Blijkbaar had BOENDALE in een vorig gedicht (welk?) te stout en te scherp gesproken, waarschijnlijk over maatschappelijke misstanden en moest de aanvang derTeesteyeHeer ROGIER weer in een goed humeur brengen. Maar een idealist, een echte, doet zulke dingen toch niet.
MAERLANT sprak een stout woord voor dien tijd, toen hij, het eerst in de volkstaal, neerschreef dat de ware adel in de deugd gelegen is. BOENDALE volgt hem daarin slechts na. MAERLANT zwijgt over de democratische beweging zijner dagen, die opkwam toen hij reeds bejaard was; doch hij heeft er zich toch niet vierkant tegenover geplaatst zooals BOENDALE.
MAERLANT bewerkte denRijmbijbel; BOENDALE voegde bij het werk van zijn voorganger slechts het een en ander uit de apocriefe evangeliën[26].
MAERLANT was geen hervormer maar toch een vernieuwer en een voorganger; BOENDALE een verdienstelijk volger en behouder.
MAERLANT eindelijk was een dichter die, ja, ter wille van zijn volk veel berijmd proza heeft geschreven, maar in wiens werk toch op menige plaats echte poëzie te zien valt als groene loten tusschen het dorre hout. BOENDALE'S poëtisch vermogen was blijkbaar gering. In zijne voorstelling van den naderendenOordeelsdag zijn hier en daar elementen van grootsche verhevenheid die doen denken aan het OudhoogduitscheMuspilli; doch waarschijnlijk heeft hij ook deze aan een of andere Latijnsche bron ontleend; indien hij al iets van deze verhevenheid hebbe beseft, dan is hij er toch niet in geslaagd het ons te doen zien.
In zijn beste werk,der Leken Spieghel, kan men slechts op een paar plaatsen wijzen die zich boven het gelijkvloersche verheffen. De eene is die waar hij spreekt over de roeping van den dichter; de andere, eene uiting van verlangen naar de paradijsweelde van JEZUS' liefde, bevat misschien de beste verzen die hij geschreven heeft:
O edele minne, wanneer seldi Volkomenlike comen in mi? Of dat ic uwes ghesmake iet! Had ic u, mine ghebrake niet#, Al mijn vernoy#ware verdreven. Ay heere! wilt mi gheven U vaderlike minne daer toe: So blivic eeuwelike vroe#[27].
Jans Teesteye, het werk van BOENDALE, waarin MAERLANT'S invloed zich het duidelijkst vertoont, is geschreven in den vorm eener samenspraak tusschen een paar vrienden, WOUTER en JAN; echter niet in regelmatige afwisseling van vraag en antwoord verdeeld over afzonderlijke coupletten, maar zóó dat verreweg de meeste hoofdstukken aanvangen met een vraag van WOUTER die door JAN wordt beantwoord. Misschien moeten wij dit dialogisch karakter toeschrijven aan den invloed van MAERLANT'SMartijns, doch, zooals wij reeds in den aanvang van dit hoofdstuk zagen, het leerdicht koos gaarne dezen vorm.
Wij vinden den dialoogvorm nog in een drietal leerdichten die wij nu zullen behandelen.
Meliboeuseen „boec van troeste ende van rade" is eene vertaling uit het Latijn van ALBERTANUS VAN BRESCIA en werd in 1342 door een te Antwerpen wonend dichter voltooid. Het zou worden opgedragen aan den hertog van Brabant en de hier aangeboden troost en raad waren dan ook voornamelijk gericht tot landsheeren, zooals ons in den proloog wordt medegedeeld. In een onregelmatig dialogischen vorm geeft het gedicht allerlei opmerkingen ten beste over de wijze waarop een man zich heeft te gedragen in den strijd o.a. met het vleesch, de wereld en den duivel; verreweg de meeste plaats wordt echter ingenomen door een breedvoerige behandeling van vragen als: of en wanneer een man rekening moet houden met den raad zijner vrouw, wat men schuwen moet in het raadplegen, hoe men zal onderzoeken of een raad nuttig is, dat men aan jongere menschen geen raad moet vragen enz.
Mogelijk is ook dit werk van BOENDALE'S hand, al zal eerst voortgezet onderzoek deze mogelijkheid tot zekerheid of hooge waarschijnlijkheid kunnen brengen[28].
Den invloed van MAERLANT'SMartijnsdien wij in BOENDALE'STeesteyeopmerkten, zien wij eveneens inEene disputacie van Rogiere ende van Janne, door den Yperschen chirurgijn JAN DE WEERT gedicht, nadat hij denSpiegel van Zondenhad voltooid. Evenals in denMeliboeuswordt ook hier de strijd van den mensch met zijne drie vijanden: het vleesch, de wereld en den Booze behandeld. Wij hebben deze voorstelling reeds leeren kennen uit RUYSBROECK'SWerkende Leven; ook andere deelen daarvan vinden wij in dezeDisputacieterug, zoo b.v. de rol die Gods gratie vervult in dezen strijd van den mensch met zijne vijanden; de vergelijking van den mensch bij eene stad waarin de vrije wil koning is[29].
Toen JAN DE WEERT dit werk schreef, stond MAERLANT'S beeld hem voor oogen; MAERLANT'S naam wordt door hem dan ook meer dan eens genoemd, deMartijnsvermeld en de trant dier werken nagevolgd. Maar het talent van den navolger schoot te kort; de dwang van MAERLANT'S kunstig gebouwde strophe belemmert hem voortdurend in het voorwaartsgaan en hij was zich daarvan wel bewust, toen hij schreef:
Mijn conste en es niet also groot Als Jacops hier te voren.
Toch is hier nog in het kiezen van dien vorm een streven naar kunst.
Dat streven valt tenauwernood te ontdekken en is bijna schuil gegaan achter het nuttigheidsbeginsel in de samenspraak tusschen vader en zoon, die onder den titelSeneka lereneene vertaling bevat van een aan SENECA terecht of te onrechte toegeschreven werkjeDe Remediis Fortuitorum[30]. De Dietsche vertaling bevatte een menigte welgemeende terechtwijzigingen, verstandige voorschriften en lessen van levenswijsheid, in zuivere taal uitgedrukt. Door dat karakter sluit dit werkje zich aan eenerzijds bij denDietschen Catoenuit vroegeren tijd en bij eenige andere gelijktijdige: hetDoctrinael savage,die Bouc van ZedenenVan Zeden[31].
Evenals de meeste overige leerdichten, zijn ook deze werkjes wel niet zonder belang voor de geschiedenis der literatuur—immers, zooals men de literatuur toen beschouwde—maar toch belangrijker voor de zedengeschiedenis. De twee laatste werkjes vooral zijn gewijd aan de verfijning van manieren en gedrag in het dagelijksch leven. Men ziet eruit dat ook de burgerij prijs gaat stellen op uiterlijke beschaving en tevens dat die beschaving nog geen hoogen trap had bereikt. Dat laatste blijkt wel, wanneer men in het oog houdt wat de Dietsche vertalervan het laatstgenoemde geschrift zijnen lezers en hoorders al zoo voorhoudt: eet en drink niet tegelijk; soppen in een nap gaat aan, in den mond niet; bijt niet in een stuk dat gij (daarna) in den schotel wilt leggen; gebruik het tafellaken niet om er uwe tanden, tranende oogen of uw neus mede te vegen; vat den beker niet bij den rand aan; wijs niet met den vinger naar iemand over wien gij spreekt; komt gij voor iemands deur, val dan niet met de deur in huis, maar geef een of ander teeken door kloppen, hoesten of spreken. Andere voorschriften echter waren berekend niet zoozeer op het te keer gaan der oorspronkelijke ruwheid als wel op het verhoogen der reeds aanwezige beschaving. Zoo b.v.: lach niet te veel; lach ook niet in u zelven, want dat is een teeken van boosheid en geveinsdheid; spreek niet minachtend over vrouwen; zit gij in gezelschap van uwen meerdere, sla dan het eene been niet over het ander; moet gij slapen in één bed met uw gelijke of uw meerdere, vraag hem dan aan welken kant hij wil liggen.
Door raadgevingen als die over de drie vijanden van den mensch houdt het bundeltjeVan Zedenverband metMeliboeusen JAN DE WEERT'SDisputacie, anderzijds beseft de bewerker wel dat hij iets geeft dat in denDietschen Catoenniet gevonden werd[32].
