[Inhoud]HOOFDSTUK XV.In Nervigo wachtte koning Solbert vol spanning op de komst van Harimona. Toen hij hoorde, dat de edelen hun vrouwen en dochters gewapend hadden om mede te vechten, voelde hij zich weder vol hoop op de toekomst. Zoo zwak was dus hun bent en zoo gering hun aantal, dat zij de hulp der wijven moesten inroepen!De vrijgelatenen echter werden met den dag veeleischender. Zij hadden uit hun midden een raad van oudsten benoemd en zij eischten, dat Solbert zich aan de besluiten van dezen raad zou onderwerpen. De raad van oudsten wilde een nieuw Ding instellen, waartoe elke vrijgelatene toegang zou hebben. De Nervigo zou opnieuw verdeeld worden en elke sippe zou een stuk grond toegewezen krijgen. De edelen, voor zoover zij niet in den slag zouden worden geveld, zouden tot hoorigen vernederd worden en voortaan aan de overwinnaars ondergeschikt zijn en heerediensten verrichten.Toen de zeven oudste vrijgelatenen koning Solbert dit voorstel deden, zeide hij niets en beheerschte ook de uitdrukking van zijn gelaat. Maar in zijn hart zwol een diepe verachting voor het hondsche volk, dat nauwelijks zelf de vrijheid had verworven of het poogde anderen tot slaven te maken. Zijn verachting werd afschuw, toen vrouwen van vrijgelatenen van Solbert de belofte wilden afdwingen, dat de edelvrouwen en jonkvrouwen, die zoo moedig haar mans in den strijd wilden bijstaan, na de overwinning haar tot dienstmaagden zouden worden gegeven.„Na de overwinning, zeker, na de overwinning!” beloofde koning Solbert.[209]In zichzelf vloekte hij op de laaghartige wijven en toen hij ze, tevreden met zijn belofte, zag heengaan, op den hof van zijn paleis arm in arm loopend, de schunnige oproerliedjes zingend, lachte hij smadelijk.Na de overwinning! Maar het zou niet overwinnen, dat slaventuig. In hun verderf zou hij ze voeren, mannen en vrouwen, ze laten neerhakken met kortzwaard en aakst, vertrappen laten onder de hoeven der paarden, zooals ze verdienden.Hoe had hij hun best gewild. Rechten en vrijheid had hij hun gegeven en tot dank wilden zij zijn recht, zijn hoog koningsrecht verkorten en zijn wil tot het goede en deugdzame buigen, opnieuw slavernij en hoorigheid invoerend in de Nervigo, dat hij tot een vrij land had willen maken, zooals de Batouw vrij was, waar geen edelen en geen hoorigen waren maar alleen saksaanvoerders voor oorlogstijd en een volksding voor de zaken van recht en rede.Zoo ging het den koningen, die, met het volk heulden. Indien hij er in slaagde, zijn macht opnieuw te bevestigen, zou zijn hand zwaar drukken op de hoorigen. Dicht zou hij zich aansluiten bij de edelen en zich herinneren, hoe het volk der hoorigen hem beloond had voor zijn rechtvaardigheid en deugd.De edelen, die door kondschappers hoorden, hoe de hoorigen koning Solbert behandelden, wel wetend dat een leger van grauw zonder gehoorzaamheid en ontzag door een kloeke, vastberaden bent, ook al was ze klein, kon worden neergeslagen als dor hout, voelden zich zeker van de overwinning.De winter begon zich te doen gevoelen. Stormen staken op en daarna ving het aan te sneeuwen.De heele Nervigo werd bedekt door een dichte, witte wâ en in de verlaten dorpen der hoorigen heerschte doodsche stilte.[210]De edelen huisden in hun groote hutten, waarvan er sommigen zelfs geheel van steen waren gebouwd.Daar, in de groote hallen, brandden den heelen dag knapperende houtvuren. De mannen zaten voor ’t vuur, sprekend over de kansen van den slag, of oefenden zich in het trekken op ’t kortzwaard om lenig en behendig te blijven. De vrouwen bakten brood, melkten de koeien, sleepten het hout aan voor de haardvuren en ook zij, in de weinige uren die haar restten, oefenden zich in het trekken op het kortzwaard, het zwaaien van de aakst en het steken met de speer, bijgestaan door de mannen, die haar de grepen en de trekken en de verweren toonden.Op een helderen winterdag zagen de edelen, die ’t dichtst aan de grens van het groote Nervische woud woonden, dat op een der grenstorens een vuur was ontstoken. Dadelijk togen zij, hoewel de wegen dikbesneeuwd waren en slecht te herkennen aan de boomen langs den weg van het omringende land, naar de grens. Aan elke groote woning werd stilgehouden en het heuchelijk bericht gemeld, dat prins Sogol in aantocht was. Kondschappers snelden te paard door het gebied, ontstaken vuren in de meld-torens en spoedig waren vele edelen, welgewapend en goed bereden op weg naar den grenstoren, om te vragen van welke zijde prins Sogol naderde.De eerste edelen, die den grenstoren bereikten en van daar den woudweg langs reden waren teleurgesteld, toen zij het kleine troepje zagen naderen. Want Sogol was half naakt en zijn lange haren en verwaarloosde baard, die nadat zij geheel verzengd was geweest, slecht was aangegroeid, gaven hem meer het woeste uiterlijk van een hoorige, dan van een toekomstigen koning. Harimona, de heilige vrouw, in lompen gehuld, barrevoets over de sneeuw loopend, maakte ook geen eerbiedwekkenden indruk.Sogol naderde twee ernstige, breedgebouwde edellieden,[211]die van hun paarden gestegen waren, maar weifelden hem te begroeten.„Kunt di dijn heer niet begroeten, wanneer hij zijn rijk binnentreedt?” vroeg Sogol toornig.De twee zagen elkaar aan en dan de jongste, met zichtbare minachting naar de lompen van Harimona schouwend, antwoordde:„Wie zegt ons, dat du onze heer zijt?”Meteen had Sogol zijn kortzwaard getrokken en sloeg met één slag den man neer.„Ik, Sogol, prins der Nerviërs!” zei hij, met vuur in de oogen.„Breng de paarden voor!” gebood hij den tweeden edelman.Deze, die even de hand aan de greep van zijn zwaard had gebracht, toen zijn reisgenoot met gekloofden schedel neerviel, was doodsbleek geworden maar waagde niet het zwaard te trekken.„Leid de paarden hier!” beval Sogol nogmaals met een dreigend licht in zijn oogen. „Of zoowaar, ’t is met di ook gedaan.”De edelman boog nu het hoofd en naar de twee paarden gaande, leidde hij ze tot voor Sogol en Harimona.Sogol hielp Harimona bij ’t opstijgen en besteeg daarna zelf het tweede paard. Toen nu de edelman de twee te paard zag zitten, ondanks hun lompen, fier, rijzig, rechtop en met waardigheid in de opgeheven hoofden, voelde hij zijn ongelijk en knielend bij het paard van Sogol, zeide hij:„Heer, vergeef mi!”Maar Sogol verwaardigde hem met geen blik, doch reed den weg verder langs, ziende de vuren op de meld-torens branden en van verre, grauw op het wit der sneeuw, de menschen naderen.De edelman was opgestaan en bukte zich tot zijn neergevelden kameraad. Maar deze was levenloos.De vijf Norigeners waren op eenigen afstand gevolgd.[212]Toen zij nu den edelman geknield vonden bij den neergeslagen makker, wiens bleek hoofd op een purperen kussen scheen te liggen, daar de sneeuw het bloed snel had ingezogen en vroegen wie den man had vermoord, antwoordde de edelman:„Hij is niet vermoord maar gericht, omdat hij den prins niet geëerd heeft.”De Norigeners vertelden den edelman van den moed en de kracht van Sogol. Hoe hij den stuurman had bevrijd, de wijven uit haar krocht had gehaald en tot spreken gedwongen en hoe hij op den verderen tocht vreezeloos was geweest in velerlei omstandigheden. Ook spraken zij over Harimona. Ja, zij was een heilige vrouw en leefde in strenge kuischheid. De prins en de heilige jonkvrouw verkeerden met elkaar als geliefden, maar niet als gehuwden.De zeelieden hielpen den edelman zijn gedooden makker naar de naaste woning dragen, waar het lijk werd neergelegd, tot de vader en moeder hun zoon een afscheidsgroet hadden kunnen brengen en voor de verbranding zorg konden dragen. Toen trokken de zeelieden en de edelman achter Sogol en Harimona aan.Deze waren al een eind weegs gevorderd en de andere edellieden, die hun toekomstigen koning tegemoet reden, Sogol en Harimona fier en rijzig ziende op de zware, hooge paarden, staken hun zwaarden met de punt ver in de hoogte, ten teeken van eerbiedigen groet.Ernstig, met zijn nog bebloed kortzwaard met edelen zwier terug groetend, reed Sogol en Harimona nevens hem, voort, zonder te spreken, recht voor zich uitstarend over het verre, blauwblanke vlak der Nervische landen.De edelen vormden een lijfwacht achter hem en bij elke woning, die zij voorbij reden, werd de stoet grooter. Er traden nu ook vrouwen en maagden uit de hutten en huizen, velen met een zwaard of een spiets in de hand,[213]die met heldere stemmen hun juichend een: „Wotan were!” toeriepen.Andere vrouwen kwamen met kannen warme bloesemmelk, schotels geboterde mikjes en konfijt van roode boschbessen en boden die den hoogen prins en de heilige jonkvrouw aan met hoofsch en onderdanig gebaar.Een rijke weduwe, wier man onder Sogols vader had gestreden op ’t Paarden-eiland, ziende dat de prins een schamele pels en de heilige jonkvrouw een door de lange reis verscheurd gewaad droeg, zond heur zoon en heur dochter naar den jongen vorst om hun eigen gewaden aan te bieden. De zoon droeg een pels van blauw dassenbont, gevoerd met witte lamswol en de dochter een lange huifmantel van purperlaken met gouden boorden en kwasten.Sogol wierp Harimona eerst den rooden mantel om de schouders en heur witte haren, beschenen door de zon, stroomden als gebleekte zijde over het purper van schouders en rug. Toen sloeg Sogol met waardigen zwaai zichzelf den blauwen pels om de schouders en stak haar vast met den bronzen sluitspeld voor den linkerschouder.„Heer,” zeide de zoon, „mijn vader streed en stierf in uw vaders dienst.”„Volg mi. Du zult mi dienen.”„Heer,” vroeg de dochter, „sta mij toe, uw bruid te dienen.”„Volg haar!” zeide Sogol.En beiden, op schoone rossen stijgend, volgden achter Sogol en Harimona.Voor een tempel aan den weg stonden de priesters blootshoofd, in witte gewaden, met lange grijze baarden en zongen een plechtigen lofzang, toen Sogol naderde.Maar hij, met de punt van zijn bebloed zwaard naar hen duidend, gebood hen met luider stemmen te zwijgen.Een der priesters, een groot, breedgeschouderd man met een rustigen tred, trad op Sogol toe en tot hem opziende vroeg hij:[214]„Heer, is di onze zang niet aangenaam?”„Noch dijn zang, noch dijn wezen!” antwoordde Sogol en reed verder, de priesters niet meer met een blik verwaardigend.Onderwijl hadden de zeelieden aan de velen, die hun om inlichtingen vroegen, van den moed en kracht van prins Sogol verteld. De manke stuurman, meestrompelend in den stoet, heette hem luidde zijn levensredder. De rijzige, kloeke Rytzell, met zijn blauwe, onvervaarde oogen, liep tusschen een drom edelen en verhaalde van de wonderdaden van prins Sogol. Ook had de prins met hem gesproken over de groote goden en hem afvallig gemaakt van Odin. De prins zou in Nervigo den nieuwen godsdienst invoeren, die den menschen moedig maakt en sterker dan al de kleine geesten van woud en stroom en de groote van de zeeën.Voor een groot huis stond een schreiende vrouw.Sogol hield zijn paard in.„Wat deert di?” vroeg hij.„Heer, mijn zoon u tegemoet rijdend, is van zijn ros gestort en ligt binnen met gebroken been!”„Draag hem hier!” beval Sogol.Hij steeg af van ’t paard en nu eerst zagen de Nervische edelen de hooge, waardige gestalte van hun nieuwen vorst.Op een baar werd de zieke naar buiten gedragen. Sogol bevoelde de beide beenen van den jongen man. Het rechterbeen was bij den voet verstuikt, het linker had slechts een vleeschwond.Sogol vroeg olie, wreef de voet met olie en rukte hem weder in ’t lid. Toengeboodhij de vleeschwonde met gekookt water schoon te wasschen, deed geplozen lijnwaad op de wonde leggen, verbond de wonde en beval den jongen man rust.„Zal hij genezen?” vroeg de moeder.[215]„De volgende week verwacht ik hem op ’t kroningsfeest te Beldun!” antwoordde Sogol.De moeder trad op Harimona toe en een tip van heur kleed grijpend, kuste zij de slip.„Wotan were!” riep de zieke op de baar. En van alle zijden klonk een juichend „Wotan were! Wotan were!”Het paard van Sogol, verschrikt door ’t geroep, begon te steigeren, stelde zich op de achterpooten met de voorpooten graaiend in de lucht.De edelen zagen met bewondering, hoe Sogol het paard bedwong door de kracht zijner klemmende beenen.Toen zij het dorp Waldsend bereikt hadden, waar de edelen, door kondschappers gewaarschuwd, in slagorde geschaard, mannen, vrouwen en jonkvrouwen, hem opwachten en het vorstelijk paar met een luid en herhaald: Wotan were!begroetten, traden zeven der oudste edellieden tot voor Sogol.„Heer!” zei de woordvoerder, „de reis van Waldsend naar Frigsbeek, het naaste dorp op den weg naar Beldûn, is ver. Vóór den nacht is het niet te bereiken. Daarom smeeken wij di om de eer in onze stede te willen overnachten.”„Wij zullen blijven,” antwoordde Sogol.De zeven edellieden voerden hem door het dorp naar het groote Dinghus. Sogol en Harimona stegen af en traden het groote houten huis binnen.Binnen in de hal brandde een groot houtvuur en terzijde waren zware eiken zetels met lederen kussens neergezet.Links en rechts waren groote zijzalen. Daar ook waren groote houtvuren aangelegd en breede rustbedden met zachte pelzen belegd, stonden daarbij.Sogol en Harimona zetten zich op de zetels voor den haard en rustten een wijle. Een edelvrouw met hare dochters naderde en vroeg wanneer de vorst en zijn bruid het maal wenschten te zien opgediend.[216]„Zoodra,” beval Sogol. „Buiten staan vijf Scandiërs. Laat ze binnentreden en disch voor hen op. Zij zijn vrienden van de Nerviërs.”De vrouwen droegen groote kommen met warme wildbraadsoep, gebraden kippen, eierkoeken, rollen geperste hazelnoten en rood boschbessenkonfijt op. Zij zetten groote kommen met honingbier daarnevens.Sogol en Harimona zaten aan en voor ’t eerst na vele weken, konden zij zich sterken aan een rustigen, welvoorzienen disch.De vijf zeelieden traden beschroomd binnen, maar Sogol noodde ze aan zijn vorstelijke tafel en als gul gastheer gebood hij zijn nieuwen knaap, den zeelieden rijkelijk bier te schenken.Maar hijzelf dronk matig. Nog steeds was hij er niet in geslaagd, een der vijf er toe te brengen, hem den weg naar het vreemde land te wijzen. Wel hadden Rytzell en de stuurman hem onderweg verhalen gedaan van ’t geen zij in ’t vreemde land, dat zij in hun taal Masar noemden, hadden beleefd en welke waren zij er heen brachten, barnsteen, gepolijste horens, bronzen knoopen en sluitspelden. Maar ’t meest toch verkregen zij door wapengeweld. Zij landden ’s nachts aan de kusten, sloegen hun mantels van stierhuid om met de horens boven op ’t hoofd en dan, onder gejoel en geschreeuw, stormden zij de dorpen binnen. De menschen, verschrikt door ’t geweld, meenden dat de duivels losgebroken waren en vluchtten uit hun huizen. Dan namen de lieden al wat hun behaagde en met hun buit snelden zij terug naar hun skig en zeilden snel weg of wanneer de wind niet gunstig was, werden de roeiriemen uitgestoken en de skig werd weggeroeid. Maar welke schatten in de Norigeensche skigge geborgen waren, had geen der zeelieden willen zeggen. Nu deed Sogol hun kroes na kroes volschenken.Harimona, niet begrijpend maar ziende, dat de mannen[217]beschonken raakten, stond op van tafel en door haar maagd gevolgd, ging zij naar het linksche zijvertrek om zich af te zonderen en rust te nemen. Zij liet de twee voorhangen van het toegangspoortje neervallen en legde zich op een der rustbedden neder, na heur maagd geboden te hebben, bij de edelvrouwen lijnwaad voor heur te halen en onderkleederen en voor een warm bad te zorgen.Sogol zond alle aanwezigen uit het vertrek, behalve de vijf Norigenen.Hij moedigde hen steeds maar tot drinken aan, zelf de kannen en kroezen vullend, hun zeggend, dat zij nu met den prins der Nerviërs dronken, maar dat zij zeker binnenkort met den koning der Nerviërs zouden drinken. Doch dan moesten zij niet zooals nu, kleine teugjes nemen gelijk kinderen, maar meer eer aan het brouwsel van ’t Nervische land schenken. Hij had altijd gehoord, dat de Nerigonen de beste drinkers waren van heel Germanje en hij hoopte dat hij zich niet vergist zou hebben.De vijf zeelieden, hoewel ze al veel gedronken hadden, wilden niet de schande lijden, door den toekomstigen koning der Nerviërs geminacht te worden wegens hun gebrek aan dorst.Sogol, ziende dat Rytzell een groote kan in een teug opdronk, knikte goedkeurend.„Opperschipper,” zeide hij, „wie is thans koning van de Scandiërs?”„Hallánder, heer!”1[218]„Zoudt di dijn koning mijn vriendschap willen gaan aanbieden?”„De eer is groot, heer.”[219]„Zeg hem, dat Sogol, koning der Nerviërs, di zendt. Ik zal di een schoon zwaard medegeven om dijn koning te schenken en twaalf Nervische paarden met twaalf knechten.”„Heer, du bent te goed voor mi …”„Drink met mi, op het heil van koning Hallánder. Wotan were!”Sogol hief zijn kroes op. De Scandiërs hieven hun kroezen eveneens op en ledigden ze tot op den bodem.„Nu een lied, een Norigeensch lied!” riep Sogol.Rytzell stond op en begon te zingen:Een zeeman ging het zeegat uit,Al om ver weg te varen,En achter liet hij toen zijn bruid,Een meid met blonde haren.Zijn liefje wachtte aan de heg,Alwaar de koetjes grazen.De skiggen voeren heel ver weg,De winden bleven blazen.Toen ’s nachts de bruigom wachtstond had,Zwom voor hem op de baren,Een meeremin in ’t pekelbad,Met lange, blonde haren.De meermin sprak toen: „Schippersmaat,Ik kom di niet vervelen,De morgen rijst, het wordt al laat,Laat ons een beetje spelen.”De zeeman zei:„Dou valsche kol,Ik ga met di niet mede,Speel di alleen dijn rolde bol,Mijn bruid wacht op de reede.”De meermin sprak:„Dou domme maat,Dijn meid vrijt met een ander,Waarvan ze zich braaf kussen laat,Bij Wotan, ’t is een schande.”