BOEK II.

De drie stemmen die wij in het Eerste Boek hoorden: eerst achtereenvolgend, toen in de lyriek vereenigd en daarna in MAERLANT'S werk versmolten, vallen ook in het Tweede Boek te onderscheiden; doch in andere orde en verhouding.

De Stem der Gemeenten krijgt den boventoon en behoudt dien. Handel, nijverheid, landbouw, de maatschappelijke toestanden hebben zich ontwikkeld en die ontwikkeling is vooral ten goede gekomen aan de gemeenten, is zichtbaar vooral in de door hen gestichte steden.

De adel is er nog en zet het oude leven gedeeltelijk voort, den oorlog afwisselend met feesten, tournooien, jacht en galanten omgang. Vooral de Geldersche adel onderscheidt zich in dit opzicht. WILLEM VAN GULIK, hertog van Gelderland, wordt door FROISSARD telkens met lof vermeld. Hij doet, evenals vóór hem graaf WILLEM IV van Holland, een krijgstocht tegen de ongeloovigen in het Oosten van Duitschland, wordt gevangen gehouden op een slot in Pommeren, doet een inval in Brabant, voert een bloedigen strijd om Grave en wordt eerst door een Fransch leger tot staan gebracht. Maar de uitvinding der vuurwapenen en de instelling van huurtroepen bedreigen den adel in zijn bestaan[1]. Feestvieren kunnen zij nog wel; de hoogsten gaan hun daarin voor. De graven van Holland komen nietzelden in de hoog-adellijke en rijke abdij van Rijnsburg, hetzij met een sleep van baronnen, hetzij met klein „gezinde" om er te ontbijten of het noenmaal te houden. Aan spijs en drank behoefde het niet te ontbreken: soms werden 18 kapoenen en een aam rijnwijn vooruitgezonden. Daarna ging men „haar met haar en veer met veer" jagen in den Haarlemmerhout en 's avonds dansen met de edele jonkvrouwen[2]. In den Haarlemmerhout kon men ook wel eens een ander machtig edelman vinden, graaf JAN VAN BLOIS, ter jacht met de gravinne van Holland. Ook in Brabant kon men hem vinden aan het „jagen en vliegen" met een groot aantal edelen en edelvrouwen of aan een grooten avondmaaltijd in het Katrijnen-klooster te Utrecht, waar meer dan honderd edele gasten aanzaten[3].

Een edelman die in botsing kwam met de steden kreeg soms een gevoelige les: ZWEDER VAN VOORST ondervond het in zijn strijd tegen de steden van het Oversticht en hun heer den Bisschop, al zat hij ook achter muren die tachtig voet hoog en twaalf voet dik waren. Het sterke kasteel Gaesbeek in Brabant, toebehoorend aan Heer ZWEDER VAN ABCOUDE, werd door de Brabantsche en Luiksche burgerijen ingenomen en geslecht[4].

Zijne verwoeste kasteelen kon de adel wel opbouwen, niet zijne verloren idealen herwinnen. En vooral daardoor, meer dan door vuurwapenen en huurtroepen, is de adel gedaald van het vroegere standpunt. JAN BOENDALE, de schrandere schepenklerk van Antwerpen, zag het wel, toen hij in zijnLekenspieghelzeide: „vroeger, toen de edelen ouder gewoonte nog buiten woonden en onderling huwelijken sloten, hielden zij den adel hoog en waren edelen met eere; doch sedert zij om der wille van het geld naar de steden zijn getrokken, heeft hebzucht de schuldelooze edelheid onder de voet geworpen. Zal zij ooit weer opstaan? Vroeger was het edele wapenspel in zwang en gang, hetzij in het Heilige Land, hetzij in de grenslanden—nu heeft het afgedaan: schatten, weelde, gemak, dat is wat de adel begeert. Het edele, ingetogen leven wordt in den lande niet meer gezien[5]."

Anders dan met den adel stond het met de geestelijkheid. Ja, ook daar zag men ten deele de toestanden van vroeger. Te Rijnsburg kwamen niet alleen de Hollandsche graven, maar ook de abten van Egmond, die er met hun gevolg eenige dagen „joleuslyck" werden onthaald. Strijdbare geestelijken vinden wij ook nu: in dien bisschop van Luik, ADOLF VAN DER MARCK, die, omzwermd van pijlen en steenen, zijne troepen leidt tot een stormaanval op sterke burchten; in dien geestelijke uit het Groningsche klooster Aduard, die, gereed de mis op te dragen, bij een aanval op het klooster zijn priesterkleed afwerpt, naar buiten stormt en in den strijd sneuvelt[6].

Doch naast of liever tegenover zulke geestelijken stonden andere, die, zonder zich met de wereld in te laten meer dan noodig was, eenvoudig hun plicht deden, of, de wegen der mystiek volgend, ingekeerd tot zich zelven, de diepten der eigen ziel trachtten te peilen en te verkennen.

Het zelfgevoel der burgerijen, dat zich zoo krachtig deed gelden tegenover den adel, verloochent zich ook niet tegenover de geestelijken. Niemand heeft dat deel van het aangroeiend zelfgevoel beter vertolkt dan diezelfde BOENDALE, dien wij zoo even over den adel hoorden spreken. In zijneTeestye#durft hij zeggen:

Du leec man en ontsie di niet, Dat paepscap en es sekerre#niet Hemelrijx dan du bes: Die best leeft, best es. Al predect tpaepscap Gods woert,Ende haer theologie bringt voert, Ende du sits daer voer hare voete, Du best lichte also soete Ende also weert voer d' anscijn Ons Heren Als si sijn die di leren; Want clergye sonder goet leven En can ghene salecheyt gheven. Hets beter een doghet allene Dan alle phylosophye ghemene#. Al eest oec dat si di biechten Ende dine ziele verlichten Ende van dinen sonden ontladen daer, Du best lichte also claer Oft claerre#voer Gode dan hi, Die daer absolveert di[7].

En hierbij laat deze wakkere „scepenclerc" het niet. Een volgend hoofdstuk brengt: „van den papen noch meer". Kwam Gods Zoon nu op aarde en dorst hij den priesters de waarheid zeggen, hunne gebreken onder het oog brengen, het volk tot zich en van hen af trekken—zij zouden „te zamen raad tegen hem houden, hoe zij hem dooden mochten", gelijk de Farizeën weleer. Zij verkoopen het volk aflaat van zonden; zelf koopen zij dien niet, al hebben zij hem evenzeer noodig. In het sermoen zoekt men hen te vergeefs, al zou het voor hen evenveel vrucht dragen als voor de leeken. BOENDALE zegt later, dat hij der papen vriend is

Maer dat si mesdoen, dats mi leet;

hij zal in die uitspraak zeker oprecht zijn geweest, doch van zulke vrienden was de meerderheid der priesters niet gediend. Al te welig schoot hier het zaad op, met volle hand gestrooiddoor „JACOB, die dichter hoghe", wiens beeld zijn navolger hier blijkbaar voor den geest stond. En het zou nog erger worden voor de priesters, geloofde BOENDALE. Uit oude profetieën had hij vernomen:

Dat men noch zal die papen jaghen Ende die Kerke doghen#sal, Ende bider papen ghebreke al, ... ... Maer en sal niet dueren langhe Si en selen te payse comen weder Ende haer ghierecheit#legghen neder Ende andre onnutte seden Ende hem bat hoeden dan si deden Ende men sal hem meer eeren doen Dan noyt te voren was gheploen#.

Hoe zullen in latere dagen Hervorming en Tegenhervorming, en ook de geschiedenis van onzen tijd, deze profetieën op ongedachte wijze vervullen! Dat heeft BOENDALE niet kunnen voorzien, doch de fakkel der waarheid, hem door MAERLANT'S hand toegereikt, heeft hij op zijne beurt overgegeven aan wie na hem kwamen.

Oefende de geestelijkheid aldus door doen en laten invloed op de ontwikkeling der geestelijke zelfstandigheid van deze volken, ook de adel, al geraakte hij in de minderheid, deed zijn invloed op de gemeenten gelden. Doch deze invloed was van anderen aard. Het beginsel der navolging dat zich ook in het maatschappelijk leven zoo krachtig openbaart, had langzamerhand uit de bovenste lagen der gemeentenaren een patriciaat gevormd, verwant met den adel, naar den bloede door huwelijken, naar den geest, door leefwijze en levensopvatting.Dat waren de oude geslachten der vermogende kooplieden en grondbezitters, de stedelijke aristocratieën, die nog in het laatst der 13deeeuw de leiders of meesters der gemeenten waren. Zij zochten den adel te evenaren in uiterlijken glans, in vertoon van pracht en praal, in beschaving en fijnheid van vormen. Zij streefden naar hetgeen de adel nooit had kunnen bereiken: heerschende stand te zijn. Een tijd lang gelukte hun dat, doch reeds de eerste helft der 14deeeuw bracht een omkeer in hun toestand. De handwerkslieden, in Noord en Zuid vereenigd tot gilden die al machtiger werden, stelden zich onder hunne Dekens tegenover de „geslachten" en eischten deel aan de regeering van stad en land. Overal zien wij deze democratische woeling en strijd der partijen. Doch de zege blijft aan de gilden. JACOB VAN ARTEVELDE bezorgt hun in Gent de overwinning; ook elders in Zuid-Nederland en in het Noorden, in steden als Dordt, Leiden, Utrecht, Zwolle zien wij deze verplaatsing van het overwicht[8]. Eene nieuwe laag der bevolking komt op ruimer schaal dan vroeger deelnemen aan en invloed oefenen op het volksleven in al zijne uitingen.