De hier behandelde tweespraken en dialogische gedichten, de korte coupletten, waaruit het bundeltjeVan Zedenbestaat, kunnen dienen als voorbereiding op de didactische lyriek, die wij in een volgend hoofdstuk zullen leeren kennen. Zij zijn als schakels, die de leerdichten in epischen vorm verbinden met de didactische lyriek. Geen der in deze laatste bladzijden behandelde werken is daartoe zóó geschikt als het tot nu niet genoemde werk van zekeren JAN PRAET, dat men op grond van eene aanwijzing in den tekstLeeringhe der Zalichedeheeftgenoemd[33]. Gedicht nu eens in verzen met overslaand rijm, dan weer in paarsgewijze rijmende verzen, die onderbroken worden door vier- en zesregelige coupletten, afgewisseld op hunne beurt door twaalfregelige „motetten", geeft dit rijmwerk ons een vermoeiend bonte afwisseling van dichtvormen te zien. Harmonie heerscht hier in zóóver, dat ook de inhoud een bonte verscheidenheid toont; doch die harmonie beperkt zich tot de oppervlakte, want de wisselingen van vorm beantwoorden niet aan wisselingen van inhoud of stemming, maar schijnen slechts voort te komen uit zekere onrust, misschien ook uit de zucht van den auteur om met zijne kunstvaardigheid te pronken.
Daar de aanvang en het slot van het werk ontbreken, kunnen wij ons uit de ongeveer 5000 overgebleven verzen geene volkomen voorstelling vormen van het plan des dichters. De aanvang van het fragment verplaatst ons in een lofzang op de H. Maagd. Hare deugden worden opgenoemd in verband met de letters van haar naam. Telkens begeeft de auteur zich in eene uitweiding, zoo b.v. over de wanhoop en de geschiedenis van THEOPHILUS. De voorstelling van het leven als een gevaarlijke zeereis wordt breed uitgewerkt: het lichaam is het schip, het hart de schipper, het gepeins het anker; het kompas, bestaande uit naald, zeilsteen en water, geeft een voorstelling van Verstand, Zin en Geheugen. Hoogmoed wordt gelaakt; zelfkennis aangeprezen; de verachtelijkheid van het lichaam met nadruk betoogd. Daarna wordt het beeld van het schip weer op den voorgrond gebracht. De auteur, die zich hier wel in de plaats zal stellen van den gewonen mensch, belijdt dat hij schuldig staat aan de zeven hoofdzonden; deze worden dan op de bekende middeleeuwsche wijze voorgesteld als een boom (hoovaardij) met zes takken (arbor vitiorum). Staaltjes van de wijze, waarop de hoofdzonden zich in het leven openbaren,worden medegedeeld; vooral de priesters moeten het hier ontgelden in hun wellust, luiheid en hebzucht. Een lang dispuut tusschen Hoovaardij en Ootmoed volgt; daarna een beschrijving van een strijd tusschen de deugden en de ondeugden (bekend uit PRUDENTIUS'Psychomachia); ten slotte wordt Hoovaardij berispt door Vrouwe Sapientia en JEZUS' leven uitvoerig verhaald.
Hoewel nergens blijkt dat een bepaald werk of een auteur door JAN PRAET gevolgd is, knoopt hij toch telkens nieuwe beschouwingen vast aan Latijnsche teksten of korte Latijnsche verzen, die niet zelden door hem worden uitgebreid. In die uitbreidingen, vooral in de lyrische gedeelten daarvan, toont deze auteur zich op zijn best. Zijn smaak was niet fijn—getuige zijne vergelijking van God, die zich van sommige priesters afkeert, bij een haas die de honden ontvlucht[34]—hij weet zich niet te beheerschen noch te beperken, toont zich niet zelden een gelijkvloerschen rijmelaar; doch, waar hij op zijn best is, weet hij ook aardige, gemakkelijk voortloopende coupletten te dichten, die zekere natuurlijke bevalligheid vertoonen. Zoo b.v. het „motet" dat aanvangt:
Bi rimes zucht#Verlieset vrucht Saen hare baten
of:
Hooren, peinsen, Zwighen, veinsen Ende wel voorsien, Dat zijn seden Van wijsheden Dies willen plien#.
Ook de aanvang der lange passage, waar Vrouwe Hoovaardij aan het woord is, mag hier genoemd worden:
Ic doe tornieren, Ridders verfieren#Van haren zinne, Vrouwen pareren, Zinghen, baleren#Om ridders minne; Knapen#josteren#Ende breken speren Om roeme saken; Joncfrouwen vermoyen, Wempelen ployen Ende horne#maken.
Zulke stukken herinneren ons, dat er in de 14deeeuw eene bloeiende lyriek wordt aangetroffen. Met die lyriek zullen wij ons spoedig hebben bezig te houden. Eerst echter wacht ons een andere taak: na te gaan, wat er van denReinaertgeworden is onder den invloed van de sterke didactische neigingen der burgerijen.
REINAERT II.
Een eeuw en het vierde eener volgende eeuw waren voorbijgegaan, sinds een Vlaamsch dichter de geschiedenisvan den vos Reinaerdeaan zijn volk had verhaald.
Welken indruk dit dichtwerk op het publiek heeft gemaakt, kunnen wij wel vermoeden doch niet in bijzonderheden aantoonen. Moesten wij afgaan alleen op het ontbreken van handschriften uit de 13deen 14deeeuw, waarin het gedicht is bewaard, dan zou men moeten aannemen dat het weinig of niet bekend is geworden. Maar de afkeurende critiek van ernstigemannen als WILLEM VAN AFFLIGHEM en MAERLANT bewijst wel, dat de roodbaard in ruimer kring sympathie vond dan hun lief was. Duidelijk openbaarde zich die sympathie bij zekeren BALDWINUS, die omstreeks of eenigen tijd vóór 1280 aan ons gedicht de zeldzame eer eener vertaling in het Latijn bewees. Maar indien deReinaertdaardoor al in de schatting ook der ernstige mannen gerezen is, dan toch waarschijnlijk alleen omdat hij ook nuttige lessen bevatte. Dat standpunt zien wij ten minste JAN BOENDALE innemen ongeveer een halve eeuw nadat de Latijnsche vertaling vervaardigd is. In zijnLekenspiegelzegt hij, sprekend „van Reynaerde ende Ysegrime, Brunen den bere ende den das":
Dat dese dinc vonden was, Was al om lere ende wijsheit[35].
Die opvatting bleef gelden ook bij anderen die na hem kwamen. Indien BOENDALE—wat niet waarschijnlijk is—nog heeft geleefd omstreeks 1375, dan heeft hij zijn hart kunnen ophalen aan een verhaalvan den vos Reinaerde, dat waarschijnlijk wel genade zal hebben gevonden in de oogen der ernstige mannen van dien tijd. In dat jaar toch heeft een onbekend, geletterd dichter het oude verhaal opnieuw bewerkt in den geest der didactische dichters. WILLEM'S gedicht is door hem tot grondslag genomen eener nieuwe bewerking, bestaande uit: 1ohet oude gedicht, doch met allerlei wijzigingen, invoegsels, toevoegsels en weglatingen; 2oeene voortzetting van het oude gedicht in den geest zijner bewerking van WILLEM'S gedicht. In zijn werk heeft hij tal van nieuwe dierfabels gelascht: wolf en merrie, man en slang, paard en hert, ezel en hond, wolf en kraanvogel, zieke leeuw en Reinaert als arts; deze zijn ontleend deels aan denEsopetdeels waarschijnlijk aan de Latijnsche fabelverzamelingRomulus. Aan de voortzetting vanhet oude gedicht ligt waarschijnlijk eene Fransche bewerking van een deel der Reinaert-sage ten grondslag, doch de Nederlandsche bewerker heeft op dien grondslag zelf voortgebouwd.
De dichter van 1375 heeft uit den oudenReinaertvrij wat weggelaten doch er ook vrij wat aan toegevoegd; zijne bewerking van WILLEM'S gedicht heeft denzelfden omvang als dat gedicht zelf. Door de voortzetting die meer dan 4000 verzen bedraagt, verkreegReinaert II, zooals men het 14de-eeuwsch gedicht gewoonlijk noemt, echter meer dan den dubbelen omvang vanReinaert I.
Willen wij trachtenReinaert IIte leeren kennen en te kenschetsen, dan zullen wij dat werk voortdurend naastReinaert Imoeten houden om de overeenkomst en het verschil tusschen beide te beter te zien[36].
Evenals in de 13deeeuw zien wij ook nu na de ridderpoëzie eene bewerking der Reinaert-sage verschijnen, doch verschillend in wezen van die der 13deeeuw en onder andere omstandigheden.