[220]Het meerwijf lonkte hem zoo zoet,Hij is haar gaan gelooven,De maat sprong bij haar in den vloed,Nooit kwam hij weer naar boven.En aan het strand op verre ree,Stond toen de bruid te schreien,Zij stortte zich op ’t lest in zee,Daar rusten ze nu beien.De andere zeelieden, goed beschonken, begonnen nu ook liedjes te zingen en Sogol, steeds zorgend dat de kroezen gevuld bleven, begon hen te roemen en voorzichtig uit te vragen naar den weg naar ’t vreemde land.Rytzell, hoewel smoordronken, behield zijn geslotenheid. Maar de roes beving hem en hij stortte van de bank en bleef onder de tafel liggen ronken.De manke stuurman, los van tong, begon nu van het vreemde land tevertellen. Het was een verward dronkemans verhaal, vol leugens en verdichtsels en hij vertelde de geschiedenis van zijn gevangenzetting en verlossing door de boschniksen alsof zij in ’t land Masar was voorgevallen. Maar tusschen het dronkenmansgelol door hoorde Sogol, dat de schepen altoos gericht werden links van de ster Raíts, zoodat met deze steeds recht achter de nôta van de skig moest zien. Op den terugtocht moest men weder op Raíts aanvaren, zoodat de ster nu recht voor den boeg stond.Ook vernam hij, dat in ’t vreemde land niet aan Odin geloofd werd en niet aan Wotan, noch aan Thor of Freya. Zij hadden daar een vreemden god, die onzichtbaar was en de deugdzamen gingen stervend op in het niet. Maar de slechten werden na den dood in dieren veranderd, tot zij door leed gereinigd waren.Meer dan dat kon hij niet te weten komen, want de zeelieden begonnen liedjes te lollen en vielen daarna één voor één terzij van hun zetels en begonnen te ronken.Toen was Sogol tevreden. Hij riep edelen naar binnen[221]en beval, dat men de dronken lieden naar hun rustbedden zou leiden.De edellieden, ziende dat allen dronken waren behalve Sogol, voelden grooten eerbied voor den jongen vorst, die blijkbaar zoo goed drinken kon.Nu ook legde Sogol zich ter ruste. Maar tegen den avond stond hij op, riep de oudsten der edelen bijeen en liet hen in de groote hal, zittend rondom het houtvuur, dat het vertrek met zachten rossen gloed verlichtte, verhalen wat in ’t land gebeurd was, sedert hij het had verlaten.En vol verwondering hoorde hij van koning Kundric en zijn strijdvrouwen. Van de twisten tusschen de mannen en de vrouwen en van de regeering van koning Solbert, die de edelen had geknecht en de knechten geadeld en nu met de vrijgelatenenwachtte op den beslissenden slag, die de edelen hoopten onder Sogols aanvoering te zullen winnen.In den nacht was Sogol weder alleen. Maar zijn gedachten waren niet bij de staatszaken.Hij peinsde over het vreemde land, het wondere Masar, dat lag tegenover de ster Raíts en waar een god was, wiens zaligheid in vernietiging bestond.En in zijn nachtdroom voer hij op een groote skig, over verre groene zeeën naar een heilig wit land, dat aan den einder oprees.[222]1Sommigen meenen, dat de Scandiërs tegen 100 v. Chr onder Odin uit Azië zijn gekomen. Anderen noemen als datum 250 n. Chr. Is de onderstelling te gewaagd, dat de Scandiërs een Aziatisch kustvolk waren? Eenige hunner schepen werden totScandiagedreven, daar landden de lieden na lange zwerftocht, vestigden er zich en huwden met vrouwen van andere volksstammen. Hun oorspronkelijke beschaving ging grootendeels verloren, maar zij behielden herinnering zoowel van den cultus als van de ligging van het land hunner afkomst, ten minste van het bestaan daarvan. Men heeft te weinig aandacht geschonken aan het feit,[218]dat het menschelijk instinct, het onbekende te doorvorschen, zoo goed den Aziaten op den zoek naar ’t avondland heeft gedreven als het, vele eeuwen later, den Europeërs (Spanjaarden, Portugeezen, Nederlanders) op den zoek naar ’t morgenland drong. Ulysses, Columbus, Magalhaens, Willem Barendts, Livingstone, Emin-Pascha, Stanley staan niet zonder verband in de geschiedenis van het menschdom. Thans, nu de oppervlakte van onze planeet zoo goed als bekend is, onderzoeken wij de andere hemellichamen, wier oppervlakten zeker het menschdom eens eveneens bekend zullen zijn, sedert de spectraal-analyse aan heeftgetoondhoe verreikend schijnbaar eenvoudige middelen kunnen zijn. De vele moderne Mars-romans zijn weinig anders dan de vooruitloopende fantasie—de voelhoorns van ons instinct—en de wetenschap zal ze eens ontnuchteren, zooals de wetenschap de fantastische verhalen der ouden omtrent onontdekte zeeën en landen, hun „Mars-romans”, ontnuchterd heeft, maar nietgeheeltot onwaarheid gemaakt. Wij vermoeden méér dan wij weten of wellicht juister, wij weten méér dan wij vermoeden.En meent men, dat ook de Aziatische oer-volkeren niet het Ulysses-Columbustype hebben gehad? Veronderstel dat Barendts en de zijnen werkelijk er in geslaagd waren om de Pool heen te komen, tot b.v. Japan door te dringen, dáár gevangen waren genomen, tot dienstbaarheid verplicht, gevlucht naar een eiland, zich vermengd hadden met de eilandbevolking?Na eenige eeuwen zou dan op zoo’n eiland een bevolking leven, wier raadselachtige afkomst den etnologen veel te denken zou geven.Daar hebt gij wellicht Othon en de zijnen.… en men bedenke, dat Othon waarschijnlijk niet een sanskriet-geleerde aan boord had, zooals Gerrit de Veer een kenner van ’t Nederlandsch was, daar bij de oude Indiërs het schrijven, een gewijde kennis, uitsluitend door de priesters beoefend werd.Wij zouden méér van de oud-Germaansche geschiedenis te weten komen indien men op de gymnasia in eenige klassen met het Sanskriet-leeren begon op twaalf-jarigen leeftijd; thans, nu men met Sanskriet-studie aanvangt op een leeftijd, waarop het geheugenwerk moeielijk valt, gaan uitstekende denkers en zoekers verloren voor een vak, dat ons tegenwoordig véél meer belangstelling behoort in te boezemen dan de humaniora, die nu sedert eeuwen voldoende zijn doorzocht en zelfs in de meest gewaagde conjuncturen geen groote verrassingen meer opleveren, wat men van conjuncturen als deze, vermoed ik, niet beweren zal.↑
[Inhoud]HOOFDSTUK XV.In Nervigo wachtte koning Solbert vol spanning op de komst van Harimona. Toen hij hoorde, dat de edelen hun vrouwen en dochters gewapend hadden om mede te vechten, voelde hij zich weder vol hoop op de toekomst. Zoo zwak was dus hun bent en zoo gering hun aantal, dat zij de hulp der wijven moesten inroepen!De vrijgelatenen echter werden met den dag veeleischender. Zij hadden uit hun midden een raad van oudsten benoemd en zij eischten, dat Solbert zich aan de besluiten van dezen raad zou onderwerpen. De raad van oudsten wilde een nieuw Ding instellen, waartoe elke vrijgelatene toegang zou hebben. De Nervigo zou opnieuw verdeeld worden en elke sippe zou een stuk grond toegewezen krijgen. De edelen, voor zoover zij niet in den slag zouden worden geveld, zouden tot hoorigen vernederd worden en voortaan aan de overwinnaars ondergeschikt zijn en heerediensten verrichten.Toen de zeven oudste vrijgelatenen koning Solbert dit voorstel deden, zeide hij niets en beheerschte ook de uitdrukking van zijn gelaat. Maar in zijn hart zwol een diepe verachting voor het hondsche volk, dat nauwelijks zelf de vrijheid had verworven of het poogde anderen tot slaven te maken. Zijn verachting werd afschuw, toen vrouwen van vrijgelatenen van Solbert de belofte wilden afdwingen, dat de edelvrouwen en jonkvrouwen, die zoo moedig haar mans in den strijd wilden bijstaan, na de overwinning haar tot dienstmaagden zouden worden gegeven.„Na de overwinning, zeker, na de overwinning!” beloofde koning Solbert.[209]In zichzelf vloekte hij op de laaghartige wijven en toen hij ze, tevreden met zijn belofte, zag heengaan, op den hof van zijn paleis arm in arm loopend, de schunnige oproerliedjes zingend, lachte hij smadelijk.Na de overwinning! Maar het zou niet overwinnen, dat slaventuig. In hun verderf zou hij ze voeren, mannen en vrouwen, ze laten neerhakken met kortzwaard en aakst, vertrappen laten onder de hoeven der paarden, zooals ze verdienden.Hoe had hij hun best gewild. Rechten en vrijheid had hij hun gegeven en tot dank wilden zij zijn recht, zijn hoog koningsrecht verkorten en zijn wil tot het goede en deugdzame buigen, opnieuw slavernij en hoorigheid invoerend in de Nervigo, dat hij tot een vrij land had willen maken, zooals de Batouw vrij was, waar geen edelen en geen hoorigen waren maar alleen saksaanvoerders voor oorlogstijd en een volksding voor de zaken van recht en rede.Zoo ging het den koningen, die, met het volk heulden. Indien hij er in slaagde, zijn macht opnieuw te bevestigen, zou zijn hand zwaar drukken op de hoorigen. Dicht zou hij zich aansluiten bij de edelen en zich herinneren, hoe het volk der hoorigen hem beloond had voor zijn rechtvaardigheid en deugd.De edelen, die door kondschappers hoorden, hoe de hoorigen koning Solbert behandelden, wel wetend dat een leger van grauw zonder gehoorzaamheid en ontzag door een kloeke, vastberaden bent, ook al was ze klein, kon worden neergeslagen als dor hout, voelden zich zeker van de overwinning.De winter begon zich te doen gevoelen. Stormen staken op en daarna ving het aan te sneeuwen.De heele Nervigo werd bedekt door een dichte, witte wâ en in de verlaten dorpen der hoorigen heerschte doodsche stilte.[210]De edelen huisden in hun groote hutten, waarvan er sommigen zelfs geheel van steen waren gebouwd.Daar, in de groote hallen, brandden den heelen dag knapperende houtvuren. De mannen zaten voor ’t vuur, sprekend over de kansen van den slag, of oefenden zich in het trekken op ’t kortzwaard om lenig en behendig te blijven. De vrouwen bakten brood, melkten de koeien, sleepten het hout aan voor de haardvuren en ook zij, in de weinige uren die haar restten, oefenden zich in het trekken op het kortzwaard, het zwaaien van de aakst en het steken met de speer, bijgestaan door de mannen, die haar de grepen en de trekken en de verweren toonden.Op een helderen winterdag zagen de edelen, die ’t dichtst aan de grens van het groote Nervische woud woonden, dat op een der grenstorens een vuur was ontstoken. Dadelijk togen zij, hoewel de wegen dikbesneeuwd waren en slecht te herkennen aan de boomen langs den weg van het omringende land, naar de grens. Aan elke groote woning werd stilgehouden en het heuchelijk bericht gemeld, dat prins Sogol in aantocht was. Kondschappers snelden te paard door het gebied, ontstaken vuren in de meld-torens en spoedig waren vele edelen, welgewapend en goed bereden op weg naar den grenstoren, om te vragen van welke zijde prins Sogol naderde.De eerste edelen, die den grenstoren bereikten en van daar den woudweg langs reden waren teleurgesteld, toen zij het kleine troepje zagen naderen. Want Sogol was half naakt en zijn lange haren en verwaarloosde baard, die nadat zij geheel verzengd was geweest, slecht was aangegroeid, gaven hem meer het woeste uiterlijk van een hoorige, dan van een toekomstigen koning. Harimona, de heilige vrouw, in lompen gehuld, barrevoets over de sneeuw loopend, maakte ook geen eerbiedwekkenden indruk.Sogol naderde twee ernstige, breedgebouwde edellieden,[211]die van hun paarden gestegen waren, maar weifelden hem te begroeten.„Kunt di dijn heer niet begroeten, wanneer hij zijn rijk binnentreedt?” vroeg Sogol toornig.De twee zagen elkaar aan en dan de jongste, met zichtbare minachting naar de lompen van Harimona schouwend, antwoordde:„Wie zegt ons, dat du onze heer zijt?”Meteen had Sogol zijn kortzwaard getrokken en sloeg met één slag den man neer.„Ik, Sogol, prins der Nerviërs!” zei hij, met vuur in de oogen.„Breng de paarden voor!” gebood hij den tweeden edelman.Deze, die even de hand aan de greep van zijn zwaard had gebracht, toen zijn reisgenoot met gekloofden schedel neerviel, was doodsbleek geworden maar waagde niet het zwaard te trekken.„Leid de paarden hier!” beval Sogol nogmaals met een dreigend licht in zijn oogen. „Of zoowaar, ’t is met di ook gedaan.”De edelman boog nu het hoofd en naar de twee paarden gaande, leidde hij ze tot voor Sogol en Harimona.Sogol hielp Harimona bij ’t opstijgen en besteeg daarna zelf het tweede paard. Toen nu de edelman de twee te paard zag zitten, ondanks hun lompen, fier, rijzig, rechtop en met waardigheid in de opgeheven hoofden, voelde hij zijn ongelijk en knielend bij het paard van Sogol, zeide hij:„Heer, vergeef mi!”Maar Sogol verwaardigde hem met geen blik, doch reed den weg verder langs, ziende de vuren op de meld-torens branden en van verre, grauw op het wit der sneeuw, de menschen naderen.De edelman was opgestaan en bukte zich tot zijn neergevelden kameraad. Maar deze was levenloos.De vijf Norigeners waren op eenigen afstand gevolgd.[212]Toen zij nu den edelman geknield vonden bij den neergeslagen makker, wiens bleek hoofd op een purperen kussen scheen te liggen, daar de sneeuw het bloed snel had ingezogen en vroegen wie den man had vermoord, antwoordde de edelman:„Hij is niet vermoord maar gericht, omdat hij den prins niet geëerd heeft.”De Norigeners vertelden den edelman van den moed en de kracht van Sogol. Hoe hij den stuurman had bevrijd, de wijven uit haar krocht had gehaald en tot spreken gedwongen en hoe hij op den verderen tocht vreezeloos was geweest in velerlei omstandigheden. Ook spraken zij over Harimona. Ja, zij was een heilige vrouw en leefde in strenge kuischheid. De prins en de heilige jonkvrouw verkeerden met elkaar als geliefden, maar niet als gehuwden.De zeelieden hielpen den edelman zijn gedooden makker naar de naaste woning dragen, waar het lijk werd neergelegd, tot de vader en moeder hun zoon een afscheidsgroet hadden kunnen brengen en voor de verbranding zorg konden dragen. Toen trokken de zeelieden en de edelman achter Sogol en Harimona aan.Deze waren al een eind weegs gevorderd en de andere edellieden, die hun toekomstigen koning tegemoet reden, Sogol en Harimona fier en rijzig ziende op de zware, hooge paarden, staken hun zwaarden met de punt ver in de hoogte, ten teeken van eerbiedigen groet.Ernstig, met zijn nog bebloed kortzwaard met edelen zwier terug groetend, reed Sogol en Harimona nevens hem, voort, zonder te spreken, recht voor zich uitstarend over het verre, blauwblanke vlak der Nervische landen.De edelen vormden een lijfwacht achter hem en bij elke woning, die zij voorbij reden, werd de stoet grooter. Er traden nu ook vrouwen en maagden uit de hutten en huizen, velen met een zwaard of een spiets in de hand,[213]die met heldere stemmen hun juichend een: „Wotan were!” toeriepen.Andere vrouwen kwamen met kannen warme bloesemmelk, schotels geboterde mikjes en konfijt van roode boschbessen en boden die den hoogen prins en de heilige jonkvrouw aan met hoofsch en onderdanig gebaar.Een rijke weduwe, wier man onder Sogols vader had gestreden op ’t Paarden-eiland, ziende dat de prins een schamele pels en de heilige jonkvrouw een door de lange reis verscheurd gewaad droeg, zond heur zoon en heur dochter naar den jongen vorst om hun eigen gewaden aan te bieden. De zoon droeg een pels van blauw dassenbont, gevoerd met witte lamswol en de dochter een lange huifmantel van purperlaken met gouden boorden en kwasten.Sogol wierp Harimona eerst den rooden mantel om de schouders en heur witte haren, beschenen door de zon, stroomden als gebleekte zijde over het purper van schouders en rug. Toen sloeg Sogol met waardigen zwaai zichzelf den blauwen pels om de schouders en stak haar vast met den bronzen sluitspeld voor den linkerschouder.„Heer,” zeide de zoon, „mijn vader streed en stierf in uw vaders dienst.”„Volg mi. Du zult mi dienen.”„Heer,” vroeg de dochter, „sta mij toe, uw bruid te dienen.”„Volg haar!” zeide Sogol.En beiden, op schoone rossen stijgend, volgden achter Sogol en Harimona.Voor een tempel aan den weg stonden de priesters blootshoofd, in witte gewaden, met lange grijze baarden en zongen een plechtigen lofzang, toen Sogol naderde.Maar hij, met de punt van zijn bebloed zwaard naar hen duidend, gebood hen met luider stemmen te zwijgen.Een der priesters, een groot, breedgeschouderd man met een rustigen tred, trad op Sogol toe en tot hem opziende vroeg hij:[214]„Heer, is di onze zang niet aangenaam?”„Noch dijn zang, noch dijn wezen!” antwoordde Sogol en reed verder, de priesters niet meer met een blik verwaardigend.Onderwijl hadden de zeelieden aan de velen, die hun om inlichtingen vroegen, van den moed en kracht van prins Sogol verteld. De manke stuurman, meestrompelend in den stoet, heette hem luidde zijn levensredder. De rijzige, kloeke Rytzell, met zijn blauwe, onvervaarde oogen, liep tusschen een drom edelen en verhaalde van de wonderdaden van prins Sogol. Ook had de prins met hem gesproken over de groote goden en hem afvallig gemaakt van Odin. De prins zou in Nervigo den nieuwen godsdienst invoeren, die den menschen moedig maakt en sterker dan al de kleine geesten van woud en stroom en de groote van de zeeën.Voor een groot huis stond een schreiende vrouw.Sogol hield zijn paard in.„Wat deert di?” vroeg hij.„Heer, mijn zoon u tegemoet rijdend, is van zijn ros gestort en ligt binnen met gebroken been!”„Draag hem hier!” beval Sogol.Hij steeg af van ’t paard en nu eerst zagen de Nervische edelen de hooge, waardige gestalte van hun nieuwen vorst.Op een baar werd de zieke naar buiten gedragen. Sogol bevoelde de beide beenen van den jongen man. Het rechterbeen was bij den voet verstuikt, het linker had slechts een vleeschwond.Sogol vroeg olie, wreef de voet met olie en rukte hem weder in ’t lid. Toengeboodhij de vleeschwonde met gekookt water schoon te wasschen, deed geplozen lijnwaad op de wonde leggen, verbond de wonde en beval den jongen man rust.„Zal hij genezen?” vroeg de moeder.[215]„De volgende week verwacht ik hem op ’t kroningsfeest te Beldun!” antwoordde Sogol.De moeder trad op Harimona toe en een tip van heur kleed grijpend, kuste zij de slip.„Wotan were!” riep de zieke op de baar. En van alle zijden klonk een juichend „Wotan were! Wotan were!”Het paard van Sogol, verschrikt door ’t geroep, begon te steigeren, stelde zich op de achterpooten met de voorpooten graaiend in de lucht.De edelen zagen met bewondering, hoe Sogol het paard bedwong door de kracht zijner klemmende beenen.Toen zij het dorp Waldsend bereikt hadden, waar de edelen, door kondschappers gewaarschuwd, in slagorde geschaard, mannen, vrouwen en jonkvrouwen, hem opwachten en het vorstelijk paar met een luid en herhaald: Wotan were!begroetten, traden zeven der oudste edellieden tot voor Sogol.„Heer!” zei de woordvoerder, „de reis van Waldsend naar Frigsbeek, het naaste dorp op den weg naar Beldûn, is ver. Vóór den nacht is het niet te bereiken. Daarom smeeken wij di om de eer in onze stede te willen overnachten.”„Wij zullen blijven,” antwoordde Sogol.De zeven edellieden voerden hem door het dorp naar het groote Dinghus. Sogol en Harimona stegen af en traden het groote houten huis binnen.Binnen in de hal brandde een groot houtvuur en terzijde waren zware eiken zetels met lederen kussens neergezet.Links en rechts waren groote zijzalen. Daar ook waren groote houtvuren aangelegd en breede rustbedden met zachte pelzen belegd, stonden daarbij.Sogol en Harimona zetten zich op de zetels voor den haard en rustten een wijle. Een edelvrouw met hare dochters naderde en vroeg wanneer de vorst en zijn bruid het maal wenschten te zien opgediend.