BOEK I.

Gedurende de gansche 13deeeuw is er in deze landen en volken nog weinig eenheid te bespeuren; integendeel, wij zien eene veelheid van onderscheidene eenheden: kleine staten en staatjes die voortdurend naar volkomener onafhankelijkheid streven. Holland was reeds vroeg zelfstandig geworden, had zich nagenoeg van het Duitsche rijk afgescheiden, was er steeds op uit alle bemoeiingen van Keizers of andere rijksvorsten met zijne binnenlandsche aangelegenheden af te weren. De overige landen gaan met meer of minder goed gevolg denzelfden weg. Vlaanderen heeft het misschien het zwaarst in zijn strijd om onafhankelijkheid van Frankrijk te verwerven.

Onderwijl zijn de Nederlanders bezig hun land te verdedigen tegen het water, woeste streken te ontginnen, te herscheppen in bouwland en weiland. Het water geeft geen kamp: de Marcellus-vloed van 1218 wordt meer dan eens door hevige overstroomingen gevolgd; doch de waterschappen ontstaan, polderland komt te voorschijn, allerwege beginnen windmolens te draaien.

Veelheid van eenheden zien wij ook in het volk dat deze landen bewoont. Tegenover het geestelijk element stond het wereldlijke. God—zegt DIRC POTTER in zijnMinnen Loop—heeft der wereld rijk in tweeën gedeeld: de eene helft moet zich bezig houden met het tijdelijke; de andere moet opwaarts schouwen en van daar nederbrengen wat zij ons, de eerste helft, moeten leeren[1]. Het wereldlijk element werd weer gescheiden in heeren en gemeente. Ridderschap, geestelijkheid en de gemeenten waartoe men ook de landbouwers kan rekenen, vormden de drie groote bestanddeelen der bevolking van al deze gewesten. Een dichter der 14deeeuw, WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH, spreekt dan ook „van der drierehande staet der werelt" en bedoelt daarmede: ridders, geestelijken en huislieden[2].

Niet meer, als in de 11deeeuw, waren de Zuidnederlandsche ridders op het land wonende grondbezitters, die in vredestijd hunne goederen bestuurden en zelf wel eens de hand aan den ploeg sloegen; die, eenvoudig gekleed en gewapend, op zijn best een wachttoren op een heuvel bewoonden, omgeven door een muur van ruwe steenen.

In het laatst der 12deeeuw reeds prijst de Duitsche dichter HARTMANN VON AUE de ridders van Henegouwen, Brabant en de Haspengouw, als hij voortreffelijke ridders wil noemen. De graven van Henegouwen en van Leuven komen soms met honderden prachtig uitgedoste ridders ten tournooi. In Holland zijn de BREDERODE'S, WASSENAERS, TEILINGENS, EGMONDEN, ARKELS en zoovele anderen reeds aanzienlijke geslachten. JAN VAN BRABANT, FLORIS en WILLEM VAN HOLLAND sterven op een tournooi of aan de gevolgen van daar ontvangen wonden. Terwijl een aantal Vlaamsche ridders zich bij Hesdin met het ridderlijk spel der „tafelronde" vermaken, hechten zij zich het kruis op borst of schouder.

Naast doch vaker tegenover de ridders staan de geestelijken. Naast hen, want ook in deze landen vond men prelaten als die bisschop van Beauvais die in den slag bij Bouvines de vijanden met een ijzeren knots neersloeg—omdat de Kerk geen bloed mag vergieten. Doch vaker tegenover hen, in de werken des vredes. Overal worden kloosters gesticht voor monniken en nonnen; kloosters van Benedictijnen, Cisterciensers, Praemonstratensers. Door de instelling der bedelorden komt het monnikwezen in een nieuw stadium van ontwikkeling. Vooralde orde der Franciscanen breidt zich meer en meer uit. De bagijnen beginnen hare hoven te stichten. Voorname abdijen als die van Egmond, Rijnsburg, Leeuwenhorst verrijzen. In Groningen, in Friesland, Gelderland, ook in Limburg en Brabant vindt men kluizenaars die voor langer of korter tijd een eenzaam leven leiden.

Het overig, verreweg grootste, deel der bevolking woonde als visschers langs de zeekust (MELIS STOKE kent Zandvoort reeds)[3], als landbouwers en veeboeren ten platten lande, alleen of in dorpen en gehuchten, of eindelijk als kooplieden, neringdoenden, ambachtslieden in de steden die in aantal en omvang toenamen. Sommige steden dagteekenden nog uit den tijd der Romeinen, andere waren opgekomen als middelpunten van marktverkeer, hadden zich langzamerhand gevormd om een kasteel of klooster of waren ontstaan uit de vereeniging van eenige landgemeenten. Allengs verkrijgen zij het recht zich te beschermen met „eiken tune (planken muren) ende diepe grachte", een stedelijke hal, een steenen gevangenis (steen) te bouwen; andere vrijheden en voorrechten zullen volgen. In groote steden als Gent en Brugge vinden wij reeds melding gemaakt van plaveisel en steenen woonhuizen (verreweg de meeste waren van hout en met riet gedekt).

De maatschappelijke toestand der boeren was gedurende de middeleeuwen minder droevig dan men langen tijd heeft gemeend. Ook was de verhouding tusschen heer en lijfeigenen niet louter die van een meester tegenover zijne dienstknechten en belastingplichtigen; zij omvatte integendeel het gansche leven in zijne meest verschillende uitingen en had niet zelden iets patriarchaals. Bovendien worden gedurende de gansche 13deeeuw eigenhoorigen verheven tot den vrijen dienstmansstand; aan het eind dier eeuw is de groote meerderheid der bevolking vrij geworden.

Er wordt—het spreekt vanzelf in dien tijd—ter dege onderscheid gemaakt tusschen ridders en dorpers; zoo wordt bijvoorbeeld een dorper die een ridder slaat of scheldt, zwaarder gestraft dan wanneer hij een anderen dorper te na gekomen is, en het schaken van een meisje uit den aanzienlijken stand zwaarder dan van een arm meisje[4]. Toch was de adel niet eenheerschendestand; wel had hij een eere-voorrang. Ook waren ridders en poorters niet zoo scherp gescheiden of er hadden wel huwelijken tusschen deze beide standen plaats. En eindelijk: de vroeger zoo talrijke klasse van ridders nam gedurende deze eeuw af in aantal als in aanzien. Verarmd door oorlog, tournooien en den ganschen nasleep van het ridderlijk leven, moesten zij bij honderden in den dienst der vorsten treden, den vorst hunne allodiën opdragen en voortaan leven als zijne leenmannen of zijne baljuwen. Ook de kloosters daalden in maatschappelijke en economische beteekenis. De geestelijkheid moest, tenminste in Gelderland, een deel harer bezittingen aan den graaf overdragen.

Maar stadig rees de ster der gemeenten[5].

In het wereldlijk bestanddeel der bevolking, bij heeren en gemeenten, kunnen wij ook weer een veelheid van samengestelde eenheden opmerken: de onderscheidene „sibben", maagschappen of geslachten. De band tusschen bloedverwanten was toentertijd zooveel sterker dan nu, daar de mensch alleen zich in de maatschappij meer weerloos en onbeschermd gevoelde. Iemand was niet in de eerste plaats een persoon, maar lid zijner „sibbe"[6]. De maagschap staat op den voorgrond, niet de enkeling.

Het familie-verband werd bij de Germanen voorgesteld door vergelijking met het menschelijk lichaam. Zoo worden volgens den Saksenspiegel de ouders voorgesteld door het hoofd; de kinderen door de geleding tusschen hoofd en hals en zoovoort, totdat eindelijk de zevende „sibbe" in de nagels der handen geplaatst, en vandaar „nagelmagen" genoemd werd. De maagschap bracht verscheidene rechten en plichten met zich. Zoo b.v. het recht en den plicht tot het opnemen der veete van een verslagen bloedverwant. Nog in het midden der 13deeeuw heerschte in Friesland de barbaarsche gewoonte om een verslagene niet te begraven, vóórdat zijne naastbestaanden op den doodslager of diens betrekkingen bloedwraak hadden genomen. Vervolgens het recht en den plicht om weergeld te eischen en te betalen. In Kennemerland en West-Friesland was het nog in de 14deeeuw gewoonte, dat bij doodslag de schuldige en zes zijner naaste magen (in Drenthe „keurmagen" genoemd) ieder een zevende van het weergeld (man-geld) of zoengeld betaalden. De magen staan elkander bij voor het gerecht als in het gevecht. Zij deelen in de schande die over een hunner komt.

Als de edelen graaf FLORIS omsingeld hebben, ontneemt AERNT VAN BENSCOP hem zijn jachtvogel en zegt:

Ic moet nu op desen tijt Uwen sconen sperwaer draghen,U te lachtre#ende uwen maghen.

Wanneer de oude MAERLANT zijne mede-christenen wil opwekken tot strijd voor de kerk die in last is, zegt hij:

Eest dat ghi sijt van haren maghen, So moetti nuwe wapene draghen, Keren ende wreken dese overdaet.

En niet duidelijker voorstelling weet een middeleeuwsch ridder koning ARTHUR te geven van een fellen zwaardslag, dan door als gevolg van dien slag te noemen: „ic vergat al mire mage"[7].

Deze neiging tot het stellen van de maagschap boven den enkeling, het samengestelde boven het enkele, het vormen van complexe eenheden, zien wij in deze eeuwen ook elders.