Ook onder de lagere standen ontwaken het zelfgevoel en de begeerte om hoogerop te komen:

Die huusman#volcht den heren naer, Om schout te wesen ofte baeliu,

zegt WlLLEM VAN HlLLEGAERTSBERCH[9].

In een stuk van een onbekend dichter uit dezen tijd zien wij, hoe de titelzucht ook toen reeds de burgerij had bevangen.

De neiging tot een titel, door MAERLANT in zijnAlexanderterloops gehekeld bij de meisjes uit het volk, is blijkbaar zoo sterk geworden dat een ander dichter er een gansch gedicht aan wijdt, getiteldVan dat die liede sijn gherne geheten joncfrou. Wij lezen daar o.a.:

Heile, Griete, Lise oft Calle, heten nu joncfrou alle! Al hadde haer moeder warmoes vercocht, oft liede gebeden ter bruloft, oft te like gebeden#vrouwen, oft ael#oft bier gebrouwen, natten geknocht#oft huven, hoenre vercocht ende duven—, Si souden joncfrou willen sijn.

Een van deze dames, die door den dichter wordt begroet metvrouwe, kijkt op hem neer zoo trotsch

Als ene hinne op enen pier![10]

BOENDALE keurde deze gansche volksbeweging af; dat de „heeren" moesten wijken voor schoenmakers, volders, wevers, slagers en dergelijken—het was voor hem „de verkeerde wereld"[11]. Doch vruchteloos heeft hij zich met deze nabetrachting tegen den stroom gekant; hij heeft dien niet kunnen keeren.

Al gelooft men niet dat het toentertijd in de Nederlanden de verkeerde wereld was, men kan daarom toch wel erkennen dat er in die wereld veel verkeerds was. De vroegere onkunde begon weliswaar te wijken voor den invloed, die uitging van kapittel- en kloosterscholen, van parochie- en bijzondere scholen; de kunsten van lezen, schrijven en rekenen begonnen zich langzamerhand te verbreiden; de volslagen onwetendheid van vroeger ziet men nog vooral onder de boeren, die zelfs niet weten hoe oud zij en hunne kinderen zijn. Maar de wilde zinnelijkheid van deze krachtige jonge volken laat zich even bezwaarlijk teugelen als in een vroeger tijdvak. Dat zij behagen schepten in lichaamsoefeningen: naar den papegaai schieten,kaatsen en andere spelen, dat kon men slechts loven; minder prijselijk was hun lust tot dobbelen met teerlingen, hun dansen, reien en springen in de kroegen op heilige dagen.

Welk een ruwheid overal! Lieden, die in de kerken nog wel een vrijplaats gevonden hadden, ontzien zich niet de banken af te breken om er vuren van te stoken, er te dobbelen, te twisten en ontucht te plegen. Het schenden van heiligenbeelden en van het plaveisel in de Lievevrouwen-kerk te Dordrecht was niet zeldzaam. In de kerken wordt ook onder den dienst getwist en gekeven; ook soms tusschen priesters en leeken, zoodat de vuist en de wijkwast te werk gesteld worden. De leden van den Raad te Kampen gaan elkander in het Rechthuis te lijf.

De strafregisters van dezen tijd zijn rijk voorzien, ook rijk aan afwisseling. CLAES MEYNSEN ZOON wordt gestraft, omdat hij de sluis van NANNE MODDE heeft opengezet, zoodat NANNE'S land is ondergeloopen. LAMMEKIJN DE WEVER, omdat hij een stomme heeft mishandeld en willen dwingen tot spreken. NANNE LUTART, omdat hij een brouwsel bier van JACOB, ALIDE'S ZOON, heeft bedorven, door er een dood varken in te gooien. GERRIT DE DUIVEL en tal van anderen, omdat zij een mes hebben getrokken. Zekere CAMERMAN wegens het toebrengen van een vuistslag bij nacht (die waren tweemaal duurder dan de overdagsche)[12]. Talrijk zijn de boeten, opgelegd aan gehuwde mannen en vrouwen, die leven met andere vrouwen en mannen. Vrouwenschennis en schaking waren niet zeldzaam. De rekeningen van het bisdom Utrecht bevatten talrijke posten „de fornicacione", „de adulterio" en „de duplici adulterio"[13].

Al deze ruwheid van zeden en grofheid van uitspattingen mogen niet vooral op rekening der opkomende democratie worden geschoven. De hoogere standen bezaten meer uiterlijke verfijning, dan de lagere; doch vaak was die slechts een vernisje, waar de oorspronkelijke ruwheid op menige plek doorheen schemerde. Wanneer eene aanzienlijke edelvrouw als YOLENTE COURTROISIN, uit het geslacht der kasteleinen van Kortrijk, zich zóó ver vergeten kon, dat zij een baljuw in de uitoefening zijner bediening grovelijk beleedigde en met een stok mishandelde; wanneer de kanonniken der hofkapel te 's-Gravenhage elkaar niet zelden in het koor bespotten, scholden, stootten en sloegen—dan kan de beschaving onder den adel over het algemeen geen hoogen trap hebben bereikt[14].

De Overheid trachtte de brooddronkenheid, bandeloosheid en ontucht met wetten te keeren en te betoomen. In Vlaanderen en Brabant werden wetten uitgevaardigd tegen de weelde. Brussel bezat reeds in de tweede helft der 14deeeuw tuchthuizen, „goede vaste ghyoelen", „omme de wilde joncheit te bat in bedwange te houden". De straffen blijven nog altijd zwaar en ten deele barbaarsch. In Deventer worden in 1344 vrouwen levend begraven. Een valsche wijbisschop wordt in 1392 te Utrecht veroordeeld om levend gekookt te worden in een onder het schavot geplaatsten ketel. Bij wijze van gratie wordt hij uit den ketel getild en onthoofd[15]. Naar het schijnt, werd deze laatste straf slechts zelden toegepast; doch er waren zoovele andere gruwzame straffen, dat onze algemeene indruk daardoor weinig gewijzigd wordt.

Die straffen strookten met die tijden: tijden van groote ruwheid ja, maar ook van groote, van ontzagwekkende kracht. Welk een taaie kracht was er in die Friezen, die telkens de aanvallen der machtige Hollandsche graven afslaan en onder wier slagen de bloem van den Hollandschen en Henegouwschen adel bezwijkt; in die Vlamingen ook die den slag bij Kortrijk wonnen; in al die weerbare burgerijen, verplicht en gereed hunne stad te bewaken en te verdedigen.

Welk eene volksweerbaarheid, welk eene volkskracht!

Die volkskracht gaat zich openbaren in eene aanwassende verscheidenheid van vormen en gestalten. Er komt werking in de massa's; hier en daar gaat zich het bijzondere losmaken van het algemeene, de enkeling zich onderscheiden van den stand waartoe hij behoort. Bij adel en geestelijkheid was dat reeds vroeger eenigermate het geval geweest; nu ziet men dat verschijnsel ook onder de gemeentenaren. Het is geen toeval dat wij juist uit dezen tijd verscheidene hunner leiders of aanvoerders bij name kennen: NICOLAAS ZANNEKIJN, JAN BREYDEL en PIETER DE CONINC; JACOB VAN ARTEVELDE met zijne beide medestanders: PIETER VAN DEN BOSSCHE en FRANS ACKERMAN; JOHAN YOENS; PETER COUTEREEL, „de Brabantsche ARTEVELDE"[16]. In de Noordelijke landen, die in algemeene ontwikkeling bij de Zuidelijke achterstonden, kunnen wij niet zulk een aantal namen van beteekenis aanwijzen.

Het bijzondere zich losmakend van het algemeene, dat verschijnsel meenen wij te kunnen opmerken ook op kleiner schaal: de verhouding van den eenling tot de maagschap. Niet alsof de maagschap hare beteekenis geheel zou hebben verloren! In eene oude vertaling van FROISSART'S kroniek lezen wij van eene bloedveete tusschen een paar geslachten van rijke „schippers" (reeders) te Damme uit het laatst der 14deeeuw in deze woorden: „Wair was dat, voir dien tijt van oudts, binnen der stede van den Damme, een dootlijc oirloge gestaen hadde twischen twee rijke mannen, scipperen aldair, met horen magen an beyden sijden, dairaf die een geheten was JAN PIER ende die ander JAN BAIRDE, bij welken oirloge onderlinge van horen magen doit gebleven wairen wail tot CXVIII pereonen toe, van welker eenre pertije GIJSBERT MAHIEU ende sine bruederen mage waren, ende JAN LIJON was maech van der ander zijde. Welken hate ende nijde aldus bedect gedragen wert ende van langen tijt opgevoet twischen desen JAN ende GIJSBERT, hoewailsij te samen spraken, aten ende dronken, alst so diende te samen of te punte quam, mer altijt lach desen hate den Mahijewelingeren veel felre ende duenre#int herte dan dat JAN LIJON dede"[17].

