Wat is hier nog een kinderlijk maar oprecht en sterk geloof in God en vertrouwen op God! Hoe voelen wij dat geloof in uitdrukkingen als „een heilich enghel", „d'enghel die van Gode quam", „d'enghel van den paradise"; in Gods vaderlijke zorg voor den koning die het gezinde van Ingelheim in vasten slaap houdt, opdat zij niets zullen bemerken van den nachtelijken tocht; in de vrome gebeden; in dien strijd tusschen riddereer en geloof, zoo treffend samengevat in dat eene vers: „varen stelen of God verwerken#!" Hoe goed kent de dichter het ridderleven en de ridderzeden: hij strijdt de beide gevechten mede, hij kent het wapenbroederschap, hij ziet de „witte" halsbergen; met de inrichting der middeleeuwsche kasteelen en den wachter die „den dag blaast", is hij blijkbaar vertrouwd. Opmerkelijk is hier de eerbied voor KAREL DEN GROOTE, „d'edel man" zooals hij telkens wordt genoemd; treffend de onwankelbare trouw van zijn vazal ELEGAST, door hem op valsche aantijgingen verjaagd.
Op ELEGAST valt het meeste licht; blijkbaar heeft de dichter voor hem de sympathie die de „vogelvrije" te allen tijde gevonden heeft; ook beantwoordt hij aan het ideale type van den vogelvrijen roover: alleen den rijken ontneemt hij het hunne, bisschoppen, abten en kanunniken vooral zijn hem een welkome prooi. Hij leeft vanroof, maar dat verlaagde hem niet in de oogen van een middeleeuwsch publiek[28]. Datpubliek zal hem te liever gehad hebben om zijne dapperheid, kracht en edelmoedigheid in het gevecht, om zijn goedaardigen spot met KARELS talenten als dief en inbreker.
En hoe goed is het verhaal verteld: vlug, zonder uitweidingen, met slechts een enkele reflexie over „vrouwenlist", zelden ontsierd door stoplappen. De komst van ELEGAST wordt in den aanvang op eenvoudige maar doeltreffende wijze voorbereid door des konings overpeinzing over „ridders die op aventure" leven[29]; dan zien wij den nachtelijken rit bij maanlicht door het bosch, de ontmoeting met den dreigenden zwarten ridder, het tweegevecht, de overeenkomst der kampioenen, de inbraak in EGGHERIC'S kasteel en zoo gaat de dichter gestadig voort en weet ons te boeien en met zich te voeren—zooals hij het ook ongetwijfeld meer dan zes eeuwen geleden zijn publiek zal hebben gedaan.
Wat onze voorouders in deze romans aantrok, was van anderen aard dan wat hen zoo gaarne deed luisteren naar de voordracht der Frankische romans. Met de personages uit die romans voelden zij zich verwant; het leven daar afgebeeld was min of meer ook hun leven, slechts zagen zij het daar op grooter schaal en in het licht der poëzie. De Keltische en daarop gelijkende romans voerden hen in een wereld die hun grootendeels vreemd was, maar die hen bekoorde, deels door al dat vreemde en wonderbaarlijke, deels doordat zij hier in overvloed vonden wat zij begeerden of bewonderden: rijkdom en weelde, hoofsche beschaving, fijnheid van vormen en omgangstaal.
Het hof te Kamelot was een toonbeeld en leerschool van het hoofsche ridderwezen; zijn middelpunt: koning ARTUR, de volmaakte ridder; koningin GENOVERE, louter liefelijkheid en edele schoonheid. Rondom hen eene glanzende schaar van ridders,getrouwe vazallen, bereid hun leven voor hun koning te wagen, dapper, hoofsch, wel ter tale. Vrouwen en jonkvrouwen, bekoorlijk, dartel, plaagziek, wie de minne in het hart en op de tong lag. Kwam dat adellijk jonkvolk samen, wat hoorde men dan een levendig spel van woord en weerwoord; van dartele behaagzucht en schalke veinzerij tegen vurige liefde en ootmoedige toewijding.
Hier zijn de minnaars die met halve woorden spreken, die bleek worden van aandoening, die om genade smeeken, en jonkvrouwen die zich houden alsof zij niets gehoord hebben, die haar minnaar wijs maken, dat hij geslapen heeft. Welk Vlaamsch of Brabantsch edelman had ooit gesprekken gehoord als dit van POLLIDAMAS en HELENE in denRoman van Troye: HELENE bemerkte wel, dat het POLLIDAMAS ernst was.—Word toch wakker, POLLIDAMAS! hoor hoe de vogels zingen! Van nacht kunt gij slapen zooveel gij wilt.—Vrouwe, zegt hij, wie zou zoo onhebbelijk zijn om naast u te zitten slapen?—Zoo onhebbelijk zijt gij toch geweest! Gij hebt immers in uw slaap tegen mij gesproken? Hadt gij dat wakend gedaan, dan zou het u slecht bekomen.—Sliep ik dan?—Ja zeker.—Als gij het zegt, moet het waar zijn. Maar heb ik in mijn slaap iets miszegd?—Ja gij, maar onwetend; daarom zal ik het niet in ernst opnemen.—Mag ik zoo vrij zijn u te vragen, wat ik miszegd heb?—Ja gij: eerst zegt gij tot mij: „genade!"; toen meende ik dat gij waakte en antwoordde u. Ik vroeg u, wat u scheelde; ten slotte zeidet ge openlijk: ik heb u lief! Toen ik die ongepaste woorden hoorde, meende ik dat gij droomde en maakte u wakker.—Ach, vrouwe, men heeft wel eens meer gezegd: waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over.—
Hier blijft het bij praten, maar gewoonlijk blijft het daarbij niet, want ook van deze weigerachtige jonkvrouwen en smachtendejonkers gold: „vuur en stroo dient niet alzoo." In het stroovuur van den hartstocht blaakt zoo menig dolend ridder voor zoo menige geschaakte jonkvrouw die hij op zijn weg ontmoet, die hij verlost uit de macht van een of anderen rooden ridder of afzichtelijken dwerg en die hem verder in zijne eenzaamheid wat opmontert. Maar wij krijgen ook liefde van beter allooi te zien: trouwe liefde als die van WALEWEIN voor YSABELE, van FLORIS voor BLANCEFLOER, van PARTONOPEÜS voor MELIOR; de liefde voor GALIENE doet wonderen aan den boerenzoon FERGUUT, vormt hem tot een volmaakt ridder.
Dat de vrouwen in deze romans op den voorgrond treden, is reeds uit het voorgaande gebleken; duidelijker nog blijkt het, indien men er op let, hoe de aandacht die vroeger alleen of voornamelijk den man geschonken werd, nu in beslag wordt genomen door een minnend paar. Wie aan FLORIS denkt, kan BLANCEFLOER niet vergeten; PARTONOPEÜS herinnert ons MELIOR, TRISTAN ISOUDE; zelfs de toovenaar MERLIJN wordt door de verleidelijke VIVIANE in het bosch van Broceliande verstrikt. En wie kan LANCELOT de bloem der ridderschap noemen, zonder de heugenis te wekken aan zijne misdadige liefde voor zijne hooge gebiedster GENOVERE?
Dat alles zien wij in deze romans omstraald door den glans der poëzie; nergens misschien liefelijker dan in den roman vanLancelot, waar ons verhaald wordt hoe LANCELOT gevangen lag in de woning der fee MORGUEYNE.—Uit zijne gevangenis, door de ijzeren staven voor het venster, ziet hij in den bloeienden tuin. Twee winters en een zomer zit hij nu reeds daar. Om de verveling te verdrijven, heeft hij zijne wapenfeiten op de muren geteekend. In die wemeling van figuren verschijnt meermalen ééne vrouw—de koningin. Dikwijls gaat hij op haar beeld toe, kust het op de oogen, op den mond; dan weent en klaagt hij. De Mei is gekomen; April heeft oorlofgenomen. Weer ziet hij de boomen bloeien, de frissche rozen opluiken, de roode rozen ... hij ziet haar rooden mond. Altijd moet hij aan haar denken. Op een zondag is hij vroeg opgestaan; de zon schijnt in den tuin. Weer ziet hij de rozen; ééne is er, pas ontloken—zóó was zij, toen hij haar zag ten tournooi te Karmeloot. Verlangend de roos te plukken, steekt hij zijn hand uit het venster, maar de ijzeren traliën houden hem tegen. „Zouden traliën mij tegenhouden?—Neen!"—met beide handen grijpt hij de twee staven aan; één ruk ... zij zijn gebroken, al hebben zij zijne vingers ontvleescht. Nu verlaat hij zijne gevangenis, hij kust de roos, hij plukt haar en legt haar op zijn hart. De poort staat open; hij wapent zich, kiest een goed ros, zit op en rijdt heen.
Waarheen? Op een der vele tochten („questen") die deze dolende ridders ondernemen om iemand of iets te zoeken: een gevangen wapenbroeder, een wonderbaarlijk zwaard of schaakbord, een sluier of ander ridderteeken. Waar komen zij, wat zien zij niet op die tochten? In bosschen waar kluizenaars wonen; aan kasteelen, ingericht met wonderbare pracht, waar tooverbedden staan die iederen gewonde genezen die er op rust; zij geraken in strijd met andere ridders die zij als overwonnelingen naar ARTURS hof zenden, met reuzen, dwergen en toovenaars.