Menige abdij, menig klooster, met zijn boomgaard, moestuin, vischwater, met molen, bak- en brouwhuis, is als een kleine wereld op zich zelve. Een ridderkasteel omvat binnen zijne muren en grachten tal van afzonderlijke gebouwen. In menig gezin, vooral ten platten lande, at men eigengebakken brood (huisbakkenkreeg eerst later zijne ongunstige beteekenis); droeg men eigengeweven linnen; zelf slachtte men in Reuzelmaand een varken, droeg zorg voor het rooken der zijden spek en der hammen. De wetenschap omvat alle wetenschappen: geleerden als ROGER BACO, ALBERTUS MAGNUS, VINCENT VAN BEAUVAIS, JACOB VAN MAERLANT weten alles wat er in dien tijd te weten valt.

Wat wonder dat wij dezen geest der tijden terugvinden in die meest geestelijke uiting van het leven: de taal? Dat ook daar de synthese het wint van de analyse, zooals blijkt uit de neiging tot het vormen van groote zin-complexen bij menigen middeleeuwschen schrijver? Zulk een zin-complex is b.v. dit volgende uit den proloog van denBrandaen:

Die Heleghe Gheest moet mi leeren, —Die welke der ezelinnen Wijlen dede sprekens beghinnen, Daer up dat reet Balaam, Dat was een heydin man, Dat so#meinschelike sprac, Daer sij den inghel Gods sach Commen in haer ghemoet: Den wech hi haer wederstoet#Met eenen zwerde vierijn#;Si vloo van den inghel fijn Ende dede haeren heere cont— Dese moete ontsluten minen mont: Die ghene die haer gaf de macht, Dat si wert redene acht#[8].

Is de taal hier beeld van het innerlijk leven, inzonderheid het gedachtenleven der menschen van toen, en valt hier een zwak schemerlicht op de onnaspeurbare gangen der menschelijke gedachte—ook andere deelen van dat innerlijk leven zijn ons in het afdruksel der taal bewaard gebleven: de sterk ontwikkelde zinnelijkheid van het middeleeuwsch geslacht en zijn gebrek aan zelfbeheersching.

Om begrippen van ruimte en tijd uit te drukken, bedient men zich niet van ellen en mijlen, uren en dagen, doch men verzinnelijkt die begrippen door te spreken van: een boogschot hoog, een steenworp ver; zekere eilanden liggen volgens MAERLANT „twee dachseilinghe verre" van Afrika; zeker arts is beroemd: „alse#verre als God de sonne seinen doet". Iets zal gebeuren "eer die sonne ondergaet"; een paar ridders vechten zoolang als men noodig heeft om een mijl te loopen. De tijd van 24 uren wordt uitgebeeld door "tusschen twee sonnescinen"; van den eenen winter op den anderen door: „tusschen twee sneeuwe". De lente door: „alst ten nieuwen gerse#kwam", najaar en voorjaar door „te hooi en te gras". Men ziet de dingen nog vóór zich: een boschstaat; een bruglooptover een rivier; men hangt iemand niet op—men hangt hem „bi der kelen"; men kust een meisje „ane haren mont", zit met haar in het „groene gras", begraaft haar onder „de rooskens root".

Behoefte aan volledigheid van voorstelling brengt de schrijvers van toen tot het uitdrukken van deelen eener handeling, diewij—als onnoodig, immers: vanzelf sprekend—weglaten. Het zijn gewoonlijk verbindingen van twee werkwoorden, waarvan het eene een lichamelijken toestand, het andere eene werking uitdrukt; aanwijzingen van het eerste soort, zooals: „daer hi lach, sat, stont" achten wij nu overbodig—voor de middeleeuwsche menschen waren zij dat niet.

Men zal zich moeten wachten, uitdrukkingen als:antwoordde ende seide, bevelen en overleveren, weest des seker ende hout dat vaste, Gods ghebot ende sine woordetautologieën te noemen: toen had elk der deelen van zulke uitdrukkingen zijne eigen beteekenis en kracht; het verschil tusschen onze voorouders en ons is slechts, dat zij er behoefte aan hadden een grooter deel der voorstelling in taal te verzinnelijken dan wij. Om dezelfde reden zijn in:God, die coninc van den trone#, de opGodvolgende woorden volstrekt geen stoplap, evenmin als in zoovele dergelijke uitdrukkingen, want er bestond behoefte om ook aan dat deel der voorstelling uitdrukking te geven[9].

Gebrek aan zelfbeheersching toont zich telkens waar wij een middeleeuwsch schrijver midden in een periode den eerst gekozen trant van voorstelling zien verlaten, met dien verstande dat hij het indirecte vervangt door het directe. Zij beginnen b.v. met een bode te doen spreken in afhankelijke zinnen:

Dat sijn vader doot ware Ende sijn moeder ooc mede.

Daarop laten zij dan plotseling, zonder overgang, volgen:

„Ende in u lant is groot onvrede, „Want vremt volc, sonder waen, „Hebben u lant ondergedaen#."

Blijkbaar is de dwang der periode, die het voortdurend gebruik van afhankelijke zinnen met zich brengt, hun te lastig en de rechtstreeksche uiting, als natuurlijker, hun aangenamer.

Een niet volkomen gelijk, maar toch verwant, karakter vertoonen die perioden, waarin de dichter plotseling zijn verhaal of beschrijving laat varen voor het sprekend invoeren van een zijner personages, zonder dezen overgang aan te kondigen: een schrijftrant die, begrijpelijker wijze, in hooge mate tot de verlevendiging van het verhaal bijdraagt[10].

De taal—wij zeiden het reeds—was hier spiegel van het leven. Welk een brand van hartstocht slaat ons tegen uit de middeleeuwsche kronieken! Hoe onbeteugeld stormen de driften in al die gevoelsmenschen, die nog zoo weinig gewend zijn hun eerste opwellingen te onderdrukken en aan de rede stem in het kapittel te geven. Waarlijk niet zonder reden vaardigde men verordeningen uit, waarbij het dragen van wapenen verboden werd. Ook het heiligste is soms niet veilig. Eene woeste menigte, in strijd met den kloostervoogd HERDERIK van Schildwolde, stormt de kloosterkapel binnen, rooft het corpus domini met het ciborium en steekt de kloostergebouwen in brand. Van hertog JAN I van Brabant, een toonbeeld van echte ridderschap, wordt ons verhaald dat hij in gramschap een stok doormidden beet.

MAERLANT beschuldigt adellijke priesters dat zij vrouwen bedriegen en als hunne prooi beschouwen. De abdis van het hoog-adellijk Rijnsburg klaagde aan den paus, dat hare nonnen in vele opzichten den regel overtraden, dat zij twistgierig waren en zelfs de handen aan elkander sloegen.

De kloostermuren mochten hecht en hoog zijn—zij konden den hartstocht niet buitensluiten, noch de zonde. Het klooster zal voor menigeen een veilige wijkplaats zijn geweest, maar hoevelen namen hun strijd met zich nadat de poort zich achter hen gesloten had! Als een rijk man gereed staat der wereld vaarwel te zeggen en zijne goederen te vermaken aan het klooster dat hem zal opnemen, welk een wedijver ontstaat er dan tusschen de abdijen die vlassen op zijne nalatenschap[11]. Watis er ook binnen de kloostermuren geleden in den strijd met de zonde en den wellust. Hoe heerschten ook daar trots, ijverzucht, toorn, gulzigheid en die zonderlinge lusteloosheid, welke de monniken van Heisterbachacedianoemden en die een middeleeuwsch prototype vanspleenenweltschmerzschijnt te zijn geweest[11].

Gansche geslachten komen door de verplichting van veete tegenover elkander te staan: in Leuven de patricische families van BLANCKAERT en DE COLVERE; in den slag bij Woeringen vinden wij de SCAVEDRIESCHEN tegenover de geslachten van WITHAM en MULREPAS; in 1290 breekt in de Haspengouw een verbitterde strijd uit tusschen de Awans en de Waroux, die 45 jaren duurt, waarin de partijen elkander te gronde richten en vele dorpen worden verbrand.

De standen zijn tegen elkander verdeeld. De abdij van Rijnsburg is meer dan eens in twist met de grafelijkheid van Holland of met Hollandsche edelen, met TEYLINGHENS, WASSENAERS, VELZENS; nu eens over een brug, dan over den eigendom van veenlanden. De bisschop van Utrecht, OTTO VAN DER LIPPE, strijdt met de weerbarstige edelen in de buurt van Vollenhove en slecht hunne kasteelen. GIJSBRECHT VAN AEMSTEL leidt in Holland en het Sticht een boerenopstand waarvoor de bisschop moet wijken. Onder de burgerij zien wij op vele plaatsen de ambachten staan tegenover de patricische geslachten, die zich langzamerhand uit de gemeente omhoog beurden, en die den ambachtslieden geen aandeel in de regeering gunden[12].

Zien wij dus dikwijls man tegen man, geslacht tegen geslacht, stand tegen stand, niet zelden vinden wij gewest tegen gewest. Het is de strijd om Limburg tusschen JAN I van Brabant en REINOUT van Gelre; tusschen de hartstochtelijke gravin van Vlaanderen, ZWARTE GRIET, en WILLEM II van Holland; denzelfden graaf van Holland die bij Hoogwoude tegen de Friezen sneuvelt.

Al die woelige elementen van hartstocht en strijd worden te nauwernood in bedwang gehouden door Germaansch recht en Christelijk geloof.