Het oude gedichtVan den vos Reinaerdewas, evenals het Fransche gedichtLe Plaid, ontstaan ten deele uit lust tot parodieering van ridderwezen en ridderpoëzie; de Vlaamsche dichter heeft die parodie op zelfstandige wijze met onmiskenbaar talent uitgewerkt en voortgezet. De parodie die inReinaert Ireeds aanwezig was, is door den lateren dichter grootendeels behouden, doch, behalve de beschrijving van een tweekamp tusschen vos en wolf, heeft hij daaraan niets toegevoegd waaruit lust tot zulke parodie ook in hem blijkt. Wel zien wij op een enkele plaats dat hij het ridderwezen niet hoog stelt; hij zegt immers dat hij den strijd tusschen Reinaert en Isegrim liever zou zien dan dien „van twee riddren in een perc"[37]. Overigens moeten wij niet vergeten dat er voor zulk eene parodie omstreeks 1375 weinig reden meer bestond; het ridderwezen was nietmeer wat het nog in de eerste helft der 13deeeuw was en de ridderpoëzie van de eerste helft der 14deeeuw was grootendeels namaak van de vroegere.
Voor een ander gedeelte was het oude gedicht geboren uit natuurliefde, welbehagen, in het wezen en leven der dieren, lust om het leven der dieren in de natuur met het menschenleven in- en buitenshuis te vereenigen en te verwerken tot een groot tafereel. Wat is daarvan in de bewerking der 14deeeuw overgebleven? Het natuurleven en dierenleven is er natuurlijk nog; doch als een tafereel, hier verbleekt daar overschilderd, dat menigen fijnen trek heeft verloren en nieuwe trekken vertoont die kwalijk passen bij den geest van het geheel. Wij zien in de latere bewerking niet de menigvuldige kromme paden in Reinaert's jachtveld; wij hooren den beer niet meer luid steunen en zuchten, wanneer hij, van zijn rampspoedigen tocht naar Malpertuis teruggekomen, vóór koning Nobel staat. Verdwenen zijn uitReinaert IIde kinderen die den wolf een blinddoek voorbinden, verdwenen ook het aardige tooneel van Reinaert's vijanden bij de galg waaraan zij hem aanstonds hopen te hangen[38].
Het onvermijdelijk anthropomorphisme, door den ouden dichter, met natuurlijken takt binnen de grenzen gehouden, vertoont zich hier op hinderlijke wijze: koning Leeuw zegt: nimmer zal ik meer een zwaard aangorden of een kroon dragen; Reinaert vertelt den koning, dat vrouwe Hermeline heeft moeten zweren in den naam der drie koningen; de dieren dansen hofdansen op trompen en schalmeien, zelfs dragen zij „sproken ende stampiën"#voor; bij het beleg van Malpertuis bedienen zij zich van „donrebussen en bombaerden"#[39].
Zoo weinig schijnt de omwerker de dieren in hun wezen en gedrag te kennen, misschien ook geeft hij zoo weinig acht op zijne eigen voorstelling van het dierenleven, dat hij den leeuwlaat „brieschen als een stier" en den vos zijne voetstappen dekken(?) met den mond[40].
Dat de omwerker op deze wijze door schrappen en toevoegen het oorspronkelijk werk in waarde deed dalen, behoeft ons niet te bevreemden. Zijn voorganger stondin, hijbuitende dierenwereld. Duidelijk zien wij dat, waar hij, sprekend van eene woordenwisseling tusschen Reinaert en zijne vijanden, zegt: „nooit hoorde men feller aanklacht en beter verdediging dan daar,ten minste van zulke wilde dieren"[41]. Een dergelijke uitdrukking zou WILLEM nooit gebruikt hebben; die voelde zich daarvoor te zeer één met de dieren die hij voor ons doet optreden. De veertiend'eeuwer kent niet meer of gunt zich niet meer dat genot van zorgeloos gaan door een droomwereld, met de dieren te zwerven door bosschen en over heiden, ze na te gaan in hunne gangen, te beluisteren en te bespieden in hun omgang. Hij is een ontwikkeld man, een „clerc" die zijne geleerdheid gaarne lucht, die de wereld slecht vindt, haar wil waarschuwen, verbeteren, stichten. Het verhaal van Reinaert moet hem dienen als middel om dat doel te treffen. Reeds in den aanvang van zijn werk vestigt hij de aandacht op de „wijsheit" die hier besloten ligt; en als hij aan het eind gekomen is, klinkt het op nieuw:
so wie dit wel verstaet in 't lesen, al ist som boert, hi vinter in vroede leer ende goeden sin[42].
Om die „vroede leer" en „goeden zin" was het den auteur te doen; dat was de pit, de boert slechts de bolster. Telkens blijkt het dan ook, hoe weinig de auteur leeft in die fantastische dierenwereld; hoe zeer hij vervuld is van het heden. Over dat heden is hij slecht te spreken. Er loopen maar al te veel Reinaerts rond, aldragen zij geen rooden baard; trouw en waarheid zijn verdreven; hebzucht, loosheid en afgunst met koningin Hoovaardij zitten nu op het kussen. De geestelijkheid moet menige veer laten: Losevont de prior, bisschop Prendeloor, Rapiamus de deken, de kardinaal Valoot met zijne concubine.
Op die wijs had vroeger ook JAN DE WEERT het mes gezet in de booze zweren van zijn tijd. Verwantschap met de leerdichters toont de omwerker van denReinaertook, waar hij veel gewicht hecht aan „raet", „subtilen raet" en den invloed daarvan aan een hof; waar hij nu eens de vrouwen in een ongunstig licht stelt dan weer een zweempje van vrouwendienst laat blijken. Doch ook maar een zweempje; de lof der vrouwen wordt verkondigd door vrouw Venus „die duvelinne". Voor den rechten vrouwendienst zal deze auteur te kalm en nuchter-verstandelijk zijn geweest. Juist door die eigenschappen kon het hem gelukken, den mysticus te parodiëeren waar hij uit Reinaert's mond sprak van „een bloot niet", van „bescouwender contemplaciën" en „sonderlinghe graciën."[43].
Geen bedwelmenden nectar van mystiek maar het voedzame brood van practische levenswijsheid—dat was wat volgens hem de burgerij noodig had! Wijze lessen, kernspreuken deelt onze omwerker dan ook gaarne uit: zonder dwang gaat het niet goed met eene gemeente; de geleerdsten zijn dikwijls niet de wijsten; een trouw vriend is een sterke hulp; misdoen en zich beteren is menschelijk, zonder dat is het duivelswerk; soms komen de spreuken in een vlaag achtereen: het zwaarste moet het zwaarst wegen; in voor- en tegenspoed moet men maat houden; karaktervastheid voegt den heer, het lot is wisselvallig; prijs den dag niet eer het avond is; goede raad kan dikwijls baten[44].
Onze voorstelling zou eenzijdig, onze beschouwing onbillijk worden, indien wij slechts op deze karaktertrekken van Reinaertden Tweeden de aandacht vestigden; indien wij het deden voorkomen alsof het dezen auteur geheel ontbrak aan medegevoel voor het dierenleven. Dat gevoel was er wel, doch hij onderdrukte het ter wille van andere gevoelens; het bloed kroop, waar het niet gaan kon.
Op verscheidene plaatsen vinden wij toevoegsels van zijne hand, die wel in den geest vanReinaert Izijn; zoo b.v. waar hij van de vermoorde kip Coppe zegt: „de beste, die ie#eier leide op neste."—„Kon de koning geen minderen bode vinden dan u?" laat hij Reinaert tot den dom-trotschen afgezant Bruin zeggen; en later, als deze, bebloed en bek-af na de mishandeling op LAMFROIT'S erf, op den oever eener rivier ligt te hijgen: „hebt gij iets vergeten daarginds? ik zal gaarne een boodschap voor u meenemen; smaakte de honing? ik weet er nog meer voor u tegen denzelfden prijs." Hoe goed ook zijn de kapriolen beschreven van de kleine vossen, die zoo'n pleizier hebben in de weerkaatsing van hun beeld in een spiegel, waar zij:
in plaghen te spieghelen ende voor te springhen, ende saghen hoe haer steertjens hinghen, ende hoe hem haer muulken stont[45].
Op meer dan eene plaats blijkt, dat de omwerker, waar hij voortzetter is van het oude gedicht, een levendigen stijl heeft, dat hij wel kan vertellen en beschrijven[46]. Vooral blijkt dat in het verhaal van Reinaert's bezoek bij de meerkat. „Tante," zegt Reinaert, „wat heb je mooie jongen! deus, hoe wel behaghen si mi!" En zij: „Reinaert, lieve neve, weest wellecome!" Zoo'n vriendelijke ontvangst, vertelt de vos later, verdiende ik al dadelijk door dat „tante". Toch verlaat hij het hol der apin zoo snel mogelijk, „omdattet na die wieghe daer rooc".
Zoo is er dus wel geestverwantschap tusschen den oudendichter en den lateren; doch anderzijds dit groote verschil dat voor den oudere de schepping van zijn werk haar doel vond in zich zelve, terwijl voor den jongere het dichtwerk vooral een middel was tot verbetering zijner tijdgenooten. Was WILLEM een beeldend kunstenaar, die schiep uit scheppingslust en drang, zijn opvolger was een verstandelijk dichter, die de behandeling der behagelijke stof gewettigd achtte slechts door de nuttige leering die zij bevatte.
