HOOFDSTUK XI.

[Inhoud]HOOFDSTUK XI.Sogol, de beide vrouwen ziende vluchten en bemerkend, dat een naakten man naar een hol kroop, reed tot dicht bij het hol, steeg af en riep:„Vriend, wie bent di? kan ik helpen?”De priester, in grooten angst, vreezend dat Sogol hem zou gevangen nemen, daar Harimona hem kende, nam een kloekbesluit. Zijn rol van kwaden kabouter beviel hem en daarom riep hij uit het hol:„Treed niet nader, vreemdeling. Ik ben de groote kabouter. Wie mijn hol betreedt moet sterven!”Sogol, in stede van verschrikt terug te wijken, lachte helder op. Harimona en Haun kwamen nader en Sogol tot Harimona:„Pas op, liefste. Hier is ’t hol van den grooten kabouter. Wie zijn hol binnentreedt moet sterven!”Harimona glimlachte zacht en Haun, hoewel inwendig toch bevreesd, verkloekte zich om Sogol te vragen:„Meester, zal ik hem er uit toeten?”„Blaas mijn jongen!” zei Sogol.Maar nu Haun den horen aan zijn mond zou zetten, begon hij toch van vrees te beven en in stede van een flinken horenschal toeterde hij een iel, trillerig geluid.Sogol wilde lachen, maar opeens keek hij ernstig. Uit het hol klonk de schal terug en daarna van heel ver nog eens.„Hoort di het, Haun?”„Ja, meester.”„Wie denkt di, dat daar blaast?”„De zotte geest uit de stroth, dien du verjaagd hebt.”[150]„Zal di nooit wijzer worden knaap…” riep Sogol norsch. „Ik zal di nogeens een les geven, dat du alle vrees voor geesten en kobolden verliest.”Harimona was afgestegen en legde heur hand op Sogols schouder.„Geliefde, wees voorzichtig. Een voorgevoel zegt mi, dat hier gevaar dreigt. Ik voel de tocht van den dood langs ons strijken.”„Zult di dan ook nooit moedig worden?” toornde Sogol en spottend riep hij: „Kom eens naar buiten.”„Vreest di niet vreemdeling? Weet, dat ik niet uit mijn hol treed zonder onheil!”„Dan zal ik di halen, du leugenbeest!”Moedig stapte Sogol de grot binnen. Maar de priester doofde meteen zijn brandend kienhout en vluchtte naar achter. Hij kende nu vrijwel den weg, sloop naar het plateau bij het water en verschool zich daar in een nis.Sogol, die in de duisternis rondtastend, de scherpe wanden voelde, trad weder naar den uitgang.„Is hij ontvlucht?” vroeg Harimona.„Voorloopig ja. Maar wij zullen den vriend wel te pakken krijgen. Houd hier de wacht Haun. Ik ga fakkels snijden.”Sogol liep ’t woud een eindje in, hakte eenige geschikte droge takken van jonge dennen af en met zijn rondhout vuur draaiend in ’t blok, stak hij ze aan, tot ze goed opvlamden en liep toen terug, ’t hol binnen.De druipsteengrot wekte zijn verwondering niet, zoomin als de echo dat gedaan had. Hij had wel meer zulke grotten gezien en wist, dat de kristallen door Scandische zeelieden medenomen werden als ze naar het vreemde land voeren. Maar toen hij door de tweede grot aan het onderaardsche meer kwam en de zuilenrijen en gewelven langs de oevers aanschouwde, vloog de gedachte door zijn brein, dat hij dit keer werkelijk in een der paleizen van kabouterkoningen was binnengedrongen, waarvan de sagen zooveel verhaalden.[151]„Kabouterkoning!” riep hij, „Vertoon di. Ik ben dijn vriend en vraag gastvrijheid.”De priester, bemerkend dat Sogol alleen was, kwam op het denkbeeld Sogol hier in het meer te storten, dan naar buiten te vluchten, den horenblazer te verschrikken of door een vuistslag neer te vellen en vervolgens Harimona met geweld weg te voeren. Het groote paard van Sogol kon beiden dragen en de twee andere paarden zou hij een poot verbrijzelen, zoodat Sogol, ook wanneer hij zich uit het water redde, hem niet zou kunnen vervolgen. Daarom kwam hij nu uit zijn schuilhoek en riep:„Hier ben ik, vreemdeling? Wat wilt di?”Zoodra Sogol den naakten man zag en den beschaafden uitspraak van het Renigo’sche dialect hoorde, kreeg hij argwaan en nu gevoelde hij spijt toornig tegenover Harimona te zijn geweest.„Waar ben ik hier, Kobold?” vroeg Sogol.„In mijn rijk, vreemdeling. Hebt di geen vrees om de kabouters aan den arbeid te zien, kom dan mede.…”Sogol volgde den naakten man, maar was zéér op zijn hoede. Deze liep hem vooruit, steeds meer naar achter en daalde toen de breede trappen van het ondergrondsche meer af.„Sta hier vreemdeling en schouw in den zwarten spiegel. Dan zult di mijne kabouters zien.”Sogol trad nader. Plotseling sprong de priester terzij, sloeg hem het brandende kienhout uit de hand, zoodat het in ’t water viel en sissend uitdoofde. Sogol had zich meteen schrap gezet en toen nu in ’t duister de priester hem een duw gaf, wankelde hij niet maar greep den man vast. Deze, merkende dat zijn toeleg mislukt was, trachtte zich los te rukken maar Sogol, sterker dan hij, hield hem stevig vast bij de armen.De twee mannen hadden geen woord gewisseld bij deze worsteling. Nu echter zeide Sogol, wien alles klaar werd:[152]„Als dijn leven di lief is, worstel dan niet langer en leid mi naar buiten.”Meteen pakte Sogol ’s mans armen zoo van achteren vast, dat het hem weinig moeite zou kostten den man als een dunne plank naar achteren om te buigen.„Heer, laat mi los … Ik zal di voorgaan en leiden. Ik ben een arme kobold, die ’t daglicht niet kan verdragen.”„Verdraagt di dit beter?” vroeg Sogol, ’s mans schouders zoo prangend, dat hij een gil van pijn uitte.En den man voor zich uitduwend, liep hij op goed geluk in de richting van den uitgang. Maar in ’t zwarte duister verdwaalde hij, liep zonder het te weten in de tegengestelde richting van den uitgang en ten laatste stuitte hij in den hoek, waar de geraamten en de steenen bijlen lagen.„Heer, wij zijn den verkeerden weg geloopen.”„Wat ligt daar?” vroeg Sogol.„Ik weet niet, heer?”„Wat. Een groote kobold zou niet weten, wat in zijn eigen hol ligt?”Sogol schopte tegen de voorwerpen op den grond. Iets ronds en hards rolde weg; zij hoorden het rollen langs den hellenden weg en dan een plons in ’t water. De echo het rollen herhalend en weder herhalend maakte het roldebolder tot een lang, dof dreunend geluid.Nogmaals schopte Sogol zijn voet tegen de massa voor zich en weder rolde met veel gebolder iets ronds weg langs den hellenden weg naar ’t ondergrondsche meer.„Wat zijn dat?” vroeg hij.„Ik weet niet, heer!”„Du liegt.. du weet het heel goed.. ik zal di zeggen, wat het zijn.… het zijn doodshoofden, du vervloekte roover! Dat zijn dijn slachtoffers!”„Heer, geloof mi … het is niet zoo … ik ben een eerlijk man.”[153]„Dat heb ik gemerkt, toen du mi in ’t water wilde stooten … En wat is dat? En wat is dat?”Sogol, nu trappend tegen de urnen en de steenen bijlen, vermoedend dat dit de buit van den roover was, omknelde de armen van den gevaarlijken moordenaar nog vaster. Want minder voor zichzelf dan wel voor Harimona vreesde hij, wanneer de roover mocht ontsnappen.Van uit de verte klonk een angstig geschrei, dat zich herhaalde en in de gewelven voortschalde van muur tot muur. Daarna de eerste schallen van een Nervisch deuntje.„Hierheen, hierheen!” riep Sogol.Maar Haun, die op Harimona’s bevel met een bundel kienhouten en een brandend kienhout Sogol tegemoet ging, door de echo misleid, liep een anderen weg op, dan waar Sogol riep. Sogol zag hem zoeken met zijn brandend hout, dat echter te weinig schijn verspreidde om den afgelegen hoek te verlichten, waar de twee mannen stonden.„Loop langs het meer en dan rechts af!” riep Sogol, de woorden langzaam uitsprekend met tusschenruimten, opdat het eene woord niet het andere door den echo-schal zou onverstaanbaar maken.Nu liep Haun in de goede richting en was weldra bij zijn heer. Maar hij en Sogol verschrikten beiden, toen ze bij den roodgeligen schijn van den walmenden brandenden tak een hoop geraamten zagen bij elkaar liggen te midden van steenen bijlen en urnen.„Draak, monster, ondier!” kreet Sogol. En den priester in zijn woede optillend wierp hij hem van zich af langs het hellende plateau, waar te voren de doodskoppen waren ingerold. De man trachtte zijn vaart te stuiten, doch slaagde er niet in en tuimelde in het zwarte meer. Sogol hoorde de plons en daarna begon de man, in ’t zwarte duister zwemmend zonder te weten naar welke richting hij kon ontkomen, bevreesd in het donker alleen te blijven nu hij den weg niet meer wist, om hulp te roepen en te schreien.[154]En zijn angstkreten, door de echo’s herhaald, klonken hol en vertienvoudigd. Het scheen of niet één mensch daar in het donker tegen den dood worstelde maar alsof tien, twintig lieden uit de zwarte kolk om hulp schreiden.Haun stond bevend bij Sogol.„Wilt di hem redden, meester?”„Neen.., laat hem verdrinken … hij heeft zijn straf welverdiend …”Maar de man in ’t water liet niet af.„Heer, heer!” schreeuwde hij, „ik ben een priester uit Renigo … Heer, om der wille van de heilige maagd, red mi … Heer, in naam van Harimona …”„Licht mi bij, jongen!” zei Sogol nu tot Haun. „In haar naam zal niet vergeefs erbarming worden ingeroepen.”Hij daalde voorzichtig langs het plateau af, stak een kienhout aan en verlichte het donkere watervlak. De priester lag al midden in ’t water. „Kom … du hebt Harimona aangeroepen … Du zult gered worden!” riep Sogol.„Ik kan niet meer heer … ik kan niet meer!”Sogol sprong hem niet na. Want bij ’t licht van de toortsen zag hij dat het water zwart en drabbig was, een donkere poel, die naar bedorven eieren rook.Maar dichtbij kwam de naakte man weer boven. Sogol greep hem vast en trok hem tegen de kant op. Hij merkte dat het hellende plateau plotseling stijl eindigde, alsof een afgrond met drabbig water was gevuld. Maar de man gaf geen teekenen van leven meerenneus en mond waren met een dik, taai slijk gevuld. Sogol tilde het lichaam op en door Haun voorgelicht, vonden zij de twee toegangsgrotten en kwamen eindelijk weder buiten in de frissche lucht.Harimona wachtte met bleek gelaat en bevende lippen en toen zij Sogol zag terugkomen met het lichaam van den naakten man op zijn armen, snelde zij op hem toe.[155]„O vriend … hoe gelukkig ben ik, dat du bent weergekeerd … Ik voelde mij zoo beklemd …”„Hier is de kabouter,” zei Sogol, het lichaam zacht op ’t mos uitstrekkend. „Du hebt wèl gelijk gehad mij te waarschuwen, geliefde. Want hij wilde mij tersluiks in een poel werpen, die daar achter in de grot is.”„Ik ken den man … dat is Wieland, de runenkenner …”„Dan begrijp ik alles!” zeide Sogol. „Maar hoe kwamen die twee gevluchte vrouwen in zijn tegenwoordigheid? En waarom heeft hij al die menschen vermoord?”„Heeft hij menschen vermoord?” vroeg Harimona.„Ja … het hol ligt vol geraamten en doodshoofden …”„Maar dan kan hij die moorden niet gedaan hebben. Want vóór wij vluchtten, was hij nog in de haag.”„Dat is waar,” zeide Sogol.Hij begon er spijt over te gevoelen, den man verdronken te hebben.„Wij zullen hem verbranden en in een urn begraven, hoewel ik anders weinig geloof van de straf, die de zielen van niet-verbrande lichamen moeten dulden. Kom Haun, laat ons een brandstapel maken.”Zij zochten dor hout bijeen, stapelden het hoog op en legden toen het lijk van den verdronken Wieland er op. Toen draaide Sogol vuur en stak de brandstapel aan. De vlammen, lekkend om het dorre hout stegen, spoedig hoog op.Sogol, Harimona en Haun wachtten op een afstand.„Waar vinden wij een urn?” vroeg Harimona.„Daar binnen staan er verscheidene …”„Wilt du di nogmaals er in wagen?” vroeg Harimona angstig.„Waarom niet?… Of hebt di weder voorgevoelens?”„Neen, nu niet …”„Kom mee Haun!” beval Sogol … Maar hij bedacht zich.