„Van sachte meesters vuyle wonden", zeide het spreekwoord en waarin onze voorouders te kort mogen zijn geschoten, niet daarin dat zij te zachte heelmeesters waren. Zij die een meisje aanspoorden om zich te laten schaken (het schaken was in zwang) werden gestraft met het verlies van den neus. „Wie vrouwen ofte joncvrouwen vercrachte, men sal hem den hals afsagen mit eenre plancken". Van ouds was het gewoonte „alle duytsche lant door" dat een dief de galg kreeg, een moordenaar of moordbrander het rad, dat manslag en roof met het zwaard werden gestraft, een valsche munter in een ketel levend gezoden werd, een spion boeten moest met verlies van een oog, een „pontsnider" (besnoeier van het geld) een duim moest missen.

Wereldlijke en geestelijke overheid gingen hier hand aan hand. Ook de kerk had tal van straffen te harer beschikking en maakte daarvan een ruim gebruik: vasten, boeten, bedevaarten behoorden tot de gewone straffen. Had iemand zich zwaarder vergrepen, dan moest hij soms zeven jaren lang in ballingschap omzwerven. In het ergste geval werd hij door de excommunicatie buiten de gemeenschap der kerk gesloten: als vogelvrije zwierf hij rond en, bekeerde hij zich niet bijtijds, dan wachtten hem de verschrikkingen der hel, door een middeleeuwsch monnik samengevat in een vers dat reeds aan de tong een voorsmaak van dat lijden geeft:

Pix, nix, nox, vermis, flagra, vincula, pus, pudor, horror.

Maar de kerk deed meer en beter dan schrik aanjagen en straffen. Met krachtige hand bestuurde zij de gemeente der geloovigen; liet zij de teugels vaak losjes hangen, zij hield ze stevig vast. Van de wieg tot het graf begeleidde zij den mensch,ja, haar invloed eindigde ook met den dood niet. Was de middeleeuwsche christen door den doop in de gemeenschap der kerk opgenomen, dan moest menige gewichtige handeling die hem en de zijnen van nabij raakte, door de kerk gewettigd worden. Gestadig bezocht hij het kerkgebouw waar hem, uit geheimzinnig schemerdonker, van het altaar zacht kaarslicht tegenglansde, waar bij het mysterie der mis de opzwevende wierookgeuren hem stemden tot aandacht en vereering. Lag hij op zijn sterfbed, dan naderde, aangekondigd door de klinkende altaarschel, de priester met de heilige hostie en de stervende blies den laatsten adem uit met de gewijde waskaars tusschen de saamgelegde handen, in het vertrouwen op een zalig leven in eeuwigheid.

In en buiten de kerk was de geloovige steeds omgeven door de heiligen die vroeger op deze aarde hadden gewandeld, hem waren voorgegaan naar den hemel, doch nog steeds over de menschen bleven waken. Wie op reis ging, beval zich in de hoede van SINT JAN en SINTE GEERTRUIDE, SINT CHRISTOFFEL was de toevlucht tegen een onverwachten dood, SINT MICHIEL beschermde inzonderheid tegen den duivel. Immers, ook deze en zijne trawanten waarden rond, zoekende wien zij konden verslinden. Maar wat nood voor den vromen Christen? Konden God, Jezus en Maria, konden de heiligen en zelfs de overblijfselen dier heiligen, niet elk oogenblik een wonder verrichten? Telkens vernam men van betrouwbare menschen, dat er wonderen geschied waren. Friezen getuigden dat zij in het jaar 1214 kruisen in de lucht hadden gezien, terwijl de kruisprediker OLIVIER van Keulen sprak. In het klooster Aduard waren monniken, zóó eenvoudig van hart, dat zij beproefden hunne kappen op te hangen aan de zonnestralen[13]. Was er nog een grens tusschen wonder en werkelijkheid voor wie deze en dergelijke dingen hadden gezien en gehoord? En is het niet begrijpelijk, dat de dichter van denKarel ende Elegastin den aanvang van zijn verhaal „wonder en waarheid" in één adem noemt?

Wij hebben getracht in eenige groote trekken eene voorstelling te geven van het leven der toenmalige maatschappij. Het was noodig eene poging daartoe aan te wenden, omdat alleen langs dien weg eenigermate zal kunnen blijken, op welke wijze zich hier het leven in de poëzie heeft geuit. Zóóveel kan althans uit die voorstelling gebleken zijn, dat gedurende de 13deeeuw het algemeene de overhand had op het bijzondere, het samengestelde op het enkele, de stand op het individu. Het leven heeft zich toen vooralstandsgewijzegeuit. En zoo bevat de poëzie, die wij nu zullen gaan beschouwen, in hoofdzaak uitingen, niet van individuen, maar van standen. Daarom mag zijstandenpoëzieheeten.

In het leven van dien tijd kunnen wij geene scherpbelijnde persoonlijkheden aanwijzen, wel typen van een der drie standen. Zóó is het ook in de poëzie. HADEWIJCH, WILLEM VAN AFFLIGHEM en vooral MAERLANT vertoonen iets van een dichterlijke persoonlijkheid, maar schaduwachtig van omtrek. Eenige andere namen van dichters der 13de eeuw zijn tot ons gekomen, doch het zijnslechtsnamen. Wat baat het ons of wij weten dat „CLAES VER BRECHTEN ZONE" denWillem van Oranjevertaald heeft? Dat WILLEM VAN UTENHOVE „een priester van goeden love" was en dat de dichter van denReinaerteveneens WILLEM heette? Kennen wij die mannen nu? Van vele andere dichterlijke werken zijn zelfs de namen der bewerkers ons onbekend.

Dat onpersoonlijke kenschetst een groot deel dezer poëzie als volkspoëzie, maar volkspoëzie, welke, naar de verschillende stroomingen die zich in haar openbaren, als vanzelve zich scheidt in: ridderpoëzie, geestelijke poëzie en poëzie der gemeenten.

[Voetnoot1:Der Minnen Loop, IV, vs. 4 vlgg.]

[Voetnoot2:Gedichten(edd. BISSCHOP en VERWIJS), bl. 207. Bij den Henegouwschen dichter JEAN DE CONDÉ vindt men eendis des trois estas dou Monde(Dits et Contes de Baudouin de Condé, II, 49 suivv.). Beide stukken hebben overigens niets gemeen.]

[Voetnoot3: Vgl. Boek VIII, vs. 1070.]

[Voetnoot4: VANDERKINDERE,Siècle des Artevelde, p. 141.]

[Voetnoot5: Voor dit overzicht raadpleegde ik, behalve de werken van PIRENNE, MOLL en BLOK; A. SCHULTZ,Höfisches Leben zur zeit der Minnesinger; SCHOTEL,De Abdij van Rijnsburg; MOLL en DE HOOP SCHEFFER,Studiën en Bijdragen; Mem. Cour. de l'Acad. Royale de Belgique, no. 32;Kronijk v.h. Histor. Genootschap, XII, (164–165); twee artikelen van POLS inBijdr. voor Vad. Gesch. en Oudh.(stuk over Graaf JAN I van Holland) en redevoering ter algem. vergadering van het Prov. Utr. Gen. in 1879.De Slag van Woeringen(ed. WILLEMS), vs. 2078, 2635; voorts in de Aant. p. 542.

Wat denGrêgorjusvan HARTMANN VON AUE betreft, merk ik nog op, dat de tijdsbepaling niet geheel vast schijnt te staan.]

[Voetnoot6: Vgl.Reinaert, vs. 2006-'98:

Hi rekende dat hi ware mijn oom ende began ene sibbe tellen; aldaer worden wi gesellen.]

[Voetnoot7: Over de maagschap zie men: JACOB GRIMM'SDeutsche Rechtsalterthümer, (4e Ausg.), I, 642 flgg; FOCKEMA ANDREÆ in:Geschiedkundige Opstellen aangeboden aan Robert Fruin, p. 259 vlgg.;Nederd. Regtsoudheden, p. 298;Versl. en Meded. der Kon. Akad. afd. Lett., 4e Reeks, Deel I; MOLL,Kerkgesch., II, 4, 225;Kroniek van Melis Stoke(ed. BRILL), IV, 1482; ook ald. IV, 1305;Kerken Claghe,vs. 212;Moriaen, vs. 174–177; voortsGrimb. Oorlog, II, vs. 291, 413, 857, 1247, 4354, 4571 en pass.;Parthonopeus, vs. 1227;Limborch, II, 1862. In hetMnl. Wdb.zullen i.v. nog wel andere voorbeelden genoemd worden.]

[Voetnoot8: Ik heb dit staaltje gekozen als bijzonder duidelijk sprekend. De oudere philologie is in deze gevallen alras geneigd tot schrappen van wat zij:inlapselsnoemt; doch men moet hier zeer voorzichtig zijn. Wie een citaat uit denBrandaenniet afdoend acht uit hoofde van mogelijken invloed van het Duitsch (de proloog kan zeer licht van den Nederlandschen bewerker zijn), vindt tal van andere voorbeelden in MAERLANT'SAlexander, I, 953–960; VII, 61–84; 93–105;Leven van S. Lutgarde, II, 3651-'67; 3790-'96; 3824-'39; 6694–6716; 9542-'48; 9632-'47; 9775-'95; 10359-'376; 10730-'37; 11504-'512; 13844-'66; III, 548–557; 850–864.Der Leken Spieghel, II, c. 48, vs. 668–685 (men lette vooral op het slotvers in verband met den aanvang).Der Minnen Loep, I, 2047–2060. STOETT,Syntaxis, p. 146;Hildegaersberch's Gedichten, 155, 203 vlgg.; 157, 129–138; 157, 1–15. FRANCK onderstelt in den dichter van hetLeven der H. Lutgardeopzet bij het maken zijner lange en ingewikkelde zinnen. Mij schijnt dat zeer twijfelachtig. Doch indien er al opzet geweest zij, dan zal de kunst de natuur hier te hulp zijn gekomen. (Zie FRANCK'S betoog inNeue Jahrbücher für das Klass. Alt. Gesch. u. Deutsche Lit., Jahrg. 1904, XIII. Bd. S. 432–434. F. denkt aan invloed van het Latijn).]