Dat verstandelijk element heeft er hem toe gebracht, het oude gedicht op menige plaats te wijzigen, met de bedoeling natuurlijk het te verbeteren en voor het logisch denkend verstand juister of aannemelijker te maken.Reinaert Ivertelt ons, dat Bruin, bij Reinaert's kasteel Malpertuis gekomen, de poort waarneemt waar Reinaert gewoonlijk uitgaat en dan vóór de „barbecane"#op zijn staart gaat zitten. Let wel, zegt de omwerker, de poort was gesloten.—Alsof dat bij een middeleeuwsch kasteel niet vanzelf sprak!—Bruin, mishandeld door de dorpelingen, is in de rivier gesprongen, laat zich met den stroom afdrijven en kruipt eindelijk vermoeid op den oever.—Op denanderenoever, zegt de omwerker. Hij heeft misschien gelijk, misschien niet; maar wat kan het ons schelen? „Ik liep uit een schuur," vertelt Reinaert ergens. „Door het gat waar ik wilde zijn"—wordt ons verduidelijkt. Koning Nobel en zijne gemalin gaan de terechtstelling van Reinaert bijwonen, vertelt WILLEM ons.—Het hof ging ook meê, haast zijn opvolger zich er bij te voegen.
Op die wijze voortgaand, heeft hij de bekoorlijk-vrije poëzie van het oude gedicht onder de plak van den schoolmeester gebracht[47]. Ordelijker heeft hij haar gemaakt, hier en daar ook ordentelijker. Van „verhoerd" maakt hij „verdoord"#, al past dat niet in het verband; „achterste" wordt „lijf", al gaat daardoor eene aardige tegenstelling verloren[48]. Op sommige plaatsen heeft de omwerker door zijne zucht om duidelijk, vooral duidelijkte zijn, het oude gedicht ernstiger beschadigd dan door bovengenoemde toevoegsels of wijzigingen.
De vos is ingebroken bij den pastoor en heeft een haan meegepakt; Martinet, pastoors zoon, heeft een strik voor het gat gespannen in de hoop den kippendief bij een volgend bezoek te vangen. De rampzalige Tibeert, gekomen om Reinaert met zich ten hove te voeren, wordt door Reinaert in den strik gelokt en staat droefelijk te miauwen. Martinet wordt wakker, vliegt op, steekt een stroowisch aan en schreeuwt tot de huisgenooten: „Er op af, hij is gevangen!" Dat „hij" zonder meer zal door zijn waarheid ieder treffen die weet wat men onder zulke omstandigheden pleegt te roepen. Den omwerker heeft het ook getroffen, echter niet door zijne waarheid; blijkbaar acht hij zijn voorganger ook ditmaal niet duidelijk genoeg en dus laat hij Martinet roepen: „Staat op, de dief is gevangen!" Doch welk een aardig trekje ging hier verloren[49].
Elders hooren wij den braven haan Cantecleer roemen op zijne vijftien kinderen die zijne echtgenoot, de wijze Rode, hem had geschonken „in één broedsel"; de omwerker maakt daarvan: die mijne echtgenoot, de wijze Rode, „zeer verstandig opvoedde". Ook al neemt men aan dat dit ironisch bedoeld is, wat is dan toch het warme leven van het oude gedicht door deze wijziging verkild[50].
Zit de omwerker eens op zijn praatstoel dan raakt hij er niet gemakkelijk af; zijne personages redeneeren en redeneeren ... dat men soms niet meer weet wie aan het woord is. Vrouw Rukenau, de apin, houdt een pleidooi door 400 regels heen; een ingevoegd verhaal over eenige kostbaarheden heeft een omvang van niet minder dan 900 verzen.
Dat zulke uitweidingen de belangstelling verdeelen en verzwakken, behoeft evenmin betoog, als dat de eenheid van het geheel er door wordt verbroken[51].
Reinaert de Eerste heeft bij al zijne brutaliteit iets onbevangens; boef die hij is, heeft hij toch iets naïefs. Reinaert de Tweede toont zekere zelfverheffing in uitingen als: „ic weet so menighen loosen vont"[52].
Kortom, het is WILLEM'S dichtwerk onder de handen van den omwerker gegaan, zooals Reinaert onder die van tante Rukenau, de apin.
Reinaert moet in het krijt komen tegen zijn ouden vijand, den sterken Isegrim. Zonder list zal hij dezen niet kunnen overwinnen. Moei Rukenau weet raad. Zij scheert neef Reinaert glad tusschen hoofd en staart en smeert daarna zijn romp met olie in. Zóó zal de vijand geen vat op hem kunnen krijgen, want „hij was vet en wel gevoed." Bovendien moet hij dien avond veel drinken, doch den natuurlijken aandrang die daarvan het gevolg zal zijn, bedwingen. Komt hij onder het gevecht in nood, dan zich niet langer bedwongen; met zijn ruigen druipenden staart kan hij dan zijn vijands oogen verblinden. Met behulp van deze en andere listen gelukt het hem inderdaad de zege te behalen.
Maar hoe ziet hij er dan ook uit!
Ja, het is de vos nog; nog fonkelen de wilde oogen in den fijnen kop, nog heeft hij klauwen en tanden. Maar zijn sieraad, de ruige dichte pels, waarvan de vlokken zoo afstoven toen de honden hem te lijf gingen, is verdwenen. Ja, hij is welgevoed; zijn lijf staat bol van nuttige leering en zedelijke verbetering—maar hoe is de natuurlijke schoonheid van den prachtigen struikroover verdwenen. Nog bezit hij den zwaren fraai gevormden staart, doch die hangt neer, druipend ... er is een luchtje aan.
Zoo uitgerust, was hij ongetwijfeld sterker in den strijd met den wolf der menschelijke ondeugd, doch wie ziet niet hoe hier de moraal de kunst heeft geschaad. Uit liefde, ongetwijfeld; maar, apenliefde.
[Voetnoot1: Vgl.Sp. der. Z., vs. 16958 enBed. der M.aan het slot; en VERWIJS,Van Vrouwen ende van Minne, XIV.]
[Voetnoot2:Lekensp., I, c. 24, 57; c. 37, 127; II, c. 7, 102.Dietsche Doctrinael, III, 831; 1763; II, 2278.Boec van der Wraken, I, 262, 294, 1142 enz.]
[Voetnoot3:Dietsche Lucidarius, vs. 38–40; ook vs. 335–6: „Van hem (God) en dorren wi niet bedieden || Te verre voor die leke lieden.]
[Voetnoot4:Der Mannen ende der Vrouwen Heimelijcheit(in:Mnl. Ged.ed. DE PAUW), I, 121.]
[Voetnoot5:Boec van der Wraken(ed. SNELLAERT), I, 1102–3; zijn betuiging van eerbied voor de priesters in het algemeen (II, 1222 vlgg.) is daarmede niet in strijd.]
[Voetnoot6: Bl. 288.]
[Voetnoot7: I, c. 25, vs. 79 vlgg.]
[Voetnoot8: Vgl. de inleiding van VERDAM, XLIII.]
[Voetnoot9: Over de uitgaaf vanDie cracht der Manezie TE WINKEL en PETIT. Daarbij komen nu een paar andere uitgaven in DE PAUW'SMnl. Ged., I, 203 vlgg. en 219 vlgg. naar hss. der 14e eeuw. De uitgaven van no. 2 en no. 3 bij TE WINKEL en PETIT; de klacht over „die onghetrouwe merkaren" in no. 2 (vs. 360) wijst ook op de 14e eeuw. no. 4 is uitgegeven door W. DE VREESE inTijdschr. v. N.T. en L., XI, 63 vlgg.]
[Voetnoot10: Over de uitgaven van beide werken vgl. TE WINKEL i.v. Voorts en vooral:Studiën über das deutsche Volksbuch Lucidarius....van KARL SCHORBACH. Strassburg. TRÜBNER. 1894. Aankondiging van dat werk door TE WINKEL inMuseum, 1895, bl. 17.]
[Voetnoot11: Uitgeg. door SNELLAERT in:Nederlandsche Gedichten uit de veertiende eeuw. De hier aangehaalde verzen I, 648 vlgg.]
[Voetnoot12: Over de uitgave vgl. TE WINKEL i.v.]
[Voetnoot13: Over de twee eerste vgl. TE WINKEL i.v. Van denNieuwenDoctrinaelgaf J. KOOPMANS een boeiend overzicht en goede karakteristiek inTweem. Tijdschr.van Jan. 1901.]
Voor denSpiegel der Zondenverwijs ik naar de uitgave van VERDAM, (BRILL, Leiden, 1900) die voorzien is van eene voortreffelijke Inleiding.]