„Neen … ’t is beter dat Haun hier blijft bij de paarden. Licht di mij bij Harimona.”[156]Hij nam zelf een kienhout en stak dit aan den brandstapel op. Nam een bundel andere toortsen in zijn arm en Harimona nam ook een bundel en een vlammend hout.„Haun, denk er aan. Indien er onraad is, blaas driemaal. En zoekt di ons, altoos loopen naar de tegenovergestelde zijde vanwaar de weerschal komt …” waarschuwde Sogol.Toen ging hij met Harimona de grot in. Zij was vol bewondering voor de prachtige druipsteenen, die de gewelven bepegelden. Maar in de groote hal van hetonderaardschemeer voelde zij zich angstig en greep Sogol vast.Hij sloeg zijn linkerarm om heur middel en drukte heur vast tegen zich aan.„Hier wilde hij mij in ’t meer duwen!” zeide Sogol, wijzend op de verwarde voetstappen in ’t slik van den meeroever … „Ziet di de worsteling …”„Ik zie het, Sogol … maar ik zie het niet voor den eersten keer. Toen du hier binnen tradt en ik waarschuwde di zag ik in mijn droom du worstelen met een naakten man … Het droombeeld duurde een oogwenk … en toen was ik weer uit den droom geheven. Daarom waarschuwde ik di.”Zij schreden nu tegen het hellend plateau op. Bij ’t rossige schijnsel der twee brandende takken zagen zij, dat de grond van zwarte, glimmende, harde aarde was. Sogol, zijn tak nu langs de zuilen der gaanderijen houdend, zoodat deze eenigszins verlicht werden, onderzocht ze zoo nauwkeurig als dat bij ’t slechte licht maar kon.„Dat is menschenwerk!” zeide hij, meer tot zichzelf dan tot zijn begeleidster. „Dat moet uitgehouwen zijn …”„Hier zijn trappen,” riep Harimona, die haar toorts wat terzijde had gehouden.Naast den hellenden opgang was, naar de zijde van ’t water toe een trap, uitgehouwen in den zwarten grond met groote treden.Harimona zag er tegenop den trap te gebruiken en liep liever langs ’t hellend vlak.[157]„Voor wien heeft dien trap gediend? Het moeten reuzen zijn geweest, die zoo’n trap gebruikten …” meende Sogol.Boven op ’t plateau waren zij beiden spoedig aan den hoek, waar de geraamten lagen en de urnen stonden.Nu, rustig ze beschouwend, zag Sogol dat Harimona’s vernuftige opmerking juist was geweest. De geraamten waren zeker al zeer oud en de doodshoofden, de borstkassen, de beenderen van de ledematen waren van ongewone grootte.Nu ook vond hij de grofbewerkte bijlen van vuursteen.„Het moeten reuzen geweest zijn, die deze werktuigen gebruikt hebben. En hoeveel kracht moeten zij niet gehad hebben om deze zuilen uit te houwen.”„Wat zouden ze hier gedaan hebben?” vroeg Harimona.„Ik weet het niet.… ik weet het niet.… De wereld is vol wonderen. Maar het zijn geen wonderen, die aan goden doen gelooven. Het is alles te verklaren.… Wat zou een ander, die den priester vervolgd had en ontkomen zou zijn, later verhaald hebben van kobolden en onderaardsche paleizen en zeeën en schatkamers en geraamten … Toen ik hier met den priester stond, trapte ik een paar bolvormige dingen weg, die langs het hellend plateau in ’t meer plonsten.… Het zullen doodshoofden zijn geweest … Wilt di eens hooren.… maar schrik niet.…”Sogol schopte een doodshoofd naar ’t hellend vlak. ’t Zelfde donderende gebolder, dat hem in ’t duister zoo verschrikt had, hoorde hij nu kalm aan, met een trek van minachting om de fijne lippen.„Hoordt di.… dat is genoeg gerommel om tien welgewapende legers op de vlucht te drijven.… En toch is het niets, een leeg geschal.… de onttroonde schalgeest uit de Ravenstroth; en ik denk Harimona, dat de donderrommeling daarboven in de lucht weinig anders kan zijn.… een groot gloeiende steen, die ergens neervalt zooals wij dat wel eens hebben gezien en die daarboven in de lucht rommelt[158]zooals het doodshoofd hier.… Wanneer ik straks koning zal zijn, ruk ik met duizend man hier binnen. Groote brandende vetpotten zal ik hier dan neerzetten en alles onderzoeken.… Kom mijn liefste.… wij hebben haast … laat ons deze urn medenemen.…”Zij wilden een buikige urn aan de twee ooren optillen. Maar de urn was zwaar en Sogol hield zijn toorts boven de opening.„Er ligt iets in.…” zeide hij. „’t Schemert geel, maar wat het is, weet ik niet.”Hij duwde de urn om en klopte tegen de wanden. Maar er viel niets uit.„Dan zullen wij een anderen nemen.…”Zij namen een kleineren urn op. Maar Sogol wachtte nog even. Hij nam een der zware vuursteenen bijlen op en sloeg er mede op de buik van de urn, waarin met een doffen slag een gat gruizelde.Groote stukken barnsteen, tot een vaste massa versmolten, hadden de aarden pot zoo zwaar gemaakt.„Dat wordt een bruidssieraad voor di, lieve!” zei Sogol vroolijk, een stuk van de massa barnsteen afslaande, en dicht naast haar gaande, wel op zijn hoede, dat zij niet op ’t hellende plateau zou uitglijden.„Vreemd nietwaar, de reuzen-kabouters van vroeger zijn al net als de dwerg-kabouters van heden.… Tot aan hun laatste stonden kunnen zij zich niet van hun schatten scheiden.”Buiten bij het daglicht bekeken zij de urn nauwkeurig. Sogol bemerkte dat de bruine aarde met roode figuren versierd was.„Dat is Scandisch werk!” zeide Harimona. „De Scandische urnen van Maresag hebben dezelfde versiering.”„Zou het dan waar zijn, dat de Scandiërs eens in ’t land der Nerviërs gewoond hebben?” peinsde Sogol. „Er zijn Galliërs, geliefde, die volhouden datScandia,[159]bevolkt is geworden van uit Gallië. Maar wie kan dat nagaan?”Haun stond bij den doovenden brandstapel.„Niets gebeurd?” vroeg Sogol.„Ja heer.… de twee vreemde wijven zwerven hier weer rond.… Zij kwamen uit het boschje daar en toen ze mij zagen, vluchtten ze weer naar dien kant weg.…”„Zij zullen hun kabouter zoeken!” lachte Sogol, ’t verschrikte gelaat van den jongen ziende.Hij keek op het kleine hoopje witte asch en de witgebrande beenderen op den mutsaard.„Veel is er voor haar niet van hem overgebleven!” zei hij, starend naar het verbrande lijk van den priester.Voorzichtig schepte hij de asch en de beenderen met het plat van zijn zwaard van de mijt en liet het in de opening van de urn glijden. Toen bleef hij lang naar de urn staren.„Hoe weinig beteekenen wij menschen toch, geliefde. Ziet eens.… in zoo’n vaas gaat de asch van tien van ons.… En dan zouden de hemelen en de goden in beweging zijn, wanneer een onzer stierf? Zijn wij iets anders dan een dier?.… Weten wij iets meer?.… Wij wandelen in raadselen.. als wij ten minste in raadselen wandelen.. Maar iets in mij Harimona, zegt mij, dat er geen raadsel is.… Het is onze domme, waanwijze, vervloekte verbeelding, die ons de raadselen schept.… Leegheid is er rondom ons.… een afgrond zonder bodem.… een diepte waarin wij verzinken om nooit weer te keeren.… noch hier noch elders.… Daar, in dit vaasje ligt een mensch.… een mensch, die gedacht, gevoeld, gestreefd heeft.… Had zijn duw een beetje krachtiger geweest, ik zou in ’t zwarte wad gevallen zijn en niet hij. En ik zou verdronken zijn en niet hij.… En hij zou nu bij mijn asch kunnen staan en bij mijn urn een lijkrede houden.… Hebben de goden de hand in ’s menschen lot, Harimona?”[160]„Ik weet het niet prins … Du zegt, du twijfelt niet … maar dijn bitterheid getuigt tegen dijn beweren … In mijn diepste is er gestadig een sterk gevoel, dat mij een samenhang doet voelen tusschen dit leven en dat aan gene zijde … waar hij nu toeft, wiens asch wij verzamelen … Leegte prins?… Hoe zoudt gij, bloeiend, krachtig, vol geest, met glinsterende oogen en een sprekende mond, dezelfde kunnen zijn als hier dit hoopske overblijfsel? Wat wij verbranden kunnen, ja, dat is leegte … maar kunt di ook verbranden mijn droombeeld … mijn droombeeld van zooeven, toen ik di worstelend zag met den naakten man en ik di waarschuwen kon? Zeg mi prins, indien hij en niet du in zwarte meer stortte, was dat, wijl du di weerdet of wijl du gewaarschuwd waart? En wie anders dan de goden gaven mi dat droomgezicht?…”Hij sloeg zijn armen om heur hals,kustehaar en weende. Toen zijn armen hoog opheffend naar den hemel, kreet hij:„O Wot, Wot, Wot! Zijt di daar Wot? Is het waar dat du woont hoog in de heilige hallen … o Wot, Wot! Waarom rijt di mij de ziel open van twijfel … Waarom is elke gedachte een framsteek in mijn borst … Want ik weet niet … ik weet niet … o Wot! Wot!… ik weet niet … ik weet niet!”Hij zonk neer bij de urn en snikte met onstuimige rukken van de borst. Zij knielde bij hem neder en legde zacht heur arm om zijn hals:„Waarom wilt di weten, wellieve? Zal het weten niet komen als de tijd daar is? Zie, hij in deze urn … hij weet.… Zoudt di reeds zijn willen zooals hij.… Is er niet veel geluk en vreugde op deze wereld te vinden zonder het weten? Wacht di daar gindsch niet een troon? En kunnen wij niet nog lang leven, zalig door elkaars liefde en vertrouwen? En is daar niet in dijn rijk veel goeds te doen?”.…[161]Hij blikte op en in zijn oogen lag teederheid en dankbaarheid, maar hij bleef bedroefd.„Zonder het geheim weten, is alles een nutteloos spel, mijn zoete troosteres. Hoe kan het leven licht zijn, wanneer over elke daad, elke vreugde, elke gedachte de schaduw ligt van een onzekere toekomst? Wat is het leven waard, ook het leven van macht, eer, aanzien, weldoen en liefde, wanneer alles een vergankelijk tijdverdrijf is en elk oogenblik een afsterven.… Ik ben bang Harimona.… o, ik ben zoo bang voor den dood!”„Du, mijn moedige, moedige, moedige held!”.…„Ja Harimona.… ik ben bang.… Al mijn koenheid is angst, lafheid, vrees, voor dat donkere van ’t einde.… Ik wilde, dat ik dijne gelatenheid had en dijne moed voor ’t komende.… Ziet di daar den ingang van de grot.… Zoo is de dood.… En dijne hoop en dijne verwachting is een wondere grot met druipend edelgesteente tot behang en een grooten kabouter, die daar heerscht.… Maar mijn verwachting is de zwarte poel, waarin wij allen moeten verdrinken, en in den hoek liggen onze geraamten bij onze aardsche schatten.… Iets mijn geliefde in mij is, is maar grooter dan mijn verlangen, naar het weten van daar gindsch.… dat is mijn vrees voor dat zwarte. En tusschen verlangen en vrees leef ik, zoekend zooals ik straks zocht in het duistere hol, waar alles anders is dan de waarheid, tot de stem die hulpe brengt toe.… en die waarheid zelf een ontnuchtering.…”Hij stond op en leunde op zijn zwaard.„Maar ik wil moedig blijven, tot het uiterste mijn lieve jonkvrouw.… Mijn heilige, hooge, goddelijke maagd.… kom.… kniel niet bij mij, maar sta recht naast mij.… Ik ben die grot ingegaan met geen ander wapen dan mijn zwakke toorts en mijn koenen wil, niet te vreezen voor mijn eigen verbeeldingen … De mensch, die voor den dood vreest is als de haas, die vlucht voor zijn schaduw.…[162]Wat is een schaduw? Een niets, en toch zij is.… Zoo zal de dood wel zijn.… een schaduw van het leven.… zoo zal het zijn.… geen lichaam en geen geest, een afschijn van ons eigen denken.…”Hij legde zijn arm om haar schouder en bleef nog even peinzend naar de urn staren. Toen, zich met een ruk vermannend, wenkte hij Haun.„Knaap, help mi graven. Wij zullen dezen een schoone terp schenken, opdat zijn schaduw rust vinde.”Zich bukkend, puntte hij zijn slagzwaard als een spade in den grond en begon een aarden heuveltje te maken. Maar Haun zette zijn horen aan den mond en blies de lange tonen van het Nervische graflied.Harimona liep ter zijde en plukte wat veldbloemen. Toen, ze in het urngraf werpend, zei ze:„Braaf zoo mijn jongen.… Braaf zoo!.…”En Sogol, even opblikkend, zag dat zij weende.[163]

