik weet het niet, heer. Niemand heeft ze gezien.”Nu zond koningTjilbardverspieders naar de Batouw. Maar zij konden niets ontdekken. De Batouwers hadden veel van honger en koude te lijden gehad en nu het dooide, leden zij nog veel van den honger. Maar van een rooftocht en van gestolen graan wist niemand.KoningTjilbard, hoewel in zijn hart overtuigd, dat de Batouwers den roof hadden gepleegd, kon niet tot een bestraffingstocht bevel geven.Maar hij wachtte vastbesloten om tegen het voorjaar nogmaals verspieders te zenden. Men kende het schoone[165]graan van het Paarden-eiland aan de korrel en wist heel goed te onderscheiden wat Batouwsche tarwe was en wat niet.Sigbert en zijn mannen, na de gelukkig volvoerde strooptocht, leefden met het geborgen graan nu in hoop en verwachting. Het graan was gelijkelijk verdeeld onder de honderd mannen van de saks en de zakken waren verbrand. Maar het gouden graan was behouden door de vier mannen, die door het ijswater naar de schepen gezwommen waren en zoo dan bezat Reri een halve zak van het goudgraan.Zij hadden het in een houten bak gestort, ’t zorgvuldig bedekt met lijnwaad, zorgend dat het niet bevriezen kon en ook niet te warm stond. En den heelen winter spraken ze over het zeldzame graan, Sigbert, Reri, Tjeerd en moeder. Zij berekenden hoe veel land ze er mede zouden kunnen bezaaien, zaten te redeneeren over de opbrengst. Of het groote aren zouden worden of kleine. Of het stroo ook zoo geelgoud zou zijn?Sigbert vooral had veel hoop op ’t gewas. Hij kon lange poozen voor ’t haardvuur zitten met de zaadjes in zijn holle band, ze zachtjes, als streelend, bevoelend met zijn wijsvinger, ze met de hand hoog en neder bewegend, zoo de zwaarte keurend. Hij had al de korrels geteld, maar daar zijn kennis der getalnamen niet zoo ver reikte, had hij bij elk honderdtal een bekenden naam genoemd. Het eerste honderdtal heette, de saks; het tweede, de Batouwer; het derde, de meent; het vierde, de made; het vijfde, Thius; het zesde, Wotan; het zevende, Donar en zoo maar voort. Soms was hij ’s nachts opgestaan, beangst door een droom, dat muizen of ratten aan het graan knaagden of dat Grendel het bezijkte of dat Tjilbard op het ros Zeven kwam aangereden en de geroofde zakken terughaalde, geholpen door Istovar en Herebaeld. Dan rakelde hij in ’t haardvuur, tot het hout opvlamde en de hut in een goudrossen lichtgloed zette en hij begon het honinggraan na te tellen, zachtjes bij elk hoopje van honderd prevelend: de saks, de[166]Batouwer, de meent, de made, Thius, Wotan, Donar.…Tot den morgen grauwde zat hij bij de hoopjes honinggraan, dankbaar dat de zon al weder vroeger opkwam, naar buiten loopend om de morgenlucht op te snuiven en speurend met zijn neus in den wind naar zwoelte en geur van lente gelijk een hond naar een jachtbuit. Hij zag de zon opgaan in de violette wolken van den einder en de nevels wegsmilten van het glooiende land en onder de versmolten sneeuw uit kwam nu al de donkerblauwe grond met groote, zwartige plekken uit. Zoo stond hij, geleund tegen zijn hut, vele ochtenden wachtend op de lente en als de zon dan geheel boven den einder stond, zilverwit en glanzend blank, trachtte hij nog met zijn driehoekige, groene oogen nog meer ingetrokken onder de zware, blonde borstels der wenkbrauwen er in te kijken, tot hij ’t hoofd moest afwenden en voor zijn gesloten oogen blauwe en groene en oranje brokken lichtschijn schemerden. Hij wischte met de pols een traan naar den ooghoek en keek naar zijn handen, zijn zware, groote, schorschige eelt-knuisten met de gebulte, stronkige vingers. Hij sloot ze bevend dicht, in gedachte den boom van zijn ploeg hanteerend. Droefenis kwam in hem als hij bedacht, dat zijn mooi span trekossen nu weg was, opgegeten uit honger maar toch, hij mocht nog niet klagen met twee zulke sterke kerels van zonen als Reri en Tjeerd, die wèl tegen een span ossen zouden optrekken als ’t moest zijn en moeder zou ook nog wel een handje trekken.Met zijn oogen mat hij de streken, die de ploeg zou voren. Van hoog de delling langs, tot aan den loorand.… dat was alles zijn made.… mooie, zuivere, blauwe grond, vaste aarde zonder een steentje er in.Naar ’t schuurtje gaande, liep hij al met de vaste, moeielijke stappen van den ploegvoerder, en in ’t schuurtje ging hij naar zijn ploeg zien, streelde met zijn vingers langs de boomen, nam eventjes het handvat vast in bevend[167]verlangen om er al achter te kunnen loopen. En het met harige koehuid bespannen ossejuk ziende, dat nu nutteloos zou zijn in dit voorjaar, streek hij even de pols langs zijn oogen. Maar buiten was weer zijn droefenis weg, hij hield zijn pols tegen de zoele bries in, die was beginnen te waaien om te voelen of er al dracht in de lucht zat en hem was het of de wind zachtjes langs den grond streelend, den slapenden geest van Nerthus in den akker opwekte uit zijn winterverdooving.Maar soms ook, als hij dacht aan de rooftocht, kwam een kille angst in hem op. Het was waar, zij hadden nog niets gehoord van een vervolging en bewijzen waren er niet. Maar koning Tjilbard was rijk en machtig en als hij kwaad wilde, kòn hij kwaad! Wat zou hij doen, als ’t honinggraan opwies, een made vol geelgouden aren met halmen neerhangend van zwaarte, vol nieuwe, gouden honingkorrels.… en een Fries zou voorbijkomen en zien het nieuwe graan en de mare konden aan zijn koning?…Dan voelde Sigbert zijn maag inkrimpen en hij hoestte met dorre kuchen als een, die zieke longen heeft. Hij zag de scharen van de Frisen, de slanke, rijzige, koene kerels, die stormliepen als paarden bij een boschbrand.…Dan schrap zette de zwaar geschouderde boer zich en zijn hand klemde vast om den aakstgreep.…„Bij Grendel, zij zouden de saks van Sigbert niet over den kop loopen; de saks van Sigbert was er ook nog.… laten ze dan maar opkomen, de Frisen.… Batouwers waren ook hun man weerd.… Hij en Reri en Tjeerd.… Ze moesten niet aan hun akkers komen.… al waren ze duizend maal Frisen.… Grendeldebliksem.… Batouwers waren geen kerels, die van vechten hielden.… dat was bekend.… zij hadden vredige harten.… maar van hun land moesten ze afblijven.… dat wisten de Chauken en de Chamaven en de Chasuaren en deBrukterenen de Kaninefaten en de Dantubaren.… die allen waren al[168]slaags geweest om ’t bezit van die vette Batouw, maar de Batouwer was geen haas en geen eekhoorn.… de Batouwer was als zijn vee.… harde koppen hadden ze met scherpe horens en wie er tegen aanliep, werd opgespitst.…”Maar geheel gerust was hij nooit. Want de Frisen bleven de Frisen, óók koppige kaerels met harde hoofden en niet bang uitgevallen.… hij had ze zien vechten in zijn jeugd, toen de Chauken kwamen opdringen omdat zij te veel mannen hadden en in hun landen gebrek kwam. Grendeldebliksem, wat was dat mooi werk geweest van de Frisen. In een zwerm kwamen de Chauken opzetten, met wel duizend wagens en peerden en hun vrouwen en kinderen, kinderen, kinderen.… als de mieren zooveel. En vooraan de kaerels met hun slingers en hun werplansen en hun celten.… niet groot van stuk maar zooveel, zooveel, dat ’t land er zwart van was, zooveel. En toen de Frisen, met kleine saksen van vijftig, Grendeldebliksem, met de aakst in de vuist, die op de horde in, met een vaart als vluchtende herten en toen, als een aakst in een blok, zoo spleten de saksvoerders in de horde van de Chauken en toen spreidden zij zich er in uiteen en de aaksten gingen maar al op-neer, op-neer, van boven neer op de koppen, tot de Chauken de honden loslieten. Grendeldebliksem, dat was een gezicht, die groote, gore beesten met blanke tanden en open muilen op de Frisen in. Maar de Frisen bleven slaan met de aaksten, altoos maar op-neer, op-neer, ook op de koppen van de honden en altoos maar weer de kleine saksen met nieuw volk aanvullende, tot de Chauken begonnen te wijken en gevlucht waren, de vrouwen en de kinderen bij de wagens achterlatend.En toen had hij ze gezien de Frisen, opdringend naar de wagens, waar de waakhonden opnieuw op hen kwamen aangevlogen, opgehitst door de wijven. Zij hadden rondom ’t wagenpark rijshout aangedragen en toen de vlam er in gestoken.… Gegild hadden de wijven en geschreid de[169]kinderen boven dien gloeienden ring uit en gehuild en gejankt en dof klagend gebast hadden de honden.…Maar wie er uit kwam, was teruggeslagen door de Frisen, die tot blakerens toe om den vuurring stonden.…Toen ’t vuur gedoofd was, had Sigbert gezien waar de verbrande lijken lagen van de vrouwen en de kinderen en de honden.… Met zijn grootvader was hij er langs geloopen, hij was nog een knaap geweest, maar hij had ’t gruwelijke te dieper gevoeld.… omdat daar zooveel knapen en oude mannen lagen, met vertrokken gezichten, zwartberookt of bloederig bruin gebrand en de armen stijf opgestoken met de vuist verkoold omhoog.…Grendeldebliksem.… wee wanneer de Fries de Batouw zou binnenvallen.… Ja, du kan dijn man staan en di verweren, maar toch, neergeslagen zouden er velen worden.…En diep-in begon hij spijt te gevoelen over de rooftocht en te bidden tot Wotan.… „Groote Wot, spaar ons voor den oorlog.… drie vaarzen zal ik di offeren.… drie beste vaarzen zonder gebrek en zonder vlek.… geen zwart haartje zullen ze hebben groote Wot, niet op de schoften en niet op de borst.… Groote Wot, spaar ons voor de Frisen.…”Maar als hij na die eenzame morgentochten weer de hut was binnengegaan en zijn handen stak in de graanzakken en met uitgespreide vingers graaide door de wulle korrels, dan werd hij weer rustiger, voelde de korreltjes rul langs zijn handen glijden en hij nam er een handjevol uit en bracht het aan zijn mond en kuste het graan. Dan weer wierp hij de korreltjes zorgvuldig terug in den zak, bond dezen dicht met een heiligen knoop, knoopend tegelijk een zegespreuk sprekend:Nerthus zal di garen,Nerthus zal di baren,en hij, vermoeid van den doorwaakten nacht en de bewogen[170]ochtend, sleepte een berenvel bij de zakken en strekte zich op ’t vel uit en sliep in, het groote, grofgehouwen hoofd schuin tegen den graanzak geleund en de al grijzende, roodblonde baard, beschermend er voor.…En nog in zijn slaap, kneep soms plots de rechterhand zich ballend samen, alsof hij den boom van den ploeg omknelde of den steel van de saks.[171]1De saks was gewoonlijk een soort wigvormig kortzwaard. Ons woord zeis schijnt er van af te stammen. De wapens waren echter voor elke streek anders. De saks der Batouwers van 150 v. Chr. heb ik mij gedacht als een soort speerbijl, in saks een stamakofhakzoekend en deze weder verbindend met haaks of hoeks.↑