[216]„Zoodra,” beval Sogol. „Buiten staan vijf Scandiërs. Laat ze binnentreden en disch voor hen op. Zij zijn vrienden van de Nerviërs.”De vrouwen droegen groote kommen met warme wildbraadsoep, gebraden kippen, eierkoeken, rollen geperste hazelnoten en rood boschbessenkonfijt op. Zij zetten groote kommen met honingbier daarnevens.Sogol en Harimona zaten aan en voor ’t eerst na vele weken, konden zij zich sterken aan een rustigen, welvoorzienen disch.De vijf zeelieden traden beschroomd binnen, maar Sogol noodde ze aan zijn vorstelijke tafel en als gul gastheer gebood hij zijn nieuwen knaap, den zeelieden rijkelijk bier te schenken.Maar hijzelf dronk matig. Nog steeds was hij er niet in geslaagd, een der vijf er toe te brengen, hem den weg naar het vreemde land te wijzen. Wel hadden Rytzell en de stuurman hem onderweg verhalen gedaan van ’t geen zij in ’t vreemde land, dat zij in hun taal Masar noemden, hadden beleefd en welke waren zij er heen brachten, barnsteen, gepolijste horens, bronzen knoopen en sluitspelden. Maar ’t meest toch verkregen zij door wapengeweld. Zij landden ’s nachts aan de kusten, sloegen hun mantels van stierhuid om met de horens boven op ’t hoofd en dan, onder gejoel en geschreeuw, stormden zij de dorpen binnen. De menschen, verschrikt door ’t geweld, meenden dat de duivels losgebroken waren en vluchtten uit hun huizen. Dan namen de lieden al wat hun behaagde en met hun buit snelden zij terug naar hun skig en zeilden snel weg of wanneer de wind niet gunstig was, werden de roeiriemen uitgestoken en de skig werd weggeroeid. Maar welke schatten in de Norigeensche skigge geborgen waren, had geen der zeelieden willen zeggen. Nu deed Sogol hun kroes na kroes volschenken.Harimona, niet begrijpend maar ziende, dat de mannen[217]beschonken raakten, stond op van tafel en door haar maagd gevolgd, ging zij naar het linksche zijvertrek om zich af te zonderen en rust te nemen. Zij liet de twee voorhangen van het toegangspoortje neervallen en legde zich op een der rustbedden neder, na heur maagd geboden te hebben, bij de edelvrouwen lijnwaad voor heur te halen en onderkleederen en voor een warm bad te zorgen.Sogol zond alle aanwezigen uit het vertrek, behalve de vijf Norigenen.Hij moedigde hen steeds maar tot drinken aan, zelf de kannen en kroezen vullend, hun zeggend, dat zij nu met den prins der Nerviërs dronken, maar dat zij zeker binnenkort met den koning der Nerviërs zouden drinken. Doch dan moesten zij niet zooals nu, kleine teugjes nemen gelijk kinderen, maar meer eer aan het brouwsel van ’t Nervische land schenken. Hij had altijd gehoord, dat de Nerigonen de beste drinkers waren van heel Germanje en hij hoopte dat hij zich niet vergist zou hebben.De vijf zeelieden, hoewel ze al veel gedronken hadden, wilden niet de schande lijden, door den toekomstigen koning der Nerviërs geminacht te worden wegens hun gebrek aan dorst.Sogol, ziende dat Rytzell een groote kan in een teug opdronk, knikte goedkeurend.„Opperschipper,” zeide hij, „wie is thans koning van de Scandiërs?”„Hallánder, heer!”1[218]„Zoudt di dijn koning mijn vriendschap willen gaan aanbieden?”„De eer is groot, heer.”[219]„Zeg hem, dat Sogol, koning der Nerviërs, di zendt. Ik zal di een schoon zwaard medegeven om dijn koning te schenken en twaalf Nervische paarden met twaalf knechten.”„Heer, du bent te goed voor mi …”„Drink met mi, op het heil van koning Hallánder. Wotan were!”Sogol hief zijn kroes op. De Scandiërs hieven hun kroezen eveneens op en ledigden ze tot op den bodem.„Nu een lied, een Norigeensch lied!” riep Sogol.Rytzell stond op en begon te zingen:Een zeeman ging het zeegat uit,Al om ver weg te varen,En achter liet hij toen zijn bruid,Een meid met blonde haren.Zijn liefje wachtte aan de heg,Alwaar de koetjes grazen.De skiggen voeren heel ver weg,De winden bleven blazen.Toen ’s nachts de bruigom wachtstond had,Zwom voor hem op de baren,Een meeremin in ’t pekelbad,Met lange, blonde haren.De meermin sprak toen: „Schippersmaat,Ik kom di niet vervelen,De morgen rijst, het wordt al laat,Laat ons een beetje spelen.”De zeeman zei:„Dou valsche kol,Ik ga met di niet mede,Speel di alleen dijn rolde bol,Mijn bruid wacht op de reede.”De meermin sprak:„Dou domme maat,Dijn meid vrijt met een ander,Waarvan ze zich braaf kussen laat,Bij Wotan, ’t is een schande.”[220]Het meerwijf lonkte hem zoo zoet,Hij is haar gaan gelooven,De maat sprong bij haar in den vloed,Nooit kwam hij weer naar boven.En aan het strand op verre ree,Stond toen de bruid te schreien,Zij stortte zich op ’t lest in zee,Daar rusten ze nu beien.De andere zeelieden, goed beschonken, begonnen nu ook liedjes te zingen en Sogol, steeds zorgend dat de kroezen gevuld bleven, begon hen te roemen en voorzichtig uit te vragen naar den weg naar ’t vreemde land.Rytzell, hoewel smoordronken, behield zijn geslotenheid. Maar de roes beving hem en hij stortte van de bank en bleef onder de tafel liggen ronken.De manke stuurman, los van tong, begon nu van het vreemde land tevertellen. Het was een verward dronkemans verhaal, vol leugens en verdichtsels en hij vertelde de geschiedenis van zijn gevangenzetting en verlossing door de boschniksen alsof zij in ’t land Masar was voorgevallen. Maar tusschen het dronkenmansgelol door hoorde Sogol, dat de schepen altoos gericht werden links van de ster Raíts, zoodat met deze steeds recht achter de nôta van de skig moest zien. Op den terugtocht moest men weder op Raíts aanvaren, zoodat de ster nu recht voor den boeg stond.Ook vernam hij, dat in ’t vreemde land niet aan Odin geloofd werd en niet aan Wotan, noch aan Thor of Freya. Zij hadden daar een vreemden god, die onzichtbaar was en de deugdzamen gingen stervend op in het niet. Maar de slechten werden na den dood in dieren veranderd, tot zij door leed gereinigd waren.Meer dan dat kon hij niet te weten komen, want de zeelieden begonnen liedjes te lollen en vielen daarna één voor één terzij van hun zetels en begonnen te ronken.Toen was Sogol tevreden. Hij riep edelen naar binnen[221]en beval, dat men de dronken lieden naar hun rustbedden zou leiden.De edellieden, ziende dat allen dronken waren behalve Sogol, voelden grooten eerbied voor den jongen vorst, die blijkbaar zoo goed drinken kon.Nu ook legde Sogol zich ter ruste. Maar tegen den avond stond hij op, riep de oudsten der edelen bijeen en liet hen in de groote hal, zittend rondom het houtvuur, dat het vertrek met zachten rossen gloed verlichtte, verhalen wat in ’t land gebeurd was, sedert hij het had verlaten.En vol verwondering hoorde hij van koning Kundric en zijn strijdvrouwen. Van de twisten tusschen de mannen en de vrouwen en van de regeering van koning Solbert, die de edelen had geknecht en de knechten geadeld en nu met de vrijgelatenenwachtte op den beslissenden slag, die de edelen hoopten onder Sogols aanvoering te zullen winnen.In den nacht was Sogol weder alleen. Maar zijn gedachten waren niet bij de staatszaken.Hij peinsde over het vreemde land, het wondere Masar, dat lag tegenover de ster Raíts en waar een god was, wiens zaligheid in vernietiging bestond.En in zijn nachtdroom voer hij op een groote skig, over verre groene zeeën naar een heilig wit land, dat aan den einder oprees.[222]1Sommigen meenen, dat de Scandiërs tegen 100 v. Chr onder Odin uit Azië zijn gekomen. Anderen noemen als datum 250 n. Chr. Is de onderstelling te gewaagd, dat de Scandiërs een Aziatisch kustvolk waren? Eenige hunner schepen werden totScandiagedreven, daar landden de lieden na lange zwerftocht, vestigden er zich en huwden met vrouwen van andere volksstammen. Hun oorspronkelijke beschaving ging grootendeels verloren, maar zij behielden herinnering zoowel van den cultus als van de ligging van het land hunner afkomst, ten minste van het bestaan daarvan. Men heeft te weinig aandacht geschonken aan het feit,[218]dat het menschelijk instinct, het onbekende te doorvorschen, zoo goed den Aziaten op den zoek naar ’t avondland heeft gedreven als het, vele eeuwen later, den Europeërs (Spanjaarden, Portugeezen, Nederlanders) op den zoek naar ’t morgenland drong. Ulysses, Columbus, Magalhaens, Willem Barendts, Livingstone, Emin-Pascha, Stanley staan niet zonder verband in de geschiedenis van het menschdom. Thans, nu de oppervlakte van onze planeet zoo goed als bekend is, onderzoeken wij de andere hemellichamen, wier oppervlakten zeker het menschdom eens eveneens bekend zullen zijn, sedert de spectraal-analyse aan heeftgetoondhoe verreikend schijnbaar eenvoudige middelen kunnen zijn. De vele moderne Mars-romans zijn weinig anders dan de vooruitloopende fantasie—de voelhoorns van ons instinct—en de wetenschap zal ze eens ontnuchteren, zooals de wetenschap de fantastische verhalen der ouden omtrent onontdekte zeeën en landen, hun „Mars-romans”, ontnuchterd heeft, maar nietgeheeltot onwaarheid gemaakt. Wij vermoeden méér dan wij weten of wellicht juister, wij weten méér dan wij vermoeden.En meent men, dat ook de Aziatische oer-volkeren niet het Ulysses-Columbustype hebben gehad? Veronderstel dat Barendts en de zijnen werkelijk er in geslaagd waren om de Pool heen te komen, tot b.v. Japan door te dringen, dáár gevangen waren genomen, tot dienstbaarheid verplicht, gevlucht naar een eiland, zich vermengd hadden met de eilandbevolking?Na eenige eeuwen zou dan op zoo’n eiland een bevolking leven, wier raadselachtige afkomst den etnologen veel te denken zou geven.Daar hebt gij wellicht Othon en de zijnen.… en men bedenke, dat Othon waarschijnlijk niet een sanskriet-geleerde aan boord had, zooals Gerrit de Veer een kenner van ’t Nederlandsch was, daar bij de oude Indiërs het schrijven, een gewijde kennis, uitsluitend door de priesters beoefend werd.Wij zouden méér van de oud-Germaansche geschiedenis te weten komen indien men op de gymnasia in eenige klassen met het Sanskriet-leeren begon op twaalf-jarigen leeftijd; thans, nu men met Sanskriet-studie aanvangt op een leeftijd, waarop het geheugenwerk moeielijk valt, gaan uitstekende denkers en zoekers verloren voor een vak, dat ons tegenwoordig véél meer belangstelling behoort in te boezemen dan de humaniora, die nu sedert eeuwen voldoende zijn doorzocht en zelfs in de meest gewaagde conjuncturen geen groote verrassingen meer opleveren, wat men van conjuncturen als deze, vermoed ik, niet beweren zal.↑
[Inhoud]HOOFDSTUK XV.In Nervigo wachtte koning Solbert vol spanning op de komst van Harimona. Toen hij hoorde, dat de edelen hun vrouwen en dochters gewapend hadden om mede te vechten, voelde hij zich weder vol hoop op de toekomst. Zoo zwak was dus hun bent en zoo gering hun aantal, dat zij de hulp der wijven moesten inroepen!De vrijgelatenen echter werden met den dag veeleischender. Zij hadden uit hun midden een raad van oudsten benoemd en zij eischten, dat Solbert zich aan de besluiten van dezen raad zou onderwerpen. De raad van oudsten wilde een nieuw Ding instellen, waartoe elke vrijgelatene toegang zou hebben. De Nervigo zou opnieuw verdeeld worden en elke sippe zou een stuk grond toegewezen krijgen. De edelen, voor zoover zij niet in den slag zouden worden geveld, zouden tot hoorigen vernederd worden en voortaan aan de overwinnaars ondergeschikt zijn en heerediensten verrichten.Toen de zeven oudste vrijgelatenen koning Solbert dit voorstel deden, zeide hij niets en beheerschte ook de uitdrukking van zijn gelaat. Maar in zijn hart zwol een diepe verachting voor het hondsche volk, dat nauwelijks zelf de vrijheid had verworven of het poogde anderen tot slaven te maken. Zijn verachting werd afschuw, toen vrouwen van vrijgelatenen van Solbert de belofte wilden afdwingen, dat de edelvrouwen en jonkvrouwen, die zoo moedig haar mans in den strijd wilden bijstaan, na de overwinning haar tot dienstmaagden zouden worden gegeven.„Na de overwinning, zeker, na de overwinning!” beloofde koning Solbert.[209]In zichzelf vloekte hij op de laaghartige wijven en toen hij ze, tevreden met zijn belofte, zag heengaan, op den hof van zijn paleis arm in arm loopend, de schunnige oproerliedjes zingend, lachte hij smadelijk.Na de overwinning! Maar het zou niet overwinnen, dat slaventuig. In hun verderf zou hij ze voeren, mannen en vrouwen, ze laten neerhakken met kortzwaard en aakst, vertrappen laten onder de hoeven der paarden, zooals ze verdienden.Hoe had hij hun best gewild. Rechten en vrijheid had hij hun gegeven en tot dank wilden zij zijn recht, zijn hoog koningsrecht verkorten en zijn wil tot het goede en deugdzame buigen, opnieuw slavernij en hoorigheid invoerend in de Nervigo, dat hij tot een vrij land had willen maken, zooals de Batouw vrij was, waar geen edelen en geen hoorigen waren maar alleen saksaanvoerders voor oorlogstijd en een volksding voor de zaken van recht en rede.Zoo ging het den koningen, die, met het volk heulden. Indien hij er in slaagde, zijn macht opnieuw te bevestigen, zou zijn hand zwaar drukken op de hoorigen. Dicht zou hij zich aansluiten bij de edelen en zich herinneren, hoe het volk der hoorigen hem beloond had voor zijn rechtvaardigheid en deugd.De edelen, die door kondschappers hoorden, hoe de hoorigen koning Solbert behandelden, wel wetend dat een leger van grauw zonder gehoorzaamheid en ontzag door een kloeke, vastberaden bent, ook al was ze klein, kon worden neergeslagen als dor hout, voelden zich zeker van de overwinning.De winter begon zich te doen gevoelen. Stormen staken op en daarna ving het aan te sneeuwen.De heele Nervigo werd bedekt door een dichte, witte wâ en in de verlaten dorpen der hoorigen heerschte doodsche stilte.[210]De edelen huisden in hun groote hutten, waarvan er sommigen zelfs geheel van steen waren gebouwd.Daar, in de groote hallen, brandden den heelen dag knapperende houtvuren. De mannen zaten voor ’t vuur, sprekend over de kansen van den slag, of oefenden zich in het trekken op ’t kortzwaard om lenig en behendig te blijven. De vrouwen bakten brood, melkten de koeien, sleepten het hout aan voor de haardvuren en ook zij, in de weinige uren die haar restten, oefenden zich in het trekken op het kortzwaard, het zwaaien van de aakst en het steken met de speer, bijgestaan door de mannen, die haar de grepen en de trekken en de verweren toonden.Op een helderen winterdag zagen de edelen, die ’t dichtst aan de grens van het groote Nervische woud woonden, dat op een der grenstorens een vuur was ontstoken. Dadelijk togen zij, hoewel de wegen dikbesneeuwd waren en slecht te herkennen aan de boomen langs den weg van het omringende land, naar de grens. Aan elke groote woning werd stilgehouden en het heuchelijk bericht gemeld, dat prins Sogol in aantocht was. Kondschappers snelden te paard door het gebied, ontstaken vuren in de meld-torens en spoedig waren vele edelen, welgewapend en goed bereden op weg naar den grenstoren, om te vragen van welke zijde prins Sogol naderde.De eerste edelen, die den grenstoren bereikten en van daar den woudweg langs reden waren teleurgesteld, toen zij het kleine troepje zagen naderen. Want Sogol was half naakt en zijn lange haren en verwaarloosde baard, die nadat zij geheel verzengd was geweest, slecht was aangegroeid, gaven hem meer het woeste uiterlijk van een hoorige, dan van een toekomstigen koning. Harimona, de heilige vrouw, in lompen gehuld, barrevoets over de sneeuw loopend, maakte ook geen eerbiedwekkenden indruk.Sogol naderde twee ernstige, breedgebouwde edellieden,[211]die van hun paarden gestegen waren, maar weifelden hem te begroeten.„Kunt di dijn heer niet begroeten, wanneer hij zijn rijk binnentreedt?” vroeg Sogol toornig.De twee zagen elkaar aan en dan de jongste, met zichtbare minachting naar de lompen van Harimona schouwend, antwoordde:„Wie zegt ons, dat du onze heer zijt?”Meteen had Sogol zijn kortzwaard getrokken en sloeg met één slag den man neer.„Ik, Sogol, prins der Nerviërs!” zei hij, met vuur in de oogen.„Breng de paarden voor!” gebood hij den tweeden edelman.Deze, die even de hand aan de greep van zijn zwaard had gebracht, toen zijn reisgenoot met gekloofden schedel neerviel, was doodsbleek geworden maar waagde niet het zwaard te trekken.„Leid de paarden hier!” beval Sogol nogmaals met een dreigend licht in zijn oogen. „Of zoowaar, ’t is met di ook gedaan.”De edelman boog nu het hoofd en naar de twee paarden gaande, leidde hij ze tot voor Sogol en Harimona.Sogol hielp Harimona bij ’t opstijgen en besteeg daarna zelf het tweede paard. Toen nu de edelman de twee te paard zag zitten, ondanks hun lompen, fier, rijzig, rechtop en met waardigheid in de opgeheven hoofden, voelde hij zijn ongelijk en knielend bij het paard van Sogol, zeide hij:„Heer, vergeef mi!”Maar Sogol verwaardigde hem met geen blik, doch reed den weg verder langs, ziende de vuren op de meld-torens branden en van verre, grauw op het wit der sneeuw, de menschen naderen.De edelman was opgestaan en bukte zich tot zijn neergevelden kameraad. Maar deze was levenloos.De vijf Norigeners waren op eenigen afstand gevolgd.[212]Toen zij nu den edelman geknield vonden bij den neergeslagen makker, wiens bleek hoofd op een purperen kussen scheen te liggen, daar de sneeuw het bloed snel had ingezogen en vroegen wie den man had vermoord, antwoordde de edelman:„Hij is niet vermoord maar gericht, omdat hij den prins niet geëerd heeft.”De Norigeners vertelden den edelman van den moed en de kracht van Sogol. Hoe hij den stuurman had bevrijd, de wijven uit haar krocht had gehaald en tot spreken gedwongen en hoe hij op den verderen tocht vreezeloos was geweest in velerlei omstandigheden. Ook spraken zij over Harimona. Ja, zij was een heilige vrouw en leefde in strenge kuischheid. De prins en de heilige jonkvrouw verkeerden met elkaar als geliefden, maar niet als gehuwden.De zeelieden hielpen den edelman zijn gedooden makker naar de naaste woning dragen, waar het lijk werd neergelegd, tot de vader en moeder hun zoon een afscheidsgroet hadden kunnen brengen en voor de verbranding zorg konden dragen. Toen trokken de zeelieden en de edelman achter Sogol en Harimona aan.Deze waren al een eind weegs gevorderd en de andere edellieden, die hun toekomstigen koning tegemoet reden, Sogol en Harimona fier en rijzig ziende op de zware, hooge paarden, staken hun zwaarden met de punt ver in de hoogte, ten teeken van eerbiedigen groet.Ernstig, met zijn nog bebloed kortzwaard met edelen zwier terug groetend, reed Sogol en Harimona nevens hem, voort, zonder te spreken, recht voor zich uitstarend over het verre, blauwblanke vlak der Nervische landen.De edelen vormden een lijfwacht achter hem en bij elke woning, die zij voorbij reden, werd de stoet grooter. Er traden nu ook vrouwen en maagden uit de hutten en huizen, velen met een zwaard of een spiets in de hand,[213]die met heldere stemmen hun juichend een: „Wotan were!” toeriepen.Andere vrouwen kwamen met kannen warme bloesemmelk, schotels geboterde mikjes en konfijt van roode boschbessen en boden die den hoogen prins en de heilige jonkvrouw aan met hoofsch en onderdanig gebaar.Een rijke weduwe, wier man onder Sogols vader had gestreden op ’t Paarden-eiland, ziende dat de prins een schamele pels en de heilige jonkvrouw een door de lange reis verscheurd gewaad droeg, zond heur zoon en heur dochter naar den jongen vorst om hun eigen gewaden aan te bieden. De zoon droeg een pels van blauw dassenbont, gevoerd met witte lamswol en de dochter een lange huifmantel van purperlaken met gouden boorden en kwasten.Sogol wierp Harimona eerst den rooden mantel om de schouders en heur witte haren, beschenen door de zon, stroomden als gebleekte zijde over het purper van schouders en rug. Toen sloeg Sogol met waardigen zwaai zichzelf den blauwen pels om de schouders en stak haar vast met den bronzen sluitspeld voor den linkerschouder.„Heer,” zeide de zoon, „mijn vader streed en stierf in uw vaders dienst.”