[Inhoud]HOOFDSTUK XI.Sogol, de beide vrouwen ziende vluchten en bemerkend, dat een naakten man naar een hol kroop, reed tot dicht bij het hol, steeg af en riep:„Vriend, wie bent di? kan ik helpen?”De priester, in grooten angst, vreezend dat Sogol hem zou gevangen nemen, daar Harimona hem kende, nam een kloekbesluit. Zijn rol van kwaden kabouter beviel hem en daarom riep hij uit het hol:„Treed niet nader, vreemdeling. Ik ben de groote kabouter. Wie mijn hol betreedt moet sterven!”Sogol, in stede van verschrikt terug te wijken, lachte helder op. Harimona en Haun kwamen nader en Sogol tot Harimona:„Pas op, liefste. Hier is ’t hol van den grooten kabouter. Wie zijn hol binnentreedt moet sterven!”Harimona glimlachte zacht en Haun, hoewel inwendig toch bevreesd, verkloekte zich om Sogol te vragen:„Meester, zal ik hem er uit toeten?”„Blaas mijn jongen!” zei Sogol.Maar nu Haun den horen aan zijn mond zou zetten, begon hij toch van vrees te beven en in stede van een flinken horenschal toeterde hij een iel, trillerig geluid.Sogol wilde lachen, maar opeens keek hij ernstig. Uit het hol klonk de schal terug en daarna van heel ver nog eens.„Hoort di het, Haun?”„Ja, meester.”„Wie denkt di, dat daar blaast?”„De zotte geest uit de stroth, dien du verjaagd hebt.”[150]„Zal di nooit wijzer worden knaap…” riep Sogol norsch. „Ik zal di nogeens een les geven, dat du alle vrees voor geesten en kobolden verliest.”Harimona was afgestegen en legde heur hand op Sogols schouder.„Geliefde, wees voorzichtig. Een voorgevoel zegt mi, dat hier gevaar dreigt. Ik voel de tocht van den dood langs ons strijken.”„Zult di dan ook nooit moedig worden?” toornde Sogol en spottend riep hij: „Kom eens naar buiten.”„Vreest di niet vreemdeling? Weet, dat ik niet uit mijn hol treed zonder onheil!”„Dan zal ik di halen, du leugenbeest!”Moedig stapte Sogol de grot binnen. Maar de priester doofde meteen zijn brandend kienhout en vluchtte naar achter. Hij kende nu vrijwel den weg, sloop naar het plateau bij het water en verschool zich daar in een nis.Sogol, die in de duisternis rondtastend, de scherpe wanden voelde, trad weder naar den uitgang.„Is hij ontvlucht?” vroeg Harimona.„Voorloopig ja. Maar wij zullen den vriend wel te pakken krijgen. Houd hier de wacht Haun. Ik ga fakkels snijden.”Sogol liep ’t woud een eindje in, hakte eenige geschikte droge takken van jonge dennen af en met zijn rondhout vuur draaiend in ’t blok, stak hij ze aan, tot ze goed opvlamden en liep toen terug, ’t hol binnen.De druipsteengrot wekte zijn verwondering niet, zoomin als de echo dat gedaan had. Hij had wel meer zulke grotten gezien en wist, dat de kristallen door Scandische zeelieden medenomen werden als ze naar het vreemde land voeren. Maar toen hij door de tweede grot aan het onderaardsche meer kwam en de zuilenrijen en gewelven langs de oevers aanschouwde, vloog de gedachte door zijn brein, dat hij dit keer werkelijk in een der paleizen van kabouterkoningen was binnengedrongen, waarvan de sagen zooveel verhaalden.[151]„Kabouterkoning!” riep hij, „Vertoon di. Ik ben dijn vriend en vraag gastvrijheid.”De priester, bemerkend dat Sogol alleen was, kwam op het denkbeeld Sogol hier in het meer te storten, dan naar buiten te vluchten, den horenblazer te verschrikken of door een vuistslag neer te vellen en vervolgens Harimona met geweld weg te voeren. Het groote paard van Sogol kon beiden dragen en de twee andere paarden zou hij een poot verbrijzelen, zoodat Sogol, ook wanneer hij zich uit het water redde, hem niet zou kunnen vervolgen. Daarom kwam hij nu uit zijn schuilhoek en riep:„Hier ben ik, vreemdeling? Wat wilt di?”Zoodra Sogol den naakten man zag en den beschaafden uitspraak van het Renigo’sche dialect hoorde, kreeg hij argwaan en nu gevoelde hij spijt toornig tegenover Harimona te zijn geweest.„Waar ben ik hier, Kobold?” vroeg Sogol.„In mijn rijk, vreemdeling. Hebt di geen vrees om de kabouters aan den arbeid te zien, kom dan mede.…”Sogol volgde den naakten man, maar was zéér op zijn hoede. Deze liep hem vooruit, steeds meer naar achter en daalde toen de breede trappen van het ondergrondsche meer af.„Sta hier vreemdeling en schouw in den zwarten spiegel. Dan zult di mijne kabouters zien.”Sogol trad nader. Plotseling sprong de priester terzij, sloeg hem het brandende kienhout uit de hand, zoodat het in ’t water viel en sissend uitdoofde. Sogol had zich meteen schrap gezet en toen nu in ’t duister de priester hem een duw gaf, wankelde hij niet maar greep den man vast. Deze, merkende dat zijn toeleg mislukt was, trachtte zich los te rukken maar Sogol, sterker dan hij, hield hem stevig vast bij de armen.De twee mannen hadden geen woord gewisseld bij deze worsteling. Nu echter zeide Sogol, wien alles klaar werd:[152]„Als dijn leven di lief is, worstel dan niet langer en leid mi naar buiten.”Meteen pakte Sogol ’s mans armen zoo van achteren vast, dat het hem weinig moeite zou kostten den man als een dunne plank naar achteren om te buigen.„Heer, laat mi los … Ik zal di voorgaan en leiden. Ik ben een arme kobold, die ’t daglicht niet kan verdragen.”„Verdraagt di dit beter?” vroeg Sogol, ’s mans schouders zoo prangend, dat hij een gil van pijn uitte.En den man voor zich uitduwend, liep hij op goed geluk in de richting van den uitgang. Maar in ’t zwarte duister verdwaalde hij, liep zonder het te weten in de tegengestelde richting van den uitgang en ten laatste stuitte hij in den hoek, waar de geraamten en de steenen bijlen lagen.„Heer, wij zijn den verkeerden weg geloopen.”„Wat ligt daar?” vroeg Sogol.„Ik weet niet, heer?”„Wat. Een groote kobold zou niet weten, wat in zijn eigen hol ligt?”Sogol schopte tegen de voorwerpen op den grond. Iets ronds en hards rolde weg; zij hoorden het rollen langs den hellenden weg en dan een plons in ’t water. De echo het rollen herhalend en weder herhalend maakte het roldebolder tot een lang, dof dreunend geluid.Nogmaals schopte Sogol zijn voet tegen de massa voor zich en weder rolde met veel gebolder iets ronds weg langs den hellenden weg naar ’t ondergrondsche meer.„Wat zijn dat?” vroeg hij.„Ik weet niet, heer!”„Du liegt.. du weet het heel goed.. ik zal di zeggen, wat het zijn.… het zijn doodshoofden, du vervloekte roover! Dat zijn dijn slachtoffers!”„Heer, geloof mi … het is niet zoo … ik ben een eerlijk man.”[153]„Dat heb ik gemerkt, toen du mi in ’t water wilde stooten … En wat is dat? En wat is dat?”Sogol, nu trappend tegen de urnen en de steenen bijlen, vermoedend dat dit de buit van den roover was, omknelde de armen van den gevaarlijken moordenaar nog vaster. Want minder voor zichzelf dan wel voor Harimona vreesde hij, wanneer de roover mocht ontsnappen.Van uit de verte klonk een angstig geschrei, dat zich herhaalde en in de gewelven voortschalde van muur tot muur. Daarna de eerste schallen van een Nervisch deuntje.„Hierheen, hierheen!” riep Sogol.Maar Haun, die op Harimona’s bevel met een bundel kienhouten en een brandend kienhout Sogol tegemoet ging, door de echo misleid, liep een anderen weg op, dan waar Sogol riep. Sogol zag hem zoeken met zijn brandend hout, dat echter te weinig schijn verspreidde om den afgelegen hoek te verlichten, waar de twee mannen stonden.„Loop langs het meer en dan rechts af!” riep Sogol, de woorden langzaam uitsprekend met tusschenruimten, opdat het eene woord niet het andere door den echo-schal zou onverstaanbaar maken.Nu liep Haun in de goede richting en was weldra bij zijn heer. Maar hij en Sogol verschrikten beiden, toen ze bij den roodgeligen schijn van den walmenden brandenden tak een hoop geraamten zagen bij elkaar liggen te midden van steenen bijlen en urnen.„Draak, monster, ondier!” kreet Sogol. En den priester in zijn woede optillend wierp hij hem van zich af langs het hellende plateau, waar te voren de doodskoppen waren ingerold. De man trachtte zijn vaart te stuiten, doch slaagde er niet in en tuimelde in het zwarte meer. Sogol hoorde de plons en daarna begon de man, in ’t zwarte duister zwemmend zonder te weten naar welke richting hij kon ontkomen, bevreesd in het donker alleen te blijven nu hij den weg niet meer wist, om hulp te roepen en te schreien.[154]En zijn angstkreten, door de echo’s herhaald, klonken hol en vertienvoudigd. Het scheen of niet één mensch daar in het donker tegen den dood worstelde maar alsof tien, twintig lieden uit de zwarte kolk om hulp schreiden.Haun stond bevend bij Sogol.„Wilt di hem redden, meester?”„Neen.., laat hem verdrinken … hij heeft zijn straf welverdiend …”Maar de man in ’t water liet niet af.„Heer, heer!” schreeuwde hij, „ik ben een priester uit Renigo … Heer, om der wille van de heilige maagd, red mi … Heer, in naam van Harimona …”„Licht mi bij, jongen!” zei Sogol nu tot Haun. „In haar naam zal niet vergeefs erbarming worden ingeroepen.”Hij daalde voorzichtig langs het plateau af, stak een kienhout aan en verlichte het donkere watervlak. De priester lag al midden in ’t water. „Kom … du hebt Harimona aangeroepen … Du zult gered worden!” riep Sogol.„Ik kan niet meer heer … ik kan niet meer!”Sogol sprong hem niet na. Want bij ’t licht van de toortsen zag hij dat het water zwart en drabbig was, een donkere poel, die naar bedorven eieren rook.Maar dichtbij kwam de naakte man weer boven. Sogol greep hem vast en trok hem tegen de kant op. Hij merkte dat het hellende plateau plotseling stijl eindigde, alsof een afgrond met drabbig water was gevuld. Maar de man gaf geen teekenen van leven meerenneus en mond waren met een dik, taai slijk gevuld. Sogol tilde het lichaam op en door Haun voorgelicht, vonden zij de twee toegangsgrotten en kwamen eindelijk weder buiten in de frissche lucht.Harimona wachtte met bleek gelaat en bevende lippen en toen zij Sogol zag terugkomen met het lichaam van den naakten man op zijn armen, snelde zij op hem toe.[155]„O vriend … hoe gelukkig ben ik, dat du bent weergekeerd … Ik voelde mij zoo beklemd …”„Hier is de kabouter,” zei Sogol, het lichaam zacht op ’t mos uitstrekkend. „Du hebt wèl gelijk gehad mij te waarschuwen, geliefde. Want hij wilde mij tersluiks in een poel werpen, die daar achter in de grot is.”„Ik ken den man … dat is Wieland, de runenkenner …”„Dan begrijp ik alles!” zeide Sogol. „Maar hoe kwamen die twee gevluchte vrouwen in zijn tegenwoordigheid? En waarom heeft hij al die menschen vermoord?”„Heeft hij menschen vermoord?” vroeg Harimona.„Ja … het hol ligt vol geraamten en doodshoofden …”„Maar dan kan hij die moorden niet gedaan hebben. Want vóór wij vluchtten, was hij nog in de haag.”„Dat is waar,” zeide Sogol.Hij begon er spijt over te gevoelen, den man verdronken te hebben.„Wij zullen hem verbranden en in een urn begraven, hoewel ik anders weinig geloof van de straf, die de zielen van niet-verbrande lichamen moeten dulden. Kom Haun, laat ons een brandstapel maken.”Zij zochten dor hout bijeen, stapelden het hoog op en legden toen het lijk van den verdronken Wieland er op. Toen draaide Sogol vuur en stak de brandstapel aan. De vlammen, lekkend om het dorre hout stegen, spoedig hoog op.Sogol, Harimona en Haun wachtten op een afstand.„Waar vinden wij een urn?” vroeg Harimona.„Daar binnen staan er verscheidene …”„Wilt du di nogmaals er in wagen?” vroeg Harimona angstig.„Waarom niet?… Of hebt di weder voorgevoelens?”„Neen, nu niet …”„Kom mee Haun!” beval Sogol … Maar hij bedacht zich.„Neen … ’t is beter dat Haun hier blijft bij de paarden. Licht di mij bij Harimona.”[156]Hij nam zelf een kienhout en stak dit aan den brandstapel op. Nam een bundel andere toortsen in zijn arm en Harimona nam ook een bundel en een vlammend hout.„Haun, denk er aan. Indien er onraad is, blaas driemaal. En zoekt di ons, altoos loopen naar de tegenovergestelde zijde vanwaar de weerschal komt …” waarschuwde Sogol.Toen ging hij met Harimona de grot in. Zij was vol bewondering voor de prachtige druipsteenen, die de gewelven bepegelden. Maar in de groote hal van hetonderaardschemeer voelde zij zich angstig en greep Sogol vast.Hij sloeg zijn linkerarm om heur middel en drukte heur vast tegen zich aan.„Hier wilde hij mij in ’t meer duwen!” zeide Sogol, wijzend op de verwarde voetstappen in ’t slik van den meeroever … „Ziet di de worsteling …”„Ik zie het, Sogol … maar ik zie het niet voor den eersten keer. Toen du hier binnen tradt en ik waarschuwde di zag ik in mijn droom du worstelen met een naakten man … Het droombeeld duurde een oogwenk … en toen was ik weer uit den droom geheven. Daarom waarschuwde ik di.”Zij schreden nu tegen het hellend plateau op. Bij ’t rossige schijnsel der twee brandende takken zagen zij, dat de grond van zwarte, glimmende, harde aarde was. Sogol, zijn tak nu langs de zuilen der gaanderijen houdend, zoodat deze eenigszins verlicht werden, onderzocht ze zoo nauwkeurig als dat bij ’t slechte licht maar kon.„Dat is menschenwerk!” zeide hij, meer tot zichzelf dan tot zijn begeleidster. „Dat moet uitgehouwen zijn …”„Hier zijn trappen,” riep Harimona, die haar toorts wat terzijde had gehouden.Naast den hellenden opgang was, naar de zijde van ’t water toe een trap, uitgehouwen in den zwarten grond met groote treden.Harimona zag er tegenop den trap te gebruiken en liep liever langs ’t hellend vlak.[157]„Voor wien heeft dien trap gediend? Het moeten reuzen zijn geweest, die zoo’n trap gebruikten …” meende Sogol.Boven op ’t plateau waren zij beiden spoedig aan den hoek, waar de geraamten lagen en de urnen stonden.Nu, rustig ze beschouwend, zag Sogol dat Harimona’s vernuftige opmerking juist was geweest. De geraamten waren zeker al zeer oud en de doodshoofden, de borstkassen, de beenderen van de ledematen waren van ongewone grootte.Nu ook vond hij de grofbewerkte bijlen van vuursteen.„Het moeten reuzen geweest zijn, die deze werktuigen gebruikt hebben. En hoeveel kracht moeten zij niet gehad hebben om deze zuilen uit te houwen.”„Wat zouden ze hier gedaan hebben?” vroeg Harimona.„Ik weet het niet.… ik weet het niet.… De wereld is vol wonderen. Maar het zijn geen wonderen, die aan goden doen gelooven. Het is alles te verklaren.… Wat zou een ander, die den priester vervolgd had en ontkomen zou zijn, later verhaald hebben van kobolden en onderaardsche paleizen en zeeën en schatkamers en geraamten … Toen ik hier met den priester stond, trapte ik een paar bolvormige dingen weg, die langs het hellend plateau in ’t meer plonsten.… Het zullen doodshoofden zijn geweest … Wilt di eens hooren.… maar schrik niet.…”Sogol schopte een doodshoofd naar ’t hellend vlak. ’t Zelfde donderende gebolder, dat hem in ’t duister zoo verschrikt had, hoorde hij nu kalm aan, met een trek van minachting om de fijne lippen.„Hoordt di.… dat is genoeg gerommel om tien welgewapende legers op de vlucht te drijven.… En toch is het niets, een leeg geschal.… de onttroonde schalgeest uit de Ravenstroth; en ik denk Harimona, dat de donderrommeling daarboven in de lucht weinig anders kan zijn.… een groot gloeiende steen, die ergens neervalt zooals wij dat wel eens hebben gezien en die daarboven in de lucht rommelt[158]zooals het doodshoofd hier.… Wanneer ik straks koning zal zijn, ruk ik met duizend man hier binnen. Groote brandende vetpotten zal ik hier dan neerzetten en alles onderzoeken.… Kom mijn liefste.… wij hebben haast … laat ons deze urn medenemen.…”Zij wilden een buikige urn aan de twee ooren optillen. Maar de urn was zwaar en Sogol hield zijn toorts boven de opening.„Er ligt iets in.…” zeide hij. „’t Schemert geel, maar wat het is, weet ik niet.”Hij duwde de urn om en klopte tegen de wanden. Maar er viel niets uit.„Dan zullen wij een anderen nemen.…”Zij namen een kleineren urn op. Maar Sogol wachtte nog even. Hij nam een der zware vuursteenen bijlen op en sloeg er mede op de buik van de urn, waarin met een doffen slag een gat gruizelde.Groote stukken barnsteen, tot een vaste massa versmolten, hadden de aarden pot zoo zwaar gemaakt.„Dat wordt een bruidssieraad voor di, lieve!” zei Sogol vroolijk, een stuk van de massa barnsteen afslaande, en dicht naast haar gaande, wel op zijn hoede, dat zij niet op ’t hellende plateau zou uitglijden.„Vreemd nietwaar, de reuzen-kabouters van vroeger zijn al net als de dwerg-kabouters van heden.… Tot aan hun laatste stonden kunnen zij zich niet van hun schatten scheiden.”Buiten bij het daglicht bekeken zij de urn nauwkeurig. Sogol bemerkte dat de bruine aarde met roode figuren versierd was.„Dat is Scandisch werk!” zeide Harimona. „De Scandische urnen van Maresag hebben dezelfde versiering.”„Zou het dan waar zijn, dat de Scandiërs eens in ’t land der Nerviërs gewoond hebben?” peinsde Sogol. „Er zijn Galliërs, geliefde, die volhouden datScandia,[159]bevolkt is geworden van uit Gallië. Maar wie kan dat nagaan?”Haun stond bij den doovenden brandstapel.„Niets gebeurd?” vroeg Sogol.„Ja heer.… de twee vreemde wijven zwerven hier weer rond.… Zij kwamen uit het boschje daar en toen ze mij zagen, vluchtten ze weer naar dien kant weg.…”„Zij zullen hun kabouter zoeken!” lachte Sogol, ’t verschrikte gelaat van den jongen ziende.Hij keek op het kleine hoopje witte asch en de witgebrande beenderen op den mutsaard.„Veel is er voor haar niet van hem overgebleven!” zei hij, starend naar het verbrande lijk van den priester.Voorzichtig schepte hij de asch en de beenderen met het plat van zijn zwaard van de mijt en liet het in de opening van de urn glijden. Toen bleef hij lang naar de urn staren.„Hoe weinig beteekenen wij menschen toch, geliefde. Ziet eens.… in zoo’n vaas gaat de asch van tien van ons.… En dan zouden de hemelen en de goden in beweging zijn, wanneer een onzer stierf? Zijn wij iets anders dan een dier?.… Weten wij iets meer?.… Wij wandelen in raadselen.. als wij ten minste in raadselen wandelen.. Maar iets in mij Harimona, zegt mij, dat er geen raadsel is.… Het is onze domme, waanwijze, vervloekte verbeelding, die ons de raadselen schept.… Leegheid is er rondom ons.… een afgrond zonder bodem.… een diepte waarin wij verzinken om nooit weer te keeren.… noch hier noch elders.… Daar, in dit vaasje ligt een mensch.… een mensch, die gedacht, gevoeld, gestreefd heeft.… Had zijn duw een beetje krachtiger geweest, ik zou in ’t zwarte wad gevallen zijn en niet hij. En ik zou verdronken zijn en niet hij.… En hij zou nu bij mijn asch kunnen staan en bij mijn urn een lijkrede houden.… Hebben de goden de hand in ’s menschen lot, Harimona?”[160]„Ik weet het niet prins … Du zegt, du twijfelt niet … maar dijn bitterheid getuigt tegen dijn beweren … In mijn diepste is er gestadig een sterk gevoel, dat mij een samenhang doet voelen tusschen dit leven en dat aan gene zijde … waar hij nu toeft, wiens asch wij verzamelen … Leegte prins?… Hoe zoudt gij, bloeiend, krachtig, vol geest, met glinsterende oogen en een sprekende mond, dezelfde kunnen zijn als hier dit hoopske overblijfsel? Wat wij verbranden kunnen, ja, dat is leegte … maar kunt di ook verbranden mijn droombeeld … mijn droombeeld van zooeven, toen ik di worstelend zag met den naakten man en ik di waarschuwen kon? Zeg mi prins, indien hij en niet du in zwarte meer stortte, was dat, wijl du di weerdet of wijl du gewaarschuwd waart? En wie anders dan de goden gaven mi dat droomgezicht?…”Hij sloeg zijn armen om heur hals,kustehaar en weende. Toen zijn armen hoog opheffend naar den hemel, kreet hij:„O Wot, Wot, Wot! Zijt di daar Wot? Is het waar dat du woont hoog in de heilige hallen … o Wot, Wot! Waarom rijt di mij de ziel open van twijfel … Waarom is elke gedachte een framsteek in mijn borst … Want ik weet niet … ik weet niet … o Wot! Wot!… ik weet niet … ik weet niet!”Hij zonk neer bij de urn en snikte met onstuimige rukken van de borst. Zij knielde bij hem neder en legde zacht heur arm om zijn hals:„Waarom wilt di weten, wellieve? Zal het weten niet komen als de tijd daar is? Zie, hij in deze urn … hij weet.… Zoudt di reeds zijn willen zooals hij.… Is er niet veel geluk en vreugde op deze wereld te vinden zonder het weten? Wacht di daar gindsch niet een troon? En kunnen wij niet nog lang leven, zalig door elkaars liefde en vertrouwen? En is daar niet in dijn rijk veel goeds te doen?”.…[161]Hij blikte op en in zijn oogen lag teederheid en dankbaarheid, maar hij bleef bedroefd.„Zonder het geheim weten, is alles een nutteloos spel, mijn zoete troosteres. Hoe kan het leven licht zijn, wanneer over elke daad, elke vreugde, elke gedachte de schaduw ligt van een onzekere toekomst? Wat is het leven waard, ook het leven van macht, eer, aanzien, weldoen en liefde, wanneer alles een vergankelijk tijdverdrijf is en elk oogenblik een afsterven.… Ik ben bang Harimona.… o, ik ben zoo bang voor den dood!”„Du, mijn moedige, moedige, moedige held!”.…„Ja Harimona.… ik ben bang.… Al mijn koenheid is angst, lafheid, vrees, voor dat donkere van ’t einde.… Ik wilde, dat ik dijne gelatenheid had en dijne moed voor ’t komende.… Ziet di daar den ingang van de grot.… Zoo is de dood.… En dijne hoop en dijne verwachting is een wondere grot met druipend edelgesteente tot behang en een grooten kabouter, die daar heerscht.… Maar mijn verwachting is de zwarte poel, waarin wij allen moeten verdrinken, en in den hoek liggen onze geraamten bij onze aardsche schatten.… Iets mijn geliefde in mij is, is maar grooter dan mijn verlangen, naar het weten van daar gindsch.… dat is mijn vrees voor dat zwarte. En tusschen verlangen en vrees leef ik, zoekend zooals ik straks zocht in het duistere hol, waar alles anders is dan de waarheid, tot de stem die hulpe brengt toe.… en die waarheid zelf een ontnuchtering.…”Hij stond op en leunde op zijn zwaard.„Maar ik wil moedig blijven, tot het uiterste mijn lieve jonkvrouw.… Mijn heilige, hooge, goddelijke maagd.… kom.… kniel niet bij mij, maar sta recht naast mij.… Ik ben die grot ingegaan met geen ander wapen dan mijn zwakke toorts en mijn koenen wil, niet te vreezen voor mijn eigen verbeeldingen … De mensch, die voor den dood vreest is als de haas, die vlucht voor zijn schaduw.…[162]Wat is een schaduw? Een niets, en toch zij is.… Zoo zal de dood wel zijn.… een schaduw van het leven.… zoo zal het zijn.… geen lichaam en geen geest, een afschijn van ons eigen denken.…”Hij legde zijn arm om haar schouder en bleef nog even peinzend naar de urn staren. Toen, zich met een ruk vermannend, wenkte hij Haun.„Knaap, help mi graven. Wij zullen dezen een schoone terp schenken, opdat zijn schaduw rust vinde.”Zich bukkend, puntte hij zijn slagzwaard als een spade in den grond en begon een aarden heuveltje te maken. Maar Haun zette zijn horen aan den mond en blies de lange tonen van het Nervische graflied.Harimona liep ter zijde en plukte wat veldbloemen. Toen, ze in het urngraf werpend, zei ze:„Braaf zoo mijn jongen.… Braaf zoo!.…”En Sogol, even opblikkend, zag dat zij weende.[163]