Ook ten oorlog rijden zij. Maar zelfs de oorlog heeft hier fijner vormen aangenomen; het is niet meer de grimmige ernst van vroeger, maar eer een tournooi met scherpe wapenen. Grootsche afmetingen neemt de strijd aan in het laatste deel van ARTUR'S geschiedenis, dat ons herinnert aan den strijd der Kelten tegen de Angelsaksische indringers. ARTUR'S zoon MORDRED staat tegen hem in de wapenen; op de vlakte van Salesbiere komt het tot een grooten strijd. WALEWEIN is vroeger reeds gesneuveld; LANCELOT heeft zijn Koning verlaten; IJWEIN,de ridder met den leeuw, ligt met gekloofden schedel neer; van die gansche roemruchte Tafelronde staan nog slechts een paar den Koning ter zijde; ook zij sneuvelen. De Koning doodt MORDRED den verrader, maar ontvangt van hem de doodwonde. Ondersteund door den eenig overgeblevene zijner ridders, GRIFLET, zet hij zich te paard; zeewaarts rijdt hij; hij voelt zijne krachten bezwijken. Op zijn last werpt GRIFLET ARTUR'S goed zwaard Excalibur in een poel; een gewapende hand en arm komt te voorschijn en vangt het zwaard op. GRIFLET verwijdert zich op 's Konings bevel. Van een heuveltop ziet hij uit zee een schip aankomen, waarin vrouwen zijn gezeten; ARTUR'S zuster, de fee MORGUEYNE, is onder hen. Met paard en wapenrusting treedt de Koning in het schip en de trouwe dienaar verliest hem weldra uit het oog.
Geheimzinnig als ARTUR'S afscheid van deze wereld, doch omstraald met hooger licht is de heilige Graal, waarnaar zoo menig dapper ridder der Ronde Tafel te vergeefs heeft gezocht; niet weggelegd voor LANCELOT noch WALEWEIN, die besmet zijn met onkuischheid, doch dat PERCEVAL'S zoon, de reine GALAÄD, eindelijk zal winnen. Ook in de geschiedenis van den Graal zien wij den invloed, op de oorspronkelijke Europeesche godsdiensten geoefend door het Christendom, dat deze verdrongen heeft. Een tooverketel die drommen van ridders kon spijzigen, kwam reeds in de Keltische mythologie voor; het Christendom verving dien ketel door een schotel, later een beker (gradale, graälis een Romaansch woord voorschotel), waarvan Christus zich bediend had bij het Laatste Avondmaal. De heilige lans waarvan bloed afdruppelt, eveneens in de Keltische mythologie bekend, werd gekerstend tot de lans van LONGINUS. Ook de Graalburcht met den koninklijken visscher (le Roi Peschéor) wordt in Keltische verhalen teruggevonden. Geheimzinnig en wonderbaar is de graal reeds in CRESTIENDE TROYE'SConte del Graal(omstreeks 1175). PERCEVAL, in den Graalburcht aan tafel gezeten, ziet een page binnentreden die een blanke lans draagt; bloed vloeit van de spits tot de hand van den drager. Daarna komen twee pages met kroonluchters; dan een jonkvrouw met een gouden schotel, kostbare steenen sieren hem. Zóó verblindend een glans straalt van dien schotel af, dat het licht aller kaarsen in de zaal verdoofd wordt. Bij ROBBERT DE BORRON, wiens werk door MAERLANT vertaald werd, is de Graal de Avondmaalsbeker[30]. En zoo blijft hij het heilig vaatwerk dat gansche scharen kan sterken, maar met het brood des levens.
Een aantal dezer romans zijn in hun geheel of gedeeltelijk tot ons gekomen. Het zijn verhalen over de lotgevallen vanLancelot,,Percevael,Walewein; de romansvan Ferguut,van Torec,van den Graalenvan Merlijn; de romanvan Alexanderen dievan Troje; eindelijk de verhalenvan Floris en Blancefloerenvan Partonopeus en Melior.
Over de romansvan Merlijn,van den Graalenvan Torec, evenals de romanvan Alexander, bewerkt door MAERLANT, spreken wij later.
Onder den naam:roman van Lancelot, is tot ons gekomen een groot werk dat reeds vroeger als eene compilatie van onderscheidene zelfstandige werken door LODEWIJK VAN VELTHEM was erkend, en welks deelen men langzamerhand beter leert kennen[31]. Wij vinden hier 1oeen groot werk waarvan LANCELOT de hoofdpersoon is, dat slechts gedeeltelijk tot ons is gekomen, 2odeGraalquesteen 3oArtur's dood. Voorts hebben wij, blijkens deze compilatie, zelfstandige bewerkingen gehad van CRESTIEN DE TROIE'SPercevael, van deWrake van Ragisel, eenWalewein-boek, een romanvan den Ridder metter mouwenen de vertaling van een paar Fransche fabliaux uit dezen kring van verhalen[32].
De inhoud van al deze romans wordt vrij wel weergegeven door dit viertal verzen uit den proloog van denLancelot(II, 11–14):
Ghi sult hier horen scone die jeesten#Bede van rouwen ende van feesten, Van ridderscape groote daet, Van selsieneheden#menich baraet#.
In denLancelotvinden wij vele „wandele" of „dolende" ridders. Opmerkelijk is ook de plaats die de allegorie hier inneemt. Wij treffen hier o.a. reeds „'t wiel van avonturen" aan. Ook vrouw VENUS, die „den boom der minnen" in het harte der menschen plant; deze boom heeft twintig telgen: de eerste telg draagt „melthede", de tweede „oetmoedechede", de derde „sin ende wijshede" enz. Vooral in het derde deel, dat de vertaling bevat van deQueste van den Grale, vinden wij veel allegorie: zoo b.v. een grafsteen die de „hertheid van ertrike" voorstelt; de weg ter linkerhand is de weg der zondaren; zeven ridders zijn de zeven hoofdzonden; de tafelronde is de wereld; de oude en de nieuwe wet worden voorgesteld door eene vrouw op een serpent en eene op een leeuw gezeten[33].
De romanvan Ferguutheeft naar den inhoud iets eigens. FERGUUT immers is de zoon van een rijken dorper, wiens vrouw echter met den adel is vermaagschapt. Terwijl hij achter den ploeg loopt, komen eenige gezellen der Ronde Tafel, die op een wit hert jagen, voorbij. Verlangen om te worden als zij bevangt den jongen dorper. In een armelijke wapenrusting trekt hij naar ARTUR'S hof—evenals AIOL naar het hof te Parijs. ARTUR geeft hem den ridderslag. Hij trekt uit op avontuur, ziet de schoone GALIENE en wordt onder den invloed van de liefde tot haar langzamerhand een volmaakt ridder. Deze boerenzoon die ridder wordt en beschaafd door den invloed der liefde, is een type dier eeuw: type van den nieuwen adel uit de gemeenten gevormd door den landsheer; van de gemoedsontwikkeling der moderne volken onder den invloed der liefde.
Doch overigens is ook deze roman gelijk aan alle overige: ridder KEYE, ARTUR'S drossaart, een half komisch half verachtelijk personage, bespot den boerenzoon; FERGUUT overwint ridders, bevecht eene reuzin, neemt deel aan het beleg van eene stad enz.
Iets eigens hebben ook de romans vanFloris en Blancefloeren vanPartonopeüs en Melior. In beide staat de liefde op den voorgrond, de avonturen—hoe talrijk en wonderbaarlijk ook—op den achtergrond. Maar in den eersten roman zien wij die liefde in een paar kinderen die samen opgroeien: een heidensch prinsje en een christelijke gravendochter. Door de ouders van FLORIS gescheiden, komen zij na tal van boeiend vertelde, met naïeve kunst fraai beschreven, avonturen weer samen; FLORIS wordt Christen en trouwt BLANCEFLOER. Later worden zij de grootouders van KAREL DEN GROOTE.
In het tweede verhaal hebben wij de bewerking van eene dergelijke stof als die van AMOR en PSYCHE. Een hooggeboren jong edelman, PARTONOPEÜS VAN BLOIS, op jacht verdwaald, wordt door een tooverschip naar een geheimzinnig prachtig kasteel gevoerd. Door onzichtbare handen bediend, gaat hij na den maaltijd rusten. In het donker vlijt eene jonkvrouw zich naast hem neer. Hij mag nimmer eene poging aanwenden haar gelaat te zien, dan zal zij hem later trouwen. Hij verbreekt zijne gelofte en daarmede hunne verhouding. Na eene scheiding van een paar jaren, waarin PARTONOPEÜS half waanzinnig rondzwerft, komen de gelieven weer samen. De geheimzinnige minnares blijkt de dochter van den Keizer van Constantinopel te zijn. Dat er een huwelijk volgt en PARTONOPEÜS Keizer van Constantinopel wordt, spreekt vanzelf.
Het bont en liefelijk spel van minne heeft in deze beide romans een historischen achtergrond: de nauwe aanraking tusschen Europa en het Oosten in den tijd der Kruistochten, aanraking ook tusschen Christendom en Heidendom; zegepraal van het eerste over het laatste, blijkbaar zoowel in de kerstening van FLORIS als in de kroning van PARTONOPEÜS. Elkanders tegenbeeld zijn deze romans o.a. door de verschillende wijze waarop de rollen van Christen en Heiden over de beide paren verdeeld zijn.
