HOOFDSTUK XVI.

[Inhoud]HOOFDSTUK XVI.Koning Mise had een groot feestmaal doen aanrichten. Alle voorname Velagers waren uitgenoodigd en ook waren voornameBedekauwerstot het feest toegelaten, hoewel zij arm waren, daar zij gedurende den winter dure leeftocht hadden moeten koopen voor de schatten, die op hun eiland waren opgekoopt. Het graan was tegen goud opgewogen en honig of kaas was bijna niet te krijgen geweest.Maar Mise had gewild, dat ook deBedekauwerszoudenhoorenhoe heldhaftig hij, de eens gesmade, zich op den tocht naar Renigo gedragen had.Sedert den dood van hun heer waren Hall, Hamm en Hann in droevige stemming. Mager als geesten, in lompen gehuld, zwierven ze bedelend rond op ’t eiland, altoos sprekend over hun goeden koning Gise, die zoo ongelukkig aan zijn eind was gekomen.Soms werden zij door Mise naar Veloog geroepen en voor een goed maal lieten de drie hongerhalzen zich vinden om een wedstrijd in ’t sprokespreken aan te gaan met Pill, Pimm en Pinn. Maar het was een onbegonnen werk, want koning Mise keurde al te voren hun sproken af en prees de sproken van Pill, Pimm en Pinn, hoewel de drie door ’t goede leven en de eer opgeblazen fluizen waren geworden, niet meer in staat een hartig woord te zeggen. Ze waren nu lafhartige en laaghartige vleiers en hun sproken bevatten niets anders dan de verheerlijking van koning Mise.Tot diens geringste daden werden door de drie, hooggeroemd met overdreven woorden. Maar Mise was daarmede nog altijd niet tevreden en zoover gingen toen Pill, Pimm[223]en Pinn, dat toen koning Mise eens, na een drinkgelag zichzelf en de gasten bekotst had, Pill sprak:De kots van den koning,Smaakt zoet als honing.Pimm zeide:’t Volk in óvervloeden leeft,Als zijn koning overgeeft.Pinn sprak:Toen Mise véél gedronken had,Gaf hij den gasten elk nog wat.Maar eindelijk vonden Hall, Hamm en Hann een middel om hun gedachten te uiten zonder gevaar te loopen getuchtigd te worden. In de bitterheid huns harten zeiden zij in hun sproken en boerden wat zij van Koning Mise meenden, maar zij deden alsof zij niet koning Mise maar koning Gise bedoelden.Danlachtekoning Mise en alle Velagerslachten, tevreden dat de doode koning nog in zijn graf bespot werd en dat wèl door zijn eigen sproke-sprekers.Hall, Hamm en Hannlachtendan ook met een bitteren grim en zoo dikwijls grimden zij, dat hun gezicht gram ging staan en om hun monden altoos een grijnslach speelde,diehun magere gelaten afschrikwekkend maakten.Ook op het groote feest, waar de „Misère,” zoo was de titel van het heldendicht op de reis van den dapperen koning Mise naar ’t land van Renigo, zou worden voorgedragen door Pill, waren Hall, Hamm en Hann aanwezig. En zij stonden in zwarte pijen met de hoofden dicht bij elkaar, achter in de hal toe te luisteren en onder hun donkere pijen balden zij de vuisten, en hun mondhoeken trokken ze zoo ver naar achter van verbeten woede, dat hun lange, blauwe tanden te voorschijn kwamen.Koning Mise, in een purper gewaad met breede, hermelijnen boorden en een groote kroon op ’t hoofd, zat op een gouden[224]zetel, op een troon hoog boven de gasten uit, opdat tijdens de voordracht, de lieden den held van het heldendicht goed zouden kunnen zien. Want koning Mise wilde breken met het gebruik van den tijd, om helden eerst na hun dood te bezingen en ze als goden te verheerlijken. Hij wilde vanzijnheldhaftigheid nog tijdens zijn leven genieten, en den indruk te zien, die het verhaal van zijn daden op het menschdom maakte.Zoo zat hij dan hoog op den troon, goed voor allen zichtbaar en in zijn rechterhand hield hij een zwaard om bij de zinnen, waar dat te pas kwam, aan te toonen op welke wijze hij van het wapen gebruik had gemaakt om de gruwelijke monsters, draken en roovers te vellen.Naast den troon was een stellage gemaakt met groene doeken behangen en in ’t midden daarop stond Pill, in een lang gewaad van fijngeweven, witte lamswol. Ter zijde stonden Pimm en Pinn, eveneens in blanke lamswollen gewaden.Toen het dan stil was geworden, verhief Pill zijn stem en riep:MISÈRE.Pimm schreeuwde het eerste deel van den ondertitel uit:„Of de waarachtige, heldhaftige daden van den hoogverheven, doorluchtigen, onversaagden, rechtvaardigen en zedigen koning Mise, beheerscher van Veloog.…”En Pinn besloot:„Hoe dezelve, na in armoede en nederigheid te zijn uitgetrokken naar het verre land van Renigo, in gezelschap van den overmoedigen en weelderigen koning Gise van Bedekoog, om[225]velerlei avontuur en gestadigen kamp, door den edelen hoogepriester Maresag wordt geschat om zijn kennis en wijsheid, door de heilige maagd in liefde wordt ontvangen en na haar gunst deelachtig te zijn geworden, met schatten beladen huiswaarts keert, alwaar het wonder van de uitdieping der fioord, tot loon van ’s konings deugdzaamheid, eerlijkheid, rechtvaardigheid en godvruchtigheid, door Harimona’s toovermacht heeft plaats gehad.”Een luid gejuich ging op uit de rijen der gasten. Koning Mise groette met zijn pronkzwaard dankend en wenkte dat men zwijgen zou, daar er nog meer kwam.„Terwijl,” sprak Pimm,—de zin van Pinn weder voortzettend, „de overmoedige en grootsprekende koning Gise van Bedekoog, na door koning Mise uit velerlei gevaar te zijn gered, te Renigo aankomend, zoodanig het misnoegen van den hoogepriester Maresag en de heilige jonkvrouw Harimona verwekt, dat hij door de wacht wordt uitgedreven, op een ellendige ezelkar, gelijk een bedelaar en verachtenswaardige schooier, naar zijn rijk terugkeert, alwaar hij, door de toovermacht der hoogheerlijke vroede en alwijze jonkvrouw Harimona, zetelend in de heilige haag van Renigo, de fioord verzand vindt en ervarende, welke rampen hij, door zijn zedeloosheid, lafheid en eerloosheid over zijn volk heeft gebracht, zichzelf ellendiglijk den dood geeft. Slot!”Een gejoel en gesis van verachting steeg op. De drie sproke-sprekers in de zwarte pijen, gingen nog dichter bij elkaar staan, zoodat hun kappen elkaars gezichten verborgen[226]en niemand zag, dat de grijnzen om hun monden nog verbetenerwerdenen hun holle oogen vochtig.NubreiddePill de armen uit en met luider stem zeide hij op:Ez wuohs in Velagó ein armer Künic her;Geheizen was er Miseman sin vater der hiez Gêr,Sîn muoter diu hiez Wote und was ein Küniginne,Durch ir hôhe tugende sô gezam dem arme wol ir minne.En ook was er in Bedekoog, een koning van veel zwier,Geheeten was hij Giseman, zijn vaderheetteTsier,Zijn moeder was een weduwvrouw, al na heur man zijn dood,En van een halve wees werd Gies, een rijke Koning groot.De koning Miseman hoe droef, bezat noch geld noch goed,Zijn schat bestond slechts uit zijn zwaard, en uit zijn heldenmoed.Maar ’laas de wereld schat dat niet, en dies was hij veracht,Doch daarom boog hij niet het hoofd, noch uitte ooit een klacht.De koning Giseman hoe slecht, bespotte vaak zijn buur,En toonde al zijn schatten graag, al in een groote schuur,[227]De wereld bracht hem toen veel eer, verhief hem hemelhoog,Aanschouwt des werelds spiegelbeeld, in Vel—en Bedekoog.Maar zij het menschdom dan ook veil, niet zoo het vroom geloof,Dat stelt des menschen eigen aard, ver boven goud en roof,In ’t groote land van Renigo, daar leefde eene maagd,Met Maresag, dien eed’len man, een priester hoogbedaagd.Die maagd verwekte wond’ren veel, en had een schoone ziel,Zijachtteniet op goud of goed, maar op wie haar beviel,En wie het meest haar gunst verwierf, die koos zij zich wel uit,Tot bruidegom en echtgenoot, die zoete, lieve bruid.De haven nu van Velago, die was heel dik verzand,En daardoor heerschte arremoed, in der Velagers land,Maar Bedekoog had een fioord, die was diep als de zee,Deswege werd het volk er rijk, door skigge op de ree.De Giseman dacht op een keer, ik zoek een mooie vrouw,Wat let mij en ik ga op reis, naar ’t wijf in Renigou,[228]Met pronk en staat, met schat en gift, en door mijn hoogen stand,Kost ’t zeker luttel moeite mij, zij schenkt mij graag heur hand.De Miseman, die peinsde ook, en dacht al aan die vrouw,Hij meende en met ’t meeste recht, Dat zij hem passen zou,Gelijk een need’rig held betaamt, trok hij toen naar de meid,Met geene and’re schatten dan, zijn onverschrokkenheid.De Giseman, die lachte luid, toen hij held Mise zag,En hoonde toen den dapp’ren man, met zijnen pratsten lach,Beroemde zich al van te voor, op zijne zegepraal,De menschen gaven hem gelijk, Want Miseman was kaal.De Miseman die zweeg maar stil, zijn vingers om de greep,Hoe dieper smaad hem wedervoer, hoe vaster ’t zwaard hij neep.Zoo trok hij eenzaam met zijn moed, al naar de heil’ge haag,Langs woud en weg, langs dorp en huis, men zag hem nergens graag.De Giseman al met zijn stoet, die maakte veel radau,Hij zwoer bij al wat heilig is, hem hoorde reeds de vrouw,[229]En daar hij zooveel schatten had, zei overal ’t gemeen,Dat koning Gise trouwen zou, de heil’ge Haromeen.Ze kwamen in een duister woud, daar zat een groot gedrocht,Toen liepen Gises lieden hard, en scholen in een krocht.De koning kroop het diepste weg, in d’allerversten hoek,En aller monden waren leeg, maar vol was aller broek.Held Mise die den draak ook zag, trok dapperlijk van leer,En na een kort maar woest gevecht, bestond de draak niet meer.Toen stak de held zijn zwaard weer op, en sprak met kalm geluid,Een heldendaad is ook een schat, en hoopte op de bruid.De Giseliden kwamen nu, weer bevend voor den dag,En keken bijster ernstig naar, de plaats, waar ’t ondier lag,De Giseman stak met zijn zwaard, toen in het drakenlijk,De menschen riepen „Heldenzoon!” want Giseman was rijk.Zij kwamen aan een diepen vliet, daar stond een watergeest,De Giselieden vloden snel, voor ’t hachje zeer bevreesd.[230]Zij klommen in een hoogen boom, en keken naar beneên,En dreigden wel met menig woord, maar vechten deed er geen.De Miseman, die zag den geest, en trok meteen zijn zwaard,Gelijk de dapp’re Sigefried sloeg hij den geest ter aard.De Giseliden kwamen nu, al van hun hoogen tak,En met zijn zwaard de Giseman, den dooden geest doorstak.Zoo dan na menig avontuur, kwam men in Renigo,Held Mise met zijn bloed’rig zwaard, en Gise evenzoo,Van vele zijden liep men toen, al naar den Giseman,En toen men al diens schatten zag, sprak men daar wond’ren van.Hoe anders ging het Mise laas, die ’t pralen niet verstond,En wel een zwaard had, glad en rad, maar ach, geen radden mond,Men keek niet naar dien stillen heer en geen gaf hem een kans,Op de zoo schoone Haromien, want hij was zonder glans.Doch in het Renigosche kamp, daar waren helden groot,Die trokken gaarne op het zwaard, en streden op den dood.[231]De Giselieden hielden zich, als muizen in een hoek,En koning Gise zelf die was, in al die tijden zoek.Maar Mise als een ware held, die stond er wel zijn man,Hij hakte heel het heldenheer, alleenig in de pan.Gelijk de helden uit de saag’, die kennen vrees noch pijn,En die door and’re helden steeds, onoverwinbaar zijn.Zoo streed held Mise onvervaard, en bleef zelf ongedeerd,Tot er geen held meer overbleef, hij was zijn dichters weerd.Nu trad hij voor de heil’ge vrouw, en bad heur om heur min,Toen sprak de schoone priesteres: Du zijt zeer naar mijn zin.Maar Gise, die geen held meer zag, trad nu ook voor heur troon,En bood haar schatten en zijn land en sprak van Mise hoon.De opperpriester hield nu raad, en gaf als zijn besluit,Dat Gies met Mies op ’t korte zwaard, zou vechten om de bruid.Toen Giseman dat woord vernam, verschrikte hij zoozeer,Dat haastig op de vlucht hij sloeg, men zag hem nimmer weer.[232]Want in zijn land teruggekeerd, was de fioord verzand,En Gise bang voor arremoed, sloeg aan zichzelf de hand.Maar Mise, als een waardig held, kreeg toen van Haromien,Veel kussen op zijn schoonen mond, en schatten bovendien,Hij voer terug met pronk en praal, en komend in zijn rijk,Vond hij zijn haven uitgediept, bevrijd van zand en slijk.Heil, koning Mise, dapp’re man, het volk, dat bidt di aan,En tot het verre nageslacht, zal ’t konden dijne daân,In sagen zal dijn stout bestaan, di hooger heffen tot,Men Mises naam vereeren zal, gelijk die van een god!Doodstil was het in de groote hal geweest, toen Pill de heldensproke met krachtige stem uitsprak. De gasten keken beurtelings naar den sprokespreker en naar hun heldhaftigen koning, die waardig, zooals dat een rijken vorst past, met krachtige stooten van zijn fraai pronkzwaard, toonde hoe hij den draak, den watergeest, de helden en ten laatste den lafhartigen koning Gise had verdeemoedigd en aldus de waarheid als het ware nog meer waarschijnlijk maakte.Hall, Hamm en Hann echter, dicht de gelaten bij elkaar, vormend een driehoek, sloten de ooren, want de drie gidsen gruwden van deze sproke-kunst.[233]Thans begonnen zij te jouwen, riepen dat het heele heldendicht een opeenstapeling van leugens was en protesteerden in naam van de realistische kunst.Doch het gejuich en het geroep van „Were Wotan!” „Were Mise!” „Nere Gise!” overstemden de protesten en een uur lang duurde dat donderend gejuich, gedurende ’t welk Pill dankbaar boog, Pimm de stafrijmen lovend opsomde en Pill de maat roemde, terwijl koning Mise met zéér veel waardigheid, niet moede werd met zijn zwaard nogmaals en nogmaals in de lucht de stooten te toonen, die hij op de gevaarlijke reis niet in de lucht had toegebracht.Eerst toen het feestgebraad werd opgedragen en elken gast een heel, gebraden speenvarken werd voorgediend, verzwakten de stemmen maar zelfs tusschen twee kluiven door, riepen de geestdriftige onderdanen nog Were Wotans! en Were Mises! of Nere Gises!Nu stapte koning Mise waardig van de treden van zijn troon en de eereplaats aan de feesttafel innemend en zich plaatsend voor een iever, in zijn geheel aan ’t spit gedragen, riep hij Pill, Pimm en Pinn tot zich, roemde hun waarheidsliefde, trouw en kunstvaardigheid en zeide hun het loon te zullen schenken voor zooveel koningsgezindheid.Hij hief zijn gruwbaar en gevreesd zwaard op, maar ditmaal voor een werk des vredes. Want hij hakte den iever in vier deelen. Pill kreeg de ooren, Pimm de staart, Pinn de snuit. De koning vergenoegde zich met de rest van den iever, zeggende: „Ziedaar, de dankbaarheid der koningen!”Weer ging een trillend gejuich op, na deze daad van grootmoedigheid en men zag zelfs gasten, die reeds met de kluif voor de lippen, deze een oogenblik terug hielden, om een „Were Mise!” te roepen.De drie koks van wijlen koning Gise echter sloegen hun kappen wat terug en grijnsden.[234]Koning Mise dit ziende, riep het drietal tot zich en sprak:„En waar blijft de sproke op Gise!”„Heer,” antwoordde Hall, „hoe zouden wij heldensagen op onze koning kunnen spreken, nu hij er niet meer is om ons te beloonen?”„Heer,” antwoordde Hamm, „de grootmoedigheid des konings is de zalf der sprokesprekerij.”„Heer,” antwoordde Hann, „Geen heer, geen smeer.”„Ondankbare!” vloekte koning Mise, „zult di dijn heer geen grafsprook naspreken! Op den bida, zeg ik di!…”De drie koks liepen naar de verhevenheid, waar Pill, Pimm en Pinn zooeven onsterfelijke triomfen hadden beleefd en stelden zich daar op, gereed om te spreken, Hall vooraan in ’t midden, Hamm en Hann terzijde.De urn met de asch van den koning van Bedekoog werd voor Hall nedergezet en de kok bedacht zich even.Toen keek hij koning Mise aan, met in zijn holle, zwarte oogen een vreemden glans en hij zeide, wijzend met den vinger op de urn, maar met zijn oogen duidend op koning Mise:Dit is eens konings honk,Hij at, dronk en stonk.[235]