[Inhoud]HOOFDSTUK XI.Sogol, de beide vrouwen ziende vluchten en bemerkend, dat een naakten man naar een hol kroop, reed tot dicht bij het hol, steeg af en riep:„Vriend, wie bent di? kan ik helpen?”De priester, in grooten angst, vreezend dat Sogol hem zou gevangen nemen, daar Harimona hem kende, nam een kloekbesluit. Zijn rol van kwaden kabouter beviel hem en daarom riep hij uit het hol:„Treed niet nader, vreemdeling. Ik ben de groote kabouter. Wie mijn hol betreedt moet sterven!”Sogol, in stede van verschrikt terug te wijken, lachte helder op. Harimona en Haun kwamen nader en Sogol tot Harimona:„Pas op, liefste. Hier is ’t hol van den grooten kabouter. Wie zijn hol binnentreedt moet sterven!”Harimona glimlachte zacht en Haun, hoewel inwendig toch bevreesd, verkloekte zich om Sogol te vragen:„Meester, zal ik hem er uit toeten?”„Blaas mijn jongen!” zei Sogol.Maar nu Haun den horen aan zijn mond zou zetten, begon hij toch van vrees te beven en in stede van een flinken horenschal toeterde hij een iel, trillerig geluid.Sogol wilde lachen, maar opeens keek hij ernstig. Uit het hol klonk de schal terug en daarna van heel ver nog eens.„Hoort di het, Haun?”„Ja, meester.”„Wie denkt di, dat daar blaast?”„De zotte geest uit de stroth, dien du verjaagd hebt.”[150]„Zal di nooit wijzer worden knaap…” riep Sogol norsch. „Ik zal di nogeens een les geven, dat du alle vrees voor geesten en kobolden verliest.”Harimona was afgestegen en legde heur hand op Sogols schouder.„Geliefde, wees voorzichtig. Een voorgevoel zegt mi, dat hier gevaar dreigt. Ik voel de tocht van den dood langs ons strijken.”„Zult di dan ook nooit moedig worden?” toornde Sogol en spottend riep hij: „Kom eens naar buiten.”„Vreest di niet vreemdeling? Weet, dat ik niet uit mijn hol treed zonder onheil!”„Dan zal ik di halen, du leugenbeest!”Moedig stapte Sogol de grot binnen. Maar de priester doofde meteen zijn brandend kienhout en vluchtte naar achter. Hij kende nu vrijwel den weg, sloop naar het plateau bij het water en verschool zich daar in een nis.Sogol, die in de duisternis rondtastend, de scherpe wanden voelde, trad weder naar den uitgang.„Is hij ontvlucht?” vroeg Harimona.„Voorloopig ja. Maar wij zullen den vriend wel te pakken krijgen. Houd hier de wacht Haun. Ik ga fakkels snijden.”Sogol liep ’t woud een eindje in, hakte eenige geschikte droge takken van jonge dennen af en met zijn rondhout vuur draaiend in ’t blok, stak hij ze aan, tot ze goed opvlamden en liep toen terug, ’t hol binnen.De druipsteengrot wekte zijn verwondering niet, zoomin als de echo dat gedaan had. Hij had wel meer zulke grotten gezien en wist, dat de kristallen door Scandische zeelieden medenomen werden als ze naar het vreemde land voeren. Maar toen hij door de tweede grot aan het onderaardsche meer kwam en de zuilenrijen en gewelven langs de oevers aanschouwde, vloog de gedachte door zijn brein, dat hij dit keer werkelijk in een der paleizen van kabouterkoningen was binnengedrongen, waarvan de sagen zooveel verhaalden.[151]„Kabouterkoning!” riep hij, „Vertoon di. Ik ben dijn vriend en vraag gastvrijheid.”De priester, bemerkend dat Sogol alleen was, kwam op het denkbeeld Sogol hier in het meer te storten, dan naar buiten te vluchten, den horenblazer te verschrikken of door een vuistslag neer te vellen en vervolgens Harimona met geweld weg te voeren. Het groote paard van Sogol kon beiden dragen en de twee andere paarden zou hij een poot verbrijzelen, zoodat Sogol, ook wanneer hij zich uit het water redde, hem niet zou kunnen vervolgen. Daarom kwam hij nu uit zijn schuilhoek en riep:„Hier ben ik, vreemdeling? Wat wilt di?”Zoodra Sogol den naakten man zag en den beschaafden uitspraak van het Renigo’sche dialect hoorde, kreeg hij argwaan en nu gevoelde hij spijt toornig tegenover Harimona te zijn geweest.„Waar ben ik hier, Kobold?” vroeg Sogol.„In mijn rijk, vreemdeling. Hebt di geen vrees om de kabouters aan den arbeid te zien, kom dan mede.…”Sogol volgde den naakten man, maar was zéér op zijn hoede. Deze liep hem vooruit, steeds meer naar achter en daalde toen de breede trappen van het ondergrondsche meer af.„Sta hier vreemdeling en schouw in den zwarten spiegel. Dan zult di mijne kabouters zien.”Sogol trad nader. Plotseling sprong de priester terzij, sloeg hem het brandende kienhout uit de hand, zoodat het in ’t water viel en sissend uitdoofde. Sogol had zich meteen schrap gezet en toen nu in ’t duister de priester hem een duw gaf, wankelde hij niet maar greep den man vast. Deze, merkende dat zijn toeleg mislukt was, trachtte zich los te rukken maar Sogol, sterker dan hij, hield hem stevig vast bij de armen.De twee mannen hadden geen woord gewisseld bij deze worsteling. Nu echter zeide Sogol, wien alles klaar werd:[152]„Als dijn leven di lief is, worstel dan niet langer en leid mi naar buiten.”Meteen pakte Sogol ’s mans armen zoo van achteren vast, dat het hem weinig moeite zou kostten den man als een dunne plank naar achteren om te buigen.„Heer, laat mi los … Ik zal di voorgaan en leiden. Ik ben een arme kobold, die ’t daglicht niet kan verdragen.”„Verdraagt di dit beter?” vroeg Sogol, ’s mans schouders zoo prangend, dat hij een gil van pijn uitte.En den man voor zich uitduwend, liep hij op goed geluk in de richting van den uitgang. Maar in ’t zwarte duister verdwaalde hij, liep zonder het te weten in de tegengestelde richting van den uitgang en ten laatste stuitte hij in den hoek, waar de geraamten en de steenen bijlen lagen.„Heer, wij zijn den verkeerden weg geloopen.”„Wat ligt daar?” vroeg Sogol.„Ik weet niet, heer?”„Wat. Een groote kobold zou niet weten, wat in zijn eigen hol ligt?”Sogol schopte tegen de voorwerpen op den grond. Iets ronds en hards rolde weg; zij hoorden het rollen langs den hellenden weg en dan een plons in ’t water. De echo het rollen herhalend en weder herhalend maakte het roldebolder tot een lang, dof dreunend geluid.Nogmaals schopte Sogol zijn voet tegen de massa voor zich en weder rolde met veel gebolder iets ronds weg langs den hellenden weg naar ’t ondergrondsche meer.„Wat zijn dat?” vroeg hij.„Ik weet niet, heer!”„Du liegt.. du weet het heel goed.. ik zal di zeggen, wat het zijn.… het zijn doodshoofden, du vervloekte roover! Dat zijn dijn slachtoffers!”„Heer, geloof mi … het is niet zoo … ik ben een eerlijk man.”[153]„Dat heb ik gemerkt, toen du mi in ’t water wilde stooten … En wat is dat? En wat is dat?”Sogol, nu trappend tegen de urnen en de steenen bijlen, vermoedend dat dit de buit van den roover was, omknelde de armen van den gevaarlijken moordenaar nog vaster. Want minder voor zichzelf dan wel voor Harimona vreesde hij, wanneer de roover mocht ontsnappen.Van uit de verte klonk een angstig geschrei, dat zich herhaalde en in de gewelven voortschalde van muur tot muur. Daarna de eerste schallen van een Nervisch deuntje.„Hierheen, hierheen!” riep Sogol.Maar Haun, die op Harimona’s bevel met een bundel kienhouten en een brandend kienhout Sogol tegemoet ging, door de echo misleid, liep een anderen weg op, dan waar Sogol riep. Sogol zag hem zoeken met zijn brandend hout, dat echter te weinig schijn verspreidde om den afgelegen hoek te verlichten, waar de twee mannen stonden.„Loop langs het meer en dan rechts af!” riep Sogol, de woorden langzaam uitsprekend met tusschenruimten, opdat het eene woord niet het andere door den echo-schal zou onverstaanbaar maken.Nu liep Haun in de goede richting en was weldra bij zijn heer. Maar hij en Sogol verschrikten beiden, toen ze bij den roodgeligen schijn van den walmenden brandenden tak een hoop geraamten zagen bij elkaar liggen te midden van steenen bijlen en urnen.„Draak, monster, ondier!” kreet Sogol. En den priester in zijn woede optillend wierp hij hem van zich af langs het hellende plateau, waar te voren de doodskoppen waren ingerold. De man trachtte zijn vaart te stuiten, doch slaagde er niet in en tuimelde in het zwarte meer. Sogol hoorde de plons en daarna begon de man, in ’t zwarte duister zwemmend zonder te weten naar welke richting hij kon ontkomen, bevreesd in het donker alleen te blijven nu hij den weg niet meer wist, om hulp te roepen en te schreien.[154]En zijn angstkreten, door de echo’s herhaald, klonken hol en vertienvoudigd. Het scheen of niet één mensch daar in het donker tegen den dood worstelde maar alsof tien, twintig lieden uit de zwarte kolk om hulp schreiden.Haun stond bevend bij Sogol.„Wilt di hem redden, meester?”„Neen.., laat hem verdrinken … hij heeft zijn straf welverdiend …”Maar de man in ’t water liet niet af.„Heer, heer!” schreeuwde hij, „ik ben een priester uit Renigo … Heer, om der wille van de heilige maagd, red mi … Heer, in naam van Harimona …”„Licht mi bij, jongen!” zei Sogol nu tot Haun. „In haar naam zal niet vergeefs erbarming worden ingeroepen.”Hij daalde voorzichtig langs het plateau af, stak een kienhout aan en verlichte het donkere watervlak. De priester lag al midden in ’t water. „Kom … du hebt Harimona aangeroepen … Du zult gered worden!” riep Sogol.„Ik kan niet meer heer … ik kan niet meer!”Sogol sprong hem niet na. Want bij ’t licht van de toortsen zag hij dat het water zwart en drabbig was, een donkere poel, die naar bedorven eieren rook.Maar dichtbij kwam de naakte man weer boven. Sogol greep hem vast en trok hem tegen de kant op. Hij merkte dat het hellende plateau plotseling stijl eindigde, alsof een afgrond met drabbig water was gevuld. Maar de man gaf geen teekenen van leven meerenneus en mond waren met een dik, taai slijk gevuld. Sogol tilde het lichaam op en door Haun voorgelicht, vonden zij de twee toegangsgrotten en kwamen eindelijk weder buiten in de frissche lucht.Harimona wachtte met bleek gelaat en bevende lippen en toen zij Sogol zag terugkomen met het lichaam van den naakten man op zijn armen, snelde zij op hem toe.[155]„O vriend … hoe gelukkig ben ik, dat du bent weergekeerd … Ik voelde mij zoo beklemd …”„Hier is de kabouter,” zei Sogol, het lichaam zacht op ’t mos uitstrekkend. „Du hebt wèl gelijk gehad mij te waarschuwen, geliefde. Want hij wilde mij tersluiks in een poel werpen, die daar achter in de grot is.”„Ik ken den man … dat is Wieland, de runenkenner …”„Dan begrijp ik alles!” zeide Sogol. „Maar hoe kwamen die twee gevluchte vrouwen in zijn tegenwoordigheid? En waarom heeft hij al die menschen vermoord?”„Heeft hij menschen vermoord?” vroeg Harimona.„Ja … het hol ligt vol geraamten en doodshoofden …”„Maar dan kan hij die moorden niet gedaan hebben. Want vóór wij vluchtten, was hij nog in de haag.”„Dat is waar,” zeide Sogol.Hij begon er spijt over te gevoelen, den man verdronken te hebben.„Wij zullen hem verbranden en in een urn begraven, hoewel ik anders weinig geloof van de straf, die de zielen van niet-verbrande lichamen moeten dulden. Kom Haun, laat ons een brandstapel maken.”Zij zochten dor hout bijeen, stapelden het hoog op en legden toen het lijk van den verdronken Wieland er op. Toen draaide Sogol vuur en stak de brandstapel aan. De vlammen, lekkend om het dorre hout stegen, spoedig hoog op.Sogol, Harimona en Haun wachtten op een afstand.„Waar vinden wij een urn?” vroeg Harimona.„Daar binnen staan er verscheidene …”„Wilt du di nogmaals er in wagen?” vroeg Harimona angstig.„Waarom niet?… Of hebt di weder voorgevoelens?”„Neen, nu niet …”„Kom mee Haun!” beval Sogol … Maar hij bedacht zich.„Neen … ’t is beter dat Haun hier blijft bij de paarden. Licht di mij bij Harimona.”[156]Hij nam zelf een kienhout en stak dit aan den brandstapel op. Nam een bundel andere toortsen in zijn arm en Harimona nam ook een bundel en een vlammend hout.„Haun, denk er aan. Indien er onraad is, blaas driemaal. En zoekt di ons, altoos loopen naar de tegenovergestelde zijde vanwaar de weerschal komt …” waarschuwde Sogol.Toen ging hij met Harimona de grot in. Zij was vol bewondering voor de prachtige druipsteenen, die de gewelven bepegelden. Maar in de groote hal van hetonderaardschemeer voelde zij zich angstig en greep Sogol vast.Hij sloeg zijn linkerarm om heur middel en drukte heur vast tegen zich aan.„Hier wilde hij mij in ’t meer duwen!” zeide Sogol, wijzend op de verwarde voetstappen in ’t slik van den meeroever … „Ziet di de worsteling …”„Ik zie het, Sogol … maar ik zie het niet voor den eersten keer. Toen du hier binnen tradt en ik waarschuwde di zag ik in mijn droom du worstelen met een naakten man … Het droombeeld duurde een oogwenk … en toen was ik weer uit den droom geheven. Daarom waarschuwde ik di.”Zij schreden nu tegen het hellend plateau op. Bij ’t rossige schijnsel der twee brandende takken zagen zij, dat de grond van zwarte, glimmende, harde aarde was. Sogol, zijn tak nu langs de zuilen der gaanderijen houdend, zoodat deze eenigszins verlicht werden, onderzocht ze zoo nauwkeurig als dat bij ’t slechte licht maar kon.„Dat is menschenwerk!” zeide hij, meer tot zichzelf dan tot zijn begeleidster. „Dat moet uitgehouwen zijn …”„Hier zijn trappen,” riep Harimona, die haar toorts wat terzijde had gehouden.Naast den hellenden opgang was, naar de zijde van ’t water toe een trap, uitgehouwen in den zwarten grond met groote treden.Harimona zag er tegenop den trap te gebruiken en liep liever langs ’t hellend vlak.[157]„Voor wien heeft dien trap gediend? Het moeten reuzen zijn geweest, die zoo’n trap gebruikten …” meende Sogol.Boven op ’t plateau waren zij beiden spoedig aan den hoek, waar de geraamten lagen en de urnen stonden.Nu, rustig ze beschouwend, zag Sogol dat Harimona’s vernuftige opmerking juist was geweest. De geraamten waren zeker al zeer oud en de doodshoofden, de borstkassen, de beenderen van de ledematen waren van ongewone grootte.Nu ook vond hij de grofbewerkte bijlen van vuursteen.„Het moeten reuzen geweest zijn, die deze werktuigen gebruikt hebben. En hoeveel kracht moeten zij niet gehad hebben om deze zuilen uit te houwen.”„Wat zouden ze hier gedaan hebben?” vroeg Harimona.„Ik weet het niet.… ik weet het niet.… De wereld is vol wonderen. Maar het zijn geen wonderen, die aan goden doen gelooven. Het is alles te verklaren.… Wat zou een ander, die den priester vervolgd had en ontkomen zou zijn, later verhaald hebben van kobolden en onderaardsche paleizen en zeeën en schatkamers en geraamten … Toen ik hier met den priester stond, trapte ik een paar bolvormige dingen weg, die langs het hellend plateau in ’t meer plonsten.… Het zullen doodshoofden zijn geweest … Wilt di eens hooren.… maar schrik niet.…”Sogol schopte een doodshoofd naar ’t hellend vlak. ’t Zelfde donderende gebolder, dat hem in ’t duister zoo verschrikt had, hoorde hij nu kalm aan, met een trek van minachting om de fijne lippen.„Hoordt di.… dat is genoeg gerommel om tien welgewapende legers op de vlucht te drijven.… En toch is het niets, een leeg geschal.… de onttroonde schalgeest uit de Ravenstroth; en ik denk Harimona, dat de donderrommeling daarboven in de lucht weinig anders kan zijn.… een groot gloeiende steen, die ergens neervalt zooals wij dat wel eens hebben gezien en die daarboven in de lucht rommelt[158]zooals het doodshoofd hier.… Wanneer ik straks koning zal zijn, ruk ik met duizend man hier binnen. Groote brandende vetpotten zal ik hier dan neerzetten en alles onderzoeken.… Kom mijn liefste.… wij hebben haast … laat ons deze urn medenemen.…”Zij wilden een buikige urn aan de twee ooren optillen. Maar de urn was zwaar en Sogol hield zijn toorts boven de opening.„Er ligt iets in.…” zeide hij. „’t Schemert geel, maar wat het is, weet ik niet.”Hij duwde de urn om en klopte tegen de wanden. Maar er viel niets uit.„Dan zullen wij een anderen nemen.…”Zij namen een kleineren urn op. Maar Sogol wachtte nog even. Hij nam een der zware vuursteenen bijlen op en sloeg er mede op de buik van de urn, waarin met een doffen slag een gat gruizelde.Groote stukken barnsteen, tot een vaste massa versmolten, hadden de aarden pot zoo zwaar gemaakt.„Dat wordt een bruidssieraad voor di, lieve!” zei Sogol vroolijk, een stuk van de massa barnsteen afslaande, en dicht naast haar gaande, wel op zijn hoede, dat zij niet op ’t hellende plateau zou uitglijden.„Vreemd nietwaar, de reuzen-kabouters van vroeger zijn al net als de dwerg-kabouters van heden.… Tot aan hun laatste stonden kunnen zij zich niet van hun schatten scheiden.”Buiten bij het daglicht bekeken zij de urn nauwkeurig. Sogol bemerkte dat de bruine aarde met roode figuren versierd was.„Dat is Scandisch werk!” zeide Harimona. „De Scandische urnen van Maresag hebben dezelfde versiering.”„Zou het dan waar zijn, dat de Scandiërs eens in ’t land der Nerviërs gewoond hebben?” peinsde Sogol. „Er zijn Galliërs, geliefde, die volhouden datScandia,[159]bevolkt is geworden van uit Gallië. Maar wie kan dat nagaan?”Haun stond bij den doovenden brandstapel.„Niets gebeurd?” vroeg Sogol.„Ja heer.… de twee vreemde wijven zwerven hier weer rond.… Zij kwamen uit het boschje daar en toen ze mij zagen, vluchtten ze weer naar dien kant weg.…”„Zij zullen hun kabouter zoeken!” lachte Sogol, ’t verschrikte gelaat van den jongen ziende.Hij keek op het kleine hoopje witte asch en de witgebrande beenderen op den mutsaard.„Veel is er voor haar niet van hem overgebleven!” zei hij, starend naar het verbrande lijk van den priester.Voorzichtig schepte hij de asch en de beenderen met het plat van zijn zwaard van de mijt en liet het in de opening van de urn glijden. Toen bleef hij lang naar de urn staren.„Hoe weinig beteekenen wij menschen toch, geliefde. Ziet eens.… in zoo’n vaas gaat de asch van tien van ons.… En dan zouden de hemelen en de goden in beweging zijn, wanneer een onzer stierf? Zijn wij iets anders dan een dier?.… Weten wij iets meer?.… Wij wandelen in raadselen.. als wij ten minste in raadselen wandelen.. Maar iets in mij Harimona, zegt mij, dat er geen raadsel is.… Het is onze domme, waanwijze, vervloekte verbeelding, die ons de raadselen schept.… Leegheid is er rondom ons.… een afgrond zonder bodem.… een diepte waarin wij verzinken om nooit weer te keeren.… noch hier noch elders.… Daar, in dit vaasje ligt een mensch.… een mensch, die gedacht, gevoeld, gestreefd heeft.… Had zijn duw een beetje krachtiger geweest, ik zou in ’t zwarte wad gevallen zijn en niet hij. En ik zou verdronken zijn en niet hij.… En hij zou nu bij mijn asch kunnen staan en bij mijn urn een lijkrede houden.… Hebben de goden de hand in ’s menschen lot, Harimona?”[160]„Ik weet het niet prins … Du zegt, du twijfelt niet … maar dijn bitterheid getuigt tegen dijn beweren … In mijn diepste is er gestadig een sterk gevoel, dat mij een samenhang doet voelen tusschen dit leven en dat aan gene zijde … waar hij nu toeft, wiens asch wij verzamelen … Leegte prins?… Hoe zoudt gij, bloeiend, krachtig, vol geest, met glinsterende oogen en een sprekende mond, dezelfde kunnen zijn als hier dit hoopske overblijfsel? Wat wij verbranden kunnen, ja, dat is leegte … maar kunt di ook verbranden mijn droombeeld … mijn droombeeld van zooeven, toen ik di worstelend zag met den naakten man en ik di waarschuwen kon? Zeg mi prins, indien hij en niet du in zwarte meer stortte, was dat, wijl du di weerdet of wijl du gewaarschuwd waart? En wie anders dan de goden gaven mi dat droomgezicht?…”Hij sloeg zijn armen om heur hals,kustehaar en weende. Toen zijn armen hoog opheffend naar den hemel, kreet hij:„O Wot, Wot, Wot! Zijt di daar Wot? Is het waar dat du woont hoog in de heilige hallen … o Wot, Wot! Waarom rijt di mij de ziel open van twijfel … Waarom is elke gedachte een framsteek in mijn borst … Want ik weet niet … ik weet niet … o Wot! Wot!… ik weet niet … ik weet niet!”Hij zonk neer bij de urn en snikte met onstuimige rukken van de borst. Zij knielde bij hem neder en legde zacht heur arm om zijn hals:„Waarom wilt di weten, wellieve? Zal het weten niet komen als de tijd daar is? Zie, hij in deze urn … hij weet.… Zoudt di reeds zijn willen zooals hij.… Is er niet veel geluk en vreugde op deze wereld te vinden zonder het weten? Wacht di daar gindsch niet een troon? En kunnen wij niet nog lang leven, zalig door elkaars liefde en vertrouwen? En is daar niet in dijn rijk veel goeds te doen?”.…[161]Hij blikte op en in zijn oogen lag teederheid en dankbaarheid, maar hij bleef bedroefd.„Zonder het geheim weten, is alles een nutteloos spel, mijn zoete troosteres. Hoe kan het leven licht zijn, wanneer over elke daad, elke vreugde, elke gedachte de schaduw ligt van een onzekere toekomst? Wat is het leven waard, ook het leven van macht, eer, aanzien, weldoen en liefde, wanneer alles een vergankelijk tijdverdrijf is en elk oogenblik een afsterven.… Ik ben bang Harimona.… o, ik ben zoo bang voor den dood!”„Du, mijn moedige, moedige, moedige held!”.…„Ja Harimona.… ik ben bang.… Al mijn koenheid is angst, lafheid, vrees, voor dat donkere van ’t einde.… Ik wilde, dat ik dijne gelatenheid had en dijne moed voor ’t komende.… Ziet di daar den ingang van de grot.… Zoo is de dood.… En dijne hoop en dijne verwachting is een wondere grot met druipend edelgesteente tot behang en een grooten kabouter, die daar heerscht.… Maar mijn verwachting is de zwarte poel, waarin wij allen moeten verdrinken, en in den hoek liggen onze geraamten bij onze aardsche schatten.… Iets mijn geliefde in mij is, is maar grooter dan mijn verlangen, naar het weten van daar gindsch.… dat is mijn vrees voor dat zwarte. En tusschen verlangen en vrees leef ik, zoekend zooals ik straks zocht in het duistere hol, waar alles anders is dan de waarheid, tot de stem die hulpe brengt toe.… en die waarheid zelf een ontnuchtering.…”Hij stond op en leunde op zijn zwaard.„Maar ik wil moedig blijven, tot het uiterste mijn lieve jonkvrouw.… Mijn heilige, hooge, goddelijke maagd.… kom.… kniel niet bij mij, maar sta recht naast mij.… Ik ben die grot ingegaan met geen ander wapen dan mijn zwakke toorts en mijn koenen wil, niet te vreezen voor mijn eigen verbeeldingen … De mensch, die voor den dood vreest is als de haas, die vlucht voor zijn schaduw.…[162]Wat is een schaduw? Een niets, en toch zij is.… Zoo zal de dood wel zijn.… een schaduw van het leven.… zoo zal het zijn.… geen lichaam en geen geest, een afschijn van ons eigen denken.…”Hij legde zijn arm om haar schouder en bleef nog even peinzend naar de urn staren. Toen, zich met een ruk vermannend, wenkte hij Haun.„Knaap, help mi graven. Wij zullen dezen een schoone terp schenken, opdat zijn schaduw rust vinde.”Zich bukkend, puntte hij zijn slagzwaard als een spade in den grond en begon een aarden heuveltje te maken. Maar Haun zette zijn horen aan den mond en blies de lange tonen van het Nervische graflied.Harimona liep ter zijde en plukte wat veldbloemen. Toen, ze in het urngraf werpend, zei ze:„Braaf zoo mijn jongen.… Braaf zoo!.…”En Sogol, even opblikkend, zag dat zij weende.[163]