[Inhoud]HOOFDSTUK XII.De Frisen van de beroofde skig, zeer verwonderd wegens den overval, waren in de eerste uren niet in staat voor een vervolging der roovers te zorgen. Zij lagen met hun skig, die den vorigen dag met behulp van ijshamers ver naar de landzijde was gekomen, te veel van de andere skigge verwijderd om door roepen verstaan te kunnen worden. Daar ook de jol gestolen was, konden zij evenmin naar de andere skigge roeien. De morgennevel maakte het geven van teekens vruchteloos en ook het land was te ver verwijderd, dan dat daar hun roepen verstaan zou kunnen worden. Het duurde daardoor geruimen tijd voor zij de vloot konden onderrichten van den overval en nog veel langer voor men aan de kust begreep, wat er gaande was.Dadelijk werd toen een gezantschap naar koningTjilbardgezonden met de opdracht den koning een verhaal van ’t gebeurde te doen.Maar het gezantschap moest twee dagen wachten voor het tot den koning werd toegelaten en toen eerst hoorde de koning van den driesten overval.„Wie zijn de roovers?” vroeg de koning.Dat wisten de afgezanten niet.Tjilbardwierp woedend den drinkhoorn op den grond, dien hij juist aan den mond wilde brengen.„Wat? Du weet niet, wie de roovers zijn?”„Neen, koning,” zeide de woordvoerder. „De overval heeft in den nacht plaats gevonden. De wacht is aan ’t roer verrast en door een slag, die van achteren werd toegebracht, neergeveld. Eerst toen de wacht ter aflossing kwam, is de overval gemerkt.”„Waarom heeft men de sporen niet gevolgd.”„Toen de roof werd uitgevoerd, vroor het nog heer. Maar toen de skig teruggetrokken was door den ijsgeul naar de andere skigge en van die skigge een jol werd uitgezet,[164]begon het te dooien. En het ijs en de sneeuw smolt, zoodat de sporen werden weggewischt.”„Waarom hebben de skigge niet eer jollen naar land gezonden met graan?”„Heer, in den nacht was ’t weer omgeslagen en het getij gaan werken. Anders hadden de roovers nooit de skig kunnen bereiken … en dan juist de beroofde skig had zich al een heel eind naar de kust doorgeslagen … Het was de rijkstbeladen skig en de roovers hebben ook de twee zakken met zeldzaam honiggraan gestolen, die de koning der Picten had medegegeven …”KoningTjilbardliet den schipper van de skig tot zich roepen. De man kon weinig meer vertellen dan de afgezanten. Maar hij bracht de gebroken saks mede, die op de skig gevonden was.De koning bekeek de saks1en vroeg:„Is dat niet een saks, zooals de Batouwers die gewoonlijk dragen?”„Ja heer.”„Kunnen dan Batouwers de roovers zijn geweest?”„Ik weet het niet, heer. Niemand heeft ze gezien.”Nu zond koningTjilbardverspieders naar de Batouw. Maar zij konden niets ontdekken. De Batouwers hadden veel van honger en koude te lijden gehad en nu het dooide, leden zij nog veel van den honger. Maar van een rooftocht en van gestolen graan wist niemand.KoningTjilbard, hoewel in zijn hart overtuigd, dat de Batouwers den roof hadden gepleegd, kon niet tot een bestraffingstocht bevel geven.Maar hij wachtte vastbesloten om tegen het voorjaar nogmaals verspieders te zenden. Men kende het schoone[165]graan van het Paarden-eiland aan de korrel en wist heel goed te onderscheiden wat Batouwsche tarwe was en wat niet.Sigbert en zijn mannen, na de gelukkig volvoerde strooptocht, leefden met het geborgen graan nu in hoop en verwachting. Het graan was gelijkelijk verdeeld onder de honderd mannen van de saks en de zakken waren verbrand. Maar het gouden graan was behouden door de vier mannen, die door het ijswater naar de schepen gezwommen waren en zoo dan bezat Reri een halve zak van het goudgraan.Zij hadden het in een houten bak gestort, ’t zorgvuldig bedekt met lijnwaad, zorgend dat het niet bevriezen kon en ook niet te warm stond. En den heelen winter spraken ze over het zeldzame graan, Sigbert, Reri, Tjeerd en moeder. Zij berekenden hoe veel land ze er mede zouden kunnen bezaaien, zaten te redeneeren over de opbrengst. Of het groote aren zouden worden of kleine. Of het stroo ook zoo geelgoud zou zijn?Sigbert vooral had veel hoop op ’t gewas. Hij kon lange poozen voor ’t haardvuur zitten met de zaadjes in zijn holle band, ze zachtjes, als streelend, bevoelend met zijn wijsvinger, ze met de hand hoog en neder bewegend, zoo de zwaarte keurend. Hij had al de korrels geteld, maar daar zijn kennis der getalnamen niet zoo ver reikte, had hij bij elk honderdtal een bekenden naam genoemd. Het eerste honderdtal heette, de saks; het tweede, de Batouwer; het derde, de meent; het vierde, de made; het vijfde, Thius; het zesde, Wotan; het zevende, Donar en zoo maar voort. Soms was hij ’s nachts opgestaan, beangst door een droom, dat muizen of ratten aan het graan knaagden of dat Grendel het bezijkte of dat Tjilbard op het ros Zeven kwam aangereden en de geroofde zakken terughaalde, geholpen door Istovar en Herebaeld. Dan rakelde hij in ’t haardvuur, tot het hout opvlamde en de hut in een goudrossen lichtgloed zette en hij begon het honinggraan na te tellen, zachtjes bij elk hoopje van honderd prevelend: de saks, de[166]Batouwer, de meent, de made, Thius, Wotan, Donar.…Tot den morgen grauwde zat hij bij de hoopjes honinggraan, dankbaar dat de zon al weder vroeger opkwam, naar buiten loopend om de morgenlucht op te snuiven en speurend met zijn neus in den wind naar zwoelte en geur van lente gelijk een hond naar een jachtbuit. Hij zag de zon opgaan in de violette wolken van den einder en de nevels wegsmilten van het glooiende land en onder de versmolten sneeuw uit kwam nu al de donkerblauwe grond met groote, zwartige plekken uit. Zoo stond hij, geleund tegen zijn hut, vele ochtenden wachtend op de lente en als de zon dan geheel boven den einder stond, zilverwit en glanzend blank, trachtte hij nog met zijn driehoekige, groene oogen nog meer ingetrokken onder de zware, blonde borstels der wenkbrauwen er in te kijken, tot hij ’t hoofd moest afwenden en voor zijn gesloten oogen blauwe en groene en oranje brokken lichtschijn schemerden. Hij wischte met de pols een traan naar den ooghoek en keek naar zijn handen, zijn zware, groote, schorschige eelt-knuisten met de gebulte, stronkige vingers. Hij sloot ze bevend dicht, in gedachte den boom van zijn ploeg hanteerend. Droefenis kwam in hem als hij bedacht, dat zijn mooi span trekossen nu weg was, opgegeten uit honger maar toch, hij mocht nog niet klagen met twee zulke sterke kerels van zonen als Reri en Tjeerd, die wèl tegen een span ossen zouden optrekken als ’t moest zijn en moeder zou ook nog wel een handje trekken.Met zijn oogen mat hij de streken, die de ploeg zou voren. Van hoog de delling langs, tot aan den loorand.