Blijkbaar zijn er, behalve de bovengenoemde, nog andere werken van deze soort te onzent bekend geweest. MAERLANT maakt nog melding van:Tristan en Isoude, Octaviaan, Madocs droom, Amadas en Ydoine[34]. Al zijn ons geene Nederlandsche bewerkingen dezer romans bewaard gebleven, er bestaat toch voldoende reden om ze, met het oog op de oorspronkelijke werken, hierbij te voegen. Want—wij stipten het reeds aan—men mag ter wille van een beter overzicht wel spreken van Keltische of Britsch-Fransche, Klassieke en Oostersche romans; doch in waarheid zijn al deze werken voortbrengsels van denzelfden geest. Ten deele zal dat reeds uit het voorgaand overzicht gebleken zijn. Het blijkt opnieuw, indien men er op let, hoe weinig al deze werken onderling verschillen. Wat voor klassieks hebben die zoogenaamd klassieke romans? Niets dan de namen van plaatsen en personen; voor het overige gelijken zij volkomen op de andere romans. Grieken en Trojanen, mannen zoowel als vrouwen, gevoelen, denken en spreken als middeleeuwsche Franschen, zijn gekleed en gewapend als zij. Het Oostersche van de zoogenaamd Oostersche romans ligt voornamelijk in het tooneel der handeling; er bestaat geen verschil tusschen PARTONOPEÜS en PARIS, tusschen BLANCEFLOER en een of andere Trojaansche jonkvrouw of weer tusschen deze en GALIENE of dergelijke heldinnen uit een Keltischen roman.
De vier door MAERLANT vervaardigde bewerkingen zijn niet lang na het midden der 13deeeuw gedicht (tusschen 1257 en 1264), de overige worden door hem in onderscheidene zijner werken genoemd en zullen dus wel tenminste zoo oud zijn als die vier, doch waarschijnlijk, tenminste ten deele, nog wel tot de eerste helft der 13deeeuw behooren.
Ook hier is weer de voorname vraag, die ons moet bezig houden, deze: welke waarde hebben de Nederlandsche bewerkingen dezer oorspronkelijk Fransche romans? Hoe hebben de vervaardigers dier bewerkingen hunne taak opgevat en uitgevoerd?
De Lancelot-compilatie biedt ons weinig gelegenheid om dat na te gaan; zoolang wij de onderscheiden werken, welke door VELTHEM zijn vereenigd, niet in hun oorspronkelijken vorm bezitten, kunnen wij bezwaarlijk uitmaken, wat van den oorspronkelijken Nederlandschen bewerker, wat van den compilator is. Naar het schijnt, heeft de bewerker van den eigenlijken Lancelot-roman zijn voorbeeld vrij letterlijk gevolgd[35]. Dat het godsdienstig element op menige plaats zooveel sterker is dan in den Franschen roman, moet misschien op rekening van VELTHEM worden gesteld. Of men hem ook de platte vergelijking moet toeschrijven van een bloedenden ridder bij een rund dat geslacht wordt, is moeilijk uit te maken[36]. Ook het duizendtal verzen dat wij van den romanvan Percevaelin zijn oorspronkelijken vorm bezitten, geeft dien indruk van nauwe aansluiting bij het oorspronkelijke. De bewerker schijnt slechts hier en daar een opmerking van moralizeerenden aard ingevoegd te hebben[37].
Op vaster grond staan wij bij de bewerking van denFerguut. Het is mogelijk doch niet waarschijnlijk, dat wij deze bewerking te danken hebben aan twee dichters, waarvan de tweede zijn werk bij vs. 2593 zou hebben begonnen. Doch in allen gevallebestaat er geen reden, om het eerste deel der bewerking tegenover het tweede te stellen als het werk van een „hoofsch" tegenover dat van een „dorper" dichter; beide deelen der Nederlandsche bewerking ademen volkomen denzelfden geest die zeker eer dorperlijk dan hoofsch moet genoemd worden[38]. De dichter van den Franschen romanFerguswas blijkbaar een bewonderaar van CRESTIENS DE TROIES. De Nederlandsche bewerker moet dat eveneens zijn geweest; in het Fransche oorspronkelijk gedicht wordt de naam van GALIENE'S kamenier niet genoemd; in de Nederlandsche bewerking heet zij LUNETTE, een naam dien de Nederlander waarschijnlijk had leeren kennen uit CRESTIENS'Ivain, waar de kamenier van IVAIN'S minnares denzelfden naam draagt[39].
De oorspronkelijke Fransche roman bevat goede of bevallige poëzie en de Nederlandsche bewerker heeft daarvan vrij wat weten te behouden. Zoo zijn b.v. de liefdesoverpeinzingen van GALIENE goed door hem weergegeven. Op een enkele plaats heeft hij de levendigheid van het oorspronkelijke verhoogd door den dialoog uit te breiden. Doch daarmede is dan ook gezegd, wat ten gunste dezer bewerking gezegd kan worden. Kenschetsend is wat hij overigens heeft gewijzigd, weggelaten of ingevoegd. Er is iets goedmoedigs in de herhaalde vertaling vanvilaindoorvrient; de zedigheid van den bewerker toont zich, waar uit de opsomming van GALIENE'S bekoorlijkheden de „mamelettes comme pumetes#" zijn verdwenen[40]. Had hij maar niets gewichtigers weggelaten. Doch men vergelijke de beschrijving der jacht in het oorspronkelijke bij die in het Nederlandsche verhaal. Duidelijk blijkt dan dat de bewerker, anders dan de dichter, die hertenjacht in het bosch niet heeftgezien; niet gezien „hoe de Koning gaat staan in de stijgbeugels om zijne jagers te roepen"; niet gehoord hoe „de bosschen weergalmen van de jachthorens"; niet opgemerkt„het hijgen en woelen" van het uitgeput hert en hoe het, verdronken in de rivier, komt bovendrijven met „den gezwollen buik, stijfstaand van het ingezwolgen water"[41]. Tal van platte uitdrukkingen zijn door den bewerker ingevoegd; zoo zegt hij b.v. van FERGUUT die als boerenzoon schrikt voor Koning ARTUR en zijne ridders: „Hi stont ende sweette als een das"; iemand iets betaald zetten, drukt hij uit met: iemand iets „aen sijn cleet wriven" of iemand „sijn vel verwarmen". FERGUUT blijft te lang weg van zijne minnares; „een vrouwenhart is niet van staal", waarschuwt de Nederlandsche dichter, en: „zijne rapen zouden wel eens kunnen aanbranden"[42].
In zijn ijver om GALIENE te verheffen overschrijdt de bewerker de grenzen van tact en kieschheid; zoo waar hij het doet voorkomen dat GENOVERE niets was in vergelijking van GALIENE en waar hij Koning ARTUR tot GALIENE doet zeggen: „ware GENOVERE dood, ik nam u tot vrouw".
Er zou wel meer te noemen zijn dat van den bewerker afkomstig is: eene uitweiding over het karakter der liefde en een licht komisch glimpje hier en daar o.a. in een spottend verkleinwoord[43]. Doch noodig is dat niet om op grond dezer bewerking het vermoeden uit te spreken, dat deze bewerker een zedig man zal zijn geweest, die wel eenig talent bezat, doch wien het ontbrak aan eene eenigszins levendige verbeelding en aan de gewenschte fijnheid van gevoel.
Meer talent dan uit de bewerking van denFerguutblijkt ons uit die van denPartonopeüs, waarvan groote fragmenten (meer dan 8000 verzen) tot ons zijn gekomen[44]. Dat deze bewerker onvoldoende kennis toont van ridderlijke kleeding en riddergebruik, raakt de aesthetische waarde zijner bewerking niet van nabij. Wel, dat hij hier het dramatisch element heeft verzwakt, daar het parallellisme van eenige mooie verzen heeft voorbijgezien of niet kunnen weergeven. Hij heeft den zinnelijkenhartstocht hier en daar eenigermate getemperd; in overeenstemming daarmede is, dat hij het godsdienstig element versterkt en o.a. de vergelijking van MELIOR bij de maagd MARIA heeft weggelaten. Doch van meer gewicht dan dat alles is, dat hij op verscheidene plaatsen zijner bewerking toont dichter te zijn. Hij moge onbekend zijn met de namen van sommige kleedingstukken, met sommige gebruiken bij het geven van den ridderslag en het houden van een tournooi—aangevoelvoor deze dingen ontbreekt het hem niet. Anders dan de bewerker van denFerguutheeft hij de jacht van PARTONOPEÜS op een wild zwijn blijkbaar wel voor oogen; hij voegt er zelfs een paar aardige trekjes aan toe: hij ziet den jachthond aan de „leise" (zeel), ziet hoe de honden met de oogen den ever volgen. In een troepje ridders dat komt aanrijden, heeft hij blijkbaar behagen:
scone gewapent quamen si echt#, scilt ane hals ende spere gerecht, helm op 't hovet, baniere gebonden, ende neder totter hant ontwonden.
Elders voegt hij een aardig beeld in; om uit te drukken dat menschen zich zelven ongeluk zouden berokkenen, zegt hij:
Dus souden wi die roede houwen daer men ons soude mede blouwen#,
Fraaie verzen of brokken van het oorspronkelijk gedicht zijn niet zelden door even fraaie Nederlandsche weergegeven[45].