[Voetnoot9: Deze en andere voorbeelden vindt men:Karel en Elegast(ed. KUIPER) vs. 394, 802, 862, 103, 1192, 1232;Sp. Hist., I, p. 34, vs. 21;Alexander, I, 1121;Moriaen, vs. 86, 3795;Tijdschr. v. N.T. en L., XVII, 297 vlgg.;Kar. e. Eleg., 100, 198;Merlijn, p. 72, vs. 6696;Lied in de Middeleeuwen, bl. 572; STOETT,Syntaxis, p. 121; BOTERMANS,Die hystorie van die seven wijse mannen van romen. Proefschrift, p. 50;Leven van Sinte Lutgart(ed. VAN VEERDEGHEM). Inl. XXXVI.]

[Voetnoot10:Torec, 3800–3804; 3738-'41;Moriaen, 355, 573, 972;Karel en El., 329, 640; andere voorbeelden in STOETT'SSyntaxis, p. 144.

Het verwante verschijnsel in mijneMnl. Ep. Fragmenten, p. 187; behalve de daar aangehaalde plaatsen nog:Flovent, 395;Madelghijs Kintsheit, p. 69, vs. 40;Aiol(Vlaamsche redactie), vs. 663;Karel de Groote en zijne XII. Pairs (Lorreinen), p. 12, vs. 287; p. 31, vs. 872 (weer het eerste verschijnsel. LONGINUS of althans de schrijver van het boek Περι Υφονς [Greek: Peri Upons] heeft op dezelfde eigenaardigheid bij HOMERUS gewezen. Zie: DIONYSII LONGINIde Sublimitate(ed. B. WEISKE. Lipsiae. WEIGEL. 1809). Sect. XXVII.]

[Voetnoot11: Vgl. TE WINKEL'SMaerlant, p. 257, noot 2; WYBRANDS,De Abdij Bloemhof, p. 72;Naturen Bloeme, II, 690–2; MOLL,Kerkgesch., II, 2, 78;Brab. Yeesten, V, 144–146; MOLL, t.a.p. II, 2, 45; MOLL en DE HOOP SCHEFFER,Stud. en Bijdr., II.]

[Voetnoot12: DEWEZ,Histoire générale de la Belgique, III, 43; HEELU'SSlag bij Woeringen, 3834, 5115 vlgg.; PIRENNE a.w. II, 174; SCHOTEL,A.v.R., o.a. p. 100–101; PIRENNE I, 416, 422.]

[Voetnoot13: BLOK a.w. I, 175.

Bijdr. en Meded. v.h. Histor. Genootschap, XXIII, 43.]

Het ridderwezen. Overzicht der Fransche ridderpoëzie. Ouderdom der Nederlandsche ridderpoëzie. In hoeverre indeeling naar de „matières" te onzent geoorloofd?

I. Frankische romans:Flovent,Roelants-lied,Willem van Oringen,Renout van Montalbaen,Geraert van Viane,Lorreinen,Aiol,Aubri de Borgengoen,Doon de Mayence,Gwidekijn van Sassen. Overige romans. Aesthetische waarde der bewerkingen.Karel en Elegast.

II. Keltische, Klassieke en Oostersche romans:Lancelot,Percevael,Ferguut,Floris en Blancefloer,Partonopeus en Melior. Overige romans. Aesthetische waarde der bewerkingen.Moriaen,Walewein.

Eindbeschouwing.

Germaansche kern in Frankrijks grond geplant, snel opgeschoten, frisch uitbottend en breed zich vertakkend, bloeiend in pracht, verstorven door overmaat van weelderigheid—zoo ging op, zoo blonk, zoo verzonk het ridderwezen.

Het Germaansch gebruik, den manbaren jongeling in een plechtige bijeenkomst met schild en speer te begiftigen, was de kern, door de Franken gebracht in het naar hen genoemd land; onder den invloed der kruistochten ontwikkelde die kern zich daar tot een zedelijke instelling met een hoog-ideaal karakter. Een ridder moest zijn „grootmoedig in tegenspoed, edel van bloede, overvloeiend van eerlijkheid, voortreffelijk door hoffelijke zeden, standvastig in mannelijke braafheid. Dagelijks moest hij met devote gedachtenis aan 's Heeren lijden de mis hooren, voor het Katholiek geloof zijn lichaam veil hebben, de heilige Kerk met hare dienaren van alle geweldenaars bevrijden,weduwen en weezen en onmondigen in hunnen nood beschermen, onregtvaardige oorlogen vermijden, oneerlijk krijgsloon weigeren, tot bevrijding van iederen onschuldige als kampvechter optreden, geene steekspelen bezoeken, tenzij met ridderlijke bedoelingen, den roomschen Keizer of zijn stadhouder in wereldlijke zaken gehoorzamen, den staat ongeschonden in zijne kracht laten, geene leengoederen des rijks vervreemden en onberispelijk voor God en menschen leven."

Door zulke verplichtingen werd de woeste strijdlust van vroeger, in veilige bedding gebracht, aangewend tot ontwikkeling en beschaving der maatschappij. Maar de aanraking met het weelderig Oosten, de toenemende rijkdom en weelde, menschelijke zwakheid en zinnelijkheid begonnen na eenigen tijd de instelling in haar ideaal karakter te bedreigen, deden haar langzamerhand veraarden en eindelijk ontaarden. De eerbied voor de vrouw werd vooral in Zuid-Frankrijk opgeschroefd tot een vrouwendienst waarin het zinnelijk element zich krachtig deed gelden; de hoofschheid, die gaandeweg de vroegere ruwheid had vervangen, werd galanterie; de losheid, loszinnigheid en die: losbandigheid. Toewijding die goed en bloed op het spel zette met het oog op een grootsch doel, werd eerzucht, roemzucht; mildheid sloeg over tot spilzucht. Ten slotte was de adel een stand geworden, die zich slechts door meer rijkdom en uiterlijke beschaving onderscheidde van de overige bevolking, die hem veelal overtrof in innerlijke kracht, in zedelijke en geestelijke ontwikkeling[1].

De poëzie, uit het ridderleven geboren, heeft dat leven in zijn ontwikkelingsgang gevolgd. Maar ook hier: werking en wederwerking. Wie kan het vergeten, die nooit vergeten kan dat roerend-droeve verhaal van FRANCESCA DA RIMINI en die verzen:

Galeotto fu 'l libro e chi lo scrisse: Quel giorno più non vi leggemmo avante.

Dichters, afhankelijk van de ridderschap en onder haar levend, hebben uit verhalende liederen grootere verhalende gedichten geschapen. In den aanvang behandelden die gedichten uitsluitend het nationaal verleden, uit den tijd der Merovingen, zooals deFloovant; uit dien der Karolingen verhalen waarin KAREL DE GROOTE, zijne pairs of de groote vazallen des rijks optreden: deChanson de Roland, deChanson des Saisnes(Saksen), denOgier, den cyclus vanGuillaume d'Orange, deLorrains(hertogen van Lotharingen),Renaus de Montauban,Aiol,Auberi le Bourgoing. Kort voor of in den aanvang der 12deeeuw begonnen dichters van meer ontwikkeling ook verhalen uit den Trojaanschen oorlog en andere sagen der klassieke oudheid te verwerken: denRoman de Troie, denRoman d'Enéas,Roman de Thèbes, deGeste d'Alexandre, denRoman de Jules César.

Uit de aanraking der Fransch-Normandische maatschappij met het Keltisch element in Engeland ontstond omstreeks het midden der 12deeeuw een nieuw soort van verhalen: de Keltische romans. Keltische zangers die rondzwierven door Engeland en Frankrijk, zongen ook in het laatste land hunne lais, liederen van fabelachtigen of mythologischen inhoud, die al spoedig werden vertaald en nagevolgd door Fransche dichters. Langzamerhand werden deze stoffen met de nationale versmolten, werden ook nationale stoffen in den geest der Keltische romans behandeld. Wij vinden hier in hoofdzaak òf verhalen, waarin Koning ARTUR en zijne gemalin op den voorgrond komen en het Christelijk element zich krachtig doet gelden òf zulke, waarin de dolende ridders van ARTURS hof eene hoofdrol spelen als: deTristran,Ivein,Lancelot,Erec,Gauvain,Cligès.

Tot de romans der eerste groep behooren ook groote prozaromans alsLe Grand Saint Graal, die bestaat uit deze drie deelen:Jozef van Arimathea,Merlijn,Perceval; voortsla queste(het zoeken)du Saint Graalen een gedichtLe Petit Saint Graal.

Een middeleeuwsch dichter heeft ons het overzicht dezer romans, waarvan ik slechts eenige voorname heb genoemd, gemakkelijk gemaakt door de drie voorname stoffen, welke zij behandelen, aan te wijzen. In deChanson des Saisnesheet het:

Ne sont que trois matières a nul home entendant: De France et de Bretaigne et de Rome la grant.

Maar de romans welke klassieke en Keltische stoffen behandelen, zijn, bij alle verschil van onderwerp, inderdaad ééns geestes kinderen; de romans waarin nationale stoffen verwerkt zijn, danken hun ontstaan aan een anderen geest.

Zoo mag men deze epische poëzie dan ten slotte scheiden in twee groote afdeelingen, die zich tot elkander verhouden als het nationale tot het uitheemsche.

