Daer nae sprack der heilighe man, —Die salighe diet ghemercken can—„Men mach in menghen synnen „Gods heerscapie bekennen, „Sijne ghenade ende sijne ghewalt. „Ghij siet wale wie der wynter kalt „Die eerde bevroret „Ende haer vrocht testoret „Ende tewrijvet ende verkeert; „Ende als hij dan henne veert, „Ende der somer aen gheyt, „Dien alle die werelt gherne ontfeyt, „Ende daer toe alle creatueren, „Eyn yeghelijck nae sijnre natueren, „Verhoghen sich ende vervrouwen. „Allen die Gode ghetrouwen „Ende doer hem lijden arbeit, „Dien gheeft hij grote rijcheit, „Woninghe in hiemelrijck „Ende vroude ewelijck."
Maar wanneer wij een blik in VELDEKE'S voorbeeld slaan en daar op de overeenkomstige plaats lezen: „en", ait „quomodo verna temperies redit post hiemem, sic post mortem orietur beatis requies", dan zien wij dat VELDEKE'S verdienste hierin bestaat, dat hij een dichterlijk onderdeel van zijn voorbeeld op zelfstandige wijze heeft uitgebreid[10].
Ook waar wij elders verwachten, dat eenige stijging van aandoening zich in den stijl en de verzen zal openbaren, zooals b.v. in de visioenen, wordt die verwachting niet vervuld[11].
Toen VELDEKE zijnLeven van Sint Servaesbewerkte, gevoelde hij zich een armen zondaar, die behoefte had aan de voorspraak van den heiligen man bij God; die hoopte dat zijn werk ter eere Gods zou strekken[12]. Maar de levensgeschiedenisvan den heilige moge hem hebben gesticht, zij heeft noch zijn gevoel noch zijne verbeelding kunnen treffen. Anders was dat met de geschiedenis van ENEAS, zooals zij door een onbekend Fransch dichter omstreeks 1170-'75 is verwerkt tot een ridderroman[13].
Wat dit gedicht opmerkelijk maakt, is vooral de wijze waarop hier de liefde tusschen de beide seksen als dichterlijk motief is gebruikt en de groote plaats die de ontleding van het gansche gemoedsleven, van de hartstochten en vooral van de liefde hier inneemt. Deze opvatting der liefde was iets nieuws in de toenmalige literatuur. Aan de klassieken viel die niet te ontleenen. Het is bekend, dat zoowel de toestand der vrouw als de verhouding der beide seksen in de Oudheid gansch anders was dan in de nieuwere tijden; er waren weinig dingen die TACITUS in de Germanen sterker troffen dan juist hun achting voor de vrouwen, hun eerbied voor het huwelijk, dat kuischheid bij hen in eere was en dat de vrouw in het huwelijk stond als eene gelijke tegenover den man. Door de opkomst van het ridderwezen, eene Germaansche instelling, was dit gevoel van eerbied jegens de vrouwen nog sterker geworden en had het zich, vooral in Zuid-Frankrijk, onder den invloed der galanterie verfijnd.
In het Fransche gedicht is de ontleding van den hartstocht bij uitnemendheid reeds vrij ver voortgezet en, voor dien tijd, fijn. Het is een van VELDEKE'S verdiensten dat alles nagevoeld en in eigen trant het eerst in onze taal te hebben gezegd. Doch al heeft hij een voorbeeld gevolgd, hij was geenszins louter vertaler. Hij heeft heel wat gewijzigd of veranderd, weggelaten of toegevoegd; meestal geschiedde dat om de juistheid der uitdrukking te verhoogen of den gang van het verhaal te verduidelijken; ook wel eens om de eischen van eigen kieschheid of eigen smaak te bevredigen[14]. Verscheidene didactische uitweidingen, overtollige beschrijvingen en mededeelingen heeft hij laten vervallen. Desondanks telt zijn werk ongeveer 3000verzen meer dan het oorspronkelijke. Die grooter omvang is toe te schrijven vooral aan de wijdloopigheid van den bewerker, die zich openbaart o.a. in het uitspinnen van monologen en van gevechten, ook in de beschrijving van zielstoestanden. Waar hij beschrijft, ook naar het uiterlijk, toont VELDEKE menigmaal wel talent, maar een onontwikkeld talent, terwijl zijn smaak en zijne kunstvaardigheid nog gering blijken. Zoo b.v. waar hij ons de Sibylle beschrijft, die ENEAS „toe Icônjen in her hûs" bezocht. Een viertal verzen van het oorspronkelijk gedicht zijn in de bewerking uitgedijd tot een 34-tal, zoodat men hier met recht van VELDEKE'S werk mag spreken:
grôt ende grâ was her dat hâr end harde verworren— dat wir wale spreken dorren— alse eines perdes mane. die frouwe hadde ane vele onfrouwelîch gewant. ein boech hade sî an der hant. dar ane sach sî ende las. doe schoude sî Enêas. He marcde sî rechte. dat mies#lockechte hiene her ût den ôren. sî enmochte niet gehôren, et enwâre, dat man riepe. her ougen stonden er diepe onder den ouchbrâwen, langen ende grâwen, die dâ vore hiengen— end her ter nase giengen, grouwelîch was her lîf:hem enwart nie wîf alsô wonderlich kont. swart ende kalt was her der mont. sî sat in den gebâre, alse er leven wâre ân alre slachte wonne. die tande stonden er donne#end wârn her lanc ende gele. her was der hals end die kele swart end gerompen#. sî selve was geskrompen in bôsen gewande. her arme end here hande waren âdern ende vel[15].
Belangwekkend is op deze plaats de worsteling van een naïef kunstenaar met zijne stof. De dichter is blijkbaar wel onder den indruk en tracht dien zoo goed mogelijk weer te geven; er is wel goede grondstof, er zijn wel goede deelen van een beeld, maar hoe zonderling liggen zij dooreen. Telkens springt hij van de afzonderlijke trekken op het geheel over of wordt zijne eigen voorstelling hem te machtig, zoodat hij zich lucht moet geven. Na de aardige vergelijking van het haar bij verwarde paardemanen—de vergelijking raakt volgens VELDEKE blijkbaar de grens der kieschheid—een blik op het onvrouwelijk gewaad; zij had een boek in de hand; nu weer de détails: vlokken mos (haar) hingen haar uit de ooren, diepliggende oogen onder laag afhangende grijze wenkbrauwen; dan plotseling een blik op het geheel: gruwelijk was haar lichaam; daarna terugkeer tot de détails: de mond was zwart en koud; weêr een algemeene indruk: hare houding gaf te kennen dat zij geenerlei vreugde kende; zoo gaat het voort.