In een gedicht uit dezen tijd wordt gesproken van „buten maghen in ellenden" te wonen[18]; daar loopt een der wegen, waarlangs het woordellendedat oorspronkelijk:ander landbeteekende, aan zijne overdrachtelijke beteekenis gekomen is.

Maar er zijn toch teekenen die op eene aanstaande kentering in dezen schijnen te wijzen. Sprekend over de moordenaars van Graaf FLORIS, zegt MELIS STOKE:

Dat dese verraders hebben ghelaten Den maghen verwijt: si moghense haten.

Hier wordt de verantwoordelijkheid der magen voor de daden van één hunner erkend. Doch onmiddellijk daarop lezen wij:

Nochtan so nes niement vroeder#, De dat verwijt iement goeder, Dat sijn maech hevet misdaen[19].

De Antwerpsche stadssecretaris JAN BOENDALE stelt in zijnLekenspieghelde vraag: of men magen en vrienden moet helpen en ondersteunen. Een wijs meester antwoordt daarop: ja, indien uwe magen arm zijn, in het ongeluk geraakt en brave menschen. Doch zijn zij dwaas en slecht, doorbrengers of deugnieten, laat ze dan links liggen; 't is toch boter aan de galg gesmeerd[20].

Deze Zuidnederlander durft al heel wat verder gaan dan de Hollander STOKE; maar ook hier zal het Noorden het Zuiden volgen.

In een merkwaardig stukVan drierehande lydenheeft de Noordnederlandsche dichter WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCHons een man geschetst, wien het slecht vergaat, omdat hij zich van zijne magen afzondert. Hij is trotsch als een baron, hoewel hij slechts „maet van goede" is. Zijne magen ergeren zich daaraan, maar hij geeft niet om hun raad. Nu moet hij alleen zijn weg gaan en dat bekomt hem slecht:

Misdede ic yet, ic wort ghesleghen, Ic most den menighen verdreghen Entaer toe lyden mit hem allen. Soe wye sijn maghen worden tieghen, Die moet van des ghelijcke pleghen, Hem sel veel te lyden vallen[21].

Het is waar dat HILLEGAERTSBERCH hier waarschuwt tegen het losmaken van den band der maagschap, doch uit die waarschuwing zelve blijkt, dat de dichter dezen nieuwen trek in het volksleven had opgemerkt en gewichtig genoeg achtte om er de aandacht van zijn publiek op te vestigen.

Verwant met dezen trek is het individualisme, dat zich, zij het slechts op een paar plaatsen, in de keuze der kleeding openbaart. De hekeldichter JAN DE WEERT deelt ons in zijnNieuwe Doctrinaelmede:

Elc wil draghen of hebben dat niemen En heeft of draghet, can hijt gheraken[22].

en de auteur van een ander 14de-eeuwsch leerdichtSpiegel der Zondenzegt evenzoo:

Elk zoect om vremde ghedane In zinen clederen....[23].

Dit individualisme, zich nu nog maar openbarend in iets uiterlijks, zullen wij gaandeweg, doch uiterst langzaam, zich zien ontwikkelen in een later tijdvak.

[Voetnoot1: Vgl. BLOK,Gesch. v.h. Ned. Volk, II, 24 vlgg., 222.]

[Voetnoot2: SCHOTEL,Abdij van Rijnsburg, bl. 90–92.]

[Voetnoot3: DE LANGE VAN WIJNGAARDEN,Gesch. van Gouda, I, 137, 141, 154. BUSKEN HUET geeft een aardig beeld van Graaf JAN in zijn handel en wandel in Deel I vanHet Land van Rembrand.]

[Voetnoot4: BLOK a.w. II, 42–3, 165–6.]

[Voetnoot5: A.w.B. III, c. 26.]

[Voetnoot6: SCHOTEL,Abdij van Rijnsburg, bl. 76; PIRENNE a.w. II, 20;Bijdr. en Meded. v.h. Histor. Gen., XXIII, 60.]

[Voetnoot7: A.w. (ed. SNELLAERT inNederl. Gedichten uit de veertiende eeuw), bl. 252.]

[Voetnoot8: Vgl. hierover VANDERKINDERE'SSiècle des Arteveldeo.a. p. 185, 112, 126–130; BLOK a.w. II, 8 vlgg.; PlRENNE a.w. II, 407; S. MULLER FZ. inDe Gidsvan 1897 (Juni).]

[Voetnoot9:Ged., bl. 211, vs. 344–5.]

[Voetnoot10:Vad. Mus., I, 76.]

[Voetnoot11: In zijneBrabantsche Yeesten, V, 415 vlgg.]

[Voetnoot12: Vgl.Siècle des Artevelde; het „papegoy schieten" ao1361 in deCameraars-Rek., III1, p. 15;Nieuwe Doctrinael, 793–5, 1720–4; EBBINGE WUBBEN,Over Mnl. Vertalingen van het O.T., p. 105 (ao1360). Mr. S. MULLER FZ.,Registers en Rekeningen van het Bisdom Utrecht, I, 481, 488, 467 vlgg., 474–5.]

[Voetnoot13:Siècle des Art.p. 404; ROBERT FRUIN'SVerspr. Geschr., I, 155; MULLER,Reg. en Rek., I, 480; 527 vlgg.]

[Voetnoot14: Vgl.Siècle des Art., p. 260; CANNAERT,Bijdragen tot de kennis van het oude strafrecht, bl. 69; MOLL a.w. II, 4, bl. 146–7.]

[Voetnoot15:Belg. Mus., X, 104 vlgg.;Cam.-Rek., I, 134, 199;Oud-Utrechtsche Vertellingendoor Mr. S. MULLER FZ., bl. 43.]

[Voetnoot16: PlRENNE a.w. II, 33.]

[Voetnoot17:Jehan Froissarts Cronycke van Vlaenderenin de vertaling van GERRIT POTTER VAN DER LOO (ed. N. DE PAUW), p. 5.]

[Voetnoot18:Cyromanchie van den pape van den Hammein N. DE PAUW'SMnl. Ged., I, 270.]

[Voetnoot19: IV, 1305-'9.]

[Voetnoot20: A.w.B. III, c. 22.]

[Voetnoot21:Gedichten, bl. 127, no. 66.]

[Voetnoot22: Vs. 859–860.]

[Voetnoot23: Vs. 11605 vlgg.]

[Voetnoot *: Voor de tijdsbepaling vgl. de Aanteekeningen achter dit hoofdstuk.]

1. Baerte metten breden voeten, Ridder metten Zwane, Cassamus, Loyhier ende Malaert, Borchgravinne van Vergy.

2. Ogier, Malegijs, Huge van Bordeeus, Valentijn en Nameloos.

3. Borchgrave van Couchi. Seghelijn van Jerusalem.

De ontwikkeling van het ridderwezen spiegelt zich af in die der ridderpoëzie. Voor een deel wordt het oude leven ook hier voortgezet: er wordt, als vroeger, vertaald uit het Fransch; als vroeger zelfstandige bewerkingen van in het Fransch bewerkte stoffen gegeven; als vroeger oorspronkelijke romans—voorzoover daarvan hier sprake kan zijn—samengesteld. Er is echter verschil op te merken in dit opzicht: de aanwas van zelfstandigheid onder deze volken openbaart zich hierin, dat het aantal vertaalde werken geringer is dan dat der zelfstandig bewerkte.

Vertaald werden de romans:van Baerte metten breden voeten,de Ridder metten Zwane,Cassamus,Loyhier ende Malaertende Borchgravinne van Vergy; de laatste zelfs in twee bewerkingen. Van denLoyhier ende Malaert, die waarschijnlijk uit het Fransch vertaald is, kan kan men echter geen Fransch origineel aanwijzen. Van de twee eerstgenoemde werken hebben wij slechts onbeteekenende, van de twee volgende grootere fragmenten over; het laatstgenoemde werk is tot ons gekomen in eene volledige en eene onvolledige bewerking[1].

Zelfstandige bewerkingen van poëtische stoffen, ook door Fransche dichters behandeld, doch kwalijk als vertalingen te beschouwen, brengen ons de romansvan Ogier,van Malegijs,van Huge van Bordeeusenvan Valentijn en Nameloos, alle in fragmentarischen toestand tot ons gekomen. In hoever ook deLoyhier en Malaerttot deze groep kan worden gebracht, is moeilijk uit te maken, zoolang wij het Fransch origineel niet bezitten[2].

De romansVan den borchgrave van Couchienvan Seghelijn van Jerusalemeindelijk mag men onder voorbehoud oorspronkelijke werken noemen[3].

Het eerste der hier genoemde werken geeft reeds dadelijk een denkbeeld van hetgeen ons in de overige wacht.