… dat was alles zijn made.… mooie, zuivere, blauwe grond, vaste aarde zonder een steentje er in.Naar ’t schuurtje gaande, liep hij al met de vaste, moeielijke stappen van den ploegvoerder, en in ’t schuurtje ging hij naar zijn ploeg zien, streelde met zijn vingers langs de boomen, nam eventjes het handvat vast in bevend[167]verlangen om er al achter te kunnen loopen. En het met harige koehuid bespannen ossejuk ziende, dat nu nutteloos zou zijn in dit voorjaar, streek hij even de pols langs zijn oogen. Maar buiten was weer zijn droefenis weg, hij hield zijn pols tegen de zoele bries in, die was beginnen te waaien om te voelen of er al dracht in de lucht zat en hem was het of de wind zachtjes langs den grond streelend, den slapenden geest van Nerthus in den akker opwekte uit zijn winterverdooving.Maar soms ook, als hij dacht aan de rooftocht, kwam een kille angst in hem op. Het was waar, zij hadden nog niets gehoord van een vervolging en bewijzen waren er niet. Maar koning Tjilbard was rijk en machtig en als hij kwaad wilde, kòn hij kwaad! Wat zou hij doen, als ’t honinggraan opwies, een made vol geelgouden aren met halmen neerhangend van zwaarte, vol nieuwe, gouden honingkorrels.… en een Fries zou voorbijkomen en zien het nieuwe graan en de mare konden aan zijn koning?…Dan voelde Sigbert zijn maag inkrimpen en hij hoestte met dorre kuchen als een, die zieke longen heeft. Hij zag de scharen van de Frisen, de slanke, rijzige, koene kerels, die stormliepen als paarden bij een boschbrand.…Dan schrap zette de zwaar geschouderde boer zich en zijn hand klemde vast om den aakstgreep.…„Bij Grendel, zij zouden de saks van Sigbert niet over den kop loopen; de saks van Sigbert was er ook nog.… laten ze dan maar opkomen, de Frisen.… Batouwers waren ook hun man weerd.… Hij en Reri en Tjeerd.… Ze moesten niet aan hun akkers komen.… al waren ze duizend maal Frisen.… Grendeldebliksem.… Batouwers waren geen kerels, die van vechten hielden.… dat was bekend.… zij hadden vredige harten.… maar van hun land moesten ze afblijven.… dat wisten de Chauken en de Chamaven en de Chasuaren en deBrukterenen de Kaninefaten en de Dantubaren.… die allen waren al[168]slaags geweest om ’t bezit van die vette Batouw, maar de Batouwer was geen haas en geen eekhoorn.… de Batouwer was als zijn vee.… harde koppen hadden ze met scherpe horens en wie er tegen aanliep, werd opgespitst.…”Maar geheel gerust was hij nooit. Want de Frisen bleven de Frisen, óók koppige kaerels met harde hoofden en niet bang uitgevallen.… hij had ze zien vechten in zijn jeugd, toen de Chauken kwamen opdringen omdat zij te veel mannen hadden en in hun landen gebrek kwam. Grendeldebliksem, wat was dat mooi werk geweest van de Frisen. In een zwerm kwamen de Chauken opzetten, met wel duizend wagens en peerden en hun vrouwen en kinderen, kinderen, kinderen.… als de mieren zooveel. En vooraan de kaerels met hun slingers en hun werplansen en hun celten.… niet groot van stuk maar zooveel, zooveel, dat ’t land er zwart van was, zooveel. En toen de Frisen, met kleine saksen van vijftig, Grendeldebliksem, met de aakst in de vuist, die op de horde in, met een vaart als vluchtende herten en toen, als een aakst in een blok, zoo spleten de saksvoerders in de horde van de Chauken en toen spreidden zij zich er in uiteen en de aaksten gingen maar al op-neer, op-neer, van boven neer op de koppen, tot de Chauken de honden loslieten. Grendeldebliksem, dat was een gezicht, die groote, gore beesten met blanke tanden en open muilen op de Frisen in. Maar de Frisen bleven slaan met de aaksten, altoos maar op-neer, op-neer, ook op de koppen van de honden en altoos maar weer de kleine saksen met nieuw volk aanvullende, tot de Chauken begonnen te wijken en gevlucht waren, de vrouwen en de kinderen bij de wagens achterlatend.En toen had hij ze gezien de Frisen, opdringend naar de wagens, waar de waakhonden opnieuw op hen kwamen aangevlogen, opgehitst door de wijven. Zij hadden rondom ’t wagenpark rijshout aangedragen en toen de vlam er in gestoken.… Gegild hadden de wijven en geschreid de[169]kinderen boven dien gloeienden ring uit en gehuild en gejankt en dof klagend gebast hadden de honden.…Maar wie er uit kwam, was teruggeslagen door de Frisen, die tot blakerens toe om den vuurring stonden.…Toen ’t vuur gedoofd was, had Sigbert gezien waar de verbrande lijken lagen van de vrouwen en de kinderen en de honden.… Met zijn grootvader was hij er langs geloopen, hij was nog een knaap geweest, maar hij had ’t gruwelijke te dieper gevoeld.… omdat daar zooveel knapen en oude mannen lagen, met vertrokken gezichten, zwartberookt of bloederig bruin gebrand en de armen stijf opgestoken met de vuist verkoold omhoog.…Grendeldebliksem.… wee wanneer de Fries de Batouw zou binnenvallen.… Ja, du kan dijn man staan en di verweren, maar toch, neergeslagen zouden er velen worden.…En diep-in begon hij spijt te gevoelen over de rooftocht en te bidden tot Wotan.… „Groote Wot, spaar ons voor den oorlog.… drie vaarzen zal ik di offeren.… drie beste vaarzen zonder gebrek en zonder vlek.… geen zwart haartje zullen ze hebben groote Wot, niet op de schoften en niet op de borst.… Groote Wot, spaar ons voor de Frisen.…”Maar als hij na die eenzame morgentochten weer de hut was binnengegaan en zijn handen stak in de graanzakken en met uitgespreide vingers graaide door de wulle korrels, dan werd hij weer rustiger, voelde de korreltjes rul langs zijn handen glijden en hij nam er een handjevol uit en bracht het aan zijn mond en kuste het graan. Dan weer wierp hij de korreltjes zorgvuldig terug in den zak, bond dezen dicht met een heiligen knoop, knoopend tegelijk een zegespreuk sprekend:Nerthus zal di garen,Nerthus zal di baren,en hij, vermoeid van den doorwaakten nacht en de bewogen[170]ochtend, sleepte een berenvel bij de zakken en strekte zich op ’t vel uit en sliep in, het groote, grofgehouwen hoofd schuin tegen den graanzak geleund en de al grijzende, roodblonde baard, beschermend er voor.…En nog in zijn slaap, kneep soms plots de rechterhand zich ballend samen, alsof hij den boom van den ploeg omknelde of den steel van de saks.[171]1De saks was gewoonlijk een soort wigvormig kortzwaard. Ons woord zeis schijnt er van af te stammen. De wapens waren echter voor elke streek anders. De saks der Batouwers van 150 v. Chr. heb ik mij gedacht als een soort speerbijl, in saks een stamakofhakzoekend en deze weder verbindend met haaks of hoeks.↑