Kunst als deze, hoe onvolkomen ook, doet ons betreuren dat VELDEKE'S invloed op de Nederlandsche dichters van later tijden naar het schijnt zoo gering is geweest, want aanleg had hij zeker.
Duidelijker nog dan in zijneEneideblijkt die aanleg in het dertigtal minneliederen, door hem onder den invloed der Fransche hoofsche lyriek gedicht.
In gevoelens en stemmingen, in keuze van voorstellingen en uitdrukkingen blijven deze liederen binnen den kring van den conventioneelen vrouwendienst, die zich in Frankrijk had ontwikkeld en zich daar en elders deed gelden, zoowel in eene min of meer kunstmatige werkelijkheid als in de poëzie.
De verhouding van den minne zoekenden man tot de vrouw die hij wenscht, wordt voorgesteld als eendienst: zij is de meesteres, hij de dienaar. Telkens is ook in deze liederen sprake vandienenendienst. De minne wordt verheerlijkt:
Von minne kumet uns allez guot: diu minne machet reinen muot. Waz solte ich sunder minne dan?[16]
De vrouwen worden tegenover de mannen verdedigd, haar toorn wordt gevreesd. Het zinnelijke in de verhouding der beide seksen (het „umbevân") wordt dorperlijk genoemd:
Wie mohte ich dat für guot entstân, dat hê mî dorpelîche bâte dat hê mî muoste al umbevân?[17]
vraagt eene vrouw, die—naar de gewoonte in deze minnepoëzie—sprekend wordt ingevoerd. Voor haar goeden naam moet de minnaar zorg dragen; daarom mag hij zijne liefste niet in het openbaar noemen; daarom ook moet hij haar en zich hoeden tegen de booze tongen de („rueger" en „nider")[18]. Niet zelden begint een lied—ook dat was conventioneel geworden,maar conventie waarin waarheid schuilt—met een klein natuurschetsje of een trek uit het natuurleven; hetzij om overeenstemming, hetzij om tegenstelling tusschen natuurleven en gemoedsleven te doen uitkomen. Tegenstelling vindt men al dadelijk in het eerste lied:
Ez sint guotiu niuwe mâre, daz die vogel offenbâre singent dâ man bluomen siet. Zuo den zîten in dem jâre stuende wol daz man frô wâre: leider des enbin ich niet[19].
Overeenstemming treft men aan in verzen als deze:
Ez tuont die vogele schîn#daz si die boume sehent gebluot#. ir sanc machet mir den muot sô guot daz ich vrô bin noch trûric niht kan sîn[20].
Maar niet zóó vast is VELDEKE in de leer van den vrouwendienst of de natuur gaat hem soms boven de leer. Het moge dorperlijk zijn naar het „umbevân" te verlangen, deze minnaar doet wat hij niet laten kan:
ich bat sie in der kartâten daz si mich müese al umbevân[21].
en hij vraagt het niet te vergeefs. Hoe idealistisch ook gezind, hij verliest den blik op de alledaagsche werkelijkheid daarom niet:
Swer den vrouwen setzet huote#, der tuot daz übele dicke stêt. vil manic man der treit die ruote#da er sich selben mite slêt[22].
Ook de leukheid niet, die hem doet zeggen:
geschihet mir als deme swan, der singet als er sterben sal, sô vliuse#ich ze vil dar an[23].
Zoolang wij deze liederen slechts in eene Hoogduitsche overzetting kennen, is het natuurlijk niet uit te maken of zij in Limburg bekend zijn geworden, noch of zij ook in andere deelen dezer landen verbreid zijn en invloed hebben geoefend op de zich daar ontwikkelende literatuur. Wij komen op die vraag nog even terug, doch kunnen nu reeds zeggen, dat wij voor het bestaan van zulk een invloed geen afdoend bewijs hebben. Ten opzichte derEneideverkeeren wij in iets gunstiger omstandigheden. Het is bekend dat MAERLANT in zijneHistorie van Troyen, sprekend over de geschiedenis van ENEAS en DIDO, zegt: „Oec ist gedicht in Duytsche woert"[24]. Het is mogelijk, dat hij hier het oog heeft op VELDEKE'S gedicht, maar zonder nader bewijs mogen wij dezen regel natuurlijk niet als beslissend beschouwen.
Voorzoover wij nu kunnen zien, is VELDEKE'S invloed op de ontwikkeling der Nederlandsche letterkunde gering geweest; in allen gevalle op verre na niet zoo belangrijk als op die der Hoogduitsche literatuur. Voor tal van Middelhoogduitsche dichters is VELDEKE'S werk, met name zijneEneide, een voorbeeld geweest, dat zij bewonderden en navolgden. Zijn dichterlijk verhaal gaf in Duitschland den stoot tot het ontstaan der epische minnepoëzie en minstens eene eeuw lang wordt hij door Duitsche dichters gelezen en geprezen, ook door de grootsten onder hen als WOLFRAM VON ESCHENBACH, den duister-verhevene en den beminnelijken GOTTFRIED VON STRASSBURG[25].
VELDEKE'S werk, het werk van een ontwikkeld dichter, diereeds zekere mate van individualiteit vertoont, behoorde tot de kunstpoëzie dier dagen. In die poëzie is een Nederlander de Duitschers vóórgegaan. Naast die kunstpoëzie echter bestond in Duitschland eene nationale verhalende volkspoëzie. Gedeeltelijk was deze, in den tijd waarvan wij spreken, reeds onder den invloed gekomen der hoofsche epiek. De beide bekende heldendichtenNibelungenenGudrunleveren daarvan het bewijs en toonen ons van welken aard die invloed is geweest. Een ander deel dezer volkspoëzie was vrij gebleven van dien invloed van het hoofsche epos. Die soort van poëzie vinden wij vertegenwoordigd in een aantal verhalende gedichten, meerendeels In het laatst der 12deeeuw gemaakt en voor een deel afkomstig uit de Rijnlanden. Men pleegt ze samen te vatten onder den naam:speelmanspoëzie, omdat zij zwervende dichters en voordragers tot makers hadden. Ook treedt in vele dezer gedichten een speelman op den voorgrond. De meest bekende zijn:Orendel, Salman und Morolf, Hertog Ernst, Sint Oswald. Alle herinneren door hun inhoud en hun trant min of meer aan een vroeger gedicht van dezen aard: de geschiedenis vanKoning Rother, al beweegt dat verhaal zich in hooger sfeer dan deze latere werken. In alle leveren de Kruistochten den historischen achtergrond; in verband daarmede vinden wij hier dan ook telkens melding gemaakt van schepen en zeereizen. Het verhaal dier tochten naar verre landen geeft den dichters natuurlijk ruimschoots gelegenheid hunnen hoorders allerlei vreemds en wonderbaarlijks voor oogen te brengen; vooral het verhaal van Hertog ERNST is met dat wonderbare vervuld. Het komisch element openbaart zich op vele plaatsen, gewoonlijk in ruwe grappen zooals men ze van deze dichters verwachten kon[26].