[Inhoud]HOOFDSTUK XVI.Koning Mise had een groot feestmaal doen aanrichten. Alle voorname Velagers waren uitgenoodigd en ook waren voornameBedekauwerstot het feest toegelaten, hoewel zij arm waren, daar zij gedurende den winter dure leeftocht hadden moeten koopen voor de schatten, die op hun eiland waren opgekoopt. Het graan was tegen goud opgewogen en honig of kaas was bijna niet te krijgen geweest.Maar Mise had gewild, dat ook deBedekauwerszoudenhoorenhoe heldhaftig hij, de eens gesmade, zich op den tocht naar Renigo gedragen had.Sedert den dood van hun heer waren Hall, Hamm en Hann in droevige stemming. Mager als geesten, in lompen gehuld, zwierven ze bedelend rond op ’t eiland, altoos sprekend over hun goeden koning Gise, die zoo ongelukkig aan zijn eind was gekomen.Soms werden zij door Mise naar Veloog geroepen en voor een goed maal lieten de drie hongerhalzen zich vinden om een wedstrijd in ’t sprokespreken aan te gaan met Pill, Pimm en Pinn. Maar het was een onbegonnen werk, want koning Mise keurde al te voren hun sproken af en prees de sproken van Pill, Pimm en Pinn, hoewel de drie door ’t goede leven en de eer opgeblazen fluizen waren geworden, niet meer in staat een hartig woord te zeggen. Ze waren nu lafhartige en laaghartige vleiers en hun sproken bevatten niets anders dan de verheerlijking van koning Mise.Tot diens geringste daden werden door de drie, hooggeroemd met overdreven woorden. Maar Mise was daarmede nog altijd niet tevreden en zoover gingen toen Pill, Pimm[223]en Pinn, dat toen koning Mise eens, na een drinkgelag zichzelf en de gasten bekotst had, Pill sprak:De kots van den koning,Smaakt zoet als honing.Pimm zeide:’t Volk in óvervloeden leeft,Als zijn koning overgeeft.Pinn sprak:Toen Mise véél gedronken had,Gaf hij den gasten elk nog wat.Maar eindelijk vonden Hall, Hamm en Hann een middel om hun gedachten te uiten zonder gevaar te loopen getuchtigd te worden. In de bitterheid huns harten zeiden zij in hun sproken en boerden wat zij van Koning Mise meenden, maar zij deden alsof zij niet koning Mise maar koning Gise bedoelden.Danlachtekoning Mise en alle Velagerslachten, tevreden dat de doode koning nog in zijn graf bespot werd en dat wèl door zijn eigen sproke-sprekers.Hall, Hamm en Hannlachtendan ook met een bitteren grim en zoo dikwijls grimden zij, dat hun gezicht gram ging staan en om hun monden altoos een grijnslach speelde,diehun magere gelaten afschrikwekkend maakten.Ook op het groote feest, waar de „Misère,” zoo was de titel van het heldendicht op de reis van den dapperen koning Mise naar ’t land van Renigo, zou worden voorgedragen door Pill, waren Hall, Hamm en Hann aanwezig. En zij stonden in zwarte pijen met de hoofden dicht bij elkaar, achter in de hal toe te luisteren en onder hun donkere pijen balden zij de vuisten, en hun mondhoeken trokken ze zoo ver naar achter van verbeten woede, dat hun lange, blauwe tanden te voorschijn kwamen.Koning Mise, in een purper gewaad met breede, hermelijnen boorden en een groote kroon op ’t hoofd, zat op een gouden[224]zetel, op een troon hoog boven de gasten uit, opdat tijdens de voordracht, de lieden den held van het heldendicht goed zouden kunnen zien. Want koning Mise wilde breken met het gebruik van den tijd, om helden eerst na hun dood te bezingen en ze als goden te verheerlijken. Hij wilde vanzijnheldhaftigheid nog tijdens zijn leven genieten, en den indruk te zien, die het verhaal van zijn daden op het menschdom maakte.Zoo zat hij dan hoog op den troon, goed voor allen zichtbaar en in zijn rechterhand hield hij een zwaard om bij de zinnen, waar dat te pas kwam, aan te toonen op welke wijze hij van het wapen gebruik had gemaakt om de gruwelijke monsters, draken en roovers te vellen.Naast den troon was een stellage gemaakt met groene doeken behangen en in ’t midden daarop stond Pill, in een lang gewaad van fijngeweven, witte lamswol. Ter zijde stonden Pimm en Pinn, eveneens in blanke lamswollen gewaden.Toen het dan stil was geworden, verhief Pill zijn stem en riep:MISÈRE.Pimm schreeuwde het eerste deel van den ondertitel uit:„Of de waarachtige, heldhaftige daden van den hoogverheven, doorluchtigen, onversaagden, rechtvaardigen en zedigen koning Mise, beheerscher van Veloog.…”En Pinn besloot:„Hoe dezelve, na in armoede en nederigheid te zijn uitgetrokken naar het verre land van Renigo, in gezelschap van den overmoedigen en weelderigen koning Gise van Bedekoog, om[225]velerlei avontuur en gestadigen kamp, door den edelen hoogepriester Maresag wordt geschat om zijn kennis en wijsheid, door de heilige maagd in liefde wordt ontvangen en na haar gunst deelachtig te zijn geworden, met schatten beladen huiswaarts keert, alwaar het wonder van de uitdieping der fioord, tot loon van ’s konings deugdzaamheid, eerlijkheid, rechtvaardigheid en godvruchtigheid, door Harimona’s toovermacht heeft plaats gehad.”Een luid gejuich ging op uit de rijen der gasten. Koning Mise groette met zijn pronkzwaard dankend en wenkte dat men zwijgen zou, daar er nog meer kwam.„Terwijl,” sprak Pimm,—de zin van Pinn weder voortzettend, „de overmoedige en grootsprekende koning Gise van Bedekoog, na door koning Mise uit velerlei gevaar te zijn gered, te Renigo aankomend, zoodanig het misnoegen van den hoogepriester Maresag en de heilige jonkvrouw Harimona verwekt, dat hij door de wacht wordt uitgedreven, op een ellendige ezelkar, gelijk een bedelaar en verachtenswaardige schooier, naar zijn rijk terugkeert, alwaar hij, door de toovermacht der hoogheerlijke vroede en alwijze jonkvrouw Harimona, zetelend in de heilige haag van Renigo, de fioord verzand vindt en ervarende, welke rampen hij, door zijn zedeloosheid, lafheid en eerloosheid over zijn volk heeft gebracht, zichzelf ellendiglijk den dood geeft. Slot!”Een gejoel en gesis van verachting steeg op. De drie sproke-sprekers in de zwarte pijen, gingen nog dichter bij elkaar staan, zoodat hun kappen elkaars gezichten verborgen[226]en niemand zag, dat de grijnzen om hun monden nog verbetenerwerdenen hun holle oogen vochtig.NubreiddePill de armen uit en met luider stem zeide hij op:Ez wuohs in Velagó ein armer Künic her;Geheizen was er Miseman sin vater der hiez Gêr,Sîn muoter diu hiez Wote und was ein Küniginne,Durch ir hôhe tugende sô gezam dem arme wol ir minne.En ook was er in Bedekoog, een koning van veel zwier,Geheeten was hij Giseman, zijn vaderheetteTsier,Zijn moeder was een weduwvrouw, al na heur man zijn dood,En van een halve wees werd Gies, een rijke Koning groot.De koning Miseman hoe droef, bezat noch geld noch goed,Zijn schat bestond slechts uit zijn zwaard, en uit zijn heldenmoed.Maar ’laas de wereld schat dat niet, en dies was hij veracht,Doch daarom boog hij niet het hoofd, noch uitte ooit een klacht.De koning Giseman hoe slecht, bespotte vaak zijn buur,En toonde al zijn schatten graag, al in een groote schuur,[227]De wereld bracht hem toen veel eer, verhief hem hemelhoog,Aanschouwt des werelds spiegelbeeld, in Vel—en Bedekoog.Maar zij het menschdom dan ook veil, niet zoo het vroom geloof,Dat stelt des menschen eigen aard, ver boven goud en roof,In ’t groote land van Renigo, daar leefde eene maagd,Met Maresag, dien eed’len man, een priester hoogbedaagd.Die maagd verwekte wond’ren veel, en had een schoone ziel,Zijachtteniet op goud of goed, maar op wie haar beviel,En wie het meest haar gunst verwierf, die koos zij zich wel uit,Tot bruidegom en echtgenoot, die zoete, lieve bruid.De haven nu van Velago, die was heel dik verzand,En daardoor heerschte arremoed, in der Velagers land,Maar Bedekoog had een fioord, die was diep als de zee,Deswege werd het volk er rijk, door skigge op de ree.De Giseman dacht op een keer, ik zoek een mooie vrouw,Wat let mij en ik ga op reis, naar ’t wijf in Renigou,[228]Met pronk en staat, met schat en gift, en door mijn hoogen stand,Kost ’t zeker luttel moeite mij, zij schenkt mij graag heur hand.De Miseman, die peinsde ook, en dacht al aan die vrouw,Hij meende en met ’t meeste recht, Dat zij hem passen zou,Gelijk een need’rig held betaamt, trok hij toen naar de meid,Met geene and’re schatten dan, zijn onverschrokkenheid.De Giseman, die lachte luid, toen hij held Mise zag,En hoonde toen den dapp’ren man, met zijnen pratsten lach,Beroemde zich al van te voor, op zijne zegepraal,De menschen gaven hem gelijk, Want Miseman was kaal.De Miseman die zweeg maar stil, zijn vingers om de greep,Hoe dieper smaad hem wedervoer, hoe vaster ’t zwaard hij neep.Zoo trok hij eenzaam met zijn moed, al naar de heil’ge haag,Langs woud en weg, langs dorp en huis, men zag hem nergens graag.De Giseman al met zijn stoet, die maakte veel radau,Hij zwoer bij al wat heilig is, hem hoorde reeds de vrouw,[229]En daar hij zooveel schatten had, zei overal ’t gemeen,Dat koning Gise trouwen zou, de heil’ge Haromeen.Ze kwamen in een duister woud, daar zat een groot gedrocht,Toen liepen Gises lieden hard, en scholen in een krocht.De koning kroop het diepste weg, in d’allerversten hoek,En aller monden waren leeg, maar vol was aller broek.Held Mise die den draak ook zag, trok dapperlijk van leer,En na een kort maar woest gevecht, bestond de draak niet meer.Toen stak de held zijn zwaard weer op, en sprak met kalm geluid,Een heldendaad is ook een schat, en hoopte op de bruid.De Giseliden kwamen nu, weer bevend voor den dag,En keken bijster ernstig naar, de plaats, waar ’t ondier lag,De Giseman stak met zijn zwaard, toen in het drakenlijk,De menschen riepen „Heldenzoon!” want Giseman was rijk.Zij kwamen aan een diepen vliet, daar stond een watergeest,De Giselieden vloden snel, voor ’t hachje zeer bevreesd.[230]Zij klommen in een hoogen boom, en keken naar beneên,En dreigden wel met menig woord, maar vechten deed er geen.De Miseman, die zag den geest, en trok meteen zijn zwaard,Gelijk de dapp’re Sigefried sloeg hij den geest ter aard.De Giseliden kwamen nu, al van hun hoogen tak,En met zijn zwaard de Giseman, den dooden geest doorstak.Zoo dan na menig avontuur, kwam men in Renigo,Held Mise met zijn bloed’rig zwaard, en Gise evenzoo,Van vele zijden liep men toen, al naar den Giseman,En toen men al diens schatten zag, sprak men daar wond’ren van.Hoe anders ging het Mise laas, die ’t pralen niet verstond,En wel een zwaard had, glad en rad, maar ach, geen radden mond,Men keek niet naar dien stillen heer en geen gaf hem een kans,Op de zoo schoone Haromien, want hij was zonder glans.Doch in het Renigosche kamp, daar waren helden groot,Die trokken gaarne op het zwaard, en streden op den dood.[231]De Giselieden hielden zich, als muizen in een hoek,En koning Gise zelf die was, in al die tijden zoek.Maar Mise als een ware held, die stond er wel zijn man,Hij hakte heel het heldenheer, alleenig in de pan.Gelijk de helden uit de saag’, die kennen vrees noch pijn,En die door and’re helden steeds, onoverwinbaar zijn.Zoo streed held Mise onvervaard, en bleef zelf ongedeerd,Tot er geen held meer overbleef, hij was zijn dichters weerd.Nu trad hij voor de heil’ge vrouw, en bad heur om heur min,Toen sprak de schoone priesteres: Du zijt zeer naar mijn zin.Maar Gise, die geen held meer zag, trad nu ook voor heur troon,En bood haar schatten en zijn land en sprak van Mise hoon.De opperpriester hield nu raad, en gaf als zijn besluit,Dat Gies met Mies op ’t korte zwaard, zou vechten om de bruid.Toen Giseman dat woord vernam, verschrikte hij zoozeer,Dat haastig op de vlucht hij sloeg, men zag hem nimmer weer.[232]Want in zijn land teruggekeerd, was de fioord verzand,En Gise bang voor arremoed, sloeg aan zichzelf de hand.Maar Mise, als een waardig held, kreeg toen van Haromien,Veel kussen op zijn schoonen mond, en schatten bovendien,Hij voer terug met pronk en praal, en komend in zijn rijk,Vond hij zijn haven uitgediept, bevrijd van zand en slijk.Heil, koning Mise, dapp’re man, het volk, dat bidt di aan,En tot het verre nageslacht, zal ’t konden dijne daân,In sagen zal dijn stout bestaan, di hooger heffen tot,Men Mises naam vereeren zal, gelijk die van een god!Doodstil was het in de groote hal geweest, toen Pill de heldensproke met krachtige stem uitsprak. De gasten keken beurtelings naar den sprokespreker en naar hun heldhaftigen koning, die waardig, zooals dat een rijken vorst past, met krachtige stooten van zijn fraai pronkzwaard, toonde hoe hij den draak, den watergeest, de helden en ten laatste den lafhartigen koning Gise had verdeemoedigd en aldus de waarheid als het ware nog meer waarschijnlijk maakte.Hall, Hamm en Hann echter, dicht de gelaten bij elkaar, vormend een driehoek, sloten de ooren, want de drie gidsen gruwden van deze sproke-kunst.[233]Thans begonnen zij te jouwen, riepen dat het heele heldendicht een opeenstapeling van leugens was en protesteerden in naam van de realistische kunst.Doch het gejuich en het geroep van „Were Wotan!” „Were Mise!” „Nere Gise!” overstemden de protesten en een uur lang duurde dat donderend gejuich, gedurende ’t welk Pill dankbaar boog, Pimm de stafrijmen lovend opsomde en Pill de maat roemde, terwijl koning Mise met zéér veel waardigheid, niet moede werd met zijn zwaard nogmaals en nogmaals in de lucht de stooten te toonen, die hij op de gevaarlijke reis niet in de lucht had toegebracht.Eerst toen het feestgebraad werd opgedragen en elken gast een heel, gebraden speenvarken werd voorgediend, verzwakten de stemmen maar zelfs tusschen twee kluiven door, riepen de geestdriftige onderdanen nog Were Wotans! en Were Mises! of Nere Gises!Nu stapte koning Mise waardig van de treden van zijn troon en de eereplaats aan de feesttafel innemend en zich plaatsend voor een iever, in zijn geheel aan ’t spit gedragen, riep hij Pill, Pimm en Pinn tot zich, roemde hun waarheidsliefde, trouw en kunstvaardigheid en zeide hun het loon te zullen schenken voor zooveel koningsgezindheid.Hij hief zijn gruwbaar en gevreesd zwaard op, maar ditmaal voor een werk des vredes. Want hij hakte den iever in vier deelen. Pill kreeg de ooren, Pimm de staart, Pinn de snuit. De koning vergenoegde zich met de rest van den iever, zeggende: „Ziedaar, de dankbaarheid der koningen!”Weer ging een trillend gejuich op, na deze daad van grootmoedigheid en men zag zelfs gasten, die reeds met de kluif voor de lippen, deze een oogenblik terug hielden, om een „Were Mise!” te roepen.De drie koks van wijlen koning Gise echter sloegen hun kappen wat terug en grijnsden.[234]Koning Mise dit ziende, riep het drietal tot zich en sprak:„En waar blijft de sproke op Gise!”„Heer,” antwoordde Hall, „hoe zouden wij heldensagen op onze koning kunnen spreken, nu hij er niet meer is om ons te beloonen?”„Heer,” antwoordde Hamm, „de grootmoedigheid des konings is de zalf der sprokesprekerij.”„Heer,” antwoordde Hann, „Geen heer, geen smeer.”„Ondankbare!” vloekte koning Mise, „zult di dijn heer geen grafsprook naspreken! Op den bida, zeg ik di!…”De drie koks liepen naar de verhevenheid, waar Pill, Pimm en Pinn zooeven onsterfelijke triomfen hadden beleefd en stelden zich daar op, gereed om te spreken, Hall vooraan in ’t midden, Hamm en Hann terzijde.De urn met de asch van den koning van Bedekoog werd voor Hall nedergezet en de kok bedacht zich even.Toen keek hij koning Mise aan, met in zijn holle, zwarte oogen een vreemden glans en hij zeide, wijzend met den vinger op de urn, maar met zijn oogen duidend op koning Mise:Dit is eens konings honk,Hij at, dronk en stonk.[235]