[Inhoud]HOOFDSTUK XII.De Frisen van de beroofde skig, zeer verwonderd wegens den overval, waren in de eerste uren niet in staat voor een vervolging der roovers te zorgen. Zij lagen met hun skig, die den vorigen dag met behulp van ijshamers ver naar de landzijde was gekomen, te veel van de andere skigge verwijderd om door roepen verstaan te kunnen worden. Daar ook de jol gestolen was, konden zij evenmin naar de andere skigge roeien. De morgennevel maakte het geven van teekens vruchteloos en ook het land was te ver verwijderd, dan dat daar hun roepen verstaan zou kunnen worden. Het duurde daardoor geruimen tijd voor zij de vloot konden onderrichten van den overval en nog veel langer voor men aan de kust begreep, wat er gaande was.Dadelijk werd toen een gezantschap naar koningTjilbardgezonden met de opdracht den koning een verhaal van ’t gebeurde te doen.Maar het gezantschap moest twee dagen wachten voor het tot den koning werd toegelaten en toen eerst hoorde de koning van den driesten overval.„Wie zijn de roovers?” vroeg de koning.Dat wisten de afgezanten niet.Tjilbardwierp woedend den drinkhoorn op den grond, dien hij juist aan den mond wilde brengen.„Wat? Du weet niet, wie de roovers zijn?”„Neen, koning,” zeide de woordvoerder. „De overval heeft in den nacht plaats gevonden. De wacht is aan ’t roer verrast en door een slag, die van achteren werd toegebracht, neergeveld. Eerst toen de wacht ter aflossing kwam, is de overval gemerkt.”„Waarom heeft men de sporen niet gevolgd.”„Toen de roof werd uitgevoerd, vroor het nog heer. Maar toen de skig teruggetrokken was door den ijsgeul naar de andere skigge en van die skigge een jol werd uitgezet,[164]begon het te dooien. En het ijs en de sneeuw smolt, zoodat de sporen werden weggewischt.”„Waarom hebben de skigge niet eer jollen naar land gezonden met graan?”„Heer, in den nacht was ’t weer omgeslagen en het getij gaan werken. Anders hadden de roovers nooit de skig kunnen bereiken … en dan juist de beroofde skig had zich al een heel eind naar de kust doorgeslagen … Het was de rijkstbeladen skig en de roovers hebben ook de twee zakken met zeldzaam honiggraan gestolen, die de koning der Picten had medegegeven …”KoningTjilbardliet den schipper van de skig tot zich roepen. De man kon weinig meer vertellen dan de afgezanten. Maar hij bracht de gebroken saks mede, die op de skig gevonden was.De koning bekeek de saks1en vroeg:„Is dat niet een saks, zooals de Batouwers die gewoonlijk dragen?”„Ja heer.”„Kunnen dan Batouwers de roovers zijn geweest?”„Ik weet het niet, heer. Niemand heeft ze gezien.”Nu zond koningTjilbardverspieders naar de Batouw. Maar zij konden niets ontdekken. De Batouwers hadden veel van honger en koude te lijden gehad en nu het dooide, leden zij nog veel van den honger. Maar van een rooftocht en van gestolen graan wist niemand.KoningTjilbard, hoewel in zijn hart overtuigd, dat de Batouwers den roof hadden gepleegd, kon niet tot een bestraffingstocht bevel geven.Maar hij wachtte vastbesloten om tegen het voorjaar nogmaals verspieders te zenden. Men kende het schoone[165]graan van het Paarden-eiland aan de korrel en wist heel goed te onderscheiden wat Batouwsche tarwe was en wat niet.Sigbert en zijn mannen, na de gelukkig volvoerde strooptocht, leefden met het geborgen graan nu in hoop en verwachting. Het graan was gelijkelijk verdeeld onder de honderd mannen van de saks en de zakken waren verbrand. Maar het gouden graan was behouden door de vier mannen, die door het ijswater naar de schepen gezwommen waren en zoo dan bezat Reri een halve zak van het goudgraan.Zij hadden het in een houten bak gestort, ’t zorgvuldig bedekt met lijnwaad, zorgend dat het niet bevriezen kon en ook niet te warm stond. En den heelen winter spraken ze over het zeldzame graan, Sigbert, Reri, Tjeerd en moeder. Zij berekenden hoe veel land ze er mede zouden kunnen bezaaien, zaten te redeneeren over de opbrengst. Of het groote aren zouden worden of kleine. Of het stroo ook zoo geelgoud zou zijn?Sigbert vooral had veel hoop op ’t gewas. Hij kon lange poozen voor ’t haardvuur zitten met de zaadjes in zijn holle band, ze zachtjes, als streelend, bevoelend met zijn wijsvinger, ze met de hand hoog en neder bewegend, zoo de zwaarte keurend. Hij had al de korrels geteld, maar daar zijn kennis der getalnamen niet zoo ver reikte, had hij bij elk honderdtal een bekenden naam genoemd. Het eerste honderdtal heette, de saks; het tweede, de Batouwer; het derde, de meent; het vierde, de made; het vijfde, Thius; het zesde, Wotan; het zevende, Donar en zoo maar voort. Soms was hij ’s nachts opgestaan, beangst door een droom, dat muizen of ratten aan het graan knaagden of dat Grendel het bezijkte of dat Tjilbard op het ros Zeven kwam aangereden en de geroofde zakken terughaalde, geholpen door Istovar en Herebaeld. Dan rakelde hij in ’t haardvuur, tot het hout opvlamde en de hut in een goudrossen lichtgloed zette en hij begon het honinggraan na te tellen, zachtjes bij elk hoopje van honderd prevelend: de saks, de[166]Batouwer, de meent, de made, Thius, Wotan, Donar.…Tot den morgen grauwde zat hij bij de hoopjes honinggraan, dankbaar dat de zon al weder vroeger opkwam, naar buiten loopend om de morgenlucht op te snuiven en speurend met zijn neus in den wind naar zwoelte en geur van lente gelijk een hond naar een jachtbuit. Hij zag de zon opgaan in de violette wolken van den einder en de nevels wegsmilten van het glooiende land en onder de versmolten sneeuw uit kwam nu al de donkerblauwe grond met groote, zwartige plekken uit. Zoo stond hij, geleund tegen zijn hut, vele ochtenden wachtend op de lente en als de zon dan geheel boven den einder stond, zilverwit en glanzend blank, trachtte hij nog met zijn driehoekige, groene oogen nog meer ingetrokken onder de zware, blonde borstels der wenkbrauwen er in te kijken, tot hij ’t hoofd moest afwenden en voor zijn gesloten oogen blauwe en groene en oranje brokken lichtschijn schemerden. Hij wischte met de pols een traan naar den ooghoek en keek naar zijn handen, zijn zware, groote, schorschige eelt-knuisten met de gebulte, stronkige vingers. Hij sloot ze bevend dicht, in gedachte den boom van zijn ploeg hanteerend. Droefenis kwam in hem als hij bedacht, dat zijn mooi span trekossen nu weg was, opgegeten uit honger maar toch, hij mocht nog niet klagen met twee zulke sterke kerels van zonen als Reri en Tjeerd, die wèl tegen een span ossen zouden optrekken als ’t moest zijn en moeder zou ook nog wel een handje trekken.Met zijn oogen mat hij de streken, die de ploeg zou voren. Van hoog de delling langs, tot aan den loorand.