Hier staat de Nederlandsche poëzie tegenover de Hoog- en Nederduitsche in eene andere verhouding dan bij VELDEKE: dáár was het onzerzijdsgeven, hiernemen. Beide bovenaangewezen soorten van volkspoëzie vinden wij te onzent vertegenwoordigd: het volksepos onder den invloed der hoofsche ridderpoëzie in eene vertaling derNibelungen; de speelmanspoëzie in het gedichtvan den Bere Wisselauen misschien ook in datvan Sinte Brandaen.
In welken tijd hebben de bewoners dezer landen voor het eerst kennis gemaakt met de Nibelungen-sage? Op die vraag moeten wij het antwoord schuldig blijven. Dat er geen grond bestaat om den bewoners dezer landen een aandeel toe te kennen in devormingvan het Oudgermaansch heldendicht, hebben wij hiervoor uiteengezet. Daarin ligt natuurlijk niet opgesloten, dat men hier te lande geene kennis van dieelders ontstaneheldenpoëzie of heldensage kan hebben gedragen.
Het mag waarschijnlijk heeten dat de, in een bericht der 10deeeuw en in denReinaertvermelde, koning HERMENRYC de bekende Gotenkoning der heldensage is[27]. Ook weten wij dat de abdij van Egmond reeds in de 11deof in het begin der 12deeeuw een exemplaar van hetWalthari-liedheeft bezeten[28]. Weliswaar was het slechts een Latijnsche vertaling waarin dat heldendicht tot ons is gekomen; doch juist dat Latijn zal het aantrekkelijk hebben gemaakt voor de geestelijken dier dagen en in allen gevalle mag men de aanwezigheid van dat dichtwerk beschouwen als een bewijs van belangstelling in de Oudgermaansche heldensage.
Heeft men hier te lande, zij het dan ook slechts in het Zuidoosten, Nibelungen-liederen gekend, vóórdat het, later uit die liederen ontstane, epos in het Nederlandsch is vertaald? Die vraag hangt samen met het vraagstuk van den ouderdom dier vertaling. Volgens de meeste Duitsche geleerden is het epos, zooals wij het tegenwoordig hebben en dat het voorbeeld is geweest der Nederlandsche vertaling, niet ouder dan 1205[29]. Nu vinden wij echter dat VELDEKE in zijnLeven van Sint Servaesspreekt van ATTILA als „Bodelinghes son"[30]; deze vadersnaam komt ook in deNibelungenmeer dan eens voor. Was VELDEKE nu met dezen naam bekend geworden door deNibelungenof kende hij dien van elders? Dat hij dien naam in Duitschland heeft leeren kennen, evenals de namen der heldenzwaarden Eggesas, Mimming, Nagelring, waarover hij in deEneïdespreekt, is niet waarschijnlijk; immers hij heeft, naar het schijnt, eerst na het dichten van denServaesin Duitschland gereisd.
Een andere grond om te vermoeden, dat hier misschien Nibelungen-liederen in omloop zijn geweest, is dit: nog in de 15deeeuw vinden wij den melkweg in een Geldersch-Kleefsch woordenboek genoemd:Ver Broenelden strait[31].
Wijst het in zwang komen en blijven van een dergelijken naam niet op langdurige bekendheid met de Nibelungen-sage? Is het wel aannemelijk dat een dergelijke naam in zwang zou kunnen komen door den invloed eener schriftelijke vertaling en moet hier niet veel eer gedacht worden aan den gestadigen invloed eener mondelinge overlevering?
Wat daarvan zij, vast staat, dat men het Nibelungen-lied in het Nederlandsch vertaald heeft en, indien de tijdsbepaling der Duitsche geleerden juist is, dat deze vertaling nà 1205 is vervaardigd[32]. Hoe lang na 1205? Dat is niet met een jaartal aan te geven. Doch er bestaat reden om te gelooven, dat onze vertaling in de eerste helft der 13deeeuw is gemaakt. De populariteit van dit epos zal zich spoedig ook over de grenzen dezer landen hebben verbreid; het handschrift dat de fragmenten der Nederlandsche vertaling bevat, schijnt nog tot de 13deeeuw te behooren; het feit dat MAERLANT in zijn vroegste werkAlexanderden vernederlandschten naam van ATTILA:Ettelgebruikt en in zijnSpiegel Historiaeldien vanDiederic van Berne, mag doen vermoeden dat hij deze namen misschien uit de vertaling derNibelungenheeft leeren kennen.
Van die vertaling zijn ons slechts twee kleine fragmenten over, elk van 72 verzen, die een gedeelte der 16deen een gedeelte der 17deAventiure van het oorspronkelijk epos behelzen. Of men het gansche gedicht vertaald heeft, moet dus onzeker blijven; ook hoe onze voorouders het genoemd hebben. Dat men van hetNevelingen-liedof van deNevelingenzal hebben gesproken, is onwaarschijnlijk, omdat dit woord reeds in de 13deeeuw eene gansch andere beteekenis had (neefofverwant).
Ook bij deze vertaling hebben wij in de eerste plaats te vragen naar het karakter der vertaling en de wijze waarop de vertaler zich van zijne taak heeft gekweten[33].