[Inhoud]HOOFDSTUK XI.Sogol, de beide vrouwen ziende vluchten en bemerkend, dat een naakten man naar een hol kroop, reed tot dicht bij het hol, steeg af en riep:„Vriend, wie bent di? kan ik helpen?”De priester, in grooten angst, vreezend dat Sogol hem zou gevangen nemen, daar Harimona hem kende, nam een kloekbesluit. Zijn rol van kwaden kabouter beviel hem en daarom riep hij uit het hol:„Treed niet nader, vreemdeling. Ik ben de groote kabouter. Wie mijn hol betreedt moet sterven!”Sogol, in stede van verschrikt terug te wijken, lachte helder op. Harimona en Haun kwamen nader en Sogol tot Harimona:„Pas op, liefste. Hier is ’t hol van den grooten kabouter. Wie zijn hol binnentreedt moet sterven!”Harimona glimlachte zacht en Haun, hoewel inwendig toch bevreesd, verkloekte zich om Sogol te vragen:„Meester, zal ik hem er uit toeten?”„Blaas mijn jongen!” zei Sogol.Maar nu Haun den horen aan zijn mond zou zetten, begon hij toch van vrees te beven en in stede van een flinken horenschal toeterde hij een iel, trillerig geluid.Sogol wilde lachen, maar opeens keek hij ernstig. Uit het hol klonk de schal terug en daarna van heel ver nog eens.„Hoort di het, Haun?”„Ja, meester.”„Wie denkt di, dat daar blaast?”„De zotte geest uit de stroth, dien du verjaagd hebt.”[150]„Zal di nooit wijzer worden knaap…” riep Sogol norsch. „Ik zal di nogeens een les geven, dat du alle vrees voor geesten en kobolden verliest.”Harimona was afgestegen en legde heur hand op Sogols schouder.„Geliefde, wees voorzichtig. Een voorgevoel zegt mi, dat hier gevaar dreigt. Ik voel de tocht van den dood langs ons strijken.”„Zult di dan ook nooit moedig worden?” toornde Sogol en spottend riep hij: „Kom eens naar buiten.”„Vreest di niet vreemdeling? Weet, dat ik niet uit mijn hol treed zonder onheil!”„Dan zal ik di halen, du leugenbeest!”Moedig stapte Sogol de grot binnen. Maar de priester doofde meteen zijn brandend kienhout en vluchtte naar achter. Hij kende nu vrijwel den weg, sloop naar het plateau bij het water en verschool zich daar in een nis.Sogol, die in de duisternis rondtastend, de scherpe wanden voelde, trad weder naar den uitgang.„Is hij ontvlucht?” vroeg Harimona.„Voorloopig ja. Maar wij zullen den vriend wel te pakken krijgen. Houd hier de wacht Haun. Ik ga fakkels snijden.”Sogol liep ’t woud een eindje in, hakte eenige geschikte droge takken van jonge dennen af en met zijn rondhout vuur draaiend in ’t blok, stak hij ze aan, tot ze goed opvlamden en liep toen terug, ’t hol binnen.De druipsteengrot wekte zijn verwondering niet, zoomin als de echo dat gedaan had. Hij had wel meer zulke grotten gezien en wist, dat de kristallen door Scandische zeelieden medenomen werden als ze naar het vreemde land voeren. Maar toen hij door de tweede grot aan het onderaardsche meer kwam en de zuilenrijen en gewelven langs de oevers aanschouwde, vloog de gedachte door zijn brein, dat hij dit keer werkelijk in een der paleizen van kabouterkoningen was binnengedrongen, waarvan de sagen zooveel verhaalden.[151]„Kabouterkoning!” riep hij, „Vertoon di. Ik ben dijn vriend en vraag gastvrijheid.”De priester, bemerkend dat Sogol alleen was, kwam op het denkbeeld Sogol hier in het meer te storten, dan naar buiten te vluchten, den horenblazer te verschrikken of door een vuistslag neer te vellen en vervolgens Harimona met geweld weg te voeren. Het groote paard van Sogol kon beiden dragen en de twee andere paarden zou hij een poot verbrijzelen, zoodat Sogol, ook wanneer hij zich uit het water redde, hem niet zou kunnen vervolgen. Daarom kwam hij nu uit zijn schuilhoek en riep:„Hier ben ik, vreemdeling? Wat wilt di?”Zoodra Sogol den naakten man zag en den beschaafden uitspraak van het Renigo’sche dialect hoorde, kreeg hij argwaan en nu gevoelde hij spijt toornig tegenover Harimona te zijn geweest.„Waar ben ik hier, Kobold?” vroeg Sogol.„In mijn rijk, vreemdeling. Hebt di geen vrees om de kabouters aan den arbeid te zien, kom dan mede.…”Sogol volgde den naakten man, maar was zéér op zijn hoede. Deze liep hem vooruit, steeds meer naar achter en daalde toen de breede trappen van het ondergrondsche meer af.„Sta hier vreemdeling en schouw in den zwarten spiegel. Dan zult di mijne kabouters zien.”Sogol trad nader. Plotseling sprong de priester terzij, sloeg hem het brandende kienhout uit de hand, zoodat het in ’t water viel en sissend uitdoofde. Sogol had zich meteen schrap gezet en toen nu in ’t duister de priester hem een duw gaf, wankelde hij niet maar greep den man vast. Deze, merkende dat zijn toeleg mislukt was, trachtte zich los te rukken maar Sogol, sterker dan hij, hield hem stevig vast bij de armen.De twee mannen hadden geen woord gewisseld bij deze worsteling. Nu echter zeide Sogol, wien alles klaar werd:[152]„Als dijn leven di lief is, worstel dan niet langer en leid mi naar buiten.”Meteen pakte Sogol ’s mans armen zoo van achteren vast, dat het hem weinig moeite zou kostten den man als een dunne plank naar achteren om te buigen.„Heer, laat mi los … Ik zal di voorgaan en leiden. Ik ben een arme kobold, die ’t daglicht niet kan verdragen.”„Verdraagt di dit beter?” vroeg Sogol, ’s mans schouders zoo prangend, dat hij een gil van pijn uitte.En den man voor zich uitduwend, liep hij op goed geluk in de richting van den uitgang. Maar in ’t zwarte duister verdwaalde hij, liep zonder het te weten in de tegengestelde richting van den uitgang en ten laatste stuitte hij in den hoek, waar de geraamten en de steenen bijlen lagen.„Heer, wij zijn den verkeerden weg geloopen.”„Wat ligt daar?” vroeg Sogol.„Ik weet niet, heer?”„Wat. Een groote kobold zou niet weten, wat in zijn eigen hol ligt?”Sogol schopte tegen de voorwerpen op den grond. Iets ronds en hards rolde weg; zij hoorden het rollen langs den hellenden weg en dan een plons in ’t water. De echo het rollen herhalend en weder herhalend maakte het roldebolder tot een lang, dof dreunend geluid.Nogmaals schopte Sogol zijn voet tegen de massa voor zich en weder rolde met veel gebolder iets ronds weg langs den hellenden weg naar ’t ondergrondsche meer.„Wat zijn dat?” vroeg hij.„Ik weet niet, heer!”„Du liegt.. du weet het heel goed.. ik zal di zeggen, wat het zijn.… het zijn doodshoofden, du vervloekte roover! Dat zijn dijn slachtoffers!”„Heer, geloof mi … het is niet zoo … ik ben een eerlijk man.”[153]„Dat heb ik gemerkt, toen du mi in ’t water wilde stooten … En wat is dat? En wat is dat?”Sogol, nu trappend tegen de urnen en de steenen bijlen, vermoedend dat dit de buit van den roover was, omknelde de armen van den gevaarlijken moordenaar nog vaster. Want minder voor zichzelf dan wel voor Harimona vreesde hij, wanneer de roover mocht ontsnappen.Van uit de verte klonk een angstig geschrei, dat zich herhaalde en in de gewelven voortschalde van muur tot muur. Daarna de eerste schallen van een Nervisch deuntje.„Hierheen, hierheen!” riep Sogol.Maar Haun, die op Harimona’s bevel met een bundel kienhouten en een brandend kienhout Sogol tegemoet ging, door de echo misleid, liep een anderen weg op, dan waar Sogol riep. Sogol zag hem zoeken met zijn brandend hout, dat echter te weinig schijn verspreidde om den afgelegen hoek te verlichten, waar de twee mannen stonden.„Loop langs het meer en dan rechts af!” riep Sogol, de woorden langzaam uitsprekend met tusschenruimten, opdat het eene woord niet het andere door den echo-schal zou onverstaanbaar maken.Nu liep Haun in de goede richting en was weldra bij zijn heer. Maar hij en Sogol verschrikten beiden, toen ze bij den roodgeligen schijn van den walmenden brandenden tak een hoop geraamten zagen bij elkaar liggen te midden van steenen bijlen en urnen.„Draak, monster, ondier!” kreet Sogol. En den priester in zijn woede optillend wierp hij hem van zich af langs het hellende plateau, waar te voren de doodskoppen waren ingerold. De man trachtte zijn vaart te stuiten, doch slaagde er niet in en tuimelde in het zwarte meer. Sogol hoorde de plons en daarna begon de man, in ’t zwarte duister zwemmend zonder te weten naar welke richting hij kon ontkomen, bevreesd in het donker alleen te blijven nu hij den weg niet meer wist, om hulp te roepen en te schreien.[154]En zijn angstkreten, door de echo’s herhaald, klonken hol en vertienvoudigd. Het scheen of niet één mensch daar in het donker tegen den dood worstelde maar alsof tien, twintig lieden uit de zwarte kolk om hulp schreiden.Haun stond bevend bij Sogol.„Wilt di hem redden, meester?”„Neen.., laat hem verdrinken … hij heeft zijn straf welverdiend …”Maar de man in ’t water liet niet af.„Heer, heer!” schreeuwde hij, „ik ben een priester uit Renigo … Heer, om der wille van de heilige maagd, red mi … Heer, in naam van Harimona …”„Licht mi bij, jongen!” zei Sogol nu tot Haun. „In haar naam zal niet vergeefs erbarming worden ingeroepen.”Hij daalde voorzichtig langs het plateau af, stak een kienhout aan en verlichte het donkere watervlak. De priester lag al midden in ’t water. „Kom … du hebt Harimona aangeroepen … Du zult gered worden!” riep Sogol.„Ik kan niet meer heer … ik kan niet meer!”Sogol sprong hem niet na. Want bij ’t licht van de toortsen zag hij dat het water zwart en drabbig was, een donkere poel, die naar bedorven eieren rook.Maar dichtbij kwam de naakte man weer boven. Sogol greep hem vast en trok hem tegen de kant op. Hij merkte dat het hellende plateau plotseling stijl eindigde, alsof een afgrond met drabbig water was gevuld. Maar de man gaf geen teekenen van leven meerenneus en mond waren met een dik, taai slijk gevuld. Sogol tilde het lichaam op en door Haun voorgelicht, vonden zij de twee toegangsgrotten en kwamen eindelijk weder buiten in de frissche lucht.Harimona wachtte met bleek gelaat en bevende lippen en toen zij Sogol zag terugkomen met het lichaam van den naakten man op zijn armen, snelde zij op hem toe.[155]„O vriend … hoe gelukkig ben ik, dat du bent weergekeerd … Ik voelde mij zoo beklemd …”„Hier is de kabouter,” zei Sogol, het lichaam zacht op ’t mos uitstrekkend. „Du hebt wèl gelijk gehad mij te waarschuwen, geliefde. Want hij wilde mij tersluiks in een poel werpen, die daar achter in de grot is.”„Ik ken den man … dat is Wieland, de runenkenner …”„Dan begrijp ik alles!” zeide Sogol. „Maar hoe kwamen die twee gevluchte vrouwen in zijn tegenwoordigheid? En waarom heeft hij al die menschen vermoord?”„Heeft hij menschen vermoord?” vroeg Harimona.„Ja … het hol ligt vol geraamten en doodshoofden …”„Maar dan kan hij die moorden niet gedaan hebben. Want vóór wij vluchtten, was hij nog in de haag.”„Dat is waar,” zeide Sogol.Hij begon er spijt over te gevoelen, den man verdronken te hebben.„Wij zullen hem verbranden en in een urn begraven, hoewel ik anders weinig geloof van de straf, die de zielen van niet-verbrande lichamen moeten dulden. Kom Haun, laat ons een brandstapel maken.”Zij zochten dor hout bijeen, stapelden het hoog op en legden toen het lijk van den verdronken Wieland er op. Toen draaide Sogol vuur en stak de brandstapel aan. De vlammen, lekkend om het dorre hout stegen, spoedig hoog op.Sogol, Harimona en Haun wachtten op een afstand.„Waar vinden wij een urn?” vroeg Harimona.„Daar binnen staan er verscheidene …”„Wilt du di nogmaals er in wagen?” vroeg Harimona angstig.„Waarom niet?… Of hebt di weder voorgevoelens?”„Neen, nu niet …”„Kom mee Haun!” beval Sogol … Maar hij bedacht zich.„Neen … ’t is beter dat Haun hier blijft bij de paarden. Licht di mij bij Harimona.”[156]Hij nam zelf een kienhout en stak dit aan den brandstapel op. Nam een bundel andere toortsen in zijn arm en Harimona nam ook een bundel en een vlammend hout.„Haun, denk er aan. Indien er onraad is, blaas driemaal. En zoekt di ons, altoos loopen naar de tegenovergestelde zijde vanwaar de weerschal komt …” waarschuwde Sogol.Toen ging hij met Harimona de grot in. Zij was vol bewondering voor de prachtige druipsteenen, die de gewelven bepegelden. Maar in de groote hal van hetonderaardschemeer voelde zij zich angstig en greep Sogol vast.Hij sloeg zijn linkerarm om heur middel en drukte heur vast tegen zich aan.„Hier wilde hij mij in ’t meer duwen!” zeide Sogol, wijzend op de verwarde voetstappen in ’t slik van den meeroever … „Ziet di de worsteling …”„Ik zie het, Sogol … maar ik zie het niet voor den eersten keer. Toen du hier binnen tradt en ik waarschuwde di zag ik in mijn droom du worstelen met een naakten man … Het droombeeld duurde een oogwenk … en toen was ik weer uit den droom geheven. Daarom waarschuwde ik di.”Zij schreden nu tegen het hellend plateau op. Bij ’t rossige schijnsel der twee brandende takken zagen zij, dat de grond van zwarte, glimmende, harde aarde was. Sogol, zijn tak nu langs de zuilen der gaanderijen houdend, zoodat deze eenigszins verlicht werden, onderzocht ze zoo nauwkeurig als dat bij ’t slechte licht maar kon.„Dat is menschenwerk!” zeide hij, meer tot zichzelf dan tot zijn begeleidster. „Dat moet uitgehouwen zijn …”„Hier zijn trappen,” riep Harimona, die haar toorts wat terzijde had gehouden.Naast den hellenden opgang was, naar de zijde van ’t water toe een trap, uitgehouwen in den zwarten grond met groote treden.Harimona zag er tegenop den trap te gebruiken en liep liever langs ’t hellend vlak.[157]„Voor wien heeft dien trap gediend? Het moeten reuzen zijn geweest, die zoo’n trap gebruikten …” meende Sogol.Boven op ’t plateau waren zij beiden spoedig aan den hoek, waar de geraamten lagen en de urnen stonden.Nu, rustig ze beschouwend, zag Sogol dat Harimona’s vernuftige opmerking juist was geweest. De geraamten waren zeker al zeer oud en de doodshoofden, de borstkassen, de beenderen van de ledematen waren van ongewone grootte.Nu ook vond hij de grofbewerkte bijlen van vuursteen.„Het moeten reuzen geweest zijn, die deze werktuigen gebruikt hebben. En hoeveel kracht moeten zij niet gehad hebben om deze zuilen uit te houwen.”„Wat zouden ze hier gedaan hebben?” vroeg Harimona.„Ik weet het niet.… ik weet het niet.… De wereld is vol wonderen. Maar het zijn geen wonderen, die aan goden doen gelooven. Het is alles te verklaren.… Wat zou een ander, die den priester vervolgd had en ontkomen zou zijn, later verhaald hebben van kobolden en onderaardsche paleizen en zeeën en schatkamers en geraamten … Toen ik hier met den priester stond, trapte ik een paar bolvormige dingen weg, die langs het hellend plateau in ’t meer plonsten.… Het zullen doodshoofden zijn geweest … Wilt di eens hooren.… maar schrik niet.…”Sogol schopte een doodshoofd naar ’t hellend vlak. ’t Zelfde donderende gebolder, dat hem in ’t duister zoo verschrikt had, hoorde hij nu kalm aan, met een trek van minachting om de fijne lippen.„Hoordt di.… dat is genoeg gerommel om tien welgewapende legers op de vlucht te drijven.… En toch is het niets, een leeg geschal.… de onttroonde schalgeest uit de Ravenstroth; en ik denk Harimona, dat de donderrommeling daarboven in de lucht weinig anders kan zijn.… een groot gloeiende steen, die ergens neervalt zooals wij dat wel eens hebben gezien en die daarboven in de lucht rommelt[158]zooals het doodshoofd hier.… Wanneer ik straks koning zal zijn, ruk ik met duizend man hier binnen. Groote brandende vetpotten zal ik hier dan neerzetten en alles onderzoeken.… Kom mijn liefste.… wij hebben haast … laat ons deze urn medenemen.…”Zij wilden een buikige urn aan de twee ooren optillen. Maar de urn was zwaar en Sogol hield zijn toorts boven de opening.„Er ligt iets in.…” zeide hij. „’t Schemert geel, maar wat het is, weet ik niet.”Hij duwde de urn om en klopte tegen de wanden. Maar er viel niets uit.„Dan zullen wij een anderen nemen.…”Zij namen een kleineren urn op. Maar Sogol wachtte nog even. Hij nam een der zware vuursteenen bijlen op en sloeg er mede op de buik van de urn, waarin met een doffen slag een gat gruizelde.Groote stukken barnsteen, tot een vaste massa versmolten, hadden de aarden pot zoo zwaar gemaakt.„Dat wordt een bruidssieraad voor di, lieve!” zei Sogol vroolijk, een stuk van de massa barnsteen afslaande, en dicht naast haar gaande, wel op zijn hoede, dat zij niet op ’t hellende plateau zou uitglijden.„Vreemd nietwaar, de reuzen-kabouters van vroeger zijn al net als de dwerg-kabouters van heden.… Tot aan hun laatste stonden kunnen zij zich niet van hun schatten scheiden.”Buiten bij het daglicht bekeken zij de urn nauwkeurig. Sogol bemerkte dat de bruine aarde met roode figuren versierd was.„Dat is Scandisch werk!” zeide Harimona. „De Scandische urnen van Maresag hebben dezelfde versiering.”„Zou het dan waar zijn, dat de Scandiërs eens in ’t land der Nerviërs gewoond hebben?” peinsde Sogol. „Er zijn Galliërs, geliefde, die volhouden datScandia,[159]bevolkt is geworden van uit Gallië. Maar wie kan dat nagaan?”Haun stond bij den doovenden brandstapel.„Niets gebeurd?” vroeg Sogol.„Ja heer.… de twee vreemde wijven zwerven hier weer rond.… Zij kwamen uit het boschje daar en toen ze mij zagen, vluchtten ze weer naar dien kant weg.…”„Zij zullen hun kabouter zoeken!” lachte Sogol, ’t verschrikte gelaat van den jongen ziende.Hij keek op het kleine hoopje witte asch en de witgebrande beenderen op den mutsaard.„Veel is er voor haar niet van hem overgebleven!” zei hij, starend naar het verbrande lijk van den priester.Voorzichtig schepte hij de asch en de beenderen met het plat van zijn zwaard van de mijt en liet het in de opening van de urn glijden. Toen bleef hij lang naar de urn staren.„Hoe weinig beteekenen wij menschen toch, geliefde. Ziet eens.… in zoo’n vaas gaat de asch van tien van ons.… En dan zouden de hemelen en de goden in beweging zijn, wanneer een onzer stierf? Zijn wij iets anders dan een dier?.… Weten wij iets meer?.… Wij wandelen in raadselen.. als wij ten minste in raadselen wandelen.. Maar iets in mij Harimona, zegt mij, dat er geen raadsel is.… Het is onze domme, waanwijze, vervloekte verbeelding, die ons de raadselen schept.… Leegheid is er rondom ons.… een afgrond zonder bodem.… een diepte waarin wij verzinken om nooit weer te keeren.… noch hier noch elders.… Daar, in dit vaasje ligt een mensch.… een mensch, die gedacht, gevoeld, gestreefd heeft.… Had zijn duw een beetje krachtiger geweest, ik zou in ’t zwarte wad gevallen zijn en niet hij. En ik zou verdronken zijn en niet hij.… En hij zou nu bij mijn asch kunnen staan en bij mijn urn een lijkrede houden.… Hebben de goden de hand in ’s menschen lot, Harimona?”[160]„Ik weet het niet prins … Du zegt, du twijfelt niet … maar dijn bitterheid getuigt tegen dijn beweren … In mijn diepste is er gestadig een sterk gevoel, dat mij een samenhang doet voelen tusschen dit leven en dat aan gene zijde … waar hij nu toeft, wiens asch wij verzamelen … Leegte prins?… Hoe zoudt gij, bloeiend, krachtig, vol geest, met glinsterende oogen en een sprekende mond, dezelfde kunnen zijn als hier dit hoopske overblijfsel? Wat wij verbranden kunnen, ja, dat is leegte … maar kunt di ook verbranden mijn droombeeld … mijn droombeeld van zooeven, toen ik di worstelend zag met den naakten man en ik di waarschuwen kon? Zeg mi prins, indien hij en niet du in zwarte meer stortte, was dat, wijl du di weerdet of wijl du gewaarschuwd waart? En wie anders dan de goden gaven mi dat droomgezicht?…”Hij sloeg zijn armen om heur hals,kustehaar en weende. Toen zijn armen hoog opheffend naar den hemel, kreet hij:„O Wot, Wot, Wot! Zijt di daar Wot? Is het waar dat du woont hoog in de heilige hallen … o Wot, Wot! Waarom rijt di mij de ziel open van twijfel … Waarom is elke gedachte een framsteek in mijn borst … Want ik weet niet … ik weet niet … o Wot! Wot!… ik weet niet … ik weet niet!”Hij zonk neer bij de urn en snikte met onstuimige rukken van de borst. Zij knielde bij hem neder en legde zacht heur arm om zijn hals:„Waarom wilt di weten, wellieve? Zal het weten niet komen als de tijd daar is? Zie, hij in deze urn … hij weet.… Zoudt di reeds zijn willen zooals hij.… Is er niet veel geluk en vreugde op deze wereld te vinden zonder het weten? Wacht di daar gindsch niet een troon? En kunnen wij niet nog lang leven, zalig door elkaars liefde en vertrouwen? En is daar niet in dijn rijk veel goeds te doen?”.…[161]Hij blikte op en in zijn oogen lag teederheid en dankbaarheid, maar hij bleef bedroefd.„Zonder het geheim weten, is alles een nutteloos spel, mijn zoete troosteres. Hoe kan het leven licht zijn, wanneer over elke daad, elke vreugde, elke gedachte de schaduw ligt van een onzekere toekomst? Wat is het leven waard, ook het leven van macht, eer, aanzien, weldoen en liefde, wanneer alles een vergankelijk tijdverdrijf is en elk oogenblik een afsterven.… Ik ben bang Harimona.… o, ik ben zoo bang voor den dood!”„Du, mijn moedige, moedige, moedige held!”.…„Ja Harimona.… ik ben bang.… Al mijn koenheid is angst, lafheid, vrees, voor dat donkere van ’t einde.… Ik wilde, dat ik dijne gelatenheid had en dijne moed voor ’t komende.… Ziet di daar den ingang van de grot.… Zoo is de dood.… En dijne hoop en dijne verwachting is een wondere grot met druipend edelgesteente tot behang en een grooten kabouter, die daar heerscht.… Maar mijn verwachting is de zwarte poel, waarin wij allen moeten verdrinken, en in den hoek liggen onze geraamten bij onze aardsche schatten.… Iets mijn geliefde in mij is, is maar grooter dan mijn verlangen, naar het weten van daar gindsch.… dat is mijn vrees voor dat zwarte. En tusschen verlangen en vrees leef ik, zoekend zooals ik straks zocht in het duistere hol, waar alles anders is dan de waarheid, tot de stem die hulpe brengt toe.… en die waarheid zelf een ontnuchtering.…”Hij stond op en leunde op zijn zwaard.„Maar ik wil moedig blijven, tot het uiterste mijn lieve jonkvrouw.… Mijn heilige, hooge, goddelijke maagd.… kom.… kniel niet bij mij, maar sta recht naast mij.… Ik ben die grot ingegaan met geen ander wapen dan mijn zwakke toorts en mijn koenen wil, niet te vreezen voor mijn eigen verbeeldingen … De mensch, die voor den dood vreest is als de haas, die vlucht voor zijn schaduw.…[162]Wat is een schaduw? Een niets, en toch zij is.… Zoo zal de dood wel zijn.… een schaduw van het leven.… zoo zal het zijn.… geen lichaam en geen geest, een afschijn van ons eigen denken.…”Hij legde zijn arm om haar schouder en bleef nog even peinzend naar de urn staren. Toen, zich met een ruk vermannend, wenkte hij Haun.„Knaap, help mi graven. Wij zullen dezen een schoone terp schenken, opdat zijn schaduw rust vinde.”Zich bukkend, puntte hij zijn slagzwaard als een spade in den grond en begon een aarden heuveltje te maken. Maar Haun zette zijn horen aan den mond en blies de lange tonen van het Nervische graflied.Harimona liep ter zijde en plukte wat veldbloemen. Toen, ze in het urngraf werpend, zei ze:„Braaf zoo mijn jongen.… Braaf zoo!.…”En Sogol, even opblikkend, zag dat zij weende.[163]