[Inhoud]HOOFDSTUK XVI.Koning Mise had een groot feestmaal doen aanrichten. Alle voorname Velagers waren uitgenoodigd en ook waren voornameBedekauwerstot het feest toegelaten, hoewel zij arm waren, daar zij gedurende den winter dure leeftocht hadden moeten koopen voor de schatten, die op hun eiland waren opgekoopt. Het graan was tegen goud opgewogen en honig of kaas was bijna niet te krijgen geweest.Maar Mise had gewild, dat ook deBedekauwerszoudenhoorenhoe heldhaftig hij, de eens gesmade, zich op den tocht naar Renigo gedragen had.Sedert den dood van hun heer waren Hall, Hamm en Hann in droevige stemming. Mager als geesten, in lompen gehuld, zwierven ze bedelend rond op ’t eiland, altoos sprekend over hun goeden koning Gise, die zoo ongelukkig aan zijn eind was gekomen.Soms werden zij door Mise naar Veloog geroepen en voor een goed maal lieten de drie hongerhalzen zich vinden om een wedstrijd in ’t sprokespreken aan te gaan met Pill, Pimm en Pinn. Maar het was een onbegonnen werk, want koning Mise keurde al te voren hun sproken af en prees de sproken van Pill, Pimm en Pinn, hoewel de drie door ’t goede leven en de eer opgeblazen fluizen waren geworden, niet meer in staat een hartig woord te zeggen. Ze waren nu lafhartige en laaghartige vleiers en hun sproken bevatten niets anders dan de verheerlijking van koning Mise.Tot diens geringste daden werden door de drie, hooggeroemd met overdreven woorden. Maar Mise was daarmede nog altijd niet tevreden en zoover gingen toen Pill, Pimm[223]en Pinn, dat toen koning Mise eens, na een drinkgelag zichzelf en de gasten bekotst had, Pill sprak:De kots van den koning,Smaakt zoet als honing.Pimm zeide:’t Volk in óvervloeden leeft,Als zijn koning overgeeft.Pinn sprak:Toen Mise véél gedronken had,Gaf hij den gasten elk nog wat.Maar eindelijk vonden Hall, Hamm en Hann een middel om hun gedachten te uiten zonder gevaar te loopen getuchtigd te worden. In de bitterheid huns harten zeiden zij in hun sproken en boerden wat zij van Koning Mise meenden, maar zij deden alsof zij niet koning Mise maar koning Gise bedoelden.Danlachtekoning Mise en alle Velagerslachten, tevreden dat de doode koning nog in zijn graf bespot werd en dat wèl door zijn eigen sproke-sprekers.Hall, Hamm en Hannlachtendan ook met een bitteren grim en zoo dikwijls grimden zij, dat hun gezicht gram ging staan en om hun monden altoos een grijnslach speelde,diehun magere gelaten afschrikwekkend maakten.Ook op het groote feest, waar de „Misère,” zoo was de titel van het heldendicht op de reis van den dapperen koning Mise naar ’t land van Renigo, zou worden voorgedragen door Pill, waren Hall, Hamm en Hann aanwezig. En zij stonden in zwarte pijen met de hoofden dicht bij elkaar, achter in de hal toe te luisteren en onder hun donkere pijen balden zij de vuisten, en hun mondhoeken trokken ze zoo ver naar achter van verbeten woede, dat hun lange, blauwe tanden te voorschijn kwamen.Koning Mise, in een purper gewaad met breede, hermelijnen boorden en een groote kroon op ’t hoofd, zat op een gouden[224]zetel, op een troon hoog boven de gasten uit, opdat tijdens de voordracht, de lieden den held van het heldendicht goed zouden kunnen zien. Want koning Mise wilde breken met het gebruik van den tijd, om helden eerst na hun dood te bezingen en ze als goden te verheerlijken. Hij wilde vanzijnheldhaftigheid nog tijdens zijn leven genieten, en den indruk te zien, die het verhaal van zijn daden op het menschdom maakte.Zoo zat hij dan hoog op den troon, goed voor allen zichtbaar en in zijn rechterhand hield hij een zwaard om bij de zinnen, waar dat te pas kwam, aan te toonen op welke wijze hij van het wapen gebruik had gemaakt om de gruwelijke monsters, draken en roovers te vellen.Naast den troon was een stellage gemaakt met groene doeken behangen en in ’t midden daarop stond Pill, in een lang gewaad van fijngeweven, witte lamswol. Ter zijde stonden Pimm en Pinn, eveneens in blanke lamswollen gewaden.Toen het dan stil was geworden, verhief Pill zijn stem en riep:MISÈRE.Pimm schreeuwde het eerste deel van den ondertitel uit:„Of de waarachtige, heldhaftige daden van den hoogverheven, doorluchtigen, onversaagden, rechtvaardigen en zedigen koning Mise, beheerscher van Veloog.…”En Pinn besloot:„Hoe dezelve, na in armoede en nederigheid te zijn uitgetrokken naar het verre land van Renigo, in gezelschap van den overmoedigen en weelderigen koning Gise van Bedekoog, om[225]velerlei avontuur en gestadigen kamp, door den edelen hoogepriester Maresag wordt geschat om zijn kennis en wijsheid, door de heilige maagd in liefde wordt ontvangen en na haar gunst deelachtig te zijn geworden, met schatten beladen huiswaarts keert, alwaar het wonder van de uitdieping der fioord, tot loon van ’s konings deugdzaamheid, eerlijkheid, rechtvaardigheid en godvruchtigheid, door Harimona’s toovermacht heeft plaats gehad.”Een luid gejuich ging op uit de rijen der gasten. Koning Mise groette met zijn pronkzwaard dankend en wenkte dat men zwijgen zou, daar er nog meer kwam.„Terwijl,” sprak Pimm,—de zin van Pinn weder voortzettend, „de overmoedige en grootsprekende koning Gise van Bedekoog, na door koning Mise uit velerlei gevaar te zijn gered, te Renigo aankomend, zoodanig het misnoegen van den hoogepriester Maresag en de heilige jonkvrouw Harimona verwekt, dat hij door de wacht wordt uitgedreven, op een ellendige ezelkar, gelijk een bedelaar en verachtenswaardige schooier, naar zijn rijk terugkeert, alwaar hij, door de toovermacht der hoogheerlijke vroede en alwijze jonkvrouw Harimona, zetelend in de heilige haag van Renigo, de fioord verzand vindt en ervarende, welke rampen hij, door zijn zedeloosheid, lafheid en eerloosheid over zijn volk heeft gebracht, zichzelf ellendiglijk den dood geeft. Slot!”Een gejoel en gesis van verachting steeg op. De drie sproke-sprekers in de zwarte pijen, gingen nog dichter bij elkaar staan, zoodat hun kappen elkaars gezichten verborgen[226]en niemand zag, dat de grijnzen om hun monden nog verbetenerwerdenen hun holle oogen vochtig.NubreiddePill de armen uit en met luider stem zeide hij op:Ez wuohs in Velagó ein armer Künic her;Geheizen was er Miseman sin vater der hiez Gêr,Sîn muoter diu hiez Wote und was ein Küniginne,Durch ir hôhe tugende sô gezam dem arme wol ir minne.En ook was er in Bedekoog, een koning van veel zwier,Geheeten was hij Giseman, zijn vaderheetteTsier,Zijn moeder was een weduwvrouw, al na heur man zijn dood,En van een halve wees werd Gies, een rijke Koning groot.De koning Miseman hoe droef, bezat noch geld noch goed,Zijn schat bestond slechts uit zijn zwaard, en uit zijn heldenmoed.Maar ’laas de wereld schat dat niet, en dies was hij veracht,Doch daarom boog hij niet het hoofd, noch uitte ooit een klacht.De koning Giseman hoe slecht, bespotte vaak zijn buur,En toonde al zijn schatten graag, al in een groote schuur,[227]De wereld bracht hem toen veel eer, verhief hem hemelhoog,Aanschouwt des werelds spiegelbeeld, in Vel—en Bedekoog.Maar zij het menschdom dan ook veil, niet zoo het vroom geloof,Dat stelt des menschen eigen aard, ver boven goud en roof,In ’t groote land van Renigo, daar leefde eene maagd,Met Maresag, dien eed’len man, een priester hoogbedaagd.Die maagd verwekte wond’ren veel, en had een schoone ziel,Zijachtteniet op goud of goed, maar op wie haar beviel,En wie het meest haar gunst verwierf, die koos zij zich wel uit,Tot bruidegom en echtgenoot, die zoete, lieve bruid.De haven nu van Velago, die was heel dik verzand,En daardoor heerschte arremoed, in der Velagers land,Maar Bedekoog had een fioord, die was diep als de zee,Deswege werd het volk er rijk, door skigge op de ree.De Giseman dacht op een keer, ik zoek een mooie vrouw,Wat let mij en ik ga op reis, naar ’t wijf in Renigou,[228]Met pronk en staat, met schat en gift, en door mijn hoogen stand,Kost ’t zeker luttel moeite mij, zij schenkt mij graag heur hand.De Miseman, die peinsde ook, en dacht al aan die vrouw,Hij meende en met ’t meeste recht, Dat zij hem passen zou,Gelijk een need’rig held betaamt, trok hij toen naar de meid,Met geene and’re schatten dan, zijn onverschrokkenheid.De Giseman, die lachte luid, toen hij held Mise zag,En hoonde toen den dapp’ren man, met zijnen pratsten lach,Beroemde zich al van te voor, op zijne zegepraal,De menschen gaven hem gelijk, Want Miseman was kaal.De Miseman die zweeg maar stil, zijn vingers om de greep,Hoe dieper smaad hem wedervoer, hoe vaster ’t zwaard hij neep.Zoo trok hij eenzaam met zijn moed, al naar de heil’ge haag,Langs woud en weg, langs dorp en huis, men zag hem nergens graag.De Giseman al met zijn stoet, die maakte veel radau,Hij zwoer bij al wat heilig is, hem hoorde reeds de vrouw,[229]En daar hij zooveel schatten had, zei overal ’t gemeen,Dat koning Gise trouwen zou, de heil’ge Haromeen.Ze kwamen in een duister woud, daar zat een groot gedrocht,Toen liepen Gises lieden hard, en scholen in een krocht.De koning kroop het diepste weg, in d’allerversten hoek,En aller monden waren leeg, maar vol was aller broek.Held Mise die den draak ook zag, trok dapperlijk van leer,En na een kort maar woest gevecht, bestond de draak niet meer.Toen stak de held zijn zwaard weer op, en sprak met kalm geluid,Een heldendaad is ook een schat, en hoopte op de bruid.De Giseliden kwamen nu, weer bevend voor den dag,En keken bijster ernstig naar, de plaats, waar ’t ondier lag,De Giseman stak met zijn zwaard, toen in het drakenlijk,De menschen riepen „Heldenzoon!” want Giseman was rijk.Zij kwamen aan een diepen vliet, daar stond een watergeest,De Giselieden vloden snel, voor ’t hachje zeer bevreesd.[230]Zij klommen in een hoogen boom, en keken naar beneên,En dreigden wel met menig woord, maar vechten deed er geen.De Miseman, die zag den geest, en trok meteen zijn zwaard,Gelijk de dapp’re Sigefried sloeg hij den geest ter aard.De Giseliden kwamen nu, al van hun hoogen tak,En met zijn zwaard de Giseman, den dooden geest doorstak.Zoo dan na menig avontuur, kwam men in Renigo,Held Mise met zijn bloed’rig zwaard, en Gise evenzoo,Van vele zijden liep men toen, al naar den Giseman,En toen men al diens schatten zag, sprak men daar wond’ren van.Hoe anders ging het Mise laas, die ’t pralen niet verstond,En wel een zwaard had, glad en rad, maar ach, geen radden mond,Men keek niet naar dien stillen heer en geen gaf hem een kans,Op de zoo schoone Haromien, want hij was zonder glans.Doch in het Renigosche kamp, daar waren helden groot,Die trokken gaarne op het zwaard, en streden op den dood.[231]De Giselieden hielden zich, als muizen in een hoek,En koning Gise zelf die was, in al die tijden zoek.Maar Mise als een ware held, die stond er wel zijn man,Hij hakte heel het heldenheer, alleenig in de pan.Gelijk de helden uit de saag’, die kennen vrees noch pijn,En die door and’re helden steeds, onoverwinbaar zijn.Zoo streed held Mise onvervaard, en bleef zelf ongedeerd,Tot er geen held meer overbleef, hij was zijn dichters weerd.Nu trad hij voor de heil’ge vrouw, en bad heur om heur min,Toen sprak de schoone priesteres: Du zijt zeer naar mijn zin.Maar Gise, die geen held meer zag, trad nu ook voor heur troon,En bood haar schatten en zijn land en sprak van Mise hoon.De opperpriester hield nu raad, en gaf als zijn besluit,Dat Gies met Mies op ’t korte zwaard, zou vechten om de bruid.Toen Giseman dat woord vernam, verschrikte hij zoozeer,Dat haastig op de vlucht hij sloeg, men zag hem nimmer weer.[232]Want in zijn land teruggekeerd, was de fioord verzand,En Gise bang voor arremoed, sloeg aan zichzelf de hand.Maar Mise, als een waardig held, kreeg toen van Haromien,Veel kussen op zijn schoonen mond, en schatten bovendien,Hij voer terug met pronk en praal, en komend in zijn rijk,Vond hij zijn haven uitgediept, bevrijd van zand en slijk.Heil, koning Mise, dapp’re man, het volk, dat bidt di aan,En tot het verre nageslacht, zal ’t konden dijne daân,In sagen zal dijn stout bestaan, di hooger heffen tot,Men Mises naam vereeren zal, gelijk die van een god!Doodstil was het in de groote hal geweest, toen Pill de heldensproke met krachtige stem uitsprak. De gasten keken beurtelings naar den sprokespreker en naar hun heldhaftigen koning, die waardig, zooals dat een rijken vorst past, met krachtige stooten van zijn fraai pronkzwaard, toonde hoe hij den draak, den watergeest, de helden en ten laatste den lafhartigen koning Gise had verdeemoedigd en aldus de waarheid als het ware nog meer waarschijnlijk maakte.Hall, Hamm en Hann echter, dicht de gelaten bij elkaar, vormend een driehoek, sloten de ooren, want de drie gidsen gruwden van deze sproke-kunst.[233]Thans begonnen zij te jouwen, riepen dat het heele heldendicht een opeenstapeling van leugens was en protesteerden in naam van de realistische kunst.Doch het gejuich en het geroep van „Were Wotan!” „Were Mise!” „Nere Gise!” overstemden de protesten en een uur lang duurde dat donderend gejuich, gedurende ’t welk Pill dankbaar boog, Pimm de stafrijmen lovend opsomde en Pill de maat roemde, terwijl koning Mise met zéér veel waardigheid, niet moede werd met zijn zwaard nogmaals en nogmaals in de lucht de stooten te toonen, die hij op de gevaarlijke reis niet in de lucht had toegebracht.Eerst toen het feestgebraad werd opgedragen en elken gast een heel, gebraden speenvarken werd voorgediend, verzwakten de stemmen maar zelfs tusschen twee kluiven door, riepen de geestdriftige onderdanen nog Were Wotans! en Were Mises! of Nere Gises!Nu stapte koning Mise waardig van de treden van zijn troon en de eereplaats aan de feesttafel innemend en zich plaatsend voor een iever, in zijn geheel aan ’t spit gedragen, riep hij Pill, Pimm en Pinn tot zich, roemde hun waarheidsliefde, trouw en kunstvaardigheid en zeide hun het loon te zullen schenken voor zooveel koningsgezindheid.Hij hief zijn gruwbaar en gevreesd zwaard op, maar ditmaal voor een werk des vredes. Want hij hakte den iever in vier deelen. Pill kreeg de ooren, Pimm de staart, Pinn de snuit. De koning vergenoegde zich met de rest van den iever, zeggende: „Ziedaar, de dankbaarheid der koningen!”Weer ging een trillend gejuich op, na deze daad van grootmoedigheid en men zag zelfs gasten, die reeds met de kluif voor de lippen, deze een oogenblik terug hielden, om een „Were Mise!” te roepen.De drie koks van wijlen koning Gise echter sloegen hun kappen wat terug en grijnsden.[234]Koning Mise dit ziende, riep het drietal tot zich en sprak:„En waar blijft de sproke op Gise!”„Heer,” antwoordde Hall, „hoe zouden wij heldensagen op onze koning kunnen spreken, nu hij er niet meer is om ons te beloonen?”„Heer,” antwoordde Hamm, „de grootmoedigheid des konings is de zalf der sprokesprekerij.”„Heer,” antwoordde Hann, „Geen heer, geen smeer.”„Ondankbare!” vloekte koning Mise, „zult di dijn heer geen grafsprook naspreken! Op den bida, zeg ik di!…”De drie koks liepen naar de verhevenheid, waar Pill, Pimm en Pinn zooeven onsterfelijke triomfen hadden beleefd en stelden zich daar op, gereed om te spreken, Hall vooraan in ’t midden, Hamm en Hann terzijde.De urn met de asch van den koning van Bedekoog werd voor Hall nedergezet en de kok bedacht zich even.Toen keek hij koning Mise aan, met in zijn holle, zwarte oogen een vreemden glans en hij zeide, wijzend met den vinger op de urn, maar met zijn oogen duidend op koning Mise:Dit is eens konings honk,Hij at, dronk en stonk.[235]