Gunstig kan het oordeel over zijn werk niet luiden. Zijne verzen zijn vrij goed en hij heeft wel getracht het episch rhythme van het origineel weer te geven; doch zijne gebrekkige kennis van het Duitsch belemmerde hem in zijn werk als een blok aan het been. Waar hij een woord of een vers niet begreep, liet hij het weg, of—erger—verving het door een stoplap als: „dat doe ic u verstaen" en „dies was hi wel blide". Aan zijne gebrekkige taalkennis is waarschijnlijk toe te schrijven, dat, vooral in het tweede fragment, de gang van het verhaal hier en daar onduidelijk of verward is. De aanschouwelijkheid van het jachttooneel heeft bij de overbrenging geleden; voor het krabben en bijten van den beer dien SIEGFRIED vangt, heeft de vertaler geen oog gehad; geen oog ook voor SIEGFRIEDS rijke kleeding, voor de fraai bewerkte pijlen en het goede zwaard BALMUNG. De gevoelige regels uit het oorspronkelijk gedicht over KRIEMHILDE'S droefheid:
ir hetet mîn vergezzen, des mag ich wol jehen, dâ ich dâ wart gescheiden von mîme lieben man. „daz wolde got" sprach Kriemhilt, „waer iz mir selber getân".
zijn weergegeven door het onbeteekenende:
Nu is mijn welvaren voerwert meer gedaen.
Ook den trek dat KRIEMHILDE niet kan besluiten den geliefden man te laten begraven, mist men in de Nederlandsche bewerking.
Van den persoon des vertalers is ons niets bekend, evenmin als van de auteurs vanWisselauenBrandaen. Dat is geen toeval, maar in overeenstemming met het onpersoonlijk karakter der volkspoëzie, in tegenstelling met de bekendheid van de auteurs der meer individueele kunstpoëzie. Indien wij echter in aanmerking nemen dat in het laatste couplet van het tweede fragment de geestelijke tint bij de overzetting vrij wat sterker is geworden, dan zouden wij geneigd zijn voorloopig een geestelijke voor den bewerker te houden.
Maar geen geestelijke zal het geweest zijn, die ons het verhaalvan den Bere Wisselauheeft nagelaten. Of zoo al, dan een tot speelman verloopen geestelijke of klerk, een dier vaganten of goliarden, gelijk er in de 12deen 13deeeuw zoovele rondzwierven: arme schooiers, tuk op een goeden maaltijd, en als GARGANTUA in extaze gerakend „au seul son des pintes et flacons"; verloopen studenten, wier ideaal was
in taberna mori, ubi vina proxima morientis ori
wien uit de engelenkoren de smeekbede reeds tegenklonk:
„Deus sit propitius isti potatori".
Want zoo ergens, dan vinden wij hier in onze literatuur de rechte speelmanspoëzie. Reeds uit den kort samengevatten inhoud van het gedicht kan dat blijken[34].
Het begin van het fragment brengt ons naar het land van den reuzenkoning ESPRIAAN. Wij zijn aan het zeestrand. Koning KAREL is juist met zijne „genooten" op een schip aangekomen. Onder zijn gevolg is een reusachtige beer, Wisselau genaamd, die zekeren GEERNOUT als zijn meester gehoorzaamt. Een reus die de wacht aan het strand houdt, wordt door Wisselau gedood. Nu komt koning ESPRIAAN met zijne reuzen. Op zijne vraag verneemt hij van GEERNOUT, dat er nog vier zulke beren in het schip gebonden liggen. Uit vrees noodigt ESPRIAAN koning KAREL en de zijnen op zijn kasteel. GEERNOUT trekt Wisselau een rok van vier kwartieren aan, dien hij voor hem had laten snijden ter gelegenheid van een hoffeest te Aken en volgt met den beer de overigen. Als zij aan ESPRIAANS burcht komen, loopt de portier op het zien van Wisselau jammerend van angst weg. GEERNOUT gelast den beer in de „gargoensche tale" (jargon) die zij beiden alleen verstaan, dat hij naar de keuken moet loopen, den opperkok bij het haar grijpen en in den soepketel werpen; daarna met den ketel de zaal binnenkomen, om de reuzen nog meer schrik aan te jagen. Dat geschiedt. Schenkers en drossaten komen de zaal binnenvliegen om ESPRIAAN te melden wat met den opperkok BRUGIGAL gebeurd is. Achter hen aan komt de beer met zijn grotesken last. ESPRIAAN wil vluchten, maar GEERNOUT trekt hem neer op zijn zetel. Wisselau gaat den kok verslinden; grimmig kijkt hij rond, zoodat de reuzen doodsbenauwd op de zaalbalken klimmen. De reuzenkoning smeekt GEERNOUT om hulp en deze belooft den beer mak te zullen maken. In zijn gargoensch zegt hij tot hem, dat zij een schijngevecht zullen houden; Wisselau moet zich daarin laten overwinnen. Nadat de worsteling geëindigd is, staan de reuzen verbaasd over de kracht van den kleinen man. GEERNOUT zegt schertsend tot den beer dat er niets meer te eten is; ESPRIAAN lacht, maar Wisselau wordtboos en schudt zich, zoodat de kostbare knoopen van zijn rok springen. Daarna werpt hij den rok op het vuur en gaat er voor zitten om zich te warmen. Daar zat hij als een jonker! Voor geen duizend mark zou een reus hem gelast hebben op te staan; zij blijven op veiligen afstand van het vuur en den beer. Een maaltijd wordt voor de gasten aangericht en men beraadslaagt over het nachtverblijf. Koning ESPRIAAN zou den beer gaarne kwijt zijn. GEERNOUT denkt er over hoe hij koning KAREL en zijne gezellen behouden weer uit het reuzenland zal brengen.—Daar eindigt het fragment.
De kern van dit verhaal kenden wij reeds van elders[35], ESPRIAAN of ASPRIAAN, zooals hij in de Duitsche sagen wordt genoemd, is een ontzagwekkende reus, die o.a. ook in het gedicht van koning ROTHER voorkomt als koning van het verre reuzenland. In eene Noorsche sage bevindt hij zich onder het gevolg van koning OSANTRIX, die naar de hand eener Hunsche prinses dingt; hij wordt vergezeld door zijne drie broeders: WIDOLF „mit der Stange", ATGEIR en AVENTROD. WIDOLF (elders WIDOLT) wordt door zijne broeders wegens zijne wildheid aan een keten meegevoerd; want, laat men hem los, dan slaat hij met zijne ijzeren stang woedend om zich heen.
