AANTEEKENINGEN.

In meer dan een der hier aangehaalde stukken zal de lezer reeds zelf de zachte welluidendheid of de kracht, de hooge vlucht en den breeden zwaai van RUYSBROECK'S proza bewonderend hebben opgemerkt. Toch schijnt het mij wenschelijk een blik te slaan ook op eenige deelen en op het samenstel van zijn werk om daardoor den kunstenaar in zijne wijze van werken iets beter te leeren kennen.

Een gewone karaktertrek van het middeleeuwsch proza, het veelvuldig zinsverband met „ende", zooals men het nog kan opmerken bij elk kind dat iets vertelt, vertoont zich ook in dit proza. Niet zelden ook bedient RUYSBROECK zich van de, hiermede verwante, eenvoudige opsomming; zoo b.v. in:„Want willen wi verduldich sijn ghewaerlic, soe en sal ons gheen dinc moghen ontsaten#, noch verlies van den ertschen goede, noch van vrienden, noch van maghen, noch van siecte, noch scande, noch doot, noch leven, noch vaghevier, noch duvel, noch helle[52]." Soms geeft hij regelmaat aan zijn proza door een deductieven schrijftrant, als in: „aldaer verliesen wi ons selven in die woeste idelheit#, ende al verliesende ons selven vinden wi die salecheit, ende al vindende verkiesen wi, ende al verkiesende werden wi vercoren" enz.[53]. Elders zien wij hem parallellisme en tegenstelling aanwenden om meer kracht en scherpte te bereiken: „Hi arbeit sere in minnen, want hi siet sine raste. Hi is pelgrim ende hi siet sijn lanscap. Hi stridet in minnen om victorie, want hi siet sine crone." Sprekend van het afkoopen der zonden voor geld zegt RUYSBROECK: „Ende aldus heeft ieghewelc dat hi begheert: de duvel de siele, de bisscop dat ghelt, de dore#mensche sine corte ghenoechte." Tegenstelling vinden wij b.v. in: „Hi heeft hem ghenedert ende ons ghehoecht, hem ghearmt ende ons gherijct, hi heeft hem versmaet ende ons gheëert. Maer al heeft hi hem ghenedert, hi en heeft hem niet ontedelt[54]."

Zoo leerde RUYSBROECK, waar sterke aandoening hem dreef tot schrijven, die aandoening beheerschen en haar verklanken tot breedgolvende zinnen als deze over JEZUS' dood: „doen verdonkerde die locht, want die roedekene worden te broken#, die edele speciboem wart ontwe#ghescoert, die overste crachten sijnre zielen worden ghesceden van den nedersten, sine sinne verghinghen, sine ziele sciet van den live, die doet bevinc dat leven, dat leven verwan die doet, die Apostelen hadden hare licht verloren, die oude wet#verloes oec hare licht, die sonne liet hare scinen ende die locht was vol nevels der onbekinnessen#—maer onse dach ginc op daer wi eweleke inne ghesien[55]."

Welk een indruk maakt hier, na die opsomming der verschijnselen van duisternis en vernietiging, dat juichende slot.

Onder de eigenaardigheden van RUYSBROECK'S stijl moet ook het rijmend proza genoemd worden.

Het beginrijm of de alliteratie schijnt in zijn werk niet vaker voor te komen dan de aard onzer taal met zich brengt; doch het eindrijm is zoo veelvuldig, dat wij hier wel aan opzet moeten denken. Het eindrijm vertoont zich zoowel aan het slot van opeenvolgende zinnen als van opeenvolgende woorden, zoowel in: „ende soe hi hem selven naerrebekint, so hi hem in der waerheit meer te versmadenevint," als in: „kinneloos ende minneloos," „verstout ende verout". Op menige plaats (vooral inSpieghel der SalicheitenRike der Ghelieven) vinden wij rijmende verzen tusschen het proza in, doch hunne aanwezigheid kan bezwaarlijk verklaard worden uit eene verheffing van stemming, uit meer innigheid of gloed. Soms zelfs wordt de neiging tot rijmen RUYSBROECK tot last; aan het slot van een berijmd gedeelte van zijn werk immers zegt hij:

Nu moet ic rimen laten bliven Sal ic scouwen clare bescriven[56].

In dit aanwenden van parallellisme, tegenstelling en rijmklanken zal RUYSBROECK waarschijnlijk ten deele het voorbeeld hebben gevolgd, hem gegeven door de kerkvaders, wier werken hij kende. Immers in het proza b.v. van S. BERNARD, van BONAVENTURA, van de beide VICTORS vinden wij die eigenaardigheden evenzeer; waarschijnlijk ook wel in dat der oudere kerkvaders, die hun stijl hadden gevormd onder den invloed der klassieke schrijvers[57].

Zijn RUYSBROECK'S verzen ook meerendeels zwak, in zijn proza toont hij zich een waarachtig dichter. Zijn levendig enfijn gevoel, zijn vlugge en sterke verbeelding, zijn gave van waarneming en voorstelling, de schoonheid zijner taal geven hem alleszins recht op dien eerenaam. Het is niet vreemd, dat hij, die in het lagere slechts een verschijningsvorm van het hoogere ziet, gedurig van het lagere tot het hoogere opklimt, of dat lagere verheft door eene gelijkenis.

Een enkele maal doet hij daartoe een greep in den R.-K. eeredienst, liefst ontleent hij zijne voorbeelden aan de natuur of aan het dagelijksch leven. De tabernakel, die in middeleeuwsche kerken op het altaar placht te staan en diende ter bewaring van de hostie, gaf RUYSBROECK aanleiding tot eene breed uitgewerkte symbolische voorstelling. Met een onuitputtelijk geduld en een liefdevolle uitvoerigheid, die aan de miniatuurschilders herinneren, met eene hooge mate ook van subtiel vernuft, heeft hij alle deelen en onderdeelen, alle onderdeeltjes en deelen van onderdeeltjes van het sacramentshuis geestelijk verklaard: de tabernakel moet staan „in een kerckhof", „dat es een sedelec leven van buten met al dien dat daer toe behoort"; om dat kerkhof moeten staan zestig kolommen: „bi den colummen verstaet men starke begerte tot allen den gheboden Gods ende tot allen den seden ende der oefeninghen diere#men pleghet in der heileger kercken". Deze kolommen moeten bedekt worden met zilveren platen, „dat es met goeden levene ende met eersamer wandelingen" enz. enz. Het behoeft geen betoog, dat deze voortgezette symboliek op den duur voor een hedendaagsch lezer vermoeiend eentonig en daardoor vervelend wordt; doch voor RUYSBROECK'S tijdgenooten zal de beschrijving en verklaring van een zoo kostelijk sacramentshuis zeker onderhoudend en aantrekkelijk zijn geweest.

Kostelijke tabernakels zooals de hier beschrevene gaf dewerkelijkheid tenauwernood, gaf het eenvoudig klooster te Groenendale zeker niet te zien; doch een stap buiten de muren bracht den prior in den kloosterhof, waar hij zoo menigmaal aan het wieden was, al trok hij in verstrooidheid de heilzame kruiden wel eens mede uit, en rondom het klooster lag Gods vrije natuur in rijke verscheidenheid en stille pracht. In den boogaard en op de mossige glooiingen, onder de wuivende kruinen van het Soniën-bosch, zal wel menigmaal een bloem, een plant of een dier RUYSBROECK'S verbeelding gaande hebben gemaakt. Zoo heeft hem de zonnebloem getroffen in haar volgen van de zon: „Alse die sonne opgeet in oriënten, soe ontpluct hare#de goutbloeme jegen die raeien#der sonnen, ende keret hare altoes omme al neighende jegen de hitte der sonnen, tote in occidenten. Ende in der nacht luuct si hare toe, ende verberget hare varuwe ende ontbeidet weder der sonnen opganc. Alsoe gelikerwijs sele wi, overmids ghehoersamheit, onse herte ontpluken jegen dat inscinen der gracien Goeds, ende oetmoedichlike al nigende sele wi der gracien Goeds volgen, alsoe lange als wi die hitte der minnen ghevoelen. Ende alse dat inscinen der gracien sijn nuwe beroeren ophoudet ende wi hitte van minnen lettel ochte niet gevoelen: dat es die nacht, dat wi onse herte selen toe luken jegen al dat ons becoeren#mach; ende alsoe sele wi die goutvarwe der minnen in ons beluken ende ontbeiden enen nuwen opganc der sonnen, met nuwen lichte in nuwen beroerne[58]."

Elders vergelijkt hij CHRISTUS' deugden bij de leliën van dale; de natuur die den geest volgt, is vrij, gelijk de vogel in het woud en dartelt in de minne als de visch in het water. God is „uutstortende ende vloeyende ghelijc der wilder see, met onbegripeliker weelden in alle die ghene die sijns ontfanclijc sijn ende weder ebbende is ende intreckende in die wilde see sijner enicheit." Als een heete bron „alsoe ghelikerwijs werctdat inwendighe vier des heylichs Gheests. Het drivet, ende stoket ende jaghet dat herte ende alle die crachte der sielen tot den walle#dat is Gode te dankene ende te lovene." Een mensch die zich „wel regeeren" wil, moet doen als de wijze bij: „si woent in der enicheit, met vergaderinghen haerre gheselscap, en vaert ute, niet in storme, mer in stillen ghesaten wedere, in schinen der sonnen, op alle die bloemen daer men soeticheit in vinden mach. Si en rust niet op ghene blome noch op ghene scoenheit ofte soeticheit; mer si trect daer ute honich en was, dat is soeticheit en materie der claerheit, en voeret in die vergaderde enicheit, op dat sy vruchtbaer werde tot groter nutticheit." Zoo moet ook de wijze mensch doen en „niet rusten op ghene bloemen der gaven, maer al gheladen met danke en met love weder vlieghen in die enicheit, daer si met Gode rusten en wonen wilt"[59].