[Voetnoot14: VERDAM a.w. II, XLV.]
[Voetnoot15: Een degelijk overzicht daarvan danken wij aan VERDAM; vgl. a.w. II, LI vlgg.]
[Voetnoot16: Vgl. vs. 5645 vlgg.; 11563 vlgg., 11683, 11964; 12159 en voorts de plaatsen door VERDAM aangewezen in zijne Inleiding, bl. XLIX.]
[Voetnoot17: Vs. 1614 vlgg. en 1996 vlgg.]
[Voetnoot18: Vgl. de uitvoerige mededeelingen daaromtrent bij TE WINKEL, bl. 387 vlgg.]
[Voetnoot19: Ed. DE VRIES. Bij de opgave der hss. van TE WINKEL, bl. 392 moeten gevoegd deBaseler Fragmentewaarover zie:Germania, XXXVII, 410. Karakteristiek van den inhoud door J. KOOPMANS in:Tweem. Tijdschr., 1899.
Over den, in denLekenspiegelopgenomen,Sidracvgl. TE WINKEL a.w. bl. 396. Bij de daar vermelde literatuur-opgave is te voegen eene mededeeling van W. DE VREESE inTijdschr. voor N.T. en L., X, 33 vlgg.]
[Voetnoot20: Vgl. I, c. 40, vs. 50 vlgg.; I, c. 44; I, c. 16; III, c. 10.]
[Voetnoot21: Vgl. I, c. 16, c. 15, c. 2, c. 5; II, c. 39, 251 vlgg. te verg. met RUYSBROECK I, 41: „Dese heilege Kerke, dat sijn alle goede minschen met Gode verenecht, ende te gadere geroepen iegewelc met al den anderen."]
[Voetnoot22: Met DE VRIES en TE WINKEL geloof ik, dat deTeesteyenà denLekenspiegelis bewerkt. Zie de plaatsen pro en contra vermeld bij TE WINKEL, bl. 397. DeTeesteyewerd uitgegeven door SNELLAERT in zijne:Ned. Ged. uit de 14e eeuw.]
[Voetnoot23: Vgl.Teesteye, 393, 812;Lekensp.B. II, c. 35, 17–18; vooral ook de Inleiding op MAERLANT'SStrophische Gedichten(edd. FRANCK en VERDAM), bl. LXXXVII.]
[Voetnoot24:Lekensp., II, c. 38, vs. 103 vlgg.]
[Voetnoot25:Lekensp., B. III, c. 20–22.]
[Voetnoot26:Lekensp., B. II, c. 35, vs. 109 vlgg.]
[Voetnoot27: B. I, c. 21, vs. 93–100.]
[Voetnoot28: Wat SNELLAERT in de Inleiding zijnerNed. Ged. uit de 14de eeuw, bl. XXV heeft medegedeeld over de gelijkenis tusschenTeesteye,Boec van der WrakenenMelibeus, is zeker niet voldoende om ons te overtuigen dat deze drie werken van één maker moeten zijn; dochgeeft voldoende reden om een afzonderlijk onderzoek in te stellen. Daarbij zou ook het overige werk van BOENDALE moeten geraadpleegd worden. Immers bij de door S. medegedeelde plaatsen kan men alvast een paar verzen uit denLekenspiegelvoegen (III, c. 3, vs. 237–8) die teruggevonden worden inMeliboeus, vs. 2266–7.
Een nauwkeurig onderzoek van de taal zou de vraag heel wat verder kunnen brengen.
Opmerkelijk is voorts, dat ook CHAUCER eene proza-bewerking gaf vanThe tale of Melibeus. Staat deze bewerking in verband tot het Mnl. gedicht?]
[Voetnoot29: Uitgeg. in KAUSLER'SAltniederl. Gedichte, II, 14 vlgg. Vgl. o.a. vs. 210 vlgg.; 482 vlgg.; 522 vlgg.]
[Voetnoot30: Nieuwe uitgaaf van Dr. W.H.D. SURINGAR. Leiden. Gebr. V.D. HOEK. 1895.]
[Voetnoot31: Uitgeg. in KAUSLER'SAltn. Ged., III, 177–181. Het is vertaald uit het Fransche „Doctrinal d'un rimeur nommé Sauvage"; vgl. PETIT DE JULEVILLE'SHist. de la Litt. Franç., II, 185, waar het „banal et confus" wordt genoemd. no. 2 en no. 3 eveneens uitgeg. door Dr. SURINGAR (Leiden, V.D. HOEK, 1891 en 1892); no. 2 ontleend aan drie Latijnsche werkjes waarvan één door den bewerker op den voet is gevolgd (vgl. bl. XXII vlgg.). no. 3 eene vertaling van den LatijnschenFacetus, echter geen woordelijke vertaling. Vgl. ookNed. Spect., 1891, no. 41; 1893, no. 1. Over andere derg. geschriften vgl. TE WINKEL, bl. 405.]
[Voetnoot32: Vgl. no. 28, no. 2.Die Bouc van Zedenbehelst dergelijke gegevens alsVan Zeden.]
[Voetnoot33: Uitgave van J.H. BORMANS (Speghel der Wijsheit of Leeringhe der Zalichede). Brussel. 1872.]
[Voetnoot34: Vs. 2065–6.]
[Voetnoot35: B. III, c. 15, vs. 190–3.]
[Voetnoot36: OokReinaert IIis voortreffelijk uitgegeven door MARTIN. In M'sEinleitung, XLIX-LI vinden wij eene parallel als boven bedoeld wordt, in hoofdzaken aangegeven. Eene uitvoerige vergelijking van beide bewerkingen gaf Dr. J.W. MULLER inDe oude en de jongere bewerking van den Reinaert. (Amsterdam. 1884).]
[Voetnoot37: Vs. 7068-'71. Vindt men in vs. 3181: „Ic heb minen dume uut sinen monde" misschien eene herinnering aan een tooneel uit den roman der Heemskinderen? (Vgl.Volksboeked. MATTHES, bl. 141).]
[Voetnoot38: Vgl. I, 505 en II, 530–1; I, 990 en II, 1013; I, 1582-'98 met II, 1611; I, 1947-'60 en II, 1977 vlgg.]
[Voetnoot39: Vgl. II, 1022-'3; 2314-'5; 3486-'7 (ook in het Fransch; vgl. MARTIN,Einl., XLI); 3499; 3745 vlgg.; 4827-'9. Van dat alles is inReinaert Iniets te vinden.]
[Voetnoot40: II, 3622 en II, 2417 verg. met I, 2393-'5. (Het mogelijk verkeerd lezen vanmoude(stof) voormondedoet hier niets af).]
[Voetnoot41:Reinaert II, vs. 1899.]
[Voetnoot42: Vgl. vs. 40–44, 7769 vlgg. Over het vertoon van geleerdheid vgl. MARTIN,Einl., XLIX-L.]
[Voetnoot43: Vgl.Reinaert II, vs. 7654 vlgg.; 2959 vlgg.; 4534 vlgg.; 4595; 1413-'29; 3821 vlgg.; over de vrouwen vgl. MULLER'S dissertatie, bl. 122, 187, doch ook hier vs. 5541-'5; de mystiek vs. 4130 vlgg.]
[Voetnoot44: II, 2335, 3613, 4098, 4422, 4770, 4848, 7393, 7408 en de op deze volgende verzen.]
[Voetnoot45: Zie deze en andere plaatsen inReinaert II, vs. 488, 604-'8. 961 vlgg., 2228-'9, 2916, 3030, 3210, 3842-'3, 4450-'9, 5896–5901, 6581 (in vergelijking met de overeenkomstige plaatsen vanReinaert I).]
[Voetnoot46: Vgl. MULLER a.w. bl. 191–2.]
[Voetnoot47: Vgl. deze en andere plaatsen I, 520 vlgg. met II, 544 vlgg.; I, 842 en II, 881; I, 960 en II, 985; II, 1047; I, 1550 en II, 1587-'8; II, 1595 (ingevoegd); II, 2027-'30; I, 2064 en II, 2076; II, 2307-'13; I, 2829 en II, 2820.]
[Voetnoot48: I, 73 en II, 83 (in verband met vs. 105); I, 1929 en II, 1961.]
[Voetnoot49: Vgl. I, 1235 met II, 1259.]
[Voetnoot50: Vgl. I, 331–2 met II, 359–360. Vgl. voorts het echt epische in I, 643 vervangen door het didactische in II, 692–3; het ironische in I, 1663 door het rechtstreeksche in II, 1677; de mindere levendigheid in II, 616 vlgg. vergeleken bij I, 562 vlgg.]
[Voetnoot51: MULLER a.w. bl. 161–163, 166.]