… dat was alles zijn made.… mooie, zuivere, blauwe grond, vaste aarde zonder een steentje er in.Naar ’t schuurtje gaande, liep hij al met de vaste, moeielijke stappen van den ploegvoerder, en in ’t schuurtje ging hij naar zijn ploeg zien, streelde met zijn vingers langs de boomen, nam eventjes het handvat vast in bevend[167]verlangen om er al achter te kunnen loopen. En het met harige koehuid bespannen ossejuk ziende, dat nu nutteloos zou zijn in dit voorjaar, streek hij even de pols langs zijn oogen. Maar buiten was weer zijn droefenis weg, hij hield zijn pols tegen de zoele bries in, die was beginnen te waaien om te voelen of er al dracht in de lucht zat en hem was het of de wind zachtjes langs den grond streelend, den slapenden geest van Nerthus in den akker opwekte uit zijn winterverdooving.Maar soms ook, als hij dacht aan de rooftocht, kwam een kille angst in hem op. Het was waar, zij hadden nog niets gehoord van een vervolging en bewijzen waren er niet. Maar koning Tjilbard was rijk en machtig en als hij kwaad wilde, kòn hij kwaad! Wat zou hij doen, als ’t honinggraan opwies, een made vol geelgouden aren met halmen neerhangend van zwaarte, vol nieuwe, gouden honingkorrels.… en een Fries zou voorbijkomen en zien het nieuwe graan en de mare konden aan zijn koning?…Dan voelde Sigbert zijn maag inkrimpen en hij hoestte met dorre kuchen als een, die zieke longen heeft. Hij zag de scharen van de Frisen, de slanke, rijzige, koene kerels, die stormliepen als paarden bij een boschbrand.…Dan schrap zette de zwaar geschouderde boer zich en zijn hand klemde vast om den aakstgreep.…„Bij Grendel, zij zouden de saks van Sigbert niet over den kop loopen; de saks van Sigbert was er ook nog.… laten ze dan maar opkomen, de Frisen.… Batouwers waren ook hun man weerd.… Hij en Reri en Tjeerd.… Ze moesten niet aan hun akkers komen.… al waren ze duizend maal Frisen.… Grendeldebliksem.… Batouwers waren geen kerels, die van vechten hielden.… dat was bekend.… zij hadden vredige harten.… maar van hun land moesten ze afblijven.… dat wisten de Chauken en de Chamaven en de Chasuaren en deBrukterenen de Kaninefaten en de Dantubaren.… die allen waren al[168]slaags geweest om ’t bezit van die vette Batouw, maar de Batouwer was geen haas en geen eekhoorn.… de Batouwer was als zijn vee.… harde koppen hadden ze met scherpe horens en wie er tegen aanliep, werd opgespitst.…”Maar geheel gerust was hij nooit. Want de Frisen bleven de Frisen, óók koppige kaerels met harde hoofden en niet bang uitgevallen.… hij had ze zien vechten in zijn jeugd, toen de Chauken kwamen opdringen omdat zij te veel mannen hadden en in hun landen gebrek kwam. Grendeldebliksem, wat was dat mooi werk geweest van de Frisen. In een zwerm kwamen de Chauken opzetten, met wel duizend wagens en peerden en hun vrouwen en kinderen, kinderen, kinderen.… als de mieren zooveel. En vooraan de kaerels met hun slingers en hun werplansen en hun celten.… niet groot van stuk maar zooveel, zooveel, dat ’t land er zwart van was, zooveel. En toen de Frisen, met kleine saksen van vijftig, Grendeldebliksem, met de aakst in de vuist, die op de horde in, met een vaart als vluchtende herten en toen, als een aakst in een blok, zoo spleten de saksvoerders in de horde van de Chauken en toen spreidden zij zich er in uiteen en de aaksten gingen maar al op-neer, op-neer, van boven neer op de koppen, tot de Chauken de honden loslieten. Grendeldebliksem, dat was een gezicht, die groote, gore beesten met blanke tanden en open muilen op de Frisen in. Maar de Frisen bleven slaan met de aaksten, altoos maar op-neer, op-neer, ook op de koppen van de honden en altoos maar weer de kleine saksen met nieuw volk aanvullende, tot de Chauken begonnen te wijken en gevlucht waren, de vrouwen en de kinderen bij de wagens achterlatend.En toen had hij ze gezien de Frisen, opdringend naar de wagens, waar de waakhonden opnieuw op hen kwamen aangevlogen, opgehitst door de wijven. Zij hadden rondom ’t wagenpark rijshout aangedragen en toen de vlam er in gestoken.… Gegild hadden de wijven en geschreid de[169]kinderen boven dien gloeienden ring uit en gehuild en gejankt en dof klagend gebast hadden de honden.…Maar wie er uit kwam, was teruggeslagen door de Frisen, die tot blakerens toe om den vuurring stonden.…Toen ’t vuur gedoofd was, had Sigbert gezien waar de verbrande lijken lagen van de vrouwen en de kinderen en de honden.… Met zijn grootvader was hij er langs geloopen, hij was nog een knaap geweest, maar hij had ’t gruwelijke te dieper gevoeld.… omdat daar zooveel knapen en oude mannen lagen, met vertrokken gezichten, zwartberookt of bloederig bruin gebrand en de armen stijf opgestoken met de vuist verkoold omhoog.…Grendeldebliksem.… wee wanneer de Fries de Batouw zou binnenvallen.… Ja, du kan dijn man staan en di verweren, maar toch, neergeslagen zouden er velen worden.…En diep-in begon hij spijt te gevoelen over de rooftocht en te bidden tot Wotan.… „Groote Wot, spaar ons voor den oorlog.… drie vaarzen zal ik di offeren.… drie beste vaarzen zonder gebrek en zonder vlek.… geen zwart haartje zullen ze hebben groote Wot, niet op de schoften en niet op de borst.… Groote Wot, spaar ons voor de Frisen.…”Maar als hij na die eenzame morgentochten weer de hut was binnengegaan en zijn handen stak in de graanzakken en met uitgespreide vingers graaide door de wulle korrels, dan werd hij weer rustiger, voelde de korreltjes rul langs zijn handen glijden en hij nam er een handjevol uit en bracht het aan zijn mond en kuste het graan. Dan weer wierp hij de korreltjes zorgvuldig terug in den zak, bond dezen dicht met een heiligen knoop, knoopend tegelijk een zegespreuk sprekend:Nerthus zal di garen,Nerthus zal di baren,en hij, vermoeid van den doorwaakten nacht en de bewogen[170]ochtend, sleepte een berenvel bij de zakken en strekte zich op ’t vel uit en sliep in, het groote, grofgehouwen hoofd schuin tegen den graanzak geleund en de al grijzende, roodblonde baard, beschermend er voor.…En nog in zijn slaap, kneep soms plots de rechterhand zich ballend samen, alsof hij den boom van den ploeg omknelde of den steel van de saks.[171]1De saks was gewoonlijk een soort wigvormig kortzwaard. Ons woord zeis schijnt er van af te stammen. De wapens waren echter voor elke streek anders. De saks der Batouwers van 150 v. Chr. heb ik mij gedacht als een soort speerbijl, in saks een stamakofhakzoekend en deze weder verbindend met haaks of hoeks.↑