Menigmaal ook vindt RUYSBROECK stof voor zijne gelijkenissen in eigen omgeving en het dagelijksch leven.

De oefening in deugd vergelijkt hij bij een penning van fijn goud; doch ieder moge onderzoeken of zijn goud van goed allooi is en het volle gewicht heeft en aan weerszijden wel gemunt. In ons deugdzaam leven moeten wij allerhande sier van deugden weven, zooals vogelen en bloemen en gulden sterren geweven staan in de gordijnen van den tabernakel. De reinheid des harten „ghelijct men der lampten bernender oliën, die hare vlamme gheeft opwert te hemele: alsoe doet die suvere herte die beneden besloten is yeghen die werelt ende boven open die gracie Gods t'ontfane."

CHRISTUS' beeld moeten wij drukken in ons hart en onze zinnen, in ons lichaam en onze ziel, zooals men een zegel drukt en vormt in het was. De gratie Gods in de ziele is gelijk eene kaars in een lantaarn of glazen vat, want zij verlicht en verklaart en doorschijnt het vat, nl. den goeden mensch. AlsGod zich van ons afwendt, dan doet hij met ons: „recht alsof een mure stonde ghemaect tusschen hem ende ons."

Welk eene kracht ontwikkelt RUYSBROECK'S beeldende zinnelijkheid, waar hij zijn hoorders voor oogen wil brengen, hoe groot Gods genadevolle vergevensgezindheid is: „al waer alle die werelt een gloet van viere ende dat midden in dat vier een vese#van een linen cleet laghe, soe en ware die vese niet alsoe bereet te aensteken, als God bereet is den sondaer sijn sonden te vergheven, als hem sijn sonden ghewaerachtich leet sijn[60]."

Het valt bezwaarlijk te ontkennen, dat deze prozadichter, waar hij zijne gelijkenissen aan het dagelijksch leven ontleent, voor ons gevoel soms de grenzen der kieschheid te buiten gaat, doch men moet daarbij in het oog houden dat tusschen het hoogere en het lagere, vooral tusschen het hemelsche en het aardsche, in de middeleeuwen niet zulk een afstand lag als thans. RUYSBROECK vergelijkt iemand die waant één te zijn met CHRISTUS bij een slapenden hond „dien droomt dat hi heeft een stucke vleeschs in sinen mont" en „alse hy ontwaket, soe en heeft hi niet." Die vergelijking zou men desnoods ook met ons gevoel van kieschheid in overeenstemming kunnen brengen door te wijzen op het minderwaardige van hem die slechtswaantmet CHRISTUS één te zijn. Doch tenauwernood zal nog één hedendaagsch lezer behagen scheppen in die talrijke andere beelden en gelijkenissen die ons naar de keuken en den refter (eetzaal) verplaatsen. De tekst: „dit is mijn vleesch en mijn bloed" en de hostie als symbool van CHRISTUS gaven, trouwens niet aan RUYSBROECK alleen, gereede aanleiding tot het vormen van beelden en gelijkenissen. Zoo zegt JEZUS tot den mensen:

Myn vleysch is wel gebraden Aent cruce om uwe ghenaden.

„De edele tarwebloem, d.i. JEZUS, is ons gegeven door MARIA; God heeft de olie zijner barmhartigheid in MARIA uitgestort; de Heilige Geest heeft dat tarwemeel en die olie samengekneed en voor ons gemaakt en gebakken het zoetste brood dat ooit bestond, spijze der engelen en der menschen. Dit brood is gebakken in den oven, dat is in het lichaam der zuivere maagd MARIA, die wel doorheet was met het vuur der caritate." De zachtmoedige lijdzaamheid van CHRISTUS vergelijkt RUYSBROECK bij „den cleinen oesteren die in sculpen ligghen also cleine als eens menschen naghel". CHRISTUS wil ons geheel in zich opnemen, zijn honger is onmatig groot, „want hi is een ghierich slockaert#ende heeft den mengherael"#

Konden wij slechts zien, welk een gretige begeerte CHRISTUS heeft naar onze zaligheid, „wi en mochten ons niet onthouden#, wi en souden hem in die kele vlieghen." Hier schijnt de auteur zelf beseft te hebben dat hij de grens der kieschheid ook voor dien tijd had overschreden, want hij verontschuldigt zich eenigszins door te zeggen: „al luden mine worde wonderlike, die mynnende die verstaen my wel"[61].

Gelijkenissen als deze zijn in verhouding tot alle overige niet talrijk; zoo is ook de toon van RUYSBROECK over het algemeen zacht en waardig, doch een enkele maal klinken er forscher klanken: „arme rasende mensche", „verscoven#ende verblinde mensce", „onwaerdich boeve", „onverstandich esel"[62].

Wij zouden noch het een noch het ander willen missen, want wij krijgen daardoor RUYSBROECK'S beeld vollediger te zien. En ook, doordat hij zich van tijd tot tijd laat gaan, toont deze Nederlander die zich zoo gaarne uit de wereld in het innerlijk zieleleven terugtrok, toch niet misdeeld te zijn van dien volkshumor dien wij in denReinaerten andere Dietsche werken genieten.

Hoe aardig drijft hij den spot met de hoovaardij der rijkevrouwen: „si maken ane hare hoefde bulte van hare, dat sijn des duvels neste daer si in sculen. Maer dunct hen dat si edel sijn van gheboerte, so moeten se hebben ane hare anschine cromme hoerne alse gheiten, daer si den duvel mede gheliken. Ende dan gaense hen spieghelen ochte si scoen ghenoech sijn den duvel ende der werelt te behaghene"[63]. De geveinsden en hoovaardigen vergelijkt hij bij de blaas „die vol is van losen winde; als men se duwet ende perst, so gheeft si enen luud die ongracelic is te hoirne"[64]. Nonnen die zich opsieren met zilveren gordels en allerlei rinkeltuig doen hem denken aan „ene hinne#met bellen"[65].

Uit denzelfden volksgeest die dezen lichten spot voortbracht, werd echter ook eene vergelijking geboren als deze: „wanneer een groot coninc oft een wijs lantshere varen wilt in pelgrimagien, in verren lande, soe roept hi sine ghenoten#te gader, ende beveelt hem sine lant, sijn volc, sijn kynder ende sine familie, dat si al dat regeren ende bewaren in payse ende in vreden tote dier tijt dat hi weder comt in sijn lant. Alsoe ghelikerwijs Christus, die ewighe wysheit Gods, coninc der coninghen ende heer alre heren, doen hi sine pelgrimagie gedaen hadde in dese ellendighe werelt, doen woude hi varen in sijns Vaders lant ende ten lesten daghe weder comen ten ordele. Ende hier omme, voir dien dach dat hi sterven woude, doe stichte hi ene grote feeste dat was een avonteten. Ende daer toe node hi die meeste princen der werelt, dat waren sine Apostelen...."[66].

Dat is dezelfde geest waaruit vijf eeuwen vroeger het Oud-saksisch heldendichtHêliandwas voortgekomen.

Wat ons dan ten slotte in RUYSBROECK het sterkst treft, dat is het ruime van zijne persoonlijkheid en zijn werk. In beide is „nederlant" en „overlant", al woont hij liefst op de tergen, waar de zonne der gerechtigheid schijnt. Hij ziet de huurlingenen knechten, maar ook de vrienden en zonen Gods. Zijn blik omvat de zonnebloem, den slapenden hond die van vleesch droomt, de bij die beladen van bloem tot bloem vliegt, maar ook een groot koning en de wilde zee en de zon in haar loop door de ongemeten ruimten. Hij schuwt de menschen, doch blijft ze liefhebben; zijne menschenkennis heeft zijne menschenliefde niet uitgedoofd, al openbaart die liefde zich op eigenaardig-middeleeuwsche wijze. Hij kent het gevoel van geestelijke ellende, maar ook het zwijgend wegsmelten van innerlijke weelde.

RUYSBROECK is de eerste Nederlander, die in de volkstaal een ideaal levensgeheel heeft ontworpen, dat slechts paste voor kloosterlingen, doch dat ook voor hen, die in de wereld bleven, veel goeds, edels en schoons bevatte. Tegenover den toenemenden drang naar verlichting des verstands heeft hij de ontwikkeling van het zedelijk en godsdienstig gemoedsleven gesteld; tegenover het „kennen" het „minnen", zooals reeds kort na zijn dood door een zijner vereerders werd getuigd; tegenover het „mate is goet t' allen spele"—het „wiselose", het bovenmatige, den hartstocht, zij het ook slechts in het streven der ziel naar éénheid met God. Hij heeft zijn levens-ideaal niet opgetrokken tot één grootsch gebouw, doch het verwerkt tot een aantal grootere en kleinere taalmonumenten, die ons niet zelden treffen door schoonheid van lijn en fijnheid van uitvoering. Ook in dat taalwerk is „nederlant" en „overlant": het vlakke, dat wel eens plat wordt; de liefelijk opwaarts glooiende landen; de hooge toppen, waar de auteur zich in de nevelen verliest: de „hoge materiën", waarvan hij beseft dat een schrijver ze slechts kan „voirt bringhen met woorden also verre als ment woorden mach"[67].