Een deel dezer sage kan als tegenhanger van het Middelnederlandsch fragment dienen: WIDGA, THIDRIKS strijdgenoot in een gevecht van den held van BERN en ATTILA tegen koning OSANTRIX, is door WIDOLFS stang neergeslagen, door den vluchtenden vijand gebonden en meegevoerd. Hierop doen WILDIFER, een ander strijder van THIDRIK, en ISUNG, diens voornaamste speelman, gezamenlijk eene poging om den gevangene door list te bevrijden. WILDIFER laat zich in eene berenhuid naaien en wordt zoo door zijn gezel bij den halsband geleid. In 's konings hof aangekomen, slaat ISUNG meesterlijk de harp en op die tonen dartelt en huppelt zijn beer, dien hijVizleo(Witte leeuw) noemt, tot verbazing van allen. OSANTRIX wil nu ook den moed van het dier op de proef stellen; op eene schoone vlakte worden, in tegenwoordigheid eener groote menigte, zestig groote jachthonden op Vizleo losgelaten. De koning is ook aanwezig, vergezeld door zijne dienstmannen, onder welke zich de geboeide WIDOLF bevindt, geleid door zijn reusachtigen broeder ABENTROD. De beer grijpt den grootsten brak en slaat daarmede twaalf der beste honden dood. Toornig gaat de koning met ontbloot zwaard op den beer los en brengt hem een houw in den rug toe; het zwaard doorklieft de berenhuid maar stuit af op de „bronie" (maliënkolder) daaronder. Als OSANTRIX dan naar de zijnen wil terugkeeren, rukt WILDIFER zijn zwaard uit de handen van den speelman, loopt den koning na en houwt hem het hoofd af. Ook tegen de reuzen ABENTROD en WIDOLF keert hij zich en verslaat hen. WIDGA wordt bevrijd en keert terug tot THIDRIK.
In hoever nu in de Noorsche sagen, onder de gedaante van den beer, Thor schuilt en het berengevecht eigenlijk een strijd van zomer en winter moet voorstellen, is voor ons van minder gewicht. Duidelijk blijkt echter uit het voorgaande de samenhang van het Nederlandsch gedicht met andere, ook tot poëzie verwerkte, Germaansche sagen. Deze en dergelijke verhalen moet de dichter van denWisselaugekend hebben; daar heeft hij blijkbaar de elementen gevonden, die door hem in eigen trant zijn bewerkt en vereenigd. Het gedicht van koning ROTHER was in de Rijnlanden ontstaan en de herinnering aan den geketenden beer leefde daar ook in liederen als dat „von dem übelen wîbe" voort. Naar de oostelijke grenzen wijst ons dan ook niet alleen de taal van het gedicht, maar evenzeer de vorm van den naamWisselau, die in het NederlandschWittelau. zou moeten luiden[36]. In het oosten of zuidoosten des lands zal dit speelmansgedicht zijn ontstaan, waarschijnlijkkort na den tijd, waaruit ook de Duitsche speelmansgedichten dagteekenen—, nl. het laatst der 12deof den aanvang der 13deeeuw. MAERLANT kende ons gedicht reeds, want in zijnSpieghel Historiaellaat hij er zich afkeurend over uit. Tot tweemaal toe verwijt hij den dichters van beroep dat zij in hunne poëzie KAREL DEN GROOTE beliegen en onder andere gedichten van dien aard vermeldt hij ook „van bere Wisslau die saghe" en
Van bere Wisslau die snodelhede#ende meneghe favele groet ende cleine[37].
MAERLANT'S ergernis zal vermoedelijk vooral hebben gegolden, dat men een vorst als KAREL DEN GROOTE in zulk gezelschap bracht. Maar ook GEERNOUT met zijn beer kunnen hem niet behaagd hebben. In GEERNOUT toch hebben wij blijkbaar een dier zwervende speellieden voor ons, die er altijd zijn geweest en er nog zijn: beurtelings kunstenmaker, goochelaar, muzikant, dichter of ten minste zanger en voordrager, die niet zelden met gedresseerde dieren rondreisden. Een van het soort waartoe ook de „Sarrasijn" behoorde, „die voor mijn here speelde met eenen bere", van wien eene grafelijkheids-rekening der 14deeeuw gewag maakt[38].
Boven zulk volkje voelde een eerzaam klerk en gezeten burger als MAERLANT zich ver verheven.
De speellieden waren er vooral op uit, hun publiek te doen lachen; gedurig hooren wij in dit gedicht dan ook vanlachenenscop(scherts) spreken. Die grappen waren niet van het fijnste soort; dat kan men verwachten: een beer, potsierlijk uitgedost in zijn rok met kwartieren als in een ridders wapenrok; een kok, gekookt in zijn eigen soepketel; een angstige portier, roepend, schreeuwend: „o wi, o wach!"; schenkersen drossaten die, hals over kop, een zaal komen binnenvluchten, zoodat hunne armen, beenen en hoofden het zwaar te verantwoorden hebben; de vraatzucht van een beer die zich zoo dik gegeten heeft, dat de knoopen hem van den rok springen als hij zich schudt; angstige reuzen op zaalbalken hunne toevlucht zoekend; een reuzenkoning, met schuine blikken naar zijn vreeselijken gast loerend—alles gruwzaam of grof, doch niet zonder zekere ruw-komische kracht en wel geschikt om de ruige lippen van ruwe poorters en boeren te plooien tot een breeden lach.
Een meester in de kunst was deze speelman evenmin als de meeste zijner gildebroeders; hij bekommert zich weinig om de overgangen in zijn verhaal, dat in reeksen van kort afgebroken volzinnen als met vlugge schokjes voortspoedt met veronachtzaming zoowel van de maat der verzen als van de zuiverheid der rijmen. Waartoe zou het hem ook gediend hebben, zorg te besteden aan rijm en maat? Zijn publiek was er onverschillig voor; dat publiek wilde aangenaam bezig gehouden, geboeid worden; hoe meer nieuws en wonderbaars hoe beter; op dit publiek, tot hetwelk de dichter zich meer dan eens richt, was alles berekend. Geen wonder voor wie in het oog houdt, dat deze dichters van hunne kunst leven moesten.