„Volg mi. Du zult mi dienen.”„Heer,” vroeg de dochter, „sta mij toe, uw bruid te dienen.”„Volg haar!” zeide Sogol.En beiden, op schoone rossen stijgend, volgden achter Sogol en Harimona.Voor een tempel aan den weg stonden de priesters blootshoofd, in witte gewaden, met lange grijze baarden en zongen een plechtigen lofzang, toen Sogol naderde.Maar hij, met de punt van zijn bebloed zwaard naar hen duidend, gebood hen met luider stemmen te zwijgen.Een der priesters, een groot, breedgeschouderd man met een rustigen tred, trad op Sogol toe en tot hem opziende vroeg hij:[214]„Heer, is di onze zang niet aangenaam?”„Noch dijn zang, noch dijn wezen!” antwoordde Sogol en reed verder, de priesters niet meer met een blik verwaardigend.Onderwijl hadden de zeelieden aan de velen, die hun om inlichtingen vroegen, van den moed en kracht van prins Sogol verteld. De manke stuurman, meestrompelend in den stoet, heette hem luidde zijn levensredder. De rijzige, kloeke Rytzell, met zijn blauwe, onvervaarde oogen, liep tusschen een drom edelen en verhaalde van de wonderdaden van prins Sogol. Ook had de prins met hem gesproken over de groote goden en hem afvallig gemaakt van Odin. De prins zou in Nervigo den nieuwen godsdienst invoeren, die den menschen moedig maakt en sterker dan al de kleine geesten van woud en stroom en de groote van de zeeën.Voor een groot huis stond een schreiende vrouw.Sogol hield zijn paard in.„Wat deert di?” vroeg hij.„Heer, mijn zoon u tegemoet rijdend, is van zijn ros gestort en ligt binnen met gebroken been!”„Draag hem hier!” beval Sogol.Hij steeg af van ’t paard en nu eerst zagen de Nervische edelen de hooge, waardige gestalte van hun nieuwen vorst.Op een baar werd de zieke naar buiten gedragen. Sogol bevoelde de beide beenen van den jongen man. Het rechterbeen was bij den voet verstuikt, het linker had slechts een vleeschwond.Sogol vroeg olie, wreef de voet met olie en rukte hem weder in ’t lid. Toengeboodhij de vleeschwonde met gekookt water schoon te wasschen, deed geplozen lijnwaad op de wonde leggen, verbond de wonde en beval den jongen man rust.„Zal hij genezen?” vroeg de moeder.[215]„De volgende week verwacht ik hem op ’t kroningsfeest te Beldun!” antwoordde Sogol.De moeder trad op Harimona toe en een tip van heur kleed grijpend, kuste zij de slip.„Wotan were!” riep de zieke op de baar. En van alle zijden klonk een juichend „Wotan were! Wotan were!”Het paard van Sogol, verschrikt door ’t geroep, begon te steigeren, stelde zich op de achterpooten met de voorpooten graaiend in de lucht.De edelen zagen met bewondering, hoe Sogol het paard bedwong door de kracht zijner klemmende beenen.Toen zij het dorp Waldsend bereikt hadden, waar de edelen, door kondschappers gewaarschuwd, in slagorde geschaard, mannen, vrouwen en jonkvrouwen, hem opwachten en het vorstelijk paar met een luid en herhaald: Wotan were!begroetten, traden zeven der oudste edellieden tot voor Sogol.„Heer!” zei de woordvoerder, „de reis van Waldsend naar Frigsbeek, het naaste dorp op den weg naar Beldûn, is ver. Vóór den nacht is het niet te bereiken. Daarom smeeken wij di om de eer in onze stede te willen overnachten.”„Wij zullen blijven,” antwoordde Sogol.De zeven edellieden voerden hem door het dorp naar het groote Dinghus. Sogol en Harimona stegen af en traden het groote houten huis binnen.Binnen in de hal brandde een groot houtvuur en terzijde waren zware eiken zetels met lederen kussens neergezet.Links en rechts waren groote zijzalen. Daar ook waren groote houtvuren aangelegd en breede rustbedden met zachte pelzen belegd, stonden daarbij.Sogol en Harimona zetten zich op de zetels voor den haard en rustten een wijle. Een edelvrouw met hare dochters naderde en vroeg wanneer de vorst en zijn bruid het maal wenschten te zien opgediend.[216]„Zoodra,” beval Sogol. „Buiten staan vijf Scandiërs. Laat ze binnentreden en disch voor hen op. Zij zijn vrienden van de Nerviërs.”De vrouwen droegen groote kommen met warme wildbraadsoep, gebraden kippen, eierkoeken, rollen geperste hazelnoten en rood boschbessenkonfijt op. Zij zetten groote kommen met honingbier daarnevens.Sogol en Harimona zaten aan en voor ’t eerst na vele weken, konden zij zich sterken aan een rustigen, welvoorzienen disch.De vijf zeelieden traden beschroomd binnen, maar Sogol noodde ze aan zijn vorstelijke tafel en als gul gastheer gebood hij zijn nieuwen knaap, den zeelieden rijkelijk bier te schenken.Maar hijzelf dronk matig. Nog steeds was hij er niet in geslaagd, een der vijf er toe te brengen, hem den weg naar het vreemde land te wijzen. Wel hadden Rytzell en de stuurman hem onderweg verhalen gedaan van ’t geen zij in ’t vreemde land, dat zij in hun taal Masar noemden, hadden beleefd en welke waren zij er heen brachten, barnsteen, gepolijste horens, bronzen knoopen en sluitspelden. Maar ’t meest toch verkregen zij door wapengeweld. Zij landden ’s nachts aan de kusten, sloegen hun mantels van stierhuid om met de horens boven op ’t hoofd en dan, onder gejoel en geschreeuw, stormden zij de dorpen binnen. De menschen, verschrikt door ’t geweld, meenden dat de duivels losgebroken waren en vluchtten uit hun huizen. Dan namen de lieden al wat hun behaagde en met hun buit snelden zij terug naar hun skig en zeilden snel weg of wanneer de wind niet gunstig was, werden de roeiriemen uitgestoken en de skig werd weggeroeid. Maar welke schatten in de Norigeensche skigge geborgen waren, had geen der zeelieden willen zeggen. Nu deed Sogol hun kroes na kroes volschenken.Harimona, niet begrijpend maar ziende, dat de mannen[217]beschonken raakten, stond op van tafel en door haar maagd gevolgd, ging zij naar het linksche zijvertrek om zich af te zonderen en rust te nemen. Zij liet de twee voorhangen van het toegangspoortje neervallen en legde zich op een der rustbedden neder, na heur maagd geboden te hebben, bij de edelvrouwen lijnwaad voor heur te halen en onderkleederen en voor een warm bad te zorgen.Sogol zond alle aanwezigen uit het vertrek, behalve de vijf Norigenen.Hij moedigde hen steeds maar tot drinken aan, zelf de kannen en kroezen vullend, hun zeggend, dat zij nu met den prins der Nerviërs dronken, maar dat zij zeker binnenkort met den koning der Nerviërs zouden drinken. Doch dan moesten zij niet zooals nu, kleine teugjes nemen gelijk kinderen, maar meer eer aan het brouwsel van ’t Nervische land schenken. Hij had altijd gehoord, dat de Nerigonen de beste drinkers waren van heel Germanje en hij hoopte dat hij zich niet vergist zou hebben.De vijf zeelieden, hoewel ze al veel gedronken hadden, wilden niet de schande lijden, door den toekomstigen koning der Nerviërs geminacht te worden wegens hun gebrek aan dorst.Sogol, ziende dat Rytzell een groote kan in een teug opdronk, knikte goedkeurend.„Opperschipper,” zeide hij, „wie is thans koning van de Scandiërs?”„Hallánder, heer!”1[218]„Zoudt di dijn koning mijn vriendschap willen gaan aanbieden?”„De eer is groot, heer.”[219]„Zeg hem, dat Sogol, koning der Nerviërs, di zendt. Ik zal di een schoon zwaard medegeven om dijn koning te schenken en twaalf Nervische paarden met twaalf knechten.”„Heer, du bent te goed voor mi …”„Drink met mi, op het heil van koning Hallánder. Wotan were!”Sogol hief zijn kroes op. De Scandiërs hieven hun kroezen eveneens op en ledigden ze tot op den bodem.„Nu een lied, een Norigeensch lied!” riep Sogol.Rytzell stond op en begon te zingen:Een zeeman ging het zeegat uit,Al om ver weg te varen,En achter liet hij toen zijn bruid,Een meid met blonde haren.Zijn liefje wachtte aan de heg,Alwaar de koetjes grazen.De skiggen voeren heel ver weg,De winden bleven blazen.Toen ’s nachts de bruigom wachtstond had,Zwom voor hem op de baren,Een meeremin in ’t pekelbad,Met lange, blonde haren.De meermin sprak toen: „Schippersmaat,Ik kom di niet vervelen,De morgen rijst, het wordt al laat,Laat ons een beetje spelen.”De zeeman zei:„Dou valsche kol,Ik ga met di niet mede,Speel di alleen dijn rolde bol,Mijn bruid wacht op de reede.”De meermin sprak:„Dou domme maat,Dijn meid vrijt met een ander,Waarvan ze zich braaf kussen laat,Bij Wotan, ’t is een schande.”[220]Het meerwijf lonkte hem zoo zoet,Hij is haar gaan gelooven,De maat sprong bij haar in den vloed,Nooit kwam hij weer naar boven.En aan het strand op verre ree,Stond toen de bruid te schreien,Zij stortte zich op ’t lest in zee,Daar rusten ze nu beien.De andere zeelieden, goed beschonken, begonnen nu ook liedjes te zingen en Sogol, steeds zorgend dat de kroezen gevuld bleven, begon hen te roemen en voorzichtig uit te vragen naar den weg naar ’t vreemde land.Rytzell, hoewel smoordronken, behield zijn geslotenheid. Maar de roes beving hem en hij stortte van de bank en bleef onder de tafel liggen ronken.De manke stuurman, los van tong, begon nu van het vreemde land tevertellen. Het was een verward dronkemans verhaal, vol leugens en verdichtsels en hij vertelde de geschiedenis van zijn gevangenzetting en verlossing door de boschniksen alsof zij in ’t land Masar was voorgevallen. Maar tusschen het dronkenmansgelol door hoorde Sogol, dat de schepen altoos gericht werden links van de ster Raíts, zoodat met deze steeds recht achter de nôta van de skig moest zien. Op den terugtocht moest men weder op Raíts aanvaren, zoodat de ster nu recht voor den boeg stond.Ook vernam hij, dat in ’t vreemde land niet aan Odin geloofd werd en niet aan Wotan, noch aan Thor of Freya. Zij hadden daar een vreemden god, die onzichtbaar was en de deugdzamen gingen stervend op in het niet. Maar de slechten werden na den dood in dieren veranderd, tot zij door leed gereinigd waren.Meer dan dat kon hij niet te weten komen, want de zeelieden begonnen liedjes te lollen en vielen daarna één voor één terzij van hun zetels en begonnen te ronken.Toen was Sogol tevreden. Hij riep edelen naar binnen[221]en beval, dat men de dronken lieden naar hun rustbedden zou leiden.De edellieden, ziende dat allen dronken waren behalve Sogol, voelden grooten eerbied voor den jongen vorst, die blijkbaar zoo goed drinken kon.Nu ook legde Sogol zich ter ruste. Maar tegen den avond stond hij op, riep de oudsten der edelen bijeen en liet hen in de groote hal, zittend rondom het houtvuur, dat het vertrek met zachten rossen gloed verlichtte, verhalen wat in ’t land gebeurd was, sedert hij het had verlaten.En vol verwondering hoorde hij van koning Kundric en zijn strijdvrouwen. Van de twisten tusschen de mannen en de vrouwen en van de regeering van koning Solbert, die de edelen had geknecht en de knechten geadeld en nu met de vrijgelatenenwachtte op den beslissenden slag, die de edelen hoopten onder Sogols aanvoering te zullen winnen.In den nacht was Sogol weder alleen. Maar zijn gedachten waren niet bij de staatszaken.Hij peinsde over het vreemde land, het wondere Masar, dat lag tegenover de ster Raíts en waar een god was, wiens zaligheid in vernietiging bestond.En in zijn nachtdroom voer hij op een groote skig, over verre groene zeeën naar een heilig wit land, dat aan den einder oprees.[222]1Sommigen meenen, dat de Scandiërs tegen 100 v. Chr onder Odin uit Azië zijn gekomen. Anderen noemen als datum 250 n. Chr. Is de onderstelling te gewaagd, dat de Scandiërs een Aziatisch kustvolk waren? Eenige hunner schepen werden totScandiagedreven, daar landden de lieden na lange zwerftocht, vestigden er zich en huwden met vrouwen van andere volksstammen. Hun oorspronkelijke beschaving ging grootendeels verloren, maar zij behielden herinnering zoowel van den cultus als van de ligging van het land hunner afkomst, ten minste van het bestaan daarvan. Men heeft te weinig aandacht geschonken aan het feit,[218]dat het menschelijk instinct, het onbekende te doorvorschen, zoo goed den Aziaten op den zoek naar ’t avondland heeft gedreven als het, vele eeuwen later, den Europeërs (Spanjaarden, Portugeezen, Nederlanders) op den zoek naar ’t morgenland drong. Ulysses, Columbus, Magalhaens, Willem Barendts, Livingstone, Emin-Pascha, Stanley staan niet zonder verband in de geschiedenis van het menschdom. Thans, nu de oppervlakte van onze planeet zoo goed als bekend is, onderzoeken wij de andere hemellichamen, wier oppervlakten zeker het menschdom eens eveneens bekend zullen zijn, sedert de spectraal-analyse aan heeftgetoondhoe verreikend schijnbaar eenvoudige middelen kunnen zijn. De vele moderne Mars-romans zijn weinig anders dan de vooruitloopende fantasie—de voelhoorns van ons instinct—en de wetenschap zal ze eens ontnuchteren, zooals de wetenschap de fantastische verhalen der ouden omtrent onontdekte zeeën en landen, hun „Mars-romans”, ontnuchterd heeft, maar nietgeheeltot onwaarheid gemaakt. Wij vermoeden méér dan wij weten of wellicht juister, wij weten méér dan wij vermoeden.En meent men, dat ook de Aziatische oer-volkeren niet het Ulysses-Columbustype hebben gehad? Veronderstel dat Barendts en de zijnen werkelijk er in geslaagd waren om de Pool heen te komen, tot b.v. Japan door te dringen, dáár gevangen waren genomen, tot dienstbaarheid verplicht, gevlucht naar een eiland, zich vermengd hadden met de eilandbevolking?Na eenige eeuwen zou dan op zoo’n eiland een bevolking leven, wier raadselachtige afkomst den etnologen veel te denken zou geven.Daar hebt gij wellicht Othon en de zijnen.… en men bedenke, dat Othon waarschijnlijk niet een sanskriet-geleerde aan boord had, zooals Gerrit de Veer een kenner van ’t Nederlandsch was, daar bij de oude Indiërs het schrijven, een gewijde kennis, uitsluitend door de priesters beoefend werd.Wij zouden méér van de oud-Germaansche geschiedenis te weten komen indien men op de gymnasia in eenige klassen met het Sanskriet-leeren begon op twaalf-jarigen leeftijd; thans, nu men met Sanskriet-studie aanvangt op een leeftijd, waarop het geheugenwerk moeielijk valt, gaan uitstekende denkers en zoekers verloren voor een vak, dat ons tegenwoordig véél meer belangstelling behoort in te boezemen dan de humaniora, die nu sedert eeuwen voldoende zijn doorzocht en zelfs in de meest gewaagde conjuncturen geen groote verrassingen meer opleveren, wat men van conjuncturen als deze, vermoed ik, niet beweren zal.↑
[Inhoud]HOOFDSTUK XV.In Nervigo wachtte koning Solbert vol spanning op de komst van Harimona. Toen hij hoorde, dat de edelen hun vrouwen en dochters gewapend hadden om mede te vechten, voelde hij zich weder vol hoop op de toekomst. Zoo zwak was dus hun bent en zoo gering hun aantal, dat zij de hulp der wijven moesten inroepen!De vrijgelatenen echter werden met den dag veeleischender. Zij hadden uit hun midden een raad van oudsten benoemd en zij eischten, dat Solbert zich aan de besluiten van dezen raad zou onderwerpen. De raad van oudsten wilde een nieuw Ding instellen, waartoe elke vrijgelatene toegang zou hebben. De Nervigo zou opnieuw verdeeld worden en elke sippe zou een stuk grond toegewezen krijgen. De edelen, voor zoover zij niet in den slag zouden worden geveld, zouden tot hoorigen vernederd worden en voortaan aan de overwinnaars ondergeschikt zijn en heerediensten verrichten.Toen de zeven oudste vrijgelatenen koning Solbert dit voorstel deden, zeide hij niets en beheerschte ook de uitdrukking van zijn gelaat. Maar in zijn hart zwol een diepe verachting voor het hondsche volk, dat nauwelijks zelf de vrijheid had verworven of het poogde anderen tot slaven te maken. Zijn verachting werd afschuw, toen vrouwen van vrijgelatenen van Solbert de belofte wilden afdwingen, dat de edelvrouwen en jonkvrouwen, die zoo moedig haar mans in den strijd wilden bijstaan, na de overwinning haar tot dienstmaagden zouden worden gegeven.„Na de overwinning, zeker, na de overwinning!” beloofde koning Solbert.[209]In zichzelf vloekte hij op de laaghartige wijven en toen hij ze, tevreden met zijn belofte, zag heengaan, op den hof van zijn paleis arm in arm loopend, de schunnige oproerliedjes zingend, lachte hij smadelijk.Na de overwinning! Maar het zou niet overwinnen, dat slaventuig. In hun verderf zou hij ze voeren, mannen en vrouwen, ze laten neerhakken met kortzwaard en aakst, vertrappen laten onder de hoeven der paarden, zooals ze verdienden.Hoe had hij hun best gewild. Rechten en vrijheid had hij hun gegeven en tot dank wilden zij zijn recht, zijn hoog koningsrecht verkorten en zijn wil tot het goede en deugdzame buigen, opnieuw slavernij en hoorigheid invoerend in de Nervigo, dat hij tot een vrij land had willen maken, zooals de Batouw vrij was, waar geen edelen en geen hoorigen waren maar alleen saksaanvoerders voor oorlogstijd en een volksding voor de zaken van recht en rede.Zoo ging het den koningen, die, met het volk heulden. Indien hij er in slaagde, zijn macht opnieuw te bevestigen, zou zijn hand zwaar drukken op de hoorigen. Dicht zou hij zich aansluiten bij de edelen en zich herinneren, hoe het volk der hoorigen hem beloond had voor zijn rechtvaardigheid en deugd.De edelen, die door kondschappers hoorden, hoe de hoorigen koning Solbert behandelden, wel wetend dat een leger van grauw zonder gehoorzaamheid en ontzag door een kloeke, vastberaden bent, ook al was ze klein, kon worden neergeslagen als dor hout, voelden zich zeker van de overwinning.De winter begon zich te doen gevoelen. Stormen staken op en daarna ving het aan te sneeuwen.De heele Nervigo werd bedekt door een dichte, witte wâ en in de verlaten dorpen der hoorigen heerschte doodsche stilte.[210]De edelen huisden in hun groote hutten, waarvan er sommigen zelfs geheel van steen waren gebouwd.Daar, in de groote hallen, brandden den heelen dag knapperende houtvuren. De mannen zaten voor ’t vuur, sprekend over de kansen van den slag, of oefenden zich in het trekken op ’t kortzwaard om lenig en behendig te blijven. De vrouwen bakten brood, melkten de koeien, sleepten het hout aan voor de haardvuren en ook zij, in de weinige uren die haar restten, oefenden zich in het trekken op het kortzwaard, het zwaaien van de aakst en het steken met de speer, bijgestaan door de mannen, die haar de grepen en de trekken en de verweren toonden.Op een helderen winterdag zagen de edelen, die ’t dichtst aan de grens van het groote Nervische woud woonden, dat op een der grenstorens een vuur was ontstoken. Dadelijk togen zij, hoewel de wegen dikbesneeuwd waren en slecht te herkennen aan de boomen langs den weg van het omringende land, naar de grens. Aan elke groote woning werd stilgehouden en het heuchelijk bericht gemeld, dat prins Sogol in aantocht was. Kondschappers snelden te paard door het gebied, ontstaken vuren in de meld-torens en spoedig waren vele edelen, welgewapend en goed bereden op weg naar den grenstoren, om te vragen van welke zijde prins Sogol naderde.De eerste edelen, die den grenstoren bereikten en van daar den woudweg langs reden waren teleurgesteld, toen zij het kleine troepje zagen naderen. Want Sogol was half naakt en zijn lange haren en verwaarloosde baard, die nadat zij geheel verzengd was geweest, slecht was aangegroeid, gaven hem meer het woeste uiterlijk van een hoorige, dan van een toekomstigen koning. Harimona, de heilige vrouw, in lompen gehuld, barrevoets over de sneeuw loopend, maakte ook geen eerbiedwekkenden indruk.Sogol naderde twee ernstige, breedgebouwde edellieden,[211]die van hun paarden gestegen waren, maar weifelden hem te begroeten.