[Voetnoot52: Vgl. vs. 2053, 3182 en 2053.]
a. Boerden en sproken,b. Liederen. Muziek en zang. Geestelijke liederen. Minneliederen en drinkliederen. Historische Liederen,c. Geestelijke, stichtelijke en didactische lyriek,d. Minnepoëzie.
Vonden wij in de 13deeeuw nog maar weinige berijmde novellen, hoorden wij het lied slechts hier en daar als schuchter kweelen der vogels bij den komenden morgen—nu zien wij ons geplaatst voor eene menigte van verhalende en lyrische gedichten, zoo rijk in verscheidenheid, dat het moeilijk valt in die warreling het gelijke of verwante te onderkennen en te groepeeren. Die moeilijkheid ontslaat ons echter niet van de taak om te pogen, ook deze stof te beheerschen door haar te verdeelen.
Wij zijn gewoon verhalende gedichten van komischen aardboerdenen van ernstigen aardsprokente noemen; doch wij mogen niet voorbijzien, dat het hedendaagsch en het vroeger spraakgebruik elkander hier niet volkomen dekken. Een komisch gedicht wordt ook wel „ene boerde" genoemd, al bevat het niet juist wat wij een verhaal noemen en een verdicht verhaal wordt wel met „boerde" betiteld, al heeft het niets komisch[1].
Het woordsprokeheeft een zeer ruime beteekenis; zoo wordt een „bedinghe"van onser Vrouwenaan het slot genoemd: „desensproke", en dat is niet het eenige voorbeeld van dien aard; elders treffen wij eene „sproke up den wijn" aan[2]. Daarentegen heet menig verhalend gedicht, met min of meerstichtelijke of didactische strekking, nietsproke, maarexempelofbispel[2].
Doch anderzijds blijft het waar, dat de meeste korte verhalende gedichtenboerdeworden genoemd, indien zij van komischen,sprokeindien zij van ernstigen inhoud zijn. Wij mogen ons dus gerechtigd achten deze gedichten tot eene afzonderlijke groep te vereenigen. Een tweede groep valt te onderscheiden in de muzikale lyriek: de liederen, in tegenstelling met de boerden en sproken, bestemd te worden gezongen niet gezegd; doch evenals deze ontstaan uit zuiverder lust tot dichterlijke uiting des harten en beelding der stof, dan wij over het algemeen in een derde groep waarnemen. Die derde groep omvat uitingen van het godsdienstig gemoedsleven, zoowel als stichtelijke en didactische stukken, bestemd tot vermaning, waarschuwing, opwekking en leering; het karakter van vele dezer stukken blijkt reeds ten deele uit vooral hier voorkomende benamingen alsbedinghe,disputacie,questie,notabel. Het spreekt vanzelf, dat ook tegen deze groepeering bezwaren bestaan; ook hier ontsnapt het leven op meer dan een plaats aan de banden eener altijd min of meer schoolsche indeeling. Doch mogen de groepen hier en daar ineenvloeien, wat nood, indien daardoor het besef harer onderlinge eenheid wordt versterkt?
De honderden korte verhalen, welke wij vroeger leerden kennen, waren nog springlevend. Zij zwierven nog van mond tot mond en van het eene handschrift in het ander. Hen volgen op al hunne gangen is ons onmogelijk; wel kunnen wij zien: dat verscheidene hunner op hunne omzwervingen trekken van elkander overnemen, dat zij zich wijzigen naar het volkwaaronder zij vertoeven, en dat de verhalen uit het menschenleven den voorrang krijgen op de dierfabels.
Ook bij de Nederlanders der 14deeeuw vonden zij een gunstig onthaal. Tal van stoffen, die ook in andere middeleeuwsche literaturen verwerkt zijn, werden hier geboetseerd tot berijmde verhalen van komischen of ernstigen aard, die gewoonlijk van twee- tot driehonderd verzen tellen, doch ook wel eens grooter of kleiner omvang hebben. De komische stoffen, hier totboerdenverwerkt, vindt men bijna alle terug in de Fransche literatuur; doch, hoewel de wijze van bewerking niet zelden gelijk is, zijn er weinig of geen sporen van navolging aan te wijzen. Onze boerden maken in hoofdzaak den indruk, dat zij oorspronkelijke bewerkingen zijn van mondeling overgeleverde stoffen. Sommige zullen uit Frankrijk hierheen, andere uit Brabant of Vlaanderen naar Frankrijk gekomen zijn. Om te zwijgen van onze literaire betrekkingen in dit opzicht tot Duitschland, Engeland en andere landen.
De sproken zijn zeker voor een deel, voor het grootste deel misschien, afkomstig uit middeleeuwsche bronnen alsVitae Patrum,Gesta Romanorum,Dialogus Miraculorum,Liber Apum,Legenda aurea; voor een ander deel zeker ook door mondelinge overlevering verbreid. Met den invloed der Fransche literatuur zal men ook hier rekening moeten houden[3].
Hier en daar vinden wij in deze boerden en sproken aanwijzingen omtrent den weg, waarlangs het verhaal den verteller had bereikt; uitdrukkingen als b.v.: „Ic quam eens daer men mi sede" of: „Ic vant ghescreven ende las"; doch zulke aanwijzingen zijn schaarsch en niet alle duidelijk[4]. Duidelijk is daarentegen het streven van sommige dichters de verhalen te localiseeren; de stukken heeten te spelen, zijn misschien soms ook werkelijk zóó of ten naastebij zóó gebeurd, „in 't lant van Loon," „te Hasselt in die goede stede," „te Dordrecht in depoort," „Tantwerpen in die coperstrate"[5]. Zooals men kon verwachten, worden wij hier vaker naar het Zuiden dan naar het Noorden dezer landen verplaatst.
Waarvan vertellen ons de boerden? In welke wereld verplaatsen zij ons? Op een paar uitzonderingen na behandelen zij gevallen van minne, van zinnelijken lust, van overspel; zij vertellen ons van overspelige mannen of vrouwen, die gefopt of gestraft worden, van minzieke vrouwen of meisjes, clerken of nonnen, een enkelen keer ook van mannen die in de kroeg zitten of boeven die een vroegeren kameraad bestelen. Maar de lusten des vleesches vormen toch het hoofdmotief, dat voor de middeleeuwsche dichters en niet voor de Dietsche alleen, blijkbaar een komisch karakter had[6].
Wij worden verplaatst naar de kroeg, onder de „goede gezellen die lange in 't drinchuus duren" en vrouwen die hare mans uit de kroeg halen; wij komen in gezelschap van een waard, die bedrogen wordt door de waardin en haar minnaar; van reizende „clercken", die het hun verleend nachtlogies aan de vrouw en de dochter des huizes vergoeden in liefde, aan den huisheer in kostelooze vuistslagen bij nacht; van een kostelijk gekleeden, langharigen Don Juan te Dordrecht; van een koopman, die zijne al te dartele vrouw voor den gek houdt.
Slechts een paar malen verkeeren wij, zooals in de laatstgenoemde gevallen, in de huizen van rijke burgers. Gewoonlijk zijn wij onder de kleine burgerij, waar men slaapt in één vertrek, meelpap eet en „stoppelen sonder hout" brandt of groen elzen hout; waar het 's nachts donker is of een vetpotje („lichtvat met smoute") een flauw schijnsel geeft. De koe staat dicht achter de woonkamer, ook in een burgerhuis; in de boerde „van de gestolen zijde spek" zijn wij op het land ten huize van een voormaligen boef, die zich bekeerd heeft en eene boerendochter getrouwd.Elders komen wij op het erf van een visscher, aan de oevers der Seine. Ook de koopman, die ons wordt voorgesteld als een rijk man—hij heeft mooie kleeren en juweelen en speelt schaak met zijne vrouw—, toont in zijne manieren een buitengewone grofheid; zijne vrouw, die een handelsman uit de Oostzee-provinciën te gast heeft en waant door dezen bedrogen te zijn, wreekt zich op dien gast door hem spijs op zijne kleeren te storten, tegen hem te vloeken en hem heimelijk tegen de schenen te schoppen.
Dat zijn de maatschappelijke kringen, dat de levensomstandigheden, welke de stoffen leverden tot de dichterlijke verhalen die onder en naast het verhalend ridderdicht opgekomen en bestemd waren die ridderpoëzie te verdringen. De rijke koopman uit een dezer boerden, die „gheleerst, ghespoort, ghegort wel vaste" zijn huis binnenkomt, toont ons dat het zwaartepunt in de maatschappij dier dagen zich had verplaatst.
In de boerde, getiteldWisen raet van vrouwen, worden wij in een „huys met hoghe mure" gebracht; blijkbaar een dier huizingen zooals de rijke burgers ze in navolging van den adel bouwden. De eigenaar van het huis houdt daar achter slot en grendel zijne dochter die hij hoopt uit te huwelijken aan een ridder of jonkheer, maar wat kan hij tegen de Min?