Tot datzelfde publiek moet in ongeveer dienzelfden tijd ook het gedichtvan Sente Brandanezich gericht hebben. Deze BRANDAEN was abt van een Iersch klooster. Eens zat hij te lezen in een boek dat allerlei verhalen van wonderen bevatte. Hij werd boos over zoo ongeloofelijke dingen en wierp het boek op het vuur. Een engel kondigt hem nu aan, dat hij tot straf voor zijn ongeloof met een aantal zijner monniken moet scheep gaan en negen jaren lang rondzwalken. Op hunne tochten zien zij zooveel wonderbaarlijks, dat den abt alle twijfelzucht vergaat. Nu mag hij naar zijn klooster terugkeeren en sterft kort daarna.
De kern van dit verhaal is reeds in de 10deeeuw te vinden in een Latijnsche legende:Peregrinatio Sancti Brandani Abbatisen werd later in verscheidene Europeesche talen, zoowel in proza als in poëzie, bewerkt. Waarschijnlijk is deze stof tusschen 1173–1180 aan den Neder-Rijn in een rijmwerk behandeld en misschien niet lang daarna in het Nederlandsch vertaald[39].
Dat wij hier het werk van een speelman voor ons hebben, kan niet betwijfeld worden door iemand, die ook maar eenigszins op de hoogte is van deze soort poëzie. Evenals in denOswalden denOrendelhebben wij hier eene half-ascetischen half ridderlijken zeetocht (deBrandaenspreekt van „recken"); vooral in het gedicht vanHertog Ernstvinden wij tal van wonderbaarlijke zaken en personen die ook hier voorkomen: zoo b.v. de leverzee en den magneetberg; de schitterende karbonkels; het prachtig paleis, met de in den muur gegraveerde dieren; de menschen, met zwijnskoppen en kranenhalzen, in zijden gewaden, gewapend met bogen; de vermelding der Pygmeeën. Een kluizenaar die op een eenzame rots woont, vindt men weer in het verhaal vanSint Oswald.
Dat ook in denBrandaendrossaten en schenkers voorkomen, die veroordeeld zijn om na hun dood dorst te lijden, zoodat ze in honderd jaren geen droppel water binnen krijgen, is een der vaste trekken van de speelmanspoëzie[40]. Het was een onschuldige wraakneming der speellieden op degenen die hen onder hunne voordracht niet voldoende van nat en droog hadden voorzien.
Echter heeft de Nederlandsche bewerking ook elementen, welke men niet vindt in een der drie Duitsche bewerkingen die voortgekomen zijn uit het oorspronkelijk Nederrijnsch gedicht. Ik heb hier het oog vooral op de merkwaardige ontmoeting van Brandaen met een sprekend reuzenhoofd dat door den vloed op het strand geworpen is. Een dergelijk verhaalvindt men ook in de legenden van S. MALO en S. MACARIUS. In de eerste legende is sprake niet van het hoofd doch van het gansche lichaam van een gestorven heidenschen reus; in de tweede van een reuzenhoofd. Beide reuzen laten zich doopen. In dat laatste opzicht nu geeft de Nederlandsche bewerking ons iets eigenaardigs. Brandaen stelt aan het reuzenhoofd voor, zich te laten doopen. Maar de doode weigert, omdat hij vreest zijn toestand te zullen verergeren: liet hij zich doopen en zondigde hij dan opnieuw, dan zou hij, als Christen, veel strenger gestraft worden. En dus, zoo besluit hij:
willic weder varen Te mijnre aermer scaren In die deemsternesse#[41].
Mij zou het niet verwonderen, indien de Nederlandsche bewerker, bij deze vermoedelijk van hem afkomstige passage, aan den Frieschen koning RADBOUD gedacht heeft, die door den apostel WULFRAN gedoopt zou worden. Immers, als deze heiden verneemt dat zijne koninklijke voorzaten de plaats der helsche verdoemenis bewonen, trekt hij den voet uit de doopvont terug en wil liever met zijne voorouders in de hel dan met de Christenen in den hemel verblijven[42]. Opmerkelijk mag ten slotte heeten, dat wij in de Nederlandsche bewerking op een paar plaatsen een komisch element aantreffen, waar dat in de drie ons overgebleven Duitsche bewerkingen ontbreekt. Ook dat getuigt dat wij hier het werk van een speelman voor ons hebben[43].
Lang niet alles in het wezen en de herkomst van dit gedicht is ons duidelijk; wij moeten vele vraagteekens laten staan en zouden er nieuwe kunnen bijvoegen. Doch er schijnt mij voldoende grond aanwezig om aan te nemen, dat het uit het Duitsch vertaald is en met de vertaling derNibelungenen hetgedichtVan den Bere Wisselaudagteekent uit het laatst der 12deof den aanvang der 13deeeuw. Ook de twee laatstgenoemde werken alleen zouden reeds kunnen volstaan om ons in de literatuur van dien tijd zoowel den samenhang met als de losmaking van het overig Duitschland te toonen.
Dat er samenhang was, behoeft niet te worden aangetoond. Wel dient de aandacht te worden gevestigd op het gewicht van feiten als de vertaling vanNibelungenenBrandaen, als de bewerking vanden Bere Wisselau. Want uit dat overbrengen van de eene taal in de andere blijkt, dat de bewoners dezer landen zich een ander volk voelden dan de overige Duitschers; het gedichtvan den Bere Wisselau, zelfstandige bewerking van Duitsche gegevens, toont ons dat gevoel in nog hooger mate.
Staatkundig bleef een deel dezer volken nog lang afhankelijk van Duitschland; in cultuur en kunst, ook in de literaire kunst, zouden zij steeds meer hunne eigen wegen gaan. Zij zouden dat vooral doen, nadat Brabant en Vlaanderen op den voorgrond waren getreden en Limburg op den achtergrond was geraakt. Meer en meer zullen Brabant en vooral Vlaanderen de leiding der literaire beweging krijgen. Wanneer zij daarmede begonnen zijn, is moeilijk te zeggen. Is de vertaling derNibelungenmisschien uit Brabant afkomstig? Zijn de beide redacties van denBrandaenin het oosten des lands of elders gemaakt? Dagteekenen de bewerkingen der Fransche ridderromans, welke MAERLANT in één adem noemt met de „sage van den bere Wisslau", uit denzelfden tijd als deWisselau?
Tot het geven van afdoende antwoorden op die vragen zijn wij vooralsnog niet in staat. Slechts op de laatste vraag mag men misschien: „ja" antwoorden of: „het is waarschijnlijk."