BERTE „metten breden voeten" is de dochter van FLORIS en BLANCEFLEUR en huwt koning PEPIJN van Frankrijk. Eene dienstmaagd MARGISTE doet hare dochter ALISTE BERTE'S plaats in het bruiloftsbed innemen. BERTE wordt na eene valsche beschuldiging ter dood veroordeeld. Zij brengt er het leven af, zwerft rond in de bosschen, komt bij den „foreestier" SYMON en blijft daar, totdat zij door den koning wordt teruggevonden en in eere hersteld. Later wordt zij moeder van KAREL DEN GROOTE. Door dit werk toont ADENET LE ROI zich in zijn karakter van „remanieur"; aanknoopend bij een vroeger literair werk eenerzijds, bij de persoonlijkheid van CHARLEMAGNE anderzijds, tracht hij door eene verwarrende veelheid van avonturen de aandacht te prikkelen.

LOYHIER, in den roman van dien naam, wordt ons voorgesteld als een zoon van CHARLEMAGNE. Hij is een middeleeuwsche Don Juan. Op aandringen der hooge edelen van het hof verbannen, trekt hij met zijn trouwen vriend MALAERT naar het Oosten, wordt keizer van Constantinopel en beleeft nog tal van avonturen. De roman vanden Ridder met den Zwaanis eenepoging om de eigenlijke geschiedenis van den Zwaanridder HELIAS te verbinden met die van GODFRIED VAN BOUILLON. De onbeduidende fragmenten, die wij van de Dietsche bewerking over hebben, verplaatsen ons naar een schitterende wapenschouwing over GODFRIED'S vazallen, die indruk moest maken op de toehoorders als op den Sarraceenschen koning CORNUBRANT, die haar vermomd bijwoont. DeCassamusbehelst eene der bewerkingen van deAlexander-sageen spreekt vooral van hoofschheid en van minne. DeBorchgravinne van Vergyis een bevallig maar droef verhaal van de liefdesbetrekking tusschen deze edelvrouw en een Bourgondisch ridder, op wien ook de hertogin van Bourgondië verliefd is. De ijverzuchtige hertogin brengt eerst de burggravin, daarna den ridder tot zelfmoord en wordt zelve met den dood gestraft door haren gemaal, die dan als Tempelridder naar Palestina trekt. Deze berijmde novelle vormt den overgang tusschen den ridderroman en de riddersproke.

De sage van OGIER, een der dappere „genooten" van KAREL DEN GROOTE, was hier te lande waarschijnlijk reeds vroeg behandeld. Men mag dat vermoeden op grond eener vermelding inVan den Levene ons Heren(vs. 10). Doch het is weinig waarschijnlijk dat daar gedoeld wordt op deze Dietsche bewerking, die niet terug te brengen is tot een der bekende Fransche bewerkingen. Zoo hebben ook deMalegijs, deHuge van Bordeeusen deValentyn en Nameloosmet de Fransche bewerkingen dier stoffen weinig meer gemeen dan eenige namen en voorname feiten. MALEGIJS is de uit den roman vande Heemskinderenbekende toovenaar; HUGE VAN BORDEEUS: een leenman van CHARLEMAGNE, die onwetend des keizers zoon doodt, daarvoor gestraft wordt met de opdracht om den baard en vier tanden van den soudaan van Babyion te gaan halen en allerlei avonturen gelukkig te boven komt door hulp vanden tooverkoning OBERON.Valentyn en Nameloosbehelst eene bewerking der zelfde sage, die in het latere Fransche volksboek van VALENTIJN en OURSON wordt gevonden: de talrijke bonte avonturen van een broederpaar, jong gescheiden, waarvan de een door eene berin (wolvin) gezoogd is en door den ander, een volmaakt ridder, overwonnen wordt, waarna zij als wapenbroeders de wereld rondtrekken. VALENTIJN wordt ten slotte koning van Frankrijk, NAMELOOS koning van Hongarije.

Het verhaalvan den Borchgrave van Couchibehandelt voornamelijk COUCHI'S liefde tot BEATRIJS, echtgenoote van den Heer van Famweel en zijn strijd met den bastaard MASEBROUC om het land van Ardennen. Meer dan eens ook worden wij verplaatst aan het hof van koning KAREL DEN KALE, tot wiens vazallen COUCHI behoort.

SEGHELIJN van Jeruzalem eindelijk is de zoon van een heidensch vorst; zijne moeder heet BLANSEFLEUR. Hij wordt opgevoed door een visscher, helpt CONSTANTIJN DEN GROOTE de overwinning behalen, huwt diens dochter FLORETTE, wordt keizer van Rome en later paus. Vóór dien tijd heeft hij de gelegenheid waargenomen bij zeven koninginnen de latere zeven vroeden van Rome te verwekken; op deze wijze—natuurlijker en eenvoudiger kon het niet!—heeft de dichter, zekere LOY LATEWAERT, zijn werk verbonden met den naar de Zeven Vroeden genoemden roman.

Vergelijken wij deze ridderpoëzie met die uit ons Eerste Boek, dan blijkt wel dat wij van verval mogen spreken.

Daar was nog gevoel voor het ridderwezen in zijn idealisme, zijn heroïsme, zijne fijnheid van omgangsvormen; hier is daarvan weinig of niets over. Zeker, ook het dorperlijke en onaesthetische vertoont zich daar, doch tegenover die schaduw is er vrij wat licht. Maar hier? Wat is er geworden van het gevoelvoor het ridderwezen, van de ridderlijke idealen? Ja, er wordt nog gestreden ook tegen de heidenen, maar de bezieling is verdwenen. Avonturen en nog eens avonturen, wonderen het een nog wonderbaarlijker dan het andere, moeten dat gemis vergoeden. DeLimborchen deFlandrijs, die wij in het Tusschenspel leerden kennen, mogen in dit opzicht beschouwd worden als schakels tusschen de oudere en de jongere ridderpoëzie.

Staaltjes van gemis aan ridderlijk gevoel, dorperlijke opvatting, die wij vroeger slechts hier en daar vonden, zijn hier maar al te rijkelijk aanwezig. In geen der vroegere werken wordt het ridderwezen door lage boert en platte grappen zoo naar beneden gehaald en onteerd als hier niet zelden geschiedt. In het gedichtvan den Grimbergschen Oorlogdat wij in hetTusschenspeleven vermeldden, moedigt Heer ARNOUT VAN OYENBRUGGE de zijnen aan door hen indachtig te maken dat zij in hun eigen land zijn, de vijand daarentegen op vreemd gebied moet strijden. Hij bedient zich daarbij van deze vergelijking: een hond durft op zijn eigen mesthoop veel beter dan een vreemde. Elders in dat gedicht lezen wij, dat een schild wordt gekloofd als een raap[4]. Den dapperen OGIER laat men struikelen over erwten, om hem zoo ten val te brengen[5]. In deCouchiwordt eene veete bij een zwerende puist vergeleken. Ridder SEGHELIJN zegt van zich zelven:

Ende so ic ben een quade sprute, So moet die pust breken ute.

Zijn ros Glorifier eet gebraden kapoenen. Als het dan staat te likkebaarden, zegt zijn meester lachend tot het ros: dat is uwe ouders nooit gebeurd, maar gij verdient het wel!" Nadat SEGHELIJN vijftien jaar lang gevangen heeft gezeten op water en brood in een donker hol, doet God een wonder aan hem:nu ziet hij er weer zoo goed uit, „alsof hij zich had liggen mesten"[6].

Maar deMalegijsspant hier de kroon.

MALEGIJS doet door zijne tooverkunsten een aantal ridders naakt een rondedans uitvoeren en later onder groot gelach der omstanders op den grond tuimelen; de dwerg SPYËT vermaakt zich daar kostelijk mede en geeft den raad om ze als vogelverschrikkers in het koren te zetten. MALEGIJS' oom, meester YVERT, lacht als REINAERT: „mi dochte dat ic spleet". Beyaert, het edele ros der Heemskinderen, wordt door MALEGIJS voor een kar met wijn gespannen. Dat was erger dan, met molensteenen aan de pooten, in de Oise verdronken te worden! ROELANT spreekt smalend tot CHARLEMAGNE over diens „grote coenheide"; gaat gij ons voor in het gevecht, zegt ROELANT, dan vechten wij mee; maar vlucht gij, dan vluchten wij ook[7].

Evenals deLimborchen deFlandrijszijn ook deze werken slechts voor een gering deel uit het leven ontstaan, doch grootendeels uit herinneringen aan wat de vervaardigers elders gehoord of gelezen hadden.

DeSeghelijnis op-en-top een compilatie; vele bewijzen daarvan zijn reeds vroeger bekend gemaakt en zij kunnen nog vermeerderd worden; ook met denHuge van Bordeeusen denValentijn en Nameloosis dat het geval. In de overige werken kunnen wij eveneens telkens namen of toestanden aantreffen die reeds in vroegere werken worden gevonden en het beroep op „ouden jeesten" in den roman vanCouchibegrijpelijk maken[8].