[Inhoud]HOOFDSTUK XVI.Koning Mise had een groot feestmaal doen aanrichten. Alle voorname Velagers waren uitgenoodigd en ook waren voornameBedekauwerstot het feest toegelaten, hoewel zij arm waren, daar zij gedurende den winter dure leeftocht hadden moeten koopen voor de schatten, die op hun eiland waren opgekoopt. Het graan was tegen goud opgewogen en honig of kaas was bijna niet te krijgen geweest.Maar Mise had gewild, dat ook deBedekauwerszoudenhoorenhoe heldhaftig hij, de eens gesmade, zich op den tocht naar Renigo gedragen had.Sedert den dood van hun heer waren Hall, Hamm en Hann in droevige stemming. Mager als geesten, in lompen gehuld, zwierven ze bedelend rond op ’t eiland, altoos sprekend over hun goeden koning Gise, die zoo ongelukkig aan zijn eind was gekomen.Soms werden zij door Mise naar Veloog geroepen en voor een goed maal lieten de drie hongerhalzen zich vinden om een wedstrijd in ’t sprokespreken aan te gaan met Pill, Pimm en Pinn. Maar het was een onbegonnen werk, want koning Mise keurde al te voren hun sproken af en prees de sproken van Pill, Pimm en Pinn, hoewel de drie door ’t goede leven en de eer opgeblazen fluizen waren geworden, niet meer in staat een hartig woord te zeggen. Ze waren nu lafhartige en laaghartige vleiers en hun sproken bevatten niets anders dan de verheerlijking van koning Mise.Tot diens geringste daden werden door de drie, hooggeroemd met overdreven woorden. Maar Mise was daarmede nog altijd niet tevreden en zoover gingen toen Pill, Pimm[223]en Pinn, dat toen koning Mise eens, na een drinkgelag zichzelf en de gasten bekotst had, Pill sprak:De kots van den koning,Smaakt zoet als honing.Pimm zeide:’t Volk in óvervloeden leeft,Als zijn koning overgeeft.Pinn sprak:Toen Mise véél gedronken had,Gaf hij den gasten elk nog wat.Maar eindelijk vonden Hall, Hamm en Hann een middel om hun gedachten te uiten zonder gevaar te loopen getuchtigd te worden. In de bitterheid huns harten zeiden zij in hun sproken en boerden wat zij van Koning Mise meenden, maar zij deden alsof zij niet koning Mise maar koning Gise bedoelden.Danlachtekoning Mise en alle Velagerslachten, tevreden dat de doode koning nog in zijn graf bespot werd en dat wèl door zijn eigen sproke-sprekers.Hall, Hamm en Hannlachtendan ook met een bitteren grim en zoo dikwijls grimden zij, dat hun gezicht gram ging staan en om hun monden altoos een grijnslach speelde,diehun magere gelaten afschrikwekkend maakten.Ook op het groote feest, waar de „Misère,” zoo was de titel van het heldendicht op de reis van den dapperen koning Mise naar ’t land van Renigo, zou worden voorgedragen door Pill, waren Hall, Hamm en Hann aanwezig. En zij stonden in zwarte pijen met de hoofden dicht bij elkaar, achter in de hal toe te luisteren en onder hun donkere pijen balden zij de vuisten, en hun mondhoeken trokken ze zoo ver naar achter van verbeten woede, dat hun lange, blauwe tanden te voorschijn kwamen.Koning Mise, in een purper gewaad met breede, hermelijnen boorden en een groote kroon op ’t hoofd, zat op een gouden[224]zetel, op een troon hoog boven de gasten uit, opdat tijdens de voordracht, de lieden den held van het heldendicht goed zouden kunnen zien. Want koning Mise wilde breken met het gebruik van den tijd, om helden eerst na hun dood te bezingen en ze als goden te verheerlijken. Hij wilde vanzijnheldhaftigheid nog tijdens zijn leven genieten, en den indruk te zien, die het verhaal van zijn daden op het menschdom maakte.Zoo zat hij dan hoog op den troon, goed voor allen zichtbaar en in zijn rechterhand hield hij een zwaard om bij de zinnen, waar dat te pas kwam, aan te toonen op welke wijze hij van het wapen gebruik had gemaakt om de gruwelijke monsters, draken en roovers te vellen.Naast den troon was een stellage gemaakt met groene doeken behangen en in ’t midden daarop stond Pill, in een lang gewaad van fijngeweven, witte lamswol. Ter zijde stonden Pimm en Pinn, eveneens in blanke lamswollen gewaden.Toen het dan stil was geworden, verhief Pill zijn stem en riep:MISÈRE.Pimm schreeuwde het eerste deel van den ondertitel uit:„Of de waarachtige, heldhaftige daden van den hoogverheven, doorluchtigen, onversaagden, rechtvaardigen en zedigen koning Mise, beheerscher van Veloog.…”En Pinn besloot:„Hoe dezelve, na in armoede en nederigheid te zijn uitgetrokken naar het verre land van Renigo, in gezelschap van den overmoedigen en weelderigen koning Gise van Bedekoog, om[225]velerlei avontuur en gestadigen kamp, door den edelen hoogepriester Maresag wordt geschat om zijn kennis en wijsheid, door de heilige maagd in liefde wordt ontvangen en na haar gunst deelachtig te zijn geworden, met schatten beladen huiswaarts keert, alwaar het wonder van de uitdieping der fioord, tot loon van ’s konings deugdzaamheid, eerlijkheid, rechtvaardigheid en godvruchtigheid, door Harimona’s toovermacht heeft plaats gehad.”Een luid gejuich ging op uit de rijen der gasten. Koning Mise groette met zijn pronkzwaard dankend en wenkte dat men zwijgen zou, daar er nog meer kwam.„Terwijl,” sprak Pimm,—de zin van Pinn weder voortzettend, „de overmoedige en grootsprekende koning Gise van Bedekoog, na door koning Mise uit velerlei gevaar te zijn gered, te Renigo aankomend, zoodanig het misnoegen van den hoogepriester Maresag en de heilige jonkvrouw Harimona verwekt, dat hij door de wacht wordt uitgedreven, op een ellendige ezelkar, gelijk een bedelaar en verachtenswaardige schooier, naar zijn rijk terugkeert, alwaar hij, door de toovermacht der hoogheerlijke vroede en alwijze jonkvrouw Harimona, zetelend in de heilige haag van Renigo, de fioord verzand vindt en ervarende, welke rampen hij, door zijn zedeloosheid, lafheid en eerloosheid over zijn volk heeft gebracht, zichzelf ellendiglijk den dood geeft. Slot!”Een gejoel en gesis van verachting steeg op. De drie sproke-sprekers in de zwarte pijen, gingen nog dichter bij elkaar staan, zoodat hun kappen elkaars gezichten verborgen[226]en niemand zag, dat de grijnzen om hun monden nog verbetenerwerdenen hun holle oogen vochtig.NubreiddePill de armen uit en met luider stem zeide hij op:Ez wuohs in Velagó ein armer Künic her;Geheizen was er Miseman sin vater der hiez Gêr,Sîn muoter diu hiez Wote und was ein Küniginne,Durch ir hôhe tugende sô gezam dem arme wol ir minne.En ook was er in Bedekoog, een koning van veel zwier,Geheeten was hij Giseman, zijn vaderheetteTsier,Zijn moeder was een weduwvrouw, al na heur man zijn dood,En van een halve wees werd Gies, een rijke Koning groot.De koning Miseman hoe droef, bezat noch geld noch goed,Zijn schat bestond slechts uit zijn zwaard, en uit zijn heldenmoed.Maar ’laas de wereld schat dat niet, en dies was hij veracht,Doch daarom boog hij niet het hoofd, noch uitte ooit een klacht.De koning Giseman hoe slecht, bespotte vaak zijn buur,En toonde al zijn schatten graag, al in een groote schuur,[227]De wereld bracht hem toen veel eer, verhief hem hemelhoog,Aanschouwt des werelds spiegelbeeld, in Vel—en Bedekoog.Maar zij het menschdom dan ook veil, niet zoo het vroom geloof,Dat stelt des menschen eigen aard, ver boven goud en roof,In ’t groote land van Renigo, daar leefde eene maagd,Met Maresag, dien eed’len man, een priester hoogbedaagd.Die maagd verwekte wond’ren veel, en had een schoone ziel,Zijachtteniet op goud of goed, maar op wie haar beviel,En wie het meest haar gunst verwierf, die koos zij zich wel uit,Tot bruidegom en echtgenoot, die zoete, lieve bruid.De haven nu van Velago, die was heel dik verzand,En daardoor heerschte arremoed, in der Velagers land,Maar Bedekoog had een fioord, die was diep als de zee,Deswege werd het volk er rijk, door skigge op de ree.De Giseman dacht op een keer, ik zoek een mooie vrouw,Wat let mij en ik ga op reis, naar ’t wijf in Renigou,[228]Met pronk en staat, met schat en gift, en door mijn hoogen stand,Kost ’t zeker luttel moeite mij, zij schenkt mij graag heur hand.De Miseman, die peinsde ook, en dacht al aan die vrouw,Hij meende en met ’t meeste recht, Dat zij hem passen zou,Gelijk een need’rig held betaamt, trok hij toen naar de meid,Met geene and’re schatten dan, zijn onverschrokkenheid.De Giseman, die lachte luid, toen hij held Mise zag,En hoonde toen den dapp’ren man, met zijnen pratsten lach,Beroemde zich al van te voor, op zijne zegepraal,De menschen gaven hem gelijk, Want Miseman was kaal.De Miseman die zweeg maar stil, zijn vingers om de greep,Hoe dieper smaad hem wedervoer, hoe vaster ’t zwaard hij neep.Zoo trok hij eenzaam met zijn moed, al naar de heil’ge haag,Langs woud en weg, langs dorp en huis, men zag hem nergens graag.De Giseman al met zijn stoet, die maakte veel radau,Hij zwoer bij al wat heilig is, hem hoorde reeds de vrouw,[229]En daar hij zooveel schatten had, zei overal ’t gemeen,Dat koning Gise trouwen zou, de heil’ge Haromeen.Ze kwamen in een duister woud, daar zat een groot gedrocht,Toen liepen Gises lieden hard, en scholen in een krocht.De koning kroop het diepste weg, in d’allerversten hoek,En aller monden waren leeg, maar vol was aller broek.Held Mise die den draak ook zag, trok dapperlijk van leer,En na een kort maar woest gevecht, bestond de draak niet meer.Toen stak de held zijn zwaard weer op, en sprak met kalm geluid,Een heldendaad is ook een schat, en hoopte op de bruid.De Giseliden kwamen nu, weer bevend voor den dag,En keken bijster ernstig naar, de plaats, waar ’t ondier lag,De Giseman stak met zijn zwaard, toen in het drakenlijk,De menschen riepen „Heldenzoon!” want Giseman was rijk.Zij kwamen aan een diepen vliet, daar stond een watergeest,De Giselieden vloden snel, voor ’t hachje zeer bevreesd.[230]Zij klommen in een hoogen boom, en keken naar beneên,En dreigden wel met menig woord, maar vechten deed er geen.De Miseman, die zag den geest, en trok meteen zijn zwaard,Gelijk de dapp’re Sigefried sloeg hij den geest ter aard.De Giseliden kwamen nu, al van hun hoogen tak,En met zijn zwaard de Giseman, den dooden geest doorstak.Zoo dan na menig avontuur, kwam men in Renigo,Held Mise met zijn bloed’rig zwaard, en Gise evenzoo,Van vele zijden liep men toen, al naar den Giseman,En toen men al diens schatten zag, sprak men daar wond’ren van.Hoe anders ging het Mise laas, die ’t pralen niet verstond,En wel een zwaard had, glad en rad, maar ach, geen radden mond,Men keek niet naar dien stillen heer en geen gaf hem een kans,Op de zoo schoone Haromien, want hij was zonder glans.Doch in het Renigosche kamp, daar waren helden groot,Die trokken gaarne op het zwaard, en streden op den dood.[231]De Giselieden hielden zich, als muizen in een hoek,En koning Gise zelf die was, in al die tijden zoek.Maar Mise als een ware held, die stond er wel zijn man,Hij hakte heel het heldenheer, alleenig in de pan.Gelijk de helden uit de saag’, die kennen vrees noch pijn,En die door and’re helden steeds, onoverwinbaar zijn.Zoo streed held Mise onvervaard, en bleef zelf ongedeerd,Tot er geen held meer overbleef, hij was zijn dichters weerd.Nu trad hij voor de heil’ge vrouw, en bad heur om heur min,Toen sprak de schoone priesteres: Du zijt zeer naar mijn zin.Maar Gise, die geen held meer zag, trad nu ook voor heur troon,En bood haar schatten en zijn land en sprak van Mise hoon.De opperpriester hield nu raad, en gaf als zijn besluit,Dat Gies met Mies op ’t korte zwaard, zou vechten om de bruid.Toen Giseman dat woord vernam, verschrikte hij zoozeer,Dat haastig op de vlucht hij sloeg, men zag hem nimmer weer.[232]Want in zijn land teruggekeerd, was de fioord verzand,En Gise bang voor arremoed, sloeg aan zichzelf de hand.Maar Mise, als een waardig held, kreeg toen van Haromien,Veel kussen op zijn schoonen mond, en schatten bovendien,Hij voer terug met pronk en praal, en komend in zijn rijk,Vond hij zijn haven uitgediept, bevrijd van zand en slijk.Heil, koning Mise, dapp’re man, het volk, dat bidt di aan,En tot het verre nageslacht, zal ’t konden dijne daân,In sagen zal dijn stout bestaan, di hooger heffen tot,Men Mises naam vereeren zal, gelijk die van een god!Doodstil was het in de groote hal geweest, toen Pill de heldensproke met krachtige stem uitsprak. De gasten keken beurtelings naar den sprokespreker en naar hun heldhaftigen koning, die waardig, zooals dat een rijken vorst past, met krachtige stooten van zijn fraai pronkzwaard, toonde hoe hij den draak, den watergeest, de helden en ten laatste den lafhartigen koning Gise had verdeemoedigd en aldus de waarheid als het ware nog meer waarschijnlijk maakte.Hall, Hamm en Hann echter, dicht de gelaten bij elkaar, vormend een driehoek, sloten de ooren, want de drie gidsen gruwden van deze sproke-kunst.[233]Thans begonnen zij te jouwen, riepen dat het heele heldendicht een opeenstapeling van leugens was en protesteerden in naam van de realistische kunst.Doch het gejuich en het geroep van „Were Wotan!” „Were Mise!” „Nere Gise!” overstemden de protesten en een uur lang duurde dat donderend gejuich, gedurende ’t welk Pill dankbaar boog, Pimm de stafrijmen lovend opsomde en Pill de maat roemde, terwijl koning Mise met zéér veel waardigheid, niet moede werd met zijn zwaard nogmaals en nogmaals in de lucht de stooten te toonen, die hij op de gevaarlijke reis niet in de lucht had toegebracht.Eerst toen het feestgebraad werd opgedragen en elken gast een heel, gebraden speenvarken werd voorgediend, verzwakten de stemmen maar zelfs tusschen twee kluiven door, riepen de geestdriftige onderdanen nog Were Wotans! en Were Mises! of Nere Gises!Nu stapte koning Mise waardig van de treden van zijn troon en de eereplaats aan de feesttafel innemend en zich plaatsend voor een iever, in zijn geheel aan ’t spit gedragen, riep hij Pill, Pimm en Pinn tot zich, roemde hun waarheidsliefde, trouw en kunstvaardigheid en zeide hun het loon te zullen schenken voor zooveel koningsgezindheid.Hij hief zijn gruwbaar en gevreesd zwaard op, maar ditmaal voor een werk des vredes. Want hij hakte den iever in vier deelen. Pill kreeg de ooren, Pimm de staart, Pinn de snuit. De koning vergenoegde zich met de rest van den iever, zeggende: „Ziedaar, de dankbaarheid der koningen!”Weer ging een trillend gejuich op, na deze daad van grootmoedigheid en men zag zelfs gasten, die reeds met de kluif voor de lippen, deze een oogenblik terug hielden, om een „Were Mise!” te roepen.De drie koks van wijlen koning Gise echter sloegen hun kappen wat terug en grijnsden.[234]Koning Mise dit ziende, riep het drietal tot zich en sprak:„En waar blijft de sproke op Gise!”„Heer,” antwoordde Hall, „hoe zouden wij heldensagen op onze koning kunnen spreken, nu hij er niet meer is om ons te beloonen?”„Heer,” antwoordde Hamm, „de grootmoedigheid des konings is de zalf der sprokesprekerij.”„Heer,” antwoordde Hann, „Geen heer, geen smeer.”„Ondankbare!” vloekte koning Mise, „zult di dijn heer geen grafsprook naspreken! Op den bida, zeg ik di!…”De drie koks liepen naar de verhevenheid, waar Pill, Pimm en Pinn zooeven onsterfelijke triomfen hadden beleefd en stelden zich daar op, gereed om te spreken, Hall vooraan in ’t midden, Hamm en Hann terzijde.De urn met de asch van den koning van Bedekoog werd voor Hall nedergezet en de kok bedacht zich even.Toen keek hij koning Mise aan, met in zijn holle, zwarte oogen een vreemden glans en hij zeide, wijzend met den vinger op de urn, maar met zijn oogen duidend op koning Mise:Dit is eens konings honk,Hij at, dronk en stonk.[235]