Zeker is: dat de bewoners dezer landen zich van de overige Duitschers moesten losmaken, vóórdat er sprake kon zijn van hunne ontwikkeling tot een zelfstandig volk en ook: dat dehier aanwezige kiemen van nationaliteit beter bodem vonden in het verder van Duitschland af, en aan zee gelegen, Vlaanderen, dan in het grensland Limburg.
In Vlaanderen, Brabant en Limburg zien wij gedurende de 13deeeuw, op welker drempel wij nu staan, eene half-internationale, half-nationale kunst groeien en bloeien.
Uit welken bodem zij opschoot, onder welke omstandigheden zij zich ontwikkelde, zullen wij nu trachten te verhalen.
[Voetnoot1: Vgl. voor dit overzicht der Kruistochten vooral MOLL'SKerkgesch., II, 1, bl. 7 volgg.]
[Voetnoot2: Vgl. MAERLANT'SSpiegh. Historiael(edd. DE VRIES en VERWIJS), III, bl. 366.]
[Voetnoot3: MOLL, t.a.p.]
[Voetnoot4: Zie I, 1116. Zie ook I, 682–3: „In ebreuschen, in dietschen || In walschen ende in vriesschen". Vgl. ookRoman van Torec, vs. 2556: „Joncfrouwe, sprecti diets oft walsc?" In denRinclus, vs. 602walschenvrieschtegenover elkander gesteld.]
[Voetnoot5: Vgl.Hist. de la langue et de la Littérature française....sous la direction de L. PETIT DE JULEVILLE I, 49 suivv. (o.a. 92, 100–101), 171 en L. SUDRE,Les sources du Roman de Renart, p. 341.]
[Voetnoot6: Vgl. SCHERER,Gesch. der D. Lit., S. 143–4; PIPER,Spielmannsdichtung, II, 299;Grundriss der German. Phil., II, 1, 258. Uitgegeven door STEINMEYER inZ.f.d.A., 21, Bd. S. 307 flgg. STEINMEYER gelooft dat de afschrijver aan de taal een Hoogduitsche tint gegeven heeft.
De bewerker schijnt eene Fransche redactie te hebben gevolgd, waaruit no. 1 en no. 2 der door ED. DU MÉRIL uitgegevene redactie's zijn voortgevloeid. De fragmenten komen overeen met ASSENEDE'S bewerking, vs. 2315–3945 en tellen samen 368 verzen; daartusschen zijn echter op vele plaatsen verzen weggevallen. STEINMEYER'S raming van het geheel (c. 3700 verzen) schijnt mij te hoog: ASSENEDE'S bewerking die veel uitvoeriger is, telt er slechts 3980.]
[Voetnoot7: Dat hij zich „ongheleert ende ongherecht" noemt (I, 186) zal wel eene uiting van nederigheid zijn. Immers onmiddellijk daarvoor stelt hij zich zelven tegenover de „ongheleerde luden". Vgl. bovendien het Latijn in den proloog en eene plaats als II, 944–946.]
[Voetnoot8: Zie al het wetenswaardige omtrent VELDEKE samengevat in de Inleiding tot BEHAGHEL'SEneide. Over VELDEKE'S taal nog te vergelijken wat Prof J.H. KERN mededeelt inMuseum1900, bl. 213–218. Overigens nog BORMANS' Inleiding opSint Servatius Legende.]
[Voetnoot9: VELDEKE'S bewerking stemt het meest overeen met het leven van S. SERVAES, dat men vindt in deGesta pontificum Tungrensium Trajectensium et Leodiensiumin de 10e eeuw samengesteld door den abt HARIGER. Vgl. over een fragment van een hs. van het eind der 12e eeuw:Z.f.d.A., Bd. 27, 146–157. Over een Duitsch leven van S. SERVAES uit ongeveer denzelfden tijd als VELDEKE'S werk:Z.f.d.A., 1845, V, 75 flgg.]
[Voetnoot10: Deze Latijnsche passage komt niet voor in HARIGER'SGesta, wel in de toevoegsels tot dat werk van zekeren AEGIDIUS, een Cistercienser monnik uit het Klooster van S. Maria aureae vallis. Daar AEGIDIUS echter omstreeks het midden der 13e eeuw schreef, moet de door VELDEKE gebruikteViteook door HARIGER en AEGIDIUS gebruikt zijn. (Zie CHAPEAUVILLE'S uitgave van HARIGER en AEGIDIUS). Zoo vinden wij ook de vergelijking uit I, 271 terug in het oorspronkelijke: ejusmodi nempe multas tunc temporis provisio divina pro necessitate accenderat faces etc.]
[Voetnoot11: Vgl. I, 1626; II, 674, 1789, 1931.]
[Voetnoot12: Vgl. den proloog van Boek I.]
[Voetnoot13: Vroeger hield men BENOÎT DE STE. MORE voor den maker. Zie PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 220, en SALVERDA DE GRAVE,Introduction à une édition critique du Roman d'Eneas('s-Gravenhage, 1888).]
[Voetnoot14: Vgl. BEHAGHEL'SEinleitung, CL-CLVI.]
[Voetnoot15: Vs. 2708–2741; in het Fransche gedicht vs. 3456–3460.]
[Voetnoot16:Minnesangs Frühling, p. 62.
Dat VELDEKE'S liederen oorspronkelijk door hem in zijne moedertaal gedicht zijn, blijkt ook daaruit, dat men ze—in tegenstelling met de werken der overige Minnesinger—gemakkelijk in gewoon Middelnederlandsch (daarom nog geen Limburgsch) kan overzetten. Hier b.v.:
van minne comet ons alle goet: die minne maket reinen moet. Wat soude ic ane minne dan?]
[Voetnoot17: Ik kan niet beslissen of het eerste vers gebruikelijk Middelhoogduitsch is. Misschien heeft eene verwarring metentfaen(ontvangen) plaats gehad en zal men de drie verzen op deze wijze mogen weergeven:
hoe mochte ic dat voor goet ontfaen, dat hi mi dorperlike bade dat hi mi moeste ombevaen?]
[Voetnoot18: Vgl. M.F., p. 61, 25; 56, 18; 57, 30–32; 60, 32; 61, 10; 58, 17–19.]
[Voetnoot19: M.F. 56, 1–6.