Dozijnen bij dozijnen handschriften zijner werken bewijzen welk een invloed zijne mystiek moet hebben geoefend. Dieinvloed beperkte zich niet tot de grenzen van het Dietsche taalgebied, noch tot des schrijvers taalgenooten, maar strekte zich uit tot Neder- en Opper-Duitschland en was krachtig nog in de 16deeeuw, toen zijne werken veelvuldig in de kloosters werden gelezen en in eene Latijnsche vertaling toegankelijk gemaakt ook voor hen, die geen Dietsch verstonden.

In RUYSBROECK heeft de Dietsche mystiek haar voornaamsten vertegenwoordiger gevonden. Ja, HADEWYCH is hem vóór geweest. Maar, is HADEWYCH de leeuwrik, de „hemellawerke" opwaarts wiekend op de vleugelen van haar lied en vaak zich verliezend in het blauwe—RUYSBROECK is de nachtegaal, immers ook een zanger van „minne", zijn smeltend lied, zijn storm van geluid orgelend in de stilte van het Soniën-bosch.

Het werk van RUYSBROECK is een der hooge toppen in het land onzer literatuur en dus zou het begrijpelijk zijn, indien wij daarmede dit deel van ons werk besloten. Wij hebben echter goede reden het niet te doen, want: meer dan RUYSBROECK is hier.

Omstreeks 1360 werd een groot deel van het Oude Testament in de volkstaal te boek gesteld[68].

De vertaler was blijkbaar een niet-geordend geestelijke, misschien een Vlaming, zeker een vroom man; ook een ontwikkeld man, wien de brieven van PAULUS, eenige kerkvaders, MAERLANT'SSpieghelenRijmbijbelbekend waren, en die zijne vertaling kon toelichten met behulp derScolasticaen van andere werken. Vroeger had hij reeds eene Dietsche overzetting geleverd van hetPassionael(de „Legenda aurea").

Van het karakter zijner vertaling valt weinig te zeggen, zoolang wij niet weten, welke redactie derBiblia Vulgatadoor hem gebruikt werd. Echter deelt de vertaler zelf in den proloog ons mede dat hij voornemens is, het Latijn „ghetrouwelic te dietschen ... die lettere houdende van woorde tewoorde ofte van zinne te zinne of van beyden onderminghet, so dattet die liede verstaen moghen na den sede van onsen lande"[69]. Bovendien vallen er in of naar aanleiding van zijn werk andere dingen op te merken die vermeldenswaard schijnen.

De vertaler was een man van orthodoxe vroomheid die meer dan eens verklaart, dat hij niet van zins is iets te doen „dat jeghen Gode ofte jeghen die heilighe kerke zi." Maar juist daarom vervulde hem het onbetamelijk en onzedelijk gedrag van vele priesters en leeken met des te meer droefheid. Hij ergert zich aan de leeken die, op feestdagen nog wel, in de taveernen spelen, dansen en reien; aan de priesters die in plaats van het volk te leeren, ook door hun voorbeeld, het volk door hun kwaad voorbeeld verderven, die „amiën" houden en argelooze vrouwen ten val brengen. Daarom was het hem „langhe in 't herte geweest", het „fundament van der scrifture" te verdietschen, in de hoop dat menig ongeleerde er zijn voordeel mede zou doen. En ook, hij acht zich niet gerechtigd het talent dat God hem geschonken heeft ongebruikt te laten. Zoo heeft hij dan het werk ondernomen met vreezen en beven, in het diepe besef van de zwaarheid der taak; en hij zou haar misschien niet voleindigd hebben, indien zijn vriend JAN TAY er niet op had aangedrongen[70].

Onder de mystieken van dien tijd zal men dezen vertaler wel niet moeten zoeken. Ware het zoo, dan zou dat toch uit zijn spraakgebruik moeten blijken, en dat is niet het geval. Toch moet er wel eenige geestverwantschap tusschen hen en hem hebben bestaan. Het Hooglied en de Openbaring, twee Bijbelboeken, bij de mystieken in eere, worden ook door hem hoog gesteld[71]. Tegenover de priesters toont hij dezelfde onbeschroomde vrijmoedigheid als JAN VAN LEEUWEN en RUYSBROECK. Zijn wantrouwen in de geestelijke leiding der priesters brengt hem tot het verdietschen van het Oude Testament, dat hij den leeken in handen wil geven, opdat zij daar mogen vinden wat de priesters hun onthouden[72]. Een streven naar ontwikkeling van een zelfstandig godsdienstig gemoedsleven ziet men immers ook bij de mystieken, al mag het de vraag heeten of RUYSBROECK den Bijbel in de handen der leeken zou hebben gewenscht.

Wat ons in dezen vertaler ten slotte treft, is het rustig zelfvertrouwen, waarmede hij spreekt over de ontvangst, die hem en zijn werk wacht van de zijde der geestelijkheid. Hij beseft zeer wel, dat het sommige „clercken" zal ergeren „dat men die heymelicheit der scrifturen den ghemenen volc ontbynden soude"; dat zijn werk zal worden „benijd en beknaagd door dolle honden"—maar God kent de bedoelingen, waarmede dit werk ondernomen is, en daarom zal hij met DAVID hopen op God en niet ontzien wat de menschen hem aandoen[73]. Hier spreekt een dergelijk vertrouwen op God en het eigen geweten, als wij vroeger opmerkten bij den onbekenden leek en als later in de dagen der Kerkhervorming zoo menigmaal zal gehoord worden.

Het is wel opmerkelijk, dat van deze Bijbelvertaling, naar het schijnt, geen enkel afschrift der 14deeeuw is overgebleven, terwijl er dozijnen afschriften der 15deeeuw bestaan. Mag men aannemen, dat de geestelijkheid het werk onderdrukt heeft? Zoolang daarvoor geen enkel bewijs bestaat, natuurlijk niet. Doch in allen gevalle blijkt uit de afschriften, dat deze Bijbelvertaling ter kennisse van anderen is gekomen, zij het waarschijnlijk van slechts weinigen. Daarmede was een edele kiem in de ziel van ons volk gelegd, die er zich zou ontwikkelen met de langzaamheid die groote zaken past.

[Voetnoot1:Der Ystoriën Bloemein de uitgave van A.C. OUDEMANS SR. Het tweede werk is alsFragment van een oud berymd passionaeluitgegeven door WILLEMS inBelg. Museum, IX, 418 vlgg.

Vgl.Der Ystoriën Bloeme, vs. 2229-'30, 3554;Belg. Mus., IX, 424, vs. 184.]

[Voetnoot2:Van Sinte Lutgartuitgeg. door BORMANS inDietsche Warande, III—IV.Van Sinte Christinaeveneens door BORMANS. Vgl. over de hss. ook:Tijdschr. v. N. T. en L., IX, 161 vlgg.Leven van Sint Amanduitgeg. door BLOMMAERT. Over de bronnen van dat werk TE WINKEL a. w. bl. 279. Over het hs. nogTijdschr. v. N. T. en L., X, 158. HetLeven van S. KunerainMiddeln. Ged.(ed. DE PAUW), I, 247 vlgg.; het hs. schijnt uit de 15e eeuw, de taal en de rijmen wijzen naar de 14e eeuw.]

[Voetnoot3: Over broeder GERAERT'S werk vgl.Willem van Afflighem's Leven van Sinte Lutgart(ed. VAN VEERDEGHEM), Inl., XVII, XXXVIII-XXXIX.]

[Voetnoot4: Vs. 1341 2.]

[Voetnoot5: I, 5135 vlgg. Wereldlijke koningspelen (waarin vooral „questiën van minne" behandeld werden) vindt men o.a. in denLimborch, XI, 67 vlgg. enCassamus, vs. 1368 vlgg. (Aant., bl. 80). Vgl. voorts II, 1331 vlgg.; 1709; 1903 vlgg.; 4809.]

[Voetnoot6: In vs. 630 wordt gesproken van S. KERSTINE'S „lenden ende ander haer lede", waar het Latijnnatesheeft.]

[Voetnoot7: Vgl. over de vermoedelijke bron van dit werk TE WINKEL a. w. bl. 283.]

[Voetnoot8:Dboec van den Houteis uitgeg. door J. TIDEMAN. (Leiden. 1844). Hs. H. door TIDEMAN tot grondslag gelegd voor zijne uitgave, staat volgens een later onderzoeker W. MEIJER niet zoo dicht bij het vermoedelijk origineel als Hs. S. (Vgl. Inl., XX—XXI; en:Abh. der Kön. Bayer. Akad. der Wiss., I, Cl. XVI B. II Abth. (1881). Een uitvoerig stuk over de Kruis-sage van J. KOOPMANS inTaal en Letteren, VII,321 vlgg. Een fragment uit de 14e eeuw met eenigszins afwijkende lezingen uitgegeven inGermania, XV, 360 flgg.]

[Voetnoot9: Uitgeg. door Dr. L. WIRTH in:Bibl. van Mnl. Lett.(Groningen. WOLTERS). Afl. 49. Vgl. de critiek dezer uitgave door Dr. STOETT inMuseum, 1893, 104.]