HOOFDSTUK XVI.

Koning Mise had een groot feestmaal doen aanrichten. Alle voorname Velagers waren uitgenoodigd en ook waren voornameBedekauwerstot het feest toegelaten, hoewel zij arm waren, daar zij gedurende den winter dure leeftocht hadden moeten koopen voor de schatten, die op hun eiland waren opgekoopt. Het graan was tegen goud opgewogen en honig of kaas was bijna niet te krijgen geweest.Maar Mise had gewild, dat ook deBedekauwerszoudenhoorenhoe heldhaftig hij, de eens gesmade, zich op den tocht naar Renigo gedragen had.Sedert den dood van hun heer waren Hall, Hamm en Hann in droevige stemming. Mager als geesten, in lompen gehuld, zwierven ze bedelend rond op ’t eiland, altoos sprekend over hun goeden koning Gise, die zoo ongelukkig aan zijn eind was gekomen.Soms werden zij door Mise naar Veloog geroepen en voor een goed maal lieten de drie hongerhalzen zich vinden om een wedstrijd in ’t sprokespreken aan te gaan met Pill, Pimm en Pinn. Maar het was een onbegonnen werk, want koning Mise keurde al te voren hun sproken af en prees de sproken van Pill, Pimm en Pinn, hoewel de drie door ’t goede leven en de eer opgeblazen fluizen waren geworden, niet meer in staat een hartig woord te zeggen. Ze waren nu lafhartige en laaghartige vleiers en hun sproken bevatten niets anders dan de verheerlijking van koning Mise.Tot diens geringste daden werden door de drie, hooggeroemd met overdreven woorden. Maar Mise was daarmede nog altijd niet tevreden en zoover gingen toen Pill, Pimm[223]en Pinn, dat toen koning Mise eens, na een drinkgelag zichzelf en de gasten bekotst had, Pill sprak:De kots van den koning,Smaakt zoet als honing.Pimm zeide:’t Volk in óvervloeden leeft,Als zijn koning overgeeft.Pinn sprak:Toen Mise véél gedronken had,Gaf hij den gasten elk nog wat.Maar eindelijk vonden Hall, Hamm en Hann een middel om hun gedachten te uiten zonder gevaar te loopen getuchtigd te worden. In de bitterheid huns harten zeiden zij in hun sproken en boerden wat zij van Koning Mise meenden, maar zij deden alsof zij niet koning Mise maar koning Gise bedoelden.Danlachtekoning Mise en alle Velagerslachten, tevreden dat de doode koning nog in zijn graf bespot werd en dat wèl door zijn eigen sproke-sprekers.Hall, Hamm en Hannlachtendan ook met een bitteren grim en zoo dikwijls grimden zij, dat hun gezicht gram ging staan en om hun monden altoos een grijnslach speelde,diehun magere gelaten afschrikwekkend maakten.Ook op het groote feest, waar de „Misère,” zoo was de titel van het heldendicht op de reis van den dapperen koning Mise naar ’t land van Renigo, zou worden voorgedragen door Pill, waren Hall, Hamm en Hann aanwezig. En zij stonden in zwarte pijen met de hoofden dicht bij elkaar, achter in de hal toe te luisteren en onder hun donkere pijen balden zij de vuisten, en hun mondhoeken trokken ze zoo ver naar achter van verbeten woede, dat hun lange, blauwe tanden te voorschijn kwamen.Koning Mise, in een purper gewaad met breede, hermelijnen boorden en een groote kroon op ’t hoofd, zat op een gouden[224]zetel, op een troon hoog boven de gasten uit, opdat tijdens de voordracht, de lieden den held van het heldendicht goed zouden kunnen zien. Want koning Mise wilde breken met het gebruik van den tijd, om helden eerst na hun dood te bezingen en ze als goden te verheerlijken. Hij wilde vanzijnheldhaftigheid nog tijdens zijn leven genieten, en den indruk te zien, die het verhaal van zijn daden op het menschdom maakte.Zoo zat hij dan hoog op den troon, goed voor allen zichtbaar en in zijn rechterhand hield hij een zwaard om bij de zinnen, waar dat te pas kwam, aan te toonen op welke wijze hij van het wapen gebruik had gemaakt om de gruwelijke monsters, draken en roovers te vellen.Naast den troon was een stellage gemaakt met groene doeken behangen en in ’t midden daarop stond Pill, in een lang gewaad van fijngeweven, witte lamswol. Ter zijde stonden Pimm en Pinn, eveneens in blanke lamswollen gewaden.Toen het dan stil was geworden, verhief Pill zijn stem en riep:MISÈRE.Pimm schreeuwde het eerste deel van den ondertitel uit:„Of de waarachtige, heldhaftige daden van den hoogverheven, doorluchtigen, onversaagden, rechtvaardigen en zedigen koning Mise, beheerscher van Veloog.…”En Pinn besloot:„Hoe dezelve, na in armoede en nederigheid te zijn uitgetrokken naar het verre land van Renigo, in gezelschap van den overmoedigen en weelderigen koning Gise van Bedekoog, om[225]velerlei avontuur en gestadigen kamp, door den edelen hoogepriester Maresag wordt geschat om zijn kennis en wijsheid, door de heilige maagd in liefde wordt ontvangen en na haar gunst deelachtig te zijn geworden, met schatten beladen huiswaarts keert, alwaar het wonder van de uitdieping der fioord, tot loon van ’s konings deugdzaamheid, eerlijkheid, rechtvaardigheid en godvruchtigheid, door Harimona’s toovermacht heeft plaats gehad.”Een luid gejuich ging op uit de rijen der gasten. Koning Mise groette met zijn pronkzwaard dankend en wenkte dat men zwijgen zou, daar er nog meer kwam.„Terwijl,” sprak Pimm,—de zin van Pinn weder voortzettend, „de overmoedige en grootsprekende koning Gise van Bedekoog, na door koning Mise uit velerlei gevaar te zijn gered, te Renigo aankomend, zoodanig het misnoegen van den hoogepriester Maresag en de heilige jonkvrouw Harimona verwekt, dat hij door de wacht wordt uitgedreven, op een ellendige ezelkar, gelijk een bedelaar en verachtenswaardige schooier, naar zijn rijk terugkeert, alwaar hij, door de toovermacht der hoogheerlijke vroede en alwijze jonkvrouw Harimona, zetelend in de heilige haag van Renigo, de fioord verzand vindt en ervarende, welke rampen hij, door zijn zedeloosheid, lafheid en eerloosheid over zijn volk heeft gebracht, zichzelf ellendiglijk den dood geeft. Slot!”Een gejoel en gesis van verachting steeg op. De drie sproke-sprekers in de zwarte pijen, gingen nog dichter bij elkaar staan, zoodat hun kappen elkaars gezichten verborgen[226]en niemand zag, dat de grijnzen om hun monden nog verbetenerwerdenen hun holle oogen vochtig.NubreiddePill de armen uit en met luider stem zeide hij op:Ez wuohs in Velagó ein armer Künic her;Geheizen was er Miseman sin vater der hiez Gêr,Sîn muoter diu hiez Wote und was ein Küniginne,Durch ir hôhe tugende sô gezam dem arme wol ir minne.En ook was er in Bedekoog, een koning van veel zwier,Geheeten was hij Giseman, zijn vaderheetteTsier,Zijn moeder was een weduwvrouw, al na heur man zijn dood,En van een halve wees werd Gies, een rijke Koning groot.De koning Miseman hoe droef, bezat noch geld noch goed,Zijn schat bestond slechts uit zijn zwaard, en uit zijn heldenmoed.Maar ’laas de wereld schat dat niet, en dies was hij veracht,Doch daarom boog hij niet het hoofd, noch uitte ooit een klacht.De koning Giseman hoe slecht, bespotte vaak zijn buur,En toonde al zijn schatten graag, al in een groote schuur,[227]De wereld bracht hem toen veel eer, verhief hem hemelhoog,Aanschouwt des werelds spiegelbeeld, in Vel—en Bedekoog.Maar zij het menschdom dan ook veil, niet zoo het vroom geloof,Dat stelt des menschen eigen aard, ver boven goud en roof,In ’t groote land van Renigo, daar leefde eene maagd,Met Maresag, dien eed’len man, een priester hoogbedaagd.Die maagd verwekte wond’ren veel, en had een schoone ziel,Zijachtteniet op goud of goed, maar op wie haar beviel,En wie het meest haar gunst verwierf, die koos zij zich wel uit,Tot bruidegom en echtgenoot, die zoete, lieve bruid.De haven nu van Velago, die was heel dik verzand,En daardoor heerschte arremoed, in der Velagers land,Maar Bedekoog had een fioord, die was diep als de zee,Deswege werd het volk er rijk, door skigge op de ree.De Giseman dacht op een keer, ik zoek een mooie vrouw,Wat let mij en ik ga op reis, naar ’t wijf in Renigou,[228]Met pronk en staat, met schat en gift, en door mijn hoogen stand,Kost ’t zeker luttel moeite mij, zij schenkt mij graag heur hand.De Miseman, die peinsde ook, en dacht al aan die vrouw,Hij meende en met ’t meeste recht, Dat zij hem passen zou,Gelijk een need’rig held betaamt, trok hij toen naar de meid,Met geene and’re schatten dan, zijn onverschrokkenheid.De Giseman, die lachte luid, toen hij held Mise zag,En hoonde toen den dapp’ren man, met zijnen pratsten lach,Beroemde zich al van te voor, op zijne zegepraal,De menschen gaven hem gelijk, Want Miseman was kaal.De Miseman die zweeg maar stil, zijn vingers om de greep,Hoe dieper smaad hem wedervoer, hoe vaster ’t zwaard hij neep.Zoo trok hij eenzaam met zijn moed, al naar de heil’ge haag,Langs woud en weg, langs dorp en huis, men zag hem nergens graag.De Giseman al met zijn stoet, die maakte veel radau,Hij zwoer bij al wat heilig is, hem hoorde reeds de vrouw,[229]En daar hij zooveel schatten had, zei overal ’t gemeen,Dat koning Gise trouwen zou, de heil’ge Haromeen.Ze kwamen in een duister woud, daar zat een groot gedrocht,Toen liepen Gises lieden hard, en scholen in een krocht.De koning kroop het diepste weg, in d’allerversten hoek,En aller monden waren leeg, maar vol was aller broek.Held Mise die den draak ook zag, trok dapperlijk van leer,En na een kort maar woest gevecht, bestond de draak niet meer.Toen stak de held zijn zwaard weer op, en sprak met kalm geluid,Een heldendaad is ook een schat, en hoopte op de bruid.De Giseliden kwamen nu, weer bevend voor den dag,En keken bijster ernstig naar, de plaats, waar ’t ondier lag,De Giseman stak met zijn zwaard, toen in het drakenlijk,De menschen riepen „Heldenzoon!” want Giseman was rijk.Zij kwamen aan een diepen vliet, daar stond een watergeest,De Giselieden vloden snel, voor ’t hachje zeer bevreesd.