Doch waarin ook de ridderpoëzie van dezen tijd moge achterstaan bij die van een vroeger tijdperk, niet in stichtelijkheid. In de onderscheidene fragmenten vanValentijn en Nameloosen in denMalegijsvertoonen zich telkens godsdienstige of op godsdienstigheid gelijkende invoegsels. De voltooier van het gedicht op den Grimbergschen Oorlog betreurt het zelfs,dat deze strijd gevoerd is tusschen Christenridders: hadden zij gezamenlijk de Sarracenen bestreden, zegt hij, dan zouden wij hen mogen prijzen. Aan het slot van zijn werk richt hij tot den edelman, voor wien het werk bestemd was, een bespiegeling over de broosheid des levens en een waarschuwing, dat hij rekenschap zal moeten afleggen van zijn doen en laten[9]. Maar eerst in denSeghelijnviert de stichtelijkheid hoogtij! Allerlei wonderen worden verricht door onderscheidene reliquieën van CHRISTUS: den geesel, het „vergulde vat", waar JEZUS azijn met gal gemengd uit dronk, de doornenkroon en de spijkers van het kruis. De gebeden zijn hier uitermate lang; andere stichtelijke passages niet zeldzaam. Als SEGHELIJN honger heeft, daalt een soort manna voor hem uit den hemel. Op zijn wensch krijgt dat brood daarna den smaak van een kapoen en later zelfs van wijn. De stichtelijkheid komt hier gevaarlijk dicht bij het sprookje van „tafeltje dek je"! SEGHELIJN zelf wordt als een soort van Graalridder voorgesteld: als hij nadert laat een geesel met vijf knoopen, waarmede JEZUS gegeeseld is, droppels bloed vallen; zelfs de speer uit de Graal-sage wordt hij waardig gekeurd[10].

Wel strooken met deze begeerte tot stichten de vermaningen en moralisaties, die in denOgierzijn gevlochten, en het didactisch element in dat werk en denSeghelijn. In den laatsten roman vinden wij een tooneel, waar de held door zijne moeder BLENSEFLUER gekust wordt. Verraders, die de verhouding der koningin tot den jongeling niet kennen, beschuldigen SEGHELIJN in des konings tegenwoordigheid van ongeoorloofde verstandhouding met de koningin. „Schurk," zegt SEGHELIJN, „men omhelst en kust elkander dikwijls in eer en deugd. Wat overigens de kussen betreft, er zijn vier soorten: „van moeder, van lieve, van peise en van grieve." Deze scholastieke indeeling en de elders voorkomende „questiën"met de daarbij behoorende antwoorden verplaatsen ons naar het trivium en het onderwijs in de dialectiek.

Het geringe gevoel voor de ridderlijke idealen, de neiging tot stichtelijkheid en didactiek hebben reeds het vermoeden kunnen wekken, dat de literaire waarde dezer werken niet groot zal zijn. Het compilatorisch karakter alleen zou voor dat vermoeden te weinig grond geven; want ook al heeft men dat vastgesteld, dan blijft altijd nog ter beantwoording deze vraag: Wat hebben de dichters van de door hen ontleende stoffen gemaakt?

Maar ook op die vraag kan men bezwaarlijk anders antwoorden dan: weinig moois of verdienstelijks. DeCassamusen vooral deBorchgravinne van Vergyzijn vloeiend, hier en daar bevallig, vertaald; doch naar het schijnt hebben deze vertalingen overigens weinig eigens. De meer zelfstandige werken verheffen zich soms tenauwernood boven het middelmatige en blijven niet zelden daarbeneden. In denCouchivindt men wel eens aardige verzen; zoo b.v. deze:

Daer so hadde een worm ghebeten Diepe in ziere rosen blat, So dat nemmermeer dat gat Conde heelen noch genezen.

In denMalegijs, die overigens vooral in den versbouw een ongeoefende hand verraadt, vindt men hier en daar niet onverdienstelijke minne-lyriek[11]. Doch over het algemeen is de oogst van het goede of verdienstelijke uiterst schraal. Hoe zou dat ook anders kunnen zijn, waar de dichters van de beide minst afhankelijke werken telkens toonen hoe weinig zijinhun verhaal zijn. Den vervaardiger van denSeghelijnzien wij telkens het oog afwenden van zijn verhaal en zijne personages, om het op zijn eigen tijd te richten; gewoonlijk wordt hij daartoegedreven door het verlangen om te waarschuwen, te vermanen of te berispen. Hij handelt dan over de trouweloosheid en de kijfzucht der vrouwen, de wellustigheid der mannen; ontraadt zijn publiek, een dief van de galg te bevrijden; hij wekt den dommen mensch op, God te erkennen in Zijne kracht en Hem steeds te dienen[12]. In den romanvan Couchivinden wij evenzoo b.v. een uitval tegen het ridder worden zonder den ridderslag; over den ootmoed, die de vrouwen past; eene bespiegeling over „een crudekijn, heet nijt", in den geest, waarin later WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH zal spreken „van enen cruut ende hiet selve".

Niet bij toeval komt, aan het eind van dit overzicht der ridderpoëzie in verval, de naam van een Hollandschen spreker, die de gemeenten vertegenwoordigt. Die naam is een vingerwijzing naar de dingen die komen. De ridderschap als instelling had uitgeleefd, maar niet vergeefs geleefd. Trouw aan den heer; eergevoel, dat geen smet op het blazoen duldde; vereering der vrouw; toewijding, die met mannenmoed desnoods het leven op het spel zette, waar een der ridderlijke idealen te verdedigen viel; begeerte om het leven ook door de kunst schooner en aangenamer te maken—naar zulke dingen had de ridderschap gestreefd. En al heeft zij die slechts gedeeltelijk bereikt, al waren hare handelingen dikwijls in openbaren strijd met hare beginselen, desniettemin hebben die idealen, door haar voor het eerst verkondigd en voorgestaan, als een zuurdeesem ook in het leven dezer volken gewerkt en zijn zij dat blijven doen.

De Fransche roman vanBerte aus grans piésis door ADENET LE ROI omstreeks 1275 gedicht, de Mnl. bewerking kan dus hoogstens uit het laatst der 13de eeuw dagteekenen. (Vgl.Les Epopées françaisesIII, 7). De Fransche roman vanLe Chevalier au Cygne, waarop wij hier het oog hebben, dagteekent uit de 14de eeuw. ZieMnl. Ep. Fragm., bl. 253. Onze vertaling dus ten minste evenzeer. Over den tijd der vervaardiging vanCassamusvgl. ed. VERWIJS, Inl. XXVIII; het Fransche gedicht dagteekent van omstreeks 1312; zie: HOOGSTRA,Proza-bewerking van het Leven van Alexander den Groote, Inl. p. XX; de volledige bewerking derBorchgravinne van Vergyis van 1315; zie vs. 1119 vlgg; de FranscheLohier et Mallartmoet uit de 14de eeuw zijn: zieMnl. Ep. Fragm., bl. 266; de overige werken:Ogier,Malegijs (Maugis d'Aigremont),Huon de Bordeauxbehooren in de Fransche literatuur tot het tijdvak der décadence van de ridderpoëzie (laatst der 13de en aanvang der 14de eeuw) en moeten dus in hun Dietschen vorm ook tot de 14de eeuw gebracht worden; trouwens de geest der bewerkingen zelve wijst ons ook naar dien tijd. Het is ook opmerkelijk, dat b.v. in denMalegijsverscheidene vreemde woorden voorkomen, die men uitsluitend of vooral in werken der 14e eeuw aantreft, zooals: athoer, bolle, calant, tfaliant, fardeel, rabat, respons, mastijn en andere op p. 193, 201, 203, 205, 207. DeSeghelijn van Jeruzalemdagteekent van omstreeks 1333–1350 (zie: Inleiding ed. VERDAM, IV).Van den Borchgrave van Couchiwordt door DE VRIES m.i. terecht in het tweede vierdedeel der 14de eeuw geplaatst; zieTijdschr. v. N.T. en L., VII, 129–131). De romanvan Valentijn en Nameloosvertoont in opzet, samenstelling en bewerking zooveel overeenkomst met de hierboven genoemde, dat ik meen hem tegelijk met de overige hier te moeten behandelen.

[Voetnoot1: no. 1 afgedrukt achter MOLTZER'SFloris ende Blancefloer, bl. 131 vlgg., no. 2 inMnl. Ep. Fragm., XIII; no. 3 uitg. VERWIJSin:Bibl. van Mnl. Lett., 2e afl.; no. 4Mnl. Ep. Fragm.enTijdschr. v. N.T. en L., XII, 241 vlgg.; no. 5 uitg. STOETT in:Klassiek Lett. Pantheon. (Zutphen. W.J. THIEME EN Co).]

[Voetnoot2: Ik bediende mij voor no. 1 van de uitgave door MATTHES inTaal- en Letterbode, VI, 241 vlgg.; no. 2:Madelghijs' Kintsheited. N. DE PAUW; nieuwe fragmenten inTijdschr. v. N.T. en L., XV en XX enRomania, 1897; no. 3–4 inMnl. Ep. Fragm., XI-XII; nieuwe fragmenten inTijdschr., XVII en XI (daarbij te verg. XI, 229 vlgg.).]