„Kunt di dijn heer niet begroeten, wanneer hij zijn rijk binnentreedt?” vroeg Sogol toornig.De twee zagen elkaar aan en dan de jongste, met zichtbare minachting naar de lompen van Harimona schouwend, antwoordde:„Wie zegt ons, dat du onze heer zijt?”Meteen had Sogol zijn kortzwaard getrokken en sloeg met één slag den man neer.„Ik, Sogol, prins der Nerviërs!” zei hij, met vuur in de oogen.„Breng de paarden voor!” gebood hij den tweeden edelman.Deze, die even de hand aan de greep van zijn zwaard had gebracht, toen zijn reisgenoot met gekloofden schedel neerviel, was doodsbleek geworden maar waagde niet het zwaard te trekken.„Leid de paarden hier!” beval Sogol nogmaals met een dreigend licht in zijn oogen. „Of zoowaar, ’t is met di ook gedaan.”De edelman boog nu het hoofd en naar de twee paarden gaande, leidde hij ze tot voor Sogol en Harimona.Sogol hielp Harimona bij ’t opstijgen en besteeg daarna zelf het tweede paard. Toen nu de edelman de twee te paard zag zitten, ondanks hun lompen, fier, rijzig, rechtop en met waardigheid in de opgeheven hoofden, voelde hij zijn ongelijk en knielend bij het paard van Sogol, zeide hij:„Heer, vergeef mi!”Maar Sogol verwaardigde hem met geen blik, doch reed den weg verder langs, ziende de vuren op de meld-torens branden en van verre, grauw op het wit der sneeuw, de menschen naderen.De edelman was opgestaan en bukte zich tot zijn neergevelden kameraad. Maar deze was levenloos.De vijf Norigeners waren op eenigen afstand gevolgd.[212]Toen zij nu den edelman geknield vonden bij den neergeslagen makker, wiens bleek hoofd op een purperen kussen scheen te liggen, daar de sneeuw het bloed snel had ingezogen en vroegen wie den man had vermoord, antwoordde de edelman:„Hij is niet vermoord maar gericht, omdat hij den prins niet geëerd heeft.”De Norigeners vertelden den edelman van den moed en de kracht van Sogol. Hoe hij den stuurman had bevrijd, de wijven uit haar krocht had gehaald en tot spreken gedwongen en hoe hij op den verderen tocht vreezeloos was geweest in velerlei omstandigheden. Ook spraken zij over Harimona. Ja, zij was een heilige vrouw en leefde in strenge kuischheid. De prins en de heilige jonkvrouw verkeerden met elkaar als geliefden, maar niet als gehuwden.De zeelieden hielpen den edelman zijn gedooden makker naar de naaste woning dragen, waar het lijk werd neergelegd, tot de vader en moeder hun zoon een afscheidsgroet hadden kunnen brengen en voor de verbranding zorg konden dragen. Toen trokken de zeelieden en de edelman achter Sogol en Harimona aan.Deze waren al een eind weegs gevorderd en de andere edellieden, die hun toekomstigen koning tegemoet reden, Sogol en Harimona fier en rijzig ziende op de zware, hooge paarden, staken hun zwaarden met de punt ver in de hoogte, ten teeken van eerbiedigen groet.Ernstig, met zijn nog bebloed kortzwaard met edelen zwier terug groetend, reed Sogol en Harimona nevens hem, voort, zonder te spreken, recht voor zich uitstarend over het verre, blauwblanke vlak der Nervische landen.De edelen vormden een lijfwacht achter hem en bij elke woning, die zij voorbij reden, werd de stoet grooter. Er traden nu ook vrouwen en maagden uit de hutten en huizen, velen met een zwaard of een spiets in de hand,[213]die met heldere stemmen hun juichend een: „Wotan were!” toeriepen.Andere vrouwen kwamen met kannen warme bloesemmelk, schotels geboterde mikjes en konfijt van roode boschbessen en boden die den hoogen prins en de heilige jonkvrouw aan met hoofsch en onderdanig gebaar.Een rijke weduwe, wier man onder Sogols vader had gestreden op ’t Paarden-eiland, ziende dat de prins een schamele pels en de heilige jonkvrouw een door de lange reis verscheurd gewaad droeg, zond heur zoon en heur dochter naar den jongen vorst om hun eigen gewaden aan te bieden. De zoon droeg een pels van blauw dassenbont, gevoerd met witte lamswol en de dochter een lange huifmantel van purperlaken met gouden boorden en kwasten.Sogol wierp Harimona eerst den rooden mantel om de schouders en heur witte haren, beschenen door de zon, stroomden als gebleekte zijde over het purper van schouders en rug. Toen sloeg Sogol met waardigen zwaai zichzelf den blauwen pels om de schouders en stak haar vast met den bronzen sluitspeld voor den linkerschouder.„Heer,” zeide de zoon, „mijn vader streed en stierf in uw vaders dienst.”„Volg mi. Du zult mi dienen.”„Heer,” vroeg de dochter, „sta mij toe, uw bruid te dienen.”„Volg haar!” zeide Sogol.En beiden, op schoone rossen stijgend, volgden achter Sogol en Harimona.Voor een tempel aan den weg stonden de priesters blootshoofd, in witte gewaden, met lange grijze baarden en zongen een plechtigen lofzang, toen Sogol naderde.Maar hij, met de punt van zijn bebloed zwaard naar hen duidend, gebood hen met luider stemmen te zwijgen.Een der priesters, een groot, breedgeschouderd man met een rustigen tred, trad op Sogol toe en tot hem opziende vroeg hij:[214]„Heer, is di onze zang niet aangenaam?”„Noch dijn zang, noch dijn wezen!” antwoordde Sogol en reed verder, de priesters niet meer met een blik verwaardigend.Onderwijl hadden de zeelieden aan de velen, die hun om inlichtingen vroegen, van den moed en kracht van prins Sogol verteld. De manke stuurman, meestrompelend in den stoet, heette hem luidde zijn levensredder. De rijzige, kloeke Rytzell, met zijn blauwe, onvervaarde oogen, liep tusschen een drom edelen en verhaalde van de wonderdaden van prins Sogol. Ook had de prins met hem gesproken over de groote goden en hem afvallig gemaakt van Odin. De prins zou in Nervigo den nieuwen godsdienst invoeren, die den menschen moedig maakt en sterker dan al de kleine geesten van woud en stroom en de groote van de zeeën.Voor een groot huis stond een schreiende vrouw.Sogol hield zijn paard in.„Wat deert di?” vroeg hij.„Heer, mijn zoon u tegemoet rijdend, is van zijn ros gestort en ligt binnen met gebroken been!”„Draag hem hier!” beval Sogol.Hij steeg af van ’t paard en nu eerst zagen de Nervische edelen de hooge, waardige gestalte van hun nieuwen vorst.Op een baar werd de zieke naar buiten gedragen. Sogol bevoelde de beide beenen van den jongen man. Het rechterbeen was bij den voet verstuikt, het linker had slechts een vleeschwond.Sogol vroeg olie, wreef de voet met olie en rukte hem weder in ’t lid. Toengeboodhij de vleeschwonde met gekookt water schoon te wasschen, deed geplozen lijnwaad op de wonde leggen, verbond de wonde en beval den jongen man rust.„Zal hij genezen?” vroeg de moeder.[215]„De volgende week verwacht ik hem op ’t kroningsfeest te Beldun!” antwoordde Sogol.De moeder trad op Harimona toe en een tip van heur kleed grijpend, kuste zij de slip.„Wotan were!” riep de zieke op de baar. En van alle zijden klonk een juichend „Wotan were! Wotan were!”Het paard van Sogol, verschrikt door ’t geroep, begon te steigeren, stelde zich op de achterpooten met de voorpooten graaiend in de lucht.De edelen zagen met bewondering, hoe Sogol het paard bedwong door de kracht zijner klemmende beenen.Toen zij het dorp Waldsend bereikt hadden, waar de edelen, door kondschappers gewaarschuwd, in slagorde geschaard, mannen, vrouwen en jonkvrouwen, hem opwachten en het vorstelijk paar met een luid en herhaald: Wotan were!begroetten, traden zeven der oudste edellieden tot voor Sogol.„Heer!” zei de woordvoerder, „de reis van Waldsend naar Frigsbeek, het naaste dorp op den weg naar Beldûn, is ver. Vóór den nacht is het niet te bereiken. Daarom smeeken wij di om de eer in onze stede te willen overnachten.”„Wij zullen blijven,” antwoordde Sogol.De zeven edellieden voerden hem door het dorp naar het groote Dinghus. Sogol en Harimona stegen af en traden het groote houten huis binnen.Binnen in de hal brandde een groot houtvuur en terzijde waren zware eiken zetels met lederen kussens neergezet.Links en rechts waren groote zijzalen. Daar ook waren groote houtvuren aangelegd en breede rustbedden met zachte pelzen belegd, stonden daarbij.Sogol en Harimona zetten zich op de zetels voor den haard en rustten een wijle. Een edelvrouw met hare dochters naderde en vroeg wanneer de vorst en zijn bruid het maal wenschten te zien opgediend.[216]„Zoodra,” beval Sogol. „Buiten staan vijf Scandiërs. Laat ze binnentreden en disch voor hen op. Zij zijn vrienden van de Nerviërs.”De vrouwen droegen groote kommen met warme wildbraadsoep, gebraden kippen, eierkoeken, rollen geperste hazelnoten en rood boschbessenkonfijt op. Zij zetten groote kommen met honingbier daarnevens.Sogol en Harimona zaten aan en voor ’t eerst na vele weken, konden zij zich sterken aan een rustigen, welvoorzienen disch.De vijf zeelieden traden beschroomd binnen, maar Sogol noodde ze aan zijn vorstelijke tafel en als gul gastheer gebood hij zijn nieuwen knaap, den zeelieden rijkelijk bier te schenken.Maar hijzelf dronk matig. Nog steeds was hij er niet in geslaagd, een der vijf er toe te brengen, hem den weg naar het vreemde land te wijzen. Wel hadden Rytzell en de stuurman hem onderweg verhalen gedaan van ’t geen zij in ’t vreemde land, dat zij in hun taal Masar noemden, hadden beleefd en welke waren zij er heen brachten, barnsteen, gepolijste horens, bronzen knoopen en sluitspelden. Maar ’t meest toch verkregen zij door wapengeweld. Zij landden ’s nachts aan de kusten, sloegen hun mantels van stierhuid om met de horens boven op ’t hoofd en dan, onder gejoel en geschreeuw, stormden zij de dorpen binnen. De menschen, verschrikt door ’t geweld, meenden dat de duivels losgebroken waren en vluchtten uit hun huizen. Dan namen de lieden al wat hun behaagde en met hun buit snelden zij terug naar hun skig en zeilden snel weg of wanneer de wind niet gunstig was, werden de roeiriemen uitgestoken en de skig werd weggeroeid. Maar welke schatten in de Norigeensche skigge geborgen waren, had geen der zeelieden willen zeggen. Nu deed Sogol hun kroes na kroes volschenken.Harimona, niet begrijpend maar ziende, dat de mannen[217]beschonken raakten, stond op van tafel en door haar maagd gevolgd, ging zij naar het linksche zijvertrek om zich af te zonderen en rust te nemen. Zij liet de twee voorhangen van het toegangspoortje neervallen en legde zich op een der rustbedden neder, na heur maagd geboden te hebben, bij de edelvrouwen lijnwaad voor heur te halen en onderkleederen en voor een warm bad te zorgen.Sogol zond alle aanwezigen uit het vertrek, behalve de vijf Norigenen.Hij moedigde hen steeds maar tot drinken aan, zelf de kannen en kroezen vullend, hun zeggend, dat zij nu met den prins der Nerviërs dronken, maar dat zij zeker binnenkort met den koning der Nerviërs zouden drinken. Doch dan moesten zij niet zooals nu, kleine teugjes nemen gelijk kinderen, maar meer eer aan het brouwsel van ’t Nervische land schenken. Hij had altijd gehoord, dat de Nerigonen de beste drinkers waren van heel Germanje en hij hoopte dat hij zich niet vergist zou hebben.De vijf zeelieden, hoewel ze al veel gedronken hadden, wilden niet de schande lijden, door den toekomstigen koning der Nerviërs geminacht te worden wegens hun gebrek aan dorst.Sogol, ziende dat Rytzell een groote kan in een teug opdronk, knikte goedkeurend.„Opperschipper,” zeide hij, „wie is thans koning van de Scandiërs?”„Hallánder, heer!”1[218]„Zoudt di dijn koning mijn vriendschap willen gaan aanbieden?”„De eer is groot, heer.”[219]„Zeg hem, dat Sogol, koning der Nerviërs, di zendt. Ik zal di een schoon zwaard medegeven om dijn koning te schenken en twaalf Nervische paarden met twaalf knechten.”„Heer, du bent te goed voor mi …”„Drink met mi, op het heil van koning Hallánder. Wotan were!”Sogol hief zijn kroes op. De Scandiërs hieven hun kroezen eveneens op en ledigden ze tot op den bodem.„Nu een lied, een Norigeensch lied!” riep Sogol.Rytzell stond op en begon te zingen:Een zeeman ging het zeegat uit,Al om ver weg te varen,En achter liet hij toen zijn bruid,Een meid met blonde haren.Zijn liefje wachtte aan de heg,Alwaar de koetjes grazen.De skiggen voeren heel ver weg,De winden bleven blazen.Toen ’s nachts de bruigom wachtstond had,Zwom voor hem op de baren,Een meeremin in ’t pekelbad,Met lange, blonde haren.De meermin sprak toen: „Schippersmaat,Ik kom di niet vervelen,De morgen rijst, het wordt al laat,Laat ons een beetje spelen.”De zeeman zei:„Dou valsche kol,Ik ga met di niet mede,Speel di alleen dijn rolde bol,Mijn bruid wacht op de reede.”De meermin sprak:„Dou domme maat,Dijn meid vrijt met een ander,Waarvan ze zich braaf kussen laat,Bij Wotan, ’t is een schande.”[220]Het meerwijf lonkte hem zoo zoet,Hij is haar gaan gelooven,De maat sprong bij haar in den vloed,Nooit kwam hij weer naar boven.En aan het strand op verre ree,Stond toen de bruid te schreien,Zij stortte zich op ’t lest in zee,Daar rusten ze nu beien.De andere zeelieden, goed beschonken, begonnen nu ook liedjes te zingen en Sogol, steeds zorgend dat de kroezen gevuld bleven, begon hen te roemen en voorzichtig uit te vragen naar den weg naar ’t vreemde land.Rytzell, hoewel smoordronken, behield zijn geslotenheid. Maar de roes beving hem en hij stortte van de bank en bleef onder de tafel liggen ronken.De manke stuurman, los van tong, begon nu van het vreemde land tevertellen. Het was een verward dronkemans verhaal, vol leugens en verdichtsels en hij vertelde de geschiedenis van zijn gevangenzetting en verlossing door de boschniksen alsof zij in ’t land Masar was voorgevallen. Maar tusschen het dronkenmansgelol door hoorde Sogol, dat de schepen altoos gericht werden links van de ster Raíts, zoodat met deze steeds recht achter de nôta van de skig moest zien. Op den terugtocht moest men weder op Raíts aanvaren, zoodat de ster nu recht voor den boeg stond.Ook vernam hij, dat in ’t vreemde land niet aan Odin geloofd werd en niet aan Wotan, noch aan Thor of Freya. Zij hadden daar een vreemden god, die onzichtbaar was en de deugdzamen gingen stervend op in het niet. Maar de slechten werden na den dood in dieren veranderd, tot zij door leed gereinigd waren.Meer dan dat kon hij niet te weten komen, want de zeelieden begonnen liedjes te lollen en vielen daarna één voor één terzij van hun zetels en begonnen te ronken.Toen was Sogol tevreden. Hij riep edelen naar binnen[221]en beval, dat men de dronken lieden naar hun rustbedden zou leiden.De edellieden, ziende dat allen dronken waren behalve Sogol, voelden grooten eerbied voor den jongen vorst, die blijkbaar zoo goed drinken kon.Nu ook legde Sogol zich ter ruste. Maar tegen den avond stond hij op, riep de oudsten der edelen bijeen en liet hen in de groote hal, zittend rondom het houtvuur, dat het vertrek met zachten rossen gloed verlichtte, verhalen wat in ’t land gebeurd was, sedert hij het had verlaten.En vol verwondering hoorde hij van koning Kundric en zijn strijdvrouwen. Van de twisten tusschen de mannen en de vrouwen en van de regeering van koning Solbert, die de edelen had geknecht en de knechten geadeld en nu met de vrijgelatenenwachtte op den beslissenden slag, die de edelen hoopten onder Sogols aanvoering te zullen winnen.In den nacht was Sogol weder alleen. Maar zijn gedachten waren niet bij de staatszaken.Hij peinsde over het vreemde land, het wondere Masar, dat lag tegenover de ster Raíts en waar een god was, wiens zaligheid in vernietiging bestond.En in zijn nachtdroom voer hij op een groote skig, over verre groene zeeën naar een heilig wit land, dat aan den einder oprees.[222]1Sommigen meenen, dat de Scandiërs tegen 100 v. Chr onder Odin uit Azië zijn gekomen. Anderen noemen als datum 250 n. Chr. Is de onderstelling te gewaagd, dat de Scandiërs een Aziatisch kustvolk waren? Eenige hunner schepen werden totScandiagedreven, daar landden de lieden na lange zwerftocht, vestigden er zich en huwden met vrouwen van andere volksstammen. Hun oorspronkelijke beschaving ging grootendeels verloren, maar zij behielden herinnering zoowel van den cultus als van de ligging van het land hunner afkomst, ten minste van het bestaan daarvan. Men heeft te weinig aandacht geschonken aan het feit,[218]dat het menschelijk instinct, het onbekende te doorvorschen, zoo goed den Aziaten op den zoek naar ’t avondland heeft gedreven als het, vele eeuwen later, den Europeërs (Spanjaarden, Portugeezen, Nederlanders) op den zoek naar ’t morgenland drong. Ulysses, Columbus, Magalhaens, Willem Barendts, Livingstone, Emin-Pascha, Stanley staan niet zonder verband in de geschiedenis van het menschdom. Thans, nu de oppervlakte van onze planeet zoo goed als bekend is, onderzoeken wij de andere hemellichamen, wier oppervlakten zeker het menschdom eens eveneens bekend zullen zijn, sedert de spectraal-analyse aan heeftgetoondhoe verreikend schijnbaar eenvoudige middelen kunnen zijn. De vele moderne Mars-romans zijn weinig anders dan de vooruitloopende fantasie—de voelhoorns van ons instinct—en de wetenschap zal ze eens ontnuchteren, zooals de wetenschap de fantastische verhalen der ouden omtrent onontdekte zeeën en landen, hun „Mars-romans”, ontnuchterd heeft, maar nietgeheeltot onwaarheid gemaakt. Wij vermoeden méér dan wij weten of wellicht juister, wij weten méér dan wij vermoeden.En meent men, dat ook de Aziatische oer-volkeren niet het Ulysses-Columbustype hebben gehad? Veronderstel dat Barendts en de zijnen werkelijk er in geslaagd waren om de Pool heen te komen, tot b.v. Japan door te dringen, dáár gevangen waren genomen, tot dienstbaarheid verplicht, gevlucht naar een eiland, zich vermengd hadden met de eilandbevolking?Na eenige eeuwen zou dan op zoo’n eiland een bevolking leven, wier raadselachtige afkomst den etnologen veel te denken zou geven.Daar hebt gij wellicht Othon en de zijnen.… en men bedenke, dat Othon waarschijnlijk niet een sanskriet-geleerde aan boord had, zooals Gerrit de Veer een kenner van ’t Nederlandsch was, daar bij de oude Indiërs het schrijven, een gewijde kennis, uitsluitend door de priesters beoefend werd.Wij zouden méér van de oud-Germaansche geschiedenis te weten komen indien men op de gymnasia in eenige klassen met het Sanskriet-leeren begon op twaalf-jarigen leeftijd; thans, nu men met Sanskriet-studie aanvangt op een leeftijd, waarop het geheugenwerk moeielijk valt, gaan uitstekende denkers en zoekers verloren voor een vak, dat ons tegenwoordig véél meer belangstelling behoort in te boezemen dan de humaniora, die nu sedert eeuwen voldoende zijn doorzocht en zelfs in de meest gewaagde conjuncturen geen groote verrassingen meer opleveren, wat men van conjuncturen als deze, vermoed ik, niet beweren zal.↑
HOOFDSTUK XV.