HOOFDSTUK XI.

Sogol, de beide vrouwen ziende vluchten en bemerkend, dat een naakten man naar een hol kroop, reed tot dicht bij het hol, steeg af en riep:„Vriend, wie bent di? kan ik helpen?”De priester, in grooten angst, vreezend dat Sogol hem zou gevangen nemen, daar Harimona hem kende, nam een kloekbesluit. Zijn rol van kwaden kabouter beviel hem en daarom riep hij uit het hol:„Treed niet nader, vreemdeling. Ik ben de groote kabouter. Wie mijn hol betreedt moet sterven!”Sogol, in stede van verschrikt terug te wijken, lachte helder op. Harimona en Haun kwamen nader en Sogol tot Harimona:„Pas op, liefste. Hier is ’t hol van den grooten kabouter. Wie zijn hol binnentreedt moet sterven!”Harimona glimlachte zacht en Haun, hoewel inwendig toch bevreesd, verkloekte zich om Sogol te vragen:„Meester, zal ik hem er uit toeten?”„Blaas mijn jongen!” zei Sogol.Maar nu Haun den horen aan zijn mond zou zetten, begon hij toch van vrees te beven en in stede van een flinken horenschal toeterde hij een iel, trillerig geluid.Sogol wilde lachen, maar opeens keek hij ernstig. Uit het hol klonk de schal terug en daarna van heel ver nog eens.„Hoort di het, Haun?”„Ja, meester.”„Wie denkt di, dat daar blaast?”„De zotte geest uit de stroth, dien du verjaagd hebt.”[150]„Zal di nooit wijzer worden knaap…” riep Sogol norsch. „Ik zal di nogeens een les geven, dat du alle vrees voor geesten en kobolden verliest.”Harimona was afgestegen en legde heur hand op Sogols schouder.„Geliefde, wees voorzichtig. Een voorgevoel zegt mi, dat hier gevaar dreigt. Ik voel de tocht van den dood langs ons strijken.”„Zult di dan ook nooit moedig worden?” toornde Sogol en spottend riep hij: „Kom eens naar buiten.”„Vreest di niet vreemdeling? Weet, dat ik niet uit mijn hol treed zonder onheil!”„Dan zal ik di halen, du leugenbeest!”Moedig stapte Sogol de grot binnen. Maar de priester doofde meteen zijn brandend kienhout en vluchtte naar achter. Hij kende nu vrijwel den weg, sloop naar het plateau bij het water en verschool zich daar in een nis.Sogol, die in de duisternis rondtastend, de scherpe wanden voelde, trad weder naar den uitgang.„Is hij ontvlucht?” vroeg Harimona.„Voorloopig ja. Maar wij zullen den vriend wel te pakken krijgen. Houd hier de wacht Haun. Ik ga fakkels snijden.”Sogol liep ’t woud een eindje in, hakte eenige geschikte droge takken van jonge dennen af en met zijn rondhout vuur draaiend in ’t blok, stak hij ze aan, tot ze goed opvlamden en liep toen terug, ’t hol binnen.De druipsteengrot wekte zijn verwondering niet, zoomin als de echo dat gedaan had. Hij had wel meer zulke grotten gezien en wist, dat de kristallen door Scandische zeelieden medenomen werden als ze naar het vreemde land voeren. Maar toen hij door de tweede grot aan het onderaardsche meer kwam en de zuilenrijen en gewelven langs de oevers aanschouwde, vloog de gedachte door zijn brein, dat hij dit keer werkelijk in een der paleizen van kabouterkoningen was binnengedrongen, waarvan de sagen zooveel verhaalden.[151]„Kabouterkoning!” riep hij, „Vertoon di. Ik ben dijn vriend en vraag gastvrijheid.”De priester, bemerkend dat Sogol alleen was, kwam op het denkbeeld Sogol hier in het meer te storten, dan naar buiten te vluchten, den horenblazer te verschrikken of door een vuistslag neer te vellen en vervolgens Harimona met geweld weg te voeren. Het groote paard van Sogol kon beiden dragen en de twee andere paarden zou hij een poot verbrijzelen, zoodat Sogol, ook wanneer hij zich uit het water redde, hem niet zou kunnen vervolgen. Daarom kwam hij nu uit zijn schuilhoek en riep:„Hier ben ik, vreemdeling? Wat wilt di?”Zoodra Sogol den naakten man zag en den beschaafden uitspraak van het Renigo’sche dialect hoorde, kreeg hij argwaan en nu gevoelde hij spijt toornig tegenover Harimona te zijn geweest.„Waar ben ik hier, Kobold?” vroeg Sogol.„In mijn rijk, vreemdeling. Hebt di geen vrees om de kabouters aan den arbeid te zien, kom dan mede.…”Sogol volgde den naakten man, maar was zéér op zijn hoede. Deze liep hem vooruit, steeds meer naar achter en daalde toen de breede trappen van het ondergrondsche meer af.„Sta hier vreemdeling en schouw in den zwarten spiegel. Dan zult di mijne kabouters zien.”Sogol trad nader. Plotseling sprong de priester terzij, sloeg hem het brandende kienhout uit de hand, zoodat het in ’t water viel en sissend uitdoofde. Sogol had zich meteen schrap gezet en toen nu in ’t duister de priester hem een duw gaf, wankelde hij niet maar greep den man vast. Deze, merkende dat zijn toeleg mislukt was, trachtte zich los te rukken maar Sogol, sterker dan hij, hield hem stevig vast bij de armen.De twee mannen hadden geen woord gewisseld bij deze worsteling. Nu echter zeide Sogol, wien alles klaar werd:[152]„Als dijn leven di lief is, worstel dan niet langer en leid mi naar buiten.”Meteen pakte Sogol ’s mans armen zoo van achteren vast, dat het hem weinig moeite zou kostten den man als een dunne plank naar achteren om te buigen.„Heer, laat mi los … Ik zal di voorgaan en leiden. Ik ben een arme kobold, die ’t daglicht niet kan verdragen.”„Verdraagt di dit beter?” vroeg Sogol, ’s mans schouders zoo prangend, dat hij een gil van pijn uitte.En den man voor zich uitduwend, liep hij op goed geluk in de richting van den uitgang. Maar in ’t zwarte duister verdwaalde hij, liep zonder het te weten in de tegengestelde richting van den uitgang en ten laatste stuitte hij in den hoek, waar de geraamten en de steenen bijlen lagen.„Heer, wij zijn den verkeerden weg geloopen.”„Wat ligt daar?” vroeg Sogol.„Ik weet niet, heer?”„Wat. Een groote kobold zou niet weten, wat in zijn eigen hol ligt?”Sogol schopte tegen de voorwerpen op den grond. Iets ronds en hards rolde weg; zij hoorden het rollen langs den hellenden weg en dan een plons in ’t water. De echo het rollen herhalend en weder herhalend maakte het roldebolder tot een lang, dof dreunend geluid.Nogmaals schopte Sogol zijn voet tegen de massa voor zich en weder rolde met veel gebolder iets ronds weg langs den hellenden weg naar ’t ondergrondsche meer.„Wat zijn dat?” vroeg hij.„Ik weet niet, heer!”„Du liegt.. du weet het heel goed.. ik zal di zeggen, wat het zijn.… het zijn doodshoofden, du vervloekte roover! Dat zijn dijn slachtoffers!”„Heer, geloof mi … het is niet zoo … ik ben een eerlijk man.”[153]„Dat heb ik gemerkt, toen du mi in ’t water wilde stooten … En wat is dat? En wat is dat?”Sogol, nu trappend tegen de urnen en de steenen bijlen, vermoedend dat dit de buit van den roover was, omknelde de armen van den gevaarlijken moordenaar nog vaster. Want minder voor zichzelf dan wel voor Harimona vreesde hij, wanneer de roover mocht ontsnappen.Van uit de verte klonk een angstig geschrei, dat zich herhaalde en in de gewelven voortschalde van muur tot muur. Daarna de eerste schallen van een Nervisch deuntje.„Hierheen, hierheen!” riep Sogol.Maar Haun, die op Harimona’s bevel met een bundel kienhouten en een brandend kienhout Sogol tegemoet ging, door de echo misleid, liep een anderen weg op, dan waar Sogol riep. Sogol zag hem zoeken met zijn brandend hout, dat echter te weinig schijn verspreidde om den afgelegen hoek te verlichten, waar de twee mannen stonden.„Loop langs het meer en dan rechts af!” riep Sogol, de woorden langzaam uitsprekend met tusschenruimten, opdat het eene woord niet het andere door den echo-schal zou onverstaanbaar maken.Nu liep Haun in de goede richting en was weldra bij zijn heer. Maar hij en Sogol verschrikten beiden, toen ze bij den roodgeligen schijn van den walmenden brandenden tak een hoop geraamten zagen bij elkaar liggen te midden van steenen bijlen en urnen.„Draak, monster, ondier!” kreet Sogol. En den priester in zijn woede optillend wierp hij hem van zich af langs het hellende plateau, waar te voren de doodskoppen waren ingerold. De man trachtte zijn vaart te stuiten, doch slaagde er niet in en tuimelde in het zwarte meer. Sogol hoorde de plons en daarna begon de man, in ’t zwarte duister zwemmend zonder te weten naar welke richting hij kon ontkomen, bevreesd in het donker alleen te blijven nu hij den weg niet meer wist, om hulp te roepen en te schreien.[154]En zijn angstkreten, door de echo’s herhaald, klonken hol en vertienvoudigd. Het scheen of niet één mensch daar in het donker tegen den dood worstelde maar alsof tien, twintig lieden uit de zwarte kolk om hulp schreiden.Haun stond bevend bij Sogol.„Wilt di hem redden, meester?”„Neen.., laat hem verdrinken … hij heeft zijn straf welverdiend …”Maar de man in ’t water liet niet af.„Heer, heer!” schreeuwde hij, „ik ben een priester uit Renigo … Heer, om der wille van de heilige maagd, red mi … Heer, in naam van Harimona …”„Licht mi bij, jongen!” zei Sogol nu tot Haun. „In haar naam zal niet vergeefs erbarming worden ingeroepen.”Hij daalde voorzichtig langs het plateau af, stak een kienhout aan en verlichte het donkere watervlak. De priester lag al midden in ’t water. „Kom … du hebt Harimona aangeroepen … Du zult gered worden!” riep Sogol.„Ik kan niet meer heer … ik kan niet meer!”Sogol sprong hem niet na. Want bij ’t licht van de toortsen zag hij dat het water zwart en drabbig was, een donkere poel, die naar bedorven eieren rook.Maar dichtbij kwam de naakte man weer boven. Sogol greep hem vast en trok hem tegen de kant op. Hij merkte dat het hellende plateau plotseling stijl eindigde, alsof een afgrond met drabbig water was gevuld. Maar de man gaf geen teekenen van leven meerenneus en mond waren met een dik, taai slijk gevuld. Sogol tilde het lichaam op en door Haun voorgelicht, vonden zij de twee toegangsgrotten en kwamen eindelijk weder buiten in de frissche lucht.Harimona wachtte met bleek gelaat en bevende lippen en toen zij Sogol zag terugkomen met het lichaam van den naakten man op zijn armen, snelde zij op hem toe.[155]„O vriend … hoe gelukkig ben ik, dat du bent weergekeerd … Ik voelde mij zoo beklemd …”„Hier is de kabouter,” zei Sogol, het lichaam zacht op ’t mos uitstrekkend. „Du hebt wèl gelijk gehad mij te waarschuwen, geliefde. Want hij wilde mij tersluiks in een poel werpen, die daar achter in de grot is.”„Ik ken den man … dat is Wieland, de runenkenner …”„Dan begrijp ik alles!” zeide Sogol. „Maar hoe kwamen die twee gevluchte vrouwen in zijn tegenwoordigheid? En waarom heeft hij al die menschen vermoord?”„Heeft hij menschen vermoord?” vroeg Harimona.„Ja … het hol ligt vol geraamten en doodshoofden …”„Maar dan kan hij die moorden niet gedaan hebben. Want vóór wij vluchtten, was hij nog in de haag.”„Dat is waar,” zeide Sogol.Hij begon er spijt over te gevoelen, den man verdronken te hebben.„Wij zullen hem verbranden en in een urn begraven, hoewel ik anders weinig geloof van de straf, die de zielen van niet-verbrande lichamen moeten dulden. Kom Haun, laat ons een brandstapel maken.”Zij zochten dor hout bijeen, stapelden het hoog op en legden toen het lijk van den verdronken Wieland er op. Toen draaide Sogol vuur en stak de brandstapel aan. De vlammen, lekkend om het dorre hout stegen, spoedig hoog op.Sogol, Harimona en Haun wachtten op een afstand.„Waar vinden wij een urn?” vroeg Harimona.„Daar binnen staan er verscheidene …”„Wilt du di nogmaals er in wagen?” vroeg Harimona angstig.„Waarom niet?… Of hebt di weder voorgevoelens?”„Neen, nu niet …”„Kom mee Haun!” beval Sogol … Maar hij bedacht zich.„Neen … ’t is beter dat Haun hier blijft bij de paarden. Licht di mij bij Harimona.”[156]Hij nam zelf een kienhout en stak dit aan den brandstapel op. Nam een bundel andere toortsen in zijn arm en Harimona nam ook een bundel en een vlammend hout.„Haun, denk er aan. Indien er onraad is, blaas driemaal. En zoekt di ons, altoos loopen naar de tegenovergestelde zijde vanwaar de weerschal komt …” waarschuwde Sogol.Toen ging hij met Harimona de grot in. Zij was vol bewondering voor de prachtige druipsteenen, die de gewelven bepegelden. Maar in de groote hal van hetonderaardschemeer voelde zij zich angstig en greep Sogol vast.Hij sloeg zijn linkerarm om heur middel en drukte heur vast tegen zich aan.„Hier wilde hij mij in ’t meer duwen!” zeide Sogol, wijzend op de verwarde voetstappen in ’t slik van den meeroever … „Ziet di de worsteling …”„Ik zie het, Sogol … maar ik zie het niet voor den eersten keer. Toen du hier binnen tradt en ik waarschuwde di zag ik in mijn droom du worstelen met een naakten man … Het droombeeld duurde een oogwenk … en toen was ik weer uit den droom geheven. Daarom waarschuwde ik di.”Zij schreden nu tegen het hellend plateau op. Bij ’t rossige schijnsel der twee brandende takken zagen zij, dat de grond van zwarte, glimmende, harde aarde was. Sogol, zijn tak nu langs de zuilen der gaanderijen houdend, zoodat deze eenigszins verlicht werden, onderzocht ze zoo nauwkeurig als dat bij ’t slechte licht maar kon.„Dat is menschenwerk!” zeide hij, meer tot zichzelf dan tot zijn begeleidster. „Dat moet uitgehouwen zijn …”„Hier zijn trappen,” riep Harimona, die haar toorts wat terzijde had gehouden.Naast den hellenden opgang was, naar de zijde van ’t water toe een trap, uitgehouwen in den zwarten grond met groote treden.Harimona zag er tegenop den trap te gebruiken en liep liever langs ’t hellend vlak.[157]„Voor wien heeft dien trap gediend? Het moeten reuzen zijn geweest, die zoo’n trap gebruikten …” meende Sogol.Boven op ’t plateau waren zij beiden spoedig aan den hoek, waar de geraamten lagen en de urnen stonden.Nu, rustig ze beschouwend, zag Sogol dat Harimona’s vernuftige opmerking juist was geweest. De geraamten waren zeker al zeer oud en de doodshoofden, de borstkassen, de beenderen van de ledematen waren van ongewone grootte.Nu ook vond hij de grofbewerkte bijlen van vuursteen.„Het moeten reuzen geweest zijn, die deze werktuigen gebruikt hebben. En hoeveel kracht moeten zij niet gehad hebben om deze zuilen uit te houwen.”„Wat zouden ze hier gedaan hebben?” vroeg Harimona.„Ik weet het niet.… ik weet het niet.… De wereld is vol wonderen. Maar het zijn geen wonderen, die aan goden doen gelooven. Het is alles te verklaren.… Wat zou een ander, die den priester vervolgd had en ontkomen zou zijn, later verhaald hebben van kobolden en onderaardsche paleizen en zeeën en schatkamers en geraamten … Toen ik hier met den priester stond, trapte ik een paar bolvormige dingen weg, die langs het hellend plateau in ’t meer plonsten.… Het zullen doodshoofden zijn geweest … Wilt di eens hooren.… maar schrik niet.…”Sogol schopte een doodshoofd naar ’t hellend vlak. ’t Zelfde donderende gebolder, dat hem in ’t duister zoo verschrikt had, hoorde hij nu kalm aan, met een trek van minachting om de fijne lippen.„Hoordt di.… dat is genoeg gerommel om tien welgewapende legers op de vlucht te drijven.… En toch is het niets, een leeg geschal.… de onttroonde schalgeest uit de Ravenstroth; en ik denk Harimona, dat de donderrommeling daarboven in de lucht weinig anders kan zijn.… een groot gloeiende steen, die ergens neervalt zooals wij dat wel eens hebben gezien en die daarboven in de lucht rommelt[158]zooals het doodshoofd hier.… Wanneer ik straks koning zal zijn, ruk ik met duizend man hier binnen. Groote brandende vetpotten zal ik hier dan neerzetten en alles onderzoeken.… Kom mijn liefste.… wij hebben haast … laat ons deze urn medenemen.…”Zij wilden een buikige urn aan de twee ooren optillen. Maar de urn was zwaar en Sogol hield zijn toorts boven de opening.„Er ligt iets in.…” zeide hij. „’t Schemert geel, maar wat het is, weet ik niet.”Hij duwde de urn om en klopte tegen de wanden. Maar er viel niets uit.„Dan zullen wij een anderen nemen.…”Zij namen een kleineren urn op. Maar Sogol wachtte nog even. Hij nam een der zware vuursteenen bijlen op en sloeg er mede op de buik van de urn, waarin met een doffen slag een gat gruizelde.Groote stukken barnsteen, tot een vaste massa versmolten, hadden de aarden pot zoo zwaar gemaakt.„Dat wordt een bruidssieraad voor di, lieve!” zei Sogol vroolijk, een stuk van de massa barnsteen afslaande, en dicht naast haar gaande, wel op zijn hoede, dat zij niet op ’t hellende plateau zou uitglijden.„Vreemd nietwaar, de reuzen-kabouters van vroeger zijn al net als de dwerg-kabouters van heden.… Tot aan hun laatste stonden kunnen zij zich niet van hun schatten scheiden.”Buiten bij het daglicht bekeken zij de urn nauwkeurig. Sogol bemerkte dat de bruine aarde met roode figuren versierd was.„Dat is Scandisch werk!” zeide Harimona. „De Scandische urnen van Maresag hebben dezelfde versiering.”„Zou het dan waar zijn, dat de Scandiërs eens in ’t land der Nerviërs gewoond hebben?” peinsde Sogol. „Er zijn Galliërs, geliefde, die volhouden datScandia,[159]bevolkt is geworden van uit Gallië. Maar wie kan dat nagaan?”Haun stond bij den doovenden brandstapel.„Niets gebeurd?” vroeg Sogol.„Ja heer.… de twee vreemde wijven zwerven hier weer rond.… Zij kwamen uit het boschje daar en toen ze mij zagen, vluchtten ze weer naar dien kant weg.…”„Zij zullen hun kabouter zoeken!” lachte Sogol, ’t verschrikte gelaat van den jongen ziende.Hij keek op het kleine hoopje witte asch en de witgebrande beenderen op den mutsaard.„Veel is er voor haar niet van hem overgebleven!” zei hij, starend naar het verbrande lijk van den priester.Voorzichtig schepte hij de asch en de beenderen met het plat van zijn zwaard van de mijt en liet het in de opening van de urn glijden. Toen bleef hij lang naar de urn staren.„Hoe weinig beteekenen wij menschen toch, geliefde. Ziet eens.… in zoo’n vaas gaat de asch van tien van ons.… En dan zouden de hemelen en de goden in beweging zijn, wanneer een onzer stierf? Zijn wij iets anders dan een dier?.… Weten wij iets meer?.… Wij wandelen in raadselen.. als wij ten minste in raadselen wandelen.. Maar iets in mij Harimona, zegt mij, dat er geen raadsel is.… Het is onze domme, waanwijze, vervloekte verbeelding, die ons de raadselen schept.… Leegheid is er rondom ons.… een afgrond zonder bodem.… een diepte waarin wij verzinken om nooit weer te keeren.… noch hier noch elders.… Daar, in dit vaasje ligt een mensch.… een mensch, die gedacht, gevoeld, gestreefd heeft.… Had zijn duw een beetje krachtiger geweest, ik zou in ’t zwarte wad gevallen zijn en niet hij. En ik zou verdronken zijn en niet hij.… En hij zou nu bij mijn asch kunnen staan en bij mijn urn een lijkrede houden.… Hebben de goden de hand in ’s menschen lot, Harimona?”[160]„Ik weet het niet prins … Du zegt, du twijfelt niet … maar dijn bitterheid getuigt tegen dijn beweren … In mijn diepste is er gestadig een sterk gevoel, dat mij een samenhang doet voelen tusschen dit leven en dat aan gene zijde … waar hij nu toeft, wiens asch wij verzamelen … Leegte prins?… Hoe zoudt gij, bloeiend, krachtig, vol geest, met glinsterende oogen en een sprekende mond, dezelfde kunnen zijn als hier dit hoopske overblijfsel? Wat wij verbranden kunnen, ja, dat is leegte … maar kunt di ook verbranden mijn droombeeld … mijn droombeeld van zooeven, toen ik di worstelend zag met den naakten man en ik di waarschuwen kon? Zeg mi prins, indien hij en niet du in zwarte meer stortte, was dat, wijl du di weerdet of wijl du gewaarschuwd waart? En wie anders dan de goden gaven mi dat droomgezicht?…”Hij sloeg zijn armen om heur hals,kustehaar en weende. Toen zijn armen hoog opheffend naar den hemel, kreet hij:„O Wot, Wot, Wot! Zijt di daar Wot? Is het waar dat du woont hoog in de heilige hallen … o Wot, Wot! Waarom rijt di mij de ziel open van twijfel … Waarom is elke gedachte een framsteek in mijn borst … Want ik weet niet … ik weet niet … o Wot! Wot!… ik weet niet … ik weet niet!”Hij zonk neer bij de urn en snikte met onstuimige rukken van de borst. Zij knielde bij hem neder en legde zacht heur arm om zijn hals:„Waarom wilt di weten, wellieve? Zal het weten niet komen als de tijd daar is? Zie, hij in deze urn … hij weet.… Zoudt di reeds zijn willen zooals hij.… Is er niet veel geluk en vreugde op deze wereld te vinden zonder het weten? Wacht di daar gindsch niet een troon? En kunnen wij niet nog lang leven, zalig door elkaars liefde en vertrouwen? En is daar niet in dijn rijk veel goeds te doen?”.…[161]Hij blikte op en in zijn oogen lag teederheid en dankbaarheid, maar hij bleef bedroefd.„Zonder het geheim weten, is alles een nutteloos spel, mijn zoete troosteres. Hoe kan het leven licht zijn, wanneer over elke daad, elke vreugde, elke gedachte de schaduw ligt van een onzekere toekomst? Wat is het leven waard, ook het leven van macht, eer, aanzien, weldoen en liefde, wanneer alles een vergankelijk tijdverdrijf is en elk oogenblik een afsterven.… Ik ben bang Harimona.… o, ik ben zoo bang voor den dood!”„Du, mijn moedige, moedige, moedige held!”.…„Ja Harimona.… ik ben bang.… Al mijn koenheid is angst, lafheid, vrees, voor dat donkere van ’t einde.… Ik wilde, dat ik dijne gelatenheid had en dijne moed voor ’t komende.… Ziet di daar den ingang van de grot.… Zoo is de dood.… En dijne hoop en dijne verwachting is een wondere grot met druipend edelgesteente tot behang en een grooten kabouter, die daar heerscht.… Maar mijn verwachting is de zwarte poel, waarin wij allen moeten verdrinken, en in den hoek liggen onze geraamten bij onze aardsche schatten.… Iets mijn geliefde in mij is, is maar grooter dan mijn verlangen, naar het weten van daar gindsch.… dat is mijn vrees voor dat zwarte. En tusschen verlangen en vrees leef ik, zoekend zooals ik straks zocht in het duistere hol, waar alles anders is dan de waarheid, tot de stem die hulpe brengt toe.… en die waarheid zelf een ontnuchtering.…”Hij stond op en leunde op zijn zwaard.„Maar ik wil moedig blijven, tot het uiterste mijn lieve jonkvrouw.… Mijn heilige, hooge, goddelijke maagd.… kom.… kniel niet bij mij, maar sta recht naast mij.… Ik ben die grot ingegaan met geen ander wapen dan mijn zwakke toorts en mijn koenen wil, niet te vreezen voor mijn eigen verbeeldingen … De mensch, die voor den dood vreest is als de haas, die vlucht voor zijn schaduw.…[162]Wat is een schaduw? Een niets, en toch zij is.… Zoo zal de dood wel zijn.… een schaduw van het leven.… zoo zal het zijn.… geen lichaam en geen geest, een afschijn van ons eigen denken.…”Hij legde zijn arm om haar schouder en bleef nog even peinzend naar de urn staren. Toen, zich met een ruk vermannend, wenkte hij Haun.„Knaap, help mi graven. Wij zullen dezen een schoone terp schenken, opdat zijn schaduw rust vinde.”Zich bukkend, puntte hij zijn slagzwaard als een spade in den grond en begon een aarden heuveltje te maken. Maar Haun zette zijn horen aan den mond en blies de lange tonen van het Nervische graflied.Harimona liep ter zijde en plukte wat veldbloemen. Toen, ze in het urngraf werpend, zei ze:„Braaf zoo mijn jongen.… Braaf zoo!.…”En Sogol, even opblikkend, zag dat zij weende.[163]