HOOFDSTUK XII.

De Frisen van de beroofde skig, zeer verwonderd wegens den overval, waren in de eerste uren niet in staat voor een vervolging der roovers te zorgen. Zij lagen met hun skig, die den vorigen dag met behulp van ijshamers ver naar de landzijde was gekomen, te veel van de andere skigge verwijderd om door roepen verstaan te kunnen worden. Daar ook de jol gestolen was, konden zij evenmin naar de andere skigge roeien. De morgennevel maakte het geven van teekens vruchteloos en ook het land was te ver verwijderd, dan dat daar hun roepen verstaan zou kunnen worden. Het duurde daardoor geruimen tijd voor zij de vloot konden onderrichten van den overval en nog veel langer voor men aan de kust begreep, wat er gaande was.Dadelijk werd toen een gezantschap naar koningTjilbardgezonden met de opdracht den koning een verhaal van ’t gebeurde te doen.Maar het gezantschap moest twee dagen wachten voor het tot den koning werd toegelaten en toen eerst hoorde de koning van den driesten overval.„Wie zijn de roovers?” vroeg de koning.Dat wisten de afgezanten niet.Tjilbardwierp woedend den drinkhoorn op den grond, dien hij juist aan den mond wilde brengen.„Wat? Du weet niet, wie de roovers zijn?”„Neen, koning,” zeide de woordvoerder. „De overval heeft in den nacht plaats gevonden. De wacht is aan ’t roer verrast en door een slag, die van achteren werd toegebracht, neergeveld. Eerst toen de wacht ter aflossing kwam, is de overval gemerkt.”„Waarom heeft men de sporen niet gevolgd.”„Toen de roof werd uitgevoerd, vroor het nog heer. Maar toen de skig teruggetrokken was door den ijsgeul naar de andere skigge en van die skigge een jol werd uitgezet,[164]begon het te dooien. En het ijs en de sneeuw smolt, zoodat de sporen werden weggewischt.”„Waarom hebben de skigge niet eer jollen naar land gezonden met graan?”„Heer, in den nacht was ’t weer omgeslagen en het getij gaan werken. Anders hadden de roovers nooit de skig kunnen bereiken … en dan juist de beroofde skig had zich al een heel eind naar de kust doorgeslagen … Het was de rijkstbeladen skig en de roovers hebben ook de twee zakken met zeldzaam honiggraan gestolen, die de koning der Picten had medegegeven …”KoningTjilbardliet den schipper van de skig tot zich roepen. De man kon weinig meer vertellen dan de afgezanten. Maar hij bracht de gebroken saks mede, die op de skig gevonden was.De koning bekeek de saks1en vroeg:„Is dat niet een saks, zooals de Batouwers die gewoonlijk dragen?”„Ja heer.”„Kunnen dan Batouwers de roovers zijn geweest?”„Ik weet het niet, heer. Niemand heeft ze gezien.”Nu zond koningTjilbardverspieders naar de Batouw. Maar zij konden niets ontdekken. De Batouwers hadden veel van honger en koude te lijden gehad en nu het dooide, leden zij nog veel van den honger. Maar van een rooftocht en van gestolen graan wist niemand.KoningTjilbard, hoewel in zijn hart overtuigd, dat de Batouwers den roof hadden gepleegd, kon niet tot een bestraffingstocht bevel geven.Maar hij wachtte vastbesloten om tegen het voorjaar nogmaals verspieders te zenden. Men kende het schoone[165]graan van het Paarden-eiland aan de korrel en wist heel goed te onderscheiden wat Batouwsche tarwe was en wat niet.Sigbert en zijn mannen, na de gelukkig volvoerde strooptocht, leefden met het geborgen graan nu in hoop en verwachting. Het graan was gelijkelijk verdeeld onder de honderd mannen van de saks en de zakken waren verbrand. Maar het gouden graan was behouden door de vier mannen, die door het ijswater naar de schepen gezwommen waren en zoo dan bezat Reri een halve zak van het goudgraan.Zij hadden het in een houten bak gestort, ’t zorgvuldig bedekt met lijnwaad, zorgend dat het niet bevriezen kon en ook niet te warm stond. En den heelen winter spraken ze over het zeldzame graan, Sigbert, Reri, Tjeerd en moeder. Zij berekenden hoe veel land ze er mede zouden kunnen bezaaien, zaten te redeneeren over de opbrengst. Of het groote aren zouden worden of kleine. Of het stroo ook zoo geelgoud zou zijn?Sigbert vooral had veel hoop op ’t gewas. Hij kon lange poozen voor ’t haardvuur zitten met de zaadjes in zijn holle band, ze zachtjes, als streelend, bevoelend met zijn wijsvinger, ze met de hand hoog en neder bewegend, zoo de zwaarte keurend. Hij had al de korrels geteld, maar daar zijn kennis der getalnamen niet zoo ver reikte, had hij bij elk honderdtal een bekenden naam genoemd. Het eerste honderdtal heette, de saks; het tweede, de Batouwer; het derde, de meent; het vierde, de made; het vijfde, Thius; het zesde, Wotan; het zevende, Donar en zoo maar voort. Soms was hij ’s nachts opgestaan, beangst door een droom, dat muizen of ratten aan het graan knaagden of dat Grendel het bezijkte of dat Tjilbard op het ros Zeven kwam aangereden en de geroofde zakken terughaalde, geholpen door Istovar en Herebaeld. Dan rakelde hij in ’t haardvuur, tot het hout opvlamde en de hut in een goudrossen lichtgloed zette en hij begon het honinggraan na te tellen, zachtjes bij elk hoopje van honderd prevelend: de saks, de[166]Batouwer, de meent, de made, Thius, Wotan, Donar.…Tot den morgen grauwde zat hij bij de hoopjes honinggraan, dankbaar dat de zon al weder vroeger opkwam, naar buiten loopend om de morgenlucht op te snuiven en speurend met zijn neus in den wind naar zwoelte en geur van lente gelijk een hond naar een jachtbuit. Hij zag de zon opgaan in de violette wolken van den einder en de nevels wegsmilten van het glooiende land en onder de versmolten sneeuw uit kwam nu al de donkerblauwe grond met groote, zwartige plekken uit. Zoo stond hij, geleund tegen zijn hut, vele ochtenden wachtend op de lente en als de zon dan geheel boven den einder stond, zilverwit en glanzend blank, trachtte hij nog met zijn driehoekige, groene oogen nog meer ingetrokken onder de zware, blonde borstels der wenkbrauwen er in te kijken, tot hij ’t hoofd moest afwenden en voor zijn gesloten oogen blauwe en groene en oranje brokken lichtschijn schemerden. Hij wischte met de pols een traan naar den ooghoek en keek naar zijn handen, zijn zware, groote, schorschige eelt-knuisten met de gebulte, stronkige vingers. Hij sloot ze bevend dicht, in gedachte den boom van zijn ploeg hanteerend. Droefenis kwam in hem als hij bedacht, dat zijn mooi span trekossen nu weg was, opgegeten uit honger maar toch, hij mocht nog niet klagen met twee zulke sterke kerels van zonen als Reri en Tjeerd, die wèl tegen een span ossen zouden optrekken als ’t moest zijn en moeder zou ook nog wel een handje trekken.Met zijn oogen mat hij de streken, die de ploeg zou voren. Van hoog de delling langs, tot aan den loorand.… dat was alles zijn made.… mooie, zuivere, blauwe grond, vaste aarde zonder een steentje er in.Naar ’t schuurtje gaande, liep hij al met de vaste, moeielijke stappen van den ploegvoerder, en in ’t schuurtje ging hij naar zijn ploeg zien, streelde met zijn vingers langs de boomen, nam eventjes het handvat vast in bevend[167]verlangen om er al achter te kunnen loopen. En het met harige koehuid bespannen ossejuk ziende, dat nu nutteloos zou zijn in dit voorjaar, streek hij even de pols langs zijn oogen. Maar buiten was weer zijn droefenis weg, hij hield zijn pols tegen de zoele bries in, die was beginnen te waaien om te voelen of er al dracht in de lucht zat en hem was het of de wind zachtjes langs den grond streelend, den slapenden geest van Nerthus in den akker opwekte uit zijn winterverdooving.Maar soms ook, als hij dacht aan de rooftocht, kwam een kille angst in hem op. Het was waar, zij hadden nog niets gehoord van een vervolging en bewijzen waren er niet. Maar koning Tjilbard was rijk en machtig en als hij kwaad wilde, kòn hij kwaad! Wat zou hij doen, als ’t honinggraan opwies, een made vol geelgouden aren met halmen neerhangend van zwaarte, vol nieuwe, gouden honingkorrels.… en een Fries zou voorbijkomen en zien het nieuwe graan en de mare konden aan zijn koning?…Dan voelde Sigbert zijn maag inkrimpen en hij hoestte met dorre kuchen als een, die zieke longen heeft. Hij zag de scharen van de Frisen, de slanke, rijzige, koene kerels, die stormliepen als paarden bij een boschbrand.…Dan schrap zette de zwaar geschouderde boer zich en zijn hand klemde vast om den aakstgreep.…„Bij Grendel, zij zouden de saks van Sigbert niet over den kop loopen; de saks van Sigbert was er ook nog.… laten ze dan maar opkomen, de Frisen.… Batouwers waren ook hun man weerd.… Hij en Reri en Tjeerd.… Ze moesten niet aan hun akkers komen.… al waren ze duizend maal Frisen.… Grendeldebliksem.… Batouwers waren geen kerels, die van vechten hielden.… dat was bekend.… zij hadden vredige harten.… maar van hun land moesten ze afblijven.… dat wisten de Chauken en de Chamaven en de Chasuaren en deBrukterenen de Kaninefaten en de Dantubaren.… die allen waren al[168]slaags geweest om ’t bezit van die vette Batouw, maar de Batouwer was geen haas en geen eekhoorn.… de Batouwer was als zijn vee.… harde koppen hadden ze met scherpe horens en wie er tegen aanliep, werd opgespitst.…”Maar geheel gerust was hij nooit. Want de Frisen bleven de Frisen, óók koppige kaerels met harde hoofden en niet bang uitgevallen.… hij had ze zien vechten in zijn jeugd, toen de Chauken kwamen opdringen omdat zij te veel mannen hadden en in hun landen gebrek kwam. Grendeldebliksem, wat was dat mooi werk geweest van de Frisen. In een zwerm kwamen de Chauken opzetten, met wel duizend wagens en peerden en hun vrouwen en kinderen, kinderen, kinderen.… als de mieren zooveel. En vooraan de kaerels met hun slingers en hun werplansen en hun celten.… niet groot van stuk maar zooveel, zooveel, dat ’t land er zwart van was, zooveel. En toen de Frisen, met kleine saksen van vijftig, Grendeldebliksem, met de aakst in de vuist, die op de horde in, met een vaart als vluchtende herten en toen, als een aakst in een blok, zoo spleten de saksvoerders in de horde van de Chauken en toen spreidden zij zich er in uiteen en de aaksten gingen maar al op-neer, op-neer, van boven neer op de koppen, tot de Chauken de honden loslieten. Grendeldebliksem, dat was een gezicht, die groote, gore beesten met blanke tanden en open muilen op de Frisen in. Maar de Frisen bleven slaan met de aaksten, altoos maar op-neer, op-neer, ook op de koppen van de honden en altoos maar weer de kleine saksen met nieuw volk aanvullende, tot de Chauken begonnen te wijken en gevlucht waren, de vrouwen en de kinderen bij de wagens achterlatend.En toen had hij ze gezien de Frisen, opdringend naar de wagens, waar de waakhonden opnieuw op hen kwamen aangevlogen, opgehitst door de wijven. Zij hadden rondom ’t wagenpark rijshout aangedragen en toen de vlam er in gestoken.… Gegild hadden de wijven en geschreid de[169]kinderen boven dien gloeienden ring uit en gehuild en gejankt en dof klagend gebast hadden de honden.…Maar wie er uit kwam, was teruggeslagen door de Frisen, die tot blakerens toe om den vuurring stonden.…Toen ’t vuur gedoofd was, had Sigbert gezien waar de verbrande lijken lagen van de vrouwen en de kinderen en de honden.… Met zijn grootvader was hij er langs geloopen, hij was nog een knaap geweest, maar hij had ’t gruwelijke te dieper gevoeld.… omdat daar zooveel knapen en oude mannen lagen, met vertrokken gezichten, zwartberookt of bloederig bruin gebrand en de armen stijf opgestoken met de vuist verkoold omhoog.…Grendeldebliksem.… wee wanneer de Fries de Batouw zou binnenvallen.… Ja, du kan dijn man staan en di verweren, maar toch, neergeslagen zouden er velen worden.…En diep-in begon hij spijt te gevoelen over de rooftocht en te bidden tot Wotan.… „Groote Wot, spaar ons voor den oorlog.… drie vaarzen zal ik di offeren.… drie beste vaarzen zonder gebrek en zonder vlek.… geen zwart haartje zullen ze hebben groote Wot, niet op de schoften en niet op de borst.… Groote Wot, spaar ons voor de Frisen.…”Maar als hij na die eenzame morgentochten weer de hut was binnengegaan en zijn handen stak in de graanzakken en met uitgespreide vingers graaide door de wulle korrels, dan werd hij weer rustiger, voelde de korreltjes rul langs zijn handen glijden en hij nam er een handjevol uit en bracht het aan zijn mond en kuste het graan. Dan weer wierp hij de korreltjes zorgvuldig terug in den zak, bond dezen dicht met een heiligen knoop, knoopend tegelijk een zegespreuk sprekend:Nerthus zal di garen,Nerthus zal di baren,en hij, vermoeid van den doorwaakten nacht en de bewogen[170]ochtend, sleepte een berenvel bij de zakken en strekte zich op ’t vel uit en sliep in, het groote, grofgehouwen hoofd schuin tegen den graanzak geleund en de al grijzende, roodblonde baard, beschermend er voor.…En nog in zijn slaap, kneep soms plots de rechterhand zich ballend samen, alsof hij den boom van den ploeg omknelde of den steel van de saks.[171]