In Nervigo wachtte koning Solbert vol spanning op de komst van Harimona. Toen hij hoorde, dat de edelen hun vrouwen en dochters gewapend hadden om mede te vechten, voelde hij zich weder vol hoop op de toekomst. Zoo zwak was dus hun bent en zoo gering hun aantal, dat zij de hulp der wijven moesten inroepen!De vrijgelatenen echter werden met den dag veeleischender. Zij hadden uit hun midden een raad van oudsten benoemd en zij eischten, dat Solbert zich aan de besluiten van dezen raad zou onderwerpen. De raad van oudsten wilde een nieuw Ding instellen, waartoe elke vrijgelatene toegang zou hebben. De Nervigo zou opnieuw verdeeld worden en elke sippe zou een stuk grond toegewezen krijgen. De edelen, voor zoover zij niet in den slag zouden worden geveld, zouden tot hoorigen vernederd worden en voortaan aan de overwinnaars ondergeschikt zijn en heerediensten verrichten.Toen de zeven oudste vrijgelatenen koning Solbert dit voorstel deden, zeide hij niets en beheerschte ook de uitdrukking van zijn gelaat. Maar in zijn hart zwol een diepe verachting voor het hondsche volk, dat nauwelijks zelf de vrijheid had verworven of het poogde anderen tot slaven te maken. Zijn verachting werd afschuw, toen vrouwen van vrijgelatenen van Solbert de belofte wilden afdwingen, dat de edelvrouwen en jonkvrouwen, die zoo moedig haar mans in den strijd wilden bijstaan, na de overwinning haar tot dienstmaagden zouden worden gegeven.„Na de overwinning, zeker, na de overwinning!” beloofde koning Solbert.[209]In zichzelf vloekte hij op de laaghartige wijven en toen hij ze, tevreden met zijn belofte, zag heengaan, op den hof van zijn paleis arm in arm loopend, de schunnige oproerliedjes zingend, lachte hij smadelijk.Na de overwinning! Maar het zou niet overwinnen, dat slaventuig. In hun verderf zou hij ze voeren, mannen en vrouwen, ze laten neerhakken met kortzwaard en aakst, vertrappen laten onder de hoeven der paarden, zooals ze verdienden.Hoe had hij hun best gewild. Rechten en vrijheid had hij hun gegeven en tot dank wilden zij zijn recht, zijn hoog koningsrecht verkorten en zijn wil tot het goede en deugdzame buigen, opnieuw slavernij en hoorigheid invoerend in de Nervigo, dat hij tot een vrij land had willen maken, zooals de Batouw vrij was, waar geen edelen en geen hoorigen waren maar alleen saksaanvoerders voor oorlogstijd en een volksding voor de zaken van recht en rede.Zoo ging het den koningen, die, met het volk heulden. Indien hij er in slaagde, zijn macht opnieuw te bevestigen, zou zijn hand zwaar drukken op de hoorigen. Dicht zou hij zich aansluiten bij de edelen en zich herinneren, hoe het volk der hoorigen hem beloond had voor zijn rechtvaardigheid en deugd.De edelen, die door kondschappers hoorden, hoe de hoorigen koning Solbert behandelden, wel wetend dat een leger van grauw zonder gehoorzaamheid en ontzag door een kloeke, vastberaden bent, ook al was ze klein, kon worden neergeslagen als dor hout, voelden zich zeker van de overwinning.De winter begon zich te doen gevoelen. Stormen staken op en daarna ving het aan te sneeuwen.De heele Nervigo werd bedekt door een dichte, witte wâ en in de verlaten dorpen der hoorigen heerschte doodsche stilte.[210]De edelen huisden in hun groote hutten, waarvan er sommigen zelfs geheel van steen waren gebouwd.Daar, in de groote hallen, brandden den heelen dag knapperende houtvuren. De mannen zaten voor ’t vuur, sprekend over de kansen van den slag, of oefenden zich in het trekken op ’t kortzwaard om lenig en behendig te blijven. De vrouwen bakten brood, melkten de koeien, sleepten het hout aan voor de haardvuren en ook zij, in de weinige uren die haar restten, oefenden zich in het trekken op het kortzwaard, het zwaaien van de aakst en het steken met de speer, bijgestaan door de mannen, die haar de grepen en de trekken en de verweren toonden.Op een helderen winterdag zagen de edelen, die ’t dichtst aan de grens van het groote Nervische woud woonden, dat op een der grenstorens een vuur was ontstoken. Dadelijk togen zij, hoewel de wegen dikbesneeuwd waren en slecht te herkennen aan de boomen langs den weg van het omringende land, naar de grens. Aan elke groote woning werd stilgehouden en het heuchelijk bericht gemeld, dat prins Sogol in aantocht was. Kondschappers snelden te paard door het gebied, ontstaken vuren in de meld-torens en spoedig waren vele edelen, welgewapend en goed bereden op weg naar den grenstoren, om te vragen van welke zijde prins Sogol naderde.De eerste edelen, die den grenstoren bereikten en van daar den woudweg langs reden waren teleurgesteld, toen zij het kleine troepje zagen naderen. Want Sogol was half naakt en zijn lange haren en verwaarloosde baard, die nadat zij geheel verzengd was geweest, slecht was aangegroeid, gaven hem meer het woeste uiterlijk van een hoorige, dan van een toekomstigen koning. Harimona, de heilige vrouw, in lompen gehuld, barrevoets over de sneeuw loopend, maakte ook geen eerbiedwekkenden indruk.Sogol naderde twee ernstige, breedgebouwde edellieden,[211]die van hun paarden gestegen waren, maar weifelden hem te begroeten.„Kunt di dijn heer niet begroeten, wanneer hij zijn rijk binnentreedt?” vroeg Sogol toornig.De twee zagen elkaar aan en dan de jongste, met zichtbare minachting naar de lompen van Harimona schouwend, antwoordde:„Wie zegt ons, dat du onze heer zijt?”Meteen had Sogol zijn kortzwaard getrokken en sloeg met één slag den man neer.„Ik, Sogol, prins der Nerviërs!” zei hij, met vuur in de oogen.„Breng de paarden voor!” gebood hij den tweeden edelman.Deze, die even de hand aan de greep van zijn zwaard had gebracht, toen zijn reisgenoot met gekloofden schedel neerviel, was doodsbleek geworden maar waagde niet het zwaard te trekken.„Leid de paarden hier!” beval Sogol nogmaals met een dreigend licht in zijn oogen. „Of zoowaar, ’t is met di ook gedaan.”De edelman boog nu het hoofd en naar de twee paarden gaande, leidde hij ze tot voor Sogol en Harimona.Sogol hielp Harimona bij ’t opstijgen en besteeg daarna zelf het tweede paard. Toen nu de edelman de twee te paard zag zitten, ondanks hun lompen, fier, rijzig, rechtop en met waardigheid in de opgeheven hoofden, voelde hij zijn ongelijk en knielend bij het paard van Sogol, zeide hij:„Heer, vergeef mi!”Maar Sogol verwaardigde hem met geen blik, doch reed den weg verder langs, ziende de vuren op de meld-torens branden en van verre, grauw op het wit der sneeuw, de menschen naderen.De edelman was opgestaan en bukte zich tot zijn neergevelden kameraad. Maar deze was levenloos.De vijf Norigeners waren op eenigen afstand gevolgd.[212]Toen zij nu den edelman geknield vonden bij den neergeslagen makker, wiens bleek hoofd op een purperen kussen scheen te liggen, daar de sneeuw het bloed snel had ingezogen en vroegen wie den man had vermoord, antwoordde de edelman:„Hij is niet vermoord maar gericht, omdat hij den prins niet geëerd heeft.”De Norigeners vertelden den edelman van den moed en de kracht van Sogol. Hoe hij den stuurman had bevrijd, de wijven uit haar krocht had gehaald en tot spreken gedwongen en hoe hij op den verderen tocht vreezeloos was geweest in velerlei omstandigheden. Ook spraken zij over Harimona. Ja, zij was een heilige vrouw en leefde in strenge kuischheid. De prins en de heilige jonkvrouw verkeerden met elkaar als geliefden, maar niet als gehuwden.De zeelieden hielpen den edelman zijn gedooden makker naar de naaste woning dragen, waar het lijk werd neergelegd, tot de vader en moeder hun zoon een afscheidsgroet hadden kunnen brengen en voor de verbranding zorg konden dragen. Toen trokken de zeelieden en de edelman achter Sogol en Harimona aan.Deze waren al een eind weegs gevorderd en de andere edellieden, die hun toekomstigen koning tegemoet reden, Sogol en Harimona fier en rijzig ziende op de zware, hooge paarden, staken hun zwaarden met de punt ver in de hoogte, ten teeken van eerbiedigen groet.Ernstig, met zijn nog bebloed kortzwaard met edelen zwier terug groetend, reed Sogol en Harimona nevens hem, voort, zonder te spreken, recht voor zich uitstarend over het verre, blauwblanke vlak der Nervische landen.De edelen vormden een lijfwacht achter hem en bij elke woning, die zij voorbij reden, werd de stoet grooter. Er traden nu ook vrouwen en maagden uit de hutten en huizen, velen met een zwaard of een spiets in de hand,[213]die met heldere stemmen hun juichend een: „Wotan were!” toeriepen.Andere vrouwen kwamen met kannen warme bloesemmelk, schotels geboterde mikjes en konfijt van roode boschbessen en boden die den hoogen prins en de heilige jonkvrouw aan met hoofsch en onderdanig gebaar.Een rijke weduwe, wier man onder Sogols vader had gestreden op ’t Paarden-eiland, ziende dat de prins een schamele pels en de heilige jonkvrouw een door de lange reis verscheurd gewaad droeg, zond heur zoon en heur dochter naar den jongen vorst om hun eigen gewaden aan te bieden. De zoon droeg een pels van blauw dassenbont, gevoerd met witte lamswol en de dochter een lange huifmantel van purperlaken met gouden boorden en kwasten.Sogol wierp Harimona eerst den rooden mantel om de schouders en heur witte haren, beschenen door de zon, stroomden als gebleekte zijde over het purper van schouders en rug. Toen sloeg Sogol met waardigen zwaai zichzelf den blauwen pels om de schouders en stak haar vast met den bronzen sluitspeld voor den linkerschouder.„Heer,” zeide de zoon, „mijn vader streed en stierf in uw vaders dienst.”„Volg mi. Du zult mi dienen.”„Heer,” vroeg de dochter, „sta mij toe, uw bruid te dienen.”„Volg haar!” zeide Sogol.En beiden, op schoone rossen stijgend, volgden achter Sogol en Harimona.Voor een tempel aan den weg stonden de priesters blootshoofd, in witte gewaden, met lange grijze baarden en zongen een plechtigen lofzang, toen Sogol naderde.Maar hij, met de punt van zijn bebloed zwaard naar hen duidend, gebood hen met luider stemmen te zwijgen.Een der priesters, een groot, breedgeschouderd man met een rustigen tred, trad op Sogol toe en tot hem opziende vroeg hij:[214]„Heer, is di onze zang niet aangenaam?”„Noch dijn zang, noch dijn wezen!” antwoordde Sogol en reed verder, de priesters niet meer met een blik verwaardigend.Onderwijl hadden de zeelieden aan de velen, die hun om inlichtingen vroegen, van den moed en kracht van prins Sogol verteld. De manke stuurman, meestrompelend in den stoet, heette hem luidde zijn levensredder. De rijzige, kloeke Rytzell, met zijn blauwe, onvervaarde oogen, liep tusschen een drom edelen en verhaalde van de wonderdaden van prins Sogol. Ook had de prins met hem gesproken over de groote goden en hem afvallig gemaakt van Odin. De prins zou in Nervigo den nieuwen godsdienst invoeren, die den menschen moedig maakt en sterker dan al de kleine geesten van woud en stroom en de groote van de zeeën.Voor een groot huis stond een schreiende vrouw.Sogol hield zijn paard in.„Wat deert di?” vroeg hij.„Heer, mijn zoon u tegemoet rijdend, is van zijn ros gestort en ligt binnen met gebroken been!”„Draag hem hier!” beval Sogol.Hij steeg af van ’t paard en nu eerst zagen de Nervische edelen de hooge, waardige gestalte van hun nieuwen vorst.Op een baar werd de zieke naar buiten gedragen. Sogol bevoelde de beide beenen van den jongen man. Het rechterbeen was bij den voet verstuikt, het linker had slechts een vleeschwond.Sogol vroeg olie, wreef de voet met olie en rukte hem weder in ’t lid. Toengeboodhij de vleeschwonde met gekookt water schoon te wasschen, deed geplozen lijnwaad op de wonde leggen, verbond de wonde en beval den jongen man rust.„Zal hij genezen?” vroeg de moeder.[215]„De volgende week verwacht ik hem op ’t kroningsfeest te Beldun!” antwoordde Sogol.De moeder trad op Harimona toe en een tip van heur kleed grijpend, kuste zij de slip.„Wotan were!” riep de zieke op de baar. En van alle zijden klonk een juichend „Wotan were! Wotan were!”Het paard van Sogol, verschrikt door ’t geroep, begon te steigeren, stelde zich op de achterpooten met de voorpooten graaiend in de lucht.De edelen zagen met bewondering, hoe Sogol het paard bedwong door de kracht zijner klemmende beenen.Toen zij het dorp Waldsend bereikt hadden, waar de edelen, door kondschappers gewaarschuwd, in slagorde geschaard, mannen, vrouwen en jonkvrouwen, hem opwachten en het vorstelijk paar met een luid en herhaald: Wotan were!begroetten, traden zeven der oudste edellieden tot voor Sogol.„Heer!” zei de woordvoerder, „de reis van Waldsend naar Frigsbeek, het naaste dorp op den weg naar Beldûn, is ver. Vóór den nacht is het niet te bereiken. Daarom smeeken wij di om de eer in onze stede te willen overnachten.”„Wij zullen blijven,” antwoordde Sogol.De zeven edellieden voerden hem door het dorp naar het groote Dinghus. Sogol en Harimona stegen af en traden het groote houten huis binnen.Binnen in de hal brandde een groot houtvuur en terzijde waren zware eiken zetels met lederen kussens neergezet.Links en rechts waren groote zijzalen. Daar ook waren groote houtvuren aangelegd en breede rustbedden met zachte pelzen belegd, stonden daarbij.Sogol en Harimona zetten zich op de zetels voor den haard en rustten een wijle. Een edelvrouw met hare dochters naderde en vroeg wanneer de vorst en zijn bruid het maal wenschten te zien opgediend.[216]„Zoodra,” beval Sogol. „Buiten staan vijf Scandiërs. Laat ze binnentreden en disch voor hen op. Zij zijn vrienden van de Nerviërs.”De vrouwen droegen groote kommen met warme wildbraadsoep, gebraden kippen, eierkoeken, rollen geperste hazelnoten en rood boschbessenkonfijt op. Zij zetten groote kommen met honingbier daarnevens.Sogol en Harimona zaten aan en voor ’t eerst na vele weken, konden zij zich sterken aan een rustigen, welvoorzienen disch.De vijf zeelieden traden beschroomd binnen, maar Sogol noodde ze aan zijn vorstelijke tafel en als gul gastheer gebood hij zijn nieuwen knaap, den zeelieden rijkelijk bier te schenken.Maar hijzelf dronk matig. Nog steeds was hij er niet in geslaagd, een der vijf er toe te brengen, hem den weg naar het vreemde land te wijzen. Wel hadden Rytzell en de stuurman hem onderweg verhalen gedaan van ’t geen zij in ’t vreemde land, dat zij in hun taal Masar noemden, hadden beleefd en welke waren zij er heen brachten, barnsteen, gepolijste horens, bronzen knoopen en sluitspelden. Maar ’t meest toch verkregen zij door wapengeweld. Zij landden ’s nachts aan de kusten, sloegen hun mantels van stierhuid om met de horens boven op ’t hoofd en dan, onder gejoel en geschreeuw, stormden zij de dorpen binnen. De menschen, verschrikt door ’t geweld, meenden dat de duivels losgebroken waren en vluchtten uit hun huizen. Dan namen de lieden al wat hun behaagde en met hun buit snelden zij terug naar hun skig en zeilden snel weg of wanneer de wind niet gunstig was, werden de roeiriemen uitgestoken en de skig werd weggeroeid. Maar welke schatten in de Norigeensche skigge geborgen waren, had geen der zeelieden willen zeggen. Nu deed Sogol hun kroes na kroes volschenken.Harimona, niet begrijpend maar ziende, dat de mannen[217]beschonken raakten, stond op van tafel en door haar maagd gevolgd, ging zij naar het linksche zijvertrek om zich af te zonderen en rust te nemen. Zij liet de twee voorhangen van het toegangspoortje neervallen en legde zich op een der rustbedden neder, na heur maagd geboden te hebben, bij de edelvrouwen lijnwaad voor heur te halen en onderkleederen en voor een warm bad te zorgen.Sogol zond alle aanwezigen uit het vertrek, behalve de vijf Norigenen.Hij moedigde hen steeds maar tot drinken aan, zelf de kannen en kroezen vullend, hun zeggend, dat zij nu met den prins der Nerviërs dronken, maar dat zij zeker binnenkort met den koning der Nerviërs zouden drinken. Doch dan moesten zij niet zooals nu, kleine teugjes nemen gelijk kinderen, maar meer eer aan het brouwsel van ’t Nervische land schenken. Hij had altijd gehoord, dat de Nerigonen de beste drinkers waren van heel Germanje en hij hoopte dat hij zich niet vergist zou hebben.De vijf zeelieden, hoewel ze al veel gedronken hadden, wilden niet de schande lijden, door den toekomstigen koning der Nerviërs geminacht te worden wegens hun gebrek aan dorst.Sogol, ziende dat Rytzell een groote kan in een teug opdronk, knikte goedkeurend.„Opperschipper,” zeide hij, „wie is thans koning van de Scandiërs?”„Hallánder, heer!”1[218]„Zoudt di dijn koning mijn vriendschap willen gaan aanbieden?”„De eer is groot, heer.”[219]„Zeg hem, dat Sogol, koning der Nerviërs, di zendt. Ik zal di een schoon zwaard medegeven om dijn koning te schenken en twaalf Nervische paarden met twaalf knechten.”„Heer, du bent te goed voor mi …”„Drink met mi, op het heil van koning Hallánder. Wotan were!”Sogol hief zijn kroes op. De Scandiërs hieven hun kroezen eveneens op en ledigden ze tot op den bodem.„Nu een lied, een Norigeensch lied!” riep Sogol.Rytzell stond op en begon te zingen:Een zeeman ging het zeegat uit,Al om ver weg te varen,En achter liet hij toen zijn bruid,Een meid met blonde haren.Zijn liefje wachtte aan de heg,Alwaar de koetjes grazen.De skiggen voeren heel ver weg,De winden bleven blazen.Toen ’s nachts de bruigom wachtstond had,Zwom voor hem op de baren,Een meeremin in ’t pekelbad,Met lange, blonde haren.De meermin sprak toen: „Schippersmaat,Ik kom di niet vervelen,De morgen rijst, het wordt al laat,Laat ons een beetje spelen.”De zeeman zei:„Dou valsche kol,Ik ga met di niet mede,Speel di alleen dijn rolde bol,Mijn bruid wacht op de reede.”De meermin sprak:„Dou domme maat,Dijn meid vrijt met een ander,Waarvan ze zich braaf kussen laat,Bij Wotan, ’t is een schande.”[220]Het meerwijf lonkte hem zoo zoet,Hij is haar gaan gelooven,De maat sprong bij haar in den vloed,Nooit kwam hij weer naar boven.En aan het strand op verre ree,Stond toen de bruid te schreien,Zij stortte zich op ’t lest in zee,Daar rusten ze nu beien.De andere zeelieden, goed beschonken, begonnen nu ook liedjes te zingen en Sogol, steeds zorgend dat de kroezen gevuld bleven, begon hen te roemen en voorzichtig uit te vragen naar den weg naar ’t vreemde land.Rytzell, hoewel smoordronken, behield zijn geslotenheid. Maar de roes beving hem en hij stortte van de bank en bleef onder de tafel liggen ronken.De manke stuurman, los van tong, begon nu van het vreemde land tevertellen. Het was een verward dronkemans verhaal, vol leugens en verdichtsels en hij vertelde de geschiedenis van zijn gevangenzetting en verlossing door de boschniksen alsof zij in ’t land Masar was voorgevallen. Maar tusschen het dronkenmansgelol door hoorde Sogol, dat de schepen altoos gericht werden links van de ster Raíts, zoodat met deze steeds recht achter de nôta van de skig moest zien. Op den terugtocht moest men weder op Raíts aanvaren, zoodat de ster nu recht voor den boeg stond.Ook vernam hij, dat in ’t vreemde land niet aan Odin geloofd werd en niet aan Wotan, noch aan Thor of Freya. Zij hadden daar een vreemden god, die onzichtbaar was en de deugdzamen gingen stervend op in het niet. Maar de slechten werden na den dood in dieren veranderd, tot zij door leed gereinigd waren.Meer dan dat kon hij niet te weten komen, want de zeelieden begonnen liedjes te lollen en vielen daarna één voor één terzij van hun zetels en begonnen te ronken.Toen was Sogol tevreden. Hij riep edelen naar binnen[221]en beval, dat men de dronken lieden naar hun rustbedden zou leiden.De edellieden, ziende dat allen dronken waren behalve Sogol, voelden grooten eerbied voor den jongen vorst, die blijkbaar zoo goed drinken kon.Nu ook legde Sogol zich ter ruste. Maar tegen den avond stond hij op, riep de oudsten der edelen bijeen en liet hen in de groote hal, zittend rondom het houtvuur, dat het vertrek met zachten rossen gloed verlichtte, verhalen wat in ’t land gebeurd was, sedert hij het had verlaten.En vol verwondering hoorde hij van koning Kundric en zijn strijdvrouwen. Van de twisten tusschen de mannen en de vrouwen en van de regeering van koning Solbert, die de edelen had geknecht en de knechten geadeld en nu met de vrijgelatenenwachtte op den beslissenden slag, die de edelen hoopten onder Sogols aanvoering te zullen winnen.In den nacht was Sogol weder alleen. Maar zijn gedachten waren niet bij de staatszaken.Hij peinsde over het vreemde land, het wondere Masar, dat lag tegenover de ster Raíts en waar een god was, wiens zaligheid in vernietiging bestond.En in zijn nachtdroom voer hij op een groote skig, over verre groene zeeën naar een heilig wit land, dat aan den einder oprees.[222]
In Nervigo wachtte koning Solbert vol spanning op de komst van Harimona. Toen hij hoorde, dat de edelen hun vrouwen en dochters gewapend hadden om mede te vechten, voelde hij zich weder vol hoop op de toekomst. Zoo zwak was dus hun bent en zoo gering hun aantal, dat zij de hulp der wijven moesten inroepen!