Tegenover het krijgshaftige, eenvoudigvroom Christelijke der oude nationaleChansons-de-Gestemet hunne ruwheid en grootschheid, ziet men de Keltische en klassieke romans met hunne hoofschheid, hunnen vrouwendienst, het sterk ontwikkeld lyrisch-erotische, gemengd met mystiek, hunne neiging tot het wonderbaarlijke tegenover het wonder in de nationale gedichten. Naar den inhoud staan deze beide groepen ook in zóóverre tegenover elkander, dat zij verschillende beschavingstoestanden weergeven: de nationale groep weerspiegelt een beschaving minder ontwikkeld dan die waaruit de uitheemsche geboren is. De nationale groep staat dichter bij het volks-epos, de uitheemsche dichter bij het kunst-epos. Voor een deel geldt dit onderscheid van volks-epos en kunst-epos ook met betrekking tot de dichters dezer romans; want de makers der oudsteChansons-de-Geste:Roland,Girard de Roussillon,Jourdain de Blaives,Floovant, zijn ons onbekend; van de dichters der latereChansonskennen wij eenige bij naam: ADENEZ-LE-ROI, BERTOLAIS, JEHAN DE FLAGY, JEHAN BODEL, CRESTIEN DETROYES, BÉROL, BENOIST DE SAINTE MORE, ALBÉRIC DE BRIANÇON, LAMBERT LE TORT, ALEXANDRE DE BERNAY... doch zelden veel meer dan den naam. Sommige dezer dichters hebben nationale romans van lateren tijd bewerkt of omgewerkt, andere hebben uitheemsche gedicht.

Ten slotte zijn de beide groepen gescheiden ook naar den uiterlijken vorm, want bijna alle uitheemsche romans zijn geschreven in korte verzen van acht lettergrepen, in tegenstelling met de overige die in het oudere decasyllabische vers of in alexandrijnen zijn gedicht[2].

Langs zulke wegen was de Oudfransche epische poëzie bezig zich te ontwikkelen, toen zij ook in Zuid-Nederland bekend werd. Dat zij daar bekend werd, is licht te verklaren uit het internationaal karakter der ridderschap en de nabuurschap van Frankrijk. Maar bovendien waren Fransche taal en literatuur reeds in de laatste helft der 12deeeuw in een deel van Zuid-Nederland bekend en in aanzien. Kennis van het Fransch werd als noodzakelijk deel der opvoeding van den adel beschouwd; in Vlaanderen was het Fransch voor den hoogen adel en de hooge geestelijkheid als een tweede volkstaal[3]. Aan het hof van den Vlaamschen graaf PHILIPS VAN DEN ELZAS (1168–1191) leefde en werkte de beroemde CRESTIEN DE TROYES, dichter van vele Keltisch-Fransche romans; BOUDEWIJN VIII van Vlaanderen dichtte Provencaalsche liedjes; een paar bekende Fransche dichters, ADAM DE LA HALLE en JEHAN BODEL woonden te Atrecht[4]. Het is begrijpelijk dat deze veelvuldige kennismaking met de Fransche literatuur leidde tot vertaling en navolging; dat wij eene Nederlandsche ridderpoëzie zien ontstaan onder den invloed der Fransche.

Den juisten tijd van dat ontstaan te bepalen, is vooralsnog niet mogelijk. Wel mogen wij met voldoende zekerheid aannemen, dat wij het laatst der 12deof althans de eerste helft der 13deeeuw als zoodanig moeten beschouwen. MAERLANT immers heeft meer dan eens in zijne werken (Alexander, Sint Franciscus, Spieghel Historiael) gewaarschuwd tegen den, zijns inziens, verkeerden invloed van allerlei ons bekende ridderromans. Onder die romans vindt men een paar die tot de bovengenoemde „nationale" groep behooren, zooalsWillem van Oranjeen deHeemskinderen (Renaus de Montauban); enkele zoogenaamde klassieke romans, zooals die overAlexander; een paar die in het Oosten spelen: deFloris en Blancefloeren denPartonopeus; eindelijk een groot aantal die tot de Keltisch-Fransche romans behooren, zooals die vanLancelotenTristan[5]. Bij deze, aan MAERLANT'S werken ontleende, bewijsplaatsen behooren eenige verzen uit hetLeven van Sinte Lutgartgevoegd te worden. De dichter van dat werk klaagt, dat de menschen niet willen luisteren naar „goede exempelkine", maar gaarne komen:

Daer men van ouden ijeesten#singet, Oec daer men voert die sagen bringet Van wigen#och van tavelronden, Daer wilen eer hen onderwonden Te dichtene af die menestrele. ... Mar wonder hevet mi van desen Warumme si so gerne lesen Van ouden sagen dat gedichte Ende oc geloeven also lichte Din logeneren die se tellen. ... Mar die die oude bourden scriven, Si swegen bat, dat seggic hen[6].

Zoowel MAERLANT als WILLEM VAN AFFLIGHEM moeten het oog hebben op Nederlandsche romans. Immers, zij richtten zich vooral tot de gemeentenaren en lagere geestelijken die over het algemeen weinig of geen Fransch verstonden. En zou zelfs onder den lageren adel de kennis van die taal zoo verbreid zijn geweest, dat men er de voordracht van Fransche gedichten met eenig gemak kon volgen? De heilige LUTGARDIS, wier moeder van adel was, kon in de veertig jaren die zij doorbracht in het klooster Aquiria bij Kamerijk, waar men Fransch sprak, nauwelijks zooveel van die taal leeren dat zij daarin om brood kon vragen wanneer zij honger had[7]. Zouden ook lieden uit dien kring der maatschappij geen deel hebben uitgemaakt van het publiek dat Fransche romans liefst vertaald hoorde voordragen?

Indien men nu in aanmerking neemt, dat deAlexander, het oudste der genoemde werken van MAERLANT, omstreeks 1257–1260 zal zijn vervaardigd en hetLeven van Sinte Lutgarttusschen 1263–1274; dat de romans, waartegen met zooveel nadruk gewaarschuwd wordt, eenigen tijd hebben behoefd om zóó bekend te worden; eindelijk, dat de oorspronkelijke Fransche werken, die hier werden nagevolgd, deels in de tweede helft der 12deeeuw reeds bestonden, deels van nog vroeger tijd dagteekenen—dan zal men wel mogen aannemen, dat men te onzent in het laatst der 12deof den aanvang der 13deeeuw het grootste deel der bewuste ridderromans heeft verdietscht.

Mag men in een overzicht der Nederlandsche ridderpoëzie zich bedienen van het onderscheid in: nationale (Frankische) en uitheemsche (Keltisch-Fransche of Britsche, klassieke, Oostersche) ridderdichten? In allen gevalle volstrekt niet met hetzelfde recht dat de Fransche literatuurgeschiedenis hier heeft. Nergens blijkt dat men te onzent zich bewust is geweest van een onderscheid in drie „matières". Niet, als in Frankrijk, beantwoordenhier de beide groepen aan verschillende cultuurtoestanden, waarvan de een op den ander volgde. Integendeel, voorzoover wij nu kunnen zien, mogen wij niet aannemen, dat men te onzent begonnen is met werken der oudste (nationale) groep te vertalen. VELDEKE'SEneïdeis het vroegste episch vertaalwerk dat wij met zekerheid kunnen aanwijzen; daarna komt een deel van denRoman de Troie, vertaald door SEGHER DIEREGOTGAF. Zou de vertaling van deChanson de Rolandniet ouder zijn dan beide? Onmogelijk is dat niet, zelfs m.i. niet onwaarschijnlijk, aangezien het oorspronkelijk gedicht reeds vóór den eersten Kruistocht (1096) bestond. En het moet opgang gemaakt en zich snel verbreid hebben: reeds in 1130 vinden wij eene Duitsche bewerking. Doch zekerheid kunnen wij in dezen niet verkrijgen. Voorloopig moeten wij het er voor houden, dat men hier te lande in het laatst der 12deof den aanvang der 13deeeuw, zonder oordeel des onderscheids, Fransche ridderromans heeft vertaald en nagevolgd. Indien wij nu toch onderscheid blijven maken tusschen een paar groepen van riddergedichten, dan geschiedt dat alleen, omdat ook nu nog voor ons een verschillende geest uit die beide groepen spreekt; dat verschil mogen wij hier ook ter wille van een beter overzicht doen uitkomen.

De stoffen, in deze romans verwerkt, moesten een publiek dier dagen wel krachtig aantrekken. Daar was in de eerste plaats de indrukwekkende gestalte van KAREL DEN GROOTE, immers ook hier te lande bemind en geëerd; groot in de oogen van het nageslacht niet het minst om zijne oorlogen tegen de heidensche Saksen en Mooren. Streden de edelen en burgers dier dagen die ter Kruistocht waren opgetrokken, niet denzelfden strijd tegen het „Saracynsche diet" dien ook de groote Koningmet zijne dapperen had gestreden? En onder die dapperen verschenen in deze romans voor het geestesoog de dappersten en wijsten, die beroemde „genooten", lijfwacht en raad des Konings, wier roem de wereld vervulde: ROLAND en zijn boezemvriend OLIVIER; bisschop TURPIJN, het type van den strijdbaren geestelijke dier dagen; OGIER van Ardennen, BERNARD van Brabant, BERENGIER, hertog NAIMES van Beieren en anderen[8]. Het geweldige en grootsche in vele dezer dichterlijke werken moest wel indruk maken op een publiek, eenvoudig van gemoed, beheerscht door dezelfde hartstochten als de personages in die verhalen.