[Voetnoot3: DeCouchiis uitgeg. door DE VRIES in:Tijdschr. v. N.T. en L., VII, 97–250. DE VRIES hield dit werk voor eene vertaling uit het Fransch en meende zelfs dat dit „nauwelijks aanwijzing behoefde." Wat hij aanvoert als grond voor zijne meening, is echter zwak (Tijdschr., VII, 124). Alleen de vele hier voorkomende Fransche woorden schijnen grond te geven; inderdaad kunnen zij dat niet doen; in denLimborch,Flandrijs,Seghelijn,Leven van Sint Amanden menig ander,nietuit het Fransch vertaald werk van dezen tijd, komen eveneens vele Fransche woorden voor. Daarentegen wijzen de naamMasebroucen de verklaring van dien naam door den dichter (II, 371–374) er op, dat wij hier een oorspronkelijk Dietsch werk hebben. Ons verhaal behelst eene gansch andere geschiedenis dan die van denChâtelain de Coucyen nergens blijkt dat er nog eene andere Fransche bewerking is geweest. Indien men let op de meerdere zelfstandigheid bij de bewerkers van ridderromans uit dezen tijd, die blijkt o.a. uitLimborch,FlandrijsenSeghelijn, ook uit de andere in den tekst genoemde romans; op de vermenging van verdichting en quasi-historische werkelijkheid, die ook in denLimborchwordt aangetroffen, en op het didactisch karakter van het bewuste werk—dan zal men het met voldoenden grond voor een Nederlandsch werk mogen houden.

Bovendien schijnen nog tot de 14e eeuw te moeten worden gebracht: 1o. een romanvan Cesar, uitgeg. door N. DE PAUW inMnl. Ged., III, 530 vlgg., naar het schijnt uit het Fransch vertaald; 2o. een romanvan Octaviane, door BOENDALE vermeld inDer Leken Spieghel, III, c. 15, vs. 125.]

[Voetnoot4: II, 1681–5; 3017-'9.]

[Voetnoot5:Taal- en Letterbode, VI, 261.]

[Voetnoot6:Couchi, II, 248–250;Seghelijn, vs. 640–2; 3134 vlgg.; 5934.]

[Voetnoot7:Fragmenten(ed. DE PAUW), bl. 69, 71, 75, 81, 85, 129, 133.]

[Voetnoot8: In denSeghelijnpersonages uit de Karel-sage (GAURES enROHAERT); vooral deFlandrijsis nagevolgd, zieInl., VI. Den reus GRAPAERT vinden wij terug in AGRAPART uit denHuge van Bordeeus; een visscher die een hooggeboren kind bij zich neemt, komt voor ook inAiol; SEGHELIJN leeft in het bosch van vruchten en kruiden (2885-'9) gelijk PARTONOPEUS; zijn paard wordt hem, terwijl hij ligt te slapen, ontstolen, zooals Beiaert aan REINOUT. De naam FLORETTE ook inKarlmeinet. De paardenaam Blankaert uitLoyhier en Malaertook reeds inAubri de Borgengoen; de naam van het zwaard Scaerdelijn inVal. en Nam.ook reeds inAiol; de dans van betooverde ridders in denMalegijsook reeds in denLancelot, I, bl. 109, vs. 122–3; NAMELOOS heeft een onzichtbaar makenden ring en knots evenals de dwerg SPYËT; de auteur v.d.Malegijsheeft geput uitPatricius' Vagevuuren denBrandaen(Romania, p. 504). Vgl. voortsMnl. Ep. Fragm., bl. 206, 210, 228. En nog noem ik niet alles.]

[Voetnoot9: II, 5203 vlgg. en 6167-'73.]

[Voetnoot10: Vgl. vs. 1311 vlgg.; 2100 vlgg.; 2124-'47, 2742–2882; 5837–5903; 3318 vlgg.; 6200 vlgg.]

[Voetnoot11:Couchi, II, 195–198;Mal.(fragm. DE PAUW), bl. 77, vs. 130 vlgg.; 79, vs. 141 vlgg.]

[Voetnoot12: Vgl. vs. 182-'5, 202-'5, 4641-'3, 5472-'8, 9792-'4, 10476-'81.]

1. Der Ystoriën Bloeme. Leven van S. Lutgart. Leven van S. Kerstine. Leven van S. Amand. Leven van S. Kunera van Rhenen.

2. Vaghevier van S. Patricius. Boec van den Houte. Legende van het H. Kruis. Theophilus. Beatrijs. Jonitas en Rosafiere.

Evenals de ridderpoëzie is de geestelijke poëzie van dezen tijd ten deele eene voortzetting der vroegere. Dat geldt in de eerste plaats van een aantal heiligenlevens, waarvan enkele misschien uit het laatst der 13deeeuw zijn, andere waarschijnlijk tot de 14deeeuw behooren; een er van,het Leven van Sint Amandis van 1366.

InDer Ystoriën Bloemehebben wij aanzienlijke fragmenten over van een groot werk, dat volgens den proloog de levens der apostelen, der martelaren en confessoren en die van heilige vrouwen en maagden zou bevatten. Slechts de levens der apostelen zijn tot ons gekomen. Om den afgebroken zinbouw, de vrij talrijke assoneerende rijmen en een zeker waas van oudheid dat over dit werk ligt, zou het mij niet verwonderen, indien latere vondsten ons toonden dat het nog in de 13deeeuw is ontstaan; doeh zekerheid daaromtrent is voorloopig niet te verkrijgen. Ook niet omtrent de vraag of een kleine 500 verzen van een dergelijk werk over apostelen en martelaren, als „Sinte Pouwels jonghers", „Sinte Tecla", „Sinte Nasarius en Celsus"deel vanDer Ystoriën Bloemeheeft uitgemaakt. Men zou geneigd zijn, de vraag ontkennend te beantwoorden, omdat de assoneerende rijmen, daar vrij talrijk, hier ontbreken. Het eerste werk is zeker uit het Latijn vertaald, het tweede waarschijnlijk ook, daar het verwijst naar een martyrologium[1]. Uit het Latijn vertaald zijn ook hetLeven van Sinte Lutgartdoor zekeren „broeder GERAERT" en datvan Sinte Kerstine. Voorts hetLeven van Sinte Amanddat vervaardigd is door zekeren GILLIS DE WEVEL, vertaald uit het Latijn, onder gebruikmaking van geschriften als UTENBROEKE'SSpieghel Historiael; en ten slotte mag misschien een gedichtvan Sinte Kunera van Rhenen, „hare gheboerte, hare passie en die verheffinge", ook nog tot de 14deeeuw gebracht worden[2]. De vijf eerstgenoemde werken zullen wel alle uit Zuidnederland afkomstig zijn; het laatste schijnt, naar het dialect te oordeelen, in Gelderland te zijn ontstaan; is dat zoo, dan ligt het vermoeden voor de hand, dat het in Rhenen zelf of de omstreken van dat stadje zal zijn vervaardigd.

Voor de geschiedenis der Roomsche kerk mogen deze heiligenlevens van niet geringe beteekenis zijn—in die der Nederlandsche literatuur kunnen zij slechts een bescheiden plaatsje innemen. In geen dezer werken vindt men iets dat op poëzie ook maar gelijkt en weinig of niets karakteristieks.Der Ystoriën Bloemebevat slechts gebrekkig berijmd proza, de levensvan S. ChristinaenS. Lutgartzijn beide letterlijk vertaald uit het Latijn van THOMAS VAN CANTIMPRÉ en toonen weinig of niets eigens; de verzen in deze beide werken, ten minste inS. Lutgart's Levenzijn beter dan die in de twee eerstgenoemde[3]. Ook de beide andere heiligenlevens, vooral datvan Sinte Kunerahebben voor de geschiedenis der literaire kunst weinig te beteekenen. Van eene reactie tegen de ridderpoëzie, zooals in de geestelijke poëzie van een vroeger tijdvak, is hier weinigte bespeuren. Het eenige van dien aard waarop men zou kunnen wijzen is deze in hetLeven van Sinte Christinagevoegde opwekking:

En neemt meer bispel aen de papen Dan aen riddre ocht aen knapen[4].

Ook zou men hiertoe kunnen rekenen eene vergeestelijking van het koningspel die men vindt in hetLeven van Sint Amand. De samensteller van dat laatste rijmwerk richt zich niet zelden tot zijne hoorders om hen te vermanen, te waarschuwen of te berispen[5]. In die, trouwens weinig beteekenende, deelen van zijn werk vinden wij dus iets eigens. Zoo geeft ook de vertaler derVitavan de H. CHRISTINA op een enkele plaats een bewijs zijner kieschheid[6]. Daarmede hebben wij alles genoemd, wat hier vermelding verdient; eene schrale oogst, zooals men ziet.