De Frisen van de beroofde skig, zeer verwonderd wegens den overval, waren in de eerste uren niet in staat voor een vervolging der roovers te zorgen. Zij lagen met hun skig, die den vorigen dag met behulp van ijshamers ver naar de landzijde was gekomen, te veel van de andere skigge verwijderd om door roepen verstaan te kunnen worden. Daar ook de jol gestolen was, konden zij evenmin naar de andere skigge roeien. De morgennevel maakte het geven van teekens vruchteloos en ook het land was te ver verwijderd, dan dat daar hun roepen verstaan zou kunnen worden. Het duurde daardoor geruimen tijd voor zij de vloot konden onderrichten van den overval en nog veel langer voor men aan de kust begreep, wat er gaande was.

Dadelijk werd toen een gezantschap naar koningTjilbardgezonden met de opdracht den koning een verhaal van ’t gebeurde te doen.

Maar het gezantschap moest twee dagen wachten voor het tot den koning werd toegelaten en toen eerst hoorde de koning van den driesten overval.

„Wie zijn de roovers?” vroeg de koning.

Dat wisten de afgezanten niet.

Tjilbardwierp woedend den drinkhoorn op den grond, dien hij juist aan den mond wilde brengen.

„Wat? Du weet niet, wie de roovers zijn?”

„Neen, koning,” zeide de woordvoerder. „De overval heeft in den nacht plaats gevonden. De wacht is aan ’t roer verrast en door een slag, die van achteren werd toegebracht, neergeveld. Eerst toen de wacht ter aflossing kwam, is de overval gemerkt.”

„Waarom heeft men de sporen niet gevolgd.”

„Toen de roof werd uitgevoerd, vroor het nog heer. Maar toen de skig teruggetrokken was door den ijsgeul naar de andere skigge en van die skigge een jol werd uitgezet,[164]begon het te dooien. En het ijs en de sneeuw smolt, zoodat de sporen werden weggewischt.”

„Waarom hebben de skigge niet eer jollen naar land gezonden met graan?”

„Heer, in den nacht was ’t weer omgeslagen en het getij gaan werken. Anders hadden de roovers nooit de skig kunnen bereiken … en dan juist de beroofde skig had zich al een heel eind naar de kust doorgeslagen … Het was de rijkstbeladen skig en de roovers hebben ook de twee zakken met zeldzaam honiggraan gestolen, die de koning der Picten had medegegeven …”

KoningTjilbardliet den schipper van de skig tot zich roepen. De man kon weinig meer vertellen dan de afgezanten. Maar hij bracht de gebroken saks mede, die op de skig gevonden was.

De koning bekeek de saks1en vroeg:

„Is dat niet een saks, zooals de Batouwers die gewoonlijk dragen?”

„Ja heer.”

„Kunnen dan Batouwers de roovers zijn geweest?”

„Ik weet het niet, heer. Niemand heeft ze gezien.”

Nu zond koningTjilbardverspieders naar de Batouw. Maar zij konden niets ontdekken. De Batouwers hadden veel van honger en koude te lijden gehad en nu het dooide, leden zij nog veel van den honger. Maar van een rooftocht en van gestolen graan wist niemand.

KoningTjilbard, hoewel in zijn hart overtuigd, dat de Batouwers den roof hadden gepleegd, kon niet tot een bestraffingstocht bevel geven.

Maar hij wachtte vastbesloten om tegen het voorjaar nogmaals verspieders te zenden. Men kende het schoone[165]graan van het Paarden-eiland aan de korrel en wist heel goed te onderscheiden wat Batouwsche tarwe was en wat niet.

Sigbert en zijn mannen, na de gelukkig volvoerde strooptocht, leefden met het geborgen graan nu in hoop en verwachting. Het graan was gelijkelijk verdeeld onder de honderd mannen van de saks en de zakken waren verbrand. Maar het gouden graan was behouden door de vier mannen, die door het ijswater naar de schepen gezwommen waren en zoo dan bezat Reri een halve zak van het goudgraan.

Zij hadden het in een houten bak gestort, ’t zorgvuldig bedekt met lijnwaad, zorgend dat het niet bevriezen kon en ook niet te warm stond. En den heelen winter spraken ze over het zeldzame graan, Sigbert, Reri, Tjeerd en moeder. Zij berekenden hoe veel land ze er mede zouden kunnen bezaaien, zaten te redeneeren over de opbrengst. Of het groote aren zouden worden of kleine. Of het stroo ook zoo geelgoud zou zijn?

Sigbert vooral had veel hoop op ’t gewas. Hij kon lange poozen voor ’t haardvuur zitten met de zaadjes in zijn holle band, ze zachtjes, als streelend, bevoelend met zijn wijsvinger, ze met de hand hoog en neder bewegend, zoo de zwaarte keurend. Hij had al de korrels geteld, maar daar zijn kennis der getalnamen niet zoo ver reikte, had hij bij elk honderdtal een bekenden naam genoemd. Het eerste honderdtal heette, de saks; het tweede, de Batouwer; het derde, de meent; het vierde, de made; het vijfde, Thius; het zesde, Wotan; het zevende, Donar en zoo maar voort. Soms was hij ’s nachts opgestaan, beangst door een droom, dat muizen of ratten aan het graan knaagden of dat Grendel het bezijkte of dat Tjilbard op het ros Zeven kwam aangereden en de geroofde zakken terughaalde, geholpen door Istovar en Herebaeld. Dan rakelde hij in ’t haardvuur, tot het hout opvlamde en de hut in een goudrossen lichtgloed zette en hij begon het honinggraan na te tellen, zachtjes bij elk hoopje van honderd prevelend: de saks, de[166]Batouwer, de meent, de made, Thius, Wotan, Donar.…

Tot den morgen grauwde zat hij bij de hoopjes honinggraan, dankbaar dat de zon al weder vroeger opkwam, naar buiten loopend om de morgenlucht op te snuiven en speurend met zijn neus in den wind naar zwoelte en geur van lente gelijk een hond naar een jachtbuit. Hij zag de zon opgaan in de violette wolken van den einder en de nevels wegsmilten van het glooiende land en onder de versmolten sneeuw uit kwam nu al de donkerblauwe grond met groote, zwartige plekken uit. Zoo stond hij, geleund tegen zijn hut, vele ochtenden wachtend op de lente en als de zon dan geheel boven den einder stond, zilverwit en glanzend blank, trachtte hij nog met zijn driehoekige, groene oogen nog meer ingetrokken onder de zware, blonde borstels der wenkbrauwen er in te kijken, tot hij ’t hoofd moest afwenden en voor zijn gesloten oogen blauwe en groene en oranje brokken lichtschijn schemerden. Hij wischte met de pols een traan naar den ooghoek en keek naar zijn handen, zijn zware, groote, schorschige eelt-knuisten met de gebulte, stronkige vingers. Hij sloot ze bevend dicht, in gedachte den boom van zijn ploeg hanteerend. Droefenis kwam in hem als hij bedacht, dat zijn mooi span trekossen nu weg was, opgegeten uit honger maar toch, hij mocht nog niet klagen met twee zulke sterke kerels van zonen als Reri en Tjeerd, die wèl tegen een span ossen zouden optrekken als ’t moest zijn en moeder zou ook nog wel een handje trekken.