[Voetnoot10: Vgl. daarover Inl., bl. 14 vlgg.]

[Voetnoot11:Theophilusuitgeg. door BLOMMAERT, (Gent, 1858) en later door VERDAM;Beatrijsdoor JONCKBLOET (metCarel en Elegast); Over het, eerst eenige jaren geleden ontdekte, verhaalvan Jonitas en Rosafierezie:Tijdschr. v. N.T. en L., IX, 170 vlgg.; het geheele werk later uitgeg. door N. DE PAUW in zijneMnl. Ged., afl. 3, bl. 487 vlgg.

VERDAM heeft in zijne Theophilus-uitgave ongeveer 260 verzen van den door BLOMMAERT gepubliceerden tekst geschrapt als geïnterpoleerd. Ik kan mij met deze handelwijze niet vereenigen.

1o. Omdat het onbeholpene of gebrekkige van vele verzen voor mij niet bewijst dat zij geïnterpoleerd moeten zijn.

2o. Allerlei uitweidingen, die door V. beschouwd worden als interpolaties, vindt men ook in de door hem als echt erkende deelen.

3o. Eigenaardigheden van den bewerker, als het herhalen der slotwoorden van een vers in den aanvang van een volgend vers, vindt men zoowel in de verworpene als in de voor echt erkende deelen.

4o. Legt men den door V. gebruikten maatstaf aan andere deelen van het gedicht, door hem voor echt gehouden, dan moet er nog veel meer geschrapt worden.]

[Voetnoot12: Ed. VERDAM, vs. 74–6, 95–116, 319–340.]

[Voetnoot13: Uitgave van H. SUCHIER, (Paderborn 1899), 6, 24 vlgg.]

[Voetnoot14: Ook ROSAFIERE blijft gedurende haar zondig leven tot MARIA bidden.]

[Voetnoot15: Vgl. CREIZENACH,Gesch. des neuern Dramas, I, 147. Ook in de geschiedenis der „verduldige Helena van Constantinopel".]

[Voetnoot16: Vgl. PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 260 en LEGRAND D'AUSSY, IV, 121.]

[Voetnoot17: In Boek VI eene geschiedenis van eene koningin die naar SINT JACOB wordt gebracht en vlucht naar Venetië.]

[Voetnoot18: De twee laatste gedrukt achter de uitgaven der gelijknamige dichtwerken door TIDEMAN en VERDAM. Het proza-verhaal van S. KUNERA in KIST'SKerkhist. Archief, II, 1–48; door STALLAERT vergeleken met het rijmwerk inD. Warande, 1891, 28–36.]

[Voetnoot19: Uitgeg. in BLOMMAERT'SOudvlaemsche Ged., II, 31 vlgg.Zie ook:de Handschriften van Jan van Ruusbroec's Werkendoor W. DE VREESE, I, 145. Voorts:Visio Tnugdali....A. WAGNER, Erlangen, 1882. MUSSAFIA zegt van de Nederl. bewerking o.a.: „con una certa inclinazione a dilavare alquanto il dettato" (Sitzungsber. der Wiener Akad. phil.-hist., Cl. Bd. 67, 157–206). Met het oog op de verklaring van den Nederl. bewerker komt mij dat niet waarschijnlijk voor.

Eene uitvoerige en goede karakteristiek vanTondalus Visioen, uit een algemeen oogpunt beschouwd, gaf J. KOOPMANS in hetTweem. Tijdschriftvan 1901.]

[Voetnoot20:Rumbeeksche Avondstonden, p. 16 vlgg. Het eene mirakel is gedagteekend: 28 Sept. 1399.]

[Voetnoot21: DE VOOYS,Mnl. Legenden, p. 15.]

[Voetnoot22: Vgl.Proza-bewerkingen van het Leven van Alexander den Groote....door S.S. HOOGSTRA. ('s-Grav. M. NIJHOFF. 1898). Een enkel aardig trekje in de eene bewerking vermeld op p. LVII.]

[Voetnoot23: Uitgeg. door Dr. M. DE VRIES inVersl. en Meded. der Vereen. voor oude Ned. Lett., II, 5–32. Vgl. voorts TE WINKEL a.w., bl. 569–572.

Over het Latijnsche origineel PENON'S aanwijzing inFeestbundel aan M. de Vries opgedragen, p. 103. Over „PAEP JAN" vgl.Zeitschr. f.d. Alt., N.F. XXI.]

[Voetnoot24: Vgl.Stemmen uit den Voortijd....door F.H.G. VAN ITERSON, p. 140 vlgg., 162, 164–5 (ik ontleende deze voorbeelden aan de hss. door VAN ITERSON als 14e eeuwsche genoemd).]

[Voetnoot25: Vgl. over ECKHART'S leer: PREGER'SGesch. der deutschen Mystik, I, 309 vlgg. Het kwam mij ondoenlijk voor, met de hier geboden beknoptheid, een overzicht van ECKHART'S gansche stelsel te geven; daarom heb ik slechts eenige voorname trekken daarvan aangeduid.]

[Voetnoot26: ECKHART leefde van 1260–1327; zijn eerste werk volgens PFEIFFER van c. 1307. PREGER schijnt het nog iets vroeger te stellen.

Een paar uittreksels uit deEpistolae Haywigisin een hs. van 1360-'70; vgl.Handschr. v. J. v. Ruusbroec's Werken, I, 425.]

[Voetnoot27: Dit overzicht van ECKHART'S verhouding tot de Nederlandsche mystiek berust vooral op de artikelen van Dr. DE VOOYS inNed. Archief voor Kerkgesch., N.S., 3e deel en inDe XXe Eeuw, IX Jaarg. Vgl. voorts:De Handschr. v. J. v. Ruusbroec, II, 642.

Er valt hier nog vrij wat te onderzoeken (misschien meer voor theologen dan voor literatoren), ook omdat men voorzichtig moet zijnmet de teksten van ECKHART zooals ons die vroeger zijn medegedeeld. Vgl. daarover de Inleiding op:Meister Eckhart und seine jünger....herausgeg. von FRANZ IOSTES. Freiburg. 1895.]

[Voetnoot28: Vgl. over dit alles: PREGER a.w. II, 309 vlgg. JOSTES a.w.Einl., XIV. DE VOOYS,Mnl. Leg.p. 325.]

[Voetnoot29:Ned. Archief voor Kerkgesch., N. Serie, III, 54. Over TAULER vgl. PREGER a.w. III, 90 vlgg.]

[Voetnoot30:De Limburgsche Sermoenen(uitgeg. door Dr. H. KERN). Weinig of geen citaten vindt men in: VI, VIII, XVI, XVII, XXII, XXV-XXVII, XXIX, XXX, XXXIX, XLI-XLIV; ook in de 1e helft van XI. Over het verschil tusschen de preeken onderling vgl. FRANCK inTaal en Letteren, Jaargang VIII.]

[Voetnoot31: Vgl. PREGER a.w. II, 3–246. Het in deLimb. Sermoenenvoorkomendbuec vanden Palmboemeis blijkbaar hetzelfde als het door PREGER, p. 52–53 vermeldeder Palmbaum; Dboec vanden boegardedoet denken aanden Baumgartenwaarover vgl. PREGER, p. 48 vlgg.]

[Voetnoot32: Vgl. vooral p. 569, 9 vlgg.]

[Voetnoot33: Vgl. p. 440 vlgg.; ook p. 538 vlgg.]

[Voetnoot34: Ter Prov. Bibl. van Friesland berust een hs., naar het schijnt, der 14e eeuw, dat aanvangt: „Hier beghint die prologus van desen boke als der geesteliker gracien. Ende dit is machteldus (sic) eerste boec van haren visioenen."

In den aanvang der 15e eeuw waren „Machteldis revelacien" te onzent nog in trek. De zusters van St. Barbara te Delft bezaten ze in een dubbel exemplaar en een hs. van den aanvang der 15e eeuw bevattend een groot aantal „stichtige woorde genomen uut den boeck der revelacien der heiligher maghet Mechteldis" behoorde voormaals aan „die susteren van der derde oerde" van FRANCISCUS te Heusden in N.-Brabant. MOLL,Boekerij v.h. St. Barbara-Klooster, p. 32–33.

In diezelfde boekerij vond men een boekvan Maria van Ogines(t.a.p. bl. 53), blijkbaar MARIA VAN OIGNIES. Het zal wel haar levensbeschrijving van de hand van THOMAS VAN CANTIMPRÉ zijn geweest.

Ook hieruit blijkt weer hoe lang de mystieke literatuur in trek bleef. Het hs. ter Prov. Bibl. te Friesland verdiende wel een afzonderlijk onderzoek.]

[Voetnoot35: Ik ontleen mijne kennis hier aan de belangrijke artikelen van Dr. DE VOOYS (in:De XXe Eeuw, 9e Jaargang) die o.a. over den „goeden kok van Groenendaal" nieuw licht hebben doen opgaan.]

[Voetnoot36: Uitgave zijner werken door Prof. DAVID (Reeks: Vlaemsche Bibliophilen) 1856-'69. Voornaamste werk over hem van Dr. A.A. V. OTTERLOO, (Amsterdam, BRINKMAN, 1874). Eene tweede uitgave daarvan is bezorgd door Dr. J.C. VAN SLEE in 1896. Vermelding verdienen voorts: deBijdragen tot de kennis van het leven en de werken van Jan van Ruusbroec....door Dr. W.L. DE VREESE, (Gent, A. SIFFER, 1896);Jan van Ruusbroec's Taal en Stijldoor Dr. H. CLAEYS, pr. (Gent, A. SIFFER, 1894); wat over R. gezegd wordt in BÖHRINGER'SDeutsche Mystiker, II, 3; over RUYSBROEK'S verhouding tot de Nederduitsche mystiek o.a.: PRIEBSCH,Deutsche Hands., I, 66;Jahrbuch des Vereins f. niederd. Spr.1884.