Naast deze vertaalde heiligenlevens staan, evenals in de ridderpoëzie van dezen tijd, eenige andere werken, die van meer zelfstandigheid getuigen of inderdaad oorspronkelijk mogen heeten. Een overgang tusschen beide soorten vormt het, waarschijnlijk uit het Latijn vertaalde, gedichtVan den Vaghevier dat sente Patricius vertoghet was[7]. Wij vinden hier eene beschrijving van een tocht naar het Vagevier, die volbracht werd door zekeren ridder, en van al de geheimenissen, door hem in de grot van den H. PATRICIUS op het eiland Ulton gezien. Het verhaal had diepen indruk gemaakt op den bewerker, die ons mededeelt:

... noit en quam mi dicht soe na

doch hij is er niet in geslaagd zijne indrukken te verwerken tot een letterkundig voortbrengsel van eenige beteekenis. Wijmogen de oorzaak der zwakheid van het werk niet zoeken in de opvatting van den dichter, voor wien het Vagevier iets stoffelijks was („materelic"), evenals de pijnen, die de zielen er te doorstaan hadden. Dat was immers de algemeene opvatting dier dagen, die men terugvindt o.a. in een 13de-eeuwsch gedichtLe Purgatoire Seint Patrizvan MARIE DE FRANCE, en zelfs bij DANTE. Maar de bewerker of vertaler was blijkbaar iemand van geringe poëtische vermogens. Niet veel hooger stond de bewerker vandboec vanden houte, een der talrijke middeleeuwsche verhalen over de voorgeschiedenis van JEZUS' kruis. Volgens dit verhaal ontving ADAM'S zoon SETH van den hemelschen wachter bij het Paradijs drie pitten van de vrucht, aan den boom der kennis gegroeid. SETH legde deze pitten in den mond van zijn stervenden vader en begroef ze met het lijk. Uit de drie pitten schoten drie loten op: ceder, cypres en pijnboom, zinnebeelden van Vader, Zoon en H. Geest. DAVID plantte ze over naar Jeruzalem, waar zij opwiessen en samengroeiden tot één boom. SALOMO liet den boom ombouwen om hem bij zijn tempelbouw te gebruiken. Na allerlei lotgevallen wordt deze stam later gebezigd om er een kruis voor CHRISTUS uit te maken.

Naar het schijnt, heeft de bewerker der Nederlandsche legende zijne stof aan het Latijn ontleend en haar vrij zelfstandig bewerkt[8].

Een zwak dichter was ook de man, die eene legendevan het Heilige Kruis, verbonden met een verhaal van Denen in Brabant, heeft berijmd[9]. Blijkbaar kende de auteur dezer legende de vroegere speelmanspoëzie: een koning (hier DAVID BRUCE, koning van Schotland) die wenscht te huwen, die boden zendt tot een anderen koning (MAGNUS van Denemarken) „over mere" om de hand zijner dochter, het uitrusten van een schip—dat zijn, gelijk wij vroeger hebben geziengewone motieven uit de speelmanspoëzie[10]. De prinses, die met dat schip overgevoerd zal worden, sterft onderweg; de Denen durven zonder haar niet in Schotland komen, maar besluiten te landen aan de Brabantsche (Zeeuwsche?) kust en zich daar te vestigen. Op een verkenningstocht komen zij in de buurt van Breda, waar zij eene burcht bouwen, die den naam van Brunensteen krijgt en weldra een roofnest wordt. De roovers maken het ten laatste zoo bont, dat zij op bevel van den hertog van Brabant door den Heer VAN WESEMAELE worden verslagen; hun burcht wordt geslecht.

Deze Denen zijn door den bewerker voorgesteld als Christenen, wat kwalijk past bij hun gansche bedrijf, maar noodig was om verband te kunnen brengen tusschen hunne geschiedenis en die van het Heilig Kruis. In hunne kapel hadden de Denen namelijk een kruis gemaakt, dat na de slechting van den burcht in de kerk van Breda geplaatst werd en daar menig wonder deed.

Misschien is in dit verhaal een nagalm van de rooftochten der Noormannen blijven hangen; zeker is, dat noch in de wijze waarop de beide deelen zijn verbonden, noch in de bewerking van het geheel eenige kunstvaardigheid of iets literair karakteristieks valt op te merken.

Meer van dien aard is er in twee van de drie Maria-legenden, welke uit deze eeuw dagteekenen: de geschiedenisvan Theophilus,van Beatrijsenvan Jonitas en Rosafiere[11]. Dit vers uitBeatrijs:

Goet berou mach als ghewouden#

en deze andere waar sprake is van MARIA:

Wie aen u soect ghenade, Hi vint se, al comt hi spade.

behelzen de kern der beide eerstgenoemde werken. THEOPHILUS komt ten val door eerzucht, BEATRIJS door onkuischheid; beiden krijgen om hun oprecht berouw genade door tusschenkomst van de Heilige Maagd.

THEOPHILUS, een weldadig en aanzienlijk man, om zijne vroomheid geliefd door den bisschop zijner woonplaats, wordt door dezen tot zijn opvolger gekozen. Uit bescheidenheid weigert hij; een ander krijgt de hem toegedachte plaats. Kwaadstokers zetten den nieuwen bisschop tegen THEOPHILUS op; hij wordt van het bisschoppelijk hof verbannen; niemand ziet meer naar hem om. Nu begint zijn strijd; hij vergelijkt zijn vroeger aanzien bij zijne tegenwoordige versmaadheid. Een driftig verlangen naar herstel in zijn vroegeren staat maakt zich van hem meester; elk middel daartoe is hem goed genoeg. De Booze sluipt zijn ziel binnen. Heimelijk onderzoekt THEOPHILUS of er ook iemand in de stad is, die zich bezig houdt met tooverij of gemeenschap houdt met den duivel. Ten laatste verneemt hij, dat er een Jood is die zijne ziel heeft overgegeven aan den Booze en die menig ander daartoe heeft gebracht op hoop van gewin. Te middernacht staat hij stilletjes op en spoedt zich naar het huis van den Jood. Op zijn herhaald aandringen opent deze de deur en verneemt de reden van zijn komst. Indien gij uwen God en uw geloof wilt afzweren, zegt de Jood, dan zal ik u helpen. Den volgenden nacht neemt hij THEOPHILUS met zich naar een „dwerse strate"; daar zien zij zwarte gedaanten die, kandelaars dragend, loopen te zingen. Een hunner aanbidden zij: dat is hun heer LUCIFER. Vóór hem gebracht, kust THEOPHILUS Satans voeten en verloochent God. De Booze belooft hem zijn vroeger aanzien te zullen wedergeven. Dat geschiedt. Maar na eenigen tijd ontwaakt het berouw. Hij zoekt troost en vergeving bij MARIA.

In de tweede helft van het verhaal vinden wij zijne weeklachten tot de Heilige Maagd, eene verheerlijking van hare goedheid, hare samenkomsten met den berouwvollen zondaar en de vergiffenis, die zij voor hem weet te verwerven. Ten slotte biecht THEOPHILUS wat er met hem gebeurd is aan den bisschop en sterft kort daarna.

Deze geschiedenis bemoedigde BEATRIJS, toen zij, op hare beurt in zonde gevallen, berouwvol haar hart voor de Heilige Maagd uitstortte. Zij was eene hoofsche schoone non, die in een klooster den dienst van kosteres getrouwelijk waarnam. Maar de duivel, die ons dag en nacht belaagt, doet het vuur van den wellust in haar hart ontgloeien, zóó dat zij meent te zullen bezwijken. Met vasten en bidden gaat zij den Booze te keer; vergeefsch is haar strijd. Zij weet, dat zij moet vallen. Een brief van hare hand aan een minnaar, een vriend harer jeugd, brengt dezen in het klooster. Nog acht dagen, dan zal hij wederkomen met mooie kleeren voor haar en geld voor hen beiden. 's Nachts vindt zij haar vriend in den kloostertuin. Zij verkleedt zich onder eene wilde roos, hij tilt haar vóór zich in den zadel; nu begint het te dagen in den oosten; onder het zingen der vogels rijden zij het bosch in.

Zeven jaren lang leven zij in een vreemd land en krijgen twee kinderen. Dan blijkt het geld verteerd, zij vervallen tot armoede, de armoede verjaagt de liefde—bij den man. Heimelijk verlaat hij haar en hunne kinderen. BEATRIJS kent geen ambacht; hoe zal zij voor hare kinderen zorgen? Zich zelve geeft zij prijs. Zeven andere jaren worstelt zij zóó door, in schande en kommer. Dan doet het berouw zijne stem luider en luider hooren. Zij walgt van hare kostwinning. Bedelend trekt zij met hare kinderen terug naar haar land en haar klooster en wordt uit barmhartigheid opgenomen door eene weduwe, die bij het klooster woont. Op hare vraag naar de kosteres BEATRIJS verneemt zij, dat deze nog altijd in het klooster haren dienstgetrouwelijk verricht. Een wonder is geschied: MARIA zelve heeft den dienst waargenomen voor de zondige non, die altoos, ook in de dagen van zonde en schande, haarAve Mariais blijven bidden. Diep ontroert dat bericht de zondares. In tranen en gebeden brengt zij nu hare nachten door. Is er vergeving voor haar? „Maria, vrouwe, in een vurigen oven zou ik kruipen, mocht ik daardoor vergiffenis verwerven." Eene stem in den nacht verkondigt haar, dat MARIA zich haars ontfermt; zij moet zich heimelijk naar het klooster begeven; de deur, waardoor zij eens is ontvlucht, zal open staan. Zij treedt de kerk binnen; daar ligt haar kloostergewaad op het altaar en hangen de sleutels der sacristie waar zij die had opgehangen dien laatsten keer vóór hare vlucht. Het uurwerk slaat middernacht; als vanzelf grijpt zij het klokketouw en begint te luiden voor de metten; daar komen de nonnen afgedaald van den dormter en alles gaat als vroeger. De abdis heeft zich, op verzoek der weduwe, die waant dat de moeder heimelijk gevlucht is, met het onderhoud der kinderen belast. Maar altijd blijft BEATRIJS bezwaard met het geheim van haar zondig leven. Een visioen in den slaap brengt haar eindelijk tot volledige biecht aan een abt bij zijn jaarlijksch bezoek aan het klooster. Evenals de bisschop in het verhaal van THEOPHILUS, maakt ook de abt de geschiedenis openbaar; doch anders dan de bisschop, verzwijgt hij den naam van haar, wie deze dingen gebeurd zijn.