Daar is ROLAND met zijne helden in den ongelijken strijd tegen duizenden bij duizenden Sarracenen, die weigert op zijn wonderhoorn Olifante te blazen om zijn Koning te hulp te roepen; die eindelijk afgestreden, ten doode gewond, zich uitstrekt op den top van een heuvel, het gelaat naar Spanje gekeerd, maar het hart vol van „het zoete Frankrijk" en zijne maagschap; die stervend zijn rechter handschoen omhoog houdt tot God zijn oppersten leenheer; dan zijgt zijn hoofd op zijn arm, met saamgelegde handen ontslaapt hij; cherubijnen komen en voeren graaf ROLAND'S ziel naar het paradijs. Elders is het GARIN, de reusachtige hertog van Lotharingen, door een overmacht na heldhaftige tegenweer neergeveld, die daar ligt tusschen de overige dooden, „als de eik tusschen de kleine stammen." HAYMIJN, de vader der vier Heemskinderen, die onder zijne baronnen in zijne ridderzaal gezeten is, wanneer de gezanten van koning KAREL, ROLAND en WILLEM VAN ORANJE onder hen, binnentreden. Overmoedig zitten HAYMIJN'S baronnen; elk heeft zijn scherp zwaard over zijne knieën gelegd. HAYMIJN zit in een groenzijden bliaut, het eene been over het ander geslagen, zijn elleboog rust op zijn knie, zijn hoofd op zijn hand. Niemand durft een woordspreken. De afgezanten komen voor HAYMIJN en nijgen voor hem. Hij wil hen niet aanzien. Zij richten het woord tot hem. Hij zwijgt. Vaalbleek wordt hij, nu hij zijne vijanden daar voor zich ziet, maar hij kan geen woord uitbrengen: te vol is zijn gemoed. Weer spreekt ROLAND. HAYMIJN blijft zwijgen. Dan komt zijne gemalin, de schoone vrouw AYA, met een gouden schaal vol koelen wijn en heet de gezanten welkom. Zij verwijt haren man dat hij zich gedraagt als een dorper. Maar nauwelijks heeft zij dat woord gesproken of de vuist van den geweldenaar treft haar zoo in het aangezicht dat het roode bloed op hare voeten stort.

Niet overal zijn de toestanden zoo aangrijpend, geweldig of ruw; ook voor het zachte, het teedere is er eenige plaats.

In de grootscheChanson de Rolandkomt de teederheid soms te voorschijn als een weemoedig zonnetje uit dreigende onweerswolken. ROLAND'S boezemvriend en wapengezel OLIVIER is doodelijk gewond; met moeite houdt hij zich nog in den zadel, de nevel des doods houdt zijn blik reeds omtogen; zoo voert zijn ros hem over het slagveld. In ROLAND die komt aangereden waant hij een vijand te zien. Met inspanning zijner laatste kracht brengt hij zijn vriend een zwaardslag op den helm toe. ROLAND ziet hem aan; zachtkens, zachtkens zegt hij: gezel, doet gij dat met opzet? Ik ben ROLAND die u zoo lief heeft.—Ik hoor u, zegt OLIVIER; ik hoor u spreken, maar ik zie u niet. Moge God u zien, vriend. Ik heb u getroffen, vergeef mij.—Ik heb geen letsel bekomen, antwoordt ROLAND ik vergeef het u.

Hoe treffend is het tooneel in denWillen van Oranje, waar de roemruchte graaf, nu monnik geworden en op inkoop voor zijn klooster uit, door roovers aangevallen wordt; na ze te hebben gedood of verjaagd, ontdekt hij in een kar die de roovers medevoerden, zijne eigen jonge kinderen.

Aandoenlijk is in den roman derHeemskinderende trouw vanhet reuzenros Beyaert aan zijn meester REINOUT. Wanneer het eindelijk op den eisch des Konings in de Oise verdronken zal worden, slaat het telkens de steenen stuk welke de dienaars aan zijne pooten hebben gebonden; zoolang het ros zijn meester ziet, heeft het kracht om dat vol te houden. Nu dwingt de Koning REINOUT te zweren, dat hij niet zal omzien naar Beyaert. Op nieuw wordt het ros in de rivier geworpen. Op nieuw komt het boven en steekt het hoofd op, hinnekend naar zijn meester, „alsof 't een mensch geweest hadde, die na sijn lieven vrient bitterlijk geschreit hadde"[9]. Wanneer REINOUT dan niet naar den trouwen vriend omziet, zinkt het ros en verdrinkt.

De vrouwen en de liefde komen vooral in de oudere romans niet op den voorgrond. Slechts van tijd tot tijd komt een komisch tooneeltje of een komische trek den ernst vervangen; de grappen waarmede de personages zich vermaken, zijn ruw of grimmig.

Behalve de kleine roman vanKarel en Elegast, die een afzonderlijke plaats verdient, is geen enkele dezer romans in zijn geheel tot ons gekomen; van bijna alle bezitten wij slechts grooter of kleiner fragmenten[9]. Wij noemen den roman vanFloventin de eerste plaats, omdat dekernvan dit gedicht herinneringen bevat aan de eerste Frankische dynastie: de Merovingen. FLOVENT wordt ons voorgesteld als oudste zoon van den eersten christelijken koning van Frankrijk, CLOVIS. Wij zien hem in ballingschap rondzwerven met zijn trouwen schildknaap RICHIER. Voortdurend zijn hij, zijne magen en vrienden, in oorlog met de Sarracenen (onder wie hier, gelijk zoo dikwijls, de heidensche Saksen schuilen). Een christelijke en een heidensche prinses betwisten elkander FLOVENT'S bezit. Ten slotte wordt hij teruggeroepen naar Frankrijk door zijn vader die in Laon door de Sarracenen belegerd wordt. De heidenen worden verslagen en FLOVENT later koning vanFrankrijk. Ons fragment van ruim 600 verzen wijkt sterk af van de eenige ons bewaarde Fransche redactie, die echter zelve weer moet zijn voortgekomen uit eene oudere.

Onder de Karolingische romans behoort in de eerste plaats hetRoelants-liedte worden genoemd. Algemeen bekend is, dat wij hier het verhaal hebben van den slag bij Roncevaux, waarin de achterhoede van KAREL DE GROOTE'S leger, onder bevel van graaf ROELANT, in de Pyrenaeën door de vijandige Basken is vernietigd. Daar KAREL'S leger terugkeerde van een tocht tegen de Mooren, lag het hier nog dichter voor de hand, de Basken in Sarracenen te veranderen. Het grootsche Fransche gedicht is waarschijnlijk in zijn geheel vertaald; doch de oorspronkelijke vertaling schijnt niet tot ons te zijn gekomen, wel een vijftal fragmenten die op deze verloren Middelnederlandsche bewerking berusten. Tracht men daaruit die verloren bewerking weer samen te stellen, dan komt men tot een fragment van ruim 1000 verzen die in ruim 1700 verzen van het Fransch ten deele teruggevonden worden.

Naar den strijd met de Mooren verplaatst ons ook de cyclus van gedichten welke zich groepeeren om den persoon van WILLEM VAN ORANJE, een der voorname edelen uit Zuid-Frankrijk, die de Mooren telkens terugsloegen wanneer zij pogingen deden om den Islam ook aan deze zijde der Pyrenaeën te verbreiden. Voorzoover wij weten, is slechts één dezer werken, het zoogenaamdeMoniage Guillaume(WILLEM'S monniksschap) hier vertaald; van dat laatste deel van WILLEM'S geschiedenis is ons een klein fragment van ruim 400 verzen bewaard gebleven. Aan MAERLANT danken wij de wetenschap, dat zekere CLAES VAN HAERLEM, „VER BRECHTEN SONE", deze vertaling vervaardigde[10]. De ons bewaard gebleven fragmenten behelzen de ontmoeting van WILLEM met de roovers, waarvan boven sprake was en eenige van zijne latere lotgevallen.

Van den strijd der Karolingische koningen met hunne groote vazallen geeft de roman vanRenaus de Montaubanons een voorbeeld[11]. Een der machtige vazallen des Konings, HAYMIJN van Dordogne, is met dezen in strijd. Zijne zonen REINOUT, ADELAERT, RITSAERT en WRITSAERT zetten dezen strijd tegen den Koning en zijn zoon LODEWIJK voort. In dien strijd moeten zij vluchten en eene schuilplaats zoeken bij vreemde koningen. Ten slotte moeten zij zich overwonnen verklaren en zich aan den Koning onderwerpen. Het wonderpaard Beyaert en de toovenaar MALEGIJS spelen een gewichtige rol in dit gedicht. De roman draagt terecht den naam van den oudste der vier Heemskinderen—zooals zij later te onzent genoemd werden—daar REINOUT'S reuzenkracht en heldenmoed de kans telkens weer ten voordeele der zijnen doen keeren. Dat ook dit gedicht eene bewerking is uit het Fransch, staat vrij wel vast, al blijft het mogelijk dat de Nederlandsche bewerker op zelfstandige wijze eenige der bestaande legenden tot een geheel heeft vereenigd. Welk Fransch origineel door hem is gevolgd, weten wij niet; wel dat het geen der ons overgebleven redactiën is geweest. Misschien ook is de Nederlandsche bewerking eene samensmelting van een paar oudere redactiën en heeft de bewerker, evenals de Fransche dichter, een noordelijke en een zuidelijke Renout-sage gekend, al gaf hij de voorkeur aan de laatste[12].

De ons bewaard gebleven fragmenten tellen ruim 2000 verzen; misschien slechts een zevende der gansche bewerking[13].