Al sluiten Hem buiten Met grendel en boom Benagelde poorten ...
hij raakt er binnen in de gedaante van een jonkman, blijkbaar een burger, tot wien zij haar goedgeloovigen biechtvader als liefdebode weet te zenden.
Komt deze burger die blijkbaar hoogerop wil, er bekaaidaf, op meer dan een plaats wordt in deze boerden op spottenden toon gesproken over het ridderwezen. De vrouw van een drinkebroer die thuis grimmend en grommend haar man zit af te wachten, zegt:
Ic woude ic met hem op een pleyn Mijn leven mochte setten in waechscalen[7].
Zooals de brave ELEGAST vroeger tegen den schelmschen EGGHERIC VAN EGGHERMONDE!
Van heer GOBERT die 's nachts aan het vechten raakt met een der „clercken" wien hij nachtlogies heeft verstrekt, heet het:
Men sach noit so wel tornieren Sonder wapene ende sonder corieren#[8].
De dichter die ons met blijkbaar welgevallen de onbeschaamd-dartele boerdeVan den tandenverhaalt, stelt ons zich zelven voor, op zijn paard Morele buiten Brussel rijdend. Dien naamMoreledroeg eertijds het ros van ridder AMELANT in den romanvan Lancelot; dien naam ook het ros van den dapperen TOREC, dat meer waard was dan eene stad[9].
In gansch andere kringen der maatschappij leiden ons de sproken binnen.
Hier verkeeren wij onder „verweende"#keizers en koningen, heeren „van groten bloede", prinsen, graven, ridders, edele vrouwen en jonkvrouwen. Het is waar, dat het ridderlijk tweegevecht ook hier wordt afgekeurd en zelfs min of meer belachelijk gemaakt. Zeker keizer die den vrede lief had en wijs en rechtvaardig zijn land regeerde, maakte korte metten met de veete tusschen een paar zijner voornaamste edelen. Hij ontbood de beide „helden" en trachtte ze te verzoenen. Te vergeefs! Toen deed hij ze beiden ontkleeden „totter brouc",bracht ze in een vertrek, gaf elk een dolk en zeide: gaat nu maar dapper aan 't werk; gij krijgt geen eten of drinken, vóórdat een van beiden gedood is. Onmiddellijk waren zij het eens. Zóó moesten meer vorsten doen, zegt de dichter, dan zou er heel wat minder onschuldig bloed vergoten worden[10]. De ernstige toon en het beroep op den Almachtigen Rechter aan het slot toonen wel dat, indien sproke en boerde hier al één lijn trekken, hun punt van uitgang toch verschillend is. In een ander verhaal wordt een rijk en gierig ridder op onzachte wijs voor den gek gehouden door zijn medeminnaar, een dapper maar arm edelman. De wijze waarop de gierigaard 's nachts door zijn medeminnaar bewerkt wordt met een hazelaarstwijg, is weinig hoofsch, en ook de verdere inkleeding doet hier en daar denken aan de boerden; doch dit verhaal is dan ook het eenige waar men twijfelt of men het tot de sproken dan wel tot de boerden zal rekenen[11].
Overigens echter wordt in de sproken het ridderwezen met eerbied bejegend en er is nog gevoel voor de ridderlijke idealen. Zoo zien wij in een sproke een hooggeboren rijke maagd aan een dapper arm oud ridder de voorkeur geven boven een jongen „mooyaert"#, die den ouden krijger bespot wiens gelaat met zwaarden geteekend is[12]. Het fraaie verhaal:de mantel van eren, wil toonen, hoe verkeerd het is, goud hooger te stellen dan riddereer[13].
Zijn wij niet aan hoven of in ridderlijke huizingen, dan brengen de sproken ons in klooster of kluis, in gezelschap van monniken en kluizenaars, nonnen en bagijnen. Van dien aard is o.a. het verhaal van hetBaghijnken van Parijs, een aanzienlijk meisje dat in een bagijnhof wenscht te worden opgenomen; dat van de non die met haren meester haar klooster ontvlucht; van het jonge monnikje dat telkens een deel van zijn eten aan het beeld van MARIA brengt; van deedelvrouw die terwijl zij haar minnaar afwacht, door de geesten der afgestorvenen voor wie zij placht te bidden, wordt bekeerd en in een klooster gaat.
Verwant met deze sproken van geestelijken inhoud zijn andere, die ons verhalen van eene jodin die bekeerd wordt tot het Christendom, een jodenmeisje dat Christin wil worden en door haar vader vermoord wordt; weer andere behelzen algemeen bekende korte verhalen die men overal terugvindt, zooals dat van Hansken met de ganzen; het ouderpaar, dat door hun kind teruggebracht wordt van de slechte behandeling van hun ouden vader; de rechtgeaarde zoon, die niet op het lijk van zijn vader wil schieten. In eene enkele sproke treedt de koopmansstand op: het verhaal van een paar trouwe vrienden, een koopman uit Brugge en een uit Baldac (Bagdad), die zich voor elkander willen opofferen. Het verhaal van Pyramus en Thisbe, „twee kinderen die droeghen eene sterke minne," leende zich natuurlijk beter tot een sproke dan tot een boerde; de oudheid zette aan deze stof eene achtbaarheid bij, die het verhaal wel doet passen bij de ridderverhalen en die uit het leven der geestelijken, beide toch nog altijd op hooger plan gelegen dan het leven van burgers en plattelanders[14].
Dat de sproken alle een zedelijk karakter vertoonen, kan ons niet verwonderen. Een dezer sprookdichters blijkt zelfs zoo nauw van geweten, dat hij het noodig acht zijne toehoorders gerust te stellen omtrent zeker gemis aan waarheid dezer verdichte verhalen. De sprokevan eenen verwaenden conincvangt aan met deze regels:
Exempel vertrect#men hier ende daer, Niet om dat si alle zijn waer, Maer om dat mer bi verstaet Ondersceet tusschen goet ende quaet[15].
In een enkel geval is de moralisatie bijna even groot als het verhaal zelf. Elders is in een sprookdichter de lust tot het mededeelen van zedekundige waarheden of bespiegelingen zóó sterk, dat hij ook de personages, die in zijn verhaal optreden, met dien lust bezielt. Een paar ridders „van quaden levene" komen tot hun meester om hem te zeggen, dat zij berouw gevoelen over hunne misdaden en hun leven willen veranderen. Op eene vraag van hun meester, op welke wijs zij dat denken te doen, antwoorden zij:
.... Wi merkent bi Alexanderen Die grote coninc, dat hem en mochte Die daet ghehulpen die hi wrochte, .... Hine moeste der doot doen een ghemoet[16].
In overeenstemming met dezen lust tot moraliseeren is dan ook, dat wij zelden eene sproke aantreffen zonder een nuttige les of stichtelijke opwekking: trouw gaat boven al; hovaardij is zonde boven al; hooren, zwijgen en ziende blind // dat's dat nu de wereld mint, enz. Elders worden de hoorders opgewekt, onzer Vrouwe getijde en vigiliën voor de dooden te lezen; hoovaardij, hebzucht en afgunst te schuwen[17].
Opmerkelijker dan dit stichtelijk karakter der sproken is, dat ook in de meeste boerden een zedelijke of didactische strekking niet te miskennen valt. De boerde van de dartele koopmansvrouw met den „Oosterlinc" vangt aan met een paar spreukmatige regels, die in het daaropvolgend verhaal worden toegelicht:
Tgoede wijf maect den goeden man Ende de goede man maect tgoede wijf.
Aan het slot dezer boerde lezen wij dan ook: „Elc vrouwe neme hier exempel an." In den aanvang der boerde van detwee „clercken" en heer GOBERT wordt ons gezegd, dat men uit sommige gedichten „vroedschap en dwaasheid" te weten komt[18].
Ook in andere boerden vinden wij dergelijke uitdrukkingen. In eene boerde, zóó plat-realistisch als dievan den visscher van Parijs, wordt, wat de middeleeuwsche dichters huichelarij achtten in minzieke vrouwen, op onbarmhartige wijze bespot en de moraal der boerdevan Heile van Berseeleis samengevat in eene waarschuwing tegen den omgang met lichte vrouwen. Waar geen eigenlijke zedeles of wat daarop gelijkt, in het verhaal voorkomt, voelen de boerdendichters zich toch verplicht iets in dien geest te geven door een zegenwensch als: „God gheve ons ter zielen bate" of: „God bringhe ons ten eweghen paradise"[19].