Hooger dan dePartonopeüs, het hoogst misschien van al deze bewerkingen, staat DIEDERIC VAN ASSENEDE'SFloris ende Blancefloer. Dat deze dichter er in geslaagd is, het liefelijk en schoon Fransch gedicht om te werken tot een zoo bekoorlijk en mooi Nederlandsch berijmd verhaal, moet toegeschreven worden vooral aan zijne idealistische opvatting der liefde. Hetzaad der edele minne, afkomstig uit verhalen alsTristram en Isoude,Paris en Helenaen andere werken der hoofsche minne-epiek, was bij hem in goede aarde gevallen: geen dorperlijk gemoed—hij besefte het—kon de edele minne op den rechten prijs stellen; niet voor dezulken schrijft hij, maar voor clercken, leeken en hoofsche vrouwen die de liefde bij ervaring hebben leeren kennen[46]. Gemakkelijk viel hem zijn taak niet; zij viel hem zuur, zooals hij ons zelf zegt; met passen en meten verdietschte hij het „walsch":
men moet corten ende lingen die tale, salmen se te rime bringen.
en zijne soms onwelluidende of buitensporig lange verzen, zijne worsteling met de taal hier en daar getuigen daarvan[47]. Doch daartegenover staat, dat zijn werk op menige plaats de vergelijking met zijn voorbeeld veilig kan doorstaan; dat die deelen van het werk welke door hem zijn uitgebreid of waarin hij meer zelfstandig te werk gaat, beter zijn dan de overige; dat over het algemeen de naïeve bevalligheid van het oorspronkelijk gedicht door hem is gevoeld en op voortreffelijke wijze in zijn dietsch weergegeven.
Vermoedelijk eenigen tijd vóór DIEDERIC VAN ASSENEDE (c. 1220) heeft een Duitsch dichter, KONRAD FLEKE (FLECK), hetzelfde Fransche gedicht in zijne moedertaal bewerkt. In sommige opzichten, vooral in gemoedsontwikkeling, staat FLEKE boven DIEDERIC; daarentegen heeft deze de oorspronkelijke stof niet verwaterd zooals de Duitscher, die de 3000 Fransche verzen in 8000 Duitsche heeft overgezet en door zijne wijdloopige reflexies het verhaal in zijn gang belemmerd[48].
Wanneer wij ten slotte eene voorstelling trachten te verkrijgen van de kunstvaardigheid dezer bewerkers, voorzoover die zich openbaart in het bouwen van verzen en het vinden van rijmen,dan wordt ons dat moeilijk gemaakt door den toestand waarin o.a. de romans der Lancelot-compilatie tot ons zijn gekomen. Rekening houdend met dien stand van zaken, zijn wij geneigd aan te nemen: dat de verzen dezer romans over het algemeen ten minste zoo goed als die der Frankische romans, en dat de stoplappen minder talrijk zijn. Assoneerende rijmen vindt men o.a. in de romansvan Ferguutenvan Partonopeüs. Daar, evenals in denWaleweinen denMoriaen, treft men vrij wat voorbeelden aan van het zoogenaamdrime riche(gelijke klank bij verschil van beteekenis of van functie), zoowel waar het geoorloofd als waar het ongeoorloofd was. Het eigenaardig soort van rijm, dat wij in denRenout van Montalbaenaantroffen, waar steeds een of andere heilige in den rijmnood moet voorzien, vinden wij in denFerguutterug[49].
Zooals onder de Frankische romans o.a. deAiolden overgang vormt van de vertalingen op een waarschijnlijk zelfstandig werk alsKarel en Elegast, zoo staat hier de bewerking vanFloris en Blancefloertusschen de vertaalde romans en een paar werken die mij voorkomen zelfstandig te zijn:MoriaenenWalewein.
Ook de romanvan Moriaenis ons bewaard gebleven in de Lancelot-compilatie, doch schijnt slechts weinig onder VELTHEM'S handen te hebben geleden en nagenoeg in zijn oorspronkelijken vorm tot ons te zijn gekomen[50]. Zelfstandig en eenigermate oorspronkelijk mag deze roman heeten, aangezien er geen origineel bestaat. Ook de hoofdpersoon, een Moor, die voorgesteld wordt als een zoon van PERCEVAEL, schijnt oorspronkelijk[51]. Doch daarmede houdt de oorspronkelijkheid op. De zelfstandigheid van den schrijver bestaat hierin, dat hij eenige, uit andere Britsch-Fransche romans bekende, elementen heeft vereenigd tot een nieuw geheel, dat niet zonder verdienste is ten opzichte van taal en versbouw, doch overigens niets eigensnoch veel kunstvaardigheid toont. Een overwonnen ridder die door zijn overwinnaar naar ARTUR'S hof wordt gezonden, tweegevechten, een jonkvrouw door een edel ridder uit de handen van een snoodaard verlost, bevrijding van den eenen tafelronde-gezel door een anderen, strijd met een monster, beleg van een sterk kasteel—dat alles behoort tot het vaste materiaal waaruit deze romans werden samengesteld.
Bovendien heeft de dichter gedurig den romanvan Karel en Elegastvoor oogen gehad; op verscheidene plaatsen kan men zelfs woordelijke navolging opmerken[52].
Zelfstandige verwerking van motieven die men uit andere romans had leeren kennen, schijnt ook de romanvan Walewein, waarvan door den dichter PENNINC ongeveer 7800 verzen werden gedicht en die met 3300 verzen door PIETER VOSTAERT werd voltooid[53]. Hier wordt ons verteld van onderscheidene „questen", door WALEWEIN volbracht. Een prachtig schaakbord, in koning ARTUR'S zaal verschenen en weer verdwenen, doet WALEWEIN zijn eersten tocht aanvangen. Het schaakbord blijkt te behooren aan koning WONDER; deze wil WALEWEIN het kleinood afstaan, indien hij daarvoor het wonderzwaard met de twee ringen krijgt, dat koning AMORAEN bezit. Een nieuwe zoektocht begint. Koning AMORAEN wil het zwaard slechts geven in ruil tegen de schoone IJSABELE, koning ASSENTIJN'S dochter. Op nieuw trekt WALEWEIN uit. Prins ROGES, lotgenoot van JOZEF-HIPPOLYTUS, door eene booze stiefmoeder in een vos herschapen, wijst hem den weg naar ASSENTIJN'S burcht. WALEWEIN wint IJSABELE, ook haar hart, en trekt terug naar koning AMORAEN. Deze redt hem uit de moeilijkheid eener keuze tusschen IJSABELE en het wonderzwaard door te overlijden. Voort gaat de reis naar koning WONDER, die WALEWEIN het schaakbord geeft in ruil tegen het zwaard, en ten slotte naar koning ARTUR die zijn schaakbord ontvangt.
Deze voornaamste avonturen zijn aangevuld met tal van andere minder belangrijke, zooals ze in deze romans plegen voor te komen.
Reeds vroeger spraken wij van het wonderbed dat de zwaarste wonden geneest; ook vinden wij hier een wonderboom in den lusthof van YSABELE en een gloeiende rivier rondom den burcht van koning ASSENTYN, om van den betooverden prins te zwijgen[54]. Zulke zaken vindt men eveneens in andere romans van deze soort. En zij zijn hier niet het eenige van dien aard. Een schaakspel dat vanzelf speelt, komt voor in de geschiedenisvan Peredur (Perceval); daar ook de vermelding van het „Castle of Wonders" of „van den wondere dat casteel" zooals het in den romanvan Lancelotgenoemd wordt. Ook de bron der jeugd, waarvan hier verhaald wordt; de smalle brug, scherp als een scheermes; de onderscheidene tafels, waaraan verschillende leden eener hofhouding middagmalen, zijn ons van elders bekend[55].
Deze elementen zijn door beide bovengenoemde dichters vereenigd tot een geheel; want eenheid is er, al is zij niet van hooger orde dan die in het bekende sprookje:
Toen ging hij naar de Galg: „Galg, wil jij Man hangen? „Man wil niet Os dollen, „Os wil niet water slobberen ... ... Ja, zei Galg. En Galg hing Man, En Man dolde Os En Os slobberde water enz.
Of deze roman uit denzelfden tijd is als de overige van deze soort, valt moeilijk te beslissen. MAERLANT en JAN VAN HEELU kennen blijkbaar wel verhalen overWalewein; of zij echter het oog hebben juist op dezen roman[56]? Met het oog op het gevoel voor het ridderwezen, dat hier vrij sterk is, op het geringe komisch element en op de godsdienstige tint die over het gansche werk, vooral over dat van PENNINC, ligt, zou ik geneigd zijn dezen roman in allen gevalle tot de 13deeeuw, en eer tot de eerste helft daarvan dan tot de tweede te brengen. Ook de taal en het vrij groot aantal assoneerende rijmen schijnen ons daartoe recht te geven[57].
De ridderschap met hare hoog-zedelijke idealen, met haar macht en haar praal, met de fijnheid van hare vormen heeft de gemoederen van velen hier te lande aangetrokken, beheerscht of bekoord. De poëzie, uit dat ridderwezen en ridderleven geboren, heeft vooral den adel, maar waarschijnlijk ook de aanzienlijke en gegoede burgerij behaagd. Toch kan de indruk, door de ridderschap in haar streven en doen op ons volk gemaakt, niet zoo heel sterk zijn geweest.
Het feit alleen dat de ridderpoëzie zich te onzent ontwikkelde onder den invloed der Fransche ridderpoëzie, kan niet volstaan om die bewering te staven. Immers, ook in de overige landen van West-Europa was dat het geval. Doch—en dat feit weegt zwaarder—de volksziel nam hier te lande het ridderwezen niet zóó gretig in zich op, werd daardoor niet zoo krachtig bevrucht, dat uit die bevruchting een zelfstandige nationale ridderpoëzie werd geboren; eeneeigenridderpoëzie, gelijk de Duitschers er eene bezitten in de werken van GOTTFRIED VON STRASSBURG, HARTMANN VON AUE, WOLFRAM VON ESCHENBACH en het nationaal-ridderlijk epos vanNibelungenenGudrun.