Met zijn oogen mat hij de streken, die de ploeg zou voren. Van hoog de delling langs, tot aan den loorand.… dat was alles zijn made.… mooie, zuivere, blauwe grond, vaste aarde zonder een steentje er in.

Naar ’t schuurtje gaande, liep hij al met de vaste, moeielijke stappen van den ploegvoerder, en in ’t schuurtje ging hij naar zijn ploeg zien, streelde met zijn vingers langs de boomen, nam eventjes het handvat vast in bevend[167]verlangen om er al achter te kunnen loopen. En het met harige koehuid bespannen ossejuk ziende, dat nu nutteloos zou zijn in dit voorjaar, streek hij even de pols langs zijn oogen. Maar buiten was weer zijn droefenis weg, hij hield zijn pols tegen de zoele bries in, die was beginnen te waaien om te voelen of er al dracht in de lucht zat en hem was het of de wind zachtjes langs den grond streelend, den slapenden geest van Nerthus in den akker opwekte uit zijn winterverdooving.

Maar soms ook, als hij dacht aan de rooftocht, kwam een kille angst in hem op. Het was waar, zij hadden nog niets gehoord van een vervolging en bewijzen waren er niet. Maar koning Tjilbard was rijk en machtig en als hij kwaad wilde, kòn hij kwaad! Wat zou hij doen, als ’t honinggraan opwies, een made vol geelgouden aren met halmen neerhangend van zwaarte, vol nieuwe, gouden honingkorrels.… en een Fries zou voorbijkomen en zien het nieuwe graan en de mare konden aan zijn koning?…

Dan voelde Sigbert zijn maag inkrimpen en hij hoestte met dorre kuchen als een, die zieke longen heeft. Hij zag de scharen van de Frisen, de slanke, rijzige, koene kerels, die stormliepen als paarden bij een boschbrand.…

Dan schrap zette de zwaar geschouderde boer zich en zijn hand klemde vast om den aakstgreep.…

„Bij Grendel, zij zouden de saks van Sigbert niet over den kop loopen; de saks van Sigbert was er ook nog.… laten ze dan maar opkomen, de Frisen.… Batouwers waren ook hun man weerd.… Hij en Reri en Tjeerd.… Ze moesten niet aan hun akkers komen.… al waren ze duizend maal Frisen.… Grendeldebliksem.… Batouwers waren geen kerels, die van vechten hielden.… dat was bekend.… zij hadden vredige harten.… maar van hun land moesten ze afblijven.… dat wisten de Chauken en de Chamaven en de Chasuaren en deBrukterenen de Kaninefaten en de Dantubaren.… die allen waren al[168]slaags geweest om ’t bezit van die vette Batouw, maar de Batouwer was geen haas en geen eekhoorn.… de Batouwer was als zijn vee.… harde koppen hadden ze met scherpe horens en wie er tegen aanliep, werd opgespitst.…”

Maar geheel gerust was hij nooit. Want de Frisen bleven de Frisen, óók koppige kaerels met harde hoofden en niet bang uitgevallen.… hij had ze zien vechten in zijn jeugd, toen de Chauken kwamen opdringen omdat zij te veel mannen hadden en in hun landen gebrek kwam. Grendeldebliksem, wat was dat mooi werk geweest van de Frisen. In een zwerm kwamen de Chauken opzetten, met wel duizend wagens en peerden en hun vrouwen en kinderen, kinderen, kinderen.… als de mieren zooveel. En vooraan de kaerels met hun slingers en hun werplansen en hun celten.… niet groot van stuk maar zooveel, zooveel, dat ’t land er zwart van was, zooveel. En toen de Frisen, met kleine saksen van vijftig, Grendeldebliksem, met de aakst in de vuist, die op de horde in, met een vaart als vluchtende herten en toen, als een aakst in een blok, zoo spleten de saksvoerders in de horde van de Chauken en toen spreidden zij zich er in uiteen en de aaksten gingen maar al op-neer, op-neer, van boven neer op de koppen, tot de Chauken de honden loslieten. Grendeldebliksem, dat was een gezicht, die groote, gore beesten met blanke tanden en open muilen op de Frisen in. Maar de Frisen bleven slaan met de aaksten, altoos maar op-neer, op-neer, ook op de koppen van de honden en altoos maar weer de kleine saksen met nieuw volk aanvullende, tot de Chauken begonnen te wijken en gevlucht waren, de vrouwen en de kinderen bij de wagens achterlatend.

En toen had hij ze gezien de Frisen, opdringend naar de wagens, waar de waakhonden opnieuw op hen kwamen aangevlogen, opgehitst door de wijven. Zij hadden rondom ’t wagenpark rijshout aangedragen en toen de vlam er in gestoken.… Gegild hadden de wijven en geschreid de[169]kinderen boven dien gloeienden ring uit en gehuild en gejankt en dof klagend gebast hadden de honden.…Maar wie er uit kwam, was teruggeslagen door de Frisen, die tot blakerens toe om den vuurring stonden.…

Toen ’t vuur gedoofd was, had Sigbert gezien waar de verbrande lijken lagen van de vrouwen en de kinderen en de honden.… Met zijn grootvader was hij er langs geloopen, hij was nog een knaap geweest, maar hij had ’t gruwelijke te dieper gevoeld.… omdat daar zooveel knapen en oude mannen lagen, met vertrokken gezichten, zwartberookt of bloederig bruin gebrand en de armen stijf opgestoken met de vuist verkoold omhoog.…

Grendeldebliksem.… wee wanneer de Fries de Batouw zou binnenvallen.… Ja, du kan dijn man staan en di verweren, maar toch, neergeslagen zouden er velen worden.…

En diep-in begon hij spijt te gevoelen over de rooftocht en te bidden tot Wotan.… „Groote Wot, spaar ons voor den oorlog.… drie vaarzen zal ik di offeren.… drie beste vaarzen zonder gebrek en zonder vlek.… geen zwart haartje zullen ze hebben groote Wot, niet op de schoften en niet op de borst.… Groote Wot, spaar ons voor de Frisen.…”

Maar als hij na die eenzame morgentochten weer de hut was binnengegaan en zijn handen stak in de graanzakken en met uitgespreide vingers graaide door de wulle korrels, dan werd hij weer rustiger, voelde de korreltjes rul langs zijn handen glijden en hij nam er een handjevol uit en bracht het aan zijn mond en kuste het graan. Dan weer wierp hij de korreltjes zorgvuldig terug in den zak, bond dezen dicht met een heiligen knoop, knoopend tegelijk een zegespreuk sprekend:

Nerthus zal di garen,Nerthus zal di baren,

Nerthus zal di garen,

Nerthus zal di baren,

en hij, vermoeid van den doorwaakten nacht en de bewogen[170]ochtend, sleepte een berenvel bij de zakken en strekte zich op ’t vel uit en sliep in, het groote, grofgehouwen hoofd schuin tegen den graanzak geleund en de al grijzende, roodblonde baard, beschermend er voor.…

En nog in zijn slaap, kneep soms plots de rechterhand zich ballend samen, alsof hij den boom van den ploeg omknelde of den steel van de saks.[171]

1De saks was gewoonlijk een soort wigvormig kortzwaard. Ons woord zeis schijnt er van af te stammen. De wapens waren echter voor elke streek anders. De saks der Batouwers van 150 v. Chr. heb ik mij gedacht als een soort speerbijl, in saks een stamakofhakzoekend en deze weder verbindend met haaks of hoeks.↑

1De saks was gewoonlijk een soort wigvormig kortzwaard. Ons woord zeis schijnt er van af te stammen. De wapens waren echter voor elke streek anders. De saks der Batouwers van 150 v. Chr. heb ik mij gedacht als een soort speerbijl, in saks een stamakofhakzoekend en deze weder verbindend met haaks of hoeks.↑

1De saks was gewoonlijk een soort wigvormig kortzwaard. Ons woord zeis schijnt er van af te stammen. De wapens waren echter voor elke streek anders. De saks der Batouwers van 150 v. Chr. heb ik mij gedacht als een soort speerbijl, in saks een stamakofhakzoekend en deze weder verbindend met haaks of hoeks.↑

1De saks was gewoonlijk een soort wigvormig kortzwaard. Ons woord zeis schijnt er van af te stammen. De wapens waren echter voor elke streek anders. De saks der Batouwers van 150 v. Chr. heb ik mij gedacht als een soort speerbijl, in saks een stamakofhakzoekend en deze weder verbindend met haaks of hoeks.↑


Back to IndexNext