[230]Zij klommen in een hoogen boom, en keken naar beneên,En dreigden wel met menig woord, maar vechten deed er geen.De Miseman, die zag den geest, en trok meteen zijn zwaard,Gelijk de dapp’re Sigefried sloeg hij den geest ter aard.De Giseliden kwamen nu, al van hun hoogen tak,En met zijn zwaard de Giseman, den dooden geest doorstak.Zoo dan na menig avontuur, kwam men in Renigo,Held Mise met zijn bloed’rig zwaard, en Gise evenzoo,Van vele zijden liep men toen, al naar den Giseman,En toen men al diens schatten zag, sprak men daar wond’ren van.Hoe anders ging het Mise laas, die ’t pralen niet verstond,En wel een zwaard had, glad en rad, maar ach, geen radden mond,Men keek niet naar dien stillen heer en geen gaf hem een kans,Op de zoo schoone Haromien, want hij was zonder glans.Doch in het Renigosche kamp, daar waren helden groot,Die trokken gaarne op het zwaard, en streden op den dood.[231]De Giselieden hielden zich, als muizen in een hoek,En koning Gise zelf die was, in al die tijden zoek.Maar Mise als een ware held, die stond er wel zijn man,Hij hakte heel het heldenheer, alleenig in de pan.Gelijk de helden uit de saag’, die kennen vrees noch pijn,En die door and’re helden steeds, onoverwinbaar zijn.Zoo streed held Mise onvervaard, en bleef zelf ongedeerd,Tot er geen held meer overbleef, hij was zijn dichters weerd.Nu trad hij voor de heil’ge vrouw, en bad heur om heur min,Toen sprak de schoone priesteres: Du zijt zeer naar mijn zin.Maar Gise, die geen held meer zag, trad nu ook voor heur troon,En bood haar schatten en zijn land en sprak van Mise hoon.De opperpriester hield nu raad, en gaf als zijn besluit,Dat Gies met Mies op ’t korte zwaard, zou vechten om de bruid.Toen Giseman dat woord vernam, verschrikte hij zoozeer,Dat haastig op de vlucht hij sloeg, men zag hem nimmer weer.[232]Want in zijn land teruggekeerd, was de fioord verzand,En Gise bang voor arremoed, sloeg aan zichzelf de hand.Maar Mise, als een waardig held, kreeg toen van Haromien,Veel kussen op zijn schoonen mond, en schatten bovendien,Hij voer terug met pronk en praal, en komend in zijn rijk,Vond hij zijn haven uitgediept, bevrijd van zand en slijk.Heil, koning Mise, dapp’re man, het volk, dat bidt di aan,En tot het verre nageslacht, zal ’t konden dijne daân,In sagen zal dijn stout bestaan, di hooger heffen tot,Men Mises naam vereeren zal, gelijk die van een god!Doodstil was het in de groote hal geweest, toen Pill de heldensproke met krachtige stem uitsprak. De gasten keken beurtelings naar den sprokespreker en naar hun heldhaftigen koning, die waardig, zooals dat een rijken vorst past, met krachtige stooten van zijn fraai pronkzwaard, toonde hoe hij den draak, den watergeest, de helden en ten laatste den lafhartigen koning Gise had verdeemoedigd en aldus de waarheid als het ware nog meer waarschijnlijk maakte.Hall, Hamm en Hann echter, dicht de gelaten bij elkaar, vormend een driehoek, sloten de ooren, want de drie gidsen gruwden van deze sproke-kunst.[233]Thans begonnen zij te jouwen, riepen dat het heele heldendicht een opeenstapeling van leugens was en protesteerden in naam van de realistische kunst.Doch het gejuich en het geroep van „Were Wotan!” „Were Mise!” „Nere Gise!” overstemden de protesten en een uur lang duurde dat donderend gejuich, gedurende ’t welk Pill dankbaar boog, Pimm de stafrijmen lovend opsomde en Pill de maat roemde, terwijl koning Mise met zéér veel waardigheid, niet moede werd met zijn zwaard nogmaals en nogmaals in de lucht de stooten te toonen, die hij op de gevaarlijke reis niet in de lucht had toegebracht.Eerst toen het feestgebraad werd opgedragen en elken gast een heel, gebraden speenvarken werd voorgediend, verzwakten de stemmen maar zelfs tusschen twee kluiven door, riepen de geestdriftige onderdanen nog Were Wotans! en Were Mises! of Nere Gises!Nu stapte koning Mise waardig van de treden van zijn troon en de eereplaats aan de feesttafel innemend en zich plaatsend voor een iever, in zijn geheel aan ’t spit gedragen, riep hij Pill, Pimm en Pinn tot zich, roemde hun waarheidsliefde, trouw en kunstvaardigheid en zeide hun het loon te zullen schenken voor zooveel koningsgezindheid.Hij hief zijn gruwbaar en gevreesd zwaard op, maar ditmaal voor een werk des vredes. Want hij hakte den iever in vier deelen. Pill kreeg de ooren, Pimm de staart, Pinn de snuit. De koning vergenoegde zich met de rest van den iever, zeggende: „Ziedaar, de dankbaarheid der koningen!”Weer ging een trillend gejuich op, na deze daad van grootmoedigheid en men zag zelfs gasten, die reeds met de kluif voor de lippen, deze een oogenblik terug hielden, om een „Were Mise!” te roepen.De drie koks van wijlen koning Gise echter sloegen hun kappen wat terug en grijnsden.[234]Koning Mise dit ziende, riep het drietal tot zich en sprak:„En waar blijft de sproke op Gise!”„Heer,” antwoordde Hall, „hoe zouden wij heldensagen op onze koning kunnen spreken, nu hij er niet meer is om ons te beloonen?”„Heer,” antwoordde Hamm, „de grootmoedigheid des konings is de zalf der sprokesprekerij.”„Heer,” antwoordde Hann, „Geen heer, geen smeer.”„Ondankbare!” vloekte koning Mise, „zult di dijn heer geen grafsprook naspreken! Op den bida, zeg ik di!…”De drie koks liepen naar de verhevenheid, waar Pill, Pimm en Pinn zooeven onsterfelijke triomfen hadden beleefd en stelden zich daar op, gereed om te spreken, Hall vooraan in ’t midden, Hamm en Hann terzijde.De urn met de asch van den koning van Bedekoog werd voor Hall nedergezet en de kok bedacht zich even.Toen keek hij koning Mise aan, met in zijn holle, zwarte oogen een vreemden glans en hij zeide, wijzend met den vinger op de urn, maar met zijn oogen duidend op koning Mise:Dit is eens konings honk,Hij at, dronk en stonk.[235]

Koning Mise had een groot feestmaal doen aanrichten. Alle voorname Velagers waren uitgenoodigd en ook waren voornameBedekauwerstot het feest toegelaten, hoewel zij arm waren, daar zij gedurende den winter dure leeftocht hadden moeten koopen voor de schatten, die op hun eiland waren opgekoopt. Het graan was tegen goud opgewogen en honig of kaas was bijna niet te krijgen geweest.

Maar Mise had gewild, dat ook deBedekauwerszoudenhoorenhoe heldhaftig hij, de eens gesmade, zich op den tocht naar Renigo gedragen had.

Sedert den dood van hun heer waren Hall, Hamm en Hann in droevige stemming. Mager als geesten, in lompen gehuld, zwierven ze bedelend rond op ’t eiland, altoos sprekend over hun goeden koning Gise, die zoo ongelukkig aan zijn eind was gekomen.

Soms werden zij door Mise naar Veloog geroepen en voor een goed maal lieten de drie hongerhalzen zich vinden om een wedstrijd in ’t sprokespreken aan te gaan met Pill, Pimm en Pinn. Maar het was een onbegonnen werk, want koning Mise keurde al te voren hun sproken af en prees de sproken van Pill, Pimm en Pinn, hoewel de drie door ’t goede leven en de eer opgeblazen fluizen waren geworden, niet meer in staat een hartig woord te zeggen. Ze waren nu lafhartige en laaghartige vleiers en hun sproken bevatten niets anders dan de verheerlijking van koning Mise.

Tot diens geringste daden werden door de drie, hooggeroemd met overdreven woorden. Maar Mise was daarmede nog altijd niet tevreden en zoover gingen toen Pill, Pimm[223]en Pinn, dat toen koning Mise eens, na een drinkgelag zichzelf en de gasten bekotst had, Pill sprak:

De kots van den koning,Smaakt zoet als honing.

De kots van den koning,

Smaakt zoet als honing.

Pimm zeide:

’t Volk in óvervloeden leeft,Als zijn koning overgeeft.