Waar wij den geest der Nederlandsche dichters in de doorhen vertaalde of nagevolgde werken kunnen waarnemen, daar zien wij naast gevoel voor het ridderwezen in zijne onderscheidene uitingen, ook vroomheid en zedigheid die slechts matige sympathie koesteren voor de ridderidealen: die den hartstocht temperen, de kieschheid ontzien, moralizeerende opmerkingen invoegen; voorts merken wij niet zelden gemis aan verbeelding op. Opmerkelijk is, dat de eenige Frankische roman, dien wij voor een oorspronkelijk werk mogen houden, hooger staat dan de twee zelfstandig bewerkte Keltische romans.Karel en Elegaststaat niet veel lager dan de beste "Chansons-de-geste" uit den nationalen cyclus;MoriaenenWaleweinveel lager dan de beste Fransche romans van den uitheemschen cyclus. Het ridderwezen in zijne eerste periode, die zich afspiegelt in de Frankische romans, heeft—zou men zeggen—sterker indruk gemaakt op het Nederlandsche volk en er meer sympathie gevonden, kon dus ook beter door hen vertolkt worden, dan dat der volgende periode, toen liefde, maar vooral zinnelijke liefde, hoofsche bevalligheid en fijne vormen overheerschend waren.
Maar hoe ook, het ridderwezen heeft op de ontwikkeling van ons volk ongetwijfeld invloed geoefend. De uit dat ridderwezen geboren poëzie heeft de ridderlijke idealen onder deze volken helpen verbreiden. Die idealen en die poëzie hebben er deels ingang gevonden, deels hebben zij afkeer gewekt en verzet doen ontstaan. Ook vonden zij, onder geestelijkheid en gemeenten, stroomingen der geesten, die, zoo zij al niet tegen den geest der ridderschap indruischten, dan toch in eene andere richting gingen. Dat verzet en die stroomingen in andere richting vragen nu onze aandacht.
[Voetnoot1: De hier geraadpleegde werken zijn o.a. doch vooral: LA CURNE DE SAINTE PALAYE,Mémoire sur l'ancienne Chevalerie; L. GAUTIER,La Chevalerie; A. SCHULZ,Das höfische Leben zur Zeit der Minnesinger; MOLL, a.w. II, 4, 235.
De geschiedenis van het ridderwezen in Nederland—aanlokkelijke maar zware taak—moet nog geschreven worden. Dr. J. TE WINKEL gaf een vlijtig bewerkte studie:Het kasteel in de XIIIe eeuw, later omgewerkt tot:Het Ridderwezen geschetst volgens de ridderromans. Maar het blijft de vraag, in hoeverre onze, meerendeels vertaalde, ridderromans hier als bronnen mogen dienen.]
[Voetnoot2: De voornaamste uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek zijn hier zoo beknopt mogelijk samengevat, voorzoover noodig is om de Nederlandsche ridder-poëzie beter te begrijpen. Wat nog ontbreekt, zal verderop zijne plaats vinden. Ik maakte bij de samenstelling van dit overzicht gebruik van de algemeen bekende werken van GASTON PARIS (Histoire poétique de Charlemagne); L. GAUTIER,Le Epopées Françaises(2e éd.); PIO RAJNA,Le origini dell'epopea francese; K. NYROP,Den oldfranske heltedigtning. Ik volgde vooral NYROP en de auteurs in PETIT DE JULEVILLE'SHistoire, I, 49–344.
Van NYROP'S werk verscheen eene Italiaansche vertaling met belangrijke aanteekeningen van EGIDIO GORRA. (Torino, 1888). De oudere literatuur (tot 1887) over de Keltische gedichten bij TE WINKEL. Daarbij moet gevoegd o.a.:Studies on the Legend of the Holy Grailby ALFRED NUTT (1888) en de scherpe doch billijke en opbouwende critiek op NUTT'S werk door Prof. H. ZIMMER inGött. gel. Anzeigen(1890);Studies in the Arthurian Legendby JOHN. RHŶS. (1891). Zie voorts de literatuur bij PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 49 suivv.; vooral ook de inleiding op W. FOERSTER'SDer Karrenritter(LANCELOT). Halle. NIEMEYER. 1899.]
[Voetnoot3: Vgl. PIRENNE a.w. 167, 368–9; JONCKBLOET, I, 113 (noot).]
[Voetnoot4: Vgl. TE WINKEL, p. 79–83 en J. STECHER,Hist. de la Litt. Néerl., p. 21 suivv.]
[Voetnoot5: JONCKBLOET heeft het eerst de aandacht op deze bewijsplaatsen gevestigd. Vgl. o.a. zijneGesch. der Ned. Lett., I, 140 vlgg.; 289 vlgg.
TE WINKEL heeft deze bewijsplaatsen nog vermeerderd in zijnMaerlant's Werken, (2e druk), bl. 402–408.]
[Voetnoot6:Leven van Sinte Lutgart(ed. VAN VEERDEGHEM), II, 39–57. Vgl. ook de plaats uitVan den Levene ons Herendie later vermeld zal worden.]
[Voetnoot7:Acta Sanctorum Junii, III, p. 242–3: „in quadraginta annis, quibus postea inter socias Gallicas vixit, tantum vix sermonis Gallici addiscere potuit, ut panem recto modo Gallice peteret, cum esurivit."Leven van Sinte Lutgart, II, 461 vlgg.
S. LUTGART stierf in Aquiria (Aiwières) in 1246.]
[Voetnoot8: De namen der pairs staan niet alle vast. Zie daarover L. GAUTIER in zijne voortreffelijke uitgave derChanson de Roland, p. 30–31 (in de aanteekeningen).]
[Voetnoot9: Waar geen ander werk wordt opgegeven, verwijs ik voor de hier behandelde fragmenten naar mijneMnl. Epische Fragmenten. Daar ook vindt men de bespreking der hss., der verhouding tot het origineel enz.]
[Voetnoot10:Spiegh. Hist., IV, 1, c. 29, vs. 73–76.]
[Voetnoot11: Uitgave van Dr. J.C. MATTHES. (Groningen. WOLTERS. 1875).]
[Voetnoot12: Zie de samenvatting der uitkomsten van MATTHES' onderzoek, p. XXXVII zijner Inleiding, waarbij echter veel onzekers.]
[Voetnoot13: Vergelijkt men de Mnl. bewerking met hetVolksboek(ed. MATTHES), dan blijkt dat ongeveer 25 bladzijden van hetVolksboekovereenkomen met de 2000 verzen der fragmenten; volgens die berekening zou het gansche Mnl. gedicht meer dan 14000 verzen hebben geteld, daar hetV.184 bladzijden telt.]
[Voetnoot14: Uitgegeven door Prof. J. VERDAM inTijdschrift voor Ned. T. en Lett., II, 209 vlgg.]
[Voetnoot15: Te laat om een zelfstandig onderzoek te kunnen instellen, bemerkte ik, dat SUCHIER dat deel derLorreinenhetwelk niet te vinden is in het Fransch voor oorspronkelijk Nederlandsch houdt, terwijl G. HUET het aan een verloren Fransch werk ontleend acht.
De degelijke en scherpzinnige onderzoekingen van den laatsten geleerde over dit onderwerp zijn gepubliceerd:Romania, XXI, 361 suivv. en XXXIV, 1 suivv. De zienswijze van SUCHIER in zijneGesch. der Franz. Lit.(1900), p. 45.]
[Voetnoot16:Scaerdelijnziet er uit als eene afleiding vanscaert(scaerde). Zie o.a.Karel ende Elegast, vs. 413 de „scaerde ende vlegghen" in de helmen.]
[Voetnoot17: Zulke duels komen in de Oudfransche epische poëzie meermalen voor. Zie o.a. Pio RAJNA,Le Origini, p. 402.]
[Voetnoot18: Eene collatie van het hs. gaf ik later inTijdschr. v. Ned. T. en Lett., IXe jaarg., p. 166, 189.
Zonderling is, dat MAERLANT hem noemt: „Winechkijn, der Sassen here"; zie:Spieghel Historiael, III, 8, c. 86, vs. 3.]
[Voetnoot19: Met terugneming van hetgeen ik vroeger (Tijdschr. v. N.T. en L., IX, 166) heb gezegd, geloof ik nu dat metEl'eofEs'ein het hs. Elegast bedoeld is.]
[Voetnoot20: Ter bepaling van den ouderdom steunde ik vooral op vermeldingen als die van MAERLANT, in verband met den ouderdom van het oorspronkelijk gedicht, dien van het hs. der Nederl. bewerking, ook den geest van het gedicht en dien der bewerking. Overigens verwijs ik voor dit deel van mijn verhaal naar mijneMiddelnederlandsche Epische Fragmentenen de vroeger aangehaalde werken over de Fransche epische poëzie. Doch er valt ook in onze ridderpoëzie nog veel te onderzoeken; ik noem slechts de verhouding van denKarlmeinettot de Mnl. ridderpoëzie.]