Eene vertaling vanDe Chierheit der geesteleker Brulochtgaf MAURICE MAETERLINCK (L'Ornement des noces spirituelles); eene bloemlezing van in 't Fransch vertaalde stukken gaf ERNEST HELLO:Rusbrock l'Admirable, (Paris, 1902).]

[Voetnoot37: Ten deele naar VAN OTTERLOO, ten deele naar de mededeelingen van „broeder GHERAERT" bij DE VREESE a.w. bl. 7 vlgg.]

[Voetnoot38: Afbeelding en beschrijving dezer miniatuur inOud-Holland, XIIe Jaargang (1894) door Dr. S.G. DE VRIES.]

[Voetnoot39: VAN OTTERLOO, (1e uitgaaf), bl. 168–9; DE VREESE'SBijdragen, bl. 8, 13.]

[Voetnoot40: Dezelfde als de bovengenoemde? Dat is bezwaarlijk uit te maken; evenzoo de vraag of eene dezer Clarissen de voorname vrouw was, „die RUYSBROECK dikwijls twee mijlen ver op bloote voeten kwam bezoeken" en te Keulen in de orde van S. Clara trad. (VAN OTTERLOO, bl. 136). Vgl. overigens: DE VREESE a.w. bl. 13, 16; VAN OTTERLOO, bl. 156 en 166 en Editie DAVID, III, 235.]

[Voetnoot41: Ik nam hier VAN OTTERLOO'S overzicht, eenigszins gewijzigd, over. Ook dat der volgende boeken en het overzicht van RUYSBROECK'S stelsel is hoofdzakelijk aan zijn werk ontleend.]

[Voetnoot42: Eene andere voorstelling van hetInnige Levenbij RUYSBROECK wordt door VAN OTTERLOO uiteengezet op bl. 265–269.]

[Voetnoot43: VAN OTTERLOO, bl. 128.]

[Voetnoot44: ECKHART spreekt vanistigkeit, entgeisten, weiselos; RUYSBROECK van:istegheit, ontgeesten, wiseloos. Beiden gebruiken de uitdrukkingFunken der Seele, vonke der sielen, zij het misschien niet in geheel dezelfde beteekenis. Uitdrukkingen van RUYSBROECK (waar van God sprake is) ais:die donkere stille, de wilde woestine, de grondelooze zeedoen aan dergelijke van ECKHART denken.]

[Voetnoot45: Uitgave DAVID, VI, 173.]

[Voetnoot46: Reeds opgemerkt door VAN OTTERLOO a.w. bl. 148, noot 2. VAN OTTERLOO gaat m.i. echter wat ver, indien hij beweert dat RUYSBROECK'S werk desniettemin geheel oorspronkelijk is. 1o. heeft RUYSBROECK voor de beschrijving des tabernakels het een en ander ontleend aan RICHARD'SExpositio tabernaculi foederis(MIGNE,Patrol., T. 196, p. 211 seqq.); 2o. heeft hij vrij wat ontleend aan HUGO'Sde Archa Morali(MIGNE, Tom. 177, p. 115 vlgg.). Vgl. vooral de hoofdstukken: de ciconiae natura; de ibe; de caladrio (p. 48) en de charadrio (p. 77); de upupae natura. Doch een afzonderlijk onderzoek zou hier noodig zijn.]

[Voetnoot47: Vgl. o.a. Editie DAVID, I, 2, p. 119, 121–2, 178–9; IV, 83–4, 108 vlgg.]

[Voetnoot48: A.w. I, 2, p. 146; III, 198.]

[Voetnoot49: Vgl. Ed. DAVID, VI, 37; IV, 68; IV, 273; IV, 35; V, 167–8.]

[Voetnoot50: A.w. IV, 189; III, 23; I, 51; III, 212; VI, 74 en 256–7 (geestelijke dronkenschap); III, 133; VI, 81.]

[Voetnoot51: A.w. V, 21; IV, 97 (vgl. ook III, 208–9; IV, 104); VI, 230.]

[Voetnoot52: Vgl. o.a. I, 61; I, 71; III, 8 (10 zinnen met „ende" verbonden); IV, 241 (40 zinnen). Opsomming o.a. III, 57–8; 250.]

[Voetnoot53: Vgl. I, 133; I, 103; III, 44, 184.]

[Voetnoot54: VI, 166; I, (2), 181; III, 169; ook nog: I, (2), 10; III, 26, 48, 116.]

[Voetnoot55: I, 248–9. Vgl. ook III, 59–60: „En daer an en leghet niet allene" enz.]

[Voetnoot56: Deze plaats is te vinden V, 20. Een voorbeeld van alliteratie III, 121. Voorbeelden van eindrijm zijn talrijk; vgl. o.a.: VI, 246; I, 49, 50, 60, 96; 133, 143, 151; II, (2), 222, 240–1. Vgl. andere voorbeelden inJan van Ruusbroec's Taal en Stijldoor Dr. H. CLAEYS, pr. (Gent, A. SIFFER, 1894) en inNed. Museum, 1891, (H. MEERT). Rijmende verzen o.a.: III, 201; IV, 4.]

[Voetnoot57: Daarover is uitvoerig gehandeld door E. NORDEN in zijn werk:Die antike Kunstprosa(van de 6e eeuw vóór Chr.—Renaissance), vgl.Museum, 1899, no. 9.]

[Voetnoot58: I, 67.]

[Voetnoot59: Vgl. CLAEYS a.w. bl. 38–9;Werken, I, 136; IV, 190; VI, 71; vgl. ook nog V, 71 (fontein).]

[Voetnoot60:Werken, IV, 74; I, 134; V, 174; CLAEYS a.w. bl. 14;Werken, VI, 61; III, 61; 104.]

[Voetnoot61: Vgl. V, 58; V, 13; VI, 149; II, 47, 92; III, 156–7.]

[Voetnoot62: V, 57–9.]

[Voetnoot63: CLAEYS a.w. bl. 33.]

[Voetnoot64: Vgl. IV, 15.

Het is opmerkelijk dat VOLTAIRE, die wel niet veel in RUYSBROECK zal hebben gelezen, zegt: „L'amour-propre est un ballon gonflé de vent, dont il sort des tempêtes quand on lui a fait une piqûre".]

[Voetnoot65: IV, 111.]

[Voetnoot66: III, 151.]

[Voetnoot67: VI, 82.]

[Voetnoot68: Vgl. over deze vertaling het degelijk bewerkt proefschrift van Dr. C.H. EBBINGE WUBBEN:Over Middelnederlandsche Vertalingen van het Oude Testament. ('s-Grav. NIJHOFF. 1903).]

[Voetnoot69: A.w. bl. 73.]

[Voetnoot70: Vgl. over dat alles de prologen en de hoofdstukken in de Eerste Afdeeling II, 1 en 3, bl. 127.]

[Voetnoot71: Zie bl. 87–88.]

[Voetnoot72: Bl. 70; ook bl. 75: „Nu bidde ic elken die hierin lezen sel ende tijtcortinghe doen"; bl. 85: „meniger zaliger zielen, diere in lesen moeten".]

[Voetnoot73: Bl. 127.]

1. Het Leerdicht.—Reinaert II.

2. Verhalende en lyrische poëzie.

Leerdicht, dierfabel en dier-epos, de berijmde novelle, het lied—dat waren de wegen in het rijk der literatuur, waarop wij de gemeentenaren in de 13deeeuw hebben aangetroffen. Op die wegen vinden wij hen ook in deze volgende eeuw, doch hoeveel verder zijn zij daarop gevorderd.

De hoogere ontwikkeling die de burgerij in hare voortbrengselen van dezen tijd toont, had zij zeker voor een deel te danken aan den omgang met en het voorbeeld van adel en geestelijkheid. Den invloed dier beide standen zullen wij dan ook op meer dan één plaats in de poëzie der gemeenten aantreffen. Doch tevens zal blijken, dat de burgerij, in den omgang met de beide overige standen haar geestelijk wezen aanvullend, ontwikkelend en verfijnend, daardoor slechts te onafhankelijker tegenover die beide standen kwam te staan.

Dien gang van zaken zullen wij al dadelijk waarnemen in

In hun streven om de godsdienstige en zedelijke ontwikkeling des volks te bevorderen, trekken de leerdichters ééne lijn met de geestelijkheid. Onder de makers van leerdichten zien wij burgers, ons bij name bekend: den chirurgijn JAN DE WEERT,den schepenklerk JAN BOENDALE, naast ongenoemden uit den geestelijken stand: den „simpelen clerc", die denSpiegel der Zondensamenstelde; den „armen pape", die deBediedenis der Misseberijmde.

Evenals vroeger geestelijke dichters met bewustheid hunne poëzie stelden tegenover de door hen gelaakte ridderpoëzie, zoo zien wij nu den samensteller van het didactisch werkSidrac, dat in 1329 werd voltooid, in zijn proloog te velde trekken tegen de verhalen daar weinig nut in steekt en die slechts van „vechten en vrouwen minnen, van het veroveren van landen en steden" weten te spreken[1].