’t Volk in óvervloeden leeft,

Als zijn koning overgeeft.

Pinn sprak:

Toen Mise véél gedronken had,Gaf hij den gasten elk nog wat.

Toen Mise véél gedronken had,

Gaf hij den gasten elk nog wat.

Maar eindelijk vonden Hall, Hamm en Hann een middel om hun gedachten te uiten zonder gevaar te loopen getuchtigd te worden. In de bitterheid huns harten zeiden zij in hun sproken en boerden wat zij van Koning Mise meenden, maar zij deden alsof zij niet koning Mise maar koning Gise bedoelden.

Danlachtekoning Mise en alle Velagerslachten, tevreden dat de doode koning nog in zijn graf bespot werd en dat wèl door zijn eigen sproke-sprekers.

Hall, Hamm en Hannlachtendan ook met een bitteren grim en zoo dikwijls grimden zij, dat hun gezicht gram ging staan en om hun monden altoos een grijnslach speelde,diehun magere gelaten afschrikwekkend maakten.

Ook op het groote feest, waar de „Misère,” zoo was de titel van het heldendicht op de reis van den dapperen koning Mise naar ’t land van Renigo, zou worden voorgedragen door Pill, waren Hall, Hamm en Hann aanwezig. En zij stonden in zwarte pijen met de hoofden dicht bij elkaar, achter in de hal toe te luisteren en onder hun donkere pijen balden zij de vuisten, en hun mondhoeken trokken ze zoo ver naar achter van verbeten woede, dat hun lange, blauwe tanden te voorschijn kwamen.

Koning Mise, in een purper gewaad met breede, hermelijnen boorden en een groote kroon op ’t hoofd, zat op een gouden[224]zetel, op een troon hoog boven de gasten uit, opdat tijdens de voordracht, de lieden den held van het heldendicht goed zouden kunnen zien. Want koning Mise wilde breken met het gebruik van den tijd, om helden eerst na hun dood te bezingen en ze als goden te verheerlijken. Hij wilde vanzijnheldhaftigheid nog tijdens zijn leven genieten, en den indruk te zien, die het verhaal van zijn daden op het menschdom maakte.

Zoo zat hij dan hoog op den troon, goed voor allen zichtbaar en in zijn rechterhand hield hij een zwaard om bij de zinnen, waar dat te pas kwam, aan te toonen op welke wijze hij van het wapen gebruik had gemaakt om de gruwelijke monsters, draken en roovers te vellen.

Naast den troon was een stellage gemaakt met groene doeken behangen en in ’t midden daarop stond Pill, in een lang gewaad van fijngeweven, witte lamswol. Ter zijde stonden Pimm en Pinn, eveneens in blanke lamswollen gewaden.

Toen het dan stil was geworden, verhief Pill zijn stem en riep:

MISÈRE.

Pimm schreeuwde het eerste deel van den ondertitel uit:

„Of de waarachtige, heldhaftige daden van den hoogverheven, doorluchtigen, onversaagden, rechtvaardigen en zedigen koning Mise, beheerscher van Veloog.…”

En Pinn besloot:

„Hoe dezelve, na in armoede en nederigheid te zijn uitgetrokken naar het verre land van Renigo, in gezelschap van den overmoedigen en weelderigen koning Gise van Bedekoog, om[225]velerlei avontuur en gestadigen kamp, door den edelen hoogepriester Maresag wordt geschat om zijn kennis en wijsheid, door de heilige maagd in liefde wordt ontvangen en na haar gunst deelachtig te zijn geworden, met schatten beladen huiswaarts keert, alwaar het wonder van de uitdieping der fioord, tot loon van ’s konings deugdzaamheid, eerlijkheid, rechtvaardigheid en godvruchtigheid, door Harimona’s toovermacht heeft plaats gehad.”

Een luid gejuich ging op uit de rijen der gasten. Koning Mise groette met zijn pronkzwaard dankend en wenkte dat men zwijgen zou, daar er nog meer kwam.

„Terwijl,” sprak Pimm,—de zin van Pinn weder voortzettend, „de overmoedige en grootsprekende koning Gise van Bedekoog, na door koning Mise uit velerlei gevaar te zijn gered, te Renigo aankomend, zoodanig het misnoegen van den hoogepriester Maresag en de heilige jonkvrouw Harimona verwekt, dat hij door de wacht wordt uitgedreven, op een ellendige ezelkar, gelijk een bedelaar en verachtenswaardige schooier, naar zijn rijk terugkeert, alwaar hij, door de toovermacht der hoogheerlijke vroede en alwijze jonkvrouw Harimona, zetelend in de heilige haag van Renigo, de fioord verzand vindt en ervarende, welke rampen hij, door zijn zedeloosheid, lafheid en eerloosheid over zijn volk heeft gebracht, zichzelf ellendiglijk den dood geeft. Slot!”

Een gejoel en gesis van verachting steeg op. De drie sproke-sprekers in de zwarte pijen, gingen nog dichter bij elkaar staan, zoodat hun kappen elkaars gezichten verborgen[226]en niemand zag, dat de grijnzen om hun monden nog verbetenerwerdenen hun holle oogen vochtig.

NubreiddePill de armen uit en met luider stem zeide hij op:

Ez wuohs in Velagó ein armer Künic her;Geheizen was er Miseman sin vater der hiez Gêr,Sîn muoter diu hiez Wote und was ein Küniginne,Durch ir hôhe tugende sô gezam dem arme wol ir minne.En ook was er in Bedekoog, een koning van veel zwier,Geheeten was hij Giseman, zijn vaderheetteTsier,Zijn moeder was een weduwvrouw, al na heur man zijn dood,En van een halve wees werd Gies, een rijke Koning groot.De koning Miseman hoe droef, bezat noch geld noch goed,Zijn schat bestond slechts uit zijn zwaard, en uit zijn heldenmoed.Maar ’laas de wereld schat dat niet, en dies was hij veracht,Doch daarom boog hij niet het hoofd, noch uitte ooit een klacht.De koning Giseman hoe slecht, bespotte vaak zijn buur,En toonde al zijn schatten graag, al in een groote schuur,[227]De wereld bracht hem toen veel eer, verhief hem hemelhoog,Aanschouwt des werelds spiegelbeeld, in Vel—en Bedekoog.Maar zij het menschdom dan ook veil, niet zoo het vroom geloof,Dat stelt des menschen eigen aard, ver boven goud en roof,In ’t groote land van Renigo, daar leefde eene maagd,Met Maresag, dien eed’len man, een priester hoogbedaagd.Die maagd verwekte wond’ren veel, en had een schoone ziel,Zijachtteniet op goud of goed, maar op wie haar beviel,En wie het meest haar gunst verwierf, die koos zij zich wel uit,Tot bruidegom en echtgenoot, die zoete, lieve bruid.De haven nu van Velago, die was heel dik verzand,En daardoor heerschte arremoed, in der Velagers land,Maar Bedekoog had een fioord, die was diep als de zee,Deswege werd het volk er rijk, door skigge op de ree.De Giseman dacht op een keer, ik zoek een mooie vrouw,Wat let mij en ik ga op reis, naar ’t wijf in Renigou,[228]Met pronk en staat, met schat en gift, en door mijn hoogen stand,Kost ’t zeker luttel moeite mij, zij schenkt mij graag heur hand.De Miseman, die peinsde ook, en dacht al aan die vrouw,Hij meende en met ’t meeste recht, Dat zij hem passen zou,Gelijk een need’rig held betaamt, trok hij toen naar de meid,Met geene and’re schatten dan, zijn onverschrokkenheid.De Giseman, die lachte luid, toen hij held Mise zag,En hoonde toen den dapp’ren man, met zijnen pratsten lach,Beroemde zich al van te voor, op zijne zegepraal,De menschen gaven hem gelijk, Want Miseman was kaal.De Miseman die zweeg maar stil, zijn vingers om de greep,Hoe dieper smaad hem wedervoer, hoe vaster ’t zwaard hij neep.Zoo trok hij eenzaam met zijn moed, al naar de heil’ge haag,Langs woud en weg, langs dorp en huis, men zag hem nergens graag.De Giseman al met zijn stoet, die maakte veel radau,Hij zwoer bij al wat heilig is, hem hoorde reeds de vrouw,[229]En daar hij zooveel schatten had, zei overal ’t gemeen,Dat koning Gise trouwen zou, de heil’ge Haromeen.Ze kwamen in een duister woud, daar zat een groot gedrocht,Toen liepen Gises lieden hard, en scholen in een krocht.De koning kroop het diepste weg, in d’allerversten hoek,En aller monden waren leeg, maar vol was aller broek.Held Mise die den draak ook zag, trok dapperlijk van leer,En na een kort maar woest gevecht, bestond de draak niet meer.Toen stak de held zijn zwaard weer op, en sprak met kalm geluid,Een heldendaad is ook een schat, en hoopte op de bruid.De Giseliden kwamen nu, weer bevend voor den dag,En keken bijster ernstig naar, de plaats, waar ’t ondier lag,De Giseman stak met zijn zwaard, toen in het drakenlijk,De menschen riepen „Heldenzoon!” want Giseman was rijk.Zij kwamen aan een diepen vliet, daar stond een watergeest,De Giselieden vloden snel, voor ’t hachje zeer bevreesd.[230]Zij klommen in een hoogen boom, en keken naar beneên,En dreigden wel met menig woord, maar vechten deed er geen.De Miseman, die zag den geest, en trok meteen zijn zwaard,Gelijk de dapp’re Sigefried sloeg hij den geest ter aard.De Giseliden kwamen nu, al van hun hoogen tak,En met zijn zwaard de Giseman, den dooden geest doorstak.Zoo dan na menig avontuur, kwam men in Renigo,Held Mise met zijn bloed’rig zwaard, en Gise evenzoo,Van vele zijden liep men toen, al naar den Giseman,En toen men al diens schatten zag, sprak men daar wond’ren van.Hoe anders ging het Mise laas, die ’t pralen niet verstond,En wel een zwaard had, glad en rad, maar ach, geen radden mond,Men keek niet naar dien stillen heer en geen gaf hem een kans,Op de zoo schoone Haromien, want hij was zonder glans.Doch in het Renigosche kamp, daar waren helden groot,Die trokken gaarne op het zwaard, en streden op den dood.[231]De Giselieden hielden zich, als muizen in een hoek,En koning Gise zelf die was, in al die tijden zoek.Maar Mise als een ware held, die stond er wel zijn man,Hij hakte heel het heldenheer, alleenig in de pan.Gelijk de helden uit de saag’, die kennen vrees noch pijn,En die door and’re helden steeds, onoverwinbaar zijn.Zoo streed held Mise onvervaard, en bleef zelf ongedeerd,Tot er geen held meer overbleef, hij was zijn dichters weerd.Nu trad hij voor de heil’ge vrouw, en bad heur om heur min,Toen sprak de schoone priesteres: Du zijt zeer naar mijn zin.Maar Gise, die geen held meer zag, trad nu ook voor heur troon,En bood haar schatten en zijn land en sprak van Mise hoon.De opperpriester hield nu raad, en gaf als zijn besluit,Dat Gies met Mies op ’t korte zwaard, zou vechten om de bruid.Toen Giseman dat woord vernam, verschrikte hij zoozeer,Dat haastig op de vlucht hij sloeg, men zag hem nimmer weer.[232]Want in zijn land teruggekeerd, was de fioord verzand,En Gise bang voor arremoed, sloeg aan zichzelf de hand.Maar Mise, als een waardig held, kreeg toen van Haromien,Veel kussen op zijn schoonen mond, en schatten bovendien,Hij voer terug met pronk en praal, en komend in zijn rijk,Vond hij zijn haven uitgediept, bevrijd van zand en slijk.Heil, koning Mise, dapp’re man, het volk, dat bidt di aan,En tot het verre nageslacht, zal ’t konden dijne daân,In sagen zal dijn stout bestaan, di hooger heffen tot,Men Mises naam vereeren zal, gelijk die van een god!

Ez wuohs in Velagó ein armer Künic her;Geheizen was er Miseman sin vater der hiez Gêr,Sîn muoter diu hiez Wote und was ein Küniginne,Durch ir hôhe tugende sô gezam dem arme wol ir minne.

Ez wuohs in Velagó ein armer Künic her;

Geheizen was er Miseman sin vater der hiez Gêr,

Sîn muoter diu hiez Wote und was ein Küniginne,

Durch ir hôhe tugende sô gezam dem arme wol ir minne.

En ook was er in Bedekoog, een koning van veel zwier,Geheeten was hij Giseman, zijn vaderheetteTsier,Zijn moeder was een weduwvrouw, al na heur man zijn dood,En van een halve wees werd Gies, een rijke Koning groot.

En ook was er in Bedekoog, een koning van veel zwier,

Geheeten was hij Giseman, zijn vaderheetteTsier,

Zijn moeder was een weduwvrouw, al na heur man zijn dood,

En van een halve wees werd Gies, een rijke Koning groot.

De koning Miseman hoe droef, bezat noch geld noch goed,Zijn schat bestond slechts uit zijn zwaard, en uit zijn heldenmoed.Maar ’laas de wereld schat dat niet, en dies was hij veracht,Doch daarom boog hij niet het hoofd, noch uitte ooit een klacht.

De koning Miseman hoe droef, bezat noch geld noch goed,

Zijn schat bestond slechts uit zijn zwaard, en uit zijn heldenmoed.

Maar ’laas de wereld schat dat niet, en dies was hij veracht,

Doch daarom boog hij niet het hoofd, noch uitte ooit een klacht.

De koning Giseman hoe slecht, bespotte vaak zijn buur,En toonde al zijn schatten graag, al in een groote schuur,[227]De wereld bracht hem toen veel eer, verhief hem hemelhoog,Aanschouwt des werelds spiegelbeeld, in Vel—en Bedekoog.

De koning Giseman hoe slecht, bespotte vaak zijn buur,

En toonde al zijn schatten graag, al in een groote schuur,[227]

De wereld bracht hem toen veel eer, verhief hem hemelhoog,

Aanschouwt des werelds spiegelbeeld, in Vel—en Bedekoog.

Maar zij het menschdom dan ook veil, niet zoo het vroom geloof,Dat stelt des menschen eigen aard, ver boven goud en roof,In ’t groote land van Renigo, daar leefde eene maagd,Met Maresag, dien eed’len man, een priester hoogbedaagd.

Maar zij het menschdom dan ook veil, niet zoo het vroom geloof,

Dat stelt des menschen eigen aard, ver boven goud en roof,

In ’t groote land van Renigo, daar leefde eene maagd,

Met Maresag, dien eed’len man, een priester hoogbedaagd.

Die maagd verwekte wond’ren veel, en had een schoone ziel,Zijachtteniet op goud of goed, maar op wie haar beviel,En wie het meest haar gunst verwierf, die koos zij zich wel uit,Tot bruidegom en echtgenoot, die zoete, lieve bruid.