[Voetnoot21: In sommige gevallen sloot een Mnl. vertaler zich dicht bij den tekst van zijn origineel aan; hij leverde dan eenevertalingin onzen zin van dat woord. In andere, talrijker, gevallen, gaf hij eer eenbewerkingdan eene vertaling. Op zulke gevallen past wat BORMANS (Mnl. Ep. Fragm., p. 51) zegt: „traduire c'était imiter; on retranchait, on ajoutait, on transposait, on modifiait de toutes manières." Het spreekt vanzelf, dat men, alvorens eene vergelijking in te stellen tusschen origineel en navolging, waar onderscheidene redacties van dat origineel bestaan, eerst voorzooveel mogelijk moet vaststellen, welke redactie den bewerker tot voorbeeld zal hebben gestrekt; op de wijze zooals Dr. VAN BERKUM dat gedaan heeft in zijn onderzoek van denPartonopeus, Dr. BOTERMANS in dat vandie hystorie van die seven wyse mannen van romen; ik meen ook te mogen wijzen op mijne Inleiding tot de fragmenten van hetRoelantslied.
Echter overschatte men de waarde van zulk een onderzoek voor eene vergelijking tusschen voorbeeld en navolging niet. Waar men den geest der bewerking kenschetsende invoegsels, weglatingen of wijzigingen vindt, daar zal men die gewoonlijk op rekening van den bewerker moeten zetten.
Bij de vergelijking der bewerkingen vanNibelungen,Roelantslied,Reinaert,Rincluse.a. met hunne origineelen, kan men vaak dozijnen van varianten te hulp roepen; doch zij laten de kenschetsende afwijkingen voor rekening van den Mnl. bewerker.][Voetnoot22:Aiol(ed. VERDAM), vs. 14–17.]
[Voetnoot23: T.a.p., vs. 390–405:
„Verdoemt moete de maechscap sijn" „Ay, maechscap, wat heb di mi gedaen!" enz.]
[Voetnoot24: Vgl. vs. 555, 629, 750, 780, 787, 850, 856, 886, 890, 1095, 1103 (pass.), 1147, 1248, 1515, 1774.]
[Voetnoot25: Uitgaven van JONCKBLOET, KUIPER. (Amsterdam. VAN KAMPEN EN ZOON. 1890), en BERGSMA (Pantheon-uitgave, 1893). Vgl. ook: BERGSMA'SBijdrage tot de tekstcritiek van den Karel ende Elegast. (Groningen. 1890).]
[Voetnoot26: Tot dusver heeft men dat op voorgang van JONCKBLOET gedaan. Maar JONCKBLOET was zóó bevangen door zijne studiën der Oudfransche Chanson-de-geste—hoe uitnemende vruchten die studiën ook hebben gedragen—en had daarbij zóó weinig geloof in het dichterlijk vermogen van ons volk, dat vermeldingen als de bovengenoemde hem reeds dadelijk afdoende voorkwamen.]
[Voetnoot27:Karel ende Elegast(ed. KUIPER), vs. 768–9, 837–839, 923.]
[Voetnoot28:Roofwas niet onteerend, heimelijke diefstal wel. Men maakte onderscheid tusschen „diefte ende roof" (Limborch, X, 505). MAERLANT zegt in zijnRijmbijbel, (I, p. 206): „Ne roof niet, hen si dijn"; in denSpiegh. Historiael, III, p. 374: „onse aerme worden rike met rove". Zie verderNederd. Regtsoudheden, p. 282. De dichter vanVan den Levene ons Herenlegt het zelfs Jezus in den mond, (vs. 943).]
[Voetnoot29: Vs. 105 vlgg; 203 vlgg.]
[Voetnoot30: Een overzicht van denOorsprong van den Graalgaf TEN BRINK in eene voordracht, gehouden in de Kon. Vlaamsche Academie. Afzonderlijk uitgegeven bij A. SIFFER te Gent. (1897).]
[Voetnoot31: Eenige volledige uitgave van JONCKBLOET. Latere uitgaven van deelen der zelfstandige werken, waaruit de compilatie bestaat, door TE WINKEL, MOLTZER en FRANCK inTijdschr. v. N.T. en L., X, XIII, XIV, XIX, en door VAN VEERDEGHEM in deBulletins de l'Acad. Royale de Belgique, 3me série, tome XX, no. 12.]
[Voetnoot32: TE WINKEL,Geschiedenis,p. 190.]
[Voetnoot33: Vgl. IV, 10720 vlgg.; III, 15256-'91; III, 1745 vlgg.]
[Voetnoot34: Vgl.Maerlant's Werkendoor Dr. J. TE WINKEL, bl. 405 vlgg.
Ook inFloris en Blancefloer, (vs. 58–59) wordt melding gemaakt van de geschiedenisvan Tristram en Ysoude.]
In het gedichtVan den Levene ons Heren, vs. 15, wordt onder de romans waartegen de dichter waarschuwt, opgenomen die
Van Pyramuse, hoe hi sijn leven Verloos....
In de Oudfransche literatuur bestond een roman van dien naam. (Vgl. P. DE JULEVILLE'S,Histoireetc., I, 244).]
[Voetnoot35: Zie JONCKBLOET'SInleidingop Deel II, p. CCVI.]
[Voetnoot36: Vgl. o.a. III, 22557 vlgg.; IV, 2149-'50.]
[Voetnoot37:Tijdschr. v. N.T. en L., XIII, 38.]
[Voetnoot38: VERWIJS geloofde aan twee dichters. Zie zijne Inleiding, p. XXIX. Bij zijne argumenten moet nog gevoegd worden dat in het eerste deel niet 19 assoneerende rijmen voorkomen, maar 28 (vgl. vs. 59–60, 121–122, 563–4, 605–6, 669-'70, 711-'12, 1029-'30, 1331–2, 1673–4).
Deze voorstelling werd door JONCKBLOET bestreden. (Vgl. zijneGesch. der Ned. Lett., I, 310). Ik zou mij eer aan de zijde van J. scharen; doch acht den strijd niet zoo heel gewichtig, omdat in allen gevalle de geest der bewerking doorgaans dezelfde blijft.]
[Voetnoot39: Zie o.a. RHŶS,Studies, 93, 105 en PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 310.]
[Voetnoot40: Vgl. vs. 1360 vlgg. (liefdesoverpeinzingen); 1671-'6 (dialoog); 1658 en 1666; vs. 1182 vlgg.]
[Voetnoot41: Vs. 75 vlgg.]
[Voetnoot42: Vs. 319, 2057, 5328, 4984; andere dergelijke uitdrukkingen: 399–400, 402–4, 1170, 2099.]
[Voetnoot43: Vs. 5035, 5056; 2768-'84; 3500 vlgg. (waar de afschuwelijke reuzin PANTASALE „scone wijf" wordt genoemd); 3365, 3524, 3533.]
[Voetnoot44: Vgl. het in menig opzicht uitnemend proefschrift van Dr. A. VAN BERKUM:De Middelnederlandsche bewerking van den Partonopeusroman. (Groningen, WOLTERS. 1897.)]
[Voetnoot45: Zie VAN BERKUM a.w. LXIII, LXVII, LXXI; CXV; CIV; CIII, CXXXIII; XLIV; CV, CVI, CVIII; XCVII, CXII-CXIII.]
[Voetnoot46: Die opvatting in vs. 3–13, 53–75, 1012 (door MOLTZER blijkens zijne aanteekening niet begrepen); vs. 1365 (waar met het hs.sotmoet worden gelezen).]
[Voetnoot47: Vgl. vs. 22, 86; vs. 19–20; al te lange verzen of zulke waarin men geen rhythme hoort zijn b.v. vs. 1900, 1918, 2005, 2058, 2339, 2647, 2859, 3567, 3853.]
[Voetnoot48: Uit vs. 282–4 zou men opmaken, dat D.v.A. meer dan eenredactie van het verhaal heeft gekend. Van de twee door ED. DU MÉRIL uitgegeven redactie's van het Fransch gedicht, staat A dichter bij DIEDERIC'S werk dan B; echter heeft DIEDERIC waarschijnlijk eene ons onbekende redactie gevolgd. Die redactie zal wel dezelfde zijn geweest als of dicht gestaan hebben bij de door FLEKE gebruikte: in vs. 272-'82, 474-'95, 1562-'81, staat D.'s bewerking dichter bij die van FLEKE dan bij version A.
Vgl. over de verhouding der onderscheiden redacties: MOLTZER'S Inleiding voor zijne uitgave; H. SUNDMACHER,Die altfranzösische und mhd. Bearbeitung der Sage von Flore und Blanscheflur. (Göttingen. 1872) en H. HERZOG inGermania, 1884, 149. SUNDMACHER overschat FLEKE'S bewerking, die hij bespreekt alsof ze een oorspronkelijk werk ware; onderschat de Middelnederlandsche. HERZOG'S stuk is vol geleerdheid, gewaagde onderstellingen en slotsommen.
Op vele plaatsen is DIEDERIC'S bewerking veel uitvoeriger dan het Fransch. B.v. in vs. 213-'30, 322-'48, 474-'95, 519-'34, 1562-'81, 1922-'31, 2148-'54, 2219-'22, 2224-'48, 2735-'50, 2750–2820, 2827-'31, 3173-'95, 3376-'81.
Niet in het ons bekende Fransch komen voor: 272-'82, 378-'9, 410-'20, 570-'85, 714–831 (iets daarvan in version B), 2197–2204, 2841-'9, 2887-'9, 3139-'49, 3396–3415, 3482-'97.
Van deze plaatsen vindt men voor een klein deel iets bij FLEKE; maar DIEDERIC gaat ook daar doorgaans zijn eigen weg.]