Men mag wel aannemen dat de leerdichters bij de samenstelling van hun werk het oog hadden vooral op de niet-geleerden, wier grootste deel uit gemeentenaren bestond. Echter vindt men slechts bij een enkele hunner het bewijs, dat hij zich daarvan bewust was. In den proloog van zijnLekenspiegelzegt BOENDALE:

... want dat leke is die sake#Daer omme ic dit boecskijn make.

In overeenstemming met het onderwijzend karakter dier werken is de vorm van een gesprek tusschen „Meester" en „Clerc", zooals wij dat in denLucidarius, tusschen vader en zoon, zooals wij het inSeneka lerenaantreffen; ook het dialogisch karakter van werken als dedisputacie van Rogier ende Janneen deMelibeüs. Dat deze dichters hunne lezers of hoorders van tijd tot tijd aanspreken met „lieve kindre" of „lieve liede" was dan ook in hun mond alleszins gepast[2].

Op vrijwillige medewerkers aan de volksontwikkeling als deze leerdichters schijnen de priesters weinig gesteld te zijn geweest, even weinig als op den Bijbelvertaler van 1360. Blijkbaar beschouwden zij zulke geschriften als pijlen, waarmede onderhunne duiven geschoten werd, en de schrijvers als stroopers in een veld, waar de Kerk „eigen jacht" had. Een dezer leerdichters eerbiedigt de grenzen, waarbuiten men voor leeken niet gaan mag: omtrent God zal de meester zijn leerling onderrichten

Also verre voirt als den leeken lieden Gheoorloft is te bedieden[3].

Een ander is dat met hem eens, doch voegt er bij:

Ende oec ontsie ic der papen treken Dat sijs mi mochten spreken lachter#[4].

Een derde zegt: Zou ik de gansche waarheid bekennen, de priesterschap zou mij vervloeken[5]. Dat BOENDALE het met zulke uitingen eens was, spreekt vanzelf voor wie zich zijne beschouwing van leeken en geestelijken uit een vroeger hoofdstuk herinnert[6]. In zijnLekenspiegelstelt hij zich nog eens tegenover de priesters, waar hij den ongehuwden staat en het huwelijk vergelijkt. Ongehuwden staat en maagdelijkheid acht hij hoog—wanneer zij gepaard gaan met een rein hart „van ghepeinse ongeknaecht"; doch dat komt maar al te zelden voor. Als hij daarna den lof van een goed huwelijk heeft verkondigd, voegt hij er aan toe: Ik weet wel, dat „liede van gheesteliken abite" zich aan dezen lof zullen ergeren en mijne woorden berispen ... maar hoe zouden zij aan kost en kleeren komen, indien de gehuwde lieden niet voor hen zorgden[7]?

Tegenover dit drietal kiest slechts een dezer leerdichters de partij der geestelijken. Het is begrijpelijk dat hij zelf tot hen behoorde. De „simpele clerc", die denSpieghel der Zondensamenstelde, tracht de schuld van de simonie van de geestelijken op de leeken te schuiven: „Si sijn soekers eerst daervan."Dat er priesters zijn die een slecht leven leiden, geeft hij toe; maar nochtans moeten wij ze eeren, omdat God Almachtig hen gezonden heeft[8].

Vergelijken wij het leerdicht van dit tijdvak bij dat van het voorafgaande, dan treft ons dat het godsdienstig en vooral het zedelijk element veld hebben gewonnen op het zuiver wetenschappelijke. Met groote werken als die van MAERLANT en VELTHEM kon men vooreerst zijn begeerte naar kennis der geschiedenis bevredigen; BOENDALE moge in zijneBrabantsche Yeestendeels MAERLANT'S werk overnemen, deels de geschiedenis van zijn eigen tijd verhalen—meer en meer kiest de historiographie den vorm der proza-kroniek. Algemeene natuurkennis vond men voldoende inder Naturen Bloeme; doch voor sommige onderdeelen viel wel iets te doen, vooral voor een betere kennis van den mensch.

Dat verklaart het ontstaan van rijmwerkjes als:Die Cracht der Manevan zekeren HEINREC VAN HOLLANT,Der Vrouwen Heimelicheit,Der Mannen ende der Vrouwen Heimelicheiten eenige fragmenten van een leerdicht dat, voorzoover men kan zien, over de physiologie en de psychologie van den mensch handelt. Van literaire kunst is in deze populair-wetenschappelijke werkjes nog minder sprake dan in de meeste overige leerdichten. Opmerkelijk is slechts, hoe zich in het tweede en het vierde werk op zonderlinge wijze de invloed der hoofsche poëzie vertoont. Zoo goed als de menestrelen van vroeger, heeft ook de bewerker van het laatste physio-psychologische werkje eene „jonkvrouw, die (z)ijn herte heeft ghewont." Het tweede werk, eene handleiding voor vroedvrouwen, was door den bewerker vertaald uit het Latijn van ALBERTUS MAGNUS ter wille zijner „lieve joncfrouwe", waarschijnlijk eene vroedvrouw wier hart hij door deze obstetrische hulde hoopte te winnen. Doch zijne hoofsche verzuchtingen passen bij zijne practische wetenschap als riddersporen aan de hielen van een dorpsbarbier[9].

Voor het godsdienst-onderwijs werd op de in aantal toenemende scholen langzamerhand beter gezorgd. Toch voelden eenige leerdichters zich geroepen om dat onderwijs aan te vullen en uit te breiden. Zoo ontstonden werken alsdie Bediedenisse der Missenen de berijmde zoowel als de proza-bewerking van denDietschen Lucidarius. De inhoud van het eerste werk wordt voldoende door den titel aangewezen. De berijmdeLucidariuswas een vrije bewerking, hier bekort daar uitgebreid, van hetElucidarium, door HONORIUS AUGUSTODUNENSIS in het begin der 12deeeuw samengesteld als een dogmatisch handboek ten dienste van theologen. DeLucidariusin proza, voorzien van een berijmde voorrede, was een getrouwe vertaling van een Duitschen catechismus van het geloof en de wetenschap dier dagen, bestemd tot onderricht der leeken. Het Duitsche origineel dagteekent uit het eind der 12deeeuw; de Dietsche bewerking, naar het schijnt, uit den aanvang der 14de. Het Nederlandsch rijmwerk schijnt vóór 1353 reeds verbreid te zijn geweest[10].

Dicht bij deze catechetische werkjes staat hetBoec van der Wraken, omstreeks het midden der 14deeeuw gedicht; dit geschrift bevat een aantal voorbeelden van Gods wrekende gerechtigheid, zichtbaar in allerlei gebeurtenissen uit vroeger en later tijd. Opmerkelijk is hier vooral de voorstelling dat Gods hardheid en haastigheid zijn afgenomen, sinds Hij mensch geworden was:

Aldus haestich ende dus hart Was God eer hi mensche wart; Maer sint dat hi die menscheyt kinde, Ende God die menscheyt minde, En heeft hi so haestelike Niet ghewroken op aertrike[11].

Ook het sterk Duitsch getinte rijmwerk vanDie X Plaghen ende die X. Ghebode, dat een allegorischen uitleg der Tien Plagen van Egypte geeft. Egypte is b.v. de duisternis der zonde, die der ziel schade doet en de zinnen des menschen verblindt. Overigens vindt men hier een groot aantal aaneengeregen uitspraken, aan den Bijbel, de apocriefe boeken en de kerkvaders ontleend[12].

Tegenover dit achttal geschriften van wetenschappelijken of van theologischen aard plaatsen wij een dozijn andere, die een opvoedkundig-zedelijk karakter dragen. In aantal, maar meer nog in omvang en beteekenis, overtreffen de laatstgenoemde die der eerste soort.

Het algemeen karakter van deze werken der tweede soort leeren wij al dadelijk kennen uit dit drietal:Dietsche Doctrinael, in 1345 door een onbekend dichter te Antwerpen voltooid;Nieuwe Doctrinael, samengesteld, misschien in 1351, door JAN DE WEERT, chirurgijn te Yperen;Spiegel der Zonden, het werk van een Westvlaamsch dichter der 14deeeuw[13]. Alle drie zijn leerboeken van practische zedekunde; zij geven eene uiteenzetting der onderscheidene deugden en ondeugden, van de middelen waardoor men de deugden kan aankweeken en de ondeugden tegengaan; de twee laatste lichten dat alles gaarne toe met voorbeelden, zij wijden zich zoowel aan den opbouw van het persoonlijk zedelijk leven als aan dien van het huiselijk en burgerlijk leven. Dit karakter spreekt zich uit ook in de titels dezer werken: eendoctrinaelis een leerboek, inzonderheid van practische moraal;Spiegel der Zondenspreekt voor zich zelf. JAN DE WEERT noemde zijn werk in den tekst: „Spieghel der Zonden of Doctrinael", en de middeleeuwsche titel vóór den aanvang luidt: „Hier beghint een goet boec van den VII. doetsonden ende van den X gheboden."

Van denzelfden aard als dit drietal moet het verloren werk zijn geweest van den dichter derDietsche Doctrinale, dat getiteld wasExemplaeren handelde over de „IIII. doeghden cardinale."