Zooals reeds uit het overzicht dezer twee verhalen kan zijn gebleken, wint deBeatrijshet van denTheophilusin belangwekkendheid en volheid van leven. THEOPHILUS is een der velen van wie in de middeleeuwen het verhaal ging, dat zij zich aan den duivel verkocht hadden; in de middeleeuwsche literatuur is dat niets bijzonders; met het oog op dat punt van overeenkomst de figuur van THEOPHILUS naast die van FAUST te plaatsen, heeft weinig zin. Alles hangt ook hier afvan de wijze, waarop een dichter eene dergelijke stof behandelt. Wat heeft deze, ons onbekende, dichter van zijne stof gemaakt? Naar het schijnt heeft hij andere bewerkingen der Theophilus-sage, die in deActa Sanctorum, de Latijnsche metrische bewerking van MARBODUS, bisschop van Rennes, en eene Fransche van GAUTHIER DE COINSY, gekend en gebruikt. Daardoor wordt de oorspronkelijkheid van zijn werk binnen vrij enge grenzen beperkt. Echter heeft hij binnen die grenzen toch werk geleverd, dat, hoe ongelijk ook, hier en daar verdienstelijk mag heeten. Niet zelden schrijft hij passages waar gang en warmte in zijn, zoo b.v. THEOPHILUS' bede om verschoond te mogen blijven van het bisschopsambt en zijne berouwvolle weeklachten; levendig is het eerste onderhoud met den Jood en belangwekkend naar den inhoud dat nachtelijk „manscap doen" aan den Booze. Maar daartegenover staan te veel andere deelen van het verhaal, waar onze belangstelling niet gaande wordt gehouden, de wijdloopigheid ons verveelt, de dichter beneden zijn onderwerp blijft.

Voor een deel moet de zwakheid van zulke deelen natuurlijk worden toegeschreven aan het middelmatig talent van den dichter; voor een ander deel waarschijnlijk ook hieraan, dat hij niet zóózeer in zijne stof verdiept was als een kunstenaar zijn moet om iets goeds voort te brengen. Meer dan eens laat hij zijn verhaal in den steek om zich te richten tot zijne tijdgenooten, om hen te berispen of te vermanen; zoo o.a. waar hij klaagt over het gebrek aan nederigheid, waar hij zich keert tegen de huichelaars, waar hij uitweidt over het onheil, door booze tongen aangericht[12].

Anders dan de auteur vanTheophilus, was de, eveneens onbekende, dichter vanBeatrijsgeheelinzijn verhaal. Hij moge in den aanvang terloops een blik slaan op de hedendaagsche nonnen, en elders—begrijpelijk in eene Maria-legende—met een paar woorden opwekken tot het bidden van een „Ave" wanneer men MARIA'S beeld voorbijgaat—doorgaans toont hij zich geheel vervuld van zijn verhaal en weet ons daarvan vervuld te houden.

Blijkbaar was de stof den dichter bekend geworden door mondelinge overlevering, geen voorbeeld bond of belemmerde hem en die vrijheid van beweging is aan zijn werk ten goede gekomen.

Welk een gevoelige ingetogen kunst valt hier te bewonderen in de wijze waarop de schoone non is uitgebeeld in haar strijd met den vleeschelijken hartstocht, met „Venus die duivelinne" zooals het liedvan Heer Daniëlkenhet uitdrukt. Zij heeft gevast en gebeden, zich gekastijd—alles tevergeefs; zij meent te zullen sterven in dien strijd. Voor MARIA'S beeld stort zij nacht en dag hare klachten uit; wat baat het? Zij vreest krankzinnig te zullen worden.

Echter hield des dichters vroomheid zijne verbeelding hier gestadig in toom. De schoonheid der non beschrijven, acht hij niet oorbaar; haar leven als „ghemene wijf" gaat hij voorbij. Op één plaats vlamt de hartstocht op: wanneer de gelieven onder vogelgezang in het heldere licht door de groene velden en de bosschen rijden en de jonkman BEATRIJS verlokken wil om af te stijgen en zich minnelijk naast hem neer te vlijen in het gras, vaart zij, beleedigd in hare kieschheid, tegen hem uit: een dorper alleen zou zoo iets voorstellen! Maar, toorn van gelieven is hernieuwing van liefde; bedwongen hartstocht doet haar zeggen:

Waric in hemelrike gheseten, Ende ghi hier in ertrike, Ic quame tot u sekerlike.

Zelf schrikt zij van die opvlamming en bidt God om vergiffenis; zij haast zich erbij te voegen dat de minste vreugdevan den hemel verre staat boven alle aardsche genot. Wijs zijn zij, die daarnaar streven; „maar desniettemin moet ik in zonde vervallen om der wille van u, schoone lieve vriend." Duidelijker nog zal deze strijd tusschen vroomheid en hartstocht worden voor wie in de allerbevalligste Fransche novelleAucassin et Nicoletteeene dergelijke uiting, hier van een minnaar, vergelijkt met die van BEATRIJS en ziet hoe teugelloos de hartstocht daar voortschiet[13]. Met naïef-teedere intuïtie heeft de dichter ons het gevoel van beklemdheid getoond, dat BEATRIJS bevangt onder het rijden, als de dag gaat doorbreken en hare gedachten terugvliegen naar het klooster, waar zij anders „priemtijt" zou hebben geluid. Welke bevallige miniaturen zien wij in dat tooneeltje der beide gelieven aan weerszijden van het getraliede venster en later in den boomgaard! Hoe goed zijn ook de bouw en de evenredigheden dezer novelle, die door hare zachte bevalligheid de forscher schoonheid van denKarel en Elegastnaar de kroon steekt.

Geen wonder dat zulk een verhaal indruk maakte, dat men den invloed er van gewaar wordt in het derde bovengenoemde Maria-verhaal: vanJonitas en Rosafiere. JONITAS, een jong en vroom ridder, tevens vurig vereerder van MARIA, is verloofd met de schoone ROSAFIERE. Op last van MARIA zegt hij haar echter vaarwel; ROSAFIERE, onder een ongunstig gesternte geboren, moet haren vader een kind baren en zeven jaren lang een zondig leven leiden. JONITAS trouwt nu „t'Oriënten" ROSAFIERE'S zuster EGLENTINE. In den bruidsnacht neemt ROSAFIERE, met toestemming harer zuster, EGLENTINE'S plaats in. Zij weet hare kuischheid te bewaren en JONITAS het geheim van hare toekomst te ontlokken. Op haar verzoek brengt hij haar in een klooster van Grauwe Nonnen, waar zij portierster wordt. Haar vader keert terug uit den oorlog tegen de Sarracenen, verneemt waar zij is, verkoopt zijne ziel aan den duivel, dringtmet Satan's hulp het klooster binnen en maakt de voorspelling tot waarheid. JONITAS brengt ROSAFIERE naar een ander land, waar zij zeven jaren lang een zondig leven leidt. Nadat die zeven jaren verloopen zijn, brengt hij haar terug in haar klooster en verneemt, dat MARIA al dien tijd ROSAFIERE'S dienst heeft waargenomen. ROSAFIERE zal abdis worden, JONITAS met zijne echtgenoote spoedig in het hemelrijk worden opgenomen.

Reeds uit dit overzicht zal gebleken zijn, dat dit verhaal op een paar punten overeenkomst vertoont met dat vanBeatrijs[14]. Andere deelen er van vindt men in andere middeleeuwsche dichtwerken terug. Zoo is het b.v. opmerkelijk, dat wij het motief der dochter, die haren vader ontvlucht om bloedschande te ontgaan, aantreffen juist in een paar Fransche Maria-mirakelen van dezen tijd[15]. Een ander motief: het verwisselen eener bruid in den bruidsnacht, treffen wij aan o.a. in de geschiedenisvan Tristan, in dievan Baerte metten breden voetenen een Fransch „conte dévot"[16]. Ook de romanvan Limborchschijnt den vervaardiger van dit Nederlandsch werk niet onbekend te zijn geweest[17].

De wijze, waarop deze en andere bestanddeelen van dit verhaal zijn verbonden, getuigt evenmin van eenig letterkundig talent als de bewerking van het geheel.

Zoolang wij omtrent dit rijmwerk niet meer gegevens hebben dan nu, is niet met voldoende zekerheid te zeggen of het inderdaad nog tot de 14deeeuw behoort, evenals de twee overige Maria-verhalen; inhoud, taal en dichttrant maken het m.i. wel waarschijnlijk, doch het zou ook wel uit den aanvang der 15deeeuw kunnen dagteekenen. Al ware dit bewezen, dan nog zoude het hier niet misplaatst zijn als een half-geestelijke, half-ridderlijke, onaanzienlijke nabloeier der vroegere poëzie.


Back to IndexNext