[Voetnoot49: Vgl. vs. 657–8, 2138, 2830, 2908, 3201, 3762, 3832, 4534, 4749, 4783, 4839, 5275, 5392.
Ook in de Fransche epische poëzie was dit heiligen-rijm bekend. Vgl. NYROP in de vertaling vanGorra, p. 383.]
[Voetnoot50: Vgl. FRANCK'S uiteenzetting inTijdschr. v. N.T. en L., XIX, 45–46.]
[Voetnoot51: In denMerlijnwordt vs. 31706 zekere ridderMoriangenoemd („Dander was Morian, als ic versta"). Waarschijnlijk hebben wij hier echter te doen met een bedorven tekst; immers diezelfde ridder wordt, verderop in dat hoofdstuk, tweemaalMoriavalgenoemd (vs. 31942, 31989). Misschien had het hs.Moriau'; het is bekend hoe lichtuennverwisseld werden.]
[Voetnoot52: Vgl. Dr. BERGSMA'S uitgave vanK.e.E., bl. 47–48. Bij de daar opgegeven plaatsen moet nog gevoegd worden: vs. 112 (het tooverkruid uit denK.e.E.) enM.607–8 =K.e.E., vs. 1205–6.]
[Voetnoot53: JONCKBLOET hield ook dezen roman voor vertaald; doch de bewijsgronden, door hem aangevoerd, zijn zwak. Van een Franschorigineel is niets bekend; J. zelf houdt de aanwijzing bij ROQUEFORT (II, 33) voor eene vergissing; de door R. aangehaalde plaatsen (II, 129), meerendeels gemeenplaatsen, hebben weinig bewijskracht. Ook kan men den proloog maar niet wraken of uitleggen, zooals J. doet. Er zijn inderdaad vele verwijzingen naar een bron of bronnen (bij VOSTAERT meer dan bij PENNINC); doch die geven nog geen recht om aan te nemen, dat hier een voorbeeld werd nagevolgd.]
[Voetnoot54: Deze elementen aangewezen door JONCKBLOET in zijne uitgave van den roman (II, 152–153).]
[Voetnoot55: Vgl. RHŶS,Studies, 105 en 55;Lancelot, II, 40393;Walewein, vs. 1010 vlgg.; 3550 vlgg. en II, p. 153.]
[Voetnoot56: Vgl. JONCKBLOET'S uitgaaf II, 135.]
[Voetnoot57: Gevoel voor het ridderwezen in vs. 1846 vlgg.; 4333 vlgg.; de beschrijving van het gevecht, vs. 10598–10635. VOSTAERT heeft eens de platte vergelijking van een bloedenden ridder bij eene geslachte koe. (8830–1).
De godsdienstige tint in vs. 147–9, 236–8, 292–4, 378–9, 384, 460, 478-'81, 495 vlgg., 574–6, 666, 1154–6, 1326-'30, 2684, 2695, 2980–4, 3010, 3049-'51, 3360-'66, 3626-'33, 3649-'50, 3714, 3875-'7, 3946-'54, 4020-'1, 4064-'5, 4097 vlgg., 4268-'9, 4348-'52, 4436-'7, 4758 vlgg., 6138, 6142, 6683 vlgg., 7049-'55, 7198–7200, 7687-'8.
Bij VOSTAERT: 8118-'9, 8133-'5, 8380-'5, 8478, 9272-'7, 9376-'7, 9531, 9866, 11088.
De moralizeerende toespraak van den dichter tot zijn publiek (4838–4845) zou ik dan ook niet met JONCKBLOET willen schrappen, als van een afschrijver afkomstig.
Over de taal vgl. JONCKBLOET II, 135. Verscheidene daar genoemde woorden komen echter ook in later tijd voor.]
Adel en Geestelijkheid. Oorsprong der geestelijke poëzie.Van den Levene ons Heren. Heiligenlevens.Rinclus. Ontstaan der mystiek. Hildegard van Bingen, Elisabeth van Schönau. Mechthild van Maagdeburg. Extatische vrouwen in Zuid-Nederland: Maria van Oignies, Christina van Sint-Truyen, Margaretha van Yperen. Lutgart van Tongeren.Leven van Sinte Lutgart. De Minne. Hadewych.
Waar de ridderschap poogde hare zedelijke idealen te verwezenlijken, daar ging haar streven in dezelfde richting als dat der geestelijkheid die de Christelijke idealen, voor een deel althans, tot werkelijkheid trachtte te maken. En dat was niet het eenige punt, waar deze beide standen elkander raakten. Tal van mannen en vrouwen, die tot den adel behoorden, lieten zich in den geestelijken stand opnemen. Een Westvlaamsch auteur der 14deeeuw gaat zelfs zóóver dat hij zegt:
Van vier moneken sijn die drie Gheboren van groten maghen.[1]
In de geestelijke ridderorden waren beide elementen der toenmalige maatschappij vereenigd.
Doch onder adel en geestelijkheid beide was doorgaans een scherp verschil tusschen de theorie en de praktijk des levens. Waar de adel, alleen naar het tijdelijke strevend, geen middelen ontzag om zijn doel te bereiken, daar kwam hij in botsing met die geestelijken welke, hunne roeping getrouw, den blik op het eeuwige gevestigd hielden.
De verheerlijking van strijd zonder heilig doel en van liefde zonder wijding, zooals vele ridderromans die te hooren en te lezen gaven, moest kwaad zijn in de oogen van vrome geestelijken. Daartegen waarschuwen moesten zij plicht achten. Doch dan mochten zij het niet laten bij waarschuwen; dan moesten zij trachten den verkeerden invloed dier ridderromans te verzwakken, door de aandacht van het publiek te vestigen op andere, Gode welgevallige, werken. Mede langs dezen weg ontstond geestelijke poëzie als eene terugwerking der ridderpoëzie. Wij hebben reeds vroeger eene plaats uit hetLeven van Sinte Lutgartleeren kennen, die ons dien gang van zaken toont[2].
Tegenover al die „sagen van wigen och van tavelronden",#van „minne" die niet tot de „gerechte minne", nl. de liefde tot God, behoort, plaatst WILLEM VAN AFFLIGHEM zijn leven van de maagd LUTGARDE „dat vromelic es ende goet". Eene tweede bewijsplaats vinden wij in het merkwaardig gedichtVan den levene ons Heren. In den proloog van dat werk waarschuwt de dichter zijn publiek tegen zoo menige „rime die ter zielen luttel smaect"; hij heeft daarbij het oog op verhalen
Van battalien ende van minnen Van meneghen die wi niet kinnen: Van Roelande ende van Oliviere, Van Alexandre ende van Ogiere, Van Walewaine ende van siere macht, Hoe hi jeghen sine viande vacht; Van Digenen, hoe hi sijn lijf Tormente omme een scone wijf; Van Pyramuse hoe hi sijn leven Omme minne verloos....[3]
Doch dat zijn alles „boerden", al zijn zij op schrift gebracht.Tegenover zulke verhalen prijst hij diegene, waarinwaarheidverkondigd wordt: van „waarheid" spreekt zijn werk, immers van den heiligen Christus.
Verhalen over JEZUS' leven, dood en opstanding, gegroepeerd om de kern van het werk: de verlossing van het menschdom, zijn hier door een echt dichter vereenigd tot een geheel dat hooge waarde heeft[4].
De ons onbekende maker, misschien een „clerc", heeft zijne stof tusschen 1260–1270 bewerkt, zooals hij die had leeren kennen uit den bijbel en uit andere bronnen[5]. Onder die andere bronnen moeten de zoogenaamde apocriefe evangeliën in de eerste plaats worden genoemd. Van den bijbel kreeg de christelijke gemeente in de latere middeleeuwen door allerlei uittreksels en bewerkingen vrij wat te zien en te hooren; doch behalve die, door de Kerk als de eenig ware vastgestelde, boeken, vond men andere evangeliën over JEZUS, MARIA, JOZEF, PILATUS, JOZEF van Arimathea en andere heilige personen, die als een sterke onderstroom het godsdienstig gemoedsleven onzer voorouders bleven voeden. De kanonieke bijbelboeken waren voor het grootste deel des volks te sober, te verheven; de apocriefe evangeliën wisten hun allerlei te vertellen waarover de bijbel zwijgt: verhalen van JEZUS' kindsheid; van de vlucht naar Egypte; van de Drie Koningen en hoe het met HERODES afliep; van JEZUS' nederdaling ter helle en hoe hij de daar aanwezige heilige mannen uit het Oude Testament, ondanks het verzet der duivelen, verloste. Aan het gewoon-menschelijke, het dagelijksche is in deze verhalen meer plaats vergund; maar ook aan het avontuurlijke, het kleurige, het bonte. Dat alles trok het volk aan; het heeft ook dezen dichter aangetrokken die één was met het volk waaronder hij stond, al stak hij boven hen uit door zijne dichterlijke gaven.
Dat dit gedicht volkspoëzie bevat, zou men reeds vermoeden,wanneer men ziet welk een warme liefde tot de misdeelden den dichter bezielde:
Selen wy dragen bont ende grau, Ende ons sieren als enen pau, Ende die arme sal sijn in selc bedwanc, Dat hi ne sal hebben spel no sanc?