Sogol, de beide vrouwen ziende vluchten en bemerkend, dat een naakten man naar een hol kroop, reed tot dicht bij het hol, steeg af en riep:

„Vriend, wie bent di? kan ik helpen?”

De priester, in grooten angst, vreezend dat Sogol hem zou gevangen nemen, daar Harimona hem kende, nam een kloekbesluit. Zijn rol van kwaden kabouter beviel hem en daarom riep hij uit het hol:

„Treed niet nader, vreemdeling. Ik ben de groote kabouter. Wie mijn hol betreedt moet sterven!”

Sogol, in stede van verschrikt terug te wijken, lachte helder op. Harimona en Haun kwamen nader en Sogol tot Harimona:

„Pas op, liefste. Hier is ’t hol van den grooten kabouter. Wie zijn hol binnentreedt moet sterven!”

Harimona glimlachte zacht en Haun, hoewel inwendig toch bevreesd, verkloekte zich om Sogol te vragen:

„Meester, zal ik hem er uit toeten?”

„Blaas mijn jongen!” zei Sogol.

Maar nu Haun den horen aan zijn mond zou zetten, begon hij toch van vrees te beven en in stede van een flinken horenschal toeterde hij een iel, trillerig geluid.

Sogol wilde lachen, maar opeens keek hij ernstig. Uit het hol klonk de schal terug en daarna van heel ver nog eens.

„Hoort di het, Haun?”

„Ja, meester.”

„Wie denkt di, dat daar blaast?”

„De zotte geest uit de stroth, dien du verjaagd hebt.”[150]

„Zal di nooit wijzer worden knaap…” riep Sogol norsch. „Ik zal di nogeens een les geven, dat du alle vrees voor geesten en kobolden verliest.”

Harimona was afgestegen en legde heur hand op Sogols schouder.

„Geliefde, wees voorzichtig. Een voorgevoel zegt mi, dat hier gevaar dreigt. Ik voel de tocht van den dood langs ons strijken.”

„Zult di dan ook nooit moedig worden?” toornde Sogol en spottend riep hij: „Kom eens naar buiten.”

„Vreest di niet vreemdeling? Weet, dat ik niet uit mijn hol treed zonder onheil!”

„Dan zal ik di halen, du leugenbeest!”

Moedig stapte Sogol de grot binnen. Maar de priester doofde meteen zijn brandend kienhout en vluchtte naar achter. Hij kende nu vrijwel den weg, sloop naar het plateau bij het water en verschool zich daar in een nis.

Sogol, die in de duisternis rondtastend, de scherpe wanden voelde, trad weder naar den uitgang.

„Is hij ontvlucht?” vroeg Harimona.

„Voorloopig ja. Maar wij zullen den vriend wel te pakken krijgen. Houd hier de wacht Haun. Ik ga fakkels snijden.”

Sogol liep ’t woud een eindje in, hakte eenige geschikte droge takken van jonge dennen af en met zijn rondhout vuur draaiend in ’t blok, stak hij ze aan, tot ze goed opvlamden en liep toen terug, ’t hol binnen.

De druipsteengrot wekte zijn verwondering niet, zoomin als de echo dat gedaan had. Hij had wel meer zulke grotten gezien en wist, dat de kristallen door Scandische zeelieden medenomen werden als ze naar het vreemde land voeren. Maar toen hij door de tweede grot aan het onderaardsche meer kwam en de zuilenrijen en gewelven langs de oevers aanschouwde, vloog de gedachte door zijn brein, dat hij dit keer werkelijk in een der paleizen van kabouterkoningen was binnengedrongen, waarvan de sagen zooveel verhaalden.[151]

„Kabouterkoning!” riep hij, „Vertoon di. Ik ben dijn vriend en vraag gastvrijheid.”

De priester, bemerkend dat Sogol alleen was, kwam op het denkbeeld Sogol hier in het meer te storten, dan naar buiten te vluchten, den horenblazer te verschrikken of door een vuistslag neer te vellen en vervolgens Harimona met geweld weg te voeren. Het groote paard van Sogol kon beiden dragen en de twee andere paarden zou hij een poot verbrijzelen, zoodat Sogol, ook wanneer hij zich uit het water redde, hem niet zou kunnen vervolgen. Daarom kwam hij nu uit zijn schuilhoek en riep:

„Hier ben ik, vreemdeling? Wat wilt di?”

Zoodra Sogol den naakten man zag en den beschaafden uitspraak van het Renigo’sche dialect hoorde, kreeg hij argwaan en nu gevoelde hij spijt toornig tegenover Harimona te zijn geweest.

„Waar ben ik hier, Kobold?” vroeg Sogol.

„In mijn rijk, vreemdeling. Hebt di geen vrees om de kabouters aan den arbeid te zien, kom dan mede.…”

Sogol volgde den naakten man, maar was zéér op zijn hoede. Deze liep hem vooruit, steeds meer naar achter en daalde toen de breede trappen van het ondergrondsche meer af.

„Sta hier vreemdeling en schouw in den zwarten spiegel. Dan zult di mijne kabouters zien.”

Sogol trad nader. Plotseling sprong de priester terzij, sloeg hem het brandende kienhout uit de hand, zoodat het in ’t water viel en sissend uitdoofde. Sogol had zich meteen schrap gezet en toen nu in ’t duister de priester hem een duw gaf, wankelde hij niet maar greep den man vast. Deze, merkende dat zijn toeleg mislukt was, trachtte zich los te rukken maar Sogol, sterker dan hij, hield hem stevig vast bij de armen.

De twee mannen hadden geen woord gewisseld bij deze worsteling. Nu echter zeide Sogol, wien alles klaar werd:[152]

„Als dijn leven di lief is, worstel dan niet langer en leid mi naar buiten.”

Meteen pakte Sogol ’s mans armen zoo van achteren vast, dat het hem weinig moeite zou kostten den man als een dunne plank naar achteren om te buigen.

„Heer, laat mi los … Ik zal di voorgaan en leiden. Ik ben een arme kobold, die ’t daglicht niet kan verdragen.”

„Verdraagt di dit beter?” vroeg Sogol, ’s mans schouders zoo prangend, dat hij een gil van pijn uitte.

En den man voor zich uitduwend, liep hij op goed geluk in de richting van den uitgang. Maar in ’t zwarte duister verdwaalde hij, liep zonder het te weten in de tegengestelde richting van den uitgang en ten laatste stuitte hij in den hoek, waar de geraamten en de steenen bijlen lagen.

„Heer, wij zijn den verkeerden weg geloopen.”

„Wat ligt daar?” vroeg Sogol.

„Ik weet niet, heer?”

„Wat. Een groote kobold zou niet weten, wat in zijn eigen hol ligt?”

Sogol schopte tegen de voorwerpen op den grond. Iets ronds en hards rolde weg; zij hoorden het rollen langs den hellenden weg en dan een plons in ’t water. De echo het rollen herhalend en weder herhalend maakte het roldebolder tot een lang, dof dreunend geluid.