Die maagd verwekte wond’ren veel, en had een schoone ziel,

Zijachtteniet op goud of goed, maar op wie haar beviel,

En wie het meest haar gunst verwierf, die koos zij zich wel uit,

Tot bruidegom en echtgenoot, die zoete, lieve bruid.

De haven nu van Velago, die was heel dik verzand,En daardoor heerschte arremoed, in der Velagers land,Maar Bedekoog had een fioord, die was diep als de zee,Deswege werd het volk er rijk, door skigge op de ree.

De haven nu van Velago, die was heel dik verzand,

En daardoor heerschte arremoed, in der Velagers land,

Maar Bedekoog had een fioord, die was diep als de zee,

Deswege werd het volk er rijk, door skigge op de ree.

De Giseman dacht op een keer, ik zoek een mooie vrouw,Wat let mij en ik ga op reis, naar ’t wijf in Renigou,[228]Met pronk en staat, met schat en gift, en door mijn hoogen stand,Kost ’t zeker luttel moeite mij, zij schenkt mij graag heur hand.

De Giseman dacht op een keer, ik zoek een mooie vrouw,

Wat let mij en ik ga op reis, naar ’t wijf in Renigou,[228]

Met pronk en staat, met schat en gift, en door mijn hoogen stand,

Kost ’t zeker luttel moeite mij, zij schenkt mij graag heur hand.

De Miseman, die peinsde ook, en dacht al aan die vrouw,Hij meende en met ’t meeste recht, Dat zij hem passen zou,Gelijk een need’rig held betaamt, trok hij toen naar de meid,Met geene and’re schatten dan, zijn onverschrokkenheid.

De Miseman, die peinsde ook, en dacht al aan die vrouw,

Hij meende en met ’t meeste recht, Dat zij hem passen zou,

Gelijk een need’rig held betaamt, trok hij toen naar de meid,

Met geene and’re schatten dan, zijn onverschrokkenheid.

De Giseman, die lachte luid, toen hij held Mise zag,En hoonde toen den dapp’ren man, met zijnen pratsten lach,Beroemde zich al van te voor, op zijne zegepraal,De menschen gaven hem gelijk, Want Miseman was kaal.

De Giseman, die lachte luid, toen hij held Mise zag,

En hoonde toen den dapp’ren man, met zijnen pratsten lach,

Beroemde zich al van te voor, op zijne zegepraal,

De menschen gaven hem gelijk, Want Miseman was kaal.

De Miseman die zweeg maar stil, zijn vingers om de greep,Hoe dieper smaad hem wedervoer, hoe vaster ’t zwaard hij neep.Zoo trok hij eenzaam met zijn moed, al naar de heil’ge haag,Langs woud en weg, langs dorp en huis, men zag hem nergens graag.

De Miseman die zweeg maar stil, zijn vingers om de greep,

Hoe dieper smaad hem wedervoer, hoe vaster ’t zwaard hij neep.

Zoo trok hij eenzaam met zijn moed, al naar de heil’ge haag,

Langs woud en weg, langs dorp en huis, men zag hem nergens graag.

De Giseman al met zijn stoet, die maakte veel radau,Hij zwoer bij al wat heilig is, hem hoorde reeds de vrouw,[229]En daar hij zooveel schatten had, zei overal ’t gemeen,Dat koning Gise trouwen zou, de heil’ge Haromeen.

De Giseman al met zijn stoet, die maakte veel radau,

Hij zwoer bij al wat heilig is, hem hoorde reeds de vrouw,[229]

En daar hij zooveel schatten had, zei overal ’t gemeen,

Dat koning Gise trouwen zou, de heil’ge Haromeen.

Ze kwamen in een duister woud, daar zat een groot gedrocht,Toen liepen Gises lieden hard, en scholen in een krocht.De koning kroop het diepste weg, in d’allerversten hoek,En aller monden waren leeg, maar vol was aller broek.

Ze kwamen in een duister woud, daar zat een groot gedrocht,

Toen liepen Gises lieden hard, en scholen in een krocht.

De koning kroop het diepste weg, in d’allerversten hoek,

En aller monden waren leeg, maar vol was aller broek.

Held Mise die den draak ook zag, trok dapperlijk van leer,En na een kort maar woest gevecht, bestond de draak niet meer.Toen stak de held zijn zwaard weer op, en sprak met kalm geluid,Een heldendaad is ook een schat, en hoopte op de bruid.

Held Mise die den draak ook zag, trok dapperlijk van leer,

En na een kort maar woest gevecht, bestond de draak niet meer.

Toen stak de held zijn zwaard weer op, en sprak met kalm geluid,

Een heldendaad is ook een schat, en hoopte op de bruid.

De Giseliden kwamen nu, weer bevend voor den dag,En keken bijster ernstig naar, de plaats, waar ’t ondier lag,De Giseman stak met zijn zwaard, toen in het drakenlijk,De menschen riepen „Heldenzoon!” want Giseman was rijk.

De Giseliden kwamen nu, weer bevend voor den dag,

En keken bijster ernstig naar, de plaats, waar ’t ondier lag,

De Giseman stak met zijn zwaard, toen in het drakenlijk,

De menschen riepen „Heldenzoon!” want Giseman was rijk.

Zij kwamen aan een diepen vliet, daar stond een watergeest,De Giselieden vloden snel, voor ’t hachje zeer bevreesd.[230]Zij klommen in een hoogen boom, en keken naar beneên,En dreigden wel met menig woord, maar vechten deed er geen.

Zij kwamen aan een diepen vliet, daar stond een watergeest,

De Giselieden vloden snel, voor ’t hachje zeer bevreesd.[230]

Zij klommen in een hoogen boom, en keken naar beneên,

En dreigden wel met menig woord, maar vechten deed er geen.

De Miseman, die zag den geest, en trok meteen zijn zwaard,Gelijk de dapp’re Sigefried sloeg hij den geest ter aard.De Giseliden kwamen nu, al van hun hoogen tak,En met zijn zwaard de Giseman, den dooden geest doorstak.

De Miseman, die zag den geest, en trok meteen zijn zwaard,

Gelijk de dapp’re Sigefried sloeg hij den geest ter aard.

De Giseliden kwamen nu, al van hun hoogen tak,

En met zijn zwaard de Giseman, den dooden geest doorstak.

Zoo dan na menig avontuur, kwam men in Renigo,Held Mise met zijn bloed’rig zwaard, en Gise evenzoo,Van vele zijden liep men toen, al naar den Giseman,En toen men al diens schatten zag, sprak men daar wond’ren van.

Zoo dan na menig avontuur, kwam men in Renigo,

Held Mise met zijn bloed’rig zwaard, en Gise evenzoo,

Van vele zijden liep men toen, al naar den Giseman,

En toen men al diens schatten zag, sprak men daar wond’ren van.

Hoe anders ging het Mise laas, die ’t pralen niet verstond,En wel een zwaard had, glad en rad, maar ach, geen radden mond,Men keek niet naar dien stillen heer en geen gaf hem een kans,Op de zoo schoone Haromien, want hij was zonder glans.

Hoe anders ging het Mise laas, die ’t pralen niet verstond,

En wel een zwaard had, glad en rad, maar ach, geen radden mond,

Men keek niet naar dien stillen heer en geen gaf hem een kans,

Op de zoo schoone Haromien, want hij was zonder glans.

Doch in het Renigosche kamp, daar waren helden groot,Die trokken gaarne op het zwaard, en streden op den dood.[231]De Giselieden hielden zich, als muizen in een hoek,En koning Gise zelf die was, in al die tijden zoek.

Doch in het Renigosche kamp, daar waren helden groot,

Die trokken gaarne op het zwaard, en streden op den dood.[231]

De Giselieden hielden zich, als muizen in een hoek,

En koning Gise zelf die was, in al die tijden zoek.

Maar Mise als een ware held, die stond er wel zijn man,Hij hakte heel het heldenheer, alleenig in de pan.Gelijk de helden uit de saag’, die kennen vrees noch pijn,En die door and’re helden steeds, onoverwinbaar zijn.

Maar Mise als een ware held, die stond er wel zijn man,

Hij hakte heel het heldenheer, alleenig in de pan.

Gelijk de helden uit de saag’, die kennen vrees noch pijn,

En die door and’re helden steeds, onoverwinbaar zijn.

Zoo streed held Mise onvervaard, en bleef zelf ongedeerd,Tot er geen held meer overbleef, hij was zijn dichters weerd.Nu trad hij voor de heil’ge vrouw, en bad heur om heur min,Toen sprak de schoone priesteres: Du zijt zeer naar mijn zin.

Zoo streed held Mise onvervaard, en bleef zelf ongedeerd,

Tot er geen held meer overbleef, hij was zijn dichters weerd.

Nu trad hij voor de heil’ge vrouw, en bad heur om heur min,

Toen sprak de schoone priesteres: Du zijt zeer naar mijn zin.

Maar Gise, die geen held meer zag, trad nu ook voor heur troon,En bood haar schatten en zijn land en sprak van Mise hoon.De opperpriester hield nu raad, en gaf als zijn besluit,Dat Gies met Mies op ’t korte zwaard, zou vechten om de bruid.

Maar Gise, die geen held meer zag, trad nu ook voor heur troon,

En bood haar schatten en zijn land en sprak van Mise hoon.

De opperpriester hield nu raad, en gaf als zijn besluit,

Dat Gies met Mies op ’t korte zwaard, zou vechten om de bruid.

Toen Giseman dat woord vernam, verschrikte hij zoozeer,Dat haastig op de vlucht hij sloeg, men zag hem nimmer weer.[232]Want in zijn land teruggekeerd, was de fioord verzand,En Gise bang voor arremoed, sloeg aan zichzelf de hand.

Toen Giseman dat woord vernam, verschrikte hij zoozeer,

Dat haastig op de vlucht hij sloeg, men zag hem nimmer weer.[232]

Want in zijn land teruggekeerd, was de fioord verzand,

En Gise bang voor arremoed, sloeg aan zichzelf de hand.

Maar Mise, als een waardig held, kreeg toen van Haromien,Veel kussen op zijn schoonen mond, en schatten bovendien,Hij voer terug met pronk en praal, en komend in zijn rijk,Vond hij zijn haven uitgediept, bevrijd van zand en slijk.

Maar Mise, als een waardig held, kreeg toen van Haromien,

Veel kussen op zijn schoonen mond, en schatten bovendien,

Hij voer terug met pronk en praal, en komend in zijn rijk,

Vond hij zijn haven uitgediept, bevrijd van zand en slijk.

Heil, koning Mise, dapp’re man, het volk, dat bidt di aan,En tot het verre nageslacht, zal ’t konden dijne daân,In sagen zal dijn stout bestaan, di hooger heffen tot,Men Mises naam vereeren zal, gelijk die van een god!

Heil, koning Mise, dapp’re man, het volk, dat bidt di aan,

En tot het verre nageslacht, zal ’t konden dijne daân,

In sagen zal dijn stout bestaan, di hooger heffen tot,

Men Mises naam vereeren zal, gelijk die van een god!

Doodstil was het in de groote hal geweest, toen Pill de heldensproke met krachtige stem uitsprak. De gasten keken beurtelings naar den sprokespreker en naar hun heldhaftigen koning, die waardig, zooals dat een rijken vorst past, met krachtige stooten van zijn fraai pronkzwaard, toonde hoe hij den draak, den watergeest, de helden en ten laatste den lafhartigen koning Gise had verdeemoedigd en aldus de waarheid als het ware nog meer waarschijnlijk maakte.

Hall, Hamm en Hann echter, dicht de gelaten bij elkaar, vormend een driehoek, sloten de ooren, want de drie gidsen gruwden van deze sproke-kunst.[233]

Thans begonnen zij te jouwen, riepen dat het heele heldendicht een opeenstapeling van leugens was en protesteerden in naam van de realistische kunst.

Doch het gejuich en het geroep van „Were Wotan!” „Were Mise!” „Nere Gise!” overstemden de protesten en een uur lang duurde dat donderend gejuich, gedurende ’t welk Pill dankbaar boog, Pimm de stafrijmen lovend opsomde en Pill de maat roemde, terwijl koning Mise met zéér veel waardigheid, niet moede werd met zijn zwaard nogmaals en nogmaals in de lucht de stooten te toonen, die hij op de gevaarlijke reis niet in de lucht had toegebracht.

Eerst toen het feestgebraad werd opgedragen en elken gast een heel, gebraden speenvarken werd voorgediend, verzwakten de stemmen maar zelfs tusschen twee kluiven door, riepen de geestdriftige onderdanen nog Were Wotans! en Were Mises! of Nere Gises!

Nu stapte koning Mise waardig van de treden van zijn troon en de eereplaats aan de feesttafel innemend en zich plaatsend voor een iever, in zijn geheel aan ’t spit gedragen, riep hij Pill, Pimm en Pinn tot zich, roemde hun waarheidsliefde, trouw en kunstvaardigheid en zeide hun het loon te zullen schenken voor zooveel koningsgezindheid.

Hij hief zijn gruwbaar en gevreesd zwaard op, maar ditmaal voor een werk des vredes. Want hij hakte den iever in vier deelen. Pill kreeg de ooren, Pimm de staart, Pinn de snuit. De koning vergenoegde zich met de rest van den iever, zeggende: „Ziedaar, de dankbaarheid der koningen!”

Weer ging een trillend gejuich op, na deze daad van grootmoedigheid en men zag zelfs gasten, die reeds met de kluif voor de lippen, deze een oogenblik terug hielden, om een „Were Mise!” te roepen.

De drie koks van wijlen koning Gise echter sloegen hun kappen wat terug en grijnsden.[234]

Koning Mise dit ziende, riep het drietal tot zich en sprak:

„En waar blijft de sproke op Gise!”

„Heer,” antwoordde Hall, „hoe zouden wij heldensagen op onze koning kunnen spreken, nu hij er niet meer is om ons te beloonen?”

„Heer,” antwoordde Hamm, „de grootmoedigheid des konings is de zalf der sprokesprekerij.”

„Heer,” antwoordde Hann, „Geen heer, geen smeer.”

„Ondankbare!” vloekte koning Mise, „zult di dijn heer geen grafsprook naspreken! Op den bida, zeg ik di!…”

De drie koks liepen naar de verhevenheid, waar Pill, Pimm en Pinn zooeven onsterfelijke triomfen hadden beleefd en stelden zich daar op, gereed om te spreken, Hall vooraan in ’t midden, Hamm en Hann terzijde.

De urn met de asch van den koning van Bedekoog werd voor Hall nedergezet en de kok bedacht zich even.

Toen keek hij koning Mise aan, met in zijn holle, zwarte oogen een vreemden glans en hij zeide, wijzend met den vinger op de urn, maar met zijn oogen duidend op koning Mise:

Dit is eens konings honk,Hij at, dronk en stonk.

Dit is eens konings honk,

Hij at, dronk en stonk.

[235]


Back to IndexNext