Maar niet alle vóór het volk geschreven poëzie is volkspoëzie. Deze is het. Wij vinden hier telkens den geest, den trant, de wendingen der volkspoëzie, zooals wij die van elders kennen. Zoo b.v. de rechtstreeksche vragen tot het publiek, waar GABRIËL Gods wil aan MARIA komt boodschappen:
Vant hi Marien ter venstren staen? Vant hise achter#straten gaen ? Vant hise in plaetsen#, vant hise int spel? Neen hi, niet; die maecht pensde al el#.
Zoo ook wendingen der verhalende volkspoëzie als: „Doe sprac een jode: Heren, hort na my"; het afgebrokene in den zinbouw, den korten vleugelslag van des dichters gedachten[6].
De naïeve vroomheid en kinderlijke eerbied voor het heilige, die wij later in de geestelijke volksliederen zullen opmerken, openbaren zich hier in een oprechte vroomheid, een zachtheid van toon, een doorvoelen van JEZUS' lijden, zooals later MEMLINC het ons te zien zal geven. Telkens hooren wij van „dat zoete kint", zijne heilige, zijne gebenedijde hand, zijn zoete hart; God „van hemele", „d'alweldeghe God", de heilige engel. JEZUS' liefde tot zijne discipelen voelen wij in verzen als: „Kinder, seit hi, hoert na mi" of „Kinder, seit hi, lieve vrient"[7]. De keerzijde van deze liefde en eerbied is een felle haat tegen HERODES, die ons voorgesteld wordt: hebzuchtig, wreed, fel als een hond; hij is een „dief" (in de taal onzer voorouders:het inbegrip van alle kwaad), een „onreyne drake"; ten laatste wordt hij krankzinnig, het helsche vuur gloeit uit zijne oogen[8]. Geen woorden genoeg heeft de dichter om de Joden uit te beelden in hunne felheid, die hen doet schuimbekken; in het welbehagen waarmede zij het zachte lam kwellen en martelen; in hun schamperen spot[9]. Die haat en die liefde zijn beide in hooge mate naïef. „God is een goed wreker", zegt de dichter, „al spreekt Hij niet veel". JEZUS zegt tot zijn hart: „Hart, kondt gij spreken als een mensch, hoe zoudt gij dan over uw lijden klagen". Van GABRIËL lezen wij, dat hij Gods gebod ten uitvoer bracht en ter verklaring daarvan: „Hine dorst laten, want hi was God". De duivel spreekt van „mijn hel"[10].
Het kinderlijk onbewuste van de vroomheid dezer tijden verminderde den afstand tusschen God en de geloovigen, die niet zich verhieven tot Hem maar tot wie Hij afdaalde. Eerbiedsgrenzen, door latere geslachten in acht genomen, bestaan voor dezen dichter te nauwer nood. Hij schroomt niet, de schamele hut, het „huseken cranc", waarin JEZUS geboren wordt, met zachte ironie „dit paleis" te noemen; evenmin om van PETRUS te zeggen, dat hij „zweette als een das" toen hij JEZUS verloochende, of ons MARIA MAGDALENA te teekenen, zooals zij onder stoelen en banken door kruipt om bij JEZUS te komen[11].
Zooals de dichters der ridderpoëzie zich eene klassieke oudheid schiepen naar de toestanden hunner dagen, zoo handelde deze volksdichter met de bijbelsche oudheid. Bij zijne voorstelling van het maatschappelijk en huiselijk leven in Palaestina, geeft hij eenvoudig zijne eigen omgeving, zooals lang vóór hem de dichter van den OudsaksischenHêljandhad gedaan. JEZUS deelt aan zijne twaalf „gezellen" mede, dat de smartelijke kruisdood hem wacht; de „gezellen" zwijgen op dat bericht, maar PETER „zijn getrouwe vriend" neemt voor allen het woord en wenscht dat JEZUS nog berouw moge krijgen over hetgeenhij gezegd heeft: „Ghi sijt een so scone man", zegt hij, „hoe komt zoo iets dan in uwe gedachten?"
Apostelen en Joden worden ons meer dan eens voorgesteld staand of zittend „in een rinc", zooals dat van ouds ook hier te lande gebruikelijk was. De Joden zijn hier afgodendienaars die aan MAHOMED gelooven; zij komen „met manne ende maghe" te samen; hun hoogepriester wordt „bisschop" genoemd, PILATUS noemt zich zelven „meier". Hier en daar klinken tonen uit de ridderpoëzie door deze geestelijke poëzie heen: wij treffen woorden aan als stegereep#, ghereide en vorboech"#, als „glaviën" voor lansen; geen soldaten maar ridders, houden de wacht bij JEZUS' graf; van een slag, JEZUS toegebracht, wordt de staande uitdrukking gebezigd: „dat hi en horde no en sach"[12]. Het wonder van het droogvoets trekken der Israëlieten door de Roode Zee, is dezen dichter niet genoeg: van de Roode Zee maakt hij de Leverzee, dat wonderbaarlijk mengsel der elementen herinnerend aan den baaierd vóór de schepping, ergens ver weg in de geheimzinnige streken door den Heiligen BRANDAEN op zijne zwerftochten bezocht[13].
Uit het vroom gemoed van dezen kinderlijk onbevangen dichter die het leven van JEZUS zóó medeleeft, welt poëzie op telkens wanneer een deel van dat leven hem sterk ontroert. Zoo b.v. waar hij ons MARIA'S moederweelde schetst:
Sat Maria, ghinc se ochte stoet#, Sie custe dicke#haers kindes voet, Daer sijt in die wieghe leide ofte nam; Soe lanc soe meer tkint haer bequam#. Als tkint weende, haer was onsachte, Sie sweghet#minlike, soete ende sachte; Als tkint hadde honger ofte dorst, Sie gaf hem haer ghebenedide borst;Sine cleder waren altoos wit, Nieuwe gedweghen#, groot recht was dit; Sijn bat ne was no heet no cout, Met rechte was tkint sire moeder hout#. Maria herde wel dies wachte, Dat sine wieghe was scone ende sachte; At sie, dranc sie, al dat sie dede, Haer oghen volgden den kinde mede.
Hoe treffend aandoenlijk zijn ook die onschuldige kinderen, lachend tegen de blinkende zwaarden die hen in het volgend oogenblik zullen treffen:
Daer tkint sach blicken#tscarpe swert, Tkint loech ten mordenare wert.
Begrijpelijk is het in dezen dichter, dat hij telkens van het rustige-epische overgaat in het meer bewogen lyrische, dat zijn verhaal telkens overgaat in het lied. Wij meenen een oud Driekoningen-lied te hooren in:
Drie coninge woenden in Oriënt, D'een den anderen wel ghehent#. . . . . . . . . . . . . . . . Een werf#in ere avontstont Een clare sterre an den hemel stont. . . . . . . . . . . . . . . . . . . Sie lasen op, (sie lasen) nedere, Ter sterren si keerden wedere. . . . . . . . . . . . . . . . Een coninc vant ende las, Wat dat scone boekijn#was. Enz.
Zóó dikwijls (zeker een dozijn malen) keeren zulke op liederen gelijkende plaatsen terug, dat men, met het oog op het ontstaan van het epos uit liederen, zou gaan vermoeden dat ook hier bestaande liederen door den dichter tot een geheel zijn verenigd[14]. Doch al acht ik dit niet waarschijnlijk, voor zeker houd ik, dat het gedicht, ware het in beter toestand tot ons gekomen, dieper indruk op ons zou maken dan het nu reeds doet.
Indine deze kapel, door een vroom kunstenaar ter eere van zijnen Verlosser gesticht, eens ware ontdaan van den ombouw en het bijwerk waarmede een latere tijd haar heeft ontsierd, dan zou eerst duidelijk blijken, hoe oorspronkelijk van opvatting dit voortbrengsel van naïve kunst is en welk een bevallige eenvoud vele zijner deelen siert.
Niet van alle geestelijke poëzie, welke wij meenen te mogen brengen tot de 13deeew, kunnen wij aantoonen dat zijn ontstaan is uit eene terugwerking der ridderpoëzie. Trouwens, ook werken als hetLeven van Sinte LutgardeenVan den Levene ons Herenzijn natuurlijk niet voortgebracht louter uit begeerte om tegenover de ridderromans geestelijke poëzie te plaatsen. Ongetwijfeld ging de behoefte om zich te verdiepen in het eeuwige met die begeerte gepaard. Behoefte om zicht te verdiepen in het eeuwige en verlangen om het geestelijke welzijn der christelijke gemeente te bevorderen deden een aantal andere werken ontstaan, welke een geest ademen en eenkarakter vertoonen, tegenovergesteld aan den geest en het karakter der ridderpoëzie.
Hetzelfde handschrift uit de laatst der 13deeeuw, dat ons een fragment van het gedicht over JEZUS'leven bewaard heeft, bevat een aantal berijmde levensverhalen van heiligen:van sente Marie Egyptiake, van sente Eustaesse, van sente Aechte, van sente Caterine, van sente Waerneer[15].
Geen dezer werken heeft als literair kunstwerk veel te beteekenen. De meeste schijnen ongeveer 2700 verzen te hebben geteld en geven een eenvoudig kunsteloos verhaal van de lotgevallen der bovengenoemde heilige vrouwen en mannen. Waarschijnlijk zullen zij vertaald zijn uit het Latijn; ook het beroep op eene „scrifture" dat men in het levenvan sente Eustaessevindt, schijnt eene aanwijzing in die richting. De legende van S. WERNER berust op het in de middeleeuwen algemeen verbreid geloof aan een, jaarlijks door de Joden gebracht, offer van een Christenkind „wit#, blosende ende root."