Nogmaals schopte Sogol zijn voet tegen de massa voor zich en weder rolde met veel gebolder iets ronds weg langs den hellenden weg naar ’t ondergrondsche meer.

„Wat zijn dat?” vroeg hij.

„Ik weet niet, heer!”

„Du liegt.. du weet het heel goed.. ik zal di zeggen, wat het zijn.… het zijn doodshoofden, du vervloekte roover! Dat zijn dijn slachtoffers!”

„Heer, geloof mi … het is niet zoo … ik ben een eerlijk man.”[153]

„Dat heb ik gemerkt, toen du mi in ’t water wilde stooten … En wat is dat? En wat is dat?”

Sogol, nu trappend tegen de urnen en de steenen bijlen, vermoedend dat dit de buit van den roover was, omknelde de armen van den gevaarlijken moordenaar nog vaster. Want minder voor zichzelf dan wel voor Harimona vreesde hij, wanneer de roover mocht ontsnappen.

Van uit de verte klonk een angstig geschrei, dat zich herhaalde en in de gewelven voortschalde van muur tot muur. Daarna de eerste schallen van een Nervisch deuntje.

„Hierheen, hierheen!” riep Sogol.

Maar Haun, die op Harimona’s bevel met een bundel kienhouten en een brandend kienhout Sogol tegemoet ging, door de echo misleid, liep een anderen weg op, dan waar Sogol riep. Sogol zag hem zoeken met zijn brandend hout, dat echter te weinig schijn verspreidde om den afgelegen hoek te verlichten, waar de twee mannen stonden.

„Loop langs het meer en dan rechts af!” riep Sogol, de woorden langzaam uitsprekend met tusschenruimten, opdat het eene woord niet het andere door den echo-schal zou onverstaanbaar maken.

Nu liep Haun in de goede richting en was weldra bij zijn heer. Maar hij en Sogol verschrikten beiden, toen ze bij den roodgeligen schijn van den walmenden brandenden tak een hoop geraamten zagen bij elkaar liggen te midden van steenen bijlen en urnen.

„Draak, monster, ondier!” kreet Sogol. En den priester in zijn woede optillend wierp hij hem van zich af langs het hellende plateau, waar te voren de doodskoppen waren ingerold. De man trachtte zijn vaart te stuiten, doch slaagde er niet in en tuimelde in het zwarte meer. Sogol hoorde de plons en daarna begon de man, in ’t zwarte duister zwemmend zonder te weten naar welke richting hij kon ontkomen, bevreesd in het donker alleen te blijven nu hij den weg niet meer wist, om hulp te roepen en te schreien.[154]En zijn angstkreten, door de echo’s herhaald, klonken hol en vertienvoudigd. Het scheen of niet één mensch daar in het donker tegen den dood worstelde maar alsof tien, twintig lieden uit de zwarte kolk om hulp schreiden.

Haun stond bevend bij Sogol.

„Wilt di hem redden, meester?”

„Neen.., laat hem verdrinken … hij heeft zijn straf welverdiend …”

Maar de man in ’t water liet niet af.

„Heer, heer!” schreeuwde hij, „ik ben een priester uit Renigo … Heer, om der wille van de heilige maagd, red mi … Heer, in naam van Harimona …”

„Licht mi bij, jongen!” zei Sogol nu tot Haun. „In haar naam zal niet vergeefs erbarming worden ingeroepen.”

Hij daalde voorzichtig langs het plateau af, stak een kienhout aan en verlichte het donkere watervlak. De priester lag al midden in ’t water. „Kom … du hebt Harimona aangeroepen … Du zult gered worden!” riep Sogol.

„Ik kan niet meer heer … ik kan niet meer!”

Sogol sprong hem niet na. Want bij ’t licht van de toortsen zag hij dat het water zwart en drabbig was, een donkere poel, die naar bedorven eieren rook.

Maar dichtbij kwam de naakte man weer boven. Sogol greep hem vast en trok hem tegen de kant op. Hij merkte dat het hellende plateau plotseling stijl eindigde, alsof een afgrond met drabbig water was gevuld. Maar de man gaf geen teekenen van leven meerenneus en mond waren met een dik, taai slijk gevuld. Sogol tilde het lichaam op en door Haun voorgelicht, vonden zij de twee toegangsgrotten en kwamen eindelijk weder buiten in de frissche lucht.

Harimona wachtte met bleek gelaat en bevende lippen en toen zij Sogol zag terugkomen met het lichaam van den naakten man op zijn armen, snelde zij op hem toe.[155]

„O vriend … hoe gelukkig ben ik, dat du bent weergekeerd … Ik voelde mij zoo beklemd …”

„Hier is de kabouter,” zei Sogol, het lichaam zacht op ’t mos uitstrekkend. „Du hebt wèl gelijk gehad mij te waarschuwen, geliefde. Want hij wilde mij tersluiks in een poel werpen, die daar achter in de grot is.”

„Ik ken den man … dat is Wieland, de runenkenner …”

„Dan begrijp ik alles!” zeide Sogol. „Maar hoe kwamen die twee gevluchte vrouwen in zijn tegenwoordigheid? En waarom heeft hij al die menschen vermoord?”

„Heeft hij menschen vermoord?” vroeg Harimona.

„Ja … het hol ligt vol geraamten en doodshoofden …”

„Maar dan kan hij die moorden niet gedaan hebben. Want vóór wij vluchtten, was hij nog in de haag.”

„Dat is waar,” zeide Sogol.

Hij begon er spijt over te gevoelen, den man verdronken te hebben.

„Wij zullen hem verbranden en in een urn begraven, hoewel ik anders weinig geloof van de straf, die de zielen van niet-verbrande lichamen moeten dulden. Kom Haun, laat ons een brandstapel maken.”

Zij zochten dor hout bijeen, stapelden het hoog op en legden toen het lijk van den verdronken Wieland er op. Toen draaide Sogol vuur en stak de brandstapel aan. De vlammen, lekkend om het dorre hout stegen, spoedig hoog op.

Sogol, Harimona en Haun wachtten op een afstand.

„Waar vinden wij een urn?” vroeg Harimona.

„Daar binnen staan er verscheidene …”

„Wilt du di nogmaals er in wagen?” vroeg Harimona angstig.

„Waarom niet?… Of hebt di weder voorgevoelens?”

„Neen, nu niet …”

„Kom mee Haun!” beval Sogol … Maar hij bedacht zich.

„Neen … ’t is beter dat Haun hier blijft bij de paarden. Licht di mij bij Harimona.”[156]

Hij nam zelf een kienhout en stak dit aan den brandstapel op. Nam een bundel andere toortsen in zijn arm en Harimona nam ook een bundel en een vlammend hout.

„Haun, denk er aan. Indien er onraad is, blaas driemaal. En zoekt di ons, altoos loopen naar de tegenovergestelde zijde vanwaar de weerschal komt …” waarschuwde Sogol.

Toen ging hij met Harimona de grot in. Zij was vol bewondering voor de prachtige druipsteenen, die de gewelven bepegelden. Maar in de groote hal van hetonderaardschemeer voelde zij zich angstig en greep Sogol vast.

Hij sloeg zijn linkerarm om heur middel en drukte heur vast tegen zich aan.

„Hier wilde hij mij in ’t meer duwen!” zeide Sogol, wijzend op de verwarde voetstappen in ’t slik van den meeroever … „Ziet di de worsteling …”

„Ik zie het, Sogol … maar ik zie het niet voor den eersten keer. Toen du hier binnen tradt en ik waarschuwde di zag ik in mijn droom du worstelen met een naakten man … Het droombeeld duurde een oogwenk … en toen was ik weer uit den droom geheven. Daarom waarschuwde ik di.”

Zij schreden nu tegen het hellend plateau op. Bij ’t rossige schijnsel der twee brandende takken zagen zij, dat de grond van zwarte, glimmende, harde aarde was. Sogol, zijn tak nu langs de zuilen der gaanderijen houdend, zoodat deze eenigszins verlicht werden, onderzocht ze zoo nauwkeurig als dat bij ’t slechte licht maar kon.

„Dat is menschenwerk!” zeide hij, meer tot zichzelf dan tot zijn begeleidster. „Dat moet uitgehouwen zijn …”

„Hier zijn trappen,” riep Harimona, die haar toorts wat terzijde had gehouden.

Naast den hellenden opgang was, naar de zijde van ’t water toe een trap, uitgehouwen in den zwarten grond met groote treden.

Harimona zag er tegenop den trap te gebruiken en liep liever langs ’t hellend vlak.[157]

„Voor wien heeft dien trap gediend? Het moeten reuzen zijn geweest, die zoo’n trap gebruikten …” meende Sogol.

Boven op ’t plateau waren zij beiden spoedig aan den hoek, waar de geraamten lagen en de urnen stonden.

Nu, rustig ze beschouwend, zag Sogol dat Harimona’s vernuftige opmerking juist was geweest. De geraamten waren zeker al zeer oud en de doodshoofden, de borstkassen, de beenderen van de ledematen waren van ongewone grootte.

Nu ook vond hij de grofbewerkte bijlen van vuursteen.

„Het moeten reuzen geweest zijn, die deze werktuigen gebruikt hebben. En hoeveel kracht moeten zij niet gehad hebben om deze zuilen uit te houwen.”

„Wat zouden ze hier gedaan hebben?” vroeg Harimona.

„Ik weet het niet.… ik weet het niet.… De wereld is vol wonderen. Maar het zijn geen wonderen, die aan goden doen gelooven. Het is alles te verklaren.… Wat zou een ander, die den priester vervolgd had en ontkomen zou zijn, later verhaald hebben van kobolden en onderaardsche paleizen en zeeën en schatkamers en geraamten … Toen ik hier met den priester stond, trapte ik een paar bolvormige dingen weg, die langs het hellend plateau in ’t meer plonsten.… Het zullen doodshoofden zijn geweest … Wilt di eens hooren.… maar schrik niet.…”

Sogol schopte een doodshoofd naar ’t hellend vlak. ’t Zelfde donderende gebolder, dat hem in ’t duister zoo verschrikt had, hoorde hij nu kalm aan, met een trek van minachting om de fijne lippen.

„Hoordt di.… dat is genoeg gerommel om tien welgewapende legers op de vlucht te drijven.… En toch is het niets, een leeg geschal.… de onttroonde schalgeest uit de Ravenstroth; en ik denk Harimona, dat de donderrommeling daarboven in de lucht weinig anders kan zijn.… een groot gloeiende steen, die ergens neervalt zooals wij dat wel eens hebben gezien en die daarboven in de lucht rommelt[158]zooals het doodshoofd hier.… Wanneer ik straks koning zal zijn, ruk ik met duizend man hier binnen. Groote brandende vetpotten zal ik hier dan neerzetten en alles onderzoeken.… Kom mijn liefste.… wij hebben haast … laat ons deze urn medenemen.…”

Zij wilden een buikige urn aan de twee ooren optillen. Maar de urn was zwaar en Sogol hield zijn toorts boven de opening.

„Er ligt iets in.…” zeide hij. „’t Schemert geel, maar wat het is, weet ik niet.”

Hij duwde de urn om en klopte tegen de wanden. Maar er viel niets uit.

„Dan zullen wij een anderen nemen.…”

Zij namen een kleineren urn op. Maar Sogol wachtte nog even. Hij nam een der zware vuursteenen bijlen op en sloeg er mede op de buik van de urn, waarin met een doffen slag een gat gruizelde.

Groote stukken barnsteen, tot een vaste massa versmolten, hadden de aarden pot zoo zwaar gemaakt.

„Dat wordt een bruidssieraad voor di, lieve!” zei Sogol vroolijk, een stuk van de massa barnsteen afslaande, en dicht naast haar gaande, wel op zijn hoede, dat zij niet op ’t hellende plateau zou uitglijden.

„Vreemd nietwaar, de reuzen-kabouters van vroeger zijn al net als de dwerg-kabouters van heden.… Tot aan hun laatste stonden kunnen zij zich niet van hun schatten scheiden.”

Buiten bij het daglicht bekeken zij de urn nauwkeurig. Sogol bemerkte dat de bruine aarde met roode figuren versierd was.

„Dat is Scandisch werk!” zeide Harimona. „De Scandische urnen van Maresag hebben dezelfde versiering.”

„Zou het dan waar zijn, dat de Scandiërs eens in ’t land der Nerviërs gewoond hebben?” peinsde Sogol. „Er zijn Galliërs, geliefde, die volhouden datScandia,[159]bevolkt is geworden van uit Gallië. Maar wie kan dat nagaan?”

Haun stond bij den doovenden brandstapel.

„Niets gebeurd?” vroeg Sogol.

„Ja heer.… de twee vreemde wijven zwerven hier weer rond.… Zij kwamen uit het boschje daar en toen ze mij zagen, vluchtten ze weer naar dien kant weg.…”

„Zij zullen hun kabouter zoeken!” lachte Sogol, ’t verschrikte gelaat van den jongen ziende.

Hij keek op het kleine hoopje witte asch en de witgebrande beenderen op den mutsaard.

„Veel is er voor haar niet van hem overgebleven!” zei hij, starend naar het verbrande lijk van den priester.

Voorzichtig schepte hij de asch en de beenderen met het plat van zijn zwaard van de mijt en liet het in de opening van de urn glijden. Toen bleef hij lang naar de urn staren.

„Hoe weinig beteekenen wij menschen toch, geliefde. Ziet eens.… in zoo’n vaas gaat de asch van tien van ons.… En dan zouden de hemelen en de goden in beweging zijn, wanneer een onzer stierf? Zijn wij iets anders dan een dier?.… Weten wij iets meer?.… Wij wandelen in raadselen.. als wij ten minste in raadselen wandelen.. Maar iets in mij Harimona, zegt mij, dat er geen raadsel is.… Het is onze domme, waanwijze, vervloekte verbeelding, die ons de raadselen schept.… Leegheid is er rondom ons.… een afgrond zonder bodem.… een diepte waarin wij verzinken om nooit weer te keeren.… noch hier noch elders.… Daar, in dit vaasje ligt een mensch.… een mensch, die gedacht, gevoeld, gestreefd heeft.… Had zijn duw een beetje krachtiger geweest, ik zou in ’t zwarte wad gevallen zijn en niet hij. En ik zou verdronken zijn en niet hij.… En hij zou nu bij mijn asch kunnen staan en bij mijn urn een lijkrede houden.… Hebben de goden de hand in ’s menschen lot, Harimona?”[160]

„Ik weet het niet prins … Du zegt, du twijfelt niet … maar dijn bitterheid getuigt tegen dijn beweren … In mijn diepste is er gestadig een sterk gevoel, dat mij een samenhang doet voelen tusschen dit leven en dat aan gene zijde … waar hij nu toeft, wiens asch wij verzamelen … Leegte prins?… Hoe zoudt gij, bloeiend, krachtig, vol geest, met glinsterende oogen en een sprekende mond, dezelfde kunnen zijn als hier dit hoopske overblijfsel? Wat wij verbranden kunnen, ja, dat is leegte … maar kunt di ook verbranden mijn droombeeld … mijn droombeeld van zooeven, toen ik di worstelend zag met den naakten man en ik di waarschuwen kon? Zeg mi prins, indien hij en niet du in zwarte meer stortte, was dat, wijl du di weerdet of wijl du gewaarschuwd waart? En wie anders dan de goden gaven mi dat droomgezicht?…”

Hij sloeg zijn armen om heur hals,kustehaar en weende. Toen zijn armen hoog opheffend naar den hemel, kreet hij:

„O Wot, Wot, Wot! Zijt di daar Wot? Is het waar dat du woont hoog in de heilige hallen … o Wot, Wot! Waarom rijt di mij de ziel open van twijfel … Waarom is elke gedachte een framsteek in mijn borst … Want ik weet niet … ik weet niet … o Wot! Wot!… ik weet niet … ik weet niet!”

Hij zonk neer bij de urn en snikte met onstuimige rukken van de borst. Zij knielde bij hem neder en legde zacht heur arm om zijn hals:

„Waarom wilt di weten, wellieve? Zal het weten niet komen als de tijd daar is? Zie, hij in deze urn … hij weet.… Zoudt di reeds zijn willen zooals hij.… Is er niet veel geluk en vreugde op deze wereld te vinden zonder het weten? Wacht di daar gindsch niet een troon? En kunnen wij niet nog lang leven, zalig door elkaars liefde en vertrouwen? En is daar niet in dijn rijk veel goeds te doen?”.…[161]

Hij blikte op en in zijn oogen lag teederheid en dankbaarheid, maar hij bleef bedroefd.

„Zonder het geheim weten, is alles een nutteloos spel, mijn zoete troosteres. Hoe kan het leven licht zijn, wanneer over elke daad, elke vreugde, elke gedachte de schaduw ligt van een onzekere toekomst? Wat is het leven waard, ook het leven van macht, eer, aanzien, weldoen en liefde, wanneer alles een vergankelijk tijdverdrijf is en elk oogenblik een afsterven.… Ik ben bang Harimona.… o, ik ben zoo bang voor den dood!”

„Du, mijn moedige, moedige, moedige held!”.…

„Ja Harimona.… ik ben bang.… Al mijn koenheid is angst, lafheid, vrees, voor dat donkere van ’t einde.… Ik wilde, dat ik dijne gelatenheid had en dijne moed voor ’t komende.… Ziet di daar den ingang van de grot.… Zoo is de dood.… En dijne hoop en dijne verwachting is een wondere grot met druipend edelgesteente tot behang en een grooten kabouter, die daar heerscht.… Maar mijn verwachting is de zwarte poel, waarin wij allen moeten verdrinken, en in den hoek liggen onze geraamten bij onze aardsche schatten.… Iets mijn geliefde in mij is, is maar grooter dan mijn verlangen, naar het weten van daar gindsch.… dat is mijn vrees voor dat zwarte. En tusschen verlangen en vrees leef ik, zoekend zooals ik straks zocht in het duistere hol, waar alles anders is dan de waarheid, tot de stem die hulpe brengt toe.… en die waarheid zelf een ontnuchtering.…”

Hij stond op en leunde op zijn zwaard.

„Maar ik wil moedig blijven, tot het uiterste mijn lieve jonkvrouw.… Mijn heilige, hooge, goddelijke maagd.… kom.… kniel niet bij mij, maar sta recht naast mij.… Ik ben die grot ingegaan met geen ander wapen dan mijn zwakke toorts en mijn koenen wil, niet te vreezen voor mijn eigen verbeeldingen … De mensch, die voor den dood vreest is als de haas, die vlucht voor zijn schaduw.…[162]Wat is een schaduw? Een niets, en toch zij is.… Zoo zal de dood wel zijn.… een schaduw van het leven.… zoo zal het zijn.… geen lichaam en geen geest, een afschijn van ons eigen denken.…”

Hij legde zijn arm om haar schouder en bleef nog even peinzend naar de urn staren. Toen, zich met een ruk vermannend, wenkte hij Haun.

„Knaap, help mi graven. Wij zullen dezen een schoone terp schenken, opdat zijn schaduw rust vinde.”

Zich bukkend, puntte hij zijn slagzwaard als een spade in den grond en begon een aarden heuveltje te maken. Maar Haun zette zijn horen aan den mond en blies de lange tonen van het Nervische graflied.

Harimona liep ter zijde en plukte wat veldbloemen. Toen, ze in het urngraf werpend, zei ze:

„Braaf zoo mijn jongen.… Braaf zoo!.…”

En Sogol, even opblikkend, zag dat zij weende.[163]


Back to IndexNext