Het is waar dat de vrouwen en meisjes, vooral de getrouwde vrouwen, in deze boerden voorgesteld worden als in hooge mate weelderig en onkuisch. Doch men moet niet vergeten dat deze voorstelling rust op theologischen grondslag en dat de middeleeuwsche dichters, voorzoover zij geen aanhangers van den vrouwendienst waren, er steeds op uit zijn de vrouwen als EVA'S dochters te doen zien. EVA'S val immers was de bron van zoo groote rampen voor het menschelijk geslacht geworden niet alleen hier op aarde maar ook nog in een later leven[20]. Ook dragen de boerdendichters er zorg voor dat men hen goed begrijpe: niet op „hoofsche vrouwen" hebben wij het gemunt, zeggen zij; en, bij een andere gelegenheid: geen goede vrouw behoeft dezen schoen aan te trekken[21].
Die goede en hoofsche vrouwen vinden wij in de sproken: een jong rijk meisje dat bagijn wordt; eene edelvrouw die zich bekeert en in een klooster gaat; een jonge non die zich neus en lippen laat afsnijden om hare kuischheid te redden; eene adellijke dame die zich nieuwe kleeren en sieraden ontzegt om haarman te kunnen bijstaan in zijn strijd tegen de ongeloovigen; THISBE die den dood van haren minnaar niet overleven wil.
Een dezer sprookdichters is zijn tijdgenooten zelfs zóóver vooruit, dat hij in de bres durft springen voor vrouwen die een misstap begaan hebben. Een adellijk meisje heeft eene liefdesbetrekking aangeknoopt met een jonkman van geringen stand. Hare magen zijn vergramd, want, al was de jonkman haar knecht niet, zulk een misstap was erger dan overspel. Haar broeder, een groot heer, heeft medelijden met haar en verdedigt haar in een gesprek met eene hooge bloedverwante die hem zijne zachtmoedigheid in dezen verwijt.—Ik zelf heb vijf onechte kinderen, antwoordt de edelman; zal ik een ander dan dingen verwijten die ik zelf heb begaan?—De hooge vrouwe herneemt: zoudt gij mannen en vrouwen in zoo iets willen gelijkstellen? Men zal u voor onwijs houden.—Hij weer: de schande der mannen zal in Gods oogen duizendmaal grooter zijn, want zij zijn de aanleggers, het is alles hun schuld.
Deze opvatting, zooveel rechtvaardiger en menschelijker dan de gewone middeleeuwsche, zullen wij eerst in veel later eeuwen en in onzen tijd opnieuw aantreffen[22].
Tot dusver hebben wij, boerden en sproken karakterizeerend in hun onderling verschil, gelet vooral op inhoud en geest dezer beide genres. Wij kunnen er nu bijvoegen dat dit verschil zich slechts ten deele in den uiterlijken vorm openbaart. De sproken zijn, ophet Baghijnken van Parijsna, gedicht in doorloopende verzen, paarsgewijze rijmend of met overslaande rijmen; de boerden, luchtiger van karakter en stemming, hebben in een paar gevallen den luchtiger gang van het verhalend in coupletten afgedeeld lied. Verscheidene dezer ernstige of komische verhalen zijn in allen eenvoud goed verteld,onderscheiden zich door zuiver zacht gevoel en naïeve kunst, door vluggen lossen gang en eene soms onweerstaanbare komische kracht. Zoo hoog als sommige Oudfransche fabliaux staan onze boerden niet, maar op zich zelf beschouwd staan zij hoog. Een gevoelig en mooi stuk is de sprokevan het Baghijnken van Parijsdat ons in zijn dialogisch karakter en zijne wendingen telkens aan de oudere epische volkspoëzie herinnert. Zoo b.v.:
Sy ghinck voor haer moeder staen Ende badt haer door (haer) houde#, Dat syse door haer edelheyt Baghyne maken woude. Sy seyde: lieve dochter mijn, Soo ghinck aen#mijnen rouwe; Ghy zijt van haven#alsoo rijck, Ghy meucht wel sijn een vrouwe.
De moeder tracht hare dochter te behouden voor de wereld, doch te vergeefs:
Die dochter keerde haer omme Ende ghinck al te hant Totten Baghijnkens hove, Daer sij de meestersse vant. Sy viel neder op haer kniën, Ootmoedelyck dat syse booch Ende werp den rooden mantel Ter aerden dat hy vlooch.
Dat afvliegen van den rooden mantel is in zijn suggestieve kracht voortreffelijk.
Naïeve volkskunst vinden wij ook in de sprokevan Pyramus en Thisbe. Te vergeefs zou men hier zoeken naar de fijnheid en berekende juistheid van uitdrukking, den tact, de smaakvolle zelfbeperking, ook de beeldende kracht van het Ovidiaansch verhaal, welks omvang nog geen vierde der Dietsche bewerking bedraagt. Maar deze wint het in natuurlijkheid en eenvoud; hare waarheid van gevoel onderscheidt zich gunstig van het hier en daar opgeschroefde der Latijnsche bewerking. Zij weet hare gemoedelijke breedheid aardig af te wisselen door levendigheid van alleenspraak en tweespraak, te nationalizeeren o.a. door het beeld van den vermoeiden pelgrim
Die lange moede heeft ghesijn, Ende dan een luttel rasten#heeft, Ende#hi weder gaens dan pleecht, Es hi moeder dan hi was eer.
door de vermelding dat THISBE sliep met andere jonkvrouwen
Die se van scake souden hoeden Also als noch doen die vroeden.
Hoe aardig is b.v. ook dat trekje, waarin ons geteekend wordt hoe de aandoening PYRAMUS overmeestert:
Daer hi Tysbee roepen soude, Tusschen „Tys" ende tusschen „bee" Versuchti vijfwerf ofte mee#.
Zoo zou er meer zijn te noemen, o.a. uit de sprokevan den ouden ridder ende den jonghen, waar wij een staaltje vinden van de in onze middeleeuwsche literatuur schaarsche ironie, hier omschreven met de uitdrukking „ghevensde#tale". Dochwij kunnen noch willen alles noemen, en ook in de boerden is zooveel dat verdient even naar voren gebracht te worden.
Hoe vlot en aardig wordt het verhaal van heer GOBERT en de beide „clercken" verteld en hoe herinnert GOBERT'S vrouw, in hare bezorgheid over haar naakt-vechtenden man, aan vrouw JULOCKE uitReinaert I. Hier als elders openbaart eene krachtige zinnelijkheid zich gaarne in schertsende beeldspraak, in half-omsluierde uitdrukkingen, ontleend aan het dorschen, het bespelen van een snaren-instrument, het ambacht van den kuiper. De monnik en de non, die, midden in de vreugd, op één bed door den duivel in het koor worden gebracht, waar alle nonnen vergaderd zijn, herinneren ons HEPHAISTOS' wraak, zooals zij ons in de Odyssee door dien meester-verteller voor oogen is gebracht. In het verhaal van de gestolen zijde spek worden wij op meer dan een plaats herinnerd aan de grappen en dubbelzinnigheden uitUilenspiegelen dergelijke volksboeken; ik heb het oog o.a. op den boef, die, opkijkend naar een bij de schouw hangende zijde spek, langs zijne wang wrijft en tot zijn gezel zegt: vóór morgen moet hij er af; ook de wijze, waarop zij elkander telkens het stuk spek ontstelen, doet hier en daar aan de kluchtboeken denken.
Voortreffelijk is het tooneeltje, waar de domme oude LACARIJS, wien zijne vrouw en een verliefde priester hebben wijsgemaakt dat hij dood is, onder een lijkkleed toegedekt, den amoureuzen paap in zijn bedrijf waarneemt. „Loop liever naar het bordeel!" roept hij toornig; „als ik maar leefde, zooals gisteren, dan zoudt gij het duur betalen."—„Lacarijs!" zegt de paap, „houd je oogen maar stijf dicht, lig stil als een molensteen; zóó doet men als men op de baar ligt; je zou ons nog bang maken."
En niet minder voortreffelijk is een tooneel uit de boerdevan Heile van Berseele. HEILE, een lichte vrouw, heeft afspraak gemaakt met een drietal minnaars, die achtereenvolgens bijhaar zullen komen; maar de afspraak loopt in de war, en zoo is een hunner, WILLEM HOOFT, nog bij haar, als zijn medeminnaar, ook weer een priester, komt aankloppen. WILLEM wordt inderhaast in een ruimen bak gestopt, daarin opgeheschen tot aan de zoldering en het touw vastgemaakt. Uit zijn kraaiennest is hij nu getuige van het onderhoud tusschen HEILE en den pape. HEILE heeft den priester stilletjes beduid, wie daarboven te luisteren zit. Deze begint nu een verhaal van den Zondvloed; zóó plastisch weet hij het stijgen van het water voor te stellen, dat WILLEM het al benauwder krijgt; nog steeds hoort hij van het stijgende water ... de angst wordt hem te machtig, hij snijdt het touw door en roept:
Nu wouds God ende goed gheval#Of Willem Hooft iet#zeilen zal.
Zóó gaat deze Noach in zijn ark onder zeil.