Naast denReinout van Montalbaenmoet deGeraert van Vianegenoemd worden; ook deze roman immers bevat herinneringen aan den strijd van CHARLEMAGNE met zijne groote vazallen, al zijn die herinneringen hier verbonden met heugenissen aan den strijd tegen de Sarracenen in Zuid-Frankrijk. Slechts een klein fragment van nog geen 200 verzen van dezen roman is tot ons gekomen. Naar het schijnt is de Franscheroman van BERTRAND DE BAR SUR AUBE niet het voorbeeld van den Nederlandschen bewerker geweest, maar eene veel oudere bewerking.

Een beeld van den strijd tusschen machtige adellijke geslachten vinden wij in deChanson des Lorrains. Door die geheele grootsche epopee immers loopt als een roode draad: de bloedwraak; alles draait om de „veede" tusschen het geslacht der hertogen van Lotharingen en dat van FROMONT van Bordeaux. Gedurig wordt er een zoen getroffen, maar telkens wordt de vrede weer verbroken en vangt de strijd verwoeder dan ooit weder aan; een strijd in hoofdzaak van kracht en heldenmoed tegen sluwheid en bedrog. Wanneer BEGGE van Lotharingen op de jacht overvallen en vermoord is en daarna ook GARIJN zelf, het hoofd van het geslacht der Lorreinen, zetten hunne zoons den strijd voort. GARIJNS zoon GIRBERT doodt FROMOND van Bordeaux; diens zoon FROMONDIJN neemt nu de „veede" over en zoo gaat het voort. Van de Middelnederlandsche vertaling bleven ons een vijftiental fragmenten bewaard, te zamen meer dan 10.000 verzen, misschien slechts een tiende deel van het oorspronkelijk gedicht bevattend[14].

Een eigen plaats neemt onder de Oudfransche heldendichten deAiolin. Zeldzaam en aantrekkelijk is hier vooral de figuur van den jongen ridder, die alleen naar des Konings hof trekt om de zaak van zijn verongelijkten en verarmden vader te verdedigen. In de verroeste wapenrusting van zijn vader, op een armzalig paard, rijdt hij heen en wekt den spotlust van wie hem op zijn weg ontmoeten—maar hij wint zijne zaak. Deze roman is tweemaal in het Nederlandsch bewerkt; die beide bewerkingen zijn onderling onafhankelijk[15]. De eene, in Limburg vervaardigde, bewerking geeft een vrij dor uittreksel van het ons bekende Fransche gedicht; de bewaard gebleven fragmenten, ongeveer 600 verzen bedragend, omvatten vs. 2538–10092van het origineel. Eenige verzen der Middelnederlandsche bewerking (vs. 58–73) vindt men in het Fransen niet terug. De andere bewerking, waarvan ons 1200 verzen zijn overgebleven, wijkt veel meer van het Fransch af dan de eerstgenoemde. Of wij daarom recht hebben aan te nemen, dat zij dus op eene, ons onbekende, Fransche redactie moet berusten, mag echter betwijfeld worden. De samensteller dezer bewerking volgt het Fransche verhaal wel in hoofdzaken, doch verwerkt die hoofdzaken op eigen wijs. Hij heeft veel weggelaten (vs. 518–601 komen overeen met vs. 8354–9061: 83 verzen in het Nederlandsch voor 707 verzen in het Fransch); van vs. 801–1200 dezer bewerking vindt men in het Fransch nagenoeg niets. Dat deze bewerker zijn eigen weg ging, moet men vermoeden ook met het oog op het feit, dat wij hier een blijkbaar oorspronkelijk Nederlandschen naam vinden voor AIOL'S zwaard, nl.:Scaerdeline, terwijl in het Fransche gedicht geen zwaard van AIOL een naam draagt[16]. Dat namen uit het origineel alsElie, Avissezijn weergegeven doorHellineenAnflisse, doet denken dat de Nederlander het Fransche verhaal slechts kende van „hooren zeggen". Bovendien komen eenige namen uit het tweede fragment dezer bewerking (Baselie, Mersaelien ende Eggermort, Florette, het wout vanBonival, Godevert van Brusewijc) in het Fransch in het geheel niet voor.

Slechts kleine fragmenten bleven ons over van den roman vanAuberi le Bourgoing. In dat verhaal vinden wij de krijgstochten en daden van een jong Bourgondisch ridder, die met zijn neef en wapenbroeder GASCELIN, in Beieren de Russen en in Vlaanderen de Friezen bevecht en ten slotte door een huwelijk met GUIBOURC, koningin-weduwe van Beieren, koning van dat land wordt.

Eindelijk moeten wij nog melding maken van een paar fragmenten, die tot dusverre geacht worden ontleend te zijn aanden roman vanDoon de Mayenceen aan deChanson des Saisnes(Saxons). Het eerstgenoemd fragment verhaalt ons van drie ridders: FIERABRAS, ELEGAST en MILO (ROELANTS vader) die van de jacht terugkeeren naar de stad Vauclere, welke door de Sarracenen onder HABIGANT belegerd wordt. Zij ontmoeten drie Sarraceensche vorsten die zij uitdagen; het gevecht zal plaats hebben op een eiland in de rivier. Op hun weg naar Vauclere doen de ridders een inval in het kamp der heidenen en een hevig gevecht vangt aan. In den Franschen roman van dezen naam, waarin de stad Vauclere en de Sarraceensche aanvoerder HABIGANT (AUBIGANT) inderdaad eene groote rol spelen, heb ik ons fragment niet kunnen terugvinden. Wanneer men in aanmerking neemt dat de roman vanFierabrashier volgens MAERLANT'S mededeeling reeds vóór het eind der 13deeeuw vertaald was; dat in denGeraert van Vianede strijd tusschen OLIVIER en ROLAND ook plaats heeft op een eiland in een rivier[17]; dat ELEGAST hier, evenals in den roman vanKarel en Elegast, optreedt als toovenaar; dat de naam van ROELANTS vader evenals die van den hier voorkomenden pair van CHARLEMAGNE, SANSON, licht van elders bekend konden zijn, dan moet men waarschijnlijk achten, dat wij hier eene vrije bewerking van Fransche epische stoffen vóór ons hebben.

Wat het fragment betreft, dat bekend is onder den naamGwidekijn van Sassen, ook daarin blijft nog veel over dat opheldering behoeft[18]. Met JEAN BODEL'SChanson des Saxonsheeft ons fragment niets gemeen; dat het vertaald zou zijn naar eene vroegere bewerking dezer stof die bewaard is gebleven in de Noorsche Karlamagnus-sage, acht ik onwaarschijnlijk wegens de gewichtige afwijkingen. Ons fragment verplaatst ons in de volgende omstandigheden: Het Fransche leger, waarbij ROLAND en zijn broeder FRANSOYS (niet van elders bekend), OLIVIER, ESCOUS, OLLEUS, REYNOUT en vele andere ridders zich bevinden, heeft het beleg geslagen voor de stad Sassine, waar de reus FLEDRIC, GWIDEKIJN'S broeder, het bevel voert. Een nachtelijk gevecht heeft plaats, waarin FLEDRIC sneuvelt. De dichter der Nederlandsche bewerking kende hetRoelants-liedblijkbaar; met den ridder in de zwarte wapenrusting die tooveren kan, zal ELEGAST wel bedoeld zijn[19]. Ook hier moeten wij, naar ik meen, denken aan eene vrije bewerking van epische stoffen, die den Nederlandschen bewerker misschien slechts door mondelinge overlevering bekend waren geworden.

Behalve de genoemde romans zullen hier te lande in dezen tijd vermoedelijk nog andere bekend zijn geweest, misschien door eene Nederlandsche vertaling. MAERLANT, zagen wij, spreekt vanFierabras. Waarschijnlijk heeft hij den naam van dezen heidenschen reus, die in Spanje, na een gevecht met OLIVIER, tot het Christendom bekeerd wordt, leeren kennen uit den roman van dien naam. Misschien kende hij ook Nederlandsche bewerkingen der romans vanFoulque de Candieen vanKarel en Galie, welke laatste ons in eene Nederduitsche omwerking in denKarlmeinetis bekend gebleven.

Van deze door MAERLANT genoemde of aangeduide romans en van de reeds behandelde:Roelants-lied,Willem van Oringen,Reinout van Montalbaen, zal men wel mogen aannemen, dat zij uit de eerste helft der 13deeeuw, ten deele misschien (hetRoelants-liedb.v.) nog uit het laatst der 12deeeuw dagteekenen. Ook van denFlovent,Geraert van Viane, deLorreinen, denAiol(ten minste de Limburgsche redactie) en denAubri de Borgengoen, mogen wij wel aannemen dat zij nog in de eerste helft der 13deeeuw vervaardigd zijn. Of de vrije bewerking van denAiol, deDoon de Mayence, deGwidekijn van Sassentot dienzelfden tijd behooren, of eer in de tweede helft der 13deeeuw moeten geplaatst worden? Zoolang wij niet meeren beter gegevens hebben, zal dat bezwaarlijk zijn uit te maken[20].