Het sijn goede nieuwe maren dat die vogel openbare singen daer men bloemen siet. tot dien tiden in den jare stonde wel dat men vro ware: lacen, des en ben ic niet.]
[Voetnoot20: M.F. 64, 17–21.
Die vogelen doen ane schijn dat si die bome sien gebloet. haer sanc maket mi den moet so goet dat ic vro bin ende trurich niet can sijn.
Vgl. voorts nog: M.F. 57, 10–18; 58, 23 vlgg.; 59, 11; 62, 25; 66, 1.]
[Voetnoot21: M.F. 57, 5–6.
ic bat hare in der caritaten dat si mi moeste al ombevaen.
Vgl. voorts: 59, 32; 60, 1.]
[Voetnoot22: M.F. 65, 21–24.
So wie den vrouwen settet hoede, die doet dat dicke evel staet. wel menich man draget die roede daer hi sich selven mede slaet.
Vgl. voorts: 65, 11–12; 67, 1–2; 62, 11–22.]
[Voetnoot23: M.F. 66, 13–15.
geschiedet#mi alse den swane die singet alse hi sterven sal, so verliese ic te vele daer ane.]
[Voetnoot24: Vgl. o.a. Episodes uit MAERLANT'SHistorie van Troyendoor Dr. J. VERDAM, p. 27–28.]
[Voetnoot25: Vgl. BEHAGHEL'SEinleitung, S. CLXXXVI flgg.]
[Voetnoot26: Uitvoerige mededeelingen over en uiteenzetting dezer poëzie in PIPER'SSpielmannspoesie. Vgl. voorts:Grundriss, II, 1, 305 vlgg.]
[Voetnoot27: Vgl.Reinaert(ed. MARTIN), GLOSSAR j.v.Ermenrijcen W. MÜLLER,Mythologie der deutschen Heldensage, S. 178.]
[Voetnoot28: Vgl. KLEYN'S Catalogus inArchief voor Ned. Kerkgesch., II, 147.]
[Voetnoot29: Over die tijdsbepalingGrundriss, II, 1, p. 310 vlgg. ZARNCKEhoudt het er voor dat B. „um die Mitte des 13. Jahrh." is ontstaan. (Das Nibelungen-Lied, Einl., S. XIV).]
[Voetnoot30: Boek II, 115.]
[Voetnoot31:Teuthonista(ed. VERDAM), p. 486: „die witte wech des nachtes an der lucht, den men noempt sent Jacobs wech of ver broenelden strait,galaxia."]
[Voetnoot32: Over de redactie die waarschijnlijk tot voorbeeld heeft gestrekt aan de Nederlandsche bewerking vgl. mijneMiddelned. Epische Fragmenten, p. 1–3 en het artikel van Dr. FRANTZEN inDe Gids, 1889, I, 29–79.]
[Voetnoot33: In mijne uitgave der fragmenten heb ik daaromtrent het een en ander medegedeeld; Dr. FRANTZEN voegde daaraan vrij wat toe in zijn voortreffelijkGids-artikel. Sedert heb ik de fragmenten nog eens met het origineel vergeleken in de uitgave van BARTSCH:Der Nibelunge Nôt.(Leipzig. BROCKHAUS, 1870–1880) waarin men ook de varianten der hss. vindt.]
[Voetnoot34: Vgl.Middelned. Ep. Fragmenten, bl. 9–32; het genoemde stuk van Dr. FRANTZEN inDe Gidsen de uitgave van E. MARTIN inQuellen und Forschungen, 65. Heft.]
[Voetnoot35: Vgl.Mnl. Ep. Fragmenten, bl. 10.]
[Voetnoot36: Volgens de juiste opmerking van Dr. FRANTZEN, t.a.p.]
[Voetnoot37:Sp. Hist., IIIe Deel, bl. 170, 204.]
[Voetnoot38: Vgl.Rekeningen der Grafelijkheid van Holland onder het Henegouwsche huis, III, p. 96.]
[Voetnoot39: Bij de door Dr. TE WINKEL genoemde literatuur moet gevoegd worden: 1o. de uitgave van het gedicht door Dr. E. BONEBAKKER. (Amsterdam. Gebroeders BINGER. 1894); 2o. Dr. J. BERGSMA,Bijdrage tot de Wordingsgeschiedenis en de critiek der Mnl. Brandaenteksten; 3o.Van Sente BrandaneinTijdschr. v. Ned. T. en L., VII, 85 vlgg.; 4o.Romanische Studiën....von ED. BOEHMER, I, 553 flgg. Over de tijdsbepaling van het Mnd. gedicht te verg. het a.w. van P. PIPER, I, 116. De Middelnederlandsche bewerking is tot ons gekomen in twee redacties, die van het Hulthemsche en die van het Comburgsche hs. Ook ik houd de eerste voor de oudste; o.a. omdat het aantal assoneerende rijmen en het aantal der verzen met slechts drie of twee heffingen er grooter is dan in het Comburgsche hs.
De beide bewerkingen schijnen, onafhankelijk van elkander, naar hetzelfde Mnd. voorbeeld gemaakt te zijn.]
[Voetnoot40: Vgl.Van Sente Brandane(ed. BONEBAKKER), p. 10.]
[Voetnoot41: Vs. 249–251.]
[Voetnoot42: Het hier en elders in denBrandaenvoorkomendeaerme scaren(zie BONEBAKKER'SAant., p. 8) met DE VRIES, VERWIJS, VERDAM e.a. te veranderen in een door DE VRIES gemaakt Mnl. woordharmschare(straf, kwelling), dat nergens in de Duitsche redacties voorkomt, schijnt mij niet alleen onnoodig maar zelfs verkeerd. Het Comb. Hs. dat spreekt van „keitivegher scaren" had DE VRIES kunnen waarschuwen. De uitdrukking is op de bewuste plaatsen volkomen goed te verdedigen. MAERLANT spreekt van „blide scare" voor hemelbewoners; zieStroph. Ged.edd. FRANCK en VERDAM, p. 135). Doch wij hebben hier een der niet zeldzame gevallen waarin de oudere philologie, tegen de overlevering in, en met verwerping van het voor de hand liggende als te eenvoudig, zich vermeide in de spelingen van haar critisch vernuft.]
[Voetnoot43: Ed. BONEBAKKER, C. 1008, H. 953; C. 1075–1081, H. 1022–1028.]