De vrijgelatenen echter werden met den dag veeleischender. Zij hadden uit hun midden een raad van oudsten benoemd en zij eischten, dat Solbert zich aan de besluiten van dezen raad zou onderwerpen. De raad van oudsten wilde een nieuw Ding instellen, waartoe elke vrijgelatene toegang zou hebben. De Nervigo zou opnieuw verdeeld worden en elke sippe zou een stuk grond toegewezen krijgen. De edelen, voor zoover zij niet in den slag zouden worden geveld, zouden tot hoorigen vernederd worden en voortaan aan de overwinnaars ondergeschikt zijn en heerediensten verrichten.
Toen de zeven oudste vrijgelatenen koning Solbert dit voorstel deden, zeide hij niets en beheerschte ook de uitdrukking van zijn gelaat. Maar in zijn hart zwol een diepe verachting voor het hondsche volk, dat nauwelijks zelf de vrijheid had verworven of het poogde anderen tot slaven te maken. Zijn verachting werd afschuw, toen vrouwen van vrijgelatenen van Solbert de belofte wilden afdwingen, dat de edelvrouwen en jonkvrouwen, die zoo moedig haar mans in den strijd wilden bijstaan, na de overwinning haar tot dienstmaagden zouden worden gegeven.
„Na de overwinning, zeker, na de overwinning!” beloofde koning Solbert.[209]
In zichzelf vloekte hij op de laaghartige wijven en toen hij ze, tevreden met zijn belofte, zag heengaan, op den hof van zijn paleis arm in arm loopend, de schunnige oproerliedjes zingend, lachte hij smadelijk.
Na de overwinning! Maar het zou niet overwinnen, dat slaventuig. In hun verderf zou hij ze voeren, mannen en vrouwen, ze laten neerhakken met kortzwaard en aakst, vertrappen laten onder de hoeven der paarden, zooals ze verdienden.
Hoe had hij hun best gewild. Rechten en vrijheid had hij hun gegeven en tot dank wilden zij zijn recht, zijn hoog koningsrecht verkorten en zijn wil tot het goede en deugdzame buigen, opnieuw slavernij en hoorigheid invoerend in de Nervigo, dat hij tot een vrij land had willen maken, zooals de Batouw vrij was, waar geen edelen en geen hoorigen waren maar alleen saksaanvoerders voor oorlogstijd en een volksding voor de zaken van recht en rede.
Zoo ging het den koningen, die, met het volk heulden. Indien hij er in slaagde, zijn macht opnieuw te bevestigen, zou zijn hand zwaar drukken op de hoorigen. Dicht zou hij zich aansluiten bij de edelen en zich herinneren, hoe het volk der hoorigen hem beloond had voor zijn rechtvaardigheid en deugd.
De edelen, die door kondschappers hoorden, hoe de hoorigen koning Solbert behandelden, wel wetend dat een leger van grauw zonder gehoorzaamheid en ontzag door een kloeke, vastberaden bent, ook al was ze klein, kon worden neergeslagen als dor hout, voelden zich zeker van de overwinning.
De winter begon zich te doen gevoelen. Stormen staken op en daarna ving het aan te sneeuwen.
De heele Nervigo werd bedekt door een dichte, witte wâ en in de verlaten dorpen der hoorigen heerschte doodsche stilte.[210]
De edelen huisden in hun groote hutten, waarvan er sommigen zelfs geheel van steen waren gebouwd.
Daar, in de groote hallen, brandden den heelen dag knapperende houtvuren. De mannen zaten voor ’t vuur, sprekend over de kansen van den slag, of oefenden zich in het trekken op ’t kortzwaard om lenig en behendig te blijven. De vrouwen bakten brood, melkten de koeien, sleepten het hout aan voor de haardvuren en ook zij, in de weinige uren die haar restten, oefenden zich in het trekken op het kortzwaard, het zwaaien van de aakst en het steken met de speer, bijgestaan door de mannen, die haar de grepen en de trekken en de verweren toonden.
Op een helderen winterdag zagen de edelen, die ’t dichtst aan de grens van het groote Nervische woud woonden, dat op een der grenstorens een vuur was ontstoken. Dadelijk togen zij, hoewel de wegen dikbesneeuwd waren en slecht te herkennen aan de boomen langs den weg van het omringende land, naar de grens. Aan elke groote woning werd stilgehouden en het heuchelijk bericht gemeld, dat prins Sogol in aantocht was. Kondschappers snelden te paard door het gebied, ontstaken vuren in de meld-torens en spoedig waren vele edelen, welgewapend en goed bereden op weg naar den grenstoren, om te vragen van welke zijde prins Sogol naderde.
De eerste edelen, die den grenstoren bereikten en van daar den woudweg langs reden waren teleurgesteld, toen zij het kleine troepje zagen naderen. Want Sogol was half naakt en zijn lange haren en verwaarloosde baard, die nadat zij geheel verzengd was geweest, slecht was aangegroeid, gaven hem meer het woeste uiterlijk van een hoorige, dan van een toekomstigen koning. Harimona, de heilige vrouw, in lompen gehuld, barrevoets over de sneeuw loopend, maakte ook geen eerbiedwekkenden indruk.
Sogol naderde twee ernstige, breedgebouwde edellieden,[211]die van hun paarden gestegen waren, maar weifelden hem te begroeten.
„Kunt di dijn heer niet begroeten, wanneer hij zijn rijk binnentreedt?” vroeg Sogol toornig.
De twee zagen elkaar aan en dan de jongste, met zichtbare minachting naar de lompen van Harimona schouwend, antwoordde:
„Wie zegt ons, dat du onze heer zijt?”
Meteen had Sogol zijn kortzwaard getrokken en sloeg met één slag den man neer.
„Ik, Sogol, prins der Nerviërs!” zei hij, met vuur in de oogen.
„Breng de paarden voor!” gebood hij den tweeden edelman.
Deze, die even de hand aan de greep van zijn zwaard had gebracht, toen zijn reisgenoot met gekloofden schedel neerviel, was doodsbleek geworden maar waagde niet het zwaard te trekken.
„Leid de paarden hier!” beval Sogol nogmaals met een dreigend licht in zijn oogen. „Of zoowaar, ’t is met di ook gedaan.”
De edelman boog nu het hoofd en naar de twee paarden gaande, leidde hij ze tot voor Sogol en Harimona.
Sogol hielp Harimona bij ’t opstijgen en besteeg daarna zelf het tweede paard. Toen nu de edelman de twee te paard zag zitten, ondanks hun lompen, fier, rijzig, rechtop en met waardigheid in de opgeheven hoofden, voelde hij zijn ongelijk en knielend bij het paard van Sogol, zeide hij:
„Heer, vergeef mi!”
Maar Sogol verwaardigde hem met geen blik, doch reed den weg verder langs, ziende de vuren op de meld-torens branden en van verre, grauw op het wit der sneeuw, de menschen naderen.
De edelman was opgestaan en bukte zich tot zijn neergevelden kameraad. Maar deze was levenloos.
De vijf Norigeners waren op eenigen afstand gevolgd.[212]Toen zij nu den edelman geknield vonden bij den neergeslagen makker, wiens bleek hoofd op een purperen kussen scheen te liggen, daar de sneeuw het bloed snel had ingezogen en vroegen wie den man had vermoord, antwoordde de edelman:
„Hij is niet vermoord maar gericht, omdat hij den prins niet geëerd heeft.”
De Norigeners vertelden den edelman van den moed en de kracht van Sogol. Hoe hij den stuurman had bevrijd, de wijven uit haar krocht had gehaald en tot spreken gedwongen en hoe hij op den verderen tocht vreezeloos was geweest in velerlei omstandigheden. Ook spraken zij over Harimona. Ja, zij was een heilige vrouw en leefde in strenge kuischheid. De prins en de heilige jonkvrouw verkeerden met elkaar als geliefden, maar niet als gehuwden.
De zeelieden hielpen den edelman zijn gedooden makker naar de naaste woning dragen, waar het lijk werd neergelegd, tot de vader en moeder hun zoon een afscheidsgroet hadden kunnen brengen en voor de verbranding zorg konden dragen. Toen trokken de zeelieden en de edelman achter Sogol en Harimona aan.
Deze waren al een eind weegs gevorderd en de andere edellieden, die hun toekomstigen koning tegemoet reden, Sogol en Harimona fier en rijzig ziende op de zware, hooge paarden, staken hun zwaarden met de punt ver in de hoogte, ten teeken van eerbiedigen groet.
Ernstig, met zijn nog bebloed kortzwaard met edelen zwier terug groetend, reed Sogol en Harimona nevens hem, voort, zonder te spreken, recht voor zich uitstarend over het verre, blauwblanke vlak der Nervische landen.
De edelen vormden een lijfwacht achter hem en bij elke woning, die zij voorbij reden, werd de stoet grooter. Er traden nu ook vrouwen en maagden uit de hutten en huizen, velen met een zwaard of een spiets in de hand,[213]die met heldere stemmen hun juichend een: „Wotan were!” toeriepen.
Andere vrouwen kwamen met kannen warme bloesemmelk, schotels geboterde mikjes en konfijt van roode boschbessen en boden die den hoogen prins en de heilige jonkvrouw aan met hoofsch en onderdanig gebaar.
Een rijke weduwe, wier man onder Sogols vader had gestreden op ’t Paarden-eiland, ziende dat de prins een schamele pels en de heilige jonkvrouw een door de lange reis verscheurd gewaad droeg, zond heur zoon en heur dochter naar den jongen vorst om hun eigen gewaden aan te bieden. De zoon droeg een pels van blauw dassenbont, gevoerd met witte lamswol en de dochter een lange huifmantel van purperlaken met gouden boorden en kwasten.
Sogol wierp Harimona eerst den rooden mantel om de schouders en heur witte haren, beschenen door de zon, stroomden als gebleekte zijde over het purper van schouders en rug. Toen sloeg Sogol met waardigen zwaai zichzelf den blauwen pels om de schouders en stak haar vast met den bronzen sluitspeld voor den linkerschouder.
„Heer,” zeide de zoon, „mijn vader streed en stierf in uw vaders dienst.”
„Volg mi. Du zult mi dienen.”
„Heer,” vroeg de dochter, „sta mij toe, uw bruid te dienen.”
„Volg haar!” zeide Sogol.
En beiden, op schoone rossen stijgend, volgden achter Sogol en Harimona.
Voor een tempel aan den weg stonden de priesters blootshoofd, in witte gewaden, met lange grijze baarden en zongen een plechtigen lofzang, toen Sogol naderde.
Maar hij, met de punt van zijn bebloed zwaard naar hen duidend, gebood hen met luider stemmen te zwijgen.
Een der priesters, een groot, breedgeschouderd man met een rustigen tred, trad op Sogol toe en tot hem opziende vroeg hij:[214]
„Heer, is di onze zang niet aangenaam?”
„Noch dijn zang, noch dijn wezen!” antwoordde Sogol en reed verder, de priesters niet meer met een blik verwaardigend.
Onderwijl hadden de zeelieden aan de velen, die hun om inlichtingen vroegen, van den moed en kracht van prins Sogol verteld. De manke stuurman, meestrompelend in den stoet, heette hem luidde zijn levensredder. De rijzige, kloeke Rytzell, met zijn blauwe, onvervaarde oogen, liep tusschen een drom edelen en verhaalde van de wonderdaden van prins Sogol. Ook had de prins met hem gesproken over de groote goden en hem afvallig gemaakt van Odin. De prins zou in Nervigo den nieuwen godsdienst invoeren, die den menschen moedig maakt en sterker dan al de kleine geesten van woud en stroom en de groote van de zeeën.
Voor een groot huis stond een schreiende vrouw.
Sogol hield zijn paard in.
„Wat deert di?” vroeg hij.
„Heer, mijn zoon u tegemoet rijdend, is van zijn ros gestort en ligt binnen met gebroken been!”
„Draag hem hier!” beval Sogol.
Hij steeg af van ’t paard en nu eerst zagen de Nervische edelen de hooge, waardige gestalte van hun nieuwen vorst.
Op een baar werd de zieke naar buiten gedragen. Sogol bevoelde de beide beenen van den jongen man. Het rechterbeen was bij den voet verstuikt, het linker had slechts een vleeschwond.
Sogol vroeg olie, wreef de voet met olie en rukte hem weder in ’t lid. Toengeboodhij de vleeschwonde met gekookt water schoon te wasschen, deed geplozen lijnwaad op de wonde leggen, verbond de wonde en beval den jongen man rust.
„Zal hij genezen?” vroeg de moeder.[215]
„De volgende week verwacht ik hem op ’t kroningsfeest te Beldun!” antwoordde Sogol.
De moeder trad op Harimona toe en een tip van heur kleed grijpend, kuste zij de slip.
„Wotan were!” riep de zieke op de baar. En van alle zijden klonk een juichend „Wotan were! Wotan were!”
Het paard van Sogol, verschrikt door ’t geroep, begon te steigeren, stelde zich op de achterpooten met de voorpooten graaiend in de lucht.
De edelen zagen met bewondering, hoe Sogol het paard bedwong door de kracht zijner klemmende beenen.
Toen zij het dorp Waldsend bereikt hadden, waar de edelen, door kondschappers gewaarschuwd, in slagorde geschaard, mannen, vrouwen en jonkvrouwen, hem opwachten en het vorstelijk paar met een luid en herhaald: Wotan were!begroetten, traden zeven der oudste edellieden tot voor Sogol.
„Heer!” zei de woordvoerder, „de reis van Waldsend naar Frigsbeek, het naaste dorp op den weg naar Beldûn, is ver. Vóór den nacht is het niet te bereiken. Daarom smeeken wij di om de eer in onze stede te willen overnachten.”
„Wij zullen blijven,” antwoordde Sogol.
De zeven edellieden voerden hem door het dorp naar het groote Dinghus. Sogol en Harimona stegen af en traden het groote houten huis binnen.
Binnen in de hal brandde een groot houtvuur en terzijde waren zware eiken zetels met lederen kussens neergezet.
Links en rechts waren groote zijzalen. Daar ook waren groote houtvuren aangelegd en breede rustbedden met zachte pelzen belegd, stonden daarbij.
Sogol en Harimona zetten zich op de zetels voor den haard en rustten een wijle. Een edelvrouw met hare dochters naderde en vroeg wanneer de vorst en zijn bruid het maal wenschten te zien opgediend.[216]
„Zoodra,” beval Sogol. „Buiten staan vijf Scandiërs. Laat ze binnentreden en disch voor hen op. Zij zijn vrienden van de Nerviërs.”
De vrouwen droegen groote kommen met warme wildbraadsoep, gebraden kippen, eierkoeken, rollen geperste hazelnoten en rood boschbessenkonfijt op. Zij zetten groote kommen met honingbier daarnevens.
Sogol en Harimona zaten aan en voor ’t eerst na vele weken, konden zij zich sterken aan een rustigen, welvoorzienen disch.
De vijf zeelieden traden beschroomd binnen, maar Sogol noodde ze aan zijn vorstelijke tafel en als gul gastheer gebood hij zijn nieuwen knaap, den zeelieden rijkelijk bier te schenken.
Maar hijzelf dronk matig. Nog steeds was hij er niet in geslaagd, een der vijf er toe te brengen, hem den weg naar het vreemde land te wijzen. Wel hadden Rytzell en de stuurman hem onderweg verhalen gedaan van ’t geen zij in ’t vreemde land, dat zij in hun taal Masar noemden, hadden beleefd en welke waren zij er heen brachten, barnsteen, gepolijste horens, bronzen knoopen en sluitspelden. Maar ’t meest toch verkregen zij door wapengeweld. Zij landden ’s nachts aan de kusten, sloegen hun mantels van stierhuid om met de horens boven op ’t hoofd en dan, onder gejoel en geschreeuw, stormden zij de dorpen binnen. De menschen, verschrikt door ’t geweld, meenden dat de duivels losgebroken waren en vluchtten uit hun huizen. Dan namen de lieden al wat hun behaagde en met hun buit snelden zij terug naar hun skig en zeilden snel weg of wanneer de wind niet gunstig was, werden de roeiriemen uitgestoken en de skig werd weggeroeid. Maar welke schatten in de Norigeensche skigge geborgen waren, had geen der zeelieden willen zeggen. Nu deed Sogol hun kroes na kroes volschenken.
Harimona, niet begrijpend maar ziende, dat de mannen[217]beschonken raakten, stond op van tafel en door haar maagd gevolgd, ging zij naar het linksche zijvertrek om zich af te zonderen en rust te nemen. Zij liet de twee voorhangen van het toegangspoortje neervallen en legde zich op een der rustbedden neder, na heur maagd geboden te hebben, bij de edelvrouwen lijnwaad voor heur te halen en onderkleederen en voor een warm bad te zorgen.
Sogol zond alle aanwezigen uit het vertrek, behalve de vijf Norigenen.
Hij moedigde hen steeds maar tot drinken aan, zelf de kannen en kroezen vullend, hun zeggend, dat zij nu met den prins der Nerviërs dronken, maar dat zij zeker binnenkort met den koning der Nerviërs zouden drinken. Doch dan moesten zij niet zooals nu, kleine teugjes nemen gelijk kinderen, maar meer eer aan het brouwsel van ’t Nervische land schenken. Hij had altijd gehoord, dat de Nerigonen de beste drinkers waren van heel Germanje en hij hoopte dat hij zich niet vergist zou hebben.
De vijf zeelieden, hoewel ze al veel gedronken hadden, wilden niet de schande lijden, door den toekomstigen koning der Nerviërs geminacht te worden wegens hun gebrek aan dorst.
Sogol, ziende dat Rytzell een groote kan in een teug opdronk, knikte goedkeurend.
„Opperschipper,” zeide hij, „wie is thans koning van de Scandiërs?”
„Hallánder, heer!”1[218]
„Zoudt di dijn koning mijn vriendschap willen gaan aanbieden?”
„De eer is groot, heer.”[219]
„Zeg hem, dat Sogol, koning der Nerviërs, di zendt. Ik zal di een schoon zwaard medegeven om dijn koning te schenken en twaalf Nervische paarden met twaalf knechten.”