Dat in vele dezer romans echte poëzie of tenminste poëtische stof wordt gevonden, hebben wij vroeger reeds gezien. Die poëzie echter was voortgebracht door de dichters der oorspronkelijke werken; er is hier gewag gemaakt van die poëzie alleen om den smaak onzer voorouders in dezen te kenschetsen. De Nederlandsche dichters der middeleeuwen hebben slechts eenig aandeel in deze poëzie, voorzoover zij die hebben nagevoeld. De vraag die wij ons bij de beoordeeling dezer Nederlandsche werken hebben te stellen, is: welk karakter dragen zij als bewerking of navolging?[21]

Over het algemeen kan men zeggen, dat—met uitzondering van hetRoelants-lied—bij de bewerkers wel gevoel voor het ridderwezen bestond. In deLorreinendie vrij letterlijk vertaald schijnen, worden de lange gevechten niet weggelaten of bekort, ook in deGeraert van Vianezijn verzen als:

Wi sullen hem marghiin laten weten, Of onse swerde connen sniden,

tenminste niet weggevallen, indien zij al in het oorspronkelijke voorkomen. In denAubriis sympathie voor het ridderwezen; de bewerker heeft behagen gehad in AUBRI'S getrouw strijdros Blanchaert dat zijn meester terugvindt.

Ende het begonde neyen#zeere Ende scrabbelde metten voete.

Ook in denRenoutkan men nog vrij wat van de ruwe grootschheid van het oorspronkelijke zien, al blijft de bewerking beneden haar origineel.

Eene jammerlijke tegenstelling met deze bewerkingen vormt die van hetRoelants-lied. Niet zoozeer, doordat de bewerkerslechts gebrekkig Fransch kende; daarin zal hij wel niet veel lager gestaan hebben dan de meeste overigen. Maar doordat hij zoo weinig heeft gevoeld van dat echt ridderlijk epos, zoo sober van uitdrukking, maar zoo indrukwekkend in zijn grootschen eenvoud. Voor het ridderwezen heeft hij weinig gevoel, hij heeft er ook geen verstand van. De Fransche dichter is soldaat in zijn hart; hij geniet bij elken strijd, bij elk tweegevecht; hij kent de wapenrustingen door en door: de blinkende, met goud doorwerkte halsbergen, de met goud en gesteenten versierde puntige helmen, de lansen met hunne kleine vaantjes, de zwaarden van gebruineerd staal, de gouden sporen. Hij volgt elken slag met het oog van een kenner en weet op een prik of de den neus beschermende strook metaal (le nasel) al dan niet doorkliefd wordt en of het zwaard afschampt, dan wel het lichaam der tegenpartij doorklieft en eerst door het zadel wordt tegengehouden, of nog verder dringt en ook het paard een diepe wonde toebrengt. Hij is godsdienstig op zijne ruwe eenvoudige wijze, maar hij weet dapperheid toch ook in een Sarraceen te waardeeren; hij is een getrouw vazal: voor zijnen Koning en voor „douce France" heeft hij alles over. De woeste grootschheid van het berglandschap, waaraan wij telkens worden herinnerd door verzen als dat gestadig terugkeerend: „halt sunt li pui e tenebrus li val"#, verhoogt nog den indruk van het geheel.

Van dat alles nu heeft de Nederlandsche bewerker weinig of niets gevoeld. Geheele stukken die betrekking hebben op het ridderwezen of die uitingen zijn van den feodalen geest, laat hij weg. Voor ridderlijke mannentaal geeft hij vrome breedsprakigheid. Waar hij een epitheton toevoegt, geschiedt het om de Christenen dapperder en vromer, de heidenen lafhartiger en slechter te maken. Fatsoenlijk is hij: wanneer OLIVIER zijn aanstaanden zwager ROELANT dreigt, dat hij het huwelijk tusschen dezen en zijne zuster AUDE zal verhinderen, zegt hij in het Fransch:

Vus ne gerrez#jamais entre sa brace

in het Nederlandsch:

Nemmermeer en wert si u wijf.

Maar hoe is de aanschouwelijkheid van het oorspronkelijke in dit fatsoen ondergegaan.

Waar een bewerker, naar het schijnt, meer zijn eigen weg ging, daar krijgen wij soms hier en daar een verrassend kijkje op den geest van zijn stand of van zijn tijd. Zoo b.v. in de Vlaamsche bewerking van denAiol, waar de beschrijvingen vooral van gevechten aanzienlijk bekort of geheel weggelaten zijn, de episode van den visscher TIERIJN daarentegen met blijkbare voorliefde is bewerkt. In overeenstemming met dat krachtiger burgerlijk element is eene beeldspraak als deze:

Ware Macharijs mijn oem hier, Hi soud u, Ayoel,selc een bier Met vullen nappe scinken, Ghi souds langhe mogen dinken[22].

Van de zending des engels tot den visscher (vs. 654–700) vinden wij in het Fransch niets; wel strookt met dat invoegsel des bewerkers een vers als het derde van dit drietal:

De hermite starf cortelike, Want hi voer te Gods rike:Daer moeten wi alle comen!

De uitval van jonkvrouw LUSIENE tegen de „maechscap" die haar verhindert AIOL te trouwen, is ook een merkwaardig teeken des tijds[23].

De kunstvaardigheid dezer Nederlandsche dichters is over het algemeen gering. Hunne verzen zijn weinig verzorgd; telkens komen verzen met drie heffingen al te lange verzenafwisselen. De rijmen zijn achteloos behandeld; het aantal assoneerende rijmen in de meeste dezer bewerkingen is vrij groot, vier gelijke rijmen komen niet zelden voor. Eene eigenaardigheid des bewerkers vanReinout van Montalbaenis, dat hij in rijmnood de heiligen te hulp roept: bij het woordmanmoetsente Jante hulp komen; bijtrouwe:onse Vrouwe; bijhuus:Jesusenz.[24]. Niet alleen hetRoelants-lied, maar ook deLorreinen, deReinout van Montalbaenwemelen van stoplappen; metFlovent,Aubri den Borgengoen,Willen van Oringenschijnt het in dezen beter gesteld. Dat alles, ook de dikwijls kort afgebroken perioden, wijst er ons op dat wij hier waarschijnlijk met volksdichters, niet met geleerde dichters (clercken) te doen hebben.

Hiervoor hebben wij het vermoeden uitgesproken, dat wij inDoon de Mayence,Gwidekijn van Sassenen de Vlaamsche redactie vanAioleer vrije bewerkingen van, uit Frankrijk afkomstige, epische stoffen te zien hebben dan vertalingen. Met meer recht mag men dit aannemen vanKarel ende Elegast. Zelfs meen ik het voor waarschijnlijk te mogen houden, dat wij hier eene zelfstandige bewerking van een bekende stof hebben[25]. Bekend was in Frankrijk het verhaal van eene samenzwering, tegen KAREL DEN GROOTE gesmeed, waartegen een door God gezonden engel hem waarschuwde. Die engel gelastte den Koning 's nachts te gaan stelen. Op zijn nachtelijken tocht ontmoet hij een ridder, nu roover geworden, die hem met de samenzwering bekend maakt. De verraders worden ontmaskerd en gestraft. In de Latijnsche kroniek van ALBERICUS TRIUM FONTIUM wordt de kern van dit verhaal vermeld en ook gewag gemaakt van eenecantilena(lied) waarin deze stof was verwerkt. Ook in eenige Oudfransche gedichten, vooral denRenaus de Montaubanen een werk van lateren tijd,le Restor du Paon, wordt over dit verhaalgesproken. Dat er behalve het lied over deze stof nog een episch gedicht van eenigen omvang zou hebben bestaan, is niet bewezen. In allen gevalle is zulk een episch gedicht niet bekend en kan men dus geen origineel van het Nederlandsch gedicht aanwijzen. Doch ook al ware bewezen, dat zulk een Fransch episch gedicht bestaan heeft, wat dan nog? Moet dat dan noodwendig het voorbeeld zijn geweest van ons verhaal? Kan de Nederlandsche dichter niet evengoed kennis hebben gekregen van zijne stof langs den weg der mondelinge overlevering? In tegenstelling met de meeste Middelnederlandsche gedichten, welke vertaald of bewerkt zijn naar een uitheemsch gedicht, vinden wij hier nergens melding gemaakt van een bron, nergens eene uitdrukking als „die boec seit" of iets dergelijks. Het eenige van dien aard, dat men in ons gedicht vindt, deze verzen uit den aanhef:

Wat den coninc daer ghevel,Dat weten noch die menighe wel

wijst aan, dat het verhaal toentertijd in omloop was; wijst in de richting van mondelinge overlevering. Er is dus geen afdoende reden om reeds op grond van de bovenvermelde feiten de oorspronkelijkheid van ons gedicht onwaarschijnlijk te achten of te ontkennen[26]. Doch er is meer: de namen ELEGAST, EGGHERIC VAN EGGERMONDE zijn Nederlandsche namen, waarvan de Fransche overlevering niet weet; ook is het tooneel van ons verhaal—anders dan in de Fransche vermeldingen—de landstreek rondom KAREL DE GROOTE'S geliefde verblijfplaats Ingelheim. Bovendien schuilt in ELEGAST een wezen uit de Germaansche mythologie en is hij blijkbaar verwant met ALVEGAST (heer der elven), denzelfde die in Frankrijk AUBERON genoemd werd. Het bezit van een kruid dat, in den mond gestoken, het vermogen geeft om te verstaan wat hanen kraaien en hondenbassen; de kennis van een tooverspreuk (hierbedegenoemd) waardoor hij de bewoners van een kasteel in slaap brengt, zijn dan ook trekken die men in Germaansche sprookjes terugvindt[27].

Voor mij zweeft door dit kleine epos, zoo zuiver van gevoel en taal, een geur van oorspronkelijkheid, die mij, met het oog op bovenstaande uiteenzetting, weerhoudt van aan vertaling te denken; moet men al denken aan navolging, dan zeker aan eene die van oorspronkelijkheid niet ver afstaat.


Back to IndexNext