Wat deze werken gemeen hebben is, dat zij, evenals verreweg de meeste dezer leerdichten, uit het Latijn vertaald of althans naar het Latijn bewerkt zijn; voor een deel bestaan zij „uit los aaneengeregen aanhalingen uit gewijde schrijvers, apocriefe zoowel als canonieke, uit kerkvaders en voor een klein deel ongewijde schrijvers"[14]. Echter moet men hier eene uitzondering maken voor al die plaatsen, waar de auteurs over hun eigen tijd spreken en waar zij, zooals vooral JAN DE WEERT doet, hunne uiteenzetting of hun betoog toelichten met voorbeelden, door hen aan de werkelijkheid ontleend.

DeDietsche Doctrinalebeperkt zich in hoofdzaak tot eene uiteenzetting van deugden en ondeugden; deNieuwe Doctrinaelverbindt met zijne beschouwing van doodzonden en geboden eene scherpe zedenhekeling van alle standen; deSpiegel der Zondenstaat dichter bij denNieuwendan bij denDietschen Doctrinael, doordat hij waarschijnlijk berust op eene Latijnsche verhandeling over de zeven doodzonden en met die stof zedenhekeling verbindt; anders echter dan JAN DE WEERT heeft de „simpele clerc" zijne waarschuwingen en raadgevingen toegelicht door tal van „exempelen", „ware of verdichte verhalen, waaruit iets te leeren viel," die in de geschiedenis der wereldliteratuur zulk eene belangrijke rol hebben gespeeld[15]. Echter richt ook de bewerker van denSpiegel der Sondenzijn blik niet zelden op zijne omgeving en op misbruiken, die hij zelf moet hebben waargenomen. Zoo b.v. waar hij te velde trekt tegen de weelde, tegen den adel die de boeren verdrukt, tegen de drankzucht en de kwartjesvinders dier dagen:

die schanienisse Vanden speelre#ende die verradenisse, Als si noden om drinken of eten Den ghenen dien si bi ghelde weten, Ende vake maken si onder hem drien Of vieren verbond te rovene dien[16].

Voor een betere kennis van het maatschappelijk leven dier dagen zijn deze leerdichten van veel belang. Echter zal men bij een werk alsde Spiegel der Zondennimmer uit het oog mogen verliezen dat het de bedoeling van den samensteller was:slechtsde zonden te doen zien en dat JAN DE WEERT vooral een hekeldichter is. Wij mogen hem geen geloof weigeren, waar hij ons vertelt van den vraat die zijn vinger in de keel placht te steken om daardoor zijn volle maag te ontledigen en opnieuw aan het schrokken te kunnen slaan. Belangrijk voor de kennis van het bijgeloof zijn ook zijne mededeelingen over het „werken met toverringhen" om daarmede vrouwen of iets anders machtig te worden, over het betooveren van koeien en andere beesten. Doch men moet zich wachten voor het vormen van een algemeen oordeel, louter op grond van zulke plaatsen.

Zoo zal ook JAN DE WEERT'S oordeel over de dartelheid der toenmalige meisjes: „waren zij niet bang voor de gevolgen, men zou er tenauwernood ééne maagd onder vinden", zeker wel waarheid maar niet de waarheid bevatten.

Niet alleen het zedelijk en maatschappelijk leven, ook het godsdienstig gemoedsleven van de Nederlanders der 14deeeuw, kan men door deze leerdichten beter leeren kennen. Zoo vindt men in denNieuwen Doctrinaeldezelfde verlichte opvatting omtrent de beteekenis van beelden die wij reeds vroeger hebben aangewezen en eene uitvoerige beschouwing van de verhouding tusschen den berouwvollen, boetaardigen zondaar en God[17].

In denDietschen Doctrinaelen denSpiegel der Zondenwordt gehandeld over de „caritate" en de verdere verhouding tusschen God en den mensch. Toch houden deze leerdichters den blik niet bij voorkeur op het godsdienstig gemoedsleven gericht. Hoofdzaak is voor hen, wat RUYSBROECK samenvatte onder den naam van hetWerkende Leven. Waar een hunner een enkele maal over hetSchouwende Levenspreekt, daar is hij er blijkbaar mee verlegen, hoe hij het zal plaatsen tegenover het Werkende Leven. Er is veel over getwist, schrijft de samensteller van denDietschen Doctrinael, welk dier twee het best zou zijn. Zelf is hij blijkbaar geneigd het Werkend Leven hooger te stellen; immers dat is „vele meerre arbeit"; de schouwer doet niets anders dan dat hij „zijnen Schepper liefheeft". Wat hem echter weerhoudt aan het Werkend Leven den voorrang te geven is, dat degelijke geleerden het Schouwende Leven hooger gesteld hebben; bovendien, CHRISTUS zeide immers van MARIA, dat zij het beste deel gekozen had; zoo komt de auteur van denDoctrinaelniet tot eene slotsom. In overeenstemming met de geringe plaats, door het Schouwende Leven ingenomen, is ook, dat deze leerdichters slechts zelden over Gods wezen en het wezen der ziel spreken. In denDietschen Doctrinaelvinden wij een hoofdstuk „Van der Godheit" en „noch subtijlre van Gode", inder Leken Spiegheleen paar hoofdstukken „van Gods wesene" en „van den wesene der zielen", doch wat beteekent dat viertal tegenover de honderde hoofdstukken van anderen aard?

De rijkdom aan gegevens, dien deze leerdichten bieden aan den onderzoeker van de zedelijke ontwikkeling onzer voorouders, mag ons oog niet verblinden voor hunne doorgaans geringe waarde als literaire kunstwerken. JAN DE WEERT moge wel eens zekere levendigheid en gloed vertoonen, de samensteller van denSpiegel der Zondenaardige woorden maken of althansgebruiken als „slaeplief" (concubine), „die beeste-mensche" of „die mensche-beeste" (la bête humaine), over het algemeen kan hier van schoonheid zelden sprake zijn. Noch in den bouw der werken, noch in het verband der deelen, noch in de uitwerking der onderdeelen valt doorgaans—want er zijn uitzonderingen—eenige kunst te bespeuren. Het mag de vraag heeten of deze dichters in staat waren tot het voortbrengen van belangrijke literaire kunst, maar zeker hebben zij er niet naar gestreefd.

Het leerdicht der 14deeeuw vindt zijn meest typischen vertegenwoordiger in den Antwerpschen „scepenclerc" JAN BOENDALE, die waarschijnlijk in het laatste kwart der 13deeeuw geboren is. Onder den invloed van MAERLANT begint hij met een paar geschiedkundige werken: deBrabantsche YeestenenVan den derden Edewaert, dat den krijgstocht van den Engelschen koning EDUARD III tegen Frankrijk behandelt is[18]. Maar verreweg zijn gewichtigste werk levert hij daarna inder Leken Spieghel, een leerdicht dat tusschen 1325 en 1330 is samengesteld[19]. In dit volksboek vond de leek ongeveer alles bijeen wat hij noodig had om zich als christen, mensch en burger te ontwikkelen. Het werk sprak eerst over God, den hemel, de goede en kwade engelen, het heelal, de planeten, de aarde, de hel. Daarna kwam het op den mensch, op zijne geschiedenis en op die van het Joodsche volk, Gods uitverkorenen; als aanhangsel der Joodsche geschiedenis werd ook iets van de geschiedenis der Romeinen medegedeeld. Na zoo, evenals de mystiek, van God tot den mensch te zijn afgedaald, maakt de dichter zich gereed weer tot God op te klimmen; maar lang is de weg. De mensch kan slechts tot hooger ontwikkeling komen doordat God op aarde is afgedaald. Gods menschwording wordt dus medegedeeld, het leven van JOZEF en MARIA, JEZUS' kindsheiden geschiedenis; een overzicht van de geschiedenis der door Hem gestichte kerk sluit zich daarbij aan. Nu plaatst de schrijver den mensch in zijne verhouding tegenover God, leert hem hoe hij zijn persoonlijk zedelijk leven kan ontwikkelen, hoe hij zich te gedragen heeft in het huwelijk en bij de opvoeding zijner kinderen; wat de plichten zijn van een goed landsheer, van een rechter; wat men te denken hebbe over de waarde en het wezen van kunst en wetenschap, over minne, vriendschap, mildheid, maagschap, voeding en dergelijke belangen. Hij besluit zijn werk met een groot toekomstbeeld: de Antikrist zal op aarde komen en het volk verleiden; de Heer zal zijne twee getrouwe knechten HENOCH en ELIA tegen hem uitzenden, de Antikrist zal hen dooden, doch de „gadoot"#zal hem zelven van Gods hand treffen. Dan zullen er teekenen geschieden: de zee zal zich verheffen, zeegedrochten zich vertoonen en angstwekkend huilen, dan aardbeving, opstanding der dooden; hemel en aarde zullen in brand staan—zóó zal de Dag des Oordeels worden aangekondigd. Op de wolken zal dan de rechter komen, die in het dal van Josaphat de menschen zal oordeelen, de goeden met zich voeren, doch de boozen ter helle verwijzen.