„Heer, du bent te goed voor mi …”
„Drink met mi, op het heil van koning Hallánder. Wotan were!”
Sogol hief zijn kroes op. De Scandiërs hieven hun kroezen eveneens op en ledigden ze tot op den bodem.
„Nu een lied, een Norigeensch lied!” riep Sogol.
Rytzell stond op en begon te zingen:
Een zeeman ging het zeegat uit,Al om ver weg te varen,En achter liet hij toen zijn bruid,Een meid met blonde haren.Zijn liefje wachtte aan de heg,Alwaar de koetjes grazen.De skiggen voeren heel ver weg,De winden bleven blazen.Toen ’s nachts de bruigom wachtstond had,Zwom voor hem op de baren,Een meeremin in ’t pekelbad,Met lange, blonde haren.De meermin sprak toen: „Schippersmaat,Ik kom di niet vervelen,De morgen rijst, het wordt al laat,Laat ons een beetje spelen.”De zeeman zei:„Dou valsche kol,Ik ga met di niet mede,Speel di alleen dijn rolde bol,Mijn bruid wacht op de reede.”De meermin sprak:„Dou domme maat,Dijn meid vrijt met een ander,Waarvan ze zich braaf kussen laat,Bij Wotan, ’t is een schande.”[220]Het meerwijf lonkte hem zoo zoet,Hij is haar gaan gelooven,De maat sprong bij haar in den vloed,Nooit kwam hij weer naar boven.En aan het strand op verre ree,Stond toen de bruid te schreien,Zij stortte zich op ’t lest in zee,Daar rusten ze nu beien.
Een zeeman ging het zeegat uit,Al om ver weg te varen,En achter liet hij toen zijn bruid,Een meid met blonde haren.
Een zeeman ging het zeegat uit,
Al om ver weg te varen,
En achter liet hij toen zijn bruid,
Een meid met blonde haren.
Zijn liefje wachtte aan de heg,Alwaar de koetjes grazen.De skiggen voeren heel ver weg,De winden bleven blazen.
Zijn liefje wachtte aan de heg,
Alwaar de koetjes grazen.
De skiggen voeren heel ver weg,
De winden bleven blazen.
Toen ’s nachts de bruigom wachtstond had,Zwom voor hem op de baren,Een meeremin in ’t pekelbad,Met lange, blonde haren.
Toen ’s nachts de bruigom wachtstond had,
Zwom voor hem op de baren,
Een meeremin in ’t pekelbad,
Met lange, blonde haren.
De meermin sprak toen: „Schippersmaat,Ik kom di niet vervelen,De morgen rijst, het wordt al laat,Laat ons een beetje spelen.”
De meermin sprak toen: „Schippersmaat,
Ik kom di niet vervelen,
De morgen rijst, het wordt al laat,
Laat ons een beetje spelen.”
De zeeman zei:„Dou valsche kol,Ik ga met di niet mede,Speel di alleen dijn rolde bol,Mijn bruid wacht op de reede.”
De zeeman zei:„Dou valsche kol,
Ik ga met di niet mede,
Speel di alleen dijn rolde bol,
Mijn bruid wacht op de reede.”
De meermin sprak:„Dou domme maat,Dijn meid vrijt met een ander,Waarvan ze zich braaf kussen laat,Bij Wotan, ’t is een schande.”
De meermin sprak:„Dou domme maat,
Dijn meid vrijt met een ander,
Waarvan ze zich braaf kussen laat,
Bij Wotan, ’t is een schande.”
[220]
Het meerwijf lonkte hem zoo zoet,Hij is haar gaan gelooven,De maat sprong bij haar in den vloed,Nooit kwam hij weer naar boven.
Het meerwijf lonkte hem zoo zoet,
Hij is haar gaan gelooven,
De maat sprong bij haar in den vloed,
Nooit kwam hij weer naar boven.
En aan het strand op verre ree,Stond toen de bruid te schreien,Zij stortte zich op ’t lest in zee,Daar rusten ze nu beien.
En aan het strand op verre ree,
Stond toen de bruid te schreien,
Zij stortte zich op ’t lest in zee,
Daar rusten ze nu beien.
De andere zeelieden, goed beschonken, begonnen nu ook liedjes te zingen en Sogol, steeds zorgend dat de kroezen gevuld bleven, begon hen te roemen en voorzichtig uit te vragen naar den weg naar ’t vreemde land.
Rytzell, hoewel smoordronken, behield zijn geslotenheid. Maar de roes beving hem en hij stortte van de bank en bleef onder de tafel liggen ronken.
De manke stuurman, los van tong, begon nu van het vreemde land tevertellen. Het was een verward dronkemans verhaal, vol leugens en verdichtsels en hij vertelde de geschiedenis van zijn gevangenzetting en verlossing door de boschniksen alsof zij in ’t land Masar was voorgevallen. Maar tusschen het dronkenmansgelol door hoorde Sogol, dat de schepen altoos gericht werden links van de ster Raíts, zoodat met deze steeds recht achter de nôta van de skig moest zien. Op den terugtocht moest men weder op Raíts aanvaren, zoodat de ster nu recht voor den boeg stond.
Ook vernam hij, dat in ’t vreemde land niet aan Odin geloofd werd en niet aan Wotan, noch aan Thor of Freya. Zij hadden daar een vreemden god, die onzichtbaar was en de deugdzamen gingen stervend op in het niet. Maar de slechten werden na den dood in dieren veranderd, tot zij door leed gereinigd waren.
Meer dan dat kon hij niet te weten komen, want de zeelieden begonnen liedjes te lollen en vielen daarna één voor één terzij van hun zetels en begonnen te ronken.
Toen was Sogol tevreden. Hij riep edelen naar binnen[221]en beval, dat men de dronken lieden naar hun rustbedden zou leiden.
De edellieden, ziende dat allen dronken waren behalve Sogol, voelden grooten eerbied voor den jongen vorst, die blijkbaar zoo goed drinken kon.
Nu ook legde Sogol zich ter ruste. Maar tegen den avond stond hij op, riep de oudsten der edelen bijeen en liet hen in de groote hal, zittend rondom het houtvuur, dat het vertrek met zachten rossen gloed verlichtte, verhalen wat in ’t land gebeurd was, sedert hij het had verlaten.
En vol verwondering hoorde hij van koning Kundric en zijn strijdvrouwen. Van de twisten tusschen de mannen en de vrouwen en van de regeering van koning Solbert, die de edelen had geknecht en de knechten geadeld en nu met de vrijgelatenenwachtte op den beslissenden slag, die de edelen hoopten onder Sogols aanvoering te zullen winnen.
In den nacht was Sogol weder alleen. Maar zijn gedachten waren niet bij de staatszaken.
Hij peinsde over het vreemde land, het wondere Masar, dat lag tegenover de ster Raíts en waar een god was, wiens zaligheid in vernietiging bestond.
En in zijn nachtdroom voer hij op een groote skig, over verre groene zeeën naar een heilig wit land, dat aan den einder oprees.[222]
1Sommigen meenen, dat de Scandiërs tegen 100 v. Chr onder Odin uit Azië zijn gekomen. Anderen noemen als datum 250 n. Chr. Is de onderstelling te gewaagd, dat de Scandiërs een Aziatisch kustvolk waren? Eenige hunner schepen werden totScandiagedreven, daar landden de lieden na lange zwerftocht, vestigden er zich en huwden met vrouwen van andere volksstammen. Hun oorspronkelijke beschaving ging grootendeels verloren, maar zij behielden herinnering zoowel van den cultus als van de ligging van het land hunner afkomst, ten minste van het bestaan daarvan. Men heeft te weinig aandacht geschonken aan het feit,[218]dat het menschelijk instinct, het onbekende te doorvorschen, zoo goed den Aziaten op den zoek naar ’t avondland heeft gedreven als het, vele eeuwen later, den Europeërs (Spanjaarden, Portugeezen, Nederlanders) op den zoek naar ’t morgenland drong. Ulysses, Columbus, Magalhaens, Willem Barendts, Livingstone, Emin-Pascha, Stanley staan niet zonder verband in de geschiedenis van het menschdom. Thans, nu de oppervlakte van onze planeet zoo goed als bekend is, onderzoeken wij de andere hemellichamen, wier oppervlakten zeker het menschdom eens eveneens bekend zullen zijn, sedert de spectraal-analyse aan heeftgetoondhoe verreikend schijnbaar eenvoudige middelen kunnen zijn. De vele moderne Mars-romans zijn weinig anders dan de vooruitloopende fantasie—de voelhoorns van ons instinct—en de wetenschap zal ze eens ontnuchteren, zooals de wetenschap de fantastische verhalen der ouden omtrent onontdekte zeeën en landen, hun „Mars-romans”, ontnuchterd heeft, maar nietgeheeltot onwaarheid gemaakt. Wij vermoeden méér dan wij weten of wellicht juister, wij weten méér dan wij vermoeden.En meent men, dat ook de Aziatische oer-volkeren niet het Ulysses-Columbustype hebben gehad? Veronderstel dat Barendts en de zijnen werkelijk er in geslaagd waren om de Pool heen te komen, tot b.v. Japan door te dringen, dáár gevangen waren genomen, tot dienstbaarheid verplicht, gevlucht naar een eiland, zich vermengd hadden met de eilandbevolking?Na eenige eeuwen zou dan op zoo’n eiland een bevolking leven, wier raadselachtige afkomst den etnologen veel te denken zou geven.Daar hebt gij wellicht Othon en de zijnen.… en men bedenke, dat Othon waarschijnlijk niet een sanskriet-geleerde aan boord had, zooals Gerrit de Veer een kenner van ’t Nederlandsch was, daar bij de oude Indiërs het schrijven, een gewijde kennis, uitsluitend door de priesters beoefend werd.Wij zouden méér van de oud-Germaansche geschiedenis te weten komen indien men op de gymnasia in eenige klassen met het Sanskriet-leeren begon op twaalf-jarigen leeftijd; thans, nu men met Sanskriet-studie aanvangt op een leeftijd, waarop het geheugenwerk moeielijk valt, gaan uitstekende denkers en zoekers verloren voor een vak, dat ons tegenwoordig véél meer belangstelling behoort in te boezemen dan de humaniora, die nu sedert eeuwen voldoende zijn doorzocht en zelfs in de meest gewaagde conjuncturen geen groote verrassingen meer opleveren, wat men van conjuncturen als deze, vermoed ik, niet beweren zal.↑
1Sommigen meenen, dat de Scandiërs tegen 100 v. Chr onder Odin uit Azië zijn gekomen. Anderen noemen als datum 250 n. Chr. Is de onderstelling te gewaagd, dat de Scandiërs een Aziatisch kustvolk waren? Eenige hunner schepen werden totScandiagedreven, daar landden de lieden na lange zwerftocht, vestigden er zich en huwden met vrouwen van andere volksstammen. Hun oorspronkelijke beschaving ging grootendeels verloren, maar zij behielden herinnering zoowel van den cultus als van de ligging van het land hunner afkomst, ten minste van het bestaan daarvan. Men heeft te weinig aandacht geschonken aan het feit,[218]dat het menschelijk instinct, het onbekende te doorvorschen, zoo goed den Aziaten op den zoek naar ’t avondland heeft gedreven als het, vele eeuwen later, den Europeërs (Spanjaarden, Portugeezen, Nederlanders) op den zoek naar ’t morgenland drong. Ulysses, Columbus, Magalhaens, Willem Barendts, Livingstone, Emin-Pascha, Stanley staan niet zonder verband in de geschiedenis van het menschdom. Thans, nu de oppervlakte van onze planeet zoo goed als bekend is, onderzoeken wij de andere hemellichamen, wier oppervlakten zeker het menschdom eens eveneens bekend zullen zijn, sedert de spectraal-analyse aan heeftgetoondhoe verreikend schijnbaar eenvoudige middelen kunnen zijn. De vele moderne Mars-romans zijn weinig anders dan de vooruitloopende fantasie—de voelhoorns van ons instinct—en de wetenschap zal ze eens ontnuchteren, zooals de wetenschap de fantastische verhalen der ouden omtrent onontdekte zeeën en landen, hun „Mars-romans”, ontnuchterd heeft, maar nietgeheeltot onwaarheid gemaakt. Wij vermoeden méér dan wij weten of wellicht juister, wij weten méér dan wij vermoeden.En meent men, dat ook de Aziatische oer-volkeren niet het Ulysses-Columbustype hebben gehad? Veronderstel dat Barendts en de zijnen werkelijk er in geslaagd waren om de Pool heen te komen, tot b.v. Japan door te dringen, dáár gevangen waren genomen, tot dienstbaarheid verplicht, gevlucht naar een eiland, zich vermengd hadden met de eilandbevolking?Na eenige eeuwen zou dan op zoo’n eiland een bevolking leven, wier raadselachtige afkomst den etnologen veel te denken zou geven.Daar hebt gij wellicht Othon en de zijnen.… en men bedenke, dat Othon waarschijnlijk niet een sanskriet-geleerde aan boord had, zooals Gerrit de Veer een kenner van ’t Nederlandsch was, daar bij de oude Indiërs het schrijven, een gewijde kennis, uitsluitend door de priesters beoefend werd.Wij zouden méér van de oud-Germaansche geschiedenis te weten komen indien men op de gymnasia in eenige klassen met het Sanskriet-leeren begon op twaalf-jarigen leeftijd; thans, nu men met Sanskriet-studie aanvangt op een leeftijd, waarop het geheugenwerk moeielijk valt, gaan uitstekende denkers en zoekers verloren voor een vak, dat ons tegenwoordig véél meer belangstelling behoort in te boezemen dan de humaniora, die nu sedert eeuwen voldoende zijn doorzocht en zelfs in de meest gewaagde conjuncturen geen groote verrassingen meer opleveren, wat men van conjuncturen als deze, vermoed ik, niet beweren zal.↑
1Sommigen meenen, dat de Scandiërs tegen 100 v. Chr onder Odin uit Azië zijn gekomen. Anderen noemen als datum 250 n. Chr. Is de onderstelling te gewaagd, dat de Scandiërs een Aziatisch kustvolk waren? Eenige hunner schepen werden totScandiagedreven, daar landden de lieden na lange zwerftocht, vestigden er zich en huwden met vrouwen van andere volksstammen. Hun oorspronkelijke beschaving ging grootendeels verloren, maar zij behielden herinnering zoowel van den cultus als van de ligging van het land hunner afkomst, ten minste van het bestaan daarvan. Men heeft te weinig aandacht geschonken aan het feit,[218]dat het menschelijk instinct, het onbekende te doorvorschen, zoo goed den Aziaten op den zoek naar ’t avondland heeft gedreven als het, vele eeuwen later, den Europeërs (Spanjaarden, Portugeezen, Nederlanders) op den zoek naar ’t morgenland drong. Ulysses, Columbus, Magalhaens, Willem Barendts, Livingstone, Emin-Pascha, Stanley staan niet zonder verband in de geschiedenis van het menschdom. Thans, nu de oppervlakte van onze planeet zoo goed als bekend is, onderzoeken wij de andere hemellichamen, wier oppervlakten zeker het menschdom eens eveneens bekend zullen zijn, sedert de spectraal-analyse aan heeftgetoondhoe verreikend schijnbaar eenvoudige middelen kunnen zijn. De vele moderne Mars-romans zijn weinig anders dan de vooruitloopende fantasie—de voelhoorns van ons instinct—en de wetenschap zal ze eens ontnuchteren, zooals de wetenschap de fantastische verhalen der ouden omtrent onontdekte zeeën en landen, hun „Mars-romans”, ontnuchterd heeft, maar nietgeheeltot onwaarheid gemaakt. Wij vermoeden méér dan wij weten of wellicht juister, wij weten méér dan wij vermoeden.En meent men, dat ook de Aziatische oer-volkeren niet het Ulysses-Columbustype hebben gehad? Veronderstel dat Barendts en de zijnen werkelijk er in geslaagd waren om de Pool heen te komen, tot b.v. Japan door te dringen, dáár gevangen waren genomen, tot dienstbaarheid verplicht, gevlucht naar een eiland, zich vermengd hadden met de eilandbevolking?Na eenige eeuwen zou dan op zoo’n eiland een bevolking leven, wier raadselachtige afkomst den etnologen veel te denken zou geven.Daar hebt gij wellicht Othon en de zijnen.… en men bedenke, dat Othon waarschijnlijk niet een sanskriet-geleerde aan boord had, zooals Gerrit de Veer een kenner van ’t Nederlandsch was, daar bij de oude Indiërs het schrijven, een gewijde kennis, uitsluitend door de priesters beoefend werd.Wij zouden méér van de oud-Germaansche geschiedenis te weten komen indien men op de gymnasia in eenige klassen met het Sanskriet-leeren begon op twaalf-jarigen leeftijd; thans, nu men met Sanskriet-studie aanvangt op een leeftijd, waarop het geheugenwerk moeielijk valt, gaan uitstekende denkers en zoekers verloren voor een vak, dat ons tegenwoordig véél meer belangstelling behoort in te boezemen dan de humaniora, die nu sedert eeuwen voldoende zijn doorzocht en zelfs in de meest gewaagde conjuncturen geen groote verrassingen meer opleveren, wat men van conjuncturen als deze, vermoed ik, niet beweren zal.↑
1Sommigen meenen, dat de Scandiërs tegen 100 v. Chr onder Odin uit Azië zijn gekomen. Anderen noemen als datum 250 n. Chr. Is de onderstelling te gewaagd, dat de Scandiërs een Aziatisch kustvolk waren? Eenige hunner schepen werden totScandiagedreven, daar landden de lieden na lange zwerftocht, vestigden er zich en huwden met vrouwen van andere volksstammen. Hun oorspronkelijke beschaving ging grootendeels verloren, maar zij behielden herinnering zoowel van den cultus als van de ligging van het land hunner afkomst, ten minste van het bestaan daarvan. Men heeft te weinig aandacht geschonken aan het feit,[218]dat het menschelijk instinct, het onbekende te doorvorschen, zoo goed den Aziaten op den zoek naar ’t avondland heeft gedreven als het, vele eeuwen later, den Europeërs (Spanjaarden, Portugeezen, Nederlanders) op den zoek naar ’t morgenland drong. Ulysses, Columbus, Magalhaens, Willem Barendts, Livingstone, Emin-Pascha, Stanley staan niet zonder verband in de geschiedenis van het menschdom. Thans, nu de oppervlakte van onze planeet zoo goed als bekend is, onderzoeken wij de andere hemellichamen, wier oppervlakten zeker het menschdom eens eveneens bekend zullen zijn, sedert de spectraal-analyse aan heeftgetoondhoe verreikend schijnbaar eenvoudige middelen kunnen zijn. De vele moderne Mars-romans zijn weinig anders dan de vooruitloopende fantasie—de voelhoorns van ons instinct—en de wetenschap zal ze eens ontnuchteren, zooals de wetenschap de fantastische verhalen der ouden omtrent onontdekte zeeën en landen, hun „Mars-romans”, ontnuchterd heeft, maar nietgeheeltot onwaarheid gemaakt. Wij vermoeden méér dan wij weten of wellicht juister, wij weten méér dan wij vermoeden.
En meent men, dat ook de Aziatische oer-volkeren niet het Ulysses-Columbustype hebben gehad? Veronderstel dat Barendts en de zijnen werkelijk er in geslaagd waren om de Pool heen te komen, tot b.v. Japan door te dringen, dáár gevangen waren genomen, tot dienstbaarheid verplicht, gevlucht naar een eiland, zich vermengd hadden met de eilandbevolking?
Na eenige eeuwen zou dan op zoo’n eiland een bevolking leven, wier raadselachtige afkomst den etnologen veel te denken zou geven.
Daar hebt gij wellicht Othon en de zijnen.… en men bedenke, dat Othon waarschijnlijk niet een sanskriet-geleerde aan boord had, zooals Gerrit de Veer een kenner van ’t Nederlandsch was, daar bij de oude Indiërs het schrijven, een gewijde kennis, uitsluitend door de priesters beoefend werd.
Wij zouden méér van de oud-Germaansche geschiedenis te weten komen indien men op de gymnasia in eenige klassen met het Sanskriet-leeren begon op twaalf-jarigen leeftijd; thans, nu men met Sanskriet-studie aanvangt op een leeftijd, waarop het geheugenwerk moeielijk valt, gaan uitstekende denkers en zoekers verloren voor een vak, dat ons tegenwoordig véél meer belangstelling behoort in te boezemen dan de humaniora, die nu sedert eeuwen voldoende zijn doorzocht en zelfs in de meest gewaagde conjuncturen geen groote verrassingen meer opleveren, wat men van conjuncturen als deze, vermoed ik, niet beweren zal.↑