Dat is de kern der omvangrijke stof die in bijna 22000 verzen, nochtans beknopt en zaakrijk, behandeld is. Zeker was daarin veel waarmede de leeken hun voordeel konden doen. Zij vonden er nuttige kennis en dingen die hunne algemeene ontwikkeling konden bevorderen naast lessen voor de practijk des levens; zoo wekt BOENDALE de landsheeren op tot zorg voor het algemeen welzijn; de poorters tot onderlinge eendracht, te waken tegen zelfverheffing, hunne kinderen op hun zevende jaar naar school te zenden om lezen en schrijven te leeren[20]. Doch sterker invloed nog zal hij geoefend hebben door zijne verheffing van het geestelijke boven het stoffelijke. Hoe forschpakt hij de overmoedige zinnelijkheid dier opkomende burgerij aan, waar hij haar voor oogen houdt dat de „arme menschelichede" het zwakste en onreinste zou zijn dat bestaat—ten ware dat de ziel haar door hare gratie bestierde en sierde. Onder een geslacht dat afzonderlijke woorden bezigde voor te veel eten en drinken („overate" en „overdranc") is BOENDALE een matigheids-apostel geweest die hun voorhield, dat éénmaal eten: geestelijk is, twéémaal: menschelijk, driemaal: beestelijk. Hij komt op tegen de voorstelling van God als een mensch: „God is altemale gheest; tegen afbeeldingen van engelen met menschenlichaam en vleugels; tegen de voorstelling van de kerk als een huis, zooals RUYSBROECK dat evenzeer had gedaan[21].

De vraagstukken van maatschappelijken aard die hier behandeld zijn, vindt men, met eenige andere vermeerderd, terug in een tweede, veel kleiner, leerdicht van BOENDALE, dat getiteld isJan's Teesteye#[22]. Nieuw is hier o.a. BOENDALE'S overtuiging: dat de menschen, vergeleken bij de vroegere, eer vooruit dan achteruit zijn gegaan, al heeft de adel onder den invloed der boozen geleden; dat de boeren en kooplieden zulke nuttige leden der maatschappij zijn; dat de vrouwen zoo vele en zoo groote gebreken hebben. Ook over dichters vinden wij hier eenige uitlatingen die niet zonder belang zijn, doch die wij liever elders zullen behandelen.

Vooral in deTeesteyezien wij, welk een sterken invloed MAERLANT op BOENDALE heeft geoefend. Zijne beschouwing van de „edelhede" is geheel die van MAERLANT, soms vinden wij zelfs woordelijke overeenkomst. MAERLANT'SMartijn's, zijnSpieghel, zijnRijmbijbel, zijn romanvan Troyenzijn door BOENDALE blijkbaar gelezen; gelezen en bewonderd, want meer dan eens verkondigt hij den lof van „JACOB, die dichter hoghe"; in zijnLekenspiegelnoemt hij hem zelfs „'t hooft van alle Dietsche poëten"[23]. MAERLANT heeft in BOENDALE die liefdetot de waarheid gewekt of versterkt, die hem den moed gaf zich zoo onbeschroomd tegenover de priesters te uiten, die hem ook aan een dichter den eisch deed stellen, „dat hi uter waerheit niet en kere"; doet hij dat, dan is hij den naam van dichter onwaardig[24].

Toch is er tusschen den meester en zijn bewonderenden leerling een aanmerkelijk verschil.

MAERLANT was een idealist. In zijn jonge jaren hadden de idealen van het ridderwezen zijn hart wel niet onverdeeld bezeten, maar er toch weerklank gevonden; de vereering der vrouwen had het in gloed gezet, die gloed was langzamerhand gezuiverd van rook en walm, de moedermaagd had al die romanheldinnen verdreven, den stralenden afglans van het vuur zijner jeugd zien wij in zijnLand van Overzeeen zijnKerken Claghe; daar heeft de lezer en vertaler van ridderromans zich ontwikkeld tot een „miles Christianus".

BOENDALE heeft ook wel eens van dien eerbied voor de vrouwen gehoord. De „edelhede", zegt hij in zijnTeesteye, gebiedt dat men over vrouwen en jonkvrouwen slechts hoofsche dingen spreke. Maar zich zelven acht hij blijkbaar aan dat gebod niet gebonden. Een paar hoofdstukken verder in datzelfde gedicht geeft hij eene karakteristiek van de vrouwen die aan duidelijkheid niets, aan hoofschheid alles te wenschen overlaat; hij zal er maar „een luttel" van zeggen: vrouwen zijn van nature loos, vrekkig, begeerig, twistziek, ongestadig, wraakzuchtig, zonder genade voor wien zij haten, hoovaardig, kinderachtig, onwetend, lichtgeloovig ... men zou zeggen dat het zóó wel kon, doch het hoofdstuk geeft nog meer van dezen aard, er volgt een ander dergelijk dat getiteld is „noch van den wiven" en daarop nog een „exempel". Een geluk is er echter: „dat de vrouwe des mans dienstwijf is", wat men hieruit kan zien dat de vrouw het kind, door den man gewonnen,moet dragen en groot brengen; een taak waarvan de man terecht is vrijgesteld, omdat hij „heer en voogd van het aardrijk" is.

Men zou BOENDALE onrecht doen, indien men verzweeg dat hij zelf zijn best heeft gedaan om niet misverstaan te worden; op deze hoofdstukken heeft hij een ander laten volgen dat handelt „van den goeden wiven"; daarin maakt hij onderscheid tusschen „vrouwen" en „wiven": al het kwade geldt slechts van de „wiven", zegt hij; van de „vrouwen" weet hij allerlei liefelijke en goede dingen te vertellen: een goede vrouw is haar mans schat, zij draagt zorg voor haar mans eer, voor zijn leven, zijn goed; zij is hem trouw tot in den dood; zij is dikwijls wijs, geeft goeden raad, houdt vrede met haar man, zij troost hem als hij verdriet heeft; een goede vrouw gaat zilver en goud te boven en purperen staatsiekleederen en saffieren ... aldus stelt BOENDALE het goede tegenover het kwade.

Het feit dat drie hoofdstukken aan de „wiven" gewijd zijn en slechts één aan de „vrouwen" behoeft hier niet zwaar te wegen. Doch ook al ware hij even uitvoerig geweest over de goede als over de kwade vrouwen, dan nog zou men terecht mogen beweren, dat een dichter die de fouten en zonden der vrouwen zóó breed kon uitmeten, weinig sympathie kan hebben gevoeld voor het hoog en zuiver idealisme, dat, vermengd met elementen van minder waarde, in den middeleeuwschen vrouwendienst gevonden werd. Ja, ook MAERLANT heeft in zijn romanvan Troyenwel eenige verzen vertaald waarin gebreken der vrouwen worden opgesomd, doch wie hetvóóren hettegende vrouwen in MAERLANT'S werken onderling vergelijkt, zal toch moeten instemmen met de slotsom van MAERLANT'S vriend MARTIJN:

Jakob, du best den vrouwen hout#, Du gheves den mannen al de scout#.

Ook elders toont BOENDALE zekere nuchterheid en bezadigdheid, die hem afkeerig maakt van wat buiten de middelmaat valt; „middelheit houden over al", dat moet iemand doen die zich zelven mint. Een ander minnen is goed, maar ieder minne een ander zóó, „dat hi sijns selfs scade niet en doe", want doet hij dat niet, dan heeft hij een ander liever dan zich zelven— en, wie zóó liefheeft, leeft „onwijslijc". Zoo moet men arme brave bloedverwanten wel helpen, doch zóó dat men er zelf de minste schade bij lijdt[25].

MAERLANT'S idealisme maakte hem pessimist, gelijk zoovele idealisten vóór en nà hem. De werkelijkheid ontstemt, bedroeft, ergert hem; om zijn geloof aan de menschheid te kunnen behouden, vlucht hij ermee naar een droomland in een ver verleden waar alles rein en goed was; bij de toestanden uit die gouden eeuw vergeleken, is al wat hem op deze aarde omringt, gebrekkig, leelijk, zondig.

BOENDALE is het hier geenszins met zijn voorganger eens. In zijnLekenspiegelsprak hij de overtuiging uit, dat de menschen tegenwoordig even goed zijn als vroeger. In zijnTeesteyeneemt hij die stelling in het eerste hoofdstuk reeds weer op, gaat na hoe het komt dat wij het voorgeslacht zoo prijzen, betoogt de waarheid zijner stelling met voorbeelden uit het Oude en het Nieuwe Testament, en hangt daarna een zóó verlokkend tafereel op van de braafheid en vroomheid zijner tijdgenooten dat men een oogenblik aan ironie denkt; doch uit het gansche werk blijkt dat men den dichter ook hier moet houden aan zijn woord. Deze verheerlijking van zijn tijd komt in een eigenaardig licht te staan, indien men haar naast den proloog van het werk plaatst. BOENDALE heeft zijnTeesteyeopgedragen aan een machtig en invloedrijk edelman, ROGIER VAN LEEFDALE, kanselier van Brabant en burggraaf van Brussel. Heer ROGIER was blijkbaar een MAECENAS voor BOENDALE. De dichterverzekert dat hij zijne dichtkunst wil stellen ten dienste en ter eere van zijn hoogen beschermer en diens gemalin AGNES VAN CLEVE. Hoog verheft hij beider lof, zelfs hunne namen deelen daarin: wie kan mooier namen bedenken dan: ROGIER EN ANGENEESE? Één ding hoopt hij nu slechts: dat Heer ROGIER in dit werk niets vinden moge dat hem mishaagt. Vroeger is hij vaak in vreeze geweest, wanneer hij zijn beschermer eenig dichtwerk zond, of het hem wel bevallen zou; daarom is hij nu voortaan op zijn hoede, want Heer ROGIER ziet scherp en heeft hem wel eens berispt over zijne poëzie.


Back to IndexNext